NIEUW: Blog reclamevrij maken?
Foto
Inhoud blog
  • VANDAAG jaren terug 19 juni 1978 garfield
  • VANDAAG jaren terug 19 juni 1978 garfield
  • VANDAAG jaren terug 19 juni 1990 schengen
  • VANDAAG jaren terug 18 juni 1942 curd jurgens
  • VANDAAG jaren terug 18 juni 1942 curd jurgens
  • VANDAAG jaren terug 18 juni 1942 paul mccarney
  • VANDAAG jaren terug 18 juni 1942 paul mccarney
  • VANDAAG jaren terug 17 juni 1980 venus wlliams
  • VANDAAG jaren terug 17 juni 1980 venus wlliams
  • VANDAAG jaren terug 17 juni 1898 escher
  • VANDAAG jaren terug 17 juni 1945 eddy merckx
  • VANDAAG jaren terug 16 juni 1829 geronimo
  • VANDAAG jaren terug 16 juni 1829 geronimo
  • VANDAAG jaren terug 16 juni 1890 stan laurel
  • VANDAAG jaren terug 16 juni 1890 stan laurel
  • VANDAAG jaren terug 1903 ford
  • VANDAAG jaren terug 16 juni 1903 ford
  • 15 juni ella fitzgerald
  • VANDAAG jaren terug 15 juni ella fitzgerald
  • demis roussos
  • VANDAAG jaren terug 15 juni demis roussos
  • VANDAAG jaren terug 14 juni auschwitz
  • VANDAAG jaren terug 14 juni auschwitz
  • VANDAAG jaren terug 14 juni auschwitz
  • VANDAAG jaren terug 14 juni 1864 alzheimer
  • VANDAAG jaren terug 14 juni 1928 che guevara
  • 13 juni benny goodman
  • VANDAAG jaren terug 13 juni benny goodman
  • 13 juni henk wijngaard
  • VANDAAG jaren terug 13 juni henk wijngaard
  • VANDAAG jaren terug 13 juni de legte
  • VANDAAG jaren terug 12 juni anne frank
  • VANDAAG jaren terug 11 juni le mans
  • VANDAAG jaren terug 11 juni fabiola
  • VANDAAG jaren terug 11 juni mandela
  • max van praag
  • VANDAAG jaren terug 10 juni max van praag
  • Ray Charles
  • VANDAAG jaren terug 10 juni Ray Charles
  • benny neyman
  • VANDAAG jaren terug 9 juni Benny Neyman
  • VANDAAG jaren terug 9 juni Donald Duck
  • boerenkrijg
  • gratiebossen
  • uitbergen
  • berlare
  • donkmeer
  • overmere
  • zele
  • ZELE-OVERMERE-DONKMEER-BERLARE-UITBERGEN
  • ZELE-OVERMERE-DONKMEER-BERLARE-UITBERGEN
  • ZELE-OVERMERE-DONKMEER-BERLARE-UITBERGEN
  • ZELE-OVERMERE-DONKMEER-BERLARE-UITBERGEN
  • VANDAAG jaren terug 8 juni 1972 napalm
  • VANDAAG jaren terug 8 juni 632 mohammed
  • VANDAAG jaren terug 8 juni 1972 napalm
  • VANDAAG jaren terug 8 juni bonnie tyler
  • VANDAAG jaren terug 7 juni Alan Tuning
  • VANDAAG jaren terug 7 juni Gaudi
  • VANDAAG jaren terug 7 juni Paul Gauguin
  • VANDAAG jaren terug 7 juni Tom Jones
  • VANDAAG jaren terug 6 juni 1944 the longest day
  • VANDAAG jaren terug 6 juni 1944 landing normandie
  • VANDAAG jaren terug 6 juni vrijheidsbeeld
  • VANDAAG jaren terug 5 juni internetcafe
  • VANDAAG jaren terug 5 juni reagen
  • VANDAAG jaren terug 4 juni hete luchtballon
  • VANDAAG jaren terug 4 juni Ghysen J
  • ZORBA
  • VANDAAG jaren terug 3 juni 2001 ZORBA
  • VANDAAG jaren terug 3 juni curtis mayfield
  • VANDAAG jaren terug 3 juni 1906 Josephine Baker
  • VANDAAG jaren terug 2 juni van gogh
  • VANDAAG jaren terug 2 juni de pil
  • VANDAAG jaren terug 2 juni 1904 tarzan
  • the beatles
  • VANDAAG jaren terug 1 juni the beatles
  • VANDAAG jaren terug 1 juni saint laurent
  • VANDAAG jaren terug 1 juni marleen monroe
  • VANDAAG jaren terug 31 mei Kennedytunnel
  • VANDAAG jaren terug 31 mei Monaco
  • VANDAAG jaren terug 31 mei de efteling
  • VANDAAG jaren terug 30 mei Benny Goodman
  • VANDAAG jaren terug 30 mei PPRubens
  • VANDAAG jaren terug 30 mei Benny Goodman
  • VANDAAG jaren terug 30 mei 1431 Jeanne d``Arc
  • VANDAAG jaren terug 29 mei heizeldrama
  • VANDAAG jaren terug 29 mei Kennedy
  • VANDAAG jaren terug 29 mei Romy Schneider
  • VANDAAG jaren terug 28 mei 1940 WOII
  • deja vu Fogerty
  • VANDAAG jaren terug 28 mei John Fogerty
  • VANDAAG jaren terug 27 mei 1975 Jamie Oliver
  • VANDAAG jaren terug 27 mei 1968 softenon
  • john lennon
  • VANDAAG jaren terug 26 mei
  • VANDAAG jaren terug 26 mei
  • VANDAAG jaren terug 25 mei
  • VANDAAG jaren terug 25 mei
  • 24 mei 1941
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    blankenbergsseniorensteedje

    24-05-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.24 mei 1941

     

    24-05-2018 om 09:32 geschreven door blesje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.VANDAAG jaren terug 24 mei

    Geboren 24 mei 1941 Bob Dylan, geboren als Robert Allen Zimmerman (Duluth, Minnesota, 24 mei 1941) is een Amerikaans singer-songwriter en kunstenaar. Hij wordt beschouwd als een van de grootste songwriters van de Verenigde Staten in de twintigste eeuw. Op 13 oktober 2016 werd hem de Nobelprijs voor Literatuur toegekend omdat hij "de grootse Amerikaanse liedtraditie met nieuwe dichterlijke expressiemogelijkheden heeft uitgebreid". Dylan heeft een omvangrijk oeuvre op zijn naam staan, dat door sommigen op één lijn wordt gesteld met dat van Stephen Foster, Irving Berlin, Woody Guthrie en Hank Williams, die deel uitmaken van het Amerikaanse culturele erfgoed. Vanwege zijn grote betekenis voor de Noord-Amerikaanse muziekcultuur werd hem in 2012 de Presidential Medal of Freedom toegekend door president Barack Obama. Erkenning als dichter volgde in 2016 door de toekenning van de Nobelprijs voor Literatuur. Omdat hij in 2001 een Academy Award won voor Things have changed, de titelsong van de film Wonder Boys, is Dylan samen met George Bernard Shaw de enige persoon die zowel een Oscar als een Nobelprijs heeft gewonnen. Dylans carrière, die begon tijdens zijn middelbareschooltijd in het midden van de jaren vijftig, raakte vanaf 1961 in een stroomversnelling toen hij zich in de New Yorkse wijk Greenwich Village begon te manifesteren als folksinger. Hij bleek vooral te excelleren in het schrijven van liedteksten, aanvankelijk in het genre van het protestlied. Al snel annexeerde de beweging voor de burgerrechten zijn lied Blowin' in the Wind (1962). Niet veel later omarmden miljoenen jongeren zijn The Times They Are A-Changin' (1964). Beide nummers zijn voorbeelden van Dylans vermogen om de tekst zodanig abstract te houden dat het lied een algemene zeggingskracht krijgt. Dat was nog maar het begin van een carrière die hem wereldroem bracht. Met de toename van zijn muzikale en literaire faam ontwikkelde Dylan echter een krachtige weerzin tegen pogingen hem te bestempelen tot "stem van een generatie", "boegbeeld van de onrust in de Amerikaanse samenleving" en soortgelijke etiketten. Zijn carrière is doortrokken van die aversie: hij is de confrontatie aangegaan met zijn bewonderaars door al hun pogingen om hem op een voetstuk te plaatsen dwars te zitten. In zijn oeuvre heeft dit geleid tot tientallen liedjes waarvan het ontstaan mede uit deze weerzin kan worden verklaard. Dit is als het ware een nieuw genre in de liedkunst, waarop Dylan het patent heeft en dat vóór hem eenvoudig niet bestond. Dylans dubbeltalent van tekstschrijver en muzikant, maar ook zijn persoonlijk leven is in hoge mate beïnvloed door dit zelfverkozen verzet tegen de bewieroking die hem ten deel viel. Het is wel als zijn tragiek beschouwd dat hij de confrontatie verloren heeft. Achteraf gezien kón hij die alleen maar verliezen. Voor een goed begrip van de man en zijn werk lijkt het vermoeden gewettigd dat hijzelf de strijdbijl pas na een forse creatieve impasse omstreeks 1989 begraven heeft. Daarmee heeft hij de verschrikking van de wereldroem definitief aanvaard. Het lijkt geen toeval dat hij sindsdien wereldwijd met méér dan graagte uit zijn omvangrijke oeuvre voordraagt tijdens de circa tachtig tot meer dan honderd optredens per jaar sinds hij in 1988 met zijn ietwat gekscherend genaamde “Never Ending Tour” is gestart. Aan Dylan wordt de verdienste toegekend dat hij de popmuziek hersenen heeft gegeven. In zijn eerste jaren introduceerde hij sociaal en politiek commentaar, vaak gekruid met absurdistische humor, toen iedereen nog over bloemetjes en bijtjes lispelde. Vanaf 1964 opende hij nieuwe wegen in zijn meer persoonlijke teksten voor de weergave van het
    complexe gevoelsleven van de mens, door gebruik te maken van beeldspraak, maar ook van losse gedachten en invallen. Deze literaire techniek wordt wel stream of consciousness genoemd: het noteren van een veelvoud aan indrukken die zich spontaan opdringen aan het bewustzijn. Dylans teksten, waaruit ook nogal eens een somber levensgevoel blijkt, onttrekken zich aldus vaak aan een eenvoudige omschrijving of uitleg. Zij kunnen op meerdere manieren worden geïnterpreteerd. Over sommige regels en zelfs hele liedjes breken kenners zich al jaren het hoofd. Hoewel Dylan over zijn werk eens kernachtig gezegd heeft "I am my words", heeft het er alle schijn van dat ook hijzelf van sommige frasen de oorsprong of feitelijke betekenis niet (meer) weet. Hoe dan ook: dergelijke teksten waren tot begin 1965 volstrekt onbekend in de popmuziek, die door Dylans talent en zeer eigen muziekopvatting dan ook voorgoed is veranderd en sindsdien als waarachtige kunstvorm kan worden beschouwd. Dylans tekstuele vernieuwing stoelt op een geheel eigen combinatie van twee pijlers. De ene is zijn zeer brede belangstelling voor de rijke tradities van het Amerikaanse lied, van folk en countryblues tot rock-'n-roll en rockabilly, tot aan Keltische balladen, zelfs jazz, swing en Broadway. De andere is zijn literaire belezenheid, waardoor zijn teksten vol met allusies zitten naar onder meer de bijbel en Shakespeare, Dante en Melville, en hij zich bedient van middeleeuwse structuren tot modernistische stream-ofconsciousness procédés. Het resultaat is een gevarieerd oeuvre, uiteenlopend van protestsong en teksten die niet meer dan een opsomming van een lijst zijn (Rainy day women nos 12 & 35, Gotta serve somebody), via parabels (All along the Watchtower) en surrealistische teksten (Changing of the Guards) tot volledige short stories in liedvorm (Hurricane, Tangled Up in Blue Dylan werd geboren als Robert Allen Zimmerman in St. Mary's Hospital in Duluth, Minnesota op 24 mei 1941. Acht dagen later werd hij naar joods gebruik besneden en kreeg hij zijn joodse naam Shabtai Zisel ben Avraham. Zijn grootouders van vaderskant waren aan het eind van de 19e eeuw uit Trabzon in het huidige Turkije naar Odessa in Oekraïne verhuisd, maar moesten in 1905 vluchten voor de pogroms van de tsaar. Zij vestigden zich in Duluth. Zijn moeder kwam uit een vooraanstaande Joodse familie uit Hibbing, een mijnstadje gelegen honderd kilometer ten noordwesten van Duluth en 160 kilometer van de Canadese grens. Háár grootouders waren Litouwse Joden, die in 1902 emigreerden. Het gezin Zimmerman verhuisde toen Dylan vijf jaar oud was naar Hibbing, waar hij zijn jeugd doorbracht. Als tiener luisterde hij vaak naar alle mogelijke radiomuziekstations die vanuit de zuidelijke staten hun blues en country, en later in de jaren vijftig rock-'n-roll, naar het noorden uitzonden, en waarvan hij dankzij een fabelachtig geheugen voor tekst en melodie een encyclopedische kennis zou ontwikkelen. Op de middelbare school vormde Dylan zijn eerste bandje, The Golden Chords. Onder het pseudoniem Elston Gunn speelde hij enkele concerten mee als pianist van Bobby Vee. School vond hij vervelend en soms deprimerend. In september 1959 was hij naar Minneapolis verhuisd en schreef zich in aan de universiteit aldaar, maar na een semester staakte hij zijn studie In de aan de campus grenzende wijk Dinkytown maakte hij kennis met plaatselijke folkmuzikanten, kocht een gitaar en begon de kunst af te kijken en sloeg ook ditmaal alle folk-traditionals in zich op.
    Hier introduceerde hij zich als Bob Dylan. Er is vaak verondersteld dat deze naam een eerbetoon was aan de Welshe dichter Dylan Thomas. Dylan heeft dit ontkend ("Ik heb het een en ander van Thomas gelezen, maar dat is toch weer anders dan wat ik doe") en zei dat hij zich genoemd had naar een oom die Dillion heette (die echter nooit bestaan heeft). In zijn autobiografie Chronicles, Vol. One (2004) erkent Dylan het belang van Dylan Thomas voor de keuze van zijn artiestennaam echter wel, maar geeft hij geen bevestiging van een invloed of eerbetoon. Hij zegt alleen dat 'Dylan' klinkt als 'Allen', zijn tweede voornaam, ook de oorspronkelijke keuze voor een klinkende artiestennaam, maar terzijde geschoven omdat er in die tijd een bekende tv-persoonlijkheid was met de naam Robert Allyn. Begin 1960 gaf hij zijn studie op en vertrok naar New York om zijn aan het ziekbed gekluisterde idool Woody Guthrie te bezoeken en voor hem te spelen. Hij trad voor weinig geld op in kleine gelegenheden, altijd met gitaar en een mondharmonica die met behulp van een kleerhanger om zijn nek hing. Weldra kende hij er muzikanten en andere artiesten. Hij trok van het ene naar het andere logeeradres en las daar wat hij van zijn gading kon vinden, en hij luisterde er naar hem onbekende grammofoonplaten. Op vrijdag 29 september 1961 verscheen er in The New York Times een lovende kritiek van criticus Robert Shelton, met een foto van Dylan, waarvan hij het knipsel dol van trots aan iedereen liet zien. Dit artikel leidde er ook toe dat hij een contract bij Columbia Records kon tekenen. Hier kwam Dylan terecht onder de hoede van John Hammond, een zeer bekende jager op muziektalent. In die periode waren zijn stem, zijn beheersing van muziek en het schrijven van liedjes reeds in ruwe vorm ontwikkeld. Zijn bijzondere manier van optreden, zoals zijn eerste Columbia-album, Bob Dylan (1962), bestond uit traditionele folk, blues en gospelmuziek, die hij met een paar eigen composities afwisselde, waaronder een 'Song to Woody'. In dat jaar nam hij voor Broadside – een folkmuziek-magazine dat zo nu en dan ook platen uitbracht – enkele liedjes op onder het pseudoniem Blind Boy Grunt en liet hij ook op de wettelijk juiste wijze zijn naam in Robert (Bob) Dylan veranderen. Tegen de tijd van zijn tweede lp, The Freewheelin' Bob Dylan (1963) begon hij als zanger en liedjesschrijver naam te maken. Op dit album staat het ruim zeven minuten durende A hard rain's a-gonna fall, een apocalyptisch visioen dat in 2016 op plaats 2 stond in de lijst van 100 beste Dylannummers volgens het blad Rolling Stone. Volgens dat blad is dit de eerste keer dat de einde-der-tijden - thematiek die Dylans werk zou gaan domineren, verwoord wordt.[5] De nadruk kwam te liggen op protestliederen, aanvankelijk in de stijl van Guthrie, gaandeweg droeg hij in eigen stijl voor. Een kenmerkend liedje uit die tijd is Blowin' in the Wind(1963), waarvan de melodie deels is overgenomen van het bestaande slavenlied No More Auction Block, met een tekst die vraagtekens zet bij de sociale en politieke status quo. Blowin' in the Wind (1963) werd overigens door vele anderen opgenomen en voor Peter, Paul and Mary was het een internationale hit. Dat schiep een precedent: vele andere artiesten namen voortaan liedjes van Dylan op in hun repertoire. Voor velen bleven te midden van de protestliederen op The Freewheelin' de mix van subtiele bitterzoete liefdesliedjes (Don't Think Twice, It's All Right, Girl From the North
    Country) en koddige, vaak surrealistische rap-blues (Talking World War III Blues, I Shall Be Free) onopgemerkt. Deze eclectiek zou het grootste deel van zijn carrière kenmerken. Ondanks zijn succes werden de slordige presentatie, onvoorspelbaarheid en vermeend linkse instelling van Dylan door de entertainmentwereld niet aantrekkelijk genoeg geacht voor een grote doorbraak naar het kapitaalkrachtig wordende teenybopper-publiek. Veel van zijn materiaal bereikte het publiek dan ook door de vertolking van anderen. Joan Baez, een vriendin en bij tijd en wijle minnares, nam met liefde veel van zijn materiaal op, evenals The Byrds, Sonny & Cher, The Hollies, Manfred Mann en Herman's Hermits. Er verschenen zoveel covers midden jaren zestig, dat CBS hem begon te promoten met de slagzin: "Niemand zingt Dylan als Dylan". Tegen 1963 was Dylan een prominente vertegenwoordiger van de burgerrechtenbeweging. Hij zong op bijeenkomsten zoals de Mars op Washington, waar Martin Luther King jr. zijn historische speech I Have a Dream hield. Op het volgende album The Times They Are A-Changin komt een uitgekiende, gepolitiseerde en cynische Dylan aan het woord. De sober klinkende plaat, die de moord op een voorvechter van de burgerrechtenbeweging Medgar Evers en de wanhoop waarin de boeren- en mijnwerkersstand als gevolg van eerdere crisissen waren gedompeld, tot onderwerp heeft (Ballad of Hollis Brown, North Country Blues), wordt verluchtigd met een bijzonder (anti-)liefdesliedje Boots of Spanish Leather. The Lonesome Death of Hattie Caroll, een hoogtepunt van het album, beschrijft de dood van een vrouwelijke bediende door toedoen van een rijkeluiszoontje. Hoewel dit niet expliciet wordt genoemd, laat de ballade er geen twijfel over bestaan dat de dader blank is en het slachtoffer zwart. Op het einde van dat jaar voelde Dylan zich gemanipuleerd en in zijn vrijheid beperkt door de folk/protestbeweging. Tijdens de uitreiking van de Tom Paine Award die hem – vlak na de moord op John F. Kennedy – door de Emergency Civil Liberties Committee werd toegekend, verscheen een dronken Dylan. In een onsamenhangend dankwoord vroeg hij zich af wat nu eigenlijk de rol was van het comité; om de grappige opmerkingen die Dylan maakte over de ouderdom en de kaalheid van sommige van de aanwezigen kon men nog lachen, maar dat ging later over in tumult toen hij vertelde dat hij wel iets van zichzelf herkende in Lee Harvey Oswald, de vermoedelijke moordenaar van de president. De boodschap was niettemin duidelijk, zowel van de kant van Dylan als van degene die hem uitjouwden: Dylan en de burgerrechtenbeweging waren bezig uit elkaar te gaan. Sommigen vonden dat de scheiding niet ideologisch bepaald was, maar eerder een gevolg van Dylans begrijpelijke weerzin om de titel "Stem van zijn generatie" te dragen. Of, zoals Dylan veel later stelde, de ceremoniemeester van zijn generatie. Het is daarom wellicht onvermijdelijk dat zijn volgende album, accuraat maar prozaïsch getiteld Another Side Of Bob Dylan (1964), lichter van toon is dan zijn voorganger. Het album opent met All I really want to do, een latere hit van The Byrds en Cher. De cabareteske Dylan treedt opnieuw op in I Shall Be Free # 10 en Motorpsycho Nightmare. Spanish Harlem Incident en To Ramona zijn liefdesliedjes. Ballad in Plain D en I Don't Believe You zijn zelfs 'rouwzangen' om kapotgelopen liefdes; wellicht sloegen deze liedjes op de lange vriendschap met Suze Rotolo (Susan Elizabeth Rotolo, 19432011), met wie hij nog gearmd op de fotohoes staat van Freewheelin'. Muzikaal was Dylan
    veranderd. Another Side is het eerste album waarop hij piano speelt (hoewel slechts een nummer, Black Crow Blues). De maatvoering en de bas door zijn linkerhand kondigt al de terugkeer aan naar de rockmuziek het jaar daarop. Misschien van meer belang voor de latere ontwikkeling waren twee andere nummers. Chimes of Freedom was het eerste van een nieuw soort Dylanliedje: voor een poplied van lange duur en zeer impressionistisch van aard. Het lied behoudt weliswaar een element van sociaal commentaar, maar de actualiteit zoals die te herkennen is uit Dylans vroegere werk, is hier verdrongen door een verdicht metaforisch landschap, een stijl die later door Allen Ginsberg werd gekarakteriseerd als een 'keten van aan en uit flitsende beelden'. My Back Pages, in dezelfde stijl maar persoonlijker, bevat een vernietigende aanval op het zwart-witdenken, de eenvoud en de bloedige ernst van zijn eigen eerdere werk. Bij wijze van excuus, of zelfs verdediging, zingt Dylan: "I was so much older then/I'm younger than that now". ("Ik was zoveel ouder toen, ik ben nu jonger dan toen"). Weinigen hebben de overgang in zijn werk van 1963 tot 1965 beter verbeeld. Dylans artistieke ontwikkeling verliep in deze periode zo heftig, dat critici en fans steeds een paar passen achterliepen. Bringing It All Back Home, dat in maart 1965 verscheen, is een volgende stilistische hink-stap-sprong. De eerste kant van de elpee lijkt zeker onder invloed van The Beatles tot stand te zijn gekomen. The Beatles op hun beurt raakten beïnvloed door Dylans muziek en teksten (John Lennon verklaarde dit later met zoveel woorden in interviews) en ook door de rock-'n-roll uit Dylans eigen jeugd. De lp bevat Dylans eerste originele uptempo rockliedjes. De muziek is nu volop elektrisch en voor het eerst met sessiemuzikanten. Dylan had die al lang gewild, maar kon deze nu eindelijk betalen. Er is alles voor te zeggen om in deze lp een nieuwe start te zien. In tekstueel opzicht zijn de liedjes typisch Dylan-materiaal: drooggeestig, een reeks van groteske, beeldsprakerige beschrijvingen. Het rap-achtige eerste nummer Subterranean Homesick Blues, enigszins schatplichtig aan Chuck Berry's Too Much Monkey Business, is te zien in het begin van D.A. Pennebakers Don't Look Back (en veel later op MTV). De clip werd opgenomen in een steegje achter het Savoy Hotel, één van de prestigieuze hotels in Londen. Deze overigens avant-gardistisch documentaire omvat een verslag van Dylans tournee door Europa in 1965. De film werd in de jaren zestig elk jaar opnieuw vertoond in bepaalde Nederlandse bioscopen (Sinterklaasavond 1976 was de eerste keer dat er überhaupt iets van Dylan op de Nederlandse televisie te zien was). Kant 2 is van een andere orde en bestaat uit vier lange akoestische liederen. De onconventionele, politieke, sociale dan wel persoonlijke inhoud is rijk opgetuigd met dichterlijke beeldtaal. Een van deze liedjes, Mr. Tambourine Man, bezorgde The Byrds, in hun eigen karakteristieke samenzang, een grote hit. Het is een van Dylans klassieke composities. In de zomer van dat jaar stookt Dylan het vuur rond zijn muzikale ontwikkeling hoog op, door tijdens het Newport Folk Festival op te treden met een band. Deze bestaat hoofdzakelijk uit leden van de Paul Butterfield Blues Band (Dylan trad al eerder twee keer op in Newport, in 1963 en 1964). Er bestaan twee uiteenlopende verslagen van de reactie
    van het publiek op dat pophistorische vermaarde optreden van Dylan in 1965. Feit is dat Dylan een heksenketel van toejuichingen én gescheld over zich heen kreeg toen hij het podium al na drie liedjes verliet. Het ene verhaal wil dat de scheldpartijen afkomstig waren van buiten zinnen geraakte folkfans die zich volkomen vervreemd voelden van een Dylan met een elektrische gitaar. Het andere verhaal luidt dat de fans gewoon genoeg hadden van de slechte geluidskwaliteit, en het korte optreden niet konden waarderen. Wat het ongenoegen van het publiek ook veroorzaakte, Dylan keerde spoedig terug naar het podium en zong twee veel beter ontvangen akoestische nummers. Maar het belang van deze gebeurtenis in Newport vestigde zich in het bewustzijn van de nieuwe rusteloze generatie. Bedachtzame akoestische muziek leek niet langer te bevredigen, zelfs niet van traditiebewuste zangers als Dylan. De tijden waren veranderd, en in deze ongecontroleerde toestand leek slechts met elektrische power de juiste expressieve snaar geraakt te worden. De single Like A Rolling Stone was een hit in de Verenigde Staten (en een voor Nederland betrekkelijke hoge nummer 7), en bevestigde opnieuw Dylans reputatie als liedjesschrijver. Met een lengte van meer dan zes minuten overschreed het de betamelijke grenzen van de hitparade van die tijd. Het kenmerkende, volle 'bandeloze' geluid en de simpele orgel riff zouden Dylans volgende album Highway 61 Revisited karakteriseren. Deze zesde lp is een verwijzing naar de weg die van Dylans geboortegrond, Minnesota, rechtstreeks voert naar het muziekparadijs New Orleans; ook refereert de titel aan talrijke bluesliederen, onder andere Mississippi Fred McDowells 61 Highway. De liedjes malen door dezelfde muzikale groeven als de hit, het zijn stuk voor stuk surrealistische litanieën à la grotesque, opgesierd door Bloomfields bluesgitaar en een vaste ritmesectie; en Dylans plezier tijdens de opnames is hoorbaar. De elektrische versterking en de beat van de blues-rock beheersen het album en allen die nog hoop hadden Dylan te mogen rekenen onder de "nieuwe folk"-categorie komen bedrogen uit. Het indrukwekkende lied Desolation Row ademt een sombere apocalyptische visie; het bevat tal van verwijzingen naar figuren uit de westerse cultuur. Om het album te promoten werd Dylan geboekt voor twee concerten in de VS, en begon hij een band samen te stellen. Bloomfield wilde de Butterfield Band niet verlaten, Dylan wist echter twee sessiemuzikanten, Al Kooper en Harvey Brooks, te interesseren, evenals Robbie Robertson en Levon Helm, leden van The Hawks, de begeleidingsband van Ronnie Hawkins. In augustus 1965 werd de groep in Forest Hill Auditorium door een behoorlijk deel van het publiek, ondanks Newport, uitgejouwd. De roep om de akoestische troubadour van de voorgaande jaren klonk opnieuw luid. Maar het optreden op 3 september in de Hollywood Bowl kreeg toch weer een goed onthaal. Kooper en Brooks wilden niet vast met Dylan op tournee. Dylan slaagde er ook niet in om een favoriete begeleidingband, die van Johnny Rivers, met gitarist James Burton en drummer Mickey Jones, over te halen zijn gewone verplichtingen voor een poosje in de steek te laten. Dylan huurde toen voor zijn komende tournee The Hawks, naast Robertson en Helm bestaande uit Rick Danko, Garth Hudson en Richard Manuel. Met hen (de latere
    groep The Band) voerde hij een aantal studiosessies uit, ook in een poging om een opvolger van Highway 61 Revisited op te nemen. Op 2 november 1965 huwde Dylan in het geheim Sara Lownds. Hun eerste kind was Jesse Byron Dylan, geboren 6 januari 1966. Dylan en Lownds kregen vier kinderen: Jesse, Anna, Samuel en Jakob (9 december 1969). Dylan adopteerde Sara Lownds' eerste dochter Maria Lownds (21 oktober 1961) uit een eerder huwelijk. In de jaren negentig kreeg de jongste van het paar, Jakob Dylan, bekendheid als leadzanger van de band The Wallflowers. Jesse Dylan is filmregisseur en een erg succesvol zakenman. Dylan en Lownds scheidden in juli 1977, hoewel ze nog vele jaren lang contact zouden blijven houden, volgens sommige berichten nog steeds. Terwijl Dylan en The Hawks op de tournee een steeds welwillender publiek meemaakten, stagneerden de vorderingen in de studio. Op een suggestie van John Hammond bracht Bob Johnston Dylan naar Nashville voor plaatopnamen. Hij zou hier worden begeleid door de beste studiomuzikanten van het land. Alleen Robertson en Kooper kwamen uit New York mee over en speelden een meer bescheiden rol. De Nashville-muzikanten slaagden erin het "ijle kwikzilveren geluid", voort te brengen, zoals Dylan het later zou noemen, en een plaat die als een van de klassiekers uit de Amerikaanse populaire muziek wordt beschouwd, Blonde on Blonde (1966). Dylan begon vervolgens aan een ambitieuze "world tour". Deze leidde hem en The Hawks in het voorjaar van 1966 door Australië en Europa. Het stramien was dat het eerste deel van de avond akoestisch verliep, daarna volgde elektrisch rockgeweld. Er waren 24 shows in totaal. Dylan sliep weinig, gebruikte speed en was prikkelbaar. Rauw was de confrontatie met het publiek in de Manchester Free Trade Hall in Engeland. De opname van dit optreden, abusievelijk steeds het "Royal Albert Hall"-concert genoemd, werd officieel eerst in 1998 uitgebracht. Vlak voordat hij aan het laatste lied wilde beginnen, schold een boze folkfan, die het niet kon accepteren dat Dylan met elektrisch versterkt geluid aan de gang was gegaan, hem uit voor "Judas". Dylan zei dat hij daar niets van geloofde en noemde hem bovendien een leugenaar: "You're a liar!". Tegen de band zei hij "Play fuckin' loud!", en die zette daarop keihard het laatste nummer van die avond in, Like a Rolling Stone. Dylan voelt zich al lange tijd gegijzeld door de vasthoudende folkfans, maar ook door de linkse studenten die hem een politieke leidersrol toedichtten, en, na de burgerrechtenbeweging, hem nu het liefst vooraan zagen lopen in antiVietnamdemonstraties. De immense Amerikaanse Star en Stripes, opgehangen achter op het podium van een Parijse concertzaal, is duidelijk een van Dylans protestacties tegen de voortdurende, politieke aanspraken op zijn persoon. De vlag is de politieke, visuele, tegenhanger van het vocale protest "Play it fuckin' loud", tegen een muziekgezelschap dat hem bij zich wil houden. Maar hoe hard zijn protesten ook klinken of tonen, het dringt niet door; Dylan blijft de ongewilde held van zijn generatie, of, zoals hij later zelf zal opmerken: "de woordvoerder van een generatie". De protesten in zijn liedjes zijn in deze tijd allang niet meer maatschappelijk geïnspireerd, maar een vertolking van verknoeide liefdesrelaties, verraden verwachtingen, of een absurd levensgevoel.
    Dylan keerde na de tournee terug naar New York. De druk op hem blijft groot. Zijn uitgever dringt aan op het manuscript van de novelle/het gedicht Tarantula. Manager Albert Grosman heeft alvast een slopende concerttoer voor de duur van de zomer en de herfst gepland. In dit tempo dreigt Dylans privé-leven en professionele leven geheel uit de bocht te vliegen. Op 29 juli 1966 krijgt hij, na verschillende slapeloze nachten, een ongeluk met zijn motor, een Triumph 500. Wat de feitelijke toedracht was en wat hij precies mankeerde is onduidelijk. Dylan vertelt later in zijn Chronicles, volume 1 (2004), dat hij aan het jachtige bestaan van het sterdom wilde ontkomen: "Truth was that I wanted to get out of the rat race". Toen Dylan zijn creatieve werkzaamheden weer kon hervatten, begon hij aan de redactie van Eat the Document, een slechts weinig vertoonde opvolger van Don't Look Back, de documentaire die D.A. Pennebaker maakte van een vorige Dylan-tournee door Engeland. Belangrijker nog is dat hij weer muziek ging maken met The Hawks, door de buitenwereld inmiddels The Band genoemd, en wel in de kelder van hun nabijgelegen huis "Big Pink". In een zeer ontspannen sfeer in de zomer van 1967 werd een groot aantal liedjes opgenomen, dat eerst op witte platen en pas veel later, in 1975 door Columbia, als The Basement Tapes uitgebracht werd. Het zijn oude en nieuwe liedjes, en ze klinken als een onwaarschijnlijke authentieke dwarsdoorsnede van de Amerikaanse muziekgeschiedenis; folksongs, hillbilly's en blues. De teksten zijn dramatisch geladen, dan wel nemen deze een kolderieke en vrolijke wending. Niets van dit al openbaarde zich op de eerstvolgende officiële, weer in Nashville opgenomen en ouderwets vliegensvlug geproduceerde lp John Wesley Harding (1967). Deze plaat markeert echter een ommekeer in Dylans carrière. De plaat ademt rust uit, de liedjes en ballades hebben een beschouwelijk karakter. Dylan las het laatste jaar, levend binnen de veste van zijn gezin, veel in de Bijbel, en dat had zijn weerslag op de tekst. De structuur van de muziek was eenvoudig en opnieuw met uitsluitend akoestische instrumenten. Sommige critici bespeurden een subtiel indirect protest van Dylans kant: tegen de immer meer psychedelisch wordende popcultuur, die de muzikale vervolmaking zoekt door middel van een escalerend duizelingwekkend orkestratie en instrumentarium. Dylan hield dit voor gezien. Woody Guthrie stierf in oktober 1967. Dylan trad voor het eerst op in 18 maanden, ter gelegenheid van een paar concerten te zijner nagedachtenis, in januari 1968. In 1969 gaf Dylan acte de présence op het Isle of Wight Festival; de artiest leek een metamorfose te hebben ondergaan, in een smetteloos wit pak en met getrimde haren gaf hij een korzelig optreden weg, het leek wel een protest tegen de flodderige wijze waarop de hippies zich uitdosten. Op het beroemde grotere festival dat hier in 1970 plaatsvond was Dylan niet aanwezig. Dan verschijnt Nashville Skyline, april 1969, zeker als plaat even atypisch te noemen, het countrygenre past hoegenaamd niet in dit post-hippietijdperk. Hij zingt een duet met Johnny Cash. De plaat, voor het eerst een minder baanbrekende in zijn carrière, is voor veel popliefhebbers meer een vloek in de kerk. Dylan lijkt met een ander -nasaal- stemgeluid aan te willen geven dat het gedaan is met de mythe Dylan; de magisch
    formulerende leider-met-boodschap voor de nieuwe generatie. Opnieuw verwarring bij weer een nieuwe generatie fans, die nog onder de indruk van een vorige Dylan verkeerde. De vroege jaren 70 waren van de moeilijkste in Dylans carrière. Hij wilde een goede huisvader zijn voor zijn vrouw en kinderen en was het hele gedoe rond zijn persoon meer dan beu, hoezeer hij de roem op zich overigens wel op prijs stelde. Verschillende keren moest hij verhuizen omdat hij telkens weer opgejaagd werd door fans. Bovendien kende hij grote problemen met zijn manager Albert Grossman. Deze streek vijftig procent op van elke plaat die Dylan verkocht. Begin 1970 kwam Dylan het album Self Portrait, dat vol staat met covers en herwerkte versies van zijn eigen nummers. Grossman kreeg enkel geld voor nummers geschreven door Dylan, dus aan deze plaat kon hij zo goed als geen cent verdienen. Hetzelfde jaar kwam Dylan met New Morning; een lp met hoogwaardige nummers. Door deze plaat geloofden zijn fans weer in hem. Het werd één van zijn best verkopende platen ooit, zeker ook doordat het publiek koopkrachtiger was dan ooit tevoren. In 1974 probeerde hij een echte comeback te forceren. Hij nam een plaat op met The Band en hij ging voor de eerste keer in acht jaar weer op een grote tournee. Planet Waves had niet zo veel succes als zijn voorgangers. De tour op zich was soms chaotisch maar toch zeer hoogstaand. Ondertussen ging het bergafwaarts met zijn huwelijk. De spanningen met Sara liepen hoog op en dit kon hij ook voor de buitenwereld niet langer verbergen. Hoogstwaarschijnlijk was Dylan zelf de grootste aanleiding voor alle problemen aangezien hij geregeld een slippertje maakte en naar het schijnt soms onuitstaanbaar was om mee samen te wonen. Toch deed de scheiding hem zeer veel pijn. Voor de fans en zijn muziek was dit eigenlijk net wat nodig was. Januari 1975 kwam hij met een van de sterkste platen uit zijn carrière: Blood On The Tracks. Op deze plaat legt hij bij moment zijn hart en ziel bloot. De hele plaat is een blauwdruk van zijn huwelijk en geeft een mix van emoties weer. In Shelter From The Storm vertelt hij over hun eerste ontmoetingen en in You're A Big Girl Now laat hij de indruk na dat hij zich neerlegt bij de situatie. In 1976 kwam hij uit met de opvolger: Desire. Deze plaat is weer helemaal anders dan zijn voorganger en vooral de nummers Hurricane en Sara springen hier in het oog. Sarais een ode aan zijn vrouw en tegelijkertijd een soort van afscheid. Gedurende The Rolling Thunder Revue speelde hij het nummer enkele keren. Hurricane is een protestlied over de rechtspraak rond Rubin Carter, een Afro-Amerikaanse bokser die ten onrechte was veroordeeld voor drievoudige moord, wat in 1985 werd bekrachtigd door zijn definitieve vrijspraak. Eind 1975 ging hij weer op tournee. Het moet wel de excentriekste tournee zijn uit de hele jaren 70. Dylan had de bedoeling om met een soort karavaan door de Verenigde Staten te trekken en her en der kleine plaatsen aan te doen. Vele muzikanten gingen mee in zijn kielzog. De shows waren dan ook veel meer dan optredens van Dylan. Joan Baez, Roger McGuinn, T-Bone Burnett zijn slechts enkele van de namen die steevast met hem op het podium stonden. De shows duurden dikwijls tegen de vier uur en waren ronduit fantastisch te noemen. Enkele hoogtepunten zijn tegenwoordig verkrijgbaar op The Bootleg Series 5. Gedurende de tournee nam hij ook een nieuwe film op, Renaldo en Clara. Vreemd genoeg speelde hij hier de rol van Renaldo en de rol van Clara wordt gespeeld door... jawel zijn
    (ex-)vrouw Sara. Een centraal nummer in de tournee was Hurricane (1976). Hiermee probeerde hij de bokser Rubin Carter uit de gevangenis te krijgen, die ten onrechte was veroordeeld voor een drievoudige moord. Hij organiseerde hiervoor twee benefietconcerten. Rubin Carter werd uiteindelijk in 1985 vrijgesproken. Een reeks platen, uitgebracht eind de jaren zeventig en begin de jaren tachtig, waren christelijk geïnspireerd; Dylan was voor een korte, maar zeer creatieve periode aanhanger van een pinkstergemeente-achtige kerkgemeenschap in Californië geworden. De eerste van deze platen, was Slow Train Coming met het toen net ontdekte gitaartalent Mark Knopfler. Ook op Saved en Shot Of Love gaf Dylan uitdrukking aan zijn christelijk geloof. Liedjes als Solid Rock en Every Grain Of Sand worden door velen als hoogtepunten uit zijn oeuvre beschouwd. In de jaren tachtig raakte Dylan publicitair wat op de achtergrond en albums als Empire Burlesque (Dark Eyes) en Knocked Out Loaded (Brownsville Girl) blijven kwalitatief onder de maat. Voor het aan deze voorafgaande Infidels werkt Dylan weer samen met Mark Knopfler. In 1985 sluit Dylan, samen met Keith Richards en Ron Wood, het benefietconcert Live Aid af. Hoewel het optreden bemoeilijkt werd door de podiumopbouw achter het gordijn, leverden de drie een goed optreden af waarin vooral de gedreven versie van When The Ship Comes In indruk maakte. Eind 1985 maakte Dylan deel uit van de gelegenheidsband Artists United Against Apartheid, geïnitieerd door Little Steven; deze band bracht het album Sun City en de gelijknamige single uit. Eind jaren 80 was Dylan met veel succes lid van de Traveling Wilburys, een samenwerking met George Harrison, Roy Orbison, Tom Petty en Jeff Lynne. Deze kortstondige opleving wordt afgerond met het door Daniel Lanois geproduceerde album Oh Mercy uit 1989, Dylans eerste album met louter eigen nummers sinds 1985 Dylans ongewone presentatie (hij heeft bijvoorbeeld nog nooit met een "Hello Berlin!" of iets dergelijks zijn publiek verwelkomd en betrekt de mensen ook geen seconde bij de show) en voortdurende bewerking van zijn eigen liedjes, bracht vele critici ertoe te zeggen dat de slechtste vertolker van Dylanliedjes Dylan zelf is, anderen beschouwen hem als een van de beste zangers die de folk-blues heeft voortgebracht. Door zijn stijl en eindeloos repertoire heeft Dylan een grote schare trouwe fans aan zich gebonden. Vooral het album Oh Mercy, uitgebracht samen met Daniel Lanois, deed in 1989 het tij keren en toonde opnieuw een, zowel muzikaal als tekstueel, geïnspireerde Dylan. Rond die tijd ging ook de zogenoemde “Never Ending Tour” van start; een tot op heden niet aflatende reeks optredens, waarbij Dylan jaarlijks zo’n tachtig tot meer dan honderd keren per jaar optreedt. Met zijn verschijning op MTV-unplugged spreekt hij verrassend een jeugdig publiek aan. In 1997 schitterde de ster van Dylan andermaal met de cd Time Out Of Mind, waarvoor hij een Grammy Award ontving, de hoogste onderscheiding in de muziekindustrie. Hij herstelde van een ontsteking aan het hartzakje (pericarditis) en ging onvermoeibaar verder on the road; in Bologna, waar Bob was geboekt voor een Jongerenfestival bleek de Paus in het publiek te zitten; voor de titelsong van Wonder Boys (Things Have Changed) ontving Dylan een Academy Award (Oscar) en ieder jaar was er wel een groep fans die hem voordroeg voor de Nobelprijs voor Literatuur. Met Time Out Of Mind, het daarop volgende Love And Theft (uit 2001) en Modern Times(2006) blijft Dylan zichzelf
    vernieuwen door terug te grijpen op het verleden. De liedjes zijn geworteld in de Amerikaanse blues- en jazztraditie en de arrangementen doen denken aan Big Bandswing. Thema's in zijn werk blijven: schuld, boete en verlossing, liefde en lijden, innerlijkheid en onthechting. Vanaf 2004 vinden enkele projecten plaats waarin Dylan openheid van zaken geeft. Dat jaar schreef hij met Chronicles het eerste deel van zijn autobiografie, schreef en speelde de hoofdrol in de weinig succesvolle film Masked and Anonymous, en laat zich een tijdje horen als succesvol dj op de Amerikaanse internetradio XM. Dylan blijft een eenmansbeweging binnen de hedendaagse kunst wiens invloed, maatschappelijk én artistiek, niet te schatten is en die ruime waardering blijft genieten. Zijn stem is die van een gevorderde zeventiger, hij speelt piano om vanuit die positie al zingend en harmonica spelend zijn tourband muzikaal te leiden en verdoezelt geen moment het feit dat hij qua leeftijd een oude man is. Zijn onbenaderbaarheid als persoon voedt de mythe rond deze levende legende. Eind 2005 bracht Martin Scorsese de hoogtijdagen van zijn verhaal sterk in beeld met de documentaire 'No Direction Home'. In de zomer van 2006 verscheen The Bob Dylan Encyclopedia, van de hand van historicus Michael Gray. Hierin staat vrijwel alles over Dylan. Op 28 augustus 2006 verscheen de cd Modern Times officieel. Eerder al waren enkele geluidsfragmenten op internet 'gelekt'. Op 25 augustus was de cd al te koop bij de grotere muziekzaken. De laatste keer dat Dylan optrad in Nederland was op 31 oktober 2013 in de Heineken Music Hall in Amsterdam.[6] De laatste keer dat Dylan optrad in België was op 1 november 2015 in Vorst Nationaal. In 2007 is de biografische film I'm Not There verschenen, waarin Dylan door maar liefst zes verschillende acteurs en actrices wordt gespeeld: Christian Bale, Heath Ledger, Marcus Carl Franklin, Richard Gere, Ben Whishaw en Cate Blanchett. De film is in Nederland en België verschenen op 13 maart 2008. Op 24 april 2009 verscheen Dylans nieuwe studioalbum Together Through Life. Dat album heeft hij opgenomen toen hij toch in de studio was om enkele liedjes voor de soundtrack van My Own Love Song van de Franse regisseur Olivier Dahan (met o.a. Renée Zellweger) op te nemen. Op 9 oktober 2009 verscheen Christmas in the Heart, het kerstalbum van Dylan. Op deze plaat staan traditionele Amerikaanse kerstliedjes en geen eigen composities. De opbrengst van de cd is bestemd voor de voedselbank in Amerika. Op 7 september 2012 verscheen het nieuwe album Tempest, 50 jaar na zijn debuut. Het langste van de twaalf nummers is een lied over de Titanic en de afsluiter Roll on Johnis een ode aan John Lennon. Sindsdien heeft Dylan bijna 200 concerten gespeeld waarin hij als in een soort recital vrijwel altijd dezelfde liedjes in dezelfde volgorde speelt. Twee liedjes uit de echte jaren zestig, drie liedjes uit de periode tot 1975, acht liedjes uit de periode t/m 2011 en zes liedjes van het album Tempest. In 2015 verscheen het album Shadows in the Night, met nummers die vooral bekend zijn in uitvoeringen van Frank Sinatra. Dit werk vormt een belangrijk onderdeel van het repertoire bij optredens, onder meer tijdens de drie concerten die Dylan in november 2015 in Carré te Amsterdam en het Muziektheater in Eindhoven verzorgde.
    In 2016 kreeg hij voor zijn album The basement tapes complete: The Bootleg Series Vol. 11 de Grammy Best Historical Album. Zijn album Shadows in the Night was genomineerd in de categorie Best Traditional Pop Vocal. Ook verscheen Fallen Angels, een tweede album met aan Sinatra gerelateerde nummers, opgenomen tijdens dezelfde sessies als de voorganger. Op 13 oktober 2016 werd hem de Nobelprijs voor Literatuur toegekend "voor het scheppen van nieuwe poëtische uitdrukkingsvormen in de grote Amerikaanse liedtraditie". Hij is de eerste schrijver van songteksten aan wie deze prijs wordt toegekend. Op twee weekeinden in oktober vindt te Indio in Californië het Desert Trip festival plaats met louter grootheden uit de popmuziek. Behalve Dylan geven The Rolling Stones, Neil Young, Paul McCartney, The Who en Roger Waters acte de présence. Het Sinatra - repertoire is vrijwel geheel van de setlijst verdwenen, ook tijdens de optredens na het festival Naast zijn muzikale loopbaan houdt Dylan zich ook al sinds ongeveer de jaren zestig bezig met beeldende kunst. Begin jaren zeventig bracht hij dit al tot uitdrukking in het lied When I paint my masterpiece en met een geschilderd zelfportret op de hoes van zijn album Self portrait. In 1994 bracht hij een boek Drawn blank series uit met houtskool- en potloodtekeningen die hij tijdens zijn wereldtournees tussen 1989 en 1992 had gemaakt. Hij exposeerde zijn werkt nooit, totdat dit boek onder ogen kwam van de museumdirectrice van Kunstsammlungen aan de Theatherplatz in de Duitse stad Chemnitz. Hier gebeurde het dan ook, dat Dylan in de winter van 2007/2008 zijn eerste expositie hield, met een collectie van 135 gouaches en aquarellen, die hij speciaal voor deze gelegenheid had gemaakt. Van NRC kreeg hij over deze collectie lovende kritiek. In 2011 hield Dylan opnieuw een expositie, met veertig schilderijen in New York, waarvoor hij de inspiratie had opgedaan tijdens reizen door China, Japan, Korea en Vietnam. De aanvankelijk positieve persberichten veranderden, toen bezoekers in deze collectie foto's herkenden waarop Dylan de schilderijen zou hebben gebaseerd. De reactie van de galerie was dat Dylan sommige schilderijen had gebaseerd op materiaal uit historische beelden en archieven. Ook hierna waren er nog exposities van Dylan te zien, zoals in Londen en opnieuw in New York.





    24-05-2018 om 09:09 geschreven door blesje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.VANDAAG jaren terug 24 mei

    De Duitse wielrenner Erik Zabel en oud-wielrenner Rolf Aldag geven op een persconferentie toe dat ze in de jaren negentig epo hebben gebruikt. Een dag later volgt voormalig Tourwinnaar Bjarne Riis. Op een persconferentie op 24 mei 2007 maakte Zabel bekend eenmalig, vlak voor de Ronde van Frankrijk 1996, een week epo te hebben gebruikt. Omdat het niets voor hem was en bovendien veel te gevaarlijk was, aldus Zabel, is het daar bij gebleven. Ook zijn teamgenoten Bjarne Riis, Rolf Aldag, Udo Bölts en Christian Henn legden dergelijke bekentenissen af. Wielerfans reageerden vooral geschokt op de bekentenis van Zabel omdat juist hij bekendstond als een renner die tegen doping is, getuige ook zijn bijnaam Mr.Clean.[4] In 2013 werden de bloedstalen uit de Ronde van Frankrijk van 1998 getest op epo. Hieruit bleek dat Zabel ook in dat jaar epo gebruikte Op 28 juli 2013 verklaarde Zabel dat hij regelmatig doping gebruikte in de periode van 1996 tot 2003. Rolf Aldag (Beckum, 25 augustus 1968) is een voormalig Duits wielrenner, die actief was van 1991 tot 2005. Tegenwoordig werkt Aldag als ploegleider. In 1991 begon hij zijn profcarrière bij Team Helvetia. In 1993 kwam hij bij Telekom terecht en reed daar alle grote wedstrijden naast grote namen als Erik Zabel en Jan Ullrich. Alleen al aan de Tour de France nam Rolf Aldag tienmaal deel. Bij de Tour van 2005 maakte hij echter geen deel uit van de selectie van T-Mobile. Op 24 mei 2007 maakte Aldag bekend enige tijd doping (epo) te hebben gebruikt. Ook zijn voormalige ploeggenoten Erik Zabel, Udo Bölts en Christian Henn gaven toe doping te hebben gebruikt. Hoewel Riis nooit op doping is betrapt, is hij veelvuldig van dopinggebruik beschuldigd. In 1994 en 1995, het jaar waarin hij zijn eerste podiumplaats in de Tour behaalde, reed Riis bij Gewiss-Ballan, de ploeg die bekendstaat als de eerste wielerploeg waar structureel en georganiseerd epo werd gebruikt. Een van de ploegdokters was Michele Ferrari, die later werd verbannen uit de wielersport. Riis' bijnaam in het peloton zou monsieur 60% zijn geweest, naar zijn (kunstmatig) hoge hematocrietgehalte. "Eigenlijk had zijn bijnaam 'Monsieur 64%' moeten zijn," aldus Telekom-verzorger Jef D'Hont.Volgens de verhalen was zijn bloed zo dik dat hij 's nachts enkele malen moest worden gewekt om te voorkomen dat hij zou komen te overlijden aan een hartstilstand. Riis maakte op vrijdag 25 mei 2007 in een persbijeenkomst te Kongens Lyngby een einde aan de twijfels, en bekende dat hij de Ronde van Frankrijk in 1996 op doping had gewonnen. Hij gebruikte epo tussen 1993 en 1998. Riis, op het moment van de bekentenis ploegleider van CSC, verklaarde dat hij de epo zelf kocht en injecteerde, en dat zijn coach er niet van op de hoogte was. Riis gaf toe dat het een fout was die hij niet meer zou maken als hij de tijd zou kunnen terugdraaien. Overigens blijft Riis wel in de boeken staan als Tourwinnaar van 1996, omdat ten tijde van zijn bekentenis de verjaringsperiode van acht jaar reeds verlopen was, en de UCI hem zijn zege niet meer kon afnemen. De Tourorganisatie schrapte hem echter wel uit de lijst van voormalig Tour-winnaars. Hij deed de uiteenzetting na dopingbekentenissen van enkele van zijn oude ploeggenoten bij Team Telekom in de voorafgaande week (Christian Henn, Udo Bölts, Erik Zabel en Rolf Aldag) . Ook tijdens zijn carrière als ploegleider is Riis geassocieerd met doping. Zo gaf Tyler Hamilton in zijn geauthoriseerde biografie aan dat Riis degene was die hem in contact bracht met dopingarts Eufemiano Fuentes. Ook CSC-renners Ivan Basso en Fränk
    Schleckwaren betrokken bij de zaak-Fuentes, die Operación Puerto wordt genoemd. Basso werd hiervoor in 2007 geschorst. Schleck gaf later toe dat hij bijna 7000 euro overmaakte naar Fuentes, maar is hier niet voor vervolgd. Ook de Deense oudrenner Michael Rasmussen gaf aan dat Riis volledig op de hoogte was van het dopinggebruik van zijn renners[









    24-05-2018 om 09:07 geschreven door blesje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.VANDAAG jaren terug 24 mei
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Jo Röpcke (Gent, 4 oktober 1928 - Cannes, 24 mei 2007) was een Vlaamse filmrecensent. Röpcke werkte bijna dertig jaar als presentator en samensteller van het BRTprogramma Première. Dat programma nam hij in 1962 over van Roland Verhavert en bleef ermee bezig tot aan zijn pensioen in 1991. Hij zag in die periode ongeveer 12.000 films, welke hij doorgaans van ironische kritiek voorzag. Naast zijn carrière als filmrecensent en programmamaker was Röpcke tientallen jaren lang docent aan de Brusselse filmschool Rits, waarvan hij de laatste twee jaar voor zijn pensioen directeur was. Hij kampte sinds het begin van zijn pensioen wel met zijn gezondheid. Zo lag hij in 1992 enkele maanden in het ziekenhuis. Toch bleef hij betrokken bij de filmscene. Hij was onder meer tien jaar voorzitter van het Filmfestival van Brussel. Jo Röpcke overleed op 78-jarige leeftijd, terwijl hij het filmfestival van Cannes volgde, aan de gevolgen van nierproblemen in combinatie met een hartaanval. Zijn archief, waarin hij allerlei materiaal over film verzamelde, schonk hij aan de stad Brugge, waar hij woonde

    24-05-2018 om 09:05 geschreven door blesje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    23-05-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.VANDAAG jaren terug 23 mei

    23 mei Sabena NV (Société Anonyme Belge d'Exploitation de la Navigation Aérienne) was van 1923 tot november 2001 de nationale luchtvaartmaatschappij van België. Sabena had haar hoofdkantoor in het Sabena house op Brussels Airport. Het gebouw is ondertussen hernoemd naar b.house en is het hoofdkwartier van Brussels Airlines. Op 31 maart 1919 richtte Georges Nélis met de steun van koning Albert I de SNETA (Syndicat National d'Etude du Transport Aérienne) op. De SNETA diende om de mogelijkheden te onderzoeken om de commerciële luchtvaart in België op te starten. Op 23 mei 1923 werd Sabena door de Belgische Staat opgericht om de SNETA ( Syndicat National pour l'Etude des Transports Aeriens) die in 1919 werd opgericht, over te nemen. SNETA was een organisatie die de commerciële luchtvaart onderzocht in België. Sabena nam de vloot van SNETA over, die bestond uit 4 de Havilland DH-9, 3 Rumpler C.IV, 1 de Havilland DH-4, Blériot-SPAD S.33, 1 Ansaldo A.300C en een Farman F.60 Goliath. De eerste vlucht van Sabena werd al op 23 mei 1923 uitgevoerd, het ging om een vrachtvlucht tussen Brussel en het Britse Lympne met een tussenlanding in Oostende, uitgevoerd met een De Havilland DH-9. De eerste betalende vlucht uitgevoerd door Sabena was van Rotterdam naar Straatsburg via Brussel op 1 april 1924. Frequente vluchten naar Amsterdam en Bazel via Straatsburg werden uitgevoerd vanaf 1923 met verdere routes naar Londen, Bremen en Kopenhagen in 1924. In 1946, na de Tweede Wereldoorlog, bestond de vloot van Sabena uit Douglas DC-3toestellen. Sabena hervatte zijn vluchten onder de naam Sabena- Belgian World Airlines. Op 4 juni 1947 begon Sabena haar eerste trans-Atlantische route tussen Brussel en New York, waarop de Douglas DC-4 werd ingezet. De vluchten waren eerder een jaar als test uitgeprobeerd, waarbij een toestel verongelukte, het vliegtuigongeluk bij Gander Airport op 18 september 1946. Deze vliegtuigen werden al snel door de DC-6B vervangen. Deze twee types hernamen in hetzelfde jaar ook de historische routes naar Belgisch-Congo. De Convair 240 werd in 1949 geïntroduceerd op de Europese lijndiensten, ter vervanging van de oudere DC-3s die alle Europese diensten verzorgden. In 1949 nam Sabena de in 1946 opgerichte concurrent Sobelair (Société Belge des Transports Aériens) over. Onder de vleugels van Sabena ontwikkelde Sobelair zich tot een chartermaatschappij. In 1956 begon de Convair 440 Metropolitan de Convair 240 te vervangen, en werden tot in de jaren zestig gebruikt op Europese regionale routes. In 1957 werd de Douglas DC7CSeven Seas voor het eerst gebruikt op langeafstandsvluchten. Maar dit vliegtuig werd al na drie jaar achterhaald door de komst van de eerste straalvliegtuigen. De maatschappij ontwikkelde zichzelf tot een trendsetter in de luchtvaart. Door haar vernieuwend beleid schafte Sabena zich steeds het modernste materiaal aan, tegen elke prijs. Daarmee trok ze ook de aandacht van de vliegtuigconstructeurs. Zo nam Sabena als eerste Europese maatschappij de Douglas DC-6 in dienst, en later in de gouden jaren 60, was ze opnieuw trendsetter op Europees vlak met bestelling van in totaal 20 Boeing 707320 vliegtuigen in januari 1956, die in 1960 in dienst zouden verschijnen op de vluchten naar New York. Sud-Est SE-210 Caravelle VI-jets werden in gebruik genomen op
    middellange-afstandsvluchten in Europa vanaf februari 1961, samen met de Convair 440s, tot de vroege jaren zeventig. In die periode braken er ook verschillende opstanden uit in de Democratische Republiek van Congo-Kinshasa, het vroegere Belgisch-Congo dat in 1960 onafhankelijk werd. Duizenden Belgen sloegen op de vlucht of werden gedwongen het land te verlaten door rellen gericht tegen de Belgische kolonialen. Het was de taak van Sabena alle Belgische vluchtelingen te evacueren naar België. De onafhankelijkheid van Congo betekende ook het einde van het uitgebreide netwerk van routes en vliegvelden van Sabena in de oude kolonie Sabena kocht twee eerstegeneratie Jumbojets, De Boeing 747-100, en zette deze in 1971 in voor de trans-Atlantische prestigevluchten, naar New York en Chicago, samen met de Boeing 707-320C. In 1973 werden de oudere Boeings 727 vervangen door de Boeing 737-200 op het Europese netwerk. De Douglas DC-10-30 werd in 1974 in gebruik genomen, in totaal zal Sabena 5 van deze toestellen aankopen. Sabena heeft vanaf 1955 sinds de opening van de spoorlijn 36C naar de luchthaven, in samenwerking met de NMBS een eigen treindienst gehad. Eerst met dieseltreinstellen en vanaf 1971 met elektrische treinstellen na de elektrificatie van de luchthavenlijn. De zes treinstellen waren specifiek gebouwd voor de verbinding, hadden brede stoelen, veel bagageruimte en reden met de Sabena-kleuren. NMBS-vervoersbewijzen waren niet geldig op deze treinen. In het station Brussel-Centraal had Sabena zijn eigen kopspoor en terminal met eigen ingang langs het Sabena-kantoor, de Sabena Air Terminus. In de jaren negentig is de treindienst overgenomen door de NMBS. Aan het eind van de jaren tachtig kwam Sabena in financiële moeilijkheden. In mei 1995 werd 49,5% van de aandelen verkocht aan Swissair om het bedrijf er weer financieel boven op te helpen. Na een korte opleving verslechterde de situatie weer. Na de aanslagen van 11 september 2001 stortte de luchtvaartbranche in en als gevolg hiervan werd op 7 november 2001 Sabena failliet verklaard. Sabena is tot op heden het grootste faillissement dat de Belgische geschiedenis ooit gekend heeft. De vlucht SN 690 uit Cotonou en Abidjan met een Airbus A340-300 (OO-SCZ) was de laatste vlucht die Sabena uitvoerde De winstgevende Sabenadochter DAT werd overgenomen door de SN Air Holding en werd omgedoopt in SN Brussels Airlines. Deze maatschappij behield het S-vormige logo van Sabena. In 2005 werd SN Air Holding ook de eigenaar van Virgin Express waarna de twee luchtvaartmaatschappijen in 2006 fuseerden tot het huidige Brussels Airlines. Met de komst van Brussels Airlines verdween het S-vormige logo. Op 19 januari 2004 is Sabenadochter en chartermaatschappij Sobelair failliet verklaard. Haar vluchten voor Jetair werden overgenomen door TUI Airlines Belgium. Op dit moment is een onderzoek bezig naar de oorzaak van het faillissement van Sabena. Swissair wordt verweten dat het Sabena heeft 'leeggezogen'. Zo dwong het Sabena, terwijl het er financieel heel slecht voorstond, een compleet nieuwe vloot Airbustoestellen aan te schaffen. Christian Van Buggenhout, de curator van Sabena, eist 1,9 miljard euro terug van de nog bestaande Swissair-bedrijven.
    Het pilotenopleidingscentrum van Sabena, Sabena Flight Academy is in 2004 weer opgestart. In 2009 werd SFA opgekocht door CAE Inc. Het opleidingscentrum werd onderdeel van de CAE Global Academy. De naam Sabena Flight Acacemy werd echter wel behouden. In 2012 heeft CAE Oxford Aviation Academy overgenomen. De naam Sabena Flight Academy verdween en het opleidingscentrum heet nu CAE Oxford Aviation Academy Brussels. De technische en onderhoudsafdeling van Sabena werd in 2005 overgenomen door TAT Industries. In 2006 wordt Sabena Technics de internationale merknaam van de onderhoudswerkzaamheden van de TAT group.





    23-05-2018 om 08:52 geschreven door blesje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.VANDAAG jaren terug 23 mei

    23 mei Het Amerikaanse duo Bonnie Parker en Clyde Barrow werd als bankrovers in de jaren dertig wereldberoemd. Hun verhaal, dat eindigde in een dodelijke hinderlaag van de politie, werd in 1967 verfilmd onder de titel Bonnie and Clyde (met hoofdrollen voor Faye Dunaway en Warren Beatty) en zorgde ervoor dat iedereen Bonnie en Clyde kende. Bonnie en Clyde leerden elkaar kennen tijdens een bezoek aan een gezamenlijke vriend in januari van het jaar 1930. Bonnie, 19 jaar oud, was getrouwd met een man die wegens moord in de gevangenis zat. Clyde was vrijgezel. Ze leerden elkaar zo goed kennen dat ze van de criminaliteit een gezamenlijke hobby maakten. Ze waren beiden opgegroeid in het eenvoudige milieu van het Amerikaanse platteland, waar velen een uitzichtloos bestaan leidden. De economische crisis van de jaren twintigvoorspelde niet veel goeds. Om zich aan dat sombere bestaan te onttrekken, realiseerden ze de Amerikaanse droom van vrijheid, avontuur en rijkdom door stelend door de staten te trekken. Om Bonnie te imponeren, sloeg Clyde een plaatselijke kruidenier neer om er vervolgens met de kassa vandoor te gaan. Het was in feite hun eerste slag. Daarna lieten ze een spoor van dood en vernieling achter. Voortdurend waren ze op de vlucht voor de jagende politie. Omdat ze zich voornamelijk richtten op banken – en de kleinere middenstanders ontzagen – verwierven ze een zeker heldendom. Ze droegen zelf aan hun eigen mythe bij door de pers trots over hun daden te berichten. Sterker nog, ze stuurden zelfs foto's en gedichten naar de media. Hun criminele 'zegetocht' duurde niet lang: op 23 mei 1934 vonden ze de dood, nadat ze door de politie in een hinderlaag waren gelokt. Hoewel tot de tanden toe bewapend, werden Bonnie en Clyde zodanig overrompeld dat ze niet de kans kregen naar de wapens te grijpen en werden ze volgens de geschiedschrijvers "door een regen van duizend geweerschoten" geveld. Op dat moment werden ze verdacht van 13 moorden en diverse overvallen en inbraken. Op de plaats van de hinderlaag (westzijde van de Louisiana Highway 154, een paar kilometer ten zuiden van het kleine plaatsje Gibsland) is een gedenkteken geplaatst:





    23-05-2018 om 08:50 geschreven door blesje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    22-05-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.VANDAAG jaren terug 22 mei

    22 mei Johan Maurits Verminnen (Wemmel, 22 mei 1951) is een Belgische liedjesschrijver en zanger. Zijn bekendste liedjes zijn waarschijnlijk Ieder met zijn vlag (1970), Laat me nu toch niet alleen (1973), Brussel (1976), Oostende in the rain (1978), In de Rue des Bouchers (1979), 'k Voel me goed (1981), Mooie dagen (1986), Paulien (1990) en De tet van Koekelberg (2007). Verminnen werd geboren als jongste in een gezin van vijf kinderen en groeide op in Wemmel, net ten noorden van Brussel. Hij volgde secundair onderwijs aan het Sint-Pieterscollege in Jette. In 2004 schreef hij een boek over zijn moeder: Prinses van het Pajottenland, in 2006 verscheen van zijn hand het boek De laatste boot, en in 2007 Van Brussel naar de Wereld (in het kader van zijn nieuwe theatertournee). Deze drie boeken werden vergezeld van een speciaal opgenomen cd. Al van jongs af aan wilde Verminnen zanger worden. Eerste ruimere bekendheid verwierf hij dankzij een televisie-optreden in het programma "Ontdek de ster" in 1969, en zijn eerste plaat verscheen in 1971. In zijn beginjaren werkte hij nauw samen met Will Tura en Raymond Van het Groenewoud. Zijn debuutsingle was Ieder met Zijn Vlag ('70). De toeristische rue des Bouchers in Brussel, thema van één van Verminnens bekendste liedjes Vaak is Brussel het thema of de inspiratiebron van Verminnens chansons, een stad waar hij zich nauw mee verbonden voelt. Een van zijn bekendste liedjes en tegelijk een klassieker op feest- en dansgelegenheden, is In de Rue des Bouchers uit 1979 (in het Nederlands Beenhouwersstraat, de bekendste horecastraat in het centrum van Brussel). Nochtans is dit nummer minder representatief voor Verminnens werk (het is in het Brussels dialect gezongen en heeft een volks, feestelijk ritme). Andere bekende liedjes van hem zijn Laat Me Nu Toch Niet Alleen (1973), 'k Voel Me Goed (1981), Mooie Dagen (1989). Het is in Vlaanderen minder bekend dat Verminnen ook heel wat Franstalige liederen opnam en daardoor ook in de Franstalige wereld enige bekendheid geniet. Verminnen heeft zich ingespannen voor een aangepast economisch en juridisch statuut voor kunstenaars en richtte in 1992 mee de belangenvereniging Zamu voor zangers en muzikanten op. Tussen 2007 en 2014 is Verminnen gedelegeerd bestuurder van de Nederlandstalige vleugel van auteursrechtenvereniging Sabam, waar hij sinds 1998 al in de raad van bestuur zat.[1] In 2014 werd hij voorzitter van de raad van bestuur van de vereniging.[2] In 2016 kondigde hij zijn afscheid uit deze functie aan. Verminnen trouwde in 1986 met fotomodel Catherine Mattelaer, en een jaar later werd hun dochter Pauline geboren, waaraan hij een gelijknamig lied wijdde (1987). Tegenwoordig woont Verminnen in Hansbeke, een deelgemeente van Nevele. In 1991 zong hij "Sorry Dat Ik Besta", een lied over homoseksualiteit van Annie M.G. Schmidt en Harry Bannink. De opname was onderdeel van het televisieprogramma "Een nieuwe jas", een hommage aan de tachtigjarige Annie M.G. Schmidt





    22-05-2018 om 09:32 geschreven door blesje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.VANDAAG jaren terug 22 mei

    22 mei De brand in de Innovation was een ramp die, in de namiddag van 22 mei 1967, het Brusselse filiaal van de Belgische grootwarenhuisketen Innovation (nu Galeria Inno) trof. Er vielen 251 doden en 62 gewonden (aanvankelijk had de brandweer 323 doden en 150 gewonden geteld). Er waren naar schatting 800 aanwezigen. Het warenhuis was gevestigd in een doolhof van verschillende gebouwen. Vooral in het zelfbedieningsrestaurant, aan de achterzijde, hadden veel mensen pas laat in de gaten dat er brand was. Zij konden geen kant uit toen het vuur hen bereikte. Ook in de andere gebouwen beseften velen niet wat er aan de hand was, doordat het brandalarm op hetzelfde tijdstip afging als de bel die dagelijks het middageten van het personeel aankondigde. De brand werd rond 13u20 opgemerkt door een verkoopster in een kleine opslag voor kinderkledij op de eerste verdieping. Toen de brandweer aankwam, had het vuur de centrale koker al bereikt, waar het extra zuurstof kreeg. Mensen sprongen uit de ramen, terwijl brandweer en omwonenden hen probeerden te redden door dekens te spannen en ladders te plaatsen. Eén man overleefde een sprong van de derde verdieping zonder noemenswaardige verwondingen. Rond 15u15 stortte een gedeelte van de winkel in. Ondanks uitgebreid onderzoek is de oorzaak van de brand onbekend. Eerst werd gedacht aan brandstichting door extreem-linksemilitanten; in de Innovation was net een Amerikaanse week bezig, en door de Vietnamoorlog was er veel anti-Amerikaans protest. Bewijs van kwade opzet is echter nooit gevonden. Volgens recent onderzoek ontstak een tl-lamp ontvlambaar gas dat zich in de valse plafonds opgestapeld had. In elk geval was het warenhuis geenszins brandveilig: de blusinstallatie was ontoereikend, de architectuur (een soort amfitheater rondom een centrale ruimte met trappenhuis) droeg bij tot een snelle vuurontwikkeling, de nooduitgangen waren niet allemaal geopend, sommige nooduitgangen waren aangebracht voor de sier (voor ramen en blinde muren). Vijf jaar na de brand kreeg België een zeer strenge wetgeving voor brandveiligheid in winkels. Innovation opende in 1970 op dezelfde plaats een nieuw warenhuis. Op de begraafplaats van Brussel in Evere staat een monument ter nagedachtenis aan de slachtoffers van de brand.





    22-05-2018 om 09:30 geschreven door blesje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.VANDAAG jaren terug 22 mei

    22 mei
    Hergé, pseudoniem van Georges Prosper Remi Remi (Etterbeek, 22 mei 1907 – Sint-LambrechtsWoluwe, 3 maart 1983), was een Belgisch striptekenaar en scenarist van stripverhalen, die vooral bekend is als schepper van De avonturen van Kuifje. Remi was zeventien jaar toen hij zijn pseudoniem Hergé bedacht. Hij gebruikte er de initialen van zijn achterstevoren geschreven naam Georges Remi voor. Op de lagere school was het voor hem namelijk al normaal om vanaf de eerste klas als Remi Georges te worden aangesproken. Op zijn schoolschriften prijkten eveneens de namen in die volgorde en als hij zelf zijn initialen zette, schreef hij ze neer als R.G. Daaruit ontstond zijn schuilnaam Hergé. Op zijn Frans klinkt dat als erzjee, want de begin-h is in die taal vrijwel niet hoorbaar. In december 1924 publiceerde hij voor het eerst onder dit pseudoniem. Hergé is, naast Vandersteen, Franquin en Goscinny, een van de grote scheppers van de Europese humoristische avonturenstrip van de 20e eeuw. Zijn bekendste creatie is Kuifje, een jonge reporter die over de hele wereld avonturen beleeft. Kenmerkend voor deze wereldberoemde stripreeks is het humanistische karakter en de heldere tekenstijl, de zogenaamde klare lijn. In sommige gevallen worden gebouwen naar de werkelijkheid getekend of bijna naar de werkelijkheid en zijn een aantal verhalen deels ontleend aan in het echt gebeurde voorvallen. Ook wemelt het van de satirische verwijzingen naar de (politieke) geschiedenis van de 20e eeuw. Voor De Blauwe Lotus werd Hergé geïnspireerd door het beruchte Mantsjoerije-incident, dat leidde tot de Tweede Chinees-Japanse Oorlog die in 1934 begon. Het verhaal De scepter van Ottokar heeft de Anschluss van Oostenrijk als overduidelijke inspiratiebron. En De zaak Zonnebloem is een portret over de gevoeligheden van de Koude Oorlog. Georges Remi groeide op in Etterbeek, een toen al verstedelijkte gemeente van de Brusselse agglomeratie. Zijn ouders, de Waal Alexis Remi (1882-1970) - van wie weleens beweerd wordt dat hij mogelijk een buitenechtelijke zoon van koning Leopold II is - en de Vlaamse Élisabeth Dufour (1882-1946), behoorden tot de middenklasse en leefden in een voor die tijd betrekkelijke luxe. In 1912 werd een tweede zoon geboren, Paul Remi. Remi's lagereschooltijd viel goeddeels samen met de Eerste Wereldoorlog en de Duitse bezetting van Brussel. Van Duitse soldaten die gelegerd waren in de Etterbeekse kazernes maakte hij, in de kantlijnen van zijn schoolschriftjes, onbeholpen tekeningen. Tekenen leek al vroeg in zijn bloed te zitten. Maar het zou nog tot 1925 duren voor hij zijn eerste echte beeldverhaal publiceerde: een tekstloos stripje over een wielrenner met bandenpech. Hergé was toen al actief lid van de katholieke scouting waarvoor hij ook talrijke tekeningen maakte, onder andere in Le boy scout. In dat blad en in andere scoutingbladen publiceerde hij vanaf 1926 het stripfeuilleton Totor, P.L. van de Meikevers. In 1927 ging Hergé werken op de abonnementenafdeling van het dagblad Le Vingtième Siècle, de spreekbuis van het francofone, conservatieve, rooms-katholieke en anti-communistische establishment. Hij vond het er dusdanig saai dat hij vervroegd in militaire dienst ging. Nadat hij afzwaaide begon hij in januari 1929 in de donderdagse jeugdbijlage Le Petit Vingtième van de krant Le Vingtième Siècle aan het allereerste avontuur van Kuifje: Les Aventures de Tintin, reporter du Petit "Vingtième", au pays des Soviets (De avonturen van Kuifje, reporter van de Kleine "Twintigste", in het land van de Sovjets). In 1930 begon Hergé aan de strip De guitenstreken van Kwik en Flupke, eveneens in hetzelfde blad. Tot aan zijn dood in 1983 verschenen 23 albums met de avonturen van Kuifje, zijn hond Bobbie en bijfiguren als kapitein Haddock, professor Zonnebloem en de detectives Jansen en Janssen. Postuum werd het onvoltooide Kuifje en de Alfa-kunst uitgegeven. Hergé tekende de strips in eerste instantie helemaal zelf, maar in 1943 riep hij de hulp in van Edgar P. Jacobs. In 1950 startte hij de fameuze Studios Hergé. Bekende medewerkers als Bob De Moor en Jacques Martin namen hem veel werk uit handen en hielden zich onder andere bezig
    met het tekenen van achtergronden en het hertekenen van de oude albums. Naast Kuifje werkte Hergé aan andere strips, zoals Leo en Lea, Jo, Suus en Jokko en De guitenstreken van Kwik en Flupke, waarvan van de laatste tot 1955 355 verhalen en een tekenfilmserie verschenen. In juni 2009 opende in Louvain-la-Neuve het Hergé-museum rond het leven en werk van de striptekenaar. Dit museum kwam er door de inzet van Hergés tweede vrouw en voormalige medewerkster in zijn studio, Fanny Vlamynck. De Blauwe Lotus is een beslissend album in het leven van Hergé en in de ontwikkeling van Kuifje. Dit was het eerste avontuur waarvoor Hergé nauwgezet onderzoek deed naar de wereld waarin zijn verhalen zich afspeelden. Daarvóór verzon hij auto's, schepen en gebouwen vaak zelf en maakte hij culturen en volken tot stereotypen. Juist door deze stereotypen wordt Hergé nog weleens van racisme beticht.[Zo werd in 2007 het album Kuifje in Afrika door de Britse Raad voor Gelijkheid als 'racistisch' bestempeld. Omstreeks diezelfde tijd eiste een Congolees student in Brussel (vergeefs) een verbod op het album. Hergé, en na zijn overlijden ook de woordvoerders van zijn Studio, hebben altijd volgehouden dat de stereotiepe typeringen in vooral de vroege Kuifje-albums louter een weerspiegeling zijn van de visie in die tijd in heel Europa op de rest van de wereld. Een andere 'gevoelige' titel is De geheimzinnige ster. Amerikanen waren de boeven in dit avontuur dat verscheen in het dagblad Le Soir onder het toeziend oog van de Duitse bezetter. De schurk was een gewetenloze joodse oliemagnaat met de naam Blumenstein. Omdat Hergé tijdens de oorlog publiceerde in deze Duitsgezinde krant werd hem collaboratie met de nazi's in de schoenen geschoven. Na de bevrijding van Brussel op 3 september 1944 werd hij door verschillende verzetsgroepen tot vier keer toe opgepakt en weer vrijgelaten. Vanwege het publiceren in Le Soir wordt hem na de oorlog een tijdelijk beroepsverbod opgelegd. Tijdens de ondervragingen verbleef hij één nacht in een cel. Tot september 1946 mochten De avonturen van Kuifje in geen enkele krant worden gepubliceerd. Dat Hergé tijdens zijn verdere leven bloot bleef staan aan kritiek heeft zeker ook te maken met zijn omgang met de Belgische fascistenleider Léon Degrelle. Feit is echter dat Hergé zich nimmer hardop heeft uitgesproken over dit soort zaken en dat bijvoorbeeld een vooroorlogs album als De scepter van Ottokar toch vooral kan worden gelezen als een anti-fascistische parabel. Voluit luidt de echte naam van Hergé: Georges Prosper Remi Remi. De Nederlandse publicist Huib van Opstal wees er in zijn biografie op dat door het verkeerd lezen van de geboorteakte de identieke naam veelvuldig wordt genegeerd. Hergé huwde in 1932 met Germaine Kieckens (1906-1995), van wie hij op 28 maart 1977 scheidde. Twee maanden later huwde hij op 20 mei met Fanny Vlamynck (geboren in 1934), die hij al kende sinds ze in 1955 als inkleurster bij hem was komen werken. Al vanaf toen hielden ze er een geheime relatie op na. In 1960 ging hij met Fanny samenwonen. Kieckens wilde echter van geen echtscheiding weten en Hergé had zonder haar instemming geen wettelijke mogelijkheid daartoe. Pas toen de wet werd aangepast, kreeg Hergé de mogelijkheid om de echtscheiding aan te vragen. De geestelijke vader van Kuifje had geen kinderen. Volgens zijn biograaf Pierre Assouline niet alleen omdat hij onvruchtbaar was, maar ook "omdat hij niet van kinderen hield". Assouline refereert aan een adoptie van een zeven- of achtjarige wees door de tekenaar en zijn toenmalige vrouw, eind jaren veertig: "Maar omdat hij (Hergé) deze nieuwe aanwezigheid en de beroering die dit in zijn dagelijkse leven met zich meebracht, niet kon verdragen, gaf hij het na twee weken terug …"Tussen 1947 en 1949 leed Hergé wegens de hoge werkdruk aan een depressie.Aan zijn secretaris en vriend Marcel Dehaye schreef hij dat hij Kuifje beu is. Hergé leed aan het eind van zijn leven aan osteomyelofibrose. Dat was ook de doodsoorzaak. Zijn testament bestond slechts uit één enkele zin, namelijk dat zijn tweede vrouw de enige erfgename was. In interviews gaf hij te kennen dat zijn creatie Kuifje niet mocht voortgezet worden na zijn dood. Hij zei dat iemand anders het misschien beter of slechter zou doen, maar dat hij zichzelf als de enige zag die Kuifje op papier tot leven kon wekken. Zijn weduwe besloot die wens te respecteren. Hergé ligt begraven op de Begraafplaats van Dieweg in Uk





    22-05-2018 om 09:28 geschreven door blesje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.VANDAAG jaren terug 22 mei
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    22 mei Charles Aznavour, pseudoniem van Chahnour Varinag Aznavourian (Armeens: Շահնուր ), ( ՎաղինակԱզնավուրյան Parijs, 22 mei 1924) is een Franse zanger, liedjesschrijver en acteur van Armeense afkomst. Aznavour werd geboren als zoon van Armeense immigranten. Op negenjarige leeftijd begon hij met acteren en dansen. In de jaren veertig vormde hij samen met Pierre Roche een muzikaal duo en spoedig koos hij de podiumnaam Aznavour. Op jonge leeftijd introduceerden zijn artistieke ouders hem in de wereld van het theater. Zijn grote doorbraak kwam toen de zangeres Édith Piaf hem hoorde zingen en hem op tournee meenam door Frankrijk en de Verenigde Staten. Daarna ging de reis naar Quebec, waar het grote succes hem wachtte: veertig weken lang mocht hij in enkele clubs spelen, met elf shows per week. In 1953 brak Charles, beïnvloed door Piaf, met Roche. Aznavour trouwde drie keer. Zijn huidige echtgenote is de meer dan 20 jaar jongere Zweedse Ulla Thorsell, met wie hij in 1967 trouwde. Zij wonen zes maanden per jaar in Zuid-Frankrijk en de rest van het jaar in Zwitserland, tegenwoordig in Saint-Sulpice, waar ze in 2012 een nieuw huis lieten bouwen. In 2002 speelde Aznavour in de film Ararat, waarin hij Edward Saroyan, een filmregisseur, speelde. In december 2008 werd hem het Armeens staatsburgerschap toegekend en in 2009 werd hij ambassadeur van Armenië in Zwitserland. Hij gaf op 3 maart 2018 op 93-jarige leeftijd een concert in een uitverkocht AFAS Live. Aznavour wordt vaak omschreven als de 'Frank Sinatra van Frankrijk'. Bijna al zijn liederen gaan over de liefde. Hij heeft meer dan duizend liederen en musicals geschreven en hij componeerde veelal zelf de muziek en hij bracht meer dan honderd albums uit en speelde in zestig films. Aznavour zingt in vijf talen en is in het buitenland een van de bekendste Franse zangers. Hij heeft opgetreden in de prestigieuze Carnegie Hall en andere belangrijke zalen in de wereld. In 1955 won Aznavour de Kristallen Ster voor beste Franse mannelijke acteur. In 1993 werd hij benoemd tot Buitengewoon Ambassadeur van de republiek Armenië. Vier jaar later werd hij (vanwege "buitengewone verdiensten") Officier in het Franse Legioen van Eer. In 1996 werd Aznavour toegevoegd aan de Songwriters Hall of Fame. Op 16 november 2015 werd hij benoemd tot commandeur in de Belgische Kroonorde door minister van Buitenlandse Zaken Didier Reynders. In 2017 kreeg hij een ster op de Hollywood Walk of Fame.

    22-05-2018 om 09:27 geschreven door blesje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    21-05-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.turks fruit renee soutendijk

    &nbsp

    21-05-2018 om 09:03 geschreven door blesje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.VANDAAG jaren terug 21 mei

    21 mei
    Renette Pauline (Renée) Soutendijk (Den Haag, 21 mei 1957) is een Nederlands actrice. Soutendijk ambieerde gymnastiek op olympisch niveau te gaan doen, maar op aanraden van een dansleraar ging ze naar de Academie voor Podiumvorming. Hierna speelde zij in theaterproducties, onder andere bij de Theaterunie. Ook speelde ze in het stuk De grote liefde van regisseur Ger Thijs. Soutendijk debuteerde op televisie in de serie Dagboek van een herdershond en speelde sindsdien in een groot aantal Nederlandse, Duitse en Amerikaanse films, televisiefilms en -series. Soutendijk is getrouwd met regisseur Thed Lenssen. Zij hebben twee kinderen, onder meer Caro, die eveneens actrice is en samen met haar moeder in Meiden van De Wit speelde.





    21-05-2018 om 09:00 geschreven door blesje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.VANDAAG jaren terug 21 mei

    21 mei Arnaud Charles Ernest Hintjens (Oostende, 21 mei 1949), beter bekend onder zijn artiestennaam Arno, is een Belgischerockzanger, die liedjes vertolkt vooral in het Frans, soms in het Engels, Nederlands en sporadisch ook in het Oostends dialect. Arno koos aanvankelijk voor het beroep van kok, maar was in zijn jonge jaren vooral geïnteresseerd in muziek. Vooral uit Engeland geïmporteerde bluesplaten inspireerden hem. Als mondharmonicaspeler werkte hij samen met muzikanten uit de Oostendse rockscene vooraleer hij rond 1970 in zijn eerste "echte" groep belandde, Freckleface, geleid door zanger/bassist Paul Vandecasteele en gitarist Paul Decoutere. Arno zong destijds sporadisch en beperkte zich meestal tot solo's op de mondharmonica. Freckleface maakte een plaat met uitgesponnen bluesrocknummers, maar had op het podium meer succes dan in de platenwinkel. In 1972 gingen Arno en Decoutere verder als duo onder de naam Tjens Couter. De groep wisselde bluesnummers af met uitstapjes richting tango en reggae. Na de debuutplaat "Who Cares" groeide Tjens Couter van een duo naar een kwintet en werd de muzikale koers verlegd naar pubrock. Een tweede album volgde. In 1978 waren Arno en Decoutere te zien in de film Le concert d'un homme seul. Pas in 1980 kwam de grote doorbraak met de groep T.C. Matic, een groep die aanvankelijk voor 80 procent dezelfde samenstelling had als Tjens Couter. De groep maakte vier albums, ging op tournee door Europa en had een paar hits, waaronder Oh la la la. Ook Que pasa en Putain, putain zijn uitgegroeid tot klassiekers, die steevast deel uitmaken van Arno's liveset.[bron?] Zes jaar later hield T.C. Matic het voor bekeken. Arno besloot het solo te wagen. Hij bracht in 1986 zijn solodebuut uit onder de titel Arno. Forget the Cold Sweat is daarvan een bescheiden hit geweest. Op dit nummer zingt onder anderen ook Kaz Lux mee. Arno ging voor dit album dan wel solo, hij kon toch nog een beroep doen op verscheidene ex-TC Matic leden. Serge Feys, die ook vele andere Arno cd's zou produceren, trad op als producent en als toetsenist (keyboards). Ook gitarist Jean-Marie Aerts was van de partij, en zou nog jaren deel blijven uitmaken van Arno's vaste begeleidingsband. In het geheel was Arno een behoorlijke cd, met veel funk en blues invloeden en vooral Engelstalige teksten. Ook op zijn volgende albums zou Arno soms in het Frans zingen, maar het Engels was duidelijk prominenter aanwezig. (Franse nummers zouden pas een overwicht krijgen vanaf het in 1995 verschenen Arno à la Française.) Terwijl Arno op zijn gelijknamige debuutalbum duidelijk nog wat een eigen gezicht aan het zoeken was (twee volledige instrumentals en twee haast instrumentale nummers), trad hij met Charlatan veel zelfverzekerder naar buiten. Nummers als Bathroom Singer, het snoeiharde Black Doll en de Jacques Brel-cover Le Bon Dieu werden live favorieten. Ook in de cinema was Arno een gevraagd typeschrijver. Vóór alle unplugged-trends belichaamde hij samen met Roland in 1990-1991 de pure rock in het zijproject Charles et les Lulus. Ook zijn levensstijl werd er niet minder rock-'n'-roll op. In 1992 coverde hij de Adamo-hit Les filles du bord de mer. Zijn doorbraak bij het bredere
    publiek ging verder met zijn vierde album Idiots Savants, dat goed ontvangen werd door de pers. Het album haalde gemakkelijk goud. In 1995 kwam Arno à la Française uit. Eén cover springt er op dat album uit, namelijk Comme à Ostende van Leo Ferré. Met deze geheel Franstalige plaat brak hij definitief door in Frankrijk. Franse chansons zijn vanaf dat moment een even belangrijk bestanddeel van zijn muziek als rock, tango en blues. Samen met Jan Decleir speelde hij in 1995 de rol van de homoseksuele redder Harry in de film Camping Cosmos (1996) van Jan Bucquoy die zich te Westende afspeelt. In 1997 bracht Arno voor het eerst een album uit in de Verenigde Staten. Het was een compilatie, in combinatie met de registratie van een live-concert. In 1999 werd Arno vijftig jaar. Hij bracht zijn zesde soloalbum uit, dat meteen ook zijn 23ste album is onder diverse namen en formaties. Een 'best of' kwam uit in 2000. In 2002 kwam Arno Charles Ernest uit, een referentie naar zijn grootvader; in 2004 volgde French Bazaar. Eind september 2004 startte Arno zijn nieuwe solotoer met onder andere twee concerten in Vietnam. Zijn voornaamste muzikale partners door de jaren heen zijn de gitaristen Jean-Marie Aerts (ook in T.C. Matic) en Geoffrey Burton, Rudy Cloet (drummer) en de toetsenisten Ad Cominotto en Serge Feys (eveneens ex-T.C. Matic). Op 1 oktober 2006 organiseerde hij samen met Tom Barman en Sioen de 0110-concerten. Zijn volgende album, Jus de Box, verscheen in januari 2007. In de zomer van 2009 was hij de centrale gast muziek op Theater aan Zee. In 2015 vertolkte hij het personage "Alain" in de film Préjudice Op de Pop Poll van het Vlaamse televisieblad Humo werd hij een aantal keer bekroond in de categorieën "Zanger van het Jaar" en "Beste Interview". In 2002 ontving Arno de Franse onderscheiding van Ridder in de Kunsten en Letteren (Ordre des Arts et des Lettres). Eind 2005 werd Arno genomineerd voor de titel De Grootste Belg. Hij eindigde op nr. 34 in de Vlaamse versie en op nr. 83 in de Waalse versie. In 2010 zong hij samen met Ray Davies het lied "Moments". Tijdens een interview zei Davies: "I heard some of Arno's music and thought this would be an ideal song for him to interpret with me. My French is appalling but Arno's English is superb, so I devised a way we could sing it together. I think it works really well." In Bornem kreeg hij een permanent aandenken langs de SIM-route. In 2012 werd hij opgenomen in de Radio 2-eregalerij voor een leven vol muziek.





    21-05-2018 om 08:58 geschreven door blesje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    20-05-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.VANDAAG jaren terug 20 mei

    20 mei Een spijkerbroek, ook wel jeans, is een broek die meestal van een blauwe, sterke, gekeperde katoenen stof (denim oftewel spijkerstof) wordt gemaakt, met een soort klinknagels die de zakken verstevigen. Jacob Davis kreeg op 22 mei 1875 een Chinees octrooi op deze bevestigingswijze.In 1847 emigreerde Levi Strauss naar de Verenigde Staten. Daar maakte hij stevige broeken voor de goudzoekers in Californië, van zeildoek. Deze broeken vielen erg in de smaak bij de goudzoekers, omdat deze steviger waren dan de gebruikelijke broeken. Toen Strauss door zijn voorraad zeildoek heen was, stapte hij over op een sterke katoensoort, genaamd 'Serge de Nîmes' (keper uit Nîmes). Deze naam verbasterde al snel tot denim. De broeken hadden echter een probleem met de plekken waar veel spanning op staat: vooral de broekzakken scheurden nog weleens uit. In 1872 kwam de kleermaker Jacob Davis met een oplossing hiervoor: klinknagels. Strauss liet zich overhalen, en gebruikte de klinknagels om de hoeken van de broekzakken te verstevigen. In 1872 vroeg Davis octrooi aan op deze werkwijze, toe te kennen aan hemzelf en Levi Strauss & Company. Het patent werd op 20 mei 1873 toegekend. De broeken die op deze manier gemaakt werden, de taille overalls, hadden een achterzak met het Arcuate Stitching Design, bretels, en een horlogezakje. De taille overalls werden tot 1920 alleen in San Francisco geproduceerd. In 1920 volgde uitbreiding naar Frankfort (Indiana). In 1965 werden de eerste fabrieken van Levi Strauss & Co. in Europa en Azië gebouwd. De stof van spijkerbroeken wordt geweven met een schering die indigo gekleurd is, terwijl de draden van de inslag wit zijn. De blauwe verfsoort die werd gebruikt, heette in het Frans "bleu de Gênes" (vertaald vanuit het Italiaanse "blu di Genova", dus eigenlijk "Genuees blauw"). Het "bleu de Gênes" werd verbasterd tot het huidige "bluejeans", ofwel jeans. Standaard heeft een spijkerbroek vijf zakken, twee aan de achterzijde, en twee steekzakken aan de voorzijde. Aan de rechtervoorzijde zit een klein zakje, waar men vroeger een zakhorloge in bewaarde. Omdat het zakhorloge te veel te lijden had in een gewone steekzak, werd dit kleine zakje daar speciaal voor op de spijkerbroek aangebracht. Daarnaast zitten er ook riemlussen op een spijkerbroek. Ook zitten er 6 rivets (metalen klinknagels die voor de versteviging op de jeans zitten om scheuren te voorkomen, zoals op de riemlussen en de hoeken van de zakken) op. In de Tweede Wereldoorlog droegen Amerikaanse soldaten een aangepast model van de taille-overall. Hierdoor raakte de broek van denim bekend in Europa. In 1959 werden de eerste exemplaren naar Europa geëxporteerd. In 1960 kwam de term "spijkerbroek" of "jeans" in zwang. De jeansbroek wordt sindsdien zowel door heren als door dames veel gedragen. Jeans werden bekend doordat John Wayne ze in cowboyfilms droeg. Andere bekende jeansdragers waren Elvis Presley, James Dean en Marilyn Monroe. De opbouw van de jeans is al wel enkele malen gewijzigd. Zo heeft men bijvoorbeeld in de Eerste Wereldoorlog de ijzeren knoopjes ter hoogte van de jeanszak verwijderd van de broek wegens besparingen. Tegenwoordig bestaan er zowel jeans mét, als zonder die knoopjes. Jeans hadden een ruig imago. In de jaren zestig werden jeans vooral gedragen door zogenaamde nozems. Die stonden ook wel bekend als 'zondaars in spijkerbroek'.
    Langzaam is de jeans steeds meer ingeburgerd. Tegenwoordig maken ook de grote modemerken zoals Armani en Versace spijkerbroeken. In Nederland werd de spijkerbroek pas populair in de jaren vijftig van de vorige eeuw. In eerste instantie werd de stof alleen gebruikt in werkkleding. De Alkmaarse winkel Vetwas een van de eerste die spijkerbroeken verkocht.[3] De eigenaar werd succesvol door te verkopen vanuit een busje waarmee hij langs bedrijven reed. Ook De Rode Winkelin Utrecht begon al vroeg met het verkopen van spijkerbroeken als werkkleding. De populariteit van de spijkerbroek steeg sterk in de jaren zestig. Het kledingstuk werd een protestsymbool voor hippies en een vast onderdeel van de garderobe van nozems. [3] De spijkerbroek was geen werkkleding meer, wat werd ondersteund door reclamecampagnes die lieten zien dat denim een unieke stof is die naar het lichaam vormt. Sinds de jaren tachtig zijn Nederlandse jeansmerken ontstaan. Scotch & Soda werd in 1985 opgericht, hoewel het merk pas succesvol werd na een overname in 2001.] In 1989 werd G-Star opgericht, in 1992 Chasin’ en in 1993 Gsus. Ook ontstonden winkelketens als Score Jeans en Open32. In 2000 deed de non-profit organisatie Solidaridad onderzoek naar de katoenindustrie in Peru dat slechte werkomstandigheden en vervuiling aan het licht bracht. De daaropvolgende behoefte aan duurzaam geproduceerde spijkerbroeken leidde tot de oprichting van Kuyichi in 2001. In 2003 werd het merk Blue Blood gelanceerd, dat inmiddels failliet is, en in 2008 Denham





    20-05-2018 om 09:04 geschreven door blesje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.VANDAAG jaren terug 20 mei

    20 mei John Robert (Joe) Cocker (Sheffield, 20 mei 1944 – Crawford (Colorado), 22 december 2014) was een Engelse blueszanger Cocker zat al in kleine bands in zijn geboortestad Sheffield toen hij vijftien jaar oud was. Hij verscheen voor het eerst op de Amerikaanse televisie in 1969, in de Ed Sullivan Show. I'll Cry Instead, Cockers eerste single, was een cover van The Beatles. Hij had een eerste bescheiden hitje in Engeland in 1964 met Marjorine. Zijn eerste grote hit, zijn tweede Beatlescover, verscheen in het najaar van 1968: With a Little Help from My Friends, een eigen versie van een van de nummers op het conceptalbum Sgt. Pepper's Lonely Hearts Club Band. Kort daarna, in de zomer van 1969, deed zijn verschijning op de Woodstock Music & Art Fair zijn populariteit nog verder stijgen. Andere vroege hits, uit het begin van de jaren zeventig, waren Cry me a river, High time we went en Feelin' Alright. In die periode begonnen zijn problemen met drugs en alcohol, maar hij maakte een comeback in de jaren tachtig. Hij had grote hits met You are so beautiful, Up where we belong en Unchain my heart, waardoor hij een nieuw publiek aan zich bond. Cocker coverde meer liedjes, bekend werden onder andere zijn versies van The Letter (van The Box Tops), van Feelin' Alright(van Traffic) en van Summer in the City (van The Lovin' Spoonful). Hij blies ook nieuw leven in het Randy Newman-liedje You Can Leave Your Hat On, dat werd gebruikt in de erotische film 9½ Weeks. Hij was beroemd om zijn opvallende, rauwe stemgeluid en een spastische gestiek. Cocker overleed 22 december 2014 op 70-jarige leeftijd in zijn huis in Colorado aan de gevolgen van longkanker.





    20-05-2018 om 09:02 geschreven door blesje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.VANDAAG jaren terug 20 mei

    20 mei Frank Boudewijn de Groot (Batavia, 20 mei 1944) is een Nederlands zanger, songwriter, muziekproducent en acteur De Groot werd op 20 mei 1944 geboren in een Japans interneringskamp in Batavia (tegenwoordig Jakarta, Indonesië), voormalig Nederlands-Indië. Zijn moeder, Sophie Elisabeth Saueressig, overleed in juni 1945 in het Japanse interneringskamp Tjideng.Na de oorlog, in 1946, keerde het gezin terug naar Nederland, waar de kinderen, Boudewijn, zijn broer en zijn zus, in verschillende gezinnen werden ondergebracht, zodat zijn vader kon terugkeren naar Indië. Zo kwam De Groot terecht in het gezin van een tante in Haarlem. In 1951 keerde De Groots vader voorgoed terug uit Indië, waarna hij in Nederland hertrouwde. Het gezin werd herenigd in 1952 en vestigde zich in de César Francklaan te Heemstede. Hier maakte hij kennis met Lennaert Nijgh, die in dezelfde straat kwam wonen en vriendschap sloot met De Groots jongere stiefbroer Dirk. Beiden zaten ook op de Crayenesterschool, maar veel contact hadden de twee niet, daar De Groot een klas hoger zat dan Nijgh. Na de lagere school ging De Groot naar de HBS op het Coornhert Lyceum in Haarlem. Hij had ondertussen gitaar leren spelen en maakte op school indruk met liedjes van Jaap Fischer en Jacques Brel. In de vriendengroep, die hij opbouwde op het lyceum, dook ook Nijgh weer op, die weliswaar op een andere school zat, maar voornamelijk optrok met leerlingen van het Coornhert Lyceum. De Groot en Nijgh waren beiden geïnteresseerd in film en samen maakten zij in hun examenjaar, 1962, met enkele andere vrienden, een 8mm-filmpje getiteld Feestje bouwen, waarin Boudewijn onder andere een tweetal liedjes ten gehore bracht. Hierna schreven ze zich in voor de filmacademie, waar zij beiden werden toegelaten. Tijdens een van de huisvertoningen van De Groot en Nijghs filmpje, zag nieuwslezer Ed Lautenslager de opname. Hij was met name onder de indruk van de liedjes van De Groot en spoorde deze aan meer liedjes te schrijven, die hij dan aan een relatie bij Phonogram Records zou aanbieden. De Groot nam Nijgh in de arm als tekstschrijver, waarop het duo enkele nummers schreef. Op 14 mei 1964 toog De Groot, met zijn akoestische gitaar, naar de Phonogram Studio's in Hilversum om een aantal nummers op te nemen. De nummers Strand, Sexuele voorlichting, Élégie Prenatale en Referein voor... werden op single uitgebracht, maar bereikten de hitlijsten niet. De platen werden uitgebracht onder het Decca-label en leverden Boudewijn zijn eerste televisieoptreden in Kaberet Kroniek van Wim Ibo. Hierop schreef De Groot zich in voor het talentenprogramma Nieuwe oogst. Hier kreeg hij een hoge waardering van de vakjury, die het nummer Élégie Prenatale roemde om zijn gedurfdheid, iets wat het publiek minder bleek te kunnen waarderen. Uiteindelijk ging André van Duin er met de hoofdprijs vandoor, voor zijn bandparodienummer. De Groots eerste twee singles werden, samen met De morgen en Delirium opnieuw uitgegeven op een ep, die de titel Boudewijn de Groot meekreeg. Ook deze plaat bereikte de hitlijsten niet.
    Op 9 september 1964 trouwde De Groot met Anneke Versteeg en op 27 december werd zijn eerste zoon geboren, Marcel de Groot. Om bij te verdienen nam De Groot een baantje bij De Bijenkorf in Amsterdam en presenteerde hij, onder het pseudoniem Marcel Oversteege, een jazzprogramma bij Radio Veronica. Om een doorbraak te forceren stelde producer Tony Vos voor enkele covers op te nemen. Eerst werd besloten de folktraditonalNoordzee op te nemen met een strijkersarrangement. Dit leverde niet het verwachte succes op. Hierna kwam Vos op de proppen met A young girl of sixteen van Noel Harrison, dat op zijn beurt weer een beatbewerking was van Une enfant, een chanson door Charles Aznavour geschreven voor Édith Piaf. Het nummer, Een meisje van 16, bereikte begin 1966 nummer 23 van de Top 40. Op de B-kant prijkte De eeuwige soldaat, een vertaling van het protestlied Universal Soldier, van Buffy Sainte-Marie, dat bekend was geworden in de versie van Donovan. Toen Een meisje van 16 aansloeg, werd besloten in allerijl een album uit te brengen. Op het album Boudewijn de Groot, dat eind 1965 verscheen, prijkten vijf nummers van de hand van Nijgh/De Groot. De overige zeven nummers waren covers van andere singersongwriters, die flirtten met beatmuziek als The Kinks, Simon and Garfunkel, Bob Dylan en Donovan, waarvan hij twee nummers opnam. In 1966 werd het nummer Welterusten Meneer de President op single uitgebracht. Het nummer, dat een aanklacht aan het adres van Lyndon B. Johnson was tegen de Vietnamoorlog, bereikte dat jaar de negende positie in de Top 40, waarmee De Groot zijn naam definitief vestigde. In 1966 werd de opvolger van Boudewijn de Groot, Voor de overlevenden, als elpee en fotoboek uitgebracht. Naast De Groot, Nijgh en Vos werd ook arrangeur Bert Paige toegevoegd aan het team. Op de plaat schreef Nijgh zijn jeugdjaren van zich af, met nummers als Voor de overlevenden, Testament en Verdronken vlinder en schreef hij een cyclus liefdesliedjes voor een zekere Joke. De elpee kreeg een gouden en een platina plaat toegewezen en werd bekroond met een Edison. Als eerste single werd Ken je dat land uitgebracht, dat in de lijn lag van de eerdere protestsingles. De single bereikte de hitlijsten echter niet. Als tweede single volgde het carnavaleske Het Land van Maas en Waal, dat in 1967 De Groots eerste, en tot nog toe enige, nummer 1-hit werd. Het nummer werd onder de naam The Land At Rainbow's End ook uitgebracht in Engeland (met Baldwin the Great als artiestennaam), waar er een paar honderd van verkocht werden. Hierna bracht Decca een single uit van het nummer Onder ons, dat niet op het album terechtgekomen was. Onder invloed van Sgt. Pepper's Lonely Hearts Club Band van The Beatles wilden Nijgh en De Groot een ultieme hippieplaat maken. Het resultaat werd Picknick, waarop geëxperimenteerd werd met psychedelische teksten en muziek. De plaat werd enthousiast ontvangen en opnieuw bekroond met een Edison, een gouden en een platina plaat. Als eerste single werd het titelnummer Picknick uitgebracht, als tweede single het duet Prikkebeen, dat De Groot opnam met Elly Nieman. Dit nummer bereikte begin 1968 de negende plaats van de Top 40. Hierna volgde de single Waterdrager, een nieuw nummer dat niet op het album stond, aangevuld met B-kant Als de rook om je hoofd is verdwenen.
    De Groot en Nijgh begonnen ondertussen steeds vaker voor andere artiesten te schrijven, waaronder Adèle Bloemendaal en Liesbeth List. Met Picknick had De Groot de grenzen van de nederpop al een eind verlegd. Zijn nieuwe project moest dat nogmaals doen. De Groot onderbrak de samenwerking met Nijgh en zette met Lucien Duzee, een vriend van de filmacademie, een filmisch verhaal op de plaat. Daarbij werd geëxperimenteerd met synthesizers, geluidseffecten en exotische instrumenten. De Groot werkte ervoor samen met gitarist Eelco Gelling van Cuby + Blizzards. Het verhaal, dat de titel Heksensabbath kreeg, ging over een heksenbijeenkomsten greep terug op vele oude mythologische namen en begrippen. Nacht en ontij bevatte twee nummers: Babylon en Heksensabbath. Dat laatste nummer, van ruim 25 minuten, werd in tweeën geknipt en verdeeld over beide kanten. Bij het album werd een fotoboek gevoegd. Bij de eerste persing werd ook nog een bonussingle van de rocknummers Wie kan mij nog vertellen en Aeneas nu meegeleverd, die in dezelfde sessies waren opgenomen. Ondertussen toerde De Groot met zijn gitaar door het land, maar leek steeds meer in conflict te komen met het publiek, dat het geluid van de plaat verwachtte, in plaats van de akoestische versies van De Groot zelf. Ontevreden met het leven dat hij leidde, trok hij zich terug in een oude boerderij in Dwingeloo. De Groot vond dat het tijd was voor een nieuwe stap in zijn carrière. Hij plande een serie afscheidsconcerten, met de beatband Names and Faces als begeleidingsband, en richtte een band op onder de naam The Tower, met de bedoeling daarmee Engelstalig materiaal op te nemen. De band bestond naast De Groot uit Eelco Gelling van Cuby + Blizzards op gitaar, Jan Hollestelle op basgitaar, Jay Baar van Q65 op drums en Herman Deinum op toetsen, die allen als sessiemuzikanten al te horen waren geweest op Nacht en ontij. Hun eerste single, In your life, bereikte begin 1969 de 20e plaats in de Top 40. Op de hoes stonden Hans Jansen (toetsen), Eelco Gelling, Jan Hollestelle, Cees Kranenburg jr. (drums) en De Groot afgebeeld. Samen met Simon Vinkenoog schreef De Groot nog een Engelstalige single, genaamd Captain Decker. Ook die werd uitgebracht onder de naam The Tower. Dit keer bestond de band naast De Groot en Gelling uit John Schuursma en Willem Schoone uit The Rob Hoeke Rhythm & Blues Group op gitaar en basgitaar, Hans Jansen op hammondorgelen piano en Cees Kranenburg van The Jumping Jewels op drums. Deze tweede single bereikte de hitlijsten niet, waarop De Groot en Gelling hun samenwerking beëindigden. De Groot zei het Engelstalige genre echter niet meteen vaarwel. Samen met Rick van der Linden van Ekseption begon hij een nieuw project, dat de naam Session kreeg. De single die het duo uitbracht, heette Moonstruck en had op de B-kant het nummer Ballad of a Minstrel. Het nummer kwam niet in de hitparade terecht, waarna het project weer werd ontbonden en De Groot het, samen met Lennaert Nijgh, weer eens in het Nederlands probeerde met de single Nachtwacht. Ondertussen had Decca het 'afscheid van Boudewijn de Groot' aangegrepen om diens debuutplaat opnieuw uit te brengen onder de titel Apocalyps, plus een verzamelalbum met zijn grootste hits onder de titel Vijf jaar hits, alsook om een aantal
    oude nummers op single uit te geven. Zo kwam het nummer Als de rook om je hoofd is verdwenen, in 1972, na vijf jaar, alsnog op eigen kracht in de Top 40 terecht. Na Vijf jaar hits bracht de platenmaatschappij ook Dubbel, twee uit, waarmee het oeuvre van De Groot gecomplementeerd kon worden. De Groot zelf was ondertussen steeds vaker achter de knoppen in de studio te vinden, waar Phonogram hem, in afwachting van nieuw materiaal, producer had gemaakt van onder anderen Leon de Graaff, Kraaijeveld, Oscar Benton, Breakaway, Diana Vredenberg, Mini & Maxi en Don Rosenbaum. Na een korte periode achter de productietafel, nam De Groot weer contact op met Nijgh en werden er plannen gemaakt voor een nieuwe plaat. Bert Paige en Tony Vos werden weer opgetrommeld en Ruud Engelander werd als extra tekstschrijver toegevoegd aan het team. Het resultaat kreeg de titel Hoe sterk is de eenzame fietser. De eerste single "Jimmy", genoemd naar zijn jongste zoon, bereikte de zesde plaats van de Top 40, zijn opvolger "Tante Julia" kwam niet verder dan de tipparade. De plaat werd bekroond met een Edison, een gouden en een platina plaat. Ondertussen speelde De Groot ook gitaar in de Amsterdamse rockband Tigers On Vaseline, waarmee hij twee singles uitbrengt. Phonogram bracht na het succes van de plaat een nieuw verzamelalbum uit: Boudewijn de Groot - Grootste hits. Na de succesvolle comeback werd De Groot gevraagd om samen met Nijgh ook de carrière van Rob de Nijs uit een dal te trekken. Nijgh schreef teksten, die door De Groot op muziek werden gezet en werden gearrangeerd door Bert Paige. De Groot was vervolgens als producer verantwoordelijk voor het eindresultaat. Zo maakten zij in deze periode de plaat In de uren van de middag, met daarop de hits Jan Klaassen de trompetter en Dag zuster Ursula, maar bijvoorbeeld ook een oude versie van Boudewijns latere succesnummer Avond. Later volgden hits als Malle Babbe, Mireille en Hé, speelman. In 1974 produceerde De Groot de eerste single van Henny Vrienten, die werd uitgebracht onder de naam Ruby Carmichael en deed hij producties voor Conny Vink en CCC Inc.. Ook nam hij een carnavalsversie op van Tante Julia samen met Nico Haak en de single Ik ben ik met een tekst van Ruud Engelander. In 1975 gooide De Groot het weer over een andere boeg, door de productie van zijn nieuwe plaat in eigen hand te houden. Hij schreef zijn teksten met René Daalder. Het resultaat was een zeer persoonlijke plaat met kleine arrangementen, onder de titel Waar ik woon en wie ik ben, waarop De Groot onder meer zingt over zijn moeder in NederlandsIndië en over de tol van de roem. De plaat werd gemixt in de Verenigde Staten en bevat bijdragen van Ernst Jansz en Hans Hollestelle. Na het verschijnen van de plaat reisde De Groot opnieuw naar Amerika, om hier enkele weken in Hollywood door te brengen en te werken aan nieuw, Engelstalig, materiaal. Na productieproblemen kwam hij met twee onklare nummers terug. Na zijn terugkomst ging hij op tour door Nederland en België, met in zijn begeleidingsband onder andere Vrienten en Ernst Jansz, die later verantwoordelijk zouden worden voor de successen van Doe Maar. Hierna stortte hij zich weer op zijn producerscarrière. Eerst kwam de elpee Kijken hoe het morgen wordt van De Nijs, waarop De Groot verantwoordelijk was voor bijna alle nummers
    en de teksten verzorgd werden door onder anderen Lennaert Nijgh en Ruud Engelander. Hierna richtte hij zich op de elpee Accent op Thérèse van Thérèse Steinmetz en Iemand die van je houdt van Willeke Alberti. Ook maakt hij voor het project Zing je moerstaal van de Boekenweek 1976 het nummer Kinderballade op een tekst van Gerrit Komrij. Hierna ging hij weer terug naar Amerika om een cursus arrangeren te volgen en bleef ditmaal ongeveer een jaar weg. In zijn afwezigheid bracht de platenmaatschappij wederom een verzamelalbum uit onder de naam Het beste van Boudewijn de Groot. Toen hij in 1979 terugkeerde naar Nederland ondernam hij een uitgebreide tour door Nederland en België en nam vervolgens het album Van een afstand op. Op het album, dat begin 1980 verscheen, stonden weer enkele klassieke De Groot/Nijgh-nummers, zoals Tip van de sluier, dat op single werd uitgebracht en gebruikt werd in de gelijknamige film van studiegenoot Frans Bromet, maar ook teksten van Ruud Engelander, René Daalder, Herman Pieter de Boer en Ernst Jansz. Op het laatste nummer liet hij zich bijstaan door zonen Marcel en Jim en op de voorkant van de plaat is dochter Caya te zien. In de zomer van 1980 keerde hij opnieuw terug naar Hollywood, om de cursus arrangeren af te ronden en zich verder te bekwamen in het schrijven van filmmuziek. In 1981 kwam hij even terug om een intensieve tournee te doen door Nederland en België. Opnames van deze tournee werden op elpee uitgebracht onder de titel Concert. In 1982 keerde De Groot voorgoed terug uit Amerika. Een nieuwe uitdaging lonkte toen hij door Phonogram Duitsland gevraagd werd een Duitstalige elpee op te nemen. Enkele oude nummers werden, vertaald, opnieuw gearrangeerd en in het Duits opgenomen, onder de titel Bo de Groot. De verwachtingen waren hoog gespannen, maar na slechte promotie van Phonogram in Duitsland stierf het project, na het verschijnen van het album, een stille dood. Ondertussen scoorde Hans de Booij een grote hit met Annabel, een nummer dat was blijven liggen bij de opnames van Van een afstand. De Groot had intussen, in Amerika, gewerkt aan teksten voor zijn nieuwe project, waarvoor hij zich liet inspireren door de futuristische wereld van Blade Runner. In 1984 verscheen de plaat Maalstroom, die een heel ander, killer, geluid liet horen dan men van De Groot gewend was. Alle nummers waren van zijn hand, op Vlucht in de werkelijkheid na, waarvan de tekst van de hand van Nijgh was en Code waarvan de muziek van Vrienten kwam. De Groot had de plaat zelf geproduceerd en gearrangeerd. De plaat maakte weinig indruk en bleef halverwege de hitlijsten hangen. Na het mislukken van het Maalstroom-project liet De Groot de popmuziek achter zich. Hij ging literaire thrillers en detectives vertalen, onder andere een aantal boeken van Stephen King en Scott Turow en stelde voor de IKON een televisieserie samen over verschillende stromingen in de Nederlandse popmuziek. Ook ging hij samenwerken met Pim de la Parra, met wie hij op de filmacademie gezeten had, waarvoor hij enkele filmsoundtracks produceerde en de hoofdrol speelde in diens film Let the music dance. Daarnaast schreef hij de muziek van twee films van Paul Ruven en produceerde hij platen van The Shooting Party, Bram Vermeulen, Stef Bos en Rowwen Hèze. In 1991 ging hij een nieuwe muzikale uitdaging aan, toen hij gevraagd werd om de rol van Anton Tsjechov op zich te nemen in de musical Tsjechov van Robert Long en Dimitri
    Frenkel Frank. In 1992 verscheen een opname van de musical op cd. Tot 1993 stond De Groot in de theaters met Tsjechov. In 1993 had De Groot in het huis van Nijgh een ontmoeting met diens ex-vrouw Anja Bak. De twee kregen een relatie en trouwden in 1995. Datzelfde jaar werd hij gevraagd voor de rol van Otto Frank in een toneelbewerking van het dagboek van Anne Frank. Begin jaren 90 herstelden Nijgh en De Groot hun vriendschap. Ondertussen werd het oude materiaal van De Groot herontdekt door een jongere generatie. Deejay Jan Douwe Kroeske nam hierop het initiatief om in 1995 een tributealbum uit te geven, waarop diverse artiesten nummers van De Groot speelden. Het animo voor de plaat was overweldigend en artiesten en bands als The Scene, Arno, Tröckener Kecks, Bettie Serveert, DaryllAnn, Rowwen Hèze, dEUS, Hallo Venray, De Dijk en de Nits namen een nummer op van De Groot. Aan het eind van het album stond een verborgen nummer, dat van de hand van De Groot zelf was: Een wonderkind van 50. Het nummer was een hernieuwde samenwerking tussen De Groot en Nijgh en bleek een voorproefje te zijn voor een nieuw album. In 1995 produceerde De Groot de cd Manen kweken van zijn zoon Marcel de Groot. In 1996 verscheen De Groots nieuwe plaat onder de titel Een nieuwe herfst. De teksten waren voornamelijk van Nijgh, maar er waren ook teksten van Ruud Engelander, Herman Pieter de Boer en Harm Schepers. Op de plaat staan naast een serie nieuwe nummers ook nummers die hij voor anderen geschreven had; dit mede doordat de tekstschrijvers niet aan de vraag voor nieuwe teksten konden voldoen. Zo staan op dit album Kijken hoe het morgen wordt en Avond, die eerder werden opgenomen door De Nijs en Annabel en Vrolijke violen, die eerder werden opgenomen door De Booy. Ook maakte De Groot gebruik van oude teksten van Nijgh aangezien deze slechts met moeite aan nieuwe teksten toekwam. De plaat werd opgenomen met onder anderen Ernst Jansz, Jan Hendriks en Jan de Hont, en werd gearrangeerd en geproduceerd door Jakob Klaasse. Het orkestrale geluid van de plaat deed weer denken aan het oude werk van De Groot, en de plaat werd bekroond met een gouden plaat. Hetzelfde jaar deed De Groot een serie optredens met het Metropole Orkest onder leiding van Dick Bakker. Hij speelde hier een aantal van zijn hits en liet zich daarbij bijstaan door collega's als Jan Rot, Fay Lovsky, dochter Caya, Elly Nieman en Hans Hollestelle. Ook deed Ernst Jansz mee. Hetzelfde jaar was De Groot de eregast tijdens Nekka-Nacht van de Flanders Expo in Gent, waarbij diverse artiesten een hommage aan hem brachten. Ook verscheen er een oeuvrebox onder de titel Wonderkind aan het Strand, waarvan een dubbel-cdversie, met een verzameling succesnummers, en een 4 cd-boxversie, met daarop divers bonusmateriaal als de Engelstalige singles en een bijgevoegd boek, uitkwamen. Ook besteedde de NCRV in het programma Classic albums aandacht aan het album Voor de overlevenden, waarop de plaat in geremixte versie werd uitgegeven. Later volgde ook Picknick. Hierop ging De Groot op tour met de band waarmee hij het album had opgenomen. De tour duurde al met al zo'n twee jaar en voerde De Groot langs de meeste grote concertzalen in Nederland en België. Aan het eind van de tour werd er een live
    dubbelalbum uitgebracht onder de titel Een hele tour waarop zowel het concert met het Metropole Orkest in de Amsterdamse Paradiso, als een bandconcert in de Gentse Vooruit stonden. In 1997 kwam de single Avond uit. Deze single wordt gezien als de grootste hit van Boudewijn de Groot. In 2005 kwam het lied, na een oproep van Radio 2 diskjockeys om eens op een ander nummer dan het tot dan toe heersende Bohemian Rhapsody van Queen te stemmen, voor het eerst op nummer 1 in de Nederlandse Top 2000. In 1998 werd De Groot beloond met een Edison voor zijn totale oeuvre en in 1999 werd hij, samen met Nijgh, benoemd tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. In 2000 kreeg hij, als eerste artiest, de Radio 2 Zendtijdprijs toegekend. Tijdens het eraan verbonden Gala van het Nederlandse Lied bracht een keur van artiesten, waaronder Acda en De Munnik, Gé Reinders en De Nijs, een ode aan De Groots oeuvre in Schouwburg Orpheus. Tevens verscheen er een dvd met opnames van Hele tour onder de titel Tour. Hierna ging De Groot terug de theaters in, waar hij zijn rol van Tsjechov herhaalde. In 2001 speelde hij de rol van verteller in de musical Rocky over the Rainbow, die mede is geschreven door De Groots zoon Jim. In 2002 ging De Groot opnieuw met eigen werk op tournee. De band bestond voor het grootste gedeelte uit dezelfde muzikanten, met enkele kleine veranderingen. Zo werd Jakob Klaasse vervangen door Åke Danielson en de bassist Peter van Straten door Lené te Voortwis. De tour kreeg de naam Andere tijden mee. Voor het eerst in zes jaar werd er nieuw materiaal uitgeprobeerd, waaronder een aantal nummers die De Groot eerder schreef voor De Nijs en enkele teksten van Freek de Jonge. Een voorproefje werd gegeven met de mini-cd Andere tour, waarop de eerste resultaten te horen waren. Ondertussen werkte De Groot aan een album, dat enkel teksten van Nijgh zou bevatten. Deze bleek grote moeite te hebben om met nieuwe teksten op de proppen te komen. Eind dat jaar, op 28 november 2002, overleed Nijgh op 57-jarige leeftijd na een kort ziekbed. In 2003 hield De Groot een korte tour met het Limburgs Symfonie Orkest. In 2004 verscheen dan toch het nieuwe album, onder de titel Het eiland in de verte. De Groot mocht voor het album gebruikmaken van de archieven van Nijgh en had, kort voor diens dood, een aantal nieuwe teksten van hem gekregen. Andere teksten waren van de hand van Freek de Jonge, Jan Rot en Marcel Verreck. Datzelfde jaar vierde De Groot zijn tiende studioalbum, zijn 40-jarig artiestenjubileum en zijn 60e verjaardag. Dit vierde hij met een concertreeks onder de titel Eeuwige jeugd. De band had dezelfde samenstelling als de Andere Tijden-tour. Op 11 juli 2004 werd De Groot gelauwerd tijdens het slotconcert van de Vlaamse feestdag in Brussel, waarbij diverse Vlaamse artiesten een nummer van De Groot ten gehore brachten. Eind van het jaar trad hij wederom op met het Metropole Orkest (in theater Carré). Dat concert werd live uitgezonden op Radio 2. Ook kreeg hij een rol in de VRT-serie Flikken, waarin hij de Nederlandse rechercheur Robert Nieuwmanspeelde. Dat jaar eindigde hij ook op nr. 82 tijdens de verkiezing van De grootste Nederlander. Op 27 november 2005 bracht De Groot in De Philharmonie in Haarlem een zes uur durende hommage aan Nijgh, door alle 76 liedjes die ze samen gemaakt hadden in
    chronologische volgorde te spelen. Datzelfde jaar werd de dvd van de Eeuwige Jeugd jubileumtouruitgebracht en een cd/dvd van een optreden uit 2003 in de Ancienne Belgique in Brussel onder de titel Een avond in Brussel live. In 2006 ondernam De Groot opnieuw een tour met het Limburgs Symfonie Orkest en was hij een van de zangers op de Soundtrack van de Nacht van Vrienten, waarvoor hij het nummer Het jagen voorbij inbracht. In 2006 werd het idee geboren om weer een kleine plaat te maken, met de band, zonder verdere orkestratie. Deze plaat werd opgenomen in Nederland en afgemixt in Nashville. De teksten op de plaat zijn afkomstig van De Groot zelf, Nijgh, Jack Poels, Freek de Jonge en Willem Wilmink. Op 19 januari 2007 werd de cd uitgebracht onder de titel Lage Landen. De plaat kwam op 3 februari op 1 binnen in de albumlijsten, iets wat niet meer gebeurd was sinds Hoe sterk is de eenzame fietser. Op 26 maart 2007 kreeg hij een gouden plaat bij de latenight-talkshow Pauw & Witteman.[2] Na de plaat volgde een concertreeks waarvan de TROS op 27 oktober een registratie uitzond en de dvd Lage Landen: Tour 2007 verscheen. Op 3 oktober maakte De Groot bekend dat hij een sabbatical zou nemen in 2008, om tot rust te komen van het vele toeren. In september 2009 verscheen een 12 cd-box onder de titel Boudewijn de Groot – Complete studioalbums & curiosa. In datzelfde jaar startte de tour 'Wilde Jaren', die liep tot het begin van 2010. De band kreeg een vernieuwde samenstelling: In het seizoen 2012/2013 kondigde Boudewijn zijn laatste grote tournee aan, getiteld Vaarwel, misschien tot ziens. "Muziek zal er altijd zijn, zingen zal ik blijven doen tot het niet meer kan. Dus vaarwel, maar we zien elkaar hopelijk nog weleens terug, u en ik," schreef Boudewijn in het programmaboekje voor de tour[3]. Een nieuw album werd daarbij niet uitgesloten. Wegens groot succes werd de tour in het seizoen 2013-2014 verlengd, met als allerlaatste datum 14 mei 2014. Op die dag speelde Boudewijn in de Philharmonie in zijn thuisstad Haarlem, op de dag af 50 jaar na zijn eerste plaatopname, op 14 mei 1964 in de Phonogram-studio's in Hilversum. De band bestond uit Boudewijn de Groot, die de zang en akoestische gitaar voor zijn rekening nam, Ernst Jansz of Nick Bult, die elkaar achter de vleugel per tourdeel afwisselden, Jan Hendriks of Marcel de Groot, die elkaar ook per tourdeel als gitarist afwisselden, Monique Lansdorp als violiste, Bert Embrechts als basgitarist en Åke Danielson als toetsenist. In 2015 werd aan hem de Buma Lifetime Achievement Award toegekend. Op 17 april 2015 verscheen het album, Achter glas, dat op 25 april binnenkwam op nummer 1 in de Album Top 100. Daarnaast kwam de zanger met plannen om in 2016 op tournee te gaan met Henny Vrienten en George Kooymans onder de naam Vreemde Kostgangers. Na afloop van de tournee verschijnt in februari 2017 van het trio een album. In juni 2015 kondigde De Groot een korte tournee aan, getiteld Achter Glas, na de positieve reacties van fans op de site van De Groot. Het repertoire van de tournee, die liep van januari tot eind mei 2016, bestond uit de nummers van de nieuwe plaat, aangevuld met onbekendere nummers uit het oude repertoire. De zanger werd bijgestaan door drie muzikanten. Sinds 2016 speelt Boudewijn de Groot niet meer solo, maar treedt hij op met Henny Vrienten en George Kooijmans als de band Vreemde Kostgangers. In die naam zijn de eerste letters van deze 3 muzikanten verwerkt.





    20-05-2018 om 09:01 geschreven door blesje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    19-05-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.VANDAAG jaren terug 19 mei

    19 mei De Trans-Siberische spoorlijn (Russisch: Транссибирская магистраль, Transsibirskaja magistral), kortweg Transsib (Russisch: Транссиб), is de langste spoorlijn ter wereld en de belangrijkste lijn van Rusland. Deze transcontinentale spoorlijn is 9289 kilometer lang en strekt zich uit van Moskou dwars door Siberië naar Vladivostok. De Russische naam is Transsibirskaja magistral, ofwel 'Trans-Siberische hoofdroute'. De bekendste trein die via deze route rijdt is de Rossija. De eerste spoorlijn in Rusland was de privéspoorweg van tsaar Nicolaas I tussen Sint-Petersburg en zijn buitenverblijf in Tsarskoje Selo. In 1851 kwam de spoorlijn tussen Sint-Petersburg en Moskou gereed. Hierop stelde gouverneur-generaal Nikolaj Moeravjov van Siberië voor om een spoorlijn door Siberië te bouwen, deels over Chinees gebied. Dit werd vanwege de slechte politieke verhoudingen met China afgewezen. Ook de volgende dertig jaar werden vele voorstellen door de Russische autoriteiten afgewezen. In 1870 was de eerste spoorlijn door de Oeral aangelegd en toen Vladivostok in 1872 een belangrijke marinehaven werd, was er de noodzaak voor de bouw van een spoorlijn. Tsaar Alexander III stuurde op 17 maart 1891 een bevel aan zijn zoon, de latere Nicolaas II, die op dat moment op reis was in het oosten. Hij moest beginnen met een spoorlijn door Siberië. In 1891 werd met de bouw begonnen in de buurt van Vladivostok. Vanaf 3 december 1898 tot aan de Oktoberrevolutie van 1917reed de Transsiberië Express van de Compagnie Internationale des Wagons-Lits op dit traject. In 1901 was de lijn zover gevorderd dat treinen via China Vladivostok konden bereiken. Tot 1905 moesten treinen het Baikalmeer per veerboot oversteken. In 1913 kwam een lijn langs het meer gereed. Het laatste deel van de Transsib-lijn (de Amoerspoorweg) kwam in oktober 1916geheel gereed met de bouw van een brug over de Amoer bij Chabarovsk. Sinds 25 december 2002 is de lijn geheel geëlektrificeerd. De bekendste trein is de Rossija (eigennaam voor 'Rusland'), die om de dag van Moskou naar Vladivostok (treinnummer 2) en terug (treinnummer 1) rijdt. De trein doet zeven dagen over de gehele route. De Rossija wordt vaak abusievelijk Trans-Siberië Expres genoemd. Naast de Rossija zijn er nog diverse andere nachttreinen tussen de steden op de route. Ook de nachttreinen naar Peking via de Trans-Mongolische spoorlijn en de Trans-Mantsjoerische spoorlijn maken op een deel van hun route gebruik van de Transsib. Tussen Omsk en Moskou zijn meerdere routes. De hoofdroute is Moskou, Jaroslavl, Kirov, Jekaterinenburg en Omsk. Rond de grote steden maken ook forensentreinen gebruik van de lijn. Andere treinnamen (dienstregeling 1985[1]) zijn: Baikal: Moskou - Irkutsk Yennsei: Moskou - Krasnoyarsk Altay: Moskou - Omsk (via Kazan) Tomich: Moskou - Tayga - zijlijn naar Tomsk (via Kazan) Vanaf Ulan Ude rijden er treinen verder naar Ulan Bator (Mongolië) en Beijing (China). Vanaf Karimskoya rijden er treinen verder naar Harbin en Shenyang in China. Tevens was er in 1985 een regelmatige verbinding naar Pyongyang in Noord-Korea. In 1985 reden er nog veel treinen exclusief voor buitenlanders gecharterd voor de staatsreisbureau Intourist. De Transsib is vooral belangrijk voor goederentreinen. Een groot deel van het vrachtvervoer in Rusland vindt plaats op de Transsib. Voor Siberië is de lijn een echte levensader; veel plaatsen kwamen pas tot ontwikkeling na aanleg van de spoorlijn.
    Zowel de infrastructuur als de treinen worden door diverse spoorwegen geëxploiteerd, die echter allemaal onderdeel zijn van Russische staatsspoorwegen RZD. De lijn begint in het Jaroslavski-station in Moskou. Vanaf hier loopt de lijn via Nizjni Novgorod naar Kirov. Sinds 2001 nemen de meeste treinen, waaronder de Rossija, echter een noordelijkere route via Jaroslavl. Vanaf Kotelnitsj, ten westen van Kirov, rijden de treinen pas weer op de echte Transsib. Daarnaast is er nog een zuidelijke route vertrekkend vanaf Kazanskaja-station in Moskou tot Jekaterinenburg via Kazan. Ook tussen Jekaterinenburg en Omsk zijn er twee routes. Na 1777 kilometer, in de Oeral ten noorden van Jekaterinenburg staat een obelisk die de grens tussen Europa en Azië aangeeft. Het station van Jekaterinenburg heet overigens Sverdlovsk, zoals de stad heette ten tijde van de Sovjet-Unie. Hierna wordt het landschap gedurende lange tijd vlak. De lijn passeert Omsk en Novosibirsk. Bij Tajsjet takt de Baikal-Amoerspoorweg (Bajkalo-Amoerskaja Magistral, BAM) af. De BAM is de tweede trans-Siberische spoorlijn die ten noorden van de Transsib naar Sovjetskaja Gavan aan de Russische oostkust loopt. De Transsib bereikt vervolgens Irkoetsk. In het communistische tijdperk was dat de enige stad waar buitenlanders de reis mochten onderbreken. De stad ligt vlak bij het Baikalmeer. De Transsib vervolgt zijn weg langs de zuidkant van dit meer. Voorbij het Baikalmeer takt bij Oelan-Oede de Trans-Mongolische lijn af, die via de Mongoolse hoofdstad Ulaanbaatar naar China loopt. Bij Tsjita takt de TransMantsjoerische spoorlijn naar China af, de spoorlijn die de treinen tot 1913 namen om Vladivostok te bereiken. Vanaf hier blijft de Transsib parallel aan de Chinese grens oostwaarts lopen. Op twee plaatsen zijn er nog aftakkingen naar het noorden, die de Transsib met de BAM verbinden. Bij Chabarovsk maakt de lijn een scherpe draai naar het zuiden om de havenstad Vladivostok te bereiken. Vanaf Vladivostok is het mogelijk verder te reizen naar China of Noord-Korea. In 2007 werd bekend dat er vergevorderde plannen waren om de Transsib door te trekken naar Zuid-Korea.









    19-05-2018 om 10:16 geschreven door blesje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.VANDAAG jaren terug 19 mei

    19 mei Jacqueline Lee Bouvier (Jackie) Kennedy Onassis, bekend onder vele namen, onder andere Jackie Kennedy, Jackie Onassisen Jackie O., (Southampton (New York), 28 juli 1929 – New York, 19 mei 1994) was de Amerikaanse first lady van 1961 tot aan de dood van haar toenmalige echtgenoot, president John F. Kennedy in 1963. Ze zat naast hem in de auto toen hij werd doodgeschoten. Ze hertrouwde in 1968 met Aristoteles Onassis, een Griekse zakenman. Jacqueline Bouvier werd geboren in het Easthampton Hospital in Easthampton, New York. Ze was de oudste dochter van John Vernou Bouvier III (1891-1957) en Janet Norton Lee (1906-1989). Om hun aanzien te verhogen overdreven beide families over hun afkomst. De Bouviers vertelden dat ze afstamden van de koninklijke Fontaines uit Frankrijk en de Lee's zeiden dat ze van de Virginia Lee's afstamden. Jacqueline was voornamelijk van Ierse, Schotse en Engelse afkomst. Haar laatste Franse voorouder aan vaders kant was Michel Bouvier, haar overgrootvader die naar Philadelphia verhuisde. Ze had één zusje: Caroline Lee, die bekendstond als Lee, geboren in 1933. Haar vader, die de bijnaam "Black Jack" had, was een playboy; het feit dat hij altijd achter de vrouwen aanzat, leidde uiteindelijk tot de scheiding met Janet toen Jackie nog een jong meisje was. Tot ze 12 jaar was, verbleef ze elke zomer op het domein Lasata van haar grootouders in East Hampton waar ze leerde paardrijden op haar favoriete paard Danseuse. Nadat haar ouders officieel gescheiden waren in 1942 en haar moeder hertrouwd was, bleef ze paardrijden op de Hammersmith Farm van de Auchincloss familie. Ze hield van lezen, schilderen, gedichten schrijven en had een goede relatie met haar vader. De relatie met haar moeder was vaak afstandelijk. Opleiding en eerste baan[bewerken] 1935-1942 The Chapin School - New York - kleuterschool en lagere school 1942-1944 Holton Arms School - Bethesda, Maryland - lagere school en eerste jaar middelbaar 1944-1947 Miss Porter's School - Farmington, Connecticut - Middelbaar 1947-1949 Vassar College - Poughkeepsie, New York - College 1949-1950 Universiteit van Grenoble en de Sorbonne - Parijs, Frankrijk - uitwisselingsprogramma 1950-1951 George Washington University - Washington, D.C. – behaalt een graad in de Franse literatuur 1954 Georgetown University- Georgetown, Washington D.C. Amerikaanse geschiedenis Toen Jackie op Vassar College zat, werd ze "Debutante van het jaar" in 1947/48. In 1951 had ze haar eerste baan voor de krant Washington Times-Herald. Haar werk bestond erin vragen te stellen aan mensen die ze ontmoette in Washington. De vragen en amusante antwoorden verschenen dan in de krant. Hierdoor leerde ze senator John F. Kennedy kennen. Jacqueline Kennedy op Hammersmith Farm in Newport, Rhode Island op haar trouwdag in 1953.
    In december 1951 was Jackie verloofd met de jonge effectenmakelaar John Husted. Jackie pendelde tussen New York en Washington om John te ontmoeten. In New York verbleef ze in het appartement van haar vader, Black Jack Bouvier, die erg gesteld was op John. In maart 1952 werd de verloving echter verbroken, op advies van haar moeder. Zij vond dat Husted die $17000 per jaar verdiende niet rijk genoeg was hoewel zijn familie in hoog aanzien stond, ze vond hem ook onvolwassen. Jackie ontmoette John Kennedy (bijnaam Jack) voor het eerst op het huwelijk van een gemeenschappelijke vriend in 1948. Drie jaar later kwamen ze weer met elkaar in contact in mei 1951 op een etentje bij Charles en Martha Bartlett thuis. Kennedy vergezelde haar naar de auto, maar ontdekte dat Husted haar opwachtte. In de winter van dat jaar zagen ze elkaar op een evenement in Palm Beach, Florida. Nadat de verloving van Jackie verbroken werd hielden de Bartletts een nieuw etentje op 8 mei 1952 waarop de romance tussen Jack en Jackie ontlook. Ze trouwden op 12 september 1953 in Newport, Rhode Island. Haar bruidsjurk en die van de bruidsmeisjes werd ontworpen door Ann Lowe, een bekende modeontwerpster. De receptie werd op Hammersmith Farm gehouden met ruim 2000 gasten. Na de bruiloft keerden ze na een korte huwelijksreis terug naar Washington. In het begin van hun huwelijk ondervond senator Kennedy erg veel hinder van zijn rug door een oorlogsblessure; hij werd twee keer geopereerd. Terwijl hij herstelde van de operatie moedigde Jackie hem aan om een boek te schrijven, Profiles in Courage dat gaat over senatoren die hun carrières riskeerden om te vechten voor zaken waarin ze geloofden. Het boek kreeg de Pulitzer-prijs voor biografie in 1957. Het huwelijk verliep niet probleemloos, deels door Johns gezondheidsproblemen maar evenzeer door zogeheten verhoudingen - beide werden voor het publiek verborgen gehouden. De eerste vijf jaar van hun huwelijk woonden ze in een huis op de N Street in Georgetown, Washington. Jacqueline spendeerde in deze eerste huwelijksjaren veel van haar tijd en geld aan het herinrichten van het huis en het kopen van kleren. In 1956 werd ze voor het eerst zwanger; het zou een meisje worden dat ze Arabella noemden maar ze kreeg een miskraam. Een jaar later zou ze een dochter krijgen, Caroline. Jacqueline was erg gesteld op haar schoonvader, Joseph P. Kennedy die op zijn beurt ook op zijn schoondochter gesteld was. Hij zag dat zij veel PR-potentie had als vrouw van een politicus. Haar relatie met Rose Kennedy was meer afstandelijk. Ze kon het ook goed vinden met haar zwager Bobby. Ze kon echter niet zo goed omgaan met de competitieve en sportieve eigenschap van de Kennedy clan; ze was stiller en meer gereserveerd. Liever bracht ze de tijd alleen met John door dan met de hele familie erbij. De Kennedy zusters noemden haar "de deb" (debutante) en Jackie was er nooit happig op om mee te doen aan de familiale touch-football wedstrijden. Eén keer brak ze haar been in een honkbalwedstrijd met de familie





    19-05-2018 om 10:14 geschreven door blesje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    18-05-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.citaten




    18-05-2018 om 09:03 geschreven door blesje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.VANDAAG jaren terug 18 mei
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    18 mei De Franse hogesnelheidstrein haalde een snelheid van 553 kilometer per uur.
    Het vorige record voor de TGV dateert van mei 1990. Toen haalde de hogesnelheidstrein een snelheid van 515,3 kilometer per uur. Het nieuwe record werd gevestigd ter hoogte van het dorpje Passavant-en-Agonne, op ongeveer 190 kilometer ten oosten van Parijs. Het bericht stond gisteren in de Franse krant Le Parisien, maar de Franse spoorwegen SNCF hebben het nog niet bevestigd.
    De nieuwe rechtstreekse lijn tussen Parijs en Straatsburg wordt als alles volgens plan loopt op 10 juni geopend. De rit tussen de twee steden zal in totaal 140 minuten beslaan.
    Het nieuwe record werd gehaald met een speciaal uitgeruste trein, die was samengesteld uit twee locomotieven en drie rijstellen.
    De commerciële snelheid van de TGV ligt trouwens een stuk lager dan die recordsnelheden. De TGV spoort momenteel door Frankrijk met topsnelheden van 300 tot 320 kilometer per uur. De Fransen hebben wel plannen om die commerciële snelheid geleidelijk op te trekken naar 360 kilometer per uur om de luchtvaartmaatschappijen nog meer de duvel aan te doen. De snelste gemiddelde snelheid tussen twee stations werd in 2005 opgetekend. De TGV legde toen het traject tussen Lyon en Aix-en-Provence af met een snelheid van 263,3 kilometer per uur.
    De TGV is daarmee de snelste conventionele trein. De Japanse magneetzweeftrein Maglev speelt nog in een andere categorie. Die trein haalde in Japan op 2 december 2003 een snelheid van 581 kilometer per uur. Met zo'n magneetzweeftrein gebeurde in september vorig jaar een zwaar ongeluk in Duitsland.

    18-05-2018 om 09:02 geschreven door blesje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)


    Archief
  • Alle berichten

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Blog als favoriet !

    Archief
  • Alle berichten

    Hoofdpunten blog blankenbergsstadsbeeld
  • fotowandeling 20
  • HARMONIE
  • WORDING
  • fotowandeling 20
  • LIPPENS & DE BRUYNE

    Hoofdpunten blog einstein
  • ACHT EN TWINTIG
  • ACHT EN TWINTIG
  • VIJFENTWINTIG
  • VIJFENTWINTIG
  • DRIE EN TWINTIG

    Hoofdpunten blog mijnroots
  • Van al diegenen die niets te zeggen hebben, zijn de meest aangename mensen diegenen die zwijgen
  • Ik heb geconstateerd dat mensen van gedachten houden die niet tot denken dwingen.
  • Tijd hebben alleen diegenen, die het tot niets gebracht hebben en daarmee hebben ze het verder gebracht dan alle anderen.
  • Depressies kan je bestrijden door op je arm geleund in het niets te staren. Bij zware depressies van arm wisselen.
  • Een kus is een mooie truc van de natuur om het praten te stoppen als woorden overbodig zijn.

    Hoofdpunten blog automobile
  • BMW-bavaria
  • BMW-bavaria
  • BMW-bavaria
  • BMW-bavaria
  • BMW-bavaria


    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!