|
+ Poëzie.

Ik hield van je: liefde is nog steeds misschien. In mijn ziel ben ik nog niet helemaal uitgeblust. Maar laat het je niet meer storen. Ik wil je nergens mee bedroeven. Ik heb je stil liefgehad, hopeloos. Met verlegenheid, dan met jaloezie, we kwijnen weg. Ik hield zo oprecht van je, zo teder, zoals God je mijn geliefde geeft om anders te zijn.






Wat een zware, donkere onzin!
Hoe zijn deze slaperig maanachtige!
Hoe de viool te raken voor zoveel jaren.
En niet het licht van de muziek herkennen!
Wie hebben we nodig? Die aangestoken.
Twee gele gezichten, twee saaie degenen en de viool
die iemand had mee genomen.


In onweersbuien, stormen, in het dagelijks leven,
met zware verliezen en als je verdrietig bent,
lachend en eenvoudig lijken,
de hoogste kunst ter wereld.






In een wolk, onzichtbaar voor de aarde.
Zo ver weg van ons.
In de sterrenkroon,
de onvergankelijke godin,
met een weemoedige glimlach
op haar voorhoofd.


|