Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
Versteend sta ik op deze aarde met lange rok en omslagdoek die hij strak rond mijn borsten speelde, omdat dat van de wereld moet. Zo ben ik opgevoed.
Mijn ogen hebben iris noch pupil. Dus kijk ik maar naar binnen, wil al wat buiten voorvalt binnen horen.
Van wat ik waarneem ligt rondom mijn mond een lach bevroren, die daar maar vriezen blijft. Ontdooi me, tooi me met een hoed van bloemen en lange stengels in m’n lijf.
Endymion
je komt in al mijn dromen om wat bij te praten, in mijn tuin te zwijgen, ruggespraak te houden over een feest dat je tezijnertijd zult geven
wat ik destijds verzweeg, vertel ik je: blij dat je er bent, ik regel alle dag en geef je heel mijn schijn van licht in wisselende vorm; donker slibt achter ons dicht
maar lang al voor de zon opkomt, word je doorschijnend, blauw als ijs, verdwijnt het beeld perfect als jou vermomd je komt in al mijn dromen om
Tuin met uitzicht
Ik heb mij hoger gesetteld dan doorgaans, ben stapel op wolken lucht en zo meer. Nee, nee ik kijk
niet op u neer, heb nog te veel weet van gemodder, moeizaam gewroet daarbeneden. Maar ik
hecht nu eenmaal sterk aan het weidse, een buigzame wuivende blik op het leven, wil een lusthof zijn
voor wie mij betreden en een dak voor degenen die bijna als mollen onder mijn wortels schuilen
voor het extreme. Hierboven en tussen de huizen ontvang ik blijmoedig
eenieder met uitzicht, een zetel om genietend te zitten te kijken te lezen.
Ik geef niet de pauken de schuld – ze hebben honger. En de snaredrums – ik weet wat ze willen – die zijn ook leeg. En de dreunende basdrums – die hebben het meeste honger van allemaal… De huilende speren van het noordwesten verstommen. De wiegeliedjes van het zuidwesten krijgen een kans, een moederlied. Een wiegemaan komt tevoorschijn uit een gescheurd gat in de voddenhemel.
Vertaald door Frans Roumen
Carl Sandburg (6 januari 1878 – 22 juli 1967) Portret door William Arthur Smith, 1961
“Eva Koning ligt in de bosjes. Tegenover de apotheek aan de Bilderdijkstraat in Amsterdam. Het is droog, niemand kan haar zien. Haar dagboek heeft ze bij zich, zoals altijd. Dinsdag 3 september 1996, kwart voor twaalf ’s avonds. Met ballpoint noteert ze dat het nog niet rustig is op straat. `Veel fietsers en voetgangers? Ze schrikt van een passerende politiewagen. Eva Koning heeft een prettig handschrift. Meisjesachtig, de letters bol en rond. Regelmatig vind ik verdroogde plukjes shag tussen haar bladzijden. Soms ook een blaadje, grasspriet of geplet insect. Gisternacht heeft ze een voorverkenning gedaan. Met hond Banjer, die ditmaal thuis is gebleven. Vermoedelijk slaapt hij. Net als Henk, haar man, die op een kantoor werkt en vroeg op moet. Hij weet niets van haar nachtelijke escapades. Ze constateerde gisteren dat de apotheek geen rolluik heeft. ‘Met een glassnijder en een brok steen moet het lukken! Inmiddels is het halfdrie en veel rustiger, ze komt in beweging. De volgende dag is het dagboek in beslag genomen, ze schrijft met potlood op een stukje papier dat later is ingeplakt. Ze bevindt zich in een psychiatrisch centrum. ‘Het plan is mislukt, de glassnijder was bot? Met de steen ramde ze op het raam. Omwonenden hoorden het en belden de politie. Moeder Marleen is teleurgesteld, dat viel te verwachten. Het is niet haar echte moeder. Haar echte moeder bestaat wat Eva Koning betreft niet meer. Marleen Spaargaren is een fictief personage uit de boeken van Jan Mens, ooit de best verkopende schrijver van Nederland. In haar jeugd begon Eva Koning de Kleine Waarheid-trilogie van Jan Mens te lezen. Op de boerderij in Hoofddorp, waar haar drankzuchtige vader en sadistische broer Rolf tekeergingen terwijl haar moeder, Helleveeg noemt ze haar, goedkeurend toekeek. Helleveeg deed zelf geregeld ook een duit in het zakje. Door haar af te ranselen met de pollepel. Door de deur dicht te gooien als haar vingers ertussen zaten. ‘Daar word je hard van; riep ze dan.”
The Masque of the Magi (James Elroy Flecker), Andreas Altmann
Bij de viering van Driekoningen
De aanbidding der koningen door Hendrick De Clerck, ca. 1610
The Masque of the Magi
Three Kings have come to Bethlehem With a trailing star in front of them. MARY What would you in this little place, You three bright kings? KINGS Mother, we tracked the trailing star Which brought us here from lands afar, And we would look on his dear face Round whom the Seraphs fold their wings. MARY But who are you, bright kings? CASPAR Caspar am I: the rocky North From storm and silence drave me forth Down to the blue and tideless sea. I do not fear the tinkling sword, For I am a great battle-lord, And love the horns of chivalry. And I have brought thee splendid gold, The strong man’s joy, refined and cold. All hail, thou Prince of Galilee! BALTHAZAR I am Balthazar, Lord of Ind, Where blows a soft and scented wind From Taprobane towards Cathay. My children, who are tall and wise, Stand by a tree with shutten eyes And seem to meditate or pray. And these red drops of frankincense Betoken man’s intelligence. Hail, Lord of Wisdom, Prince of Day! MELCHIOR I am the dark man, Melchior, And I shall live but little more Since I am old and feebly move. My kingdom is a burnt-up land Half buried by the drifting sand, So hot Apollo shines above. What could I bring but simple myrrh White blossom of the cordial fire? Hail, Prince of Souls, and Lord of Love! CHORUS OF ANGELS O Prince of souls and Lord of Love, O’er thee the purple-breasted dove Shall watch with open silver wings, Thou King of Kings. Suaviole o flos Virginum, Apparuit Rex Gentium. … “Who art thou, little King of Kings?” His wondering mother sings.
James Elroy Flecker (5 november 1884 – 3 januari 1915) De St Stephen church in Lewisham, de geboorteplaats van James Elroy Flecker
betraliede bunkerwanden liggen op de kop van het eiland geworpen, de zee kabbelt zachtjes voort vergane handen hebben enkele veren aan vinger sterke draden gebonden in de steen
na de zomer zullen ze vliegen hier zie je delen van de wortels van onderaf zonder te sterven, steil schilfert de kust af een roestige klok steekt uit het zand
zij is nat, voor haar vergaat deze tijd later heb ik de zwaan voor de veren gevonden zijn kop ontbrak, alleen op zijn lichaam viel het beeld van zijn schaduw te veranderen
Honderd broze botjes breekt de kip in haar lijf. Kleine pijpen die als takjes van de ruggegraat afhangen, en de pijn wordt in een laag van gulden vet gesmoord. Buiten het pluimvee om gaan nu ook decors barsten. Krakend vergaat een wereld van azuur en gips. Het klavecimbel in de maneglans zakt ten leste door zijn poten heen van nachtschade. Wie speelt hoort met de laatste toonladders, een rad van trillers aan de pennen, één voor één de botten gulzig knappen in zijn lichaam.
Monster
Moeizaam maalt hij uit de schoot, het hevig, bloedgeblakerd kind, zonder genade, zonder stilte voor het wit dat hem omringt.
Alle andere kinderen en zijn eigen ouders moeten dood, en zijn gaven moeten glanzend tot volmaaktheid uitvergroot.
Monster dat uit zijn omgeving alle woede in zijn pantser rooft, dat het liefst de schamel toe- gedekte mensheid had gedoofd.
In het licht ontstaat een schub, door geen verpleegster afgedroogd en per minuut groeit het gezonde kwaad en wordt zijn status opgehoogd.
Vierwoudstedenmeer
Blauw besteeg vanuit het meer de bergen; sneeuw lag in een verre kreuk in foetushouding opgerold. Druppels verhuisden daar druppels in hoog tempo. Je wist het zo intens dat het te horen was.
Wat wij vanavond ook nog moesten zien kwam voor de voet gedreven: lichtzeil van boulevards, essentie van een stad.
Hemel en aarde vielen in het water zonder veel omhaal en wij vermagerden daarbij tot twee gezichten, hevig kijkend.
Vader, zie je niet dat ik in brand sta? Zo sprak het jongetje tegen Freud. Maar die was al ingedut. Een kaars in de hand, het hoofd op de borst gezonken, zo
zat hij te knikkebollen en droomde: hij was nog maar een klein jongetje, liep langs de stoeprand, de zon scheen fel, en van boven kwam een adelaar naar beneden en pikte hem de ogen uit.
Hoe moet ik zonder ogen nu dromen krijgen, dacht Freud, hoe moet ik op de stoep blijven? Bij deze gedachte wordt Freud wakker.
Een jongetje, met dodenwakekaars in de hand, buigt zich over hem heen en zegt: Er was eens een man, die nog nooit één enkele droom had gekregen.
Begin jaren negentig probeerde ik de band te overtuigen van de verschrikkelijke uitwerking van de technologische vooruitgang, maar onze drummer zei: ‘Ik geloof jouw onheilsvoorspellingen niet. De eindtijd is al zo vaak aangekondigd. We zullen het wel weer overleven.’ Hij was een weldenkend mens, maar hij vergat dat het voortleven niet per se voor alle soorten zou gelden. ‘Kijk naar de dinosauriërs,’ riep ik, ‘die zijn mooi van de aardbodem verdwenen.’ Maar spoedig bleek mijn ongelijk. Alles kwam terug. De dino’s kwamen terug, zelfs mijn vader stond ineens weer voor onze deur. Hij ging zitten aan de keukentafel en begon te vertellen. Nog steeds dezelfde zwetsverhalen.
Twente
Ik was in slaap gevallen in de laadbak van een pick-up truck. Ik weet niet hoeveel later ik wakker werd. Het was donker geworden. Het voelde alsof ik ergens in Mexico was, maar aan de gevel van een boerderij zag ik dat ik me in Twente bevond. Achter mij schenen felle koplampen op een houten wand. Verderop stond een groepje mannen: donkere silhouetten met hooivorken in hun hand. Ik staarde naar hen en een sterke angst bekroop mij, een oude angst, tot ik blijkbaar bewoog en een klomp van een van de mannen mijn aandacht trok. Het ding schoof met de punt door het zand. En daarmee draaide alles om, het hele universum. Ik keek niet naar hen. Zij keken naar mij.
Anne en Arie
Vannacht in een droom ben ik het strand opgegaan
Vannacht eindelijk een voet buiten dat stille tehuis
Achter de gladde textuur Van mijn ogen, diep in mij, Is een deel van mij gestorven: Ik beweeg mijn bebloede vingernagels Er overheen, hard als een schoolbord, Laat mijn vingers erlangs glijden, De krijtwitte littekens Die zeggen: IK BEN BANG, Bang voor wat er zou kunnen gebeuren Met mij, de echte ik, Achter deze gevangenismuren.
Alle bezoekers en mede-bloggers een gelukkig Nieuwjaar!
Wintergezicht bij Hillegersberg door Herman Bieling, 1933
Een nieuw jaar
Het is bijna zover en een man dacht dat er iets ging beginnen, iets wat niet kon beginnen, niet mocht beginnen, iets met lente. met water, met vrijheid . en een engel sloeg hem neer en zei: er is geen beginnen, er is nooit een begin geweest . en vrijheid werd aan een stuk hout gebonden en losgelaten, zodat iedereen haar kon zien, ze hing hoog in de lucht tussen de wolken, dreef langzaam weg . en de man kroop over de grond, stilstand klemde zich aan hem vast, en hij kromp ineen tot hij een stofje was en met zijn stoffigheid pronkte, lonkte . en het werd zomer, water werd vuur.
Toon Tellegen (Brielle, 18 november 1941)
Onafhankelijk van geboortedata
Januari-droogte
Het hoeft geen vuurmaker te zijn, in deze tijd van het jaar, een sigaret waarmee je twijfelt tussen auto en struiken.
Het perkament van het bos barst bij de eerste windvlaag al open.
Gisteren kwam een grote plataan over First Street en Hawthorne Street en staat er nog steeds.
De kranten zeggen dat het moet gebeuren, al is het maar in kleine beetjes op de asbestgevel. Maar vanavond zijn het emmers vol sterren, zo hard en droog als dubbeltjes.
De voorraad etenswaren voor een maand stapelt zich op in de gootsteen. Thee wordt gezet met water uit een volgelopen bad, en elke dorst die ik heb opgebouwd, wordt gelest met de gedachte aan jou, stukje voor stukje, een kerstcadeau dat verstopt ligt en weken later wordt gevonden: het lint, de doos.
Ik heb een reservoir aan wensen, genoeg om vele nachten in de vrieskou door te brengen.
Vertaald door Frans Roumen
Conor O’Callaghan (Newry, 20 september 1968) Newry
Das alte Jahr vergangen ist (Hoffmann von Fallersleben), Maria Luise Weissmann
Alle bezoekers en mede-bloggers een prettige jaarwisseling ……………………………………………………en een gelukkig Nieuwjaar!
Wintergezicht op Veere door Lucie van Dam van Isselt, ca. 1920 – 1925
Das alte Jahr vergangen ist
Das alte Jahr vergangen ist, Das neue Jahr beginnt. Wir danken Gott zu dieser Frist, Wohl uns, daß wir noch sind! Wir sehn auf’s alte Jahr zurück, Und haben neuen Mut: Ein neues Jahr, ein neues Glück! Die Zeit ist immer gut.
Ja, keine Zeit war jemals schlecht: In jeder lebet fort Gefühl für Wahrheit, Ehr’ und Recht Und für ein freies Wort. Hinweg mit allem Weh und Ach! Hinweg mit allem Leid! Wir selbst sind Glück und Ungemach, Wir selber sind die Zeit.
Und machen wir uns froh und gut, Ist froh und gut die Zeit, Und gibt uns Kraft und frohen Mut Bei jedem neuen Leid. Und was einmal die Zeit gebracht, Das nimmt sie wieder hin – Drum haben wir bei Tag und Nacht Auch immer frohen Sinn.
Und weil die Zeit nur vorwärts will, So schreiten vorwärts wir; Die Zeit gebeut, nie stehn wir still, Wir schreiten fort mit ihr. Ein neues Jahr, ein neues Glück! Wir ziehen froh hinein, Denn vorwärts! vorwärts! nie zurück! Soll unsre Losung sein.
Hoffmann von Fallersleben (2 april 1798 – 19 januari 1874) Schloss Fallersleben, met op de benedenverdieping het Hoffmann-von-Fallersleben-Museum.
Jij oud geworden jaar: zo op ’t eind belust, Haast je snel en sneller. Je verlangt naar rust In een diepe, grenzeloze dood. Maar zie: ik haast me sneller, naar het rood Van de nieuwe ochtend, voor jou uit. O kom! Ga over! Wis uit, wis uit! Wat getekend is, belast, bevlekt met grote moeheid, met pijn bedekt — Verga— ik word. Sterf—en ik vermag Op te staan: O nieuwe, reinste dag!
Vertaald door Frans Roumen
Maria Luise Weissmann (20 augustus 1899 – 7 november 1929) Vuurwerk boven het oude stadhuis in Schweinfurt, de geboorteplaats van Maria Luise Weissmann
“Naar bed. Eindelijk. Zoals meestal stelt Barbara voor naar boven te gaan, ook dat geduld heeft hij weten op te brengen. Ze klapt haar boek dicht; hij laat het zijne zakken. Al een paar uur lukt het hem heel behoorlijk zijn gewone zelf te spelen, de kalme, tevreden echtgenoot die ondanks een lange werkdag de rust en concentratie vindt om dertig, veertig bladzijden te lezen in een honderd jaar oude roman. Met dank aan de spierverslappers. Zonder had hij het niet volbracht, in zijn hoek van de bank, een kuil die zich tijdens hun Sakhalinse regime gevormd heeft naar zijn inerte kont. Hij zou om de halve alinea hebben opgekeken of zelfs zijn opgestaan om door de kamer te ijsberen, Barbara afschepend met smoesjes over zijn werk. Maar nee, hij heeft zijn blik onverstoorbaar op The Secret Agent gehouden, in de gewoonlijke stilte, onderworpen aan ramp- en contrascenario’s, ramp en contra, ramp en contra, de hele tijd, Barbara’s sterke, nietsvermoedende voeten op zijn schoot, soms onder zijn knieholten. Ze heeft de neiging ze gestadig tegen elkaar aan te wrijven, de hoge wreef van de ene tegen de zool van de andere, onbewust, zegt ze, wat een huiselijk maar hinderlijk geschuur teweegbrengt. Zo kan hij niet lezen. Net als op gewone avonden greep hij er eentje bij de bal vast, spartelende tenen in haar brandschone sok, en adviseerde de voet zoals je een peuter zou toespreken zijn krachten te sparen voor wanneer er weer gelopen moest worden, zijn stem gewoon genoeg om haar flauw te laten glimlachen. ‘The Reef,’ zegt ze proevend. ‘Mja. Goeie Wharton, onderschat, zegt mijn gevoel. In zekere opzichten beter dan Mirth en Innocence.’ ‘Want?’ ‘Vertel ik boven, ik ben heel moe. Ben jij niet moe?’ ‘Valt mee,’ zegt hij. Ook weer om normaal over te komen, pakt hij het boek uit haar hand, krabbelt over het linnen, en bladert er wat in. Reef, denkt hij, is dat geen klip? Iets waaraan een schip zijn romp kan openrijten? Nu hem zijn publieke steniging is aangezegd, kan zijn betrekkingswaan ermee uit de voeten. Wat met The House of Mirth en The Secret Agent overigens ook geen probleem is. Hij streelt het leeslint. Maar hij zal zich niet laten stenigen, heeft hij zichzelf tijdens de urenlange stilte bezworen, niet vanwege een oude koe, en zeker niet door Orthel. Niet nu nog.”
de vlieg schiet over mijn vingertoppen ik heb je naast me horen ademen weerlichten, dan een eerste bliksem ik heb tot vierentwintig geteld dan heet het dat er een dode door de kamer is gegaan, ik heb de koude luchtstroom bemerkt .. hoe kan het zijn, is mijn bloed dan zo zoet dat die mug, die ik ergens vaag vermoedde, de hele nacht mijn lichaam niet meer losliet
„Niemand weiß, wo Adelinas Unglück seinen Anfang nahm, aber vielleicht begann es lange vor ihrer Geburt, fünfundvierzig Jahre vorher, um genau zu sein, an der Universität in Graz. Dort hatte ihr Großvater, ein Mann namens Angelo Mazzerini, während seines Studiums der Rechtswissenschaften die verbotenen Schriften von Cesare Battisti gelesen, und von da an verehrte er die Karstlandschaft Istriens als heiligen Boden, hasste er das Imperium, den österreichischen Kaiser und seine Henker. Für den Studenten aus Triest fand jede Frage ihre Antwort in der Geschichte, und mit Barzini sah er seine Heimatstadt als Bollwerk der römischen Zivilisation. Ohne den Abwehrkampf an der Adria hätten die Slawen längst das Abendland überrannt. Die Habsburger, deren Untertan er war, stützten diese Horden mit ihrem Geld, ihren Waffen und ihren Gerichten. Italiener wie er, Abkömmlinge eines Weltreichs, hatten im Himmel einen Verbündeten, auf Erden standen sie seit fünfzehnhundert Jahren alleine im Kampf gegen die Vernichtung. Ungeheure Mächte hatten sich verschworen, um die Latinität auszurotten, wie es in Dalmatien geschehen war, und wenn viele in Triest ihn für verrückt hielten, dann nur, weil sie sich von Wien hatten kaufen lassen. Als Italien im Mai 1915 Österreich den Krieg erklärte, befand sich Angelo auf Urlaub in seiner Heimatstadt, und nach einer schlaflosen Nacht, in der er sich betend an Fortunatus wandte, den Patriarchen von Grado, der sich im achten Jahrhundert ebenfalls gegen ein Imperium, gegen Byzanz, gestellt hatte, zerriss er den Einberufungsbefehl des Kaisers und verließ im Morgengrauen, ohne von seinen Eltern Abschied zu nehmen, die Wohnung an der Via dell’Istria. Über Udine, Padua, Ferrara und Bologna kam er bis nach Rom. Dort schloss er sich als Freiwilliger den Granatieri di Sardegna an und wurde nach einer dreiwöchigen Ausbildung an die Front bei Monfalcone verlegt. Beim Sturm auf die österreichischen Stellungen erlitt er eine Beinverletzung, und die Monate darauf, bis zu seiner Genesung, saß er als Leutnant der Territorialmiliz in den Bergen bei Garda ab, bevor man Angelo in ein Regiment versetzte, das im Mai 1916 auf der Hochebene bei Asiago fast vollständig aufgerieben wurde. Mit einer Tapferkeitsmedaille in Gold nahm er unter dem Herzog von Aosta an der Schlacht von Caporetto teil und kehrte nach dem Waffenstillstand von Villa Giusti im November 1918 in seine Heimatstadt zurück.“
“Kort nadat mijn vrouw en ik begin april 2014 in ons huis waren getrokken, probeerde een paartje boerenzwaluwen een nest te bouwen op het terras. Hun pogingen mislukten echter keer op keer doordat de modder niet bleef plakken aan de houten balken van het dak. Inderhaast hing ik een kunstnest op dat ik uit België had meegenomen en al binnen een dag begon het paartje de binnenkant ervan met strootjes en veertjes te bekleden. Een week later had het vrouwtje haar eerste ei gelegd. In mijn verbeelding hoorde ik haar een zucht van verlichting slaken. In de volgende jaren kwam er een tweede en een derde paartje bij, hun – soms zelfgemaakte – nesten keurig verspreid over de breedte van het terras, één aan de linkerkant, één in het midden en één aan de rechterkant, telkens een meter of drie ertussen. De paartjes keerden jaar na jaar terug (met 14 februari als vroegste datum) of werden na wat schermutselingen door een ander paartje afgelost. De nesten telden telkens twee legsels met vier tot vijf jongen. Cijfers heb ik nooit bijgehouden, maar alles bij elkaar moeten hier in acht jaar meer dan honderd jongen zijn geboren en uitgevlogen. En als dank weerklonk de hele lente en zomer vrolijk gekwetter op het terras. Toen mijn moeder in januari 2021 ernstig ziek werd, was ik voor het eerst een langere periode onafgebroken in België. Het huis bleef ruim een maand leeg achter, het terras was al die tijd verlaten. Twee paartjes boerenzwaluwen waren al teruggekeerd voor ik half april vertrok, het derde nest was een jaar eerder leeg gebleven. Ik hoopte bij mijn terugkeer een nieuw paartje te mogen verwelkomen. Mijn moeder stierf op 7 mei 2021. Ze zwaaide nog een laatste keer naar ons en vertrok voorgoed. In de dagen tussen haar dood en haar crematie maakte ik lange wandelingen in natuurreservaat De Maten in Genk, aan de rand waarvan ik enkele jaren gewoond heb. Een zwarte specht toonde me van dichtbij haar rouwkleed. Een roerdomp liet zijn weemoedigste roep horen. Vanaf een duin staarde ik naar het water van een ven dat de hemel weerspiegelde.”
op deze dag was het stil in berlijn jij was al enkele uren geleden uit het huis vertrokken ik voelde me enigszins ontspoord en had verhoging en een tijdje met de benen omhoog liggen ik hield de hoorn vast en kreeg verbinding en hoorde in het haperen van de tijd de klokken luiden verderop in het westen luid en duidelijk alsof ze naast me hingen. ik zakte langzaam in elkaar en dacht ik ruik de rijn weer en hoorde het water om me heen klotsen en wou nog niet geboren zijn en wat van de andere kant kwam klonk als gedempte radiostemmen achter een groot en donker membraam .. ik hield de hoorn vast en liet niets merken en hoorde hoe jij met de sleutel kwam en slikte nog iets en wil niet sterven toen was de opwinding weer voorbij het was een vrije dag begin oktober aan het gesprek waren geen kosten verbonden.
„Montag, 14. Februar 2022. Die Mutter sitzt in ihrem Sessel, den Rücken zum Fens-ter. Sie trägt keine Maske, und sie wird keine aufsetzen; die Pandemie hat sie von Anfang an nicht verstanden. Seine eigene Maske hat Morjan schon abgenommen. Ein Besuch damit ist völlig undenkbar. Jetzt muss er es sagen, und er tut es: »Hallo, Mama!« Der Text könnte kaum simpler sein, aber er muss den richtigen Ton treffen. Es muss klingen, als käme er gerade von der Schule nach Hause. Ein freundlicher Gruß, aber eigentlich die Aufforderung, heiter zu sein, von Sorgen nicht zu reden und nicht danach zu fragen. »Hallo«, antwortet die Mutter. Es fehlt der Name. Kein Richard, das ist ein schlechtes Zeichen. Womöglich hält sie ihn heute wieder für ihren Vater oder ihren Ehemann oder ihren Bruder, alle tot seit vielen Jahren. Morjan setzt sich ihr gegenüber. Zwischen ihnen steht der runde Tisch, der noch aus dem Elternhaus stammt. Soffy legt sich darunter, den Blick zur Tür gerichtet. Sie meidet die Mutter; vielleicht weiß sie auf ihre Art, dass etwas mit der alten Frau nicht stimmt. Die Mutter ihrerseits nimmt niemals Notiz von der Hündin. Sie meidet Themen, in denen sie sich nicht auskennt, und die gibt es wahrlich zur Genüge. Morjan trägt Anzug mit Hemd und Krawatte, weil er gleich noch einen offiziellen Termin hat. Jeans, kariertes Hemd und Parka wie damals zu Schulzeiten wären besser. Manchmal helfen sie der Mutter, ihn als den zu erkennen, der er ist: ihr einziges Kind. Doch wichtiger ist sein Gesichtsausdruck. Der muss unbedingt zum Tonfall der Begrüßung passen: ein unironisches, entspanntes Lächeln. Die Mutter missversteht die ganze Welt, aber Gesichter kann sie noch lesen, natürlich nur ohne Maske. Morjan beherrscht dieses Lächeln, aber es fühlt sich falsch an. »Ach«, sagt die Mutter. »Gut, dass du kommst« Das sagt sie immer. Was dahintersteckt, hört Morjan an der Melodie. Sie kann es sagen, als käme jemand, von dem sie einen guten Rat erhofft. Heute sagt sie es so, als hätte man sie in der Wildnis ausgesetzt. »Was gibt es denn?«, sagt Morjan durch sein Lächeln hindurch. »Die«, sagt die Mutter. Aber schon ist da eine Lücke. Man hat ihr etwas angetan, aber sie weiß nicht mehr, wer das war. »Die haben mich —« Weiter kommt sie nicht. Sie hat die Täter vergessen und die Tat Aber dass man sie verletzt oder missachtet oder beleidigt hat, das weiß sie, und davon wird sie sich nicht abbringen lassen, erst recht nicht durch Sätze wie den, etwas könne nicht schlimm sein, wenn man es so schnell vergessen habe.“
Burkhard Spinnen (Mönchengladbach, 28 december 1956)