NIEUW: Blog reclamevrij maken?
SCHUINE TEKSTEN
Inhoud blog
  • 317: Dialoog
  • 316: Etaoin shrdlu
  • 315: Roland
  • 314: Bermkip
  • 313: Men
  • 312: Bruder Lustig
  • 311: Signeergesprek
  • 310: Rook
  • 309: Ode aan mijn bh
  • 308: Alfa
  • 307: Vijgen voor Pasen
  • 306: Wereldsmart
  • 305: Jonge ouderen
  • 304: De Boekenkrijg
  • 303: www.zot.com.bébé
  • 302: Echte fictie
  • 301: Mundial
  • 300: De Felle
  • 299: Westlof
  • 298: Lam Gods
  • 297: Jacky
  • 296: Hop paardje hop!
  • 295: God?
  • 294: Acoliet
  • 293: PP
  • 292: Netwerk
  • 291: Leffaards
  • 290: Het varkensei
  • 289: Geheim
  • 288: Geknipt
  • 287: Geloof
  • 286: Stommeling
  • 285: Een aardig ding
  • 265: VRESELIJK
  • 284: Kloon
  • 283: Allojjo
  • 282: Schaakstuk
  • 281: Communicatie
  • 280: Figuur
  • 279: Hairbag
  • 278: Lijstjes
  • 277: Jos, Joste, Gejost
  • 276: Melk?
  • 274: Frinch fraais
  • 273: Mager Heineken
  • 272: Appartemens
  • 271: Gestopt
  • 270: Ik zou u schrijven
  • 269: Koksmonoloog
  • 268: Een photo
  • 267: Getetter & Getoeter
  • 266: Water
  • 264: Beu
  • 263: Acteur
  • 262: Vederlands
  • 261: Etters & Engelen
  • 260: Men spele...
  • 259: Kwaak
  • 258: Geschoold
  • 257: A la recherche
  • 256: WJZBJZ
  • 255: Eindelijk
  • 254: 'Het' gezin
  • 253: Repetitieruis
  • 252: Kiespijn
  • 251: Reis Hiernamaals
  • 249: Gezondheid
  • 248: Speeltijden
  • 247: Rood licht
  • 246: Ruis
  • 245: Weg
  • 244: Mom
  • 243: HET JAAR ELF
  • 242: Kloon
  • 241: In de put
  • 240: Huid & Haar
  • 239: Zomer 11
  • 238: Duimen maar
  • 237: Poirot
  • 236: Smoke
  • 235: Collateral
  • 234: Nachtraven
  • 233: Undercover
  • 232: Frietpeace
  • 231: Kopie-Kopie
  • 230: Gezeid is gezeid
  • 229: Vreemde man
  • 228: Een stuk
  • 227: België
  • 226: Mijn meesters
  • DRAMA
  • 225: GVD
  • 224: Veldinterview
  • 223: Sprook
  • 222: Zappa
  • 221: Een bod op God
  • 220: Curryculum Vitae
  • 219: Tovenaar
  • 218: Perspest
  • 217: Animatietype
  • 216: Ruim
  • 215: De erwt
  • 214: Podiumbeest
  • 213: Mobiliteit
  • 212: Twee tijgereieren
  • 211: De kus
  • 210: Wolf
  • 209: Een reus
  • 208: Opsporingsbericht
  • 207: K met zuurpruim
  • 206: Volksverlakkerij
  • 205: Doppedrop
  • 204: Kap
  • 203: Affiche
  • 202: Regen
  • 201: Stuk
  • 200: Hair
  • 199: Wie A zegt
  • 198: Bijsluiter
  • 197: TV
  • 196: Arno
  • 195: Letters & Letteren
  • 194: Taalkunde
  • 193: Onder de zon
  • 192: Besparen
  • 191: De goede man
  • 190: Van die dagen
  • 189: Zwarte zwaan
  • 188: Questionnaire
  • 187: Say cheese
  • 186: Loteling
  • 185: Een zwaluw
  • 184: Grijs
  • 183: Claus
  • 182: Liefhebber
  • 181: Monumenten
  • 180: Erger
  • 179: Landbouw
  • 178: Bijna
  • 177: Onafhankelijkheid
  • 176: Zo fout als wat
  • 175: Wei-gevoel
  • 174: Merk
  • 173: Mens
  • 172: Pikant
  • 171: 50 vragen
  • 170: Jinx
  • 169: Wiskunst
  • 167: Met alle Chinezen
  • 166: Mooiste woorden
  • 165: Rijm
  • 164: Internetman
  • 163: EVBO
  • 162: Hondenleven
  • 161: Carrière
  • 160: Coureur local
  • 159: Kip ik heb je
  • 158: Politiek programma
  • 157: Design
  • 156: Kreeft
  • 155: Nicotine
  • 154: Gastronomen
  • 153: Verleiden
  • 152: Opinie
  • 151: 1e hulp in gevallen
  • 150: Verzamelwoedend
  • 149: Fakir
  • 148: Cliché
  • 147: Iets anders
  • 146: Uit de kunst
  • 145: Appartemensen
  • 144: Wereldwoeden
  • 143: Ongerijmd
  • 142: Dagboek van 1 dief
  • 141: Vioolkist
  • 140: Ouden van dagen
  • 139: Automatische piloot
  • 138: Leugendetector
  • 137: Hotel Milan
  • 136: De Diepe Gedachte
  • 135: De weg vragen
  • 134: Mag ik overvaren?
  • 133: Leven op Mars
  • 132: Vogelvlucht
  • 131: Faer♠er-gevoel
  • 130: Lolbroek
  • 129: Sollicitatie
  • 128: De Q van Proust
  • 127: Volg je nog?
  • 126: Kerstmisdaad
  • 125: Hartstuk
  • 124: Mozart in november
  • 123: Heb je gedronken?
  • 122: Frambozen in melk
  • 121: Appelschudder
  • 120: Quo Vadis?
  • 119: Niespijn
  • 118: Rog
  • 117: Opiniepeiling
  • 116: Vragen aan 1 engel
    Zoeken in blog

    Foto
    Aan de sneeuwzee in Vlaanderen, februari 2012
    Foto

    Jowan & Joris in Stotendorp Heule

    Foto

            Red shoes Wilma

    Foto

    Younger me, already salt 'n pepper

    DEZE KANT BOVEN (Sjors DNO)
    SCHUINE TEKSTEN
    01-10-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.317: Dialoog

    DIALOOG DIE TE DENKEN GEEFT

    - U hebt hier Zaalverantwoordelijke ingevuld.
    - Ja, en?
    - Maar hier moest uw voornaam komen.
    - Dat is mijn voornaam.
    - Dat kan toch niet.
    - Toch wel.
    - Dus u heet Zaalverantwoordelijke?
    - Ja.
    - En uw achternaam is Vandenbussche?
    - Ja, zoals u ziet.
    - Die hebt u inderdaad correct ingevuld. Maar… ‘
    - U gelooft me niet?
    - Ik kan wel tegen een grapje. Maar nu moet ik wel een nieuw formulier… ‘
    - De meesten zeggen Zaal. Maar voluit… ‘
    - Komaan zeg!
    - Ik meen het.
    - Het heeft nu lang genoeg geduurd hé!
    - Maar komaan zelf zeg! Wat is uw probleem eigenlijk?
    - Meneer… Meneer Vandenbussche – als dat al uw echte naam is – Meneer Vandenbussche: dit moet ophouden.
    - U houdt niet van grapjes?
    - Nee.
    - Ik ook niet. Zowaar ik Zaalverantwoordelijke Vandenbussche heet.
    - Moet ik er mijn eigen verantwoordelijke bijroepen?
    - Nu drijft u de spot met de naam die mijn ouders me hebben gegeven.
    - En u drijft het wel heel erg ver. Kijk eens om: er staan nog drie wachtenden achter u aan te schuiven. U verspilt onze tijd.
    - Ja: mijn tweelingzussen en mijn moeder. Hun moeder dus ook.
    - Is dat weer een grap? Dames! Mevrouw!
    - Ja?
    - Hoe heet die… die kerel hier vlak voor mij? Hij houdt iedereen op en… ‘
    - Onze Zaalverantwoordelijke!
    - Onze… ja, maar… ‘
    - Iets niet pluis, Zaal?
    - Problemen, Zaal?
    - Ja: die mevrouw hier wil me niet inschrijven.
    - Maar mevrouw toch! Wat is hier aan de hand?
    - Komaan zeg! Is dit een epidemie van slechte grappen?
    - Dit is ongehoord.
    - En hoe heten jullie dan?
    - Vandenbussche. Tweemaal.
    - En Vandamme. Ik ben de mama. Van alle drie.
    - Ja ja. Maar… hebben jullie voornamen?
    - Natuurlijk.
    - Mag ik die weten?
    - Merel en Mokka.
    - En ik heet Gisela. De moeder.
    - Mokka??
    - Is daar ook iets mee misschien? U bent wel erg… Waar is hier de verantwoordelijke? Ik wil die even spreken.
    - Maar er staat er één voor mij! Jullie hebben er zelf één!
    - Dat hebben we nu nog nooit meegemaakt! Dat is nu de eerste keer dat…
    - We zijn dat niet gewend, hoor!
    - Komaan Zaal, we zijn hier weg. Ze gelooft ons toch niet.


    (De vrouw aan de inschrijvingen kijkt het vertrekkende viertal perplex na, tot die de zaal verlaten hebben. Dan schroeft ze een flesje open, schudt er drie pillen uit en slikt die met een flinke ruk van haar hoofd door).


    07-09-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.316: Etaoin shrdlu

    ETAOIN SHRDLU

    Toen in vroegere winters een meter sneeuw je mobiliteit zowel beperkte als uitbreidde, en in vroegere zomers de vogels te voet gingen en de bijen vleugellam op tuinpaden lagen vanwege de hitte, werkte mijn moeder als een soort redactrice bij een lokale krant en mijn vader was linotypist bij een bekende drukkerij in een grote stad. Later zouden ze andere beroepen uitoefenen: noodgedwongen huisvrouw en éénverdienende ambtenaar in schoolverband. Ik kreeg dus bij mijn verwekking zowat de dans der letters als de geur van inkt geïnjecteerd en geïmplementeerd.

    Krijsend kwam ik ter wereld, deze blauwe plek in het heelal – de smalle adembenemende doorgang voor de eerste keer vrijmakend, want ik was de oudste. Mijn ontzetting betrof zowel het verlaten van de veilige moederlijke buidel als het aanschouwen van een spuuglelijke wereld. Ik krijste nogmaals toen de naar rode port riekende dokter me een paar rake patsen verkocht waarvoor ik tien op de tien kreeg. Ten derden male krijste ik toen een kerel met kale kruin in vrouwenkleren me boven een vergeetput een gulp koud water over mijn kop pletste. De dagen en nachten daarna krijste ik nog wat door, telkens als zich rood aangelopen koppen over mijn ligplaats bogen. Maar het wende.

    Ik werd vrijwel onmiddellijk slapeloos. Dat vormde geen probleem. De nachten waren er om na te denken en plannen te smeden; de dagen om te kijken, te zuigen, te vreten, te ontlasten en te zwijgen. Soms bonden mijn verwekkers me bij avond vast aan mijn matrasje, omdat ik ’s nachts nooit sliep en verkennen wou. Dat hielp gedeeltelijk. Na enkele intense oefeningen stapte ik als een soort gordeldier of vreemd rechtop lopende schildpad met een immense rugzak in het maanlicht op mijn kamer rond en ontwikkelde aldus ook vroeger dan verwacht een stevig spierstelsel. (Kwade tongen zouden later mijn fantasie, zeg maar mijn schrijverschap, verwarren met maanzucht).

    Waarschijnlijk door deze nachtelijke uitstappen (geruggensteund door een systeem van valprotectie) groeide mijn belangstelling voor de nog prille kosmologie. Ik keek door het raam en zag de maan en de sterren. Van de grote drukkerij waar mijn mannelijke verwekker linotypete, kwamen wel eens naast verkeerd bedrukte smeerkaasdozen ook afgedankte proefdrukken van leerboeken mee: scheikunde, oerdieren, het heelal, weet je wel. Ik bouwde met mijn inmiddels ook ter aarde bestelde broers niet alleen verschansingen met smeerkaasdozen, maar ik las ook de fragmentarische tot grotere veelvouden opgevouwen correctieproeven die blijkbaar geen bestemming meer gekregen hadden en die mijn vader mee naar huis bracht. Aldus wou ik al heel jong in deze volgorde astronaut en daarna apotheker worden. Ik zou met mijn hoofd in een glazen stolp rondzweven in de ruimte en ik zou poedertjes pletten en drankjes mengen.

    Die dans der letters en die geur van inkt waren echter te sterk geweest. Ik las als een gek (volgens mijn moeder, een goedingelichte bron, kon ik einde tweede kleuterklas zo uit de krant zelfstandig al het woord ‘liefdesverdriet’ lezen) en ging aan het schrijven. Mijn woede in verband met de onrijmbaarheid van ‘gezien’ en ‘knieën’ in een raadselrijmpje (het lukte wel in ons gesproken dialect, maar niet in zowel de geschreven als de mondelinge ‘mooie’ taal) hield me gaande. Ik bleef schrijven. En ik schrijf nog. Ja, ik beken: ik ben een seriewoordenaar.

    Etaoin shrdlu zijn de eerste twaalf letters op het toetsenbord van een Linotype-machine, die in de 20ste eeuw veel gebruikt werd voor het zetten van teksten. De letters op Linotype-machines waren geordend naar aflopende frequentie van voorkomen. De complete volgorde van het toetsenbord is etaoin / shrdlu / cmfwyp / vbgkqj / xz, dan cijfers en speciale tekens, gevolgd door ETAOIN / SHRDLU / CMFWYP / VBGKQJ / XZ in kapitalen.

    Linotypisten die een fout hadden gemaakt konden die niet simpelweg met de hand verbeteren, maar moesten de regel afmaken voordat de slug ('slak', het gebruikswoord voor 'zetregel') uitgeworpen werd en een nieuwe opgesteld kon worden. Een regel met een fout werd direct omgesmolten en de inhoud was dus niet van belang, maar hij moest toch volledig gevuld worden om in lood gegoten te worden. De snelste manier om genoeg letters in te voeren om een regel af te maken was door met de vingers van boven naar beneden over de toetsen te gaan, waardoor deze onzin-frase ingevoerd werd.

    Als de 'slug' per ongeluk niet verwijderd werd en bij de zetters aankwam, viel de ongewone combinatie op, waardoor ze makkelijk weg te halen was. Af en toe gebeurde het dat de regel bleef staan en toch in de gedrukte media terechtkwam. Meestal betrof het dan een krant. Dat gebeurde vaak. Ook in Nederlandstalige kranten komt het verschijnsel voor; zowel 'etaoin' als 'shrdlu' kunnen in diverse bladen gevonden worden vanaf 1905, evenals overigens iets minder vaak de combinaties 'cmfwyp' en 'vbgkqj'.


    14-08-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.315: Roland

    ROLAND

    Wat bezielde de kosmos in de eerste helft van de jaren zestig van de vorige eeuw om een jongen van 12 – de oudste van een beduidend aantal – weg te plukken van planeet Aarde? Roland woonde in mijn straat en ‘kreeg’ kanker. Een aantal jaren al stapten we gezamenlijk op naar de lagere school, jongere broers en zussen in ons kielzog – hij woonde honderd meter verderop in ‘mijn’ straat. Ook ik was de oudste van een vrij omvangrijk nest babyboomers.


    In die tijd wikkelden snuggere verkoopgenieën prentjes om het zilverpapier dat chocoladerepen beschermde. De zogenaamde ‘chromo’s’ van chocolade Jacques waren een tijdlang echt mijn ding: spoetniks, raketten, satellieten, planeten, astronauten, kosmonauten. Ik verzamelde die en ontwikkelde er op mijn beurt verhalen mee, nog voor een mens een stap op de maan had gezet. Roland was bang voor mijn verhalen over marsmannetjes en buitenaardse wezens. Op een dag belde zijn pa bij ons aan. Mijn pa deed open. Of ik, de eerstgeborene van dit huis, dringend mijn wilde kosmosverhalen wilde opbergen. Roland, zijn eerstgeborene, kreeg er nachtmerries door. Dat moest stoppen. Ik incasseerde een klap voor mijn kop van mijn eigen verwekker (pas daarna volgde wat uitleg) en borg mijn talent voor fictie en ruimtevaart weer op.


    Nog voor er echt een mens op de maan landde, stierf Roland aan de gevreesde laffe K. Thuis deelden ze me mee dat zijn laatste dagen aangebroken waren – en of ik nog op bezoek in de kliniek wou. Ik durfde niet, bang voor het verdriet, de geuren van de dood. Mijn buurjongen stierf zonder dat ik hem nog iets opbeurends over de kosmos kon vertellen.


    Zijn lichaam ligt al zolang op het oude kerkhof aan de rand van de stad. Je moet een doolhof van amper onderhouden paden en scheefgezakte stenen door voor je zijn laatste rustplaats vindt. In zijn grafsteen zit zijn foto verwerkt. Voor eeuwig jong. Wat bezielde ‘in hemelsnaam’ de kosmos?


    27-07-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.314: Bermkip

    BERMKIP

    Elke week razen we een aantal keren op de roetsjbanen rond Kortrijk: sterren, vicieuze cirkels, onverwachte haarspeldkronkels, onafgewerkte stukken ‘ring’, duizelingwekkende achtbanen, luchtbruggen, eiconstructies, omtrekkende bewegingen. Een Melkweg van twijfel, kommer, kwel en blikschade. Een Aqualibi waar het menens is.


    Ter hoogte van de afrit Kortrijk-Noord (de fameuze ‘knik’ bij de verkeerslichten, richting Heule en industrieterreinen; een hel voor ongeschoolde chauffeurs) hebben we een gelukkige kip ontdekt. Ze woont in een berm, die ingebed ligt tussen twee stukken autostrade. Waarschijnlijk is ze daar ooit verdwaald geraakt. Achter en voor en naast haar territorium zoeven de auto’s voorbij. Blijkbaar heeft ze al in het snot dat dit gevaarlijk is. Ze blijft in haar heuvelachtige groene zone. Die is ongeveer honderd vijftig meter lang en twintig meter breed. Ontsnappen zit er niet in. Dat wil ze ook niet. Ze heeft het er te goed. Het is haar ei-land. Ze ziet er schitterend uit: wild, vet, goed in de veren, grauw van landelijk geluk en uitlaatgassen. Ze is daar namelijk helemaal alleen, in haar zevende hemel. Als ze eieren legt, maakt ze er misschien de ratten gelukkig mee. Of de eksters. Ofwel stapelt ze haar producten ergens in een bermhoekje op. Mijn vrouw heeft al het idee geopperd er een haan te droppen. Zo wil ze een generatie bermkiekens veroorzaken: een nieuwe soort wild, gelukkig pluimvee dat de groene zones van onze E34’s en A17’s enzovoort bevolkt en onderhoudt.


    Het kieken dat wij kennen is alleszins niet onnozel. Het loopt bijvoorbeeld niet onder auto’s. Het blijft gezellig op zijn groene eiland, als een Robinson-kip die haar lot zelf in handen kan nemen en alles naar eigen goeddunken kan organiseren. Ondernemerschap, weet je wel. Ik ben jaloers op dat beest. Kippen vind ik niet sympathiek, maar van deze bermtoeriste hou ik wel. Die eigeleider springt uit de band. Ze is het levende, weldoorvoede bewijs van individuele ondernemingslust. Ze hoeft geen rekening meer te houden met een pikorde. Ze wordt met rust gelaten door haantjes-de-voorsten.


    Er is maar één schaduwzijde aan haar solitaire bestaan tussen al dat voorbijrazend volk: dat ellendige lawaai. We denken dat ze al vaak zin heeft gehad om ons met haar eieren te bekogelen. Maar ze houdt zich vooralsnog gedeisd. Want de aanval is niet altijd de beste verdediging. Ze wil niet eindigen als coq au vin of vol-au-vent. Als er één kip is die niet mag eindigen in een pot, dan is zij het wel. Diersoorten sterven uit. Zij kan de oermoeder worden van een nieuwe soort: de Robinson-kippen-te-land, het Vlaamse Bermkieken, het Grote Ring-pluimvee, de Vuilwit Gevederde Kortrijk-Noord Scharrelaar. Kipvrij, maar toch gevangen. Kiplekker, maar niet veel soeps.


    We benijden haar. We krijgen er kippenvel van, ei zo na. Van snavel tot kont is ze kerngezond. En vrijwel dagelijks denderen er kippenbatterijen op wielen voorbij, volgepropt met ongelukkige soortgenoten. Die passeren dan de vogelvrije kip. Maar of ze echt helemaal echt gelukkig is, tot in al haar veren, betwijfelen we. Alleen is maar alleen. Ook al zaai je eieren waar twee voltijdse paashazen hun handen vol aan zouden hebben.


    01-07-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.313: Men

    MEN

    Mensheid gedeeld door mens = men. Het grote probleem van men is onzichtbaarheid. Men lijkt telkenmale te worden overgeslagen. Men wordt vergeten. Men is niet gekend. Heeft men dit over zichzelf afgeroepen door in zijn prille jeugd aan de goede man steevast een berenpels te vragen waarin men zich zou hullen teneinde onherkenbaar de mensen de stuipen op het lijf te jagen? Was deze verholen roep om aandacht de kiem van zijn latere ontstentenis in de gedachten van de anderen? Was er toen al iets loos met dat vel van de beer? Zitten de talrijke pseudoniemen waarvan men zich in de loop der tijden bediende hier voor iets tussen? Weten de anderen niet meer met wie ze nu eigenlijk te maken hebben? Het probleem is zelfs paradoxaal geworden: hoe opvallender men er soms bij loopt, hoe minder men hem opmerkt. Is men misschien aangestoken door een extreem virus afkomstig van De Onzichtbare Man, dat hem compleet doorzichtig maakt? In het allerbeste geval is er iemand die hem op de valreep opmerkt of vermeldt: ‘O ja, en dan is er ook nog… ‘ Het is hem al tientallen malen overkomen.

    Dus besluit men daar iets aan te doen. Men wordt niet gezien? Men blijft onopgemerkt? Goed dan. Ze zullen wel eens zien. En men slaat aan het moorden. Men klopt iemand de hersenpan in met een diepgevroren schapenbout die men daarna opeet. Men drijft met een hamer een scheepsnagel door de kruin van een onfortuinlijke waarna men hem van een dak gooit. Men herhaalt dit, zodat een serie ontstaat. Herhaling werkt bij de mensen. Andy Warhol had dat door en vond het opnieuw uit. Eén Mao of Marilyn maakt geen indruk; meerdere Mao’s of Marilyns doen dat wel.

    En of men hem begon te kennen! Maar nu hadden de anderen een probleem. Men was de mensheid gedeeld door mens. Wie was men eigenlijk? En was iedereen niet een beetje men? Had iedereen niet al eens ooit in zijn leven iemand in gedachten vermoord? Men werd het onderwerp van analyses, discussies en boeken. Een van de grote vragen hierbij was: waarom laat men na elke slachtpartij op de plek van de misdaad een teddybeertje achter? Was hier andermaal sprake van een moeilijke jeugd?

    De zielenkunde (en alle aanverwante concrete wetenschappen en dito kundes) bleek echter nog in haar kinderschoenen te staan. Het totale pakket aan specialisten ter zake kon die moordzucht noch beheersen noch begrijpen. Het was nochtans doodsimpel: het vel van de beer. De goede man was in gebreke gebleven. Dat heeft zich later gewroken.


    15-06-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.312: Bruder Lustig

    BRUDER LUSTIG

    Een honderdtal boeken en boekjes van mijn hand heeft het licht gezien. Ik heb dingen verzameld en weer weggegooid. Ik heb gelezen, geschreven, gehaat en liefgehad. Mijn haren zijn nu wit, maar de meeste weigeren mijn kop te verlaten. Ik heb ze ooit dit bevel gegeven. Ik draag ze ook lang, voor een reden die ik mee in mijn urne zal nemen. Mij niet gezien in Hairport, Haar Zaak, Hem & Haar, Ben Hair of Haircules.


    Ik kan dus voorlopig nog best wel als een tamelijk tevreden en opgewekte kerel door de stad stuiteren, maar bespaar me het ‘dagelijkse grapje’ of het wekelijkse ‘wist-je-datje’ in de krant of op het internet. Ook de mop van de oen die een uur later met mij aan de toog van café De Woede der Noormannen staat, zal ik met wrangheid beantwoorden. Zelfs zijn weetje, dat hij ongetwijfeld op National Geographic Channel heeft gejat, zal ik ongenadig beantwoorden met een dodelijke blik. Onze ontmoeting zal wellicht de laatste zijn. Als een volstrekt onbekommerde Vrolijke Frans zal ik daarna mijn pint kapseizen in de krocht van mijn keelgat, waarna ik het over een geheel andere boeg zal gooien. Het gesprek (zo daar al sprake van is) een eigen kant op sturen, is namelijk nog erger dan niet of meesmuilend reageren op andermans verbale roerselen, toch in de veronderstelling dat het intelligentiequotiënt van de tegenpartij kan wedijveren met de verkoopprijs van een bakje kiwi’s. De wereld barst van de overbodige mededelingen en de loze meldingen. Mochten deze kunnen ontbreken en vervangen worden door het ruisen van zinvolle en niet-verplichte stilte, dan zou dat zoveel aangenamer zijn. Zielenzalf. Echt oorsmeer. Minder getoeter. Minder oorontstekingen. Geen lolbroeken of automatische piloten die het luchtruim tussen mensen verstoren. Laten we met z’n allen af en toe oorverdovend zwijgen.


    Dat ik daarnet het beeld van een Vrolijke Frans gebruikte, mag u niet op een dwaalspoor brengen. Ik sta niet te schreeuwen op tribunes. Ik beweeg me niet in groep naar ‘optredens’ of voetbaltempels. Ik rol geen kleurrijke kameleontong elk oudjaar onverwacht voor mij uit, gepaard gaande met schrille feestgeluiden. Ik deponeer geen fopdrollen of scheetkussens op stoelen. Ik knijp niemand onverwacht in haar zitvlees. Ik wapper niet met serpentines op de vooravond van de vasten. Ik draag nooit een papieren hoedje op bruiloften. Ik hos zeker nooit rond in polonaiseslierten. Een zeldzame keer betrapt in een massale manifestatie besta ik het zelfs geluidloos te scanderen of te roepen, mee met de meute, de vuist even geheven, alsof ik erbij hoor. Mimiek en lichaamstaal moeten volstaan. Desnoods zet ik mee een sprintje in met de voorhoede. Maar daar houdt het op. Ik heb een zwakke stem en wens die te sparen voor gelegenheden die er toe doen. Bovendien ga ik gewoonlijk maar voor de helft (of helemaal niet) akkoord met ‘men’: het hoofdpersonage van de modale mensheid. Mensheid gedeeld door mens = men.


    Ik heb een fysieke afkeer van schepsels wier mond een bazuin geworden is. Dat zijn de ergste ‘mennen’. Het verschil tussen borstvoeding en worstvoeding is klein. Het waren de eersten die in de ‘expressieve’ lessen op hun Boem-Paukeslagschool een snor op hun bovenlip stiftten, uitbundig in de verkleedkoffer van juffrouw Zonnebloem of meester Pijpensteel graaiden en met behulp van een halve kilogram gel hun haar steil achterover harkten. Het begin van een acteercarrière, die hun hele leven zou blijven duren. Die gespeelde opgewektheid, die zich bij gebrek aan echt talent en podium stuitend uit middels een hoog debiet aan moppen, sociaal geleuter, bombast en gelegenheidsretoriek ter hoogte van rode wijn, camembert en kampvuren, daar heb ik ook een grondige geestelijke afkeer van. Bling bling, ping ping: de schijn van heiligheid. Geef mij whisky, Stilton, wind en een afgelegen eiland. Gun mij de Hebriden. Zend mij naar Shetland. Daarom ook is het passend en billijk weg te blijven van het verenigingsleven, al dolen ook daar sombere zielen in rond die het nog niet gevonden hebben. Maar het enige wat er te vinden valt, is dat er niets te vinden valt. Ook al wordt het omgekeerde ons wijsgemaakt door creaturen die posterpraat en slogans slijten, en die baat hebben bij de sombere zoektochten van die zwarte zielen.


    23-05-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.311: Signeergesprek

    SIGNEERGESPREK

    - Is het grappig?
    - Het leest grappig.
    - Wat bedoel je?
    - Wat er gebeurt, is helemaal niet grappig. Wel hoe het wordt verteld. Hoe het is geschreven.
    - Glijdt er dan niemand over een bananenschil uit?
    - Nee. Ha ha.
    - Floept er dan eens geen tiet tevoorschijn? Zoals bij de weervrouw op televisie?
    - Ha ha, het is misschien een weerman.
    - Ook geen achtervolging?
    - Nee.
    - Ontploffing?
    - Noppes.
    - Tja…
    - U hoeft het voor mijn part niet te kopen, hoor.
    - Maar u zou toch signaleren?
    - Sorry?
    - U zou signaleren.
    - Eh?
    - Dat stond op de uitnodiging. U zou signaleren.
    - Eh… signeren, zult u bedoelen?
    - O, is het dat? Ik dacht: signaleren, seinen, geheime wachtwoorden, vliegdekschepen, spionnen… Je weet wel. Het gaat dus toch niet daarover?
    - Nee.
    - Geen signaleren?
    - Nee. Wilt u nu het boek? Hoe heet u? Zal ik het sign…
    - Nee, ik ben meer voor het signaleren. Actie, zoals op tv.
    - Ah ja.


    Mismoedig staarde de schrijver de boekenbeursbezoeker na. Die bereikte heelhuids de uitgang. Niemand stak hem een mes in de rug. Geen dolgedraaide extremist maaide hem met een ongenadige kogelregen neer. Hij kreeg geen hartaanval. Het volgende boek van de auteur die momenteel even niet zat te signeren op stand 34 zou druipen van het bloed.


    20-04-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.310: Rook

    ALS DE ROOK OM JE HOOFD IS VERDWENEN

    (Herinnering aan de oude rookkamer in het Sint-Jozefsinstituut in Torhout)

    Het was het tijdperk van ‘Sprint, de sigaret voor de sportman’. De voltallige rookkamer van het instituut is inmiddels… nou: uitgerookt. Vroeger rook het hele instituut naar een rokerij. Allemaal rokerigheid. In de gangen en lokalen hing permanent een verschaalde lucht, bijwijlen zelfs zichtbaar zeilend in slierten die op lijkwaden leken. Half gedronken koppen koffie en te haastig uitgedrukte peuken zorgden daarvoor. De cultus van de sigaret heerste zo ontegensprekelijk dat zelfs niemand er aanstoot aan nam dat peuken op de grond werden gegooid en simpelweg platgetrapt. Zoals in vrijwel elke film. Daarna kwamen er toch asbakken. Eerst van die grote lelijke ijzeren ondingen die op tafels werden neergepoot, in het middelpunt van de belangstelling. Vervolgens nog lelijker gedrochten in de vorm van metalen zuilen op handhoogte naast elke denkbare deur. Nog later verdwenen ook die dan, aan het einde van het tijdperk met gedoogbeleid. Er kwamen hele batterijen politiek correcte verse afvalbakken voor in de plaats: papier, plastic, resten, fruit, groente, batterijen, glas… Die hielden de gebouwen en de omgeving wat schoner, maar ontsierden die ook. In elke hoek of gang trof je zo’n hongerige slagorde ongelijke monsters-met-kleppen aan, in de lelijkste kleuren en bepleisterd met pictogrammen. Afval moest opvallen. Want er waren altijd hardleerse bewoners van Moeder Aarde, die hun klokhuis in de blauwe bak mikten, of die hun boekbespreking in de grijze klep van het restafval propten. Ze konden niet met het luxeprobleem omgaan. Ze hielpen de wereld om zeep.

    Naast de lerarenkamer (waar dapper gerookt werd) was er ook nog een speciale rookkamer, een verdieping hoger. Daar werd koffie gedronken tussen de middag. De leraren speelden er kaart en rookten er nog intenser dan in de lerarenkamer. Het oude hout van de bekleding en de meubels vertoonde ettelijke lagen nicotine, als de jaarringen van een boom. (‘Starcke Tronck, Altijt Jonc’: die spreuk prijkte in een brandglasraam op de eerste verdieping, naast het obligate ‘Ora et labora’).

    In de loop der moderne tijden (computer, gemengd onderwijs, vernieuwde spelling, Europa) begon het: af en toe stopte iemand met roken, met vallen en opstaan, opgeschrikt door de dood van een bekende. Hij bleef wel kaarten en koffiedrinken. De vingers waarmee hij zijn waaiertje kaarten bijeenhield, werden minder geel. Hij werd een kleine held of een rare snuiter in de rokerige wereld van de leraren. Stiekem keek hij wel toe hoe zijn kaartkornuiten hun rook verzaligd inhaleerden en smakelijk weer uitbliezen. Hoe tussen de praatballonnetjes zich ook rookgordijntjes ontwikkelden. Hij was er ‘nog niet van af’. Maar naarmate er meer gestorven werd, werd er ook meer gestopt met roken. De laatste der Mohikanen waren met z’n vieren. Ze speelden kaart aan eenzelfde tafel, vaak bespied door afgunstige ‘stoppers’ die zich afvroegen waarom ze ook alweer gestopt waren. Want die vier bleven maar leven. In dit mekka van de mokka ontbrak er iets. Maar het wende. Uiteindelijk rookten tijd en ouderdom de hele leraren- en rookkamer van het instituut uit. De ultieme democratie, waar de lat voor iedereen gelijk ligt: plat. Nieuwe generaties hebben de oude lokalen een verse bestemming gegeven. Ja: het leven is een sprint naar het graf.


    29-03-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.309: Ode aan mijn bh

    ODE AAN MIJN BOEKHANDEL

    In een mekka van mokka en kletskoekjes houden boekhouders van de bovenste plank hier huis. We reizen er over rails van boekenruggen naar verre bestemmingen in onszelf en in zoetzure buitenlanden. Er heerst een zacht geruis tussen al dat gebladerte. Goede stilte vezelt zacht tussen bladzijden. Op hurkhoogte torsen de onderste planken het zilver en goud van lettersoep, bladerdeeg, griffels en pluimen. Op het kookpunt heersen pollepeldrama en schuimspaanromantiek, op slurpafstand van whodunits en huiver op kamertemperatuur. Vers geperst kan ook: dichter, dunner, gezonder. Of boekenbeursgenoteerd en uitbundig: inkt die klinkt. Die ene kanjer. Dat nog onontdekte reisverhaal. Boeken voor eerste klas. Van die drukte kun je bladstil worden. Rode oortjes, ezelsoortjes, mijn laatste oortje voor een boek. Want Boekenhuis Theoria in Kortrijk bedrijft de uitgelezen boekhoudkunde. Met inktzwarte koffie.

    (In Top tien t.g.v. Independent Bookstore Day Boekenweek Nederland 2017)


    03-03-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.308: Alfa

    ALFA


    Elke dag in de metro las ze The Herald Tribune. Op een van die dagen hield ze warempel de krant ondersteboven. Ik weigerde over de reden na te denken, checkte nog driemaal of dat wel zo was, en ja, dat was zo, en dat bleef zo, en toen staarde ik wazig naar nergens, want ik had een kater. ’s Anderendaags (ze veroverde gewoonlijk ongeveer dezelfde plek in de metro) las ze weer zoals iedereen (… uit het tijdperk dat er nog in treinen, trams en metro’s papieraal gelezen werd… ). Pas toen viel het me op dat ze al elke dag dezelfde krant mee genomen had – een exemplaar van ongeveer twee maanden geleden, vrijdag de twaalfde april. De hele verdere week bleef dat kloppen: vrijdag de twaalfde april.


    Een tijdlang was ze er niet meer. Haar plaats in de metro werd door i-phonende en i-paddende bezigaards ingepalmd. Ik vergat haar.


    In de herfst werd ik uitgenodigd om voor te lezen in het Centrum voor Volwassenen Onderwijs. Het moest (uiteraard) een boeiend verhaal zijn dat ongeveer een halfuur duurde. Het mocht best wat schuin of aangebrand zijn, want het ging immers om instemmende volwassenen. Wel werd me afgeraden moeilijke of lange woorden te gebruiken, want de doelgroep betrof grote mensen die leerden lezen. Door omstandigheden hadden ze dat nooit kunnen doen.

    Toen ik die bewuste avond met Roald Dahl’s verhaal ‘Gelijk oversteken’ verscheen, ontdekte ik haar op de tweede rij in het publiek.


    16-02-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.307: Vijgen voor Pasen

    VIJGEN VOOR PASEN


    Omstreeks Pasen duikt mijn passie weer op: Bijbelfilms, Golgotha-taferelen, verkeerde lieveheren. Mensen verzamelen de vreemdste dingen: verkeerd getande postzegels. Alleen die. Boeken waarin alcohol de hoofdrol speelt. Alleen die. Fiasco’s. Alleen die. Ook ik heb mijn afwijking, naast vele andere. Ik collectioneer verkeerde lieveheren. Dat zijn christussen die aan het kruis de linkerkant op kijken. Ze luisteren naar het alibi van de slechte moordenaar. Gewoonlijk is dat anders. Hun hoofd is op hun borst gezonken, wegens schaamte over al het leed en geweld in de wereld. Of het rust op hun rechterschouder, luisterend naar de goede moordenaar. Nog andere perspectieven zijn mogelijk, als je het van de toeschouwer of ramptoerist uit bekijkt. Er is een film waarin de Gekruisigde Man alleen en uitsluitend van op de rug wordt getoond. En er is een bekend schilderij dat het Golgotha-tafereel anders dan alle andere weergeeft. Mijn collectie bestaat uit zo’n tweehonderd verkeerde lieveheren. Echte en ook afbeeldingen ervan. Ik weet niet meer hoe ik het bestaan van verkeerde lieveheren op het spoor kwam. Ik hoorde er ooit eens over spreken door een antiquair, denk ik. Hij zei dat het geen unicum of zeldzaamheid betrof. Alleen een curiosum. En er was ook iets aan de hand met de voeten van sommige lieveheren: de linker over de rechter, of omgekeerd.


    De prachtigste verkeerde lieveheer die ik ooit zag, was een stuk wortel van een druivelaar. Die had precies zo’n vorm aangenomen. In al zijn grilligheid was hij perfect. Nee, hij is jammer genoeg geen deel van mijn verzameling geworden. Ik mocht hem van de ‘eigenaars’ een tijdlang onderdak bieden. Hij zou me inspiratie bezorgen bij het schrijven. Dat heeft hij ook gedaan. Een novelle, met name. Bekroond met een Nederlandse verhalenprijs in Amsterdam en bij een bescheiden Vlaamse uitgeverij verschenen. Ook gepubliceerd in het oudste en bekendste Nederlandse literaire tijdschrift en later nog een keer in een roemrijk Vlaams letterkundig blad. En toen werd hij plotseling weer opgehaald, mijn verkeerde.


    Sedertdien gluur ik overal waar ik binnenkom eerst naar omhoog, naar muren en wanden. Soms hangt daar een gekruisigde. Heel zelden rust zijn moede en moegetergde en gekroonde hoofd op zijn linkerschouder. Dat is er dan één die extra luistert. Ik heb nog een foto van toen ik in de zesde klas van de lagere school zat: in het stadje Torhout, dat toen nog niet rockte. We zijn op schoolreis. We poseren voor de groepsfoto op de nationale luchthaven van Zaventem. Als ik scherp toekijk, merk ik dat we bijna allemaal met ons hoofd een ietsepietsie naar de linkerkant hellen. Precies alsof er iets belangrijks buiten beeld gebeurt. Maar het is iets anders. Het waaide heel hard die dag. Kun je ook aan onze haren zien. Er stond een meer dan stevige zijwind. Wanneer ik de gezichten bestudeer van die tweeëndertig verkeerde lieveheertjes uit het midden van de jaren zestig van de vorige eeuw, dan zie ik dat er al een flink aantal van dood zijn. Wij, de nog levenden, zijn inmiddels zestigers. Hoe minder paashaast we hebben om te verrijzen, hoe vlugger de tijd voorbijvliegt.


    06-01-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.306: Wereldsmart

    WERELDSMART


    01


    Ik kende nog een voorbeeld. Niemand had het al genoemd. Natuurlijk niet. Iedereen zei alleen maar de bekende dingen. Ik stak mijn rechterwijsvinger in de lucht.
    ‘Ja?’
    ‘De nachtegaal,’ zei ik, met wat bibber in mijn stem, want ik was bij voorbaat al ‘zo trots als een pauw’ met dit onverwachte formidabele verrassende voorbeeld.
    ‘Nee,’ zei Spreeuwe, zijn kinkwab schudde heftig mee. ‘Nee, de nachtegaal is een zangvogel, geen trekvogel.’
    Bloedrood en gekrenkt zonk ik door mijn bank, het geheime luik klapte open, waarna ik in de diepe schacht tuimelde die naar China leidde, waar ik altijd en overal onzichtbaar zou blijven.
    De nachtegaal was wel een trekvogel. Dat wist ik heel zeker. En Spreeuwe was een dom kieken.


    Spreeuwe was onze onderwijzer van de zesde klas. Hij heette eigenlijk Roseeuw met zijn achternaam. Hoe hij in de loop der jaren aan de spotnaam Spreeuwe is geraakt, weet niemand. Wellicht lag kinderlijke rijmnood aan de basis, geflambeerd in een scheut plaatselijke voertaal. Want het moest klinken als Spreeuwe, met een vreselijke tweeklank middenin en bekroond door een ruwe doffe klank. Niet het bekakte woordenboekwoord Spreeuw dus. Maar met vogels had Spreeuwe niets te maken. Nou, vooral niet met de mijne. Ergens geleek hij wel op een vogelbekdier. Zijn kin bestond uit drie verdiepingen kwabben.


    Een week later lapte Spreeuwe me nog zoiets. Iedereen moest om de beurt met een opgegeven letter een bekende plaatsnaam op aarde zeggen.
    Daar gingen we.
    A. Antwerpen. Natuurlijk.
    B. België. Wie had dat gedacht!
    C. Eh… Eh… Vooruit! Is dat nu zo moeilijk?!
    Geert wist het niet. Hij werd overgeslagen.
    Het werd uiteindelijk Cyprus, bij slimme Pol. Die had goed onthouden uit vorige lessen dat er problemen waren op het verre Cyprus en dat aartsbisschop Makarios die zou oplossen.
    Ik kreeg onverwacht de Z toegewezen.
    ‘Zürich,’ zei ik vastberaden.
    ‘Waarom dan niet Zwitserland?!’ riep Spreeuwe boos.
    Waren mijn ogen kogels geweest, dan perforeerden die terstond zijn driedubbele kwabbenkin.

    Spreeuwe verklootte mijn laatste jaar van de lagere school. Waar ik alle voorgaande jaren tot de top van de klas had behoord, daar slaagde deze lillende hufter er in om me in de blatende middenmoot van de groep te doen belanden wat schoolcijfers betrof. Elke dag zag ik de voorbedachte rade achter zijn brilglazen flikkeren. Ook zijn trouwring veroorzaakte bliksemschichten. Er ‘heerste’ tien maanden onweer.

    Jaren later kwam ik voor een stuk te weten hoe het kwam. Mijn vader had het onderwijsmens Spreeuwe ooit een lelijke hak gezet. Welke precies, dat wou mijn mannelijke verwekker nooit echt uit de doeken doen. We leefden namelijk in die tijden waar veel verzwegen werd. Het beletselteken was het meest gebruikte leesteken; de woorden ‘puntjepuntjepuntje’ en ‘enzovoort’ tierden welig. De doofpotten zaten eivol. De kerken ook.

    Maar ondertussen trok mijn nachtegaal niet naar het zuivere Zürich. Echt niet.
    Moordlustig verliet ik de lagere school.

    Twee maanden later was ik van alle jongens uit het eerste jaar middelbaar de allereerste die twee uren strafstudie op zaterdag kreeg. Een priester-bewaker had me in de studiezaal betrapt met een bibliotheekexemplaar van ‘Villa des Roses’ van Willem Elsschot op mijn knieën. Ik wenste dat de ontelbare knoopjes aan zijn inktzwarte soutane allemaal inslagen van kogels waren.
    ‘Tisten’ was zijn bijnaam: een reus van drie meter hoog met wat zwart schaamhaar boven op zijn schedel en een ‘hm-hm’-tourettetic die zich zesduizend keer per dag manifesteerde.

    Mijn valse start in het middelbaar werd echter al vlug goedgemaakt door enkele prima leraren die zelfs niet eens met een spotnaam werden bedacht. Alleen een vechtpartij met een dokterszoon ontsierde nog even de middeleeuwen van mijn schoolgaande jeugd.
    Gaandeweg leerde ik dat Hemingway de zin ‘De zwarte kat liep door de dikke benen van de warme bakker’ niet goed gevonden zou hebben. Hij zou de drie ‘tekenende’ woorden die in het lager onderwijs als mooie taal dubbel onderstreept werden, onverbiddelijk schrappen. Economisch taalgebruik! En meneer Nolf bracht de cursiefjes van een zekere Bomans mee naar de klas. Ik was daar zo in de wolken over dat ik zelfs bereid was de onbelangrijke vakken Rekenkunde en Meetkunde te studeren, noodzakelijke kwaadheden die ik onder de noemer ‘Miskunde’ parkeerde.

    Ondanks allerlei boemannen in het laatste jaar van de middelbare school slaagde ik met vlag en wimpel voor alle vakken van mijn leerrijke jeugdjaren, inclusief roken.

    Ik was klaar om nog meer vanbuiten te leren.

    Gelukkig had ik toen al een miljoen boeken gelezen. Tijdens mijn vier jaren aan de faculteit Wijsbegeerte & Letteren, afdeling Germaanse Filologie, had ik namelijk alleen nog tijd voor de verplichte lectuur en af en toe een betoging. Ook deze combinatie lukte wonderwel, hoewel ik het jammer vond dat mijn leeslust plaats had gemaakt voor schrijflust, waar ik al helemaal geen tijd voor had. Een aantal politieke pamfletten getuigen nog van deze academische periode. Ik schreef toen ook mijn nachtelijke dromen op, waarschijnlijk omdat ik er later gebruik van zou maken om het Boek der Boeken te schrijven.


    02


    Van jongs af aan hield ik van de wind en van de sterren, twee uitgesproken onbetrouwbare instanties van ‘s mensen bestaan op de aarde, deze blauwe plek in een heelal. Toen al lag het dichterschap op de loer. De mensen deelde ik in drie categorieën in. Ten eerste had je de oude jongens. Hun das liep in de pas, hun jeans was hun harnas. Vaak flikkerde hun trouwring vervaarlijk. Ten tweede waren er de meisjes die voor vrouw leerden. Ze waren oud van nagellak en wapenrok, constant in oorlog met de mode. Vaak zaten die aan hun trouwring te frunniken. De derde categorie bestond uit een hopeloos aantal nog oudere mensen. Over die gerimpelden en gekrompenen der aarde wenste ik niet na te denken, met uitzondering van mijn eigen krimpvrije oma’s en opa’s, waarvan ik er geruime tijd vier bezat. Kathedraaltjes van ouderdom. Ik harkte alle zeer ouden van veel dagen samen in een verdomhoekje van het Museum voor Oudheidkunde. Baby’s, ukken, peuters en kleuters, alle kindervlees kortom, ondergingen een analoog lot, want ik vond dat die op oude mensen leken. Ja, ik was een zeer gesloten kereltje. Wind en sterren, weet je wel.

    Plotseling werd het 1970. Ik was zeventien. Opgerold als een ansjovis lag ik in bed. Het was al donker op de wereld. De mensheid sliep. Ik was gewapend met een minizaklamp en een miniradio. Dit moest ontegensprekelijk het minitijdperk zijn. Uren aan een stuk goot ik radio Luxemburg in mijn linkeroor uit, terwijl hoerachtig schijnsel onder mijn lakens spookte. Tears of a clown. War. Purple haze. Ik sliep in met ruis. Ik werd wakker met ruis en liep de tunnel van de dag door: verlangend naar het flauwe plasje licht aan het eind daarvan. Presidenten werden neergekogeld. Transplantaties werden verricht. Hemellichamen werden betreden. Ik peuterde de oude zelfklevers van mijn fiets en verving die door de beklijvende Jim Morrison, de krullen als een doornenkroon om zijn hoofd gevlochten. Op die fiets reed ik naar mijn eerste echte fuif, toen nog genoemd ‘thé-dansant’. O mamy, o mamy, o mamy blue, o mamy blue. De witte hemden van de studenten fluoresceerden. Ik dronk om niet te moeten dansen. Gefascineerd keek ik naar dat gewriemel in die slangenkuil. Jongens harpoeneerden hun tong in meisjesmonden. Bambarondedansen zonder totempaal werden afgewisseld met lijfgewrijf in slow motion. Geheel beneveld verliet ik dit paringsfeest.

    Ik hulde me in een andere mist: die van de sigarettenrook. Met lijvige letterkundige syllabi bouwde ik een luchtkasteel. Vanuit de schietgaten vuurde ik somtijds zelf een gedicht af, richting grote boze wereld. Ondertussen leerde ik dat, toen Guido Gezelle geboren werd omstreeks de Belgische Onafhankelijkheid, de gevangenissen eivol zaten. Waar was het verband? Ik hoorde aan de unief vaklui uitweiden over poëzie. ‘Mijne heren, nu weet ik het ook niet zo goed meer,’ sprak de nog jonge heer H.B., assistent-professor-criticus. En de zeer oudgeletterde professor A.W., fin de schitterende carrière, stak op het mondeling examen zijn honderdduizendste Bastos filter op en kraste: ‘Aha, kerel: van West-Vlaanderen, zie ik hier op mijn lijst? Daar woont gij toch, hé? Vertel eens over uw mooie streek.’ Zijn toenmalige assistente, ook een occidentaal meisje, gooide zich na zijn dood op de kinderliteratuur, men bedoelde eigenlijk literatuur voor kinderen, een ‘nog onontgonnen terrein’, zoals dat toen heette.

    Mijn maten droomden hardop van journalistiek, televisie en schrijverschap. Meisjes smeekten thuis, gebruik makend van veel verkleinwoorden, om nog een ‘jaartje’ extra Communicatiewetenschappen te mogen ‘doen’. Op een zwaarbewolkte dag in juli mompelde een oude prof achter een katheder dat de meeste van ons geslaagd waren. Ik verliet mijn kroegen en ging terug naar de lage streken in mijn platte provincie om een meesterwerk te schrijven. Het Boek der Boeken dus.

    De eenentwintigste eeuw heeft nu al een tijdlang haar plechtige communie gedaan. Ik heb de kaap van zestig jaar al geruime tijd gerond. Ik slaap met mijn navel naar de aarde gekeerd. Mijn kinderen zijn draadloos met mij verbonden; af en toe duiken ze thuis op om de schade op te nemen. Ik zag de oude Dimitri Van Toren (een zanger) zijn ding oppoetsen in een oude Vlaamse dorpszaal. Ik lees dat Armand ‘Ben ik te min’ twee weken op een rantsoentje pindakaas leefde. Weldra sneuvelden ze ook. De stille drummer van de Stones doet in antiek in het rustige Devon. Jim Morrisons graf wordt wegens groot succes een beetje verplaatst. Hier bij ons in West-Vlaanderen zouden ze zeggen: ‘Wegens te veel leven’. Ikzelf heb het nog altijd niet gevonden. De vraag is maar: wat? Mijn ongeduld wordt niet beloond. Ik word een oude jongen in een gekke megawereld. Zou professor H.B. het ondertussen al weten ? Gelijkt het eeuwig jachtveld van professor A.W. op West-Vlaanderen? Ach, van alle materialen waar ik me ooit mee omringde, schiet alleen de taal over. Wegens te veel leven. Laat ik maar aan het Boek der Boeken beginnen.


    25-12-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.305: Jonge ouderen

    JONGE OUDEREN

    Waarom begint iemand van de ene op de andere dag zijn haren naar achteren te harken? (Daarvoor was hij voor de vooruit). Hoe komt het dat iemand plotseling van koffie begint te houden? (Vroeger bunkerde hij sloten alcohol en cola). Wanneer begint iemand de wallen onder zijn ogen als jaarringen te beschouwen? Zoals bij de bomen? (Voorheen waren dat de lauwerkransen van overgeslagen nachten). Het is de ziel die dat dicteert. De ziel bevindt zich in de linkeroorlel. (Vandaar de zinsnede: ‘Als de ziele luistert…’). Wanneer iemand voor de spiegel met een bedenkelijk gezicht aan zijn linkeroorlel staat te frutselen (dat schiereilandje kippenvel), dan wil dat zeggen: de ziele spreekt. En als de ziele spreekt, dan moeten het hart en het hoofd luisteren.


    Zo spreekt de ziele: ‘Man, het is nu welletjes geweest. Vlot en tof en cool en bère moet je niet meer proberen te zijn. Je vlot is stuurloos. De toftigheid hangt er in treurige vodden bij. De coolness is een ijstijd geworden. Nee: geen acetijd. Bère is boring geworden. Stop met de zelfjes en neem nu eens een fotokopie van je vader, je grootvaders, je voorvaders. Hark je haar op maat. Kies wat kleren op maat. Hou maat in het drinken. Kies maten die ook maat kunnen houden. Zo kun je nog eens enkele decennia doorbaggeren, met gezonde aderen, zoals je vaderen het je hebben voorgedaan.’
    (En ik die altijd als motto had: ‘Liever de wind dan een hark om blaren te bloemlezen’!)


    En, o wonder, dan word je benaderd door zo’n jonge gast, zo’n zwarte vogel in recyclagekleren, en die zegt: ‘Maar dat vind ik nu eens tof en vlot, dat achterover geharkte haar, die ringen onder je ogen, en die emmers koffie die je met special-agent-Cooper-achtige gebaren in dat oude hoofd van je giet! Toftig!’ Dan zijn er twee mogelijkheden om zoetjes wraak te nemen op dat ontzagwekkende misverstand. Ofwel laat je je haar in een staart tussen je schouderbladen bungelen. Daardoor foutparkeer je jezelf bij de modeveroordeelden. Ofwel begin je marathons te lopen. Ook volledig verkeerd. Twee lange ingrepen dus. Je verandert je eigen schaduw en daarna probeer je die te ontvluchten. Waar loop je dan naartoe? De eindmeet is voor iedereen gelijk: strooiweide, graf, urn. De lat ligt er voor allemaal gelijk: zeer plat. De ultieme democratie waar velen van dromen.


    Post scriptum. Het voorgaande is in de mannelijke vorm geschreven. Maar het gaat ook op voor oude meisjes. Vrouwen dus. Met deze verschillen: die knippen dan hun staarten af. En in plaats van te gaan lopen en koffie te slurpen, blijven ze zitten bij streekbieren, na een avond Afrikaanse dans of biceptuele stroomlijnjazz. Hun mannen laten ze maar lopen. Want de aardbol is rond. (Sommigen zeggen en schrijven: aardkloot. Anderen: Moeder Aarde). Midlife? De koffiekoppencarrousel in Bellewaerde. Krampen na de echte match en voor de verlengingen. Of iemand die tegen je zegt: ‘God, wat ben jij grijs geworden zeg!’ Dan antwoord je: ‘Vroeger was ik God. Nu niet meer. En groen.’ Om jezelf te troosten, denk je dan aan leuke dingen. Dingen die beter of mooier worden naarmate ze ouder zijn. Wijn. Violen. Wijn die mee de Val van het Romeinse Rijk veroorzaakte. Violen die het zinken van de Titanic begeleidden. Zo komen we weer bij de ziel uit: het hoorapparaat voor een geweldige stilte. En bij koffie, dat geweldige bakje inktzwarte troost.


    29-11-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.304: De Boekenkrijg

    DE BOEKENKRIJG


    Goeie genade, nu ik er aan denk: je vroeg me een ‘goed’ boek. Die lange vakantie brak weer aan, weet je wel. Boeken geblazen. Ik koop echter nog weinig boeken. Ik lees nu al mijn boeken voor de tweede of de zoveelste keer. Nooit verlaten ze nog mijn huis. Tenzij door de schoorsteen. Ik heb er genoeg van. Dus: het enige boek dat ik je misschien nog wil geven, is een kookboek.

    Nee, een echte Boekenkrijg is het niet meer. Liever mag ik door de stad stappen, zonder boeken in mijn hoofd, terwijl de frisse geuren van schoolplichtige meisjes me in het gezicht waaien. Zo kan ik vele kilometers stappen en lange uren doorgaan. Ik lees de stad en ik ontcijfer de mensen. Liever dan lezen mag ik op een bank in het park zitten dromen dat jij ook op die bank zit. Dat we praten zoals het niet in de boeken staat: zonder bijsluiter, zonder legende, zonder laatste bladzijde, zonder houdbaarheidsdatum.

    Vorige week wandelde ik in de stad. (Door de stad? Ik ben verminkt door een teveel aan lezen). Ik passeerde een gebouw waarvan de tuimelramen open waren geklapt. Daarachter weerklonk een profetische stem, die sprak: ‘Acht komma vier.’ Toen ik opkeek, merkte ik dat het een schoolgebouw was. Die 8,4 betrof boekenwijsheid. De ogen die bij die stem hoorden, hadden die wijsheid de avond tevoren in een boek gelezen. Cijfers kun je immers ook lezen. ‘Acht komma vier’ deed het de volgende dag de ronde, en niemand was gelukkig. ‘Acht komma vier’ ruiste het in de bomen, en niemand luisterde. ‘Acht komma vier’ sprak een stem in de stad, en niemand geloofde het.

    Nog liever mag ik planten en boeddha’s in mijn boekenkasten zetten. Gewone boeken zijn maar boekensteuntjes voor weer andere gewone boeken. De dikke, moeilijke of onwijs symbolische boeken stop ik diep weg. Ach welnee, een boekverbrander ben ik niet. Ik heb eerbied voor drukwerk. Maar wie me boeken vraagt, wakkert wel een brandje aan. Ik heb mijn boeken zozeer lief, dat ik ze haat. Ik haat de zorg die ik aan ze besteed. Ik haat hun affe voldongenheid. Onachtzaam en moeiteloos en rotverwend staan ze daar. Zij staan lijdzaam op mij toe te zien. Ik hoor hun mooie zinnen die de mijne niet zijn. Een boek dat echter ooit mijn huis zou verlaten, is het mijne niet meer. Ik mag er niet aan denken. Want een boek dat hierbinnen goed is, wordt daarbuiten slecht.

    Mijn hoop in bange dagen en mijn vreugde bij Vlaamse regenvlagen is een halve meter ‘Livre de Poche’ en een meter ‘Dwarsliggers’. Betaalbare dingetjes. Handige zakformaatjes. Ik bereik diverse leespieken per jaar: in de trein, op perrons, op banken in wachtkamers, ongezien thuis verschanst. Nee: nooit in bed, de plaats bij uitstek waar zovelen lezen. Ik heb, moet u weten, nekwervelproblemen, wegens te veel lezen. Van horizontale lectuur valt de fysieke arbeid me te zwaar.

    Nee dus: een ‘goed’ boek krijg je niet van mij. Kom eens langs, maar blijf met je fikken uit mijn boekenkasten. Broodjes bij de bakker, boeken bij de boekenboer. Weet je wel. Ik neem toch ook geen vaas uit jouw appartement mee? Nog dit, tot slot: vaak ben ik zelf een open boek, maar op de verkeerde bladzijde opengeslagen. Als je lang genoeg bladert, vind je wel wat. Het recept voor een koekje van eigen deeg bijvoorbeeld.


    30-10-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.303: www.zot.com.bébé

    WWW.ZOT.COM.BÉBÉ

    De tweeling Doralinda en Anneliselotte ontsproot aan Jasdorina, hun vrouwelijke verwekker die later in haar leven via een ombouwpakket zonder de optie ‘penis’ als Jason aangesproken wenste te worden. De mannelijke medeverwekker, wiens naam zo lelijk klonk dat wij die hier niet durven uit te spreken, dronk zich op de dag van de teraardebestelling van de tweeling zoveel moed in dat hij van de rooksectie op het dakterras van de kliniek op de visgraatparking te pletter kukelde, want daar bevond zich de cafetaria waar de teelballentorsers angstig hun nageslacht verbeidden, rokend en drinkend. Doralinda en Anneliselotte kregen aldus eerst met een begrafenis te maken, nog voor er pogingen werden ondernomen om ze te dopen en in het leger van God in te lijven. De katholieke priester Perikles Pardonne, op een of andere ingewikkelde manier verwant aan Jasdorina, stuurde sterk op zo’n doopgedoe aan, maar de ovenwarme mama had in één klap alle geloof in eender welke goden of afgoden verloren. Er was namelijk door een verstrooide dokter een drieling voorspeld, terwijl er maar twee uitfloepten, zodat de arbeidssatisfactie kleiner was, want dat had evenveel pijn gedaan als bij een meerling, en het was evenmin de bedoeling geweest dat de vader die dag zou sterven. De kranten en de tv hadden bovendien geen belangstelling voor een tweeling. Wel voor een drieling. Of meer. De gratis luiers en babyvoeding van bekende warenhuisketens bleven dus ook al uit. Perikles Pardonne regisseerde de begrafenis van de dode vader met beknopt geprevel en gepredik, want hij voelde zich in zijn kruis getast. Daarna praatte hij nog urenlang op Jasdorina in, terwijl de beide bloedjes tegen elkaar op te krijsen lagen. Ze gaf niet toe en gooide de zwartrok eruit. Terstond hielden Doralinda en Annelieselotte hun keeltjes en stembandjes in bedwang. Twintig jaar later was hun moeder een man. Weliswaar zonder komma tussen zijn benen. Jason werd verkoper voor een bedrijf dat geribbeld glas fabriceerde. Dat ging zo goed dat hij met de CEO geregeld casino’s bezocht. Tevens bekwaamde hij zich met andere dure heren op de golfgreen. Perikles Pardonne gooide omstreeks die tijd zijn kap over de haag, trouwde met een ex-non die jarenlang gymnastieklessen aan een huishoudschool had gegeven en werd vertegenwoordiger voor een doopkaarsengieterij. Doralinda en Anneliselotte richtten de firma DORAN op en werden respectievelijk dobbelsteneninspectrice en golfballenduikster in Andorra. Op hun website www.zot.com.bébé combineren ze striptekeningen en teksten om hun leven in hapklare brokken aan de vele kijkers en lezers te voeren. O nee, we mogen nooit de hoop opgeven in dit leven.


    02-10-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.302: Echte fictie

    ECHTE FICTIE

    Lang voor Noach zijn ark in elkaar timmerde (de derde poging was raak, tot tweemaal toe verloor het in opbouw zijnde gevaarte met veel oudtestamentisch gekreun het bewustzijn) vloog een slankpootvliegje behorende tot de onderfamilie van de Sciapodinae tegen de stam van een den aan en kukelde verdwaasd op de grond, waar het na een vijftal minuten van vicieuze omzwervingen per toeval onder de voetzool van een voorbij rennende holbewoner op de vlucht voor een dierlijke vijand werd geplet. Het diertje kon zich door een uiterste maar helaas allerlaatste krachtinspanning nog even naar de stam van de dodelijke den slepen en zich daar aan vastklampen voor het de geest gaf. Eeuwen later prijkte dat slankpootvliegje roerloos in de gestolde transparante hyacintrode amberdruppel in de linkerpinkring van meneer Vellemans, vlak naast de ringvinger waar vooralsnog geen trouwring te zien was.


    Meneer Vellemans – de tijdelijke vervanger van meneer Depuydt, die op een zondags toeristisch uitstapje met de heemkundige kring door de vliering van een oude molen was gezakt, met zijn onderrug op een lavabo was gevallen en nu al wekenlang in de kliniek gekalefaterd en gerevalideerd werd – had zijn klas de opdracht gegeven om een creatief verhaal te schrijven. Hij had zelf even een gedurfd voorbeeld geformuleerd: van een schrijver (wiens naam hem was ontsnapt) die verhaalde hoe een fietser met een blok ijs door de hete woestijn fietste. Ze kregen er zelfs tijdens de lesuren van het vak geheten Nederlands schrijftijd voor, kauwend op potloden en balpennen, de hoofden gestut in de handpalmen, onderuit gezakt in de banken, door de hoge kantelramen naar onbereikbare vertes starend.


    Aldus geschiedde.


    Arend Knop deed alsof hij wezenloos voor zich uit zat te kijken, op zoek naar ideeën in het mijnenveld van spelling en grammatica, terwijl hij eigenlijk meneer Vellemans en diens Karl Marx-baard aan het bestuderen was. De man zat lekker ontspannen aan zijn bureau links vooraan, op gelijke hoogte van twee rechthoekige raampjes met geribbeld glas die op een schoolplein uitgaven en waardoorheen je alleen schimmige figuren kon zien passeren. Hij streek ononderbroken met zijn linkerhand over zijn kingewas. Toen viel Arends blik op die ring, want één tel lang blikkerde die onverwacht op door een speling van het zonlicht doorheen die ribbelramen. Het was een doodgewone trouwring, aan een doodgewone ringvinger. Zoals het hoorde. Arend zou er iets anders van maken. Zijn ogen lichtten op, hij plukte de balpen van tussen zijn tanden en ging aan het werk. Morgen was het woensdag. In de namiddag zou hij naar de stadsbibliotheek gaan om de encyclopedieën en de naslagwerken te raadplegen.


    Meneer Vellemans geloofde niet dat Arend Knop dit zelf had bedacht. Hij durfde de term ‘plagiaat’ echter niet uitspreken. Hij twijfelde. Hyacintrood? Amberdruppel? Er kwamen woordenboeken bij te pas, en informatie bij de collega’s Biologie en Kunstgeschiedenis.


    ‘Maar het moest toch creatief en gedurfd zijn, meneer?’
    ‘Ja ja… ‘
    ‘Een blok ijs in een fietstas is veel… ‘
    ‘Ja, ik weet het, Arend, maar… Komt dit uit jezelf?’
    Vellemans tikte met zijn trouwringhand tegen de zijkant van zijn hoofd.
    ‘U hebt ons zelf op een dwaalspoor gebracht… in de woestijn.’
    ‘Maar dat was bij wijze van voorbeeld.’
    ‘Bij mij is het bij wijze van echte fantasie die gedocumenteerd is.’
    ‘Hoe kwam je er op om… ‘
    ‘… om uw linkerpink te gebruiken?’
    ‘Eh… nee… ja… dat beestje… amber… eh… waar haal je het? Ken je iets van halfedelstenen? Fossielen? Is dat een hobby misschien?’
    Arend Knop negeerde de vragen en hield zijn bronnen geheim.
    ‘Hoeveel gaat u me geven op de twintig?’
    ‘Er staan maar tien punten op.’
    ‘Tien?’
    ‘Dat valt nog te bezien.’
    ‘Ik verdien tien.’
    ‘Kijk: je rijmt ook al.’


    Arend Knop kreeg zijn tien.
    De enige fictie betrof de trouwring van meneer Vellemans.
    Hij was niet eens getrouwd.


    08-09-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.301: Mundial

    MUNDIAL

    Bij elk beeld herinnerde Braem zich die zomer weer. De schilderachtige Argentijnen uit 1982 tegen die splijtende Italianen uit 1982. Kijk: er was geen Argentijn te bekennen aan de tweede paal. Een onverwacht effectrijke bal zette iedereen voor schut. Uiteindelijk werd hij door de azuurblauwe verdediging opgehaald en weer voorwaarts gestuwd. Wat een kwieke kereltjes! Tijdens de pauze gaven twee ex-voetbalgoden op televisie enig commentaar op het geboden schouwspel. (Met een veel te ernstige term noemden tv-lui dat ‘analyse’). ‘De tijdstippen,’ zei de ene, ‘de tijdstippen waarop gespeeld wordt, wel: die tijdstippen hebben een niet te onderschatten invloed op het spelverloop. Wedstrijden om 17 uur zijn gewoonlijk van een lager gehalte dan die om 21 uur in de avond, omdat voortdurend gebruik wordt gemaakt van synthetische regenballen. Welnu: is het veld om 17 uur nog kurkdroog, zodat de bal vaak hapert en niet meewil, als het ware, dan is de groene mat om 21 uur al onderhevig aan een vliesdun laagje dauw, zodat veel creatiever kan worden gevoetbald.’ De andere ex-voetbalgod knikte beamend. Waarschijnlijk was hij stiekem jaloers, omdat hij dat niet gezegd had.


    Ex-trainer Braem echter vond dit allesbehalve een doorslaggevend argument om de beschamende kwaliteit van de middagmatchen te vergoelijken. Hij legde de video-opname stil. ‘Zo, heren,’ sprak hij tot de verzamelde Bond der Ontslagen Trainers, die dit keer einde herfst in zijn huis een bijeenkomst hielden. ‘Zo: u heeft nu allen het gesprek gehoord tussen die twee autoriteiten. Wat denkt u?’ Opgewonden geroezemoes brak los. Buiten regende het weer heel gemeen, op z’n Belgisch. In de hoogste afdeling van de landelijke competitie was de periodestand al bekend. Geen der acht hier verzamelde trainers had begin augustus kunnen vermoeden dat het zo’n vaart zou lopen: weer acht zwarte schapen die aan de dijk waren gezet, wegens gebrek aan ploegresultaten. En waarom? Door wie? Was het hun schuld? De regen kreeg de schuld. De BOT, Bond der Ontslagen Trainers, was van mening dat in een dergelijk regenklimaat nooit ofte nimmer ernstig gevoetbald zou kunnen worden. Vliesdunne dauw speelde zelfs de internationalen al parten. Bewijs op de video! Op kurkdroge velden werd gehaperd! Regenballen! Het klimaat kreeg de schuld.


    Bij regenweer zou dus niet meer gevoetbald mogen worden, vond de BOT. Ook niet bij droog weer. Verwezen werd naar de Mundial van 1982, waar… Ach, niemand van de acht ex-trainers raakte er nog wijs uit. Hoe zat dat nu eigenlijk met die dauw en die kurkdroge velden? ‘Er was toch sprake van creatiever voetbal?’ riep Smeets. ‘Ik snap er geen ballen meer van,’ zei Kowalski, een kersvers ontslagen trainer. ‘Je kunt toch niet voor dag en dauw gaan voetballen,’ vond Depuydt. ‘We dienen een motie van wantrouwen in tegen het klimaat,’ stelde Verwee voor. ‘Niemand luistert naar ontslagen trainers!’ ‘En de andere trainers dan?’ Toen merkte de stille Verbanck op dat er een heel nieuw type bal op de markt was, sedert verleden week. Ze spitsten allen hun oren. Op de radio meldde een sportreporter net dat vandaag trainer Malevitch ontslagen was. Dat was nummer negen. En het bleef maar onverdroten en genadeloos haaientanden regenen in dit ondankbare apenland.


    12-08-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.300: De Felle

    DE FELLE


    Het volgende verhaal werd me anno 1991 in Sparrenstad verteld door Vrouwtje Miserie.


    Felle Verhelle was kokkin bij meneer Dierendonck. Kokkin, maar ook koket. Ze was best tevreden met haar verschijning. Ze droeg aan elke hand twee ringen, liep graag op rode hakken en droeg in de keuken onder haar werkschort dure jurken die ze uit de stad liet komen. De leuke meid hield ook best wel van een avondje uit. Ze proefde heel graag van het lekkers dat ze bereidde, want ze was een prima kokkin. Dat lekkers betrof zowel het vaste voedsel als de wijn uit de kelder van meneer Dierendonck. Op een dag liet hij haar weten dat er een gast op bezoek zou komen. Een lekkerbek. ‘Slacht twee konijnen,’ beval hij haar. ‘En bereid die zoals je het gewoonlijk doet. Mijn gast zal van zijn sokken geblazen worden.’ Felle Verhelle knikte verheugd. Weer een feestdis waar ze van kon proeven. Ze ging aan de slag. Maar eerst nam ze in de wijnkelder een flinke slok. Tegen valavond waren de konijnen klaar. Het rook heerlijk. Felle Verhelle kon het niet laten en plukte een mals stuk van het ene konijn. Die smakelijke hap spoelde ze door met een slok wijn. Het was zo lekker dat dit zich herhaalde keren voordeed. Wie maalde nou om een klein stukje? Een petieterig slokje? De gast kwam maar niet opdagen. ‘Ik ga kijken waar hij blijft,’ zei meneer Dierendonck. ‘Dat is goed,’ knikte Felle Verhelle. Nauwelijks was hij weg of ze bediende zich nogmaals van de wijn en het konijn. Weldra was van het eerste konijn alleen nog maar een karkas over. Ook in de fles was het peil gedaald. Na de zoveelste kelderslok begon ze aan het tweede konijn. Ook dat verorberde ze helemaal, begeleid door heerlijke rode wijn uit een tweede fles. Ze kon niet aan de verleiding weerstaan. Toen meneer thuiskwam en haar liet weten dat zijn gast er eindelijk aan zou komen, troonde ze hem mee naar de mooi gedekte tafel. Tevreden pakte hij een mes en begon dat te slijpen. Ondertussen klopte de gast aan. Felle Verhelle ging opendoen. ‘Meneer! U weet niet wat u te wachten staat!’ fluisterde ze ernstig. ‘Hoort u dat? Meneer Dierendonck wil uw oren afsnijden. Hij is zijn mes al aan het wetten!’ De gast moest niet eens zijn oren spitsen om te horen dat het waar was. Als een haas ging hij er weer vandoor. Gillend rende Felle Verhelle nu naar de eetkamer: ‘Meneer! O ramp! Hij heeft de konijnen gestolen!’. Meneer Dierendonck haastte zich naar de deur en riep de gast ontgoocheld na: ‘Eén! Had je er dan toch ten minste één voor mij gelaten! Eén maar! Eén maar!’ Ontzet greep de vluchtende man naar zijn beide oren en spurtte weg alsof de duivel hem op de hielen zat.


    Vrouwtje Miserie uit Sparrenstad: het was me er eentje!


    25-07-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.299: Westlof

    WESTLOF

    De dichter Luuk Gruwez heb ik goed gekend. In Kortrijk aten we soms samen ‘macrobiotisch’; in Leuven zaten we niet ver van elkaar op kot. Dicht bij de gevangenis langs de Vest, met name. Ooit vatten we het plan op om de schedel van een oude Vlaamse schrijver op te graven. We gingen niet tot actie over, ook al stond op een avond een derde handlanger met de benodigde werktuigen klaar. In plaats daarvan bekokstoofden we spaghetti, het typische studentenvoer, op Luuks kot, waar twee vogeltjes met een Franse naam vrij rondfladderden. Later verhuisde Luuk naar Hasselt. Hij komt uit het West-Vlaamse Deerlijk. Hij schreef lang geleden een gedicht over Kortrijk. Daarin is hij niet mals voor de stad en haar inwoners. Hij heeft het zelfs over bommen die weer moeten vallen. Alain Delmotte, een dichter die lange tijd in Kortrijk woonde, pareerde met een gedicht over Hasselt en Limburg. Het is evenmin fraai wat hij daarin schrijft. De beide gedichten werden ooit in een syllabus Nederlands gebruikt in verband met agressief taalgebruik. Het is opvallend hoe de stede Kortrijk soms wrevel opwekt bij schrijvers. Er is iets mee. Bijna iedereen die de pen hanteert en iets met Kortrijk had of heeft, moet van een ei af. Gezelle bijvoorbeeld was er niet zo happy. Conscience ging er weg. Luc Boudens spotte ermee. En er zijn er nog. Kuddes West-Vlamingen die naar de wereldsteden Gent, Brussel, Antwerpen, Hasselt en Geel verhuizen, zweren hun provincie af en imiteren een hebdegij-Nederlands. Het is alsof Vlaanderen stopt in Gent. Daarachter ligt een zwart gat. Het grote niets. De badlands waar de Rode Duivels lik op stuk kregen van de Welshmen.

    Ikzelf heb met Kortrijk niet het minste probleem meer. Je moet toch ergens wonen. Ik hok aan de rand ervan. Mijn gemeente Heule noemen ze een deelgemeente. Het wordt stilaan een voorstad. Ik vind Kortrijk ook een interessante stad om uit te vertrekken: naar Gent, naar Rijsel, naar Brussel, naar de Westhoek, naar zee, naar Hongarije. Er is volop gas, water en elektriciteit. Ik heb me laten vertellen dat er ook betalende parkeermogelijkheid is. Tevens heerst er een groot tekort aan werkloosheid. Nou moe, wat wil je nog meer? Wat zoeken al die verbitterde schrijvers dan? In hun kleine stadsoptrekjes in Antwerpen? In hun gerestaureerde kortwoninkjes in Limburg? Op hun vochtige verdiepinkjes in Gent? Misschien lopen er in Kortrijk te weinig Bekende Vlamingen rond. Het is er wat moeilijker om in beeld te komen. Je wordt er vlugger overgeslagen en vergeten, want je woont te ver. Te ver van waar het brandt: in de juiste cafés in Antwerpen en Brussel. Waar ze mekaar voor de voeten lopen. Waar ze in file staan om elkaar op de beeldbuis te brengen, elkaar in hun bladen te promoten, elkaar op de schouder te kloppen, elkaar de hemel in te prijzen. Maar ach, Kortrijk leert wel bij. Ik denk dat ik er nog even blijf. Hoewel Ieper ook gas heeft. En Oostende water. En Brugge elektriciteit. En Mannekensvere ruime parkeermogelijkheden. We komen nog wel eens af.


    20-06-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.298: Lam Gods

    LAM GODS

    Tegen de wand van de afdeling Dames in het warenhuis Van Eyck staat een spiegel die de vorm heeft van een drieluik. Elk luik is een grote spits toelopende vingernagel. Dat is een prima vondst. Het Lam Gods van de Koopkrachtige Vrouwen! De spiegel wordt gebruikt om met vlugge oogopslag – met enig nagelnieuw textiel tegen het lijf gedrukt – lengte en breedte en kleuren te beoordelen van het aan te schaffen ding. Daarna gaan de dames eventueel echt passen, in de hokjes even verderop. ‘Echt pienter, echt fijn, dat van die vingernagels,’ denkt de man. Op zijn linkerhart zit zijn portefeuille al gereed. Want tien meter verder bevindt zich zijn vrouw in de kuise pashokjes. ‘Gelief altijd drie stukken mede naar binnen te nemen,’ staat daarboven. Dat is ook pienter bekeken. De economie heeft het moeilijk, de kleine man, nou: vrouw, is weer het slachtoffer. De verleiding is dus groot om, naar het voorbeeld van enkele politici, te stelen. Vooral in zo’n groot warenhuis. Gelief dus altijd drie stukken mede naar binnen te nemen. Op zaterdag zie je verveelde manspersonen in die omgeving vierkant in het rond draaien. Tussen al die vrouwenkleren voelen ze zich ongemakkelijk. Voor het aanschijn van popperige verkoopsters en slenterende voorbijgangers staan ze ietwat voor aap. Wachtend op een nieuwe echtgenote. Ik bedoel: een echtgenote in nieuw textiel gehuld. Het is bij Van Eyck namelijk niet de gewoonte dat ze hun wettelijk wijfje in het pashokje vergezellen. Mannen wachten buiten op hun baasje.


    Minutenlang lang al staat de man met één elleboog op de stang geleund waar een batterij zomerjurken aan hangt. Je kunt niet eeuwig rond blijven lummelen zonder op te vallen. Uiteindelijk moet je gewoon open kaart spelen en tonen dat je daar op vrouwlief staat te wachten. Plotseling krijgt hij ze in het vizier: de dominante moeder en de onbeholpen dochter. Die komen zo van het land; dat zie je van hier. Ze staan voor het drieluik van de vingernagels. Hij kan zijn ogen niet geloven: met haastige beschaamde rukken speelt het meisje enkele kleren uit. Eenmaal uitgepeld is ze het voorwerp van nog vele andere verbaasde blikken. De spiegels verdriedubbelen de pret. Wanneer ze zich bijna helemaal in een nieuwe jurk heeft gewrikt, schiet een verkoopster toe. Die begeleidt de twee naar een kuiser pashokje. De man verlaat nu zijn zomerse stang, nog nagniffelend. Dan monstert hij zichzelf in de Heilige Drievingernagels. Daar merkt hij tot zijn ontzetting dat zijn gulp wijd open staat. ‘Godver,’ lipt hij stilletjes. Het meisje achter de toonbank glimlacht hem bemoedigend toe. Ze steekt daarna een bestraffende vinger in de lucht. De man ontfermt zich over zichzelf en neemt weg deze kleine zonde in het grote warenhuis.


    10-06-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.297: Jacky

    JACKY


    Jacky Vanmaele is dood. Een vriend. Sommige vrienden zie je niet zo vaak. De kunst- en muziekscene in het Tieltse frequenteerde ik wel vaker, omwille van diverse redenen. Jacky was een van de hoofdredenen. Een soulmate. Het afgelopen anderhalve decennium zocht ik hem graag onverwacht eens op in ‘zijn’ foyer in het CC in Tielt, waar hij de bar bemande. Bij voorkeur op een valavond, on the road, wanneer het cultuurgretige volkje nog niet op stap was. Jacky aan zijn ronde tafel. Pakje sigaretten. Overvolle asbak. Koffie. Plotseling laptop. ‘Ik kan nu alle muziek hier binnentrekken!’ Zijn vreugde hieromtrent was groot. Jacky: Tielt, Polen (daar had hij iets mee), muziek, kunst, de Harlekijn. Ik trof er naar mijn aanvoelen in die foyer een hartelijke hippie, die in de nadagen van zijn openbaar leven nog altijd voeling hield met wat er leefde en geleefd had. Hij behoorde tot de generatie van de baard- en langharigen. Later, zelfs kaal, bleef hij trouw aan zijn lange haren. Ik ontmoette hem voor het laatst (zo zag het er toen al uit) in de cafetaria van het Tieltse ziekenhuis, met zijn vriendin. Hij zag er grijs en dor uit. Hij gaf een korte rustige analyse van zijn toestand. Een opgewekt tot ziens. Het was duidelijk. Ik had mijn koffie rechtopstaand gedronken, gehaast in verband met andere zaken. Toen ik wegging, wuifde hij nog even van in de verte. Ik wuifde terug. Jacky Vanmaele is dood. Een man van zijn tijd. Een kerel om zoveel van te herinneren.


    01-06-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.296: Hop paardje hop!

    HOP PAARDJE HOP


    Ik zweer het: ik heb een echte operette gezien. En daar moest ik vooraf aan wennen, want voor mij rijmt operette met wasserette en majorette. ’t Witte Paard werd een halve eeuw geleden opgevoerd in Heule. Die opvoering (in de openlucht, zonder versterkende microfoontjes) wordt beschouwd als de start van de bekende Tinekesfeesten in Heule, sedert 1977 deelgemeente van Kortrijk. Die Feesten (altijd meervoud, altijd hoofdletter) begonnen in 1962/63 met ’t Witte Paard: een lichtvoetig tirolerachtig operettestuk. Net daarvoor was het nog in buurgemeente Wevelgem opgevoerd. Nu werd anno 2013 – vijftig jaar later dus – het ding nog es gespeeld. Het Koninklijk Kortrijks Lyrisch Toneel zakte er naar OC De Vonke in Heule voor af. Drie stukken van drie kwartier, twee pauzes en een tribune zonder rugleuningen: je moest er wat voor over hebben. Gezelligheid troef echter, zowel in de zaal als op het podium. Jammer dat ze niet meer humor of persiflage in staken; het stuk overleeft amper zichzelf. Voor één keer echter (echt die ene keer) ergerde ik me niet aan lederhosen, gejodel, pluimhoedjes en een soortement Nederlands met Duitse naamvallen en West-Vlaams gebagger in de mond. Datzelfde gevoel beroerde het gemoed van de ongeveer vierhonderd toeschouwers, allen notoire Tinekesgangers en –gangsters. U moet namelijk weten dat we elk jaar voltallig vijf dagen lang feesten als de beesten, begin september. De Tinekesfeesten zijn allang de oubollige fase ontgroeid. Er is her en der altijd zoveel ‘te doen’ dat men het soms heeft over de ‘mini Gentse Feesten’. Het beperkt zich namelijk niet tot de Heulse bevolking. Of tot een bepaald segment van het compartiment ontspanning. Podiumkunsten, straatanimatie, muziek, sport, verkiezingen en de befaamde Stoten (openbare grappen waarvan het de bedoeling is dat iedereen erin tuint) sluiten er een deugddoend verbond, geflambeerd in veel nationale drank. Heule staat er op de kaart door. En ’t Witte Paard is ook weer eens opgedoken in het collectieve geheugen van de Heulenaar. Een halve eeuw is niet niks. Ik heb er een operette voor uitgezeten. Ik zweer het. Maar ik ben blij dat ik er woon, al zijn er geen bergen en is het een lage streek. En er is een wasserette vlak om het hoekje.


    08-05-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.295: God?

    GOD?

    Een holbewoner slaat een andere de schedel in voor om het even welke reden. Is er dan al een god die daarover oordeelt? Of is die pas uitgevonden in het jaar 1? Hoe zit dat met al diegenen die voor dat zogenaamde begin van de tijdrekening leven? Het antwoord is duidelijk: er kan niet zoiets of zo iemand als een god zijn. Vooral niet als man. Of als vrouw. God kan alleen mens zijn. En mensen onderling bepalen hoe het zit. En die fameuze eeuwigheid kan alleen het nu zijn. Niet een hemel waarmee pastoors de mensen proberen te paaien of een laaiende hel waarmee ze hen afdreigen. Ook al ziet het firmament er aanlokkelijk uit. Maar het is niet het hunne. Alleen astronauten komen er. En dromers. Nee: Hitler brandt niet eeuwig in de hel. Hij bestaat niet meer. Hij heeft bestaan. De mensen hebben hem een aangebrande eeuwigheid bezorgd.


    ‘En waarom is al twee millennia lang de kerk (ik weiger de hoofdletter te schrijven) dan zo bepalend?’ zult u opwerpen. Ha! Geef de wereldbol een tik en u belandt in andere tijdszones en andere religies. Al dan niet met een soort god. Het is dus duidelijk: relativeer. God zit in het detail. De duivel ook. De wereld zelf is de hemel en de hel.


    12-04-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.294: Acoliet

    ACOLIET

    Amper elf mompelde ik al Latijn. Ik had met mijn medemisdienaars onderricht in deze dode taal gekregen van Charles, het ernstige opperhoofd van al de snotneuzen die missen ‘dienden’. Charles was een schriel scharminkel, bijeengehouden door een grijze stofjas, altijd rinkelend van het ‘kleingeld’, want hij deed ook de omhalingen van het stoelgeld in de kerk. Met een vervaarlijke hoornen bril op zijn pief hield hij ons nauwlettend in de gaten. Blijkbaar had ik een nogal serieuze kop, zeg maar rouwkop, want ik werd vooral uitverkoren om begrafenissen te dienen. Zo greep ik naast flink wat zakgeld: de jongens die trouwmissen toegewezen kregen, gingen met de buit lopen. Als natuurlijk Charles niet al ingegrepen had. Hij stak daar namelijk met wisselend succes een stokje voor: alle fooien moesten ingeleverd worden.

    We lachten flink wat af terwijl we zoveel missen dienden. Het was voor mij ook dubbele pret geblazen met al die begrafenissen: ik kreeg makkelijk toestemming om de voormiddaglessen af en toe te spijbelen. Ik hoopte dan ook dat er druk gestorven zou worden in mijn stadje. Ooit vatte ik zelfs het snode plan op om oude mensen de stuipen op het lijf te jagen, zodat ik nog meer de lessen van de veel te strenge meester Spreeuw kon spijbelen. Tijdens het misdienen met z’n tweeën was de slappe lach nooit ver weg. Zo liet ik eens het heilig evangelie van de marmeren trappen donderen voor het aanschijn van honderden verbijsterde kerkgangers. Ik voelde me net Mozes. Op een van mijn zoldermuren thuis hing lange tijd mijn getuigschrift van acoliet, naast dat van skiër. Daartoe moest ik enkele dagen stage lopen in het verre Roeselare, mijlen verwijderd van mijn geboortestadje Torhout. Herinneringen aan dat steentijdperk: vreselijk vroeg uit de veren, klappertandend (en ‘nuchter’) naar de kerk, de grote verkleedkast met de zwart-witte tenues in alle maten, de smaak van wijn, de geur van wierook. Het was eigenlijk ook een goede training om plankenkoorts te bestrijden. Zelden heb ik later nog een groter publiek gehad. Dat geboeid zat te luisteren naar wat wij daar vooraan in het Latijn aan het mompelen waren, meestal met onze ruggen naar het godvruchtige volk toe. Het waren leuke religieuze tijden. Helaas kreeg ik op zo’n begrafenisvoormiddag gloeiende ruzie met opperhoofd Charles. Ik weigerde twee diensten na elkaar te dienen. Superkwaad liep ik naar buiten, de deur van de sacristie hard achter me dichtsmakkend, hoe zwaar en log die ook was. Mijn wijsvinger bleef tussen het onding gekneld zitten. Een helse ervaring, bovenop mijn woede. Het doet nog altijd pijn. Het was een straf van God. Om Hem op Zijn beurt ook te straffen, heb ik nimmer nog een woord Latijn over mijn lippen laten rollen. Hij moest het maar weten.


    15-03-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.293: PP

    PRUISISCHE PERESTROJKA


    Ik vulde een reistas en reed naar de meest zondige stad die ik kon bedenken: Hamburg. Ter hoogte van Brussel sneuvelde een duif onder mijn wielen; haar veren warrelden als een sneeuwbui in mijn achteruitkijkspiegel. Op tien kilometer van de zondige havenmetropool kon ik nog net een egel ontwijken, dacht ik, maar in een flits merkte ik dat hij al doodgereden was. Ik was over lijken gegaan en bereikte eindelijk Hamburg, havenstad en ook deelstaat aan de Elbe, met meer water dan Amsterdam of Venetië.

    Ik legde bij aankomst mijn moede hoofd op mijn stuurwiel, ten prooi aan parkeerwanhoop. Ik had al vijf rondjes gedraaid in een vicieuze verkeerscirkel en hoopte keer op keer dat de verkeerslichten op Pruisisch rood zouden huppen zodat ik wat respijt en rust zou krijgen. Ulanen waren indertijd beter voorbereid dan ik.
    In mijn beste combinatie van Neder- en Hoogduits vroeg ik uiteindelijk via mijn open autoraam hulp aan een Skoda vol met Turken. Ik hield er nekkramp en een straatlegende aan over, waardoor ik via een ontsnappingsroute uit dit spinnenweb toch een parkeergarage ontdekte in de wijk Altona.

    Eindelijk was ik op vrije voeten. Ik struinde door de havenstad, bereid tot umlauterigkeit, gründlichkeit en naamvallen. Alweer spotte ik dubbelgangers van diverse kennissen van mij. Er waren in dit vierde rijk blijkbaar geen verse modellen meer beschikbaar. Zelfs niet in het land van de Lebensborn Vereniging, de dirndls en de lederhosen.

    Hamburg… Waarom was ik hier? Van donderdag tot dinsdag? De reden voor mijn trip was negatief: ik ontvluchtte met voorbedachten rade de nationale zondagsverkiezingen in mijn vaderland. Helaas zouden de rechtse nationalisten die met verve winnen. Mijn buitenlandse ‘zakenreis’ vrijwaarde me ervan de Vlaamse leeuw in de schorre keel te moeten kijken. Stemmen hoefde niet, want ik was gewapend met bewijsmateriaal in verband met mijn alibi: ik diende ergens anders te zijn. Hier, in Pakhuisstad.

    Dwalend door welstellend, vrijzinnig, liberaal Hamburg belandde ik in het vermaarde Specerijenmuseum. Die ervaring kende wat mij betreft zijn gelijke met enkele bewustzijnsverruimende fuiven die ik in de dwaze jaren zeventig van de vorige eeuw had meegemaakt. Mijn zintuigen lagen namelijk aangenaam overhoop toen ik weer buiten stond.
    Ik inhaleerde de koopmanslucht diep en vervolgde mijn tocht in een land dat ooit mijn eigen land had bezet. En dat middels Saksen-Coburg-Gotha nog altijd deed. Dat verdiende een Gorbatsjov-wodka. Dus dook ik de Thomas Read in, een drankzekere pubhaven waar ook ter wereld. Na anderhalf uur al stond ik er bekend als de kerel aus Belgien die zijn papiergeld in vieren vouwde en dit gründlich in de compartimentjes van zijn portefeuille schoof. Mijn moerstaal grensde ondertussen zowel aan het Neder– als aan het Hoogduits. Vouwen deed ik al minder en minder. Plooien zou ik weldra doen, maar vooralsnog maakte de G-wodka van mij een wereldleider die met vele Hoofdletters sprak. Ich war ein Berliner und Ich war ein Hamburger. Ik was een Berlijnse bol en ik was een hamburger. Hamburg had me gered van Belgische kiespijn.


    18-02-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.292: Netwerk

    NETWERK

    Zeilend over de internetgolven onder de vlag van ‘toneel’ of ‘theater’ stootte ik op duizenden mensen, honderden groepen van die mensen en personages. Waar twee of meer mensen samen zijn, daar is het toneelspel in hun midden. Om over de vele monologen dan nog te zwijgen, de bij uitstek literaire einzelgänger onder de theaterteksten. De mens wil spelen. De mens wil toekijken. De mens wil spelenderwijs bekeken worden. Hij huurt er zalen voor en ontwerpt er kleren voor. Hij zet er een groep voor in beweging. Een heel netwerk gaat aan het trillen wanneer de spin een vlieg binnen heeft gehaald, met name wanneer de selectievrouw of –heer een stuk heeft gekozen. Op mijn internetzeiltochten in Vlaanderen en Nederland deze zomer (ik lag als een gevelde kapitein met een kapot houten been thuis) ontdekte ik de fraaiste namen voor theatergezelschappen. Ik vermeld er hier geen enkele, want als ik er één vernoem, laat ik er duizend andere vallen. Maar er zitten voorwaar ronkende pareltjes tussen. Je zou uit pure vreugd en deugd alleen al naar al die consten van al die ghesellen gaan zien. Er wappert een lekkere portie poëzie op sommige banieren. Verder zeilend ontdekte ik ook dat de namen van toneelauteurs minder bekend zijn dan de namen van romanciers en dichters. Ze lijken meer te verdwijnen achter het rumoer van hun werk. Ze worden overstemd door hun personages en door het groepsgebeuren rond hun tekst. Misschien wordt voor een stuk hun tekst zelfs een beetje aangepast en herkneed (… de meest gevreesde rol is die van deegrol ...) Ik heb het hier natuurlijk niet over ronkende namen als E. Albee, D. Potter of T. Williams. Ik mag toch hopen dat die ronken. Over het oneindige water van het theater surfend passeerde ik ook de eilanden van de poppen, de maskers, de figuren, de schimmen, de lyrische vogels en de musicals. Als een walking shadow stapte ik ten slotte terug in de werkelijkheid, mijn wereldwijde scherm weer dichtritsend als een gesloten doek.


    20-01-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.291: Leffaards

    LEFFAARDS & BAD PRITT

    We zitten in de rookgedoogzone van café De Woede der Noormannen. We drinken Leffe. We zijn leffaards. Het is een man met oud haar op zijn hoofd.
    ‘Liefde,’ zegt hij, ‘liefde is een kleverig gedoe’.
    Ik kan niet nee schudden en knik dus ietwat langs hem heen in de richting van een foeilelijke gatenplant. Zijn haar verraadt vele liefdesavonturen of helemaal geen. Serieliefhebber of kluizenaar. Misschien zelfs vader van 2,8 kleverige kinderen die hem ietwat hinderen.
    ‘Vrouwen willen zekerheid,’ zeg ik totaal overbodig, wat een mooie spreekwolk, maar met een rouwrandje om. ‘Ze zijn verkleefd aan die ene, liefst bestendige donor die ze kiezen uit velen.’
    Hij knikt en kijkt naar niets naast mij.
    ‘Doe jij iets met je haar misschien?’ vraagt de ouwe lefgozer.
    ‘Nee,’ zeg ik. ‘Ik heb er de tijd niet voor, vooral ’s ochtends niet, en de tijd staat niet stil, nietwaar.’
    ‘Hm,’ kucht hij.
    Hij inhaleert de rook van zijn sigaret tot in de toppen van zijn tenen. Ik wacht benieuwd tot die rook ergens weer uitkomt, maar nee hoor: meneer houdt alles voor zichzelf. Er komt zelfs geen wolkje uit zijn achterwerk of zijn linkeroor.
    ‘Vrouwen plakken aan je,’ zegt hij dan, iets concreter dan daarstraks, of juist nog veel abstracter. ‘Voor je het beseft, ben je geringd als een duif, opgespeld als een dode vlinder en vastgelijmd in een familiealbum. En ze gebruiken alleen Bad Pritt als glijmiddel, hi hi.’
    ‘Tja,’ doe ik.
    Ik kijk naar een kunstwerk aan de muur. Een vrouw, natuurlijk. Nou: de vrouw is mooi, maar het werk is kunst, dus lelijk.
    ‘Zo,’ zegt de leffaard met het oude haar op zijn hoofd dan. ‘Een levensverzekering heb je dus waarschijnlijk al.’
    ‘Ja, al jaren.’
    ‘En kan ik je echt geen beter voorstel doen?’
    ‘Nee, mijn leven is goed verzekerd. Voor wat het waard is, althans: morgen kan ik over een kikker struikelen en doodvallen.’
    ‘Het is anders tegen morgen al in orde: geen gedoe met papieren en zo. We werken honderd procent klantvriendelijk voor de categorie pre-senioren zoals u. Op uw leeftijd… ‘
    ‘Nee,’ schud ik beslist. ‘De enige verzekering die ik nog overweeg, is een verzekering tegen verzekeringen.’
    ‘Daar heb je dan zeer straffe colle-tout voor nodig,’ zegt de man, en hij verdwijnt uit café De Woede der Noormannen en uit mijn leven, zonder verzekering.
    Bad pritt, die kleverige lefgozers!
    Prittpraat!


    12-12-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.290: Het varkensei

    HET VARKENSEI

    ‘En nog een prettige verderzetting van de dag,’ zei de pakjesbezorger.
    Sandie nam de doos in ontvangst en keek de man onderzoekend aan. Ze verdacht hem ervan de orders tot vriendelijkheid en beleefdheid in het kader van het charmeoffensief van de Nationale Posterijen (voorheen: Pesterijen, omwille van de vele stakingen en gebrekkige bedelingen) tot in het absurde toe te passen. Ofwel had de man calvinistische Hollanders in zijn familie.

    ‘U ook, Hoogheid,’ mompelde Sandie dan, op goed geluk, maar de kerel was alweer op weg naar zijn bestelwagen.
    Het was een grote kartonnen doos die weinig woog, met lastige linten plakband eromheen. Er kwam een schilmesje aan te pas. Eindelijk waren de ingewanden zichtbaar: drie grote bruine proppen stug pakpapier camoufleerden en pamperden een varkensei.
    ‘Eindelijk,’ zei Sandie tegen zichzelf. ‘Eindelijk.’
    Ze plukte het varkensei van tussen de proppen en deponeerde het voorzichtig op tafel.
    ‘Ma!’ riep ze. ‘Ma! Het varkensei is gearriveerd!’
    Er klonk wat gestommel boven; even later daalde ma de trap af.
    ‘Is het varkensei er echt?’
    ‘Het is er, ma, eindelijk! Kijk maar.’
    ‘O!’
    Ma aaide het varkensei even.
    ‘Neem het maar vast.’
    ‘Zou ik?’
    ‘Doe maar. Het lukt je wel.’
    ‘Ik durf niet goed.’
    ‘Ik blijf naast je staan. En het weegt bijna niks.’
    ‘Vooruit dan maar.’
    Voorzichtig strekte ma haar handen naar het varkensei uit. Net toen ze het twintig centimeter opgetild had, rinkelde de deurbel hard en lang.
    Pats.
    ‘Nee!!’
    ‘Maar ma toch!!’
    ‘Oei oei oei… !!’
    ‘Wacht. Ik kijk eerst wie… ‘
    Sandie snelde naar de deur. Het was de pakjesbezorger weer.
    ‘Verschoning, maar ik vergat uw handtekening te vragen, mevrouw.’
    ‘Hebt u met de doos geschud, meneer?’ vroeg ze scherp.
    ‘Eh?’
    ‘Komt u even mee naar binnen a.u.b.’
    ‘Maar… ‘
    ‘Kom!’


    10-11-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.289: Geheim
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    GEHEIM

    Ieder mens heeft talloze geheimen. Grote en kleine. Bezwarende en gekoesterde. Iedereen sterft met die geheimen. Omdat het geheimen zijn. Anders waren het geen geheimen. Alleen schrijvers onthullen af en toe wat. Daartoe gebruiken ze personages. Of valse ik-figuren. Hun boeken zijn als poppenkasten. Vele verhalen zijn niet mooi, maar wel mooi geschreven. Er is vaak behoefte aan een ‘happy end’ of een oplossing. Het volk vraagt dat. Anders willen ze niet lezen. Of beleven. Of leven. Een zogenaamd ‘open einde’ is als een kist zonder lijk. Iets of iemand is spoorloos: de ziel, het vege lijf. Nee, het kan niet blijven duren. Er moet een deksel op de doos met geheimen. En we moeten zeker weten dat het geheim goed bewaard wordt. Verteerd door de wormen of de vlammen.


    06-10-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.288: Geknipt

    GEKNIPT


    Ik woonde het eerste anderhalve decennium van mijn leven in een provinciestadje. Men liet dat links en rechts liggen op weg naar of terug van de kust, want er gebeurde niets. En toch. Mijn kapper roetsjte elk seizoen ongenadig mijn haar eraf. Aan de muur van zijn salon hingen ingelijste zwart-witfoto’s. In de grote spiegel voor mij kon ik die ook permanent bekijken, tijdens de executie van mijn haren. Ik was er telkens weer onder de indruk van, terwijl de schaar met bliksemsnelle knipgeluidjes achter en om mijn jongensknopje haar ballet uitvoerde. Mijn kapper was namelijk de grimeur van toneelkring Rembert in het stadje T.  En ik was zijn geknipte gast. Die toneelkring won een paar keer het Landjuweel. Het was toen een gouden tijd voor theater in mijn stadje, jaren zestig en zeventig. We droomden met z’n allen van zowel toneel als volleybal, want in die twee disciplines blonk ons vooralsnog onbekende stadje uit. Niet veel later zou Torhout/Werchter er komen, en we werden plotseling wereldberoemd. T. werd Torhout.

    In het kapsalon getuigden de foto’s van de hoogconjunctuur van ons liefhebberstheater. Het waren scènes, maar ook vooral koppen uit diverse stukken waarmee de toneelkring Rembert plaatselijke en nationale roem had geoogst. ‘Dood van een handelsreiziger’: bij elke knipbeurt werd ik er weer aan herinnerd. Ik kende Albee (‘Alles voor de tuin’) en ‘Vrijdag’ van Claus. De personages liepen rond in de straten van mijn stadje. Zowel de regisseur als diverse spelers genoten hoog aanzien bij iedereen; sommigen enkel en alleen door hun puike prestaties op het podium. Ze mochten al eens dronken over de markt koprollen als ze weer een Landjuweel gewonnen hadden. Nog een decennium later verkaste ik naar zuidelijker oorden in mijn lage streken. En zie: ik trof er eenzelfde bloeiende toneelkring aan. Het Zwevegems Theater, met name. Maar toen frequenteerde ik al een tijdlang geen kapsalons meer. Scharen waren gevaarlijk. In de huidige oudere dagen van mijn leven ben ik wel bereid de kapper uit mijn jeugd te vergeven voor zijn kortwiekende wandaden. Hij was immers ook grimeur en toonde me de weg naar de theaterzaal via zijn foto-expositie aan de muren van zijn martelkamer. Het is hem vergeven, ook al sprak hij bijna nooit een woord. Hij gromde alleen maar snauwerige bevelen en rukte aan mijn kop alsof het een te rooien biet was. Of was hij een rol aan het instuderen?


    16-09-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.287: Geloof

    GELOOF

    Ik geloof dat alles wat we zeggen, denken en schrijven in een eeuwigdurend netwerk bewaard blijft. Ik geloof in communicatie met buitenaards bestaan. Ik geloof dat vloeibaar water niet altijd noodzakelijk is voor wat wij ‘leven’ noemen. Ik geloof dat een temperatuur tussen 0 en 90 graden Celsius evenmin een voorwaarde is. Ik geloof dat dit domweg onze maatstaven zijn. Daarom geloof ik in communicatie met buitenaards bestaan. Ik geloof dat wij ijdel en egoïstisch zijn omdat wij onszelf een hiernamaals of een betere wereld voorspiegelen. Ik geloof dat religie zelftroostende verblinding is. Ik geloof dat dit onjuist is. Ik geloof dat ander buitenaards leven dat niet doet. Ik geloof dat zij misschien wat langer ‘leven’ – of wat daarvoor moet doorgaan – dan wij, pakweg duizend jaar. Ik geloof dat wij, ‘mensen’, nog nergens staan of zijn. Ik geloof dat het werkwoord ‘geloven’ al tweeduizend jaar misbruikt is. Ik geloof niet in god of een god. Ik hoop.


    29-08-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.286: Stommeling

    SPREKEN IS NIET ZWIJGEN

    (STOMMELING)


    Er was eens een man die meespeelde in een theaterstuk van een amateurgezelschap. Tijdens elke repetitie bleek hoe monotoon hij sprak. Tot grote wanhoop van iedereen. Er hielp geen lievemoederen aan. Men maakte hem boos. Men slingerde hem scheldwoorden naar het hoofd. Men behandelde hem met zachtheid. Men legde begrip aan de dag. Men voerde hem dronken. Men daagde hem uit. Men behandelde hem met hardheid. Men dreigde. Men smeekte. Men suste. Men opperde een vitaminekuur. Niets hielp.

    De man – een imposant exemplaar van de menselijke soort – bleef al zo toonloos als een Engelse radiocommentator bij een paardenrace op een zelfmoordzondagnamiddag. Misschien genoot hij wel stiekem van doffe e’s, vlakke klanken en comateuze medeklinkers? Op de schaal van Richter zou hij nooit ook maar één expressief jotaatje scoren. Hij kon zelfs waarschijnlijk geen vlinder overstemmen. Hoe was het in hemelsnaam mogelijk dat deze man als hobby voor theater had gekozen?

    Het huidige in te studeren stuk heette dan nog ‘Heren onder het mes’ – stuk waarin heel wat afgekrijst diende te worden. Als er al een Nobelprijs voor Gelijkmoedigheid uitgereikt kon worden, dan viel die zeker te beurt aan de … stommeling, zoals zijn medespeelsters en –spelers hem achter zijn rug om noemden. Toch kon men niet om de man en zijn rol heen. Hij was een broodnodige belangrijke tegenspeler van de protagonist. En hij moest imposant zijn. En daar waren geen andere kandidaten voor. Nou: vooruit dan maar met de (niet-mekkerende) geit.

    En zie, voorwaar: na de première van het stuk gingen alle toeschouwers in vervoering rechtop staan. Daar waar gevreesd werd voor minutenlang tergend duimapplaus, daar plakte de volle zaal de handen tegen elkaar tot het pijn deed. Voor de monotone man.
    ‘Nog nooit een dergelijke volgehouden rol aanschouwd!’
    ‘Chapeau voor die realistische no-nonsensevertolking!’
    ‘Meer van dat!’
    ‘Nee: minder van dat!’
    ‘Een verse trend!’
    ‘Nooit gezien, nooit gehoord!’

    De man werd al zo beroemd als Susan Boyle. In eigen stad.


    27-07-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.285: Een aardig ding

    TAAL IS EEN AARDIG DING

    Vreemd hoe kinderen (terecht) de verleden tijd als iets voorwaardelijks gaan gebruiken wanneer ze in de huid van iemand anders kruipen om een stukje te spelen. ‘Ik was de prinses’. ‘Jullie waren de cowboys’. ‘Dit hier was ons kasteel’. Daardoor blijft de mogelijkheid bestaan om weer uit die huid te kruipen. Ze doen dat vanzelf; meestal heeft niemand ze dat aangeleerd (tenzij door kopieergedrag). Het verwoordt een aanvankelijk besef van fantasie en fictie. Het zet als het ware de scène die volgt tussen relativerende citaattekens: dit is niet echt, dit is maar spel, dit is gespeeld. Overigens gebruiken volwassenen (de ex-kinderen dus) ook het werkwoord ‘spelen’ als synoniem voor toneelspelen. Het is een analoog iets: dat ‘kinderlijke’ werkwoord gebruiken voor iets heel volwassens en complex. Alsof er ergens toch wel een waarschuwend belletje rinkelt: dit is eigenlijk maar spel, hoor. Terwijl we het toch over taal hebben: ik mag wel eens zo’n gezellig oubollig deurendrama (wat een mooi woord) smaken, gekruid met en geflambeerd in lokale tongval. Dat weifelen tussen ‘was’ en ‘waart’! Dat mixen van ‘gij’ en ‘ge’ en ‘jij’ en ‘u’! De kleuren van die klanken bij het steeds heviger en vlugger dichtklappen der deuren! En waarom denk ik hierbij ‘nou’ steeds weer aan Hollandse televisiedramaatjes in de jaren zeventig-tachtig? Ooit zag ik (wat taal betreft) twee uitzonderlijke voorstellingen. Ik ken er de details niet meer van. De Nederlandse cabaretier-poppenspeler Jozef van den Berg liet driekwart van zijn woorden op een uitdrukkelijke doffe e eindigen: ‘Martijne! Jongene! Kommene jongene!’ Langer geleden zag ik in een stadsschouwburg een stuk (Goethe, Torquato Tasso) in een bewerking van Decorte? Fabre? waar bijna iedereen na de pauze wegbleef: men sprak extreem grotesk-historisch-geëxalteerd – woorden schieten te kort voor een omschrijving van dit soortement Nederlands. Taal? Soms een zoetgevooisde prinses, somtijds een vuurspuwende draak.


    06-07-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.265: VRESELIJK

    VRESELIJKE VERHALEN                                                                                                           Sjors DNO

     

    Deze 133 verhalen zijn vreselijk. Dat slaat niet op de taal of de stijl. Men weze echter terdege gewaarschuwd voor de inhoud. Moord, brand, onthoofding, bloeddorst, vleeshonger, versnijdenis, verdwijning, wurging, bedwelming, verschrikking, ophanging, zelfverbranding, betovering, bedrog, verdwazing: de bloedstollende gebeurtenissen en hallucinante taferelen zijn schering en inslag. Zelfs de dieren gaan hier niet vrijuit.

    Een aantal verhalen verschenen eerder als voorpublicatie in literaire bladen zoals De Brakke Hond, Dietsche Warande & Belfort, Hollands Maandblad, Mens & Gevoelens, Passionate, Oikos, Deus ex Machina, Lava, De Muur, De Vlaamse Gids, Kreatief, Diogenes, Yang, De Tijdlijn, La Ligne de Temps, NVT/Gierik, Kluger Hans, Digther en op enkele sites. Diverse van deze verhalen werden genomineerd voor of bekroond met onderscheidingen.

    Bijlagen:
    VRESELIJKEVERHALEN.pdf (3.1 MB)   


    03-06-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.284: Kloon

    KLOON


    Ik droom van een theaterstuk waarin twee schommels op het podium staan. Ze bewegen zacht in de wind, terwijl het publiek de zaal binnenkomt en na het hoffelijke babbeltje met de buren op de zitplaatsen voor, achter, rechts en links gaat zitten. Er mag wat geknars en geknierp te horen zijn: de schommels hebben wat olie nodig, zoals alle schommels. Uit het leven gegrepen! Dan komt op de linkerschommel een viersterrenmeisje zitten. Neen: ze heeft geen lolly in haar mond. Even later neemt op de rechterschommel bijvoorbeeld Elvis Presley plaats. Of een buurvrouw. Of een astronaut. Dan ontspint zich natuurlijk een gesprek. De schommels kunnen daarbij een leuke bijrol vertolken: simultaan-synchroon, als tegenliggers, één in beweging en één bevroren … We komen te weten dat het viersterrenmeisje de helft van een tweeling is. Elvis Presley ((laten we die versie eens nemen) is een lookalike die in het werkelijke leven sedert kort lesgeeft in Nederlands en Engels. Hij heeft dat diploma door studie in de gevangenis verworven. Tijd zat. Voorheen was hij namelijk een geducht gangster, met bivakmuts en masker op. Zijn gelijkenis op de wereldbekende heupzanger exploiteert hij niet. Hij slaat er geen munt uit en gaat nooit naar elvismeetings. In mijn stuk zou ik ook graag echte duiven en mussen laten fladderen en scharrelen. Broodkruimels zullen hierbij noodzakelijke rekwisieten zijn. De regisseur moet natuurlijk een dirigent zijn. Hij moet metronomisch gevoel hebben om de schommels te beheersen. Misschien mag er ook een grote metronoom voor of achter op het podium. Het viersterrenmeisje, zo leren we, zou graag apothekeres worden. Dan zou ze een pil uitvinden die belet dat de ene mens op de andere mens gelijkt. Ze heeft daar dus – volgens het stuk – een paar redenen voor. Zelf gelijkt ze ook op de Egyptische koningin Nefertiti, vrouw van Achnaton. Dat vormt echter geen noemenswaardig probleem. Elvis prijst haar om haar klassieke schoonheid en haar dubbel geperforeerde oorlelletjes. Nu moet ik nog een titel vinden. Hoe zal ik mijn stuk gaan noemen? Niets schommelachtigs. Wat dacht u van ‘Kloons’? ‘Bring in the kloons?’ ‘Waltzing kloons?’ Ach, titels!


    03-05-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.283: Allojjo

    ALLOJJO


    (Of de Alliantie van Oude Jongeren en Jonge Ouderen)

    Ik ben één. Ik ween.
    Ik ben zestig. Ik juich.
    Maar het is nog niet volbracht.
    ALLOJJO wacht.


    Dit is een citaat uit het dagboek dat Reinoud Dejonghe van plan was te schrijven. Het is bij dat citaat gebleven. Reinoud Dejonghe kreeg het namelijk zo druk met de Alliantie van Oude Jongeren en Jonge Ouderen dat hij niet eens de tijd meer had om zijn dagboek verder aan te vullen.

    Die nacht in oktober kon Reinoud Dejonghe de slaap niet vatten. Akkoord: het was volle maan. In de genen van de mensen sluimerde nog altijd de oeroude overlevingsdrang om in het licht van de volle maan extra waakzaam te zijn en niet in slaap te vallen. Reinoud, pril zestiger, zou echter op nog een andere manier overleven. Door zijn hoofd spookte reeds geruime tijd de gedachte aan een Vlaamse politieke partij voor ouderen. Vormden die niet een groot segment van de bevolkingspiramide? Daar kon rimpelkracht van uitgaan. Bovendien waren de laatste decennia de jongeren te uitdrukkelijk aan zet geweest. Overal waar je om je heen keek, appelleerden de culturele affiches aan het jonge volkje. Media verklaarden (soms piep)jonge tafelspringers meteen zalig, gewoon maar omdat ze ‘jong en sexy’ waren. Het woord ‘sexy’ drong zelfs tot in de politiek door. Holklinkende debutanten die het warm water weer uitvonden, kregen voorrang op oudere ervaren en boeiende kunstenaars. Jonge voetballers scoorden waanzinnige bedragen. Vroeger was dat anders. Als je toen jong was, was je verdacht. Je werd belemmerd in doen en laten en gefnuikt in je engagement, weggelachen of doodgezwegen. De maatschappij leek toen alleen te bestaan uit saaie middenmoters die het voor het zeggen hadden en zijgerangeerde gerimpelden die het gezegd hadden en voorgoed zwegen.


    De woelslaap van Reinoud Dejonghe leverde alvast een letterwoord op. ALLOJJO kon naast de gewone invulling van Alliantie van Oude Jongeren en Jonge Ouderen nog andere associaties bevatten. Allen. Allemaal. Allochtonen. Er stak ook een stukje palindroom in: tegendraads te lezen. Holebi’s, dwarsliggers, ontevredenen, andersdenkenden: welkom. ALLOJJO was er voor iedereen, elckerlyc, eltsenien.


    Die ochtend in oktober rees Reinoud Dejonghe welgezind uit zijn bedstee op. Hij kon rustig de tijd nemen voor het dagelijkse kalefateren van zijn lijf, want hij had sedert anderhalve maand voor het rustpensioen gekozen na een carrière van 38 jaar als docent Kunstmatige Talen aan de BIBES-hogeschool voor Diplomaten en Tolken. Heden ten dage bouwde hij op eigen tempo die andere carrière van hem verder uit: hij was ook zelfstandig literair auteur. Een vijftigtal publicaties prijkten op zijn palmares: poëzie, proza, theater, essay, jeugdboeken. Ook op dat vlak echter ondervond Reinoud Dejonghe de nadelen van het ouder worden. Het werd bijna onmogelijk om op zijn leeftijd nog een boek gepubliceerd te krijgen bij een degelijke uitgeverij. Gevestigde waarden (de tafelspringers van de jaren tachtig) en baby’s (de verse debutanten) kregen de voorrang. Maar bovenal hadden ook de koks en de TV’s – de Televisie Vlamingen – de boekenbeurzen en de boekhandels ingepalmd. Balen van die bagger, maar que faire?


    Reinoud stelde die oktoberochtend het oplappen van zijn lijf even uit en schreef vier korte regels in een logboek dat hij van plan was bij te houden. Het bleef daar dus bij.
    Nog in zijn gestreepte kamerjas deed hij zijn vrouw Lotte kond van zijn politieke plannen.
    ‘Het wordt ook een brede maatschappelijke en culturele beweging, niet alleen een politieke,’ betoogde hij.
    ‘Vrouwen?’ interpelleerde ze tussen twee lepels gezondheidsvoer door.
    ‘Inbegrepen. Ik bedoel: uiteraard. Fiftyfifty. Altijd. Overal.’
    ‘Euthanasie?’
    ‘Moet kunnen.’
    ‘Wallonië?’
    ‘Grote liefde.’
    ‘Kerk?’
    ‘Geen punt.’
    ‘Klimaat?’
    ‘Een laagje meer.’
    ‘Mobiliteit?’
    ‘Hoe mobieler, hoe immobieler. Ja aan luchtbruggen, metro’s, buizenposten, tunnels.’
    ‘Vergrijzing?’
    ‘ALLOJJO!’
    ‘De Ouderenpartij in Nederland is door interne geschillen verbrokkeld.’
    ‘Brokkelkaas. Slecht voorbeeld. Binnen de tien jaar staat Kikkerland volledig onder water. Een lage streek.’
    ‘Ging je niet voor een cursus bridge, Reinoud?’
    ‘Die stel ik even uit.’
    ‘Daar zit wel een deel van je doelgroep. Oudere vrouwen met uitgestrekte namiddagen voor zich.’
    ‘Eerst de basis, Lotte. Bridge is zo…’
    ‘… bedoeld voor troubled water?’
    ‘ALLOJJO is niet tegen het gebruik van vreemde talen.’
    ‘Aha. Oud maar niet out.’
    ‘Haha, gesnopen.’
    ‘Is het letterwoord ALLOJJO niet te ver gezocht? Geforceerd?’
    ‘Herinner je AGALEV. Anders Gaan Leven. Dwazere partijnaam bestond er niet. Dan nog met die Bulgaarse v op het einde! CD&V, met dat belachelijke copywritersteken midden. Sp.a met dat onnozel puntje tussen de kleine gazeuse letters. GROEN! gevolgd door dat overspannen uitroepteken. Open VLD met dat holle Open voorop. Vlaams Belang met dat vreselijke woord uit de jaren dertig… ’
    ‘ALLOJJO klinkt als een vrolijke Zwitserse bergroep of een verkeerde Hawaïaanse begroeting.’
    ‘Er schuilt misschien wel te veel vreugde in.’
    ‘Wat dacht je van GOJJO? Geallieerde Oude Jongeren en Jonge Ouderen.’
    ‘Dat riekt naar oude uniformen. En er weerklinkt wat GAIA in. Dieren.’
    ‘Politiek is een ernstig tijdverdrijf hé.’
    ‘Eet je die noten nog op?’


    Die avond ging Reinoud Dejonghe raad vragen bij Trine, een van zijn tweelingdochters, die een paar jaar geleden nog op een politieke kieslijst in Kortrijk had gestaan. Eigenlijk hoopte hij dat ze zijn plan met twee enthousiast geheven duimen zou stutten. Noch de raad, noch het enthousiasme kregen een kans: kleinkinderen Lilly en Fons palmden met de nodige drukte en oorverdoving de avond in. Afko’s, letterwoorden en hoofdletters werden met kinderlijke vakkunde geaborteerd. Dit was een valavondveldslag waarbij jonge ouderen en oude jongeren alleen maar snakten naar de rust van het achtuurjournaal, met aanslagen in Syrië en Afghanistan.


    Waar te beginnen? Kortrijk had onlangs een klein staatsgreepje achter de rug. Aan het jarenlange bewind van CD&V-burgemeester Stefaan De Clerck was een einde gekomen door een manoeuvre van Open VLD’er Vincent Van Quickenborne, die een tegennatuurlijke coalitie sloot met sp.a en, jawel: N-VA. Groen! wou niet meespelen. Alweer niet. Het Vlaams Belang kukelde achteruit. Er was in Kortrijk nog plaats voor een nieuwe politieke beweging. Want ondanks de recente veranderingen kon je de Zuid-West-Vlaamse provinciestad nog altijd niet vrijpleiten van conservatisme en starheid.
    Het scheen dat de badstad De Panne zo stilaan een bejaardenreservaat aan het worden was. Zeewaarts dan maar met ALLOJJO? Opstarten in enkele proefsteden, zoals in Nederland bepaalde ouderenpartijen dat bekokstoofden? Hopen op voldoende boze ouderen en her en der delegeren? Aan zee had je wel meer concentraties van rimpelkracht. Een interessante combinatie van boosheid en kapitaalkracht.


    Partijprogramma!

    Wat is ALLOJJO?
    Waar staat ALLOJJO voor?
    Wat wil ALLOJJO?


    ALLOJJO is een tolerante politieke partij die jonge ouderen en oude jongeren en sympathisanten groepeert.


    ALLOJJO staat voor een groot segment van de samenleving: mensen die vaak een actief leven lang gewerkt hebben en dat zelfs meestal nog doen, op een of andere (on)bezoldigde manier.


    ALLOJJO wil meespelen in en wegen op het maatschappelijke, politieke en culturele debat en zijn ervaring, knowhow en desgewenst expertise aangesproken zien met dien verstande dat de officiële pensioenleeftijd op 65 jaar bepaald wordt, flexibele maatregelen inbegrepen, zowel voor als na.


    De jongeren van nu zijn de ouderen van straks. Dat ware een (iets te lange) interessante slogan. Nog beter: Oud maar niet out.


    ‘Het is gek, en het doet zich nochtans altijd voor,’ dacht Reinoud. ‘Jongeren denken er nooit aan dat ze oud zullen worden. Maar misschien is dat goed zo. Waarom zouden ze ook. Jeugd mag dom, ijdel en zelfs wreed zijn. De allerdomsten apen gaandeweg hun voorouders na: het leven begint aan 30, aan 40, aan 50, papegaaien ze. Larie. Het leven begint aan 1. En aan 60. Wenen. Juichen.’

    Reinoud Dejonghe begon her en der jonge ouderen en oude jongeren – hieronder verder genoemd OJJO’s – op te stoken. Hij wakkerde sluimerende boosheid aan, zaaide ongenoegen en hoopte misnoegdheid te oogsten, de basis voor ALLOJJO.

    (In praatcafé De Woede der Noormannen)

    ‘Je ziet er nog goed uit, Michiel.’
    ‘Bah ja. Gezichtsbedrog, zeker?’
    ‘Ik moet nog niet brillen, hoor!’
    ‘Van mij zijn het de kleine lettertjes. En ik hoor niet zo goed meer met mijn linkeroor.’
    ‘Ja, ze maken ons wat wijs, die ettertjes.’
    ‘Eh?’
    ‘Die ettertjes van dertigers. Zij die nu de dienst uitmaken. Maar gaan ZIJ werken tot hun 65ste?’
    ‘Mm… ‘
    ‘Dat moet ik nog zien!’
    ‘Ja… ‘
    ‘Wij hebben toch voor hen gezorgd hé! En betaald!’
    ‘Ja hé… ‘
    ‘In moeilijke tijden, zonder al dat pamperen en begeleiden. We moesten het zelf maar zien uit te vogelen. Zonder subsidies, zonder media, zonder begrip.’
    ‘Je hebt gelijk.’

    (In café De Zevensprong)

    ‘Waar zijn we nog goed voor? Hotel Mama? Opa Europa op 1 januari?’
    ‘Daar heb je een punt.’
    ‘Twee punten, bedoel je, en ik heb er nog acht.’
    ‘Puberheisa, debutantengebral, jongerenvervuiling, leerlingenstank, studentenkots, jeugdpesterij, adolescentenpoeha, midlifegezeur.’
    ‘Maar waren er een tijd geleden ook geen lastige hangouderen in Bredene? Die bier uit blikjes zopen en van op zitbankjes aan zee de voorbijgangers lastigvielen?’
    ‘Maar dat is nou net wat wij met ALLOJJO moeten doen!’
    ‘Eh?’
    ‘Rekruteren aan zee!’
    ‘Ja: onder de aroma’s en europa’s.’

    (In volkscafé De Meiboom)

    ‘Ik zou er zelfs een boek over kunnen schrijven.’
    ‘Heb je al een titel?’
    ‘Wel, eh, ik denk aan ALLOJJO. Simpelweg… ‘
    ‘Ik denk ook aan iets, simpelweg: HET RELAAS VAN EEN DWAAS.’


    Reinoud Dejonghe kwam om twee uur in de nacht dronken thuis en was meer dan ooit vervuld van zijn plannen. Het scheelde niet veel of hij klapte nog zijn laptop open en begon een blog op te zetten. Om vijf uur in de ochtend waren de kleinkinderen in de belendende logeerkamer al levendig en wel op. Dat was hij compleet vergeten. Reinoud Dejonghe verrees bijgevolg al bij het krieken van die dag met een kop als een rammelende spaarpot oude centen en een roestlaag in zijn keel. Nooit heeft hij nog met ook maar één woord gerept over ALLOJJO, de Alliantie van Oude Jongeren en Jonge Ouderen. Andermaal hadden de jongeren gewonnen.


    17-03-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.282: Schaakstuk

    SCHAAKSTUK

    De toneelvereniging D.E.S. (Door Eendracht Sterk) uit Walrave-Bad aan de Vlaamse kust had een schitterend idee. In het volle zomerseizoen zouden ze de parking aan de zeedijk laten vrijmaken en er een stuk op spelen. Nou: stukken, zeg maar. En wat voor een stuk zou dat worden! Checkmate (iedereen noemde Piet zo, omwille van zijn schaakwoede) lanceerde op een donkere decemberavond het lumineuze idee een levend schaakspel op te zetten, met alle voorradige leden en ex-leden van D.E.S. Hijzelf zou er een scenario en dialogen voor schrijven. Zo gezegd, zo gedaan. Er werd ijverig gerepeteerd, van februari tot eind mei, in zaal Walravot. Medio juni werd gevelschilder Johan aangezocht om de vrijgemaakte parkeergrond te beschilderen met een gigantisch schaakberd. Piet leverde de schetsen. Van in den beginne al had de burgemeester zijn toestemming gegeven voor het project. Het kon immers Walrave-Bad een cultureel maar vooral lucratief kontje geven. Er werden niet minder dan veertien opvoeringen gepland. Op de allereerste dag van het grote theaterschaakstuk golfde een schaterlach door Walrave-Bad. Er bleken maar 49 hokken op de grond gekalkt te zijn: 7 x 7! Johan stierf zowat ter plekke onder al die verwijtende blikken en wrange opmerkingen. Er viel namelijk zo onmiddellijk niets aan te verhelpen: het 49-hokkige schaakberd strekte zich over de totale beschikbare oppervlakte uit. ‘Dat stond toch zo op die schets van Checkmate’, hakkelde Johan . Het werd dus een debuut in mineur voor toneelkring D.E.S. De geschreven pers rimpelde en kreukte al op voorhand van plezier en leedvermaak. De burgemeester en zijn gevolg verlieten woedend de tribune. Ook het volk droop ginnegappend af. Bovendien kwamen in ijltempo donderkoppen als ongewenste zwangerschappen opzetten; weldra sausde het hemelwater wellustig neer, begeleid door knalgele wapperende bliksemserpentines. Er was geen sprake van het ‘hercalculeren’ van dat bespottelijke schaakberd. De feestelijke avondsessie werd uiteraard ook afgeblazen. De acteurs-schaakstukken trokken zich als geslagen honden terug aan hun toog in zaal Walravot, minus de schilder Johan, en minus Checkmate Piet, die totaal ontredderd aangekondigd had dat hij zich ging ophangen aan zijn eigen ruggengraat. Een drama te Walrave-Bad.


    28-02-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.281: Communicatie

    COMMUNICATIE

    Binnenkomende klant: Wifi?
    Cafébazin: Nee, alleen Bifi.


    11-02-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.280: Figuur

    FIGUUR


    Ik ben een woordenaar. Een seriewoordenaar. Woorden spoken permanent door mijn hoofd. Onlangs heeft het weer toegeslagen. Ik vroeg me af: zou er een ander woord kunnen bestaan voor toneel of theater? Figuurlijk spel, bijvoorbeeld? Ik denk hierbij aan figuurlijk taalgebruik, ten opzichte van het gewone. Figuurlijke taal hanteert beelden, metaforen. Theater bedient zich van figuren, die staan voor iemand anders. (Soms kun je er Oscars voor winnen, als het over film gaat). Er is een barrière te nemen, maar die kan best aangenaam zijn. (Noot voor die betweter daar op de tweede rij: ik weet ook wel dat de term ‘figurentheater’ bestaat). ’Personagespel’ zou ook een mogelijkheid kunnen zijn. Een personage is geen persoon. Een personage speelt een persoon. Het is een ‘character’. Tweemaal al heb ik het woord ‘spel’ gebruikt. Dat aspect ontbreekt wat in de termen ‘toneel’ of ‘theater’ (dat laatste klinkt wel wat chiquer). Maar we denken het er wel bij. Vroeger werd het er vaak bij gezegd: een toneelspel. Niet dat ik er behoefte aan heb om de woorden ‘theater’ of ‘toneel’ te verbannen. Ik hoor die wel graag. Vooral het woord ‘stuk’ in ‘toneelstuk’ draagt mijn goedkeuring weg. Vlamingen zeggen en schrijven soms: ‘een toneeltje spelen’. Een Nederlander zal het over ‘een stuk(je)’ hebben. Want voor die laatste betekent ‘een toneeltje spelen’ eerder een scène maken. (Nou: alweer een soort van theaterwoord. Die stukken van mensen toch!). Dat kan inderdaad ook met acteren te maken hebben. En, à propos: ook de politiek kaapte een woord weg uit de speelbare literatuur. ‘Scenario’, met name. En ‘piste’: nou, dat hebben ze uit het circus zeker?
    Life is but a walking shadow, a poor player… upon the stage... and then is heard no more. Komt binnen, komt binnen, het spel gaat beginnen. Soms verklapt een schaduw beter het karakter (‘character’!) dan de mens zelf. Of de rug, althans: de ogen erin. Ikzelf sluip verder als woordenaar door het leven. Maar waar schaduw is, is licht. Spelen is belangrijk. Nou, de Shake, dat was nogal eens een…. nou: een figuur, hé!


    04-01-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.279: Hairbag

    HAIRBAG           

    In het literaire en het theatrale wereldje kom je nogal es typen tegen met gladgeschoren schedels en moeilijke brilletjes op hun pief. Het camoufleren van enerzijds gebrek aan haar anderzijds gebrek aan verstand is er schering en inslag. Het lijken wel kloons van elkaar, al die moeilijkdoenertjes. Bring in the kloons! Deze concentratiekamplook werkt ook dubbel. Men weet nooit goed wat men voor zich heeft: is men nou kampdokter of is men nou gevangene? Wanneer ik andermaal zo’n culturele Schedelmans zie opdoemen, zet ik mijn zonnebril op en ken ik hem een nummer toe. Ik zit al aan nummer 1.234.567. Zoveel exemplaren sjokken er rond. Deze Schedelmansen scheren zich bovendien ook maar om de vier dagen. Zo creëren ze graag een indruk van geleerde verstrooidheid of geniale vergeetachtigheid. Geen tijd gehad. Bezig geweest met Moeilijke Dingen, dag en nacht. Zij staan hun kingewas toe even lang te worden als de afgeroetsjte groei op hun hoofd. Eigenlijk was dat ongeschoren syndroom het handelsmerk van het reclame- en copywritersgild. Helaas voor hen zijn ook andere beroepen zich om de vier dagen niet meer gaan scheren. Andere beroepen profileren zich plotseling ook modieus. Advocaten harken hun haren achteruit of laten die welig tieren. Aldus zien ze er vaak uit ofwel als tuig van de richel ofwel als kunstschilder of toondichter. De grens tussen (ge)recht(igheid) en misdaad en kunst is smal. Acteurs vertonen nogal es de neiging kaal te worden. Doodgewoon kaal. Qua metamorfose valt daar veel mee aan te vangen. Een positief punt op het cv: beschikt over geen haar. Het gebeurt wel vaker dat zo’n acteur plotseling wanggewas gaat kweken. Vooral als hij al bekend genoeg is. Daar valt ook veel mee aan te vangen. Inzepen en afscheren bijvoorbeeld. Nu scheer ik mezelf weg, vooraleer zo’n kampbewaker op me afkomt. Ik smeer ‘m als de wiedeweerga, mijn haren wapperend in de westenwind, saved by my hairbag.

    PS Ik heb het in dit schuinschrift dus niet gehad over vrouwen van het tegenovergestelde geslacht, want ik zou godbetert niet weten hoe een vrouwelijke pendant van zo’n Schedelmans er uitziet. Strakke haren achter op het kopje in een knot gegijzeld? Een coupe à la Jeanne d’Arc vlak voor ze naar de brandstapel stapte? Genre Rode Ridder? Een verzameling ongeregelde plukjes over het schedelvel verspreid zoals dit in de afgrijselijke jaren tachtig van de vorige eeuw schering (!) en inslag was? Of, vooruit dan maar: inderdaad ook de Sinead O’Connor-look van weleer?  Nothing compares to a shaved head but another shaved head.


    09-12-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.278: Lijstjes

    LIJSTJES

    bruin: vies                            
    paars: raar
    geel: zot
    zwart: bang
    wit: feest
    roze: lief
    blauw: mooi
    rood: stop
    oranje: lekker
    groen: gezond

    1: alleen
    2: gelijk
    3: geheim
    4: spel
    5: raadsel
    6: kans
    7: heilig
    8: meer
    9: bijna
    10: alles

    a: knaagdier
    e: slang
    i: vogel
    o: koe
    u: vis

    aarde: A
    water: Q
    lucht: O
    vuur: S

    vierkant: regen
    cirkel: zon
    driehoek: wind
    rechthoek: sneeuw


    02-11-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.277: Jos, Joste, Gejost

    JOS, JOSTE, GEJOST

     

    Jos is gered. Sinds hij aan zijn volgende vrouw toe is, rookt hij niet meer en drinkt hij met mate, onder haar toezicht. Hij is niet langer verrast door het knarsen en piepen van laadwagens, want hij vergeet nooit meer de tijdstippen waarop het huisvuil opgehaald wordt . Hij onderneemt ook weekendwandelingen met een kleine hond. Is Jos dus echt gered? Nou. Als je soms een tegenliggende hond ontmoet die ook Jos heet…

    Op zijn vorige foto vertoonde hij nog haar. Nu heeft hij dat niet meer. De volle maan schijnt door de bomen. Dat overgebleven kransje dat steeds dieper achter zijn oren in zijn nek zakt, kun je zelfs geen schaamhaar meer noemen. De grote schare kapperszaken in de stad (Hairport, Hoofdzaak, Haartje naar zijn Vaartje, Geknipt voor u, De Krullenjongen & Zijn Lokken, Concept Hair Design, Sonja, Elly, Talking Heads, Style, Air & Hair, Haar Salon, Beau’s Hair Style, Jan Vos Knip-Knip, Hair Fashion, Haarscherp, JoLi, Gerard, José M/V) wordt door Jos en vele Jossen met hem niet bezocht. Nou. En waar is al dat uitgevallen haar van iedereen naartoe? Moeten we daar een milieubelasting op heffen? Ontwikkelt zich ergens ter wereld een gigantische haarbol die ooit weerwraak zal nemen? Jos toch!

    Jos heeft het perfecte profiel van de seriemoordenaar, maar hij maakt dat profiel alsnog niet waar. Tenzij je de mieren meetelt die hij ’s zomers onder zijn schoenzolen verplettert of de vliegen die hij heldhaftig doodmept. In afwachting van het grote werk leidt hij een (on)rustig gezinsleven. Zijn trofeeën bestaan alsnog uit twee soorten kinderen, waarvan de ene soort niet aan zijn lendenen ontsproten is en de andere soort zijn agenda bepaalt, op de keukenkalender van de stedelijke brandweer aangevinkt met blauwe kruisjes. Nou. De sprong van het ei naar de cel van het zaad heeft hem al wat kopzorgen berokkend.

    Sedert 2009, het jaar van de blijde blonde intrede van Josina Huisman als  ‘Josje’ bij de meidengroep K3, wordt Jos met de regelmaat van een klok en vaak achter zijn rug Josje genoemd. Hoe groot het succes van dit groepje ook is, dit is niet fijn voor Jos. Driekwart van zijn kinderen neemt daar zelfs deel aan. Nou. Je zult maar zo’n eitje uit zo’n cel bevrijd hebben en dat vlees zien worden. En, tot overmaat van ramp, een tijdlang megasuperfan van K3. De ene na de andere. Ze zijn ook maar universeel verdraagzaam zolang een liedje duurt. ‘De Jos’, zoals het steeds minder en minder klinkt, heeft daar gemengde gevoelens over.

    Jos is dus verre van gered. Jos is eigenlijk, nou: gejost.


    03-09-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.276: Melk?

    MELK?

     

    - Allen Woodstock?
    - Maar nee!
    - Allen… ’t Is toch een Allen… ’t Ligt op het puntje van mijn tong… Toe…
    - Hij is zo bekend.
    - Allez… verdorie… die kleine Jood uit New York… dat raar geval…
    - … met die vrouw die… die…
    - … die ik ook niet graag zie spelen…
    - Ik ook niet.
    - Je weet wel wie hé?
    - Clara?
    - Nee.
    - Tamara… Maria…
    - We zitten op een verkeerd spoor.
    - Woody! Woody Allen! Ik heb het! Woody Allen!
    - Ja.
    - En nu nog die vrouw.
    - Mia? Nee. Of toch. Toch? Mira… Maya…
    - Ik zie geen enkele van hun films graag.
    - Het is alsof ze hun eigen leven spelen.
    - Maar dat liep wel verkeerd af.
    - Zeker weten.
    - En er nog dik voor betaald worden ook.
    - Mocht die brillenmans in de ruimte gezweefd hebben, dan zou het voortdurend psychiatrisch geouwehoer geweest zijn.
    - Ik zou het geld van mijn ticket teruggevraagd hebben.
    - Clooney doet dat veel beter.
    - En die Patricia dan!
    - Patricia?
    - Eh… Of hoe heet ze… Haar haar was af.
    - Sandra zul je bedoelen.
    - Ja: Sandra. Bullocks. Of Bullock. Om het even. Bullock.
    - Schoon lijf, Sandra.
    - Ze was gefotoshopt. Heb je dat niet gezien?
    - Eh?
    - Heb je die billen gezien? Vooral bij de landing?
    - Nu je het zegt. Ja: je kon er niet naast kijken.
    - Maar wel ertussen.
    - Ha ha!
    - Als een astronaut lang in de ruimte is geweest, en gewichtloos, verliest hij spiermassa.
    - Ah ja.
    - Ewel? Niet gezien?
    - Ja ja, nu je het zegt.
    - Ik heb het over de billen van Bullock hé.
    - Ah ja. Ja ja. Het viel me ook op.
    - Ze hadden vroeger beter die ziekelijke bril van Allen… van Woody Allen gefotoshopt.
    - Maar dat was zijn handelsmerk. Grote bril. Klein dun ventje.
    - En daardoor groot verstand zeker? Hij bedroog Maya… Mia…
    - Je hebt opvallend veel onderdeurtjes in de filmwereld. Kleine ventjes, grote ego’s.
    - Maar niet… eh…
    - Wie?
    - Eh…
    - Wie dan? Wie niet?
    - Verdorie, ik ben nu ook zijn naam vergeten. Vroeger kon ik die makkelijk onthouden door een truc te gebruiken. Het lukte altijd. En nu…
    - Welke truc?
    - De initialen van een whisky.
    - Eh?
    - Ik dacht JW. Johnny Walker.
    - Ja, en?
    - Maar het is niet JW. Het is…
    - J&B?
    - Ja! J&B!
    - Wie is dat dan?
    - John… John… Nee… Verdorie… Johnny…
    - Een filmster hé? Jeff Bridges?
    - Maar ja! Jeff Bridges!
    - Dat is inderdaad geen onderdeurtje.
    - Allen W… Woody Allen daarentegen…
    - Zeg dat wel.
    - En die vrouw… die met hem samenwoonde nadat ze al twee keer getrouwd was… of één keer… Ik wil er van af zijn…
    - Amy?
    - Nee. Eh… Ik ben nu alweer haar naam vergeten. Narrow? Amy? Verdorie toch.
    - Geef mij maar Charlotte Rampling.
    - O ja! Heerlijke vrouw. Op alle leeftijden. Neem nu The Swimming Pool…
    - Met haar tijgerogen.
    - Ze zat in Un taxi mauve.
    - Met die acteur met zijn grote neus.
    - Eh?
    - Die Franse acteur… Ik zie graag Franse films… Philippe…
    - Finney?
    - Nee, dat is een Brit. Albert Finney. Nee. Philippe… Foiret… Blaiset… Girette… N…
    - Noiret?
    - Philippe Noiret, ja! Dat is hem!
    - Gelijkt die niet wat op Finney?
    - Hm…
    - Fred Astaire reed met die mauve taxi hé.
    - Ja, vreemd genoeg. Hij was plattelandsdokter.
    - Een zanger.
    - Charles Aznavour heeft ook nog in een film gespeeld hoor.
    - O ja?
    - Ik geloof in een film van Simenon.
    - Je bedoelt: een film naar een verhaal van Simenon?
    - Ja ja…
    - Georges Simenon zal die film wel niet gemaakt hebben.
    - Waarom niet?
    - Hij had geen tijd. Hij moest het ene na het andere boek schrijven. Hij pakte ook de ene na de andere vrouw, schijnt het. En was hij niet verslaafd aan koffie?
    - Hij rookte alleszins de ene na de andere pijp, ha ha ha!
    - Zoals zijn Maigret zeker?
    - Je ziet: in de films en de boeken zit er toch altijd wat van de schrijvers zelf hé.
    - Schrijvers… Het is me wat.
    - Maar zonder schrijvers heb je geen film hé.
    - Scenaristen.
    - Koffieslurpende scenarioschrijvers.
    - In de films zijn het de flikken die voortdurend koffie drinken, binnen en buiten op straat. En in hun auto.
    - Geef de melk eens door als je wil.
    - Schrijft Woody Allen zijn films niet zelf?
    - Ik zou het niet weten. Met zo’n bril op zijn pief: waarschijnlijk wel. Is het halfvolle melk?
    - Ja. Ik koop nooit volle.
    - Koffie vraagt om een wolkje hé.
    - Ja, koffie moet bruin zijn.
    - Ik heb ook liever een film in sepia dan in zwart-wit.
    - Zou George Clooney echt espresso drinken?
    - Geloof toch die reclame niet!
    - Hij is toch ook maar een mens. Of dinges… die andere bekende… die kaalkop met zijn gevaarlijke ogen… die soms ook in die koffiereclame opduikt…
    - John Malkovich?
    - Ja, JM! Ha ha!
    - Dat is geen bekend whiskymerk hé, JM.
    - Nee, maar het helpt.
    - Suiker verknalt de smaak.
    - Eh?
    - … van de koffie.
    - Ah. Akkoord. Suiker verpest koffie en thee.
    - Ook thee, ja.
    - Het Indische Leger Eet Rijst.
    - Hé?
    - Het Indische Leger Eet Rijst.
    - O, een film? Ken ik niet.
    - Nee. Voluit voor H.I.T.L.E.R. Zie je het voor je?
    - Hitler?
    - Ja. H.I.T.L.E.R. is een afko. Een afkorting.
    - Waarvan?
    - Wel, dat heb ik net gezegd: Het Indische Leger Eet Rijst.
    - En de T dan?
    - Die drinken ze erna.
    - Ha ha!
    - Goed hé?
    - Een filmgrapje?
    - Nee, zomaar.
    - Hitler… ha ha. Thee. Dit is lekkere koffie.
    - Hij heeft traag gedrupt.
    - Ik zal straks weer niet in slaap geraken.
    - Het koffiezetapparaat moet eens een beurt krijgen. Het rochelt als een oude apotheker na gebruiksdatum.
    - Toch is de koffie bijzonder lekker. Ik wil er best wel wat slaap voor laten.
    - Veel vrouwen laten hun slaap voor George Clooney en zijn espresso’s.
    - Zo adembenemend is hij nu ook weer niet. Die Schot met dat spraakgebrek…
    - Sean Connery?
    - Hoe kom jij zo vlug op zijn naam?
    - SC… Die slissende lispelende medeklinkers… Perfectie is saai hé.
    - Ha ja!
    - Wat is er van Connery?
    - Het schijnt dat die de meest sexy man van de twintigste eeuw is. Was.
    - Pff…
    - Als English Patient zou je moeilijk zo’n nominatie in de wacht kunnen slepen.
    - Ha ha. Of als The Elephant Man.
    - Er zou een Oscar voor de lelijkste rol moeten bestaan.
    - Er zijn wel prijzen voor de slechtste rollen.
    - Ja, ik geloof dat Kristin Scott Thomas er zo eentje binnenrijfde.
    - O ja?
    - Ja, voor haar rol of bijrol in Under the Cherry Moon. Ze kreeg er een Framboos voor of zoiets. Het omgekeerde van een Oscar. Maar ze zat later ook in The English Patient.
    - Die heeft anders ook wel een behoorlijk hoog Charlotte Rampling-gehalte, vind ik. Die ogen!
    - Ik zie ze momenteel niet voor mij.
    - Nog wat koffie, buurvrouw?
    - Graag.
    - Bakje troost, zegt de Hollander.
    - Ja, ook nog gehoord. Van een zwarte in Breskens.
    - Wat een toeval.
    - Echt waar. Echt gebeurd. Ik vroeg een zwarte koffie in een wachtcafé in Breskens, bij de overzetdienst naar Vlissingen. Bakje troost, asjeblieft, zei de man. Die dus zwart was.
    - I see.
    - Was helemaal geen probleem hoor. Ik dronk toen al mijn koffies zwart.
    - Zwartekracht.
    - Ha ha!
    - Heb j’ em? Gravity! De film met Bullocks! Eh… Bullock.
    - Waw, je bent goed op dreef vandaag.
    - Komt door de koffie. ‘Geeft je vleugels’.
    - Kennen we hé.
    - Wat deed jij in Zeeland?
    - O, ik heb ooit nog gedichten geschreven. Er was een voordrachtsessie ergens in Zeeuws-Vlaanderen. Lang geleden hoor.
    - Amai, amai. O… Am… Amy Narrow… Nee! Hebbes! O! Was het Mia Farrow niet? Die van Woody Allen? Die dan later…
    - Ja! Mia Farrow!
    - Je kunt daar gek van worden, van een naam niet te vinden.
    - Ik had toen zelfs een gedicht over koffie geschreven, herinner ik me.
    - Ze beschuldigde hem na hun breuk van kindermisbruik. Er was iets met een adoptiekind of zo…
    - Van koffie kun je liggen woelen, maar ook door het niet-vinden van een naam hé! Oef! Mia Farrow!
    - Ja ja…
    - Cakeje?
    - Waarnaar?
    - Nee nee: een stukje cake? Ik bedoelde niet: keek je?
    - O, ik ben misvormd door te veel films te kijken zeker?
    - Wil je een cakeje?
    - Eentje fietst er wel in.
    - Dat ik daar niet vroeger aan gedacht heb. Je hebt misschien wel honger?
    - Niet meer op dit uur.
    - Doet me denken aan die braakfilm.
    - Eh?
    - Waarin iemand ontploft door te veel te eten.
    - Was dat niet iets van John Cleese en zijn bende?
    - Maar er was nog zo’n walgelijke film.
    - Weet je nog welke?
    - De titel ontsnapt me nu helemaal.
    - Hier: eet wat. Misschien schiet het je te binnen.
    - Tiens: ze hebben in Gravity geen tubes in hun mond uitgeduwd. Zie je gewoonlijk in ruimtefilms. Van dat tandpastavoedsel.
    - Inderdaad.
    - Lekkere cake. Niet zelf gebakken hé?
    - Nee nee.
    - Gravity: mooi hé?
    - Mja…
    - Ik vind het echt mooi. Het is zo… zo…
    - … apart?
    - Eh… ja, eigenlijk wel.
    - Eigenzinnig?
    - Wel eh… ook dat, ja. Nu je het zegt.
    - Het valt soms moeilijk in woorden te vatten wat we voelen.
    - Zeg dat wel.
    - En er zijn ook zoveel meningen als er mensen zijn.
    - Maar wat vind jij er eigenlijk van?
    - Mm… mijn mening doet hier niet ter zake hé.
    - Toch wel hoor!
    - Eh… ik vind het geheel nogal apart. Het heelal is indrukwekkend.
    - En ook eigenzinnig hé? Dat woord heb je daarnet gebruikt.
    - Eh… ja, eigenzinnig is wel een goed woord. En bloedstollend.
    - Tja… zoveel mensen, zoveel meningen hé.
    - Zeg dat wel.
    - Het is maar goed dat er diverse meningen zijn, anders…
    - Ja, anders waren we allemaal grijze muizen.
    - We zouden allemaal hetzelfde deuntje piepen.
    - … of helemaal niet meer piepen. En dat willen we niet, niet?
    - Het is goed dat men uitkomt voor zijn mening.
    - Alleen de ongevraagde en de ongefundeerde meningen zijn uit den boze.
    - Eh… ja. We moeten niet voortdurend met meningen bestookt worden hé. Meningitis is een gevaarlijke ziekte.
    - Het zou daarom beter zijn dat in de bladen en op tv de acteurs en de schrijvers hun mond hielden.
    - Vooral de acteurs. Je neemt me de woorden uit de mond.
    - Men kan namelijk bepaalde zaken kapot menen.
    - Zo is het nog maar eens een keer!
    - Schenk ik nog eens bij? Er is nog net genoeg voor twee.
    - Graag.
    - Zou Obama koffie drinken in zijn Witte Huis?
    - Ha ha!
    - Waarom lach je?
    - Ik dacht terug aan mijn zwarte Hollander en zijn bakje troost.
    - O… ja… gesnopen: zwart… wit…
    - Misschien drinkt hij wel thee.
    - Nu denk je toch hopelijk niet terug aan die mop van daarnet?
    - O nee, ik zou niet durven.
    - Zou hij Gravity gezien hebben?
    - Obama? Wellicht. Elke Hollywoodfilm bazuint de loftrompetten van Amerika. God bless dit en God bless dat et cetera.
    - Ze denken dat ze de kosmos ook bezitten hé?
    - De kosmos?
    - De ruimte.
    - Ja. Het is allemaal van hen. België en Nederland waren anno 2014 compleet gegijzeld door het bezoek van Obama. Zelfs de kinderdagverblijven in de omgeving van vliegvelden moesten toen gesloten blijven. Ze zouden dat nog niet eens in een film durven te vertonen.
    - Het was een hele vertoning, ja. Is er nog genoeg melk in het kannetje?
    - Kan het zijn dat er een mug in drijft?
    - Verdorie! Geef eens hier.
    - Ja hé?
    - Ik doe dit weg en haal andere melk. Verdorie.
    - Het wordt beter weer; de muggen zijn er weer.
    - Drinken die dan melk? Dat is nu werkelijk de eerste mug die ik… Ik ben helemaal van mijn melk.
    - Ach…
    - Even andere melk halen.
    - …
    - …
    - Zo. En in een vers kannetje.
    - Wat een service.
    - Clooney droomde van een wodka in zijn raket hé?
    - Ja, maar zij ook: dat hij terugkwam en een flaconnetje wodka open schroefde. Helaas…
    - Die billen zeg…
    - Had je dat dan niet gezien?
    - Maar filmsterren willen altijd zo mager zijn.
    - Ze zouden beter al die dikke Amerikanen naar de maan schieten en ze een tijdlang gewichtloos houden.
    - Ja: de aardbol zou in een klap veel minder gaan wegen.
    - Ze moesten chips en popcorn verbieden in cinemazalen. Dat ellendige gekraak en gesmak vlak achter je!
    - Aparte zalen voor pubers: zo zou ik het oplossen mocht ik de baas zijn.
    - Zo kweken ze hier ook hele generaties obesen.
    - Naar welke film gaan we volgend seizoen zien?
    - Ze spelen hoogstwaarschijnlijk The Coffee Queen binnenkort.
    - O?
    - Een fairtradefilm over koffieplantages, arbeid, uitbuiting en kapitaal. Cate Blanchett speelt de hoofdrol. Ze heeft het perfecte stel lippen om aan een koffie te nippen.
    - Jij hebt inderdaad gedichten geschreven! Dat rijmt!
    - Hopelijk verpesten Brad Pitt of Leonardo Di Caprio de film weer niet.
    - Bad Pritt? Al Capriola?
    - Die zijn te bekend… te cliché… Ik wil maar zeggen dat overbekende acteurs films kunnen verpesten… door voorspelbaarheid.
    - O: liever koffie verkeerd hé?
    - Bijvoorbeeld.
    - Eventueel met een dode mug erin.
    - Zoiets.
    - Zeg?
    - Ja?
    - Als jij een film zou maken… schrijven…: waarover… wat zou dan…
    - Het einde zijn? Waarover het zou gaan?
    - Ja.
    - Misschien nodig ik Jodie Foster eerst op de koffie uit, om haar de hoofdrol aan te bieden in mijn film.
    - … die zou gaan over… ?
    - Eh… hypothetisch… Ik nodig een buurvrouw uit om koffie te komen drinken, samen met enkele van mijn vriendinnen. Er is een probleem dat pas op het einde van de film duidelijk wordt. Psychologische oorlogsvoering. Milde dreiging en gevoel van onheil, zoals in de huiskamers van de film The Hours. Virginia Woolf, weet je wel. Levensgevaarlijke gebakjes. Inktzwarte koffie. Veel flashbacks, per koffieslurper. De buurvrouw moet er uiteindelijk aan geloven, maar de ik-figuur blijft onverdacht. Totdat…
    - Ja?
    - Hier moet ik verder over nadenken. En jij?
    - Ik zou er een slachtpartij van maken. Een historische film, waarbij de ledematen en hoofden van de Engelsen en de Fransen alle windstreken uit vliegen, met veel rondspattend bloed. De geschiedenis is toch maar een bloemlezing van wapengekletter en doodsgereutel.
    - Een soort van gravity, dus? Rondvliegende ledematen door de middelpuntvliedende kracht? Het broertje van de zwaartekracht?
    - Ja.
    - Wow. Ik had eerder verwacht dat je de Max Havelaar zou willen verfilmen.
    - Nou nee hoor. Mijn enige verband met Max Havelaar is Albert Heijn.
    - Ik verwarde die vroeger met Piet Hein.
    - Typisch voor iemand die gedichten schrijft.
    - Schreef. Dat is gedaan.
    - O? Nog een scheutje koffie? Heb je zin in zo’n filter? Ik anders wel.
    - Mm… Wordt het niet wat laat?
    - Die film zal door je hoofd blijven spoken. Blijf nog wat.
    - Mm… Vooruit dan maar.
    - Ik kook wat water.
    - …
    - …
    - Zo klaar hoor. Het koffiezetapparaat is echt te traag. En te luidruchtig. Soms denk ik dan dat er iemand zit te hoesten in de keuken.
    - Die apotheker hé? Hi hi hi!
    - Heb je er al op gelet dat de koffiekoppen in de films niet in verhouding zijn?
    - Hé?
    - Dat ze eigenlijk veel groter zijn dan in de werkelijkheid?
    - Nee…
    - Dat heeft met de perceptie van de kijker te maken. Mochten ze gewone koppen gebruiken, dan zouden die belachelijk klein lijken.
    - Ah ja? En de coffee-to-go bekers dan ook? Van die agenten?
    - Ja, maar daar heb je vanzelf alle maten in. In die bekers, bedoel ik. Nou: in die agenten natuurlijk ook. Dikke en dunne, hi hi.
    - Starbucks. Ik verlang ernaar om weer eens in de file te staan bij een Starbucks op een vlieghaven.
    - O?
    - Ja. Een veel te dure Starbucks koffie en daarna de lucht in… richting één van die verre koffielanden.
    - In die verre landen zijn ze niet gelukkig met Starbucks hoor.
    - Tja. Moet het allemaal kloppen?
    - Even vragen aan George Clooney morgen. Hoor ik daar water pruttelen? Zo terug.
    - …
    - …
    - Asjeblieft. Een bakje troost. En hier de wolkjesmelk.
    - En zeggen dat een Ethiopische herder en abt de koffie ontdekt hebben!
    - O?
    - Ja. Een herder in Ethiopië ontdekte dat zijn geiten opgewonden werden telkens als ze van de rode bessen van een bepaalde struik gegeten hadden. Nieuwsgierig proefde hij uiteindelijk ook even. Hij werd er ook opgewonden van. Hij ging vlug met een handvol bessen naar zijn vrouw, maar die vond het verdacht en gevaarlijk. Dus brachten ze een hoeveelheid van die rode bessen naar het nabijgelegen klooster. De abt vond het des duivels en gooide de bessen in het vuur. Daarop snelden de monniken toe, gelokt door het vuur en opgewonden door de geur en de rook. De abt werd woedend door dat gebrek aan zelfbeheersing en bluste het vuur met water. Toen was het hek helemaal van de dam. Wat had de abt per toeval uitgevonden?
    - Koffie dus.
    - Koffie.
    - En dit is een koffie naar mijn hand!
    - Leve de zwartekracht!
    - Melk?
    - Reeds gehad. Molk.
    - Ha ha, die zit.


    24-07-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.274: Frinch fraais

    FRINCH FRAAIS

     

    ‘Voor mij een middelmatige, zonder zout.’
    ‘Moet er nog iets bij?’
    ‘Zoutzure Vlaamse stoverijsaus, in een potje apart.’
    ‘Dat is ‘t?’
    ‘Ja. Mag ik zeggen dat uw frieten wereldbefaamd zijn.’
    ‘Merci.’
    Hoopvol en hongerig keek Seppe Meppe naar het sissende en ziedende vet in de frituurmand. Daarna gleed zijn blik over de batterij knijpflessen met diverse sauzen. Die hingen ondersteboven, als uiers, klaar om het lekkers eruit te persen.
    ‘De zoutzure Vlaamse stoverijsaus hangt hier niet bij’, merkte Seppe op.
    ‘De warme bereidingen krijgen we… maken we apart.’
    De frietbazin wees met een schuimspaan naar een andere batterij rechthoekige keteltjes met deksel.
    ‘Ah ja, natuurlijk. Stom van mij.’
    ‘We hebben ook bolognaisesaus. En warme tomatensaus. Zelfs ajuin-en-champignonsaus.’
    ‘Wauw. Een grote keuze, mag ik zeggen.’
    ‘Ja.’
    ‘Dat er zoveel frieten uit een patat komen.’
    ‘Hm.’
    ‘Allez… een grote patat.’
    ‘Het kan ook een slecht jaar zijn, als het dat is wat je bedoelt. We hangen daarvan af.’
    ‘Eh… nee… ja.’
    ‘In een potje apart hé?’
    ‘Ja, potje apart. Bedoel je een jaar van kleine patatjes?’
    ‘Waterpatatten. Zakpatatten. Slijkpatatten. Wormpatatten. Coloradopatatten. Puistpatatten. Geen patatten.’
    ‘Ah ja. Dan schieten de prijzen de lucht in zeker?’
    ‘Dan hebben we zeker prijs.’
    ‘Geef nog maar een cola ook.’
    ‘Fles of blik?’
    ‘Blik.’
    ‘Light of gewoon?’
    'Gewoon. Gezond.’
    ‘Komt eraan.’
    ‘Het blijft een typisch Vlaams gerecht hé.’
    ‘Wat?’
    ‘Frieten.’
    ‘Daarom heten ze ook french fries. Een echte Vlaamse stoofpot van Engels en Frans. En in ’t Nederlands is ’t patat.’
    ‘Tja’, zei Seppe Meppe dom. ‘Frinch fraais.’
    Zijn r rolde als een mitrailleur tegen de papillen van zijn gehemelte.


    15-06-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.273: Mager Heineken

    MAGER HEINEKEN

     

    Mager Heineken zwerft graag door het lage land van Maas en Waal. Eenmaal boven de Moerdijk blaast de wind soms zo hard dat zijn ziel er van opkrult. Daar houdt hij hartgrondig van. Dan ziet hij molentjes draaien. Meeuwen wieken krijsend omdat ze bang zijn om te vallen. Een vlucht regenwulpen, zo ontsnapt uit de Genesis van de Statenbijbel, duikt als een Luftwaffe op een rietkraag af. Maar hij is niet voor hen gekomen. Vele –Dammers, hetzij uit Rotjeknor, hetzij uit A’, ontmoeten nu of ooit Mager Heineken, na een leven al of niet met de weduwe Van Nelle. Hij blijft nooit lang een Hollands maatje van ze. En ontsnappen via Schipholland helpt niet. Met enkele welgemikte zeisspreuken veroorzaakt Mager Heineken alom lijkbreuken. Daarna lijkt hij weer in het niets te verdampen boven deze Waterstaat. Levende bewijzen laat hij helaas niet achter. Hij marchandeert in onwerkelijke werkwoordsvormen als ‘was’ en ‘geweest’. Daar moeten de nabestaanden het maar mee doen. Zo, dat was het.


    29-05-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.272: Appartemens

    APPARTEMENS

    BENUL OF ONBENUL

     

    Een intro over oerbenul

     

    Toen de dieren al met twee woorden konden spreken, maar de mensen nog niet, woedden de oorlog om het vuur en de strijd om de buit. De jagers uit de oertijd waren trots, ongeduldig, moedig, opgewonden, ontroerd, ontredderd, woedend… naargelang van hun zegepralen en nederlagen. Ze doorleefden het hele gamma, maar overleven vormde een ander probleem. Oud werden ze zelden. Van hun gezicht kon je hun gevoelens aflezen, ondanks hinderende frontale haargroei bij de meesten. Aan hun ademhaling kon je hun wisselende stemmingen beluisteren. Uitademen werd soms briesen, of ging met stoten gepaard. Naar de aard van de opwinding, en naar de aard van de geboden weerstand die het nu eenmaal toch beschikbare stemorgaan tegen dit uitademen bood, en omdat de oermens eindelijk ook warmte, licht en voedsel had gevonden, ontwikkelden zich vier gedragingen: luxe werkt acceleratie in de hand.

    De eenvoudigste gedraging betrof het sissen en schuren door vernauwing. Stoten en ploffen gebeurde dan weer door het plotse openbreken van een hindernis. Als de lucht in de neus meetrilde, veroorzaakte dat snuiven en zangerigheid. Je kon ook rollen met je tong of vloeiende geluiden voortbrengen door die lap tegen je gehemelte aan te drukken.

    Zo ontwikkelde zich, in de gezellige lichtplas van vuren en bij het verorberen van de buit, taal. De oerstilte, tot dan toe alleen ingevuld door het ruisen van kruinen, het kreunen van mensen, het huilen van dieren en het kraken van donderslagen, werd stemmiger. De schaduwen werden minder grimmig, want minder zwijgzaam. En de dingen begonnen namen te krijgen: weer een brok angst minder, want benoemen is bezweren. Voorwaar: onbenul werd benul.

     

    Benul of onbenul: de appartemens als individuo


    Ik heb benul. Ik doe nog niets. Maar er is wel wat aan de hand. Dat besef ik wel. Om me heen kijkend, voelend, luisterend, proevend en ruikend detecteer ik onophoudelijk elementen die me noodlottig kunnen worden. Een barst in een muur, een loszittende dakpan, een verdwaalde kogel, een uitdijende cel, een gasgeurtje, een getal te weinig, een duimbreed te kort, een visgraat, een luchtbel, een cijfer te veel, een komma te kort… kunnen de klakkeloze dommekrachten vormen waarvan het noodlot zich bedient. Het lot zit ‘m in het detail, maar het noodlot doordrenkt ook tijden en ruimten. Bovendien kan de ene mens voor de andere noodlottig zijn, terwijl dat dan net voor eerstgenoemde diens geluk kan betekenen. Voorwaar: de mens is een loteling, overal en altijd. En dat benul vormt het eerste besef van depressie.

    Maar ik kan ook essayeren. Ik hoef niet per se die foeilelijke groepsfoto te zien, maar ik kan wel kijken naar wat er buiten het kader ervan toen is gebeurd. Zoals ik tussen de regels van een gedicht kan lezen. En ik kan zelf ook opzij kijken bij het ondergaan van zo’n groepsfoto, of er doodgewoon niet willen opstaan. En dat benul vormt mijn eerste besef van expressie. Altijd een beetje opstand, weet je wel. Maar eerlijk.

    Opdat niet alles tegelijk zou gebeuren, vonden we de notie tijd uit. Enige orde op zaken, gemakshalve chronologisch, was meer des mensen dan van nature. In al onze ijdelheid meenden we die tijd te kunnen beheren en beheersen door hem aan wanden op te hangen, om onze polsen te binden of hoog in torens te installeren. Zo knullig onbenullig: de tijd in mootjes hakken om die te kunnen overzien. Zonde van die ene seconde!

    Ook het element ruimte kreeg in de loop van de (chronologische) geschiedenis een aantal facelifts.Enige bewegingsvrijheid drong zich op, al zouden territoriumgedrag en grensgevallen zich al heel vlug voordoen. De wereld werd later een mondiaal dorp, jawel, maar in elk straatje en op elk pleintje wordt nog gevochten.

    Tijd genereert leeftijd, zegge en schrijve: ouderdom. Lot dat we niet in de hand hebben. Het is onmogelijk vele jaren aan het leven toe te voegen (een ouderdom van 150 mensenjaren zal de grens zijn); het is alleen de kunst leven aan de menselijke jaren toe te voegen. Een ader gaat net zolang mee tot het vege lijf er genoeg van heeft. Taant de expressie naarmate we steeds meer leeftijdskapen ronden? Dimt het benul?

    Ruimte creëert afstand annex de noodzaak aan snelheid. Lot dat we evenmin beheersen. We hebben de techniek op dat vlak nog niet voldoende in de hand. Het begrip risico komt hier veel vaker onverwacht uit de bocht opdoemen. Het wiel en de trap zijn geëscaleerd. Mars is in zicht. Binaire nullen bepalen veel. Het benul groeit.

    Het (nood)lot is onbeheersbaar en maakt deel uit van het leven, dat tot nader order van dat lot gelijkmoedig of gelukkig kan verlopen. Pas na het toeslaan van het noodlot, beseffen we dat we in een gewoonheid vertoefden die ons onbewust gelukzalig maakte. ‘Een mens is goed omdat hij niet slecht is,’ verzuchtte Oblomow ooit, horizontaal gelegen. Parafraserend zouden we kunnen stellen: een mens kent geluk pas bij niet-geluk. Oblomow is een van de grootste onbenullen uit de literaire geschiedenis, met een ontstellend gehalte aan expressie op zijn actief.

    Levert het ruimtelijke noodlot anderzijds iets op? Nou, ballingschap verschafte wel eens nieuwe inzichten. De nomadische mens werd er niet dommer op. Maar je zult maar ter aarde geworfen worden in een sloppenwijk of als elfde koter in een mijnwerkerswoninkje in de Borinage. Of door ziekte of gebrek verbannen worden naar je werkkamertje.

    Levert het tijdelijke noodlot anderzijds iets op? Tja, bent u geboren en getogen op een interessante tijdsscharnier? Maakte u bewust het meest bepalende decennium van uw eeuw mee? Bent u loopgraafsoldaat uit De Groote Oorlog, cocktaildrinker uit de roaring twenties of stond u eind jaren zestig op de barricades in Parijs? Bent u als schrikkelkind pas om de vier jaar eens jarig?

     

    Noodlot, lot, voorbeschikking. In sommige gevallen genereerde het lot van één iemand geluk en voldoening voor vele anderen. In andere gevallen deden zich bijna schilderachtige, alleszins romantische gevallen van voorafbeelding voor.

    Shelley stierf eenzaam in een woest tempeest. Tolstoj gaf net als zijn Anna Karenina de geest op een spoorwegstation. Rilke zou overleden zijn aan de gevolgen van een doornprik van een rozenstruik. Virginia Woolf koos het water als eindbestemming, met stenen in de zakken en bezwaard gemoed: het geluid van water is de basstoon in haar teksten. Esopus had een bochel en werd de vader van het fabeldicht. Homerus was blind en schiep een formidabele wereld. Erasmus leed aan jicht en bleef noodgedwongen binnenskamers voor zijn Lof der Zotheid. Ronsard was doof en werd de recordhouder van de welluidendheid in de Franse bellettrie. Andersen was aartslelijk, wou het theaterpodium op, maar schreef uiteindelijk sprookjes.

    En, last but not least: Montaigne trok zich op 37-jarige leeftijd met een ernstige nierkwaal in zijn torenkamer terug om een ‘zelfportret’ te schrijven. (Misschien ook uit ontgoocheling over de wereld en in een poging zichzelf in die wereld te definiëren? Immers: La plupart des occasions des troubles du monde sont grammairiennes.) Hij werd de aartsvader van alle ‘probeersels’.

    Eeuwen later zou Anton van Duinkerken schrijven : ‘Zo is de mens gebouwd, dat zijn ellendige gebreken dikwijls de voorwaarden worden tot zijn schitterendste heerlijkheid.’ Wij voegen daaraan toe : … voor de anderen. Is het immers niet dankzij de Ballade van Arie Hop (John O’Mill) dat duizenden Hollandse kindjes van de vreselijke nagelbijtdood zijn gered?
    ‘Aanhoort het noodlot, fel en wreed/ van een kind dat op zijn nagels beet.’ 
    Voorwaar: perfectie is saai. Dat eerlijke benul genereerde al menig meesterwerk.

    Een speling van dat lot mag allicht worden begrepen als een gebrek aan bevattings- en incasseringsvermogen bij de mens. Nou: gebrek aan benul, dus. Zegge en schrijve: onbenul. Het woord ‘speling’ vertolkt ons onbegrip en onze onmacht ten opzichte van voldongenheid… en van de willekeur van deze voldongenheid. Het degradeert het lot tot iets grilligs. Ook de natuur kent haar door de mens toegedichte speling – dan ontpopt ze zich in noodlottige gedaantes: ziektes en natuurrampen zijn misschien de twee sterkste dommekrachten waarvan het noodlot zich bedient. Desgevallend of desgewenst kan Lot dan met een hoofdletter worden geschreven, rijmend op of met God. Dat hoofdletterlot zal een fatale bliksem niet toeschrijven aan een botsing tussen overspannen wolken, maar aan een boze God die met zijn lastoestel de gaten in de ozonlaag weer dicht probeert te schroeien. We zorgen er wel voor dat er ons altijd iets boven het hoofd hangt. Onze onbenulligheid is te groot. We doen daar iets aan. We maken ons klein en geloven in iets groots. Maar misschien vergeten we dat ons vergrootglas ook de feilen en fouten mee vergroot.

    Er zijn dus loffelijke pogingen. Lotelingen hopen altijd op het goede getal, op geluk. Het is verslavend. De ruimtevaart probeert aan het lot van de zwaartekracht te ontsnappen. (Vallen, epilepsie zijn zo werelds). Scalpel en medicijnen proberen lotgevallen te bezweren die haaks staan op de menselijke conditie van gezondheid. (Epidemieën zijn zo des werelds). God met een hoofdletter wordt aangeroepen wanneer de rede radeloos wordt ten opzichte van onmenselijke machten. (Goden zijn nochtans jaloers op stervelingen).

    Kan men zich dan wapenen met zoiets als vrije wil? De vrije wil van de mens bestaat misschien alleen hierin dat we zaken kunnen toeschrijven aan het (nood)lot, en aan spelingen daarvan. De vrije wil is zo breeddenkend te aanvaarden dat we niet alles in de hand hebben. De vrije wil is ontroerend menselijk, en flaneert, soms pretentieus en opzichtelijk, soms tolerant en bescheiden, op de catwalksvan pessimisme en optimisme. Maar eigenlijk bewandelt de vrije wil een derde circuit. De vrije wil meent namelijk rekening te houden met alle seizoenen in één keer. De vrije wil weet: Versace stippelt die bepaalde lijn uit, omdat de mode wil dat het weer lente wordt. De vrije wil weet ook: nooit zal een enkele boom, een enkel blad rekening houden met Versace. Toch is hij  een van de koningen van het benul.

    Alleen enkele voortekenen behoeden ons ietwat voor voldongenheden. Het is passend en goed daar benul van te hebben. Dieren zwijgen stil bij naderend onweer. Bepaalde honden voelen een epilepsieaanval bij hun baasje aankomen. Sterren, de vlucht van de vogels en wind schijnen gelezen te kunnen worden. Een knipoog, een vlinderslag, een fluitsignaal, een bel, een profetie, een getal, een gebaar kunnen bepalend zijn. En een oud spreekwoord bij de Toearegs zegt:
    Als de weg bochten begint te maken, is de koning oud geworden.

    Knullig toegeven, bezweren of negeren? Hoe groot is mijn benul? Hoe klein is mijn onbenul? Het is mijn lot dat ik niet zeker weet of er zoiets als noodlot bestaat. Stel dat noodlot zin heeft, en bestaansrecht, dan moet er een ander woord voor worden bedacht. Het blijft essayeren. Expressie. Depressie. Ik doe er misschien iets aan. Ik heb benul. Eerlijk is niet altijd heerlijk, maar duurt het langst.

    Daarom, toegegeven, voorwaar: de mens is een loteling. Van alle niet-geborenen is hij ooit de uitverkorene geweest om als loteling te leven. De borstentorser als niet-man; de teelballentorser als niet-vrouw. Hij (m/v) is de gelukzak bij uitstek. Zoals hij zijn er zoveel. Hij is een appartemens. Zijn geboorteschreeuw is er een van angst, verbazing en geluk. Zijn getalletje wordt getrokken en daar is reeds zijn eerste lotgevalletje. Zijn avonturen kunnen een aanvang nemen, in het gezelschap van zijn lotgenoten. De stomme gelukzak. Het onbenulletje. Als hij/zij wat geluk heeft: het individuo. Wordt het benul of onbenul?

              

    Een outtro over een lelijk woord

     

    Benul klinkt niet fraai. Het ziet er ook niet uit. Het is het ongetalenteerde stiefzusje van besef. Het is het stoute broertje van inzicht.

    Het opperste staaltje van benul vond schrijver dezes verwoord in een tekst uit 1938. Hij is van de dichter Roland Holst. Nog nooit heb ik een betere formulering gevonden in verband met het verschijnsel ‘dichter’, die de echte koning van het hele gamma is: van benul over idee en notie en kennis en verstand en bevattingsvermogen tot inzicht. Holst stelt dat te midden van de meeste mensen, die zich reeksgewijs naar karaktersterke voormannen schikken, zich afzonderlijke aanwezigen bevinden.

    ‘Het zijn wezens, die als het ware vanuit een ijler en volstrekter leven in deze wereld kunnen doordringen en er zich handhaven door een tot hier geborene in te varen nog voor de vorming van de korst, die karakter heet, begonnen werd. Zij gaan, tegelijk hevig en droomzwaar, hier om, helder of duister, in ons midden of afgewend, en leven – al is het maar in verhalen – naderhand voort in de wereld of in een dorp, of maar in een straat. Soms verschenen zij als helden of als heiligen, soms als bozen; zij leven zonder karakter te vormen, enkel als verzichtbaarde wezens van buiten uur en feit, luide of stille bezetenen, en kunnen, vaak nog door de herinnering, die zij nalaten, velen uit het reeksgewijze bestaan losrukken en onverschillig maken voor karakter of aanzien, hen verterend in de hoge koorts van het heimwee naar de gebieden waar zij vandaan komen. Heimwee, want bij elke wieg heeft een deur opengestaan, al was het nog zo kort en op een kier, naar wind en licht buiten de tijd.’  

    Als dat geen geniaal verwoord benul is. Ik dacht het wel: dat er nog iets anders aan de hand was. Ik besef het meer dan ooit. Ik heb nu inzicht.


    18-04-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.271: Gestopt

    GESTOPT

     

    Na jou.
    Nou ja.
    Ja hoor.
    Dank je.
    Wel fris.
    Zeg wel.
    Rook je?
    Niet meer.
    Blijf je?
    Weet niet.
    Ik wel.
    Ach zo.
    Wordt leuk.
    Zal wel.
    Wat nu?
    O nee.
    Het stopt.
    Duw eens.
    Doe ik.
    Gaat het?
    Blijft zo.
    Nog niet?
    Gaat niet.
    Wacht eens.
    Helpt niet.
    Laat mij.
    Weer niet.
    En nu?
    Een peuk?
    Dank je.
    Dus toch.
    Eentje maar.


    02-04-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.270: Ik zou u schrijven

    IK ZOU U SCHRIJVEN    
                                     

    Ik had het u gezegd dat ik u zou schrijven. Ik had u stellig een bericht beloofd, maar ik had zoveel aan mijn hoofd. De dagen kropen voorbij als een leger trage peulenschillen. Ik weet dat ik in gebreke ben gebleven, en toch: ik hoefde alleen maar dicht te kleven. Nu ik het schrijven ben verleerd, weet ik evenmin hoe u aan te spreken: beste, lieve, of doodgewoon hallo. Toch ligt mijn brief gereed. De woorden zijn al opgeschreven en uw verandering van woonst is genoteerd. Tussen de regels smokkelde ik uw ontbreken en gewaagde van de zwaartekracht daarvan: dat alles, alles in het niets verzinken zou bij die leegte vergeleken. Ik pelde een kalender, telde af, maar bleef halverwege steken. De ellende was dat wat ik schreef dag na dag verschieten bleef. U verbleekte met de woorden mee, totdat er niks meer over was. Ik schrok van de snelheid waarmee. Weet: dit schrijven had u kunnen bereiken. Ik zweer u dat ik daar ben blijven steken waar ik niet wist hoe u aan te spreken. Zo blijft u vers na vers ontbreken, alsof u onbeschrijfelijk bent. Zo moet ik blad na blad toegeven dat u de dichtkunst goed verstaat.

    Hoor ik daar eindelijk iets? Ik keer de zandloper weer op zijn kop en luister naar oningevuld gerucht. Het blijft bladstil; het is niets. Ik laat u dan maar wonen in het gedicht. Ikzelf ben blijvend aan het dolen, schrijvend op zoek naar uw gezicht. Tussen de regels zit het diep verscholen. Ik tel de woorden als de uren: ze blijven komen, ze blijven duren. Maar of ik ze zal versturen?

    S.


    26-02-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.269: Koksmonoloog

    MONOLOOG VAN DE KOK

    (fragment uit het toneelstuk Hotel De Stervende Olifant)

     

    { Onbestemde ruimte. Suggestie: achtergrondprojectie Bulgaars landschap? Eerder als in een droom. Chef-kok Skinov houdt een culinaire monoloog, gewapend met een schuimspaan waarmee hij zijn woorden dirigeert. Hij is ook in volle koksplunje en draagt een groot rugnummer 1. Af en toe grijpt hij iets eet- of drinkbaars uit een voorraadzakje om zijn hals, zoals renners op de fiets dat doen. Dat zakje wordt hem op een bepaald ogenblik aangereikt door een overdreven lange arm, die tijdens deze scène voortdurend zichtbaar is vanuit de coulissen, totdat het zakje is aangereikt. Dat mag een overdreven, zeer lange arm zijn. Deze scène figureert eigenlijk als een visioen. Het kan een droom van Skinov zijn, die alludeert op de dood(soorzaak) van een beroepsrenner: bloeddoping annex viscositeit van het bloed annex (risico op) trombose met de dood tot gevolg. }

    Skinov {hoogdravend}Bulgaren leven lang! Bulgaren tergen de tijd! Het zijn niet de tijden die veranderen, maar de mensen die verouderen. Bulgaren niet. Geheime diëten met Bulgaarse yoghurt beletten het stremmen van het menselijk bloed. Balkanblubber waar zo de spot mee gedreven wordt, doet iets aan de viscositeit ofte stroperigheid van het bloed.  Bulgaarse koks raken niet van de kook.

    (HIER GAAT SKINOV ZIJN EETZAKJE PLUKKEN VAN DE OVERDREVEN LANGE ARM DIE HET HEM VANUIT DE COULISSE AL ONONDERBROKEN ZICHTBAAR AANREIKT. HIERBIJ IS ZIJN RUGNUMMER 1 OOK GOED TE ZIEN. HIJ HANGT HET ZAKJE OM ZIJN HALS. EEN KEER NEEMT HIJ IETS TE ETEN; EEN KEER IETS OM TE DRINKEN. DE LANGE ARM VERDWIJNT ONDERTUSSEN LANGZAAM.)

    Hun gasten raken evenmin van de kook. Mijn sauzen zijn bloedverdunnend; mijn vuren antibacterieel. Ook blauw bloed hoeft me niet te vrezen. Ik kan blauw koken; ik kan rood koken; ik kan groen koken; ik kan zwart koken. Ik kan de eenkleurige kok bij uitstek zijn: één dag, één kleur. Wees gerust: uw bloed wordt er niet dikker van. Ik kan ook de Bulgaarse, de Vlaamse, de Waalse en de Belgische vlag koken. Coq-au-vin. Vol-au-vent. Coq-au-vent. Vol-au-vin. Coq-au-Vol. Vol-au-Coq. Ik hutsel; ik knutsel. Regenboog- en olijfboomkoken kan ik. Ik heb al voor heter vuren gestaan. Koken zit me in het bloed. Mijn bloed kookt. Ik trek mijn messen. Ik sidder en ik sudder bij de aanblik van een krop jonge sla met een diep verborgen knop, ik sidder en ik sudder bij de aanblik van een koppel opengespreide kikkerbillen als jongemeisjesdijen, ik sidder en ik sudder bij de aanblik van een knipogend konijnenoog in de gelatine van potjesvlees gevangen, ik sidder en ik sudder bij de schreeuw van de kreeft vlak voor het dodelijke doopsel. Ik ken de weldaden voor het menselijk bloed: de heilige oliesels uit Italië, de goede oliën uit de noten, de knoflook die de papillen teistert en de adem verpest, de sappen van {nadrukkelijk} beetgare en Búlgare wortelen. De evenaar, Kreeftskeerkring en Steenbokskeerkring lopen door mijn keuken. Ik eet en ik kneed en ik weet wat goed is voor merg, been, huid, haar, spier, bloed, hersens, kak en pis, want dat is wat de mens is. En als het moet, dan krijg je van mij een steak pretentie. Tweedegeneratievlees. Dan zeg ik: neemt en eet en verslik en stik, mijn boontje komt om zijn loontje. Voedertijd! Ravitaillering! Potjes poeders! Zakjes bloed! Voorwaar ik zeg u: eet mij, drink mij, dit is mijn vlees, dit is mijn bloed …

    { De rest gaat verloren in hevig geclaxonneer van volgwagens à la façon de Tour de France }.


    21-01-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.268: Een photo

    EEN PHOTO

     

    Interrogatum est: Inveniamne?

    Responsum est : Invenies.

    Fiamne dives ? Fies.

    Vivamne invidendus ? Vives.

    Moriarne in lecto meo ? Ita.

     

    Er is gevraagd: Zal ik het vinden?

    Het antwoord is: Dat zult gij.

    Zal ik rijk worden? Ja, dat zult gij.

    Zal ik tijdens mijn leven benijd worden? Dat zult gij.

    Zal ik in mijn bed sterven? Zo zal het zijn.

     

    Dat zijn de vragen die de hoog dichtgeknoopte vrouw op de oude foto aan de zwaar bebakkebaarde man naast haar onuitgesproken stelt. Zij kijkt hem daarbij niet aan. Zij kijkt, zoals haar ooit gevraagd werd, in de lens. De vrouw zit op een kleine sofa; de hand van de man rust op de leuning van de sofa. Hijzelf staat half achter het ontroerende zitmeubeltje. Hij denkt: ‘Ik heb een goede vrouw. Tijd om met haar weer eens vereeuwigd te worden.’

    De vrouw is aan de fles, maar de man weet dat niet. Hij zit vele malen eenvoudiger in elkaar dan zijn eegade. Zijzelf is een hoogbegaafde huisvrouw – een van de allereerste, omdat er sinds die tijden geen geld meer is voor een huishoudster, butler, kokkin en stalknecht. Nochtans heeft zij ooit Latijn, Grieks en algebra geleerd. Daar kan zij geen gezin mee beredderen (en op photo’s ook niet doen alsof) dat zes kinderen telt, telde: vier in leven. Omdat het leven uit haar werd weggezogen, giet zij het stiekem weer vol met alcohol. Geestrijke dranken verdoven ietwat haar geest. Of dat waar vele anderen noch de woorden noch het bevattingsvermogen voor hebben. Zij bezweren ietwat het gevaar, maar net zo goed doen zij dat harder oplaaien.

    Het is de laatste photo genomen van de vrouw.    

    Was deze intelligente vrouw misschien na een stuitend misverstand met haar wettelijk geregelde wederhelft domweg over een po gestruikeld, ondertussen door die ongelukkige val de geest gevend, en was zij daarna inderdaad in haar (eigen) bed getuimeld? De schedelpan gespleten door de kracht van een snel geheven en weer neerdalende kandelaar? (O geliefd moordvoorwerp!) Of gewurgd door een stel vertrouwde mannenhanden die… nou: zichzelf plotseling niet langer in de hand hadden? Of… was er een andere teelballendrager in het spel? In diezelfde slaapkamer? Vrouw, misschien? Is er met gif gewerkt? Naalden, priemen? Een diepgevroren schapenbout? Is deze hoog dichtgeknoopte persoon van vrouwelijke kunne onwel geworden door een uiterst naar bericht en was er niemand in de onmiddellijke omgeving om Hare Hoogdichtgeknooptheid te ontknopen? Zag ze overal hardheid en hindernissen, schoot ze zich daarom voor het hoofd en viel ze daarna in een laatste sentimentele wanhoopskramp van troost op haar eigen bedhelft neer? Een horizontaal sanctuary? Nooit meer slapen, nooit meer opstaan?

    We zullen het nooit te weten komen als we alleen maar naar deze veelzeggende photo staren. Feit is dat dit de laatste photo betreft van de vrouw in levenden lijve. We zullen forensische wetenschappen nodig hebben om deze boeiende photografie met andere ogen te bekijken.


    19-12-2013
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.267: Getetter & Getoeter

    GETETTER EN GETOETER IN DE LETTEREN


    Schaduw van de koning is een hallucinante letterkundige prestatie, gestut door een groots historisch besef, een scherpe pen en een perfect gevoel voor opbouw en spanning’ (Herman Brusselmans, op de achterflap en op de cover).

    ‘De origineelste van alle Vlaamse misdaadauteurs’ (Che)

    ‘Een unicum in de Vlaamse thrillerwereld’ (Humo)

    ‘Niemand schrijft thrillers als Bavo Dhooge’ (Standaard der Letteren)

    Schaduw van de koning is zijn voorlopige magnum opus’ (citaat uit de flaptekst)

    Laten we even kijken.

    Eerste citaat: ‘Kolonel Werner Kiewitz, de bewaker,’ zei de man. ‘Wat is er gebeurd met uw arm?’ Hij knikte naar de leegte, de herinnering aan mijn rechterarm en schouder.

    Tweede citaat, enkele bladzijden verder: ‘Ik deed zachtjes de deur weer dicht en waste mijn handen voor de gebarsten spiegel, die mijn gezicht in twee helften leek te splitsen. Een goede helft was er echter niet meer.’

    Nou, wat hebben we hier voor hallucinants letterkundigs? Als dat niet thrillt!!

    Een eenarmig hoofdpersonage dat plotseling zijn handen staat te wassen. En dat reeds in het begin van het verhaal. Niet te verwonderen dat het de grootste lapzwans uit de letteren is die zowel voor als achter op de cover zes holle adjectieven (moet het overigens niet groot zijn in plaats van groots?) over deze thriller de letterkundige wereld in bazuint. Je vraagt je af hoeveel per stuk dat moest kosten. En of het boek nu tegen halve prijs verkocht zal worden.


    19-11-2013
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.266: Water

    WATER                                                                                            

    Water uit de hemel kan je niet eeuwig tegenhouden. Dijken dammen het aardewater af. Hemelwater valt niet mee.

    Nederland heeft nog vijf jaar te leven. De zeespiegel stijgt en het regent onverdroten. De klank van ‘verdriet’ zit in dat woord. En van ‘vergiet’.

    Voor een lage streek zijn de dijken en de dammen maar materiële symbolen van een ijdele hoop. De les van 1953 is wel geleerd, maar die van 2018 zal niemand in Nederland ooit nog navertellen. Tenzij het koninkrijkje voltallig op het water gaat wonen.

    Op de documentaire tv-zenders is – met weliswaar rustige stem – al jaren gewaarschuwd voor vloed en snood. In nog andere documentaires werd – met iets onrustiger stem – geponeerd dat water het nieuwe kapitaal van de toekomst uit zal maken.

    Nou.
    Laat het dan maar regenen, zeker?
    Iemand nog een glas water?

    Een dreigende druppel die in een plas valt, kan de toon zetten voor een beklemmende film.
    Vuur kan je wegjagen. Door hetzelfde water waarmee je vuur wegjaagt, word je de dood in gejaagd.

    Water lijkt altijd gelijk aan zichzelf te zijn. Er is niets tegen in te brengen. Je moet het nemen zoals het is of zoals het zich aandient. Aanvankelijk kun je opvangen of afleiden. Zelfs gebruiken. Gewoon laten vallen of komen, maar wanneer water wraak neemt en de massa groter en onbeheersbaar wordt, ben je prooi en slachtoffer.

    Nederland zal nooit verdwijnen door bosbranden. Je mag het dan nog op z’n geheel schroeien of blakeren. Het zal wel verzuipen. De watermassa’s zullen boven deze lage streken een grote natte rimpeling draperen, de aquadoodsreutel van Kikkerland. Hier en daar zal de opperste spits van een torengebouw nog als een vingerwijzing in de lucht priemen: ‘Jongens, had toch dat glas water uitgedronken!’

    Heel Nederland zal H²O zijn.

    De Hollandzee.

    Geen storm in een glas water.

    PS De sinterklaasstorm van 5-6 december 2013 was een waarschuwingsprik.

           Het betrof een oefening in 'oranje boven'. 

    (Begin december waren de boomkruinen al voldoende krokant om bij de eerstvolgende windstoten hun bladeren af te geven. Niemand had zich echter aan die sinterklaasstorm verwacht. De combinatie ‘waaiweer’ en ‘sint’ fietst er bij iedereen in als zoete koek, maar dit zou andere koek worden. Zei men.
    En zie, voorwaar: bij nacht en ontij werden anno 2013 andermaal (remember WOI, WOII, 1953) zandzakjesweringen opgetrokken, dit keer door mensen in oranje hesjes. Oranje boven. Geleidelijk aan werd duidelijk dat het waterpeil zorgen baarde, en niet de grillen van Heer Wind. Het dreigende geklots bereikte hier en daar zijn tergende recordhoogte, maar uiteindelijk kleurden de lage streken aan zee en aan de Schelde niet langer oranje.

    De grote vraag is nu: hoelang zal het nog oranje boven zijn?)

    XTRA PS In Vlaanderen/België gaf men de sinterklaasstorm de naam 'Dirk'. Stormen/orkanen krijgen toch vrouwennamen?

    XXTRA PS In februari 2014 loopt eerst een stuk van Good Old England onder water.


    18-10-2013
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.264: Beu

    BEU

     
    - Beu!
     
    - Koeiemorgen.
     
    - Allez: loei, ja!
     
    - Beu!
     
    - Koe zo! 

    07-10-2013
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.263: Acteur

    ACTEUR                                 

    En ja hoor, het deed zich plotseling voor. Omdat we sedert kort niet zo ver van elkaar woonden. Zelfs dezelfde bankier hadden. Bakker. Slager. Ik botste op Gérard Depardieu in levenden lijve, niet ver van de taalgrens even bezuiden mijn eigen stadje. ‘Get a nosejob’: dat was het allereerste dat door mijn hoofd flitste. Gelukkig ontsnapte dat niet uit mijn mond. ‘Een klein wit gesneden brood’, vertolkte Depardieu. Dat was niet tot mij gericht. We stonden beiden tegenover een mooie bakkersvrouw. ‘Jouw broodje is wel al gebakken hé’, gromde ik onwillekeurig. (Als liefhebbersacteur sta ik wel vaker in mezelf te mompelen). Ik kon het niet helpen. ‘Hé?’ deed Gérard, zijn indrukwekkende lijf een kwartslag draaiend. De neus van de acteur veroorzaakte even een gulp oostenwind. ‘Goedemorgen meneer Depardieu’, groette ik eerbiedig in een aanpalende taal. Toen viel ik bijna steil achterover van onthutsing. Ik ontdekte dat hij een exemplaar van het Vlaamse theatermagazine OpenDoek onder zijn arm geklemd hield. Even kon ik geen woord meer uitbrengen, in geen enkele taal. ‘Heb ik iets van u aan misschien?’ informeerde de acteur dreigend-vriendelijk. ‘Maar nee, ik doe niet in grote maten’, stamelde ik verloren, terwijl mijn blikken zich andermaal aan zijn enorme pief vasthaakten. De bakkersvrouw overhandigde nu het kleine broodje aan de grote man. Daardoor kreeg ik de slappe lach. Tegelijkertijd kukelde het exemplaar van OpenDoek van onder Gérards arm op de grond. Gezamenlijk bogen we ons voorover om het ding op te rapen: ik proestend, hij geïrriteerd. Ik was waarschijnlijk de honderdduizendste oen die hem teisterde. We botsten nu knoerthard met onze koppen tegen elkaar. Daardoor kreeg ook de bakkersvrouw de slappe lach. Er trok donkere bewolking over het gezicht van de acteur. Hij klemde boos zijn broodje onder zijn arm en spoedde zich weg uit de bakkerij, met achterlating van OpenDoek. Diezelfde dag nog vroeg Gérard Depardieu de Russische nationaliteit aan.  En de bakkersvrouw abonneerde zich op OpenDoek. Een happy end aan een onwaarschijnlijk verhaal.


    28-07-2013
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.262: Vederlands

    VEDERLANDS

    1. Letterbetisch

    Achterbaksel: lastig nageslacht op de achterbank van een auto

    Afkoriaans: afko-taal

    Appartemens: persoon levend op eenzame hoogte

    Asbest: as op z'n best. Op z'n asbest: niet op z'n paasbest. Dood.

    Baasontsteking: woedebui van iemand die het voor het zeggen heeft

    Basielzoekers: in de aap gelogeerde Fawlty Towersachtige hotelgasten

    Belgrim: Belg die ijvert tegen de barst in België

    Binnenpretparkje: aardig stadstuintje 

    Bikiniks: monokini

    Briesvak: tribunecompartiment van die-hards

    Bewijsbegeerte: drang naar vraagstukken en hun oplossingen; drang om te meten

    Curryculum: levensloop van een kok

    Coureur local: kermisrenner

    Chemie: bekend restaurant

    Demonstructie: samenraapsel van demonstratie, instructie, constructie, deconstructie, demon en demolish

    Diadeemstering: aanval van flauwte bij het ondergaan van andermans diareportage 

    Enterprise (The): Engels stopcontact

    Europa: vrijgevige opa op 1 januari

    Fluisternis: schemertoestand van ingetogenheid 

    Flestiek: plastic fles

    Fauto: foto van een auto

    Fouto: foto van een lelijke auto of lelijke foto van een auto

    Galopkak: diarree (synoniem: spreadshit)

    Glasnosticus: gelooft niet in dooi

    Godspot (ook: G-plek): kerk

    Gooikoorts: dronken drang om met alles te gooien

    Hakcent: cijfer na de komma

    Hoofddrol: directeur van de lege dozen

    Hoolifant: volslanke nietsontziende voetbalgeweldenaar

    I-A: het omgekeerde van A(d) (I)nterim

    IJshokkie: iglo

    Individuo: een duo dat onlosmakelijk tot één specifiek individu behoort. Voorbeeld: de kont

    Jawoord: nee

    Kijkgelijke: lookalike

    Kontainer: omvangrijke hoeveelheid zitvlees 

    Korstdag: tweede kerstdag

    Kluisteraar: toehoorder bij Een Dichter Leest Voor Uit Eigen Werk

    Krenggesprek: discussie met een tang van een wijf

    Lachmerrie: noodgedwongen te ondergane mop waar je niet mee kan lachen  

    Liggende wip: bepaalde schietsport

    Luchtmisdrijf: ongezonde uitstoot

    Mayonijsje: uitgelopen ijsje

    Millenniummers: die zijn geboren tussen 2000 en 2010

    Miskunde: het buisvak wiskunde

    Neerslagtigheid: herfst in je hoofd   

    Nelders: nergens anders

    Neuzelarij: neusinhoud 

    Nopdat: opdat niet (zoals in 'lest we forget')

    Nostaligie: heimwee naar kaarsen, wierook, missaals en Latijnse missen

    Onderdegrondstopping:  teraardebestelling van een vijand 

    Ooigevaar: schaap dat in wolf veranderd blijkt te zijn

    Papenkruis: ultramontaan kruisteken

    Quotiënt: spoorloos patiënt

    Religeus: probeert ongelovig te zijn

    Rotterdame: kerk als sanctuary gebruikt door vooral havensloeries & -sletten

    Roverheid: corrupte overheid

    Rukwind: geladen variant van rugwind; veest tijdens het rukken

    Rushuis: rusthuis in de fik 

    Scheldklier: overspannen iemand die met overslaande stem iemand de mantel uitveegt

    Sms: afko van smoes 

    Seriewoordenaar: romanschrijver 

    Stopcontract: ontslag

    Tweehonderd: een duo sufferds van honden, vergelijkende trap 

    Turnzak: bedorven Nederlands voor slechte leraar gymnastiek

    Ukkelpop:  Sabine Hagedoren

    Upperdog: met das opgeknoopt kaderlid uit de bovenwereld

    Vakbons: werkloosheidsuitkering of gouden handdruk of hoge pief in de vakbond

    Videoot: mens zonder papieren of beeldbuizerd

    Vlameling: Vlaming die zich niet meer thuis voelt in het multiculturele Vlaanderen

    Waanhoop: zeer ijdele hoop

    Webdracht: taak op het internet

    Wisdaad: perfecte moord

    Woelrenner: onbetrouwbaar eindspurter

    Wijnbegeerte: alle wijsheid in een kan

    X: afko voor ‘k zal lang moeten zoeken

    Y: Griekse schiereiletter

    Zaagmeel: ongevraagd steeds weerkerend mailbericht

    Zakjapanner: kleine Japanner 

    Zinsverduistering: kaduke zinsbouw. Wanneer grammatica dramatica wordt. 


    2. Vederlichte inspraken

    Winnen is belangrijker dan deelnemen
    Ooit zal niets van dat alles van ons zijn
    Beauty calls
    Jammer dat God dit niet meer mocht beleven
    Gelukkig geleek de pasgeboren baby vooral op zichzelf
    Kunt u leven van de pen? Ik kan er wel bij blijven werken
    We zitten een leven uit op later en dood


    3. Vedersproken

    Er heerste een ijzige stilte toen de vorst zijn intrede deed

    ( Vederdenker: … kan worden vervolgd … )


    14-07-2013
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.261: Etters & Engelen

    ETTERS & ENGELEN

    Kinderen, engelen zonder vakbond, ettertjes zonder stemplicht, hebben me al vaker geïnspireerd om te schrijven. Soms ook inspireren ze me om ze vierkant bij hun lurven te vatten en ze te doen kiezen tussen een half pak rammel of een volle week ouderwets internaat op levertraan en vis en melk met vellen. Kinderen: volwassenen op maquetteformaat? Volwassenen: ex-kinderen? Het hangt er waarschijnlijk van af hoe je je zelf op een bepaald ogenblik voelt. Ooit, lang geleden, maakte ik op één en dezelfde dag drie dingen mee waardoor ik andermaal over kinderen begon na te denken en waardoor ik dit stukje ging schrijven.

    Eén. Mijn vrouw en ik zaten ons blauw te ergeren tijdens een schoolvoorstelling van Midzomernachtsdroom, Schaakspier. Reden: frequent gefluister tussen twee prepubers vlak voor ons. Het stoorde grondig. Vooral omdat Shake’s dialogen veel beter waren. Net op het ogenblik dat we wilden ingrijpen, deed een andere vrouw dat. Maar… met een van onze kinderen, die met een vriendinnetje enkele ongemakkelijke stoelen verder blijkbaar ook stoorzender zat te zijn. ‘… blijft ge maar beter thuis…’, vingen we nog net op. Familiale interpellatie tijdens de pauze: het was natuurlijk weer niet de schuld van mijn dochter. ’t Is altijd de ander.

    Twee. Een shoppingkoffie aan een tafeltje bij het raam van een taverne. Een gezellig plasje inktzwarte troost midden in een propvolle drukke dag. Achter mij zat een wettelijk geregeld koppel. Hun nageslacht, in de vorm van een kind, liep rondjes in de taverne. Plotse, dreigende acceleratie van ruziënde stemmen: een theeënde dame kon die rondjes niet langer aanzien. Of kon ze niet tegen het uiterlijk van de beide verwekkers? De papa had lang haar en de mama zag er ook goed uit. Gekrakeel dus. ‘… blijft ge maar beter thuis…’, ving ik andermaal op. De dienster en de gerant werden er zelfs bijgeroepen. In stilte koos ik partij voor het kind. ‘Je mag hier wel vrij rondlopen, Sofietje’ hoorde ik de stoute papa tegen zijn kind zeggen. ‘Natuurlijk,’ beaamde ik inwendig.

    Drie. Ik stapte door de stad op weg naar een Zeer Belangrijk Gebouw. Op het trottoir ving ik een flard van twee woorden op, gewisseld tussen twee vrouwen: ‘Tante Pijn’. Ik dacht onmiddellijk te weten waarover dit ging. Een zekere gok. Een van de twee was verpleegster. Die moest haar nichtje af en toe een spuit toedienen. En dat kind zag ‘Tante Pijn’ niet graag  komen.

    En alzo, terwijl de Grote Beslommeringen des Levens zich in die tijd aan mij voltrokken, stond die dag eigenlijk in het teken van kinderen. Allemaal door details: zaalgevezel, een rondje ‘dame-erger-je-niet’, twee woorden in de regen.

    Kinderen? Echte etterbakken. Engelen zonder vakbond. Mensjes op zakformaat, maar er staat reeds een hoofd op en er zit een hart in. Als je ze eenmaal koopt, heb je ze voor lange jaren. Ik wens die twee stoorzenders een babbelzieke tweeling toe die dag en nacht doortatert. Ik geef Sofietje in de Shopping nog een rondje van de baas. En deze week is Tante Spuit zelf ziek.


    09-06-2013
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.260: Men spele...

    MEN SPELE …          

    Men voele zich geroepen. Men neme een aanzienlijke hoeveelheid vrije tijd. Men kieze een stuk. Men spreke een heleboel enthousiaste medewerkers aan. Men spreke er nog meer aan. Men beslisse over een halfjaar een ferm stuk op het podium neer te poten. Men zoeke repetitieruimte. Men stelle flexibele kalenders op. Men schrappe vrije weekends en vakantieperiodes. Men blokkere in zijn agenda drie avonden per week. Men haaste zich een zaal te boeken. Men zorge voor informatie zonder ook maar iemand van de zesenveertig betrokkenen over het hoofd te zien. Men lere ondertussen leven met zestien verschillende meningen over het gekozen stuk. Men zegge en schrijve en bedenke: dat zijn maar meningen, ik heb een standpunt. Men argumentere dat het toch echt wel dit stuk moet zijn. Men rake hierbij niet van de wijs. Men herbekijke evenwel toch eventjes de rolverdeling. Men stelle nog meer schema’s op. Men zoeke centen, veel centen. Men ligge bij nacht onrustig te woelen. Men wordt nachtmerriegewijs keer op keer weer met een dolkstoot afgemaakt. Of men verdwaalt honderdvoudig in een zweterig deurendrama. Men zoeke naar mogelijke vervanging of toch minstens een back-up van bepaalde opstandelingen. Men passe teksten en schema’s aan. Men neme alle verantwoordelijkheid. Men belade zich desgewenst met alle zonden van de wereld. Men stelle de auteur op zijn gemak. Men hale deze auteur zelf aan het station op zo deze zich in levenden lijve van de zaak wil vergewissen. Men biede hem tevens brood en wijn en twintig vrijkaarten aan. Men oefene bijwijlen de beroepen van elektricien en biechtvader uit. Men vertroetele de regisseur, maar bovenal de vrijwillige acteurs. Men is nooit meer thuis geweest. Men krijge eindelijk Een Stuk. Het Stuk Aller Tijden In Eigen Natje En Stadje. En men spele … Zo: u bent vereeuwigd. U bent onsterfelijk.


    10-05-2013
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.259: Kwaak

    KWAAK


    Het gebeurt wel eens dat ik een handvol kikkerbillen in een pan gooi. Die laat ik sissen en pruttelen in al het scherpst en pikantst dat ik in ons Land van Kokanje kan ontdekken. Soms spreek ik daarover, als het water me in de mond komt en als er geen kikkerbillen voorradig zijn. Telkens lijk ik op enige weerstand te stuiten. Een broer van mij, een fantastische kok, heeft problemen met het land van herkomst van kikkerbillen: het straatarme uitgebuite Bangladesh. Het lekkers komt ook uit India. Mijn vrouw zegt dat kikkerbillen net jongemeisjesdijen zijn, weerloos geslachtofferd in die ziedende pan. Hier en daar ook lees ik dat een kikker plotseling in een prins kan veranderen. Aan het gezicht van prins Charles kun je dat inderdaad merken.

    Toch zal ik als laatste wens voor het executiepeloton vragen naar een pan kikkerbillen, zonder blinddoek. Alsook: een half dozijn oesters. En misschien nog een hazenbout met een rodenbach. Om het te rekken. Plus een chocotoff, want die gaat eeuwig mee. Heb ik gezien in de reclamespot. De mensen van het vuurpeloton moeten hun kogels en geweren met look inwrijven. Dan kan ik deze wereld verlaten, een schroeiplek nalatend die geurt naar kruit, bloed, look, kruid, chocolade, zee en vlees. Mijn hemelvaart zal welriekend zijn. De enige stank zal komen van het vuurpeloton zelf, dat bestaat uit drie anonieme briefschrijvers. Zij die, met het verstand van een kiwi, het schijt in de schoenen en de daver in hun reet anno domini 1989 onhandig de pen ter hand namen om me in kinderlijke hanenpoten te melden dat ik op hun zieltje had getrapt. Ze deden dat met die ene zwarte stift die ze nog in huis konden vinden. Ik herkende de zielenpootjes aan hun ogen, hun spijkerschrift en hun doorzichtige vermommingspogingen. Ik lachte me er een kriek mee.

    Daarom wil ik geen blinddoek wanneer die anonieme bekenden me neerknallen. Ik wil ze alle drie een laatste keer in hun kierewiete ogen kijken. Ik wil ze zelfs nog een kikkerbilletje toegooien, of het wikkeltje van mijn allerlaatste chocotoff op deze aarde. Maar vooraleer dat alles plaatsvindt, wil ik ze ook waarschuwen. Een ontmoeting met mij kan de gezondheid zeer ernstige schade berokkenen.  Ik kan mensen in kikkers veranderen. Gekwaak kan ik herleiden tot zwanenzangen. Van een appel en een ei, een koetje of een kalfje maak ik een galgenmaal. Een kikkerpoel tover ik om in een modderbad van ellende. Ik heb ervaring met delegaties uit kikkerland. Ik herken lucht. Ik kan puitenpoten behandelen als geen ander. Ik zegen huwelijken in tussen kikkerdril en paddenwratten.

    Over afzienbare tijd krijgen we weer met opgeblazen gekwaak te maken. Ze gaan weer nu afrekenen, orde op zaken stellen, duidelijk voor de streek zijn, de veiligheid bevorderen, geen verse belastingen innen en werk maken van de criminaliteit. Kwaak kwaak kwaak. Zo klinkt het in deze poel van ellende. Geloof maar niet dat er een prins tussen zit. Het zijn puiten, altijd, overal, te land en te water. Hun lievelingsgerecht is een doofpotje.


    09-04-2013
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.258: Geschoold

    GESCHOOLD      

    Spelen dat je iemand anders bent. Theater begint al vroeg in een mensenleven. Op de speelplaatsen van mijn jeugd speelden we cowboy en indiaan. Het was al verdacht dat we dit altijd in dezelfde volgorde zeiden: cowboy en indiaan. Redneck en roodhuid. We moesten een kamp kiezen. De underdogs speelden indiaan. Die deden later iets in de sociale sector of met cultuur. De schreeuwlelijkerds wilden cowboy zijn. Die werden later verkoper of politieker. Wij hadden altijd dezelfde leiders. Zij hadden natuurlijk gezag verworven. Zij regisseerden ons.

    Eric was de baas van de cowboys. Eigenlijk was hij zo verlegen als wat. Zijn kop kon zo rood als een biet worden. Eigenlijk was hij vaak roder dan een roodhuid. Wanneer hij een vers moest voordragen in de klas, zonk hij door de grond van schaamte. Maar op de prairie van de speelplaats heerste hij als een tiran. Hij kon zich ook makkelijk verschuilen in en achter zijn grote bende cowboys.

    Didier leidde de indianenkliek. Nou: ‘leidde’. Hij was zo mak als een lammetje, had hemelse krulletjes die als een doornenkroontje om zijn kopje gevlochten waren. Hij was ook het zoontje van de schooldokter. In zijn zog galoppeerden een klein aantal softies die zich tot het roodhuidendom hadden bekeerd. Ik koos natuurlijk ook altijd voor de roodhuiden. Hoewel de upperdog van de cowboys zowat mijn buurjongen was. Daarom werd ik meer gespaard van onheil dan de andere indianen. Ik ging zelfs vaak van en naar school in het gezelschap van de cowboybaas. Misschien heb ik een carrière in de politiek gemist.

    Mijn eerste schminkbeurt deed zich ook in die middeleeuwse tijden van mijn jeugd voor. Ik was zo hard aan het galopperen over de speelplaats, op de vlucht voor een bende joelende cowboys, dat ik op de beenharde grond kukelde. Mijn knieën bloedden hevig. Ik huilde onindiaans. Een goede ziel die op een pinguïn leek en jarenlang in een klein hokje van de school vertoefde, ontfermde zich over mijn verwondingen. Zij bracht rode schmink op mijn verhakkelde knieën aan. Nadat de pijn weggeëbd was, stapte ik apetrots over de speelplaats. Ik koos een vaste uitkijkpost en keek naar het dagelijkse theater van de cowboys van Eric en de indianen van Didier. Dat was gelijk mijn debuut als toeschouwer. Mijn eerste theaterstukken waren dus openluchtvoorstellingen.

    De regen sausde onverdroten neer. De sneeuw hoopte zich metershoog op. De kraaien vroren met hun poten aan de grond. De wind huilde als een bezetene. Ja: het waren barre tijden op de prairie. Maar ik kwam gesterkt en geschoold uit de strijd.


    10-03-2013
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.257: A la recherche

    A LA RECHERCHE

     

    Net voor ik zestig word, zit ik een variant van pita te verorberen bij de Egyptenaar in mijn geboortestadje Torhout. Ik staar quasi gedachteloos voor mij uit. Plotseling bedenk ik dat ik hier vijf decennia geleden ook zat, op exact dezelfde plek, achter een dampende mok chocomelk. Toen stond hier het gebouw van de zg. Broeders Van Dale. Met de jeugdbeweging at ik hier op 6/12/1963 een koek, washed down met warme chocomelk waarop vellen dreven. Het was nog de epoque van winkels die koloniale waren in hun vaandel voerden. In de krant verschenen foto’s van zwarten met afgehakte handen. De winters waren nog streng; de zomers bloedheet. Rode limonade leste onze dorst. De Kerk was heilig; de biecht alleenzaligmakend. Ouders waren een gehoorzaamheidsinstituut en heulden mee met politie en school. Toen al dacht ik: ‘Ik verlang ernaar om ouder te worden. Dit is geen goede tijd.’ Ik zou die middeleeuwen van mijn jeugd voor geen geld ter wereld over willen doen. Vroeger was het niet beter. O nee. Het was alleen maar beter voor wie ongemoeid door de Staat geld verzamelde. Vroeger was: bar, koud, zweet. Je was jong, dus was je verdacht. Nu kom je op tv als je jong bent. We leefden in een krampachtige tijd en wereld. Na een oorlog. Koude tijden. Nu is het permanent oorlog, overal. Maar het thuisfront loopt er toch meer ontspannen bij: we hebben leren leven met (via de media) de nabijheid van wapengekletter en doodsgereutel. We noemen het zelfs (Arabische) ‘lente’. We zijn ‘geleerd’.

    Nou, een internationale pita voerde me à la Proust terug naar de leenroerige tijden van mijn jeugd in het stadje dat later nog eventjes wereldbekend zou worden als de helft van T/W. Toen had er nog geen mens op de maan gehuppeld. Op de bagagedrager van een fiets hield je je vast aan de veren van het zadel van je vader. Brood was lang houdbaar. Er waren geen veilige hekjes boven aan een trap die je beletten van die trap te kukelen. Kolenkachels konden je vroegtijdige einde betekenen. Maar ik schraapte op zondagnamiddag na de jeugdbeweging wel een handvol sneeuw van het kerkmuurtje en at die op. Waarom? Opstand. Stiekeme sigaret. Het gehoorzaamheidsinstituut mocht dat niet ruiken of rieken. Mijn pa was nochtans zelf een stevige Almos-paffer. Mijn voorzorgsmaatregel was overbodig. Maar ook ik was met mijn Koude Oorlog bezig. Ik was toen al mijn ‘lente’ aan het voorbereiden.


    28-01-2013
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.256: WJZBJZ

    WJZBJZ

    - Laten we er de spons over vegen.

    - Wacht: een minuutje hé!

    - Hé?

    - Niet zo vlotjes. Er moet nog iets…

    - Moeter of magger?

    - Eh?

    - Ben je een…

    - Zeveraar. Moet je een tater op je toeter?

    - Hola! Gaan we geweld gebruiken?

    - O, een alliteratie ofte stafrijm.

    - Goed geheugen, gij.

    - Daag me niet uit, hé oen!

    - Tenen? Lange?

    - Tien, slimme.

    - Dank, slome.

    - Dat is over de rooie.

    - Dus… ?

    - Hier! Pak-an!

    - Andere kleur, zwarte gordel, sorry: pardaf!

    - Aaaaaaaah…

    - WJZBJZ, uilskuiken.


    01-01-2013
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.255: Eindelijk

    EINDELIJK

     

    We waren er helemaal niet op voorbereid: dat onze wereld niet zou vergaan in de twaalfde maand van het jaar 2012. Wat nu? Doen alsof er geen vuiltje aan de lucht was? Neuzen die bloeden? De Eindknal kwam er niet. We voelden ons bedrogen. Alles viel te herbeginnen. En het was niet eens een tabula rasa: we moesten doodgewoon doorploeteren. De oude wereld zou verder vierkant in het rond draaien, zoals altijd. Nou, dat bedierf de pret toch ietwat. We hadden zo graag gehad dat de Maya’s en de Jehova’s en nog een heel stel andere kwakzalvers en kosmopolieten een heel klein beetje gelijk hadden gekregen. Een heel klein stukje. Dat er een stuk van Israël in zee afbrokkelde bijvoorbeeld. Dat Egypte eens flink dooreen geschud werd. Dat Khadaffi-nostalgiekers in drijfzand verzwonden werden. Dat die magere clown uit Syrië door een diepe aardgleuf opgeslokt werd. Een Syrisch Repelsteeltje, weet je wel. Dat het Schoon Verdiep in Antwerpen in gruzelementen viel, zodat al die dwepers die denken dat Antwerpen gelijk is aan Vlaanderen, weer met hun lemen voeten op de grond belandden. Het is ons echter niet gegund. We moeten verder met de uitvinders van het warm water, de ideeëndieven, de tafelspringers, de Beroerde Vlamingen, de ik-heb-zoiets-van-meninghebbers, de reclamekakelaars, de ridicule voetbalafgodjes, de betuttelaars. Tja, de aardkloot. Wat een hemellichaam!


    02-12-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.254: 'Het' gezin

    ‘HET' GEZIN

    Herfst 2012. Mijn afstudeerstudenten Lerarenopleiding Secundair Onderwijs kiezen ervoor om Het gezin Van Paemel (1903) te spelen voor hun slotproject Drama. Ik schrik me een hoedje. Ik hou niet van sociale bloedbaden (te erg), van het Oost-Vlaamse dialect (nog erger), van Vlaemsche papeters (slurp). Maar troost is nabij: de studenten schrijven hun eigen versie van het stuk, zonder de kern van de zaak uit het oog te verliezen. In het AN: het Aanvaardbaar Nederlands. In your face, Buysse! We hebben er officieel maar één luttel uur per week voor, maar dat breiden we uit tot ettelijke uren. Er doen zich ook nog andere ingrepen voor. Mijn studenten passen de namen aan. Ze introduceren de tablet in het gezin, de microgolfoven, Afghanistan en een lesbisch koppel. Dat wordt dus de microgolfovenversie van Het gezin Van Paemel. Ping!! Dit alles in het Cultureel Centrum De Brouckère in het studentenstadje Torhout, op een boogschot van het kasteel van Wijnendale. Twee werelden: de Torhoutse Van Paemels (pikante mosterd) versus de Wijnendaalse baron en barones en aanhorigheden (dure wijn). 12-12-12 wordt de magische datum, pakweg twintig dagen voor deze wereld schijnt te zullen vergaan. Twaalf studenten op de echte planken. Hopelijk straks niet ertussen. Elke dag bid ik tot mijn afgod dat er toch niet eentje ziek zou worden. Met gekrulde tenen duik ik de donkere maand december in. Break a leg.

    PS Een volle zaal plus een staande ovatie - anderhalf uur om nooit meer te vergeten, na een spannend semester.


    27-10-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.253: Repetitieruis

    REPETITIERUIS

    Retevervelend en zo godgenageld dummiesachtig: ze verwoorden in het journaal een nieuwsitem, ze schakelen dan over naar een deskundige of betrokkene ter zake die dit herhaalt, en daarna komt er vaak nog een getuige of een slachtoffer aan het woord om dit ten derden male te herkauwen. Nadat je dit tot driemaal toe hebt ondergaan, herhaalt de nieuwslezer(es) tot slot nog eens de belangrijkste items, waarbij het dan gebeurt dat dit andermaal gepaard gaat met een quote van de deskundige/getuige/betrokkene/slachtoffer. Dat is bijna zo vreselijk als het irritante reclamegegil dat om de haverklap films onderbreekt.

    Als iemand me tweemaal hetzelfde vertelt, dan luister ik al niet meer de tweede keer. Dan koester ik al moordplannen. Dan heerst in al mijn oorschelpen hevig geruis – en er komt geen landing in Normandië van. Integendeel: ik verklaar de oorlog aan alweer een verse vijand. Repetitieruis: het hoort niet, het luistert nauw. Repetitieruis: het lelijke stiefzusje van de getallen drie en zeven – de aantallen keren waarmee iets gebeurt of moet gebeuren in sprookjes en in de Bijbel. En zelfs daar heb ik moeite mee, tot zevenmaal toe, wis en drie.


    15-10-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.252: Kiespijn

    Vlaanderen kleurde op 14 oktober 2012 zwart-geel. Wat een wespennest we nu hebben. Hadden die van de televisie het verstand gehad in de recente voorbije jaren de volslanke gevatte BDW niet zo vaak en uitdrukkelijk ten tonele te voeren en de heldenstatus te geven, o.a. in De Slimste Mens (waar alle gevatheden voorbereid zijn  - afgesproken spel), dan was dit allemaal niet gebeurd. Gezien op televisie. Stom kiesvee. Kiespijn.


    03-09-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.251: Reis Hiernamaals

    REIZEN HIERNAMAALS

    Ik gaf les aan mijn toekomstige begrafenisondernemer.

    Anno 1976 doceerde ik Engels aan de afdelingen Toerisme en Vertaler-Tolk in het HTI (Hoger Technisch Instituut) in Brugge. DD volgde er de richting Toerisme. Zijn pa was begrafenisondernemer in mijn gemeente. Enkele jaren later volgde zoon DD hem op; de onderneming was ondertussen uitgegroeid tot een wereld van touringcars, autobussen, vervoer, reizen en… dood.
    Ik zie hem nog zitten, naast zijn toekomstige vrouw. Hun dochter en zoon zullen later belangrijke rollen spelen in het culturele leven van onze gemeente. Hij is de man die mijn teraardebestelling of crematie in goede banen zal leiden. Ik heb daar enkele ideeën over.

    Als het een urne wordt, dan graag een exemplaar zonder oor of handvat.

    Tekst: HIER HEB JE GEEN VAT OP.

    Als het een grafsteen wordt, dan graag de volgende mededeling: ZO, DAT WAS HET.

    Maar het liefst ben ik verstrooid, in de wind.

    Het afscheid moet niet in een kerk gebeuren. Toen ik jong was, verloor ik te vaak het bewustzijn in dergelijke religieuze hallen. Gewoonlijk ontwaakte ik dan in de pisgeur van een zijingang. Ik geef de voorkeur aan een tochtige halfopen ruimte vlak bij de strooiweide.

    Er mag een volle maaltijd volgen, met goede wijn, verse vis of mals vlees.

    Geen gedoe met speciale teksten of muziek. Doe maar wat Rachmaninov.

    DD zal er wel bij varen.


    24-07-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.249: Gezondheid

    MEDISCHE ENCYCLOPEDIE VOOR ONGELOVIGEN

    De zon is een weldoener. Zij bakt mensen bruin. Hoe doet zij dat? Wel: zij bakt de overtollige calorieën onderhuids; zo wordt iemand die vaak in de zon loopt lekker bruin. Nog iets gezonds. Vanuit de keel van de mens loopt een buis (om zo te zeggen: kabel) dwars door het lichaam tot beneden. Het uiteinde daarvan noemen we de aars. Die buis selecteert van in den beginne al bij de keel welk voedsel in het lichaam mag en wat onmiddellijk naar het stort gaat. Ter hoogte van de maag is er namelijk een tweesprong. Ja: God was vernuftig toen hij de mens ineenknutselde. Het is alleen een beetje vreemd dat hij de lichaamsdelen voor afval en genot zo dicht bijeen heeft geïnstalleerd, ja: zelfs ineen. Een normale loodgieter zou dat anders oplossen. De mens is ook bijzonder goed uitgerust waar het soepelheid betreft. Bij de knieën, ellebogen, polsen, enkels en vingerkootjes bevinden zich kleine hoeveelheden gelatine, op peil gehouden door inname van melk en bier. Hoe ouder men wordt, hoe meer dat peil in de gaten moet worden gehouden. Desgewenst kan men daartoe tankstations bezoeken, waar men met een leiding via de navel het gewenste bij kan tanken. Op de heupen krijgt men het pas na vele draaibewegingen. In diverse heupwinkels wordt men zo geholpen. Het bloed wil vaak kruipen waar het niet moet. Aan dit euvel wordt verholpen door de zg. 'huid'. Bij inkervingen moet echter vlug opgetreden worden. Het hoofdhaar dient om te camoufleren dat men kaal wordt. Daaronder bevinden zich de hersenen (altijd meervoud). Jammer genoeg gebruikt de mens er maar 23 % van. Vandaar de spreuk: missen is menselijk. Of is het: mensen is misselijk? Gezondheid! (Dokter Buijckpijn)
     


    23-06-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.248: Speeltijden

    SPEELTIJDEN

    In de middeleeuwen van mijn jeugd werd er al druk geacteerd. Op de speelplaats van mijn lagere school was meermaals per dag een strijd aan de gang tussen de cowboys en de indianen. Als je niet voor een van de twee partijen koos, schoot er maar een figurantenrolletje voor je over. In het slechtste geval werd je aangeschoten wild. Toen ik iets ouder werd, pakweg 11, sloop er een detective op de speelplaats rond. Hugo speelde, moederziel alleen, dat hij moeilijke zaken oploste, vergrootglas in de hand. Later belandde hij warempel bij de gerechtelijke politie. Ikzelf ging me ook te buiten aan fictie. Ik fantaseerde tegen mijn buurjongen zo uitbundig over marsmannetjes en zwevende creaturen in de kosmos dat hij ’s nachts slapeloos lag te woelen en om zijn papa riep. Die papa belde drie dagen later bij mijn papa aan: of ik a.u.b. die wilde kosmosverhalen stop wilde zetten teneinde weer rustige nachten te hebben! In die tijd trok er om de zoveel jaar ook een zeer gelovige stoet door mijn stadje: de Credostoet. Witte rokken, zwarte kappen, wierook, heiligenbeelden, getingel van bellen, weet je wel. Mijn pa stapte erin mee, met bruinverbrande benen waar de olie afdroop. Hij was een van de stoute Romeinen die Jezus slaag moest geven. Voorop liep mijn klasgenoot Didier, het zoontje van de schooldokter. Die smaakte de eer en het genoegen om een nepschaapje rond zijn nek te draperen en samen met nog een wollige schaapjesdrager (het zoontje van de notaris) de Credostoet te openen. Didier had zelf ook schapenkrulletjes op zijn schedeltje. Terug naar school. Soms werden er op de speelplaats nog andere stukken gespeeld. Toen een brandweerman (‘spuitgast’) over zijn boeiende beroep was komen vertellen, speelden we een week lang het pauzevullend stuk Brand! Schaapjesdrager Didier speelde ook een tijdlang een heilige martelaar, na een vreselijke les Gewijde Geschiedenis bij meester Gilbert. We mochten hem slaan en schoppen. Nou, dat waren nog eens (speel)tijden!


    09-05-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.247: Rood licht

    ROOD LICHT       

     

    Wanneer de razende drukte van het verkeer even stolt op bevel van verkeerslichten, en iedereen massaal (diagonaal?) over mag steken: is dat geen prachtig theater? Het is het leven zelf, life, live on stage, walking shadows. Het drama zou nog ten top gedreven kunnen worden door botsingen tussen voetgangers. Of, erger nog: een auto die zich vergist (gek toch hoe we ‘auto’ vermenselijken) en zo’n mens van vlees en bloed in levenden lijve van de sokken rijdt. Mocht er een zitzaal of tribune bij voorzien zijn, dan zou die elke dag eivol zitten. Veel derdeleeftijders zouden plotseling naar het theater gaan zien. Kijken naar mensen (en de verhalen vermoeden in en achter die mensen) is immers een van de meest verspreide hobby’s ter wereld. Je hoeft alleen maar je eigen verhalen aan de overstekende personages toe te voegen. Je krijgt er de belichting zo bij, in rood en groen en oranje. Een prettig nevengegeven: het betreft hier gratis voorstellingen. Met acteurs zo uit het leven en de werkelijkheid geplukt. Het is realistisch, geëngageerd theater. Er steekt beweging in, en tempo. Er is een hallucinante diepgang. En van de diversiteit alleen al kun je ’t warm krijgen. Typisch dramatisch is ook de manier waarop we de dingen benoemen. Voor ‘verkeerslichten’ gebruiken we bijvoorbeeld wel vaker de uitdrukking ‘rode lichten’. Weinigen zeggen: ‘Aan de groene lichten moet je rechtsaf’.  Of: ‘Aan de verkeerslichten rechtdoor.’ Het is net alsof iedereen nog een laatste waarschuwing tegen de dood mee wil geven: rood is dood! Drama! Groen mag je doen, dus daar zwijgen we over. Er moet immers iets gebeuren: auto’s moeten (willen) stoppen, mensen moeten (kunnen) (diagonaal ook?) oversteken. Dan kunnen de verhalen beginnen. In de vorm van een knooppunt, een kruispunt, of rotonde. A propos, mochten we nu inderdaad diagonaal mogen oversteken, zonder op onze zebrastrepen te staan: ware dat ook niet het zo felbegeerde stukje artistieke vrijheid van de actrice/acteur, de regisseur en de auteur? Die –eur en -iceberoepen die zo bekendstaan om hun vrijgevochtenheid? Hoe dan ook: de kortste afstand tussen twee punten is nog altijd een zachte ronding. Denk daar maar eens heel erg grondig over na, terwijl u in de auto voor de rode lichten staat en tientallen acteurs en actrices aan uw neus voorbij ziet gaan.


    30-03-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.246: Ruis

    RUIS                                          

    We zijn het nooit te weten gekomen of het nu echt of echt echt was: de acteur die plotseling minutenlang onderhevig was aan kuitkramp. In de beide gevallen loste hij het alleszins heel goed op (voor zover het dus opgelost moest worden…). Ofwel acteerde hij die kramp perfect. We kregen als toeschouwer mee die kramp. Ofwel bedde hij die onverhoedse fysieke aanval heel goed in zijn spel in, zodat het publiek de indruk kreeg dat het erbij hoorde. Het was hoe dan ook een bijna adembenemende fase in het stuk. We schoten met z’n allen kuit. We merkten hoe zijn tegenspeler/medespeler ook verbijsterd op de zaak zat toe te kijken, maar … dat hoorde er wellicht ook bij? Of niet?

    Extreme gevallen van ‘ruis’ (storende factoren) kunnen toeslaan. Motto: accidents will happen.  Een bloemlezinkje: hooikoortsig niezen, boeren, winden, hikken. Het zal je als spreker of speler maar overkomen, soms microfonisch versterkt. En hoe ga je om met publieksruis? Storingen vanuit de zaal? De klassiekertjes: kuchen, hoesten. Decleir is er boos om. Of, breder: externe onverwachte onberekenbare factoren: een kermis naast de zaal, elektriciteitspanne, om het kwartier een passerende trein, de dreun van voorbijdenderende stadsbussen, paardengetrappel van toeristenkoetsen, loeiende sirenes, een honderddagenviering van driehonderd lallende ex-kinderen … Nou, een actrice/acteur is een topsporter. Die kan op professionele manier al die gevallen van ruis voorzien en bezweren, desnoods invoegen en gebruiken. Zelfs Mick Jagger stopt drie maanden voor een optreden met roken. Dan maar duimen dat hij niet de hik krijgt bij het vertolken van Start me up.

    Als ruis gezellig geroezemoes wordt in de foyer tussendoor of achteraf (of wat voor foyer moet doorgaan), dan kan het stuk niet meer stuk. En er kan natuurlijk al helemaal niets tegen op wat in het struikgewas ruist. Ze kunnen er van meespreken in Ruiselede, in de lage streken van West-Vlaanderen. Ik ben er ooit bij nacht en ontij verdwaald nadat ik een fraai staaltje van amateurtheater had bijgewoond. Er ruiste plotseling iets hevigs achter mij: ik werd aangerand door een andere auto. Of hoe ruis ook nog na kan blijven werken na een stuk.


    22-02-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.245: Weg

    WEG

    De dinsdag is de druiloor onder de dagen. Het regent. Men zit maar zijdelings in het leven. Men wil deze dag overslaan. Wie geen moord te plegen heeft, blijft droog. Wel valt een gestage stroom auto’s naar de containerparken aan de periferie van mijn stad te constateren. Dinsdagen zijn zo droevig dat er dan vooral weggegooid wordt. Zelfs zich van overbodige dingen ontdoen heeft iets oubolligs. Af en toe lijkt het er op dat iemand het liefst meteen ook maar zichzelf in de container wil storten. Men voelt zich schroot, nat en dood. Ikzelf, die vandaag het liefst onder een pseudoniem tussen de mensen zou komen, drijfhout in de vaart der volken en de stuwende stormen des levens, blijf met alsnog geopende kofferklep aarzelen boven een laatste bananendoos met ‘oude’ boeken. Vooruit, weg ermee, niet bladeren, wegschrapen, buitengooien, afbladderen. Ik sta voorover gebogen dappere synoniemen te mompelen. Even flink zijn. Eigenlijk schuil ik onder de kofferklep even tegen de striemende regen. Er bestaat geen weg terug voor deze boeken. Jack London, Charles Dickens, Geschiedenis van het schaakspel, De verdwijning van sir Adam en iets met een bruine wikkel om waarop in schuine hoofdletters CHARELKE  geschreven staat. Ze zijn oud, die boeken. Ze zeggen iets over mij. Ze moeten weg.
    ‘Alles is afval,’ schrijft Tom Lanoye in een miniboekje dat hij me lang geleden cadeau doet ter gelegenheid van de poëziewedstrijd Gent-Wevelgem (‘Van oor tot oor’, als ik me goed herinner: een zelfgemaakt dun ding met gele cover). Akkoord hoor.
    Voorjaar 2009 verlaat ik ook na twee decennia definitief mijn schrijfhonk ofte binnenverblijf in de stad. Ik heb in die periode zo vaak de containerparken aan de periferie van mijn stad bezocht, dat er weer adem- en werkruimte vrijgekomen is thuis. Tabula rasa in mijn binnenverblijf; tabula rasa thuis. Alleen in mijn werkruimte op mijn hogeschool sta ik mezelf nog geordende slordigheid toe. Maar ook daar aarzel ik op gezette tijdstippen niet: alles loopt kans weggeflikkerd te worden in een van de vele sorteerbakken die het hogeschoolinterieur ontsieren. (Gek hoe milieubekommernis horizonvervuiling en interieurbezoedeling in de hand werkt.) Ik begin te houden van de doffe klappen waarmee bundels papier in de containers ploffen. Stof en oudheid stinken naar vrijheidsberoving en claustrofobie.


    24-01-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.244: Mom

    MOM (MM)

    N mns mg zch grg vrmmmn.

    Ht mmbkks s vn ll tdn.

    Vrgr dd mn dt mt tkkn, bldrn n mddr: cmflg, wtjwl.

    Dt kn vl rdnn f dlndn hbbn.

    Sdrt d bkdrkknst kn dt prfct p ppr.

    Mn vrschft nkl klnkn, n mn bkmt n schlnm ft psdnm.

    Ndr ht mm vn n ndr nm kn mn dn schrvn wt mn wl.

    Rlk s ht nt, wl hndg n hrlk.

    Nbvngn t spln n dz wrnd dr lttrn!

     

    Palindromen spelen met onze voeten.

    Afko’s verzwijgen meer dan ze prijsgeven.

    Rijmen zijn maar achterklap op rijm.

    Anagrammen hutselen alleen wat door elkaar.

    Lipogrammen discrimineren een bepaalde klank.

    Pangrammen willen altijd alles.

    Een mombakkes echter overleeft het echte aangelaat:

    kijk maar naar Max Havelaar na meer dan 150 jaar.


    28-12-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.243: HET JAAR ELF

    HET JAAR ELF                                                       Sjors DNO

    (Gemengde gevoelens)

    { Een journaalroman over dat aardige jaar 2011 }

    Wordt het jaar elf een scharnierjaar in de eenentwintigste eeuw? Horen we het tandenknarsen van een nog jonge eeuw of zwaaien de poorten naar verandering gezwind en geolied open? Gemengde gevoelens overheersen: misschien vallen er lessen te trekken uit de Arabische Lente die een bloedhete zomer werd, de Japanse natuurramp die ook het menselijk falen evoceerde, de binnenlandse euforie (bij velen) van veranderend stemgedrag die in regeringloosheid verzandde, de yeswecanslogan die afgezwakt moest worden om de Verenigde Staten voor faillissement te behoeden. 

    Het getal 11 is van oudsher ‘gekleurd’. Het wordt, zeker na 11 september 2001, ook als een bijzonder wrang getal gezien. Het is het eerste meestergetal binnen de Kabbala. Elf is in het dagelijkse spraakgebruik het gekkengetal. Elf overschrijdt het geheel van de tien geboden. Binnen de dertiendaagse scheppingscyclus van de Maya’s staat het getal elf voor tijdelijke dissonantie en chaos. Je zou daarbij kunnen denken aan de elfde september, toen de Twin Towers, die samen het cijfer elf vormden, tot verbijstering van velen instortten. Ook in de numerologie is 11 het eerste meestergetal. 11 heeft in zich de 1, maar ook de 2, omdat 1 + 1 = 2 is. Daarom wordt de 11 als een lastig, moeilijk getal gezien met tegengestelde tendenties in zich. Dat wijst op innerlijke strijd; 11 wordt dan ook als de strijder gezien.

    Dit is Het Jaar Elf geweest:

    Bijlagen:
    HET JAAR ELF.pdf (1.3 MB)   


    27-11-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.242: Kloon

    KLOON 

    Ik droom van een theaterstuk waarin twee schommels op het podium staan.
    Ze bewegen zacht in de wind, terwijl het publiek de zaal binnenkomt en na het hoffelijke babbeltje met de buren op de zitplaatsen voor, achter, rechts en links gaat zitten. Er mag wat geknars en geknierp te horen zijn: de schommels hebben wat olie nodig, zoals alle schommels. Uit het leven gegrepen! Dan komt op de linkerschommel een viersterrenmeisje zitten. Neen: ze heeft geen lolly in haar mond. Even later neemt op de rechterschommel bijvoorbeeld Elvis Presley plaats. Of een buurvrouw. Of een astronaut. Dan ontspint zich natuurlijk een gesprek. De schommels kunnen daarbij een leuke bijrol vertolken: simultaan-synchroon, als tegenliggers, één in beweging en één bevroren … We komen te weten dat het viersterrenmeisje de helft van een tweeling is. Elvis Presley ((laten we die versie eens nemen) is een lookalike die in het werkelijke leven sedert kort lesgeeft in Nederlands en Engels. Hij heeft dat diploma door studie in de gevangenis verworven. Tijd zat. Voorheen was hij namelijk een geducht gangster, met bivakmuts en masker op. Zijn gelijkenis op de wereldbekende heupzanger exploiteert hij niet. Hij slaat er geen munt uit en gaat nooit naar elvismeetings. In mijn stuk zou ik ook graag echte duiven en mussen laten fladderen en scharrelen. Broodkruimels zullen hierbij noodzakelijke rekwisieten zijn. De regisseur moet natuurlijk een dirigent zijn. Hij moet metronomisch gevoel hebben om de schommels te beheersen. Misschien mag er ook een grote metronoom voor of achter op het podium. Het viersterrenmeisje, zo leren we, zou graag apothekeres worden. Dan zou ze een pil uitvinden die belet dat de ene mens op de andere mens gelijkt. Ze heeft daar dus – volgens het stuk – een paar redenen voor. Zelf gelijkt ze ook op de Egyptische koningin Nefertiti, vrouw van Achnaton. Dat vormt echter geen noemenswaardig probleem. Elvis prijst haar om haar klassieke schoonheid en haar dubbel geperforeerde oorlelletjes. Nu moet ik nog een titel vinden.
    Hoe zal ik mijn stuk gaan noemen? Niets schommelachtigs. Wat dacht u van ‘Kloons’? ‘Bring in the kloons?’ ‘Waltzing kloons?’ Ach, titels!


    28-10-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.241: In de put

    IN DE PUT

    In Onbeschaafd Nederlands gezegd en geschreven: ik heb er mijn buik van vol. Waarvan? Van die wegenwerken, ook getiteld Wegwerkzaamheden. (Wat een spuuglelijk monstrueus lang woord). Ik hoef u de betreffende omleidende of stuitende taferelen allicht niet te beschrijven. De minister van asfalt en beton zit volledig aan de grond en in de put. Alle wegen die ooit naar Rome leidden, brengen u nu naar de hel of een vagevuur ergens in het hol van Pluto of in de verafgelegen negorij Waarbennekiknu. Overal zijn menselijke mollen aan het werk. Van zohaast een mollenpeloton zijn werk heeft verricht, duiken er verse eenheden op. Het zijn ook vaak echte mollen, want niet altijd zijn ze zichtbaar. Soms trekken ze zelfs tenten op, om hun onzichtbaarheid nog te vergroten. Soms vervangen ze zichzelf door een oranje pop die eenarmig met een vlaggetje staat te zwaaien. Onnodig terug te zwaaien. Of met een colafles urine te gooien. Op vele wegen die dan uiteindelijk toch weer naar Rome leiden, ontwaar je dan nog vage gele strepen. Dat zijn de remsporen van de mollenkolonies. Van het Woeden der Wegwerkzaamheden, spaar ons, Heer.


    25-09-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.240: Huid & Haar

    HUID EN HAAR

    Wat drijft iemand om in de huid van een ander te kruipen? Waarom is men bereid zich als iemand anders te gedragen en spelend vreemd te gaan? Als uk wou ik een berenvel. Dat stond jarenlang nummer 1 op mijn verlanglijstje. Nummer 2 was een machine om wind te maken. Vermomd als beer zou ik, onherkenbaar, mijn medemensen de stuipen op het lijf jagen. Het liefst bij storm en ontij. De goede man bracht me echter geen berenvel. Nooit. Evenmin een windmachine. Ik ben nog altijd boos op hem. Overigens is hij zelf ook iemand die een rol speelt. Draagt hij immers geen pruik, valse baard en snor en theatrale kleren?
    Tijdens de voorbije Ronde van Frankrijk zag ik op tv opvallend veel pruiken, hoofddeksels en vermommingen langsheen de Franse wegen. Vooral de geweimensen en de Noormannen scoorden hoog. Ik zag ook twee pausen. Het is blijkbaar de behoefte van de mens zich een andere mens aan te meten. In huid, met haar. Schrijvers, undercoveragenten, advocaten, travestieten en acteurs: zoek het verband. Sommigen mogen beroepshalve liegen of zich anders voordoen dan ze in het werkelijke leven zijn. Sommigen mogen zich ook verkleden om hun beroep uit te oefenen. In een uniform mag je zelfs in bepaalde omstandigheden iemand … nou eh: onklaar maken. Carnaval, Halloween en Driekoningen zijn ook bekende openluchttheatertoestanden. Meer is dan toegestaan voor de vermomde. Rekruteren liefhebbers- of beroepsgezelschappen later bij voorkeur uit deze beschilderde losbollen, snoepmoordenaars of Wijsjes uit het Oosten? Jong geleerd, oud gedaan, tweede huid nog niet afgedaan?
    Ikzelf heb een knullige acteercarrière. Ik mag dan al theaterteksten en andere dingen schrijven, maar mijn actieve rol wat acteren betreft, beperkte zich tot een wit laken. Misschien betrof dit een afgeleide van het berenvel uit mijn prillere jeugd. In de jeugdbeweging speelde ik als negenjarige een spook in een dodendans, natuurlijk onder een wit laken. Daarbij zwierde ik per ongeluk en in mijn enthousiasme een fles limonade van een tafel. Mijn acteercarrière werd abrupt onder dat witte spooklaken gesmoord; ik kreeg een oplawaai vanjewelste van een zg. ‘leider’, versie jaren zestig, dwars door dat laken heen, waar hij mijn kop vermoedde. Daarna en daardoor ben ik aan het schrijven geslagen. Ik lieg dat ik zwart zie. Ik vind personages uit, met huid en haar. En ik voel me er beregoed bij.


    19-08-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.239: Zomer 11

    ZOMER 11

    Een uiterst vermoeide ober aan de Vlaamse kust brengt me terminaal sloffend mijn drankje.
    Boven het terras tapet muisgrijsheid het zwerk dicht. Mensen met herfstjassen aan overbevolken de horecabedrijven al van in de vroege voormiddag. Een horecavrouw hangt een mosselspandoek over de breedte van enkele ramen en jaagt zodoende op staande voet twee boze klanten weg, die eerder al boos waren omwille van de norse bediening door de ober. Zal het nu ook weldra gaan regenen?
    Dichtbij situeert zich de bekendste vismijn van de kust. Vele steenworpen verder nemen de politici van het druilerige koninkrijkje België de draad van hun ‘onderhandelingen’ weer op. Telkens weer worden ze gefilmd en geïnterviewd door een horde mediamensen, alsof het echte helden betreft. Wat drijft ze tot deze uitzichtloosheid, dat valsdappere geglim- en gegrimlach, die duffe werklunches, de nachtelijke vergaderingen, de eindeloze repetitie van immer dezelfde moeë clichés? Veel centen leiden naar macht, schijnt het. Ze hebben momenteel geen macht. Ze zijn amechtig. Het moeten dus de centen zijn. Volgt dan de macht? Neen. Wie al meer dan een jaar tot geen vergelijk of consensus komt, wordt machteloos.
    Terug naar de kust. Vooraleer ik aan zand toe ben, geef ik me over aan de klassieker: mosselen. Dat spandoek heeft misschien zijn effect niet gemist. Maar ik verorber de lekkertjes wel in een ander horecabedrijf, inderdaad ook omwille van die ober plus panoramafnuikend spandoek. Het blijft echter zo muis-, ja: olifantengrijs dat ik naderhand veroordeeld ben tot enkele koppen koffie in het hinterland. Ondertussen hoor ik in de auto op radio Culture drie Franse enthousiastelingen het proza van Ernest Hemingway loven en prijzen dat het bijna niet meer mooi is. Deze oorlogsliefhebber heeft met zijn journalistieke pen volgens het superlatievende trio de literatuur een bepalende en deugddoende zwik gegeven. Deze zomer memoreerde men ook zijn zelfdodingsdag, een halve eeuw geleden.
    Schrijver dezes trekt zich tegen valavond terug in zijn stulp, om verder het jaar elf in de gaten te houden en daarvan gewag te maken. Vooraleer ik aan thuiskomst toe ben, moet ik me noodgedwongen overgeven aan een onvervalst donder-en-bliksemtempeest. Het ‘doet zo lelijk’ dat het mooi is. Ik detecteer hierbij tot tweemaal toe een voorwerp uit vervlogen tijden: een regenkapje. Zo’n ding veroorzaakt ondanks zijn bedoeling altijd haast. De vrouwen eronder (geen man torst dit ooit) laveren ijlings tussen de druppels door.
    Ook dit is het jaar elf, nou: de zomer.


    25-07-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.238: Duimen maar

    DUIMEN MAAR

    Duimapplaus moet vreselijk zijn. In het Nederlandse Gebarenboekje vindt u de exacte beschrijving van het gebaar. Pakweg vierhonderd toeschouwers blijven na afloop van een voorstelling zitten, heffen ostentatief hun handen voor hun gezicht en tikken tergend hun duimnagels op elkaar. Stel u dat onwezenlijke geluid voor in een mooie pluchen zaal, terwijl de acteurs vlak na hun buiging beduusd en verbouwereerd de zaal in staan te kijken. Duimen zijn belangrijk. Ze onderscheiden door hun gebruik onder andere de mens van de aap. Geheven duim: oké. Duim down-under: bukken, man, de tomaten komen eraan! Het bekendste strijkorkestje ter wereld is dat van de duim tegen de wijsvinger. Het is het strijkje dat het prijskaartje of het kostenplaatje begeleidt, om het met een interviewcliché te zeggen. Mooi woord overigens, ‘duim’, voor de meest worstachtige onder onze vingers. Zijn er bekende gevallen van zo’n duimapplaus in de theaterwereld? Geroep en gefluit vallen meestal ten deel aan stukken of prestaties die men niet snapt of die niet goed gebracht werden. Zelfs Tsjechov kon erover meespreken, in zijn begindagen als theaterauteur.
    Vooraf duimen voor een goede afloop gebeurt ook maar beter niet. Je mag het lot niet tarten. Dan worden benen gebroken. ‘Jinxen’ is gevaarlijk: iets op een of andere manier uitdrukkelijk wensen. Misschien is het beter de fingers stiekem crossed te houden en stilletjes te hopen dat niemand uit zijn rol valt, dat er zich geen hoestola’s in de zaal voordoen, dat de elektriciteit het niet begeeft, dat de grimeur op tijd is en dat oom Wanja de slappe lach niet krijgt.


    PS De voorstelling Klein Duimpje van het kindertheatergezelschap Kindly yours kreeg wel een kleine doch krachtige staande ovatie. Het was een stuk om duimen en vingers bij af te likken.


    23-06-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.237: Poirot

    POIROT

    Wie is de bekendste Franssprekende Belg in het buitenland? Hercule Poirot, oui. Hij wordt heden ten dage weer ten tonele gevoerd middels een BBC-serie op een van de Vlaamse televisiezenders. David Suchet geeft hem gestalte. Hoewel het strookt met wat schrijfster Agatha Christie van het personage maakt, is het toch jammer dat men er in de Suchet-versie zo’n verwaande fat van maakt. Het inktzwarte krulsnorretje is erover; de nichterige pasjes nog meer. De zwartgeverfde karige haren (‘Ik geef mijn haar zijn natuurlijke kleur terug’, dixit het personage) en de lakschoentjes doen aan decadente commedia dell’arte denken, of aan de professor in Dood in Venetië. Nu, de Belgische detective draaft dan ook op in scenario’s die als een poppenkast in elkaar gezet worden. De intriges en de moordpartijtjes gebeuren tussen dienbladen met sherry op en in lounges van hotels en pensions. De slachtoffers vallen gewoonlijk nogal bloedloos te gronde. Er zijn weinig sporen van geweld, want bovenal houdt Poirot van orde en netheid. Hij handelt zoals elke televisiedetective: hij maakt zijn handen niet vuil, duikt in en uit taxi’s, auto’s en treinen, luistert goed naar slager, bakker, butler en kamermeisje en forceert op die manier via zijn zelfverklaarde geniaal werkende cellules grises dat beetje geluk dat ook een goede keeper moet hebben. Morse, Barnaby, Taggart, Frost, Lynley, Dalziel, Rebus, Lewis, Holmes: illustere linksrijders, sommigen onder ze stevig op drank, koffie of vast voedsel gefocust. Niet zo Hercule Poirot: hij nipt zuinigjes van crème de menthe of warme chocolade en neemt treinen en taxi’s.

    Acteurs die Hercule Poirot vertolkten:


    22-05-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.236: Smoke

    SMOKE

    Zag je onlangs nog iemand een sigaret opsteken met een lucifer? Roken is al uit den boze; de lucifer oogt oubollig. Wanneer de lucifervlam plotseling gedoofd wordt door een oude windvlaag uit het westen, dan bevinden we ons in een oude film. Zenuwachtige lipstickvrouw met lange filtersigaret versus man onder hoed met kortere machoversie tussen de lippen. Tussen twee windvlagen in last de vlam van de lucifer een verbond tussen de vrouw en de man, want ook de ogen spreken boekdelen. Het wordt een interessante schroeiplek op deze blauwe planeet, lang voor de ozongaten. De sigaret als vredespijp. Oude filmhelden en –heldinnen roken als schoorstenen. Peuken en afgebrande lucifers worden achteloos op de grond gegooid, soms verder onder de voetzool doodgetrapt, zelfs in mooie hotelkamers. Achtergronden die hier tot de verbeelding spreken: de Arc de Triomphe, een straat met lindebomen in Berlijn, een vliegveld in Casablanca. Het is donker, naoorlogs of ten minste Koude Oorlog. De wereld hangt af van die lucifervlam, want de mensheid hangt andermaal in de touwen. De blauwe planeet kan ieder ogenblik weer in puin vallen, zoals al voorheen gebeurde. De troost en wellicht ook de oplossing zitten ‘m in het aanstrijkgebaar van de man die de lucifer hanteert, de vlam, de lengte van de sigaretten en de rest is geschiedenis, nou: wordt geschiedenis. De eindgeneriek toont alsmaar nieuwe namen. Vers vlees. Geroosterd op de grill van ’s mensen historie. Rook, leven, liefde en dood. Rookt God?


    25-04-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.235: Collateral

    COLLATERAL

    Podiumberoepen: acteur, goochelaar, zanger, stand-upcomedian, entertainer, presentator, cabaretier. Ik vergeet er nog. Meestal komen die personages vaak en uitdrukkelijk in beeld of in ons vizier. Met of zonder plankenkoorts, die ze al dan niet bestrijden met rituelen. Er zijn ook bijrollen. Sidekicks. Aangevers. Nevenfiguren. Er zijn zelfs hoofdbijrollen, op tv. Dat zijn de onafhankelijke beroeps die geheel alleen optreden, noodgedwongen, geïnterpelleerd door journalisten, met wisselende bekommernissen. Dat zijn de BBV’s, de Bijna Bekende Vlamingen, of de collateral BV’s, zeg maar. Voorbeelden. Auto’s met mensen erin slippen. Er moet zout gestrooid worden. Dat zout raakt op. Drama. Ilse Luypaerts lost dat op. Zij wordt een BVV in de maanden december tot februari. Zij krijgt een bijrol in het grote drama van de Belgische mensheid. Overstromingen. Branden. Ontploffingen. Drama. Wauthier Robijns staat paraat, namens de verzekeringssector. Fileleed. Mobiel België staat stil. Drama. Maarten Matienko is hier de rots in de branding. Hij zal je aanraden pas zondag te vertrekken. Wat kan er verkeerd lopen? Hoe lang is uw remafstand? Voelt u zich een gordeldier? Drama. Maid Marjan Duchesne snelt u glimlachend ter hulp. Treinen te traag? NMBS alweer niet van haar woord? Botsingen? Frédéric Petit legt het wel uit. Puur fictie, die Frédéric! Winkelellende. Koopjes. Sperperiode. Percenten en serpenten. Drama. Opeenvolgende woordvoerders van UNIZO bezweren de gevaren ter plekke. Drie verschijningen en ze verkrijgen het BVV-statuut. Zo zijn er nog van deze toevallige bijrollen. Ze krijgen door omstandigheden een kans op dat rechthoekige scherm van afschuw, het podium van de eenentwintigste eeuw. Ze kunnen een Oscar krijgen als ze het collectieve probleem goed bezweren of weten uit te leggen. Ze worden niet gevraagd in de grote shows, de lullige panelgesprekken, de hoeraquizjes, de billenklets- en gierprogramma’s op de tv van de BV’s. Ze staan voor collateral damage, of althans: zij moeten die nevenschade uitleggen en zeggen dat het wel goed komt. Drama. De echte werkers zijn nooit zo zichtbaar als de zogezegde helden. En toch is misschien hun plankenkoorts groter.

    PS Ik heb het dan nog niet eens gehad over nieuwslezers op tv. Wist u dat die geen benen hebben? Over halve zichtbaarheid gesproken.


    03-04-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.234: Nachtraven

    NACHTRAVEN

    Nighthawks – Edward Hopper. Verveling en eenzaamheid ten top gedreven en te kijk gezet in de glazen kijkkast van een New Yorkse ‘diner’ begin jaren veertig. Het is een van de bekendste schilderijen ter wereld. Vier vastgespelde vlinders in een vitrinekastje. Je kan er dwars doorheen kijken en toch bulkt het plaatje van afstand en onbereikbaarheid. Alsof je in de zoo naar vreemde wezens kijkt die achter glas gevangen worden gehouden. Candid camera of splendid isolation? Gezien willen worden of ongezien en ongestoord willen blijven? Heeft men vensters en ramen als uitzicht op de wereld of dienen die om er gordijnen voor te draperen? Denk aan de glasgordijnen die vele ramen bedekken. (Ik associeer er onwillekeurig lijkwaden mee). Die verhullen het schouwtoneel op aarde (het kamertoneel, zo je wil), maar ze zijn toch transparant genoeg om nog de contouren van mens, tv-scherm en computer te ontwaren. Tegelijkertijd opaak en doorzichtig. Een combinatie: ik wil niet dat je me echt ziet, ik hoop dat je me ziet. Voorbijgangers zien dan een individu aan een computer zitten: eenzame nighthawks in contact met www. Communicatie ten top gedreven en te kijk gezet in de glazen kijkkast van een Vlaams woonhuis in de eenentwintigste eeuw. Chatrooms die er geen zijn, contact dat er niet is. In de jaren zeventig, tachtig flakkerden ’s avonds overal de blauwe en later kleurrijke televisieschermen op wanneer je door de stad stapte. Je zag er de menselijke contouren aan topsport doen in hun sofa’s. De daaropvolgende decennia werden de screens flatter en groter, en vaak ook ontwaarde je het kleinere broertje in de huiskamer: de pc of de laptop. Het zijn de vaste ingrediënten geworden van de schouwtoneeltjes ten huize van zovele nighthawks. Die nachtraven vliegen niet echt meer uit. Ze doen virtuele uitstapjes. Soms gebruikmakend van onechte namen, zoals mensen in de huid van iemand anders kruipen en acteur worden. Het hoofdpersonage in Hoppers Nighthawks zit met zijn rug naar ons toe. Buiten is geen levende ziel te bespeuren. Twee andere tooghangers lijken een dialoog te hebben met de barkeeper. Ieder ogenblik kan er een raaf te pletter vliegen tegen die zee van glas die ‘les gens de la nuit’ omhult en beschermt. Drama. Dimmen.


    06-03-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.233: Undercover

    UNDERCOVER (HAIR)

    In het literaire en het theatrale wereldje kom je nogal es types tegen met gladgeschoren schedels en moeilijke brilletjes op hun pief.
    Het camoufleren van enerzijds gebrek aan haar anderzijds gebrek aan verstand is er schering en inslag. Het lijken wel kloons van elkaar, al die moeilijkdoenertjes. Deze concentratiekamplook werkt ook dubbel. Men weet nooit goed wat men voor zich heeft: is men nou kampdokter of is men nou gevangene? Wanneer ik andermaal zo’n culturele Schedelmans zie opdoemen, zet ik mijn zonnebril op en ken ik hem een nummer toe. Ik zit al aan nummer 1.234.567. Zoveel exemplaren sjokken er rond. Deze Schedelmansen scheren zich daarenboven ook maar om de vier dagen. Zo creëren ze graag een indruk van geleerde verstrooidheid of geniale vergeetachtigheid. Geen tijd gehad. Bezig geweest met Moeilijke Dingen, dag en nacht. Zij staan hun kingewas toe even lang te worden als de afgeroetsjte groei op hun hoofd. Eigenlijk was dat ongeschoren syndroom het handelsmerk van het reclame- en copywritersgild. Helaas voor hen zijn ook andere beroepen zich om de vier dagen niet meer gaan scheren. Andere beroepen profileren zich plotseling ook modieus. Advocaten harken hun haren achteruit of laten die welig tieren. Aldus zien ze er vaak uit ofwel als tuig van de richel ofwel als kunstschilder of toondichter. De grens tussen recht en misdaad en kunst is smal. Acteurs vertonen nogal es de neiging kaal te worden. Doodgewoon kaal. Qua metamorfose valt daar veel mee aan te vangen. Een positief punt op het cv: beschikt over geen haar. Het gebeurt wel vaker dat zo’n acteur plotseling wanggewas gaat kweken. Vooral als hij al bekend genoeg is. Daar valt ook veel mee aan te vangen. Inzepen en afscheren bijvoorbeeld.
    Nu scheer ik mezelf weg, vooraleer zo’n kampbewaker op me afkomt. Ik smeer ‘m.


    02-02-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.232: Frietpeace

    FRIETPEACE

    Vette hap in magere dagen. Toeverlaat der hongerigen. Keet van vertrouwen. Alomtegenwoordige kathedraal van kroketten. Basiliek van burgers. Tempel van look en sissend vet. Sluiphok der scholieren. Steun voor de innerlijke mens. Rantsoenpost der gezinnen en alleenstaanden. Sis voor ons.


    Als er geen frietketen waren, dan zouden we ze weer uitvinden en laten beschermen door Monumentenzorg, Vlaanderen B-plan en een paar ministeries tegelijk. En nog een handjevol politieke partijen ook, want iedereen moet eten, nietwaar. Wat is er inderdaad nog gezelliger dan teeveestaren? Hongerend naar de eeuwigheid frieten plukken uit een pakje of een zakje, die eerst even kopje-onder gaan in een kledder mayonaise of pepersaus. Wat overstemt het gedruis van die hemeltergende Vlaamse regen en auto's op pletsende banden? Het allesbegrijpende gesis van vet in een frietkeet. Wat evenaart de douche thuis? De wind die uiteenwaaierend hemelwater onder de luifel van een friture jaagt, bijgestaan door opspattend modderwater van voortjakkerende gezinswagens. Waar praat je tegen een hondje met een hoedje op? Daar. Waar vind je de laatste resten echte democratie? Ook daar. In de friethalle. Ik hoorde er zelfs eens een rechter boeren. En als je liever niet gezien wordt met friet, vraag je maar iets burgerachtigs. De burger heeft nu eenmaal medezeggenschap. Ooit stond ik met twee Kortrijkse parlementariërs in een zeer bekende frietkeet aan het station. Ze konden er nog net bij; het was geen weer om een hond door te jagen. Ik stond er wel al. Ik zweer het u: voor de duur van één met witte pepersaus (plusminus negen minuten) heb ik daar toen eindelijk eens een zinvol gesprek gehad met politici. Dat was een primeur voor mij, in volle winter dan nog. Want als ik er zo een zie naderen, dan krijg ik onmiddellijk zeer bloederige ketchupvisioenen. De cement van ons toenmalige gesprek vormde de friet. We praatten, onze mond vervuld van warme patat. En weggedrongen in een hoek plukten we broederlijk onze frieten uit een ouderwets puntzakje. Ook toen wedijverde het frituurvet met de regen in lawaai: alles ziedde en schuimde en kookte. Haastig hapten we segmenten uit onze democratische frikadel, vervaardigd uit oud papier en oostpriesterhulptextiel. Onderzoek aan de universiteit had toen al uitgewezen dat frikadellen en hamburgers vooral bestonden uit oud papier, advertentiebladen, onderbroeken en legervoorraden kousen. Allemaal gerecycleerd, zoals het hoort. Jammer dat na ons bezoek aan de patatkraam de ban gebroken was. De passie was weg. De honger was gestild. Ieder ging zijns weegs, naar zijn taverne of naar moeder de teevee. A propos: waarover toen mijn gesprek met de twee parlementariërs ging? Ik monsterde hun frikadellen, wachtte tot die half op waren en somde dan de ingrediënten op waaruit die vervaardigd waren: oude verkiezingsdrukwerken onder andere. 'Heren,' deelde ik hen mede, 'u bent uw eigen leesvoer aan het opvreten. De cyclus is weer rond. Er is toch nog rechtvaardigheid in dit land'. Nou, ze namen het nog goed op. We stelden namelijk ter plekke een onderzoekscommissie in en probeerden te ontdekken tot welke politieke strekking de restjes frikadel behoorden. Geen probleem: ze kozen prompt voor de meerderheid. De mond van de beide parlementaire heren, met name. Frietpeace: de basis van onze democratie.


    08-01-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.231: Kopie-Kopie

    KOPIE-KOPIE

    Het wuivende groen in mei en in de ramen de weerspiegeling van het wuivende groen in mei. De maan die ’s nachts het water in de vicieuze kasteelwal verlicht waar ook de maan in dobbert. De wortel van de boom die de kruin herhaalt en omgekeerd. De bewolking in juli die ook op de gezichten van de bevolking te zien is. Een naam die je net zo goed achterstevoren kunt lezen. Een lepelnaam dus. De stad die in de glimmende regenstraten als haar eigen onderwereld weerspiegeld wordt. Iemand die zegt ‘Wat je zegt, ben je zelf’. Het atelier van de schilder met de schilder zelf erin perfect gekopieerd in het oog van de schilder die naar je kijkt op zijn zelfportret dat net echt is. Twee mensen die precies op hetzelfde ogenblik krek hetzelfde zeggen. De vergelijking ‘een roos is een roos is een roos.’ Het perfecte rederijkerskruiswoordraadsel. Tot je ontzetting je eigen gezicht herkennen in de reflectie van het etalageraam van een babyklerenwinkel terwijl je dacht: ‘Wat is die lelijke uitstulping daar? Wat een tronie!’ De echo van je eigen woorden in dat klankhol van je hoofd herhaald horen met terugwerkende kracht. Het spiegelschrift van de cafébazin. De gelijkenis tussen grootouders en kleinkinderen en grootouders. Andy Warhol. De poets wederom poets. De boemerang. De jogger die in het midden van zijn leven van zichzelf wegloopt en zolang voortsjokt tot hij zichzelf weer tegenkomt, want de aardbol is rond. Hij wint een dag tijd, want hij vertrok in oostelijke richting. Rijm dat rijmt met een ander rijm. Een soort achterklap, weet u wel. Klanken en noten die herhaald worden. Repercussie, repetitie, herhaling van reclame, alliteratie, stafrijm, de behoefte van de mens (en het kind) aan herhaling. De ene Griekse zuil die de andere oproept. A gaat voor B. Spic vraagt om Span. Gas en elektriciteit. Os en ezel. Bang en wezel. Rust. Evenwicht. Dit zou de winter kunnen zijn. want januari volgt op december, dat aan januari voorafgaat. Wie zoekt, die vindt, wat hij zoekt. Het (inter)net is een (spinnen)web. U ziet uzelf. U bent uw eigen schermbeveiliging.


    12-12-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.230: Gezeid is gezeid

    GEZEID IS GEZEID

    Waar is mijn piet nu weer, zei Sinterklaas, en hij zocht wanhopig tussen de plooien van zijn tabbaard.

    Wat is dat gelul toch allemaal over die zak, zei Sinterklaas, en hij sjorde zijn lange onderbroek nog maar eens op.

    De daken zijn niet meer wat ze geweest zijn, zei Sinterklaas, en hij struikelde over een zonnepaneel.

    Wie stout is krijgt de roe, zei Sinterklaas, al zou ik niet weten wat dat is en hoe.

    Laat de kinderen tot mij komen, zei Sinterklaas, ik ben ook een bisschop hé.

    Je hebt te veel noten op je zang, zwartwerker, zei Sinterklaas, en hij gaf zijn strooipiet een mep tegen zijn kop.

    Mijn koninkrijk voor een paard, zei Sinterklaas, en hij inspecteerde de schimmel tussen zijn tenen.

    Ik twijfel tussen een picknick en een pieknieke, zei Sinterklaas, en is het speculoos of speculaas?

    Dat scheelde geen haar, zei Sinterklaas, en hij streelde de extensions in zijn baard.


    11-11-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.229: Vreemde man

    VREEMDE MAN

    Nog hoeveel? keer slapen en het is weer zover. Dan komt de goede man. Afgelopen zomer aten we al zomerklaaskoeken; we vonden dat wat jammer. Dat is niet macrobiotisch: je moet eten wat het seizoen en de omgeving schaffen. Varkensvlees en frieten bijvoorbeeld. Heeft de Sint dan geen sperperiode, potverpietjes? Ik eis zo’n sperperiode voor bepaalde klaasproducten. Toen ik nog een uk was, rookte mijn pa Almos. Later werden dat andere merken. Groene Michel. Richmond. We wisten maar al te goed waar hij zijn voorraad verstopte. Ma dacht dus dat hij veel rookte. Maar wij leefden in het tijdperk waar een van de reclameslogans luidde: Sprint – dé sigaret voor de sportman. Roken was dus gezond. Het gebeurde wel vaker dat mijn mannelijke verwekker in het donker nog om een pakje holde, naar zo’n gezellig winkeltje uit oude tijden van koloniale waren van voor het economische debacle. Het rook er altijd naar zaterdag. Je kon er alles krijgen. Ik heb er eens mijn broer met zijn kont in een emmer haring geduwd. Enkele jaren op rij, op één welgemikte decemberavond, mochten we mee met pa op stap om een pakje sigaretten te kopen. De wandeling heen en terug duurde een halfuur. Het was 5 december. Guur weer, zoals gewoonlijk eind jaren vijftig – begin zestig. De wind gierde om schoorstenen en langs telefoondraden. Toen we weer thuiskwamen, mijn pa gehuld in verse Almos-wolkjes, was een andere goede man hem potverdorie voor geweest. De Sint was gepasseerd! We hadden hem niet gezien. Toch woonden we in een doodlopende straat. De spoorboom op het einde van de straat was definitief neergelaten; nieuwe wegenwerken en tijden braken aan. De heilige man had bij ons thuis wat speelgoed gedropt. En hij was natuurlijk via het dak en de schoorsteen gekomen. Gewone straten met ellendige kasseien had hij niet nodig. Vooral geen doodlopende, zelfs niet met sintvriendelijke kinderkopjes. Zo moesten we nooit wachten tot 6 december: een ellendige schooldag waar Pieten op deuren bonkten en meesters vraagstukken opgaven met picknicken erin. (‘Jan heeft 10 picknicken. An 7. Als Jan er 6 opeet en An 2, hebben ze samenveel pret’). Elk jaar echter was ik sterk ontgoocheld in de Sint. Want ik hoopte altijd op een echt berenvel. Het stond lange jaren bovenaan mijn verlanglijstje. Ik wou een heus berenvel om me in te vermommen en de mensen de stuipen op het lijf te jagen. Nooit kreeg ik het. In de derde kleuterklas had ik al sterke vermoedens omtrent de identiteit van de goede man. Hij rook namelijk naar Almos-sigaretten. Samen met mijn vriend Pol-zaliger deelde ik die vermoedens. Diens Sint rook naar Zemir, ook een merk van toen. Zuster Serafien had dat door en parkeerde ons op 6 december in een bank vlak bij de deur. ‘Niet te hard schrikken als er hard gebonsd wordt hé. Je weet wel wie er dan komt hé … Maar: mondje dicht, hé!’ We knikten ijverig. Maar op 6 december wipten we net als alle andere babyboomers geschrokken op, toen er knoerthard op de deur gebonsd werd en een regen van picknicken over de kortgeknipte koppen scheerde. Pol en ik keken ondertussen door de hagelwitte baard van de goede man heen: herkenden we een van onze vaders? Buren? Meesters van de grote school? Er liepen weinig mannen met baarden rond in die tijd. Alleen maar Jan, Piet, Joris en Corneel. En zaten er wel echte glazen in die bril? Het leek verdorie wel een zonnebril. Of toch zo’n ziekelijk brilletje met van die verduisterde glazen. En wat betekende dat gedoe met die vier Pieten? ‘Hulppieten,’ legde zuster Serafien uit, na het gewelddadige sintbezoek aan onze klas. ‘De goede man wordt oud en kan niet alles zelf meer doen.’ Ze keek Pol en ik staalhard in de ogen. Het leven ging later door. Zuster Serafien werd tweehonderd jaar. Ik kreeg nooit een berenvel en Pol stierf jong. En mijn pa stopte met roken. Het waren oude tijden waar straten doodliepen en het hard woei door de zee van antennes op de daken. Later, maar niet zo lang meer, heb ik me nog vragen over de sint gesteld. Eet de goedheiligman preparé? Zo ja: blijft er dan wat hangen in zijn baard? Kan ik zelf een sint worden of voor sint leren? Ben ik misschien de jongste broer van de Sint? Heeft de Sint bleke billen die des zomers aan het strand van Spanje bruin worden? Waarom Spanje in hemelsnaam? Waarom is hij zo in voor oranje? Wat is het verschil tussen speculoos en speculaas? En die roe dan: dient die om te roeren in de zak met stoute roestige kinderen? Kinderen die het grof gemaakt hadden, zoals in ‘Klein klein kleuterke, je maakt het veel te grof’? In het eerste leerjaar luidde mijn eerste zinnetje: Puk zit in de wei bij de beek. Hij houdt een roer vast. Hoe zat dat in elkaar? Roe? Roer? Roest? Wat was het verband? Vanwaar kwamen die vreemde woorden? Ook uit Spanje? Wie was Puk in hemelsnaam? Een of ander pikzwart pietje?
    Enkele jaren later waagde ik me zelf aan mijn eerste sigaret. Almos bestond al niet meer. En ook mijn geloof in een sintschap was al lang verdwenen. Alleen: zoals in een bekend boek de smaak van een koekje een verleden weer kan doen keren, zo verscheen eventjes in de rook van die verboden sigaret als een djinn de goedheiligman uit de middeleeuwen van mijn leven. Ik mocht echter geen drie wensen formuleren. Ik verwenste mezelf later dat ik er ooit aan begonnen was.


    15-10-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.228: Een stuk

    EEN STUK

    Dit wordt het stuk dat alle andere stukken zal doen vergeten. De gastregisseur heeft het gezegd. Ik krijg als trouw bezoeker reeds anderhalve maand op voorhand ook mailtjes van een speler die in het stuk aller stukken figureert. Hij ziet het zitten. Ik verdenk hem ervan me gekostumeerd te mailen. De titel van het stuk ontsnapt me weliswaar voortdurend. Er zijn te veel gelijkaardige titels. En ook te veel lange. Er staat, herinner ik me, onder andere een bijvoeglijk (groen? verboden?) en een zelfstandig naamwoord in (schandaal? feest?) Nu, ik ben kijkliefhebber in hart en nieren. Ik spiek nog even op het mailtje, mail terug omdat de dag niet klopt met de speeldatum van de première, en kan dan een paar uur later deze must in mijn agenda zetten. Vijf weken later is het zover. Ik spoed me naar zaal De Laatste Hoop, een polyvalent gebouw waar je bijvoorbeeld voor saucijzen kunt kaarten, Roetheense volksdansen kunt leren, Maltese geurentherapie kunt volgen, derdeleeftijdpingpong kunt spelen en aan toneelkijken kunt doen. In verband met dat laatste: jammer dat er geen hellend vlak is. Toneelvereniging De Plank brengt er hedenavond ‘Groen van de miserie’ in première, een blijspel. Vooraleer ik erin slaag mijn zitplaats te bereiken, word ik staande gehouden door diverse vrijwilligers. Ik ruil munten voor bewaring van kleren. Ik besteed een flapje aan de brochure over het stuk. Mijn toegangskaart wordt vakkundig middendoor gescheurd door een meisje dat Moderne Talen volgt. Ik baan me een wegje en knik en wuif ondertussen naar buuf en buur. Eindelijk bereik ik mijn stoel. Het is een gewone stoel. Er staan er twintig per rij. Hij staat iets te dicht tussen twee andere stoelen in. De kaartenverkoop liep blijkbaar lekker. Ik ruik de regenkleren bij mijn buren; zij gaven hun jassen niet ter bewaring af en dijen dus iets breder uit. De stoel voor mij blijft gelukkig leeg: ik zit in de voorlaatste rij en alles is hier dus letterlijk platvloers. Maar dan … vlak voor de vertoning gaat beginnen, de lichtplasjes aan de muren fletser worden, het geroezemoes afkalft en ik mijn zitvlees comfortabeler herverdeel over mijn stoeloppervlak, gebeurt het. Op de onbezette stoel vlak voor mij deponeert zich in laatste instantie een mevrouw met zo’n gebeeldhouwd Fabiolakapsel. Ik kan er niet naast kijken. Het is de mama van de hoofdfigurant. Ik zie nu al groen van miserie.


    16-09-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.227: België

    BELGIË

    De enige aanwijsbare reden voor het groot gelijk van iedere politicus is diens groot gelijk, al zegt hij het zelf. Idem dito is een bekende Vlaming bekend omdat hij bekend is, van op tv. Vandaar, België: land uit zicht. Het valt niet te bezeilen.


    29-08-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.226: Mijn meesters

    MIJN MEESTERS

    Meester Gilbert was de vreselijke man die mijn eerste leerjaar in de basisschool dirigeerde. Ik heb het over eind jaren vijftig – begin zestig. Ik had dat, zelf een uk op tafelhoogte zijnde, toen nog niet door, maar mijn eerste ‘grote’ meester was een onderdeurtje dat met rechtopstaande haren amper 1 m 60 hoogte bereikte en zo mager als een sprinkhaan was. Mocht Bellewaerde al bestaan hebben, hij mocht ‘voor niks’ binnen. Een ideale limbodanser. Waarom ik hem een vreselijke man vond? Meester Gilbert deed ons naar voren komen om verzen te declameren. En dat was nou net mijn trauma uit de papschool bij zuster Serafien geweest: dat we godgenageld alleen voor de klas liedjes moesten zingen of gedichtjes moesten voordragen. Meester Gilbert, een amateur-toneelspeler van het betere allooi (zijn toneelkring won enkele keren het nationale Landjuweel), acteerde ook zelf de lessen Gewijde Geschiedenis. Het passieverhaal blijft nu nog in mij nazinderen, met de oranje illustraties erbij. Mijn geloof is er echter niet groter door geworden, wel mijn fascinatie voor verhalen. Wie iets goed deed, kreeg een doopsuikertje. Soms moest je dat dan weer inleveren, omdat het niet goed bleef. Vier stokjes aan je m bijvoorbeeld. Of een inktvlek. Dan was dat doopsuikertje al half gesmolten. Je moest het immers bewaren: je mocht je beloning alleen maar verorberen tijdens speeltijden. Naast mij in de bank zat een roodharige dikkerd met duizend sproeten en een roze velletje. Soms haalde hij onverwacht maar stiekem zijn piemel uit. Dan moesten we lachen. Helemaal vooraan was Jozef-met-het-brilletje geparkeerd. Hij leek dom te zijn. Zag hij niet goed? Godverdomme, niemand besefte het: eigenlijk was Jozef een beetje doof. Jaren later kwam er op de plek van de toenmalige basisschool een PMS-centrum, nog veel later CLB genoemd. Daar hadden ze kunnen ontdekken dat Jozef wat doof was, en niet blind, en niet dom. Het waren harde tijden. Ik was de tweede van de klas, achter het zoontje van de dokter. Mijn prijsboek had als titel: Van een konijntje en een ei. Een kieken wou haar ei niet uitbroeden. Dan maar het konijn ten tonele gevoerd. Op de prijsuitreiking werd de film Bambi vertoond. Mijn eerste leerjaar? Angst.

    Meester Vandecasteele (ik ben zijn voornaam vergeten; Norbert?) kleurde mijn tweede leerjaar van de basisschool aangenaam in. Ik begon me eindelijk goed te voelen. Hij was jong. Elke ochtend kwam hij op school toe met een scooter, van ergens héél ver. Hij was een beetje Elvis Presley (hoewel wij die naam niet kenden). Er stond een steenkolenkachel midden in de klas. We schaarden er ons omheen, riekend naar natte honden. Meester Vandecasteele had een beloningssysteem met gekleurde kartonnetjes, waarbij niemand zich gepasseerd voelde. Soms zwierde hij zijn benen naar omhoog en ging hij even op zijn hoofd staan. We hadden het gevoel dat hij een vreemde snuiter in onze school was. In die tijd arriveerde midden in het schooljaar ook een rijke jongen bij ons in de klas. Iedereen wou naast hem in de bank. Hij was met een vliegtuig uit ‘de’ Congo gekomen: het gevaarlijke land van de negers met de afgehakte handen. In die tweede klas vond ik ook mijn eerste meikever, in de haag omheen de stedelijke speelwarande. Op rapportdag (examens heetten toen nog ‘wedstrijden’ of ‘ombesten’) bleek ik nog meer percent te hebben dan bij die brulaap uit het eerste leerjaar. Het zoontje van de dokter was dieper in de rangschikking weggezakt. Meester Vandecasteele was immers geen inwoner uit het stadje; hij kwam van ver … En bij hem mocht je ook wat stouter zijn. Dat vormde geen echt probleem betreffende de kolom ‘Uitmuntendheid’. Ik kreeg dus veel prijsboeken. Vooral van Hollandse schrijvers, waar personages Harm en Puk moesten heten. ‘Puk zit in de wei bij de beek. Hij houdt een roer vast.’ Aan mijn tweede leerjaar bewaar ik warme aangename herinneringen.

    Meester Wets van de derde klas (die toen al duizend jaar leek te zijn) werd ziek. Vrijwel onmiddellijk, aan het begin van het schooljaar, nam mevrouw M. zijn plaats in. Zij was de vrouw van de toenmalige schooldirecteur. We verhuisden dat jaar ook naar een ander segment gebouwen, palend aan de echte grote school, waar we ooit zouden belanden. Mevrouw M. leek in mijn ogen op een gerimpeld appeltje uit de vorige herfst, althans wat haar gezicht betrof. Ze was wel een voorloper in individuele evaluatie. Ze nam uitvoerig de tijd om van bank naar bank te gaan en daar ter plekke schrift na schrift te becommentariëren en te amenderen. Daardoor, vooral omstreeks april-mei, kregen we ook soms een stukje van haar boezem te zien. Dat geultje interesseerde ons toen al in dezelfde mate als de glijbaan in pretpark Meli. Ofschoon we in die tijd uiteraard een volledige masculiene klassengroep vormden, getalsterkte meer dan dertig eenheden, ondervond mevrouw M. geen moeite met ons. We vonden een juf wel eens fijn. Mijn derde leerjaar weekte de vrouwelijke kant in mij los.

    Meester Haelewijn van het vierde leerjaar vond ik een heel fijne kerel. Om te beginnen had hij een boekje gepubliceerd over het nabijgelegen en beroemde kasteel van Wijnendale. Dat vond ik indrukwekkend, want toen al wou ik schrijver worden. Meester Haelewijn nodigde echter ook eens een echte brandweerman in de klas uit, waardoor ik plotseling besloot: ik word spuitgast! Dat werd zelfs de titel van mijn daaropvolgende opstel. Hij organiseerde ook een heuse studietrip naar een ijzergieterij in de omgeving, want een van de zoons van het bedrijf zat in onze klas. Meester Haelewijn behandelde ons niet als domme onwetende kinderen. Hij ging rustig en gereserveerd met ons om. Wij, hoe jong ook, apprecieerden dat. Geen gebrul, geen lawine van straffen, een rustig stelsel van beloningen. Zijn natuurlijke autoriteit werd nog versterkt door zijn bril met zware montuur. Later zou de mode worden. Het zou ook nog decennia duren voor het woord ‘respect’ opdook in het straatvocabularium van jonge streetwise durfnieten, maar zeker weten: wij (Armand, Hans, Wilfried, Hans, Eric, Pol, … ) hadden toen ‘immens’ veel respect voor meester Haelewijn. Mijn vierde leerjaar opende mijn vensters op de wereld.

    Meester Devriese van de vijfde klas was mij zeer goed gezind. Hij kende mijn ouders goed. Bij hem leerde ik mijn eerste Frans. Zingend. C’est un éléphant, qui marche … qui marche … Hij kon een iguanodon op het bord tekenen. Maar bovenal ontdekte hij dat ik heel mooie opstellen schreef met veel tekenende woorden in. De zwarte kat liep door de dikke benen van de warme bakker. Mijn mooie zinnen kwamen telkens weer op het bord, na elk opstel, maar mijn tekeningen op de keerzijde waren een ramp. Meester Devriese keek door zijn wazige gekleurde brillenglazen altijd een beetje treurig. Hij was ook diepgelovig. Na schooltijd en na de niet-verplichte les Frans kon je bij hem bijvoorbeeld nog EKW volgen: Eucharistische Kern Werking. Dat deed hij samen met een priester, in de schoolkapel. Hij kwam ook op voor de zwakkere broertjes in de klas. Toen we voetbalden met een tennisballetje op de speelplaats, en het onhandige Willy’tje ‘kopte’ het balletje per ongeluk met zijn rug in plaats van met zijn hoofd weg, dan was meester daar om iedereen te bezweren dat dat helemaal niet erg was. Jezus had immers ook aandacht voor de minderbedeelden.

    In mijn zesde en laatste klas van de lagere school (ik deed geen zevende leerjaar, hoewel heel veel leerlingen dat toen wel deden: onze school kende in die jaren nog drie zevende klassen) was de cirkel rond: weer zat ik oog in oog met een tiran. Meester Rosseeuw (‘Spreeuwe’) was dubbelkinnig, streng, onredelijk en oud. Ik bewaar maar één goede herinnering aan hem uit dat jaar: toen hij elke zaterdagvoormiddag voorlas uit een avonturenboekje over een expeditie. Overigens bleek jaren later dat mijn eigen pa en de meester niet op goede voet met elkaar stonden. Vandaar het ongemak, dat ik elke dag aan den lijve ondervond. Spreeuwe speelde piano en was oerkatholiek. We moesten dus veel zingen. Gelukkig was het toen al de mode dat er in de zesde klas ook door andere meesters les werd gegeven, ter voorbereiding op de middelbare school. Meester Cafmeyer gaf geschiedenis; meester Schutyser gaf aardrijkskunde; mijn eigen tiran Spreeuwe gaf natuurkunde. Spreeuwe kwam rond met zo’n gigantische rolstempel, zodat iedereen een kikker of de nerven van een blad in zijn schrift kreeg gestempeld. Er was in die tijd wat aan de hand met bisschop Makarios op Cyprus. We moesten er knipsels uit de krant over verzamelen. En o ja: België won een oorlog tegen Duitsland. Dat was het enige goede wereldnieuws uit mijn zesde en laatste leerjaar in de basisschool. Spreeuwe, als de hemel of de hel bestaan, en ik kom u daar tegen: ik zal me moeten inhouden of ik geef u een optater tegen uw verwaande stekelharen kop, zodat uw kinnen trillen als een pudding.

    Mijn meesters en mijn ene juf: gemengde gevoelens. Angst, respect, warmte, bewondering, begrip, afgrijzen. En als het regende, regende het hevig. En als het vroor, vroor het dat het kraakte. En de wind huilde waanzinnig. En de sneeuw lag metershoog. En de zon brandde ongenadig.


    09-08-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DRAMA

    DRAMATISCH NIEUWS


    Ik neem de vrijheid u en uw gezelschap enkele van mijn theaterstukken onder uw welwillende aandacht te brengen. Zowel Toneelfonds J. Janssens (Borgerhout) als Theaterburo Almo (Antwerpen) als Toneeluitgeverij Vink (Alkmaar, Nl) publiceren mijn dramatisch werk. Mocht u eventueel interesse hebben i.v.m. opvoering, dan moeten de scripten bij deze literaire agenten opgevraagd worden.


    EEN EENHOORN IN JE TUIN
    (J. Janssens, 1996): jeugdtheater voor kinderen, door kinderen en desgewenst volwassenen. Meerdere rollen mogelijk, o.a. een hele klas. Thema: fantasie. Avondvullend.

    THUIS HEBBEN WE GEEN TREIN (J. Janssens, 1998): avondvullende monoloog. Aan het woord is een geprepensioneerde treinconducteur. Thema: station, treinen, reizen. Meerkeuzemogelijkheden voor het slot. Genre: hilarische komedie.

    DODE ADDER (Almo, 2000): bekroond met de Nestor de Tière Toneelprijs van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde Gent en met de Premie Theaterschrijfprijs Provincie West-Vlaanderen. Avondvullende dialoog voor 2 mannen of vrouwen en een zwarte vogel (raaf). Een ironisch sollicitatiespel dat uitmondt in rolomkering en moord. Genre: wrang-ironische komedie.

    HIEP HIEP HYPO! (J. Janssens, 2002): eenakter voor een 10-tal personages. Een man koestert zelfmoordplannen en gaat daarom een laatste keer shoppen in het warenhuis. Hij ontmoet er overledenen die hem tot andere gedachten proberen te brengen. Thema: zwaarmoedigheid. Genre: komedie.

    DE BIERKAAI (Almo, 2002): avondvullend volksstuk in 14 staties met een ‘catering’-einde, zich afspelend in een randstedelijk stamcafé. Een 20-tal rollen, verwisselbaar (m/v). Graag ook een hond. Diverse thema’s. Genre: komedie.

    DRIE MINIMONOLOGEN (J. Janssens, 2003 & Vink, NL, 2009): duur van elke monoloog is een halfuur. ALS HET HERT SPREEKT: een jachttrofee-met-gewei aan een cafémuur lucht zijn hart. MAMA: een zoon lucht zijn hart over zijn vrouwelijke ouder. ROLEX: een bedrogen minnares lucht haar hart over haar ex-geliefde.

    ZEG, LUISTER JE NOG? (Almo, 2004): een veertigtal korte sketches in dialoogvorm. Genre: absurd, laconiek, ironisch.

    ’T PARADIJS, EEN GRENSGEVAL (Almo, 2007/08): een volksstuk in opdracht, geschreven voor de bewoners van de grenswijk ’t Paradijs/Rekkem (Vl – F), waarin de typische grensproblematiek wordt geëvoceerd, o.a. de smokkel. In 2008 werd dit volksstuk opgevoerd ter plekke.Genre: volkstoneel.


    DAMIAAN, MIJN DING
    (2007/08): een jeugdtheaterstuk in opdracht van Damiaanactie en Revinzeschool Torhout. Eerste opvoering juni 08. Genre: spektakelstuk.


    HOTEL DE STERVENDE OLIFANT
    (Almo, 2009): een avondvullende theaterthriller met bloeddoping in de wielrennerij als thema. 15-tal rollen; 3 decors. Genre: drama.


    ZZOEF!!
    (IBVA Alkmaar, Vink, NL, 2009): eenakter in 12 taferelen over de snelheid van het leven. Combinatie ernst & humor. Verwisselbare rollen (5 à 6 duo's). Genre: drama/komedie


    VEE
    (Almo, 2009): komisch stuk over teambuilding, groepsdynamiek en zwak leiderschap. 11-tal rollen; 3 decors. Duur: 80 min. Genre: drama.


    APPELEN
    (2009): een kijk- en luisterspel dat door actrice Bianca Vanhaverbeke geïnterpreteerd wordt om door kinderen gespeeld te worden. Genre: spektakel.


    ZIJN ALLE ZWANEN WIT?
    (J.Janssens, 2010): absurde eenakter, duur drie kwartier, twee rollen en een vallend voorwerp. Genre: absurd.


    MEERVOUD (M/V)
    (Vink, NL, 2010): spektakelstuk voor twee rollen (desgewenst zes) op en rond een dubbele schommel, waarin Fred & Ginger, Julius & Cleo en Dolf & Eva op hun leven op aarde reflecteren. Duur: anderhalf uur. Dans- en zangscènes mogelijk. Genre: spektakelstuk/komedie.


    Hopelijk eens tot in de zaal of op de planken (en niet ertussen):

    JORIS DENOO

    www.jorisdenoo.be


    27-07-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.225: GVD

    GVD (Gebed om liefde)

    ‘Durf je 80 keer na elkaar godverdomme zeggen?’

    Met een ernstige rimpel boven zijn wenkbrauwen daagde Erwin De Coster me uit: de kampioen van het rood worden, maar op het schoolplein ook de baas van de cowboys, tégen de indianen. We stonden met z’n drieën op het lage muurtje voor de huizenrij waar hij woonde: ik, Erwin, Marina. Ik was jaloers op Erwins ravenzwarte haar, dat hij soms met een eigenaardige ruk van zijn hoofd naar achteren zwierde. Erwin zelf was echter ook doodbeschaamd dat hij op de wereld rondliep, wat zich uitdrukkelijk vertaalde in rare grimassen en tomatenrode bewolking die soms in een fractie van een seconde over zijn gezicht trok.
    Zijn alter ego, de baas van de cowboys, daagde me dus uit om 80 keer hardop te vloeken. 80 klonk in zijn oren waarschijnlijk meer dan 100. Het maakte meer indruk. 80 rijmde ook met krachtig.
    ‘Jaja, natuurlijk,’ knikte ik, bang om mijn plaats in de pikorde van de cowboybende te verliezen. Gezwind sprong ik van het muurtje.
    ‘Op het muurtje!’ gebood hij.
    Ik sprong er weer op; zij eraf. Marina, het al net zo ongelofelijk ravenzwarte buurmeisje van Erwin, keek glimlachend toe. Ze was twee jaar ouder dan ons, en ze had al wat. Haar oosterse glimlach was onweerstaanbaar. Marina was een mediterrane zeemeermin; alom veroorzaakte ze natte dromen. In de jaren 50-60 was een Marina namelijk heel anders dan een Marina uit de jaren 80-90.

    Held J. vloekt 80 x hardop te T. en verovert aldus menig meisjeshart, vooral dat van M., tevens aldaar woonachtig.

    Net toen ik aan mijn godslasterende monoloog wou beginnen, boven die twee zwartkoppen uittorend als een Frankische koning op een schild, piepte in een van de lager gelegen huisjes een deur open. Een man in onderhemd verscheen, met armen waarover aders als staalkabels liepen: de pa van Erwin.
    ‘Godverdomme: wat staan jullie daar zo te konkelfoezen, hé?’
    Het rood vlamde weer naar Erwins hoofd. Marina giechelde om dat konkelfoezen. Door een zachte windstoot bolde haar rokje even op. (Daar stonden kriskras cijfers op, dat weet ik nog, maar niemand van ons slaagde er ooit in die blitze Marina te ontcijferen, want later werd ze een vedette in het volleybal, dus trouwde ze met een dubbele meter basketvlees die ook nog eens geneeskunde studeerde, hoe gaat dat, godverdomme).
    Ik lachte mal en hupte van het muurtje.
    ‘Wel?’
    ‘Niets, pa,’ mompelde Erwin.
    ‘Hoe: niets? Zie maar dat je over vijf minuten binnen zijt. Je moeder wacht. Heb je huiswerk?’
    ‘Vandaag niet.’
    ‘Jaja.’
    Pats. De deur knalde weer dicht. Marina keek naar mij. Ik keek naar Erwin. Die jongleerde met zijn wenkbrauwen.
    ‘Wacht je moeder, Erwin?’ vroeg ik.
    ‘Tachtig keer!’ snauwde hij onverbiddelijk.
    ‘Maar je vader … ‘ begon ik weer.
    ‘TACHTIG!’
    ‘Weet je wat,’ opperde Marina plotseling samenzweerderig. ‘We doen het samen. We delen door twee. Ieder veertig. Goed zo, Erwin?’
    ‘Mm … ‘
    De cowboybaas, heer en meester over het vloeken in deze stad, haalde zijn schouders op.
    ‘Dan wil ik ook wel meedoen,’ besliste hij dan grootmoedig, alsof niemand, ook hijzelf niet, onder zijn uitdaging uit kon.
    ‘Delen door drie, oké?’
    ‘Oké.’
    ‘Maar hoeveel is dat dan voor elk?’ vroeg Marina.
    ‘Ik weet het,’ zei Erwin resoluut. ‘Marina twintig, ik dertig, jij dertig. Dat is samen tachtig.’
    ‘Waarom ik maar twintig en niet dertig?’ protesteerde Marina. Met haar ene hand hield ze haar rokje in bedwang tegen een verse windstoot.
    ‘Omdat jij een meisje bent,’ flapte Erwin het eruit, waarbij hij andermaal rood kleurde tot ver achter zijn oren. Nu bolde Marina’s cijferrokje andermaal op, want ze had beide handen nodig voor wat misbaar: ‘En wat heeft dat daarmee te maken, mislukte cowboy?!’
    ‘Jullie kunnen minder dan wij,’ mompelde Erwin beschaamd-chagrijnig.
    ‘Ha-ha-ha,’ meesmuilde Marina nadrukkelijk, met volle oosterse mond. ‘Ha-ha-ha.’
    En toen pakte ze haar belager bij zijn achillespees: ‘De roodhuid heeft weer gesproken. Ugh! Ugh! Je bent bang voor meisjes!’
    ‘Niet waar, godverdomme!’ riep Erwin. Hij was nu zowat koninklijk purper aangelopen. Zijn gezicht was verwrongen in een ongemakkelijke grimas. Hij had de hoogste graad van schaamte bereikt.
    Ik stond erbij en ik keek ernaar. Cijfers dansten voor mijn ogen. En toen ging die verrekte deur weer open. De vaderfiguur verscheen vervaarlijk in het deurgat. Hij vulde dat gat vrijwel volledig op. Erwin en Marina hielden op met kijven. Ze keken naar hem, naar mekaar, weer naar hem, dan naar mij.

    En net voor Erwins pa zijn mond kon openen, begon ik, vele jaren voor het een rage werd, godslasterlijk te rappen:
    ‘Godverdomme – godverdomme – godverdomme … ‘
    Waarom ik precies 80 keer, en bijvoorbeeld geen 100 keer moest vloeken, wist ik niet. 80 klonk misschien zelf ook meer als een vloek dan dat bolle 100. Daar op dat muurtje toen, dat was taalkunde en rekenkunde. Uit de school geklapt.

    Marina verdween mettertijd in de sportberichten van de nationale kranten. Het stadje werd te klein voor haar. Allerlei ridders op witte paarden omzwermden haar. Erwin hielp al vaker op de openbare markten in de groentekraam van zijn ouders. Als ik hem ooit eens weerzie, dan weet ik nu al met grote zekerheid wat mijn eerste woord zal zijn, uit de voorraad van de honderdduizenden die ik intussen machtig ben.


    03-07-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.224: Veldinterview

    VELDINTERVIEW

    Ik zat mijn honderdduizendste spaghetti op mijn vork te draaien toen ik op de radio het volgende gesprek hoorde. Een (vrouwelijke) radioreporter interviewde de politiecommissaris op de wekelijkse markt in het kuststadje B. Het thema: gauwdieven. Soms hoef je echt niet te betalen voor een avondje stand-upcomedy; je krijgt her en der gratis porties fijnkost.

    R(eporter): Ik ben hier op stap met Dimitri, politiecommissaris. We lopen rond op de markt in B., op zoek naar gauwdieven. Hoe doe je dat eigenlijk, commissaris Dimitri? Ben je bijvoorbeeld gewapend?

    CD (commissaris Dimitri): Ja, maar ik heb ook nog mijn handen hé.

    R: En nog iets meer dus?

    CD: Mijn hemd zit uit mijn broek. Er is hier namelijk meer aan de hand. Daaronder bevindt zich mijn wapen, aan mijn riem bevestigd. Als het nodig is … Maar: ge moet vooral in de massa opgaan.

    R: Ja, dat is niet gemakkelijk. Herken je gauw gauwdieven, commissaris Dimitri?

    CD: Wel, de gauwdieven gaan zich heroriënteren. Ze evolueren van zigeunermeisjes naar vreemd uitziende personen, ’t is jammer om te zeggen. Ik heb de som op de proef genomen.

    Toen heb ik het uitgeproest, me verslikkend in een sliert spaghetti.


    07-06-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.223: Sprook

    SPROOK

    Op een ochtendmistelijke dag stichtte ik een heilig vuur aan de rand van de stad, net op de valstreep van dagelijkse drukte. Hoogbejaarde vrouwtjes met zwarte hoofddoeken en takkenbossen op hun rugjes gekromd als vraagtekentjes knikten me dankbaar toe. Wind uit oude dagen wakkerde de vlammen aan, die gretig als hellehonden zichzelf likten. Heimweemoed palmde me in. Een miskloon die met opgeruimde benen uit zijn alkoof was gestapt – o red ons van die breedsmoelkikkers die des ochtends reeds rondhossen met een glimlach van oost tot west op hun mombakkes – vroeg me frikkerig: ‘Aloha gij daar, mesteling: denkt gij het buiten warmer te kunnen stoken dan gisteren binnen?’ Ikzelf antwoordde: ‘Vlaanderen spaanderen! Een overwinning heeft vele vaders, een nederlaag is een wees, vuur kent geen vrees’. ‘Verloofd zij Jezus Christus, hm’, ontkende de rekel niet. ‘Als ik vragen durf: wie zijt gij, lijfeigene?’ vroeg ik, gierig naar nieuws. Het antiwoord van de miskloon liet niet lang op zich wachten. ‘Ik ben Sir Drinkalot’, zo sprak hij. Eigenlijk zei hij: ‘Fir i.p.v. Sir’ – er gaapte een verhofstadtspleet tussen zijn fronttanden waardoor te veel gebakken lucht te vroeg ontsnapte. ‘Voorwaar een niet mif te verftane naam’, knikte ik. ‘Mij is een Liselot bekend, meerdere zelfs, maar van een Drinkalot heb ik nog nimmer gehoord’. ‘Waarom sticht gij dit vuur?’ ‘Ik breng een Chinees spreekwoord in de praktijk, dat zegt: gij zult de vier elementen van Empedokles in uw leven meester worden, wil uw leven geslaagd zijn’. ‘O?’ ‘Gij zult lucht bakken, aarde eten, water herverdelen en vuur beheersen’. ‘Hm … een beetje zoals Arnold Schwarzenegger dan, de ovenwarme gouverneur van de grootste Amerikaanse bosbrand aller tijden? Of … zoals die andere aanstoker van de grootste bushbrand in het Midden-Oosten?’ ‘Noch met deze Oostenrijker, noch met die Plastieken Junior wil ik in geen geval vergeleken worden’, wedervoer ik. ‘Maar wat brengt ù hier, Drinkalot?’ ‘Sir, graag’. ‘Oké, meneer’. ‘Ik ben zwervend op zoek naar de Graal’. ‘Hebben de muzelmannen die niet afgepakt van de christenhonden?’ vroeg ik. ‘Het gerucht gaat dat Judas die beker meegejat heeft op die fameuze avond’, antiwoordde Sir Drinkalot. ‘Ik vermoed dat hij hem doorverkocht heeft’. ‘Geplaagd door zo’n naam zijt gij daar zeer zeker op de hoogte van, drinkeman’. ‘Meer is in mij’, ontkende Sir Drinkalot andermaal niet. ‘Maar,’ vervolgde ik, ‘is het niet zo dat de genaamde Jozef van Arimathea deze beker met wijn van het Laatste Avondmaal én bloed van de beroemde kruisdode medenam op zijn geheimzinnige reis naar Engeland?’ ‘Gij bedoelt dan waarschijnlijk: het Engeland van de Tafelronde?’ ‘Yes. Misschien was het wel een bekeringsreis: men wenste ridders om te dopen’. Ik, de randstedelijke vuurstoker, en hij, de voorbijgangerende miskloon, zwegen even. We kregen allebei tot onze grote ontzetting dezelfde griezelige gedachte. Deze kelk van kennis en inzicht konden we niet aan ons laten voorbijgaan, deze ketel der Kelten, heilige Graal, beker der ingewijden. En we beseften eensklaps beiden, terwijl onze haren te berge rezen: de waarheid bevindt zich op de bodem van elke beker, zegge en schrijve glas. Meer was in ons.


    05-05-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.222: Zappa

    ZAPPA

    Je kunt nu ‘shoppend’ studeren: kuierend, winkelend en kiezend wandel je doorheen een aantal opleidingen (rekken die aangevuld worden door rekkenvullers dus), desgewenst wordt ook aan huis besteld via afstandelijke postorderbedrijven. Even tekenen en je diploma’s worden aan de deur afgeleverd. Zappen geblazen, accolade ernaast, bingo. Die vreemde voorkeur voor allegaartjes in plaats van stevige kwaliteitskost manifesteert zich ook in alle geledingen van de cultuur. Jongere schrijvers bijvoorbeeld gaan er prat op dat ze ook ‘andere’ dingen doen, pas op, met beeld en beweging en geluid, of salami en rolwagens en bokshandschoenen. Vroeger kreeg je daar op je kop voor: je mocht niet te vlug naar buiten komen, je moest vooral zuinig zijn op alles, je mocht vooral je werk niet verkopen en promoten, en bovenal moest je met je fikken van andere disciplines blijven. De bal ligt nu in veel kampjes tegelijk. Nu meent men alles te moeten combineren. Er wordt ook veel meer in eigen beheer en op eigen risico gepubliceerd, muziek en literatuur. Vroeger werd dat weggehoond of doodgezwegen. Nu wordt dat soms – ons kent ons – gepromoot: wat we zelf doen, doen we beter. En waarom zouden platenbazen en uitgevers met de centen gaan lopen? We frequenteren de ‘juiste’ drenkplaatsen, kloppen op de ‘juiste’ schouders, en vooruit met de geit: on air, in the picture, make it happen. De tijden veranderen dus. Of nee: de mensen. Het schijnt dat het leven discontinu en grillig verloopt. Dat kan nu geëtaleerd worden in boeken, films, installaties, beelden, klanklandschappen. Daardoor wordt soms flauwekul als genre beschouwd. De media moeten natuurlijk volgen: zij maken en kraken. Je zou haast gaan denken dat al die creatievelingen allround zijn. Het eventuele succes van hun ene talent wordt geacht af te stralen op het andere dat ze menen te hebben. Het deed zich vroeger wel eens voor: een schilderende dichter, een schrijvende beeldhouwer. Maar men had daar gewoonlijk bedenkingen bij, schouderophalen, beleefd gekuch, of het dubbelhartige adjectief ‘eigenzinnig’, wat ‘slecht’ betekende. Nu wedt men op vele paardjes tegelijk. Ook de muziek is totaal versnipperd. Gevraagd onder jongeren wat er nu ‘gaande’ is op muziekvlak, blijven ze een antwoord schuldig. Niets nieuws of eigens, blijkbaar. Veel mixen en stelen en plagiëren, maar men benoemt het anders, eufemistischer. Er schijnt nog meer: het schijnt dat die versnippering en dat onbeschaamde gejat op zich ook als daden van creatieve bevestiging moeten worden gezien. Welaan dan. Ikzelf heb alleen maar zin om buiten mijn geschrijf vliegende tapijten te knopen. Dat schrijven zelf, hoe onvolkomen ook, neemt me te veel in beslag. Zelfs begeleidende muziek stoort me daarbij. Niet vaak heb ik de tijd om verder in de knoop te raken met mijn vliegend tapijt. Zal er ooit weer een tijd komen waar men opnieuw verhalen gaat bedenken zonder moeilijke begeleidende video’s of zonder shopping- en samplinggedoe in en uit andere ruiven? De oude school is even uit, leve de nieuwe school. Weg met Zappa, leve Zappa. Kassa.


    29-03-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.221: Een bod op God

    EEN BOD OP GOD

    Terwijl ik me aan het voorbereiden ben op mijn nakende dood en desgevallend een leven daarna, zo dat woord daarop al van toepassing is, word ik bezocht door de volgende gedachte: oké, God kan misschien goed zijn, en desgewenst grappig, wat zorgt voor de nodige verrassingen in het leven, maar wat als blijkt dat Hij ook nog een broer heeft die het niet zo goed met de mensen en de mensheid meent, in die mate zelfs dat hij Bot wenst te heten, een zelfgekozen naam die rijmt met die van zijn bekendere broer God?

    De behoefte van God om grappig te zijn en bijvoorbeeld voorwerpen zoek te maken of boterhammen altijd op hun beboterde kant op de grond te doen vallen, vergeven we Hem. Hij is immers ook maar mens geworden, nietwaar. Hij mocht echter nooit verzwegen hebben dat Hij nog een broer heeft, dan nog wel een specialist in het doen slagen van worstcasescenario's en het vergallen van mensenlevens: de genaamde Bot.

    Bij de voorbereidingen op mijn nakende dood (ik nader zoals iedere jongere de 80) en desgevallend een leven daarna, heb ik besloten de heer Bot een proces aan te doen wegens rijmdwang met God, weshalve hij meent als Hij geschreven en aangesproken te moeten worden, terwijl hij toch alleen maar eropuit is om de mensen, hun menselijkheid en de mensheid op z'n zachtst gezegd te kloten. Ik heb gezegd.

    Weg met Bot.
    Botweg.


    03-03-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.220: Curryculum Vitae

    CURRYCULUM VITAE

    Is het beroep van kok levensgevaarlijk? De vuren nog buiten beschouwing gelaten? Zijn koks een kort leven beschoren? Ik heb al diverse keren gelezen dat beroepshalve koken very stressy is. Zo’n kok is top of the bill op de ranglijst van vroeg te sterven mensen. Dat verwondert me eigenlijk niet, gezien de combinatie van vuur, vet en stress. Daarenboven moorden koks ook zelf: kippen, konijnen, vissen, kreeften … Ze vermommen zich daartoe meestal als hun collega-dokters of -verplegers in smetteloos wit. Ook die zijn er om de mensen in leven te houden. Iets wat me raakt: Tony Soprano, een man die zo graag eet, werd door zijn oom in de maag geschoten. (Een soort Marvin-Gayetoestand). Zo jammer. Het middelpunt van het lichaam, nou: een weldoorvoed gangsterlijf in dit geval. De liefde van de man …

    A propos: uit de rib van de ingedommelde eerste man fabriceerde God de vrouw. Hoeveel chef-kokkinnen zouden er zijn in vergelijking met chef-koks? Dieren koken en kinderen kopen vallen moeilijk te combineren. Vreselijk geformuleerd: gebraad of gebroed, stoof of sloof. Kinderen vragen veel aandacht en tijd. Mannen bekommeren zich in veel mindere mate fulltime om hun kinderen. Het cv van een vrouw in gezinsverband ziet er wel even anders uit. Zelfs zonder gezinsverband. Mannen blijven hier in gebreke. Misschien zijn er al vele talentrijke chef-kokkinnen verloren gegaan? Of is het beroep van kok echt nog een afgeleide van de jager die uitrukte om dieren te doden, die boven vuren te warmen en er zijn gezin mee te voeden? En waarom staan er zo weinig vrouwen achter de zomerse barbecuevuren? Mis ik hier misschien een link ?


    09-02-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.219: Tovenaar

    TOVENAAR

    Het is u misschien een tijd geleden overkomen. Of nog helemaal niet zo lang geleden. Verveelde u zich wat eergisteravond toen u dat gezelschap op bezoek bij u thuis kreeg? Dan ken ik een leuk spelletje voor u. Het heet ‘Tovenaar’. Ik las het in een boek van de schrijver Paul Auster. Benodigdheden: een medestander aan de andere kant van de telefoonlijn, die op dat ogenblik wel bereikbaar moet zijn. Neem een spel kaarten. Vraag iemand uit het gezelschap daar een willekeurige kaart uit te trekken. Laat de kaart duidelijk aan iedereen zien. Bijvoorbeeld harten vier. Neem dan de telefoon. Vorm een nummer. Vraag of de Tovenaar thuis is. Zeg daarna: ‘Dat klopt. Ik wil de Tovenaar spreken.’ Dat duurt nu even. Er heerst wat stilte. Nog een- of tweemaal zegt u ‘Ja’ of ‘Oké’. Daarna geeft u de telefoon door. Aan iedereen die het horen wil. Tot hun verbazing horen uw gasten een mannenstem voortdurend herhalen: ‘Harten vier … harten vier … ‘. Vervolgens neemt u de telefoon weer zelf, u dankt de Tovenaar en haakt weer in. Voor de ongelovige Thomassen in het gezelschap doet u het nog een keer. Uiteraard met een totaal andere, alweer willekeurige kaart. Het is een aardig spelletje. Het lijkt ingewikkeld, maar het is doodeenvoudig. Twee mensen spreken af Tovenaar voor elkaar te zijn. De vraag ‘Kan ik de Tovenaar spreken?’ is een signaal. Dan begint de man aan de andere kant van de lijn de kaartsoorten op te sommen: schoppen, harten, ruiten, klaveren. Op het moment dat hij de juiste soort vermeldt, zegt diegene die opbelt zomaar iets. Bijvoorbeeld ‘Ja’, of ‘Oké’, of ‘Goed’. Dat betekent ‘niet verdergaan’. Dan begint de ‘Tovenaar’ alle waarden op te sommen: aas, één, twee, drie, vier, vijf, enz … Als hij bij de correcte waarde komt, zegt de beller weer iets gelijkaardigs. Dan combineert de ‘Tovenaar’ de twee elementen. Die herhaalt hij vervolgens voortdurend: ‘Harten vier … harten vier … ‘. Het is een leuk spelletje, waar uw gezelschap even over moet nadenken.

    Natuurlijk ware het veel handiger mocht u het gezelschap zelf weg kunnen toveren. Daarvoor echter moet ik nog andere Tovenaarsboeken raadplegen. Ik zal u op de hoogte houden en u te gelegener tijd opbellen.


    15-01-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.218: Perspest

    MAKEN, KRAKEN OF INFORMEREN?

    (PERSPEST)

    De mediatisering van ‘nieuws’ heeft al veel kwaad aangericht. De pers heeft de politiek naar de haaien geholpen. Ze zijn dan verwonderd dat de ‘burger’ de politiek verafschuwt, of dat er populistische partijen opkomen. Politici willen alleen nog scoren in stomme tv-programma’s. Televisie (met in zijn vaarwater een massa goedgelovigen) wordt als het nieuwe evangelie beschouwd. Bête idolatrie is dat. Stomme bewondering voor een heilige koe. BV’s (zeg maar: TV’s, Telegeleide Vlamingen, of Televisie Vlamingen) worden evangelisten. Kijkdichtheid is heilig. ‘Gezien op tv’ is de domste slogan ooit. Ik koop gvd nooit iets wat ‘op tv gezien is’, want tv biedt eenheidsworst, lulkoek en doorsneegetater.

    Ook leraren deelden onlangs in die kwalijke koek. Schuldig of niet, maar de berichtgeving over het cementincident in Hoegaarden en de moordenaar van Halen is van in den beginne gekleurd door gissen en missen. Diverse keren is daarover door juristen en publicisten geblogd en geschreven. Het voegt natuurlijk weer toe aan het clichébeeld dat nog altijd over ‘de leraar’ bestaat, maar dan in erge mate.

    En tijdens de recentste uitreiking van de Gouden Schoen bleef voetbalclub Standard ook weg ten gevolge van een persmisbaksel op een weblog van een populistische krant, terwijl net hun Jovanovic met de palm ging lopen.

    Wat is dat toch met de pers? Is het hen naar het hoofd gestegen? Menen zij te mogen maken en kraken? Is het niet hun taak te informeren? Schakel bijvoorbeeld een bekend populair magazine uit (dat vaak immer dezelfde schrijvers bepampert), of schrap die corrupte bestsellerlijstjes, en je krijgt onmiddellijk een ander beeld van de Vlaamse literatuur. Tafelspringers, meninghebbers en brulkikkers zouden uit het beeld verdwijnen. Uit ervaring en uit goede bron weet ik dat heilige huisjes zoals Knack en de ‘kwaliteitskrant’ De Standaard (waar ‘weids’ en ‘uitweiden’ qua spelling blijkbaar een probleem vormen – sommige redacteuren hebben niet goed opgelet op school) verboden terrein zijn voor sommige schrijvers, net omdat die onvoldoende met hun kop in de media verschijnen, als ‘niet bekend genoeg’ worden beschouwd en dus niet ‘verkopen’. En voor onbeduidende persmuskietjes is het daarenboven makkelijk om mee van de bekendheid van medianamen te profiteren. Veel van die schrijvelaars zijn immers zelf gestraalde schrijvers. Voorbeelden op aanvraag.

    Nog even en we hebben een tabloid-Vlaanderen, waar de beide partijen hard voor ijveren: het journaille, en de BV’s ofte Beroerde Vlamingen. Bezuiden de taalgrens deed Daerden al aardig zijn best, maar hierboven, in het welvarende deel, hebben we ook zo onze charlatans. Iemand een idee voor nog maar es een opgewarmd reality- of uitgekookt bak-en-braadprogramma met een aantal van die Belgische schertsfiguren?

    Zo, ik hoop dat ik de pers even heb kunnen kraken. O, ik wou alleen maar informeren, hoor. Sans rancune. No harm done.


    06-01-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.217: Animatietype

    ANIMATIETYPE

    Het animatietype kom je het vaakst tegen in zijn natuurlijke biotoop: bij en halfin halfuit het water van een zomers hotelzwembad. Zij roepen gezwinde bevelen in diverse talen naar rechtopstaande mensen in het water. Echter: animatietypes leuken de boel ook op ter gelegenheid van diverse evenementen in alle seizoenen, bijna altijd ongevraagd. De animatietypes aan de hotelzwembaden zijn jong en binden hun haren in een staart bijeen. Die van de evenementen zijn nonkels op trouwfeesten, buurmannen op barbecues en ongevraagde moppentappers op café. De drijvende krachten achter de animatietypes zijn de animatietypes zelf, weer of geen weer, oud of jong. Zij geven nooit op en laten nooit af. Zij zijn de pitbulls van de ontspanning en de feestelijkheden. Zij moeten voortdurend gevoederd worden door aansporingen en uitdagingen. Zij aarzelen niet iets tot driemaal toe te herhalen. Animatietypes nemen geen pilletjes om rustig te blijven. Zij zouden eerder elastiekjes en springveren eten en vitaminen slikken. In de zuiderse vakantielanden is het animatietype reeds ettelijke malen gekloond: spatvrij, beetje polyglot, staartje in het haar, vetvrij, roestbruin en een glimlach als de gleuf van een tipbox. Het animatietype: je kunt er niet omheen.


    22-12-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.216: Ruim

    RUIM

    Nog een ander punt dat erg gevoelig ligt bij mijn splinternieuwe politieke partij (naast het plaatsbesparende rechtop begraven van mensen en de defusionering van de steden en gemeentes): het luchtruim boven elk huis. Deze luchtzuil moet eigenlijk in het bezit komen van de koper /bewoner van het huis. Overvliegende bombardements- en passagiersvliegtuigen moeten toelating vragen om daar te passeren. Ooievaars en reigers niet. Het kind van de buren dat op zijn schommel tot over uw beukenhaagje zwiert, moet ook toelating hebben. Schending van het persoonlijke luchtruim vindt onze partij een ernstige inbreuk. Er moeten wetten komen. We zouden natuurlijk dé luchtruimspecialist bij uitstek kunnen vragen om daar werk van te maken, ware het niet dat het Anciauvisme ons niet erg aanspreekt. Om het in luchtruimtermen uit te drukken: wij zijn geen windhanen. Zijn vlieger gaat niet op. Wat we zelf doen, doen we beter. En ook: het is onze lucht, niet de zijne, verhippeltjes. Vanzelfsprekend zult gij de lucht boven uw huis en tuin niet vervuilen. Dat is de opperzijde van de medaille. De rook die van uw BBQ-stel naar omhoog kringelt, moet zuiver zijn. Zelfbeschikkingsrecht over je eigen luchtruim is ook een gedegen oefening in democratie: iedereen krijgt dezelfde hoeveelheid regen of sneeuw op zijn donder. En de zon schijnt ook voor iedere sterveling – als tenminste de boom van de buren niet in de weg staat. Alleen stank gecombineerd met windrichting vormt een bedreiging voor deze luchtige democratie. Daar is onze partij nog niet uit. Papieren vliegertjes zijn dan weer geen probleem, op voorwaarde dat ze gevouwen zijn uit verkiezingsdrukwerk of ander blablablagedoe. Bijen? Oké. Wespen? Met mate. Herfstbladeren? Als de wind goed zit, belanden die bij de buren. Ook daar maakt onze partij werk van. We zijn er voor u. En we zijn ruimdenkend. Komt er een (aarts)engel een goede of blijde boodschap brengen bij de buren, dan bent u niet verplicht om mee te luisteren, ook al paalt zijn of haar luchtruim aan het uwe. Duivenkwak en reigerkots die uit de lucht komen te vallen, mogen evenmin overgeheveld worden naar belendende tuinen. Ook in kwade dagen bent u immers heer en meester over uw luchtzuil. Bij hevige luchtverplaatsingen, het zg. stormweer, doen we een beroep op de flexibiliteit van onze kiezers. Uw rechterbuur hoeft dan niet te weten wat uw linkerbuur uitspookt. We hopen dat u massaal op ons gaat stemmen. We maken immers werk van voorverpakte lucht, iets waar de andere partijen tot nu toe een monopolie op bleken te hebben. Gedaan daarmee; er is werk aan de lucht. En verschijnt er aan het mariablauwe zwerk al eens een wollig wolkje als een ongewenst zwangerschapje, denk dan aan de uitdrukking ‘een wolk van een baby’ of het gezegde ‘zijn schaapjes op het droge hebben’. Kiezer, kiezerin, wees ruimdenkend en kleur mijn bolletje rood! Wij maken van u de keizers en de keizerinnen van uw luchtruim!


    23-11-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.215: De erwt

    DE ERWT

    De Credostoet trok elk jaar in mijn stadje uit. Daar passeerden dan heiligen, priesters, Romeinen, schapen, herders, farizeeërs en koningen. Onder een zeil werd iets zeer heiligs meegedragen door de opperpriester. Dan moesten de mensen op het trottoir even knielen, tot het voorbij was.
    Mijn vader was 1 meter 85. Dat was toen groot, in de oude postkoloniale tijden. Dus liep hij elk jaar als Romein mee in de Credostoet. Ik keek mijn ogen uit naar zijn bruinverbrande benen. En zijn vreemde rokje. Hij moest, samen met andere bruinverbrande grote vaders, Jezus Christus uitjouwen, die om de haverklap onder zijn kruis neerzakte op de kasseien.

    Op een keer wou ik niet meer met iedereen meeknielen op het trottoir. Mijn moeder wachtte tot we weer thuis waren om me uitvoerig te berispen. Enkele uren later kwam dan ook nog die vreselijke Romein thuis.

    Een jaar later was er geen Credostoet meer in mijn stadje.

    Telkenjare werd mijn klasvriend Didier uitverkoren om als kleine Jezus mee te lopen in de Credostoet. Om zijn hals en in zijn nek werd dan een echt, levend schaapje gedrapeerd. Didier was de telg uit een doktersfamilie. Didier had mooie, blonde krulharen, net als van een schaap. Didier was in den beginne altijd de eerste van de klas.

    Nee, ik wou niet meer knielen. Nooit heb ik nog geknield.

    Toen het kindervlees op de speelplaats van de lagere school verkaveld werd in cowboys en indianen, goeden en slechten, wou Didier iets anders. Hij wou Stoet spelen. Altijd maar weer Stoet. Geert moest de honderdman zijn, Jef nog een andere anonieme Romein, ik Judas. Didier, zonder schaapje, speelde Jezus. De 'grote' Jezus. We moesten hem slaan, bespotten, uitjouwen. We mochten hem op de grond duwen. Schoppen. Dat deden we dus. Want Didier bracht vaak lekkere chocolade mee naar school: repen waarvan elk partje op zich heel lang kauwbaar was. We sloegen en schopten dus.

    Op een mooie dag in mei wou ik dat niet meer. Het was knikker- en bikkeltijd op de speelplaats. De prairie was nu verkaveld in andere lucratieve territoria. We speelden weer eens Stoet. Jezus was op weg naar Golgotha. Zie: daar zeeg hij ten derden male op de speelplaats neder. En o: hij verslikte zich plotseling grandioos, liep purper aan en spuwde dan totaal onverwacht een erwt uit.

    Een erwt!

    Geert en Jef stokten in hun sadistische gebaren. Ik ook. Voorgoed. Aan die scheurende hoest kwam een einde door een erwt die ergens vanuit de diepten van Jezus naar buiten gekatapulteerd werd.

    De erwt rolde tussen de knikkers.
    Jezus was weer Didier.
    Hij was voorwaar de zoon van de dokter.


    05-11-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.214: Podiumbeest

    PODIUMBEEST

    Ik ben als de dood voor dat doek. Het hangt er als een onweersbui. Maar wanneer die opklaart, komt mijn stuk tot leven. En trekt de bewolking de zaal in. Ik speel in dat stuk. Ik vergeet mijn eigen ik in dat stuk en word een zij, hij of enkelen. Ik: de amateur, de liefhebber. Rits dat gordijn weer dicht (hopelijk na een spetterende regenbui van applaus) en het stuk is bevroren en mijn ik herstelt zich weer naar de normen van de non-fictie. Dat gordijn: als een dichtgeslagen deur die veel met alles doet, aan beide kanten van een werkelijkheid. Het hangt er van af hoe die deur dicht wordt gesmakt. De wereld is er namelijk soms lelijk aan toe. Daarom zijn er doeken en gordijnen nodig. We vluchten erachter en ervoor. We scheiden dicht en ver, mooi en lelijk, fictie en non-fictie, spanning en ontspanning vaak door deuren, doeken, poorten, gordijnen. Regen kan ook zo’n gordijn zijn. In de film ‘Un taxi mauve’ doorbreekt Philippe Noiret het Ierse regengordijn … steeds dieper, verder … om nog meer hemelwater te slikken te krijgen. En dat blijkt even helend te werken. Maar ach, wat sta ik hier theatraal te filosoferen. Ik moet straks het podium op, verhippeltjes. Ik heb er vele avonden van enkele maanden van mijn onbetaalbare tijd voor opgeofferd om in de huid van een ander te kruipen. Ben ik zenuwachtig? Ik troost me met gedachten aan lotgenoten. De golfspeler heeft zijn ‘yips’. De chef-kok heeft zijn maagzuur. De aanstaande mama kent haar nestbevlogenheid. Het podiumbeest kan aan plankenkoorts lijden. Mijn plankenkoorts (daar ga ik weer) bestaat uit wildweg filosoferen. Diepe en andere gedachten bliksemen dan door de doka van mijn hoofd, waarin zich een compleet maar nog onontwikkeld stuk bevindt dat ook beroepsspelers ooit ten tonele hebben gebracht. Ik krijg er zin in. Ik honger. Ik snak. Nog eenmaal gluur ik door de peeping-tomspleet midden in die textiele regenbui. In plaats van te zoeken naar de hoofden van mijn nicht, collega of buurman flitst er alweer een serpentine door mijn hoofd: “Op het toneel der vooropgestelde ideeën is de dood steeds een onbewogen gordijn” (Orbàn Otto). Een allerlaatste gedachte moedigt mij echter aan, ik, amateur die gaat sterven in het stuk: ik heb een stuk in mijn hoofd, en dat is beter dan een stuk in mijn kraag. Ja, humor helpt. Ik ben bereid. Komt dat allen zien. Mijn aprilse gril is van de bovenste plank!


    12-10-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.213: Mobiliteit

    MOBILITEIT

    De mensen konden het niet laten van kinderen te kopen en met auto’s te rijden. Dus begon ik een zaak in kinderschoenen en autobanden. Weldra stroomde mijn winkel vol met volwassenen. De helft ervan bracht kinderen mee, om schoentjes te passen. Een groot voordeel: van schoenen had ieder kind, hoe klein ook, er telkens twee nodig. Wat autobanden betreft: het was onveilig om maar één band te vervangen door een verse. Het minimum bedroeg ook hier twee, met uitschieters van vier. Soms vijf, want ook de reserveband mocht niet worden verwaarloosd. Er moest balans in het leven zijn: met je beide voeten op de grond, met je vier grondplakkers veilig op weg. Tussen de schoenen onderling of de banden onderling kon geen diversiteit heersen. Dit waren no-nonsenseproducten.

    Ik werd steenrijk, want er reden steeds meer auto’s en de nataliteit schoot om ongekende redenen de hoogte in. Mijn zaak stond niet lang in haar kinderschoenen.

    Schoenen: mobiliteit.
    Auto’s: mobiliteit?

    Hoe meer schoenen ik verkocht, hoe mobieler men werd.
    Hoe meer banden ik verkocht, hoe immobieler men werd.

    De verkeersinfarcten volgden elkaar snel op. Dagelijks zaten hoofdslagaders verstopt en stremde het bloed. Onbeweeglijkheid is ongezond. De grondplakkers bleven als aan de grond genageld. De economie ging kwakkelen. Ook mijn zaak lag op apegapen. Ik had voor zoveel mobiliteit gezorgd dat ik er zelf immobiel door werd. Ik legde de boeken neer, ging een eind fietsen en dacht na over nieuwe projecten voor mijn nabije toekomst.

    Toen werd ik eensklaps dodelijk gegrepen door een auto, bestuurd door een man die alcomobilist geworden was door de recente economische crisis. Toch nog iemand die mobiel was, dus. Bandeloos smakte ik ter aarde neer.


    21-09-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.212: Twee tijgereieren

    TWEE TIJGEREIEREN

    Portrait of the Artist as a Never-Aging Man. Een DT-kwestie.

    Het stomme dichtertje werd eerst door zijn mama en later door zijn vrouw het kapje van zijn ochtendlijke zachtgekookte eitje afgetopt. Toch schudde elke dag de toren zijn klokken voor hem, het getalenteerde sukkeltje dat zo goed de mensen om zijn vinger kon winden en perfect de berouwvolle deugniet kon spelen.

    Later raakte het natuurlijk zwaar aan de drank: om zijn genie te verdoven, om het grote werk uit te stellen. Ondraaglijkheid die des avonds en mettertijd ook overdag geblust diende te worden, weet je wel. Wat eventueel na de kater erna nog oplaaide, kreeg soms de vorm van een gedicht. Vaker en vaker laaide er hoegenaamd niets meer op (een aantal oplawaaien niet meegerekend), zodat het oeuvre van het stomme dichtertje klein bleef. Ei zo na was er geen sprake van een oeuvre.

    Een paar flitsen volstonden echter. En zijn jonge sterven. Ook dat. Die onwetende Amerikaanse dokter mocht hem nooit zoveel morfine toegediend hebben. Nu, de man kon ook niet weten dat het lichaam van het dichtertje al lang onder het heilig oliesel zat en na een paar volwassen decennia volledig uitgeput was. De coma kwam eraan en verloste hem voorgoed van zijn bewustzijn. De toren kon voor de laatste maal zijn klokken schudden voor hem. DT was niet meer.

    Had hij ooit tijgereieren gevonden?

    Proeve van een summiere biografie. Een DJ-kwestie.

    Na mijn achtmaandenangst, eerste communie, verplichte legerdienst en onvrijwillige midlifecrisis werd ik eindelijk vijftig en hoopte ik op het zwitserlevengevoel. Het zat eraan te komen toen ik met mijn leefgenoten enkele reizen ‘all-in’ ondernam: Tunesië, Hongarije, Turkije, Marokko, Bulgarije. Van dan af voltrok mijn verdere leven zich all-in, met dien verstande dat ik alles zelf betaalde.

    Naar mijn zestigste levensjaar toe hield ik het voor bekeken op de officiële arbeidsmarkt. Ik leverde geen arbeid meer in dienst van anderen. Onderweg had ik me ook al geoefend in het ‘zelfstandige’ statuut, waarbij ik uitsluitend voor mezelf werkte. Ik publiceerde als schrijver een vrij groot aantal teksten tegen betaling.

    Na mijn zestigste bestudeerde ik de filosofen grondig, zoals ik dat rond mijn twintigste ook al gedaan had. Het verschil zat ‘m hierin dat ik ze nu begreep. Ook nam ik meer en meer de tijd voor (dat vreselijke woord) ‘lichaamscultuur’. Ik had op jongere leeftijd veel aan sport gedaan: volleybal en verspringen op hoog niveau. Decennialang daarna bleef het echter bij schaken, een denksport, vaak vergezeld door flessen wijn. Nu ging ik weer stappen, weer of geen weer, mijlenver heen en terug.

    Toen werd ik plotseling gegrepen door een kusttram. Hoe stom kan een afscheid zijn.

    Had ik ooit tijgereieren gevonden?


    02-09-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.211: De kus

    DE KUS

    Het onderscheid tussen de liefhebberstheaterkus en de beroepsmatige kus moet in de zaal worden gezocht. In het publiek. Beide liefhebberskussers hebben namelijk een aantal nauwlettend toekijkende familieleden en kennissen. De beroeps, die ook veel vaker uitmatchen spelen, kunnen probleemloos theaterkussen. Het is overigens hun beroep: een acteur/actrice mag wild om zich heen kussen, een advocaat mag liegen dat hij zwart ziet. In het stuk dat ik in mijn randgemeente bijwoon, moeten een echte broer en een echte zus elkaar theaterkussen. Zo staat het in het stuk. Maar in dat stuk zijn ze geen broer en zus. Kan de zaal dit aan? Heeft het publiek talent voor fictie? De collectieve stilte wordt nog snijdender op het moment suprême. Vooral de voorste rijen houden hun adem in. Wordt dit een smak? Wordt dit een zedige luchtkus? En dan gebeurt iets wat eigenlijk alleen in een slechte mop of een zevenderangsfilm kan: in de halve gemeente valt alle elektriciteit uit. De zaal waarin zonet gekust zou worden, ligt in dit rampgebied. Ontsteltenis alom. Where were you when the lights went out in New York city? Don’t you know I was making love? Rokers toveren hun vuurtjes tevoorschijn. Gelukkig dat er nog rokers zijn. Ook op het podium flakkeren enkele kaarsen op. De broer en de zus staan nog steeds met de handen in elkaar. In de coulissen worden geheimzinnige kastjes aan de wand geïnspecteerd. Een liefhebbersgezelschap beschikt nou eenmaal niet over een gediplomeerd elektricien. Op de fase van de uitroepen volgt nu gemurmel dat al vlug hardop gebabbel wordt. Men blijft zitten. Men zal collectief zo koppig wachten dat dit vanzelf de elektriciteit zal doen opwekken. De voorzitter van toneelvereniging De Bovenste Plank komt met een kaars in de hand iets zeggen. Niemand luistert echt, want men verwacht geen elektrisch heil van een bank-verzekeraar. De zus van de te kussen toneelzus en -broer zucht diep. ‘Nu hebben ze zelfs niet eens moeten kussen!’ zegt ze tegen haar dochter naast haar. ‘Mama, het was maar een toneelzoen, hoor!’ antwoordt de dochter naar waarheid. Op dat ogenblik floepen de lichten weer aan. De voorzitter neemt andermaal het woord, terwijl hij in vragende paniek naar een glimp van de regisseur zoekt. Het rumoer dijt uit. Stilte daalt als een stolp over de zaal neer. Waar herbegint deze fictie nou? Dat stuk? Voor de kus? Na de kus? Doen ze het nu nog? Zal de elektriciteit sterk genoeg zijn? Kust ze, verdorie!


    15-08-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.210: Wolf

    WOLF

    Van bepaalde schrijvers wordt beweerd dat een soort voorbeschikking hun levensloop bepaalt. Shelley vond een eenzame dood in weer en wind. Tolstoj eindigde zijn dagen, net als zijn bekendste hoofdpersonage Anna Karenina, in een spoorwegstation. Rilke zou gestorven zijn aan de gevolgen van een prik aan de doornen van een rozenstruik. Dokter Tsjechov kreeg het aan de longen. Voor de Engelse schrijfster Virginia Woolf ( 1882 - 1941) was de enige mogelijke dood het water. Dat was het water waarvan het geluid in haar boeken doorklinkt. Eigenlijk heette ze Virginia Stephen. Door haar huwelijk met uitgever Leonard Woolf veranderde dat. En eigenlijk zou haar Woolf-naam haar later parten spelen. De Engelse ‘Virginia’ werd namelijk de Amerikaanse ‘Woolf’ door een toneelstuk van de Amerikaanse schrijver Edward Albee. Titel: ‘Wie is er bang voor Virginia Woolf?’  Vrij vertaald: ‘Wie is er bang voor de (boze) wolf?’  De naam van de schrijfster figureert in de titel, omdat men in Amerika dacht dat Virginia Woolf een gevaarlijke, hysterische ‘bitch’ was. Het omgekeerde was waar: ze was kwetsbaar, intelligent en introvert. In dat theaterstuk vernietigen vier volwassenen (twee koppels) elkaar door wrede mentale en verbale spelletjes, tijdens een nachtelijk ‘feestje’. De ‘Woolf-naam’ van Virginia (die toen al een literaire reputatie had opgebouwd) werd dus als beeld gebruikt voor een niet zo fraaie toestand. Jarenlang (en nog altijd) zijn daarover discussies gevoerd. Mensen die nooit een letter van de schrijfster hadden gelezen, kenden haar toch, door dat toneelstuk. Ook over haar werk bestaan tegengestelde meningen. De enen vinden dat ontoegankelijk, geforceerd, waardeloos. Voor de anderen is het vernieuwend, hoogst intellectueel, vooruitstrevend en geëngageerd. Over de laatste uren van Woolf, vooraleer ze het aardegroene water van de Ouse in stapt, haar zakken met stenen verzwaard, bestaat een schitterende film: The Hours. De muziek is van Philip Glass. De film is gebaseerd op het boek van Michael Cunningham. Daarin voert de auteur drie vrouwen op die te maken krijgen met zelfmoord. Prachtige vertolkingen van Julianne Moore, Nicole Kidman (die een speciale VW-neus op kreeg), Meryl Streep en Ed Harris. Zoals Virginia Woolf bekendheid (eerder beruchtheid) kreeg doordat iemand haar ‘Woolfnaam’ in de titel van een theaterstuk gebruikte, zo was er ook veel te doen rond de fameuze filmneus van Nicole Kidman. Zo zie je maar.


    26-07-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.209: Een reus

    EEN REUS

    Een reus eet per dag 14 kilo cote à l’os, 7 kilo entrecote, 5,5 kilo préparé, 84 appelcakes en soms nog 3 kilo stoverij. Als groensel verorbert hij dagelijks een stukje bos. Soms eet hij kindervlees, maar alleen van kinderen die op 32 september of 0 januari zijn geboren. Als een reus dorst heeft, gaat hij buiten in de regen staan. Daarom ook draagt hij altijd dezelfde kleren, want die worden dus voortdurend gewassen. Zijn hobby’s zijn: jarenlang staan wachten en af en toe in een stoet stappen. Dat is zeer vermoeiend, daarom moet hij telkens jarenlang uitblazen. Voor zo’n stoet nodigt hij gewoonlijk ook andere reuzen en reuzinnen uit. Een reus is heel groot, maar gaat niet rap. Hij schrijdt. Hij kiest altijd het midden van de straat, voor zijn gezondheid, want anders hapert hij aan de huizen. Reuzen zijn curieuzeneuzen, maar bukken zal hen niet lukken. Toch hebben ze alles gezien. Ze hebben een geheim, onzichtbaar oog op hun voorhoofd. Wie niet gelooft in reuzen, is gezien. Wie niet weg is, is ook gezien. Zeg nooit ‘Meneer’  tegen een reus, of ‘Mevrouw’  tegen een reuzin. Zeg gewoon: ‘Uwe Hoogheid’. In Heule, mijn onderkomen, is dat dan: ‘Uwe Hoogheid Stijn’. ‘Stijntje’  mag hier ook wel, want de reus van Heule houdt van een knuffelwoord. Een reus drinkt graag bier, maar ’t liefst tafelbier. Als hij een liter of 1000 tafelbier heeft gedronken, kan hij 17 kerktorens ver zien. Dat is handig: dan weet hij in welke dorpen hij niet is, en in welk dorp wel. Moet men bang zijn voor reuzen? Nou, eigenlijk wel. Je moet toch een keer in je leven voor iets bang zijn. Het hart van een reus is een groot koekebrood, maar dan in de vorm van een hart natuurlijk. Schrik niet als een reus eens moet hoesten, want dan zit er even een verdwaalde rozijn in de weg. Klop hem dan ook niet op de rug, want je kunt er niet aan. Laat hem maar even doorhoesten. Echt zieke reuzen zijn er nog nooit geweest. Soms worden ze wel vergeten, maar dat is een ander soort ziekte, waar ze zelf niks aan kunnen doen. Tot slot enkele domme vragen, waarop alleen domme antwoorden mogelijk zijn. Kan een reus lezen en rekenen? Ja. Is een reus getrouwd? Soms. Valt een reus soms omver? Nee. Kan een reus echt mensenvlees ruiken? Ja, ze zitten soms zelfs tot onder zijn rokken. Die mensen, bedoel ik. Kan een reus een bijnaam hebben? Tja, is mogelijk. Die van ons bijvoorbeeld, in Heule, mag wel eens als ‘Einstijn’ aangesproken worden. Maar gewoon voluit heet hij Stijn Emiel Renaat. Je moet wat literaire en muzikale geschiedenis kennen om die naam te begrijpen. Maar het is hier niet de plek om dat allemaal uit te leggen. Het is zomer; de zon fluit; de vogeltjes schijnen en de regen geeft mijn deelgemeente Heule af en toe een reusachtig bad. En de reus slaapt. Wek des zomers geen slapende reuzen.


    11-07-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.208: Opsporingsbericht

    OPSPORINGSBERICHT

    Een straatverkoper uit Hammamet in Tunesië liep met bosjes citroenbloemen rond. Ze stonden als kaarsen op zijn zomerhoed gedrapeerd. Zo schilderde Vincent van Gogh soms, beweert men, als het te donker was. De verkoper klampte toeristen aan, nam hun fototoestel, plantte zijn citroenkaarsenhoed op het hoofd van man of vrouw, nam een foto en vroeg daarna een veel te hoog bedrag voor bewezen diensten en een minituiltje citroenbloemen. Dat betekende om de haverklap hommeles. Elke dag maakte de man ettelijke vijanden. Die kwamen dan soms terug in de loop van de dag. Met boze blikken namen ze dan wraak. Ook verwittigden ze argeloze toeristen voor de kerel en zijn praktijken. Op een dag verdween hij spoorloos, in (nou: uit) speciale omstandigheden. Hier volgt zijn opsporingsbericht.
    Hij is van het mediterrane type, lang en klein en verplaatst zich op een bordeauxkleurige gele motorfiets. Verleden maand werd hij voor het laatst gezien op de spoedafdeling van het Hannibalziekenhuis, waar hij onder narcose verdoofd werd na een vechtpartij, maar kort daarna weer ontsnapte. Uit dat ziekenhuis dus. Hij draagt zwachtels om keel en pols – vermoedelijk de linkerpols, men tast hier in het duister omdat men het niet meer weet – en spreekt een gebrekkig toeristendialect en ook wat Tunesisch. De kerel heeft geen karakter. Personen die inlichtingen kunnen verschaffen, gelieven naar het dichtstbijzijnde nummer te bellen. Gezien de gevaarlijkheid van de bloemenverkoper wordt geen ruchtbaarheid gegeven aan uw oproep. Die wordt immers als zeer gevaarlijk beschouwd. De snoodaard dus. Bruggen, wegen en water zijn inmiddels ook al verwittigd.


    16-06-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.207: K met zuurpruim

    KONIJN MET ZUURPRUIM

    Bea V., huisvrouw, werd die ochtend door de baldadige hagelgod aangerand. Ze was er niet op bedacht, ook al zat de lucht zo grijs als haar leven. Zoals elke dag nam ze haar konijn mee uit voor een pisrondje. Gewillig als een hond huppelde het beest mee aan de leiband. Toen de eerste hagelbollen naar beneden suisden, kreeg het konijn een hartinfarct. Aanvankelijk had Bea V. niks in de gaten. Ze begon te rennen, omdat de bui steeds heviger werd. Toen ze meer en meer tegenstand ondervond, constateerde ze tot haar ontsteltenis het dode gewicht aan het einde van de lijn, nog verzwaard door het ijswater. Het kleddernatte ding achter zich aan slepend, spoedde ze zich in paniek naar Luc Appelboom, een kennis die niet zo veraf woonde. Steeds vormelozer zwierde het overleden dier achter haar aan. De acht stenen treden op naar Lucs voordeur boden de moeilijkste hindernis. Het bloedspoor werd echter al vlug door het ijswater weggewist. ‘Maar Bea toch! Kom vlug … O, uw konijn! Och Here!’ ‘Luc! Wat moet ik doen? Help me!’ Badnat en geschramd door de hagelbollen betrad Bea de bel-etage van Luc Appelboom. Het geliefde konijn sleepte ze tot bij de paraplubak. Stilleven in grijsrode plas. Het konijnenmens zag er deerniswekkend uit. Ze leek uit de trommel van een wasmachine te komen. Met het aantal ladders in haar nylons kon je de hemel bereiken. Haar citroengele jurk was besmeurd met de sappen van afgerukte bladeren. ‘Hoe haalt ze het in haar permanent op een ochtend als deze in een citroengele jurk te gaan wandelen,’ flitste het door Lucs hoofd. En het bleef maar oude wijven regenen, na een hagelbui vanjewelste. Het is echt gebeurd. Het was de prelude op een zoveelste Vlaamse kwakkelzomer. Wacht maar.


    06-06-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.206: Volksverlakkerij

    VOLKSVERLAKKERIJ

    Een onderwerp dat duizenden bladzijden kan beslaan: volksverlakkerij. Moeten we bijvoorbeeld blij zijn met de ongeveer tien nieuwe (literaire) uitgeverijen in Vlaanderen? Helemaal niet. Zonder blikken of blozen verkondigen die in en tussen hun regels dat ze vooral op zoek zijn naar boeken van BV's, Beroerde Vlamingen. Je moet met je kop op tv komen en dan pas geven ze je boekje uit. Paul D'Hoore heeft vooral zichzelf en zijn uitgeverij rijk gemaakt door een boekje te schrijven dat zogezegd vertelt hoe je rijk kunt worden. Zag u hem niet uitdijen telkens hij weer op tv verscheen omdat we een crisis hebben? Echte schrijvers komen niet meer aan de bak bij de uitgeverijen. De Boekenbeurs is een belachelijke signeershow geworden. Nee, nooit koop ik nog een boek.
    Recent zat ik noodgedwongen ook vlak bij de zoo van Kortrijk: een restaurant dat enkel en alleen door de heilige televisie succes kent. Oetlullen van allerlei rang en stand en slag stonden zich dagelijks hysterisch te vergapen op het pleintje voor het restaurant. De meesten konden en kunnen zich zelfs niet eens een etentje veroorloven in die gehypete mensenzoo. De gevierde en bekende apen in de keuken slaagden er niet in één fatsoenlijke zin te bouwen. Op tv namen breedsmoelkikkers geregeld de woorden 'heel Vlaanderen' in de mond. Alsof iedereen naar dat idiote gezever zou kijken. Walgelijk. 


    15-05-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.205: Doppedrop

    DOPPEDROP

    Die zomer bracht ik geruime tijd door in de ondergrondse jeugdbibliotheek van de stad Kortrijk. Als een stad op Pompei begint te gelijken, moet je onder de grond gaan duiken om nog iets te beleven. Om een of andere goeie reden plukte ik daar tientallen boeken uit de rekken, alle van Vlaamse schrijvers. Het allereerste boek dat ik vrij lukraak uit zijn slagorde kantelde, had als thema: doping. En dat nou net in de zomer van 2004. Elke zomer heeft wat speciaals in petto. Een koning sterft bijvoorbeeld. Of zo’n Dutroux wordt opgepakt. Of er is een hittegolf. Of er is geen hittegolf. Wat de zomer van 2004 betreft: die zullen we ook als een warme zomer bestempelen. Er waren branden en gasontploffingen, in binnen- en buitenland. En om de haverklap hoorden we ook over doping, luttele weken voor de Olympische Spelen. En zelfs nog tijdens de Spelen. De twee bekendste Griekse atleten vonden een mysterieus motorongeval uit om toch maar niet te moeten toegeven dat ze geslikt of gespoten hadden. Afgodjes tuimelden van hun sokkel, gekweld door wroeging of smekend om aandacht. In het verhaal dat ik in de bieb las (van de (West)-Vlaamse schrijfster Anne Provoost), heeft een kind af te rekenen met dopinggedoe rond zijn vader, die kampioen-hardloper is. Het is een thema dat je niet vaak in kinder- of jeugdboeken aantreft. Ik was een beetje verbaasd over mijn vondst, gezien de timing. Het omgekeerde gebeurde een tijd later ook. Ik kocht in het verre Nederland een zwaarlijvig boek over de Cosa Nostra, de misdaadorganisatie in Sicilië en Calabrië. Diezelfde avond werd op tv de aanhouding gemeld van het kopstuk van de Ndrangheta in Calabrië, de ‘regionale’ maffia-organisatie. Boeken gebeuren dus vaak echt. Je leest ze en hop, ze slaan toe. In het echt. Doppedrop. Gek toeval. Déjà vu want déjà lu. Of op weg om het te lezen. Toeval is een gek beestje. Het zet je soms aan het denken. Enschede wou Ath komen helpen, als ervaringsdeskundigen in ontploffingen, en zie: in de omgeving van Boedapest was het enkele dagen later ook vuurwerk geblazen. Doppedrop. Ik ga nu zelf verder verhalen en boeken schrijven waarin het voortdurend gezellig waait en regent. Dat blust het vuur. Droppedrop. Tiens, ik merk nu dat er zich in mijn recentste verhaal een ontploffing voordoet annex brand. Niettemin, van harte, uw liefste dopingkindje X.


    22-04-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.204: Kap

    KAP

    De laatste jaren worden op televisie steeds meer beelden getoond in en rond gerechtsgebouwen. Mensen worden ‘gevankelijk’ op- en aangevoerd, al dan niet meer of minder verdacht van iets, tot het tegendeel bewezen is. Ze stappen in en uit auto’s of celwagens, ze dalen van of bestijgen trappen, ze verschijnen of verdwijnen door kleine zijdeurtjes en achterpoortjes. Daarbij verbergen ze vaak hun gezicht, hoe zou je zelf zijn. Dat doen ze onder hun jas, achter een krant die ze als een te groot hoedje van papier gebruiken, en recent zelfs in een stedelijke vuilniszak. Een ter verantwoording geroepen vrouwelijke onderzoeksrechter beschutte haar aangelaat voor het aanschijn van de heilige kijkdichtheid zelfs met haar piepklein handtasje; die beelden zijn dagenlang heruitgezonden en waren natuurlijk koren op de molen van alle Belgen die niet meer in hun rechtspraak geloven, iedereen dus. Waar ik het echter over wil hebben: waarom voorziet men geen kap voor die al dan niet terecht verdachten? Systeem valkenkapje? Een leuke, bijvoorbeeld muisgrijze kap met voldoende gaten of spleten in voor ogen en mond. Zoals de beulen en de overvallers er een dragen. Of zoals de valken voor en na de jacht er een over hun kopje krijgen. Dan is het afgelopen met het potsierlijke recycleren van allerlei materiaal om zichzelf onherkenbaar te maken. Dan kan een verdachte ook rustig zijn jas aanhouden in verband met het barre klimaat om en rond Belgische gerechtsgebouwen. Het schijnt dat er in Broekzele al een modeontwerper aan de slag is om zo’n transportkap te bedenken. Een type voor vrouwen, een type voor mannen, en een variant voor advocaten en onderzoeksrechters, mochten die ook zo’n hoofdbedekking wensen. En sommigen van die laatste categorie zullen dat echt wel willen. Uit goede bron hebben we vernomen dat die ontwerper het begrip ‘roodkapje’ een nieuwe wending wil geven. Overigens zal hierdoor ook het woord ‘kapsalon’ misschien een verse betekenis krijgen. Het ministerie van Justitie zou al een bestelling geplaatst hebben voor een duizendtal van dergelijke kappen. Die transportkappen zouden niet hergebruikbaar zijn. Na gebruik (door eenzelfde persoon gedurende een bepaalde periode) wordt zo’n kap onder toezicht van een gerechtsdeurwaarder verbrand. Nieuwe verdachten krijgen telkens hun eigen, nieuwe kappen, desgewenst roodkapjes dus, als die ontwerper uit Broekzele zijn zin krijgt. Nou, Michael Jackson, een zanger uit plastic opgetrokken, legde het anders aan boord toen hij min of meer gevankelijk naar het gerecht ging om zich aan te melden. Onder een stralende Oost-Amerikaanse zon schreed hij onder een donkere paraplu handenschuddend naar het gerechtsgebouw. Er was toch geen ontkomen aan, en de hele wereld kende zijn plastic babyface toch al door en door. Hij had al zoveel bekijks gehad al die jaren, dat zijn neus er zelfs afgevallen was. Maar dat brengt me te ver. Da-ag. Kap smiling!


    05-04-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.203: Affiche

    AFFICHE

    Het verhaal van de man die een pak rammel kreeg omdat zijn aandacht door een affiche getrokken werd. In die tijd passeerde een man op zijn wandeling door de stad een huis in de rij met een affiche aan een van de vensters. Geïnteresseerd bleef hij staan om de informatie grondiger te ontcijferen en in zich op te nemen. Daartoe boog hij zich even om wat scherper toe te kijken, want hij had zijn leesbril niet bij zich. Luttele seconden later verscheen een woedende kerel in de deuropening.
    'Zijn dat manieren, ja? Kijkt gij bij iedereen zo schaamteloos naar binnen, ja?’
    Voor de verbouwereerde wandelaar iets kon zeggen, vloog de man op hem af en joeg hem slaand en stompend een heel eind de straat door. Gedeukt, gekreukt en met een bloedneus strompelde het slachtoffer naar huis.


    14-03-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.202: Regen

    REGEN

    In een land ver van hier ving een man een hoeveelheid regen op. Hij begroef die in een plastic zak in de grond. Door deze teraardebestelling haalde hij zich de woede van de hele gemeenschap op de hals. Na een martelperiode van anderhalve week, waar men om de minuut een druppel water op zijn kaalgeschoren knikker liet vallen, werd hij drie jaar lang opgesloten in een gevangenis naast een waterval. Ondertussen bevrijdde men ook de regen weer. Toen de dader eindelijk weer vrijkwam, werd hij op straat met benzine overgoten en in brand gestoken. Diezelfde dag brak een vreselijk onweer uit dat heel Malawi overspande.


    03-03-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.201: Stuk

    STUK

    Ik ga liefhebberen in de dichtstbijgelegen schouwburg. Gelukkig woon ik in een middelgrote provinciestad. Dat bespaart me snelheidsovertredingen en filevorming. Of mist. Vanavond wil ik rood. Ik wil ook pluche zien en voelen. Ik ben misschien niet alleen. Dat maakt het natuurlijk nog avontuurlijker. Als ik om mij heen kijk, wil ik evenveel vrouwen als mannen zien. Een volle zaal, graag: eivol, tjokvol, nokvol. ‘Afgeladen’, om es een cliché als een kathedraal met duivenstront op te gebruiken. Ik kijk weer voor me. Zit ikzelf nou voor of achter wat men ‘het doek’ noemt? Waarom niet ‘doeken’? Hoelang is het geleden dat ik ‘achter de coulissen’ vertoefde, terwijl ik dat woord amper correct kon spellen? Telt een godsdienstige stoet uit de jaren zestig in een provincienestje mee als theaterervaring? Heb ik me thuis of op school ooit es ‘verkleed’ en iets fantasierijks of na-apends gezegd? Zulke theatrale gedachten blijven haperen in het gebladerte van mijn hoofd, terwijl om mij heen het geroezemoes aanzwelt en weer weg kabbelt. Ik zeg nog iets tegen de mij-vergezellende vlak voor het duister wordt. Anders dan elders doven de lichten hier pijnloos, en vol verwachting. Fictie doet zijn intrede. Of zal het een kopie van de rauwe werkelijkheid worden? Het lijkt er alvast op, want we lijken volledig in het duister gehuld. Een volstrekt knullige gedachte bliksemt plotseling als een serpentine door mijn hersenpan. Ik weet niet hoe het komt. Misschien door te vaak de Fast Show op BBC gezien te hebben. In gedachten zie ik iemand hier midden in dit maandenlang voorbereide stuk na een kwartier opstaan in het halfduister en hardop vragen, zich half naar de zaal wendend: ‘Iemand zin in een pint?’ Bijna barst ik los in een schaterbui. Dat mag ik niet doen, want we zijn gekomen voor een tragikomedie. Even afwachten dus. Maar dat is prima. Een veilige keuze. Dat ‘komedie’ lokt velen. Lachen geblazen, eventueel? Het ‘tragi’ lokt ook velen. Tissuetjes in de aanslag, s.v.p. De combinatie zorgt natuurlijk voor tjokvolheid. Vermoedelijk wordt het dus een lach en een traan. Na een halfuurtje kijk ik even van het ‘stuk’ weg. Zoals een schilder even van de heftigheid van zijn kleuren weg moet en in een zwarte spiegel staart om te genezen van felheid. Ik laat mijn hoofd wat op mijn borst zinken en ik sluit de doeken voor mijn ogen. Plotseling ben ik op een ander schouwtoneel. Lang mag dat niet duren. Of ik ben de draad kwijt. Terug naar binnen. ‘Nu nog op de planken, straks ertussen’, herinner ik me nog net een boutade van een tafelspringer op een podium uit de jaren tachtig. Daarna tik ik weer aan. Ik ben weer ‘mee’. Ik juich inwendig zonder dat iemand het hoort mijn goedkeuring uit voor de ‘amateurs’ die op deze planken van deze aloude schouwburg staan te doen alsof ze iemand anders zijn, zeggende zinnen die ze niet zelf geschreven hebben. O ja, o nee: nog nooit heb ik mijn mama in zo’n fantastische rol gezien. O ja: dat roept om cafetaria!


    12-02-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.200: Hair

    KRANIG

     

    Het korte droevige verhaal van de man wiens haar nooit nat werd, zelfs nadat hij in het water was gedoken. Deze man woonde bij een vrouw met mooi halflang haar, dat het ene ogenblik aan de westelijke kant, het ogenblik daarop aan de oostelijke kant van haar hoofd hing. Zo kreeg men altijd verrassende beelden en was men eigenlijk ook vaak afgeleid van het aan de gang zijnde gesprek. Maar het gaat niet over haar.

     

    Het gaat over de droge man. De eigenschap die hij niet bezat, namelijk dat zijn haren in het water nat werden, zoals die van de anderen, bezorgde hem achter zijn rug om de bijnaam droogkloot. Het betrof een zeer belangrijk man die hoog in aanzien stond. Als aannemer had hij de stad bevolkt met fraaie gebouwen. Noch kappers, noch dokters, noch kruidenverkoopsters, noch psychiaters konden hem echter helpen. Ze vleiden of troostten hem met opgewekte vaagheden, valse voorspellingen of niet ter zake doende verzuchtingen. Er was niets aan te doen.

     

    Hij was zo kaal als een kei. Altijd geweest.

     

    Hij werd daar gaandeweg zo treurig door, dat hij zichzelf een lange nagel zonder kop door de schedel sloeg en zich van een hoge kraan te pletter liet vallen. De smak was zo hevig dat er terstond één dodelijk geschrokken grijs haar uit zijn schedel priemde. Het was zijn eerste en enige haar. Het regende die dag ook treurig.

     

    Het was niet lang zoeken naar de doodsoorzaak van de droge man. Men sloeg de nagel op de kop.

     


    25-01-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.199: Wie A zegt

    WIE A ZEGT

    A en B. Krekel en mier. Gas en elektriciteit. Os en ezel. Wit en zwart. Spic en span. Kerst en kind. Tijl en Nele. M & M. Auto en file. Schots en scheef. Belgisch en gerecht. Plus en min. Braaf en stout. Jan en alleman. 14 – 18. Pen en papier. Moord en brand. 40 – 45. Oorlog en vrede. Koetjes en kalfjes. Oostende en Westende. Mossel en vis. Engel en duivel. Maria en Jozef. Sneeuw en dooi. Dooi en dooier. Vlag en wimpel. Winter en zomer. Zoet en zuur. Jip en Janneke. Sint en Piet. Dag en nacht. Grauw en grijs. Eb en vloed. Dash en een ander merk. Ditjes en datjes. Dik en dun. Vergeten en vergeven. Hou en jou. Blauw en kou. Brood en spelen. Jong en oud. Prinses en puit. Neemt en eet. Oog en naald. Heinde en verre. Laurel en Hardy. Eend en bijt. Appel en peer. Mis en poes. Kip en ei. Zout en pap. Nagel en gat. Kat en muis. Geit en kool. Hart en nieren. Spek en bonen. Blind en vink. Geven en nemen. 1000 en 1 nacht. Kaf en koren. Urbi et orbi. Bommen en granaten. Kaas en wijn. Ot en Sien. Vuur en vlam. Potten en pannen. Aan en uit. Nu en nooit. Over en uit. Eén god. Twee duobanen. Drie koningen. Vier musketiers. Vijf op een rij. Zesde zintuig. Zeven hoofdzonden. Acht wereldwonderen. Negen maanden. Tien kleine negertjes. Een elfje. Twaalf apostelen. Dertien aan tafel. Veertien bloemen, zoals daar zijn zeven anjers, zeven rozen … voor jou, van harte, proficiat, en veel geluk.


    09-01-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.198: Bijsluiter

    BIJSLUITER

    Achtentachtig soorten dronkenschappen.Vierenvijftig misverstanden op een rij. Net zo goed en net zo min een aantal goden, wetten, dromen, daden, regels en bezwaren. Hersens, bloed, been, merg en pis. Dat is wat de mens is. Een steak pretentie. Duizend keer zag ik je zitten. Duizend keer kwam ik weer thuis. Boeken en verhalen proberen steeds weer te herhalen dat het waait omwille van de wind, dat als het regent dat een reden heeft, en dat de zon het zout is in een ander zuiden dan in de stomme films van wij die dromen. Maar dit is leven, liefje, tussen wee en reutel. Dit is leven, liefje, gekakel en een keutel. Dit is een Rusland omwille van de liefde. En het moet waaien. En het moet sneeuwen. En wat ver is, moet echt wel heel ver zijn. En treinen moeten pijn hebben, die je kan horen. En afstand moet gelijk zijn aan ongeneeslijk ziek. Nietwaar, dokter Zjivago? Nietwaar? En ook Gainsbourg herinnert zich de bomen en de wind in hun gebladerte. En spreidt in al zijn dromen rookgordijnen uit, en bladert, bladert, door het Rusland van zijn hart, de hoofdstad van zijn lijf en leden, dit Parijs waar licht en liefde blijven weifelen tussen dromen en bedrog en ongeneeslijk gezond. Zevenentwintig Oscars voor de beste bijrol. Honderden verhalen met een open einde. Longen, nieren, ogen, handen, ballen en maar één luttel hart. Enkelvoudig enkelvoud aan de ene linkerkant. Als ik met mondjesmaat jouw gif ben, laat ik je heden weten: ik hou van jou. Op de bodem van elk glas, in de rook van zeppelins, aan koudefronten, keerkringen en polen, in alle staten, en vooral de mijne, over datumgrenzen, in tantetearooms, na zovele treinen, o tsarina, laat mij je zachte revolutie zijn. Dit is mijn bijsluiter, niet eens gedicht, maar vaak gedacht: wacht, ik hou van jou.


    22-12-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.197: TV

    TV 

    Ik stel voor de afkoterm BV meteen maar te vervangen door TV. Je bent hier in dit apenland immers alleen maar bekend omdat je bekend bent. En dat kan alleen maar gebeuren door op tv te komen, die rechthoek van afgrijzen, die treurbak. Het is eender wat je hebt uitgespookt. Je hoeft zelfs niet eens iets gedaan te hebben. Met of (liefst – kijkcijfers!) zonder kleren. Zoals Jan met de pet en Tettenmie. Voluit wordt dat dan: TelevisieVlaming. Aaneengeschreven natuurlijk, volgens die onnozele trend die overal toeslaat: VlaamsProgressieven, deBuren, deSingel, JIMtv, RingTV, GaultMillau, ArcelorMittal en meer van dat zogezegd originele fraais. Het afzichtelijke scherm dat zovele huis- en slaapkamers ontsiert, is al geruime tijd het evangelie. Het predikt populisme, domheid, verkleutering en massaliteit. Sommige verkopers pakken zelfs uit met de idiote slogan ‘Gezien op tv!’ Alsof dat godgenageld wat betekent. Ooit hield een krant een competitie: wie was de West-Vlaming van het jaar? Er stond verdorie een tv-presentatrice op de lijst. Haar verdienste(n)? Nou: ze deed gewoon haar job. Meer niet. Anderen moesten er boeken voor gepubliceerd hebben, films gemaakt, prijzen gewonnen. De bête bewondering voor het teeveemonster neemt vele vormen aan en slaat overal toe. Vooral sedert de realityrage er is. Ikzelf snoer dat onding de mond. Ik kijk alleen naar films en BBC-series of –docu’s. De rest kan me feestelijk gestolen worden: pathetische voetbal’analisten’, Algemeenantwerpssprekende tweederangsacteurs, dijenkletsende bekendelingen, blote Jan Luls, zwanzende realitysletten, hyperventilerende benefietsmoelen, overbepamperde voetballisten en opgepepte veldrijders. Zappen, die handel!


    02-12-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.196: Arno

    ARNO

    Watten wolken dreven aan het mariablauwe zwerk in Dranouter, gebruiksklaar om uitgelopen dronkenschappen te betten. Hier hadden The Simpsons en Magritte samengewerkt. Ik vroeg mijn ex-correspondentievriendin Emiko Takamori of ze in Japan ook over zulke luchten beschikten.
    ‘Onze luchtkastelen bestaan uit hout,’ antwoordde ze, want ze had mijn vraag verkeerd begrepen. Ik kreeg geen tijd voor een wedersamenstelling, want waar ik daarnet nog gestut werd door een tweetal beschonkenen, of omgekeerd, daar vielen nu om mij heen de mensen bij bosjes, omdat de bekende zanger Arno opkwam. De gelederen werden dooreen gehutseld en dat zou een tijdlang zo blijven. Er zat stuwing in de vaart der volken en hun muziek. Verbale communicatie zou fonetisch gebrul worden, waarbij men kon kiezen uit een reeks van vijf klanken. ‘WIE IS DAT?’ gilde E.T. in mijn linkeroor. ‘ARNO!’ ‘EEN DUITSER?’ ‘WWW.NEE.BE!’
    ‘HET LIJKT OP DUITS!’

    (Vertaald in het Festivals:

    ‘IE I A ?’

    ‘A O !’

    ‘UI ?’

    ‘EE EE EE EE EE !’

    ‘IJ UI !’)

    (Noot: schr. dezes communiceerde met Emiko Takamori wel voortdurend in het Duits en het Engels, maar geeft in dit stukje de mededelingen in het Nederlands weer – voor de goede verstaander)

    Arno, wiens haar weer door een koude kapper leek geknipt (en waarmee hij uitdrukkelijk heen en weer zwiepte, in en uit de ogen, weet je wel), kende succes onder de bewusten, de onbewusten, de bewustelozen en de onderbewusten in de tent. Iedereen probeerde op hem te gelijken en idem dito te zweten.

    ‘EE IJ IE IE EU ?’ riep Emiko me toe.

    ‘ A ?’

    ‘HEEFT HIJ MISSCHIEN EEN NIEUWE HEUP?’

    Ik lachte zwetend van nee en probeerde ondertussen uit het gesproei van lichaamssappen van omstanders te blijven. Kokhalzend onderging ik de rest van dit optreden, dat ik in mijn latere annalen wellicht een aftreden zal noemen, omwille van de walg betreff. de anderen. Toen we weer op een rustiger weitje aan het flaneren waren, vroeg ik Emiko wat ze van de zwiepende en schokkende Vlaamse zanger dacht. ‘Was hij dronken?’ informeerde ze eerst zelf. ‘Dat weten we nooit met zekerheid.’ ‘Verkouden?’ ‘Iedereen is hier altijd verkouden.’ 'Waarover heeft hij het in zijn liederen?’ ‘Over Leven, Liefde en Dood.’ ‘In het Frans?’ ‘Eigenlijk in het Fraams, ook gekend als het Vlans.‘Vinden jullie hem goed?’ ‘In België word je gemaakt of gekraakt door de pers, een zootje ongeregeld.’ ‘Hij was waarschijnlijk de stoute jongen van de klas hé?’ ‘Of net helemaal niet.’
    Ik monsterde de watten wolken weer. Er zouden er vandaag veel van doen zijn.


    23-11-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.195: Letters & Letteren

    LETTERS & LETTEREN

    Heden ten dage (en eigenlijk al lange tijd) bestaat mijn geliefkoosde lectuur uit atlassen en woordenboeken van divers, maar hoogstaand allooi. Het is begonnen met het tv-dictee winter 07. Ik zat thuis plotseling te beslissen dat ik mee zou schrijven. Tot mijn verbazing had ik geen fouten. Toegegeven: tot driemaal toe gokte ik goed. Een maand later besloot ik me aan te melden voor het veel moeilijker Groot Nederlands Dictee van Davidsfonds/Knack. Dat ging weer goed: primus van de preselecties categorie Liefhebbers (ik was immers debutant in de wedstrijd) met 92 % en een 5e plaats in de finale in het Vlaams Parlement enkele weken later. Mijn kompanen-treinreizigers-Specialisten (die al jaren meedoen en fameuze kleppers geworden zijn) overhaalden me om verder dit pad te bewandelen. Tja, er moet wel geblokt worden. Voorwaar: dat doe ik nu. Ik ben nu nog meer dan vroeger aan het (op)schrijven. Een bedenking: schrijven staat tot opschrijven zoals letteren staat tot letters. Met spelling kun je moeilijk creatief zijn. En toch is het lekker boeiend. Je kunt nl. redeneren en verbanden leggen. Het is niet klakkeloos vanbuiten leren. Je moet geografie en historie kennen. Scheikunde. Cultuur. Geneeskunde. Biologie. Ik ken nu het verschil tussen pensee en pencee. En meringue en merengue. Elisabeth en Elizabeth. Speculaas en speculoos. Ik kan de angst voor lange woorden verwoorden: hippopotomonstrosesquippedaliofobie. Het is heerlijk, want het is voedsel voor de geest. Wat je met pakweg 26 letters al niet kan doen. Ik proef, eet en drink elke dag woorden en letters. Om te ontspannen combineer ik die dan dusdanig, dat ze proberen literatuur te zijn: gedicht, theater, verhaal. De volgorde is van belang. De boodschap natuurlijk ook. Wat vindt u bv. van deze zin: De mater dolorosa met de bête monalisaglimlach kon ten langen leste het münchhausen-by-proxysyndroom niet meer ontkennen en vlijde zich ontmaskerd op de canapé van de shrink neer. Een korte waarschuwing: letteren kunnen ook etteren.


    27-10-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.194: Taalkunde

    TAALKUNDE

    Kinderen in de twintigste eeuw. Waar is de tijd. Een marteling. Dat gedoe met limonade bijvoorbeeld. Is een half glas limonade halfvol of halfleeg? Luister naar een gesprek uit de vorige eeuw tussen een grote mens (ex-kind, 1 m 83) en een kind (1 m 57). ‘Je drinkt weer te gulzig. Je ogen zijn groter dan … ‘ ‘Mmpff.’ ‘Slokop.’ ‘Mmpff.’ ‘Het staat nog maar voor je neus en het is al halfleeg. Je zus is toch zo gulzig niet!? Kijk!’ ‘Maar nee! Het is nu nog halfvol. Kijk maar!’ ‘Weet je het weer beter?’ ‘Maar ik kreeg ook minder limonade dan de anderen.’ ‘Dat is niet waar. Iedereen kreeg gelijk.’ ‘Jennifer kreeg veel meer.’ ‘Nee. Moet ik een vergrootglas halen? Een glas is een glas hé!’ ‘Jongens hebben meer dorst.’ ‘O, is dat zo? Moet je een optater misschien?’ ‘Nee, nog een beetje limonade graag.’ ‘Welhebjevanje … hiér!’ Lap. ‘Au!!’
    Sommige oorlogen zijn er gekomen door gekijf over stukken land of zee. Iedereen wil meer. Sommige ruzies zijn oranje of citroengeel, en sprankelend, met veel prik. Ouders zijn uitgevonden om hun kinderen te hinderen. Zij overtreffen ze trapsgewijs. Nooit kunnen die kinderen hun ouderen, pardon, ouders, inhalen. Of toch: de ouder wordt ingehaald door het kind als het gaat om trouwen of rouwen. Dan ligt de lat voor beide partijen gelijk: zeer plat. Misschien is ‘jongeren’ de overspelige trap van ‘jong’. ‘Jongeren’ is ook een verontrustend meervoud. Zijn er eigenlijk wel zoveel jongeren? Die bevolkingspiramide van ons landje ziet er op dat vlak bedenkelijk uit. Je denkt bij dat woord ‘jongeren’ ook gewoonlijk aan andere woorden, afhankelijk van de context: ‘schade’, ‘ongewassen’, ‘onwel’, ‘duizenden’. Zoals je bij ‘oud’ misschien aan ‘pensioen’ en ‘grijs’ en ‘stok’ denkt. ‘Jongen’ klinkt dan weer zo zoogdier- of eierschaalachtig. Terwijl ‘meisje’ niet eens een verkleinwoord is. ‘Jippie zeg, heb ik daar een aardige meis ontmoet.’ ‘Ouder’ is de vergelijkende trap van ‘oud’. Wee de man, de vrouw, die op zeer jonge leeftijd kinderen veroorzaken: zij zijn dan ‘ouder’. Meervoudsvarianten: ouders, oké, ouderen, ai. ‘Jongeren’ doet dan weer denken aan ‘worp’: de jongeren rolden als rapen uit de schoot van de vruchtbare boerin. Wat te doen? Ach, tegen de taal ingaan. Anders gaat die dicteren hoe je je moet gedragen. Waarom bijvoorbeeld kwispelt de hond met zijn staart? Omdat hij slimmer is dan zijn staart. Mocht hij dat niet zijn, dan zou de staart met de hond kwispelen. Ik vind dit een van de grootste wijsheden die ik al gelezen heb. Waarom, dat verklap ik u niet. U moet het zelf maar uitvissen. Feit is dat veel wijsheden in de vorm van een mop worden verkocht, ogenschijnlijk onnozel. Nee nee, gij daar kluchtigaard op de tiende rij, ik heb het niet over ‘Het is groen en het klimt zonder handen naar beneden.’  Drink maar uw limonade op. 


    02-10-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.193: Onder de zon

    ONDER DE ZON

    Het vuur, het wiel, de trap, penicilline, laser, de chip, de boekdrukkunst, de camera: je vraagt je af welke belangwekkende uitvindingen, ontdekkingen of vondsten nog gedaan kunnen worden. Soms kan er alleen nog maar verbeterd worden. Het is zoals een boek van Jules Verne: geen sciencefiction, maar een verbetering van reeds bestaande technieken. Voorbeeld. Tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog werden duikboten gebruikt. Maar die lekten. Dat is erg voor die dingen. Verne las dat bericht in een krant. Hij dacht na over het probleem, schreef een boek en bracht op papier verbeteringen aan voor de onderzeeër. Latere toepassing ervan ‘in het echt’ bleek uitvoerbaar en succesvol. Zo zie je maar: schrijvers helpen de wereld vooruit, zelfs onder water. ‘Nieuwe dingen’ betekent ook ‘nieuwe woorden’. Voorbeelden uit de 20ste eeuw: aids, epo, asiel, ozongat. Hoera voor de Dappere Nieuwe Wereld. Nog een uitvinding van de 20e eeuw: Michael Jackson. Hij verschoot af en toe van kleur en sommige van zijn lichaamsdelen lieten los. Maar het megadom heeft hij uitgevonden. Hij vond ook zichzelf uit. Wat moet er verder nog uitgevonden worden? Een pil tegen BV’s. Een tv die alleen maar uit kan. Een oorlog waarbij iedereen gespaard wordt. Een geluidsdemper voor op de aardbol. Eetbare kleren. Eigen liedjesteksten voor Nicole en Hugo. Er is nog veel te doen. Komaan, aan het werk. Maar geen uitsloverij. Hef geen belastingen op goudvissen. Schaf feestdagen niet af. Schrijf geen boeken die uit de rekken liggen. Draag geen strikjes. Hef wel belastingen op karaoke, playback, piepschuim en moppen en hun tappers. Er is immers niets nieuws onder de zon. Zo daar al sprake van is.


    18-09-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.192: Besparen
    BSPRN

    N Tns (Nrd-Frk) hbbn z mr dr klnkrs. N ht Ndrlnds hbbn w r vf. Gnlk hb j d nt ns ndg. Ls mr ns d dvrtnts n d krnt. Mn zkt. vrw, wt j wl. Ls j r tch ng n prblm m hbt: vrvng vrl dr n e. D kmt ht mst vr. N tdn vn cnmsch crss bsprn w ds k p lttrs. Vndt . nt dt ht r lk tzt?

    02-09-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.191: De goede man

    DE GOEDE MAN

    Nog drie maanden slapen en het is weer zover. Dan komt de goede man. Wij hebben al zomerklaaskoeken gegeten. Een schande is het. Toen ik nog een uk was, rookte mijn pa Almos. Later werden dat andere merken. We wisten maar al te goed waar hij zijn voorraad verstopte. Ma dacht dus dat hij veel rookte. Het gebeurde wel vaker dat hij in het donker nog om een pakje holde, naar zo’n gezellig winkeltje uit oude tijden. Het rook er altijd naar zaterdag. Je kon er alles krijgen. Ik heb er eens mijn broer met zijn kont in een emmer haring geduwd. Elk jaar op één welgemikte decemberavond mochten we mee op stap om een pakje sigaretten te kopen. De wandeling heen en terug duurde een halfuur. Het was 5 december. Toen we weer thuiskwamen, mijn pa gehuld in verse Almos-wolkjes, was een andere goede man hem voor geweest. De Sint was gepasseerd! We hadden hem niet gezien. Toch woonden we in een doodlopende straat. De spoorboom aan het einde was al enkele jaren definitief neergelaten. De heilige man had bij ons wat speelgoed gedropt. Zo moesten we nooit wachten tot 6 december: vaak een ellendige schooldag waar Pieten op deuren bonkten en meesters vraagstukken opgaven met picknicken erin. (‘Jan heeft 10 picknicken. An 7. Als Jan er 6 opeet en An 2, hebben ze samenveel pret’). Elk jaar echter was ik sterk ontgoocheld in de Sint. Want ik hoopte altijd op een echt berenvel. Het stond lange jaren bovenaan op mijn verlanglijstje. Ik wou een heus berenvel om me in te vermommen en de mensen de stuipen op het lijf te jagen. Nooit kreeg ik het. In de derde kleuterklas had ik al sterke vermoedens omtrent de identiteit van de goede man. Hij rook namelijk naar Almos-sigaretten. Samen met mijn vriend Pol-zaliger deelde ik die vermoedens. Diens Sint rook naar Zemir, ook een merk van toen. De juf had dat door en parkeerde ons op 6 december in een bank vlak bij de deur. ‘Niet te hard schrikken als er hard gebonsd wordt hé. Je weet wel wie er dan komt hé … Maar: mondje dicht, hé!’  We knikten ijverig. Maar op 6 december wipten we net als alle andere babyboomers geschrokken op, toen er knoerthard op de deur gebonsd werd en een regen van picknicken over de kortgeknipte koppen scheerde. Pol en ik keken ondertussen door de baard van de goede man heen: herkenden we één van onze vaders? Buren? Meesters van de grote school? En wat betekende dat gedoe met die vier Pieten? ‘Hulppieten,’  legde de juf uit, na het gewelddadige Sint-bezoek aan onze klas. ‘De goede man wordt oud en kan niet alles zelf meer doen.’  Ze keek Pol en ik staalhard in de ogen. Het leven ging later door. Ik kreeg nooit een berenvel en Pol stierf jong. En mijn pa stopte met roken. Ik ook.


    15-08-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.190: Van die dagen

    VAN DIE DAGEN

    Soms heb je van die dagen. De duivel is ermee gemoeid, zoals ze zeggen. Je let de hele dag onbewust maar koppig op alle nummerplaten die in je vizier verschijnen. ’s Ochtends nestelt er zich een al net zo koppig meezingertje in je hoofd en dat blijft daar zitten voor de rest van de dag. Niks lukt en alles valt zelfs tegen. Er hangt overal een waas voor, waar je niet doorheen geraakt met je zintuigen. Mensen nemen voortdurend aanstoot aan je en aan alles wat je doet. Het kan ook een stralende dag zijn met ononderbroken stom geluk. Om de haverklap kom je mensen tegen die je al lang niet meer ontmoette. Je koopt de hele santenboetiek van lottobiljetten, maar je wint natuurlijk € 2,50. Je moet drie keer terug naar het warenhuis (twee keer voor de middag, een keer na de middag), want ze hebben zich echt wel vergist hoor, telkens opnieuw. Er ontstaat ruzie aan de kassa met een andere ongeduldige klant achter je. Tot je oneindig afgrijzen staat er een papegaai op de rug van haar jeans. Thuis rinkelen de telefoons alsof het de laatste dag van je leven betrof. De dag kan ook passeren zonder ook maar één luttel telefoontje, zelfs geen per vergissing, zelfs niet eentje met dat langverwachte stellig beloofde bericht. Je wacht en wacht en de huisarts komt pas tegen de avond nadat je eerst doodziek bent geweest en vervolgens weer kerngezond bent geworden. De postbode belt aan, maar je vergat de voorraad toiletpapier aan te vullen en dus moet je blijven waar je bent. De dag daarna belt hij weer aan: taks wegens porttekort. Je hebt vandaag al alles laten vallen wat je vastpakte. Hoe komt dat toch. Diezelfde gekke naam spookt zonder reden de godganse dag onder je schedelpan en je weet godgenageld niet waarom. Je gebruikt zelfs die naam of dat woord om ritmisch je voetstappen mee te begeleiden. Ja, van die dagen … waarop de hele dag lang iets in je hoofd dansen blijft, of weergalmen, en het wil er maar niet uit. Het zijn ook meestal van die dagen waarop je de lotto niet wint. Hoe hard je ook overal naartoe rent, hoe begripvol je je ook voordoet, hoe schalks de zon ook over de daken spettert, hoe heerlijk ook de Vlaamse regen in je gezicht kletst. Termijndenken noch domweg duiken helpen. Allemaal mierengewriemel, constateer je aan het eind van zo’n dag. En dan pesten ze je nog wat met een schrikkeljaar, een zomer- en een winteruur. En je moet weer die parade van dwaze koppen op de televisie ondergaan. En de krant herhaalt nog eens die dwazekoppenparade. Ja, je hebt van die dagen waarop je luid gillend of hikkend van het lachen onder de wol wil duiken.


    26-07-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.189: Zwarte zwaan

    DE ZWARTE ZWAAN

    Een hevig, leuk, origineel boek gelezen, verschenen bij uitgeverij Nieuwezijds (via Epo Berchem). Geen verhaaltje. Veel beter. De Zwarte Zwaan: de impact van het hoogst onwaarschijnlijke. Schrijver: Nassim Taleb, ex-beurshandelaar en professor onzekerheidskunde plus sceptisch empiricus. Een zwarte zwaan is onvoorspelbaar, heeft een grote invloed en achteraf proberen we die aannemelijk te maken. Of … we denken ze voorspeld te hebben. Het kan ook iets zijn wat tegen alle verwachtingen in niet gebeurt. Bekende voorbeelden: Harry Potter, 11 september, laserstralen, het internet, de lotto. Het enige voorspelbare is het onvoorspelbare. Hoe weten we wat we weten? Thema van dit boeiende non-fictieboek: onze blindheid t.o.v. toevallige variatie en grote afwijkingen. Initiatieven om dingen te voorkomen, worden nauwelijks beloond. Nochtans is voorkomen beter dan genezen. Zichtbare daden worden wel beloond. Wil je iemand goed leren kennen? Doe dat dan wanneer hij zwaar beproefd wordt. Je krijgt nl. geen inzicht in gezondheid zonder acht te slaan op ziekte of epidemieën. Het normale is vaak irrelevant. Probabilist Taleb heeft het over de hoogst onwaarschijnlijke maar ingrijpende gebeurtenis op alle fronten en in alle geledingen van de maatschappij. Gevallen uit het verleden die je eigen theorie moeten ondersteunen, vindt hij geen bewijzen zijn. Zijn voorbeelden zijn indrukwekkend leuk. Ik geef er eentje: de kalkoen. De kalkoen kent een hoogtepunt qua gevoel van veiligheid en welbevinden na vele dagen van intense voedertijden door een verzorgende mensenhand. Het vertrouwen groeit echter zienderogen naarmate ook het gevaar groter wordt, en grootst: vlak voor Thanksgiving – zijn doodsdag. Een totaal onverwachte gebeurtenis trekt dan abrupt een streep onder een leven van welbevinden, hem gegund door dezelfde hand die hem zal slachten. Dit boek gaat veel verder dan leuke voorbeelden. Nee, witte zwanen bevestigen niet dat zwarte zwanen niet bestaan. We worden beetgenomen door het onverwachte. Lees hoe Taleb daarover denkt en hoe die professor onzekerheidskunde daarmee omgaat.


    07-07-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.188: Questionnaire

    Questionnaire

    Kan het schuimen van gebladerte vergeleken worden met het ruisen van de zee?

    Is een wapperende bliksemserpentine de voorbode van carnaval in het walhalla?

    Doen we de donder na omdat we bang zijn in het donker?

    Valt er in een spikkelwoud van duizend blaren en miljarden flarden nog een vleermuis te ontdekken?

    Doet de regenboog je nooit vermoeden dat er nog onontdekte windstreken moeten zijn?

    Als de vollemaan van kaas gemaakt is, hoeveel sterren geef je dan aan haar firmament?

    Zouden bomen eens van plaats verwisselen zonder dat we er erg in hebben?

    Herhaalt de boomkruin ook de wortel en herhaalt de wortel ook de boomkruin?

    Waarom trekt een heksenkring zich van de vierkante meetkunde geen lor aan?

    Heeft de tijd dan werkelijk de laatste vogel uitgestippeld?

    Kunnen bomen zichzelf schorsen en in der eeuwigheid verdwijnen?

    Is dat een eenhoorn daar?

    Noteer je elke bladscène gefilterd door het inzicht van het licht of gooi je overvloedigheid te grabbel?

    Veranderen de hemelwatervallen iets aan gedane zaken?

    Moet regen niet een meervoud zijn zoals Vlaanderen en kinderen?

    Valt aan de duizendbladerboom een toeval af te lezen?

    Is de wirwar van de runen en de röntgen een geval van logica?

    Sneeuwt het spikkels licht en vuur en vlucht daar een takkewijf de struiken in?

    Kunnen verloren voorwerpen verdriet hebben?

    Hebben geur en reuk een zeker gewicht?


    08-06-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.187: Say cheese

    SAY CHEESE

    Heeft u er kaas van gegeten? Dan bent u een van de gelukkigen. Kom en volg mij op een kort kaasje-uit. Het lelijkste cliché over kaas: hoe meer kaas, hoe meer gaten, hoe minder kaas. O Afgod van Alle Kazen: straf de pseudofilosofische pummel die dit ooit lanceerde. Kaas is heilig. De patroonheilige van alle vaste kazen en smeerkazen is Willem Elsschot. Hij schreef een bekend boek met het heerlijke vierletterwoord als titel. Kaas is België. Kaas is Holland. Kaas is Frankrijk. Kaas is Engeland. Passendale. Gouda. Camembert. Stilton. De namen alleen al zijn mondverwennertjes. Een van mijn prilste jeugdherinneringen betreft een lachende koe. Tevens was het mijn eerste Frans: la vache qui rit. Een hele mondvol. Iets later leerde ik Herve kennen. De stinkerskazen droegen ook onmiddellijk mijn voorkeur weg. Dat was mijn eerste aardrijkskundeles. De stap van de kazen naar andere heerlijkheden zoals mosterd en wijn was daarna vlug gezet. Om de haverklap moest ik ook cheese zeggen … voor op de foto. Zelfs de feestelijkheden hadden dus altijd iets met kaas te zien. Een prangende vraag die altijd zal blijven hangen: is de maan van kaas gemaakt? Als dat zo is, doe mij dan maar een hele bol. Vollemaan graag. Ik ben immers een volbloed kaaskop. En ik weet ook waar Abraham de mosterd haalt.


    21-05-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.186: Loteling

    DE MENS EEN LOTELING 

    Om me heen kijkend, voelend, luisterend, proevend en ruikend detecteer ik onophoudelijk elementen die me noodlottig kunnen worden. Een barst in een muur, een loszittende dakpan, een verdwaalde kogel, een uitdijende cel, een gasgeurtje, een getal te weinig, een duimbreed te kort, een visgraat, een luchtbel, een cijfer te veel … kunnen de klakkeloze dommekrachten vormen waarvan het noodlot zich bedient. Het noodlot zit ‘m in het detail, maar het noodlot doordrenkt ook tijden en ruimten. Daarenboven kan de ene mens voor de andere noodlottig zijn, terwijl dat dan net voor eerstgenoemde diens geluk kan betekenen. Voorwaar: de mens is een loteling, overal en altijd.

    Opdat niet alles tegelijk zou gebeuren, vonden we de notie tijd uit. Enige orde op zaken, gemakshalve chronologisch, was meer des mensen dan van nature.

    Adempauze.

    Ook het element ruimte kreeg in de loop van de (chronologische) geschiedenis een aantal facelifts. Enige bewegingsvrijheid drong zich op, al zouden territoriumgedrag en grensgevallen zich al heel vlug voordoen.

    Ademruimte.

    Tijd genereert leeftijd, zegge en schrijve: ouderdom. Lot dat we niet in de hand hebben. Het is onmogelijk vele jaren aan het leven toe te voegen (een ouderdom van 150 mensenjaren zal de grens zijn), het is alleen de kunst leven aan de menselijke jaren toe te voegen. Een ader gaat net zolang mee tot het vege lijf er genoeg van heeft.

    Ruimte creëert afstand annex de noodzaak aan snelheid. Noodlot dat we evenmin beheersen. We hebben de techniek op dat vlak niet voldoende in de hand. Het begrip risico komt hier veel vaker onverwacht uit de bocht. Het wiel en de trap zijn geëscaleerd.

    Het (nood)lot is onbeheersbaar én maakt deel uit van het leven, dat tot nader order van dat lot gelijkmoedig of gelukkig kan verlopen. Pas na het toeslaan van dat noodlot, beseffen we dat we in een gewoonheid vertoefden die ons onbewust gelukzalig maakte. ‘Een mens is goed omdat hij niet slecht is,’ verzuchtte Oblomow ooit, horizontaal gelegen. Parafraserend zouden we kunnen stellen: een mens kent geluk pas bij niet-geluk.

    Levert het ruimtelijke noodlot anderzijds iets op? Nou, ballingschap verschafte wel eens nieuwe inzichten. De nomadische mens werd er niet dommer op. Maar je zult maar ter aarde geworfen worden in een sloppenwijk of als elfde koter in een mijnwerkerswoninkje in de Borinage.

    Levert het tijdelijke noodlot anderzijds iets op? Tja, bent u geboren en getogen op een interessante tijdsscharnier? Maakte u bewust het meest bepalende decennium van uw eeuw mee? Bent u loopgraafsoldaat uit De Groote Oorlog, cocktaildrinker uit de roaring twenties of stond u eind jaren zestig op de barricades in Parijs? Bent u als schrikkelkind pas om de vier jaar eens jarig?

    Noodlot, lot, voorbeschikking. In sommige gevallen genereerde het lot van één iemand geluk en voldoening voor vele anderen. In andere gevallen deden zich bijna schilderachtige, alleszins romantische gevallen van voorafbeelding voor.

    Shelley stierf eenzaam in een woest tempeest. Tolstoj gaf net als zijn Anna Karenina de geest op een spoorwegstation. Rilke zou overleden zijn aan de gevolgen van een doornprik van een rozenstruik. Virginia Woolf koos het water als eindbestemming, met stenen in de zakken en bezwaard gemoed: het geluid van water is de basstoon in haar teksten. Esopus had een bochel en werd de vader van het fabeldicht. Homerus was blind en schiep een formidabele wereld. Erasmus leed aan jicht en bleef noodgedwongen binnenskamers voor zijn Lof der Zotheid. Ronsard was doof en werd de recordhouder van de welluidendheid in de Franse bellettrie. Andersen was aartslelijk, wou het theaterpodium op, maar schreef uiteindelijk sprookjes. En, last but not least: Montaigne trok zich op 37-jarige leeftijd met een ernstige nierkwaal in zijn torenkamer terug om een ‘zelfportret’ te schrijven. (Misschien ook uit ontgoocheling over de wereld en in een poging zichzelf in die wereld te definiëren? Immers: La plupart des occasions des troubles du monde sont grammairiennes.) Hij werd de aartsvader van alle ‘probeersels’. Anders gezegd: essays.

    Eeuwen later zou Anton van Duinkerken schrijven: ‘Zo is de mens gebouwd, dat zijn ellendige gebreken dikwijls de voorwaarden worden tot zijn schitterendste heerlijkheid.’  Wij voegen daaraan toe: … voor de anderen. Is het immers niet dankzij de Ballade van Arie Hop (John O’Mill) dat duizenden Hollandse kindjes van de vreselijke nagelbijtdood zijn gered?
    'Aanhoort het noodlot, fel en wreed/ van een kind dat op zijn nagels beet.’

    Een speling van dat lot mag allicht worden begrepen als een gebrek aan bevattings- en incasseringsvermogen bij de mens. Het woord speling vertolkt ons onbegrip en onze onmacht ten opzichte van voldongenheid … en van de willekeur van deze voldongenheid. Het degradeert het lot tot iets grilligs. Ook de natuur kent haar door de mens toegedichte speling – dan ontpopt ze zich in noodlottige gedaantes: ziektes en natuurrampen zijn misschien de twee sterkste dommekrachten waarvan het noodlot zich bedient. Desgevallend of desgewenst kan Lot dan met een hoofdletter worden geschreven, rijmend op of met God. Dat hoofdletterlot zal een fatale bliksem niet toeschrijven aan een botsing tussen overspannen wolken, maar aan een boze God die met zijn lastoestel de gaten in de ozonlaag weer dicht probeert te schroeien. We zorgen er wel voor dat er ons altijd iets boven het hoofd hangt.

    Maar er zijn dus pogingen. Lotelingen hopen altijd op het goede getal, op geluk. Het is verslavend. De ruimtevaart probeert aan het lot van de zwaartekracht te ontsnappen. (Vallen, epilepsie zijn zo werelds). Scalpel en medicijnen proberen lotgevallen te bezweren die haaks staan op de menselijke conditie van gezondheid. (Epidemieën zijn zo des werelds). God met een hoofdletter wordt aangeroepen wanneer de rede radeloos wordt ten opzichte van onmenselijke machten. (Goden zijn nochtans jaloers op stervelingen).

    Kan men zich dan wapenen met zoiets als vrije wil? De vrije wil van de mens bestaat misschien alleen hierin dat we zaken kunnen toeschrijven aan het (nood)lot, en aan spelingen daarvan. De vrije wil is zo breeddenkend te aanvaarden dat we niet alles in de hand hebben. De vrije wil is ontroerend menselijk, en flaneert, soms pretentieus en opzichtelijk, soms tolerant en bescheiden, op de catwalks van pessimisme en optimisme. Maar eigenlijk bewandelt de vrije wil een derde circuit. De vrije wil meent namelijk rekening te houden met alle seizoenen in één keer. De vrije wil weet: Versace stippelt die bepaalde lijn uit, omdat de mode wil dat het weer lente wordt. De vrije wil weet ook: nooit zal een enkele boom, een enkel blad rekening houden met Versace.

    Alleen enkele voortekenen behoeden ons ietwat voor voldongenheden. Dieren zwijgen stil bij naderend onweer. Sterren, de vlucht van de vogels en wind schijnen gelezen te kunnen worden. Een knipoog, een vlinderslag, een fluitsignaal, een bel, een profetie, een getal, een gebaar kunnen bepalend zijn. En een oud spreekwoord bij de Toearegs zegt:
    Als de weg bochten begint te maken, is de koning oud geworden.

    Het noodlot toegeven, bezweren of negeren? Het is mijn lot dat ik niet zeker weet of er zoiets als noodlot bestaat. Stel dat noodlot zin heeft, en bestaansrecht, dan moet er een ander woord voor worden bedacht. Het blijft essayeren.

    Daarom, toegegeven, voorwaar: de mens is een loteling. Van alle niet-geborenen is hij ooit de uitverkorene geweest om als loteling te leven. De vrouw als niet-man; de man als niet-vrouw. Hij (m/v) is de gelukzak bij uitstek. Zijn geboorteschreeuw is er een van angst, verbazing en geluk. Zijn getalletje wordt getrokken en zijn lotgevallen kunnen een aanvang nemen. De stomme gelukzak.


    27-04-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.185: Een zwaluw

    EEN ZWALUW

    Plotseling is de zon daar, als een onverwachte klapzoen midden de gezichten van verraste mensen. Een of andere welgezinde weergodin gooit met grote plassen zonlicht. Op het weerbulletin prediken weervrouwtjes ‘een mooie, zachte dag met wolkenslierten’. België is nochtans zo klein, dat je er onmogelijk het weer kunt voorspellen. Als er bijvoorbeeld een helikopter overvliegt, krijg je onmiddellijk zonsverduistering. Zon op je huid: dat is lang geleden. Een lichtbad van warmte, zonder nat te worden: weelde. Alles ontwaakt uit een winterslaap met natte dromen. De scheidingslijn in het haar van de premier glimt in de zon. Prettig storende vliegtuigjes ronken in het blauwe zwerk. Koetjes dartelen hormonaal in de weiden van Vlaanderen. Duistere zaken worden zonneklaar. Een nieuwe lente, een nieuwe buit. Hopelijk krijgen we geen kiespijn dit jaar. Politici die in hondendrollen trappen omdat ze niet goed uitkijken waar ze lopen, namelijk naast hun schoenen. Ondertussen moet het maar eens hevig mooi weer worden. Ik heb al op de A17 met mijn inktzwarte Saab om ter rapst gereden met een zwaluw. Die is er dus ook al. Hij vloog wel nog in de pechstrook. Ik zocht ook weer naar dat wilde bermkieken ergens op de Ring rond Kortrijk, maar ’t is foetsie. Het bereidt waarschijnlijk zijn verkiezingscampagne voor. Het ambieert misschien een plaats in de pikorde van de Kamer, het kakelnest bij uitstek. Genoeg over pluimvee. Terug naar de lente. Morgen kan het weer grijs zijn. Er kan regen vallen, maar die blijft niet liggen. Kijk uit voor tegenliggende laagscherende zwaluwen en mensen met dubbele kinnen die u met ‘burger’ aanspreken. Je weet nooit wat ze echt bedoelen: hamburger, cheeseburger of Habsburger? En doe ook niet open voor vreemd volk op zondagnoen. Het zijn weer de Hormonen. Ze komen u melden dat u niet genoeg gelooft. ‘Wij brengen u God’, zullen zij zeggen. Antwoord dan: ‘We hebben er al een. Zet deze maar bij de garagepoort.’  En gij zult u weer terugtrekken en een fles wijn ontkurken, want daar is de lente.


    14-04-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.184: Grijs

    GRIJS

    Ik doe al vele jaren dapper mee aan de vergrijzing. Niet van de bewolking, maar van de bevolking. Ik vorm een groot probleem voor dit land en zijn regering. België had enkele jaren geleden de bestraffende vinger van Europa nodig om op zijn allergrootste intern probleem gewezen te worden: jawel, diezelfde vergrijzing. We hebben met z’n allen veel te gezond geleefd tot nu toe. Stop dus dat joggen maar, en stop met stoppen met roken. We vormen een steeds groter wordende groep kerngezonde grijsaards. België wordt een land van dinosaurussen. België wordt een betrokken, grijs land. Daarom is het verwonderlijk dat wij tegelijkertijd voor een stuk al buitenspel worden gezet, op diverse terreinen. De meeste Belgen die de touwtjes in handen hebben, die drukke dertigers en veertigers dus, begaan vaak vreselijke vergissingen. Daardoor lopen ze geld mis, en stemmen, en volk, veel volk. De politiek, reclame, cultuur en ander fraais richten zich bijna uitsluitend tot jongeren. Als het niet jong en sexy kan, telt het niet meer mee. Er zijn zelfs ministers door gesneuveld, een decennium geleden. Enkele 45-plussers werden toen opzij geschoven. En de regering maar verkondigen dat er langer gewerkt moet worden! Een typisch Belgisch schoolvoorbeeld. En dan maar janken dat de burger geen hoge pet opheeft van de politiek en zijn predikers. Kijk om je heen: hoeveel van de affiches die je overal ziet appelleren aan vijftigplussers? De grijze massa wordt constant gediscrimineerd. Men zal daar wat werk van maken, heb ik gehoord. Jonge ouderen en oude jongeren moeten bij sollicitaties ook hun kansen hebben. Er is wel een jonge kerel die met zijn boek over internetgebruik voor senioren dat slim bekeken heeft. Hij scoorde een bestseller. Voor de rest bestaat dit apenland aan de Noordzee vooral uit bête tv-toestanden met kakelende actricekippen en kwijlende mannetjespapegaaien. Er stijgt soms ook hoerageroep op omdat de jonge dochter van een coureur een kind koopt. Alles moet piepkuiken en sexy zijn. Wacht maar tot de teeveedelletjes van deze wereld zelf gerimpeld en tandeloos zijn. Ook Inge Vervotte nadert ondertussen de tachtig. Slotnoot: ik heb niet beweerd dat grijs lelijk is. Wat is interessanter dan een massa grijze cellen? Wat is mooier dan een muisgrijs, loodgrijs, olifantengrijs uitspansel doorkliefd met prachtige knalgele bliksemserpentines en begeleid door hevig gedonder?


    29-03-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.183: Claus

    CLAUS

    Ondanks vrij eenvoudig klinkende titels (Het mes, Het verdriet van België, De geruchten, De zwaardvis, … ) is de naam van de schrijver bekender dan zijn oeuvre: Hugo Claus. Weinigen verwarren hem nog met Claes, ook een schrijver. Ongetwijfeld heeft dat te maken met extraliteraire zaken zoals privéleven, boude uitspraken of andere toestanden. Claus hoedde zich voor uitgesproken opinies over collega-schrijvers. Hij keek wel uit. Maar op geregelde tijdstippen was hij wel in het nieuws met rake en goed voorbereide quotes over Jan en alleman, de Vlaming pakweg, de kleine mens, de puber, de priester, de schoolmeester en Vlaanderen. Ik las altijd heel graag zijn poëzie en zijn korte verhalen. De Vlaamse schrijfstijl in zijn proza viel wel te pruimen. De Oostakkerse Gedichten hebben me meest aangesproken. En verhalen als Het mes … ik ken dat nog vrijwel vanbuiten.
    Voor de rest van wat veelkunner Claus uitspookte, had ik minder belangstelling. Zogenaamde dubbeltalenten wantrouw ik. Eerder hoor ik dan de kassa rinkelen. Respect voor Het verdriet, jazeker, maar die symbolische dikte hoefde niet. Van de competitie tussen Hermans en Mulisch en Claus voor het dikste boek waren de lezers het slachtoffer. Hoeveel keer werd immers niet verzucht: ‘Ik raak er niet door’ ?! En De Leeuw van Vlaanderen … over dat bloedstollende epos zullen we het maar niet hebben. De Grote Schrijver die hij was, moet bovenal in vrede kunnen rusten. Hij heeft zelf om die vrede verzocht. Op de vooravond van de literaire lente in Vlaanderen. Er zullen talloze gedichten ontstaan ter gelegenheid van zijn dood. Zelf heeft hij talloze keren bewezen daarin een meester te zijn.
    A propos: alweer een West-Vlaming. Al werd hij daar niet echt graag aan herinnerd. Hoe dan ook: Vlaanderen is een van zijn goden kwijt. En Kortrijk kwijlt een beetje. Eigen schuld, dikke bult. Het heeft nooit erg veel om zijn auteurs gegeven. En ach, troost voor Darlingen (dixit Conscience, ook een ad-interim-'Kortrijkzaan'): wat je zegt, ben je zelf. Wat zegt Claus over Kortrijk, de stad waar hij tot tweemaal toe het ereburgerschap van weigerde? En welke Hasseltse ex-Deerlijkse dichter aapt dat bij tijd en wijle ijverig na? Nog een troost: Tom Lanoye is Kortrijks BV, Bekendste Vuilniszak. TL mocht ooit een gedicht op de stedelijke vuilniszakken laten zetten. Dat hebben we alvast. Met dank aan een vorige schepen.


    17-03-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.182: Liefhebber

    LIEFHEBBER

    Luister eens goed, maar je moet niks opschrijven. Van kleinsnood af heb ik iets gehad met taal. Het overmande me soms als een kaakslag bij heldere hemel: hoe een woord in de gluren werd gelegd, of klonk als een klepel die verkeerd hing. Je kunt nu zeggen: de bal ligt weer bij de kampen van de beste stuurlui. Niets is echter minder klaar. Ik kan met mijn hart op mijn hoofd getuigen dat ik qua taal van kanten weet. Hierbij echter wel een paal en perk: het gaat hem moederziel alleen om het Nederlands, geen eh … vreemdtalige moedertalen. Anders krijg ik het spek aan mijn bek en heb ik het aan mijn benen. Ik ben namelijk geen wolf in schaapskleren. Van getallen en cijfers hou ik ook. Kan er daar humor in zitten? Welja, in reeksen. Men vraagt je bijvoorbeeld een cijferreeks aan te vullen om op je banking-site te geraken. Dan staat daar: 0801 1081. En dan denk je: de afgod van de getallen neemt me ofwel in het ootje, ofwel heeft hij een dagje vol plezier voor zichzelf gepland, ofwel zal er me iets lotto-achtigs overkomen. Af en toe moet ik lachen om en met getallen. Ik vind ze grappig. De humor heeft niets met hun klank of hoeveelheid of uiterlijk te maken, maar wel met de manier(en) waarop ze soms reeksgewijs verschijnen. 5545: dat is toch om te lachen? 9339: hilarisch, toch? 07-07-07 daarentegen is niet om te lachen. Waarom? Omdat dit een verjaardag van iemand is. Een gedenkdag, dus. Zeg maar: doemdag. Daar lach je niet mee. Daar drink je op. Om te vergeten. Of om nooit meer te vergeten, zoals Nine/Eleven. De Oude Grieken waren zelfs bang voor een getal: nul. In hun pincodes kwam die nooit voor. Sommigen vermoordden elkaar voor niets …


    01-03-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.181: Monumenten

    MONUMENTEN

    Condoleezza Rice, de gekleurde ministeres van Buitenlandse Zaken in de administratie Bush II, heeft een aardig staketsel van ravenzwart haar op haar hoofd. Je kunt er uren naar kijken. Vooral met verbijstering. Hoe dat nektapijtje zo vrolijk opkrult, als om haar te beschermen tegen een kogelregen of een plotse tornado! In de categorie Gebeeldhouwde Haardrachten komt ze op nummer twee te staan. Nummer een is nog altijd onze oud-koningin Fabiola. Zij torst ook een monumentale haardracht, waar soms eens een verdwaalde vogel in landt op zoek naar nestwarmte. Waarom denkt u heeft koning Albert in bevenden lijve altijd zoveel plezier als hij op teevee komt met de oude koningin? Juist: hij heeft ze weer zien vliegen. En die pretoogjes van president Bush dan als Rice in de omgeving is? Die spreken ook boekdelen. Ook hij wordt voortdurend afgeleid. Hij ziet de humor van dat haar in. Die jonge wereldkoningin kan inmiddels aan onze oude landkoningin zien hoe het zal zijn als je met strak gebeiteld haar ouder wordt. Dappere vergrijzing. Maar iets anders nu. Ik vraag u, voorwaar: gaat een reiger met krukken? Wordt een kraai grijs? Doet een poolvos aan pensioensparen? Bekommert de aalscholver zich om zijn pluimen? Nee? Goed. Op een bepaalde leeftijd, ouderdom, stappen die eruit. Dan moet ook de mens het recht hebben een bos op te zoeken of een eenzame rots om daar achter te blijven en naar zijn eeuwige jachtvelden te trekken. Wie dat wil, zou dat moeten mogen en kunnen. Zoals de oude Fidel Castro. Getooid met zijn mooiste kleren, sieraden en haarbos. Wie dat niet wil: evenmin een probleem. Sommige mensen zijn zo erg in leven dat hun adem hun eigen spiegelbeeld verdonkeremaant. Zij eten bananen en hossen joggend rond, tot ze zichzelf weer tegenkomen omdat de aardbol rond is. Zij lopen zichzelf achterna. Wenst u honderd jaar te worden? Een monumentale honderd jaar, zoals vele van onze nakomelingen dat wellicht zullen kunnen doen? Of zelfs een ietsepietsie meer, dankzij Bulgaarse yoghurt? Ga uw gang. Maar weet dat er grenzen zijn aan de gezondheid. En hou u gedeisd. Tot zover enkele losse maar grofkorrelige gedachten in verband met monumenten. 


    19-02-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.180: Erger

    ERGER

    Gillend de gordijnen in vluchten bij de zoveelste Beroerde Vlaming die in een interview meedeelt: ‘Ik had zoiets van … ‘. Je een kogel door het hoofd jagen bij het lezen van ‘kids’ en ‘krachtige tools’ op banksites. Je de haren uit datzelfde hoofd rukken wanneer je merkt dat een wijsneuzerige boekbespreker al jarenlang ‘wijds’ schrijft en dat nu godverongelukt nog niet afgeleerd heeft. Een dorp uitmoorden als een pedagoochelende blauwkous het over haar ‘mei 68’ heeft. Ze bedoelde ‘mij 68’. IJlings naar een zeer ver land emigreren als Geert Hoste op tv verschijnt. Je Belgische identiteitskaart verscheuren wanneer een beroepsliegende advocaat het heeft over ‘meneer Dutroux’ en ‘meneer Van Themsche’. Nooit meer stemmen bij het ondergaan van de nietszeggende worstenvolzinnetjes van Bart Somers. In alle talen vloeken wanneer dat idiote voetbalnieuws weer het zondagochtendjournaal overwoekert. Iedereen naar de hel wensen omdat het herfst- en winternieuws alleen nog lijkt te bestaan uit Sven Nijs en bomaanslagen. IJs- en vuurtijden! Voor eeuwig ongelukkig zijn bij de confrontatie met die idiote zweethanddoek om de nek van Robbe De Hert en het aanhoren van zijn obligate stopwoordje ‘schat’. Vluchten voor Stefaan De Clerck in alle omstandigheden. Eender welk lidmaatschap opzeggen bij het ontwaren van het pseudo-intellobrilletje diep op de neusbrug van Johan Vermeersch, soort van voorzitter van voetbalgroep Brussels. Het verenigingsleven terstond verlaten als de namen Urbanus, Capiau en Sommers vallen. Zwijgen over dat softe ‘Open’ in Open VLD, het naïeve ‘a’ in sp.a, het pretentieuze & in CD&V, het pompeus klinkende NV-A, het jeugdbewegingsuitroepteken in Groen! en het boksbeugelige in Vlaams Blok/Belang. Erger kan niet meer. Of toch, o ja: cursieve woordjes in een tekst.


    03-02-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.179: Landbouw

    DE LANDBOUW VERMOORD !

    ‘Loop niet te hard van de veestapel, wederhelft,’ sprak de agrarisch deskundige tot de met hem getrouwde. ‘Laten we overschakelen op eenden, schapen, kiekens, desnoods struisvogels en krokodillen. We houden nog één koe in het midden en één zwijn achter de hand.’ ‘Maar ik ben opgegroeid tussen de koeien en de varkens, man,’ wedervoer de vrouwspersoon. ‘Schapen zijn zo … zo … schaapachtig. Om van de rest nog maar te zwijgen.’ ‘Zwijg toch, vrouw,’ repliceerde de landbouwer. ‘Wilt ge misschien dat ik in de bak vlieg? ’t Zit er al vol met mormonen.’ ‘Er bestaat nu een systeem van bij nacht in de bak te zitten en bij klaarlichte dag uw werk te kunnen doen,’ antwoordde de zijne. ‘Ziet ge dat niet zitten, vent?’ ‘Jaja, en gij dan aan de rol zeker met een andere agrarische deskundige, die ook voor koeienbeesten en zwijnen opkomt, ik ken dat!’ ‘Zo hard loop ik niet van de veestapel, dat weet ge toch van mij, boer? Maar ter zake: van struisvogels en krokodillen ken ik niks. Hoe moet dat dan?’ ‘Luistert. We kunnen het kalmer aanpakken en beginnen met puiten en escargots. Slakken en kikkerbillen verkopen goed de laatste jaren.’ ‘En onze grond dan? Onze wijdse akkers en weiden als wiegende zeeën? En waarom, o boer, gaan uw gedachten niet langer naar groensel uit?’ ‘Verkopen, natuurlijk, gij domme koe. En weidse is met een kippenei; waar hebt gij leren spreken, dedju?! En zwijg me van groensel, ‘k heb er de pest aan.’ ‘Slakken en puiten!? Och here God toch!’ roep de landbedrichtster verbouwereerd uit. ‘Maar zijt gij nu helegans betoeterd!?’ In een opwelling sloeg ze de boer de kop in met een zelfgemaakte ijslantaarn, want het was putje winter. Daarna ontdooide ze het moordwapen bij de stoof en hakte de boer in hapklare brokken.


    17-01-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.178: Bijna

    BIJNA

    Ik ben enkele weken verwijderd van mijn zeshonderdste column voor de Krant van West-Vlaanderen. Ik haal dit nu al even aan, omdat ik die dag zelf het daarover niet wil hebben, want dan wordt het een doemdag en ik ben bijgelovig. Die kolom heeft in de loop der jaren verschillende vormen aangenomen. Vroeger heette mijn stukje ‘Deze kant boven’. De laatste jaren prijkt er ‘Cursief’ boven. Een keer kreeg het de kop ‘Stukje’, op mijn verzoek, omdat ik toen schreef zonder de letter R te gebruiken, over mosselen. Ik heb ook diverse begeleidende tekeningen en foto’s van mijn eigen kop meegemaakt. Fraai zicht. Vaak heb ik geprobeerd mijn stukjes op Torhoutse mosterd te doen gelijken. Of ernaar te laten smaken, eerder. Ik schreef overigens ooit een ode aan dat fameuze donkerbruine goedje uit de Houtlandse Sparrenstede. Hij is vrij pikant, hij smaakt lekker zomaar op een boterham en hij veroorzaakt ook aardige vinaigrettes. Als ik ooit moordverhalen publiceer, en die bestaan ondertussen al, zal mijn hoofdpersonage geen duvel drinken, maar mosterd eten. Reacties op mijn stukjes ? Welja. Leuke, bemoedigende, zielenzalvende, olijke, vrolijke. Twee keer een dreigbrief. Een keer een verbaal dreigement in de trein. Twee keer iets wat op een doodsbedreiging leek. Dat heb je wel meer als je ofwel een expliciet standpunt inneemt ofwel parabolische ironie bedrijft. Mijn cursieve ongenoegen over tv-programma’s of BV’s of politici bijvoorbeeld is voor mij altijd een leuke ontspanning geweest, terwijl ik het zoutvaatje ook binnen handbereik van de lezer vermoedde, hoopte en dacht. Zelf hou ik veel van en lees ik graag kort proza: kortverhalen, novelles, cursieve teksten. Vroeger wilden uitgevers dat wel eens bundelen en publiceren. Dat is ook een Angel-Saksische literaire traditie. Nu gebeurt dat bij ons veel minder, tenzij je met je tronie vaak op tv komt. Jammer. Ik las heel graag stukjes van Bomans, Carmiggelt en verhalen van Dickens en D.H. Lawrence. Toen eeuwen geleden De Oude Thorhoutenaar nog bestond (en ook concurrent De Torhoutse Bode), pleegde ik als student daar soms een stukje in over literatuur. En in hun aanvankelijk beroep, in de beginjaren, hadden mijn ouders allebei iets met kranten en drukken te maken, in Torhout en in Gent. De appel valt dus weer niet ver van de stam. 


    02-01-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.177: Onafhankelijkheid

    ONAFHANKELIJKHEID

    Een zonnige maar eerder koude juninamiddag in mijn zeer Engelse tuin, een paar jaar geleden. Niets liet vermoeden dat over enkele ogenblikken mijn leven ondersteboven zou worden gekarnd. Het zou bijvoorbeeld zonde zijn mocht de telefoon rinkelen. Hij rinkelde. Op deze rustige junidag, terwijl de zon als een knalgele eierdooier aan het mariablauwe zwerk dobberde, rinkelde godverongelukt die kleretelefoon. Ik zette mijn bord kaviaar op het marmeren muurtje rond mijn vijver en haastte me naar binnen. Je wist maar nooit wat er in de lucht hing. En zie: andermaal maakte ik een fraai staaltje van vergrijzingsproblematiek mee. Ik schreef al vaker over de stommiteit van diverse instanties, evenementen, initiatiefnemers, etc … om vijftigplussers niet aan te spreken en dus als doelgroep te verwaarlozen. Een grove misrekening, want we zijn met velen, en we worden groter en groter. Nu, luister. ‘Hallo, hier met Mildred van het Onafhankelijk Ziekenfonds. Ik bel u even in verband met … ‘ ‘Goedemiddag Mildred, ik … ‘ ‘Kan ik u even spreken over het Onafhankelijk Ziekenfonds?’ ‘Graag, maar ik heb al … ‘ ‘Het duurt niet lang.’ ‘Maar ik ben niet ziek.’ ‘Echt, even maar.’ ‘Maar ik heb al … ‘ ‘Wij richten ons tot de leeftijden tussen 20 en 50 jaar en … ‘ ‘O, maar … ‘ ‘De voorwaarden moeten in vergelijking met de andere … ‘ ‘Maar ik ben al meer dan 50.’ ‘ … niet onderdoen … ‘ ‘IK BEN 52.’ ‘O … eh … dan is dit niet van toepassing op u, meneer.’ ‘Nee, hé?’ (Jammer dat ze mijn grijns niet kon zien). ‘Toch bedankt, meneer.’ ‘Dag Mildred,’ zei ik. ‘In een volgend leven denk ik aan u en uw Onafhankelijk Ziekenfonds.’ Hoorde ze me nog? Ze zitten dus werkelijk met een probleem. Vergrijzing. Arme midlifers. Ze mogen ons, de mensen met het meeste geld en het grootste verstand, niet meer meerekenen of aanspreken. Wij die al jaren languit liggen te lurken aan de tepels van de consumptiemaatschappij! Wij die smijten met geld! Wij die zelfs verzekerd zijn tegen verzekeringen! Ik hoop dat er nog eens een Mildred belt. Ik zal die dan wijsmaken dat ik 49,5 jaar ben, en ongeneeslijk gezond. Zo gezond, dat ik zelfs geen ziekenfonds heb. Dan zitten ze met een nog groter probleem. A propos: toen ik terug in mijn tuin kwam, had een slokop van een reiger mijn kaviaar uitgelepeld. Ook dat nog.


    22-12-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.176: Zo fout als wat

    ZO FOUT ALS WAT

    (Spaanse griep, Engelse ziekte, Joods kabaal, Tussentaal)

    - Ik heb alles dubbel: los diablos.
    - Dikke pens: fata organa.
    - Moet er nog zand zijn?: sanctus sanctus sablos.
    - Maar vent toch!: juventus!
    - Die vlieger gaat niet op: symballon des ongeloofs.
    - Het Beloofde Land: Jodium.
    - Golgotha: Podium.
    - Een hemelse blik: facelift.
    - Een open doek: boerkalift.
    - Een ezel stoot zich geen tweemaal aan dezelfde steen (maar meestal wel): ano domino.
    - Leven en werken van een kok: curryculum vitae.
    - Geen thermiek, bewolkt, grijs, aanhoudend droog:
    Leterme.
    - Oudheidkundigen: piramidioten.
    - Wollige taal: zinsverduistering
    - België: land uit zicht.


    09-12-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.175: Wei-gevoel

    WEI-GEVOEL

    ‘Bijlange niet,’ sprak het paard in de wei tot mij. ‘Wij trekken ons niks aan van zonsverduisteringen. Wij, dieren, hebben andere katten te geselen.’ ‘Ach zo,’ knikte ik. Meewarig bekeek het paard mijn hond aan de leiband. Elke avond passeerde ik de wei met mijn hond, voor een hygiënische wandeling in de randstedelijke natuur. Soms stond het paard in de wei. ‘Laat jij de hond uit of doet hij dat met jou?’ vroeg het paard dan. ‘Dat is een klassiekertje, hoor,’ antwoordde ik. ‘En als die leiband knapt, loop je dan weg?’ ‘Die is al zo sterk als een paardenteugel. En Pavlov is een huisdier. Hij keert dus altijd terug naar huis, als hij tenminste niet onder een witte volvo of een zwarte saab vermorzeld wordt.’ ‘Pavlov? Gekke naam.’ ‘Dat was ooit een Russische minister van financiën.’ ‘O ja, dat zal wel.’ ‘Heb jij ook een naam?’ vroeg ik aan het paard. ‘Odysseus,’ zei het beest. ‘Dat was de bedenker van het paard van Troje, weet je nog wel.’ ‘Jaja. Mooie truc was dat.’ Odysseus knikte even naar mijn kleine mormel. ‘Zo’n hondenleven zou ik bijlange niet willen leiden.’ ‘Je kiest daar niet voor, hé,’ merkte ik wijs op. ‘Hangt af van je vorige leven,’ mompelde hij. ‘Kan dat ding praten?’ ‘Alleen waf-mailen en kwispelen.’ ‘Kennen we. Hoe kleiner, hoe dommer, hoe talrijker. Laat hem niet in mijn wei komen. Hij zal naar mijn benen happen. En die zijn edel.’ ‘Ik heb alles stevig in de hand, Odysseus.’ ‘Nog enig nieuws in de grote stad?’ ‘De tomaten worden binnenkort weer een mep duurder. En de benzine.’ ‘Mij een zorg. Waar is de tijd van de paardentram. Ach, die slechte, oude tijd.’ ‘Heb je nog een beroep of ben je op rust?’ vroeg ik. Odysseus haalde enkele schouders op en rilde om de vliegen van zijn rug weg te jagen. ‘Meer dan een stoet of een optocht zit er niet meer in. De benen willen niet zo goed meer mee. Enkele kennissen van mij krijgen wel weer politie op hun rug.’ ‘Pavlov voert de hele dag geen klap uit.’ ‘Ze maken ze niet meer zoals vroeger, hé.’ ‘Ik vraag me af wat de toekomst brengt.’ ‘Ik niet. Als ze me verhakselen tot hondenvoer, dan keer ik in een ander leven terug als doctor in de wiskunde. Ik kan al tellen. Moet ik eens … ?’ Odysseus hief al een rechterbeen op. ‘Neenee … ‘ haastte ik me te zeggen. ‘Ik moet er weer eens vandoor.’ ‘Nou dan,’ zei het paard gekrenkt. ‘Op zes poten ben je vlug weer thuis. Hé, kijk: je mormel is in slaap gevallen.’ ‘Ik geloof het ook,’ zei ik, en ik snokte even aan de leiband. ‘Héla!’ riep Pavlov plotseling. ‘Een beetje ruftig hé! Pretenfieuve paardenkop die je bent! Morgen nemen we een andere route. Ik verveel me hier altijd ftierlijk. Oké, baaf?’ Ik knikte verrast. Het was de eerste keer dat ik hoorde dat Pavlov een spraakgebrek had. ‘Ik ben van de hond Gods geslagen!’ riep het paard ons nog na.


    25-11-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.174: Merk

    MERK

    Mijn oog viel op het botervlootje Planta en ik sloeg aan het denken over merknamen vroeger en nu. Wat bestaat er nog? Wat is verdwenen? Solo, Planta, Coca Cola, Kwatta, Zemir, Dixan, Almos, Sprint, Dash (jarig!), Persil, Lamot, M&M, Donko, Miele, Côte d’or, Fanta … Overleven de tweelettergrepige merknamen met ietwat van een rijmeffect het langst? Om ze langer te doen onthouden, zoals de eindwoorden in Vlaamse schlagers? Waar halen de bedenkers van die namen hun mosterd? Transportbedrijven gebruiken vaak afknottingen en combinaties van namen en plaatsen: Kortransver, Vantextor, Moertranswest, … en meer van dat fraais. Dat leidt dus soms tot de vreemdste letterwoorden, net als bij sommige firmanamen. Er is nog meer van dat leuks. Er is een dichteres bij achternaam genaamd Ozon. Een renner die Velo heet. Mijn zoon signaleerde tevens een zekere dokter Dokter. Tja, terug naar Calvé, Betterfood, Koetjes Reep en Primus. Sommige films of feuilletons die oudere tijden evoceren, moeten hun geloofwaardigheid o.a. uit oude merknamen in het straatbeeld halen: Op-Ale, Boule d’Or, Koloniale Loterij. Ooit stopte ik met stoppen met roken door de merknaam en het uiterlijk van een pakje sigaretten: Laurens 48. Een woord gecombineerd met een geheimzinnig getal. Waarom 48? Er zaten maar 20 sigaretten in. Het was een klein, geel, geruit pakje. In die tijd liet ik me ook vertellen dat ‘men’ in Knokke bij voorkeur Dunhill-sigaretten opstak. ‘Knokke’ was op zich al een merknaam voor iets anders. O, en de parfums dan. Geurige namen natuurlijk. Namen van bekende huizen. Soms ook met een getalletje erbij. En wat voor omhulsels voor het vege lijf dragen we? Hugo Boss, Mexx, P&C of Oud Huis Trio? Sommige merknamen raken in de loop der jaren zo ingeburgerd dat ze in de woordenboeken belanden, met kleine beginletter: pils, praline, ford, sandwich. Dat zijn duidelijk de blijvertjes. De taalkunde van de merknaam is best wel boeiend. Wat roept een onbestaand woord op aan geuren, kleuren, smaken? Wie doet de mooiste vondst en hoe lang gaat die mee? Hoe klinkt het bij de concurrentie? Nou, tijd voor een Cha-Cha, een Snicker of een Leo. En ik raak nog altijd niet wijs uit Balade met één l. Tot slot een tweetal beklijvende reclameslogans, ooit bedacht in tijden van oliecrisis. Voor uw Shell, loop naar de pomp. Tank u wel.


    08-11-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.173: Mens

    MENS

    Ik denk dat ik de ontroerendste plek in West-Vlaanderen ken. Tot een paar jaar geleden dacht ik dat dit de Menenpoort in Ieper was. Met de dagelijkse Last Post erbij, bij het vallen van de avond. Maar ik zie ook al enkele jaren iets anders. Zonder afbreuk te doen aan die hartaanvallende Menenpoort. Ik zie de dodengedenkplaats op het domein van Dienstencentrum Gits (in de volksmond ‘Dominiek Savio’), de bekende biotoop van de gehandicapte mens (laat ik maar het meest bekende woord gebruiken), ietwat verstopt en verborgen tussen bomen en gezond groen. Er is geen Last Post-kippenvel bij. Nooit, geen enkele dag van het mensdom. Er zijn ook geen toeschouwers. De heroïek is hier verstild. Er liggen keien, met voornamen op geschreven, op een helling zonder moeilijke trappen. Er is water te horen. Ik ontdek een bescheiden bloemtuiltje. Ik zie een bescheiden troetelbeertje tussen die keien. Ik lees de voornamen: Freddy, Günther, Rita, Katrien, … Ik kan lange tijd doorgaan met het lezen van die namen. Het zijn de namen van de mensen die minder kansen hebben gehad dan de anderen. Ze leefden op dit domein, in dit bos, dit gezonde groen, het aardrijkskundige middelpunt van West-Vlaanderen. De spoorlijn passeert er, maar het station is al jaren dicht. Mobiliteit? Ministerpraat. Ik kom er elke week. Het hoeft geen november te zijn.


    28-10-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.172: Pikant

    PIKANT

    Torhout: zijn sparren (waar? waar?), zijn aardewerk, soms zijn paarden, altijd zijn mosterd. Betere, scherpere en bruinere mosterd ken ik niet of weiger ik te kennen. Wat niet weet, wat niet deert. Deze delicatesse, genaamd mosterd Wostyn, verdient een ode. Torhoutse mosterd zorgt voor een hoogdag op de papillen. Op onbewaakte ogenblikken, als alleen de Schepper van Hemel & Aarde toekijkt, smeer ik mosterd uit Torhout op mijn dagelijks brood. Vroeger deed ik dat ook al, ‘in den duik’. Ik draai daarbij niet rond de pot, maar er stevig in. Dat goedje heeft een prachtige bruine kleur. Het overstijgt het middelscherpe van alle andere mostaarden die ik al heb geproefd. Hij moet ook uit dat klassieke ronde potje komen, het liefst uit een winkeltje op een hoek. Maar hoekige potjes zijn dan weer voor pickles. Zoals Duvel zich tot andere bieren verhoudt, of whisky tot andere sterke dranken, zo verhoudt Torhoutse mosterd zich tot andere pikanterieën. Naast de aardewerkscherven en enkele graszoden van de T/W-rockweide verdient ook de mosterd een plaats in het schild van de Sparrenstede. Hij is er al sedert 1869. Toen we nog lagere school liepen, controleerde de meester ons op maandagmorgen op nagelbijten en rouwranden. De stok achter de deur daarbij was: als je het nog eens doet, dan smeer ik mosterd op je vingernagels. De meester heeft nooit beseft dat dit eigenlijk een beloning was. De bakermat van de beste mosterd ter wereld is een van die oude smalle straatjes in het centrum van Torhout. Jammer dat die pikante smaakmaker nooit eens opdook in onze lessen op school. Liever dan te horen te krijgen dat België twee keer de oorlog won tegen Duitsland, had ik over mosterd geleerd: de wonderlijke combinatie tussen mosterdzaden, azijn, water en zout. Ja: liever dat dan mosterdgas. Het bijbelse mosterdzaadje zou dan ook iets meer betekenis gekregen hebben. Poperinge zijn hoppe, Wervik zijn tabak, Meulebeke zijn asperges, Roeselare zijn rodenbach, Avelgem zijn perentaarten, Lo zijn nieuwjaarswafels, Brugge zijn Japanners, Oostduinkerke zijn garnalen, Veurne zijn babbelutten, Torhout zijn mosterd. Dijon? Tierentyn? Geef mij maar Wostyn, Elsschot. 


    07-10-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.171: 50 vragen

    50 VRAGEN

    01 Hebben atoomwapens vijftig jaar lang de vrede bewaard?

    02 Heeft buskruit hetzelfde gedaan tussen Waterloo en Serajewo?

    03 Is het moeilijk in een Westerse democratie u verstaanbaar te maken boven een massa?

    04 Wanneer breekt de vrede weer eens uit?

    05 Waarom zijn geen van de slachtoffers gelijker dan de anderen?

    06 Is het geheugen in sommige gevallen een aandoening?

    07 Is het uit behoefte aan een grotere zee dat u herhaaldelijk op de kleinere klippen van het dagelijkse leven te pletter loopt en uw Schepper uitdaagt met iets groters op de proppen te komen of u anders met rust te laten?

    08 Betekende de Koude Oorlog de grootste ideologische confrontatie uit de geschiedenis?

    09 Is de Koude Oorlog een staaltje van Westerse pretentie en zijn de Azteken belangrijker?

    10 Preludeerde Nine/Eleven op iets veel erger en indringender?

    11 Denkt u dat u de tandpasta weer in de tube kunt krijgen?

    12 Met de roze strepen weer netjes op hun plaats zoals Amerika dat wil?

    13 Hebben de afschrikwekkendste wapens het grootste vermogen tot vrede in zich?

    14 Begint het leven bij 50 of voelt u zich een vijftigjarig succesnummer, rukkend aan zijn midlife tralies en uitkijkend op sterfelijkheid en een verspild leven?

    15 Lag u ook te lang en languit te lurken aan de tepels van de consumptiemaatschappij?

    16 Is het vandaag ook zaterdag in diverse bezette gebieden?

    17 Waar was u de nacht van vrijdag op zondag?

    18 Is een rode auto een kreet van vreugde op een begrafenis?

    19 Waarom pletten de Russen hun frambozen in spierwitte melk?

    20 Is het altijd een nietig detail dat grote thema’s op de klippen doet lopen?

    21 Hoe zou het ook kunnen dat de aarde een volmaakte bol is, gezien haar leeftijd?

    22 Kan een middellangeafstandsraket op 1 500 km de bilspleet van een vlieg opblazen?

    23 Hoe zou u zelf zijn mocht u te weten komen dat u als pasgeboren baby vooral op uzelf leek?

    24 Vindt u het ook jammer dat God dit niet meer mag beleven?

    25 Lijdt u ook aan een leven op later en dood?

    26 Wanneer komt er weer eens een dag als een ander?

    27 Dronk Winston Churchill echt al voor het ontbijt?

    28 Klopt het dat in Alaska de mensen met lampjes op hun hoofd lopen om depressies tegen te gaan?

    29 Bent u een goede Parijsleider of slaat u in paniek in zo’n grote anderstalige stad?

    30 Vliegt de adelaar ook op vrijdag uit?

    31 Moet men in iets geloven of zijn sommige zaken vanzelf waar?

    32 Waarom is een pinguïn niet bang voor een ijsbeer?

    33 Komt er van suikerriet altijd rietsuiker?

    34 Hebt u een vuurtje of hebt u het koud?

    35 Is sms de afko voor smoes?

    36 Kan iets ook zeevruchten afwerpen?

    37 Klopt het dat Marilyn Monroe alleen Chanel N° 5 droeg bij het slapen?

    38 Is een bijslaap gezond?

    39 Zou met al dat gekakel de mens misschien van de kip afstammen?

    40 Is het om te kunnen beweren dat Jezus Christus zwart was dat de moslims zijn zweetdoek willen bemachtigen?

    41 Sedert wanneer houden intellectuelen van appels?

    42 Doet het lot huisbezoeken of moet je zelf de deur uit ervoor?

    43 Wat is belangrijker: de bloedstroom naar het hoofd of die naar de weke delen?

    44 Is sneeuw roos van God?

    45 Wordt een omgekantelde schildpad door een andere schildpad geholpen?

    46 Bestaat er een kleur die we nog niet kennen?

    47 Wat doet een kluizenaar eigenlijk de godganse dag? Nacht?

    48 Als uw bijgeloof groot is, wordt uw geloof dan kleiner?

    49 Waarom hebben mooie mensen een aapje op hun schouder zitten?

    50 Wat hebt u allemaal al gestolen?


    30-09-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.170: Jinx

    JINX

    Jinx: ‘voorbode van ongeluk’. Dat lees ik in het dikste Engelse woordenboek dat ik op de kop kan tikken. Aha. Tart het lot niet. Zeg niet, schrijf niet, hoop niet, denk niet: yes! Want dan wordt het ‘no!!’. Verzwijg in alle talen uw prettig vermoeden op geluk en meeval. Gekruiste vingers? Niet doen. Duimen? Niet doen. Don’t jinx. Break a leg. Wees nederig. Niets valt te voorspellen of te forceren. Alles is in handen van de afgodin van het toeval en de willekeur. Een vlinder in Tokio kan een aardbeving in San Frisco veroorzaken. Stoute vlinder. Geloof niet in goede voortekenen. Bent u coach van iets, iemand, een groep of een ploeg? Boor ze de grond in. Dan lukt het wel. Eerst modder, de hel, dan strand, en hemel. Die tand moet eerst afgebroken worden vooraleer hij weer opgebouwd kan worden, zoveel beter als voorheen. No jinxing. Gelooft u in getallen? Doe dat niet. Zet dat geloof stop. Doof ook de hoop. U zult nimmer de lotto winnen, gevraagd worden voor de hoofdrol in een wereldbekende film of ontdekt worden als mannequin als u stilletjes of hardop daarvan droomt. Denkt u: ‘Nu of nooit’? Jammer, dan wordt het misschien wel ‘ooit’. En ooit is erg. Want tussen droom en daad staan wrede wetten in de weg. Ik zag het woord ‘jinx’ voor het eerst op televisie. Op de achterbank van een taxi zaten de hoofdpersonages van de Amerikaanse serie ‘Will & Grace’ te ruziën. Will was aan jinxen, en Grace gilde: ‘No jinxing!’. Alles liep grondig verkeerd. Zo is televisie nog voor iets goed. Ik ga dus ook nooit meer jinxen. Anderzijds blijf ik wel op vrijdagen de dertiende uitdagend in de ogen van zwarte katten kijken en opstandig onder ladders door lopen. Dat kan dus geen kwaad. Mijn bijgeloof is niet sterk. Dit jaar, in het begin van dit nieuwe kalenderjaar, heb ik gelukkig niet te veel beste wensen moeten incasseren. Daardoor verliep januari behoorlijk goed: een grondig waterlek thuis deed ons een maand op regenwater leven en noodzaakte ons de badkamer annex wasplaats te verbouwen en mijn website werd vier weken lang uit de lucht geplukt door spitstechnologische wondere weldoeners met het verstand van een potje yoghurt. Ik beperk me dan nog tot de leukste dingen. Zo, tot ziens zonder meer. 


    13-09-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.169: Wiskunst

    WISKUNST

    Mijn bewondering voor de wiskunst (een oude droom van mij) en mijn afgrijzen voor de wiskunde (een oude draak van mij) zijn beide weer toegenomen na het bekijken (tot tweemaal toe) van de film ‘A Beautiful Mind’. Daarin vertolkt Russell Crowe een geflipt wiskundig genie, tevens toekomstig Nobelprijswinnaar, dat met extreme schizofrenie leert leven. Zoals elke filmfan van elke goeie film zegt: ‘Die moet je gezien hebben’, zo zeg ik dat nu ook. Schrijvers mogen gek zijn – ze vinden toch hun eigen werelden uit, geen probleem. Wiskunstige knobbels mogen dat ook – ze redden soms de wereld door codes te kraken of toepasbare dingen uit te vinden. Wiskunde heb ik, met bewondering en met afgrijzen, altijd als wiskunst bekeken, veel liever nog dan wijsbegeerte die bewijsbegeerte wil zijn. Ik laat nu even in het midden of paarden echt wel kunnen rekenen. Uitzondering: de Houyhnmnms in de wereldklassieker Gullivers Reizen, die zeer schrandere beesten zijn. Zo’n wiskundig spinnenweb met lijnen en letters en cijfers is al net zo raadselachtig als een gedicht. Een bladzijde algebra was poëzie. Jammer genoeg wil men in de wiskunst meestal naar oplossingen toe werken. Als in een gedicht het raadsel of het geheim is ‘opgelost’ (in een soort oplossend denkwater van een of andere vermolmde uitlegger), dan houdt het op een gedicht te zijn. Het lost zichzelf op; de dichter moet dan maar weer een vers gedicht maken. Wie in de wiskunst dan de zo begeerde oplossing niét vindt, kan daar wisnijdig door worden. In de poëzie zeggen ze: schrijven is schrappen. Misschien is de wiskunde ook de kunst van het wissen. Ook al beweerde Steve Stevaert, thans bronsgroen gouverneur, een tijdlang dat 1 plus 1 gelijk is aan 3. Hij voegde toe. Misschien heeft hij het verkeerde diploma. Dat gebeurt wel eens vaker in de politiek. Ik heb onlangs een avondje backgammon gespeeld met Pythagoras en Newton, het ouwerwetse schaakspel even terzijde schuivend. Ze gaven allebei toe dat ze eigenlijk liever gedichten hadden geschreven, en dat ze dat stiekem ook gedaan hebben. De redenering van Stevaert vonden ze overdreven: hoewel ze beiden nogal bang waren voor nul, dat ze een ongetal noemden, konden ze met zekerheid bewijzen dat 1 plus 1 altijd 2 zal blijven. Omgekeerd heb ik mijn speelmaten ook bekend dat ik vroeger eigenlijk heel graag wiskunde deed. ‘Had je dan misschien de verkeerde leraars?’ opperde Newton, terwijl hij in een appel beet. ‘Maar dat is net goed’, repliceerde ik. ‘Wie zich in de lessen op school verveelt, krabbelt er stiekem op los, op de banken, op binnenflappen van boeken, en daar groeien dan later grote schrijvers uit’. Deze uitleg vond Newton bevredigend. ‘Het is dus verlangend uitkijken naar saaie leraars?’ vroeg Pythagoras. ‘In zekere zin wel’, gaf ik toe. ‘Ook een saaie leraar Nederlands?’ ‘Alles helpt’, zei ik. ‘Politiek ook?’ ‘Nee,’antwoordde ik pertinent, ‘daar lopen we niet in’. ‘Waarom niet? Politiek is toch ook saai en abstract? Zoals gedichten en vraagstukken?’ ‘Wis en zeker,’ wedervoer ik, ‘maar de abstractie betreft hier alleen maar gebakken lucht’. ‘Dus slagers, bakkers en cafébazen moeten de politiek in?’ concludeerde Pythagoras. Waarop ik de beide heren eruit bonjourde. Er zijn grenzen aan begrip.


    14-08-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.167: Met alle Chinezen

    MET ALLE CHINEZEN

    Hebt u al een kind gekocht? Of geassisteerd daarbij? Hebt u al een boek geschreven? Hebt u al een boom geplant? Een Chinees spreekwoord zegt dat dit drie dingen zijn die tijdens een mensenleven moeten gebeuren. De volgorde is van geen belang. Ach, misschien had u geen tijd daarvoor. U had het veel te druk. Er was een tijd dat u dacht: ‘Ik ben een vondeling. Mijn mannelijke en mijn vrouwelijke ouder hebben me geadopteerd toen ze nog van goede wil waren, omdat ik zo speciaal was. Nee, ik ben geen fotokopie van mijn broers en mijn zussen.’ Even later brak een periode aan waar u gedichten schreef, stiekem. Omdat u zich speciaal voelde. Ook wilde u moederziel alleen op een onbewoond eiland aanspoelen, is het niet? U leed lange tijd aan eilanderigheid. U las zelfs enkele boeken toen. U zou jonge boomstammetjes hakken, met uw altijd aanwezige Zwitsers mes daar scherpe punten aan snijden en een omheining bouwen tegen wilde beesten en kannibalen die af en toe op het strand hun medemenselijke rauwkost op kwamen peuzelen. Daarna zou u een hut bouwen, dieren plukken, vruchten melken, kleren maken en de Bijbel lezen (een drenkeling als u heeft altijd een zakbijbel bij zich), tabak telen, apen hoeden. Na jaren eilanderigheid zou u naar de bewoonde wereld terugkeren als een held. U had de knopen van het vak achter de knie, omdat u al uw schepen achter u opgeblazen had. Wel sprak u nog koeterwaals. Men had de mond vol over u. Maar ach, toen ging de wekker in uw hoofd af en u werd wakker op een muisgrijze Vlaamse ochtend niet ver van een industrieterrein. De goden en godinnen hadden zich niet vergist: u lag te vondeling in uw eigen bed, in West-Vlaanderen bijvoorbeeld, een lage streek, en niet op 300 mijl ten westen van de Chileense kust. Ja, u was wel degelijk alleen op de wereld, want u was omringd door ouders, directeuren, inspecteurs, ambtenaren, rechters, priesters, reglementen, wetten, voorschriften, spoorboekjes, tijdsschema’s. Alleen in bad was u nog alleen. En in het kleinste hokje, dat tegelijkertijd de grote kosmos weerspiegelde: het toilet. U was er de hoofddrol. Daar lag of zat u in een baan om uw eigen hoofd. Uw hart protesteerde. Hoe vlugger u liep, hoe vlugger de tijd zijn tanden in u zette. U kwam uzelf zelfs weer tegen, want de aardbol is rond. U dacht dat alleen de anderen ouder werden, tot u in de spiegel keek. Of een andere vondeling ontmoette, zonder of met grijze haren. U probeerde de gedenkdagen van uw geboorte te vieren, maar dat werden doemdagen in het gezelschap van vrienden die te veel dronken. En toen sprak u: ‘Zo, dat was het.’ Maar ondertussen vergat u misschien sporen na te laten: een kind, een boek, een boom. En u troostte uzelf, want u mompelde zwakjes: ‘Met alle Chinezen, maar niet met den dezen.’ 


    29-07-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.166: Mooiste woorden

    MIJN MOOISTE WOORDEN

    Edelachtbare, mag ik u bij dezen een lijstje aanbieden van mijn mooiste woorden? Als u ze ook mooi vindt, mag u ze even houden. Opgepast: mooie woorden kunnen lelijke dingen betekenen. Hier komen ze. Vulkaankonijn. Bloemkoolbewolking. Bietenmeetkunde. Mariablauw. Onderwatergroen. Mierenlokdoos. Onderdeurtje. Labberdoedas. Bananenrepubliek. Kaasbollendemocratie. Schrikkelkind. Puinzooisoep. Knuppelbeer. Vuurwater. Ramptoerist. Linkerhart. Eilanderigheid. Pieterklein. Appartemensen. Weekendpipo. Bamzaaien. Puisjevangen. Euroneurose. Millenniumgekte. Tappelings. Hinkstapslok. Excuustruus. Luierbruin. Frambozengeluk. Literatureluurs. Fluisternis. Steenkoolfilosofie. Apegaper. Trommelmarkt. Babbelwater. Gooikoorts. Kruismoordraadsel. Leverzwijn. Perenflauwte. Bengelbewaarder. Dakhaas. Pafzakkertje. Pokkenherrie. Jokkebrok. Kattenkotsmuziek. Pampernel. Hatsjie. Hatsjoem. Hatsjernobil. Glasvezelnost. Gorbatsjeverigheid. Kakelbont. Uk. Tunnelmens. Kindermepper. Spievensterke. Nogmaals: spievensterke. Keurslagerfrans. Kleppermansgedicht. Noenzaal. Krulslavink. Vanillevreugde. Wereldsmart. Eierboerpraatje. Koektrommelplaatje. Koninginnenlapje. Wipham. Uilnis. Artsen Zonder Lenzen. Vijgenbladverhaal. Stadsinfarct. Herenhokje. Kopdonder. Badsprinkhaan. Vakantiegangster. Herfstkunde. Verliezingskoorts. Biebwezen. Optater. Frietpeace. Missverstand. Harpoenzoen. Diepzeegedachte. Zakjapanner. Lurvenpijn. Konijnenpootplan. Sneuveltekst. Kauwgumsnelheid. Kwameisje. Hoolifant. Badscenefilm. Stroppenpot. Lookprobleem. Schierei. Piepschuimtoneel. Hemelwater. Zebrapaddentijd. Poepsnoepje. Kwakhuis. Denk ook eens na, Edelachtbare, over een mogelijk tweede betekenis van de volgende woorden: geheelonthouder, boekhouder, holbewoner, achternicht, rukwind. Ik hoop, Edelachtbare, dat vele van die woorden niet meer te kort zullen schieten. We zijn vanzelf al zo beperkt in daden en in gebaren. Graag zou ik van u het hoederecht over deze woorden verkrijgen, Edelachtbare. Ik beloof u dat ik al deze woorden zal koesteren. Aan niets zal het hen ontbreken. Mocht ik op nog een ander woord botsen, dan zal ik u deze botsing zeer zeker melden. À propos: ik wil u ook nog waarschuwen voor een nakende invasie van holle woorden. De verkiezingen, weet u wel. Ik krijg er nu al kiespijn van. Bah, wat een vies woord. 


    16-07-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.165: Rijm

    RIJM

    Pas op voor de dichter, of je ligt er. Er was eens een kei die zei: ‘Hei, ik ben een kei. Onder mij ligt een wonder. Keer mij om en je zult zien waarom.’ Een ijverige boer kantelde die kei. Toen zei de kei: ‘Ai mij, wat ben ik blij dat ik lig op mijn andere zij.’ Dit verhaal is echt gebeurd in een boek. Het is zo echt gebeurd dat het op rijm verteld wordt opdat niemand die het hoort het nog zou vergeten. Het allereerste rijm dat ikzelf ooit neerkrabbelde, was: ‘Heb je nog wat gezien? De beer zit op zijn knieën.’ Mijn probleem was toen dat dit wel klopte in mijn gesproken dialect, maar niet in Standaardnederlands. Ik vroeg uitsluitsel aan mijn papa. Die vertelde me hoe het zat. Ik was boos. Zo boos dat ik ben blijven rijmen, tot ik het vond. Ik deed de namen van de dagen met elkaar rijmen. Ik was een kei met mijn griffel en mijn lei bij zuster Serafien in de derde kleuterklas. Ik deed God rijmen met zot en marmot. Het lukte. Eindelijk was ik dichter. Dicht is dicht, of wat dacht je. En later leerde ik dan dat poëzie oorspronkelijk niet rijmde. Het was de schuld van de Latijnse kerkgezangen dat die ook begon te rijmen. Waar waren de zekerheden gebleven? Toch rijmde ik onverdroten door. Een kei in mei is ronder dan een kei in april. En ook gezonder. In april gelijkt hij op een pil. In mei gelijkt hij op een ei. Zeg nu zelf: wat is mooier dan een dooier? Na vele, vele rijmen probeerde ik de rijmen weer af te leren. Het was de beste leerschool. Want wat zijn rijmen anders dan achterklap die rijmt met achterklap? Soms ongerijmd? Links geparkeerde woorden die elkaar herhalen en de rechterkant van zo’n gedicht er rafelig doen uitzien? Alsof de ratten eraan gevreten hebben? Soms ligt er ook rijm op de daken. Zelfs de reclameslogans rijmen niet meer. Alleen op trouwbeloftes en geboortekaartjes worden nog gelijkluidende woorden onder elkaar geparkeerd. En in smartlappen en schlagers. Ik ben blauw van jou. Ik hou van de kou. Je zei zacht: wacht. Ik voel me heel apart, zo zonder hart, want ik heb het jou gegeven, voor de rest van mijn leven. Nu loop ik te beven, en het is pas halfzeven. Wil je misschien ook mijn longen? Wat nu gezongen! Maar geen gezever over mijn lever! O nee, ik hou niet echt meer van rijm. Het moet al goed verborgen zijn en onopzettelijk functioneren om goed te zijn. Wie zoekt, die vindt het wel. En wie het vindt, mag het houden, verkouden of niet verkouden.


    07-07-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.164: Internetman

    DE OUDE MAN EN HET INTERNET

    In een verhaal van Hemingway gaat een oude man op zee vissen. Hij vecht om te overleven en keert met een grote vis terug, waarvan weliswaar alleen het karkas is overgeschoten. De haaien hebben eraan gezeten. Een overwinning op het lot, een les in volharding, maar ook een overwinning van het lot en een les in nederigheid. In Kortrijk leeft ook een verslagen man. Het internet was zijn zee waarop hij ging vissen. Hij is van een kale reis teruggekeerd. Hij dirigeerde een blog waarop hij zich als Kortrijk-watcher manifesteerde. Hij beweerde op humoristische wijze het reilen en zeilen in de Guldensporenstede te beschrijven. Vaak echter gebruikte hij andere, bestaande namen van (vrij bekende) mensen om hen uitspraken in de mond te leggen of zaken toe te dichten die kant noch wal raakten. Hij deed ook aan vuilspuiterij en regelrechte onwaarheid, denkende dat het internet hem bescherming en sanctuary bood. Zijn verweer: ‘Het was maar om te lachen’. Hij gedroeg zich als een kind met een nieuw stuk speelgoed. Of een oude jongere/jonge oudere die het bestaan van e-mail ontdekt en prompt de hele wereld met dringende berichten bestookt en overal de postboxen volstouwt, tot grote woede van iedereen. Nou, die kerel dus, een zestiger, heeft juridische perikelen aan zijn been vanwege slachtoffers van zijn blog. En plotseling gedraagt deze Kortrijkse recordhouder van de ironie zich als een geslagen hondje. Hij ziet het niet meer zitten en voelt zich verslagen. Zijn blog zal voortaan ‘neutraal’ en ‘objectief’ zijn. Zielige vertoning, in dat kranteninterview met hem. Er staat een foto bij. Hij prijkt er naast de nieuwe nachtburgemeester van Kortrijk, eigenlijk ook een van zijn exploten op die verdrietige blog. De ene drinkt een pint, de andere een Leffe. Ik heb nog nooit zo hard gelachen met een oude man en zijn zee van verslagenheid. Het was maar om te lachen.


    01-07-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.163: EVBO

    EVBO

    Wij wonen in de vrijwel onmiddellijke omgeving van dodelijke lussen autostrada en ringtoestanden allerhande. Het is ons onmogelijk aan vreemdelingen de weg naar onze ruime woning uit te leggen. Er zit namelijk een levensgevaarlijke haarspeldbocht tussen. Weinigen bereiken dus ons huis heelhuids. Dat is ook niet echt nodig. Er gaat geen dag of nacht voorbij of we horen vlakbij of passerend het naargeestige voorrangssignaal van allerlei interventiewagens: politie, brandweer, ambulances. Sedert april 2007 (de maand van de Grote Drooglegging, weet je nog) woont er een slimme vogel in de bosschages op ons woonerf. Zijn repertoire is heel uitgebreid. En ook wel boeiend om naar te luisteren op een sufnamiddag bijvoorbeeld. Er steekt variatie in. Hij heeft papegaaientalent. U kunt het intussen al raden. De vogel imiteert om de haverklap ook het lugubere geluid dat bij de 100-diensten hoort. Nog een blauw zwieplicht op zijn kop, en hij wordt de Eerste Vogel Bij Ongevallen. We vermoeden ook dat onze EVBO effectief naar de onheilsplaatsen gaat kijken. Telkens er zo’n hulpauto met signaal voorbijraast, verstomt namelijk de vogel. Wellicht achtervolgt hij dan de hulpdiensten. Daar aangekomen steelt hij met zijn ogen. Gezeten op een vangrail loert hij alles af. Hij neemt gratis lessen in Eerste Hulp Bij Ongevallen. Je zou hem ook ‘pechvogel’ mogen noemen, omdat hij neerstrijkt op plaatsen waar de pechstrook meer dan ooit haar betekenis krijgt. Kijk, eerlijk: ik hield al niet van de vogels van Hitchcock, ik hou niet van kiekens, ik moet niezen als ik een pluim zie, ik haat het vroegochtendlijke lentegekwetter van dat pluimvee, en ik vind onze EVBO een masochist. Hij moet zijn snater houden. Of alleen maar Rachmaninov en Mozart en Pachelbel fluiten. Iets in die aard. Jean Baptiste baron Toots Thielemans mag ook. Hij kan ernaar fluiten.


    19-06-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.162: Hondenleven

    HONDENLEVEN

    Daar ligt hij. Zogezegd onverschillig. Maar als ik beweeg, luikt hij een oog. Het registreert alles. Het denkt: ‘Misschien neemt hij me mee op stap.’ ‘Misschien valt er een knabbelkoekje uit de kast.’ Hij denkt dat ik niet zie dat hij kijkt. Kijk: hij kijkt weer weg. Nee, hij wil zich niet opdringen. Intussen zijn z’n gedachten al zo rood als de vitrine bij de slager. Zie, ik betrap hem op een visioen: hij komt binnen bij de slager, de deur stond aan, de bel marcheerde niet, geen kat, geen klant te zien. De rest laat ik aan zijn verbeelding over. Ik eet liever vis. Voor een aai of een koekje gaat deze onnozelaar op z’n rug liggen. Dat terwijl de vraag klinkt: ‘En wat doen de meisjes in Parijs?’ Het kon net zo goed Berlijn zijn. Of: anijs, pladijs, glad ijs. Soms gaat hij vanzelf op zijn rug liggen. Daar tuin ik niet in. Soms gaat hij als tochthond op de deurmat liggen. Dat heeft meer zin. Je bent een hond of je bent geen hond. Je leidt een hondenleven. Hij wordt kwaad als iedereen te lang afwezig blijft. Dan haalt hij baldadig een schoen of sok van boven. Die deponeert hij dan ostentatief ergens beneden. Als hij echt baalt, plast hij ergens in een verboden zone. Even zijn handtekening op ons strafblad zetten. Daarna gaat de lafaard nederig in een verdomhoekje van het huis liggen. Hij aapt ons na door boterhammen te eten die hij tussen zijn voorpoten vasthoudt. Humor betekent bij hem dol gehuppel en gedoe met een onnozel namaakbeen. Maar hij kan niet lachen. Tv, films en boeken zeggen hem niks. Hij snapt geen reet van muziek. Maar hij leeft wel mee als iemand in huis ziek is. De manier waarop hij zich dan bij de getroffene neervlijt: ‘Hei, even doorbijten, ik ben er ook nog, ik begrijp het.’ Die hond, ik gun hem zijn bloedrood visioen. Meer kan ik niet doen. Hij weet niet eens wat de meisjes in Berlijn doen.


    09-06-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.161: Carrière

    CARRIERE

    Luister eens. Er zijn twee mogelijkheden. Ofwel doe je eerst onnozel en later gewoon, ofwel begin je gewoon en doe je later onnozel. Gewoonlijk slaagt de eerste categorie beter dan de tweede. Onnozele toestanden worden het vlotst toegeschreven aan jongere leeftijden. En ook daarom het snelst vergeven. Gekheid op latere leeftijd pruimt men niet. De bekendste tafelspringers en grote muilen profileren zich na hun veertigste plotseling als filosofen, meninghebbers of in het ergste geval politici. Zelfs Kamagurka, een vleesgeworden drol, praat al met twee woorden. En Lanoye zwijgt in alle talen, vooral de zijne, over zijn Agalev-avontuurtje. Pas op: er zijn er ook die hun hele verdomde leven lang gewoon doen. Voorspelbaar dus. De veilige keuzes. De grijze pakjes. Watou bijvoorbeeld, die zomer: dat is het Pompei van de poëzie. Ons kent ons, en ons klopt elkaar op de schoudertjes, en ons nodigt ons uit, want ons kan omgekeerd ook wat doen voor ons. Naar verrassingen moet je daar niet zoeken. Het is er eerder een consecratie van namen. ‘Ik heb net klein maar fijn gegeten met Hugo’. ‘Ach, Jozef is een ietsepietsie verkouden’. ‘Zou Guido weer te laat komen?’ Eenzame hoogtes! Negeren die oproerlingen en dwarsliggers! West-Vlaamse dichters? Nou, je moet toch ergens geboren zijn en wonen, hé. Er schijnen er zes komma vijf te zijn. Ik ken er dertien. Goeie, hoor. Niet van die tiepen die al jaren uit de provincie weg zijn, met een geforceerde Brabantse ie of e praten en alleen de treurnis van dit verre westen hier verkondigen. En nog eens ‘afzakken’ naar ‘de Vlaanders’ om aan de micro gesubsidieerde zwaarmoedige achterklap te mompelen. Dit is geen oprisping. Het is een pleidooi tegen klieken en kliekjes, tegen voorspelbaarheid. Ik pen een gevoel neer dat ik deel met minstens tien dichters. Kijk: ik heb geen sympathie voor carrièreplanners. Dichten is een avontuur. Een windvlaag harkt de herfstbladeren veel mooier samen dan een hark. Het gepiep van de zichzelf subsidiërende en prijzende grijze muizen van de poëzie moet gesmoord worden. Ik heb evenmin sympathie voor pluimstrijkers. Ik hoop dat zij zich doodvreten en –zuipen aan de tepels van de hoer die de poëzie is. Tot slot een kort dialoogje. ‘Ha, gij schrijft gedichten, hé?’ ‘Ja.’ ‘Kunt ge daar van leven?’ ‘Ik kan er wel bij blijven werken.’ ‘Leeft ge dan niet van de pen?’ ‘Ik leef voor de pen.’ ‘Ge zijt altijd een beetje een rare snuiter geweest, hé?’ ‘O, is het al zo laat?’ 


    30-05-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.160: Coureur local

    COUREUR LOCAL

    ‘Afmaken.’ ‘Doodzitten.’ ‘Zuurstoftekort bezorgen.’ ‘Te pletter.’ ‘Sterven.’ In deze bewoordingen versloeg de tv-commentator een wielerwedstrijd. Als je alleen maar luisterde, had je kunnen denken dat dit over de Bezette Gebieden ging, of Irak. Het klonk net als bij de voetbaljongens, waar voetbal oorlog is. Dat de ene renner rapper dan de andere rijdt, moet niet uitgelegd worden in termen van dood, slachtpartijen en oorlog. Als het zo zit, moet je om een koers te winnen het voltallige peloton maar doodschieten. En er voor zorgen dat je zelf overschiet. Beroepshalve om ter rapst fietsen, heeft niks met wapengekletter en doodsgereutel te maken. Meer met velo’s en vitamines. De oorlog speelt zich in het hoofd en de borstkas en de benen van de renner af. De salvo’s bestaan uit vloeken en fluimen en snot. Het doel is zoveel mogelijk renners achter je te laten. Toch valt dat oorlogstaaltje van de verslaggevers wel te begrijpen. Ze maken de winnaar bij voorbaat al groter en beter dan de rest. De niet-winnende rugnummers kunnen het alleen maar betreuren dat ze ondanks de uitvinding van het wiel niet aan hun trekken zijn gekomen. Op de vooravond van een Gent-Wevelgem dwaalde ik bij de eindmeet rond. België was in een boze bui. De tribune glom van de nattigheid. De weg leek op een skispringschans, maar dan plat. Het VRT-materiaal stond eenzaam te bibberen in de sneeuwkou. Maar die woensdag zelf daalde het hemelse snot der engelen niet in de vorm van regen neer. Plotseling scheen de zon weer over Vlaanderens velden. Waaierend voltrok zich de koers. Een Belg won met drie millimeter voorsprong op een Italiaan. Forza Italia? Dumpen! Zijrangeren! Over mijn lijk! En het zijne! In de gracht ermee!


    15-05-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.159: Kip ik heb je

    KIP IK HEB JE / CHICKEN SURPRISE

    Een zonnige dag in Noord-Dakota, lang geleden. Katoenen wolkjes dreven lui in de lucht. We hadden net geluncht. De restjes waren voor onze oude hofhond Lad. Hij maakte onmiddellijk werk van de beenderen. De aardappelen, die hij niet zo lustte, maar die hij ook niemand anders gunde, liet hij liggen. Vooraleer hij een uiltje ging knappen op zijn favoriete plekje in de zon, mikte hij met zijn neus nog een portie aarde en vuil over de aardappelen in zijn schotel. Zo deed hij het altijd. Ikzelf was intussen aan het werk aan de tractor. Hierbij zat ik neer op de grond. Af en toe diende ik even met mijn hand steun op de grond te zoeken. Plotseling voelde ik het, plettend en glijdend tussen mijn vingers: kippenkwak! Man, dat was hatelijk! Niets hielp ertegen; minutenlang zowat door je hand heen boenen met vuil en vodden en zand belette niet dat je eeuwig stinken bleef. De meisjes zouden mij te allen tijde mijden, hun neusjes dichtknijpend. Ze zouden me de Kippenkwakkerel ofte de KKK noemen. Terwijl ik verder verwoed aan het wrijven en vloeken was, kreeg ik plotseling onze oude haan in het vizier. Met parmantige, trage eendentred stapte hij in de richting van Lad’s smerige aardappelschotel. Ondertussen hield hij de oude soezende hond ook in de gaten. Tja, ik hou wel van wat ontspanning op een zonnige namiddag. Ik wist dat de haan al ettelijke keren door de hond weggejaagd was. Die hield niet van kiekens binnen een straal van 30 meter om zijn bord. De haan (natuurlijk de dader van die kippenkwak van daarnet) moest zich die dag ofwel stierlijk vervelen ofwel koesterde hij een doodswens. Het duurde zeker nog 15 minuten vooraleer hij het etensbord bereikte. Hij was hoogst geconcentreerd. Zo dom als een kieken? Die haan had wel degelijk een plan! Bijna werkte zijn plan, totdat hij in zijn opwinding plotseling morsecode begon te pikken op de bodem van de schotel. Kie-ken-in-de-pot! Kie-ken-in-de-pot! klonk het tergend. Kende de oude hond Lad ook morsecode? Waarschijnlijk: in minder dan drie sprongen hield hij een tuil van hanenveren in zijn muil. Een krijsende haan vloog terug vanwaar hij gekomen was. Ja!! gilde ik enthousiast, en neem je kwak met je mee, stom kieken! 45 jaar later heeft mijn hand weer voldoende huid kunnen vormen om het stigma van de kippenkwak te genezen.
    PAT DENOWH (Arizona, U.S.A.) & JORIS DENOO (Vlaanderen, België)


    06-05-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.158: Politiek programma

    MIJN POLITIEK PROGRAMMA

    Geachte kiezerin en kiezer, beste burgers. Graag pik ik wat van uw kostbare tijd om mezelf voor te stellen en uw stem te vragen. Mijn kandidatuur voor de verkiezingen hoeft niemand te verwonderen. Ik wil macht en ik wil geld. Reeds lang voel ik de politieke microbe in mij woekeren. Het is een schitterende ziekte, waar ik u allen het slachtoffer van wil maken. Wat u dan nà mijn verkiezing uitvreet, gaat me geen bal meer aan. Ikzelf heb de knoop doorgehakt. Ik wil vernieuwing, doorbraak, grote kuis, evenwicht, vooruitgang en rechtvaardigheid. Ik wil ten minste ergens een rustige zetel, om te kunnen indommelen en slapend rijk te worden. Als het even kan: een ministerpostje. Ik denk dat ik er het talent voor heb. En de visie. Als ik spreek, blijft een dichte woordendamp in de cafés hangen. Als ik schrijf, trek ik rookgordijnen op. Mijn lijf vrààgt gewoon om een gratis autonummerplaat en belastingvrijheid. Dat lijf is al op talloze recepties getraind. Mijn glimlach is in mijn aangelaat gebeiteld. Mijn kop straalt politieke integriteit uit. Hij staat ten dienste van de gemeenschap. Hij ziet er ook bruin uit, door de vele korte vakanties op Jersey, op de Antillen, op de Kaaimaneilanden en in andere Zwitserlanden. U kent me en u weet dat ik altijd mijn beloftes waarmaak. Ik wil alle groen weg uit de stad. Daar is het platteland voor, weet u wel. Een stad moet uit neon en beton en fritures en cinema’s bestaan. Wég met die hinderende bloembakken en hangende tuinen. Basta. Fietsers en voetgangers moeten onder de grond, via een tunnelsysteem. Eenzelfde systeem als dat van de buizenpost zorgt ervoor dat ze het echte bovengrondse verkeer niet langer hinderen. Vriendjes worden in mijn politiek zeer gewaardeerd. Mijn vernieuwde aanpak (afbraak sociale zekerheid, ontmoedigingspolitiek voor natuurontwikkelingsprojecten, subsidiestop cultuur, sluiting tijd- en geldverslindende parken en sportvelden, parkeermeters in de buitenwijken) geldt niet voor hen. Voor wat, hoort wat. Ik zal het wel pakken waar al mijn voorgangers het gepakt hebben: bij de gewone man. Ik wens ook uitdrukkelijk belastingen te heffen op lelijkheid. Gedaan met druipende bloembakken op vensterbanken, huisjes met rode of blauwe luiken, gevels in aquarelkleuren, wildplak van rockaffiches, langharig tuig van de richel, kaalgeschoren kotjesvolk, flaminganten met ringbaarden, liberalen met gel op hun kop, socialisten met designdassen en zonnebank-CD&V’ers die een seizoen lang dictielessen genomen hebben. De spitsuren zal ik afschaffen door de scholen langer te laten duren en de fabrieken nog langer. Er komt ook een avondklok. Ze moeten het maar weten, zeg ik. Onze kas kan er wel bij varen. Ja, beste burgers, met uw steun zie ik het wel zitten. Geef me een kontje. Kleur straks mijn bolletje rood, want het is vijf voor twaalf op mijn rolex. Ik sta op de 18e plaats van de lijst Vlaamse Windhanen. Op de groepsfoto herkent u mij aan mijn hangbuik, glimmende kin, worstenvingers. De zon ketst gezellig op mijn trouwring af. Uit mijn linkeroor druipt wat hersensap. Ik draag een driedelig politiek apenpakje. Mijn dienstbetoon? U kunt me altijd aantreffen in café Het Politieke Beest op de Koeienmarkt, de nacht van vrijdag op maandag. Vrouwen graag een rokje, maar zakenmensen gaan voor. Ik ben namelijk een gezonde hetero. Ik zou zo zeggen, geachte kiezerin, kiezer: graag en steeds tot uw dienst. Doorzetten! Werken aan de toekomst! Samen op weg! Inspraak! Verandering! Blablablablablabla!!!


    22-04-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.157: Design

    DESIGN

    De tand des tijds zorgde ervoor dat de stad ons met een gapend gebit toegrijnsde. Ettelijke firma’s, winkels en huizen gingen tegen de vlakte. Overal werden kiezen getrokken. We maalden erom en we baalden ervan. Vaak vonden we het andermaal jammer: dit hier mocht niet verdwijnen, dat daar zou allicht vervangen worden door een nieuwe miskleun. Synchroon daarmee grepen her en der wegenwerken om zich heen. Steeds minder liep de stad de kans om als filmlocatie uitgekozen te worden, tenzij dan als onbestemde, unheimliche ruimte die symbool zou kunnen staan voor het totale niets. Design als onherbergzaamheid. Wie zichzelf om negen uur in de avond door de straten hoorde stappen, terwijl iedereen voor de televisie in de sofa aan topsport zat te doen, kon zich de vraag stellen: ‘Waar is en wat doet iedereen hier nu? (population: 75 000)’. Nou, tv-staren dus. De prijs die voor stadsdesign betaald werd, was hoog. De prijs bestond in ontstentenis van menselijke aanwezigheid. Men was verschanst. Design betekende ook: vesting, wal, versterking, afstand. Er stroomde een rivier door de stad. Gewoonlijk tovert een rivier een blos op beide wangen van zo’n stad. Niet zo hier. Hij passeerde als een vreemd voorwerp, langsheen twee doodstille oevers, rillend en rimpelend. Diende er dan verhuisd te worden? Ach. Een mensenleven lang gaf elke inwoner de stad een kans. Levenslang. Het zou ooit wel goed komen. Niet iedereen immers kon in de hoofdstad wonen, leven en werken. Men offerde een gezellig openbaar leven op voor design. Men bleef thuis en keek oogluikend toe hoe subsidiegelden werden besteed. ‘Wacht maar.’ ‘Het zal nog de moeite lonen.’ ‘We moeten geduld hebben.’ En toen ging men dood. En er waren geen vergelijkingspunten meer, want herinneringen waren alleen nog ingekaderd in foto’s zonder commentaar. Dat overkwam de stad: design. De vlag die de lading toedekte. En de boten op de rivier, ooit gouden lint, thans traankanaal, meerden niet meer aan. Ze lieten de stad zowel links als rechts liggen. De mensen slibden niet meer aan in de winkelstraten. Pleinvrees heerste alom. De lava van design had een nieuw Pompei geschapen.


    13-04-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.156: Kreeft

    KREEFT

    A – Dat horoscopengedoe vind ik larie en apekool.
    B – Je zou er toch van opkijken hoeveel er telkens van de mijne klopt.
    A – Bah, ze schrijven het natuurlijk zo om het te doen kloppen. Ik bedoel: alles klopt altijd. Zo kan ik het ook.
    B – Ja, nee, maar echt: ik ben toch al een paar keer onder de indruk geweest van …
    A – … van die vrouwenwichelarij? Geloof jij daar in?
    B – Zeg, héla. Ik ben er niet dood van gegaan hé!
    A – Nog niet, nee.
    B – Vorige week had ik toch echt …
    A – En je was ziek vorige week!
    B – Ewel ja: en er stond warempel …
    A – ‘Goed contact met dokters’?
    B – Niet overdrijven, hé.
    A – En wat staat er deze week in? Dat je mij zult tegenkomen?
    B – Nee, dat je moet uitkijken voor kleine dingen met grote gevolgen.
    A – Ik?
    B – Ja.
    A – Heb je de mijne dan gelezen?
    B – Ja.
    A – En wat staat erin?
    B – Dat je meer moet luisteren naar wat er gezegd wordt.
    A – Jij bent zeker een Kreeft?
    B – Niet ‘een’ Kreeft, gewoon: ‘Kreeft’.
    A – Jaja …
    B – Chinees of Westers?
    A – O, saignant.


    01-04-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.155: Nicotine

    NICOTINE

    A – Sigaar?
    B – Nee, dank u.
    A – Niet-roker?
    B – Ex-roker.
    A – Aha. Nooit meer … ?
    B – Soms wel, ja.
    A – Maar nu niet, blijkbaar.
    B – Ik rolde ze zelf.
    A – Aha. Hoe lang al?
    B – Zeven maanden en drie dagen.
    A – Grote gribus! Hopelijk lukt dat hé.
    B – Ik voel me al een heel ander mens.
    A – Ja, dat zal wel. Maar ik inhaleer niet. Vroeger wel. Toen rookte ik echt. Allez: écht echt.
    B – En nu alleen nog sigaren?
    A – Drie per dag. Soms kan ik me daar aan houden.
    B – Ik rolde er vroeger dertig per dag, maar het waren van die dunne.
    A – Meer papier dan tabak, haha.
    B – Dat zei mijn grootvader ook. Hij is er 94 geworden. Met roltabak.
    A – Als werkgever neem ik eigenlijk geen rokers in dit bedrijf aan.
    B – Dat was dus een test, daarnet?
    A – Haha.
    B – Roken op het werk is inderdaad tijdverlies.
    A – Vindt u dat ook?
    B – Zeven maanden al. En drie dagen.
    A – Sigaar?
    B – Wel eh …


    19-03-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.154: Gastronomen

    GASTRONOMEN

    A – Ik denk dat ik maar eens de scampi’s neem.
    B – Ik twijfel nog tussen …
    A – Met look, of misschien met die roomsaus.
    B – Het ziet er allemaal wel lekker uit.
    A – Best te vreten hé?
    B – Kiezen is verliezen. Ik denk dat ik het allemaal neem.
    A – We moeten dan nog de wijn bekijken ook.
    B – Jammer dat er geen konijn op staat.
    A – Dat is seizoengebonden zeker?
    B – Ik weet niet of konijn seizoengebonden is.
    A – Of hutspot.
    B – Dat hangt misschien wel af van het seizoen, denk ik.
    A – Weet je wat ik ook van lek-me-lipje vind? Dat is vissoep.
    B – Ja, dat is eten en drinken hé.
    A – Ze zeggen dat van guinness ook.
    B –
    A guinness a day keeps the doctor away.
    A – Is het niet:
    an apple a day?
    B – Whatever. We gaan hier toch geen appelen zitten eten hé.
    A – Maakt te veel lawaai. Nee, we mogen vooral niet te gezond doen.
    B – Zeg, heb je nu al over de wijn beslist?
    A – Nee, ik moet nog … Help eens een beetje.
    B – Die steaks zijn wel aan de dure kant, vind ik.
    A – Ja hé?
    B – Weet je het nu al?
    A – Eh … mm … tja …
    B – Hé?
    A – Een broodje-gezond dan maar.
    B – En voor mij een uitsmijter. Zoveel tijd hebben we nu ook weer niet hé.
    A – Nee.


    09-03-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.153: Verleiden

    VERLEIDEN

    A – Heb jij nog gevlogen misschien?
    B – Nee, waarom?
    A – Je hebt nochtans het lichaam van een stewardess.
    B – Kijk maar uit, of jij vliegt hier buiten.


    26-02-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.152: Opinie

    OPINIE

    A – Mooi hé?
    B – Mja …
    A – Ik vind het echt mooi. Het is zo … zo …
    B – … apart?
    A – Eh … ja, eigenlijk wel.
    B – Eigenzinnig?
    A – Wel eh … ook dat, ja. Nu je het zegt.
    B – Het valt soms moeilijk in woorden te vatten wat we voelen.
    A – Zeg dat wel.
    B – En er zijn ook zoveel meningen als er mensen zijn.
    A – Maar wat vind jij er eigenlijk van?
    B – Mm … mijn mening doet hier niet ter zake hé.
    A – Toch wel, man!
    B – Eh … ik vind het geheel nogal apart.
    A – En ook eigenzinnig hé? Dat woord heb je daarnet gebruikt.
    B – Eh … ja, eigenzinnig is wel een goed woord.
    A – Tja … zoveel mensen, zoveel meningen hé.
    B – Zeg dat wel.
    A – Het is maar goed dat er diverse meningen zijn, anders …
    B – Ja, anders waren we allemaal grijze muizen.
    A – We zouden allemaal hetzelfde deuntje piepen.
    B – … of helemaal niet meer piepen.
    A – Het is goed dat men uitkomt voor zijn mening.
    B – Alleen de ongevraagde en de ongefundeerde meningen zijn uit den boze.
    A – Eh … ja. We moeten niet voortdurend met meningen bestookt worden hé.
    B – Het zou daarom beter zijn dat in de bladen en op tv de acteurs en de schrijvers hun mond hielden.
    A – Je neemt me de woorden uit de mond, man.
    B – Men kan namelijk bepaalde zaken kapot menen.
    A – Zo is het nog maar es ’n keer!


    15-02-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.151: 1e hulp in gevallen

    EERSTE HULP IN GEVALLEN

    A – Weet je, ik zou het je nooit kwalijk kunnen nemen.
    B – Dat is je geraden, verhippeltjes.
    A – Neenee, in alle ernst …
    B – Het zou dan ook buiten mijn wil om gebeurd zijn.
    A – Ik zou het natuurlijk wel erg kunnen vinden.
    B – Dat zou dan voor je pleiten.
    A – Niemand is vrij van dergelijke dingen.
    B – Nou: ‘dingen’.
    A – Ondingen, eerder.
    B – Maar er is tot nu toe niks gebeurd hé.
    A – Nee, we praten alsof …
    B – Toch kan het elk moment toeslaan. Dat besef ik ten volle.
    A – Ik wil me er niet mee moeien, hoor. Sorry als ik die indruk wek.
    B – Ach, je bent heus niet de eerste.
    A – De meeste mensen leggen toch wel begrip aan de dag, neem ik aan?
    B – Je zou nog vreemd opkijken.
    A – Tja, het ligt ook niet zo voor de hand hé.
    B – Dat mag je verdorie wel zeggen.
    A – Ik zou het je zelfs nooit kwalijk kunnen nemen.
    B – Dat is dan goed om te weten, mocht het zich dus voordoen.
    A – De anderen denken er ook zo over.
    B – Is dat zo?
    A – Je mag op alle begrip rekenen.
    B – Het wordt me bijna te machtig.


    04-02-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.150: Verzamelwoedend

    VERZAMELWOEDEND

    A – Die verzamel je dus ook al?
    B – Bah, je weet hoe dat gaat.
    A – Nee, eigenlijk niet.
    B – Wel, op een dag blijkt dat je er twee van hebt …
    A – Ja, en?
    B – En een week later tel je er al drie …
    A – Maar hoe komt dat dan?
    B – Ach, je krijgt er nog eentje, of je botst op alweer een exemplaar, zie je.
    A – Is het een verslaving?
    B – Och, plotseling zit je met een collectie, bijna ongemerkt, en die groeit gestaag aan …
    A – … terwijl jij er niks aan kan doen?
    B – Precies.
    A – Het gebeurt als het ware buiten je om?
    B – Zo kun je het stellen, ja. Het groeit.
    A – Het woékert veeleer, zo te zien. Denk je niet aan ruimere behuizing? Collectioneer je per ongeluk soms ook huizen?
    B – Ja, een pakhuis lijkt me wel wat.
    A – Je kunt ook je verzamelingen afbouwen.
    B – En een paar verzamelingen verkopen, bedoel je?
    A – Bijvoorbeeld. Dan kun je eindelijk eens geld gaan collectioneren.
    B – Tja … daar heb ik ondertussen ook al een flinke kwak van.
    A – O, toon die eens?
    B – Maar die sluimert in het buitenland. Die collectie heeft een buitenverblijf. Eh … binnenverblijf.
    A – Aha, aandelen hé?
    B – Ja … van die onderdelen, ja. Ook best leuk hoor.
    A – En waar heb je nu het minste van?
    B – Tijd, mijn beste, tijd.
    A – Da’s ook geld, schijnt het.
    B – Geloof dat vooral niet. Als geld het slijk der aarde is, dan is tijd …
    A – Oei: is het al zo laat? Ik moet er eens vandoor.


    22-01-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.149: Fakir

    FAKIR

    A – Je houdt het niet voor mogelijk, man. Het was niet van deze wereld.
    B – Slikte hij werkelijk die hele slang door?
    A – Helemaal. De volle negentig centimeter, schat ik.
    B – En het serpent keerde even later terug naar boven?
    A – Heelhuids.
    B – Levend dus ook, heb ik begrepen.
    A – Springlevend.
    B – Deed hij nog van die … eh … die dingen?
    A – Hij reciteerde ook de eerste drie bladzijden uit de Narok zo uit zijn hoofd, mààr dan wel achterstevoren.
    B – De Na … ja zeg, niet lullen hé!
    A – Haha, je hebt ‘m.
    B – Hij stond misschien ook op zijn hoofd daarbij, met de Koran als onderlegger.
    A – Het schijnt ook dat hij al acht jaar uitsluitend gras eet.
    B – Dan is hij vast al heilige koe geworden.
    A – Zo, ik moet er nu eens vandoor.
    B – Maar je lichaam is waarschijnlijk al waar je moet zijn hé.
    A –
    Beam me up, Scotty.
    B – Bij volle verstand, schat ik. De beide helften, I presume?


    09-01-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.148: Cliché

    CLICHE

    A – Mag ik een klassieker op je afvuren?
    B – Ga je gang.
    A – Welk boek neem jij mee naar je onbewoonde eiland?
    B – Het Grote Bouw-Zelf-Je-Hutboek.
    A – En welke drie handwerktuigen die in je broekzak passen?
    B – Drie Zwitserse messen.
    A – Een bord of een kop: welke van de twee?
    B – Een diep bord.
    A – Lucifers of een fles wijn?
    B – Een fles wijn, zeker weten.
    A – O ja?
    B – Ja. En een balpen.
    A – Ah, ik snap al …
    B – En een vel papier.
    A – Lekker cliché hé.
    B – Zo cliché als een kathedraal met duivenstront op.
    A – Ik zie al een fles dobberen op de oceaan.
    B – De wijn is voor de inspiratie.
    A – Als de wijn is in de man …
    B – … is de waarheid in de kan.
    A – Geen lucifers dus.
    B – Nee. En doe me ook maar een kurkentrekker. Het gaat over een fles wijn hé, en niet over een wijnfles.
    A – Ja, het kan koud zijn op zo’n eiland.
    B – Vooral ’s nachts.
    A – En zonder lucifers.
    B – Nog vragen?
    A – Beaujolais of Bourgogne?
    B – Bordeaux graag.


    30-12-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.147: Iets anders

    IETS ANDERS

    A – Iets anders nu … eh …
    B – Was het daarnet niet boeiend genoeg misschien?
    A – Jaja, neenee, dat niet, maar …
    B – Gooi het maar in de groep, man.
    A – Het gaat nu al meer dan een halfuur over waterpolo. Ik … ik verdrink verdomme stilletjes aan; het stinkt hier naar chloor.
    B – Ja zeg, sorry, maar Willy en Marc hier en ik zijn nu eenmaal toevallig …
    A – Zeehonden zijn jullie.
    B – Ben je niet eerder in je bier aan het verdrinken dan in ons … onze …
    A – Moeilijkheden met metaforen hé?
    B – Metawàt?
    A – Omnivoren, amforen, flaporen, … laat maar zitten.
    B – Kijk: nu regent het nog buiten ook. Erg voor jou hé, landrot.
    A – Gelukkig regent het niet binnen, waterrund.
    B – Waterràt, zul je bedoelen.
    A – Nee, rund.
    B – Dat zullen we maar op rekening van de drank schrijven, hé maten?
    C/D – Een zeehond wordt veel vergeven.
    A – Merci, Marco Polo. Merci, Willy Walvis.
    B – Iets anders nu … Volgens mij floot die scheidsrechter keihard voor de andere kant. Zelfs een blinde kon dat horen.
    A – Jeezes!!
    C/D – Water! Water!


    22-12-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.146: Uit de kunst

    UIT DE KUNST               

    A – Pff, ik kan dat ook.
    B – Het is niet zo eenvoudig als het lijkt hoor.
    A – Ik ga u meer zeggen: mijn kinderen kunnen dat ook.
    B – Hm …
    A – Al die krassen en lijnen door mekaar, pff, wat is er daar nu moeilijk aan.
    B – Maar het schijnt dat kenners aan één lijn kunnen zien of de artiest wel degelijk ook een mensenhand kan tekenen bijvoorbeeld.
    A – Ja?
    B – Ja.
    A – En als ik mijn hand nu op een vel papier leg en met mijn potlood er netjes rond ga en daarna …
    B – Dat heeft niks met kunst te maken.
    A – O nee?
    B – Nee, da’s kunst- en vliegwerk.
    A – Wie was die zot ook weer die heen en weer door de verf op zijn doek fietste en daar dan miljoenen voor vroeg? Ik kan ook fietsen, zeg!
    B – Maar jij heet gewoon Jean-Marc Blomme.
    A – Ja, en dan? Moet ik mij daarvoor excuseren misschien?
    B – Je bekendheid laat te wensen over. En je kunt niet schilderen.
    A – Maar ik heb heel mijn huis zelf geschilderd verdomme! Van onder tot boven!
    B – Ewel, dat is dan ook 130 000 euro waard hé.
    A – Eh …


    12-12-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.145: Appartemensen

    APPARTEMENSEN                 

    A – Ik ben graag torenhoog thuis.
    B – Toegegeven: men heeft er ook een prachtig panorama hé.
    A – Voilà. Iedereen is klein in je ogen. En niemand ziet je.
    B – Terwijl jij iedereen kunt zien.
    A – Arme holbewoners in en onder de platte grond.
    B – Of hamburgers geplet in tussenverdiepingen.
    A – Ham-burgers, die is goed!
    B – Ik zou niet meer willen ruilen.
    A – Ja, ze mogen het hebben.
    B – Er wacht ons nog een eeuwigheid hier beneden onder de grond.
    A – Ja, maar nu zitten we toch in de zevende hemel hé.
    B –
    The sky is the limit.
    A – Het hemelwater spoelt onze ramen vanzelf.
    B – En de wind en de zon drogen die dan.
    A – De ondermensen moeten dat allemaal zelf doen.
    B – Laag-bij-de-gronds hé, haha.
    A – Ik zit alleszins gebeiteld.
    B – Ik ook.
    A – Hoog en droog.
    B – Maar de lift moet natuurlijk wel meewillen.
    A – Daar zeg je zowat.
    B – Wat heb je aan een kaduke lift als je torenhoog thuis bent.
    A – Eh … ja.
    B – Ik zal straks weer de trappen moeten nemen, vrees ik.
    A – Och, is het weer zover? Verdomde klotelift.
    B – Ik wou je er niet lastig mee vallen …
    A – Dat is nu verdomme al …
    B – Je bent die al grondig beu, zeker?


    03-12-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.144: Wereldwoeden

    HET WOEDEN VAN DE WERELD            

    A – Ik kan er niet meer tegen.
    B – Nu je het zegt …
    A – Wat levert het allemaal op?
    B – Ja hé.
    A – Files … werkdruk … betutteling …
    B – Zeg wel.
    A – Hoe is het zo ver kunnen komen.
    B – Vraag je je af.
    A – Ik heb al een inscriptie bedacht voor op mijn graf.
    B – O ja?
    A –
    ‘Zo, dat was het.’
    B – Eh, dat?
    A – Ja: vier woorden, twee leestekens.
    B – Een stil protest dus.
    A – Kort en goed.
    B – Ze mogen er dan van denken wat ze willen hé.
    A – Zo is het.
    B – Die tekst zou ook op mijn steen kunnen staan.
    A – Hela, afblijven hé. Mijn idee.
    B – Maar ik laat me wel in de fik steken.
    A – Ah, een urne?
    B – Ja.
    A – En heb jij al een tekst voor op die vaas?
    B –
    ‘Hier heb je geen vat op.’
    A – Haha.
    B – Of:
    ‘Hier heb je niet van terug.’
    A – Waarom niet: ‘As-hole’?
    B – Haha. Die zit, hoor! Of nee: ligt!


    22-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.143: Ongerijmd

    ONGERIJMD                     

    A – Ik hou van jou.
    B – En ik moet dat geloven.
    A – Hé zeg … waarom …
    B – Het rijmt te strak.
    A – Nou zus, dan hou ik van je, gewoon dus.
    B – Zal wel. Weer dat rijm.
    A – Ik hou van je.
    B – Eindelijk. Maar toch …
    A – Wat nu weer?
    B – Je ziet jezelf weerspiegeld in mij.
    A – Ja, en?
    B – En daarom hou je van mij.
    A – Me!
    B – Sorry: me.
    A – Zeg, da’s kras.
    B – Zie je wel: weer dat rijm.
    A – Je bent een onmogelijke … shit!
    B – Vent? Wijf?
    A – Ben je nu aan het vitten of aan het bullshitten?
    B – Je kunt het echt niet laten hé.


    15-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.142: Dagboek van 1 dief

    DAGBOEK VAN EEN DIEF           

    A – En?
    B – En wat? Ik zou de muren oprijden van mensen die …
    A – Skuus ... Eh ... Wat heb je vandaag zo allemaal gerealiseerd?
    B – O, dat. Ik heb alleen wat moleculen verplaatst.
    A – Is dat alles?
    B – Dat zal het zo ongeveer zijn, ja.
    A – Hm.
    B – Kuchte hij veelbetekenend …
    A – Ja, ik …
    B – O ja: het regende ook vandaag.
    A – Jaja, waarvan akte. Heb je daar dan geen wroeging over?
    B – Helemaal niet.
    A – Moleculen, hé?
    B – Atomen misschien ook wel. De quantumtheorie volgt later.
    A – Hé?
    B – Een vlinder in Tokio kan een aardbeving in San Francisco veroorzaken.
    A – O ja?
    B – Zeker weten.
    A – Regen ook?
    B – Zo u dat wil.
    A – Is diefstal ook zoiets als het verplaatsen van moleculen? Met grote gevolgen soms?
    B – Ja, herverdeling van rijkdom valt daar inderdaad ook onder.
    A – Het was dus toch nog een fijne dag voor u?
    B – Zonder twijfel.


    07-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.141: Vioolkist

    VIOOLKIST                    

    A – En dan spuugden ze daar zomaar in.
    B – Ja, voor het aanschijn van iedere bezoeker.
    A – Hij stond gewoonlijk bij de kachel.
    B – Of naast de vaste fauteuil.
    A – Of in de zomer bij de openstaande deur.
    B – Ze fluimden daar van zeer ver in.
    A – Ze hielden zelfs eens een wedstrijd in onze straat.
    B – Iedereen deed het, niet alleen de oud-mijnwerkers.
    A – Bààh, vies.
    B – Ik durfde daar nooit naar te kijken … walgelijk.
    A – Het schijnt dat die mannen ook in het wijwatervat in de kerk fluimden.
    B – Ja, en dan ging je daar bij het binnenkomen met je hand in … bààh.
    A – Het allerergste dat ik ooit gezien heb … ik moet bijna kokhalzen …
    B – Ja?
    A – Bààh … bij onze overburen vroeger … ik krijg het bijna niet verteld ...
    B – Jaah?
    A – De spuugbak stond er altijd bij de deur en …
    B – In de zomer stond die open.
    A – Ja, en in de winter struikelde je erover bij het binnenkomen, maar …
    B – Ik zie het zo gebeuren.
    A – … maar die spuugbak van onze overbuur had verdomme de vorm van een vioolkist!
    B – Gewoonlijk was dat toch iets teilachtigs hé?
    A – Ewel, dat was iets niervormigs.
    B – Misschien was het echt wel een oude vioolkist.
    A – Ik word nog altijd kwaad als ik er aan terugdenk.
    B – Ik kon soms dagenlang niks eten als ik er zo eentje …
    A – Hou op.
    B – En dan die glibberige dromen …
    A – Hou op!


    01-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.140: Ouden van dagen

    OUDEN VAN DAGEN                 

    A – Iedereen kwam er.
    B – Zonder onderscheid.
    A – Zoals ze zeggen.
    B – Ja hé.
    A – En nu …
    B – En kijk nu …
    A – The good old times …
    B – Hoe valt dat toch te verklaren?
    A – Ja, hoe kan zoiets gebeuren?
    B – Niemand had dat ooit durven te voorspellen.
    A – Of kùnnen. Zeventien jaar lang …
    B – Het lijkt nog de dag van gisteren.
    A – Maar de laatste tien jaar was het toch je dat niet meer hé.
    B – Nu je het zegt … eigenlijk … nee.
    A – Er veranderde veel.
    B – … en vlug.
    A – Wij bijvoorbeeld.
    B – Ook al.
    A – Velen bleven plotseling weg.
    B – Ja, hoe gaat dat: trouwen, huis, kinderen …
    A – … ongevallen, faillissementen, concurrentie, sterfgevallen …
    B – Dat is het leven hé.
    A – Ja. En toch: iedereen kwam er.
    B – Waar zijn ze nu gebleven?
    A – Diegenen die niet dood zijn natuurlijk.
    B – Jaja, al wie nog in leven is.
    A – Laat daar geen gras over groeien. Bedoelen we.
    B – Eh … met andere woorden.


    22-10-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.139: Automatische piloot

    AUTOMATISCHE PILOOT                      

    A – Ah, wie we daar hebben. Hoe gaat het nog?
    B – Bah ja, we mogen niet klagen. En gij?
    A – Mm. Met de kinderen alles oké?
    B – Ja. Geeft gij nog altijd les?
    A – Ja.
    B – Hebt ge de beelden van op Mars gezien?
    A – Ja.
    B – Zou dat nieuws dan onder de rubriek Buitenland vallen?
    A – Eh?
    B – Stel je voor dat er zich een vliegtuig in het Vaticaan boort.
    A – Eh?
    B – Moedwillig.
    A – Ge moet eens afkomen.
    B – Hebt ge een plat dak? Ik heb een helikopter gekocht.
    A – De paus zou nogal opkijken.
    B – Gij ook hé.
    A – Ik verschiet in niks meer.
    B – Dat merk ik.
    A – Ik heb de vrijdag een halve dag vrij.
    B – Ik vlieg alleen ’s avonds. Hebt ge dakverlichting?
    A – O, is het al zo laat?
    B – Moet ge er eens vandoor?
    A – Ge pakt de woorden uit mijn mond.
    B – Bon, wie we daar hadden.
    A – Ja hé?


    17-10-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.138: Leugendetector

    LEUGENDETECTOR                  

    A – Waar was u de nacht van vrijdag op zondag?
    B – Ik kan toch alleen met ja of nee antwoorden?
    A – Dat was om het toestel te testen.
    B – Ja.
    A – Bent u een nicotinegebruiker?
    B – Nee.
    A – Zit u goed?
    B – Nee.
    A – Mag ik u tutoyeren?
    B – Nee.
    A – Hebt u vertrouwen in deze detector?
    B – Nee.
    A – Spreekt u altijd de waarheid?
    B – Nee.
    A – Oefent u een van deze beroepen uit: advocaat, leraar, geheimagent?
    B – Ja.
    A – Bent u leraar?
    B – Nee.
    A – Liegt u nu?
    B – Ja.
    A – Moeten Staat en Kerk gescheiden blijven?
    B – Ja. Mag ik u tussendoor zelf iets vragen?
    A – Ga uw gang.
    B – Kan een leugendetector een opinievraag beoordelen?
    A – Nee.
    B – Dat was dus weer een machinale testvraag?
    A – Inderdaad. Laten we doorgaan. Voelt u zich goed?
    B – Ja!


    09-10-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.137: Hotel Milan

    HOTEL MILAN, PARIJS, NOVEMBER 1938          

    A – Misschien kunnen we hier in het hotel nog iets krijgen.
    B – Goed, maar daar boven, alleen in die leege kamer …
    A – Ik ga met je mee naar boven en we nemen een flesch mee.
    B – Uitstekend.
    A – Heb je iets te drinken voor ons, portier?
    C – Champagne cocktail?
    A – Nee, dank je, iets sterkers. Een flesch cognac.
    C – Uitstekend, mijnheer. Ik zal de flesch voor U open maken en boven brengen.
    A – Heb je de sleutel bij de hand?
    B – De kamer is niet afgesloten.
    A – Je geld en je papieren kunnen gestolen worden, als je je kamer niet afsluit.
    B – Mogelijk, maar ik vind het vreeselijk om de deur van mijn kamer te moeten opensluiten als ik thuis kom.
    A – Zo?
    B – Men kan evengoed een grafkelder openen. Het is al erg genoeg om des avonds die kamer binnen te gaan, waar niets anders op je wacht dan wat koffie.
    A – Ons menschen wacht nergens iets bijzonders.
    B – Dat kan wel zijn. Maar overal anders is tenminste een illusie. En die is hier niet eens.
    C – Willen de dame en mijnheer misschien ook iets eten? Kippenpastei … ?
    A – Dat zou maar tijdverlies zijn.
    B – Dank U, portier.


    02-10-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.136: De Diepe Gedachte

    CAFE DE DIEPE GEDACHTE             

    A – Wat als de bijen van de aardbol verdwenen zouden zijn?
    B – Stekelige vraag.
    A – Het antwoord op een stekelige vraag zit’m altijd in de toon waarop de vraag wordt gesteld. Dat weet ik nog van mijn examens.
    B – Stekelig, dus.
    A – Dat heb je goed gehoord. Nou?
    B – Nou wat?
    A – Bijen – aarde – weg.
    B – Eh … bloemen … foetsie … weg.
    A – Ja, en?
    B – Wel … een heleboel dingen vallen in duigen zeker?
    A – Zo is het.
    B – Is dat nu filosofie?
    A – Nee. De gedachte kwam zomaar bij me op.
    B – Heeft Einstein niet …
    A – Nee.
    B – Heb je dat vaker? Van die diepe gedachten?
    A – Gelukkig wel. Ik denk, dus …
    B – Zoem … zoem … bezige bijtjes in het hoofd, ja?
    A – Zeg, heb je je haar laten knippen?
    B – Nee, het regent haaientanden.
    A – Nee, serieus: ik dacht …
    B – Het is hier een wespennest. Ik moet er eens vandoor.
    A – Maar het regent.
    B – Dat geeft niet.
    A - O, quantumtheorie?
    B - Beetje chaotisch, ja.
    A - Tot zoens.
    B - Tot stinks.


    24-09-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.135: De weg vragen

    DE WEG VRAGEN          

    A – Pardon meneer: de Karnakstraat a.u.b. ? Ik kan maar niet …
    B – Karnakstraat ? Eh … niet eenvoudig … even denken …
    A – Die moet toch wel ergens in de buurt zijn.
    B – O ja, nu weet ik het weer …
    A – Blij dat u kunt helpen; ik rij hier verdorie al …
    B – Kijk: ginder aan dat bordeel slaat u rechtsaf …
    A – Ja …
    B – … daarna vijftig meter rechtdoor tot aan rode lichten …
    A – Ja …
    B – Dat zijn wel geen gewone rode lichten, hoor.
    A – O, eh … groene ook zeker ?
    B – Neenee: het is ook een bordeel.
    A – Tja … vooruit maar met de geit, hé.
    B – Wel: aan dat tweede bordeel neemt u het rondpunt …
    A – Ja … dat is toch ook niet met speciale verlichting?
    B – Neenee meneer, we overdrijven hier niet.
    A – Haha.
    B – … daar de tweede afslag richting Klein-Egypte …
    A – Oké …
    B – … tot u aan een kruispunt komt met drie bordelen:
    A – …
    B – … twee aan uw rechterkant en één links.
    A – …
    B – Die laat u alledrie rechts en links liggen – u rijdt gewoon …
    A – … naar een volgend bordeel, meneer ?
    B – Maar hoe raadt u het, beste man ! Goede reis !


    18-09-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.134: Mag ik overvaren?

    MAG IK OVERVAREN?           

    A – Het zal verdorie toch niet gaan regenen zeker?
    B – Hm, het ziet er inderdaad naar uit.
    A – Zet er wat vaart achter.
    B – Tot uw orders, kapitein.
    A – We zullen ons al mogen haasten.
    B – Ja, maar als het regent, is het ginder net zo nat als hier.
    A – Wat voor gelul is dat nu.
    B – Dat gelul staat in een oud gedichtje dat we vroeger op school leerden.
    A – Leren ze daar dan nooit eens nieuwe dingen? Al dat geouwehoer.
    B – Wind je toch niet op, man.
    A – Maar het kan er hier elk moment aan beginnen, verhippeltjes!
    B – Mag je haar niet nat worden misschien?
    A – Nee, en mijn nieuwe fiets ook niet. Vooruit man: roeien!
    B – Jaja … ik … pff …
    A – Had ik die stomme arm niet gebroken …
    B – Het gaat wel hoor.
    A – Moet ik overnemen?
    B – Met één arm? Nee.
    A – Nog achthonderd … Hela, bedankt voor de douche hé!
    B – Sorry.
    A – We kunnen nog voor de bui …
    B – Zeg, ken je die van die roeiwedstrijd voor joden?
    A – Getverdegetver, het regent!


    11-09-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.133: Leven op Mars

    LEVEN OP MARS                   

    A – De president zal dit zeker ontkennen.
    B – Ja, er is geen ontkomen aan.
    A – Juist wel!
    B – Waarom dan?
    A – Omdat hij het zal ontkennen.
    B – En wij dan?
    A – Wat bedoel je?
    B – Wij zijn dan leugenaars.
    A – Nee: hij ontkent, hij liegt niet.
    B – En als ik het nu eens van de daken schreeuw?
    A – Dan beweren we dat het een filmopname betreft.
    B – O ja?
    A – Of een oefening.
    B – En als ik dreig met zelfverbranding?
    A – Idem dito, met een vleugje boeddhisme.
    B – O ja? Ik heb toch een getuige?
    A – Wie dan?
    B – Wel: jij.
    A – Maar ik ontken.
    B – ?
    A – Met klem.
    B – Jij ook al?
    A – Ik ga nu de ontkenning aan de president melden.
    B – Zeg … !
    A – Dit gesprek heeft nooit plaatsgevonden.
    B – Maar …
    A – Wie bent u in ’s hemelsnaam?
    B – Ik sta …
    A – Ik heb u nooit ontmoet. Ga verder met uw leven.
    B – Of … ?
    A – Of sterf.


    04-09-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.132: Vogelvlucht

    VOGELVLUCHT               

    A – O, daar scheerde een reiger over de daken.
    B – Heb je ergens nog een grootje om dat wijs te maken?
    A – Nee, echt waar: daar vloog een …
    B – Je zei: scheerde.
    A – Ook goed hoor. Beter zelfs.
    B – Nou, en?
    A – Wat: en?
    B – Wel: was er echt een reiger?
    A – Maar ja.
    B – Over de daken?
    A – Ja.
    B – Scherend?
    A – Jaja.
    B – In een soepjurk?
    A – Niet overdrijven hé.
    B – Was het wel een reiger?
    A – Het was alleszins geen mus of een F-16.
    B – Zou je dat voor een jury durven te zweren?
    A – Zeg …
    B – Doodvallen als het niet waar is?
    A – Heb jij een probleem vandaag misschien?
    B – Ja, met reigers.
    A – Dit is pure luchtafweer. Het kan toch best dat er hier …
    B – Het was een ooievaar, man.
    A – Eh?
    B – Ooievaar, oen.
    A – Nou, nog beter. Toch?
    B – Ja.
    A – Heb je hem echt …
    B – Geloof je me niet?
    A – Eh …


    28-08-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.131: Faer♠er-gevoel

    HET FAERØER-EILANDENGEVOEL             

    A – Hoe zouden de Faerøereilanden er momenteel voorstaan?
    B – Die zijn van geen enkele betekenis.
    A – Dat moet dan een prettig besef zijn.
    B – Wat bedoel je: voor hen of voor ons?
    A – Eindelijk eens iets totaal overbodigs. Dat ligt daar maar. Voor allebei dus.
    B – In de kou dan nog wel.
    A – Hoe was de opkomst eigenlijk bij hun laatste verkiezingen?
    B – Van geen betekenis.
    A – Hoe komt dat?
    B – Het was te koud.
    A – Ja, en dan?
    B – De vorige regering is gewoon aangebleven.
    A – En wordt het er ginder dan nooit eens warmer op?
    B – Dan ken je de Faerøereilanden nog niet, beste vriend.
    A – Nou, mij storen de Faerøer niet hoor.
    B – Mij eigenlijk ook niet.
    A – Hooikoorts is erger.
    B – Ja, of een slechte hand kaarten.
    A – Magerzucht ook.
    B – Of neem nou dat de voltallige koninklijke familie op reis plotseling …
    A – Sstt … je drijft het weer te ver, mijn beste.
    B – Toch niet zo ver als de Faerøereilanden hé.
    A – Je moet je grenzen kennen.
    B – Ach, weet je wat het is met jou? Jij weet geen mop midscheeps te waarderen.
    A – Keep a low profile, vriend, dan kom je het verst. Jij weet nooit wanneer je op moet houden.
    B – O nee? Jij bent anders wel over de Faerøer begonnen hoor.
    A – Sorry. Nooit meer doen. Van geen betekenis.


    21-08-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.130: Lolbroek

    LOLBROEK                

    A – U bent dus veganist?
    B – Ja.
    A – Luistert u dan naar Suzanne Vega?
    B – Haha.
    A – U hebt ‘m duidelijk. Ikzelf beoefen de monogamie.
    B – O?
    A – Sommigen denken dat dit een houtsoort is.
    B – Haha!
    A – U hebt ‘m weer hé?! Zoals de kruising tussen een pittbull en een shitzu?
    B – Hm.
    A – Kijken naar Vega mag ook hoor, niet alleen luisteren.
    B – Ah ja.
    A – Aankomen kan niet, haha.
    B – Nee hé.
    A – Ook niet op flatscreen met kamerbreedbeeld.
    B – ?
    A – Grapje.
    B – Ah zo.
    A – Had u onlangs diami(e)?
    B – Hé?
    A – Ietsje erger dan diare(e).
    B – Ah, haha.
    A – Sommigen overdrijven. Drijft u soms over? Haha!
    B – Eh …
    A – Er mag al eens meer gelachen worden, vind ik.
    B – Ja hé?
    A – Als het maar geen onderbroekenlol wordt.
    B – Ja, nee, dan is de fun er af.
    A – De wàt?
    B – De fun. Het … eh … het plezier.
    A – O, dàt.
    B – Sommigen drijven daarin over, wat zeg ik: rond!
    A – Eh?
    B – Grapje.
    A – Nu ben ik het wel even kwijt, hoor.
    B – Van geen belang.
    A – Veganist, hé?


    14-08-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.129: Sollicitatie

    SOLLICITATIE               

    A – Gaat u zitten.
    B – Dank u.
    A – Neeneenee: niet daar. Dààr.
    B – Maar u wees …
    A – Welk is het beeld dat u van uzelf hebt?
    B – Wel eh, ik meen te mogen stellen dat …
    A – Kunt u diverse elkaar vlug opvolgende toestanden aan?
    B – Dat denk ik zonder …
    A – Ook onder hoge druk?
    B – In het verleden heb ik …
    A – Hoe gaat u met conflictsituaties om?
    B – Eerst en vooral zou ik onmiddellijk …
    A – En bij tijdgebrek?
    B – Dat is nu net wat ik …
    A – Stel dat u in uw privéleven een opdoffer van jewelste krijgt …
    B – O, dan kan daar zeer … Ik bedoel: dat zou nooit …
    A – Geeft u mensen tweede kansen?
    B – Daar zou ik eerst zeer grondig over …
    A – In hoeverre kent u onze firma?
    B – Uiteraard heb ik de afgelopen dagen …
    A – Iets anders nu …
    B – Bij dezen wou ik u toch wel even …
    A – Onderbreek me niet. Sigaar?
    B – Eh, nee, dank u.
    A – Goed zo, dat was een strikvraag.
    B – Alleen als ik ’s avonds thuis …
    A – Dat is uw privézaak. Hoe staat u tegenover …
    B – Mag ik u er op wijzen dat ik momenteel zit.
    A – Ah, humor?
    B – Humor is de cement voor …
    A – Bespaar me de details.
    B – Zoals u wilt.
    A – Dat was humor.
    B – O?
    A – Ja, we kijken hier niet op een mop meer of minder.
    B – Tja …


    08-08-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.128: De Q van Proust

    DE Q VAN PROUST                 

    A – Hoe zou u willen sterven?
    B – Ik twijfel tussen een onbewaakt of een bewaakt moment.
    A – Waar zou u nu willen zijn?
    B – In Jutland.
    A – Uw voorkeurkleur?
    B – Grieksblauw.
    A – Welke historische figuur bewondert u bovenmate?
    B – Sidney Reilly.
    A – Q?
    B – De eerste professionele Westerse spion.
    A – Ach zo. Hoe zou uw motto kunnen luiden?
    B – We never sleep. Gejat van het eerste Amerikaanse professionele detectivebureau, de
    Pinkertons.
    A – Hoe ziet uw geluksdroom er uit?
    B – Stormachtig, landschappelijk vlak, drank, voedsel, warmte, onderdak.
    A – Uw beste karaktertrek?
    B – Flexibiliteit.
    A – En uw slechtste?
    B – Ik pas me te makkelijk en te vlug overal aan.
    A – Lievelingsdieren?
    B – IJsbeer, wolf, vos, kameleon, windhaan, pechvogel.
    A – Haha. Welke eigenschap verkiest u bij anderen?
    B – Geheimzinnigheid.
    A – Welke is uw liefste bezigheid?
    B – Gastronomie terwijl het stormt.
    A – Welke historische figuur verafschuwt u bovenmate?
    B – Alle niet-Russische dictators.
    A – Waar zou u willen wonen?
    B – In Chicago of Edinburg.
    A – Wat vindt u van deze vragen?
    B – Deze vragen vinden mij best te doen.
    A – U proest het dus uit?
    B – Zoveel is zeker!


    01-08-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.127: Volg je nog?

    VOLG JE NOG?                  

    A – Ik voel me in de gaten gehouden.
    B – Bespioneerd?
    A – Kun je wel stellen, ja.
    B – O ja?
    A – Zelfs … letterlijk achtervolgd.
    B – Geschaduwd dus, zoals ze zeggen. Nou: schrijven, meer.
    A – Ja.
    B – Heb je dan ogen in je rug?
    A – Ja: de zijne.
    B – Mag ik je een goeie raad geven?
    A – Natuurlijk.
    B – Probeer eens de rollen om te keren.
    A – Hoezo?
    B – Wel: draai je letterlijk om en keer op je stappen terug.
    A – Ja, hij zal dan toch gewoon doorlopen?
    B – Maar hij zal ook doorhebben dat je hem … nou: door hebt.
    A – Ja, en dan?
    B – Blijven doorlopen.
    A – Hm …
    B – Ja maar: wil je er van af of niet?
    A – Eh … ja.
    B – Je zou het niet zeggen.
    A – Nu keer jij de rollen om.
    B – Ja, ik heb ook ogen in mijn kop.
    A – Je wordt bedankt.


    24-07-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.126: Kerstmisdaad

    KERSTMISDAAD                 

    A – Meent u echt wat u zegt?
    B – Het is niet omdat elk woord van u voorgekauwd is dat ik zelf op dieet moet.
    A – Dat zijn verdorie weer een heleboel woorden.
    B – Ja, afmaker, oneliner, sneer, jijbak, Brugman, spraakwaterval, diarree: kies maar. En ‘verdorie’ staat u niet. Leer deftig vloeken.
    A – Met dit tempo heb ik geen keuze.
    B – U bent nochtans de ondervrager, tiens; wellicht beschikt u hier over een privéparkeerplaats.
    A – Uw zorg niet; uitweiden zal u niet helpen.
    B – Nou, ter zake dan.
    A – Dat moet ik zeggen.
    B – Had dat dan gedaan.
    A – Edelachtbare.
    B – Edelachtbare.
    A – Méént u dat nu?
    B – En ù? Edelachtbare?
    A – Het gaat om de waardigheid van mijn beroep.
    B – Er zit niets edelachtbaars in uw DNA.
    A – Wat bedoelt u daar nou mee?
    B – Laat maar zitten.
    A – Welaan dan: pleit u schuldig of onschuldig?
    B – Waaraan?
    A – Aan deze kerstmisdaad.
    B – Schuldig.
    A – U geeft dus toe het rendier op zijn neus gestompt te hebben?
    B – Volmondig.
    A – Doe dat nooit meer.
    B – Beloofd.
    A – Deze zaak is geseponeerd.
    B – Vrede op aarde, mag ik aannemen?
    A – Ga heen en laat de rendieren met rust. Wees giftig met geschenken.
    B – Dank u, u bent edel van hert, achtbare.
    A – O, het was toch geen hert?
    B – Nee: een eland.
    A – Enfin, laat àlle rendieren met rust. De zaak blijft geseponeerd.
    B – Mijn dank is groot.
    A – Overdrijf niet.


    16-07-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.125: Hartstuk

    HARTSTUK (naar een vrij bekend stukje)        

    A – Mag ik je iets vragen?
    B – Ga je gang maar.
    A – Zul je me niet uitlachen?
    B – Beloofd.
    A – Zeker weten?
    B – Zèg … !!
    A – Mag ik mijn hart aan je voeten leggen?
    B – Eh … als je mijn vloer niet vuil maakt.
    A – Maar mijn hart is schoon.
    B – Dat zullen we wel zien.
    A – Hé?
    B – Kom, laat ik je even opereren. Zeker spelen.
    A – Maar …
    B – Waar is mijn mes … ? Ah!
    A – Aaahhh!!!
    B – Zo … hier heb ik het …
    A – Aaahhh!!!
    B – Maar … jouw hart is een baksteen!
    A – Maar het klopte alleen voor jou!
    B – Had ik dat geweten!


    04-07-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.124: Mozart in november

    MOET HET NOVEMBER ZIJN VOOR MOZART?       

    A – Tja, hoe zere vallen ze weer af, hé.
    B – De dagen gaan maar open en toe meer.
    A – Ik weet nog goed, een jaar geleden …
    B – Zeg, bespeur ik daar al wat grijs ten westen en ten oosten van je?
    A – Hé? Ofwel ben je kleurenblind …
    B – Nee, nee: serieus … Is dat al wat sneeuw? Zo vroeg op ’t jaar?
    A – … ofwel is het gezichtsbedrog door de lichtinval …
    B – Mijn gezicht liegt niet.
    A – Het herfstlicht kan bijzonder scherp zijn.
    B – Daar bestaan speciale shampoos voor.
    A – Luister je nog altijd zo vaak naar Mozart?
    B – Mijn moeders vriend was al grijs met z’n zevenentwintigste.
    A – Zo’n requiempje fietst er nu wel in, met het vallen van het blad.
    B – Maar ’t schijnt wel dat grijze haren blijven …
    A – Allez dan, ben ik een bofkont, zeg!
    B – … en op geen zotte bollen groeien, haha.
    A – Is het niet?
    B – Ach, geef mij maar Bach. Die wiskunde! Die hersenzalf!
    A – Ah, je luistert toch!
    B – Welja … wat dacht je wel.
    A – Ik twijfelde, omdat er haren uit je linkeroor groeien.
    B – Ga weg …
    A – Nee, nee: serieus … Zo van die ravenzwarte … O, en je neus …
    B – Zou de Shopping nog open zijn?
    A – Natuurlijk, het is nog maar …
    B – Ik bel je nog wel!
    A – Het meest bekende rijmpje …


    26-06-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.123: Heb je gedronken?

    HEB JE GEDRONKEN MISSCHIEN?        

    A – Je weet toch net zo goed als ik dat er tachtig soorten dronkenschappen zijn?
    B – Daar ben ik me ten volle van bewust.
    A – Het effect van binnensijpelend licht door brandglasramen in een kerk …
    B – Hou op! Genoeg!
    A – Zatheid nummer drieënveertig valt ook niet te onderschatten.
    B – Erover spreken alleen al maakt een mens duizelig.
    A – Met drankorgels valt niet te praten.
    B – Nee, maar je moet wel urenlang naar hun gewauwel luisteren.
    A – Nu heb je het over type zevenenzestig, hé?
    B – Correct. Een tijdrovend type.
    A – Ik zou ze hier allemaal uitvoerig kunnen beschrijven, die vazallen van Koning Alcohol.
    B – Helaas ontbreekt je de tijd, is het niet?
    A – Eh … heb je gedronken misschien?
    B – Ja, waarom?
    A – Ja!?
    B – Kippenbouillon, verhippeltjes.
    A – Ik bespeurde anders enig sarcasme daarnet.
    B – O, maar dat komt door de verkeerde dingen te eten. Vast voedsel, weetjewel.
    A – Eh? Zoals?
    B – Alles wat ‘n snack-&-‘n-beet is: krok mesjeu, bierworst, hardgekookt ei, portie kaas.
    A – Er zijn daar ook veel types van, zeker?
    B – O, is het al zo laat? Ribbedebie, ik moet er maar eens rap vandoor.
    A – We konden anders nog vlug …
    B – Op mijn bus staan erwtjes geschilderd! Bye!


    19-06-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.122: Frambozen in melk

    FRAMBOZEN IN MELK                    

    A – Hoe maakt u het nog?
    B – Ik vind het moeilijk om daarop te antwoorden.
    A – Waarom?
    B – Omdat u het dan zelf gaat maken.
    A – Mijn lippen zijn anders wel verzegeld, hoor.
    B – Had dat dan onmiddellijk gezegd.
    A – Wel: hoe maakt u het nog?
    B – Ik maak het bont.
    A – Zoals in bontjas of bont-en-blauw?
    B – Heden ten dage laat ik lichten branden en deuren aanstaan.
    A – Moet daar niet iets aan gedaan worden, wildebras?
    B – Ik heb al een zelfhulptapijtje gekocht.
    A – Dat is prima: de koe bij de horens!
    B – Maar ik ben het alweer kwijt.
    A – Hoezo?
    B – Het is weggevlogen, door een openstaand raam.
    A – Uw probleem zit werkelijk heel diep, hé.
    B – Hé?
    A – Dat uw … Ach, laat maar.
    B – Zeg, ik plet nu mijn frambozen in spierwitte melk.
    A – Veranderen van onderwerp kan u niet helpen.
    B – Gaat u dan maar weg als u toch niet van kleuren houdt.
    A – Ik ben al weg, meneer Bontekoe.


    04-06-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.121: Appelschudder

    APPELSCHUDDER          

    Hoera voor de herfst. Het was in de tijd dat een eerste lichte siddering door het land trok. Een briesje, meer niet. Midden september passeerde de appelschudder even, bijna onmerkbaar. Hij gaf de boomkruinen een luchtkus en verdween dan weer voor twaalf maanden. Al net zo onmerkbaar verschoten daarna de tinten op het land en in de stad wat dieper. De man hield ervan dat het elke dag wat vroeger donker werd. ‘De dagen worden korter,’ zeiden de mensen met een bedrukt gezicht. Dat was natuurlijk niet echt zo. Dat was een uitvinding van de winteruurwerkmaker. Tijd kon immers alle kleuren aan, ook donkere en grijze en zwarte. En het waren niet de tijden die veranderden, maar de stervelingen die ouder werden, onontkoombaar. Over hun gezicht trokken onweerswolken. De mensen hadden ook de gewoonte om vooral die donkere, grijze en zwarte tinten te versieren met lichten, lampen en juwelen, bij voorkeur wanneer de avond ingetreden was, of wanneer een mens geboren werd, lief begon te hebben en daarna sterven moest. De andere kleuren hadden die menselijke ingrepen niet echt nodig, uitbundig aanwezig als ze vanzelf al waren. Mensen waren altijd al een beetje bang geweest voor nacht en onweer, maar vaak stond het slechtste weer alleen maar op hun gezicht te lezen. Het gelaat kreeg meer bewolking te verduren dan zonne-uren. Ook de man kreeg in die herfsttijd weer een ietwat paarse blos op zijn wangen, zeg maar: magenta, want het werd wat kouder. Gelijk met de bladeren die hun bomen loslieten en wegwarrelden over het land, verloren de kruinen de warmte die ze een zomer lang vastgehouden hadden. De man vond dat dus best gezellig. Hij stookte vuren en gooide er de bladeren in die dood wensten te gaan. Het waren geen vuren om te vernielen, maar om het warm te hebben. Aan takken en bladeren leed de man geen gebrek. Langs het kanaal waar hij woonde en rond zijn huis was het één groot gehakketak en geblader. Hij hoefde maar te plukken en te kraken, te bukken en te rapen. En bij het knetterende haardvuur gezeten, las hij met gloeiende wangen alle verhalen waar het heerlijk in waaide. Dan hoopte hij dat het buiten ook echt waaide. Soms was dat zo. De schoorsteen en de rolluiken van het huis konden daar van meespreken. Ook het kanaal rimpelde en rilde vaak hevig. En hij hoopte dat het nooit ophield met waaien, tot de appelschudder weer langs zou komen, met een verse luchtkus, bijna onmerkbaar, een jaar later.


    24-05-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.120: Quo Vadis?

    QUO VADIS?                

    In den beginne was het woord – geloof het of geloof het niet, het staat in de bijbel, maar ook in Quo Vadis was in den beginne het woord. De ‘Quo Vadis’ (volksmond: ‘Kwo’) is mijn ‘oude’ jeugdclub in het bruisende dorp H. Hij bestaat nu al meer dan dertig jaar. In de herfst van 1974 – er stonden nog bomen in de straat – was er daar namelijk ook zo’n oubollige stencilmachine uit het steentijdperk, waaruit we op gezette tijden ‘Muze’ persten en wrongen: dat was een ‘blaadje’ zoals we dat noemen waarin verzen stonden en berichten van de ongeveer dertien mensen die daar elk weekend anderhalf glas rode wijn nipten bij het flakkeren van een halve kaars in een fles. Ik overnachtte daar die winter (want ik kwam altijd van ver) bij scherpe noordenwind met mijn parka aan en mijn voeten schroeiend in een mobiel vuurtje waarvan de gaspul altijd leeg was, zoals Mao Tse Toeng zijn boeken schreef. ’t Is veel veranderd ondertussen, moet ik zeggen, en ik ook. Ik vraag me bijvoorbeeld af: hoeveel gaten zijn er nog in dat dak? Stort dat dak nog af en toe een keer in? Vallen er soms nog mensen in de kelder? Missen ze nog van deur? Passeert er in die kelder nog altijd ’s avonds laat een Romein zonder kop op zoek naar wijn? Wordt dat daar nog altijd gefrekwenteerd door dichters en muzikanten en andere doordrinkers? De snaren van de gitaren van toen zijn wellicht al helemaal anders gestemd nu. Toch deed het deugd anno 2004 daar even weer te zijn tussen gelijkgestemd volk dat een stuk van zijn jeugd op deze plek doorgebracht heeft. Voor mezelf associeerde ik deze biotoop met enkele details: die ‘buzestove’ van 1974 waar ik de armen van een oranje kapstok in verbrandde, plus ettelijke Streekkranten en blaadjes van andere jeugdclubs, de toog waar ik op sliep als die stoof het niet meer deed of als het boven min dertig graden was, de Stones en Mike Oldfield en Focus en Vermandere en John Lee Hooker en ’t een en ’t andere, de afscheidsavond van iemand die naar het leger moest, mijn eerste teksten die ik kwijt kon in een blaadje. Van op een afstand bekeken – de afstand van leeftijd, relaties, tijd, beroep en nieuwe engagementen – deed het altijd wel weer deugd te horen dat het goed ging in ‘de Kwo’. Per slot van rekening laat je in de plaats waar je jong bent geweest altijd een schilfer van je hart achter. Als je in de loop van al die jaren nog ergens een andere Quo Vadisser ontmoette, dan deed dat altijd wel weer enkele aangename belletjes rinkelen, en niet per se die van de kassa. We lagen aan zee, we liepen rond in de zoo, we lieten ons te lande droppen, we vierden oudjaar, we maakten hutspot, we deelden soms lief en leed. Meer moest dat niet zijn, maar het was ook heel veel. In die straat van mijn oude jeugdclub kun je toevalligerwijs voor veel dingen des levens terecht: je kunt er school lopen als je daar zin in hebt, je kunt er (hoog)bejaarde jaren doorbrengen, je kunt er begraven worden als de tijd gekomen is en je kon er tanken naast de deur van ‘de Kwo’, en je kan er dus nog altijd tanken, maar alleen in ‘de Kwo’. De ‘Quo Vadis’ is altijd een van de bekendste drenkplaatsen in het bruisende H. gebleven. Ja, ook ik was een van hen.

    Bijlagen:
    DenooJoris.jpg (297.5 KB)   


    12-05-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.119: Niespijn

    NIESPIJN            

    Roodomrande konijnenogen, bergen zakdoeken, filevorming van snot, je kop van je romp niezen, ziek en niet ziek, een onderwereldbril op je neus tegen het daglicht, pilletjes, injecties, snuifflesjes, dieet, slaperigheid, gesmoorde stem, gemoed ondanks koorts in het vriesvak: hooikoorts, kortom. Een vrij mooi woord, bekt lekker, vind ik, er zit iets zonnigs in, maar het is een verdomd vervelend onding om mee om te gaan. Tussen april en oktober ben ik, samen met grote scharen medelijders, niet echt wat je kunt noemen een natuurliefhebber. Dan zou ik het liefst onder water leven, of in het heelal rondzweven, stof- en krimpvrij bij voorkeur, ver verwijderd van grassen, pollen, berken, bloemen, planten, parken, bossen, bruidsboeketjes, theekransjes, verjaardagstuilen, fluweel, textiel. Onbereikbaar voor droge, schrale oostenwind en vlammend zonlicht. Hoe moet je als hooikoortsige aan je omgeving, de immer begripvolle medemensen dus, uitleggen dat je deus verstobd zit en je stem wegdeemstert en je kop te hard klopt wegens uitzinnig genies, dat je wegens te straffe pilletjes om de drie uur een dreun van de hamer krijgt, dat om de anderhalve seconde het snot uit je kop druipt en dat je hoofd aanvoelt als een op hol geslagen eiland vol koppensnellers? Dat je alleen tegen kauwgumsnelheid kunt presteren? Zo’n kop, verdorie, moeilijk te geloven, man. Want je bent dus niet ziek. Geen dokter heeft aan je bed gestaan. Je mag de woonst verlaten. Je bent alleen maar wrakhout, aangespoeld op een zee van snot. Iedereen schrikt zich een hoedje als je weer eens zeventienmaal na elkaar knoerthard niest. Als het eindelijk avond wordt, is je hoofd leeggeniesd. Je neus is een staketsel van rode vellen geworden. Je stem klinkt stroef als kolengruis. Tijd voor een nieuw pilletje, preventief, want hierna komt nog een dag. Geef ons vochtig onweer, en dat de bliksems gaten mogen schroeien in de ozonlaag, laat het lastoestel van God in werking treden, laat het pijpenstelen zeiken als nooit tevoren. Laat het weer vlug herfst worden, stormen het zwerk schoonvegen, haaientanden regenen. Geef ons een jaar lang herfst, en een statuut voor de hooikoortslijder. En gratis papieren zakdoeken, voorrang in openbare toiletten, kosteloze vakanties aan zee, een eigen rockfestival (‘Snotverblomme Rock’), een toelage voor pillen en begrip vanwege de niet-niezende mensen. We vragen met aandrang dat iedereen de andere kant op zou kijken als we weer aan het worstelen zijn met badnatte zakdoeken en als onze ogen oceanen van dronkenschap lijken te zijn. En nog iets: kom niet af met goede raad. We hebben alles al geprobeerd.


    05-05-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.118: Rog

    ROG            

    Ik zat in een bistrot waar blauwe visjes in een aquarium te kijk zwommen. In deze bistrot werd vast voedsel verstrekt, en het was er best gezellig. Ik pleit voor meer aquariums in eetgelegenheden. Enige drank kon evenmin ontkend worden, maar die heb je nodig om dat vast voedsel door te spoelen. Ik had ‘hoerensjans’, want het dagmenu betrof roggenvlerken, en daar doe ik graag een moord voor. Vlak voor ik geëxecuteerd word bijvoorbeeld, formuleer ik als laatste wens twee verzoeken. Een: geen blinddoek. Ik wil zien wie mij neerschiet. Twee: roggenvlerken. Ik wil op het allerlaatste nippertje van mijn loopbaan op deze aardkloot nog het lekkerste uit de zee proeven. En daarna nog een chocotoff, als het kan. Die duurt lang en rekt mijn bestaan op deze blauwe plek in het heelal nog een wijle. De onnozelste gedachten troffen mij ook in deze bistrot met de blauwe visjes, want ik genoot er van een breed panorama. Ik keek onder andere uit op een bloeiende bakkerij. Op het appartement op de eerste verdieping erboven hing een Vlaamse leeuw. Was de bakker Vlaamsgezind? Of helemaal niet, en was alleen de huurder erboven flamingant? Kon de bakker daar iets aan doen? Vond hij dat goed of slecht voor zijn broodjes? Had hij daar niets mee te maken? Had dat invloed op de verkoop van zijn deegwaren? Bestaat dat, hoe dan ook: Vlaamse broodjes? En zo, terwijl ik naar die blauwe visjes onder water zat te staren, en af en toe ook naar buiten, overvielen mij de gekste gedachten. Bijvoorbeeld nog deze: kon ik de politici processen aansmeren omdat ze met hun lelijke tronies op hun grote verkiezingsborden het zicht belemmerden, ongevallen veroorzaakten en de horizon vervuilden? Konden de verzamelde burgers, zeg maar: het kiesvee, de politici niet voor het gerecht dagen en alsnog een lelijkheidsbelasting uit de brand slepen? Ook de koeien in de weiden waar die foeilelijke borden hadden gestaan, weigerden nog melk te produceren. Hoe zou je zelf zijn? Hoe groen was hun wei nog? Koeiemorgen, zeg! Toen kwamen gelukkig de roggenvlerken eraan, want mijn gedachten werden alsmaar bozer en stouter. Het was me een waar genoegen deze vlerken te verorberen, en ik had daarenboven het geluk dat de patrones kwam vragen of ik er nog eentje of twee wilde. En willen dat ik deed! Ik ga daar zeker nog terug in het gezelschap van mijn inwendige mens. Alzo vormden de visjes en de roggenvlerken in die duistere tijden medio mei enkele bescheiden hoogtepunten. En de zon scheen af en toe wat meer over België, het land van le rouge et le noir.


    28-04-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.117: Opiniepeiling

    OPINIEPEILING                   

    En, hebben zij die onlangs in het weekend ongevraagd aanbelden en uw bus met allerlei onzin volpropten en u daarna al lang weer vergeten zijn, nog iets van zich laten horen intussen? Of zwijgen ze weer als vermoord tot nader order? Hebt u uw stem uitgebracht op een van die openbare figuren die van Vlaanderen een paradijs zouden maken? Op zij die fabriekjes in het armere buitenland neerpoten, voor de eigen portemonnee meehelpen aan de industriële vlucht, maar hier tweehonderdduizend jobs beloven? Herkennen deze verkozenen of onverkozenen u nog uit de zovelen wanneer u in de massa opgaat? Branden ze nog altijd van verlangen om hun beloftes waar te maken? Schuiven ze op zaterdagmiddagen in de file aan bij de Getuigen van Jehova en lopen ze nog altijd uw deur plat terwijl de frietpot op zijn hoogtepunt staat te sissen? Glimlachen ze nog altijd als breedsmoelkikkers bij het zien van uw lichaam? Hebt u nu werkelijk meer Vlaanderen en minder belastingen? Maken zij het verschil? Of hebt u nu nog altijd kiespijn? Voelt u hun beloftes elke dag ook in uw portemonnee? Verhoogden zij vlak na hun uitverkiezing niét fluks de benzineprijzen aan de pomp? Zorgden zij inderdaad voor de transparantie in administratie en papierwinkels of veroorzaakten zij zoals verwacht alleen maar transpiratie? Nemen zij nog te gelegener tijd de woorden ‘U’, ‘jouw’ en ‘burger’ in de mond? Geven ze echt blijk van topprioriteiten? Schaffen ze echt uw hoogdagen af? Bemoeien ze zich verder met uw vrijetijdsbesteding? Drijven ze de betutteling nog altijd zo ver? Schuiven ze ook nog altijd met percentages en wijzen ze naar statistieken om hun gelijk te halen? Fietsen de paters van Groen! nog met lawaaihinderend belgerinkel rond? Staat dat Haantje-de-voorste nog in bier-en worstkramen idiote schlagers uit te kramen? Klopt blauw elkaar nog op de schouders? Doet sp.a nog belleke-trek? Ziet het er nog bruin uit voor Bruin? Heeft de NVA nog altijd geelzucht? Dienden ze een onkostennota in? Bekenden zij na hun niet-verkiezing hun lijkbleke kleur? Hoe zit het nu met het anciauvisme en het stevaertisme? Is het weer huilen zonder pet op? Zitten er weer van die Beroerde Vlamingen in de besturen? Hebben ze al hun oud papier weer opgehaald, zoals ze zelf propageren voor oude toestellen en verpakkingen? Ruikt het in uw omgeving naar gebakken lucht? Draaien de windhanen op de Vlaamse kerktorens weer op volle toeren? Moeten we er weer geen tekeningetje bij maken? Begrijpt u wat ik bedoel? En, laatste en belangrijkste vraag van deze opiniepeiling na de vorige en voor de volgende verkiezingen, een retorische vraag: dachten ze echt dat ze op uw stem konden rekenen? 


    21-04-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.116: Vragen aan 1 engel

    VRAGEN AAN EEN ENGEL                    

    Ben je hier geweest of is dat te veel gevraagd? Moet je hier niet zijn of ben je net vertrokken? Kom je uit een ander tijdperk, liep je even aan en ben je weer verdwenen? Heb je even van een glas genipt, een bloem verschikt? Laat je een geheime deur aanstaan? Liet je een Dear-Johnbriefje achter? Waar anders mag ik je verbeelden? Is dit Parijs, Berlijn, Normandië, geen van beide, dan maar stad en weide in kaart en kleur gezet, gedacht, verteld? Spreek je gebroken Frans in Sint-Petersburg en dans je in Constantinopel de cancan? Hoorde je in Brighton, Deauville en Oostende de schreeuw van meeuwen om wat manna? Ben je voorheen al onbeschrijfelijk beschreven? Ga je kerken binnen of prevel je op straat de doodgewoonste woorden voor je uit? Zink je wel eens vaker neer op banken in een park van herfstzomer of stap je alsmaar door? Laat je dan een schroeiplek na op dit ondermaanse of een luchtbel vol met geurigheid? Gluur je verstolen naar jezelf in weerschijn van etalages of trotseer je de terrassen zonder meer? Duik je graag in boeken onder met een open einder of verdrink je liever in de beelden van weleer? Als de mode wil dat het weer lente wordt, en het trottoir weer catwalk wordt, volg jij dan op de hielen deze zachte revolutie? Mogen we dat dan ook maar even zien? Durf je je eenzaam vol te vreten tussen suikertantes in de tearoom? Ga je met voorbedachten rade uit de kleren? Ligt er binnen schootsafstand altijd een wapen klaar? Voel je je veilig als de lampen weer gaan doven? Hoe veel mensen zijn er al voorgoed verdronken in de oceanen van je ogen? Kan je zelf het kaatsen van een spiegel aan? Is je hart een kooi van ribben, het Berlijn van na de oorlog of het Parijs dat weifelt tussen licht en liefde, dromen en bedrog? Wordt het een zachte landing in Normandië? Laat je het licht aan en de poort open terwijl de zuidenwind door kruinen fluit en klokken malen om verloren tijd? Zou ik wat Mozart voor je kunnen zijn, het begrijpen rond een glas rode wijn, vieren, weet je wel, maar niet te fel, niet rijmen zo strak, de woorden niet dopen? Laat je dan het licht aan en de poort open? Worden we wat wijzer dan of verdwijn je weer in straten, over pleinen, in de steden, aan de wind? Als in de strakke blauwte van augustus bovenal een vliegtuig met gespreide vleugels bidt, zit jij daar dan in? Zing jij dan de zomerherfst in de diepte die daaruit ontstaat als gewijde opera? Noem je dat dan romantiek en durf je dat te durven? Zou je vlinders kunnen doden en de wind gaan wecken om niet te vergeten hoe onstuimig het ooit was? Hou je van het wrede van collectioneren en bewaren, waaiend glas en marmeren gefladder zoals destijds Pompei? Als het woord behagen valt, maak jij je dan uit de voeten naar een ander, verder eiland schier? Kom je nog terug als je weet hebt van het zachte ruisen van een goede stilte, van de grootste warmte in de kleinste wintertuin, en van eilanderigheid: als heel veel overal altijd rondom jou op je afkomt om je heen? Wat wacht er aan het einde van de straat, op het plein, om een hoek, aan de fontein: een feest, herinnering, draaiboek, ansicht, glansrol, gerinketink van glas op wat was, weemoed, een heildronk op wat wegblijven of komen kan?


    14-04-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.115: Garnaal

    GARNAAL                    

    Hoeveel verschillende soorten uitspraak van het woord ‘garnaal’ zouden er zijn? Ze klinken allemaal om ter vreemdst en om ter gruwelijkst. Vooral in de lage streken van deze westelijke provincie. Ze klinken een beetje zoals de beestjes er zelf uitzien: leuk, maar lelijk. Misschien ook veroorzaken ze te veel water in de mond bij het uitspreken. Yves Leterme (iemand uit Ieper) trok vorig jaar eind augustus het verse garnalenseizoen op gang. Hij leerde hoe hij het staartje vast moest houden om het lekkere diertje van zijn pantsertje te beroven. Niet te onderschatten. Op zijn eigen beëdigde hoofd bevond zich uit hygiënische overwegingen een leuk transparant petje. Ook de visvrouwen rond hem waren zeer proper ingepakt. De minister-president (naar eigen zeggen goed op de hoogte van het viswezen via een vroegere viswinkel in Wervik) zat daar natuurlijk niet zomaar. De baas van Vlaanderen was eigenlijk dubbel druk aan het werk. Hij kwam zich informeren over de problemen in de garnaalvisserij. De brandstofprijs bleek daar bijvoorbeeld toe te behoren. Dat is zeker een groot probleem. De laatste jaren, heb ik de indruk, smaken garnalen meer en meer naar brandstof en bewaarmiddelen, en minder en minder naar garnaal. Met tomaten heb je dat ook. En vooral: met gevulde tomaten. Sommige tomaten zijn namelijk zo oneetbaar dat men hun vruchtvlees er vooraf al uitlepelt. Kijk: er is een feestje, of het wordt Kerstmis, en wat gebeurt er? Men propt achtenveertig slappe garnalen in de bloedrode holte waar de ingewanden van de tomaat zich bevonden en men bekomt een dubbele neutrale smaak. Dat gecombineerde vergrijsde roze en roodsel smaakt gewoonlijk naar niets. Het is bijna de vleesgeworden afwezigheid van smaak. Bah, en dat uitgedroogde tomatenhoedje dat daar dan bovenop prijkt! De kroon op het werk. Het kapsel op de koningin. Nu maar hopen dat die kerel uit Ieper het bevel heeft gegeven tot het leveren en opscheppen van alleen maar levende-verse garnalen. En omdat hij zich ook over de tuinbouw gaat ontfermen, wel, dat hij de tomaten ook maar eens een verse rode blos geeft, een beetje natuurlijker dan die glanzende geforceerdheid die alleen maar fletsheid in de mond veroorzaakt. Als de kwaliteit zo goed is, en de productie zo hoog, en de prijzen dus kelderen (die vreemde paradox van overvloed en armoede), kan er weer meer aandacht besteed worden aan de gezondheid. De een zijn dood is de ander zijn brood. Weg met de vergrijzing van de garnaal.


    08-04-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.114: De collectie

    DE CATERING-COLLECTIE

    (Aan het brood ontsnapt)

    met dank aan Anton Tsjechov

    Enkele dagen geleden bracht ik een bezoek aan mijn vriend de journalist Everhart De Bruyn. Ik vond dat hij fel vermagerd was. Hij bood me een kopje thee aan, want hij had net een vers kannetje staan. Dat sloeg ik niet af.
    ‘En mag ik er een broodje bij?’ vroeg ik. ‘Ik heb al geruime tijd niets meer achter de kiezen gehad.’
    ‘O nee,’ antwoordde Everhart. ‘Nee, nee. Ik bied wel mijn vijanden brood aan, maar zeker nooit mijn vrienden.’
    ‘Tiens, dat is vreemd,’ zei ik. ‘Waarom dan? Waarom dan niet?’
    ‘Waarom? Kom eens mee!’
    Everhart troonde me mee naar de salontafel, spreidde er zijn krant op uit en trok de lade open.
    ‘Kijk,’ wees hij.
    Ik keek in de lade, maar ontdekte hoegenaamd niks interessants of opvallends.
    ‘Maar ik zie niks,’ zei ik. ‘Ja … alleen wat prullen … zoals je wel vaker in een lade aantreft: … een vodje … een punaise … een lucifer … een spijker … eh … ‘
    ‘Inderdaad,’ knikte Everhart. ‘Zeer juist. En dat is het precies wat ik je vraag even te bekijken. Tien jaar heb ik gedaan over mijn collectie. Het is een merkwaardige verzameling geworden van vodjes, nagels, beentjes, dode dieren, graten, prullen, eh … soms onherkenbare onderdeeltjes van iets groters.’
    Hij graaide de inhoud van de lade bijeen en liet die op de opengespreide krant vallen. Toen stak hij van wal.
    ‘Zie je die half opgebrande lucifer? Dat is een interessant voorwerpje. Hij kon mijn dood betekend hebben. Verleden jaar zat dat ding in een gebakje van patisserie Lizzy. Wat het daar deed? Dat was en is een groot raadsel. Gelukkig was mijn vrouw thuis, om me op mijn rug te kloppen. Het luciferstokje zat namelijk dwars in mijn keel. Ik werd op het nippertje door haar gered. Zie je die teennagel hier? Dat halvemaantje? Ja, natuurlijk: hij is groot genoeg, hé. Drie jaar geleden bevond die zich in een klaaskoek van de bakkerij An & Geert. Ja, die klaaskoek had armen en benen, maar nagels hoefden er voor mij niet aan, hoor. Ik slikte het ding net niet door. Vervolgens: dat stukje vod hier. Dat stak vijf jaar geleden in een stuk worst van de bekendste fijne-vleeswarenzaak in Brussel. Op de valreep belandde het niet in mijn inwendige mens. Omstreeks dezelfde tijd ontdekte ik in een potje yoghurt én een mensenhaar én een punaise. Gelukkig was ik toen al min of meer een gewaarschuwd man: ik lepelde alles heel traag en bedachtzaam uit. En ik ga door. Ik merk dat je geboeid luistert. Dat zakdoekje hier zwom in de kervelsoep die ik in het stationsbuffet aan het eten was. Deze spijker bevond zich in het broodje-gehakt dat ik in een ander station had gekocht, want ik vertrouwde de catering in dat eerste station niet langer. Deze rattenstaart hier – intussen gelijkt hij op een aardig stukje leer, nietwaar – komt uit een flesje bier. Ik zette er mijn mond aan en … je kunt je mijn afgrijzen wel voorstellen. Dit sardientje – althans: je ziet er alleen nog dit ruggengraatje van – ontdekten mijn vrouw en ik in een verjaardagstaart voor onze zoon. Deze harige duizendpoot baadde in mijn pint in de Ierse pub hier vlakbij. En ik was ook 1 cm verwijderd van het inslikken van deze schapenkeutel, die verzeild was geraakt in leverpastei die we van de kerstmarkt meebrachten. Enzovoort … enzovoort … Intussen weegt mijn merkwaardige verzameling anderhalve kilogram. Dat is 1 œ kg die ik alvast zelf niet hoef te torsen. Maar wie weet wat ik wél al allemaal heb ingeslikt. Gelukkig, maar het betekent een ietwat schrale troost: deze collectie hier heb ik dus net niét ingeslikt. Wil je nu een broodje bij je thee?’
    ‘Nee,’ schudde ik beslist.


    31-03-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.113: Grot met klaprozen

    IN EEN GROT MET KLAPROZEN

    ( BOEFTIE, GEDAANTIE & PEPELAAR )

    Ze bestaan echt, want ze doken al eens in mijn dromen op. Daarom kan ik ze moeilijk beschrijven. Ik waag een poging. Het is lang geleden, en toch lijkt het de dag van gisteren. We zeggen en schrijven 1918 en 2008.
    Pepelaar heeft voorspellende kracht en maakt altijd de zinnen van andere mensen af. Balen!
    Gedaantie heeft in volle zon geen schaduw en loopt permanent gelaagd gekleed. Zweten!
    Boeftie geilt op zestienjarig meisjeshaar, dat hij voortdurend wil kammen. Rennen!

    Ik ontmoette ze op de Carpathia, het schip dat het dichtst bij de Titanic was (maar helaas ook te ver: 93 km) op het ogenblik van de ramp. De Carpathia was een democratisch schip, met een 2e en een 3e klasse van vrij hoog allooi. Het was ook gespecialiseerd in het transport van diepgevroren voedsel. Daartoe was het uitgerust met drie aparte koelmachines, extra bij die voor eigen gebruik.
    Boeftie en Gedaantie waren beëdigde indommelaars, door de rederij vast in dienst genomen. Hun taak: ’s avonds in de kajuiten de slapen van resp. oudere dames (Boeftie) en heren (Gedaantie) masseren tot die de slaap konden vatten. Soms deden ze hun werk zo goed dat bepaalde dames en heren door de hele oceaanreis heen sliepen. De indommelaar en indommelaarster vormden niet echt een koppel, maar toch zag je ze vaak samen. Ze dommelden bijvoorbeeld af en toe bij elkaar in, uiteraard vaak overdag.
    Pepelaar was door Boeftie en Gedaantie aanbevolen bij de kapitein. Hij mocht zeeweddenschappen organiseren en de speelzaal in de 2e klasse runnen. Een korte schets van de kerel: hij geleek op de missing link, maar wel met twee gouden tanden. Daarenboven was hij Russisch-Orthopedisch. Hij kruistekende zich averechts en hij mankte.
    Die rampavond met de Titanic (de nacht van 14 op 15 april 1912) was ik met mijn schijnvrouw, de operazangeres Macarena Rubens (ook genoemd Gods Persoonlijke Nachtegaal) in de speelzaal van de Carpathia. Met haar had ik een schijnhuwelijk aangegaan. Zo kon deze Roemeense zangvogel ongestoord in westelijk Europa verblijven en werken, zeg maar: kwelen. En ik had zelf niks anders omhanden. Nu wou ze echter de grote plas over, met mij, om haar geluk in Canada of Amerika te beproeven. In deze goede en kwade dagen volgde ik haar. Ik zou namelijk ook haar wettelijke entreekaartje in Amerika zijn. Overigens lokte een oceaanreisje me wel aan: ik had in die periode een vissenbeet geïncasseerd die slechts moeizaam genas. Een van onze aquariumvissen thuis had bij de laatste voedersessie het bovenste kootje van mijn rechtermiddelvinger omzeggens weg gehapt. Nog geruime tijd daarna liep ik koortsig rond. Een uitje op de oceaan zou me dus goed doen.
    Terwijl in de verte de Titanic aan het zinken was, waren Macarena Rubens en ikzelf aan de hoofdspeeltafel Pepelaar aan het bedriegen. Hij was zo gemeen en lelijk dat we hem genadeloos oplichtten en plunderden. Zijn gouden tanden en onze trouwringen flikkerden vervaarlijk over en weer. Dit was oorlog. Macarena beheerste dit als geen ander; dat had ze allemaal in de coulissen van de Karpaten geleerd. Ikzelf was ook bijzonder vingervlug. Dat had ik opgestoken in de buik en ingewanden van Brussel.
    Laat op de avond kwamen Boeftie en Gedaantie er geeuwend bij staan. Hun nachttaak zat er op. Ze hadden de ouderen van dagen de slaap in gewreven en in de armen van Morpheus gedreven. De oceaan zou hen verder tot de ochtend wiegen. Dachten ze.
    ‘Ze hadden wel nog zin in een spelletje,’ knikten ze.
    ‘Dat zal wel,’ grinnikte ik, want we hadden de samenzweerders intussen goed leren kennen. Macarena glimlachte weer gevaarlijk. Pepelaar keek diep en hulpbehoevend in de ogen van zijn kornuiten. Dat allerlaatste spelletje ging echter helemaal niet meer door.
    Even later werd iedereen op het schip gealarmeerd. Alle energie werd aangewend om ziedend snel door de koude wateren in de richting van een noodsein te varen, slalommend om ijsbergen heen. Intussen zocht en stapelde iedereen ijlings dekens en noodvoorzieningen op het dek.
    We beseften toen nog niet dat we een soort heldendom tegemoet gingen.
    Maar ons heldendom op deze aarde was van korte duur. Enkele jaren later zonk ook de Carpathia, op 17 juli 1918. Dat betrof oorlogsomstandigheden. Na driewerf geklop in mijn hoofd werd ik wakker. De rest van de opvarenden werd ook gered, sommigen weliswaar zwaargewond. Vijf mensen overleden door de explosies van drie torpedo’s. Onder hen Boeftie, Gedaantie, Pepelaar en mijn schijnvrouw Macarena Rubens. Ze bevonden zich op dat fatale ogenblik allen bakboord. Ook in de machinekamer stierf nog iemand, een bemanningslid.
    Het was 1918 en 2008. Ik mis niemand echt. Gelukkig kan ik het nog doorvertellen. Macarena echter …


    23-03-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.112: Rechtspraak

    RECHTSPRAAK                          

    Het Deutches Requiem van Brahms weerklonk door mijn weidse schrijfvertrekken in de geheimzinnige stad K. – prachtige protestantse muziek over mens en dood, rouw en troost. Buiten struikelde godverongelukt schel winterzonlicht over de daken. Celsius ging vreemd: 14 graden, godgenageld! Toch had ik liever nog regen op een dinsdag in Rome dan winterzon op een zaterdag in een geheimzinnige stad in het zuiden van westelijk Vlaanderen. Nu, je kunt niet alles hebben: én het leven, én een inktzwarte Saab, én gezellig slecht weer, én een uur Brahms, én een wereldstad. Ik had toch ook, toegegeven, een vrij interessant Belgisch panorama als ik rechts van mij naar buiten staarde: een gerechtsgebouw. De grauwheid ervan kon te wijten zijn aan het ontbreken van glazenwassers, ik bedoel: wat mijn ramen betreft. Voortdurend daalden en stegen zekere rechtspersonen van en op de trappen. Ik vroeg me af hoe veel van ze de waarheid in pacht hadden. De ene moest zweren niks anders dan de waarheid te vertellen, de andere mocht beroepshalve liegen, geen van beiden kon een goeie zin bouwen, laat staan uitspreken. Deze donkere gedachten overweldigden me, fel beschenen door vreselijk hel winterzonlicht in de stille stad K. gelegen langsheen het traankanaal de Leie. Gelukkig kon ik troost vinden in Brahms’ Requiem, een notenkraker van de bovenste plank. Toen ik weer even in een schrijfgat tuimelde, en niks meer kon verzinnen om aan het nochtans gewillige papier toe te vertrouwen, probeerde ik het beroep of de hoedanigheid te raden van de stervelingen die op de trappen van het gerechtsgebouw verschenen. Wrange glimlach, autosleutels in de hand, apenpakje over de arm gedrapeerd: advocaat. De tijd nemend om op de trappen nog twee keer stevig aan haar sigaret te ‘trekken’ en die dan grondig ‘doodtrappend’ op de eh … trappen: schoonmaakster of seriemoordenares. Twee achter-in-de-twintigers en een dertiger, alledrie met een snorretje: Albanese vriendenkring. Een man, gehaast: scheidingsprocedure, leraar scheikunde, moest nog examens ‘verbeteren’. Een vrouw, gehaast: scheidingsprocedure, werkzoekend, moordplannen, wou af van leraar scheikunde. Een man met witte-verfplekken op zijn plunje: gevelschilder die zijn rijbewijs weer op kwam halen, zeer tegen zijn zin nochtans de trappen bestijgend. Man plus vrouw, dalend, stevenden recht en rokend op hoekcafé af: huurcontractconflict verloren, juridisch steekspelletje gaan verzuipen. Twee mannen in blauw met insignes waar die godgenagelde schelle winterzon op weerkaatste: politie. Iemand op vier poten die een mens aan de lijn had: een hond. Hij plaste tegen de onderste trede en vervolgde ongestraft zijn weg. Op enkele uren rijden oostwaarts deed zich toen het stripverhaalproces voor van de moord op André Cools. Op enkele maanden afstand zou dan het proces-Dutroux plaatsgrijpen. Toen ik weer tot mezelf kwam en me concentreerde op het witte blad kreeg ik hevig heimwee naar een regenachtige dinsdag in Rome, maar dan zonder Berlusconi.


    15-03-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.111: Eierensmelting

    PAASEIERENSMELTING                 

    Ik heb in mijn dorp een nieuw gebruik gelanceerd. Het kwam in me op toen ik naar de traditionele kerstboomverbranding stond te kijken met een koele cola in mijn hand. Waarom niet alle overtollige paaschocolade van de vraatzuchtige en de stoute kinderen een week na Pasen ophalen en die massaal smelten? Door een soort Boze Paaspiet? Dat kan gebeuren in een daartoe bestemde grote paasketel. Alle kinderen die zich misselijk gevreten hebben ter gelegenheid van de verrijzenis van de heer Jezus Christus moeten er hun overtollige eieren en zo in deponeren. Ze worden ook verplicht toe te kijken op de paaseierensmelting, als straf voor hun vraatzucht. Van die chocoladepap mogen alle brave kinderen dan komen eten: alle kinderen die hun Pasen gehouden hebben en een week lang helemaal niets van hun chocolade gegeten hebben. Wat gebeurt er dan met die stoute kinderen? Daar moet ik nog verder over nadenken, maar een kinderensmelting behoort ook tot de mogelijkheden, zo ongeveer een week voor de grote vakantie. Maar wat moet er dan met die kinderpap gebeuren? Daar ben ik ook nog niet uit. Sommige kinderen hebben flaporen. Transatlantische zeiloren, zeg maar. Andere niet. Maar die hebben dan bijvoorbeeld iets anders: vlammend ‘rost’ haar, twee ongelijke spillebenen, een neus als een glijbaan, kikkerogen, duizend sproeten, wit haar, zwart haar, bruin haar, een deelteken op hun borst, een komma tussen hun benen, noem maar op …Wel: al die kinderen mogen ook van de paaspap komen eten. Als ze maar allemaal hun klep houden. De paaseierensmelting en de paaseierenproeving gebeuren in volstrekte stilte, onder begeleiding van de Boze Paaspiet. De kinderensmelting vlak voor die onnozele grote vakantie daarentegen gaat met luid gejuich en applaus gepaard vanwege de brave kindjes die hun Pasen hebben gehouden én goede cijfers of letters op school behaalden. De aldus verkregen kinderpap kan eigenlijk gewoon worden weggegoten. (Vandaar de uitdrukking: ‘Het kind met het badwater weggooien’, komt oorspronkelijk van: ‘De kinderen met het papwater weggooien’). Tot zover mijn nieuw gebruik. À propos: bij die klassieke kerstboomverbrandingen moeten ze wel uitkijken. Er zijn de laatste maanden opvallend veel branden in bejaardentehuizen. We ijveren er met onze partij momenteel voor die twee zaken gescheiden te houden: kerk en staat. Kerstbomen verbranden is immers heidens. Maar paaseieren smelten en kinderpap maken, nou: lees er maar eens de gewijde-geschiedenisboeken op na. In de grootste beschavingen werd alom gesmolten. Wel, smell you later, alligator.


    05-03-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.110: Gezeid is gezeid

    GEZEID IS GEZEID                      

    Verloofd zij Jezus Christus, zei de priester, en hij zwaaide met zijn kwispel naar zijn buurvrouw. Eigen volk eerst, riep de Vlaams Belanger, en hij sloeg zijn kinderen dood. Geen commentaar, zei Dehaene, en hij liet een wind vanachter. Mijn koninkrijk voor een hond, zei Laurent, en hij veranderde in een kikker. Niks van aantrekken, zei de kleermaker, en hij kleedde de mannequin uit. Tijd is geld, zei de luiaard, en hij bleef zitten. Ieder huisje zijn kruisje, zei de pompier, en hij stak zijn vrouw in brand. Een hoed op je hoofd staat chique, zei Fabiola, en ze werd getroffen door een verdwaalde vogel. Trop is teveel, zei Van Den Boeynants, en hij gaf de pijp aan Maarten. Nooit van mijn leven, zei de eendagsvlieg, en ze knalde tegen een boom aan. De ene shit is de andere niet, zei Margriet, en ze stapte van de VRT in de politiek. Dat kussen is er teveel aan, zei Filip, en hij veranderde ook in een koele kikker. Leven en laten leven, zei de seriemoordenaar, en hij dronk het aquarium leeg. Perfectie is saai, zei Hugo Claus, en hij schreef weer een slecht boek. Ik ben weer op teevee, zei Van Rossem, en hij wuifde naar de bewakingscamera. Gezondheid schaadt het roken, zei de sponsor, en hij hoestte drie miljoen op. Het leven kan zwaar zijn, zei Panamarenko, en hij zag ze weer vliegen. Hoge bomen vangen veel wind, zei Johan Persijn, en hij werd ontvoerd door de Liga ter Bescherming van Boskabouters. Klep dicht, snauwde de postbode, en hij gaf de tochthond een trap tegen zijn kont. Ik ben alles uitgehaald, zei de vrouw, maar ik heb het nu in mijn hoofd gestoken. Weg met die papierwinkel, zei Van Quickenborne, en hij draaide een joint met wc-papier. Het zijn moeilijke tijden voor de kunst, zei Jan Hoet, en hij exposeerde zichzelf. Om het eerst bij de poort, riep Jan Breydel, en hij sloeg Pieter De Coninck de kop in met zijn goedendag. Ik laat ze eens een poepje ruiken, zei de boer, en hij boerde rustig door. In Oostende moet een nieuwe wind waaien, zei De Decker, maar zijn vlieger ging niet op. Maar allez, zei Luk Alloo, ik had me gisteren toch nog geschoren? Had ik dat geweten, zuchtte de madam van dat andere merk tegen de madam van Dash, en ze werd zo wit als een lijk. Geen haar op mijn hoofd, zei de leugenaar, en zijn lip trilde als een belastingaangifte. Het is een cadeau, zei Denoo, en hij gaf zijn paard een muilpeer.


    02-03-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.109: Verre westen

    VERRE WESTEN                  

    Ik kon niet aan mijn tocht beginnen zonder een neutje en een ‘schelle van de zeuge’ bij Berten en Gerda even bezijden de weg tussen Ieper en Veurne. Tien Brabantse trekpaarden op een rij deden daar alsof ze in gedachten verzonken waren. Medio november, tijdens de zeer dynastieke monumentendagen, terwijl het gebladerte van oude soldaten over de wegen warrelde, ging in Krombeke, Haringe, Roesbrugge, Watou, Beveren a/d Ijzer, Stavele, Houtem en Leisele de zon rond 16 uur 48 onder als een gigantische oranje kauwgumbal. Op monsterachtig grote landbouwmachines gingen de lichten aan. Een piepjong boertje reed ons op een op-de-groei-gekocht tractortje voorbij. Twee etmalen plus nog een aantal aan de werkelijkheid ontstolen uren lang zwierf ik met voorbedachten rade en in mijn langste loopgraafjas rond in hop- en polderstreek. De uiterlijke mens legde ik te slapen in ’t Kapittel in Watou, bij Bernadette: een inspirerende plek met pico bello ontbijten. De innerlijke mens voorzag ik hier en daar van vast en vloeibaar voedsel. Jan Dhondt, auteur van de toeristische ‘Westhoekjes’, wachtte me bijvoorbeeld in ’t Boeregat in Houtem op voor enkele kostelijke avonduren. Hij herhaalde dat de volgende dag in het Christen Volkshuis te Haringe-Roesbrugge, biotoop to be! De patron van De Zaligheid in Beveren bereidde me een perfect fazantje en schonk Remhoogte, een Suid-Afrikaanse rode wijn. Ik fietste op straffe van mijn leven de adembenemende steilte van een kuitenbijtende heuvel op en af, en werd onbewust deelgenoot in het vreemde raadsel van een gestolen/verwisselde fiets. Dat kon alleen maar in zo’n hellegat gebeuren. Als ik er ooit terugkeer, zal ik daar een ei gaan pellen. In ’t Kerkegat, grote hoektand van Roesbrugge-Haringe, bezwoer ik een vage bekende dat er met mijn ribbetjes niets beters klikte dan een koele pint, terwijl ik daarop klonk met een ricard in de hand. Ik ontdekte wegwijzers naar Ronse en Maldegem bij de brug aan het Hof van Commerce (inclusief oude slagerswinkel) bij de brug in Stavele. Om uit te blazen ging ik schrijven op mijn kamer, of zappen tussen National Geographic en oude zwartwitte beelden uit De Groote Oorlog. En terwijl die grote oranje bol van de zon ten derden male ter kimme neeg, sloot ik een schitterend weekend af in De Koornbloem op het Klein Marktje in Watou. Ik had elk uur opgespannen tot dubbele proporties, elke beker geledigd tot op de bodem, rookzuilen als zeppelins geblazen en varkens en gevogelte eer betuigd. Tussen de plooien van dag en nacht vond ik zelfs nog extra tijd uit. Voorwaar, ik zeg u: the west is the best.


    26-02-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.108: Regenkleurenboog

    ALLE REGEN VAN DE KLEURENBOOG          

    Kleren maken de man, want ze bedekken hem. Kleuren kunnen hem sieren. Kleurenblinde mensen aarzelen lang voor hun kleerkast. Ze zijn door vergelijking of door opmerkingen te weten gekomen dat er iets schort aan hun kleurenwaarneming. De kleurenblindeman (m/v) heeft ook moeilijkheden met stembiljetten, drankbonnen, verkeerslichten en tientallen andere pietluttigheden die hem het leven kunnen kosten. En misschien combineert hij per toeval zulke originele kleren en kleuren dat de toeschouwers er zelf een kleur van krijgen. Kunst door de schok der verandering, weet je wel. De kleurenblinden behoren tot de club van de gezellige minderheden: linkshandigen, roodharigen, hooikoortsigen. De beste en veiligste kleur voor dit soort blinde is blauw. Ook al krijgt dat woord in de woordenboeken veel negatieve betekenissen of spreekwoorden naast zich: blauwe boon, blauw van de kou, een blauwtje lopen, blauwen (smokkelen), iets blauwblauw laten, (to have) the blues, blue devils (een kater), een ‘blauwe’ (gemeenzaam voor ‘iemand met niet-blanke huidskleur’). Beeld u eens in dat alle groen in de natuur blauw wordt: mariablauw, grieksblauw, irisblauw, jamaïcablauw, berlijnsblauw. Zoals een zomerblauwe lucht met witte remsporen van vliegtuigen in, met gespreide vleugels bovenal biddend in die hemelse blauwte. Misschien is er op aarde wel iemand die de landschappen zo waarneemt. Zonder dat hij het beseft noemt hij zijn blauw ‘groen’. Blauw word ik zelf zelden beu. Tekenleraars probeerden me ooit uit te leggen hoe het zat met warme en koude kleuren, maar dat raakte nooit mijn koude kleren. Ik zag dat waarschijnlijk anders, of al helemaal niet. Ik behoor namelijk ook tot dat clubje van prettig gestoorden op kleurenvlak. Mijn enige zekerheden betreffende kleuren: een sikkepit is altijd wit, zwart staat apart, aan verkeerslichten moet je dubbel uitkijken, rood is dood, paars is voor de paus. En bovenal: de wereld is ook een blauwe plek in dit heelal. Als je van op de maan naar onze planeet kijkt (wie werd al niet eens naar de maan gewenst?), merk je dat duidelijk. En voor de rest is het beeld duidelijk zeker? 


    18-02-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.107: Vraagstaart

    VRAAGSTAART                 

    A – Hoe zou u willen sterven mocht uw ogenblik gekomen zijn ?
    B – Ik twijfel tussen een onbewaakt of een bewaakt moment.
    A – Waar zou u nu willen zijn ?
    B – In Jutland onder laaghangende wolken terwijl een storm aanzwelt.
    A – Wat is uw voorkeurkleur ? Kleuren, misschien ?
    B – Grieksblauw, onderwatergroen, eierdooiergeel, valavondoranje, magenta, solferino.
    A – Welke historische figuur bewondert u bovenmate ? Figuren ?
    B – Sidney Reilly, Coco Chanel. Geen staatsmannen of -vrouwen.
    A – Q ?
    B – De eerste professionele Westerse spion. De andere figuur is u welbekend.
    A – Ach zo. Hoe zou uw motto kunnen luiden ?
    B – We never sleep. In het Nederlands: altijd opletten.
    A – Hoe ziet uw geluksdroom er uit ?
    B – Stormachtig, landschappelijk vlak, drank, voedsel, warmte, onderdak.
    A – Uw beste karaktertrek ?
    B – Flexibiliteit. Ik vaar, ik vlieg, ik loop, ik rijd.
    A – En uw slechtste karaktertrek ?
    B – Ik pas me te makkelijk en te vlug overal aan.
    A – Lievelingsdieren ?
    B – Ijsbeer, wolf, vos, kameleon, windhaan, pechvogel.
    A – Haha. Welke eigenschap verkiest u bij anderen ?
    B – Geheimzinnigheid. Humor. Smaak.
    A – Welke is uw liefste bezigheid ?
    B – Gastronomie terwijl het stormt, bij voorkeur ergens aan zee in de herfst.
    A – Welke historische figuur verafschuwt u ?
    B – Alle niet-Russische dictators. Vooral Pinochet, Nero, Hitler en Amin.
    A – Waar zou u willen wonen ?
    B – In Chicago of Edinburg. Het waait er vaak.
    A – Wat vindt u van deze vragen ?
    B – Deze vragen vinden mij best te doen. Ze vallen niet echt op door eenvoud.
    A – U proest het dus uit ?
    B – Zoveel is zeker ! Is dit een woordspeling ?
    A – Ik had u niet gevraagd zelf te eindigen met een vraag.
    B – O, maar dan zijn de rollen even omgekeerd hé ?
    A – Inderdaad. Hoe is het zo ver kunnen komen ?
    B – Maar daar loop ik niet in hoor !
    A – Maken we er dan maar een einde aan ?
    B – Helemaal niet. Da-ag !


    10-02-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.106: Mooie woorden

    MOOIE WOORDEN                  

    Vroeger, toen sommige dieren nog spraken, hoogstwaarschijnlijk West-Vlaams, en ikzelf nog tafelhoogte was, dacht ik dat achtentachtig en vierennegentig ‘meer’ waren dan honderd. Die woorden klonken namelijk langer en indrukwekkender. (Ik heb ook altijd het gevoel gehad dat volslanke mensen ‘meer’ op de wereld zijn dan slanke. En me lang de vraag gesteld of bijvoorbeeld een geamputeerde arm ook naar de hemel gaat). Ter zake nu: mooie woorden zijn niet de bombastische hoogdravende adjectieven die in een bolle opgeblazen rij na mekaar worden geparkeerd. ‘Tekenende woorden’, predikten ze vroeger op school. Mooie woorden horen niet thuis in een lange nietszeggende zin. Zo’n zin noemen we dan: holle frase. Mooie woorden wonen niet in praatballonnen van praatvaren die zichzelf graag horen spreken. Mooie woorden hoeven zelfs niet in gedichten. Mooie woorden zijn alleen maar mooi op zichzelf. Ze verschillen van mens tot mens. Soms is er geen reden voor. Je weet niet hoe het komt dat je ze mooi vindt. Ze zijn zomaar mooi. Ananas. Vulkaankonijn. Kiwi. Verdriet. Gletsjer. Ik zie ze graag en ik spreek ze graag uit. Er zijn ook lelijke woorden, vind ik. Scenario. Loopbaan. Kaukasus. Brandweer. Maart. Weer weet ik niet waarom. Zou het kunnen komen door bepaalde mensen die ze gebruiken of bepaalde plaatsen waar ze voorkomen? Van het ogenblik dat een politicus woorden in de mond neemt, zijn die bezoedeld. Zoveel is zeker. En woorden uit een tuchtreglement zullen ook niet op veel sympathie en begrip kunnen rekenen, vrees ik. Misschien valt een persoonlijk mooi woord te vergelijken met een geluksgetal of een voorkeurkleur. Door omstandigheden kunnen die veranderen. ‘Station’ kan een leuk woord zijn. Het hangt er van af met wie je er bent, of als je er vertrekt of aankomt, en zelfs op welk tijdstip van welke dag: maandag, vrijdag. De namen van de dagen zijn allemaal om ter lelijkst. Die van de maanden ook, september uitgezonderd. Er steekt vaart in dat woord. En kruidigheid. Ook november mag er zijn. Het dendert als een trein voorbij, een warreling van goudgele bladeren achterlatend. Van de getallen vind ik zes mooi ogen en klinken. Vier ook wel, in mindere mate. Maar dat is dan weer meer een geluksgetal. Achtentwintig ziet er ook goed uit. Voornamen? Al de mensen waar ik me goed bij voel. Er lopen wel woordmisdadigers los: woordenaars zijn lieden die moorden op woorden plegen. Ze gebruiken bijvoorbeeld maar een beperkte voorraad clichéwoorden. Of de verkeerde. Neem nu die tv-vedetten. De TelevisieVlamingen, ofte TV’s. Sommigen zijn seriewoordenaars. Ze bedrijven kakofonie in spelletjes en woorddiarree in panels. Hun clichés zijn zo hoog en zo oud als kathedralen met duivenstront op. Ook de gesproken reclameclips voeren constant aanslagen op woorden uit. De woordenkramerij rond waspoeders en auto’s is ten hemel schreiend. Ik koop alleen nog producten waar geen woorden aan vuilgemaakt worden. Zwijgen is goed.


    03-02-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.105: Elverdinge-file

    ELVERDINGE-FILE     

    Je moet eens goed luisteren, want er is me iets vreselijks overkomen de laatste dagen van de Boekenbeurs in Dwepersstad Antwerpen. Honderden keren al passeerde ik het klein ventje in het zeer stille dorp Elverdinge, meestal op weg naar de Vlaamse kust, soms vroeger halt houdend om iets anders te doen of te beleven. Elverdinge: zijn wilgen, zijn ventje op de hoek dus, zijn ladders tegen de gevel, zijn fjordenpaarden. In de eerste donkere dagen van de herfst, vlak voor een zoveelste indian summer, reed ik op een muisgrijze zondagmiddag weer eens richting Elverdinge. Doel: West-Vleteren. Dat werd niet echt een succes. Tot tweemaal toe stond ik wegens wegenwerken in de Elverdingse file, heen en terug met name. En in West-Vleteren, verhippeltjes, in De Vrede bij de bierabdij, was een massale zitstaking aan de gang van namiddagmensen die grote bokalen bier dronken en stukken kaas aten. Er was geen plaats meer in de herberg voor mijn vrouw, mijn zoon en ikzelf. Ik heb al tientallen gedichten de nek omgewrongen, ik heb ettelijke romans niet geschreven, ik heb die loft-met-bubbelbad altijd uitgesteld, ik heb alle tijd van de wereld naar de vaantjes geholpen, ik heb jarenlang duizenden kilometers files gevreten en gesnoven, maar die tweemaal vijftien minuten in Elverdinge vond ik erg. Het was namelijk zo’n gezellig-grijze zondag waarop de hele mensheid verdwenen of verstopt leek. Elke seconde was belangrijk, want het was een vrije dag en ieder moment kon met een klap de avond vallen. Het was dus zinloos om daar in Elverdinge kostbare tijd te verliezen en daar in een domme file te moeten staan en te wachten om beurtelings door te rijden. Er waren omzeggens geen alternatieven: de zijwegen liepen ‘dood’ en de andere die niet doodliepen, liepen godbetert naar Poperinge, waar we ook al vandaan kwamen. En dat klein ventje bleef daar maar staan, terwijl de wereld ook even stil bleef staan, om dan weer een bumpertje verder te gaan. Toen ik thuiskwam, was er ook file op internet. En een dag later was er helemaal geen parkeerplaats in de omgeving van de Boekenbeurs in Antwerpen. Onderweg in de auto had ik al feest gevierd omdat er geen files waren en de Kennedytunnel niet dichtgeslibd zat met mensensmokkelaars en andere transportbewegingen. De enige schaduw die dag was die verdomde zon. Ik keerde na zestig minuten laveren en zoeken in fraaie Antwerpse straten terug. Uit wraak reed ik balorig negentig kilometer per uur, alle vrachtwagenchauffeurs pestend. In een vreselijk koffiehuis langs de weg ging ik tussen afschuwelijke mensen zitten schrijven over mijn avonturen van de afgelopen dagen, getiteld: Elverdinge-file. Leve de mobiliteit. ‘Ge moest maar de trein nemen’, hoor ik de groene paters onder u mompelen. Treinen, zegt u? Te weinig, te duur, te druk, niet klantvriendelijk. Een volgende keer neem ik weer de helikopter. Of ik ga gewoon nooit meer naar Elverdinge, Antwerpen en West-Vleteren. Ze kunnen ze kussen.


    27-01-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.104: Perte totale

    PERTE TOTALE    

    Alweer vrijdag. Hij koopt een Europees weekblad aan de kiosk en wandelt naar café St. Georges. Onlangs is hij met roken gestopt. Elke ochtend voelt hij zich wat meer bevrijd. Zijn ribbenkast voelt niet langer aan als een kooi van rochelmist en nicotine. Het lijf beleeft er warempel deugd aan. Hij moet nu doorzetten. Dat is de boodschap, de slogan. In St. Georges vraagt hij een koffie-verkeerd. In het weekblad leest hij dat de laatste dag van mei wordt uitgeroepen tot 's werelds rookvrije dag, overal en op alle plaatsen: schiereilanden, boorplatforms, continenten, polen, keerkringen, Vaticaanstad. Hij grijpt naar de vrijdagkrant op het belendende tafeltje en tikt die in de gewenste stand. Geen hoopgevend nieuws over Francorchamps. Het regent niet meer; plasjes zijn aan het opdrogen. De zon breekt door achter het schouwburggebouw. Aan de gevel verschijnt de mededeling 1:05. Even later: 14+ C. Hij betaalt en dwaalt nog wat door de straten. Met leedvermaak bekijkt hij het rokende deel van de bevolking en hun idiote kankergebaren. God, wat voelt hij zich sterk. Hij is precies meer op de wereld. Dag na dag groeit de actieradius van zijn longen aan. Overal ligt gezondheid te koop. Het seizoenfruit wordt op trottoirs uitgestald. Hij snuift de geuren op en koopt een tros bananen. Op de brug gebeurt een aanrijding. Oorzaak en slachtoffer is een agent van de bereden politie. Een kleine toeloop omarmt het voorval. De agent jammert ononderbroken. Zijn machine wordt met vereende krachten rechtop gezeuld en tegen de brugreling gestald. Hij, de niet-roker, is er vlug op uitgekeken. Een banaan etend stapt hij naar de garage. Zijn nicotinekleurige Saab is weer startklaar. De factuur volgt. 'Dank u', zegt hij. 'Tot de volgende keer'. Hij duikt weer in het verkeer. En dan gebeurt het. Op een 'onbewaakt ogenblik' zoals ze zeggen. In een plooi van de tijd. Een mum. Een fractie. Wanneer hij in een combinatie van verslaving en instinct en gewoonte en zondebesef en voorpret even later toch weer naar de noodvoorraad sigaretten in het handschoenenkastje reikt, slipt zijn Saab. Hij vloekt paniekerig. Hij zwiert van de weg af en schuurt langs twee dure autoflanken in de schaduw van het Evangelische kerkgebouw. Op deze naargeestige geluiden van metaal op metaal draaien zich tientallen mensenhoofden in zijn richting. De Saab komt tot stilstand nadat hij grondig, hard en diep zijn handtekening in de twee kortparkeerders heeft gegrift. Iemand met een sigaret in de mondhoek tikt op zijn raam en vraagt of hij gewond is. Aan de overkant van de straat rammelt een Marlboropaneel in de lentewind. Alles is verloren. Hij bukt zich, opent het handschoenenkastje nu helemaal en grijpt naar de boordpapieren en het pakje Gauloises. Arme, dappere man.


    18-01-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.103: Stenen

    STENEN       

    Het piepkleine poppetje op het podium waarvan we in de verste verte de rimpels niet konden zien, was wel degelijk Mick Jagger van de muziekgroep The Rolling Stones. Hij bewoog zich opgewonden in een soort minikamerjasje heen en weer, ondertussen liedjes zingend. De andere beroemde icoontjes verschenen ook een na een. Samen waren ze enkele honderden jaren oud. Het donker had ondertussen het licht weggeduwd van de weide in Werchter, waar ook geen enkele koe meer te zien was. Het gekraak van plastic bekers werd intenser. Hoofden rekten zich nog verder uit nekken en halzen heen. Mensen werden op schouders gehesen. Tippen van tenen kregen het hard te verduren. Gedurende anderhalf uur kreeg de oude jonge band veel bijval, niet alleen van de jonge oude sokken. Plotseling was ouderdom ofte leeftijd geen probleem weer. De woorden ‘oud’ en ‘opa’ waren die namiddag namelijk niet uit de lucht geweest. Gelukkig ook waren The Stones/De Stenen niet uit Vlaanderen afkomstig, anders had de weide ze uitgefloten, omdat ze van hier waren en blijvend succes hadden. Vlamingen zijn nu eenmaal nestbevuilers. Nee dus. De Stenen kwamen van ver genoeg om bewonderd te worden. Ze speelden ouder en recenter materiaal en waren zeer gul met hun energie. Ze doken ook na een eerste speelset plotseling op een kiosk midden in de weide op. Het schilderachtige, pittoreske én zelfs picareske was dat een jongbejaarde groep nog politie-te-paard kon veroorzaken op de in- en uitvalswegen naar de ‘weide’. Grappig. Het gaf een soort retrogevoel: terug naar de tijd van de mijnsluitingen en studentenbetogingen. Keith Richards, driehonderd jaar oud, verborg zich meestal ver genoeg, opdat twintigduizend jongere gitaargoden hem zijn Gouden Grepen niet af konden snoepen. Ook de beeldflitsen van ’s mans tokkel- en plukvingeren op de schermen waren kort genoeg. Niemand zou stelen met de ogen. Toch kwam deze ondode ook nog even solo een paar liedjes zingen, maar dat was eigenlijk niet echt hem. Het was een pop. Ook de andere Stones zijn de laatste jaren nooit echt in Werchter geweest. Het was opgezet, virtueel spel, naar hier ‘upgebeamed’ zoals in Star Trek. We liepen er allemaal grandioos in. Maar het was een stevig optreden, geen aftreden, nee, dat wel. Dat heb ik allemaal uit goede en welingelichte bron vernomen: een fan van de Rolling Stones van het eerste uur. Hij is zo fan, dat hij het niet meer aankon de Stones in levenden vege lijve te ondergaan. Hij hield het gewoonweg niet voor mogelijk. Hij beweert dat David Copperfield er achter zit, de wereldvermaarde illusionist. Ik geloof hem niet, die fan. Hij is zelf een illusie. Ik ben blij dat ik de legendarische Stones nog eens ‘in het echt’ gezien en gehoord heb. Het ticket was een verjaardagscadeau van mijn dochters. Ik werd er in november namelijk dertig. Gelooft u me niet? Het bewijs staat op mijn webstek. Geen illusie.


    12-01-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.102: Hebben

    HEBBEN      

    Zijn vormt geen groot probleem. Je bent er of je bent er niet. Het hebben van iets valt meestal niet mee. Dat is andere koek. Je hebt het namelijk of je hebt het niet. Als je het al hebt, kan het je dood betekenen. Als je het niet hebt ook. Als je het hebt, ben je het beu. Als je het niet hebt, dan wil je het. Vooral als een ander het al heeft. Wat kan men zo allemaal hebben? Een kleine bloemlezing: geluk, een aandoening, pech, een ziekte, familie, ‘het’, mogelijkheden, iemand, niemand, een waterkans… Hebben is een woord dat zo druk bezet is en zo hard moet werken dat we het niet alleen een werkwoord, maar ook een hulpwerkwoord noemen. Het heeft het hard te verduren. Het heeft het, maar het moet er hard voor werken. Dingen worden vooral niet gehad. Een iets grotere bloemlezing: een buitenverblijf, een zeilboot, een zee van tijd, een privé-jet, een zwembad, een eigen eiland, een duizelingwekkend aanbod, het eeuwig leven, gezondheid. Geen vervelender mens echter dan hij die ‘het allemaal voor mekaar heeft’. Zogenaamde perfectie is niet boeiend. Het vertonen of hebben van een scheur, rimpel, barst, bult, buil, bluts, onvolkomenheid, gebrek, tekort, gat, smet, vlek, pukkel, puist of simpelweg fout is interessanter. Homeros was blind, Erasmus had jicht, Ronsard was doof, Beethoven ook, Van Gogh werd knettergek, nieuwslezers hebben geen benen, Sigrid Spruyt is eigenlijk uit plastic gemaakt en oud-koningin Fabiola heeft de pest aan vogels omdat die vaak in heur haar of op haar hoed willen landen en er een nest bouwen. Zij heeft dus de vogelpest als het ware. Nu, dat maakt al die grootheden mooi: dat zij een mankement hebben, waardoor ze sympathieker worden en nog meer bewondering voor hun prestaties weten te wekken. Denk ik hierbij aan de ex-wielrenner Johan Musseeuw? Neen, ik denk daar helemaal niet aan. Ik ben ook nieuwsgierig op zoek geweest naar de gebreken bij het politiekpaarse kartel, toen op die zaterdag 12 juli bekend werd hoe dat er verder zou uitzien. We wisten toen nog niet dat ons een hittegolf te wachten stond. De gebreken bij de oppositiepartijen waren toen al geruime tijd afgestraft door de verkiezingen. Door de kiespijn werd vooral wollig groen gelachen. En de bruinen bakten ze verder sanitair bruin. Maar Hunne Paarsheden vallen intussen makkelijk te beoordelen. Het is een vreselijke kleur: een van de hoofdkleuren van rouw en begrafenis. En het allereerste dat ze deden, was de genocidewet afschaffen en onder het mom van milieubekommernis de belastingen verhogen door een manipulatie aan de benzinepomp van ‘de burger’. Purple Rain! Om paars van koleire te worden, met dat verkiezingsgeroep van belastingverlaging. We hebben het weer geweten. Help, een hulpwerkwoord!


    03-01-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.101: Roeselare blues

    ROESELARE BLUES     

    Na een geslaagd bezoek aan de beroemde mosterdstad en Sparrenstede Torhout – we beleefden er  een samenkomst van ongeveer vijftigjarigen, dus: vooraf vergaderen geblazen - reed ik in mijn gifgroene Saab zuidwaarts. Die glansde in de zon, en als er al eens een wolk voor die zon schoof, werd hij er liefdevol door gestreeld, als door een zacht poetsdoek. Ik zocht een stalplaats voor mijn fraaie wagen en kocht vervolgens in een boekwinkel te Roeselare de heilige Qor’aan. Daarna passeerde ik De Banier of zo, de winkel van de Chiro, een bloeiende beweging van jeugd. Daar kocht ik omzeggens niets. Ik ben geen zestien meer, noch een knutselaar. Tijdens het opdrinken van een koffie op een bewolkt terras, las ik in de Koran. Een koppel staarde me te lang aan, maar dat heb je wel vaker in het midden van deze provincie. Ze waren waarschijnlijk al enkele jaren uitverteld. Toen ik opkeek, zag ik twee dingen tegelijkertijd gebeuren. Die hadden geen verband met elkaar. Een inktzwarte medemens stapte uit een zeer paarse personenwagen. Dat oogde heel fraai. Even verder graaide een bange blanke man naar een duif die te dicht om zijn hoofd kwam cirkelen. Hij was waarschijnlijk bang dat ze op zijn schedel zou schijten zodat hij op Gorbatsjov leek. Daarbij struikelde hij majestueus over een trottoirband en kukelde hij met een pletsende knal met gespreide handen voorover op dat trottoir. Dat oogde heel pijnlijk. Het was het misschien niet, want hij krabbelde gezwind overeind en stapte vlug door, tientallen ogen in zijn rug. Wat gebeurde er die bewuste middag nog te Roeselare, hoofdstad van alle winkelenden, thuishaven van het wielermuseum? Wel, luister, de nazomer en de herfst leverden strijd op elk terras. Mijn verkenningstocht leerde me dat; we reizen immers om te leren. Hier en daar verliet een blad zijn boom en zeilde op een terras neer. Vele scholieren pauzeerden op de plankieren van diverse horecabedrijven. Verriest zat stilletjes te dutten op zijn vaste stek en Rodenbach gooide een vogel weg. Op het Polenplein vroeg iemand me of je daar gratis mocht parkeren. Ik zei van ja, maar dat dit dan wel strafbaar was. Hierbij wees ik naar de ticketautomaat. ‘Dan maar naar het station’, zei deze iemand tegen zijn vrouwelijke wederhelft. ‘Wablief?’ Ze verstond het niet. ‘Naar het station!’ snauwde hij haar toe. ‘Stapelen ze daar misschien de auto’s gratis op elkaar?’ informeerde ik zeer nieuwsgierig. De man keek me met een vernietigende septemberblik aan en dook weer in zijn vehikel, samen met zijn koningin. Hierop verliet ik ook de goede stede Roeselare, dat winkelhart van West-Vlaanderen, waar ik graag eens een wijle mag vertoeven en ronddwalen, vooral aan het einde van een zomer. Even nog werd ik achtervolgd door een politiewagen, maar ik kon hem van mij afschudden. Ja, voorwaar: ik heb de heilige Koran gekocht te Roeselare.


    26-12-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.100: Straat

    STRAAT            

    Onlangs zag ik een jeugdstraatvriend terug. In lang vervlogen tijden waren we bijna-buren in de Lichterveldestraat in sparrenstede Torhout. Toen ik hem terugzag, merkte ik dat net als bij mij de tand des tijds zijn werk had gedaan én dook ook de straat onzer jeugd weer in mijn herinnering op. Het was een doodlopende straat met op het einde een voor eeuwig bevroren neergelaten spoorboom. Iemand had bekokstoofd dat die voor altijd neergelaten moest worden. Geen straatje-zonder-einde meer dus. Daarachter passeerden amechtige treinen onder een vriezemaan heen en terug naar de Zuid- en de Noordpool. Heel vroeg in de ochtend al hoorde je hun gegil, want ze sjokten op stoom voort. In mijn straat was een houtzagerij met torenhoge stapels planken, wat dacht je. Er was een geheimzinnig bos-met-kasteeltje aan de overkant. Elke herfst lagen er honderden kastanjebolsters op het trottoir. En er woonde ook geheimzinnig volk in onze straat, in de tijd van de eerste maanlanding en de Kennedymoord: een Franse zerkenkapper, een Joodse kleermaker, een blinde bejaarde met een spuugbak bij de deur, een modiste die Sinatrafan was en nog vele anderen. Stof genoeg om te fantaseren. Je kon alles kopen in onze straat: versch inlands vlees, schoenen, groenten, horloges, zaden, zuivel, hout, fruit, hoeden. Ik hoor nog het gerinkel van glas in een boodschappentas. Er was zelfs een liberaal bibliotheekje in een schoenengroothandel. Open op woensdag en zondag. Ik ontleende er Hugo Claus, Henry Miller en Alles over Giftige Paddestoelen. Want op het binnenkoertje lag een harig boebeest van een hond aan de ketting. In onze ogen was hij zo groot als een kalf. Het was elke dag weer bibberen geblazen om daar te passeren: de poort stond altijd open en het ondier ging soms als een razende tekeer. Een echte blafmachine. We waren vreselijk bang voor zijn gedachten, die al zo rood en zo bloederig waren als de vitrine bij slagerij Paula: versch inlands kindervlees! Ik wou dat ongedierte vermoorden met een giftige paddenstoel. De Lichterveldestraat is nu voor driekwart onherkenbaar veranderd. Zij loopt eigenlijk niet meer door in de richting van Lichtervelde. Wat gebleven is: de wind uit de jaren vijftig in de boomkruinen bij de houtzagerij. Het is daardoor dat ik begon te schrijven. 


    11-12-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.99: Oud nieuws

    OUD NIEUWS                 

    In de Tasmaanse Zee zijn een aantal tot nu toe onbekende vissoorten ontdekt. Wellicht zijn die van heel oude komaf, toen zelfs de dieren nog niet eens spreken konden en er nog geen tweevoeters op deze aardbol rondzeulden. Toen ik de tv-beelden zag, dacht ik bij mezelf dat het vroeger ook al een vreselijke wereld moet zijn geweest. Toen al. De monstertjes en hun gebitjes spraken boekdelen. Alles keert blijkbaar terug, als het al niet stiekem sluimert of ergens in een duister verdomhoekje overleeft. Zo kreeg president Bush ook zijn bloedeigen Vietnam. Na een lange uitputtingsslag zou hij wel eens in het zand kunnen bijten. Ondanks de ‘naoorlogse’ aanwezigheid van zo’n 160 000 Amerikaanse soldaten in Tweestromenland. Dan komen de voorspellingen van die grappige Iraakse minister van Informatie uit. Is er anders nog iets nieuws ondertussen? Neen, helemaal niet. Geen verse informatie. Hip is niet hip meer, maar dat wisten we al lang. Mode is alleen maar oplapping. Trends wekken de lachlust op. En men blijft onbeschaamd zaken jatten uit het verleden en doen alsof men ze zelf heeft bedacht. Alleen de combinatie en het ritme veranderen. Het is anders wel een fijne periode, vindt u niet, die bloedrode en bladgroene kersterigheid alom? Of zullen we maar weer verlangen naar de tweede helft van de prachtmaand augustus? Ik heb augustus altijd al het rusthuis van de zomer gevonden. Zwaarte en overrijpheid zijn troef. Je hebt het putje van de winter, maar er is ook het holst van de zomer. Dat gevoel heb ik in augustus. Dan verlaat ik wat vaker mijn binnenverblijf om me op te sluiten in mijn zeer grote tuin. Dan brand ik een kaars tegen allerlei lastig gedierte en ongedierte en lees zo langzaam mogelijk voor de zesde keer hetzelfde boek uit mijn collectie boeken die ik altijd opnieuw lees. Ik drink dan vaak dezelfde wijn en denk er dezelfde gedachten bij: bijvoorbeeld dat het druk is geweest en dat er weer drukte in aantocht is. En dat er daartussen een niemandslandje ligt in de tuin onder de treurberk, wiens koepel het augustuszonlicht dermate filtert dat je denkt een fotokopie van het aards paradijs mee te maken. En bij het zicht van zo veel licht in de zwaarte van augustus denk je ook nog, vlak voor je in een donkerrode coma glijdt: ‘Wat ben ik blij dat ik niet in Tasmanië zit, of in Tweestromenland, maar doodgewoon hier. Mijn monsters zijn tenminste herkenbaar’. Maar eerst moeten we nog de winter door. En daarna weer de zomer. Enzovoort.


    05-12-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.98: Altijdwitte kerst

    ALTIJDWITTE KERST      

    De kou ziet blauw als wintermelk. Er is geen huis dat niet iets van kerst heeft: kalkoen, cognac, Ebenezer Scrooge, groen, pakpapier in oorlogskleuren, verkoudheid. Als de kerstverlichting in de stad aanfloept, moet het echt wel donker worden. Zo geschiedt. De kou kan je nu niet meer zien. Alleen voelen. De hoop op een witte kerst is zo ijl als de donkere kou. Ijdele hoop wordt bij velen nederige hoop, bijna smeekbede, want hoe lang is het al geleden dat hagelwitte poedersuiker alom tot inkeer noopte? Winters zich konden meten met zovele oude schilderijen en ansichtkaarten? Is Vlaanderen veroordeeld misschien tot een altijdgroene kerst? Ach, niet getreurd. Voor een flink deel van de Vlaamse mensen is het alweer een witte kerst. De vergrijzing van de bevolking, een cliché als een kabouter op een paddenstoel, is namelijk meer en meer een voldongen feit. De welvaartstaat kan het sterftecijfer ernstige schade toebrengen. Blijven de natuur en de sneeuw in gebreke, nou, hup, vooruit dan maar, geen tandengeknars: de mensen doen het. De grijzen, de witten, de pigmentlozen, de ouden-van-dagen, de bejaarden, de hoogbejaarden, de oude jongeren, de jonge ouderen, de derde leeftijd, de vierde leeftijd, de prepensioeners, de gepensioneerden, de zilvervossen, de grootouders, de gewone ouders, de stiefouders, de generatiepacters: die zorgen elk jaar weer voor een algehele witte kerst. Jàren zijn ze herkenbaar geweest aan hun zwarte schoenen, hun kinderbijslag, hun slapeloze nachten. Nu kun je er ze zo uitplukken aan hun haren: wit, zilver, peper-en-zout, muisgrijs, loodgrijs, olifantengrijs, lijkwit, sneeuwwit, hagelwit. Groen en rood, de kabouteroutfit, de kerstkleuren bij uitstek, halen het nooit van het verhoopte wit. Na de zinsnede ‘een witte … ‘ vullen we trouwens bij voorkeur aan: ‘kerst’. Niks anders. Het is zoiets als ‘belendende … percelen’, ‘aangetekende … brief’ en ‘Baskische … afscheidingsbeweging ETA’. Oud, vertrouwd nieuws dus. In het geval van ‘witte kerst’ is het nieuws dat verhoopt mag worden. Zoals we vroeger op nieuwjaardag op uitkijk stonden tot de dronken postbode langskwam met de wenskaarten. En na sneeuw komt dooi. Opspattende donkergrijze kledder. Gegorgel en gekokhals in rioleringen. Grijze koortswind. Nu, voor mij is het toch elk jaar weer een flinke witte kerst: ik heb de ballen en het engelenhaar.


    29-11-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.97: Een goed gevoel

    EEN GOED GEVOEL            

    Ik had een goed gevoel. Het was een vrijdag, valavond. De week voor kerst. Het regende en woei gezellig. Ik had me van mijn auto ontdaan voor de duur van een etmaal, want er was veel blauw op straat aangekondigd. Dat zou blijken te kloppen. Ik bevond me in een horecazaak op de markt van de zuidelijke stad K. Die markt was, echt waar, zinvol, mooi en blauw verlicht. Het regende letterlijk licht. Een goed gevoel. Kersterig. Ik was ook net terug onder de levenden, na een slepende ziekte die me drie dagen en drie nachten lang aan het bed gekluisterd had. Nu leek een en ander lekker te lopen. Alles viel in z’n plooi, zoals ze zo smaakvol zeggen. Voor het nieuwe jaar kon ik een nieuw jeugdboek, een nieuwe dichtbundel en een verse novelle tegemoet zien. Een opperbest gevoel (ook al is het jeugdboek een ‘probleem’boek), want het kwam allemaal uit mijn hoofd. En het zou een kans krijgen. Toen ik van mijn cola nipte, begon ik bijna schuldgevoelens te krijgen. Verdiende ik geen pak slaag? Maar waarom dan? Ik zette mijn schrijfbril op en begluurde de marktverlichting nu op deze wijze. Die werd er niet mooier op. Alles vermenigvuldigde zich, en werd waziger. Er zijn grenzen. Het uur vorderde. Mijn gevoel bleef goed. Ook al werd ik voortdurend ouder. Klokslag twintig voor zeven kreeg mijn gemoed plotsklaps een deuk. In mijn vizier passeerde een kerel met een pluimhoedje op zijn hoofd. Waar anders? Dan op zijn hoofd? Getverderrie. Op mijn schaal van welbevinden zakte mijn gemoed terstond enkele graden. Hoedjes met pluimpjes op beschouw ik als kwalijke voortekenen. De mannen of vrouwen die eronder lopen en ze torsen (neem nou Fabiola, ook een vrouw), hoeven daar niks achter of onder te zoeken. Eerder erboven. Ik wendde mijn blikken weer naar de feestverlichting en ontdekte een patroon in de boomversieringen op de markt. U kunt al raden zeker welk patroon? Nu, erger werd het niet. Ik was gewapend met goede wil. Ik bestelde immers ondertussen ook mijn derde cola. Wist u dat cola geneest? Ik ook niet. Ik weet het nog altijd niet. Maar ik denk het. En bovenal: ik voel het. Een goed gevoel. Maar het kan ook zijn dat cola ziek maakt. Niet zo’n goed gevoel. Wanneer zullen we eens iets met zekerheid weten?


    21-11-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.96: Op je tellen passen

    OP JE TELLEN PASSEN        

    Er was eens een stad. Soms lag die te blakeren in de zon. Soms lag die te rillen onder een vriesmaan. Het was een heel mooie en gezellige stad, waar iedereen in wilde. Maar niet iedereen mocht er zomaar in. De oorspronkelijke stedelingen wilden alles rustig en netjes houden. Daarom was de stad versterkt en omwald. Er was bijvoorbeeld maar een toegangspoort. Voor die poort stond dag en nacht een gewapende poortwachter. Hij was gewapend met wachtwoorden en een vervaarlijke hakbijl. Hij kon onafhankelijk beslissen wie in de stad werd toegelaten. Wie hem het correcte antwoord op een van zijn wachtwoorden kon geven, mocht erin. Want die was knap genoeg en zou dus de stad geen schade berokkenen en misschien wel nog welvarender maken. Wie verkeerd antwoordde (en gewoonlijk gebeurde dat door simpele onnadenkendheid), hakte hij onverbiddelijk de kop eraf. Je kunt je voorstellen dat de stedelijke ophaaldienst elke avond en elke ochtend een berg bloederige koppen en lijven te verwerken kreeg. En van massatoerisme had de stad geen last. Nu, ter zake. Op een miezerige namiddag diende een Anglicaans priester zich bij de poortwachter aan. Hij had een lange reis achter de rug en was doodmoe van het liften. ‘Dag,’ knikte hij, ‘mag ik erin alstublieft? Ik ben moe tot in mijn ruggenmerg’. ‘Als u correct op het wachtwoord weet te antwoorden, maak ik daar geen probleem van’, zei de wachter, terwijl hij zijn hakbijl alvast steviger omklemde. ‘O, oké. En dat is?’ ‘Het wachtwoord is: twaalf’. Even dacht de geestelijke na. ‘Zes’, antwoordde hij dan. ‘Oké’, knikte de wachter. En hij liet de priester door. Even later kwam er een journaliste aan. Ze wou voor haar krant een verhaal over de stad schrijven. ‘Hoe luidt het wachtwoord?’ informeerde ze. ‘Acht’, deelde de wachter haar mee. ‘Zie je het zitten of verdwijn je maar liever weer?’ ‘Vier’, glimlachte de journaliste opgelucht. De poort werd prompt geopend. In de valavond tikte een verpleegster op de schouder van de poortwachter. ‘Hallo. Ik wil bij mijn zus in de stad op bezoek. Kan dat?’ ‘Dat hangt van u af. Het wachtwoord is: zes’. De verpleegster knikte. ‘Drie!’ riep ze fluks. ‘Hupsakee’, deed de wachter, en de poort zwaaide open. Klokslag acht uur meldde zich een advocaat aan de poort. De wacht zou over een halfuur worden afgelost. ‘Goedenavond meneer’, groette de advocaat beleefd. ‘Ik word op een gerechtelijk diner verwacht in uw zeer mooie stad. Het schijnt dat er een wachtwoord en een wederwoord is. Mag ik dat van u horen? Moeilijk kan het niet zijn; ik heb gestudeerd’. ‘Hm’, knorde de wachter. ‘Jouw wachtwoord is: tien. Wat heb je daarop te zeggen, gestudeerde?’ ‘Vijf’, antwoordde de advocaat onmiddellijk en onnadenkend. Eigenlijk had hij al de hele dag op de loer gestaan in de omgeving van de stadspoort. Hij meende dat hij het doorhad. Zonder aarzelen hakte de poortwachter het gestudeerde advocatenhoofd eraf. Het bloed spoot naar alle windstreken.


    15-11-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.95: Het anciauvisme

    HET ANCIAUVISME           

    Enkele verzuurde middenstanders uit de horeca maakten twee zomers geleden heisa rond de zogenaamde lawaaihinder naar aanleiding van het Brugse Cactusfestival, eervoorgaande editie dan nog wel (het schaap was al verjaard). Het was weer zo’n typisch voorbeeld van wat zich de laatste tijd aan het manifesteren is: verzuring. Heeft dit enge denken te maken met hoe de bevolkingspiramide alhier er momenteel uitziet? Met de vergrijzing? Vroeger al, onder andere een stuk door de schuld van de tv, kregen we met verkleutering te maken. Dat is al net zo erg als verzuring. Verkleutering: het versimpelen van alles, iedereen beroemd, weg niveau, leve den bompa, de lat gelijk, VT4, miss Asperge, Sam Gooris, populisme alom, den Pfaff en den Planckaert hebben het gezeid, dus ’t is waar. Het Stevaertisme, geschraagd door het Anciauvisme, is er de politieke vertaling van. Stunt of gestuntel. Laten we lachen. Verzuring: saaiheid troef, Vlaanderen beeft, laat vooral niks gebeuren, er kome ernst, vroeg in bed, leve het grijs, en wit is ook altijd schoon, fusioneren, fusilleren. Verboden te lachen. Wie is de meest kleurloze politicus met de hoogste zuurtegraad? Keuze te over. We beleven ons kleuterkwartiertje en onze zuurpruimentijd tegelijkertijd. Het is natuurlijk ook een gouden tijd voor advocaten; kleuters en zuurpruimen hebben vaak ruzie en sommigen wenen ook vlug. Andere zuurpruimen moeten dat dan oplossen. Laten we wel wezen: het Anciauvisme en het Stevaertisme werken de verzuring niet in de hand. Ze hebben alleen bepaalde zaken verkleuterd. Het ziet er soms allemaal te simpel uit, 1 plus 1 is 3 bijvoorbeeld, terwijl de wereld momenteel toch vierkant in het rond draait, nietwaar. Toppunt van de internationale verkleutering wellicht was de Iraakse minister van Informatie. Hij ontkende de nederlaag terwijl de bommen op zijn kop vielen. Hij maakte er als het ware een speelgoedoorlogje van. Gevolgen: drukbezochte websites ter ontspanning van de Amerikanen en diverse gadgets. De Iraakse lolbroek werd de meest bezochte man ter wereld; hij vond de humor opnieuw uit in levenden lijve. Maar ook de Amerikanen speelden toen met kaarten, waarop de foto’s van hun bekendste vijanden (BV’s) prijkten. Zoek de schoppenboer and kick him in the ass! Terug naar ons eigen kleine speelgoedlandje. Wordt dit druilerige driehoekje gered door het Stevaertisme-Anciauvisme? De Steve is al omhooggevallen. Die moet nu zwijgen en stoppen met stunten. Den Bert maakt het verder bont. Zal Zijne Vergrijzende Goedlachsheid de cultuur, vooral de literatuur en het theater en de film, volledig naar de knoppen helpen? Het ziet er naar uit. Worst, Bert, worst. Laten we weer eensgezind worst vreten, opeengepakt als anjovissen. Maar blijf met je fikken van de boeken.


    07-11-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.94: Dichter in Darlingen

    DICHTER IN DARLINGEN                

    Twintig dagen lang had het geweigerd om te regenen. Op de laatste vrijdag van de maand toog ik naar een van de gezelligste plekken ter wereld, en zie, voorwaar: het regende eindelijk eens. Sprokkelende vrouwtjes met zwarte halsdoeken om sloegen een kruis; landbouwers voerden een rondedans uit. Wat een verkwikking. Huiverend van genoegen bleef ik een kwartier lang rechtop staan in de regen, op het brugje boven de kolkende Heulebeek die Heule-Watermolen in tweeën splijt. Daarna ging ik een portie mosselen eten in ’'t Brugske bij Jempi, ten voordele van de Watermolenkermis. Het waren voortreffelijke mosselen; ik at er 48 en zwoer bij mezelf daar volgend jaar terug te keren. Net toen ik aan een gedicht over cholesterol en caloriebommen wou beginnen, kwam een Schepen van Iets binnen. (Jammer genoeg is dat Kortrijks schip ook bevoegd voor onze deelgemeentes Heule en Heule-Watermolen. We hadden liever zelf onze boontjes gedopt, want wat we zelf doen, doen we beter. In 1977, rampjaar van de fusies, zeg maar: fusillades, stopte het Gouden Tijdperk van de Menselijkheid). Tja, waar een of meer mensen in naam der mosselen verenigd zijn, daar is een schepen in hun midden. ‘Ha, de dichter’, sprak deze schepen stemmig. ‘Ah, eh‘, wedervoer ik. Ik heb altijd moeite met het aanspreken van politici: is dat nu wel een beroep? (‘Dag politicus’. ‘Hoi politieker’. ‘Ach‘). ‘Ge gaat er moeten over schrijven hé, over de mosselen’, zei de Schepen van Iets. ‘Ik moet altijd over alles iets schrijven, als ze mijn kop zien’. ‘Maar ge zijt dan ook dichter hé’. ‘Ja: dichter in Darlingen’. ‘Darlingen?’ ‘De naam die Conscience aan Kortrijk (of was het Dendermonde?) gaf in zijn boek De Burgers van Darlingen’. ‘Ah. Niet gelezen. Eh... … Dichter in Darlingen: een … hoe noemen ze dat ook weer?’ opperde de schepen. ‘Een ramp?’ stelde ik voor. ‘Neenee, ik bedoel: D … D … tweemaal. Zoals bij Suske en Wiske hé, allez, zoals in De Natte Navajo’. ‘Jaja, het regent hier vaak en een dichter in Kortrijk voelt zich inderdaad als een indiaan tussen cowboys. '’t Is hier de streek van de zwiepende lasso’s en de elektriciteit van koeienstaarten hé’. ‘Ja, het is echt een stad vol gedichten hé, met die volgeschreven vuilniszakken‘, glunderde de man. ‘Jaja, we zijn daar zeer gelukkig mee. Vooral de dichters uit Darlingen zelf, meneer de Schepen van Iets. Wat doet godgenageld een gedicht van een Antwerpenaar op Kortrijkse vuilniszakken? Moeten we nu nog voor u stemmen of hoe zit dat?’. Plotseling kreeg de Schepen van Iets iemand anders in het vizier. Ook een belangrijk persoon. Hij mompelde nog vlug een alliteratie en ging deze persoon enige malen op de schouder kloppen. Ik schrapte mijn poging om een gedicht over cholesterol te schrijven en verving die door adrenaline.


    01-11-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Onwijze uk
    Klik op de afbeelding om de link te volgen










    Onwijze uk

    30-10-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.93: Wijs & grijs

    WIJS & GRIJS        

    Hebben nieuwslezers benen? Voorwaar ik zeg u: in dit land hebben nieuwslezers geen benen. Niemand weet dat. Het is een vereiste. Toen ontdekt werd dat Bavo Claes benen had, werd hij bijna ontslagen via de tussenstap van het laatavondjournaal. Nu heeft hij het zelf ‘bekeken’. Regelt de koning de verkeerslichten? Beschikt hij over de Grote Verkeersknop in Brussel? Dan moet hij dringend zijn mobiliteitsplan bijstellen. Ook al is hij al jaren koning. Er zijn nog wel meer gekke dingen aan de hand in dit gekke land. Om de vergrijzing van de bevolking niet te duur te laten zijn, nou, om dus niet zo veel pensioenen te moeten betalen dus, raadt de regering de vijftigplussers aan om langer aan de slag te blijven en er niet uit te stappen. Ondertussen echter dankte een bekende regeringspartij in een klap drie van haar oudere ministers af, o.a. iemand van zelfs amper 45. Van schoolvoorbeelden gesproken. Of paradoxen. Geen consequenties voor excellenties! De premier wou tweehonderdduizend nieuwe jobs veroorzaken. Karel Vinck, de man met de handen in de zakken, naar voren geschoven door de regering om de problemen met het spoor op te lossen, wou tienduizend jobs schrappen én de tickets duurder maken én stations afschaffen. (Schouppe deed het anders; hij kuiste zijn schup af en ging mee blaten in de politieke kudde, volledig ontspoord. Een vergeet-mij-nietje voor het leven: ‘Schouppe! Kent gij dan Schouppe niet, madam? Die van ’t spoor?!’ ‘Ah, dié Schouppe! Maar dat was nen slechten!’ Einde citaat). Van schoolvoorbeelden gesproken. Of paradoxen. Alles en iedereen moest de laatste tien jaren dringend gaan afslanken en fusioneren en rationaliseren, maar nog nooit hadden we omgekeerd zo veel regerinkjes en presidentjes en ministertjes. Nog veel meer dan voor de gemeentelijke fusies medio jaren ‘70. Wat ze zeggen en dicteren, deze dames en heren, zijn of doen ze zelf niet. Geen consequenties voor excellenties! En zullen we het even over de cumuls van bepaalde politici hebben? En wat ze daarover allemaal te leuteren hebben? Neen. We zwijgen over de mensen met twee, drie functies. Anders sneuvelt er weer een job. De mijne. Treurigheid troef. Toch dit: er was er zelfs eentje bij dat het bestond bij voorbaat te beweren dat je als parlementariër te weinig werk hebt, zodat later het niemand hem kwalijk kon nemen dat hij ook partijvoorzitterschap en burgemeesterschap en ministerschap ambieerde. Een ware wegbereider, voorwaar, voor zichzelf. Als ik nieuwslezer zou zijn (maar ik heb daar de juiste grimas niet voor en ik zie er ook te middeleeuws uit), zou ik bij het uitspreken van die namen voortdurend onder tafel met mijn benen zitten schoppen, ware het niet dat ik dan geen benen zou hebben. Ik zou alleszins zitten knarsetanden. Net zo wijs en grijs als Bavo Claes. Zonder benen dus.


    25-10-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.92: Beeld & Woord

    BEELD & WOORD        

    Onlangs gehoord op de radio, uit de mond van een platenbaas: ‘Als je als muzikant of groep geen videoclip hebt, mag je het vergeten’. Onlangs beseft, naar aanleiding daarvan: ‘Als je als schrijver met je kop niet op tv komt, kun je ’t wel schudden met je boek’. Ik zie al jarenlang alsmaar dezelfde schrijversgezichten op tv en in de bladen. Ze zijn alomtegenwoordig. Ik probeer al net zo lang hun boeken te lezen en ik ben vaker zwaar ontgoocheld dan opgetogen. Die zijn saai, slecht, soms nodeloos balorig, en daarenboven lezen de schrijvers hun teksten nog belabberd voor ook. Opgeblazen door de media, jawel. Op de schouder geklopt door ‘ons kent ons’. En er gaat geen programma voorbij of een van die ‘ons kent ons’ moet wel ergens een mening over iets ventileren. Er zit een veelschrijver bij die kutboeken zonder verhaal schrijft. Bij een tweede is alles maar armetierig doodgewoontjes. Om de aandacht daarvan af te leiden probeert hij af en toe wat aan politiek te doen, zonder succes, en op tafels te springen. Een derde is om te huilen. Zelfs dagboekmatig; we zullen het allemaal geweten hebben. Ik vraag me af, en velen doen dat met mij: vanwaar dan al die media-aandacht voor immer dezelfde smoeltjes? Die drukte? Die wind? Waarom krijgen betere schrijvers niet meer aandacht? En moet het nu echt altijd over bekende gezichten gaan die bekend geworden zijn door hun bekendheid dank zij de tv? Is ‘gezien op tv’ en ‘gelezen en gezien in de blaadjes’ dan een argument of criterium voor kwaliteit geworden misschien? Tja, dan zijn we ver heen. Dan worden we een dom volk, dat de dictatuur van het beeld aanvaardt en ondergaat. In de nabije toekomst, namelijk het heden, zullen er dus behoorlijk wat kunstenaars uit de boot vallen omdat ze niet aan de juiste toog hangen, geen lange arm hebben, te ver van Antwerpen of Brussel wonen, hetero of homo of allebei of niemendal of krokodil zijn, nooit in dwaze programma’s op het scherm van afgrijzen verschijnen, bijgenaamd de tv, geen hielen likken, pluimen strijken. De literatuur en de kunst zijn ingepalmd door de platte commerçe. Middenstanders hebben zelfverklaarde bestsellertjes de markt opgestuurd. Dichters van ergens anders schrijven inheemse vuilniszakken vol. Alles moet weg, mijn voeten! Gooi alle televisietoestellen buiten, en er schiet geen van die succesnummertjes over. Zo, voilà, nu ga ik weer Tsjechov lezen, Nabokov, Gontsjarov. Van die drie niet-hogervermelde opgeklopte Vlaamse pennenridders zal ik maar niets meer ter hand nemen. Ze zijn al in allerlei blaadjes en bladen zo uitvoerig uitgesmeerd, dat ik ze niet meer hoef. Trop is te veel.


    18-10-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.91: Flater

    FLATER              

    Missen is menselijk. Men zegt het zelfs graag nog anders, omgekeerder. Tristan Peirsman, ooit doelbewaker van Anderlecht, een vrij bekende voetbalploeg, liet zich eens een bal ontglippen. De sportpers watertandde. Perfectie is immers saai. Men ziet liever onvolkomenheden, fiasco’s, mislukkingen. Bij Club Brugge, ook een befaamde voetbalploeg, viel niet zoveel meer te beleven. Ze werden landskampioen. Saai! Het gaat dus redelijk goed. De sportpersers trokken toen ook liever richting Anderlecht, op zoek naar de onfortuinlijke doelwachter, dan naar Brugge. Nu kan het even verkeren, maar … wacht maar! Het was vroeger ook altijd leuker kijken naar John McEnroe dan naar Björn Borg. De ontvlambare versus de onkreukbare. De onvoorspelbare versus de saaie piet. Zweet tegen Zweed. Er viel altijd wel wat te beleven aan de ene kant van dat net. Een schoonheidsfoutje is sympa. Een flater is mega. Het publiek snoept wekenlang van een blunder. Koppen moeten rollen. Koppen snellen, koppen die rollen: wat zich vroeger rond de guillotines afspeelde, gebeurt nog altijd massaal. Nu vervullen de kranten de rol van de guillotines. Wat onthoudt men van renners? Wespen. Wat onthoudt men van presentatoren? Valpartijen. Ook de schepping vertoont flaters. God wil immers ook af en toe wat plezier in zijn eenzame zevende hemel. Zo is elke man eigenlijk een niet-vrouw. Een vergissing dus. ‘Even proberen met een komma tussen de benen,’ moet God gedacht hebben, ‘en hop maar, vooruit met de bok, die pik achterna!’ En Hij kijkt grinnikend toe, de olijkerd, samenzwerend met alle vrouwen. De eendagsvlieg is een vergissing. Vliegende vissen zijn dat ook. En de wandelende tak is niet zo gelukkig met zijn verschijningsvorm. Hij weet nog altijd niet goed wat hij is. Sommige automerken, BV’s (nou: TV’s eigenlijk, alleen maar bekend omdat ze op den teevee komen), politici en televisieprogramma’s mogen ook in het grote boek van gigantische blunders of flaters. Maar ach, laten we het niet altijd over mensen hebben. Anno 2005 ontploften al minstens twee voetballen op het veld, in België en Nederland. Er zijn geen zekerheden meer. De bal is niet altijd meer rond.


    13-10-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.90: De Brabançonnettes

    DE BRABANÇONNETTES       

    Handje in handje staan ze al een braaf klasje beste kameraadjes op één lijn. Ze playbacken dapper de nationale hymne. Ze dragen hetzelfde rode T-shirt. Af en toe is er een nieuweling. Maar dan moet er een ander naar het strafbankje. Ze maken nooit ruzie, tot je in de magazines en de kranten tussen de regels de wrevel leest. Er is en er was altijd wat met die verwende rotkereltjes. Ze liggen meer op massagetafels en aan stranden dan ze op velden staan, terwijl rond hen miljoenendansen worden uitgevoerd en viersterrenkoks zich uit de naad werken. Is dat nu zo moeilijk om die rotbal van de middenstip naar de vijandelijke kooi te brengen en die erin te trappen? Ze zijn toch met z’n elven? ‘Ne goei foetbeller,’ zegt zo’n coach dan over eender wie in eender welk interview. ‘Em speelt op kerekter en em ken efzien.’ (Soms varieert het dialect van zo’n coach.) Het klasje Brabançonnettes bestaat altijd uit ‘tien goei foetbellers’ plus een wereldkeeper. En toch krijg je de indruk dat je met een kleuterklasje te maken hebt. Groen veld, rode shirts: geef ze nog een gele puntmuts en ze kunnen zo de Vlaamse showbiz in. Hun lijflied: ‘De Rode Duivels gaan naar Blankenberge/Tien om te zien/Eén die zweeft/De rest die beeft/De tribune leert afzien//’ De Brabançonnettes zouden eens weer tot mensenmaat herleid moeten worden. Ze zijn net als alle andere mensen opgetrokken uit vlees, bloed, merg, been, zweet, pis en nog wat hersenen. Ook het Belgisch volkslied moet aangepast worden. Het is lelijk en het heeft te veel noten. De voetbalvelden mogen ook wat kleiner zijn. We leven toch al in een klein koninkrijkje, dat vanzelf al verkaveld is in stukken en brokken. En het zogenaamde ‘voetbalspel’ zelf mag met twee ballen worden gespeeld, om het eens wat spannender te maken. De ploegen moeten gehalveerd worden. Dan lopen de spelers elkaar minder voor de voeten en komt er minder ruzie van. Het nationale elftal mag nog uit vijf spelers plus een doelwachter bestaan. En twee ballen dus. Dat is ook handig voor de wasserij. Pas bij het verlaten van het stadion betalen de toeschouwers een uitgangsticket: 2,5 euro per doelpunt. We kijken dus met hooggespannen verwachtingen uit naar brilscores. Het grote voorbeeld moet daarbij van onze nationale Brabançonnettes komen. Het moet ook gedaan zijn met business-seats. Wie honger heeft, gaat maar op restaurant. Daar kun je nog het best van al niét naar voetbal kijken. Er is dan maar één probleem: niemand die het ziet. Ik bedoel: niemand die het ziet dat je niet naar … Ach, de bal ligt in uw kamp.


    11-10-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.89: Mirakel

    MIRAKEL               

    Een mirakel, bestaat dat? Welzeker. Een ouderwets mirakel? Alle mirakels zijn ouderwets. Er zijn er geen nieuwe. Want dan zijn ze uitgevonden. Een voorbeeld moet u voorzeker overtuigen. Laten we even teruggaan in de tijd, die dommekracht waardoor we ouder menen te moeten worden. Londen, Joseph Haydn. In zijn tijd was Joseph Haydn al heel erg beroemd in Europa. Het was een tijd waar men nog echt verwonderd kon zijn over een mens van vlees en bloed. Zo gebeurde het ook die avond in Londen. Joseph Haydn kwam er musiceren, dirigeren. Er was een afgeladen, eivolle zaal. Nieuwsgierig volk wou van dichtbij de beroemde man aan het werk zien. Men stroomde toe onder een gigantische luchter die uiteraard pal midden in de zaal hing, boven al die hoofden. Het duurde niet lang of iedereen verliet zijn plaats. Men wou van zo dicht mogelijk meester Haydn kunnen bekijken. De toeschouwers begaven zich kuddegewijs naar voren en troepten allen samen voor het podium. Even later kukelde achter hun rug die kroonluchter – op dat ogenblik een dodelijk wapen – met hels gekraak en gesplinter in de lege zaal neer. Niemand werd gewond. Deze nederdaling gebeurde tijdens de 96e symfonie van Joseph Haydn. Die symfonie kreeg daardoor de bijnaam: Het Mirakel. Ja, muziek verricht mirakels. Muziek doet wonderen. Muziek verzacht de zeden. Een tweede voorbeeld zal u voorzeker nog veel meer overtuigen. Het is wel van een geheel andere orde. Toch is het ook echt gebeurd. Eens keerde ik ’s nachts huiswaarts, toen een gevaarlijke bruine beer met gesperde muil en uitgestrekte klauwen op me afkwam. Ik was ongewapend, maar ik beschikte toevallig wel over twee vuurstenen. Ik graaide die vlug uit mijn jaszak en mikte er een van recht in de muil van de beer. De beer schrok zich rot, liet zich weer op zijn vier poten zakken en draaide zich daarbij met zijn kont naar mij. Ik nam mijn tweede vuursteen en gooide die met alle kracht die ik in mijn jonge lijf kon verzamelen recht in de kont van de verbijsterde beer. De twee vuurstenen ontmoetten elkaar aldus in het midden van de beer, de zg. ‘maag’. Daar veroorzaakten ze door botsing een geweldige ontploffing, waardoor de beer sneuvelde. Niet ik. Ik was gered van een wisse dood, door een mirakel dat ik eigenlijk zelf had verricht. Sedert die ontmoeting bij nacht en ontij heb ik altijd twee vuurstenen bij me.


    08-10-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.88: De ziel van het kind

    VOOR DE ZIEL VAN HET KIND               

    De hautaine betweters, bedillerige kwezels en betuttelende blauwkousen die de laatste jaren oordelen over de Vlaamse jeugdliteratuur via tijdschriften en jury’s en commissies enzovoort, hebben Pietje Bell en Pippi Langkous vermoord. Ze hebben het ook met Marc De Bel geprobeerd. Tevergeefs. Ze hebben hun ziel verkocht aan een bloeiende Nederlandse uitgeverij en kwijlen als hondjes, nou: teefjes, bij het horen van die naam alleen al. Al de rest is verdacht, overbodig, Vlaams, ongevraagd, ongewenst, niet via henzelf gepasseerd of gesignaleerd, dus niet goedgekeurd. Deze Vlaamse, nou: Antwerpse, kwezels plegen vaandelvlucht en collaboreren met zg. ‘grote namen’, gemakshalve, veiligheidshalve, voorspelbaar, en eigenlijk doen ze ook de moeite niet nog andere boeken diezelfde aandacht te gunnen. Het blijft altijd bij dezelfde namen. Door deze permanente namedropping hopen ze zelf in beeld te komen en mee van de koek te eten en in het zonnetje te staan. Je weet maar nooit dat ze ooit gevraagd worden zelf eens een boekje te plegen. Bij die ‘grote’ Nederlandse uitgeverij natuurlijk. Ze propageren ondertussen onverdroten veilig en voorspelbaar de namen van de zg. ‘betere’ auteurs. Zeg maar: ‘saaie’. Die zijn ondertussen zelfs zo saai geworden dat ze alleen nog gelezen worden door diezelfde hogervermelde kwezels van 30-plus, jury’s en enkele collega-schrijvers. Deze propagandisten van het ‘betere’ boek jongleren graag met woordjes als ‘diepgang’ en ‘psychologie’ en verfoeien fantasie en avontuur. Ze hebben dus Pietje en Pippi vermoord. Ze hebben met hun diepgang de leuke jeugdliteratuur ondermijnd en de avonturenboeken ondergraven. Bij hen zou een manuscript van Astrid Lindgren geen kans maken. Misschien zelfs niet van ene Roald Dahl. Lig ik daar wakker van? Nou, nee. In de literatuur voor de ‘volwassenen’ zien we ook al vijftien jaar de tafelspringers en de slagers en de lijkenpikkers en de tv-gezichten en de meninghebbers de plak zwaaien, terwijl de goede boeken en hun schrijvers in de schaduw blijven. De middenstanders van de letterkunde hebben het voor het zeggen, nou: roepen. Je kunt maar hopen op andere tijden. Ach, ik heb, zoals bekend, een hart van koekebrood. Als ik een hartinfarct zal doen, zal het niet door boekbesprekers komen; het zal te wijten zijn aan een rozijn.


    30-09-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.87: Bos

    BOS                     

    Wel ja, West-Vlaanderen heeft het kleinste percentage bossen van alle provincies. En dan? So what? We hebben ook het minste percentage bosbranden van alle provincies. Overigens zijn bossen lelijk. Ze belemmeren het zicht. Net tralies. Aparte bomen zijn wel mooi. En wij in onze lage streek hebben toch ook de kust? Geen enkele andere provincie heeft zoveel kust. En dan nog, over bossen gesproken: we mogen er dan nog weinig hebben, de beroemdste bossen bevinden zich toch in West-Vlaanderen. De bossen van Beernem en hun moorden! Het Lappersfortbos in Brugge-die-Ontboste! Da’s wat anders dan die saaie donkere Ardennen en hun claustrofobische bossen. Er staan daar zelfs zoveel bomen zo dicht bijeen opeengepakt, dat je er nooit eens een echte Arden kunt zien. Of een normale zonsondergang. Hier in het platte verre westen kunnen we ten minste nog de wind aflezen aan een boom apart, aan een bomenrij of een bosschage. Een boom dat is een prachtig ding, weet je wel. Een bos is van het prachtige en goede te veel. Less is more. Ik kan uren naar een boom turen, maar ik doe dat nooit wegens tijdsgebrek. In een bos word ik knettergek. Die ellendige kampen van mijn jeugdbeweging vroeger gingen gewoonlijk in van die knettergekke bossen door. Als er met school ‘bezonnen’ moest worden (eufemisme voor ‘weg in ’t hoofd en geen les’): naar de bossen, jongens! Zelfs in West-Vlaanderen bleven ze ze ontdekken, die zielenhelende bossen. Groenhove, Tillegem, Heuvelland, Wielsbeke, Kluisberg, Zevenkerken, Snellegem, potverdorie, Baekelandt, Beerbos, Sterrebos, het houdt niet op, Beernem, allez, vooruit, West-Vlaanderen lijkt plotseling wel één groot oerwoud vol met houthakkers en hindes. Zelfs bij ons in het bij wijlen zeer stille en soms zeer onrustige Heule is er een bos of twee: Heulebos en Steenbekebos. Maar dat zijn bosjes die vooral uit villa’s bestaan en bordjes-bij-bosjes waarop stukken bos te koop worden aangeboden. Om op een positieve noot in verband met hout te eindigen: een van de mooiste bomen die ik ken, staat vlak naast een frituur en een krantenkiosk aan een druk kruispunt in de stille zuidelijke stad K. Dat vormt samen een prachtig stadslandschap. En het ruikt er nog lekker ook. Ondertussen speelt zich in het Venetië van het noorden nog altijd de Lappersfortboslegende af, die zo stilaan een stadslegende aan het worden is, maar jammer genoeg een die echt gebeurd is …


    27-09-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Hoofdzaak
    Klik op de afbeelding om de link te volgen








    Mijn hoofdzaak, geschilderd door MKLL

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.86: Stik

    STIK                       

    Ik ben afgunstig op mensen die een das kunnen knopen. Ik ben jaloers op iemand die op perfecte en esthetische wijze een handdoek om zijn of haar kop kan draperen na een badscène. Graag zou ik in de plaats zijn van een mens die aan zee woont in een stad waar het altijd waait. Hoe prachtig moet het zijn om elke dag tot tegen de middag in kamerjas rond te hangen. Dolgaarne zou ik eens een jaar lang in de schoenen willen staan van een beroepswijnproever. Ook als voorproever van het koninklijk paar, maar niét van hun kleinkind, zie ik het zitten, best wel een aantal jaren. Ik krijg een steek door mijn hart als ik een rotverwende topvoetballer zijn tiende doelpunt van het seizoen zie maken. Stikjaloers ben ik op iemand met een massa ravenzwart haar op zijn hoofd én op de geslaagde kaalkop die zich van niks meer moet aantrekken boven zijn voorhoofd. Ik benijd degene die langzaam en grondig een meesterwerk pleegt en daar tijd voor maakt: een Vlaams konijn in de pot, een roman, een schilderij, een gebouw. Hoe graag zou ik een succesvol oesterboer zijn met elk jaar een boekje op de markt over hoe om te gaan met de oester. Ween en knars uw tanden, gij zwetende Vanhove en Huysentruyt. Mijn zelfde verzuchting geldt ook voor de truffelboer. Groen van jaloezie word ik bij het horen van een bas-baritonstem en ook bij het zien en aanhoren van hoe een muzikant iets moois aan een instrument ontlokt, soms gebaseerd op dode noten op een blad papier. Spinaziegroen van nijd vlucht ik de gordijnen in bij het naderen van keukenpieten, doe-het-zelvers, autotovenaars, groenvingerigen. Ik ben niets. Helemaal niets. Ik ben een mug. Een heel klein pionnetje op een schaakberd waar ik niets van begrijp. Ik ben het nog niet waard als luis te vertoeven in de pels van de meest schurftige oude leeuw uit Bellewaerde. Het bestaan van de marmot op deze aarde heeft meer zin dan het mijne. Ik ben bijna volledig onbestaande. Eigenlijk zou ik me overal moeten excuseren voor mijn bestaan. Maar ik ben niet jaloers op iemand met bloemkooloren, transatlantische zeiloren of op iemand die jaloers is. Ik ben al blij dat ik leef en loop. En dat mijn knokkels daarbij niet over de grond slepen.


    24-09-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.85: Crime de la crime

    CRIME DE LA CRIME              

    In tijden waarin onnozele familie’drama’s’ als ‘de Pfaffs’ de tv-schermen teisteren en oetlulletjes als Sam Gooris op de covers van zelfs weldenkende magazines prijken, koester ik een diep, grondig, gemeend heimwee naar bijvoorbeeld Morse, de Britse chief-inspector die vroeger op zaterdagavonden en nu op een bepaalde weekdag humeurig schitterend loopt te zijn in zijn gelijknamige misdaadserie. Wat een verademing kunnen moord en doodslag toch betekenen in vergelijking met de poelen van ellende waarin de Pfaffs vertoeven! Wat heb ik toch lak aan de bovenlip van J-M Pfaff, ex-keeper! Dat hij ruste in vrede. Misschien heeft hij het verdiend. Maar Morse! En die is zelfs al dood, in beide gevallen: als mens in levenden lijve, als personage. Dat is pas crime de la crime! Kwaliteit van de dodelijkste plank! Een kneepje in de kont van Miss Marple, een snuifje achter de rug van Hercule Poirot, een stiekem lurkje aan de pijp van Maigret en een kopje thee-verkeerd met Sherlock Holmes. En ondertussen vallen er koppen en moet er nagedacht worden. En ondertussen leert ook Lewis, de braafgetrouwde loopjongen van Morse, de knepen van het vak. En we vergeven Morse zijn arrogantie, zijn alcoholisme en zijn gierigheid. Waarom worden er nooit Vlaamse feuilletons van een dergelijk niveau gemaakt? Aan de scripts of de boeken kan het niet liggen, want alle schrijvers klagen over de verminking van hun verhalen door scenarioprutsers. Aan de acteurs evenmin, want we hebben best wel goeie. We hebben vroeger zelfs een soort mini-tv-traditie gehad, met enkele opmerkelijke feuilletons. Dat was in de tijd dat het woord ‘soap’ nog niet uitgevonden en toepasbaar was. Nu heb je dat wel. Als men plotseling beseft dat men een massaproduct aan het maken is ten behoeve van kijkdichtheid en commerçe, dan beschermt men zichzelf door het als ‘soap’ te verkopen. Het woord heeft zelfs bijna geen negatieve bijklank meer. Zo ver is het dus gekomen. Niets belet me verder om mijn tv buiten te gooien en nooit meer een magazine te kopen. Telenet, een van de nieuwe Big Brothers, heeft toch al de interessantste kanalen eraf gegooid. Het zou een kleine weldaad zijn voor mezelf en een grote weldaad voor mijn menszijn. Maar ik zou wel de Morsemisdaden missen. Dat is zo zeker als de moord van de CIA op JFK.


    20-09-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.84: Lawine

    LAWINE

    ‘s Nachts was de huishond zijn mand moe. Hij hupte op de sofa en raakte het zaptoestel. Daardoor floepte de tv oorverdovend hard aan. Geschrokken tot in zijn ruggenmerg sprong de mens uit bed. Hij nam te vlug de trap en kukelde nog vlugger naar beneden. Hij brak heel veel. Zijn vrouw wachtte wat. Toen ze merkte dat hij na een halfuur nog leefde, belde ze de spoeddienst. De mens werd meegenomen, ingespoten en hersteld. De vrouw werd die nacht door een verpleger naar huis gebracht. Helaas stond dat huis er niet meer. Daar was de brandweer al druk in de weer. De oorverdovende tv was namelijk ontploft. De nagelnieuwe overgordijnen vormden prachtig voedsel voor de vlammen. Twee spuitgasten schoten er het leven bij in, toen ze afgingen op hondengejank. De hond kon echter toch nog ontsnappen via het tuimelluikje. Intussen overleed de mens in de dienst Spoedgevallen de volgende dag. Toen de vrouw daarover werd opgebeld ten huize van haar schoonzus, stierf ze zelf onmiddellijk. De hond holde alsmaar door. Een instructie-auto van de rijschool diende ijlings te remmen. Daardoor ontstond een kettingbotsing. In de derde auto morste een bestuurster een beker gloeiend hete koffie op haar knieën. Ergens aan de kust wachtte 120 man op haar komst, want ze was de voorzitster van een belangrijke vergadering. De weg werd door de politie afgezet. Plotseling dook een snelheidsduivel op een moto op. Toen hij staande werd gehouden en zijn helm afzette, bleek het koning Albert te zijn. Ondertussen had de hond dorst gekregen. Hij hield een eind verderop halt en likte een plas hemelwater op. Die plas lag naast een tank waarin zich een zeer giftig goedje bevond. Dus gaf de hond de geest. Koning Albert, inmiddels weer op weg, merkte het hondenlijk te laat op. Hij kon het niet meer ontwijken, hotsebotste erover, slipte en belandde tegen de omheining van een schildpadkwekerij. De eigenaar stormde woedend en gewapend naar buiten: vorige week nog hadden ze bij hem al twee peperdure schildpadden gestolen door een gat in de omheining te knippen. Hij aarzelde nu niet en schoot. Een halfuur later lag koning Albert op Intensieve Zorgen. Nadat ze ook verzorgd werd, verwittigde de onfortuinlijke vrouw van de hete koffie via haar gsm de vergadering van 120 man aan de kust. Ze zou wat later komen. Dat deed ze vlakbij de pomp van een tankstation. Daardoor ontplofte de hele santenkraam met een daverende knal. ‘Wat is dat, potverhippeltjes?’ vroeg koning Albert, geschrokken rechtverend in zijn ziekbed. ‘Heb je dat ook gehoord, zuster?’ En daarna werd alles weer stil en rustig. De schildpaddenman vloog nog in de gevangenis, en een vlinder in Tokio veroorzaakte nog een aardbeving in San Francisco.


    15-09-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.83: Een kacheltje

    EEN KACHELTJE OP DE MARKT    

    A - Alles goed in Staden?
    B - Vanmorgen was het er nog donker.
    A - Ah ja. Daar komt zeker veel volk naar kijken?
    B - Ja, de meesten komen dan wel naar buiten.
    A - Dan moet het daar druk zijn.
    B - Opvallend druk. Beetje spitsuur hé.
    A - Brandt er dan ook een kacheltje op de markt?
    B - Nee, helaas niet.
    A - Bij ons dus ook niet.
    B - Ook niet met het winteruur?
    A - Nee. De koude blijft gewoon buiten.
    B - Wij proberen deuren en vensters goed gesloten te houden.
    A - En de seizoenarbeiders dan?
    B - Die bellen vooraf als ze na hun seizoen terugkomen.
    A - Jammer dat jullie dan geen kacheltje op de markt hebben.
    B - Tja … en nou net met kerst …
    A - Doodjammer … in die tijd van het jaar ...
    B - Ja hé … Maar ik zal eens iets bekennen.
    A - Ja?
    B - We hebben eigenlijk ook geen echte markt.
    A - Had dat dan onmiddellijk gezegd.
    B - Ik durfde niet.
    A - Bij mij zijn alle geheimen veilig.
    B - Ook dat van die seizoenarbeiders?
    A - Dat is wat anders.
    B - Wat bedoel je daar mee?
    A - Ik weet nu te veel.
    B - Ach, dat valt nog mee.
    A - Vind je?
    B - Ja. Maar wil je één ding niet doorvertellen?
    A - Met plezier. En dat is?
    B - Zeker weten hé?
    A - Jaja, schiet nou maar op. Beloofd.
    B - We hebben eigenlijk ook geen winteruur in Staden.
    A - Had ik het niet gedacht!
    B - Ja, eigenaardig hé? Alleen een spitsuur.
    A - Geen winteruur?
    B - Helemaal niet.
    A - Daarom is het hier zo warm!
    B - Ja hé, en zonder kacheltje op de markt.


    13-09-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.82: Record

    RECORD                      

    Dames en heren, het is voor de zoveelste keer zover. Begin september hadden ze het in het journaal alweer over een recordvangst drugs. Bijna elke vangst in België wordt een recordvangst genoemd. Klein landje, grote getallen! Bijna elke keer sneuvelt een record: aantal kilo’s, straatwaarde, … Binnenkort zullen deze getallen zo hoog oplopen, dat er andere records zullen moeten worden gezocht. Ik hoor het Bavo Spruyt of Sigrid Claes al zeggen: ‘Bij een drugsvangst in Antwerpen is opnieuw een record geboekt; een grote hoeveelheid hasj en XTC-pillen is door speurders ontdekt in de langste straat van de provincie Antwerpen.  Kwestie van toch maar een nieuw record te scoren. Er zijn nog talloze mogelijkheden. Een ander record, of het begon er toch naar uit te zien: de wisseling van ministers in die paarsgroene bewindsgroep en de naamsveranderingen van de partijen en partijtjes. Vervelling alom. Het zit er momenteel altijd in dat door dergelijke omstandigheden uw buurvrouw plotseling in het parlement belandt of dat de brave meneer X. plotseling minister van Iets moet worden. Als ze trouwens wat meer eergevoel hadden gehad, waren er nog andere excellenties opgestapt. Nog een zomerrecord betrof het aantal ‘toegestroomden’ op de muziekfestivals op pleinen en weiden. Vele van deze toegestroomden werden dan ook nog eens over- en ondergestroomd door een groot debiet aan hemelwater of bedreigd door vuurzeeën. Vlaanderen spaanderen! Detailrecord: er is bij mooi weer in het seizoen geen parkeerplaats meer te vinden aan de kust. Onverrichter zake terugkeren zit er af en toe in. Of even Frankrijk in, bezijden Adinkerke, voorbij Plopsablablabla. En wil u echt in zo’n opeengepakte trein openbaar vervoerd worden tussen zweetlijven en niveadozen en frigoboxen? Dan blijf ik toch liever thuis tussen de frambozenstruiken en onder de rimpelappelboom. Nog een treurig record: de prijs van de mosselen. Een schande. Laten we collectief een jaar lang het mosseleneten boycotten tot ze zakken, die prijzen. Laat de handelaren uit Yerseke een aardig poepje ruiken! Waar we in Europa afgelopen zomer ook prima scoorden, was op het waterfront. De regenzomer braakte records. Er zijn dus inderdaad geen vier seizoenen meer. We zullen de aarde anders moeten behandelen en meer met rust laten. We moeten de schuld niet op El Nino of het broeikaseffect schuiven. Oké?


    12-09-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.81: Spin

    SPIN                 

    De spin heeft een formidabel geconstrueerde website. Als er een bezoeker op haar webstek arriveert, komt hij gewoonlijk niet meer terug. Het is een dodelijke snelweg voor sommige surfers/slurfers. Weer is de tijd aangebroken van Hare Webgevalligheid. Roerloos zit zij stil te zitten tegen witte en iets minder witte oppervlaktes (plafonds, badkuipen, lavabo’s). Benodigdheden voor de durver: een papieren zakdoekje, een fragmentje van de wc-rol, een stoel desgewenst, een plettend geluidje … gevolgd door gegorgel van wegspoelend water … en het is zo gebeurd. Eens spin, nu ex-spin, zeg maar: moes. Dames en heren, luister goed: er zijn ook jachtspinnen. Die gaan – het mag u verwonderen – gewoon op jacht. Ze construeren niet eens een web. Ze doen de moeite niet. Ze kunnen dus overal opduiken: op uw hoofdkussen, in uw bord. Maar gij daar, onwetende schijtlijster, laat de spinnen met rust! Vang liever slakken! Spinnen zijn nuttige monsters die tijdens de maand septober goed opruimwerk leveren. Heb je dan niet opgelet, vroeger, bij meester Spreeuwe? Je hebt toen toch geleerd dat spinnen allerlei gedierte en ongedierte enteren, verpakken, verdoven en uitzuigen? Jammer dat ze geen spreeuwen aankunnen, heb ik vaak gedacht. Spinnen zijn schapen in wolvenvacht. Ze zien er vervaarlijk uit, maar ze zijn best aardig, zolang het geen vliegen en dergelijke betreft. ‘De Spin’ was ook de codenaam van een beroemde detective uit een serie Nederlandse jeugdboeken, jaren vijftig-zestig. Die kerel had een grijs verleden, was toen moreel aan de betere hand, at graag erwtensoep in Arnhem en liep ook dolgraag over daken in datzelfde Arnhem. Mijn sympathie voor spinnen is daar begonnen. Gevaarlijker beesten dan spinnen zijn hersenspinsels. Dat zijn van die websites in je hoofd waar je hopeloos verdwaalt en verloren loopt. Het zijn parasieten die zich in de hoofden van de mensen nestelen. (Nota bene: het zogenaamde ‘hoofd’ bevindt zich boven op de romp – ook bij u). Veel meer dan voor hersenspinsels zijn mensen bang voor levende harige veelpotige spinnen. Ze dromen bijvoorbeeld dat ze met open mond (ter hoogte van datzelfde hoofd) door een spinnenweb lopen, terwijl in de navel van dat web een dikke vette spin nietsvermoedend zeer stil zat stil te zitten. Slik. Natuurlijk wordt die spin dan gloeiend kwaad. Zou jij graag hebben dat er iemand je breiwerkje weer komt ontrafelen nadat je er anderhalve dag aan gewerkt hebt? Wat een nachtmerrie!


    07-09-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.80: Geen mosselen

    GEEN MOSSELEN          

    Waarom eten we mosselen in juli en augustus? Omdat er een R in het woord ‘zomermaand’ staat. Ik poog deze tekst te maken met alle leden uit ons alfabet, tenzij dat dingetje. Ukken uit de papschool hebben veel last met die klank, want het is hoofdzakelijk een tongpuntgedoe. Volwassenen ook soms: ze maken een keel- of een huigklank. Je hebt eigenlijk hoofdzakelijk je tong nodig, en die moet geoefend zijn. Mei, juni, juli en augustus hebben evenmin dat moeilijke geluidje. Vakantie en geen mosselen? Kan niet. Onmogelijk. Het is als een theeloos Engeland, of een België dat geen patat-met-mayonaise te bieden heeft. In het Duits glijdt deze moeilijke consonant tamelijk zacht op de tong. Hij bestaat nauwelijks. In de taal van onze zuidelijke aanpalenden (en in een flink stuk van ons land ook) schaatst hij diep in de keel en tegen het gehemelte. Net een ziekte. In het Engels behandelen ze hem heel elastisch. Het kauwgumtaaltje uit de United States doet hem helemaal de das om. Lelijk! En de Tsjechische schijnt ook af te wijken. Nee, ik heb geen eitje te pellen met de klank die ik nu constant niet uit mijn laptop laat vloeien. Het is alleen een spelletje. Als ik een student was die speciale moeilijkheden met die tongpuntklank heeft, dan zou ik op deze wijze mijn examen dictie afleggen: de man die de punten uitdeelt, zou misschien nooit in de gaten hebben dat ik, mits enige inspanning, het zaakje opgelost heb en zelf mijn teksten maakte. Misschien kan nu iemand zo’n handboek samenstellen, met teksten die specifieke obstakels niet bevatten. Wat wel al bestaat, zijn gedichten met heel veel dezelfde klank: het i- of het u-gedicht. Of de a-saga: om West-Vlamingen mee te pesten die een van hun moeilijkste klanken moeten oefenen. Oef, het einde is in zicht. Nooit gedacht dat ik het vol zou houden. Het moet namelijk inhoudelijk nog een beetje steek houden, vindt u niet? Het is echt wel moeilijk. Het zogezegd afwezige klankje duikt als een duvel uit een doosje op en je ziet het niet eens. Nu, wie deze tekst luidop leest, zal alleszins zijn tongpuntje niet uitputten. Ik heb nu ook een weddenschap gewonnen. Een bak Leffe en twee kilo mosselen. 


    06-09-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.79: Letteren

    LETTEREN                      

    Jan de Hartog gaf de geest, een paar jaar geleden, oud 88. Krasse ouwe knar. Hij liep ooit weg van huis om op zee te gaan werken. Hij emigreerde naar Amerika, schreef zijn zeevaartromans in het Engels en vertaalde die dan later zelf terug naar het Nederlands. Hollands beroemdste auteur in het buitenland (werk van hem werd ook verfilmd) werd in eigen nest niet echt tot de literatuur gerekend. Het is blijkbaar het lot van sommige schrijvers die het begrijpelijk en spannend houden. Gewoonlijk zijn ze absoluut geen sant in eigen land. Ergens anders worden ze dan wel op handen gedragen. Dus verhuizen ze. Of proberen ze het in een andere taal. Hemmerechts en Reve bijvoorbeeld, als ik het goed heb. Die schreven ooit in het Engels. Ze zijn wel naar hun moerstaal teruggekeerd. De verwaande literatuurkenners uit de Lage Landen hebben altijd al ietwat smalend gedaan over de lekker lopende, spannende en ontspannende literatuur, die ze soms neerbuigend ‘lectuur’ noemen. Of ‘platgoed’. Jammer voor ze behoorden bijvoorbeeld Enid Blyton (‘De Vijf’) en Françoise Sagan tot de meest gelezen auteurs niet zo lang geleden. Jan de Hartog heeft natuurlijk het Hollandse water geëvoceerd én de strijd tussen goed en kwaad: zoiets typisch slaat in het buitenland aan. Ook Timmermans en Streuvels werden in verre landen gelezen omwille van hun ‘Vlaamsheid’. Tja, Nederland zond al veel schrijvende zonen en dochters uit. Vele dichters, prozaïsten en ook acteurs wonen/woonden en werk(t)en in Frankrijk, Portugal, Amerika. Denk maar aan deegkoppen als Hermans, Komrij, Kousbroek. Wat scheelt er met dat kikkerland? Te klein? Te eng? Te laag? Te waterachtig? Of spelen de elementen ‘fiscus’ en ‘weer’ hier de hoofdrollen in? Ook uit België is een kolonietje artiesten naar Frankrijk getrokken om er als God te leven. Sommigen keerden weer; anderen gingen heen en weer. Dat hangt of hing af van de verkoop van hun boeken, in zeer kleine mate, en van de subsidies van de staat, in zeer hoge mate. Ach, de letteren: ze blijven knetteren. Ik heb net een turf van 600 bladzijden uit over Russische spionagetoestanden. Tien keer leuker en interessanter, voorwaar, dan pakweg zo’n Max Havelaar van Multatuli, waar zoveel andere moeilijke boeken over bestaan. Of dan de dunne boekjes die de heer Claus de laatste jaren op de markt liet brengen. Maar ja, saaiheid is altijd al hét vak op school geweest. Literatuur moet naar ouwe sokken rieken, nietwaar. Anders is zij verdacht.


    01-09-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.78: Krantenpraat

    KRANTENPRAAT                

    Troost u, achtbare heer burgemeester van de guldensporenstede Kortrijk, uwe ex-Voorzitterigheid: zelfs de hoofdredacteur van de zogenaamde kwaliteitskrant De Standaard (waarin ooit over u een potje geroddeld werd) kan niet spellen. In een van de uitzendingen van De Zevende Dag (een tv-programma voor intellectuele zondagmensen zonder kater) ontrolde zich voor de kijkers zijn column. Hij las die ook voor. We kregen te lezen: ‘Hij vleide zich neer … enz… ‘ Dat is een bok van formaat voor een hoofdredacteur. En dat is momenteel ook symptomatisch voor kranten en magazines die zich profileren als zijnde ‘beter’. Zij die in hun teksten op het onderwijs zitten te schieten, bijvoorbeeld, zouden beter zelf eerst behoorlijk leren schrijven. Ik bewaar nog een knipsel uit diezelfde kwaliteitskrant. Het dateert van enkele jaren geleden en het stond op de voorpagina. Een kwaliteitsjournalist vermeide zich in een spelfout in de titel van een boek. Er stond: ‘De Ontsterfelijken’. Een blunder van formaat alweer, ja zeker. Het boek diende dus uit de handel genomen te worden en opnieuw gedrukt, althans: de cover. Maar … in zijn meewarig artikel slaagde de journalist er zelf in een DT-werkwoordfout te scoren. Wat een voorpaginanieuws! Wat je zegt, ben je zelf. En zo ken ik er nog wel een aantal. Het erge aan krantenpraat is dat het de tekst is van één iemand, die dan door velen klakkeloos geloofd wordt, net omdat het ‘in de krant’ staat. Dan te weten dat de helft van de kranten snert en de helft van de magazines pulp bevatten. Gefotografeerd, beschreven en te grabbel gegooid door prutsers die vroeger voor opstel gezakt werden. De zg. tabloids in Engeland zijn er het schoolvoorbeeld van. Riooljournalistiek. In België vergaat het de meeste kranten zoals de meeste politieke partijen: ze beginnen allemaal op elkaar te lijken. Politiek wordt nu zelfs vaak door journalisten bedreven, want ze willen allemaal zo graag gehoord worden en ad rem zijn. Misschien heeft de politiek ook wel dit soort kranten mee helpen veroorzaken. Van het ogenblik dat politici hun kostbare tijd begonnen te verkwanselen door in tv-spelletjes en dergelijke op te duiken, waren alle rapen gaar. Niet te verwonderen dus dat ze onder het mom van ‘human interest’ in het lang en in het breed ten tonele worden gevoerd en uitgesmeerd worden over paginagrote lappen. Hoge bomen vangen veel wind. Variant: tegen openbare bomen plassen veel honden.


    28-08-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.77: Kort-kort-lang

    KORT-KORT-LANG                

    Bijna nergens nog kun je korte verhalen lezen. Alleen maar in obscure, weinig verspreide literaire tijdschriften die niet bij de dokter of de tandarts liggen. Dat is jammer. In Engeland en Amerika geven ze wel short stories uit. Hier niet. Niet meer. Uitgevers zeggen daarover: ‘Het verkoopt niet. Je moet eerst naambekendheid hebben, hoe dan ook, en dan pas wagen we ons aan een collectie korte verhalen’. De uitgevers hebben het genre van de korte verhalen doodgemaakt. De tijdschriften niet, maar wie kent die? Wie leest die? Zevenendertig man en een paardenkop. Alleen de mensen die er zelf in publiceren. Nee, het gaat niet over de Libelle of Knack en zo, want die doen dat al lang niet meer. Het gaat over onbekende literaire bladen: Deus ex Machina, De Brakke Hond, Gierik, Hollands Maandblad, … Dat is allemaal jammer, want korte verhalen zouden dé literaire consumptie van deze tijden kunnen zijn. Kranten hebben daar evenmin nog plaats voor. En over gedichten zullen we het maar helemaal niet hebben; da’s nog erger. Alleen sporadisch wordt ergens eens zo’n gedicht opgeduikeld, gewoonlijk ter gelegenheid van een of andere rare dag: Gedichtendag, Valentijn, Watougedoe of als iemand dood moet gaan of geboren worden. En, ja: naambekendheid, verhippeltjes, wat is dat? Op tv komen in zo’n stomme show? Iemand koud maken en in het gevang vliegen? Het wereldrecord kikkers opblazen verbeteren? En pas daarna de wereld met je korte verhalen kunnen verblijden en verontrusten? Populisme! Ik haat de millenniumcultuur uit de grond van mijn hart. De politiek van de cafébazen en de letterkunde van de beenhouwers. Daarom, onder andere. Om al dat extra-literaire gedoe. De literatuur is naar de knoppen. De literatuur wordt heden ten dage gedicteerd door uitgevers met puur commerciële bedoelingen. Eender welke BV kan momenteel zijn boekje wel kwijt. En de ‘serieuze’ literatuur wordt dan weer gedirigeerd door een klein kliekje zichzelf subsidiërende would-be-professoren die eigenlijk voor prof geleerd hadden maar het niet echt zijn geworden. Dus vinden ze postjes uit voor elkaar – en schrijven ze alleen maar voor elkaar. Ze manoeuvreren jarenlang om dat zo voor elkaar te krijgen, de droogstoppels. Liefde voor de letteren? Vergeet het maar. Je wordt al scheef bekeken als je een normale zin bouwt. Maar ik kan u wel een bloemlezing van hun spel- en taalfouten in al hun teksten en statuten en brieven bezorgen: geen short story, niet kort-kort, maar lang. Jarenlang. De republiek der letteren wordt geregeerd door stuntels met pretentie en tafelspringers met een grote bek. Slager blijf bij uw kapblok.


    26-08-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.76: Oud & Stief

    OUDGEDIENDEN & STIEFZUSJES             

    Het Nederlands kent misschien wel enkele miljoenen woorden. We gebruiken er doorgaans niet zo veel van. Als we er gebruiken, zijn het vaak dezelfde. Dan worden die woorden dat ook wel eens moe. U kent metaalmoeheid, sleet, ouderdom. In woorden kan dus ook de mot zitten. Oudgedienden: zaken die zo vaak gezegd worden dat ze moe zijn. Een beknopte bloemlezing. Laten we de rivier volgen. We snijden ze de pas af. De warmte zit binnen. De tijd staat niet stil. Ze kunnen nu al veel. Er hangt een prijskaartje aan. We moeten er eens uit zijn. Wit is altijd schoon. Wij zijn niet boos, wij zijn woest. De kleine man is weer de dupe. Alle aanwezigen gingen tevreden huiswaarts. De afwezigen hadden ongelijk. De bal is rond. Voetbal is oorlog. De kinderen zijn weer het slachtoffer. Het wordt een hete herfst. De politie staat voor een raadsel. De horeca klaagt steen en been. De terrasjes lokten vele dagjesmensen. Hij heeft niet afgezien. We moeten bij onszelf beginnen. Ik zal je nog wel eens bellen. We kunnen er weer tegen. We hebben maar dat. Ik ga er eens een nachtje over slapen. Dat blijft onder ons, hé. Het is weer te geweldig. Het zal het niet houden. Hela, ze groeien hier niet. Zeg nooit ‘nooit’. Nooit. Ik ben de tolk der aanwezigen. Ik wil hier graag van de gelegenheid gebruik maken. Stiefzusjes: zaken die gemixt worden met andere zaken en aldus een foutieve constructie veroorzaken en die dat ook moe zijn. Een beknopte bloemlezing. We hebben het achter de boeg. Er valt nog een appeltje uit de kast. Alles komt op z’n pootjes terecht. Het loopt van een glijdakje. Ik zie het onderste van mijn tong. Het komt mijn achterhoofd uit. De kogel is door het midden. Er is hier geen levende kat te bespeuren. Ge moet het ijs smeden als het heet is. Er zal geen kat naar kraaien. Ge moet het gouden kalf niet slachten. Hij legt er het loodje bij neer. Ge moet uw schapen niet op het droge verbranden. Die renner moet zijn verantwoording opnemen in de ontsnapping. Het kost te duur. Het is nog te vroeg om een oordeel te kunnen vestigen. Veel wegen leiden naar Keulen. Iedereen kan niet zingen. Einde citaten. Wat klinkt de Nederlandse taal toch wonderzoet. De heerlijkste gerechten echter worden opgediend door sprekers die totaal niet weten hoe ze het moeten zeggen, maar wel weten waar ze het over willen hebben. Of soms omgekeerd, o ramp. Die hebben ergens een klok horen luiden. De Kamasutra is volgens hen een rivier in Indië. Ze hebben het bijvoorbeeld over ‘intimiti’ in plaats van ‘intimi’. ‘Etyologie’ in plaats van ‘etymologie’. Iemand heeft het al levenslang over ‘kervelig’. Zou ze ‘korzelig’ bedoelen? Soms is het zo erg dat je niet eens durft te informeren …


    23-08-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.75: Zomer in Amerika

    ZOMER IN AMERIKA           

    We waren deze zomer al even in Amerika, bij onze naamgenoten die zowel van Vlamingen, Indianen als van Spanjaarden afstammen. Ten noorden van Malibu, aan de kustweg langs de Grote Oceaan, ligt een stukje strand dat Paradise Cove heet. Tijdens vakanties en weekends staat de smalle landweg naar het strand altijd eivol auto’s en caravans. Ook het kleine restaurant puilt er dan uit van de gasten. De jongeren sleuren picknickmanden mee naar het strand, of ze troepen samen aan de broodjes- en pizzakramen. Surfen en zonnebaden zijn hier de twee meest bedreven werkwoorden. Die zaterdagmiddag rond drie uur scheen de zon. Het strand lag vol met aanbidders van dat hemellichaam. Wegens onvoldoende golfslag waren er weinig surfers. Noordwaarts, op het kleine plateau van een rotsformatie waarvan de wand zestig meter loodrecht uit het water verrees, hadden de schaduwmensen hun eigen wereldje gevonden. Nu en dan klonk het scherpe gekrijs van de naar afval zoekende meeuwen boven de stemgeluiden van de baders en het geruis van de branding uit. Vanuit de lucht kwam nog een geluid: het zoevende ronken van een helikopter. De naturisten graaiden snel naar zwembroeken en bikini’s en keken ontstemd omhoog. Een gemompel van teleurstelling klonk op toen men zag wat er op de zijkant van de helikopter stond: THE CHURCH OF ETERNAL LIFE. Een stem daverde door de luidsprekers van de helikopter terwijl de machine naar het rotsplateau daalde: THE CHURCH OF ETERNAL LIFE WISHES YOU PEACE. Daarna verdween de helikopter over de rots uit het zicht. Pat Denowh, mijn naamgenoot, probation officer die zowel van Vlamingen, Indianen als Spanjaarden afstamt, zei alleen maar: ‘Damned.’ Het strandleven hernam zijn normale loop, na dit ongewenste bezoek van de boodschappers van de Allerhoogste. De zwembroeken gingen weer uit en de meisjes koesterden hun dubbele punten weer in de zon. ‘Gebeurt dit hier vaker?’ vroeg ik, met mijn hoofd richting hemel knikkend. Pat Denowh glimlachte. ‘Jammer genoeg wel,’ antwoordde hij. ‘Eigenlijk doen zulke dingen zich ook voor in slechte romannetjes van Harold Robbins. Misschien halen die predikers daar hun inspiratie.’ ‘Aha,’ knikte ik, ‘een beroemde schrijver, zeker?’ ‘Een van de best verkochte,’ knikte Pat, ‘hij schrijft dan ook pure bullshit. Gelukkig staat op de eerste bladzijde van elk van zijn boeken dat het producten zijn van de verbeelding.’ ‘Maar the sky is hier the limit hé,’ opperde ik. ‘Dit is Amerika,’ zuchtte mijn naamgenoot. Het werd nog een interessante vakantie, waarvan elk uur zo gekopieerd leek uit weggooiromannetjes.


    20-08-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.74: Kaap Kont

    KAAP KONT                       

    Neem me niet kwalijk. Soms moet het hoge woord eruit. Neem dat nu met een korrel zout. Moet je pissen? U maakt een plas. Heb je het schijt? U baart een drol. Nu ben je maar beter even alleen, met je spleen en je speen. Het lijf staat hier buiten kijf. Nu is het niet meer van u. Minder is nu in u. Meer kan nu weer in u. Vlees, bloed, merg, hersens, kak, pis: dat is wat de mens gewis is. Gekabbel, gezeik, gepraat, gewauwel, gebabbel. Deze aardkloot – een blauwe plek in een heelal – zit overvol. Daarom hebt u zichzelf even verstopt in deze cel van verontreiniging en bezinning. U deelt die met niemand en met iedereen. Zeg niet te gauw: ’t is weer een man. Of: ’t is de vrouw die alles kan, want ook u neemt er afstand van. À propos: het smoort niet dat u hier stoort. Laat uw donkere gedachten even kabbelen op de deining van dat kosmische spoelwater. Negen planeten. Negen gaten in dat vege lijf van u. Hoe veel keer tussen de eerste schreeuw en doodshik en met hoe veel maal uw eigen lichaamsgewicht zult u deze blauwe planeet met uw eigenste venijn verblijden? Is er hoop voor dit hoopje, deze hoop, of ziet het er bruin uit? Voelt u zich bevrijd, pisnijdig, branderig of ontlast? Kijk uit, er zit een diamant in uw drol. Een parel wellicht. Heb aandacht voor vorm, hoeveelheid en geur. Gooi het kind niet met het badwater weg. Zoals u daarstraks in het café overschot aan gelijk had, zo helpt u thans deze zaak aan overschot van mest. Mij best. Halleluja: uw gerief is zeer productief. Luister naar het gorgelen van de pot en het geruis van de inheemse watervallen. Hier heb je tijd om op verhaal te komen. Lees de tekenen aan de wand. Sanitaire literatuur. Schalks gebabbel. Tegelseks. Who the fuck is Kilroy? Is Johanneke een jongen of een meisje? Heeft hij/zij een fopspeen of een ijsje? Ook van woorden moeten sommigen zich ontlasten. Rond deze Kaap Kont. Vaar op deze Mississippi van urine uit. U bent een god in het diepst van uw ingewanden. Maar vergeet na deze vertoning uw gordijnen niet dicht te ritsen. Het water neemt gedwee met zich mee wat u zo lang en zo dierbaar met u hebt meegedragen. Moest u iets kwijt? Het is eruit. Had u het hard? Het reist nu apart. Nu bent u weer alleen. U hebt uzelf afgescheiden. Ach, leer te leven met wat minder gewicht. Minder is nu in u, maar meer kan nu in u.


    17-08-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.73: Assepoes' dagboek

    ASSEPOES’ DAGBOEK            

    Natuurlijk weiger ik. Waarom zou ik met hem dansen? Zijn voeten zijn te groot. Zijn moeder is een kreng van een wijf. Hij zal zijn kleffe vingers tegen mijn rug duwen. Zijn adem riekt naar twee warme maaltijden per dag. Ik wil niet. Ik haat zijn twee hoofden: het ene glimlacht, het andere grijnslacht. Geen van beide heeft nog al zijn tanden. Kinderen zal hij bij mij nooit mogen verwekken. Kunnen we godbetert deze dans niet simpelweg vervangen door een handdruk plus drie beleefde zinnetjes? Of door een zitstaking? Kan het ergens in deze balzaal asjeblief beginnen branden? Stom van mijn zus om me naar hier mee te nemen. Ik hoor hier niet thuis, tussen opgetutte juffers en schaapachtig lachende macho’s. Ai, hij nadert zienderogen. Ik voel het. Zijn ogen branden gaten in mijn rug. Bah, wie heeft dat akelige dansen toch uitgevonden? Zal ik doen alsof ik flauwval? Nee, dan denkt hij dat het door hem komt. Hoe laat is het nu? Nog veel te vroeg. ‘Uche-uche,’ doet mijn zus. Ze kijkt me veelbetekenend aan. Jaja, ik weet het. Ik heb het al lang in de gaten. Ik heb ogen op mijn rug: de zijne, verdorie. Mijn zus glimlacht nu fijntjes. Natuurlijk weiger ik. Waarom zou ik met die kerel dansen? Wat denkt hij wel? Wat bezielt hem? Ai, nu staat hij vlak voor ons. Hij buigt heel slecht. En hij vraagt mijn zus ten dans! ‘Natuurlijk,’ zeg ik rustig glimlachend, ‘neemt u haar maar mee. Ik hou me wel even alleen bezig.’ Mijn zus staat triomfantelijk op. Hij brengt haar naar de dansvloer, dat vierkant van afgrijzen. Ik ben razend. ‘Ik denk niet dat ik nog lang blijf!’ wil ik ze naroepen, maar ik durf niet. Er zit een kikker in mijn keel. Nee, ik roep het niet, maar ik doe het wel, voilà! In mijn haast om me uit de voeten te maken, verlies ik een schoen. Geeft niet. Ik kijk niet eens meer achterom. Schoenen genoeg thuis, om te poetsen. Rise and shine my shoes, every day! Of nee … ik kan toch niet zo … In de verte zit nu een andere mooie gozer te grijnslachen. Terwijl ik met gemengde gevoelens bedenk dat ook dat monster op mij toe kan komen, gebeurt het al. Hij komt in beweging. Help! Ik keer ijlings terug naar mijn plaats en buk me om mijn voet in mijn schoen te wringen.


    15-08-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.72: Weps

    WEPS                 

    Medio augustus, na een lang regenseizoen hier in Grijs Vlaanderen, kregen de rugbyspelers van London Wasps in de cup final heel erg op hun donder. Ze verloren met een monsterscore van eh … hun tegenstanders, een andere ploeg dus. Maar hun uitrusting was pico bello; ze leken echt op wespen. Diezelfde dag, na een zomer die november genoemd kan worden, verschenen ook weer honderdduizenden wespen op terrassen en in tuinen. Want ondertussen had de mens zich alweer wat aangepast aan het buitenleven. Het best vertegenwoordigd waren (ik gebruik hier ook de wetenschappelijke benamingen) de ‘gewone’ wesp en de Duitse wesp (‘germanicus’). Zoek maar op; het is zo. Uit Duitsland is overigens nog nooit veel goeds gekomen. De ene soort heeft een drietal stipjes op het voorhoofd, zoals een waarschuwing voor stralingsgevaar, de andere op dezelfde plaats iets wat op een anker gelijkt. Augustus is hun bedrijvigste maand. Dan moeten ze hun eerste twee kwartalen goedmaken. Dan gebeurt de aanmaak van een en ander. Dan zijn er ‘verkiezingen’. En dan is er ook veel zoets beschikbaar en bereikbaar in de mensenwereld: cola, kindervlees, … Het is het hoogseizoen van het broodje-wesp. Ze zouden zelfs aan het tuinmeubilair durven knagen. Twee woorden uit de Nederlandse taal worden door vrijwel alle kinderen ietwat dooreen gehutseld en op een tijdelijk spraakgestoorde manier uitgesproken: hesp en wesp. Sommigen blijven dat hun leven lang doen: heps, weps. De scherpte van het woord ‘wesp’ staat tegenover de bonhommie van het woord ‘hommel’. ‘Hommel’ klinkt gezellig; ‘wesp’ doet zeer. ‘Kloothommel’ is een eerder silly scheldwoord; ‘wesp’ is als scheldnaam zo stekelig en gevaarlijk als ‘feeks’. Maya de Bij is daarbij vergeleken een seut. (Het woord ‘seut’ heeft/geeft geen specifieke uitspraakproblemen). Maar de ergste soort van alle wespen is de WASP: de White Anglo-Saxon Protestant. Het zijn de nazaten van zij die de Indianen van hun gronden hebben weggejaagd en uitgeroeid. Het zijn ook de nakomelingen van al het geboefte dat er aanspoelde op zoek naar fortuin. De WASP vormt een grote meerderheid in Amerika. Flink, blank, protestant. Bush, kortom, father & son, senior & junior. De WASPs hebben ook Irak aangevallen. Want WASPs houden niet alleen van zoetigheid, maar ook van olie.


    12-08-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.71: Een grappige god

    EEN GRAPPIGE GOD                 

    Ik denk dat er een grappige God bestaat die zich af en toe schaterlachend op de dijen slaat van plezier. ’s Nachts, als de meeste stervelingen slapen, amuseert Hij zich met het verplaatsen van voorwerpen en het scheppen van chaos. Tegen de ochtend zet Hij alles dan weer op zijn plaats. Soms is Hij verstrooid en vergeet Hij iets terug te zetten. Hij verplant soms zelfs een boom of een auto, vooral tijdens weekends. Sommige mensen denken dan dat ze dronken zijn, vergeetachtig of dement. Ook laat Hij ons geloven dat we over de gave van het voorspellen beschikken. Hij laat ons bijvoorbeeld aan iets of iemand denken, en hupsakee: twee dagen later gebeurt er iets waardoor dit ongeveer voorspeld had kunnen zijn. Dan vermoeden we dat we heel speciaal zijn. Zo laat de grappige God ons zelf eens Godje spelen. Om te lachen. Dan klinkt de schaterlach van de grappige God luid door de hemelen. Hij lacht met de domheid en de pretentie van de mens. En dan gaat Hij ook overdrijven: Hij maakt opzettelijk een voorwerp zoek dat iemand hard nodig heeft. De bril draagt daarbij zijn voorkeur weg. Ook met mobieltjes, sleutels en portefeuilles durft Hij zich wel eens te amuseren. Als het ongeveer te laat is, zorgt Hij er dan wel voor dat het verloren voorwerp vlak voor de neus van het slachtoffer ligt of opduikt, alsof het altijd op die plaats is geweest. Alsof die mens vreselijk dom is. Dan ligt de grappige God echt in een deuk. En wat heeft die fratsenmaker nog op zijn goddelijke kerfstok? Wegenwerken zonder wegarbeiders. Omleidingen waarbij je onveranderlijk weer op je beginpunt arriveert. Een wet die zegt: als iets kans loopt niet te lukken, dan gaat het niet lukken. Variant: het slechtste scenario loopt kans zich het meest te realiseren. Een boterham zal aldus altijd op zijn beboterde kant op de grond vallen. En je zult er bij het oprapen nog in trappen ook, want een ongeluk komt nooit alleen. Ach, die grappige God toch. Laten we het Hem vergeven. Hij is ook maar mens geworden, nietwaar.


    08-08-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.70: Sporen

    SPOREN       

    Ik heb iets met treinen. Een van de mooiste plekken ter wereld is de Oriënt Express, ook al omdat dat mooie ding altijd in beweging is. Mijn collectie treintickets bestaat al uit diverse soorten. De kleine, harde, paarse kartonnetjes van weleer waren de handigste om op te knabbelen bij vertraging. Lange tijd ook kregen we van die slappe, witgeel gespikkelde vervoerbewijzen. De huidige formulieren, door computers uitgebraakt, zijn te groot en te lelijk. Ook de tarieven liggen te hoog, tenzij je er voor zorgt dat je weduwe of wees wordt. Voor de rest dweep ik met het spoor. Ik heb zelfs ooit een treingedicht gemaakt, dat maandenlang razendsnel in ons koninkrijkje de ronde deed. Ik zit liever klokvast in de trein dan klikvast in de auto. Gewoonlijk reis ik ruggelings naar mijn bestemming toe. Ik weet niet waarom, en pieker vaak tijdens treinreizen over de wetten van de fysica. Eerste klasse interesseert me maar matig. Het echte leven in een trein speelt zich in tweede klasse af. Geknal van opengerukte colablikken, ochtendmisselijke mensen, geritsel van sportkranten, stank van ongewassen scholieren met gel op hun kop, de eeuwige heen en weer wandelende en waggelende gek in de middengang (elke trein heeft zijn zonderling, die nooit gaat zitten maar altijd heen en weer pendelt, een soort beweging-in-beweging), bedienden die liever eerste klas zouden reizen, rokende schoolmeisjes die hun rook hardop weer uitblazen, wezenloze avondmensen wier hoofd als een te zware pompoen tussen hun schouders heen en weer rolt, tiepen die je ononderbroken zitten aan te staren. Dit rollende leven fascineert me. Kijk hoe de treinwachter met een Clint-Eastwoodreflex zijn knipmachine uit zijn holster trekt! Er gebeurt altijd iets in treinen. Paul Delvaux schilderde ze. Johan Daisne schreef erover. Gustaaf Vermeersch ook. Hercule Poirot loste er een misdaad in op. Louis Tobback wou zich ooit uit protest ervoor leggen, op de rails voor de aanstormende HST. Butch Cassidy, Jesse James en Ronald Biggs beroofden ze. En mijn vriend de conducteur, een geknipte kerel, ontmoette op zijn trein naar Parijs in de restauratiewagen de acteur Richard Burton, lang geleden. Die vroeg een fles whisky aan de kelner, een entrecote en een Deense dog. ‘Wablief??’ Sorry?? Pardon??’ vroeg de drietalige kelner. ‘Een Deense dog?’ ‘Yes, yes,’ knikte Burton, ‘en die gaat de entrecote opeten.’


    06-08-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.69: Verloren Vlaams

    VERLOREN VLAAMS              

    Dit is het tijdperk waarin advocaten Arne kunnen heten en ukken met Oscar, Cyriel of Marcel aangesproken moeten worden. What’s in a name? De meeste heiligen zijn al lang uit de kalenders geschrapt. Ik maakte een wandeling langsheen de naamborden in het Kortrijkse advocatenkwartier. Het regende en miek er zo koud. Conclusie van mijn tocht: de tijd staat stil, het zijn de mensen die veranderen. Bijvoorbeeld van naam. Oude mensen dragen nu jonge namen en peuters dragen opapetten. Een van de honden van de Nederlandse dichter Simon Vinkenoog heette zelfs Joris. Waf. Toen hij me dat vertelde, voelde ik me zeer vereerd. Namen roepen associaties op. Yasser: keukenhanddoek. Theresa: ook zoiets. Mahatma: geen kleren. Nero: fakkels. Hitler: neushaar. Elvis: heupen. Dichters kiezen soms een pseudoniem waar weer of wind of water in zit: Westerlinck, Van Wilderode, Mandelinck. Otto is handiger: kun je twee keer gebruiken, van voor naar achteren en vice versa. Zoals het Panamakanaal: ‘A man, a plan, a canal: Panama’. Bekendste initialen ter wereld: JR, JFK. In België: VDB. Ijskreem, weet je wel. Afko’s, onderdeeltjes van een turbotaal, afgeknepen stukjes worst: een lupa (lunchpakket), een buma (burgermannetje). ‘Man, kort van stof, wnst. knsm. m. vr. krtgrkt.’  Medeklinkers zeggen alles, maar de grote klankverschuivingen gebeuren via klinkers. Nico de mus heet voluit eigenlijk Nicodemus. De zus van je zus heet Jezebel. Jezus was iemand anders uit de familie. Hoe zullen we ons kind noemen? Geen probleem. Er zijn getallen genoeg. Ooit hadden we twee schildpadden. In afwachting dat ze zelf over hun naam konden beslissen, noemden we ze eenentwintig en tweeëntwintig. Ter gelegenheid van hun ongeveer twaalfjarige bestaan op en in deze aarde mochten ze dan zelf een naam kiezen, met onze hulp. Er werd ook schildpadsoep opgediend. Vindt u Anaconda ook een mooie naam voor een meisje? En stel dat men constateert dat een baby een komma tussen zijn beentjes heeft, is Raspoetin dan niet een geschikte naam? Want dan is het waarschijnlijk een jongetje. Het kind moet nu eenmaal een naam hebben. Otto Lepel en Anna Kaak hebben de eer u het huwelijk aan te kondigen van resp. zijn dochter Jo met haar zoon Dagmar. Bij twijfel omtrent hun geslacht raadpleeg dan de toekomstige eerstgeborene. Zij (m/v) zal misschien Jackie heten, voor alle duidelijkheid. En moeder heette de koekenpan. En kent u de heer Frans Engels? Zijn mond staat nooit stil. Hij spreekt Verloren Vlaams: overbodige mededelingen in de trant van ‘stoppen met roken’, ‘wat ben je gegroeid’, ‘wat ben je grijs geworden’, ‘is je haar geknipt?’ en ‘mooi weer vandaag’. Ja, de taal leeft.


    02-08-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.68: Onder indianen

    ONDER INDIANEN              

    Later die avond ontmoette ik nog Zwemt Met De Zalm, ook een oude indiaan. ‘Dag Gedroogd Vlees,’ groette hij. ‘Dag, maar eigenlijk valt de nacht al, Zwemt enzovoort,’ antwoordde ik. ‘Niettemin is mijn vreugde groot u hier aan te treffen.’ ‘Dat betreft dan een wederzijds gevoel, Gedroogd Vlees.’ ‘En hoe gaat het nog met In De Bergen Rollende Donder?’ ‘Die is van ons heengegaan. Was ik blank, dan zei ik: helaas van ons heengegaan. Maar zoals u weet: zielen kennen pas rust ginds aan de overkant. Geen ‘helaas’ dus.’ ‘Nee,’ beaamde ik, ‘de doden hebben het wellicht goed.’ ‘En hoe gaat het heden in deze westelijke staat?’ informeerde Zwemt Met De Zalm. ‘Soms,’ zei ik peinzend, ‘soms is men in alle staten, soms is men in staat van ontbinding. Maar het moet gezegd: het is een goede plek om alsmaar ouder te worden. Zo hebben we waterlopen, een zee, wat heuvels en ook een zeer plat hinterland. Een lage streek, zeg maar. Vele vreemde stammen trekken des zomers westwaarts om dat te komen bekijken.’ ‘Dat is prima voor de economische ontwikkeling,’ knikte Zwemt Met De Zalm. ‘En wordt er ook nog gelachen met de westelijke voertaal?’ ‘Nee, men probeert die nu zelfs na te apen. Een modegril, Zwemt.’ ‘O, goed.’ ‘Er worden om de haverklap ook overal verse opperhoofden gekozen.’ ‘Ook squaws?’ ‘Ja,’ bevestigde ik. ‘De tijd staat niet stil. Ze hebben zelfs ontdekt dat de aarde niet zo plat als een vijg is, maar dat wist u al, hé.’ ‘Verandert er dan veel met al die verse opperhoofden?’ ‘Niet zo veel,’ opperde ik. ‘Al ziet de verentooi er soms veel kleurrijker uit. Blauw, groen, paars, oranje, bruin, regenboog, … ‘ ‘En het geel?’ ‘Uit de mode.’ ‘Bruin, zei u ook?’ ‘Daar vrezen we voor. Het is een gewelddadige stam die al het land voor zichzelf opeist.’ ‘Laat de strijdbijl niet roesten, Gedroogd Vlees.’ ‘Nee. Maar het is wel met gekrulde tenen hopen dat ook de wildebizonziekte niet weer u