Dalyan begon zich te ontwikkelen als toeristenplaats nadat in de omgeving de internationale luchthaven Dalaman was aangelegd. Met de opkomst van het toerisme veranderde de werkgelegenheid in het gebied. Waar de dorpsgemeenschap vroeger hoofdzakelijk leefde van visserij en katoenteelt, is de toeristenindustrie nu de voornaamste bron van inkomsten. De katoenteelt heeft er plaatsgemaakt voor boomgaarden met citrusvruchten en granaatappels. Er is een grote bootcoöperatie die toeristen naar het strand en excursiebestemmingen brengt.
Kaunos
De ruïnes van Kaunos zijn per boot goed te bereiken. In de rotswand boven Kaunos hebben de Kariërs in een nagenoeg Lycische stijl een aantal indrukwekkende grafmonumenten uitgehouwen. De gevels zien eruit als van een oude Griekse tempel. De graven zijn gezien vanuit zee aan de achterkant van de berg gesitueerd; dit om de doden te beschermen tegen vijandige invallen. Vanuit de haven van Kaunos bereikt men de overblijfselen van de antieke stad. Enkele gebouwen uit de tijd na de Karische periode staan nog bijna geheel overeind. Er zijn een Romeins theater, een agora, een luxe badhuis en een Byzantijnse kerk te bezichtigen.
Sultaniye is een plaatsje aan de zuidwestkant van het meer van Köyceğiz. Er zijn daar bronnen met zwavelhoudend warm water van ±40 °C. Het water bevat ook een groot aantal andere mineralen. De plek wordt bezocht vanwege de vermeende heilzame werking van het water en staat in Turkije bekend als kuuroord. In het zoete water van het meer en in de Dalyanrivier komt een grote waterschildpad voor. Deze Afrikaanse weekschildpad kan een meter groot worden, net zo groot als de in de zee voorkomende onechte karetschildpad die het symbool van Dalyan is geworden.
Het Meer van Köyceğiz
Het Meer van Köyceğiz is van vulkanische oorsprong en ligt ten noordwesten van Dalyan. Aan de noordrand van het meer ligt het plaatsje Köyceğiz, langs de weg van Dalaman naar Muğla. Aan de oevers van het meer groeien oosterse amberbomen (Günlük).
Iztuzu-strand
Bij Iztuzu ligt een 4,5 kilometer lang zandstrand. Een aantal onechte karet- of dikkopschildpadden komt elk jaar vanuit Amerikaterug naar dit strand om hun eieren te leggen. Dat gebeurt in de periode van mei tot oktober. De vrouwtjes leggen 's nachts op het strand hun eieren in een gat in het zand (ongeveer 50 cm). Na plusminus 2 maanden komen de jonge schildpadden uit hun eieren en kruipen naar de zee. Op het strand is een strook van een aantal meters gereserveerd waar het verboden is om parasols en ligstoelen neer te zetten, te graven of badhanddoeken neer te leggen. De zone moet verstoring en beschadiging van nesten tegengaan.
Er zijn meerdere modderbaden in Dalyan die men kan bezoeken waar je wel even moet wennen aan de zwavelachtige geur, maar je wel daarna een stuk jonger voelen. Eén van de bekendste is in Sultaniye aan het meer van Köycegiz. Er is daar ook een thermaal bad met warm water van ongeveer 40°C.
Dalyan is een gemeente in het Turkse district Ortacaen telt 4848 inwoners.Van oorsprong is het een klein vissersdorpje aan de Turkse zuidkust. De plaats ligt aan de Dalyan rivier, die het Meer van Köyceğizverbindt met de Middellandse zee.
Het toponiem dalyan betekent viskering of viskwekerij. Van oudsher worden delen van de rivier afgeschermd met gaas en netten zodat de vis, vooral zeebarbelen, na het paaien in het Meer van Köyceğiz niet naar open water kan terugzwemmen. De jonge vis wordt vervolgens in viskwekerijen opgekweekt voor consumptie.
De Dalyan rivier vormde in de oudheid de natuurlijke grens tussen de grondgebieden van de Lyciërs en de Kariërs, twee volken die sterk door de Griekse cultuur beïnvloed waren. Het in de nabijheid liggende dorpje Kaunos was rond de vierde eeuw een belangrijke stad van de Kariërs. Er zijn uit die periode een aantal monumentale rotsgraven bewaard gebleven. Vanuit bijna elke locatie aan de rivier zijn deze graven zichtbaar.
De Dalyan delta is een moerasgebied. Daardoor zijn er in bepaalde tijden van het jaar veel muggen. Honderd jaar geleden kwam hier nog veel malaria voor.
De aloude heerschappij lijkt nog steeds te gelden in Shimla, de hoofdstad van de provincie, en de voormalige zomerresidentie ten tijde van de Britse overheersing. Shimla, op een hoogte van 2130 meter, is nog altijd één van de meest populaire bergsteden
Shimla was tijdens de gurkha's een kleine onbetekenende nederzetting. In 1864 werd Shimla officieel de zomerhoofdstad van Brits-Indië. Elk jaar verhuisde de Brits-Indische regering van de drukkende hitte in Calcutta of Delhi naar de koelere hoogten van Shimla
Kufri
Deze kleine bergpost ligt zo'n 16 km vanaf Shimla, op een hoogte van 2622 meter. Het is reeds lang bekend om zijn ski-hellingen en zijn uitzichten. Je kunt hier door dichte cederbossen de Mahasu piek oplopen, je kunt de kleine dierentuin bezoeken of je kunt naar Chail rijden.
Dalhousie
Deze, zich over een breed gebied uitspreidende bergpost, is gesticht door lord Dalhouse als een sanatorium; en dus naar hem genoemd. Het is gelegen op de ver afgelegen hellingen van het Dhauladhar gebied in de Himalaya, en is verspreid over vijf bergen - Kathlog, Portreyn, Moti Tibba (voormalig bekend als Tehra), Bakrota en Balun. Er zijn hier enkele geweldige wandelroutes. Dalhousie is een uitstekende plek om wollen sjaals en Tibetaanse kleden te kopen. Het is bovendien de doorgang naar Chamba, de vallei van melk, honing, bronnen en rivieren
Dharamshala
Deze kleine bergpost - het tijdelijke hoofdkwartier van de Dalai Lama - is gebouwd op een spoor, komend vanuit het Dhauladhar gebied. Het ligt op 1250 meter hoogte, bezit dichte spar- en cederbossen, vele rivieren, gezonde koele lucht en een spectaculaire omgeving. De lieflijke kerk van st. John, midden in de wildernis, is de laatste rustplaats van Lord Elgin, een britse onderkoning. Er zijn hier bovendien vele oude tempels. In de buurt is de Mcleod Ganj, een zwierige Tibetaanse nederzetting, tegenwoordig een belangrijk centrum voor de Tibetaanse cultuur. En niet ver hier vandaan zijn de waterval van Bhagsunath, Machhrial en Tatwani.
Kangra
Kangra is een kleine stad, zo'n 17 km van Dharamshala, in één van de mooiste valleien in een provincie met vele dalen. Kangra, ooit de hoofstad van een machtige bergprovincie, was bekend om zijn vele schitterende tempels. Tegenwoordig zijn er nog slechts een fort en enkele tempels te vinden.
De provincie Himachal Pradash ontstond bij de scheiding van Punjab en Haryana in 1986. Het is hoofdzakelijk een bergprovincie - het beslaat de overgangszone van de vlakten naar de Himalaya
De prettige temperatuur in de zomer maakt het tot een geliefde vakantiebestemming. De Kullu vallei, met de sneeuwtoppen van de Himalaya op de achtergrond en de sprankelende Beas rivier, heeft een goed ontwikkelde toeristenindustrie, en is te beschouwen als de ruggengraat van de provincie. De ruige hooggebergtegebieden Lahaul, Spiti en Kinnaur lijken erg op dat van Ladakh (in Jammu en Kashmir). Het Tibetaanse Boedhisme was hier oorspronkelijk van grote invloed en er zijn nog enkele spectaculaire gompa's (kloosters) te vinden.
Himachal Pradesh is één van de lieflijkste provincies van India, met prachtige meren, bijzondere bloemen, oude heiligdommen en mooie mensen. De provincie bezit vijf machtige, door smeltwater gevoede rivieren - de Chenab, de Ravi, de Beas, de Sutiej en de Yamuna. Klimatologisch is de provincie in twee delen te scheiden - het zuiden, dat zo heet is als de vlakten, en het noorden, waar de zomers een groot verschil hebben tussen dag- en nachttemperatuur. De sneeuwtoppen, de ruige hellingen en de wijde valleien maken dit landschap tot een avontuur.
Himachal Pradesh is een bergachtige deelstaat van India. De staat ligt in het noordwesten van het land.
De naburige gebieden zijn Tibet (Volksrepubliek China) in het oosten, Jammu en Kasjmir in het noorden en het noordwesten, Punjab in het zuidwesten, Haryana en Uttar Pradesh in het zuiden en Uttarakhand in het zuidoosten.
Himachal Pradesh werd gecreëerd in 1948, daarvoor was de regio als Punjab Hill States een deel van de Brits-Indische provincie Punjab. In 1971 kreeg Himachal Pradesh zijn huidige omvang.
Rond de 2e eeuw v.Chr. was de regio verdeeld over kleine staatjes. Sommige van deze koninkrijkjes gaven vanaf deze tijd eigen munten uit. Soms was sprake van een primitieve vorm van democratie, naast een koning of leider was er een volksraad, maar meestal was het systeem feodaal. De staatjes werden rijk door de positie aan de handelsroutes van de Indiase vlakte naar Centraal Azië of Tibet.
Keizer Chandragupta Maurya onderwierp een aantal staatjes. Zijn kleinzoon Asoka verlegde de grens van het Mauryarijk verder en introduceerde het boeddhisme in de regio. Toen in de 6e eeuw na Christus het Guptarijk in verval raakte werden de vazalstaatjes weer zelfstandig. In de tijd van keizer Harsha (590–647) erkenden sommige staatjes de keizer als opperheer, maar ze bleven in naam zelfstandig. In de 7e eeuw dringen de Rajputs in het gebied door.
De eerste westerlingen in het gebied waren Jezuïeten op zoek naar het mythische koninkrijk van Priester Johannes.