Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
The sin of great and yet untimely bliss brings punishment and pain the sinner weathers. Above that great Icarian abyss, I am a woman dressed in wax and feathers.
The wax will melt. I’ll fall into the sea and struggle, overwhelmed by your deep ocean. The uncalled anguish of this thirst in me I’ll only cure by your divine devotion.
The window now shows autumn. Life persists. Forget the past and make a firm decision. You are prepared for deadly turns and twists. In this world we could not avoid collision.
With Your Eyes You Said
“Beloved.” With your eyes you said the word. Within our souls a struggle had awoken. And like the ring of crystal hardly heard, the things we didn’t say were left unspoken.
The train of life sped on beyond back then. The silence screeched like brakes unduly broken. So many words were scribbled down in pen. The things we didn’t say were left unspoken.
Night turned to day, and day turned into night. Fate wobbled on the scales with every token. The words rose like the sun in me, so bright — The things we didn’t say were left unspoken.
O Slake My Thirst Upon Your Voice
To slake my thirst upon your voice, upon that stream of loving madness, that jubilation and that sadness, to taste strange magic and rejoice. To listen in attentive rapture so keenly I forget my thought. To wrestle free of quiet’s capture with jests so desperately sought. To drink your words as if to borrow the strength I’ll need to break the dull and unintelligible sorrow of the inevitable lull. To let our sudden silence sever our words from us as if by choice. And so defenselessly forever to wait to savor your sweet voice!
Hoe ingelukkig staan de sprookjeskijkers!
Hoe ingelukkig staan de sprookjeskijkers! Mijn hart springt op als plotsklaps ik ontwaak. ’t Is winter, Perzië, sering gelijkend, geen vogel die haar nu onveilig maakt.
Mijn ijspaleizen, torens diepgevroren, en waar ik ben, heel even geen idee – ginds in mijn kindertijd, verhalen horend, ben ik in Irpin’, ’t rijk van Berendej?
Heel even geen idee dat dit mijn raam. ‘k Bezie de dennenwereld vol verbazing. Dan ben ik ijlings wakker. En je naam vervult mijn hart met smart en zonnestralen.
Tussen blind en alziend woont een stam waarvan de leden enkel omlaag kunnen kijken. Hun horizon, twee meters in ’t rond, verschuift bij iedere pas. In de rotsbodem hebben voorouders pijlen gekrast naar de beek, de heldere, koele. Als de indianen zich oprichten duizelt het hun de wereld wordt duister:
In liefde ontbrand voor een paar voeten en dijen lopen ze levenslang hand in hand. Schaduw verschijnt en verdwijnt. Het is een raadsel.
We gingen vroeg naar bed, kortste nacht, langste dag
We gingen vroeg naar bed, kortste nacht, langste dag. Shasta Merilyn, spamhaai, zij schreef me een brief.
Langste dag, de natuur herstelt zich van de lente: moedereend Candy wordt bij een aanval van meeuwen van zes kuikens beroofd. Eén blijft nog, die is voor de snoek. Wij gingen vroeg naar bed, de zon scheen door de gordijnen. Weer lukte het niet. Hoe ver moet je gaan om in de buurt te komen? Het wordt alweer dag.
De jonge bruidegom springt uit het bruidsbed, danst de tent die zijn hemelse vader hem spande. Na één dag op, afgeleefd ligt ’s nachts het jongetje bij zijn voedster. Bij het eerste licht springt de bruidegom het bed uit, rent de aarde bijzijde.
Het gefluister van de voedster, spraak zonder klank, ware kennis. Eunuch met doorgesneden stembanden, bevoegd het meetlint te dragen. De dag vertelt het de nacht, de nacht fluistert.
Shasta moet blijven schrijven of ze zakt naar de bodem. Ze moet blijven schrijven zonder omwegen: ‘Tired of wasting uncountable $ to grow your Penis but result not what you expect? our magic pills can give you length you deserved.’ Dit gaat in een heel vreemde taal over mij, vreemde mij. Welke lengte verdien ik?
Zijn woorden eng wanneer ze zwijgen, Wanneer ze loeren in de stilheid, Wanneer je de juiste moet kiezen, maar er is niets onaangeroerd.
Door woorden werd iemand gekweld, begon ermee en moest het einde maken. Miljarden mensen hebben iets gezegd, alleen jij moet ze voor het eerst gebruiken.
De schone en de lelijke werden al herhaald. En alles was: bloeitijden en vervallen. Poëzie is toch altijd ongeëvenaard, het is de aanraking met onze zielensnaren.
Vertaald door Olia Sokovykh, Kateryna Chamieieva en Iryna Vasyfrk
Ik kom je tegen in een eerder leven, of een ander heden, het is om het even. Dit wilde ik je nog zeggen, zeg ik. Jij luistert, knikt, alsof je het begrijpt. Reikt mij je hand.
We zitten naast elkaar en zwijgen. Onze wereld is geheel en rond, zal nooit verdwijnen. Kijk, zeg je, dit was het dan. De tijd raast voort achter de dijken. Ik kan niet blijven.
Stille getuige
De witte stoelen. Een zomer die niet kwam. In de schemer lijkt het wit zo wit, sacraal, maar ook sinister.
Alsof hier mensen waren die voorgoed verdwenen zijn. Stille getuigen die blijven zwijgen.
De witte ligstoel, jij. Gekreukeld kleed met rozen. Bij het hek, de man die wacht. Op jou, op mij.
Schaduw is mijn grond
Camera op statief. Hier zie ik het niet, zeg je. Jij zoekt zoals een dichter kijkt. Tot het gevonden wordt, of niet.
Onrustig loop je rond. Barmhartig schijnt de zon. Het licht is kil, er ligt een schim. Schaduw is mijn grond.
Is het moment voorbij? Beeld van wat had kunnen zijn? Bittere kou, niemand nabij. Boven je macht fotografeer je mij.
Wie ben ik dan? Jij meet het licht, de sluitertijd. Voor mij een kleine eeuwigheid. Hier blijf ik achter
Rense Sinkgraven (Sint Jacobiparochie, 17 maart 1965)
„Anna lag genau im Lichtstreifen, den der Vollmond ins Zimmer warf. Tim blieb draußen vor dem Haus stehen. Durch das bodentiefe Fenster sah er sie ausgestreckt auf dem Fußboden wie in einem Lichtrahmen. Sie hatte die Arme an den Körper gelegt und die Augen geschlossen. Als sie sich gerade kennengelernt hatten, waren sie einmal nachts mit den Fahrrädern ans Meer gefahren und weit hinausgeschwommen, um das Mondlicht zu durchqueren, um zu wissen, wie es sich anfühlte, da hindurch zuschwimmen. War es ein Knistern im kühlen Wasser? Er versuchte, sich zu erinnern. Sie lag da im Rahmen wie ein Bild, und er rührte sich nicht draußen vor der Fensterscheibe. Das Mondlicht war hell und weiß, da kam es ihm vor, als wäre der Boden eine Marmorplatte, Anna unbewegt und still. Er ging schnell weiter zur Haustür und öffnete sie leise. Im Ofen glühte ein Holzscheit. Mitte Mai war es noch einmal kühl geworden. Vor dem Ofen lagen im Kreis: ein Paar Socken, eine Espresso-Tasse mit Zuckerdose, ein Haarband, der Plan für die kommende Woche, wie Anna ihn immer anlegte, und ein Taschenbuch, «Einführung in den Koran». Sie kam aus ihrer Mondlicht-Ecke heraus, und sie setzten sich auf den Dielenboden. Sie war noch benommen von ihrer Entspannungsübung, und er sah auf den Wochenplan, eine A4-Seite im Querformat. Für morgen stand dort WARZT, 8:30. Ein Termin bei dem Hautarzt, der seit Wochen ergebnislos gegen die Warzen auf den Füßen ihres Sohnes Elias ankämpfte. Für heute Nachmittag hatte sie ein «J» fürs Joggen eingetragen. Als er auf das Buch über den Koran blickte, fing sie an zu reden: Als sie für Elias «Räuber Ratte» kaufte, habe sie das in der Buchhandlung mitgenommen, weil sie das Gefühl habe, so wenig zu wissen. «Ich verstehe nicht mal die Schaubilder zum Klimawandel bei Spiegel ONLINE. Und abends sitze ich vor einem schmalen Ofen in einer dunklen riesigen Welt und habe keine Ahnung, was im Koran steht, nicht im Geringsten.» Sie schlürfte den Bodensatz aus ihrer Espresso-Tasse. Tim sah sich das Inhaltsverzeichnis an.“
Ik zal sterven in Parijs bij zware regen, op een dag waaraan ik mijn herinnering al heb. Ik zal sterven in Parijs – en ik voel geen angst – misschien op een donderdag, als vandaag, in de herfst.
Donderdag zal het zijn, want vandaag, donderdag, terwijl ik deze verzen schrijf, heb ik gebroken de botten aangedaan en, vandaag als nooit tevoren, heb ik me weerom gezien, met heel mijn weg, alleen.
César Vallejo is dood, iedereen sloeg hem hoewel hij hen niets deed, ze ranselden hem hard met een stok en hard
ook met een touw; getuigen zijn de botten en de donderdagen, de eenzaamheid, de regenbuien, de wegen…
De Nigeriaanse dichter en schrijver Ben Okriwerd geboren op 15 maart 1959 in Minna, Nigeria. Zie ook alle tags voor Ben Okri op dit blog.
Uit: Songs of Enchantment
“YES, THE SPIRIT-CHILD is an unwilling adventurer into chaos and sunlight, into the dreams of the living and the dead. But after dad’s last fight, after his magnificent dream, my adventures got deeper and stranger. My spirit-companions were the invisible causes of this deepening. They persisted in trying to lure me back to their realm, but now they chose another method, a method more terrifying than any they had employed before. They chose to draw me deeper into the horrors of ex-istence as a way of forcing me to recoil from life. But they didn’t count on the love that made me want to stay on this earth. They didn’t count on my curiosity either. It took dad a long time to recover from his mythic battle with the man from the Land of Fighting Ghosts. He became withdrawn, and something about him changed irrevocably. After dad’s fight, and after the good wind stopped blowing, a new cycle launched itself into our universe. In those days it didn’t rain, but I didn’t go to school any more. I stopped be-cause even at school my spirit-companions tormented me. Their songs distracted and confused me, and when I copied down the wrong things I got into trouble. There was a history class, for example, in which the teacher was horrified to find my exercise book covered in complex mathematical equations. I didn’t know where they had come from. When we were being taught mathematics under a dying silk-cotton tree the face of a penitent oppressor of our people stared at me from the trunk. On one day I saw the radiant face of Pharaoh Akhnaton, on another the faces of the unborn. When I stared at them, mesmerised, the teacher flogged me for not paying attention. In the English class my spirit-companions sang polyphonic chorales at me in a blending of seven traditional languages. It became impossible to concentrate. There were even times when the spirits whis-pered things in my ears and I blurted out what the teacher was going to say mo-ments before he did. The worst thing was that I seemed to know our examination questions before they were set, and I knew the answers as well. The teachers found this very peculiar. Suspicious of the accuracy of my answers, they often failed me because they thought I had been cheating. In short, my spirit-companions played havoc with my education. They made me seem strange to the other children, and so I didn’t have many friends.”
Rode inkt wordt in wit water gegoten. In het avondlicht keert Odysseus terug naar huis in Ithaca. In zijn parken spelen de kinderen van vreemden.
Hij stelt een vraag die jullie moeten begrijpen: Waar zijn de lichten van het uitgebrande Chicago? Hij stelt de vraag veelbetekenend, baardig en zwaarlijvig.
Boven zijn haar zoemen muggen van de bosrand. De lijnen die ze trekken gloeien als venkel in de wind. Uit het bos sjouwen mannen houten emmers met boomhars.
Aan de horizon klinkt onophoudelijk een scheepshoorn.
„Auf einer Rückreise aus dem englischen Südwesten erwischte ich in Dover nicht mehr die Fähre, die ich eigentlich hatte nehmen wollen, sondern erst die folgende, und kam damit schon am sehr fortgeschrittenen Abend in Ostende an. Dort plagte mich der Hunger, und da ich wusste, dass ich ohnehin erst mitten in der Nacht nach Hause kommen und um diese Zeit selbst in Köln wohl kaum noch etwas zu essen finden würde, fuhr ich mit dem Auto erstmals in meinem Leben die endlos lange Promenade mit ihren zahllosen Restaurants ab. Unglücklicher-weise handelte es sich gerade um die Wochen im Jahr, in denen die meisten von ihnen geschlossen hatten, bevor sie rechtzeitig vor Weihnachten zur Wintersaison wieder öffneten. Nur sehr wenige waren erleuchtet, und als ich zögernd das einladendste von ihnen betrat, den Old Fisher, wäre ich am liebsten gleich wieder gegangen, denn es saß dort kein einziger Gast. Am Meer isst man bekanntlich zeitig, weil der Appetit schon am frühen Abend kommt: eines der unabdingbaren Kapitel in der großen Erzählung von der Heilkraft des Meeres und der Seeluft. Es ging auf halb elf zu, ich war ersichtlich zu spät. Doch eine Frau in den Dreißigern, mit rötlichen Locken, wasserblauen Augen und einem leichten Rosenteint, als sei sie einem Gemälde von Franwis Boucher entsprungen, kam auf mich zu und bedeutete mir freundlich, Platz zu nehmen. Ich wählte einen Tisch direkt am Fenster und ahnte hinter der menschenleeren Promenade im Dunkel das Meer. Ich meine mich zu erinnern, dass ich ein Seezungenfilet aß. Es war nicht die ganz große Küche, aber ausgezeichnet zubereitet und präsentiert, wie in Belgien nicht anders zu erwarten, zu einer Zeit, als man in (West-)Deutschland das Essen als kulturellen Akt gerade erst zu entdecken begann. Niemand schien ungeduldig darauf zu warten, dass ich fertig wurde; auch meinen Kaffee konnte ich in aller Ruhe trinken und mich von einem sehr anstrengenden Tag erholen, der frühmorgens noch in Dorset begonnen hatte. Fast schien es mir, als sei dieses Restaurant an diesem Novemberabend nur für mich geöffnet gewesen und habe den ganzen Tag auf mich gewartet. Deshalb bleibt es für mich bis heute eines der besten der Welt. Dann fuhr ich zwei Stunden lang über die bekannten hell erleuchteten belgischen Autobahnen, verfuhr mich auch nicht im verknoteten Wirrwarr des Brüsseler Autobahnnetzes, fiel an der Grenze bei Aachen in die Dunkelheit zurück und war eine weitere Stunde später zu Hause.“
I’d like to donate a rib to an anatomy workshop. There one finds the giant hearts of butchers and lovers, the sagging and bloated lungs of smokers, trumpeters and glass-blowers, the melancholy innards of drunks, a tattooed order of a hero (right above the nipple) and the hands of the last executioner after the twelfth sentence… Not another word about the rest of the creatures. I’d like to donate a rib. Perhaps something would come out of it — a fish, or a woman, or a branch of a forgotten tree gingko…
Heorgian Family
Kikabidze, she said, firmly, His name was Kikabidze.
What a ridiculous idea – to buy a prostitute a beer at 2 a.m., pretending to be a businessman from the Baltic States on delegation in Kiev!
On the other hand – what a chance to listen to what these people know about the country they live in, about those who will never live in it, about those who won’t be able to live at all.
They killed him, she tells me, he stuck his nose into lots of things, he was the best journalist in our country.
I can’t correct her mistake, I can’t know how it really was, what his name really was.
I just want to believe in my own lie: I am a businessman from the Baltic States (yes, a businessman from the Baltic States!), and all day long in this country I’ve got to sign contracts, drink to them, down coffee, Cognac, sip Atenol, send faxes and text messages to get out of here all the sooner and back to my Riga.
And she repeats and repeats:
Kikabidze, Kikabidze was his name.
In het thuisland van Roodkapje
Men zegt dat er in januari niemand komt. Geen ziel te bekennen in het paleis of de bijgebouwen, hangsloten op de deuren, tuinplanten in zakken, de beelden eveneens, de bomen kaal. Ik heb het ergens eerder gezien.
Maar in mei bloeit alles met patiënten. Hele stoeten Duitsers op rolschaatsen, op fietsen. Verliefde stelletjes, de eerste brigade gepensioneerden in korte broeken. Oh, en nog eentje, een kunstenaarsgemeenschap, een nest van romantiek! Ze kopen frisdrank in de orangerie en, eindeloos verrukt door de uniekheid van de plek, de tijd, zichzelf en anderen, volgen ze het programma verder – naar het standbeeld van Roodkapje. (Blijkbaar vond in dit bos dat ongelukkige incident met de wolf plaats).
Wat de patiënten zelf betreft, ze trekken drie keer per dag naar het terras op het afgesproken tijdstip, volgens het programma van het naar binnen schrokken van eten, en vullen de tijd met gesprekken in alledaagse talen (Bettina von Arnim, zeggen ze, Bettina von Arnim. Dat is het wachtwoord). Het is hier zo mooi, in mei, dat je niets wilt doen.
“Bettina von Arnim” – zeg ik tegen het wijnglas en tegen de asbak. O, wat heb ik een pech! O, wat ben ik toch ondankbaar! En waarom dit ongemak? En waarom blijf ik zo koppig denken aan ontsnapping, aan een dwangbuis, aan gestreepte gevangenispyjama’s?
Niemand weet wat hij van iemand kan verwachten. Dat is tenslotte waarom we patiënten zijn – om de boel op stelten te zetten.
De eerste drie dagen merkte niemand zijn verdwijning op.
Op de vierde dag vroeg iemand zich af waar hij in vredesnaam gebleven was, die joviale dikbuikige Fin met zijn gulp permanent open en de geur van bier onder zijn oksels. (Bovenstaande details zullen uit beleefdheid niet hardop worden uitgesproken. Natuurlijk zal er iets gezegd worden, iets neutralers, zoals bijvoorbeeld “En waar is onze Finse vriend?”)
Op de vijfde dag is het tijd voor het personeel om zijn kamer leeg te halen.
En dan komt de waarheid aan het licht.
Vertaald door Frans Roumen
Yuri Andrukhovych (Iwano-Frankiwsk, 13 maart 1960)
Uit: De cirkel (Vertaald door Gerda Baardman, Liedwien Biekmann, Brenda Mudde en Elles Tukker)
“Mijn god, dacht Mae. Dit is het paradijs. De campus was immens en grillig, een explosie van Stille Oceaan-kleuren, en toch tot in het kleinste detail zorgvuldig overwogen, door de meest expressieve handen vormgegeven. Op een stuk land waar ooit een scheepswerf had gezeten, toen een drive-inbioscoop, toen een rommelmarkt, toen drie keer niks, bevonden zich nu zachtgroene heuvels en een fontein van Calatrava. En een picknickterrein met in concentrische cirkels opgestelde tafels. En tennisbanen, gravel én gras. En een volleybalveld waarop de peuters van de bedrijfs-crèche gillend ronddartelden, meanderend als waterstroompjes. Te midden van dit alles was ook nog plek om te werken: anderhalve vierkante kilometer geborsteld staal en glas, het hoofdkantoor van het machtigste bedrijf ter wereld. De hemel erboven was strakblauw. Dit alles passeerde Mae toen ze van de parkeerplaats naar het hoofdgebouw liep en erg haar best deed eruit te zien alsof ze daar thuishoorde. Het wandelpad kronkelde om citroen- en sinaasappelbomen heen en de steenrode kinderkopjes waren hier en daar vervangen door tegels met dwingende, inspirerende teksten. ‘Droom’, stond er op een, het woord was er met een laser ingebrand. ‘Doe mee’, stond er op een andere. Het waren er tientallen: ‘Zoek de overeenkomsten’. ‘Wees creatief’. ‘Fantaseer’. Ze stapte bijna op de hand van een jongen in een grijze overall; hij was bezig een nieuwe steen te plaatsen met de tekst ‘Adem’. Op een zonnige maandag in juni stond Mae voor de hoofdingang, recht onder het glas waarin het logo was geëtst. Hoewel het bedrijf nog geen zes jaar bestond, hoorden de naam en het logo — een cirkel om een raster van verstrengelde lijnen met een kleine c in het midden — al tot de bekendste ter wereld. Er werkten hier, op de grootste campus, meer dan tienduizend mensen, maar de Cirkel had overal op de aardbol kantoren en nam iedere week honderden briljante jonge geesten aan. Vier jaar op rij was het uitgeroepen tot het meest bewonderde bedrijf ter wereld. Mae wist dat ze zonder Annie nooit de kans zou hebben gekregen om op zo’n plek te werken. Annie was twee jaar ouder en ze hadden tijdens hun studie drie semesters een kamer gedeeld in een lelijk gebouw dat ze leefbaar hadden gemaakt door hun bijzondere band, een als tussen vriendinnen, als tussen zussen of nichtjes die wilden dat ze zusjes waren en dus een reden hadden om nooit uit elkaar te gaan.”
“We maken schoon om ruimte te creëren voor kunst.” Micaela Miranda, Freedom Theatre, Palestina
Werk was een stralend toevluchtsoord toen de wind zijn tanden in mijn hoofd zette. Alles waar we van houden verdwijnt, drijft weg – maar je kon dit stukje vloer vegen, dit terras of deze veranda, witte steentjes verzamelen in een emmer, het stukje grond harken voor toekomstige beplanting, het aanrecht afwissen met een doek. Een heerlijke natte grijze doek, wring hem goed uit het scheelt zoveel. De tuin ontdoen van rondwaaiende stukjes plastic. De glorie van het doen. De adem van het doen. Soms voorkwam de simpelste handeling dat angst verbrokkelde tot een totaal gebrek aan energie, of dat verdriet zich vermenigvuldigde, of dat verdriet de enige persoon was die in het huis woonde.
Vertaald door Frans Roumen
Naomi Shihab Nye (St. Louis, 12 maart 1952)
De Nederlandse schrijver, columnist, programmamaker en danser Raoul de Jongwerd geboren in Rotterdam op 12 maart 1984. Zie ook alle tags voor Raoul de Jong op dit blog.
Uit: Dagboek van een puber
Geen van mijn vrienden kan zich herinneren wat zij in hun puberdagboeken schreven: twee gooiden hun dagboeken weg, een derde had het zijne verbrand en een vierde duwde het hare door de papierversnipperaar. Toen ik in de zomer van 2017 op de zolder van mijn achtentachtigjarige opa een eenentwintig jaar oud schrift vond, snapte ik waarom ze dat hadden gedaan. Sinds mijn oma is overleden, blijf ik soms een paar dagen bij mijn opa logeren. Overdag werk ik dan achter mijn laptop aan de eettafel, terwijl opa in een gemakkelijke stoel naast het raam de krant leest en commentaar geeft op het wereldnieuws. Dat is elke dag iets anders, maar komt geruststellend genoeg al drieëndertig jaar toch ook op ongeveer hetzelfde neer: het gaat slecht, het wordt slechter en er is niets wat wij daaraan kunnen doen, behalve klagen. Om stipt zes uur eten we: aardappelen, groenten, en iets uit de bio-industrie. Daarna doen we de afwas en zetten koffie, de rest van de avond kijken we tv. Tros Radar, Kassa, of iets anders over bedonderaars en bedriegerij met Antoinette Hertsenberg. Om elf uur begin ik te gapen en zeg dat ik morgen weer vroeg op moet. ‘Weet je waar de handdoeken liggen?’ vraagt opa dan. ‘In de kast naast de badkamer, al mijn hele leven,’ antwoord ik, en ik geef hem een kus en ga naar de zolder. Maar die avond zei opa: ‘De schoonmaakster heeft een doos gevonden.’ ‘Goh,’ zei ik. Ja, knikte hij, ‘met dingetjes. Van jou.’ Als ik er vanavond even naar keek, konden we de doos morgenochtend bij het vuilnis zetten. De doos stond al op me te wachten, pontificaal op het hoofdkussen van mijn logeerbed. Ik deed hem open en werd bruusk geconfronteerd met een krantenknipsel uit het Dep Dagblad van 2003. ‘Over tien jaar woon ik in Amsterdam of New York, heb succes met mijn werk en heb tienduizend nieuwe, leuke, hippe vrienden, onder wie Katja Schuurman’ stond onder een foto van mijn achttienjarige zelf, die druipend van zelfoverschatting de camera in kijkt. Ik kieperde de doos leeg en vond: — drie boetes en één aanmaning van de Ns — een nooit verstuurd kaartje aan een vriendin (ik ben op vakantie met mijn moeder, gezellig dat het is!!!) — een kaartje voor een concert van No Doubt .”
Ich bin das Land, das ohne Hoffnung ist, Mit Gräberkreuzen neben jedem Weg Und schief im Kräuticht, das die Ernte frißt, Gedünst von Blut im Boden, trüb und träg.
In meinen Städten hängt die Sonne still Wie ein Geschwür, von Fliegen dicht umflort. Ich bin der Kehricht, drin die Ratte schrill Vor Hunger pfeift und nur der Käfer bohrt.
Ich bin das Land, das man durch Tränen sieht. Im Aug bleib ich als bittres Salz zurück, Lieg unterm Netze, das der Himmel zieht, Und fall ins tiefe Schweigen, Stück um Stück.
In meinen Wäldern lösen sich im Schrei Die alten Geister. Und die Hölzer schwelen, Vom Monde krank und blinder Zauberei. Die Vögel flattern mit verbrannten Kehlen;
Und heiser wie der Wetterfahnen Ton Fliehn ihre Stimmen an des Tages Rand Zu Wolken auf, in denen Gifte drohn. Verdammt bin ich und der Vampire Land.
Ich bin das Land, das im Gerichte steht, Und allen Ländern bin ich das Gericht. In meinen Schwären, die ich hergedreht, Werd ich gerufen in das letzte Licht,
Ins Licht von drüben, wie es unverwandt Einst auf mir ruht und mich nach oben zieht: Das unter Qualen umgeworfne Land, Das Totenland, das man durch Tränen sieht.
TERZINEN VOM FRÜHEREN EINVERSTÄNDNIS MIT ALLER WELT
Erinnerungen sind Jagdhörner Deren Ton im Winde vergeht. Apollinaire
Zerbrechlich wie die Fabel Welt, So ritt ich auf des Windes Nacken, Den Oberon zusammenhält.
So ritt ich auf des Windes Nacken: Ein grüner Schatten ohne Laut, Befreit von meiner Schwere Schlacken.
Ein grüner Schatten ohne Laut. Ach, von den Fischen trug ich Flossen Und atmete durch Tigerhaut!
Denn von den Fischen trug ich Flossen. Mein Geist erheiterte sich still. Vom Gleichmut tausendfach genossen,
Erheiterte der Geist sich still, Mit allen Wesen einverständig, Zypressenfeuern, Asphodill.
Mit allen Wesen einverständig, Beharrlich, ohne Ungeduld, Und wie das Flötenholz lebendig.
Beharrlich ohne Ungeduld. Kein Kartenspiel der Schwermut mehr: — Wie Süßigkeit, die frei von Schuld
Verschwendet sich im Ungefähr …
Robinson I
Keer op keer strek ik mijn hand uit naar een schip. Met mijn blote vuist probeer ik het zeil te grijpen. Eerst ving ik verschillende vaartuigen die aan de horizon verschenen. Zo vang ik forellen. Maar de moesson keek mij op de vingers en liet ze ontsnappen, of roer en kompas braken. Je moet voorzichtig met schepen omgaan. Daarom riep ik hun namen na. Ze luidden altijd als die van mij. Nu leef ik alleen nog in gezelschap van de ongehoorzaamheid van een paar woorden.
Vertaald door Frans Roumen
Karl Krolow (11 maart 1915 – 21 juni 1999) In het midden Karl Krolow met rechts naast hem Günter Grass, 1975
Een keer per week groet ik ’s morgens de dingen in de Reekstraat. Het is net als in het gedicht van Paul van Ostaijen, ‘Marc groet ’s morgens de dingen’.
Dag ventje met de fiets op de vaas met de bloem ploem ploem dag stoel naast de tafel dag brood op de tafel dag visserke vis met de pijp
In mijn geval: Dag meisjes op de fiets met de rugzakken op weg naar school kool kool dag opblaasboot in de sloot dag taxibussekebus dag bevroren landbouwgrondje dat te koop staat
Dat ik de dingen groet in de Reekstraat komt door de struis- vogels. Met hen is het begonnen. Dag struisvogels! Ik weet niet precies of ze nu met vijf, zes of zeven zijn, ook al ben ik er hon- derden keren langs gereden. Soms volgen ze me, met hun kop- pen, die net boven de bovenste draad uit komen. Ze kijken dan net zo ongeïnteresseerd als ze waarschijnlijk in Tanzania zouden doen. Soms zie ik ze op de grond pikken en dan vraag ik me af of ze eten zoeken of een gat waar ze hun kop in kunnen steken. Een struisvogel is een raar beest. De grootste vogel die be- staat, die het hardst kan lopen van alle vogels, maar vliegen ho maar. En dan die lange nek, buigzaam als gekookte spaghetti. En dat allemaal op de Reekstraat, met op de achtergrond een berg die het goed zou doen in Afrika. Als je het niet zou weten zou je denken: wat een eigenaardige maar mooie berg. Je kunt er vast iets symbolisch in zien, in die struisvogels in een weitje op de grens van Beuningen en Weurt, vlak voor een afvalberg. Maar dat doe ik niet. Het zijn gewoon struisvogels. En die groet ik, iedere week. Daa-ag struisvogel. Dag lieve struisvo- gel. Dag fijn struisvogelijn mijn.
“11.07 A.M. The Apartment The Gym. HE PREPARES his body for the hunt. A dancer at the bar. A boxer in the ring. Prepares ritualistically for the next three days of outlaw sex. The arena will be streets, parks, alleys, tunnels, garages, movie arcades, bathhouses, beaches, movie back-rows, tree-sheltered avenues, late-night orgy rooms, dark yards. The city is Los Angeles. Beyond the window of his apartment, yellow-green palmtrees stand aloofly. Later they will watch distantly as he prowls through the floating sexual under-ground. He is stripped to sweat-faded cutoffs. His pectorals are already pumped from repetitions of dumbbell presses on a bench, inclined, flat, then declined; engorged further by dumbbell flyes extending the chest muscles into the sweeping spread below the collar. His “lats”—congested from set after set of chin-ups—slow, fast, wide-grip, medium-grip, weights strapped about his waist for added resistance that will allow him to do only half-chins as the muscles protest-flare from armpits to mid-torso. His legs are rigid from squats held tense at half-point. Round, full, his arms are hard, hard from sets of curls, the dumbbell an append-age of strength and power in his hands. The horseshoe indention at his triceps is engraved sharply by repetitions of barbell extensions. Now the barbell—chrome, red-collared—rests at his feet. Dark weights are bal-anced harmoniously on each side of the bar. He bends over, jerking the bar widely in one move to his shoulders, and barely pausing, lifts it over his head and lowers it behind his neck. The deltoid muscles waken in welcome shock. One repetition, an-other, and another. Eight. Nine. Ten. He reverses the motions, places the bar at his feet. Breathing deeply, he moves away from the bar for thirty seconds only. Sweat coats his body like oil and stains the cutoffs at his groin. Deliberately he avoids the mirror on the wall. That crucial encounter comes only at the last. He does another set of standing presses with the loaded barbell, heavier now with added dark round plates. Seven sets in all, decreasing repetitions, adding weight each set. “
Aan het einde van een ongewoon warme dag Oudjaarsavond 2017 stond ik in mijn keuken met één houten lepel in mijn hand.
Mijn moeder keek tv in de woonkamer en at appels, crackers en kaas. Mijn kleinzoon sliep in een kinderwagen in een rustige achterkamer. Ik was familie van beiden, negentig en één jaar oud. Ze waren vredig. En dat was het. Het mooiste moment van mijn leven.