SCHUINE TEKSTEN
Inhoud blog
  • 244: Mom
  • 243: 11
  • 242: Kloon
  • 241: In de put
  • 240: Huid & Haar
  • 239: Zomer 11
  • 238: Duimen maar
  • 237: Poirot
  • 236: Smoke
  • 235: Collateral
  • 234: Nachtraven
  • 233: Undercover
  • 232: Frietpeace
  • 231: Kopie-Kopie
  • 230: Gezeid is gezeid
  • 229: Vreemde man
  • 228: Een stuk
  • 227: België
  • 226: Mijn meesters
  • DRAMA
  • 225: GVD
  • 224: Veldinterview
  • 223: Sprook
  • 222: Zappa
  • 221: Een bod op God
  • 220: Curryculum Vitae
  • 219: Tovenaar
  • 218: Perspest
  • 217: Animatietype
  • 216: Ruim
  • 215: De erwt
  • 214: Podiumbeest
  • 213: Mobiliteit
  • 212: Twee tijgereieren
  • 211: De kus
  • 210: Wolf
  • 209: Een reus
  • 208: Opsporingsbericht
  • 207: K met zuurpruim
  • 206: Volksverlakkerij
  • 205: Doppedrop
  • 204: Kap
  • 203: Affiche
  • 202: Regen
  • 201: Stuk
  • 200: Hair
  • 199: Wie A zegt
  • 198: Bijsluiter
  • 197: TV
  • 196: Arno
  • 195: Letters & Letteren
  • 194: Taalkunde
  • 193: Onder de zon
  • 192: Besparen
  • 191: De goede man
  • 190: Van die dagen
  • 189: Zwarte zwaan
  • 188: Questionnaire
  • 187: Say cheese
  • 186: Loteling
  • 185: Een zwaluw
  • 184: Grijs
  • 183: Claus
  • 182: Liefhebber
  • 181: Monumenten
  • 180: Erger
  • 179: Landbouw
  • 178: Bijna
  • 177: Onafhankelijkheid
  • 176: Zo fout als wat
  • 175: Wei-gevoel
  • 174: Merk
  • 173: Mens
  • 172: Pikant
  • 171: 50 vragen
  • 170: Jinx
  • 169: Wiskunst
  • 168: Vederlands
  • 167: Met alle Chinezen
  • 166: Mooiste woorden
  • 165: Rijm
  • 164: Internetman
  • 163: EVBO
  • 162: Hondenleven
  • 161: Carrière
  • 160: Coureur locale
  • 159: Kip ik heb je
  • 158: Politiek programma
  • 157: Design
  • 156: Kreeft
  • 155: Nicotine
  • 154: Gastronomen
  • 153: Verleiden
  • 152: Opinie
  • 151: 1e hulp in gevallen
  • 150: Verzamelwoedend
  • 149: Fakir
  • 148: Cliché
  • 147: Iets anders
  • 146: Uit de kunst
  • 145: Appartemensen
  • 144: Wereldwoeden
  • 143: Ongerijmd
  • 142: Dagboek van 1 dief
  • 141: Vioolkist
  • 140: Ouden van dagen
  • 139: Automatische piloot
  • 138: Leugendetector
  • 137: Hotel Milan
  • 136: De Diepe Gedachte
  • 135: De weg vragen
  • 134: Mag ik overvaren?
  • 133: Leven op Mars
  • 132: Vogelvlucht
  • 131: Faer♠er-gevoel
  • 130: Lolbroek
  • 129: Sollicitatie
  • 128: De Q van Proust
  • 127: Volg je nog?
  • 126: Kerstmisdaad
  • 125: Hartstuk
  • 124: Mozart in november
  • 123: Heb je gedronken?
  • 122: Frambozen in melk
  • 121: Appelschudder
  • 120: Quo Vadis?
  • 119: Niespijn
  • 118: Rog
  • 117: Opiniepeiling
  • 116: Vragen aan 1 engel
  • 115: Garnaal
  • 114: De catering-collectie
  • 113: Grot met klaprozen
  • 112: Rechtspraak
  • 111: Paaseierensmelting
  • 110: Gezeid is gezeid
  • 109: Verre westen
  • 108: Regenkleurenboog
  • 107: Vraagstaart
  • 106: Mooie woorden
  • 105: Elverdinge-file
  • 104: Perte totale
  • 103: Stenen
  • 102: Hebben
  • 101: Roeselare blues
  • 100: Straat
  • 99: Oud nieuws
  • 98: Altijdwitte kerst
  • 97: Een goed gevoel
  • 96: Op je tellen passen
  • 95: Het anciauvisme
  • 94: Dichter in Darlingen
  • Onwijze uk
  • 93: Wijs & grijs
  • 92: Beeld & Woord
  • 91: Flater
  • 90: De Brabançonnettes
  • 89: Mirakel
  • 88: De ziel van het kind
  • 87: Bos
  • Hoofdzaak
  • 86: Stik
  • 85: Crime de la crime
  • 84: Lawine
  • 83: Een kacheltje
  • 82: Record
  • 81: Spin
  • 80: Geen mosselen
  • 79: Letteren
  • 78: Krantenpraat
  • 77: Kort-kort-lang
  • 76: Oud & Stief
  • 75: Zomer in Amerika
  • 74: Kaap Kont
  • 73: Assepoes' dagboek
  • 72: Weps
  • 71: Een grappige god
  • 70: Sporen
  • 69: Verloren Vlaams
  • 68: Onder indianen
  • 67: Godendrank
  • 66: Zijne Doorlichtigheid
  • 65: Zomer in de stad
  • 64: Rozemarijke
  • 63: Coup de mémoire
  • 62: Gewei
  • 61: Kieken
  • 60: Thuisreis
  • 59: Zomerkiekje
  • 58: De Guldenkolenslag
  • 57: De onbekende dichter
  • 56: Geen kik
  • 55: W-Vlse wouden
  • 54: Bedrog
  • 53: Zomer
  • 52: Bot
  • 51: Zak
  • 50: Prins
  • 49: D '77
  • 48: Choco
    Zoeken in blog

    DEZE KANT BOVEN (Bjarne Donderdag)
    SCHUINE TEKSTEN
    24-01-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.244: Mom

    MOM (MM)

    N mns mg zch grg vrmmmn.

    Ht mmbkks s vn ll tdn.

    Vrgr dd mn dt mt tkkn, bldrn n mddr: cmflg, wtjwl.

    Dt kn vl rdnn f dlndn hbbn.

    Sdrt d bkdrkknst kn dt prfct p ppr.

    Mn vrschft nkl klnkn, n mn bkmt n schlnm ft psdnm.

    Ndr ht mm vn n ndr nm kn mn dn schrvn wt mn wl.

    Rlk s ht nt, wl hndg n hrlk.

    Nbvngn t spln n dz wrnd dr lttrn!

     

    Palindromen spelen met onze voeten.

    Afko’s verzwijgen meer dan ze prijsgeven.

    Rijmen zijn maar achterklap op rijm.

    Anagrammen hutselen alleen wat door elkaar.

    Lipogrammen discrimineren een bepaalde klank.

    Pangrammen willen altijd alles.

    Een mombakkes echter overleeft het echte aangelaat:

    kijk maar naar Max Havelaar na meer dan 150 jaar.


    27-12-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.243: 11

    HET JAAR ELF

    Wordt het jaar elf een scharnierjaar in de eenentwintigste eeuw? Horen we het tandenknarsen van een nog jonge eeuw of zwaaien de poorten naar verandering gezwind en geolied open? Gemengde gevoelens overheersen: misschien vallen er lessen te trekken uit de Arabische Lente die een bloedhete zomer werd, de Japanse natuurramp die ook het menselijk falen evoceerde, de binnenlandse euforie (bij velen) van veranderend stemgedrag die in regeringloosheid verzandde, de yeswecanslogan die afgezwakt moest worden om de Verenigde Staten voor faillissement te behoeden. 

    Het getal 11 is van oudsher ‘gekleurd’. Het wordt, zeker na 11 september 2001, ook als een
    bijzonder wrang getal gezien. Het is het eerste meestergetal binnen de Kabbala. Elf is in het dagelijkse spraakgebruik het gekkengetal. Elf overschrijdt het geheel van de tien geboden. Binnen de dertiendaagse scheppingscyclus van de Maya’s staat het getal elf voor tijdelijke dissonantie en chaos. Je zou daarbij kunnen denken aan de elfde september, toen de Twin Towers, die samen het cijfer elf vormden, tot verbijstering van velen instortten. Ook in de numerologie is 11 het eerste meestergetal. 11 heeft in zich de 1, maar ook de 2, omdat 1 + 1 = 2 is. Daarom wordt de 11 als een lastig, moeilijk getal gezien met tegengestelde tendenties in zich. Dat wijst op innerlijke strijd; 11 wordt dan ook als de strijder gezien.

    Dit is Het Jaar Elf geweest:

    Bijlagen:
    HET JAAR ELF.docx (564.1 KB)   


    27-11-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.242: Kloon

    KLOON 

    Ik droom van een theaterstuk waarin twee schommels op het podium staan.
    Ze bewegen zacht in de wind, terwijl het publiek de zaal binnenkomt en na het hoffelijke babbeltje met de buren op de zitplaatsen voor, achter, rechts en links gaat zitten. Er mag wat geknars en geknierp te horen zijn: de schommels hebben wat olie nodig, zoals alle schommels. Uit het leven gegrepen! Dan komt op de linkerschommel een viersterrenmeisje zitten. Neen: ze heeft geen lolly in haar mond. Even later neemt op de rechterschommel bijvoorbeeld Elvis Presley plaats. Of een buurvrouw. Of een astronaut. Dan ontspint zich natuurlijk een gesprek. De schommels kunnen daarbij een leuke bijrol vertolken: simultaan-synchroon, als tegenliggers, één in beweging en één bevroren … We komen te weten dat het viersterrenmeisje de helft van een tweeling is. Elvis Presley ((laten we die versie eens nemen) is een lookalike die in het werkelijke leven sedert kort lesgeeft in Nederlands en Engels. Hij heeft dat diploma door studie in de gevangenis verworven. Tijd zat. Voorheen was hij namelijk een geducht gangster, met bivakmuts en masker op. Zijn gelijkenis op de wereldbekende heupzanger exploiteert hij niet. Hij slaat er geen munt uit en gaat nooit naar elvismeetings. In mijn stuk zou ik ook graag echte duiven en mussen laten fladderen en scharrelen. Broodkruimels zullen hierbij noodzakelijke rekwisieten zijn. De regisseur moet natuurlijk een dirigent zijn. Hij moet metronomisch gevoel hebben om de schommels te beheersen. Misschien mag er ook een grote metronoom voor of achter op het podium. Het viersterrenmeisje, zo leren we, zou graag apothekeres worden. Dan zou ze een pil uitvinden die belet dat de ene mens op de andere mens gelijkt. Ze heeft daar dus – volgens het stuk – een paar redenen voor. Zelf gelijkt ze ook op de Egyptische koningin Nefertiti, vrouw van Achnaton. Dat vormt echter geen noemenswaardig probleem. Elvis prijst haar om haar klassieke schoonheid en haar dubbel geperforeerde oorlelletjes. Nu moet ik nog een titel vinden.
    Hoe zal ik mijn stuk gaan noemen? Niets schommelachtigs. Wat dacht u van ‘Kloons’? ‘Bring in the kloons?’ ‘Waltzing kloons?’ Ach, titels!


    28-10-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.241: In de put

    IN DE PUT

    In Onbeschaafd Nederlands gezegd en geschreven: ik heb er mijn buik van vol. Waarvan? Van die wegenwerken, ook getiteld Wegwerkzaamheden. (Wat een spuuglelijk monstrueus lang woord). Ik hoef u de betreffende omleidende of stuitende taferelen allicht niet te beschrijven. De minister van asfalt en beton zit volledig aan de grond en in de put. Alle wegen die ooit naar Rome leidden, brengen u nu naar de hel of een vagevuur ergens in het hol van Pluto of in de verafgelegen negorij Waarbennekiknu. Overal zijn menselijke mollen aan het werk. Van zohaast een mollenpeloton zijn werk heeft verricht, duiken er verse eenheden op. Het zijn ook vaak echte mollen, want niet altijd zijn ze zichtbaar. Soms trekken ze zelfs tenten op, om hun onzichtbaarheid nog te vergroten. Soms vervangen ze zichzelf door een oranje pop die eenarmig met een vlaggetje staat te zwaaien. Onnodig terug te zwaaien. Of met een colafles urine te gooien. Op vele wegen die dan uiteindelijk toch weer naar Rome leiden, ontwaar je dan nog vage gele strepen. Dat zijn de remsporen van de mollenkolonies. Van het Woeden der Wegwerkzaamheden, spaar ons, Heer.


    25-09-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.240: Huid & Haar

    HUID EN HAAR

    Wat drijft iemand om in de huid van een ander te kruipen? Waarom is men bereid zich als iemand anders te gedragen en spelend vreemd te gaan? Als uk wou ik een berenvel. Dat stond jarenlang nummer 1 op mijn verlanglijstje. Nummer 2 was een machine om wind te maken. Vermomd als beer zou ik, onherkenbaar, mijn medemensen de stuipen op het lijf jagen. Het liefst bij storm en ontij. De goede man bracht me echter geen berenvel. Nooit. Evenmin een windmachine. Ik ben nog altijd boos op hem. Overigens is hij zelf ook iemand die een rol speelt. Draagt hij immers geen pruik, valse baard en snor en theatrale kleren?
    Tijdens de voorbije Ronde van Frankrijk zag ik op tv opvallend veel pruiken, hoofddeksels en vermommingen langsheen de Franse wegen. Vooral de geweimensen en de Noormannen scoorden hoog. Ik zag ook twee pausen. Het is blijkbaar de behoefte van de mens zich een andere mens aan te meten. In huid, met haar. Schrijvers, undercoveragenten, advocaten, travestieten en acteurs: zoek het verband. Sommigen mogen beroepshalve liegen of zich anders voordoen dan ze in het werkelijke leven zijn. Sommigen mogen zich ook verkleden om hun beroep uit te oefenen. In een uniform mag je zelfs in bepaalde omstandigheden iemand … nou eh: onklaar maken. Carnaval, Halloween en Driekoningen zijn ook bekende openluchttheatertoestanden. Meer is dan toegestaan voor de vermomde. Rekruteren liefhebbers- of beroepsgezelschappen later bij voorkeur uit deze beschilderde losbollen, snoepmoordenaars of Wijsjes uit het Oosten? Jong geleerd, oud gedaan, tweede huid nog niet afgedaan?
    Ikzelf heb een knullige acteercarrière. Ik mag dan al theaterteksten en andere dingen schrijven, maar mijn actieve rol wat acteren betreft, beperkte zich tot een wit laken. Misschien betrof dit een afgeleide van het berenvel uit mijn prillere jeugd. In de jeugdbeweging speelde ik als negenjarige een spook in een dodendans, natuurlijk onder een wit laken. Daarbij zwierde ik per ongeluk en in mijn enthousiasme een fles limonade van een tafel. Mijn acteercarrière werd abrupt onder dat witte spooklaken gesmoord; ik kreeg een oplawaai vanjewelste van een zg. ‘leider’, versie jaren zestig, dwars door dat laken heen, waar hij mijn kop vermoedde. Daarna en daardoor ben ik aan het schrijven geslagen. Ik lieg dat ik zwart zie. Ik vind personages uit, met huid en haar. En ik voel me er beregoed bij.


    19-08-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.239: Zomer 11

    ZOMER 11

    Een uiterst vermoeide ober aan de Vlaamse kust brengt me terminaal sloffend mijn drankje.
    Boven het terras tapet muisgrijsheid het zwerk dicht. Mensen met herfstjassen aan overbevolken de horecabedrijven al van in de vroege voormiddag. Een horecavrouw hangt een mosselspandoek over de breedte van enkele ramen en jaagt zodoende op staande voet twee boze klanten weg, die eerder al boos waren omwille van de norse bediening door de ober. Zal het nu ook weldra gaan regenen?
    Dichtbij situeert zich de bekendste vismijn van de kust. Vele steenworpen verder nemen de politici van het druilerige koninkrijkje België de draad van hun ‘onderhandelingen’ weer op. Telkens weer worden ze gefilmd en geïnterviewd door een horde mediamensen, alsof het echte helden betreft. Wat drijft ze tot deze uitzichtloosheid, dat valsdappere geglim- en gegrimlach, die duffe werklunches, de nachtelijke vergaderingen, de eindeloze repetitie van immer dezelfde moeë clichés? Veel centen leiden naar macht, schijnt het. Ze hebben momenteel geen macht. Ze zijn amechtig. Het moeten dus de centen zijn. Volgt dan de macht? Neen. Wie al meer dan een jaar tot geen vergelijk of consensus komt, wordt machteloos.
    Terug naar de kust. Vooraleer ik aan zand toe ben, geef ik me over aan de klassieker: mosselen. Dat spandoek heeft misschien zijn effect niet gemist. Maar ik verorber de lekkertjes wel in een ander horecabedrijf, inderdaad ook omwille van die ober plus panoramafnuikend spandoek. Het blijft echter zo muis-, ja: olifantengrijs dat ik naderhand veroordeeld ben tot enkele koppen koffie in het hinterland. Ondertussen hoor ik in de auto op radio Culture drie Franse enthousiastelingen het proza van Ernest Hemingway loven en prijzen dat het bijna niet meer mooi is. Deze oorlogsliefhebber heeft met zijn journalistieke pen volgens het superlatievende trio de literatuur een bepalende en deugddoende zwik gegeven. Deze zomer memoreerde men ook zijn zelfdodingsdag, een halve eeuw geleden.
    Schrijver dezes trekt zich tegen valavond terug in zijn stulp, om verder het jaar elf in de gaten te houden en daarvan gewag te maken. Vooraleer ik aan thuiskomst toe ben, moet ik me noodgedwongen overgeven aan een onvervalst donder-en-bliksemtempeest. Het ‘doet zo lelijk’ dat het mooi is. Ik detecteer hierbij tot tweemaal toe een voorwerp uit vervlogen tijden: een regenkapje. Zo’n ding veroorzaakt ondanks zijn bedoeling altijd haast. De vrouwen eronder (geen man torst dit ooit) laveren ijlings tussen de druppels door.
    Ook dit is het jaar elf, nou: de zomer.


    25-07-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.238: Duimen maar

    DUIMEN MAAR

    Duimapplaus moet vreselijk zijn. In het Nederlandse Gebarenboekje vindt u de exacte beschrijving van het gebaar. Pakweg vierhonderd toeschouwers blijven na afloop van een voorstelling zitten, heffen ostentatief hun handen voor hun gezicht en tikken tergend hun duimnagels op elkaar. Stel u dat onwezenlijke geluid voor in een mooie pluchen zaal, terwijl de acteurs vlak na hun buiging beduusd en verbouwereerd de zaal in staan te kijken. Duimen zijn belangrijk. Ze onderscheiden door hun gebruik onder andere de mens van de aap. Geheven duim: oké. Duim down-under: bukken, man, de tomaten komen eraan! Het bekendste strijkorkestje ter wereld is dat van de duim tegen de wijsvinger. Het is het strijkje dat het prijskaartje of het kostenplaatje begeleidt, om het met een interviewcliché te zeggen. Mooi woord overigens, ‘duim’, voor de meest worstachtige onder onze vingers. Zijn er bekende gevallen van zo’n duimapplaus in de theaterwereld? Geroep en gefluit vallen meestal ten deel aan stukken of prestaties die men niet snapt of die niet goed gebracht werden. Zelfs Tsjechov kon erover meespreken, in zijn begindagen als theaterauteur.
    Vooraf duimen voor een goede afloop gebeurt ook maar beter niet. Je mag het lot niet tarten. Dan worden benen gebroken. ‘Jinxen’ is gevaarlijk: iets op een of andere manier uitdrukkelijk wensen. Misschien is het beter de fingers stiekem crossed te houden en stilletjes te hopen dat niemand uit zijn rol valt, dat er zich geen hoestola’s in de zaal voordoen, dat de elektriciteit het niet begeeft, dat de grimeur op tijd is en dat oom Wanja de slappe lach niet krijgt.


    PS De voorstelling Klein Duimpje van het kindertheatergezelschap Kindly yours kreeg wel een kleine doch krachtige staande ovatie. Het was een stuk om duimen en vingers bij af te likken.


    23-06-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.237: Poirot

    POIROT

    Wie is de bekendste Franssprekende Belg in het buitenland? Hercule Poirot, oui. Hij wordt heden ten dage weer ten tonele gevoerd middels een BBC-serie op een van de Vlaamse televisiezenders. David Suchet geeft hem gestalte. Hoewel het strookt met wat schrijfster Agatha Christie van het personage maakt, is het toch jammer dat men er in de Suchet-versie zo’n verwaande fat van maakt. Het inktzwarte krulsnorretje is erover; de nichterige pasjes nog meer. De zwartgeverfde karige haren (‘Ik geef mijn haar zijn natuurlijke kleur terug’, dixit het personage) en de lakschoentjes doen aan decadente commedia dell’arte denken, of aan de professor in Dood in Venetië. Nu, de Belgische detective draaft dan ook op in scenario’s die als een poppenkast in elkaar gezet worden. De intriges en de moordpartijtjes gebeuren tussen dienbladen met sherry op en in lounges van hotels en pensions. De slachtoffers vallen gewoonlijk nogal bloedloos te gronde. Er zijn weinig sporen van geweld, want bovenal houdt Poirot van orde en netheid. Hij handelt zoals elke televisiedetective: hij maakt zijn handen niet vuil, duikt in en uit taxi’s, auto’s en treinen, luistert goed naar slager, bakker, butler en kamermeisje en forceert op die manier via zijn zelfverklaarde geniaal werkende cellules grises dat beetje geluk dat ook een goede keeper moet hebben. Morse, Barnaby, Taggart, Frost, Lynley, Dalziel, Rebus, Lewis, Holmes: illustere linksrijders, sommigen onder ze stevig op drank, koffie of vast voedsel gefocust. Niet zo Hercule Poirot: hij nipt zuinigjes van crème de menthe of warme chocolade en neemt treinen en taxi’s.

    Acteurs die Hercule Poirot vertolkten:


    22-05-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.236: Smoke

    SMOKE

    Zag je onlangs nog iemand een sigaret opsteken met een lucifer? Roken is al uit den boze; de lucifer oogt oubollig. Wanneer de lucifervlam plotseling gedoofd wordt door een oude windvlaag uit het westen, dan bevinden we ons in een oude film. Zenuwachtige lipstickvrouw met lange filtersigaret versus man onder hoed met kortere machoversie tussen de lippen. Tussen twee windvlagen in last de vlam van de lucifer een verbond tussen de vrouw en de man, want ook de ogen spreken boekdelen. Het wordt een interessante schroeiplek op deze blauwe planeet, lang voor de ozongaten. De sigaret als vredespijp. Oude filmhelden en –heldinnen roken als schoorstenen. Peuken en afgebrande lucifers worden achteloos op de grond gegooid, soms verder onder de voetzool doodgetrapt, zelfs in mooie hotelkamers. Achtergronden die hier tot de verbeelding spreken: de Arc de Triomphe, een straat met lindebomen in Berlijn, een vliegveld in Casablanca. Het is donker, naoorlogs of ten minste Koude Oorlog. De wereld hangt af van die lucifervlam, want de mensheid hangt andermaal in de touwen. De blauwe planeet kan ieder ogenblik weer in puin vallen, zoals al voorheen gebeurde. De troost en wellicht ook de oplossing zitten ‘m in het aanstrijkgebaar van de man die de lucifer hanteert, de vlam, de lengte van de sigaretten en de rest is geschiedenis, nou: wordt geschiedenis. De eindgeneriek toont alsmaar nieuwe namen. Vers vlees. Geroosterd op de grill van ’s mensen historie. Rook, leven, liefde en dood. Rookt God?


    25-04-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.235: Collateral

    COLLATERAL

    Podiumberoepen: acteur, goochelaar, zanger, stand-upcomedian, entertainer, presentator, cabaretier. Ik vergeet er nog. Meestal komen die personages vaak en uitdrukkelijk in beeld of in ons vizier. Met of zonder plankenkoorts, die ze al dan niet bestrijden met rituelen. Er zijn ook bijrollen. Sidekicks. Aangevers. Nevenfiguren. Er zijn zelfs hoofdbijrollen, op tv. Dat zijn de onafhankelijke beroeps die geheel alleen optreden, noodgedwongen, geïnterpelleerd door journalisten, met wisselende bekommernissen. Dat zijn de BBV’s, de Bijna Bekende Vlamingen, of de collateral BV’s, zeg maar. Voorbeelden. Auto’s met mensen erin slippen. Er moet zout gestrooid worden. Dat zout raakt op. Drama. Ilse Luypaerts lost dat op. Zij wordt een BVV in de maanden december tot februari. Zij krijgt een bijrol in het grote drama van de Belgische mensheid. Overstromingen. Branden. Ontploffingen. Drama. Wauthier Robijns staat paraat, namens de verzekeringssector. Fileleed. Mobiel België staat stil. Drama. Maarten Matienko is hier de rots in de branding. Hij zal je aanraden pas zondag te vertrekken. Wat kan er verkeerd lopen? Hoe lang is uw remafstand? Voelt u zich een gordeldier? Drama. Maid Marjan Duchesne snelt u glimlachend ter hulp. Treinen te traag? NMBS alweer niet van haar woord? Botsingen? Frédéric Petit legt het wel uit. Puur fictie, die Frédéric! Winkelellende. Koopjes. Sperperiode. Percenten en serpenten. Drama. Opeenvolgende woordvoerders van UNIZO bezweren de gevaren ter plekke. Drie verschijningen en ze verkrijgen het BVV-statuut. Zo zijn er nog van deze toevallige bijrollen. Ze krijgen door omstandigheden een kans op dat rechthoekige scherm van afschuw, het podium van de eenentwintigste eeuw. Ze kunnen een Oscar krijgen als ze het collectieve probleem goed bezweren of weten uit te leggen. Ze worden niet gevraagd in de grote shows, de lullige panelgesprekken, de hoeraquizjes, de billenklets- en gierprogramma’s op de tv van de BV’s. Ze staan voor collateral damage, of althans: zij moeten die nevenschade uitleggen en zeggen dat het wel goed komt. Drama. De echte werkers zijn nooit zo zichtbaar als de zogezegde helden. En toch is misschien hun plankenkoorts groter.
    PS Ik heb het dan nog niet eens gehad over nieuwslezers op tv. Wist u dat die geen benen hebben? Over halve zichtbaarheid gesproken.


    03-04-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.234: Nachtraven

    NACHTRAVEN

    Nighthawks – Edward Hopper. Verveling en eenzaamheid ten top gedreven en te kijk gezet in de glazen kijkkast van een New Yorkse ‘diner’ begin jaren veertig. Het is een van de bekendste schilderijen ter wereld. Vier vastgespelde vlinders in een vitrinekastje. Je kan er dwars doorheen kijken en toch bulkt het plaatje van afstand en onbereikbaarheid. Alsof je in de zoo naar vreemde wezens kijkt die achter glas gevangen worden gehouden. Candid camera of splendid isolation? Gezien willen worden of ongezien en ongestoord willen blijven? Heeft men vensters en ramen als uitzicht op de wereld of dienen die om er gordijnen voor te draperen? Denk aan de glasgordijnen die vele ramen bedekken. (Ik associeer er onwillekeurig lijkwaden mee). Die verhullen het schouwtoneel op aarde (het kamertoneel, zo je wil), maar ze zijn toch transparant genoeg om nog de contouren van mens, tv-scherm en computer te ontwaren. Tegelijkertijd opaak en doorzichtig. Een combinatie: ik wil niet dat je me echt ziet, ik hoop dat je me ziet. Voorbijgangers zien dan een individu aan een computer zitten: eenzame nighthawks in contact met www. Communicatie ten top gedreven en te kijk gezet in de glazen kijkkast van een Vlaams woonhuis in de eenentwintigste eeuw. Chatrooms die er geen zijn, contact dat er niet is. In de jaren zeventig, tachtig flakkerden ’s avonds overal de blauwe en later kleurrijke televisieschermen op wanneer je door de stad stapte. Je zag er de menselijke contouren aan topsport doen in hun sofa’s. De daaropvolgende decennia werden de screens flatter en groter, en vaak ook ontwaarde je het kleinere broertje in de huiskamer: de pc of de laptop. Het zijn de vaste ingrediënten geworden van de schouwtoneeltjes ten huize van zovele nighthawks. Die nachtraven vliegen niet echt meer uit. Ze doen virtuele uitstapjes. Soms gebruikmakend van onechte namen, zoals mensen in de huid van iemand anders kruipen en acteur worden. Het hoofdpersonage in Hoppers Nighthawks zit met zijn rug naar ons toe. Buiten is geen levende ziel te bespeuren. Twee andere tooghangers lijken een dialoog te hebben met de barkeeper. Ieder ogenblik kan er een raaf te pletter vliegen tegen die zee van glas die ‘les gens de la nuit’ omhult en beschermt. Drama. Dimmen.


    06-03-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.233: Undercover

    UNDERCOVER (HAIR)

    In het literaire en het theatrale wereldje kom je nogal es types tegen met gladgeschoren schedels en moeilijke brilletjes op hun pief. Het camoufleren van enerzijds gebrek aan haar anderzijds gebrek aan verstand is er schering en inslag. Het lijken wel kloons van elkaar, al die moeilijkdoenertjes. Deze concentratiekamplook werkt ook dubbel. Men weet nooit goed wat men voor zich heeft: is men nou kampdokter of is men nou gevangene? Wanneer ik andermaal zo’n culturele Schedelmans zie opdoemen, zet ik mijn zonnebril op en ken ik hem een nummer toe. Ik zit al aan nummer 1.234.567. Zoveel exemplaren sjokken er rond. Deze Schedelmansen scheren zich daarenboven ook maar om de vier dagen. Zo creëren ze graag een indruk van geleerde verstrooidheid of geniale vergeetachtigheid. Geen tijd gehad. Bezig geweest met Moeilijke Dingen, dag en nacht. Zij staan hun kingewas toe even lang te worden als de afgeroetsjte groei op hun hoofd. Eigenlijk was dat ongeschoren syndroom het handelsmerk van het reclame- en copywritersgild. Helaas voor hen zijn ook andere beroepen zich om de vier dagen niet meer gaan scheren. Andere beroepen profileren zich plotseling ook modieus. Advocaten harken hun haren achteruit of laten die welig tieren. Aldus zien ze er vaak uit ofwel als tuig van de richel ofwel als kunstschilder of toondichter. De grens tussen recht en misdaad en kunst is smal. Acteurs vertonen nogal es de neiging kaal te worden. Doodgewoon kaal. Qua metamorfose valt daar veel mee aan te vangen. Een positief punt op het cv: beschikt over geen haar. Het gebeurt wel vaker dat zo’n acteur plotseling wanggewas gaat kweken. Vooral als hij al bekend genoeg is. Daar valt ook veel mee aan te vangen. Inzepen en afscheren bijvoorbeeld. Nu scheer ik mezelf weg, vooraleer zo’n kampbewaker op me afkomt. Ik smeer ‘m.


    02-02-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.232: Frietpeace

    FRIETPEACE

    Vette hap in magere dagen. Toeverlaat der hongerigen. Keet van vertrouwen. Alomtegenwoordige kathedraal van kroketten. Basiliek van burgers. Tempel van look en sissend vet. Sluiphok der scholieren. Steun voor de innerlijke mens. Rantsoenpost der gezinnen en alleenstaanden. Sis voor ons.
    Als er geen frietketen waren, dan zouden we ze weer uitvinden en laten beschermen door Monumentenzorg, Vlaanderen B-plan en een paar ministeries tegelijk. En nog een handjevol politieke partijen ook, want iedereen moet eten, nietwaar. Wat is er inderdaad nog gezelliger dan teeveestaren? Hongerend naar de eeuwigheid frieten plukken uit een pakje of een zakje, die eerst even kopje-onder gaan in een kledder mayonaise of pepersaus. Wat overstemt het gedruis van die hemeltergende Vlaamse regen en auto's op pletsende banden? Het allesbegrijpende gesis van vet in een frietkeet. Wat evenaart de douche thuis? De wind die uiteenwaaierend hemelwater onder de luifel van een friture jaagt, bijgestaan door opspattend modderwater van voortjakkerende gezinswagens. Waar praat je tegen een hondje met een hoedje op? Daar. Waar vind je de laatste resten echte democratie? Ook daar. In de friethalle. Ik hoorde er zelfs eens een rechter boeren. En als je liever niet gezien wordt met friet, vraag je maar iets burgerachtigs. De burger heeft nu eenmaal medezeggenschap. Ooit stond ik met twee Kortrijkse parlementariërs in een zeer bekende frietkeet aan het station. Ze konden er nog net bij; het was geen weer om een hond door te jagen. Ik stond er wel al. Ik zweer het u: voor de duur van één met witte pepersaus (plusminus negen minuten) heb ik daar toen eindelijk eens een zinvol gesprek gehad met politici. Dat was een primeur voor mij, in volle winter dan nog. Want als ik er zo een zie naderen, dan krijg ik onmiddellijk zeer bloederige ketchupvisioenen. De cement van ons toenmalige gesprek vormde de friet. We praatten, onze mond vervuld van warme patat. En weggedrongen in een hoek plukten we broederlijk onze frieten uit een ouderwets puntzakje. Ook toen wedijverde het frituurvet met de regen in lawaai: alles ziedde en schuimde en kookte. Haastig hapten we segmenten uit onze democratische frikadel, vervaardigd uit oud papier en oostpriesterhulptextiel. Onderzoek aan de universiteit had toen al uitgewezen dat frikadellen en hamburgers vooral bestonden uit oud papier, advertentiebladen, onderbroeken en legervoorraden kousen. Allemaal gerecycleerd, zoals het hoort. Jammer dat na ons bezoek aan de patatkraam de ban gebroken was. De passie was weg. De honger was gestild. Ieder ging zijns weegs, naar zijn taverne of naar moeder de teevee. A propos: waarover toen mijn gesprek met de twee parlementariërs ging? Ik monsterde hun frikadellen, wachtte tot die half op waren en somde dan de ingrediënten op waaruit die vervaardigd waren: oude verkiezingsdrukwerken onder andere. 'Heren,' deelde ik hen mede, 'u bent uw eigen leesvoer aan het opvreten. De cyclus is weer rond. Er is toch nog rechtvaardigheid in dit land'. Nou, ze namen het nog goed op. We stelden namelijk ter plekke een onderzoekscommissie in en probeerden te ontdekken tot welke politieke strekking de restjes frikadel behoorden. Geen probleem: ze kozen prompt voor de meerderheid. De mond van de beide parlementaire heren, met name. Frietpeace: de basis van onze democratie.


    08-01-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.231: Kopie-Kopie

    KOPIE-KOPIE

    Het wuivende groen in mei en in de ramen de weerspiegeling van het wuivende groen in mei. De maan die ’s nachts het water in de vicieuze kasteelwal verlicht waar ook de maan in dobbert. De wortel van de boom die de kruin herhaalt en omgekeerd. De bewolking in juli die ook op de gezichten van de bevolking te zien is. Een naam die je net zo goed achterstevoren kunt lezen. Een lepelnaam dus. De stad die in de glimmende regenstraten als haar eigen onderwereld weerspiegeld wordt. Iemand die zegt ‘Wat je zegt, ben je zelf’. Het atelier van de schilder met de schilder zelf erin perfect gekopieerd in het oog van de schilder die naar je kijkt op zijn zelfportret dat net echt is. Twee mensen die precies op hetzelfde ogenblik krek hetzelfde zeggen. De vergelijking ‘een roos is een roos is een roos.’ Het perfecte rederijkerskruiswoordraadsel. Tot je ontzetting je eigen gezicht herkennen in de reflectie van het etalageraam van een babyklerenwinkel terwijl je dacht: ‘Wat is die lelijke uitstulping daar? Wat een tronie!’ De echo van je eigen woorden in dat klankhol van je hoofd herhaald horen met terugwerkende kracht. Het spiegelschrift van de cafébazin. De gelijkenis tussen grootouders en kleinkinderen en grootouders. Andy Warhol. De poets wederom poets. De boemerang. De jogger die in het midden van zijn leven van zichzelf wegloopt en zolang voortsjokt tot hij zichzelf weer tegenkomt, want de aardbol is rond. Hij wint een dag tijd, want hij vertrok in oostelijke richting. Rijm dat rijmt met een ander rijm. Een soort achterklap, weet u wel. Klanken en noten die herhaald worden. Repercussie, repetitie, herhaling van reclame, alliteratie, stafrijm, de behoefte van de mens (en het kind) aan herhaling. De ene Griekse zuil die de andere oproept. A gaat voor B. Spic vraagt om Span. Gas en elektriciteit. Os en ezel. Bang en wezel. Rust. Evenwicht. Dit zou de winter kunnen zijn. want januari volgt op december, dat aan januari voorafgaat. Wie zoekt, die vindt, wat hij zoekt. Het (inter)net is een (spinnen)web. U ziet uzelf. U bent uw eigen schermbeveiliging.


    12-12-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.230: Gezeid is gezeid

    GEZEID IS GEZEID

    Waar is mijn piet nu weer, zei Sinterklaas, en hij zocht wanhopig tussen de plooien van zijn tabbaard.

    Wat is dat gelul toch allemaal over die zak, zei Sinterklaas, en hij sjorde zijn lange onderbroek nog maar eens op.

    De daken zijn niet meer wat ze geweest zijn, zei Sinterklaas, en hij struikelde over een zonnepaneel.

    Wie stout is krijgt de roe, zei Sinterklaas, al zou ik niet weten wat dat is en hoe.

    Laat de kinderen tot mij komen, zei Sinterklaas, ik ben ook een bisschop hé.

    Je hebt te veel noten op je zang, zwartwerker, zei Sinterklaas, en hij gaf zijn strooipiet een mep tegen zijn kop.

    Mijn koninkrijk voor een paard, zei Sinterklaas, en hij inspecteerde de schimmel tussen zijn tenen.

    Ik twijfel tussen een picknick en een pieknieke, zei Sinterklaas, en is het speculoos of speculaas?

    Dat scheelde geen haar, zei Sinterklaas, en hij streelde de extensions in zijn baard.


    11-11-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.229: Vreemde man

    VREEMDE MAN

    Nog hoeveel? keer slapen en het is weer zover. Dan komt de goede man. Afgelopen zomer aten we al zomerklaaskoeken; we vonden dat wat jammer. Dat is niet macrobiotisch: je moet eten wat het seizoen en de omgeving schaffen. Varkensvlees en frieten bijvoorbeeld. Heeft de Sint dan geen sperperiode, potverpietjes? Ik eis zo’n sperperiode voor bepaalde klaasproducten. Toen ik nog een uk was, rookte mijn pa Almos. Later werden dat andere merken. Groene Michel. Richmond. We wisten maar al te goed waar hij zijn voorraad verstopte. Ma dacht dus dat hij veel rookte. Maar wij leefden in het tijdperk waar een van de reclameslogans luidde: Sprint – dé sigaret voor de sportman. Roken was dus gezond. Het gebeurde wel vaker dat mijn mannelijke verwekker in het donker nog om een pakje holde, naar zo’n gezellig winkeltje uit oude tijden van koloniale waren van voor het economische debacle. Het rook er altijd naar zaterdag. Je kon er alles krijgen. Ik heb er eens mijn broer met zijn kont in een emmer haring geduwd. Enkele jaren op rij, op één welgemikte decemberavond, mochten we mee met pa op stap om een pakje sigaretten te kopen. De wandeling heen en terug duurde een halfuur. Het was 5 december. Guur weer, zoals gewoonlijk eind jaren vijftig – begin zestig. De wind gierde om schoorstenen en langs telefoondraden. Toen we weer thuiskwamen, mijn pa gehuld in verse Almos-wolkjes, was een andere goede man hem potverdorie voor geweest. De Sint was gepasseerd! We hadden hem niet gezien. Toch woonden we in een doodlopende straat. De spoorboom op het einde van de straat was definitief neergelaten; nieuwe wegenwerken en tijden braken aan. De heilige man had bij ons thuis wat speelgoed gedropt. En hij was natuurlijk via het dak en de schoorsteen gekomen. Gewone straten met ellendige kasseien had hij niet nodig. Vooral geen doodlopende, zelfs niet met sintvriendelijke kinderkopjes. Zo moesten we nooit wachten tot 6 december: een ellendige schooldag waar Pieten op deuren bonkten en meesters vraagstukken opgaven met picknicken erin. (‘Jan heeft 10 picknicken. An 7. Als Jan er 6 opeet en An 2, hebben ze samenveel pret’). Elk jaar echter was ik sterk ontgoocheld in de Sint. Want ik hoopte altijd op een echt berenvel. Het stond lange jaren bovenaan mijn verlanglijstje. Ik wou een heus berenvel om me in te vermommen en de mensen de stuipen op het lijf te jagen. Nooit kreeg ik het. In de derde kleuterklas had ik al sterke vermoedens omtrent de identiteit van de goede man. Hij rook namelijk naar Almos-sigaretten. Samen met mijn vriend Pol-zaliger deelde ik die vermoedens. Diens Sint rook naar Zemir, ook een merk van toen. Zuster Serafien had dat door en parkeerde ons op 6 december in een bank vlak bij de deur. ‘Niet te hard schrikken als er hard gebonsd wordt hé. Je weet wel wie er dan komt hé … Maar: mondje dicht, hé!’ We knikten ijverig. Maar op 6 december wipten we net als alle andere babyboomers geschrokken op, toen er knoerthard op de deur gebonsd werd en een regen van picknicken over de kortgeknipte koppen scheerde. Pol en ik keken ondertussen door de hagelwitte baard van de goede man heen: herkenden we een van onze vaders? Buren? Meesters van de grote school? Er liepen weinig mannen met baarden rond in die tijd. Alleen maar Jan, Piet, Joris en Corneel. En zaten er wel echte glazen in die bril? Het leek verdorie wel een zonnebril. Of toch zo’n ziekelijk brilletje met van die verduisterde glazen. En wat betekende dat gedoe met die vier Pieten? ‘Hulppieten,’ legde zuster Serafien uit, na het gewelddadige sintbezoek aan onze klas. ‘De goede man wordt oud en kan niet alles zelf meer doen.’ Ze keek Pol en ik staalhard in de ogen. Het leven ging later door. Zuster Serafien werd tweehonderd jaar. Ik kreeg nooit een berenvel en Pol stierf jong. En mijn pa stopte met roken. Het waren oude tijden waar straten doodliepen en het hard woei door de zee van antennes op de daken. Later, maar niet zo lang meer, heb ik me nog vragen over de sint gesteld. Eet de goedheiligman preparé? Zo ja: blijft er dan wat hangen in zijn baard? Kan ik zelf een sint worden of voor sint leren? Ben ik misschien de jongste broer van de Sint? Heeft de Sint bleke billen die des zomers aan het strand van Spanje bruin worden? Waarom Spanje in hemelsnaam? Waarom is hij zo in voor oranje? Wat is het verschil tussen speculoos en speculaas? En die roe dan: dient die om te roeren in de zak met stoute roestige kinderen? Kinderen die het grof gemaakt hadden, zoals in ‘Klein klein kleuterke, je maakt het veel te grof’? In het eerste leerjaar luidde mijn eerste zinnetje: Puk zit in de wei bij de beek. Hij houdt een roer vast. Hoe zat dat in elkaar? Roe? Roer? Roest? Wat was het verband? Vanwaar kwamen die vreemde woorden? Ook uit Spanje? Wie was Puk in hemelsnaam? Een of ander pikzwart pietje?
    Enkele jaren later waagde ik me zelf aan mijn eerste sigaret. Almos bestond al niet meer. En ook mijn geloof in een sintschap was al lang verdwenen. Alleen: zoals in een bekend boek de smaak van een koekje een verleden weer kan doen keren, zo verscheen eventjes in de rook van die verboden sigaret als een djinn de goedheiligman uit de middeleeuwen van mijn leven. Ik mocht echter geen drie wensen formuleren. Ik verwenste mezelf later dat ik er ooit aan begonnen was.


    15-10-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.228: Een stuk

    EEN STUK

    Dit wordt het stuk dat alle andere stukken zal doen vergeten. De gastregisseur heeft het gezegd. Ik krijg als trouw bezoeker reeds anderhalve maand op voorhand ook mailtjes van een speler die in het stuk aller stukken figureert. Hij ziet het zitten. Ik verdenk hem ervan me gekostumeerd te mailen. De titel van het stuk ontsnapt me weliswaar voortdurend. Er zijn te veel gelijkaardige titels. En ook te veel lange. Er staat, herinner ik me, onder andere een bijvoeglijk (groen? verboden?) en een zelfstandig naamwoord in (schandaal? feest?) Nu, ik ben kijkliefhebber in hart en nieren. Ik spiek nog even op het mailtje, mail terug omdat de dag niet klopt met de speeldatum van de première, en kan dan een paar uur later deze must in mijn agenda zetten. Vijf weken later is het zover. Ik spoed me naar zaal De Laatste Hoop, een polyvalent gebouw waar je bijvoorbeeld voor saucijzen kunt kaarten, Roetheense volksdansen kunt leren, Maltese geurentherapie kunt volgen, derdeleeftijdpingpong kunt spelen en aan toneelkijken kunt doen. In verband met dat laatste: jammer dat er geen hellend vlak is. Toneelvereniging De Plank brengt er hedenavond ‘Groen van de miserie’ in première, een blijspel. Vooraleer ik erin slaag mijn zitplaats te bereiken, word ik staande gehouden door diverse vrijwilligers. Ik ruil munten voor bewaring van kleren. Ik besteed een flapje aan de brochure over het stuk. Mijn toegangskaart wordt vakkundig middendoor gescheurd door een meisje dat Moderne Talen volgt. Ik baan me een wegje en knik en wuif ondertussen naar buuf en buur. Eindelijk bereik ik mijn stoel. Het is een gewone stoel. Er staan er twintig per rij. Hij staat iets te dicht tussen twee andere stoelen in. De kaartenverkoop liep blijkbaar lekker. Ik ruik de regenkleren bij mijn buren; zij gaven hun jassen niet ter bewaring af en dijen dus iets breder uit. De stoel voor mij blijft gelukkig leeg: ik zit in de voorlaatste rij en alles is hier dus letterlijk platvloers. Maar dan … vlak voor de vertoning gaat beginnen, de lichtplasjes aan de muren fletser worden, het geroezemoes afkalft en ik mijn zitvlees comfortabeler herverdeel over mijn stoeloppervlak, gebeurt het. Op de onbezette stoel vlak voor mij deponeert zich in laatste instantie een mevrouw met zo’n gebeeldhouwd Fabiolakapsel. Ik kan er niet naast kijken. Het is de mama van de hoofdfigurant. Ik zie nu al groen van miserie.


    16-09-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.227: België

    BELGIË

    De enige aanwijsbare reden voor het groot gelijk van iedere politicus is diens groot gelijk, al zegt hij het zelf. Idem dito is een bekende Vlaming bekend omdat hij bekend is, van op tv. Vandaar, België: land uit zicht. Het valt niet te bezeilen.


    29-08-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.226: Mijn meesters

    MIJN MEESTERS

    Meester Gilbert was de vreselijke man die mijn eerste leerjaar in de basisschool dirigeerde. Ik heb het over eind jaren vijftig – begin zestig. Ik had dat, zelf een uk op tafelhoogte zijnde, toen nog niet door, maar mijn eerste ‘grote’ meester was een onderdeurtje dat met rechtopstaande haren amper 1 m 60 hoogte bereikte en zo mager als een sprinkhaan was. Mocht Bellewaerde al bestaan hebben, hij mocht ‘voor niks’ binnen. Een ideale limbodanser. Waarom ik hem een vreselijke man vond? Meester Gilbert deed ons naar voren komen om verzen te declameren. En dat was nou net mijn trauma uit de papschool bij zuster Serafien geweest: dat we godgenageld alleen voor de klas liedjes moesten zingen of gedichtjes moesten voordragen. Meester Gilbert, een amateur-toneelspeler van het betere allooi (zijn toneelkring won enkele keren het nationale Landjuweel), acteerde ook zelf de lessen Gewijde Geschiedenis. Het passieverhaal blijft nu nog in mij nazinderen, met de oranje illustraties erbij. Mijn geloof is er echter niet groter door geworden, wel mijn fascinatie voor verhalen. Wie iets goed deed, kreeg een doopsuikertje. Soms moest je dat dan weer inleveren, omdat het niet goed bleef. Vier stokjes aan je m bijvoorbeeld. Of een inktvlek. Dan was dat doopsuikertje al half gesmolten. Je moest het immers bewaren: je mocht je beloning alleen maar verorberen tijdens speeltijden. Naast mij in de bank zat een roodharige dikkerd met duizend sproeten en een roze velletje. Soms haalde hij onverwacht maar stiekem zijn piemel uit. Dan moesten we lachen. Helemaal vooraan was Jozef-met-het-brilletje geparkeerd. Hij leek dom te zijn. Zag hij niet goed? Godverdomme, niemand besefte het: eigenlijk was Jozef een beetje doof. Jaren later kwam er op de plek van de toenmalige basisschool een PMS-centrum, nog veel later CLB genoemd. Daar hadden ze kunnen ontdekken dat Jozef wat doof was, en niet blind, en niet dom. Het waren harde tijden. Ik was de tweede van de klas, achter het zoontje van de dokter. Mijn prijsboek had als titel: Van een konijntje en een ei. Een kieken wou haar ei niet uitbroeden. Dan maar het konijn ten tonele gevoerd. Op de prijsuitreiking werd de film Bambi vertoond. Mijn eerste leerjaar? Angst.

    Meester Vandecasteele (ik ben zijn voornaam vergeten; Norbert?) kleurde mijn tweede leerjaar van de basisschool aangenaam in. Ik begon me eindelijk goed te voelen. Hij was jong. Elke ochtend kwam hij op school toe met een scooter, van ergens héél ver. Hij was een beetje Elvis Presley (hoewel wij die naam niet kenden). Er stond een steenkolenkachel midden in de klas. We schaarden er ons omheen, riekend naar natte honden. Meester Vandecasteele had een beloningssysteem met gekleurde kartonnetjes, waarbij niemand zich gepasseerd voelde. Soms zwierde hij zijn benen naar omhoog en ging hij even op zijn hoofd staan. We hadden het gevoel dat hij een vreemde snuiter in onze school was. In die tijd arriveerde midden in het schooljaar ook een rijke jongen bij ons in de klas. Iedereen wou naast hem in de bank. Hij was met een vliegtuig uit ‘de’ Congo gekomen: het gevaarlijke land van de negers met de afgehakte handen. In die tweede klas vond ik ook mijn eerste meikever, in de haag omheen de stedelijke speelwarande. Op rapportdag (examens heetten toen nog ‘wedstrijden’ of ‘ombesten’) bleek ik nog meer percent te hebben dan bij die brulaap uit het eerste leerjaar. Het zoontje van de dokter was dieper in de rangschikking weggezakt. Meester Vandecasteele was immers geen inwoner uit het stadje; hij kwam van ver … En bij hem mocht je ook wat stouter zijn. Dat vormde geen echt probleem betreffende de kolom ‘Uitmuntendheid’. Ik kreeg dus veel prijsboeken. Vooral van Hollandse schrijvers, waar personages Harm en Puk moesten heten. ‘Puk zit in de wei bij de beek. Hij houdt een roer vast.’ Aan mijn tweede leerjaar bewaar ik warme aangename herinneringen.

    Meester Wets van de derde klas (die toen al duizend jaar leek te zijn) werd ziek. Vrijwel onmiddellijk, aan het begin van het schooljaar, nam mevrouw M. zijn plaats in. Zij was de vrouw van de toenmalige schooldirecteur. We verhuisden dat jaar ook naar een ander segment gebouwen, palend aan de echte grote school, waar we ooit zouden belanden. Mevrouw M. leek in mijn ogen op een gerimpeld appeltje uit de vorige herfst, althans wat haar gezicht betrof. Ze was wel een voorloper in individuele evaluatie. Ze nam uitvoerig de tijd om van bank naar bank te gaan en daar ter plekke schrift na schrift te becommentariëren en te amenderen. Daardoor, vooral omstreeks april-mei, kregen we ook soms een stukje van haar boezem te zien. Dat geultje interesseerde ons toen al in dezelfde mate als de glijbaan in pretpark Meli. Ofschoon we in die tijd uiteraard een volledige masculiene klassengroep vormden, getalsterkte meer dan dertig eenheden, ondervond mevrouw M. geen moeite met ons. We vonden een juf wel eens fijn. Mijn derde leerjaar weekte de vrouwelijke kant in mij los.

    Meester Haelewijn van het vierde leerjaar vond ik een heel fijne kerel. Om te beginnen had hij een boekje gepubliceerd over het nabijgelegen en beroemde kasteel van Wijnendale. Dat vond ik indrukwekkend, want toen al wou ik schrijver worden. Meester Haelewijn nodigde echter ook eens een echte brandweerman in de klas uit, waardoor ik plotseling besloot: ik word spuitgast! Dat werd zelfs de titel van mijn daaropvolgende opstel. Hij organiseerde ook een heuse studietrip naar een ijzergieterij in de omgeving, want een van de zoons van het bedrijf zat in onze klas. Meester Haelewijn behandelde ons niet als domme onwetende kinderen. Hij ging rustig en gereserveerd met ons om. Wij, hoe jong ook, apprecieerden dat. Geen gebrul, geen lawine van straffen, een rustig stelsel van beloningen. Zijn natuurlijke autoriteit werd nog versterkt door zijn bril met zware montuur. Later zou de mode worden. Het zou ook nog decennia duren voor het woord ‘respect’ opdook in het straatvocabularium van jonge streetwise durfnieten, maar zeker weten: wij (Armand, Hans, Wilfried, Hans, Eric, Pol, … ) hadden toen ‘immens’ veel respect voor meester Haelewijn. Mijn vierde leerjaar opende mijn vensters op de wereld.

    Meester Devriese van de vijfde klas was mij zeer goed gezind. Hij kende mijn ouders goed. Bij hem leerde ik mijn eerste Frans. Zingend. C’est un éléphant, qui marche … qui marche … Hij kon een iguanodon op het bord tekenen. Maar bovenal ontdekte hij dat ik heel mooie opstellen schreef met veel tekenende woorden in. De zwarte kat liep door de dikke benen van de warme bakker. Mijn mooie zinnen kwamen telkens weer op het bord, na elk opstel, maar mijn tekeningen op de keerzijde waren een ramp. Meester Devriese keek door zijn wazige gekleurde brillenglazen altijd een beetje treurig. Hij was ook diepgelovig. Na schooltijd en na de niet-verplichte les Frans kon je bij hem bijvoorbeeld nog EKW volgen: Eucharistische Kern Werking. Dat deed hij samen met een priester, in de schoolkapel. Hij kwam ook op voor de zwakkere broertjes in de klas. Toen we voetbalden met een tennisballetje op de speelplaats, en het onhandige Willy’tje ‘kopte’ het balletje per ongeluk met zijn rug in plaats van met zijn hoofd weg, dan was meester daar om iedereen te bezweren dat dat helemaal niet erg was. Jezus had immers ook aandacht voor de minderbedeelden.

    In mijn zesde en laatste klas van de lagere school (ik deed geen zevende leerjaar, hoewel heel veel leerlingen dat toen wel deden: onze school kende in die jaren nog drie zevende klassen) was de cirkel rond: weer zat ik oog in oog met een tiran. Meester Rosseeuw (‘Spreeuwe’) was dubbelkinnig, streng, onredelijk en oud. Ik bewaar maar één goede herinnering aan hem uit dat jaar: toen hij elke zaterdagvoormiddag voorlas uit een avonturenboekje over een expeditie. Overigens bleek jaren later dat mijn eigen pa en de meester niet op goede voet met elkaar stonden. Vandaar het ongemak, dat ik elke dag aan den lijve ondervond. Spreeuwe speelde piano en was oerkatholiek. We moesten dus veel zingen. Gelukkig was het toen al de mode dat er in de zesde klas ook door andere meesters les werd gegeven, ter voorbereiding op de middelbare school. Meester Cafmeyer gaf geschiedenis; meester Schutyser gaf aardrijkskunde; mijn eigen tiran Spreeuwe gaf natuurkunde. Spreeuwe kwam rond met zo’n gigantische rolstempel, zodat iedereen een kikker of de nerven van een blad in zijn schrift kreeg gestempeld. Er was in die tijd wat aan de hand met bisschop Makarios op Cyprus. We moesten er knipsels uit de krant over verzamelen. En o ja: België won een oorlog tegen Duitsland. Dat was het enige goede wereldnieuws uit mijn zesde en laatste leerjaar in de basisschool. Spreeuwe, als de hemel of de hel bestaan, en ik kom u daar tegen: ik zal me moeten inhouden of ik geef u een optater tegen uw verwaande stekelharen kop, zodat uw kinnen trillen als een pudding.

    Mijn meesters en mijn ene juf: gemengde gevoelens. Angst, respect, warmte, bewondering, begrip, afgrijzen. En als het regende, regende het hevig. En als het vroor, vroor het dat het kraakte. En de wind huilde waanzinnig. En de sneeuw lag metershoog. En de zon brandde ongenadig.


    09-08-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DRAMA

    DRAMATISCH NIEUWS


    Ik neem de vrijheid u en uw gezelschap enkele van mijn theaterstukken onder uw welwillende aandacht te brengen. Zowel Toneelfonds J. Janssens (Borgerhout) als Theaterburo Almo (Antwerpen) als Toneeluitgeverij Vink (Alkmaar, Nl) publiceren mijn dramatisch werk. Mocht u eventueel interesse hebben i.v.m. opvoering, dan moeten de scripten bij deze literaire agenten opgevraagd worden.


    EEN EENHOORN IN JE TUIN
    (J. Janssens, 1996): jeugdtheater voor kinderen, door kinderen en desgewenst volwassenen. Meerdere rollen mogelijk, o.a. een hele klas. Thema: fantasie. Avondvullend.

    THUIS HEBBEN WE GEEN TREIN (J. Janssens, 1998): avondvullende monoloog. Aan het woord is een geprepensioneerde treinconducteur. Thema: station, treinen, reizen. Meerkeuzemogelijkheden voor het slot. Genre: hilarische komedie.

    DODE ADDER (Almo, 2000): bekroond met de Nestor de Tière Toneelprijs van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde Gent en met de Premie Theaterschrijfprijs Provincie West-Vlaanderen. Avondvullende dialoog voor 2 mannen of vrouwen en een zwarte vogel (raaf). Een ironisch sollicitatiespel dat uitmondt in rolomkering en moord. Genre: wrang-ironische komedie.

    HIEP HIEP HYPO! (J. Janssens, 2002): eenakter voor een 10-tal personages. Een man koestert zelfmoordplannen en gaat daarom een laatste keer shoppen in het warenhuis. Hij ontmoet er overledenen die hem tot andere gedachten proberen te brengen. Thema: zwaarmoedigheid. Genre: komedie.

    DE BIERKAAI (Almo, 2002): avondvullend volksstuk in 14 staties met een ‘catering’-einde, zich afspelend in een randstedelijk stamcafé. Een 20-tal rollen, verwisselbaar (m/v). Graag ook een hond. Diverse thema’s. Genre: komedie.

    DRIE MINIMONOLOGEN (J. Janssens, 2003 & Vink, NL, 2009): duur van elke monoloog is een halfuur. ALS HET HERT SPREEKT: een jachttrofee-met-gewei aan een cafémuur lucht zijn hart. MAMA: een zoon lucht zijn hart over zijn vrouwelijke ouder. ROLEX: een bedrogen minnares lucht haar hart over haar ex-geliefde.

    ZEG, LUISTER JE NOG? (Almo, 2004): een veertigtal korte sketches in dialoogvorm. Genre: absurd, laconiek, ironisch.

    ’T PARADIJS, EEN GRENSGEVAL (Almo, 2007/08): een volksstuk in opdracht, geschreven voor de bewoners van de grenswijk ’t Paradijs/Rekkem (Vl – F), waarin de typische grensproblematiek wordt geëvoceerd, o.a. de smokkel. In 2008 werd dit volksstuk opgevoerd ter plekke.Genre: volkstoneel.


    DAMIAAN, MIJN DING
    (2007/08): een jeugdtheaterstuk in opdracht van Damiaanactie en Revinzeschool Torhout. Eerste opvoering juni 08. Genre: spektakelstuk.


    HOTEL DE STERVENDE OLIFANT
    (Almo, 2009): een avondvullende theaterthriller met bloeddoping in de wielrennerij als thema. 15-tal rollen; 3 decors. Genre: drama.


    ZZOEF!!
    (IBVA Alkmaar, Vink, NL, 2009): eenakter in 12 taferelen over de snelheid van het leven. Combinatie ernst & humor. Verwisselbare rollen (5 à 6 duo's). Genre: drama/komedie


    VEE
    (Almo, 2009): komisch stuk over teambuilding, groepsdynamiek en zwak leiderschap. 11-tal rollen; 3 decors. Duur: 80 min. Genre: drama.


    APPELEN
    (2009): een kijk- en luisterspel dat door actrice Bianca Vanhaverbeke geïnterpreteerd wordt om door kinderen gespeeld te worden. Genre: spektakel.


    ZIJN ALLE ZWANEN WIT?
    (J.Janssens, 2010): absurde eenakter, duur drie kwartier, twee rollen en een vallend voorwerp. Genre: absurd.


    MEERVOUD (M/V)
    (Vink, NL, 2010): spektakelstuk voor twee rollen (desgewenst zes) op en rond een dubbele schommel, waarin Fred & Ginger, Julius & Cleo en Dolf & Eva op hun leven op aarde reflecteren. Duur: anderhalf uur. Dans- en zangscènes mogelijk. Genre: spektakelstuk/komedie.


    Hopelijk eens tot in de zaal of op de planken (en niet ertussen):

    JORIS DENOO

    www.jorisdenoo.be


    27-07-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.225: GVD

    GVD (Gebed om liefde)

    ‘Durf je 80 keer na elkaar godverdomme zeggen?’

    Met een ernstige rimpel boven zijn wenkbrauwen daagde Erwin De Coster me uit: de kampioen van het rood worden, maar op het schoolplein ook de baas van de cowboys, tégen de indianen. We stonden met z’n drieën op het lage muurtje voor de huizenrij waar hij woonde: ik, Erwin, Marina. Ik was jaloers op Erwins ravenzwarte haar, dat hij soms met een eigenaardige ruk van zijn hoofd naar achteren zwierde. Erwin zelf was echter ook doodbeschaamd dat hij op de wereld rondliep, wat zich uitdrukkelijk vertaalde in rare grimassen en tomatenrode bewolking die soms in een fractie van een seconde over zijn gezicht trok.
    Zijn alter ego, de baas van de cowboys, daagde me dus uit om 80 keer hardop te vloeken. 80 klonk in zijn oren waarschijnlijk meer dan 100. Het maakte meer indruk. 80 rijmde ook met krachtig.
    ‘Jaja, natuurlijk,’ knikte ik, bang om mijn plaats in de pikorde van de cowboybende te verliezen. Gezwind sprong ik van het muurtje.
    ‘Op het muurtje!’ gebood hij.
    Ik sprong er weer op; zij eraf. Marina, het al net zo ongelofelijk ravenzwarte buurmeisje van Erwin, keek glimlachend toe. Ze was twee jaar ouder dan ons, en ze had al wat. Haar oosterse glimlach was onweerstaanbaar. Marina was een mediterrane zeemeermin; alom veroorzaakte ze natte dromen. In de jaren 50-60 was een Marina namelijk heel anders dan een Marina uit de jaren 80-90.

    Held J. vloekt 80 x hardop te T. en verovert aldus menig meisjeshart, vooral dat van M., tevens aldaar woonachtig.

    Net toen ik aan mijn godslasterende monoloog wou beginnen, boven die twee zwartkoppen uittorend als een Frankische koning op een schild, piepte in een van de lager gelegen huisjes een deur open. Een man in onderhemd verscheen, met armen waarover aders als staalkabels liepen: de pa van Erwin.
    ‘Godverdomme: wat staan jullie daar zo te konkelfoezen, hé?’
    Het rood vlamde weer naar Erwins hoofd. Marina giechelde om dat konkelfoezen. Door een zachte windstoot bolde haar rokje even op. (Daar stonden kriskras cijfers op, dat weet ik nog, maar niemand van ons slaagde er ooit in die blitze Marina te ontcijferen, want later werd ze een vedette in het volleybal, dus trouwde ze met een dubbele meter basketvlees die ook nog eens geneeskunde studeerde, hoe gaat dat, godverdomme).
    Ik lachte mal en hupte van het muurtje.
    ‘Wel?’
    ‘Niets, pa,’ mompelde Erwin.
    ‘Hoe: niets? Zie maar dat je over vijf minuten binnen zijt. Je moeder wacht. Heb je huiswerk?’
    ‘Vandaag niet.’
    ‘Jaja.’
    Pats. De deur knalde weer dicht. Marina keek naar mij. Ik keek naar Erwin. Die jongleerde met zijn wenkbrauwen.
    ‘Wacht je moeder, Erwin?’ vroeg ik.
    ‘Tachtig keer!’ snauwde hij onverbiddelijk.
    ‘Maar je vader … ‘ begon ik weer.
    ‘TACHTIG!’
    ‘Weet je wat,’ opperde Marina plotseling samenzweerderig. ‘We doen het samen. We delen door twee. Ieder veertig. Goed zo, Erwin?’
    ‘Mm … ‘
    De cowboybaas, heer en meester over het vloeken in deze stad, haalde zijn schouders op.
    ‘Dan wil ik ook wel meedoen,’ besliste hij dan grootmoedig, alsof niemand, ook hijzelf niet, onder zijn uitdaging uit kon.
    ‘Delen door drie, oké?’
    ‘Oké.’
    ‘Maar hoeveel is dat dan voor elk?’ vroeg Marina.
    ‘Ik weet het,’ zei Erwin resoluut. ‘Marina twintig, ik dertig, jij dertig. Dat is samen tachtig.’
    ‘Waarom ik maar twintig en niet dertig?’ protesteerde Marina. Met haar ene hand hield ze haar rokje in bedwang tegen een verse windstoot.
    ‘Omdat jij een meisje bent,’ flapte Erwin het eruit, waarbij hij andermaal rood kleurde tot ver achter zijn oren. Nu bolde Marina’s cijferrokje andermaal op, want ze had beide handen nodig voor wat misbaar: ‘En wat heeft dat daarmee te maken, mislukte cowboy?!’
    ‘Jullie kunnen minder dan wij,’ mompelde Erwin beschaamd-chagrijnig.
    ‘Ha-ha-ha,’ meesmuilde Marina nadrukkelijk, met volle oosterse mond. ‘Ha-ha-ha.’
    En toen pakte ze haar belager bij zijn achillespees: ‘De roodhuid heeft weer gesproken. Ugh! Ugh! Je bent bang voor meisjes!’
    ‘Niet waar, godverdomme!’ riep Erwin. Hij was nu zowat koninklijk purper aangelopen. Zijn gezicht was verwrongen in een ongemakkelijke grimas. Hij had de hoogste graad van schaamte bereikt.
    Ik stond erbij en ik keek ernaar. Cijfers dansten voor mijn ogen. En toen ging die verrekte deur weer open. De vaderfiguur verscheen vervaarlijk in het deurgat. Hij vulde dat gat vrijwel volledig op. Erwin en Marina hielden op met kijven. Ze keken naar hem, naar mekaar, weer naar hem, dan naar mij.

    En net voor Erwins pa zijn mond kon openen, begon ik, vele jaren voor het een rage werd, godslasterlijk te rappen:
    ‘Godverdomme – godverdomme – godverdomme … ‘
    Waarom ik precies 80 keer, en bijvoorbeeld geen 100 keer moest vloeken, wist ik niet. 80 klonk misschien zelf ook meer als een vloek dan dat bolle 100. Daar op dat muurtje toen, dat was taalkunde en rekenkunde. Uit de school geklapt.

    Marina verdween mettertijd in de sportberichten van de nationale kranten. Het stadje werd te klein voor haar. Allerlei ridders op witte paarden omzwermden haar. Erwin hielp al vaker op de openbare markten in de groentekraam van zijn ouders. Als ik hem ooit eens weerzie, dan weet ik nu al met grote zekerheid wat mijn eerste woord zal zijn, uit de voorraad van de honderdduizenden die ik intussen machtig ben.


    03-07-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.224: Veldinterview

    VELDINTERVIEW

    Ik zat mijn honderdduizendste spaghetti op mijn vork te draaien toen ik op de radio het volgende gesprek hoorde. Een (vrouwelijke) radioreporter interviewde de politiecommissaris op de wekelijkse markt in het kuststadje B. Het thema: gauwdieven. Soms hoef je echt niet te betalen voor een avondje stand-upcomedy; je krijgt her en der gratis porties fijnkost.

    R(eporter): Ik ben hier op stap met Dimitri, politiecommissaris. We lopen rond op de markt in B., op zoek naar gauwdieven. Hoe doe je dat eigenlijk, commissaris Dimitri? Ben je bijvoorbeeld gewapend?

    CD (commissaris Dimitri): Ja, maar ik heb ook nog mijn handen hé.

    R: En nog iets meer dus?

    CD: Mijn hemd zit uit mijn broek. Er is hier namelijk meer aan de hand. Daaronder bevindt zich mijn wapen, aan mijn riem bevestigd. Als het nodig is … Maar: ge moet vooral in de massa opgaan.

    R: Ja, dat is niet gemakkelijk. Herken je gauw gauwdieven, commissaris Dimitri?

    CD: Wel, de gauwdieven gaan zich heroriënteren. Ze evolueren van zigeunermeisjes naar vreemd uitziende personen, ’t is jammer om te zeggen. Ik heb de som op de proef genomen.

    Toen heb ik het uitgeproest, me verslikkend in een sliert spaghetti.


    07-06-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.223: Sprook

    SPROOK

    Op een ochtendmistelijke dag stichtte ik een heilig vuur aan de rand van de stad, net op de valstreep van dagelijkse drukte. Hoogbejaarde vrouwtjes met zwarte hoofddoeken en takkenbossen op hun rugjes gekromd als vraagtekentjes knikten me dankbaar toe. Wind uit oude dagen wakkerde de vlammen aan, die gretig als hellehonden zichzelf likten. Heimweemoed palmde me in. Een miskloon die met opgeruimde benen uit zijn alkoof was gestapt – o red ons van die breedsmoelkikkers die des ochtends reeds rondhossen met een glimlach van oost tot west op hun mombakkes – vroeg me frikkerig: ‘Aloha gij daar, mesteling: denkt gij het buiten warmer te kunnen stoken dan gisteren binnen?’ Ikzelf antwoordde: ‘Vlaanderen spaanderen! Een overwinning heeft vele vaders, een nederlaag is een wees, vuur kent geen vrees’. ‘Verloofd zij Jezus Christus, hm’, ontkende de rekel niet. ‘Als ik vragen durf: wie zijt gij, lijfeigene?’ vroeg ik, gierig naar nieuws. Het antiwoord van de miskloon liet niet lang op zich wachten. ‘Ik ben Sir Drinkalot’, zo sprak hij. Eigenlijk zei hij: ‘Fir i.p.v. Sir’ – er gaapte een verhofstadtspleet tussen zijn fronttanden waardoor te veel gebakken lucht te vroeg ontsnapte. ‘Voorwaar een niet mif te verftane naam’, knikte ik. ‘Mij is een Liselot bekend, meerdere zelfs, maar van een Drinkalot heb ik nog nimmer gehoord’. ‘Waarom sticht gij dit vuur?’ ‘Ik breng een Chinees spreekwoord in de praktijk, dat zegt: gij zult de vier elementen van Empedokles in uw leven meester worden, wil uw leven geslaagd zijn’. ‘O?’ ‘Gij zult lucht bakken, aarde eten, water herverdelen en vuur beheersen’. ‘Hm … een beetje zoals Arnold Schwarzenegger dan, de ovenwarme gouverneur van de grootste Amerikaanse bosbrand aller tijden? Of … zoals die andere aanstoker van de grootste bushbrand in het Midden-Oosten?’ ‘Noch met deze Oostenrijker, noch met die Plastieken Junior wil ik in geen geval vergeleken worden’, wedervoer ik. ‘Maar wat brengt ù hier, Drinkalot?’ ‘Sir, graag’. ‘Oké, meneer’. ‘Ik ben zwervend op zoek naar de Graal’. ‘Hebben de muzelmannen die niet afgepakt van de christenhonden?’ vroeg ik. ‘Het gerucht gaat dat Judas die beker meegejat heeft op die fameuze avond’, antiwoordde Sir Drinkalot. ‘Ik vermoed dat hij hem doorverkocht heeft’. ‘Geplaagd door zo’n naam zijt gij daar zeer zeker op de hoogte van, drinkeman’. ‘Meer is in mij’, ontkende Sir Drinkalot andermaal niet. ‘Maar,’ vervolgde ik, ‘is het niet zo dat de genaamde Jozef van Arimathea deze beker met wijn van het Laatste Avondmaal én bloed van de beroemde kruisdode medenam op zijn geheimzinnige reis naar Engeland?’ ‘Gij bedoelt dan waarschijnlijk: het Engeland van de Tafelronde?’ ‘Yes. Misschien was het wel een bekeringsreis: men wenste ridders om te dopen’. Ik, de randstedelijke vuurstoker, en hij, de voorbijgangerende miskloon, zwegen even. We kregen allebei tot onze grote ontzetting dezelfde griezelige gedachte. Deze kelk van kennis en inzicht konden we niet aan ons laten voorbijgaan, deze ketel der Kelten, heilige Graal, beker der ingewijden. En we beseften eensklaps beiden, terwijl onze haren te berge rezen: de waarheid bevindt zich op de bodem van elke beker, zegge en schrijve glas. Meer was in ons.


    05-05-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.222: Zappa

    ZAPPA

    Je kunt nu ‘shoppend’ studeren: kuierend, winkelend en kiezend wandel je doorheen een aantal opleidingen (rekken die aangevuld worden door rekkenvullers dus), desgewenst wordt ook aan huis besteld via afstandelijke postorderbedrijven. Even tekenen en je diploma’s worden aan de deur afgeleverd. Zappen geblazen, accolade ernaast, bingo. Die vreemde voorkeur voor allegaartjes in plaats van stevige kwaliteitskost manifesteert zich ook in alle geledingen van de cultuur. Jongere schrijvers bijvoorbeeld gaan er prat op dat ze ook ‘andere’ dingen doen, pas op, met beeld en beweging en geluid, of salami en rolwagens en bokshandschoenen. Vroeger kreeg je daar op je kop voor: je mocht niet te vlug naar buiten komen, je moest vooral zuinig zijn op alles, je mocht vooral je werk niet verkopen en promoten, en bovenal moest je met je fikken van andere disciplines blijven. De bal ligt nu in veel kampjes tegelijk. Nu meent men alles te moeten combineren. Er wordt ook veel meer in eigen beheer en op eigen risico gepubliceerd, muziek en literatuur. Vroeger werd dat weggehoond of doodgezwegen. Nu wordt dat soms – ons kent ons – gepromoot: wat we zelf doen, doen we beter. En waarom zouden platenbazen en uitgevers met de centen gaan lopen? We frequenteren de ‘juiste’ drenkplaatsen, kloppen op de ‘juiste’ schouders, en vooruit met de geit: on air, in the picture, make it happen. De tijden veranderen dus. Of nee: de mensen. Het schijnt dat het leven discontinu en grillig verloopt. Dat kan nu geëtaleerd worden in boeken, films, installaties, beelden, klanklandschappen. Daardoor wordt soms flauwekul als genre beschouwd. De media moeten natuurlijk volgen: zij maken en kraken. Je zou haast gaan denken dat al die creatievelingen allround zijn. Het eventuele succes van hun ene talent wordt geacht af te stralen op het andere dat ze menen te hebben. Het deed zich vroeger wel eens voor: een schilderende dichter, een schrijvende beeldhouwer. Maar men had daar gewoonlijk bedenkingen bij, schouderophalen, beleefd gekuch, of het dubbelhartige adjectief ‘eigenzinnig’, wat ‘slecht’ betekende. Nu wedt men op vele paardjes tegelijk. Ook de muziek is totaal versnipperd. Gevraagd onder jongeren wat er nu ‘gaande’ is op muziekvlak, blijven ze een antwoord schuldig. Niets nieuws of eigens, blijkbaar. Veel mixen en stelen en plagiëren, maar men benoemt het anders, eufemistischer. Er schijnt nog meer: het schijnt dat die versnippering en dat onbeschaamde gejat op zich ook als daden van creatieve bevestiging moeten worden gezien. Welaan dan. Ikzelf heb alleen maar zin om buiten mijn geschrijf vliegende tapijten te knopen. Dat schrijven zelf, hoe onvolkomen ook, neemt me te veel in beslag. Zelfs begeleidende muziek stoort me daarbij. Niet vaak heb ik de tijd om verder in de knoop te raken met mijn vliegend tapijt. Zal er ooit weer een tijd komen waar men opnieuw verhalen gaat bedenken zonder moeilijke begeleidende video’s of zonder shopping- en samplinggedoe in en uit andere ruiven? De oude school is even uit, leve de nieuwe school. Weg met Zappa, leve Zappa. Kassa.


    29-03-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.221: Een bod op God
    EEN BOD OP GOD

    Terwijl ik me aan het voorbereiden ben op mijn nakende dood en desgevallend een leven daarna, zo dat woord daarop al van toepassing is, word ik bezocht door de volgende gedachte: oké, God kan misschien goed zijn, en desgewenst grappig, wat zorgt voor de nodige verrassingen in het leven, maar wat als blijkt dat Hij ook nog een broer heeft die het niet zo goed met de mensen en de mensheid meent, in die mate zelfs dat hij Bot wenst te heten, een zelfgekozen naam die rijmt met die van zijn bekendere broer God?

    De behoefte van God om grappig te zijn en bijvoorbeeld voorwerpen zoek te maken of boterhammen altijd op hun beboterde kant op de grond te doen vallen, vergeven we Hem. Hij is immers ook maar mens geworden, nietwaar. Hij mocht echter nooit verzwegen hebben dat Hij nog een broer heeft, dan nog wel een specialist in het doen slagen van worstcasescenario's en het vergallen van mensenlevens: de genaamde Bot.

    Bij de voorbereidingen op mijn nakende dood (ik nader zoals iedere jongere de 80) en desgevallend een leven daarna, heb ik besloten de heer Bot een proces aan te doen wegens rijmdwang met God, weshalve hij meent als Hij geschreven en aangesproken te moeten worden, terwijl hij toch alleen maar eropuit is om de mensen, hun menselijkheid en de mensheid op z'n zachtst gezegd te kloten. Ik heb gezegd.

    Weg met Bot.
    Botweg.

    03-03-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.220: Curryculum Vitae

    CURRYCULUM VITAE

    Is het beroep van kok levensgevaarlijk? De vuren nog buiten beschouwing gelaten? Zijn koks een kort leven beschoren? Ik heb al diverse keren gelezen dat beroepshalve koken very stressy is. Zo’n kok is top of the bill op de ranglijst van vroeg te sterven mensen. Dat verwondert me eigenlijk niet, gezien de combinatie van vuur, vet en stress. Daarenboven moorden koks ook zelf: kippen, konijnen, vissen, kreeften … Ze vermommen zich daartoe meestal als hun collega-dokters of -verplegers in smetteloos wit. Ook die zijn er om de mensen in leven te houden. Iets wat me raakt: Tony Soprano, een man die zo graag eet, werd door zijn oom in de maag geschoten. (Een soort Marvin-Gayetoestand). Zo jammer. Het middelpunt van het lichaam, nou: een weldoorvoed gangsterlijf in dit geval. De liefde van de man …

    A propos: uit de rib van de ingedommelde eerste man fabriceerde God de vrouw. Hoeveel chef-kokkinnen zouden er zijn in vergelijking met chef-koks? Dieren koken en kinderen kopen vallen moeilijk te combineren. Vreselijk geformuleerd: gebraad of gebroed, stoof of sloof. Kinderen vragen veel aandacht en tijd. Mannen bekommeren zich in veel mindere mate fulltime om hun kinderen. Het cv van een vrouw in gezinsverband ziet er wel even anders uit. Zelfs zonder gezinsverband. Mannen blijven hier in gebreke. Misschien zijn er al vele talentrijke chef-kokkinnen verloren gegaan? Of is het beroep van kok echt nog een afgeleide van de jager die uitrukte om dieren te doden, die boven vuren te warmen en er zijn gezin mee te voeden? En waarom staan er zo weinig vrouwen achter de zomerse barbecuevuren? Mis ik hier misschien een link ?


    09-02-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.219: Tovenaar
    TOVENAAR

    Het is u misschien een tijd geleden overkomen. Of nog helemaal niet zo lang geleden. Verveelde u zich wat eergisteravond toen u dat gezelschap op bezoek bij u thuis kreeg? Dan ken ik een leuk spelletje voor u. Het heet ‘Tovenaar’. Ik las het in een boek van de schrijver Paul Auster. Benodigdheden: een medestander aan de andere kant van de telefoonlijn, die op dat ogenblik wel bereikbaar moet zijn. Neem een spel kaarten. Vraag iemand uit het gezelschap daar een willekeurige kaart uit te trekken. Laat de kaart duidelijk aan iedereen zien. Bijvoorbeeld harten vier. Neem dan de telefoon. Vorm een nummer. Vraag of de Tovenaar thuis is. Zeg daarna: ‘Dat klopt. Ik wil de Tovenaar spreken.’ Dat duurt nu even. Er heerst wat stilte. Nog een- of tweemaal zegt u ‘Ja’ of ‘Oké’. Daarna geeft u de telefoon door. Aan iedereen die het horen wil. Tot hun verbazing horen uw gasten een mannenstem voortdurend herhalen: ‘Harten vier … harten vier … ‘. Vervolgens neemt u de telefoon weer zelf, u dankt de Tovenaar en haakt weer in. Voor de ongelovige Thomassen in het gezelschap doet u het nog een keer. Uiteraard met een totaal andere, alweer willekeurige kaart. Het is een aardig spelletje. Het lijkt ingewikkeld, maar het is doodeenvoudig. Twee mensen spreken af Tovenaar voor elkaar te zijn. De vraag ‘Kan ik de Tovenaar spreken?’ is een signaal. Dan begint de man aan de andere kant van de lijn de kaartsoorten op te sommen: schoppen, harten, ruiten, klaveren. Op het moment dat hij de juiste soort vermeldt, zegt diegene die opbelt zomaar iets. Bijvoorbeeld ‘Ja’, of ‘Oké’, of ‘Goed’. Dat betekent ‘niet verdergaan’. Dan begint de ‘Tovenaar’ alle waarden op te sommen: aas, één, twee, drie, vier, vijf, enz … Als hij bij de correcte waarde komt, zegt de beller weer iets gelijkaardigs. Dan combineert de ‘Tovenaar’ de twee elementen. Die herhaalt hij vervolgens voortdurend: ‘Harten vier … harten vier … ‘. Het is een leuk spelletje, waar uw gezelschap even over moet nadenken. Natuurlijk ware het veel handiger mocht u het gezelschap zelf weg kunnen toveren. Daarvoor echter moet ik nog andere Tovenaarsboeken raadplegen. Ik zal u op de hoogte houden en u te gelegener tijd opbellen.

    15-01-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.218: Perspest

    MAKEN, KRAKEN OF INFORMEREN?

    (PERSPEST)

    De mediatisering van ‘nieuws’ heeft al veel kwaad aangericht. De pers heeft de politiek naar de haaien geholpen. Ze zijn dan verwonderd dat de ‘burger’ de politiek verafschuwt, of dat er populistische partijen opkomen. Politici willen alleen nog scoren in stomme tv-programma’s. Televisie (met in zijn vaarwater een massa goedgelovigen) wordt als het nieuwe evangelie beschouwd. Bête idolatrie is dat. Stomme bewondering voor een heilige koe. BV’s (zeg maar: TV’s, Telegeleide Vlamingen, of Televisie Vlamingen) worden evangelisten. Kijkdichtheid is heilig. ‘Gezien op tv’ is de domste slogan ooit. Ik koop gvd nooit iets wat ‘op tv gezien is’, want tv biedt eenheidsworst, lulkoek en doorsneegetater.

    Ook leraren deelden onlangs in die kwalijke koek. Schuldig of niet, maar de berichtgeving over het cementincident in Hoegaarden en de moordenaar van Halen is van in den beginne gekleurd door gissen en missen. Diverse keren is daarover door juristen en publicisten geblogd en geschreven. Het voegt natuurlijk weer toe aan het clichébeeld dat nog altijd over ‘de leraar’ bestaat, maar dan in erge mate.

    En tijdens de recentste uitreiking van de Gouden Schoen bleef voetbalclub Standard ook weg ten gevolge van een persmisbaksel op een weblog van een populistische krant, terwijl net hun Jovanovic met de palm ging lopen.

    Wat is dat toch met de pers? Is het hen naar het hoofd gestegen? Menen zij te mogen maken en kraken? Is het niet hun taak te informeren? Schakel bijvoorbeeld een bekend populair magazine uit (dat vaak immer dezelfde schrijvers bepampert), of schrap die corrupte bestsellerlijstjes, en je krijgt onmiddellijk een ander beeld van de Vlaamse literatuur. Tafelspringers, meninghebbers en brulkikkers zouden uit het beeld verdwijnen. Uit ervaring en uit goede bron weet ik dat heilige huisjes zoals Knack en de ‘kwaliteitskrant’ De Standaard (waar ‘weids’ en ‘uitweiden’ qua spelling blijkbaar een probleem vormen – sommige redacteuren hebben niet goed opgelet op school) verboden terrein zijn voor sommige schrijvers, net omdat die onvoldoende met hun kop in de media verschijnen, als ‘niet bekend genoeg’ worden beschouwd en dus niet ‘verkopen’. En voor onbeduidende persmuskietjes is het daarenboven makkelijk om mee van de bekendheid van medianamen te profiteren. Veel van die schrijvelaars zijn immers zelf gestraalde schrijvers. Voorbeelden op aanvraag.

    Nog even en we hebben een tabloid-Vlaanderen, waar de beide partijen hard voor ijveren: het journaille, en de BV’s ofte Beroerde Vlamingen. Bezuiden de taalgrens deed Daerden al aardig zijn best, maar hierboven, in het welvarende deel, hebben we ook zo onze charlatans. Iemand een idee voor nog maar es een opgewarmd reality- of uitgekookt bak-en-braadprogramma met een aantal van die Belgische schertsfiguren?

    Zo, ik hoop dat ik de pers even heb kunnen kraken. O, ik wou alleen maar informeren, hoor. Sans rancune. No harm done.


    06-01-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.217: Animatietype

    ANIMATIETYPE

    Het animatietype kom je het vaakst tegen in zijn natuurlijke biotoop: bij en halfin halfuit het water van een zomers hotelzwembad. Zij roepen gezwinde bevelen in diverse talen naar rechtopstaande mensen in het water. Echter: animatietypes leuken de boel ook op ter gelegenheid van diverse evenementen in alle seizoenen, bijna altijd ongevraagd. De animatietypes aan de hotelzwembaden zijn jong en binden hun haren in een staart bijeen. Die van de evenementen zijn nonkels op trouwfeesten, buurmannen op barbecues en ongevraagde moppentappers op café. De drijvende krachten achter de animatietypes zijn de animatietypes zelf, weer of geen weer, oud of jong. Zij geven nooit op en laten nooit af. Zij zijn de pitbulls van de ontspanning en de feestelijkheden. Zij moeten voortdurend gevoederd worden door aansporingen en uitdagingen. Zij aarzelen niet iets tot driemaal toe te herhalen. Animatietypes nemen geen pilletjes om rustig te blijven. Zij zouden eerder elastiekjes en springveren eten en vitaminen slikken. In de zuiderse vakantielanden is het animatietype reeds ettelijke malen gekloond: spatvrij, beetje polyglot, staartje in het haar, vetvrij, roestbruin en een glimlach als de gleuf van een tipbox. Het animatietype: je kunt er niet omheen.


    22-12-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.216: Ruim

    RUIM

    Nog een ander punt dat erg gevoelig ligt bij mijn splinternieuwe politieke partij (naast het plaatsbesparende rechtop begraven van mensen en de defusionering van de steden en gemeentes): het luchtruim boven elk huis. Deze luchtzuil moet eigenlijk in het bezit komen van de koper /bewoner van het huis. Overvliegende bombardements- en passagiersvliegtuigen moeten toelating vragen om daar te passeren. Ooievaars en reigers niet. Het kind van de buren dat op zijn schommel tot over uw beukenhaagje zwiert, moet ook toelating hebben. Schending van het persoonlijke luchtruim vindt onze partij een ernstige inbreuk. Er moeten wetten komen. We zouden natuurlijk dé luchtruimspecialist bij uitstek kunnen vragen om daar werk van te maken, ware het niet dat het Anciauvisme ons niet erg aanspreekt. Om het in luchtruimtermen uit te drukken: wij zijn geen windhanen. Zijn vlieger gaat niet op. Wat we zelf doen, doen we beter. En ook: het is onze lucht, niet de zijne, verhippeltjes. Vanzelfsprekend zult gij de lucht boven uw huis en tuin niet vervuilen. Dat is de opperzijde van de medaille. De rook die van uw BBQ-stel naar omhoog kringelt, moet zuiver zijn. Zelfbeschikkingsrecht over je eigen luchtruim is ook een gedegen oefening in democratie: iedereen krijgt dezelfde hoeveelheid regen of sneeuw op zijn donder. En de zon schijnt ook voor iedere sterveling – als tenminste de boom van de buren niet in de weg staat. Alleen stank gecombineerd met windrichting vormt een bedreiging voor deze luchtige democratie. Daar is onze partij nog niet uit. Papieren vliegertjes zijn dan weer geen probleem, op voorwaarde dat ze gevouwen zijn uit verkiezingsdrukwerk of ander blablablagedoe. Bijen? Oké. Wespen? Met mate. Herfstbladeren? Als de wind goed zit, belanden die bij de buren. Ook daar maakt onze partij werk van. We zijn er voor u. En we zijn ruimdenkend. Komt er een (aarts)engel een goede of blijde boodschap brengen bij de buren, dan bent u niet verplicht om mee te luisteren, ook al paalt zijn of haar luchtruim aan het uwe. Duivenkwak en reigerkots die uit de lucht komen te vallen, mogen evenmin overgeheveld worden naar belendende tuinen. Ook in kwade dagen bent u immers heer en meester over uw luchtzuil. Bij hevige luchtverplaatsingen, het zg. stormweer, doen we een beroep op de flexibiliteit van onze kiezers. Uw rechterbuur hoeft dan niet te weten wat uw linkerbuur uitspookt. We hopen dat u massaal op ons gaat stemmen. We maken immers werk van voorverpakte lucht, iets waar de andere partijen tot nu toe een monopolie op bleken te hebben. Gedaan daarmee; er is werk aan de lucht. En verschijnt er aan het mariablauwe zwerk al eens een wollig wolkje als een ongewenst zwangerschapje, denk dan aan de uitdrukking ‘een wolk van een baby’ of het gezegde ‘zijn schaapjes op het droge hebben’. Kiezer, kiezerin, wees ruimdenkend en kleur mijn bolletje rood! Wij maken van u de keizers en de keizerinnen van uw luchtruim!


    23-11-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.215: De erwt

    DE ERWT

    De Credostoet trok elk jaar in mijn stadje uit. Daar passeerden dan heiligen, priesters, Romeinen, schapen, herders, farizeeërs en koningen. Onder een zeil werd iets zeer heiligs meegedragen door de opperpriester. Dan moesten de mensen op het trottoir even knielen, tot het voorbij was.
    Mijn vader was 1 meter 85. Dat was toen groot, in de oude postkoloniale tijden. Dus liep hij elk jaar als Romein mee in de Credostoet. Ik keek mijn ogen uit naar zijn bruinverbrande benen. En zijn vreemde rokje. Hij moest, samen met andere bruinverbrande grote vaders, Jezus Christus uitjouwen, die om de haverklap onder zijn kruis neerzakte op de kasseien.

    Op een keer wou ik niet meer met iedereen meeknielen op het trottoir. Mijn moeder wachtte tot we weer thuis waren om me uitvoerig te berispen. Enkele uren later kwam dan ook nog die vreselijke Romein thuis.

    Een jaar later was er geen Credostoet meer in mijn stadje.

    Telkenjare werd mijn klasvriend Didier uitverkoren om als kleine Jezus mee te lopen in de Credostoet. Om zijn hals en in zijn nek werd dan een echt, levend schaapje gedrapeerd. Didier was de telg uit een doktersfamilie. Didier had mooie, blonde krulharen, net als van een schaap. Didier was in den beginne altijd de eerste van de klas.

    Nee, ik wou niet meer knielen. Nooit heb ik nog geknield.

    Toen het kindervlees op de speelplaats van de lagere school verkaveld werd in cowboys en indianen, goeden en slechten, wou Didier iets anders. Hij wou Stoet spelen. Altijd maar weer Stoet. Geert moest de honderdman zijn, Jef nog een andere anonieme Romein, ik Judas. Didier, zonder schaapje, speelde Jezus. De 'grote' Jezus. We moesten hem slaan, bespotten, uitjouwen. We mochten hem op de grond duwen. Schoppen. Dat deden we dus. Want Didier bracht vaak lekkere chocolade mee naar school: repen waarvan elk partje op zich heel lang kauwbaar was. We sloegen en schopten dus.

    Op een mooie dag in mei wou ik dat niet meer. Het was knikker- en bikkeltijd op de speelplaats. De prairie was nu verkaveld in andere lucratieve territoria. We speelden weer eens Stoet. Jezus was op weg naar Golgotha. Zie: daar zeeg hij ten derden male op de speelplaats neder. En o: hij verslikte zich plotseling grandioos, liep purper aan en spuwde dan totaal onverwacht een erwt uit.

    Een erwt!

    Geert en Jef stokten in hun sadistische gebaren. Ik ook. Voorgoed. Aan die scheurende hoest kwam een einde door een erwt die ergens vanuit de diepten van Jezus naar buiten gekatapulteerd werd.

    De erwt rolde tussen de knikkers.
    Jezus was weer Didier.
    Hij was voorwaar de zoon van de dokter.


    05-11-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.214: Podiumbeest

    PODIUMBEEST

    Ik ben als de dood voor dat doek. Het hangt er als een onweersbui. Maar wanneer die opklaart, komt mijn stuk tot leven. En trekt de bewolking de zaal in. Ik speel in dat stuk. Ik vergeet mijn eigen ik in dat stuk en word een zij, hij of enkelen. Ik: de amateur, de liefhebber. Rits dat gordijn weer dicht (hopelijk na een spetterende regenbui van applaus) en het stuk is bevroren en mijn ik herstelt zich weer naar de normen van de non-fictie. Dat gordijn: als een dichtgeslagen deur die veel met alles doet, aan beide kanten van een werkelijkheid. Het hangt er van af hoe die deur dicht wordt gesmakt. De wereld is er namelijk soms lelijk aan toe. Daarom zijn er doeken en gordijnen nodig. We vluchten erachter en ervoor. We scheiden dicht en ver, mooi en lelijk, fictie en non-fictie, spanning en ontspanning vaak door deuren, doeken, poorten, gordijnen. Regen kan ook zo’n gordijn zijn. In de film ‘Un taxi mauve’ doorbreekt Philippe Noiret het Ierse regengordijn … steeds dieper, verder … om nog meer hemelwater te slikken te krijgen. En dat blijkt even helend te werken. Maar ach, wat sta ik hier theatraal te filosoferen. Ik moet straks het podium op, verhippeltjes. Ik heb er vele avonden van enkele maanden van mijn onbetaalbare tijd voor opgeofferd om in de huid van een ander te kruipen. Ben ik zenuwachtig? Ik troost me met gedachten aan lotgenoten. De golfspeler heeft zijn ‘yips’. De chef-kok heeft zijn maagzuur. De aanstaande mama kent haar nestbevlogenheid. Het podiumbeest kan aan plankenkoorts lijden. Mijn plankenkoorts (daar ga ik weer) bestaat uit wildweg filosoferen. Diepe en andere gedachten bliksemen dan door de doka van mijn hoofd, waarin zich een compleet maar nog onontwikkeld stuk bevindt dat ook beroepsspelers ooit ten tonele hebben gebracht. Ik krijg er zin in. Ik honger. Ik snak. Nog eenmaal gluur ik door de peeping-tomspleet midden in die textiele regenbui. In plaats van te zoeken naar de hoofden van mijn nicht, collega of buurman flitst er alweer een serpentine door mijn hoofd: “Op het toneel der vooropgestelde ideeën is de dood steeds een onbewogen gordijn” (Orbàn Otto). Een allerlaatste gedachte moedigt mij echter aan, ik, amateur die gaat sterven in het stuk: ik heb een stuk in mijn hoofd, en dat is beter dan een stuk in mijn kraag. Ja, humor helpt. Ik ben bereid. Komt dat allen zien. Mijn aprilse gril is van de bovenste plank!


    12-10-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.213: Mobiliteit

    MOBILITEIT

    De mensen konden het niet laten van kinderen te kopen en met auto’s te rijden. Dus begon ik een zaak in kinderschoenen en autobanden. Weldra stroomde mijn winkel vol met volwassenen. De helft ervan bracht kinderen mee, om schoentjes te passen. Een groot voordeel: van schoenen had ieder kind, hoe klein ook, er telkens twee nodig. Wat autobanden betreft: het was onveilig om maar één band te vervangen door een verse. Het minimum bedroeg ook hier twee, met uitschieters van vier. Soms vijf, want ook de reserveband mocht niet worden verwaarloosd. Er moest balans in het leven zijn: met je beide voeten op de grond, met je vier grondplakkers veilig op weg. Tussen de schoenen onderling of de banden onderling kon geen diversiteit heersen. Dit waren no-nonsenseproducten.

    Ik werd steenrijk, want er reden steeds meer auto’s en de nataliteit schoot om ongekende redenen de hoogte in. Mijn zaak stond niet lang in haar kinderschoenen.

    Schoenen: mobiliteit.
    Auto’s: mobiliteit?

    Hoe meer schoenen ik verkocht, hoe mobieler men werd.
    Hoe meer banden ik verkocht, hoe immobieler men werd.

    De verkeersinfarcten volgden elkaar snel op. Dagelijks zaten hoofdslagaders verstopt en stremde het bloed. Onbeweeglijkheid is ongezond. De grondplakkers bleven als aan de grond genageld. De economie ging kwakkelen. Ook mijn zaak lag op apegapen. Ik had voor zoveel mobiliteit gezorgd dat ik er zelf immobiel door werd. Ik legde de boeken neer, ging een eind fietsen en dacht na over nieuwe projecten voor mijn nabije toekomst.

    Toen werd ik eensklaps dodelijk gegrepen door een auto, bestuurd door een man die alcomobilist geworden was door de recente economische crisis. Toch nog iemand die mobiel was, dus. Bandeloos smakte ik ter aarde neer.


    21-09-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.212: Twee tijgereieren

    TWEE TIJGEREIEREN

    Portrait of the Artist as a Never-Aging Man. Een DT-kwestie.

    Het stomme dichtertje werd eerst door zijn mama en later door zijn vrouw het kapje van zijn ochtendlijke zachtgekookte eitje afgetopt. Toch schudde elke dag de toren zijn klokken voor hem, het getalenteerde sukkeltje dat zo goed de mensen om zijn vinger kon winden en perfect de berouwvolle deugniet kon spelen.

    Later raakte het natuurlijk zwaar aan de drank: om zijn genie te verdoven, om het grote werk uit te stellen. Ondraaglijkheid die des avonds en mettertijd ook overdag geblust diende te worden, weet je wel. Wat eventueel na de kater erna nog oplaaide, kreeg soms de vorm van een gedicht. Vaker en vaker laaide er hoegenaamd niets meer op (een aantal oplawaaien niet meegerekend), zodat het oeuvre van het stomme dichtertje klein bleef. Ei zo na was er geen sprake van een oeuvre.

    Een paar flitsen volstonden echter. En zijn jonge sterven. Ook dat. Die onwetende Amerikaanse dokter mocht hem nooit zoveel morfine toegediend hebben. Nu, de man kon ook niet weten dat het lichaam van het dichtertje al lang onder het heilig oliesel zat en na een paar volwassen decennia volledig uitgeput was. De coma kwam eraan en verloste hem voorgoed van zijn bewustzijn. De toren kon voor de laatste maal zijn klokken schudden voor hem. DT was niet meer.

    Had hij ooit tijgereieren gevonden?

    Proeve van een summiere biografie. Een DJ-kwestie.

    Na mijn achtmaandenangst, eerste communie, verplichte legerdienst en onvrijwillige midlifecrisis werd ik eindelijk vijftig en hoopte ik op het zwitserlevengevoel. Het zat eraan te komen toen ik met mijn leefgenoten enkele reizen ‘all-in’ ondernam: Tunesië, Hongarije, Turkije, Marokko. Van dan af voltrok mijn verdere leven zich all-in, met dien verstande dat ik alles zelf betaalde.

    Naar mijn zestigste levensjaar toe hield ik het voor bekeken op de officiële arbeidsmarkt. Ik leverde geen arbeid meer in dienst van anderen. Onderweg had ik me ook al geoefend in het ‘zelfstandige’ statuut, waarbij ik uitsluitend voor mezelf werkte. Ik publiceerde als schrijver een vrij groot aantal teksten tegen betaling.

    Na mijn zestigste bestudeerde ik de filosofen grondig, zoals ik dat rond mijn twintigste ook al gedaan had. Het verschil zat ‘m hierin dat ik ze nu begreep. Ook nam ik meer en meer de tijd voor (dat vreselijke woord) ‘lichaamscultuur’. Ik had op jongere leeftijd veel aan sport gedaan: volleybal en verspringen op hoog niveau. Decennialang daarna bleef het echter bij schaken, een denksport, vaak vergezeld door flessen wijn. Nu ging ik weer stappen, weer of geen weer, mijlenver heen en terug.

    Toen werd ik plotseling gegrepen door een kusttram. Hoe stom kan een afscheid zijn.

    Had ik ooit tijgereieren gevonden?


    02-09-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.211: De kus

    DE KUS

    Het onderscheid tussen de liefhebberstheaterkus en de beroepsmatige kus moet in de zaal worden gezocht. In het publiek. Beide liefhebberskussers hebben namelijk een aantal nauwlettend toekijkende familieleden en kennissen. De beroeps, die ook veel vaker uitmatchen spelen, kunnen probleemloos theaterkussen. Het is overigens hun beroep: een acteur/actrice mag wild om zich heen kussen, een advocaat mag liegen dat hij zwart ziet. In het stuk dat ik in mijn randgemeente bijwoon, moeten een echte broer en een echte zus elkaar theaterkussen. Zo staat het in het stuk. Maar in dat stuk zijn ze geen broer en zus. Kan de zaal dit aan? Heeft het publiek talent voor fictie? De collectieve stilte wordt nog snijdender op het moment suprême. Vooral de voorste rijen houden hun adem in. Wordt dit een smak? Wordt dit een zedige luchtkus? En dan gebeurt iets wat eigenlijk alleen in een slechte mop of een zevenderangsfilm kan: in de halve gemeente valt alle elektriciteit uit. De zaal waarin zonet gekust zou worden, ligt in dit rampgebied. Ontsteltenis alom. Where were you when the lights went out in New York city? Don’t you know I was making love? Rokers toveren hun vuurtjes tevoorschijn. Gelukkig dat er nog rokers zijn. Ook op het podium flakkeren enkele kaarsen op. De broer en de zus staan nog steeds met de handen in elkaar. In de coulissen worden geheimzinnige kastjes aan de wand geïnspecteerd. Een liefhebbersgezelschap beschikt nou eenmaal niet over een gediplomeerd elektricien. Op de fase van de uitroepen volgt nu gemurmel dat al vlug hardop gebabbel wordt. Men blijft zitten. Men zal collectief zo koppig wachten dat dit vanzelf de elektriciteit zal doen opwekken. De voorzitter van toneelvereniging De Bovenste Plank komt met een kaars in de hand iets zeggen. Niemand luistert echt, want men verwacht geen elektrisch heil van een bank-verzekeraar. De zus van de te kussen toneelzus en -broer zucht diep. ‘Nu hebben ze zelfs niet eens moeten kussen!’ zegt ze tegen haar dochter naast haar. ‘Mama, het was maar een toneelzoen, hoor!’ antwoordt de dochter naar waarheid. Op dat ogenblik floepen de lichten weer aan. De voorzitter neemt andermaal het woord, terwijl hij in vragende paniek naar een glimp van de regisseur zoekt. Het rumoer dijt uit. Stilte daalt als een stolp over de zaal neer. Waar herbegint deze fictie nou? Dat stuk? Voor de kus? Na de kus? Doen ze het nu nog? Zal de elektriciteit sterk genoeg zijn? Kust ze, verdorie!


    15-08-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.210: Wolf

    WOLF

    Van bepaalde schrijvers wordt beweerd dat een soort voorbeschikking hun levensloop bepaalt. Shelley vond een eenzame dood in weer en wind. Tolstoj eindigde zijn dagen, net als zijn bekendste hoofdpersonage Anna Karenina, in een spoorwegstation. Rilke zou gestorven zijn aan de gevolgen van een prik aan de doornen van een rozenstruik. Dokter Tsjechov kreeg het aan de longen. Voor de Engelse schrijfster Virginia Woolf ( 1882 - 1941) was de enige mogelijke dood het water. Dat was het water waarvan het geluid in haar boeken doorklinkt. Eigenlijk heette ze Virginia Stephen. Door haar huwelijk met uitgever Leonard Woolf veranderde dat. En eigenlijk zou haar Woolf-naam haar later parten spelen. De Engelse ‘Virginia’ werd namelijk de Amerikaanse ‘Woolf’ door een toneelstuk van de Amerikaanse schrijver Edward Albee. Titel: ‘Wie is er bang voor Virginia Woolf?’  Vrij vertaald: ‘Wie is er bang voor de (boze) wolf?’  De naam van de schrijfster figureert in de titel, omdat men in Amerika dacht dat Virginia Woolf een gevaarlijke, hysterische ‘bitch’ was. Het omgekeerde was waar: ze was kwetsbaar, intelligent en introvert. In dat theaterstuk vernietigen vier volwassenen (twee koppels) elkaar door wrede mentale en verbale spelletjes, tijdens een nachtelijk ‘feestje’. De ‘Woolf-naam’ van Virginia (die toen al een literaire reputatie had opgebouwd) werd dus als beeld gebruikt voor een niet zo fraaie toestand. Jarenlang (en nog altijd) zijn daarover discussies gevoerd. Mensen die nooit een letter van de schrijfster hadden gelezen, kenden haar toch, door dat toneelstuk. Ook over haar werk bestaan tegengestelde meningen. De enen vinden dat ontoegankelijk, geforceerd, waardeloos. Voor de anderen is het vernieuwend, hoogst intellectueel, vooruitstrevend en geëngageerd. Over de laatste uren van Woolf, vooraleer ze het aardegroene water van de Ouse in stapt, haar zakken met stenen verzwaard, bestaat een schitterende film: The Hours. De muziek is van Philip Glass. De film is gebaseerd op het boek van Michael Cunningham. Daarin voert de auteur drie vrouwen op die te maken krijgen met zelfmoord. Prachtige vertolkingen van Julianne Moore, Nicole Kidman (die een speciale VW-neus op kreeg), Meryl Streep en Ed Harris. Zoals Virginia Woolf bekendheid (eerder beruchtheid) kreeg doordat iemand haar ‘Woolfnaam’ in de titel van een theaterstuk gebruikte, zo was er ook veel te doen rond de fameuze filmneus van Nicole Kidman. Zo zie je maar.


    26-07-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.209: Een reus

    EEN REUS

    Een reus eet per dag 14 kilo cote à l’os, 7 kilo entrecote, 5,5 kilo préparé, 84 appelcakes en soms nog 3 kilo stoverij. Als groensel verorbert hij dagelijks een stukje bos. Soms eet hij kindervlees, maar alleen van kinderen die op 32 september of 0 januari zijn geboren. Als een reus dorst heeft, gaat hij buiten in de regen staan. Daarom ook draagt hij altijd dezelfde kleren, want die worden dus voortdurend gewassen. Zijn hobby’s zijn: jarenlang staan wachten en af en toe in een stoet stappen. Dat is zeer vermoeiend, daarom moet hij telkens jarenlang uitblazen. Voor zo’n stoet nodigt hij gewoonlijk ook andere reuzen en reuzinnen uit. Een reus is heel groot, maar gaat niet rap. Hij schrijdt. Hij kiest altijd het midden van de straat, voor zijn gezondheid, want anders hapert hij aan de huizen. Reuzen zijn curieuzeneuzen, maar bukken zal hen niet lukken. Toch hebben ze alles gezien. Ze hebben een geheim, onzichtbaar oog op hun voorhoofd. Wie niet gelooft in reuzen, is gezien. Wie niet weg is, is ook gezien. Zeg nooit ‘Meneer’  tegen een reus, of ‘Mevrouw’  tegen een reuzin. Zeg gewoon: ‘Uwe Hoogheid’. In Heule, mijn onderkomen, is dat dan: ‘Uwe Hoogheid Stijn’. ‘Stijntje’  mag hier ook wel, want de reus van Heule houdt van een knuffelwoord. Een reus drinkt graag bier, maar ’t liefst tafelbier. Als hij een liter of 1000 tafelbier heeft gedronken, kan hij 17 kerktorens ver zien. Dat is handig: dan weet hij in welke dorpen hij niet is, en in welk dorp wel. Moet men bang zijn voor reuzen? Nou, eigenlijk wel. Je moet toch een keer in je leven voor iets bang zijn. Het hart van een reus is een groot koekebrood, maar dan in de vorm van een hart natuurlijk. Schrik niet als een reus eens moet hoesten, want dan zit er even een verdwaalde rozijn in de weg. Klop hem dan ook niet op de rug, want je kunt er niet aan. Laat hem maar even doorhoesten. Echt zieke reuzen zijn er nog nooit geweest. Soms worden ze wel vergeten, maar dat is een ander soort ziekte, waar ze zelf niks aan kunnen doen. Tot slot enkele domme vragen, waarop alleen domme antwoorden mogelijk zijn. Kan een reus lezen en rekenen? Ja. Is een reus getrouwd? Soms. Valt een reus soms omver? Nee. Kan een reus echt mensenvlees ruiken? Ja, ze zitten soms zelfs tot onder zijn rokken. Die mensen, bedoel ik. Kan een reus een bijnaam hebben? Tja, is mogelijk. Die van ons bijvoorbeeld, in Heule, mag wel eens als ‘Einstijn’ aangesproken worden. Maar gewoon voluit heet hij Stijn Emiel Renaat. Je moet wat literaire en muzikale geschiedenis kennen om die naam te begrijpen. Maar het is hier niet de plek om dat allemaal uit te leggen. Het is zomer; de zon fluit; de vogeltjes schijnen en de regen geeft mijn randgemeente Heule af en toe een reusachtig bad. En de reus slaapt. Wek des zomers geen slapende reuzen.


    11-07-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.208: Opsporingsbericht

    OPSPORINGSBERICHT

    Een straatverkoper uit Hammamet in Tunesië liep met bosjes citroenbloemen rond. Ze stonden als kaarsen op zijn zomerhoed gedrapeerd. Zo schilderde Vincent van Gogh soms, beweert men, als het te donker was. De verkoper klampte toeristen aan, nam hun fototoestel, plantte zijn citroenkaarsenhoed op het hoofd van man of vrouw, nam een foto en vroeg daarna een veel te hoog bedrag voor bewezen diensten en een minituiltje citroenbloemen. Dat betekende om de haverklap hommeles. Elke dag maakte de man ettelijke vijanden. Die kwamen dan soms terug in de loop van de dag. Met boze blikken namen ze dan wraak. Ook verwittigden ze argeloze toeristen voor de kerel en zijn praktijken. Op een dag verdween hij spoorloos, in (nou: uit) speciale omstandigheden. Hier volgt zijn opsporingsbericht.
    Hij is van het mediterrane type, lang en klein en verplaatst zich op een bordeauxkleurige gele motorfiets. Verleden maand werd hij voor het laatst gezien op de spoedafdeling van het Hannibalziekenhuis, waar hij onder narcose verdoofd werd na een vechtpartij, maar kort daarna weer ontsnapte. Uit dat ziekenhuis dus. Hij draagt zwachtels om keel en pols – vermoedelijk de linkerpols, men tast hier in het duister omdat men het niet meer weet – en spreekt een gebrekkig toeristendialect en ook wat Tunesisch. De kerel heeft geen karakter. Personen die inlichtingen kunnen verschaffen, gelieven naar het dichtstbijzijnde nummer te bellen. Gezien de gevaarlijkheid van de bloemenverkoper wordt geen ruchtbaarheid gegeven aan uw oproep. Die wordt immers als zeer gevaarlijk beschouwd. De snoodaard dus. Bruggen, wegen en water zijn inmiddels ook al verwittigd.


    16-06-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.207: K met zuurpruim

    KONIJN MET ZUURPRUIM


    Bea V., huisvrouw, werd die ochtend door de baldadige hagelgod aangerand. Ze was er niet op bedacht, ook al zat de lucht zo grijs als haar leven. Zoals elke dag nam ze haar konijn mee uit voor een pisrondje. Gewillig als een hond huppelde het beest mee aan de leiband. Toen de eerste hagelbollen naar beneden suisden, kreeg het konijn een hartinfarct. Aanvankelijk had Bea V. niks in de gaten. Ze begon te rennen, omdat de bui steeds heviger werd. Toen ze meer en meer tegenstand ondervond, constateerde ze tot haar ontsteltenis het dode gewicht aan het einde van de lijn, nog verzwaard door het ijswater. Het kleddernatte ding achter zich aan slepend, spoedde ze zich in paniek naar Luc Appelboom, een kennis die niet zo veraf woonde. Steeds vormelozer zwierde het overleden dier achter haar aan. De acht stenen treden op naar Lucs voordeur boden de moeilijkste hindernis. Het bloedspoor werd echter al vlug door het ijswater weggewist. ‘Maar Bea toch! Kom vlug … O, uw konijn! Och Here!’ ‘Luc! Wat moet ik doen? Help me!’ Badnat en geschramd door de hagelbollen betrad Bea de bel-etage van Luc Appelboom. Het geliefde konijn sleepte ze tot bij de paraplubak. Stilleven in grijsrode plas. Het konijnenmens zag er deerniswekkend uit. Ze leek uit de trommel van een wasmachine te komen. Met het aantal ladders in haar nylons kon je de hemel bereiken. Haar citroengele jurk was besmeurd met de sappen van afgerukte bladeren. ‘Hoe haalt ze het in haar permanent op een ochtend als deze in een citroengele jurk te gaan wandelen,’ flitste het door Lucs hoofd. En het bleef maar oude wijven regenen, na een hagelbui vanjewelste. Het is echt gebeurd. Het was de prelude op een zoveelste Vlaamse kwakkelzomer. Wacht maar.


    06-06-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.206: Volksverlakkerij
    VOLKSVERLAKKERIJ

    Een onderwerp dat duizenden bladzijden kan beslaan: volksverlakkerij. Moeten we bijvoorbeeld blij zijn met de ongeveer tien nieuwe (literaire) uitgeverijen in Vlaanderen? Helemaal niet. Zonder blikken of blozen verkondigen die in en tussen hun regels dat ze vooral op zoek zijn naar boeken van BV's, Beroerde Vlamingen. Je moet met je kop op tv komen en dan pas geven ze je boekje uit. Paul D'Hoore heeft vooral zichzelf en zijn uitgeverij rijk gemaakt door een boekje te schrijven dat zogezegd vertelt hoe je rijk kunt worden. Zag u hem niet uitdijen telkens hij weer op tv verscheen omdat we een crisis hebben? Echte schrijvers komen niet meer aan de bak bij de uitgeverijen. De Boekenbeurs is een belachelijke signeershow geworden. Nee, nooit koop ik nog een boek.
    Recent zat ik noodgedwongen ook vlak bij de zoo van Kortrijk: een restaurant dat enkel en alleen door de heilige televisie succes kent. Oetlullen van allerlei rang en stand en slag stonden zich dagelijks hysterisch te vergapen op het pleintje voor het restaurant. De meesten konden en kunnen zich zelfs niet eens een etentje veroorloven in die gehypete mensenzoo. De gevierde en bekende apen in de keuken slaagden er niet in één fatsoenlijke zin te bouwen. Op tv namen breedsmoelkikkers geregeld de woorden 'heel Vlaanderen' in de mond. Alsof iedereen naar dat idiote gezever zou kijken. Walgelijk.

    15-05-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.205: Doppedrop

    DOPPEDROP

    Die zomer bracht ik geruime tijd door in de ondergrondse jeugdbibliotheek van de stad Kortrijk. Als een stad op Pompei begint te gelijken, moet je onder de grond gaan duiken om nog iets te beleven. Om een of andere goeie reden plukte ik daar tientallen boeken uit de rekken, alle van Vlaamse schrijvers. Het allereerste boek dat ik vrij lukraak uit zijn slagorde kantelde, had als thema: doping. En dat nou net in de zomer van 2004. Elke zomer heeft wat speciaals in petto. Een koning sterft bijvoorbeeld. Of zo’n Dutroux wordt opgepakt. Of er is een hittegolf. Of er is geen hittegolf. Wat de zomer van 2004 betreft: die zullen we ook als een warme zomer bestempelen. Er waren branden en gasontploffingen, in binnen- en buitenland. En om de haverklap hoorden we ook over doping, luttele weken voor de Olympische Spelen. En zelfs nog tijdens de Spelen. De twee bekendste Griekse atleten vonden een mysterieus motorongeval uit om toch maar niet te moeten toegeven dat ze geslikt of gespoten hadden. Afgodjes tuimelden van hun sokkel, gekweld door wroeging of smekend om aandacht. In het verhaal dat ik in de bieb las (van de (West)-Vlaamse schrijfster Anne Provoost), heeft een kind af te rekenen met dopinggedoe rond zijn vader, die kampioen-hardloper is. Het is een thema dat je niet vaak in kinder- of jeugdboeken aantreft. Ik was een beetje verbaasd over mijn vondst, gezien de timing. Het omgekeerde gebeurde een tijd later ook. Ik kocht in het verre Nederland een zwaarlijvig boek over de Cosa Nostra, de misdaadorganisatie in Sicilië en Calabrië. Diezelfde avond werd op tv de aanhouding gemeld van het kopstuk van de Ndrangheta in Calabrië, de ‘regionale’ maffia-organisatie. Boeken gebeuren dus vaak echt. Je leest ze en hop, ze slaan toe. In het echt. Doppedrop. Gek toeval. Déjà vu want déjà lu. Of op weg om het te lezen. Toeval is een gek beestje. Het zet je soms aan het denken. Enschede wou Ath komen helpen, als ervaringsdeskundigen in ontploffingen, en zie: in de omgeving van Boedapest was het enkele dagen later ook vuurwerk geblazen. Doppedrop. Ik ga nu zelf verder verhalen en boeken schrijven waarin het voortdurend gezellig waait en regent. Dat blust het vuur. Droppedrop. Tiens, ik merk nu dat er zich in mijn recentste verhaal een ontploffing voordoet annex brand. Niettemin, van harte, uw liefste dopingkindje X.


    22-04-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.204: Kap

    KAP

    De laatste jaren worden op televisie steeds meer beelden getoond in en rond gerechtsgebouwen. Mensen worden ‘gevankelijk’ op- en aangevoerd, al dan niet meer of minder verdacht van iets, tot het tegendeel bewezen is. Ze stappen in en uit auto’s of celwagens, ze dalen van of bestijgen trappen, ze verschijnen of verdwijnen door kleine zijdeurtjes en achterpoortjes. Daarbij verbergen ze vaak hun gezicht, hoe zou je zelf zijn. Dat doen ze onder hun jas, achter een krant die ze als een te groot hoedje van papier gebruiken, en recent zelfs in een stedelijke vuilniszak. Een ter verantwoording geroepen vrouwelijke onderzoeksrechter beschutte haar aangelaat voor het aanschijn van de heilige kijkdichtheid zelfs met haar piepklein handtasje; die beelden zijn dagenlang heruitgezonden en waren natuurlijk koren op de molen van alle Belgen die niet meer in hun rechtspraak geloven, iedereen dus. Waar ik het echter over wil hebben: waarom voorziet men geen kap voor die al dan niet terecht verdachten? Systeem valkenkapje? Een leuke, bijvoorbeeld muisgrijze kap met voldoende gaten of spleten in voor ogen en mond. Zoals de beulen en de overvallers er een dragen. Of zoals de valken voor en na de jacht er een over hun kopje krijgen. Dan is het afgelopen met het potsierlijke recycleren van allerlei materiaal om zichzelf onherkenbaar te maken. Dan kan een verdachte ook rustig zijn jas aanhouden in verband met het barre klimaat om en rond Belgische gerechtsgebouwen. Het schijnt dat er in Broekzele al een modeontwerper aan de slag is om zo’n transportkap te bedenken. Een type voor vrouwen, een type voor mannen, en een variant voor advocaten en onderzoeksrechters, mochten die ook zo’n hoofdbedekking wensen. En sommigen van die laatste categorie zullen dat echt wel willen. Uit goede bron hebben we vernomen dat die ontwerper het begrip ‘roodkapje’ een nieuwe wending wil geven. Overigens zal hierdoor ook het woord ‘kapsalon’ misschien een verse betekenis krijgen. Het ministerie van Justitie zou al een bestelling geplaatst hebben voor een duizendtal van dergelijke kappen. Die transportkappen zouden niet hergebruikbaar zijn. Na gebruik (door eenzelfde persoon gedurende een bepaalde periode) wordt zo’n kap onder toezicht van een gerechtsdeurwaarder verbrand. Nieuwe verdachten krijgen telkens hun eigen, nieuwe kappen, desgewenst roodkapjes dus, als die ontwerper uit Broekzele zijn zin krijgt. Nou, Michael Jackson, een zanger uit plastic opgetrokken, legde het anders aan boord toen hij min of meer gevankelijk naar het gerecht ging om zich aan te melden. Onder een stralende Oost-Amerikaanse zon schreed hij onder een donkere paraplu handenschuddend naar het gerechtsgebouw. Er was toch geen ontkomen aan, en de hele wereld kende zijn plastic babyface toch al door en door. Hij had al zoveel bekijks gehad al die jaren, dat zijn neus er zelfs afgevallen was. Maar dat brengt me te ver. Da-ag. Kap smiling!


    05-04-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.203: Affiche

    AFFICHE

    Het verhaal van de man die een pak rammel kreeg omdat zijn aandacht door een affiche getrokken werd. In die tijd passeerde een man op zijn wandeling door de stad een huis in de rij met een affiche aan een van de vensters. Geïnteresseerd bleef hij staan om de informatie grondiger te ontcijferen en in zich op te nemen. Daartoe boog hij zich even om wat scherper toe te kijken, want hij had zijn leesbril niet bij zich. Luttele seconden later verscheen een woedende kerel in de deuropening.
    'Zijn dat manieren, ja? Kijkt gij bij iedereen zo schaamteloos naar binnen, ja?’
    Voor de verbouwereerde wandelaar iets kon zeggen, vloog de man op hem af en joeg hem slaand en stompend een heel eind de straat door. Gedeukt, gekreukt en met een bloedneus strompelde het slachtoffer naar huis.


    14-03-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.202: Regen

    REGEN

    In een land ver van hier ving een man een hoeveelheid regen op. Hij begroef die in een plastic zak in de grond. Door deze teraardebestelling haalde hij zich de woede van de hele gemeenschap op de hals. Na een martelperiode van anderhalve week, waar men om de minuut een druppel water op zijn kaalgeschoren knikker liet vallen, werd hij drie jaar lang opgesloten in een gevangenis naast een waterval. Ondertussen bevrijdde men ook de regen weer. Toen de dader eindelijk weer vrijkwam, werd hij op straat met benzine overgoten en in brand gestoken. Diezelfde dag brak een vreselijk onweer uit dat heel Malawi overspande.


    03-03-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.201: Stuk

    STUK

    Ik ga liefhebberen in de dichtstbijgelegen schouwburg. Gelukkig woon ik in een middelgrote provinciestad. Dat bespaart me snelheidsovertredingen en filevorming. Of mist. Vanavond wil ik rood. Ik wil ook pluche zien en voelen. Ik ben misschien niet alleen. Dat maakt het natuurlijk nog avontuurlijker. Als ik om mij heen kijk, wil ik evenveel vrouwen als mannen zien. Een volle zaal, graag: eivol, tjokvol, nokvol. ‘Afgeladen’, om es een cliché als een kathedraal met duivenstront op te gebruiken. Ik kijk weer voor me. Zit ikzelf nou voor of achter wat men ‘het doek’ noemt? Waarom niet ‘doeken’? Hoelang is het geleden dat ik ‘achter de coulissen’ vertoefde, terwijl ik dat woord amper correct kon spellen? Telt een godsdienstige stoet uit de jaren zestig in een provincienestje mee als theaterervaring? Heb ik me thuis of op school ooit es ‘verkleed’ en iets fantasierijks of na-apends gezegd? Zulke theatrale gedachten blijven haperen in het gebladerte van mijn hoofd, terwijl om mij heen het geroezemoes aanzwelt en weer weg kabbelt. Ik zeg nog iets tegen de mij-vergezellende vlak voor het duister wordt. Anders dan elders doven de lichten hier pijnloos, en vol verwachting. Fictie doet zijn intrede. Of zal het een kopie van de rauwe werkelijkheid worden? Het lijkt er alvast op, want we lijken volledig in het duister gehuld. Een volstrekt knullige gedachte bliksemt plotseling als een serpentine door mijn hersenpan. Ik weet niet hoe het komt. Misschien door te vaak de Fast Show op BBC gezien te hebben. In gedachten zie ik iemand hier midden in dit maandenlang voorbereide stuk na een kwartier opstaan in het halfduister en hardop vragen, zich half naar de zaal wendend: ‘Iemand zin in een pint?’ Bijna barst ik los in een schaterbui. Dat mag ik niet doen, want we zijn gekomen voor een tragikomedie. Even afwachten dus. Maar dat is prima. Een veilige keuze. Dat ‘komedie’ lokt velen. Lachen geblazen, eventueel? Het ‘tragi’ lokt ook velen. Tissuetjes in de aanslag, s.v.p. De combinatie zorgt natuurlijk voor tjokvolheid. Vermoedelijk wordt het dus een lach en een traan. Na een halfuurtje kijk ik even van het ‘stuk’ weg. Zoals een schilder even van de heftigheid van zijn kleuren weg moet en in een zwarte spiegel staart om te genezen van felheid. Ik laat mijn hoofd wat op mijn borst zinken en ik sluit de doeken voor mijn ogen. Plotseling ben ik op een ander schouwtoneel. Lang mag dat niet duren. Of ik ben de draad kwijt. Terug naar binnen. ‘Nu nog op de planken, straks ertussen’, herinner ik me nog net een boutade van een tafelspringer op een podium uit de jaren tachtig. Daarna tik ik weer aan. Ik ben weer ‘mee’. Ik juich inwendig zonder dat iemand het hoort mijn goedkeuring uit voor de ‘amateurs’ die op deze planken van deze aloude schouwburg staan te doen alsof ze iemand anders zijn, zeggende zinnen die ze niet zelf geschreven hebben. O ja, o nee: nog nooit heb ik mijn mama in zo’n fantastische rol gezien. O ja: dat roept om cafetaria!


    12-02-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.200: Hair

    HAIR

    Het verhaal van de man wiens haar nooit nat werd, zelfs nadat hij in het water was gedoken. Deze man woonde bij een vrouw met mooi halflang haar, dat het ene ogenblik aan de westelijke kant, het ogenblik daarop aan de oostelijke kant van haar hoofd hing. Zo kreeg men altijd verrassende beelden en was men eigenlijk ook vaak afgeleid van het aan de gang zijnde gesprek. Maar het gaat niet over haar.

    Het gaat over de droge man. De eigenschap die hij niet bezat, nl. dat zijn haren in het water nat werden, zoals die van de anderen, bezorgde hem achter zijn rug om de bijnaam droogkloot. Het betrof een zeer belangrijk man die hoog in aanzien stond. Noch kappers, noch dokters, noch kruidenverkoopsters, noch psychiaters konden hem echter helpen. Ze vleiden of troostten hem met opgewekte vaagheden, valse voorspellingen of niet ter zake doende verzuchtingen. Er was niets aan te doen.

    Hij was zo kaal als een kei. Altijd geweest.


    25-01-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.199: Wie A zegt

    WIE A ZEGT

    A en B. Krekel en mier. Gas en elektriciteit. Os en ezel. Wit en zwart. Spic en span. Kerst en kind. Tijl en Nele. M & M. Auto en file. Schots en scheef. Belgisch en gerecht. Plus en min. Braaf en stout. Jan en alleman. 14 – 18. Pen en papier. Moord en brand. 40 – 45. Oorlog en vrede. Koetjes en kalfjes. Oostende en Westende. Mossel en vis. Engel en duivel. Maria en Jozef. Sneeuw en dooi. Dooi en dooier. Vlag en wimpel. Winter en zomer. Zoet en zuur. Jip en Janneke. Sint en Piet. Dag en nacht. Grauw en grijs. Eb en vloed. Dash en een ander merk. Ditjes en datjes. Dik en dun. Vergeten en vergeven. Hou en jou. Blauw en kou. Brood en spelen. Jong en oud. Prinses en puit. Neemt en eet. Oog en naald. Heinde en verre. Laurel en Hardy. Eend en bijt. Appel en peer. Mis en poes. Kip en ei. Zout en pap. Nagel en gat. Kat en muis. Geit en kool. Hart en nieren. Spek en bonen. Blind en vink. Geven en nemen. 1000 en 1 nacht. Kaf en koren. Urbi et orbi. Bommen en granaten. Kaas en wijn. Ot en Sien. Vuur en vlam. Potten en pannen. Aan en uit. Nu en nooit. Over en uit. Eén god. Twee duobanen. Drie koningen. Vier musketiers. Vijf op een rij. Zesde zintuig. Zeven hoofdzonden. Acht wereldwonderen. Negen maanden. Tien kleine negertjes. Een elfje. Twaalf apostelen. Dertien aan tafel. Veertien bloemen, zoals daar zijn zeven anjers, zeven rozen … voor jou, van harte, proficiat, en veel geluk.


    09-01-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.198: Bijsluiter

    BIJSLUITER

    Achtentachtig soorten dronkenschappen.Vierenvijftig misverstanden op een rij. Net zo goed en net zo min een aantal goden, wetten, dromen, daden, regels en bezwaren. Hersens, bloed, been, merg en pis. Dat is wat de mens is. Een steak pretentie. Duizend keer zag ik je zitten. Duizend keer kwam ik weer thuis. Boeken en verhalen proberen steeds weer te herhalen dat het waait omwille van de wind, dat als het regent dat een reden heeft, en dat de zon het zout is in een ander zuiden dan in de stomme films van wij die dromen. Maar dit is leven, liefje, tussen wee en reutel. Dit is leven, liefje, gekakel en een keutel. Dit is een Rusland omwille van de liefde. En het moet waaien. En het moet sneeuwen. En wat ver is, moet echt wel heel ver zijn. En treinen moeten pijn hebben, die je kan horen. En afstand moet gelijk zijn aan ongeneeslijk ziek. Nietwaar, dokter Zjivago? Nietwaar? En ook Gainsbourg herinnert zich de bomen en de wind in hun gebladerte. En spreidt in al zijn dromen rookgordijnen uit, en bladert, bladert, door het Rusland van zijn hart, de hoofdstad van zijn lijf en leden, dit Parijs waar licht en liefde blijven weifelen tussen dromen en bedrog en ongeneeslijk gezond. Zevenentwintig Oscars voor de beste bijrol. Honderden verhalen met een open einde. Longen, nieren, ogen, handen, ballen en maar één luttel hart. Enkelvoudig enkelvoud aan de ene linkerkant. Als ik met mondjesmaat jouw gif ben, laat ik je heden weten: ik hou van jou. Op de bodem van elk glas, in de rook van zeppelins, aan koudefronten, keerkringen en polen, in alle staten, en vooral de mijne, over datumgrenzen, in tantetearooms, na zovele treinen, o tsarina, laat mij je zachte revolutie zijn. Dit is mijn bijsluiter, niet eens gedicht, maar vaak gedacht: wacht, ik hou van jou.


    22-12-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.197: TV

    TV 

    Ik stel voor de afkoterm BV meteen maar te vervangen door TV. Je bent hier in dit apenland immers alleen maar bekend omdat je bekend bent. En dat kan alleen maar gebeuren door op tv te komen, die rechthoek van afgrijzen, die treurbak. Het is eender wat je hebt uitgespookt. Je hoeft zelfs niet eens iets gedaan te hebben. Met of (liefst – kijkcijfers!) zonder kleren. Zoals Jan met de pet en Tettenmie. Voluit wordt dat dan: TelevisieVlaming. Aaneengeschreven natuurlijk, volgens die onnozele trend die overal toeslaat: VlaamsProgressieven, deBuren, deSingel, JIMtv, RingTV, GaultMillau, ArcelorMittal en meer van dat zogezegd originele fraais. Het afzichtelijke scherm dat zovele huis- en slaapkamers ontsiert, is al geruime tijd het evangelie. Het predikt populisme, domheid, verkleutering en massaliteit. Sommige verkopers pakken zelfs uit met de idiote slogan ‘Gezien op tv!’ Alsof dat godgenageld wat betekent. Ooit hield een krant een competitie: wie was de West-Vlaming van het jaar? Er stond verdorie een tv-presentatrice op de lijst. Haar verdienste(n)? Nou: ze deed gewoon haar job. Meer niet. Anderen moesten er boeken voor gepubliceerd hebben, films gemaakt, prijzen gewonnen. De bête bewondering voor het teeveemonster neemt vele vormen aan en slaat overal toe. Vooral sedert de realityrage er is. Ikzelf snoer dat onding de mond. Ik kijk alleen naar films en BBC-series of –docu’s. De rest kan me feestelijk gestolen worden: pathetische voetbal’analisten’, Algemeenantwerpssprekende tweederangsacteurs, dijenkletsende bekendelingen, blote Jan Luls, zwanzende realitysletten, hyperventilerende benefietsmoelen, overbepamperde voetballisten en opgepepte veldrijders. Zappen, die handel!


    02-12-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.196: Arno

    ARNO

    Watten wolken dreven aan het mariablauwe zwerk in Dranouter, gebruiksklaar om uitgelopen dronkenschappen te betten. Hier hadden The Simpsons en Magritte samengewerkt. Ik vroeg mijn ex-correspondentievriendin Emiko Takamori of ze in Japan ook over zulke luchten beschikten.
    ‘Onze luchtkastelen bestaan uit hout,’ antwoordde ze, want ze had mijn vraag verkeerd begrepen. Ik kreeg geen tijd voor een wedersamenstelling, want waar ik daarnet nog gestut werd door een tweetal beschonkenen, of omgekeerd, daar vielen nu om mij heen de mensen bij bosjes, omdat de bekende zanger Arno opkwam. De gelederen werden dooreen gehutseld en dat zou een tijdlang zo blijven. Er zat stuwing in de vaart der volken en hun muziek. Verbale communicatie zou fonetisch gebrul worden, waarbij men kon kiezen uit een reeks van vijf klanken. ‘WIE IS DAT?’ gilde E.T. in mijn linkeroor. ‘ARNO!’ ‘EEN DUITSER?’ ‘WWW.NEE.BE!’
    ‘HET LIJKT OP DUITS!’

    (Vertaald in het Festivals:

    ‘IE I A ?’

    ‘A O !’

    ‘UI ?’

    ‘EE EE EE EE EE !’

    ‘IJ UI !’)

    (Noot: schr. dezes communiceerde met Emiko Takamori wel voortdurend in het Duits en het Engels, maar geeft in dit stukje de mededelingen in het Nederlands weer – voor de goede verstaander)

    Arno, wiens haar weer door een koude kapper leek geknipt (en waarmee hij uitdrukkelijk heen en weer zwiepte, in en uit de ogen, weet je wel), kende succes onder de bewusten, de onbewusten, de bewustelozen en de onderbewusten in de tent. Iedereen probeerde op hem te gelijken en idem dito te zweten.

    ‘EE IJ IE IE EU ?’ riep Emiko me toe.

    ‘ A ?’

    ‘HEEFT HIJ MISSCHIEN EEN NIEUWE HEUP?’

    Ik lachte zwetend van nee en probeerde ondertussen uit het gesproei van lichaamssappen van omstanders te blijven. Kokhalzend onderging ik de rest van dit optreden, dat ik in mijn latere annalen wellicht een aftreden zal noemen, omwille van de walg betreff. de anderen. Toen we weer op een rustiger weitje aan het flaneren waren, vroeg ik Emiko wat ze van de zwiepende en schokkende Vlaamse zanger dacht. ‘Was hij dronken?’ informeerde ze eerst zelf. ‘Dat weten we nooit met zekerheid.’ ‘Verkouden?’ ‘Iedereen is hier altijd verkouden.’ 'Waarover heeft hij het in zijn liederen?’ ‘Over Leven, Liefde en Dood.’ ‘In het Frans?’ ‘Eigenlijk in het Fraams, ook gekend als het Vlans.‘Vinden jullie hem goed?’ ‘In België word je gemaakt of gekraakt door de pers, een zootje ongeregeld.’ ‘Hij was waarschijnlijk de stoute jongen van de klas hé?’ ‘Of net helemaal niet.’
    Ik monsterde de watten wolken weer. Er zouden er vandaag veel van doen zijn.


    23-11-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.195: Letters & Letteren

    LETTERS & LETTEREN

    Heden ten dage (en eigenlijk al lange tijd) bestaat mijn geliefkoosde lectuur uit atlassen en woordenboeken van divers, maar hoogstaand allooi. Het is begonnen met het tv-dictee winter 07. Ik zat thuis plotseling te beslissen dat ik mee zou schrijven. Tot mijn verbazing had ik geen fouten. Toegegeven: tot driemaal toe gokte ik goed. Een maand later besloot ik me aan te melden voor het veel moeilijker Groot Nederlands Dictee van Davidsfonds/Knack. Dat ging weer goed: primus van de preselecties categorie Liefhebbers (ik was immers debutant in de wedstrijd) met 92 % en een 5e plaats in de finale in het Vlaams Parlement enkele weken later. Mijn kompanen-treinreizigers-Specialisten (die al jaren meedoen en fameuze kleppers geworden zijn) overhaalden me om verder dit pad te bewandelen. Tja, er moet wel geblokt worden. Voorwaar: dat doe ik nu. Ik ben nu nog meer dan vroeger aan het (op)schrijven. Een bedenking: schrijven staat tot opschrijven zoals letteren staat tot letters. Met spelling kun je moeilijk creatief zijn. En toch is het lekker boeiend. Je kunt nl. redeneren en verbanden leggen. Het is niet klakkeloos vanbuiten leren. Je moet geografie en historie kennen. Scheikunde. Cultuur. Geneeskunde. Biologie. Ik ken nu het verschil tussen pensee en pencee. En meringue en merengue. Elisabeth en Elizabeth. Speculaas en speculoos. Ik kan de angst voor lange woorden verwoorden: hippopotomonstrosesquippedaliofobie. Het is heerlijk, want het is voedsel voor de geest. Wat je met pakweg 26 letters al niet kan doen. Ik proef, eet en drink elke dag woorden en letters. Om te ontspannen combineer ik die dan dusdanig, dat ze proberen literatuur te zijn: gedicht, theater, verhaal. De volgorde is van belang. De boodschap natuurlijk ook. Wat vindt u bv. van deze zin: De mater dolorosa met de bête monalisaglimlach kon ten langen leste het münchhausen-by-proxysyndroom niet meer ontkennen en vlijde zich ontmaskerd op de canapé van de shrink neer. Een korte waarschuwing: letteren kunnen ook etteren.


    27-10-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.194: Taalkunde

    TAALKUNDE

    Kinderen in de twintigste eeuw. Waar is de tijd. Een marteling. Dat gedoe met limonade bijvoorbeeld. Is een half glas limonade halfvol of halfleeg? Luister naar een gesprek uit de vorige eeuw tussen een grote mens (ex-kind, 1 m 83) en een kind (1 m 57). ‘Je drinkt weer te gulzig. Je ogen zijn groter dan … ‘ ‘Mmpff.’ ‘Slokop.’ ‘Mmpff.’ ‘Het staat nog maar voor je neus en het is al halfleeg. Je zus is toch zo gulzig niet!? Kijk!’ ‘Maar nee! Het is nu nog halfvol. Kijk maar!’ ‘Weet je het weer beter?’ ‘Maar ik kreeg ook minder limonade dan de anderen.’ ‘Dat is niet waar. Iedereen kreeg gelijk.’ ‘Jennifer kreeg veel meer.’ ‘Nee. Moet ik een vergrootglas halen? Een glas is een glas hé!’ ‘Jongens hebben meer dorst.’ ‘O, is dat zo? Moet je een optater misschien?’ ‘Nee, nog een beetje limonade graag.’ ‘Welhebjevanje … hiér!’ Lap. ‘Au!!’
    Sommige oorlogen zijn er gekomen door gekijf over stukken land of zee. Iedereen wil meer. Sommige ruzies zijn oranje of citroengeel, en sprankelend, met veel prik. Ouders zijn uitgevonden om hun kinderen te hinderen. Zij overtreffen ze trapsgewijs. Nooit kunnen die kinderen hun ouderen, pardon, ouders, inhalen. Of toch: de ouder wordt ingehaald door het kind als het gaat om trouwen of rouwen. Dan ligt de lat voor beide partijen gelijk: zeer plat. Misschien is ‘jongeren’ de overspelige trap van ‘jong’. ‘Jongeren’ is ook een verontrustend meervoud. Zijn er eigenlijk wel zoveel jongeren? Die bevolkingspiramide van ons landje ziet er op dat vlak bedenkelijk uit. Je denkt bij dat woord ‘jongeren’ ook gewoonlijk aan andere woorden, afhankelijk van de context: ‘schade’, ‘ongewassen’, ‘onwel’, ‘duizenden’. Zoals je bij ‘oud’ misschien aan ‘pensioen’ en ‘grijs’ en ‘stok’ denkt. ‘Jongen’ klinkt dan weer zo zoogdier- of eierschaalachtig. Terwijl ‘meisje’ niet eens een verkleinwoord is. ‘Jippie zeg, heb ik daar een aardige meis ontmoet.’ ‘Ouder’ is de vergelijkende trap van ‘oud’. Wee de man, de vrouw, die op zeer jonge leeftijd kinderen veroorzaken: zij zijn dan ‘ouder’. Meervoudsvarianten: ouders, oké, ouderen, ai. ‘Jongeren’ doet dan weer denken aan ‘worp’: de jongeren rolden als rapen uit de schoot van de vruchtbare boerin. Wat te doen? Ach, tegen de taal ingaan. Anders gaat die dicteren hoe je je moet gedragen. Waarom bijvoorbeeld kwispelt de hond met zijn staart? Omdat hij slimmer is dan zijn staart. Mocht hij dat niet zijn, dan zou de staart met de hond kwispelen. Ik vind dit een van de grootste wijsheden die ik al gelezen heb. Waarom, dat verklap ik u niet. U moet het zelf maar uitvissen. Feit is dat veel wijsheden in de vorm van een mop worden verkocht, ogenschijnlijk onnozel. Nee nee, gij daar kluchtigaard op de tiende rij, ik heb het niet over ‘Het is groen en het klimt zonder handen naar beneden.’  Drink maar uw limonade op. 


    02-10-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.193: Onder de zon

    ONDER DE ZON

    Het vuur, het wiel, de trap, penicilline, laser, de chip, de boekdrukkunst, de camera: je vraagt je af welke belangwekkende uitvindingen, ontdekkingen of vondsten nog gedaan kunnen worden. Soms kan er alleen nog maar verbeterd worden. Het is zoals een boek van Jules Verne: geen sciencefiction, maar een verbetering van reeds bestaande technieken. Voorbeeld. Tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog werden duikboten gebruikt. Maar die lekten. Dat is erg voor die dingen. Verne las dat bericht in een krant. Hij dacht na over het probleem, schreef een boek en bracht op papier verbeteringen aan voor de onderzeeër. Latere toepassing ervan ‘in het echt’ bleek uitvoerbaar en succesvol. Zo zie je maar: schrijvers helpen de wereld vooruit, zelfs onder water. ‘Nieuwe dingen’ betekent ook ‘nieuwe woorden’. Voorbeelden uit de 20e eeuw: aids, epo, asiel, ozongat. Hoera voor de Dappere Nieuwe Wereld. Nog een uitvinding van de 20e eeuw: Michael Jackson. Hij verschoot af en toe van kleur en sommige van zijn lichaamsdelen lieten los. Maar het megadom heeft hij uitgevonden. Hij vond ook zichzelf uit. Wat moet er verder nog uitgevonden worden? Een pil tegen BV’s. Een tv die alleen maar uit kan. Een oorlog waarbij iedereen gespaard wordt. Een geluidsdemper voor op de aardbol. Eetbare kleren. Eigen liedjesteksten voor Nicole en Hugo. Er is nog veel te doen. Komaan, aan het werk. Maar geen uitsloverij. Hef geen belastingen op goudvissen. Schaf feestdagen niet af. Schrijf geen boeken die uit de rekken liggen. Draag geen strikjes. Hef wel belastingen op karaoke, playback, piepschuim en moppen en hun tappers. Er is immers niets nieuws onder de zon. Zo daar al sprake van is.


    18-09-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.192: Besparen
    BSPRN

    N Tns (Nrd-Frk) hbbn z mr dr klnkrs. N ht Ndrlnds hbbn w r vf. Gnlk hb j d nt ns ndg. Ls mr ns d dvrtnts n d krnt. Mn zkt. vrw, wt j wl. Ls j r tch ng n prblm m hbt: vrvng vrl dr n e. D kmt ht mst vr. N tdn vn cnmsch crss bsprn w ds k p lttrs. Vndt . nt dt ht r lk tzt?

    02-09-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.191: De goede man

    DE GOEDE MAN

    Nog drie maanden slapen en het is weer zover. Dan komt de goede man. Wij hebben al zomerklaaskoeken gegeten. Een schande is het. Toen ik nog een uk was, rookte mijn pa Almos. Later werden dat andere merken. We wisten maar al te goed waar hij zijn voorraad verstopte. Ma dacht dus dat hij veel rookte. Het gebeurde wel vaker dat hij in het donker nog om een pakje holde, naar zo’n gezellig winkeltje uit oude tijden. Het rook er altijd naar zaterdag. Je kon er alles krijgen. Ik heb er eens mijn broer met zijn kont in een emmer haring geduwd. Elk jaar op één welgemikte decemberavond mochten we mee op stap om een pakje sigaretten te kopen. De wandeling heen en terug duurde een halfuur. Het was 5 december. Toen we weer thuiskwamen, mijn pa gehuld in verse Almos-wolkjes, was een andere goede man hem voor geweest. De Sint was gepasseerd! We hadden hem niet gezien. Toch woonden we in een doodlopende straat. De spoorboom aan het einde was al enkele jaren definitief neergelaten. De heilige man had bij ons wat speelgoed gedropt. Zo moesten we nooit wachten tot 6 december: vaak een ellendige schooldag waar Pieten op deuren bonkten en meesters vraagstukken opgaven met picknicken erin. (‘Jan heeft 10 picknicken. An 7. Als Jan er 6 opeet en An 2, hebben ze samenveel pret’). Elk jaar echter was ik sterk ontgoocheld in de Sint. Want ik hoopte altijd op een echt berenvel. Het stond lange jaren bovenaan op mijn verlanglijstje. Ik wou een heus berenvel om me in te vermommen en de mensen de stuipen op het lijf te jagen. Nooit kreeg ik het. In de derde kleuterklas had ik al sterke vermoedens omtrent de identiteit van de goede man. Hij rook namelijk naar Almos-sigaretten. Samen met mijn vriend Pol-zaliger deelde ik die vermoedens. Diens Sint rook naar Zemir, ook een merk van toen. De juf had dat door en parkeerde ons op 6 december in een bank vlak bij de deur. ‘Niet te hard schrikken als er hard gebonsd wordt hé. Je weet wel wie er dan komt hé … Maar: mondje dicht, hé!’  We knikten ijverig. Maar op 6 december wipten we net als alle andere babyboomers geschrokken op, toen er knoerthard op de deur gebonsd werd en een regen van picknicken over de kortgeknipte koppen scheerde. Pol en ik keken ondertussen door de baard van de goede man heen: herkenden we één van onze vaders? Buren? Meesters van de grote school? En wat betekende dat gedoe met die vier Pieten? ‘Hulppieten,’  legde de juf uit, na het gewelddadige Sint-bezoek aan onze klas. ‘De goede man wordt oud en kan niet alles zelf meer doen.’  Ze keek Pol en ik staalhard in de ogen. Het leven ging later door. Ik kreeg nooit een berenvel en Pol stierf jong. En mijn pa stopte met roken. Ik ook.


    15-08-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.190: Van die dagen

    VAN DIE DAGEN

    Soms heb je van die dagen. De duivel is ermee gemoeid, zoals ze zeggen. Je let de hele dag onbewust maar koppig op alle nummerplaten die in je vizier verschijnen. ’s Ochtends nestelt er zich een al net zo koppig meezingertje in je hoofd en dat blijft daar zitten voor de rest van de dag. Niks lukt en alles valt zelfs tegen. Er hangt overal een waas voor, waar je niet doorheen geraakt met je zintuigen. Mensen nemen voortdurend aanstoot aan je en aan alles wat je doet. Het kan ook een stralende dag zijn met ononderbroken stom geluk. Om de haverklap kom je mensen tegen die je al lang niet meer ontmoette. Je koopt de hele santenboetiek van lottobiljetten, maar je wint natuurlijk € 2,50. Je moet drie keer terug naar het warenhuis (twee keer voor de middag, een keer na de middag), want ze hebben zich echt wel vergist hoor, telkens opnieuw. Er ontstaat ruzie aan de kassa met een andere ongeduldige klant achter je. Tot je oneindig afgrijzen staat er een papegaai op de rug van haar jeans. Thuis rinkelen de telefoons alsof het de laatste dag van je leven betrof. De dag kan ook passeren zonder ook maar één luttel telefoontje, zelfs geen per vergissing, zelfs niet eentje met dat langverwachte stellig beloofde bericht. Je wacht en wacht en de huisarts komt pas tegen de avond nadat je eerst doodziek bent geweest en vervolgens weer kerngezond bent geworden. De postbode belt aan, maar je vergat de voorraad toiletpapier aan te vullen en dus moet je blijven waar je bent. De dag daarna belt hij weer aan: taks wegens porttekort. Je hebt vandaag al alles laten vallen wat je vastpakte. Hoe komt dat toch. Diezelfde gekke naam spookt zonder reden de godganse dag onder je schedelpan en je weet godgenageld niet waarom. Je gebruikt zelfs die naam of dat woord om ritmisch je voetstappen mee te begeleiden. Ja, van die dagen … waarop de hele dag lang iets in je hoofd dansen blijft, of weergalmen, en het wil er maar niet uit. Het zijn ook meestal van die dagen waarop je de lotto niet wint. Hoe hard je ook overal naartoe rent, hoe begripvol je je ook voordoet, hoe schalks de zon ook over de daken spettert, hoe heerlijk ook de Vlaamse regen in je gezicht kletst. Termijndenken noch domweg duiken helpen. Allemaal mierengewriemel, constateer je aan het eind van zo’n dag. En dan pesten ze je nog wat met een schrikkeljaar, een zomer- en een winteruur. En je moet weer die parade van dwaze koppen op de televisie ondergaan. En de krant herhaalt nog eens die dwazekoppenparade. Ja, je hebt van die dagen waarop je luid gillend of hikkend van het lachen onder de wol wil duiken.


    26-07-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.189: Zwarte zwaan

    DE ZWARTE ZWAAN

    Een hevig, leuk, origineel boek gelezen, verschenen bij uitgeverij Nieuwezijds (via Epo Berchem). Geen verhaaltje. Veel beter. De Zwarte Zwaan: de impact van het hoogst onwaarschijnlijke. Schrijver: Nassim Taleb, ex-beurshandelaar en professor onzekerheidskunde plus sceptisch empiricus. Een zwarte zwaan is onvoorspelbaar, heeft een grote invloed en achteraf proberen we die aannemelijk te maken. Of … we denken ze voorspeld te hebben. Het kan ook iets zijn wat tegen alle verwachtingen in niet gebeurt. Bekende voorbeelden: Harry Potter, 11 september, laserstralen, het internet, de lotto. Het enige voorspelbare is het onvoorspelbare. Hoe weten we wat we weten? Thema van dit boeiende non-fictieboek: onze blindheid t.o.v. toevallige variatie en grote afwijkingen. Initiatieven om dingen te voorkomen, worden nauwelijks beloond. Nochtans is voorkomen beter dan genezen. Zichtbare daden worden wel beloond. Wil je iemand goed leren kennen? Doe dat dan wanneer hij zwaar beproefd wordt. Je krijgt nl. geen inzicht in gezondheid zonder acht te slaan op ziekte of epidemieën. Het normale is vaak irrelevant. Probabilist Taleb heeft het over de hoogst onwaarschijnlijke maar ingrijpende gebeurtenis op alle fronten en in alle geledingen van de maatschappij. Gevallen uit het verleden die je eigen theorie moeten ondersteunen, vindt hij geen bewijzen zijn. Zijn voorbeelden zijn indrukwekkend leuk. Ik geef er eentje: de kalkoen. De kalkoen kent een hoogtepunt qua gevoel van veiligheid en welbevinden na vele dagen van intense voedertijden door een verzorgende mensenhand. Het vertrouwen groeit echter zienderogen naarmate ook het gevaar groter wordt, en grootst: vlak voor Thanksgiving – zijn doodsdag. Een totaal onverwachte gebeurtenis trekt dan abrupt een streep onder een leven van welbevinden, hem gegund door dezelfde hand die hem zal slachten. Dit boek gaat veel verder dan leuke voorbeelden. Nee, witte zwanen bevestigen niet dat zwarte zwanen niet bestaan. We worden beetgenomen door het onverwachte. Lees hoe Taleb daarover denkt en hoe die professor onzekerheidskunde daarmee omgaat.


    07-07-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.188: Questionnaire

    Questionnaire

    Kan het schuimen van gebladerte vergeleken worden met het ruisen van de zee?

    Is een wapperende bliksemserpentine de voorbode van carnaval in het walhalla?

    Doen we de donder na omdat we bang zijn in het donker?

    Valt er in een spikkelwoud van duizend blaren en miljarden flarden nog een vleermuis te ontdekken?

    Doet de regenboog je nooit vermoeden dat er nog onontdekte windstreken moeten zijn?

    Als de vollemaan van kaas gemaakt is, hoeveel sterren geef je dan aan haar firmament?

    Zouden bomen eens van plaats verwisselen zonder dat we er erg in hebben?

    Herhaalt de boomkruin ook de wortel en herhaalt de wortel ook de boomkruin?

    Waarom trekt een heksenkring zich van de vierkante meetkunde geen lor aan?

    Heeft de tijd dan werkelijk de laatste vogel uitgestippeld?

    Kunnen bomen zichzelf schorsen en in der eeuwigheid verdwijnen?

    Is dat een eenhoorn daar?

    Noteer je elke bladscène gefilterd door het inzicht van het licht of gooi je overvloedigheid te grabbel?

    Veranderen de hemelwatervallen iets aan gedane zaken?

    Moet regen niet een meervoud zijn zoals Vlaanderen en kinderen?

    Valt aan de duizendbladerboom een toeval af te lezen?

    Is de wirwar van de runen en de röntgen een geval van logica?

    Sneeuwt het spikkels licht en vuur en vlucht daar een takkewijf de struiken in?

    Kunnen verloren voorwerpen verdriet hebben?

    Hebben geur en reuk een zeker gewicht?


    08-06-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.187: Say cheese

    SAY CHEESE

    Heeft u er kaas van gegeten? Dan bent u een van de gelukkigen. Kom en volg mij op een kort kaasje-uit. Het lelijkste cliché over kaas: hoe meer kaas, hoe meer gaten, hoe minder kaas. O Afgod van Alle Kazen: straf de pseudofilosofische pummel die dit ooit lanceerde. Kaas is heilig. De patroonheilige van alle vaste kazen en smeerkazen is Willem Elsschot. Hij schreef een bekend boek met het heerlijke vierletterwoord als titel. Kaas is België. Kaas is Holland. Kaas is Frankrijk. Kaas is Engeland. Passendale. Gouda. Camembert. Stilton. De namen alleen al zijn mondverwennertjes. Een van mijn prilste jeugdherinneringen betreft een lachende koe. Tevens was het mijn eerste Frans: la vache qui rit. Een hele mondvol. Iets later leerde ik Herve kennen. De stinkerskazen droegen ook onmiddellijk mijn voorkeur weg. Dat was mijn eerste aardrijkskundeles. De stap van de kazen naar andere heerlijkheden zoals mosterd en wijn was daarna vlug gezet. Om de haverklap moest ik ook cheese zeggen … voor op de foto. Zelfs de feestelijkheden hadden dus altijd iets met kaas te zien. Een prangende vraag die altijd zal blijven hangen: is de maan van kaas gemaakt? Als dat zo is, doe mij dan maar een hele bol. Vollemaan graag. Ik ben immers een volbloed kaaskop. En ik weet ook waar Abraham de mosterd haalt.


    21-05-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.186: Loteling

    DE MENS EEN LOTELING 

    Om me heen kijkend, voelend, luisterend, proevend en ruikend detecteer ik onophoudelijk elementen die me noodlottig kunnen worden. Een barst in een muur, een loszittende dakpan, een verdwaalde kogel, een uitdijende cel, een gasgeurtje, een getal te weinig, een duimbreed te kort, een visgraat, een luchtbel, een cijfer te veel … kunnen de klakkeloze dommekrachten vormen waarvan het noodlot zich bedient. Het noodlot zit ‘m in het detail, maar het noodlot doordrenkt ook tijden en ruimten. Daarenboven kan de ene mens voor de andere noodlottig zijn, terwijl dat dan net voor eerstgenoemde diens geluk kan betekenen. Voorwaar: de mens is een loteling, overal en altijd.

    Opdat niet alles tegelijk zou gebeuren, vonden we de notie tijd uit. Enige orde op zaken, gemakshalve chronologisch, was meer des mensen dan van nature.

    Adempauze.

    Ook het element ruimte kreeg in de loop van de (chronologische) geschiedenis een aantal facelifts. Enige bewegingsvrijheid drong zich op, al zouden territoriumgedrag en grensgevallen zich al heel vlug voordoen.

    Ademruimte.

    Tijd genereert leeftijd, zegge en schrijve: ouderdom. Lot dat we niet in de hand hebben. Het is onmogelijk vele jaren aan het leven toe te voegen (een ouderdom van 150 mensenjaren zal de grens zijn), het is alleen de kunst leven aan de menselijke jaren toe te voegen. Een ader gaat net zolang mee tot het vege lijf er genoeg van heeft.

    Ruimte creëert afstand annex de noodzaak aan snelheid. Noodlot dat we evenmin beheersen. We hebben de techniek op dat vlak niet voldoende in de hand. Het begrip risico komt hier veel vaker onverwacht uit de bocht. Het wiel en de trap zijn geëscaleerd.

    Het (nood)lot is onbeheersbaar én maakt deel uit van het leven, dat tot nader order van dat lot gelijkmoedig of gelukkig kan verlopen. Pas na het toeslaan van dat noodlot, beseffen we dat we in een gewoonheid vertoefden die ons onbewust gelukzalig maakte. ‘Een mens is goed omdat hij niet slecht is,’ verzuchtte Oblomow ooit, horizontaal gelegen. Parafraserend zouden we kunnen stellen: een mens kent geluk pas bij niet-geluk.

    Levert het ruimtelijke noodlot anderzijds iets op? Nou, ballingschap verschafte wel eens nieuwe inzichten. De nomadische mens werd er niet dommer op. Maar je zult maar ter aarde geworfen worden in een sloppenwijk of als elfde koter in een mijnwerkerswoninkje in de Borinage.

    Levert het tijdelijke noodlot anderzijds iets op? Tja, bent u geboren en getogen op een interessante tijdsscharnier? Maakte u bewust het meest bepalende decennium van uw eeuw mee? Bent u loopgraafsoldaat uit De Groote Oorlog, cocktaildrinker uit de roaring twenties of stond u eind jaren zestig op de barricades in Parijs? Bent u als schrikkelkind pas om de vier jaar eens jarig?

    Noodlot, lot, voorbeschikking. In sommige gevallen genereerde het lot van één iemand geluk en voldoening voor vele anderen. In andere gevallen deden zich bijna schilderachtige, alleszins romantische gevallen van voorafbeelding voor.

    Shelley stierf eenzaam in een woest tempeest. Tolstoj gaf net als zijn Anna Karenina de geest op een spoorwegstation. Rilke zou overleden zijn aan de gevolgen van een doornprik van een rozenstruik. Virginia Woolf koos het water als eindbestemming, met stenen in de zakken en bezwaard gemoed: het geluid van water is de basstoon in haar teksten. Esopus had een bochel en werd de vader van het fabeldicht. Homerus was blind en schiep een formidabele wereld. Erasmus leed aan jicht en bleef noodgedwongen binnenskamers voor zijn Lof der Zotheid. Ronsard was doof en werd de recordhouder van de welluidendheid in de Franse bellettrie. Andersen was aartslelijk, wou het theaterpodium op, maar schreef uiteindelijk sprookjes. En, last but not least: Montaigne trok zich op 37-jarige leeftijd met een ernstige nierkwaal in zijn torenkamer terug om een ‘zelfportret’ te schrijven. (Misschien ook uit ontgoocheling over de wereld en in een poging zichzelf in die wereld te definiëren? Immers: La plupart des occasions des troubles du monde sont grammairiennes.) Hij werd de aartsvader van alle ‘probeersels’. Anders gezegd: essays.

    Eeuwen later zou Anton van Duinkerken schrijven: ‘Zo is de mens gebouwd, dat zijn ellendige gebreken dikwijls de voorwaarden worden tot zijn schitterendste heerlijkheid.’  Wij voegen daaraan toe: … voor de anderen. Is het immers niet dankzij de Ballade van Arie Hop (John O’Mill) dat duizenden Hollandse kindjes van de vreselijke nagelbijtdood zijn gered?
    'Aanhoort het noodlot, fel en wreed/ van een kind dat op zijn nagels beet.’

    Een speling van dat lot mag allicht worden begrepen als een gebrek aan bevattings- en incasseringsvermogen bij de mens. Het woord speling vertolkt ons onbegrip en onze onmacht ten opzichte van voldongenheid … en van de willekeur van deze voldongenheid. Het degradeert het lot tot iets grilligs. Ook de natuur kent haar door de mens toegedichte speling – dan ontpopt ze zich in noodlottige gedaantes: ziektes en natuurrampen zijn misschien de twee sterkste dommekrachten waarvan het noodlot zich bedient. Desgevallend of desgewenst kan Lot dan met een hoofdletter worden geschreven, rijmend op of met God. Dat hoofdletterlot zal een fatale bliksem niet toeschrijven aan een botsing tussen overspannen wolken, maar aan een boze God die met zijn lastoestel de gaten in de ozonlaag weer dicht probeert te schroeien. We zorgen er wel voor dat er ons altijd iets boven het hoofd hangt.

    Maar er zijn dus pogingen. Lotelingen hopen altijd op het goede getal, op geluk. Het is verslavend. De ruimtevaart probeert aan het lot van de zwaartekracht te ontsnappen. (Vallen, epilepsie zijn zo werelds). Scalpel en medicijnen proberen lotgevallen te bezweren die haaks staan op de menselijke conditie van gezondheid. (Epidemieën zijn zo des werelds). God met een hoofdletter wordt aangeroepen wanneer de rede radeloos wordt ten opzichte van onmenselijke machten. (Goden zijn nochtans jaloers op stervelingen).

    Kan men zich dan wapenen met zoiets als vrije wil? De vrije wil van de mens bestaat misschien alleen hierin dat we zaken kunnen toeschrijven aan het (nood)lot, en aan spelingen daarvan. De vrije wil is zo breeddenkend te aanvaarden dat we niet alles in de hand hebben. De vrije wil is ontroerend menselijk, en flaneert, soms pretentieus en opzichtelijk, soms tolerant en bescheiden, op de catwalks van pessimisme en optimisme. Maar eigenlijk bewandelt de vrije wil een derde circuit. De vrije wil meent namelijk rekening te houden met alle seizoenen in één keer. De vrije wil weet: Versace stippelt die bepaalde lijn uit, omdat de mode wil dat het weer lente wordt. De vrije wil weet ook: nooit zal een enkele boom, een enkel blad rekening houden met Versace.

    Alleen enkele voortekenen behoeden ons ietwat voor voldongenheden. Dieren zwijgen stil bij naderend onweer. Sterren, de vlucht van de vogels en wind schijnen gelezen te kunnen worden. Een knipoog, een vlinderslag, een fluitsignaal, een bel, een profetie, een getal, een gebaar kunnen bepalend zijn. En een oud spreekwoord bij de Toearegs zegt:
    Als de weg bochten begint te maken, is de koning oud geworden.

    Het noodlot toegeven, bezweren of negeren? Het is mijn lot dat ik niet zeker weet of er zoiets als noodlot bestaat. Stel dat noodlot zin heeft, en bestaansrecht, dan moet er een ander woord voor worden bedacht. Het blijft essayeren.

    Daarom, toegegeven, voorwaar: de mens is een loteling. Van alle niet-geborenen is hij ooit de uitverkorene geweest om als loteling te leven. De vrouw als niet-man; de man als niet-vrouw. Hij (m/v) is de gelukzak bij uitstek. Zijn geboorteschreeuw is er een van angst, verbazing en geluk. Zijn getalletje wordt getrokken en zijn lotgevallen kunnen een aanvang nemen. De stomme gelukzak.


    27-04-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.185: Een zwaluw

    EEN ZWALUW

    Plotseling is de zon daar, als een onverwachte klapzoen midden de gezichten van verraste mensen. Een of andere welgezinde weergodin gooit met grote plassen zonlicht. Op het weerbulletin prediken weervrouwtjes ‘een mooie, zachte dag met wolkenslierten’. België is nochtans zo klein, dat je er onmogelijk het weer kunt voorspellen. Als er bijvoorbeeld een helikopter overvliegt, krijg je onmiddellijk zonsverduistering. Zon op je huid: dat is lang geleden. Een lichtbad van warmte, zonder nat te worden: weelde. Alles ontwaakt uit een winterslaap met natte dromen. De scheidingslijn in het haar van de premier glimt in de zon. Prettig storende vliegtuigjes ronken in het blauwe zwerk. Koetjes dartelen hormonaal in de weiden van Vlaanderen. Duistere zaken worden zonneklaar. Een nieuwe lente, een nieuwe buit. Hopelijk krijgen we geen kiespijn dit jaar. Politici die in hondendrollen trappen omdat ze niet goed uitkijken waar ze lopen, namelijk naast hun schoenen. Ondertussen moet het maar eens hevig mooi weer worden. Ik heb al op de A17 met mijn inktzwarte Saab om ter rapst gereden met een zwaluw. Die is er dus ook al. Hij vloog wel nog in de pechstrook. Ik zocht ook weer naar dat wilde bermkieken ergens op de Ring rond Kortrijk, maar ’t is foetsie. Het bereidt waarschijnlijk zijn verkiezingscampagne voor. Het ambieert misschien een plaats in de pikorde van de Kamer, het kakelnest bij uitstek. Genoeg over pluimvee. Terug naar de lente. Morgen kan het weer grijs zijn. Er kan regen vallen, maar die blijft niet liggen. Kijk uit voor tegenliggende laagscherende zwaluwen en mensen met dubbele kinnen die u met ‘burger’ aanspreken. Je weet nooit wat ze echt bedoelen: hamburger, cheeseburger of Habsburger? En doe ook niet open voor vreemd volk op zondagnoen. Het zijn weer de Hormonen. Ze komen u melden dat u niet genoeg gelooft. ‘Wij brengen u God’, zullen zij zeggen. Antwoord dan: ‘We hebben er al een. Zet deze maar bij de garagepoort.’  En gij zult u weer terugtrekken en een fles wijn ontkurken, want daar is de lente.


    14-04-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.184: Grijs

    GRIJS

    Ik doe al vele jaren dapper mee aan de vergrijzing. Niet van de bewolking, maar van de bevolking. Ik vorm een groot probleem voor dit land en zijn regering. België had enkele jaren geleden de bestraffende vinger van Europa nodig om op zijn allergrootste intern probleem gewezen te worden: jawel, diezelfde vergrijzing. We hebben met z’n allen veel te gezond geleefd tot nu toe. Stop dus dat joggen maar, en stop met stoppen met roken. We vormen een steeds groter wordende groep kerngezonde grijsaards. België wordt een land van dinosaurussen. België wordt een betrokken, grijs land. Daarom is het verwonderlijk dat wij tegelijkertijd voor een stuk al buitenspel worden gezet, op diverse terreinen. De meeste Belgen die de touwtjes in handen hebben, die drukke dertigers en veertigers dus, begaan vaak vreselijke vergissingen. Daardoor lopen ze geld mis, en stemmen, en volk, veel volk. De politiek, reclame, cultuur en ander fraais richten zich bijna uitsluitend tot jongeren. Als het niet jong en sexy kan, telt het niet meer mee. Er zijn zelfs ministers door gesneuveld, een decennium geleden. Enkele 45-plussers werden toen opzij geschoven. En de regering maar verkondigen dat er langer gewerkt moet worden! Een typisch Belgisch schoolvoorbeeld. En dan maar janken dat de burger geen hoge pet opheeft van de politiek en zijn predikers. Kijk om je heen: hoeveel van de affiches die je overal ziet appelleren aan vijftigplussers? De grijze massa wordt constant gediscrimineerd. Men zal daar wat werk van maken, heb ik gehoord. Jonge ouderen en oude jongeren moeten bij sollicitaties ook hun kansen hebben. Er is wel een jonge kerel die met zijn boek over internetgebruik voor senioren dat slim bekeken heeft. Hij scoorde een bestseller. Voor de rest bestaat dit apenland aan de Noordzee vooral uit bête tv-toestanden met kakelende actricekippen en kwijlende mannetjespapegaaien. Er stijgt soms ook hoerageroep op omdat de jonge dochter van een coureur een kind koopt. Alles moet piepkuiken en sexy zijn. Wacht maar tot de teeveedelletjes van deze wereld zelf gerimpeld en tandeloos zijn. Ook Inge Vervotte nadert ondertussen de tachtig. Slotnoot: ik heb niet beweerd dat grijs lelijk is. Wat is interessanter dan een massa grijze cellen? Wat is mooier dan een muisgrijs, loodgrijs, olifantengrijs uitspansel doorkliefd met prachtige knalgele bliksemserpentines en begeleid door hevig gedonder?


    29-03-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.183: Claus

    CLAUS

    Ondanks vrij eenvoudig klinkende titels (Het mes, Het verdriet van België, De geruchten, De zwaardvis, … ) is de naam van de schrijver bekender dan zijn oeuvre: Hugo Claus. Weinigen verwarren hem nog met Claes, ook een schrijver. Ongetwijfeld heeft dat te maken met extraliteraire zaken zoals privéleven, boude uitspraken of andere toestanden. Claus hoedde zich voor uitgesproken opinies over collega-schrijvers. Hij keek wel uit. Maar op geregelde tijdstippen was hij wel in het nieuws met rake en goed voorbereide quotes over Jan en alleman, de Vlaming pakweg, de kleine mens, de puber, de priester, de schoolmeester en Vlaanderen. Ik las altijd heel graag zijn poëzie en zijn korte verhalen. De Vlaamse schrijfstijl in zijn proza viel wel te pruimen. De Oostakkerse Gedichten hebben me meest aangesproken. En verhalen als Het mes … ik ken dat nog vrijwel vanbuiten.
    Voor de rest van wat veelkunner Claus uitspookte, had ik minder belangstelling. Zogenaamde dubbeltalenten wantrouw ik. Eerder hoor ik dan de kassa rinkelen. Respect voor Het verdriet, jazeker, maar die symbolische dikte hoefde niet. Van de competitie tussen Hermans en Mulisch en Claus voor het dikste boek waren de lezers het slachtoffer. Hoeveel keer werd immers niet verzucht: ‘Ik raak er niet door’ ?! En De Leeuw van Vlaanderen … over dat bloedstollende epos zullen we het maar niet hebben. De Grote Schrijver die hij was, moet bovenal in vrede kunnen rusten. Hij heeft zelf om die vrede verzocht. Op de vooravond van de literaire lente in Vlaanderen. Er zullen talloze gedichten ontstaan ter gelegenheid van zijn dood. Zelf heeft hij talloze keren bewezen daarin een meester te zijn.
    A propos: alweer een West-Vlaming. Al werd hij daar niet echt graag aan herinnerd. Hoe dan ook: Vlaanderen is een van zijn goden kwijt. En Kortrijk kwijlt een beetje. Eigen schuld, dikke bult. Het heeft nooit erg veel om zijn auteurs gegeven. En ach, troost voor Darlingen (dixit Conscience, ook een ad-interim-'Kortrijkzaan'): wat je zegt, ben je zelf. Wat zegt Claus over Kortrijk, de stad waar hij tot tweemaal toe het ereburgerschap van weigerde? En welke Hasseltse ex-Deerlijkse dichter aapt dat bij tijd en wijle ijverig na? Nog een troost: Tom Lanoye is Kortrijks BV, Bekendste Vuilniszak. TL mocht ooit een gedicht op de stedelijke vuilniszakken laten zetten. Dat hebben we alvast. Met dank aan een vorige schepen.


    17-03-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.182: Liefhebber

    LIEFHEBBER

    Luister eens goed, maar je moet niks opschrijven. Van kleinsnood af heb ik iets gehad met taal. Het overmande me soms als een kaakslag bij heldere hemel: hoe een woord in de gluren werd gelegd, of klonk als een klepel die verkeerd hing. Je kunt nu zeggen: de bal ligt weer bij de kampen van de beste stuurlui. Niets is echter minder klaar. Ik kan met mijn hart op mijn hoofd getuigen dat ik qua taal van kanten weet. Hierbij echter wel een paal en perk: het gaat hem moederziel alleen om het Nederlands, geen eh … vreemdtalige moedertalen. Anders krijg ik het spek aan mijn bek en heb ik het aan mijn benen. Ik ben namelijk geen wolf in schaapskleren. Van getallen en cijfers hou ik ook. Kan er daar humor in zitten? Welja, in reeksen. Men vraagt je bijvoorbeeld een cijferreeks aan te vullen om op je banking-site te geraken. Dan staat daar: 0801 1081. En dan denk je: de afgod van de getallen neemt me ofwel in het ootje, ofwel heeft hij een dagje vol plezier voor zichzelf gepland, ofwel zal er me iets lotto-achtigs overkomen. Af en toe moet ik lachen om en met getallen. Ik vind ze grappig. De humor heeft niets met hun klank of hoeveelheid of uiterlijk te maken, maar wel met de manier(en) waarop ze soms reeksgewijs verschijnen. 5545: dat is toch om te lachen? 9339: hilarisch, toch? 07-07-07 daarentegen is niet om te lachen. Waarom? Omdat dit een verjaardag van iemand is. Een gedenkdag, dus. Zeg maar: doemdag. Daar lach je niet mee. Daar drink je op. Om te vergeten. Of om nooit meer te vergeten, zoals Nine/Eleven. De Oude Grieken waren zelfs bang voor een getal: nul. In hun pincodes kwam die nooit voor. Sommigen vermoordden elkaar voor niets …


    01-03-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.181: Monumenten

    MONUMENTEN

    Condoleezza Rice, de gekleurde ministeres van Buitenlandse Zaken in de administratie Bush II, heeft een aardig staketsel van ravenzwart haar op haar hoofd. Je kunt er uren naar kijken. Vooral met verbijstering. Hoe dat nektapijtje zo vrolijk opkrult, als om haar te beschermen tegen een kogelregen of een plotse tornado! In de categorie Gebeeldhouwde Haardrachten komt ze op nummer twee te staan. Nummer een is nog altijd onze oud-koningin Fabiola. Zij torst ook een monumentale haardracht, waar soms eens een verdwaalde vogel in landt op zoek naar nestwarmte. Waarom denkt u heeft koning Albert in bevenden lijve altijd zoveel plezier als hij op teevee komt met de oude koningin? Juist: hij heeft ze weer zien vliegen. En die pretoogjes van president Bush dan als Rice in de omgeving is? Die spreken ook boekdelen. Ook hij wordt voortdurend afgeleid. Hij ziet de humor van dat haar in. Die jonge wereldkoningin kan inmiddels aan onze oude landkoningin zien hoe het zal zijn als je met strak gebeiteld haar ouder wordt. Dappere vergrijzing. Maar iets anders nu. Ik vraag u, voorwaar: gaat een reiger met krukken? Wordt een kraai grijs? Doet een poolvos aan pensioensparen? Bekommert de aalscholver zich om zijn pluimen? Nee? Goed. Op een bepaalde leeftijd, ouderdom, stappen die eruit. Dan moet ook de mens het recht hebben een bos op te zoeken of een eenzame rots om daar achter te blijven en naar zijn eeuwige jachtvelden te trekken. Wie dat wil, zou dat moeten mogen en kunnen. Zoals de oude Fidel Castro. Getooid met zijn mooiste kleren, sieraden en haarbos. Wie dat niet wil: evenmin een probleem. Sommige mensen zijn zo erg in leven dat hun adem hun eigen spiegelbeeld verdonkeremaant. Zij eten bananen en hossen joggend rond, tot ze zichzelf weer tegenkomen omdat de aardbol rond is. Zij lopen zichzelf achterna. Wenst u honderd jaar te worden? Een monumentale honderd jaar, zoals vele van onze nakomelingen dat wellicht zullen kunnen doen? Of zelfs een ietsepietsie meer, dankzij Bulgaarse yoghurt? Ga uw gang. Maar weet dat er grenzen zijn aan de gezondheid. En hou u gedeisd. Tot zover enkele losse maar grofkorrelige gedachten in verband met monumenten. 


    19-02-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.180: Erger

    ERGER

    Gillend de gordijnen in vluchten bij de zoveelste Beroerde Vlaming die in een interview meedeelt: ‘Ik had zoiets van … ‘. Je een kogel door het hoofd jagen bij het lezen van ‘kids’ en ‘krachtige tools’ op banksites. Je de haren uit datzelfde hoofd rukken wanneer je merkt dat een wijsneuzerige boekbespreker al jarenlang ‘wijds’ schrijft en dat nu godverongelukt nog niet afgeleerd heeft. Een dorp uitmoorden als een pedagoochelende blauwkous het over haar ‘mei 68’ heeft. Ze bedoelde ‘mij 68’. IJlings naar een zeer ver land emigreren als Geert Hoste op tv verschijnt. Je Belgische identiteitskaart verscheuren wanneer een beroepsliegende advocaat het heeft over ‘meneer Dutroux’ en ‘meneer Van Themsche’. Nooit meer stemmen bij het ondergaan van de nietszeggende worstenvolzinnetjes van Bart Somers. In alle talen vloeken wanneer dat idiote voetbalnieuws weer het zondagochtendjournaal overwoekert. Iedereen naar de hel wensen omdat het herfst- en winternieuws alleen nog lijkt te bestaan uit Sven Nijs en bomaanslagen. IJs- en vuurtijden! Voor eeuwig ongelukkig zijn bij de confrontatie met die idiote zweethanddoek om de nek van Robbe De Hert en het aanhoren van zijn obligate stopwoordje ‘schat’. Vluchten voor Stefaan De Clerck in alle omstandigheden. Eender welk lidmaatschap opzeggen bij het ontwaren van het pseudo-intellobrilletje diep op de neusbrug van Johan Vermeersch, soort van voorzitter van voetbalgroep Brussels. Het verenigingsleven terstond verlaten als de namen Urbanus, Capiau en Sommers vallen. Zwijgen over dat softe ‘Open’ in Open VLD, het naïeve ‘a’ in SP.a, het pretentieuze & in CD&V, het pompeus klinkende NV-A, het jeugdbewegingsuitroepteken in Groen! en het boksbeugelige in Vlaams Blok/Belang. Erger kan niet meer. Of toch, o ja: cursieve woordjes in een tekst.


    03-02-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.179: Landbouw

    DE LANDBOUW VERMOORD !

    ‘Loop niet te hard van de veestapel, wederhelft,’ sprak de agrarisch deskundige tot de met hem getrouwde. ‘Laten we overschakelen op eenden, schapen, kiekens, desnoods struisvogels en krokodillen. We houden nog één koe in het midden en één zwijn achter de hand.’ ‘Maar ik ben opgegroeid tussen de koeien en de varkens, man,’ wedervoer de vrouwspersoon. ‘Schapen zijn zo … zo … schaapachtig. Om van de rest nog maar te zwijgen.’ ‘Zwijg toch, vrouw,’ repliceerde de landbouwer. ‘Wilt ge misschien dat ik in de bak vlieg? ’t Zit er al vol met mormonen.’ ‘Er bestaat nu een systeem van bij nacht in de bak te zitten en bij klaarlichte dag uw werk te kunnen doen,’ antwoordde de zijne. ‘Ziet ge dat niet zitten, vent?’ ‘Jaja, en gij dan aan de rol zeker met een andere agrarische deskundige, die ook voor koeienbeesten en zwijnen opkomt, ik ken dat!’ ‘Zo hard loop ik niet van de veestapel, dat weet ge toch van mij, boer? Maar ter zake: van struisvogels en krokodillen ken ik niks. Hoe moet dat dan?’ ‘Luistert. We kunnen het kalmer aanpakken en beginnen met puiten en escargots. Slakken en kikkerbillen verkopen goed de laatste jaren.’ ‘En onze grond dan? Onze wijdse akkers en weiden als wiegende zeeën? En waarom, o boer, gaan uw gedachten niet langer naar groensel uit?’ ‘Verkopen, natuurlijk, gij domme koe. En weidse is met een kippenei; waar hebt gij leren spreken, dedju?! En zwijg me van groensel, ‘k heb er de pest aan.’ ‘Slakken en puiten!? Och here God toch!’ roep de landbedrichtster verbouwereerd uit. ‘Maar zijt gij nu helegans betoeterd!?’ In een opwelling sloeg ze de boer de kop in met een zelfgemaakte ijslantaarn, want het was putje winter. Daarna ontdooide ze het moordwapen bij de stoof en hakte de boer in hapklare brokken.


    17-01-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.178: Bijna

    BIJNA

    Ik ben enkele weken verwijderd van mijn zeshonderdste column voor de Krant van West-Vlaanderen. Ik haal dit nu al even aan, omdat ik die dag zelf het daarover niet wil hebben, want dan wordt het een doemdag en ik ben bijgelovig. Die kolom heeft in de loop der jaren verschillende vormen aangenomen. Vroeger heette mijn stukje ‘Deze kant boven’. De laatste jaren prijkt er ‘Cursief’ boven. Een keer kreeg het de kop ‘Stukje’, op mijn verzoek, omdat ik toen schreef zonder de letter R te gebruiken, over mosselen. Ik heb ook diverse begeleidende tekeningen en foto’s van mijn eigen kop meegemaakt. Fraai zicht. Vaak heb ik geprobeerd mijn stukjes op Torhoutse mosterd te doen gelijken. Of ernaar te laten smaken, eerder. Ik schreef overigens ooit een ode aan dat fameuze donkerbruine goedje uit de Houtlandse Sparrenstede. Hij is vrij pikant, hij smaakt lekker zomaar op een boterham en hij veroorzaakt ook aardige vinaigrettes. Als ik ooit moordverhalen publiceer, en die bestaan ondertussen al, zal mijn hoofdpersonage geen duvel drinken, maar mosterd eten. Reacties op mijn stukjes ? Welja. Leuke, bemoedigende, zielenzalvende, olijke, vrolijke. Twee keer een dreigbrief. Een keer een verbaal dreigement in de trein. Twee keer iets wat op een doodsbedreiging leek. Dat heb je wel meer als je ofwel een expliciet standpunt inneemt ofwel parabolische ironie bedrijft. Mijn cursieve ongenoegen over tv-programma’s of BV’s of politici bijvoorbeeld is voor mij altijd een leuke ontspanning geweest, terwijl ik het zoutvaatje ook binnen handbereik van de lezer vermoedde, hoopte en dacht. Zelf hou ik veel van en lees ik graag kort proza: kortverhalen, novelles, cursieve teksten. Vroeger wilden uitgevers dat wel eens bundelen en publiceren. Dat is ook een Angel-Saksische literaire traditie. Nu gebeurt dat bij ons veel minder, tenzij je met je tronie vaak op tv komt. Jammer. Ik las heel graag stukjes van Bomans, Carmiggelt en verhalen van Dickens en D.H. Lawrence. Toen eeuwen geleden De Oude Thorhoutenaar nog bestond (en ook concurrent De Torhoutse Bode), pleegde ik als student daar soms een stukje in over literatuur. En in hun aanvankelijk beroep, in de beginjaren, hadden mijn ouders allebei iets met kranten en drukken te maken, in Torhout en in Gent. De appel valt dus weer niet ver van de stam. 


    02-01-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.177: Onafhankelijkheid

    ONAFHANKELIJKHEID

    Een zonnige maar eerder koude juninamiddag in mijn zeer Engelse tuin, een paar jaar geleden. Niets liet vermoeden dat over enkele ogenblikken mijn leven ondersteboven zou worden gekarnd. Het zou bijvoorbeeld zonde zijn mocht de telefoon rinkelen. Hij rinkelde. Op deze rustige junidag, terwijl de zon als een knalgele eierdooier aan het mariablauwe zwerk dobberde, rinkelde godverongelukt die kleretelefoon. Ik zette mijn bord kaviaar op het marmeren muurtje rond mijn vijver en haastte me naar binnen. Je wist maar nooit wat er in de lucht hing. En zie: andermaal maakte ik een fraai staaltje van vergrijzingsproblematiek mee. Ik schreef al vaker over de stommiteit van diverse instanties, evenementen, initiatiefnemers, etc … om vijftigplussers niet aan te spreken en dus als doelgroep te verwaarlozen. Een grove misrekening, want we zijn met velen, en we worden groter en groter. Nu, luister. ‘Hallo, hier met Mildred van het Onafhankelijk Ziekenfonds. Ik bel u even in verband met … ‘ ‘Goedemiddag Mildred, ik … ‘ ‘Kan ik u even spreken over het Onafhankelijk Ziekenfonds?’ ‘Graag, maar ik heb al … ‘ ‘Het duurt niet lang.’ ‘Maar ik ben niet ziek.’ ‘Echt, even maar.’ ‘Maar ik heb al … ‘ ‘Wij richten ons tot de leeftijden tussen 20 en 50 jaar en … ‘ ‘O, maar … ‘ ‘De voorwaarden moeten in vergelijking met de andere … ‘ ‘Maar ik ben al meer dan 50.’ ‘ … niet onderdoen … ‘ ‘IK BEN 52.’ ‘O … eh … dan is dit niet van toepassing op u, meneer.’ ‘Nee, hé?’ (Jammer dat ze mijn grijns niet kon zien). ‘Toch bedankt, meneer.’ ‘Dag Mildred,’ zei ik. ‘In een volgend leven denk ik aan u en uw Onafhankelijk Ziekenfonds.’ Hoorde ze me nog? Ze zitten dus werkelijk met een probleem. Vergrijzing. Arme midlifers. Ze mogen ons, de mensen met het meeste geld en het grootste verstand, niet meer meerekenen of aanspreken. Wij die al jaren languit liggen te lurken aan de tepels van de consumptiemaatschappij! Wij die smijten met geld! Wij die zelfs verzekerd zijn tegen verzekeringen! Ik hoop dat er nog eens een Mildred belt. Ik zal die dan wijsmaken dat ik 49,5 jaar ben, en ongeneeslijk gezond. Zo gezond, dat ik zelfs geen ziekenfonds heb. Dan zitten ze met een nog groter probleem. A propos: toen ik terug in mijn tuin kwam, had een slokop van een reiger mijn kaviaar uitgelepeld. Ook dat nog.


    22-12-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.176: Zo fout als wat

    ZO FOUT ALS WAT

    (Spaanse griep, Engelse ziekte, Joods kabaal, Tussentaal)

    - Ik heb alles dubbel: los diablos.
    - Dikke pens: fata organa.
    - Moet er nog zand zijn?: sanctus sanctus sablos.
    - Maar vent toch!: juventus!
    - Die vlieger gaat niet op: symballon des ongeloofs.
    - Het Beloofde Land: Jodium.
    - Golgotha: Podium.
    - Een hemelse blik: facelift.
    - Een open doek: boerkalift.
    - Een ezel stoot zich geen tweemaal aan dezelfde steen (maar meestal wel): ano domino.
    - Leven en werken van een kok: curryculum vitae.
    - Geen thermiek, bewolkt, grijs, aanhoudend droog:
    Leterme.
    - Oudheidkundigen: piramidioten.
    - Wollige taal: zinsverduistering
    - België: land uit zicht.


    09-12-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.175: Wei-gevoel

    WEI-GEVOEL

    ‘Bijlange niet,’ sprak het paard in de wei tot mij. ‘Wij trekken ons niks aan van zonsverduisteringen. Wij, dieren, hebben andere katten te geselen.’ ‘Ach zo,’ knikte ik. Meewarig bekeek het paard mijn hond aan de leiband. Elke avond passeerde ik de wei met mijn hond, voor een hygiënische wandeling in de randstedelijke natuur. Soms stond het paard in de wei. ‘Laat jij de hond uit of doet hij dat met jou?’ vroeg het paard dan. ‘Dat is een klassiekertje, hoor,’ antwoordde ik. ‘En als die leiband knapt, loop je dan weg?’ ‘Die is al zo sterk als een paardenteugel. En Pavlov is een huisdier. Hij keert dus altijd terug naar huis, als hij tenminste niet onder een witte volvo of een zwarte saab vermorzeld wordt.’ ‘Pavlov? Gekke naam.’ ‘Dat was ooit een Russische minister van financiën.’ ‘O ja, dat zal wel.’ ‘Heb jij ook een naam?’ vroeg ik aan het paard. ‘Odysseus,’ zei het beest. ‘Dat was de bedenker van het paard van Troje, weet je nog wel.’ ‘Jaja. Mooie truc was dat.’ Odysseus knikte even naar mijn kleine mormel. ‘Zo’n hondenleven zou ik bijlange niet willen leiden.’ ‘Je kiest daar niet voor, hé,’ merkte ik wijs op. ‘Hangt af van je vorige leven,’ mompelde hij. ‘Kan dat ding praten?’ ‘Alleen waf-mailen en kwispelen.’ ‘Kennen we. Hoe kleiner, hoe dommer, hoe talrijker. Laat hem niet in mijn wei komen. Hij zal naar mijn benen happen. En die zijn edel.’ ‘Ik heb alles stevig in de hand, Odysseus.’ ‘Nog enig nieuws in de grote stad?’ ‘De tomaten worden binnenkort weer een mep duurder. En de benzine.’ ‘Mij een zorg. Waar is de tijd van de paardentram. Ach, die slechte, oude tijd.’ ‘Heb je nog een beroep of ben je op rust?’ vroeg ik. Odysseus haalde enkele schouders op en rilde om de vliegen van zijn rug weg te jagen. ‘Meer dan een stoet of een optocht zit er niet meer in. De benen willen niet zo goed meer mee. Enkele kennissen van mij krijgen wel weer politie op hun rug.’ ‘Pavlov voert de hele dag geen klap uit.’ ‘Ze maken ze niet meer zoals vroeger, hé.’ ‘Ik vraag me af wat de toekomst brengt.’ ‘Ik niet. Als ze me verhakselen tot hondenvoer, dan keer ik in een ander leven terug als doctor in de wiskunde. Ik kan al tellen. Moet ik eens … ?’ Odysseus hief al een rechterbeen op. ‘Neenee … ‘ haastte ik me te zeggen. ‘Ik moet er weer eens vandoor.’ ‘Nou dan,’ zei het paard gekrenkt. ‘Op zes poten ben je vlug weer thuis. Hé, kijk: je mormel is in slaap gevallen.’ ‘Ik geloof het ook,’ zei ik, en ik snokte even aan de leiband. ‘Héla!’ riep Pavlov plotseling. ‘Een beetje ruftig hé! Pretenfieuve paardenkop die je bent! Morgen nemen we een andere route. Ik verveel me hier altijd ftierlijk. Oké, baaf?’ Ik knikte verrast. Het was de eerste keer dat ik hoorde dat Pavlov een spraakgebrek had. ‘Ik ben van de hond Gods geslagen!’ riep het paard ons nog na.


    25-11-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.174: Merk

    MERK

    Mijn oog viel op het botervlootje Planta en ik sloeg aan het denken over merknamen vroeger en nu. Wat bestaat er nog? Wat is verdwenen? Solo, Planta, Coca Cola, Kwatta, Zemir, Dixan, Almos, Sprint, Dash (jarig!), Persil, Lamot, M&M, Donko, Miele, Côte d’or, Fanta … Overleven de tweelettergrepige merknamen met ietwat van een rijmeffect het langst? Om ze langer te doen onthouden, zoals de eindwoorden in Vlaamse schlagers? Waar halen de bedenkers van die namen hun mosterd? Transportbedrijven gebruiken vaak afknottingen en combinaties van namen en plaatsen: Kortransver, Vantextor, Moertranswest, … en meer van dat fraais. Dat leidt dus soms tot de vreemdste letterwoorden, net als bij sommige firmanamen. Er is nog meer van dat leuks. Er is een dichteres bij achternaam genaamd Ozon. Een renner die Velo heet. Mijn zoon signaleerde tevens een zekere dokter Dokter. Tja, terug naar Calvé, Betterfood, Koetjes Reep en Primus. Sommige films of feuilletons die oudere tijden evoceren, moeten hun geloofwaardigheid o.a. uit oude merknamen in het straatbeeld halen: Op-Ale, Boule d’Or, Koloniale Loterij. Ooit stopte ik met stoppen met roken door de merknaam en het uiterlijk van een pakje sigaretten: Laurens 48. Een woord gecombineerd met een geheimzinnig getal. Waarom 48? Er zaten maar 20 sigaretten in. Het was een klein, geel, geruit pakje. In die tijd liet ik me ook vertellen dat ‘men’ in Knokke bij voorkeur Dunhill-sigaretten opstak. ‘Knokke’ was op zich al een merknaam voor iets anders. O, en de parfums dan. Geurige namen natuurlijk. Namen van bekende huizen. Soms ook met een getalletje erbij. En wat voor omhulsels voor het vege lijf dragen we? Hugo Boss, Mexx, P&C of Oud Huis Trio? Sommige merknamen raken in de loop der jaren zo ingeburgerd dat ze in de woordenboeken belanden, met kleine beginletter: pils, praline, ford, sandwich. Dat zijn duidelijk de blijvertjes. De taalkunde van de merknaam is best wel boeiend. Wat roept een onbestaand woord op aan geuren, kleuren, smaken? Wie doet de mooiste vondst en hoe lang gaat die mee? Hoe klinkt het bij de concurrentie? Nou, tijd voor een Cha-Cha, een Snicker of een Leo. En ik raak nog altijd niet wijs uit Balade met één l. Tot slot een tweetal beklijvende reclameslogans, ooit bedacht in tijden van oliecrisis. Voor uw Shell, loop naar de pomp. Tank u wel.


    08-11-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.173: Mens

    MENS

    Ik denk dat ik de ontroerendste plek in West-Vlaanderen ken. Tot een paar jaar geleden dacht ik dat dit de Menenpoort in Ieper was. Met de dagelijkse Last Post erbij, bij het vallen van de avond. Maar ik zie ook al enkele jaren iets anders. Zonder afbreuk te doen aan die hartaanvallende Menenpoort. Ik zie de dodengedenkplaats op het domein van Dienstencentrum Gits (in de volksmond ‘Dominiek Savio’), de bekende biotoop van de gehandicapte mens (laat ik maar het meest bekende woord gebruiken), ietwat verstopt en verborgen tussen bomen en gezond groen. Er is geen Last Post-kippenvel bij. Nooit, geen enkele dag van het mensdom. Er zijn ook geen toeschouwers. De heroïek is hier verstild. Er liggen keien, met voornamen op geschreven, op een helling zonder moeilijke trappen. Er is water te horen. Ik ontdek een bescheiden bloemtuiltje. Ik zie een bescheiden troetelbeertje tussen die keien. Ik lees de voornamen: Freddy, Günther, Rita, Katrien, … Ik kan lange tijd doorgaan met het lezen van die namen. Het zijn de namen van de mensen die minder kansen hebben gehad dan de anderen. Ze leefden op dit domein, in dit bos, dit gezonde groen, het aardrijkskundige middelpunt van West-Vlaanderen. De spoorlijn passeert er, maar het station is al jaren dicht. Mobiliteit? Ministerpraat. Ik kom er elke week. Het hoeft geen november te zijn.


    28-10-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.172: Pikant

    PIKANT

    Torhout: zijn sparren (waar? waar?), zijn aardewerk, soms zijn paarden, altijd zijn mosterd. Betere, scherpere en bruinere mosterd ken ik niet of weiger ik te kennen. Wat niet weet, wat niet deert. Deze delicatesse, genaamd mosterd Wostyn, verdient een ode. Torhoutse mosterd zorgt voor een hoogdag op de papillen. Op onbewaakte ogenblikken, als alleen de Schepper van Hemel & Aarde toekijkt, smeer ik mosterd uit Torhout op mijn dagelijks brood. Vroeger deed ik dat ook al, ‘in den duik’. Ik draai daarbij niet rond de pot, maar er stevig in. Dat goedje heeft een prachtige bruine kleur. Het overstijgt het middelscherpe van alle andere mostaarden die ik al heb geproefd. Hij moet ook uit dat klassieke ronde potje komen, het liefst uit een winkeltje op een hoek. Maar hoekige potjes zijn dan weer voor pickles. Zoals Duvel zich tot andere bieren verhoudt, of whisky tot andere sterke dranken, zo verhoudt Torhoutse mosterd zich tot andere pikanterieën. Naast de aardewerkscherven en enkele graszoden van de T/W-rockweide verdient ook de mosterd een plaats in het schild van de Sparrenstede. Hij is er al sedert 1869. Toen we nog lagere school liepen, controleerde de meester ons op maandagmorgen op nagelbijten en rouwranden. De stok achter de deur daarbij was: als je het nog eens doet, dan smeer ik mosterd op je vingernagels. De meester heeft nooit beseft dat dit eigenlijk een beloning was. De bakermat van de beste mosterd ter wereld is een van die oude smalle straatjes in het centrum van Torhout. Jammer dat die pikante smaakmaker nooit eens opdook in onze lessen op school. Liever dan te horen te krijgen dat België twee keer de oorlog won tegen Duitsland, had ik over mosterd geleerd: de wonderlijke combinatie tussen mosterdzaden, azijn, water en zout. Ja: liever dat dan mosterdgas. Het bijbelse mosterdzaadje zou dan ook iets meer betekenis gekregen hebben. Poperinge zijn hoppe, Wervik zijn tabak, Meulebeke zijn asperges, Roeselare zijn rodenbach, Avelgem zijn perentaarten, Lo zijn nieuwjaarswafels, Brugge zijn Japanners, Oostduinkerke zijn garnalen, Veurne zijn babbelutten, Torhout zijn mosterd. Dijon? Tierentyn? Geef mij maar Wostyn, Elsschot. 


    07-10-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.171: 50 vragen

    50 VRAGEN

    01 Hebben atoomwapens vijftig jaar lang de vrede bewaard?

    02 Heeft buskruit hetzelfde gedaan tussen Waterloo en Serajewo?

    03 Is het moeilijk in een Westerse democratie u verstaanbaar te maken boven een massa?

    04 Wanneer breekt de vrede weer eens uit?

    05 Waarom zijn geen van de slachtoffers gelijker dan de anderen?

    06 Is het geheugen in sommige gevallen een aandoening?

    07 Is het uit behoefte aan een grotere zee dat u herhaaldelijk op de kleinere klippen van het dagelijkse leven te pletter loopt en uw Schepper uitdaagt met iets groters op de proppen te komen of u anders met rust te laten?

    08 Betekende de Koude Oorlog de grootste ideologische confrontatie uit de geschiedenis?

    09 Is de Koude Oorlog een staaltje van Westerse pretentie en zijn de Azteken belangrijker?

    10 Preludeerde Nine/Eleven op iets veel erger en indringender?

    11 Denkt u dat u de tandpasta weer in de tube kunt krijgen?

    12 Met de roze strepen weer netjes op hun plaats zoals Amerika dat wil?

    13 Hebben de afschrikwekkendste wapens het grootste vermogen tot vrede in zich?

    14 Begint het leven bij 50 of voelt u zich een vijftigjarig succesnummer, rukkend aan zijn midlife tralies en uitkijkend op sterfelijkheid en een verspild leven?

    15 Lag u ook te lang en languit te lurken aan de tepels van de consumptiemaatschappij?

    16 Is het vandaag ook zaterdag in diverse bezette gebieden?

    17 Waar was u de nacht van vrijdag op zondag?

    18 Is een rode auto een kreet van vreugde op een begrafenis?

    19 Waarom pletten de Russen hun frambozen in spierwitte melk?

    20 Is het altijd een nietig detail dat grote thema’s op de klippen doet lopen?

    21 Hoe zou het ook kunnen dat de aarde een volmaakte bol is, gezien haar leeftijd?

    22 Kan een middellangeafstandsraket op 1 500 km de bilspleet van een vlieg opblazen?

    23 Hoe zou u zelf zijn mocht u te weten komen dat u als pasgeboren baby vooral op uzelf leek?

    24 Vindt u het ook jammer dat God dit niet meer mag beleven?

    25 Lijdt u ook aan een leven op later en dood?

    26 Wanneer komt er weer eens een dag als een ander?

    27 Dronk Winston Churchill echt al voor het ontbijt?

    28 Klopt het dat in Alaska de mensen met lampjes op hun hoofd lopen om depressies tegen te gaan?

    29 Bent u een goede Parijsleider of slaat u in paniek in zo’n grote anderstalige stad?

    30 Vliegt de adelaar ook op vrijdag uit?

    31 Moet men in iets geloven of zijn sommige zaken vanzelf waar?

    32 Waarom is een pinguïn niet bang voor een ijsbeer?

    33 Komt er van suikerriet altijd rietsuiker?

    34 Hebt u een vuurtje of hebt u het koud?

    35 Is sms de afko voor smoes?

    36 Kan iets ook zeevruchten afwerpen?

    37 Klopt het dat Marilyn Monroe alleen Chanel N° 5 droeg bij het slapen?

    38 Is een bijslaap gezond?

    39 Zou met al dat gekakel de mens misschien van de kip afstammen?

    40 Is het om te kunnen beweren dat Jezus Christus zwart was dat de moslims zijn zweetdoek willen bemachtigen?

    41 Sedert wanneer houden intellectuelen van appels?

    42 Doet het lot huisbezoeken of moet je zelf de deur uit ervoor?

    43 Wat is belangrijker: de bloedstroom naar het hoofd of die naar de weke delen?

    44 Is sneeuw roos van God?

    45 Wordt een omgekantelde schildpad door een andere schildpad geholpen?

    46 Bestaat er een kleur die we nog niet kennen?

    47 Wat doet een kluizenaar eigenlijk de godganse dag? Nacht?

    48 Als uw bijgeloof groot is, wordt uw geloof dan kleiner?

    49 Waarom hebben mooie mensen een aapje op hun schouder zitten?

    50 Wat hebt u allemaal al gestolen?


    30-09-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.170: Jinx

    JINX

    Jinx: ‘voorbode van ongeluk’. Dat lees ik in het dikste Engelse woordenboek dat ik op de kop kan tikken. Aha. Tart het lot niet. Zeg niet, schrijf niet, hoop niet, denk niet: yes! Want dan wordt het ‘no!!’. Verzwijg in alle talen uw prettig vermoeden op geluk en meeval. Gekruiste vingers? Niet doen. Duimen? Niet doen. Don’t jinx. Break a leg. Wees nederig. Niets valt te voorspellen of te forceren. Alles is in handen van de afgodin van het toeval en de willekeur. Een vlinder in Tokio kan een aardbeving in San Frisco veroorzaken. Stoute vlinder. Geloof niet in goede voortekenen. Bent u coach van iets, iemand, een groep of een ploeg? Boor ze de grond in. Dan lukt het wel. Eerst modder, de hel, dan strand, en hemel. Die tand moet eerst afgebroken worden vooraleer hij weer opgebouwd kan worden, zoveel beter als voorheen. No jinxing. Gelooft u in getallen? Doe dat niet. Zet dat geloof stop. Doof ook de hoop. U zult nimmer de lotto winnen, gevraagd worden voor de hoofdrol in een wereldbekende film of ontdekt worden als mannequin als u stilletjes of hardop daarvan droomt. Denkt u: ‘Nu of nooit’? Jammer, dan wordt het misschien wel ‘ooit’. En ooit is erg. Want tussen droom en daad staan wrede wetten in de weg. Ik zag het woord ‘jinx’ voor het eerst op televisie. Op de achterbank van een taxi zaten de hoofdpersonages van de Amerikaanse serie ‘Will & Grace’ te ruziën. Will was aan jinxen, en Grace gilde: ‘No jinxing!’. Alles liep grondig verkeerd. Zo is televisie nog voor iets goed. Ik ga dus ook nooit meer jinxen. Anderzijds blijf ik wel op vrijdagen de dertiende uitdagend in de ogen van zwarte katten kijken en opstandig onder ladders door lopen. Dat kan dus geen kwaad. Mijn bijgeloof is niet sterk. Dit jaar, in het begin van dit nieuwe kalenderjaar, heb ik gelukkig niet te veel beste wensen moeten incasseren. Daardoor verliep januari behoorlijk goed: een grondig waterlek thuis deed ons een maand op regenwater leven en noodzaakte ons de badkamer annex wasplaats te verbouwen en mijn website werd vier weken lang uit de lucht geplukt door spitstechnologische wondere weldoeners met het verstand van een potje yoghurt. Ik beperk me dan nog tot de leukste dingen. Zo, tot ziens zonder meer. 


    13-09-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.169: Wiskunst

    WISKUNST

    Mijn bewondering voor de wiskunst (een oude droom van mij) en mijn afgrijzen voor de wiskunde (een oude draak van mij) zijn beide weer toegenomen na het bekijken (tot tweemaal toe) van de film ‘A Beautiful Mind’. Daarin vertolkt Russell Crowe een geflipt wiskundig genie, tevens toekomstig Nobelprijswinnaar, dat met extreme schizofrenie leert leven. Zoals elke filmfan van elke goeie film zegt: ‘Die moet je gezien hebben’, zo zeg ik dat nu ook. Schrijvers mogen gek zijn – ze vinden toch hun eigen werelden uit, geen probleem. Wiskunstige knobbels mogen dat ook – ze redden soms de wereld door codes te kraken of toepasbare dingen uit te vinden. Wiskunde heb ik, met bewondering en met afgrijzen, altijd als wiskunst bekeken, veel liever nog dan wijsbegeerte die bewijsbegeerte wil zijn. Ik laat nu even in het midden of paarden echt wel kunnen rekenen. Uitzondering: de Houyhnmnms in de wereldklassieker Gullivers Reizen, die zeer schrandere beesten zijn. Zo’n wiskundig spinnenweb met lijnen en letters en cijfers is al net zo raadselachtig als een gedicht. Een bladzijde algebra was poëzie. Jammer genoeg wil men in de wiskunst meestal naar oplossingen toe werken. Als in een gedicht het raadsel of het geheim is ‘opgelost’ (in een soort oplossend denkwater van een of andere vermolmde uitlegger), dan houdt het op een gedicht te zijn. Het lost zichzelf op; de dichter moet dan maar weer een vers gedicht maken. Wie in de wiskunst dan de zo begeerde oplossing niét vindt, kan daar wisnijdig door worden. In de poëzie zeggen ze: schrijven is schrappen. Misschien is de wiskunde ook de kunst van het wissen. Ook al beweerde Steve Stevaert, thans bronsgroen gouverneur, een tijdlang dat 1 plus 1 gelijk is aan 3. Hij voegde toe. Misschien heeft hij het verkeerde diploma. Dat gebeurt wel eens vaker in de politiek. Ik heb onlangs een avondje backgammon gespeeld met Pythagoras en Newton, het ouwerwetse schaakspel even terzijde schuivend. Ze gaven allebei toe dat ze eigenlijk liever gedichten hadden geschreven, en dat ze dat stiekem ook gedaan hebben. De redenering van Stevaert vonden ze overdreven: hoewel ze beiden nogal bang waren voor nul, dat ze een ongetal noemden, konden ze met zekerheid bewijzen dat 1 plus 1 altijd 2 zal blijven. Omgekeerd heb ik mijn speelmaten ook bekend dat ik vroeger eigenlijk heel graag wiskunde deed. ‘Had je dan misschien de verkeerde leraars?’ opperde Newton, terwijl hij in een appel beet. ‘Maar dat is net goed’, repliceerde ik. ‘Wie zich in de lessen op school verveelt, krabbelt er stiekem op los, op de banken, op binnenflappen van boeken, en daar groeien dan later grote schrijvers uit’. Deze uitleg vond Newton bevredigend. ‘Het is dus verlangend uitkijken naar saaie leraars?’ vroeg Pythagoras. ‘In zekere zin wel’, gaf ik toe. ‘Ook een saaie leraar Nederlands?’ ‘Alles helpt’, zei ik. ‘Politiek ook?’ ‘Nee,’antwoordde ik pertinent, ‘daar lopen we niet in’. ‘Waarom niet? Politiek is toch ook saai en abstract? Zoals gedichten en vraagstukken?’ ‘Wis en zeker,’ wedervoer ik, ‘maar de abstractie betreft hier alleen maar gebakken lucht’. ‘Dus slagers, bakkers en cafébazen moeten de politiek in?’ concludeerde Pythagoras. Waarop ik de beide heren eruit bonjourde. Er zijn grenzen aan begrip.


    28-08-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.168: Vederlands

    VEDERLANDS

    1. Letterbetisch

    Achterbaksel: lastig nageslacht op de achterbank van een auto
    Afkoriaans: afko-taal
    Appartemens: persoon levend op eenzame hoogte
    Basielzoekers: in de aap gelogeerde Fawlty Towersachtige hotelgasten
    Binnenpretparkje: aardig stadstuintje
    Briesvak: tribunecompartiment van
    die-hards
    Bewijsbegeerte: drang naar vraagstukken en hun oplossingen; drang om te meten
    Curryculum: levensloop van een kok
    Chemie: bekend restaurant
    Diadeemstering: aanval van flauwte bij het ondergaan van andermans diareportage
    Enterprise (The): Engels stopcontact
    Fluisternis: schemertoestand van ingetogenheid
    Gooikoorts: dronken drang om met alles te gooien
    Hakcent: cijfer na de komma
    Hoofddrol: directeur van de lege dozen
    Hoolifant: volslanke nietsontziende voetbalgeweldenaar
    I-A: het omgekeerde van A(d) (I)nterim
    Individuo: een duo dat onlosmakelijk tot één specifiek individu behoort. Voorbeeld: de kont
    Jawoord: nee
    Kluisteraar: toehoorder bij Een Dichter Leest Voor Uit Eigen Werk
    Lachmerrie: verplicht te ondergane mop waar men niet mee kan lachen
    Luchtmisdrijf: ongezonde uitstoot
    Mayonijsje: uitgelopen ijsje
    Millenniummers:
    die zijn geboren tussen 2000 en 2010
    Miskunde: het buisvak wiskunde
    Neerslagtigheid: herfst in je hoofd
    Neuzelarij: neusinhoud
    Onderdegrondstopping: teraardebestelling van een vijand
    Papenkruis: ultramontaan kruisteken
    Quotiënt: spoorloos patiënt
    Religeus: probeert ongelovig te zijn
    Rotterdame: kerk als sanctuary gebruikt door vooral havensloeries & -sletten
    Roverheid: corrupte overheid
    Rukwind: geladen variant van rugwind; veest tijdens het rukken
    Rushuis: rusthuis in de fik
    Sms: afko van smoes
    Tweehonderd: een duo sufferds van honden, vergelijkende trap
    Ukkelpop: Sabine Hagedoren
    Upperdog:
    met das opgeknoopt kaderlid uit de bovenwereld
    Vakbons: werkloosheidsuitkering of gouden handdruk of hoge pief in de vakbond
    Videoot: mens zonder papieren of beeldbuizerd
    Webdracht: taak op het internet
    Woelrenner: onbetrouwbaar eindspurter
    Wijnbegeerte: alle wijsheid in een kan
    X: afko voor ‘k zal lang moeten zoeken
    Y: Griekse schiereiletter
    Zaagmeel: ongevraagd steeds weerkerend mailbericht
    Zakjapanner: kleine Japanner

    2. Vederlichte inspraken

    Winnen is belangrijker dan deelnemen
    Ooit zal niets van dat alles van ons zijn
    Beauty calls
    Jammer dat God dit niet meer mocht beleven
    Gelukkig geleek de pasgeboren baby vooral op zichzelf
    Kunt u leven van de pen? Ik kan er wel bij blijven werken
    We zitten een leven uit op later en dood

    3. Vedersproken

    Er heerste een ijzige stilte toen de vorst zijn intrede deed

    ( Vederdenker: … kan worden vervolgd … )


    14-08-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.167: Met alle Chinezen

    MET ALLE CHINEZEN

    Hebt u al een kind gekocht? Of geassisteerd daarbij? Hebt u al een boek geschreven? Hebt u al een boom geplant? Een Chinees spreekwoord zegt dat dit drie dingen zijn die tijdens een mensenleven moeten gebeuren. De volgorde is van geen belang. Ach, misschien had u geen tijd daarvoor. U had het veel te druk. Er was een tijd dat u dacht: ‘Ik ben een vondeling. Mijn mannelijke en mijn vrouwelijke ouder hebben me geadopteerd toen ze nog van goede wil waren, omdat ik zo speciaal was. Nee, ik ben geen fotokopie van mijn broers en mijn zussen.’ Even later brak een periode aan waar u gedichten schreef, stiekem. Omdat u zich speciaal voelde. Ook wilde u moederziel alleen op een onbewoond eiland aanspoelen, is het niet? U leed lange tijd aan eilanderigheid. U las zelfs enkele boeken toen. U zou jonge boomstammetjes hakken, met uw altijd aanwezige Zwitsers mes daar scherpe punten aan snijden en een omheining bouwen tegen wilde beesten en kannibalen die af en toe op het strand hun medemenselijke rauwkost op kwamen peuzelen. Daarna zou u een hut bouwen, dieren plukken, vruchten melken, kleren maken en de Bijbel lezen (een drenkeling als u heeft altijd een zakbijbel bij zich), tabak telen, apen hoeden. Na jaren eilanderigheid zou u naar de bewoonde wereld terugkeren als een held. U had de knopen van het vak achter de knie, omdat u al uw schepen achter u opgeblazen had. Wel sprak u nog koeterwaals. Men had de mond vol over u. Maar ach, toen ging de wekker in uw hoofd af en u werd wakker op een muisgrijze Vlaamse ochtend niet ver van een industrieterrein. De goden en godinnen hadden zich niet vergist: u lag te vondeling in uw eigen bed, in West-Vlaanderen bijvoorbeeld, een lage streek, en niet op 300 mijl ten westen van de Chileense kust. Ja, u was wel degelijk alleen op de wereld, want u was omringd door ouders, directeuren, inspecteurs, ambtenaren, rechters, priesters, reglementen, wetten, voorschriften, spoorboekjes, tijdsschema’s. Alleen in bad was u nog alleen. En in het kleinste hokje, dat tegelijkertijd de grote kosmos weerspiegelde: het toilet. U was er de hoofddrol. Daar lag of zat u in een baan om uw eigen hoofd. Uw hart protesteerde. Hoe vlugger u liep, hoe vlugger de tijd zijn tanden in u zette. U kwam uzelf zelfs weer tegen, want de aardbol is rond. U dacht dat alleen de anderen ouder werden, tot u in de spiegel keek. Of een andere vondeling ontmoette, zonder of met grijze haren. U probeerde de gedenkdagen van uw geboorte te vieren, maar dat werden doemdagen in het gezelschap van vrienden die te veel dronken. En toen sprak u: ‘Zo, dat was het.’ Maar ondertussen vergat u misschien sporen na te laten: een kind, een boek, een boom. En u troostte uzelf, want u mompelde zwakjes: ‘Met alle Chinezen, maar niet met den dezen.’ 


    29-07-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.166: Mooiste woorden

    MIJN MOOISTE WOORDEN

    Edelachtbare, mag ik u bij dezen een lijstje aanbieden van mijn mooiste woorden? Als u ze ook mooi vindt, mag u ze even houden. Opgepast: mooie woorden kunnen lelijke dingen betekenen. Hier komen ze. Vulkaankonijn. Bloemkoolbewolking. Bietenmeetkunde. Mariablauw. Onderwatergroen. Mierenlokdoos. Onderdeurtje. Labberdoedas. Bananenrepubliek. Kaasbollendemocratie. Schrikkelkind. Puinzooisoep. Knuppelbeer. Vuurwater. Ramptoerist. Linkerhart. Eilanderigheid. Pieterklein. Appartemensen. Weekendpipo. Bamzaaien. Puisjevangen. Euroneurose. Millenniumgekte. Tappelings. Hinkstapslok. Excuustruus. Luierbruin. Frambozengeluk. Literatureluurs. Fluisternis. Steenkoolfilosofie. Apegaper. Trommelmarkt. Babbelwater. Gooikoorts. Kruismoordraadsel. Leverzwijn. Perenflauwte. Bengelbewaarder. Dakhaas. Pafzakkertje. Pokkenherrie. Jokkebrok. Kattenkotsmuziek. Pampernel. Hatsjie. Hatsjoem. Hatsjernobil. Glasvezelnost. Gorbatsjeverigheid. Kakelbont. Uk. Tunnelmens. Kindermepper. Spievensterke. Nogmaals: spievensterke. Keurslagerfrans. Kleppermansgedicht. Noenzaal. Krulslavink. Vanillevreugde. Wereldsmart. Eierboerpraatje. Koektrommelplaatje. Koninginnenlapje. Wipham. Uilnis. Artsen Zonder Lenzen. Vijgenbladverhaal. Stadsinfarct. Herenhokje. Kopdonder. Badsprinkhaan. Vakantiegangster. Herfstkunde. Verliezingskoorts. Biebwezen. Optater. Frietpeace. Missverstand. Harpoenzoen. Diepzeegedachte. Zakjapanner. Lurvenpijn. Konijnenpootplan. Sneuveltekst. Kauwgumsnelheid. Kwameisje. Hoolifant. Badscenefilm. Stroppenpot. Lookprobleem. Schierei. Piepschuimtoneel. Hemelwater. Zebrapaddentijd. Poepsnoepje. Kwakhuis. Denk ook eens na, Edelachtbare, over een mogelijk tweede betekenis van de volgende woorden: geheelonthouder, boekhouder, holbewoner, achternicht, rukwind. Ik hoop, Edelachtbare, dat vele van die woorden niet meer te kort zullen schieten. We zijn vanzelf al zo beperkt in daden en in gebaren. Graag zou ik van u het hoederecht over deze woorden verkrijgen, Edelachtbare. Ik beloof u dat ik al deze woorden zal koesteren. Aan niets zal het hen ontbreken. Mocht ik op nog een ander woord botsen, dan zal ik u deze botsing zeer zeker melden. À propos: ik wil u ook nog waarschuwen voor een nakende invasie van holle woorden. De verkiezingen, weet u wel. Ik krijg er nu al kiespijn van. Bah, wat een vies woord. 


    16-07-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.165: Rijm

    RIJM

    Pas op voor de dichter, of je ligt er. Er was eens een kei die zei: ‘Hei, ik ben een kei. Onder mij ligt een wonder. Keer mij om en je zult zien waarom.’ Een ijverige boer kantelde die kei. Toen zei de kei: ‘Ai mij, wat ben ik blij dat ik lig op mijn andere zij.’ Dit verhaal is echt gebeurd in een boek. Het is zo echt gebeurd dat het op rijm verteld wordt opdat niemand die het hoort het nog zou vergeten. Het allereerste rijm dat ikzelf ooit neerkrabbelde, was: ‘Heb je nog wat gezien? De beer zit op zijn knieën.’ Mijn probleem was toen dat dit wel klopte in mijn gesproken dialect, maar niet in Standaardnederlands. Ik vroeg uitsluitsel aan mijn papa. Die vertelde me hoe het zat. Ik was boos. Zo boos dat ik ben blijven rijmen, tot ik het vond. Ik deed de namen van de dagen met elkaar rijmen. Ik was een kei met mijn griffel en mijn lei bij zuster Serafien in de derde kleuterklas. Ik deed God rijmen met zot en marmot. Het lukte. Eindelijk was ik dichter. Dicht is dicht, of wat dacht je. En later leerde ik dan dat poëzie oorspronkelijk niet rijmde. Het was de schuld van de Latijnse kerkgezangen dat die ook begon te rijmen. Waar waren de zekerheden gebleven? Toch rijmde ik onverdroten door. Een kei in mei is ronder dan een kei in april. En ook gezonder. In april gelijkt hij op een pil. In mei gelijkt hij op een ei. Zeg nu zelf: wat is mooier dan een dooier? Na vele, vele rijmen probeerde ik de rijmen weer af te leren. Het was de beste leerschool. Want wat zijn rijmen anders dan achterklap die rijmt met achterklap? Soms ongerijmd? Links geparkeerde woorden die elkaar herhalen en de rechterkant van zo’n gedicht er rafelig doen uitzien? Alsof de ratten eraan gevreten hebben? Soms ligt er ook rijm op de daken. Zelfs de reclameslogans rijmen niet meer. Alleen op trouwbeloftes en geboortekaartjes worden nog gelijkluidende woorden onder elkaar geparkeerd. En in smartlappen en schlagers. Ik ben blauw van jou. Ik hou van de kou. Je zei zacht: wacht. Ik voel me heel apart, zo zonder hart, want ik heb het jou gegeven, voor de rest van mijn leven. Nu loop ik te beven, en het is pas halfzeven. Wil je misschien ook mijn longen? Wat nu gezongen! Maar geen gezever over mijn lever! O nee, ik hou niet echt meer van rijm. Het moet al goed verborgen zijn en onopzettelijk functioneren om goed te zijn. Wie zoekt, die vindt het wel. En wie het vindt, mag het houden, verkouden of niet verkouden.


    07-07-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.164: Internetman

    DE OUDE MAN EN HET INTERNET

    In een verhaal van Hemingway gaat een oude man op zee vissen. Hij vecht om te overleven en keert met een grote vis terug, waarvan weliswaar alleen het karkas is overgeschoten. De haaien hebben eraan gezeten. Een overwinning op het lot, een les in volharding, maar ook een overwinning van het lot en een les in nederigheid. In Kortrijk leeft ook een verslagen man. Het internet was zijn zee waarop hij ging vissen. Hij is van een kale reis teruggekeerd. Hij dirigeerde een blog waarop hij zich als Kortrijk-watcher manifesteerde. Hij beweerde op humoristische wijze het reilen en zeilen in de Guldensporenstede te beschrijven. Vaak echter gebruikte hij andere, bestaande namen van (vrij bekende) mensen om hen uitspraken in de mond te leggen of zaken toe te dichten die kant noch wal raakten. Hij deed ook aan vuilspuiterij en regelrechte onwaarheid, denkende dat het internet hem bescherming en sanctuary bood. Zijn verweer: ‘Het was maar om te lachen’. Hij gedroeg zich als een kind met een nieuw stuk speelgoed. Of een oude jongere/jonge oudere die het bestaan van e-mail ontdekt en prompt de hele wereld met dringende berichten bestookt en overal de postboxen volstouwt, tot grote woede van iedereen. Nou, die kerel dus, een zestiger, heeft juridische perikelen aan zijn been vanwege slachtoffers van zijn blog. En plotseling gedraagt deze Kortrijkse recordhouder van de ironie zich als een geslagen hondje. Hij ziet het niet meer zitten en voelt zich verslagen. Zijn blog zal voortaan ‘neutraal’ en ‘objectief’ zijn. Zielige vertoning, in dat kranteninterview met hem. Er staat een foto bij. Hij prijkt er naast de nieuwe nachtburgemeester van Kortrijk, eigenlijk ook een van zijn exploten op die verdrietige blog. De ene drinkt een pint, de andere een leffe. Ik heb nog nooit zo hard gelachen met een oude man en zijn zee van verslagenheid. Het was maar om te lachen.


    01-07-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.163: EVBO

    EVBO

    Wij wonen in de vrijwel onmiddellijke omgeving van dodelijke lussen autostrada en ringtoestanden allerhande. Het is ons onmogelijk aan vreemdelingen de weg naar onze ruime woning uit te leggen. Er zit namelijk een levensgevaarlijke haarspeldbocht tussen. Weinigen bereiken dus ons huis heelhuids. Dat is ook niet echt nodig. Er gaat geen dag of nacht voorbij of we horen vlakbij of passerend het naargeestige voorrangssignaal van allerlei interventiewagens: politie, brandweer, ambulances. Sedert april 2007 (de maand van de Grote Drooglegging, weet je nog) woont er een slimme vogel in de bosschages op ons woonerf. Zijn repertoire is heel uitgebreid. En ook wel boeiend om naar te luisteren op een sufnamiddag bijvoorbeeld. Er steekt variatie in. Hij heeft papegaaientalent. U kunt het intussen al raden. De vogel imiteert om de haverklap ook het lugubere geluid dat bij de 100-diensten hoort. Nog een blauw zwieplicht op zijn kop, en hij wordt de Eerste Vogel Bij Ongevallen. We vermoeden ook dat onze EVBO effectief naar de onheilsplaatsen gaat kijken. Telkens er zo’n hulpauto met signaal voorbijraast, verstomt namelijk de vogel. Wellicht achtervolgt hij dan de hulpdiensten. Daar aangekomen steelt hij met zijn ogen. Gezeten op een vangrail loert hij alles af. Hij neemt gratis lessen in Eerste Hulp Bij Ongevallen. Je zou hem ook ‘pechvogel’ mogen noemen, omdat hij neerstrijkt op plaatsen waar de pechstrook meer dan ooit haar betekenis krijgt. Kijk, eerlijk: ik hield al niet van de vogels van Hitchcock, ik hou niet van kiekens, ik moet niezen als ik een pluim zie, ik haat het vroegochtendlijke lentegekwetter van dat pluimvee, en ik vind onze EVBO een masochist. Hij moet zijn snater houden. Of alleen maar Rachmaninov en Mozart en Pachelbel fluiten. Iets in die aard. Jean Baptiste baron Toots Thielemans mag ook. Hij kan ernaar fluiten.


    19-06-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.162: Hondenleven

    HONDENLEVEN

    Daar ligt hij. Zogezegd onverschillig. Maar als ik beweeg, luikt hij een oog. Het registreert alles. Het denkt: ‘Misschien neemt hij me mee op stap.’ ‘Misschien valt er een knabbelkoekje uit de kast.’ Hij denkt dat ik niet zie dat hij kijkt. Kijk: hij kijkt weer weg. Nee, hij wil zich niet opdringen. Intussen zijn z’n gedachten al zo rood als de vitrine bij de slager. Zie, ik betrap hem op een visioen: hij komt binnen bij de slager, de deur stond aan, de bel marcheerde niet, geen kat, geen klant te zien. De rest laat ik aan zijn verbeelding over. Ik eet liever vis. Voor een aai of een koekje gaat deze onnozelaar op z’n rug liggen. Dat terwijl de vraag klinkt: ‘En wat doen de meisjes in Parijs?’ Het kon net zo goed Berlijn zijn. Of: anijs, pladijs, glad ijs. Soms gaat hij vanzelf op zijn rug liggen. Daar tuin ik niet in. Soms gaat hij als tochthond op de deurmat liggen. Dat heeft meer zin. Je bent een hond of je bent geen hond. Je leidt een hondenleven. Hij wordt kwaad als iedereen te lang afwezig blijft. Dan haalt hij baldadig een schoen of sok van boven. Die deponeert hij dan ostentatief ergens beneden. Als hij echt baalt, plast hij ergens in een verboden zone. Even zijn handtekening op ons strafblad zetten. Daarna gaat de lafaard nederig in een verdomhoekje van het huis liggen. Hij aapt ons na door boterhammen te eten die hij tussen zijn voorpoten vasthoudt. Humor betekent bij hem dol gehuppel en gedoe met een onnozel namaakbeen. Maar hij kan niet lachen. Tv, films en boeken zeggen hem niks. Hij snapt geen reet van muziek. Maar hij leeft wel mee als iemand in huis ziek is. De manier waarop hij zich dan bij de getroffene neervlijt: ‘Hei, even doorbijten, ik ben er ook nog, ik begrijp het.’ Die hond, ik gun hem zijn bloedrood visioen. Meer kan ik niet doen. Hij weet niet eens wat de meisjes in Berlijn doen.


    09-06-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.161: Carrière

    CARRIERE

    Luister eens. Er zijn twee mogelijkheden. Ofwel doe je eerst onnozel en later gewoon, ofwel begin je gewoon en doe je later onnozel. Gewoonlijk slaagt de eerste categorie beter dan de tweede. Onnozele toestanden worden het vlotst toegeschreven aan jongere leeftijden. En ook daarom het snelst vergeven. Gekheid op latere leeftijd pruimt men niet. De bekendste tafelspringers en grote muilen profileren zich na hun veertigste plotseling als filosofen, meninghebbers of in het ergste geval politici. Zelfs Kamagurka, een vleesgeworden drol, praat al met twee woorden. En Lanoye zwijgt in alle talen, vooral de zijne, over zijn Agalev-avontuurtje. Pas op: er zijn er ook die hun hele verdomde leven lang gewoon doen. Voorspelbaar dus. De veilige keuzes. De grijze pakjes. Watou bijvoorbeeld, die zomer: dat is het Pompei van de poëzie. Ons kent ons, en ons klopt elkaar op de schoudertjes, en ons nodigt ons uit, want ons kan omgekeerd ook wat doen voor ons. Naar verrassingen moet je daar niet zoeken. Het is er eerder een consecratie van namen. ‘Ik heb net klein maar fijn gegeten met Hugo’. ‘Ach, Jozef is een ietsepietsie verkouden’. ‘Zou Guido weer te laat komen?’ Eenzame hoogtes! Negeren die oproerlingen en dwarsliggers! West-Vlaamse dichters? Nou, je moet toch ergens geboren zijn en wonen, hé. Er schijnen er zes komma vijf te zijn. Ik ken er dertien. Goeie, hoor. Niet van die tiepen die al jaren uit de provincie weg zijn, met een geforceerde Brabantse ie of e praten en alleen de treurnis van dit verre westen hier verkondigen. En nog eens ‘afzakken’ naar ‘de Vlaanders’ om aan de micro gesubsidieerde zwaarmoedige achterklap te mompelen. Dit is geen oprisping. Het is een pleidooi tegen klieken en kliekjes, tegen voorspelbaarheid. Ik pen een gevoel neer dat ik deel met minstens tien dichters. Kijk: ik heb geen sympathie voor carrièreplanners. Dichten is een avontuur. Een windvlaag harkt de herfstbladeren veel mooier samen dan een hark. Het gepiep van de zichzelf subsidiërende en prijzende grijze muizen van de poëzie moet gesmoord worden. Ik heb evenmin sympathie voor pluimstrijkers. Ik hoop dat zij zich doodvreten en –zuipen aan de tepels van de hoer die de poëzie is. Tot slot een kort dialoogje. ‘Ha, gij schrijft gedichten, hé?’ ‘Ja.’ ‘Kunt ge daar van leven?’ ‘Ik kan er wel bij blijven werken.’ ‘Leeft ge dan niet van de pen?’ ‘Ik leef voor de pen.’ ‘Ge zijt altijd een beetje een rare snuiter geweest, hé?’ ‘O, is het al zo laat?’ 


    30-05-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.160: Coureur locale

    COUREUR LOCALE

    ‘Afmaken.’ ‘Doodzitten.’ ‘Zuurstoftekort bezorgen.’ ‘Te pletter.’ ‘Sterven.’ In deze bewoordingen versloeg de tv-commentator een wielerwedstrijd. Als je alleen maar luisterde, had je kunnen denken dat dit over de Bezette Gebieden ging, of Irak. Het klonk net als bij de voetbaljongens, waar voetbal oorlog is. Dat de ene renner rapper dan de andere rijdt, moet niet uitgelegd worden in termen van dood, slachtpartijen en oorlog. Als het zo zit, moet je om een koers te winnen het voltallige peloton maar doodschieten. En er voor zorgen dat je zelf overschiet. Beroepshalve om ter rapst fietsen, heeft niks met wapengekletter en doodsgereutel te maken. Meer met velo’s en vitamines. De oorlog speelt zich in het hoofd en de borstkas en de benen van de renner af. De salvo’s bestaan uit vloeken en fluimen en snot. Het doel is zoveel mogelijk renners achter je te laten. Toch valt dat oorlogstaaltje van de verslaggevers wel te begrijpen. Ze maken de winnaar bij voorbaat al groter en beter dan de rest. De niet-winnende rugnummers kunnen het alleen maar betreuren dat ze ondanks de uitvinding van het wiel niet aan hun trekken zijn gekomen. Op de vooravond van een Gent-Wevelgem dwaalde ik bij de eindmeet rond. België was in een boze bui. De tribune glom van de nattigheid. De weg leek op een skispringschans, maar dan plat. Het VRT-materiaal stond eenzaam te bibberen in de sneeuwkou. Maar die woensdag zelf daalde het hemelse snot der engelen niet in de vorm van regen neer. Plotseling scheen de zon weer over Vlaanderens velden. Waaierend voltrok zich de koers. Een Belg won met drie millimeter voorsprong op een Italiaan. Forza Italia? Dumpen! Zijrangeren! Over mijn lijk! En het zijne! In de gracht ermee!


    15-05-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.159: Kip ik heb je

    KIP IK HEB JE / CHICKEN SURPRISE

    Een zonnige dag in Noord-Dakota, lang geleden. Katoenen wolkjes dreven lui in de lucht. We hadden net geluncht. De restjes waren voor onze oude hofhond Lad. Hij maakte onmiddellijk werk van de beenderen. De aardappelen, die hij niet zo lustte, maar die hij ook niemand anders gunde, liet hij liggen. Vooraleer hij een uiltje ging knappen op zijn favoriete plekje in de zon, mikte hij met zijn neus nog een portie aarde en vuil over de aardappelen in zijn schotel. Zo deed hij het altijd. Ikzelf was intussen aan het werk aan de tractor. Hierbij zat ik neer op de grond. Af en toe diende ik even met mijn hand steun op de grond te zoeken. Plotseling voelde ik het, plettend en glijdend tussen mijn vingers: kippenkwak! Man, dat was hatelijk! Niets hielp ertegen; minutenlang zowat door je hand heen boenen met vuil en vodden en zand belette niet dat je eeuwig stinken bleef. De meisjes zouden mij te allen tijde mijden, hun neusjes dichtknijpend. Ze zouden me de Kippenkwakkerel ofte de KKK noemen. Terwijl ik verder verwoed aan het wrijven en vloeken was, kreeg ik plotseling onze oude haan in het vizier. Met parmantige, trage eendentred stapte hij in de richting van Lad’s smerige aardappelschotel. Ondertussen hield hij de oude soezende hond ook in de gaten. Tja, ik hou wel van wat ontspanning op een zonnige namiddag. Ik wist dat de haan al ettelijke keren door de hond weggejaagd was. Die hield niet van kiekens binnen een straal van 30 meter om zijn bord. De haan (natuurlijk de dader van die kippenkwak van daarnet) moest zich die dag ofwel stierlijk vervelen ofwel koesterde hij een doodswens. Het duurde zeker nog 15 minuten vooraleer hij het etensbord bereikte. Hij was hoogst geconcentreerd. Zo dom als een kieken? Die haan had wel degelijk een plan! Bijna werkte zijn plan, totdat hij in zijn opwinding plotseling morsecode begon te pikken op de bodem van de schotel. Kie-ken-in-de-pot! Kie-ken-in-de-pot! klonk het tergend. Kende de oude hond Lad ook morsecode? Waarschijnlijk: in minder dan drie sprongen hield hij een tuil van hanenveren in zijn muil. Een krijsende haan vloog terug vanwaar hij gekomen was. Ja!! gilde ik enthousiast, en neem je kwak met je mee, stom kieken! 45 jaar later heeft mijn hand weer voldoende huid kunnen vormen om het stigma van de kippenkwak te genezen.
    PAT DENOWH (Arizona, U.S.A.) & JORIS DENOO (Vlaanderen, België)


    06-05-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.158: Politiek programma

    Mijn politiek programma

    Geachte kiezerin en kiezer, beste burgers. Graag pik ik wat van uw kostbare tijd om mezelf voor te stellen en uw stem te vragen. Mijn kandidatuur voor de verkiezingen hoeft niemand te verwonderen. Ik wil macht en ik wil geld. Reeds lang voel ik de politieke microbe in mij woekeren. Het is een schitterende ziekte, waar ik u allen het slachtoffer van wil maken. Wat u dan nà mijn verkiezing uitvreet, gaat me geen bal meer aan. Ikzelf heb de knoop doorgehakt. Ik wil vernieuwing, doorbraak, grote kuis, evenwicht, vooruitgang en rechtvaardigheid. Ik wil ten minste ergens een rustige zetel, om te kunnen indommelen en slapend rijk te worden. Als het even kan: een ministerpostje. Ik denk dat ik er het talent voor heb. En de visie. Als ik spreek, blijft een dichte woordendamp in de cafés hangen. Als ik schrijf, trek ik rookgordijnen op. Mijn lijf vrààgt gewoon om een gratis autonummerplaat en belastingvrijheid. Dat lijf is al op talloze recepties getraind. Mijn glimlach is in mijn aangelaat gebeiteld. Mijn kop straalt politieke integriteit uit. Hij staat ten dienste van de gemeenschap. Hij ziet er ook bruin uit, door de vele korte vakanties op Jersey, op de Antillen, op de Kaaimaneilanden en in andere Zwitserlanden. U kent me en u weet dat ik altijd mijn beloftes waarmaak. Ik wil alle groen weg uit de stad. Daar is het platteland voor, weet u wel. Een stad moet uit neon en beton en fritures en cinema’s bestaan. Wég met die hinderende bloembakken en hangende tuinen. Basta. Fietsers en voetgangers moeten onder de grond, via een tunnelsysteem. Eenzelfde systeem als dat van de buizenpost zorgt ervoor dat ze het echte bovengrondse verkeer niet langer hinderen. Vriendjes worden in mijn politiek zeer gewaardeerd. Mijn vernieuwde aanpak (afbraak sociale zekerheid, ontmoedigingspolitiek voor natuurontwikkelingsprojecten, subsidiestop cultuur, sluiting tijd- en geldverslindende parken en sportvelden, parkeermeters in de buitenwijken) geldt niet voor hen. Voor wat, hoort wat. Ik zal het wel pakken waar al mijn voorgangers het gepakt hebben: bij de gewone man. Ik wens ook uitdrukkelijk belastingen te heffen op lelijkheid. Gedaan met druipende bloembakken op vensterbanken, huisjes met rode of blauwe luiken, gevels in aquarelkleuren, wildplak van rockaffiches, langharig tuig van de richel, kaalgeschoren kotjesvolk, flaminganten met ringbaarden, liberalen met gel op hun kop, socialisten met designdassen en zonnebank-CD&V’ers die een seizoen lang dictielessen genomen hebben. De spitsuren zal ik afschaffen door de scholen langer te laten duren en de fabrieken nog langer. Er komt ook een avondklok. Ze moeten het maar weten, zeg ik. Onze kas kan er wel bij varen. Ja, beste burgers, met uw steun zie ik het wel zitten. Geef me een kontje. Kleur straks mijn bolletje rood, want het is vijf voor twaalf op mijn rolex. Ik sta op de 18e plaats van de lijst Vlaamse Windhanen. Op de groepsfoto herkent u mij aan mijn hangbuik, glimmende kin, worstenvingers. De zon ketst gezellig op mijn trouwring af. Uit mijn linkeroor druipt wat hersensap. Ik draag een driedelig politiek apenpakje. Mijn dienstbetoon? U kunt me altijd aantreffen in café Het Politieke Beest op de Koeienmarkt, de nacht van vrijdag op maandag. Vrouwen graag een rokje, maar zakenmensen gaan voor. Ik ben namelijk een gezonde hetero. Ik zou zo zeggen, geachte kiezerin, kiezer: graag en steeds tot uw dienst. Doorzetten! Werken aan de toekomst! Samen op weg! Inspraak! Verandering! Blablablablablabla!!!


    22-04-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.157: Design

    DESIGN

    De tand des tijds zorgde ervoor dat de stad ons met een gapend gebit toegrijnsde. Ettelijke firma’s, winkels en huizen gingen tegen de vlakte. Overal werden kiezen getrokken. We maalden erom en we baalden ervan. Vaak vonden we het andermaal jammer: dit hier mocht niet verdwijnen, dat daar zou allicht vervangen worden door een nieuwe miskleun. Synchroon daarmee grepen her en der wegenwerken om zich heen. Steeds minder liep de stad de kans om als filmlocatie uitgekozen te worden, tenzij dan als onbestemde, unheimliche ruimte die symbool zou kunnen staan voor het totale niets. Design als onherbergzaamheid. Wie zichzelf om negen uur in de avond door de straten hoorde stappen, terwijl iedereen voor de televisie in de sofa aan topsport zat te doen, kon zich de vraag stellen: ‘Waar is en wat doet iedereen hier nu? (population: 75 000)’. Nou, tv-staren dus. De prijs die voor stadsdesign betaald werd, was hoog. De prijs bestond in ontstentenis van menselijke aanwezigheid. Men was verschanst. Design betekende ook: vesting, wal, versterking, afstand. Er stroomde een rivier door de stad. Gewoonlijk tovert een rivier een blos op beide wangen van zo’n stad. Niet zo hier. Hij passeerde als een vreemd voorwerp, langsheen twee doodstille oevers, rillend en rimpelend. Diende er dan verhuisd te worden? Ach. Een mensenleven lang gaf elke inwoner de stad een kans. Levenslang. Het zou ooit wel goed komen. Niet iedereen immers kon in de hoofdstad wonen, leven en werken. Men offerde een gezellig openbaar leven op voor design. Men bleef thuis en keek oogluikend toe hoe subsidiegelden werden besteed. ‘Wacht maar.’ ‘Het zal nog de moeite lonen.’ ‘We moeten geduld hebben.’ En toen ging men dood. En er waren geen vergelijkingspunten meer, want herinneringen waren alleen nog ingekaderd in foto’s zonder commentaar. Dat overkwam de stad: design. De vlag die de lading toedekte. En de boten op de rivier, ooit gouden lint, thans traankanaal, meerden niet meer aan. Ze lieten de stad zowel links als rechts liggen. De mensen slibden niet meer aan in de winkelstraten. Pleinvrees heerste alom. De lava van design had een nieuw Pompei geschapen.


    13-04-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.156: Kreeft

    KREEFT

    A – Dat horoscopengedoe vind ik larie en apekool.
    B – Je zou er toch van opkijken hoeveel er telkens van de mijne klopt.
    A – Bah, ze schrijven het natuurlijk zo om het te doen kloppen. Ik bedoel: alles klopt altijd. Zo kan ik het ook.
    B – Ja, nee, maar echt: ik ben toch al een paar keer onder de indruk geweest van …
    A – … van die vrouwenwichelarij? Geloof jij daar in?
    B – Zeg, héla. Ik ben er niet dood van gegaan hé!
    A – Nog niet, nee.
    B – Vorige week had ik toch echt …
    A – En je was ziek vorige week!
    B – Ewel ja: en er stond warempel …
    A – ‘Goed contact met dokters’?
    B – Niet overdrijven, hé.
    A – En wat staat er deze week in? Dat je mij zult tegenkomen?
    B – Nee, dat je moet uitkijken voor kleine dingen met grote gevolgen.
    A – Ik?
    B – Ja.
    A – Heb je de mijne dan gelezen?
    B – Ja.
    A – En wat staat erin?
    B – Dat je meer moet luisteren naar wat er gezegd wordt.
    A – Jij bent zeker een Kreeft?
    B – Niet ‘een’ Kreeft, gewoon: ‘Kreeft’.
    A – Jaja …
    B – Chinees of Westers?
    A – O, saignant.


    01-04-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.155: Nicotine

    NICOTINE

    A – Sigaar?
    B – Nee, dank u.
    A – Niet-roker?
    B – Ex-roker.
    A – Aha. Nooit meer … ?
    B – Soms wel, ja.
    A – Maar nu niet, blijkbaar.
    B – Ik rolde ze zelf.
    A – Aha. Hoe lang al?
    B – Zeven maanden en drie dagen.
    A – Grote gribus! Hopelijk lukt dat hé.
    B – Ik voel me al een heel ander mens.
    A – Ja, dat zal wel. Maar ik inhaleer niet. Vroeger wel. Toen rookte ik echt. Allez: écht echt.
    B – En nu alleen nog sigaren?
    A – Drie per dag. Soms kan ik me daar aan houden.
    B – Ik rolde er vroeger dertig per dag, maar het waren van die dunne.
    A – Meer papier dan tabak, haha.
    B – Dat zei mijn grootvader ook. Hij is er 94 geworden. Met roltabak.
    A – Als werkgever neem ik eigenlijk geen rokers in dit bedrijf aan.
    B – Dat was dus een test, daarnet?
    A – Haha.
    B – Roken op het werk is inderdaad tijdverlies.
    A – Vindt u dat ook?
    B – Zeven maanden al. En drie dagen.
    A – Sigaar?
    B – Wel eh …


    19-03-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.154: Gastronomen

    GASTRONOMEN

    A – Ik denk dat ik maar eens de scampi’s neem.
    B – Ik twijfel nog tussen …
    A – Met look, of misschien met die roomsaus.
    B – Het ziet er allemaal wel lekker uit.
    A – Best te vreten hé?
    B – Kiezen is verliezen. Ik denk dat ik het allemaal neem.
    A – We moeten dan nog de wijn bekijken ook.
    B – Jammer dat er geen konijn op staat.
    A – Dat is seizoengebonden zeker?
    B – Ik weet niet of konijn seizoengebonden is.
    A – Of hutspot.
    B – Dat hangt misschien wel af van het seizoen, denk ik.
    A – Weet je wat ik ook van lek-me-lipje vind? Dat is vissoep.
    B – Ja, dat is eten en drinken hé.
    A – Ze zeggen dat van guinness ook.
    B –
    A guinness a day keeps the doctor away.
    A – Is het niet:
    an apple a day?
    B – Whatever. We gaan hier toch geen appelen zitten eten hé.
    A – Maakt te veel lawaai. Nee, we mogen vooral niet te gezond doen.
    B – Zeg, heb je nu al over de wijn beslist?
    A – Nee, ik moet nog … Help eens een beetje.
    B – Die steaks zijn wel aan de dure kant, vind ik.
    A – Ja hé?
    B – Weet je het nu al?
    A – Eh … mm … tja …
    B – Hé?
    A – Een broodje-gezond dan maar.
    B – En voor mij een uitsmijter. Zoveel tijd hebben we nu ook weer niet hé.
    A – Nee.


    09-03-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.153: Verleiden

    VERLEIDEN

    A – Heb jij nog gevlogen misschien?
    B – Nee, waarom?
    A – Je hebt nochtans het lichaam van een stewardess.
    B – Kijk maar uit, of jij vliegt hier buiten.


    26-02-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.152: Opinie

    OPINIE

    A – Mooi hé?
    B – Mja …
    A – Ik vind het echt mooi. Het is zo … zo …
    B – … apart?
    A – Eh … ja, eigenlijk wel.
    B – Eigenzinnig?
    A – Wel eh … ook dat, ja. Nu je het zegt.
    B – Het valt soms moeilijk in woorden te vatten wat we voelen.
    A – Zeg dat wel.
    B – En er zijn ook zoveel meningen als er mensen zijn.
    A – Maar wat vind jij er eigenlijk van?
    B – Mm … mijn mening doet hier niet ter zake hé.
    A – Toch wel, man!
    B – Eh … ik vind het geheel nogal apart.
    A – En ook eigenzinnig hé? Dat woord heb je daarnet gebruikt.
    B – Eh … ja, eigenzinnig is wel een goed woord.
    A – Tja … zoveel mensen, zoveel meningen hé.
    B – Zeg dat wel.
    A – Het is maar goed dat er diverse meningen zijn, anders …
    B – Ja, anders waren we allemaal grijze muizen.
    A – We zouden allemaal hetzelfde deuntje piepen.
    B – … of helemaal niet meer piepen.
    A – Het is goed dat men uitkomt voor zijn mening.
    B – Alleen de ongevraagde en de ongefundeerde meningen zijn uit den boze.
    A – Eh … ja. We moeten niet voortdurend met meningen bestookt worden hé.
    B – Het zou daarom beter zijn dat in de bladen en op tv de acteurs en de schrijvers hun mond hielden.
    A – Je neemt me de woorden uit de mond, man.
    B – Men kan namelijk bepaalde zaken kapot menen.
    A – Zo is het nog maar es ’n keer!


    15-02-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.151: 1e hulp in gevallen

    EERSTE HULP IN GEVALLEN

    A – Weet je, ik zou het je nooit kwalijk kunnen nemen.
    B – Dat is je geraden, verhippeltjes.
    A – Neenee, in alle ernst …
    B – Het zou dan ook buiten mijn wil om gebeurd zijn.
    A – Ik zou het natuurlijk wel erg kunnen vinden.
    B – Dat zou dan voor je pleiten.
    A – Niemand is vrij van dergelijke dingen.
    B – Nou: ‘dingen’.
    A – Ondingen, eerder.
    B – Maar er is tot nu toe niks gebeurd hé.
    A – Nee, we praten alsof …
    B – Toch kan het elk moment toeslaan. Dat besef ik ten volle.
    A – Ik wil me er niet mee moeien, hoor. Sorry als ik die indruk wek.
    B – Ach, je bent heus niet de eerste.
    A – De meeste mensen leggen toch wel begrip aan de dag, neem ik aan?
    B – Je zou nog vreemd opkijken.
    A – Tja, het ligt ook niet zo voor de hand hé.
    B – Dat mag je verdorie wel zeggen.
    A – Ik zou het je zelfs nooit kwalijk kunnen nemen.
    B – Dat is dan goed om te weten, mocht het zich dus voordoen.
    A – De anderen denken er ook zo over.
    B – Is dat zo?
    A – Je mag op alle begrip rekenen.
    B – Het wordt me bijna te machtig.


    04-02-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.150: Verzamelwoedend

    VERZAMELWOEDEND

    A – Die verzamel je dus ook al?
    B – Bah, je weet hoe dat gaat.
    A – Nee, eigenlijk niet.
    B – Wel, op een dag blijkt dat je er twee van hebt …
    A – Ja, en?
    B – En een week later tel je er al drie …
    A – Maar hoe komt dat dan?
    B – Ach, je krijgt er nog eentje, of je botst op alweer een exemplaar, zie je.
    A – Is het een verslaving?
    B – Och, plotseling zit je met een collectie, bijna ongemerkt, en die groeit gestaag aan …
    A – … terwijl jij er niks aan kan doen?
    B – Precies.
    A – Het gebeurt als het ware buiten je om?
    B – Zo kun je het stellen, ja. Het groeit.
    A – Het woékert veeleer, zo te zien. Denk je niet aan ruimere behuizing? Collectioneer je per ongeluk soms ook huizen?
    B – Ja, een pakhuis lijkt me wel wat.
    A – Je kunt ook je verzamelingen afbouwen.
    B – En een paar verzamelingen verkopen, bedoel je?
    A – Bijvoorbeeld. Dan kun je eindelijk eens geld gaan collectioneren.
    B – Tja … daar heb ik ondertussen ook al een flinke kwak van.
    A – O, toon die eens?
    B – Maar die sluimert in het buitenland. Die collectie heeft een buitenverblijf. Eh … binnenverblijf.
    A – Aha, aandelen hé?
    B – Ja … van die onderdelen, ja. Ook best leuk hoor.
    A – En waar heb je nu het minste van?
    B – Tijd, mijn beste, tijd.
    A – Da’s ook geld, schijnt het.
    B – Geloof dat vooral niet. Als geld het slijk der aarde is, dan is tijd …
    A – Oei: is het al zo laat? Ik moet er eens vandoor.


    22-01-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.149: Fakir

    FAKIR

    A – Je houdt het niet voor mogelijk, man. Het was niet van deze wereld.
    B – Slikte hij werkelijk die hele slang door?
    A – Helemaal. De volle negentig centimeter, schat ik.
    B – En het serpent keerde even later terug naar boven?
    A – Heelhuids.
    B – Levend dus ook, heb ik begrepen.
    A – Springlevend.
    B – Deed hij nog van die … eh … die dingen?
    A – Hij reciteerde ook de eerste drie bladzijden uit de Narok zo uit zijn hoofd, mààr dan wel achterstevoren.
    B – De Na … ja zeg, niet lullen hé!
    A – Haha, je hebt ‘m.
    B – Hij stond misschien ook op zijn hoofd daarbij, met de Koran als onderlegger.
    A – Het schijnt ook dat hij al acht jaar uitsluitend gras eet.
    B – Dan is hij vast al heilige koe geworden.
    A – Zo, ik moet er nu eens vandoor.
    B – Maar je lichaam is waarschijnlijk al waar je moet zijn hé.
    A –
    Beam me up, Scotty.
    B – Bij volle verstand, schat ik. De beide helften, I presume?


    09-01-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.148: Cliché

    CLICHE

    A – Mag ik een klassieker op je afvuren?
    B – Ga je gang.
    A – Welk boek neem jij mee naar je onbewoonde eiland?
    B – Het Grote Bouw-Zelf-Je-Hutboek.
    A – En welke drie handwerktuigen die in je broekzak passen?
    B – Drie Zwitserse messen.
    A – Een bord of een kop: welke van de twee?
    B – Een diep bord.
    A – Lucifers of een fles wijn?
    B – Een fles wijn, zeker weten.
    A – O ja?
    B – Ja. En een balpen.
    A – Ah, ik snap al …
    B – En een vel papier.
    A – Lekker cliché hé.
    B – Zo cliché als een kathedraal met duivenstront op.
    A – Ik zie al een fles dobberen op de oceaan.
    B – De wijn is voor de inspiratie.
    A – Als de wijn is in de man …
    B – … is de waarheid in de kan.
    A – Geen lucifers dus.
    B – Nee. En doe me ook maar een kurkentrekker. Het gaat over een fles wijn hé, en niet over een wijnfles.
    A – Ja, het kan koud zijn op zo’n eiland.
    B – Vooral ’s nachts.
    A – En zonder lucifers.
    B – Nog vragen?
    A – Beaujolais of Bourgogne?
    B – Bordeaux graag.


    30-12-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.147: Iets anders

    IETS ANDERS

    A – Iets anders nu … eh …
    B – Was het daarnet niet boeiend genoeg misschien?
    A – Jaja, neenee, dat niet, maar …
    B – Gooi het maar in de groep, man.
    A – Het gaat nu al meer dan een halfuur over waterpolo. Ik … ik verdrink verdomme stilletjes aan; het stinkt hier naar chloor.
    B – Ja zeg, sorry, maar Willy en Marc hier en ik zijn nu eenmaal toevallig …
    A – Zeehonden zijn jullie.
    B – Ben je niet eerder in je bier aan het verdrinken dan in ons … onze …
    A – Moeilijkheden met metaforen hé?
    B – Metawàt?
    A – Omnivoren, amforen, flaporen, … laat maar zitten.
    B – Kijk: nu regent het nog buiten ook. Erg voor jou hé, landrot.
    A – Gelukkig regent het niet binnen, waterrund.
    B – Waterràt, zul je bedoelen.
    A – Nee, rund.
    B – Dat zullen we maar op rekening van de drank schrijven, hé maten?
    C/D – Een zeehond wordt veel vergeven.
    A – Merci, Marco Polo. Merci, Willy Walvis.
    B – Iets anders nu … Volgens mij floot die scheidsrechter keihard voor de andere kant. Zelfs een blinde kon dat horen.
    A – Jeezes!!
    C/D – Water! Water!


    22-12-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.146: Uit de kunst

    UIT DE KUNST               

    A – Pff, ik kan dat ook.
    B – Het is niet zo eenvoudig als het lijkt hoor.
    A – Ik ga u meer zeggen: mijn kinderen kunnen dat ook.
    B – Hm …
    A – Al die krassen en lijnen door mekaar, pff, wat is er daar nu moeilijk aan.
    B – Maar het schijnt dat kenners aan één lijn kunnen zien of de artiest wel degelijk ook een mensenhand kan tekenen bijvoorbeeld.
    A – Ja?
    B – Ja.
    A – En als ik mijn hand nu op een vel papier leg en met mijn potlood er netjes rond ga en daarna …
    B – Dat heeft niks met kunst te maken.
    A – O nee?
    B – Nee, da’s kunst- en vliegwerk.
    A – Wie was die zot ook weer die heen en weer door de verf op zijn doek fietste en daar dan miljoenen voor vroeg? Ik kan ook fietsen, zeg!
    B – Maar jij heet gewoon Jean-Marc Blomme.
    A – Ja, en dan? Moet ik mij daarvoor excuseren misschien?
    B – Je bekendheid laat te wensen over. En je kunt niet schilderen.
    A – Maar ik heb heel mijn huis zelf geschilderd verdomme! Van onder tot boven!
    B – Ewel, dat is dan ook 130 000 euro waard hé.
    A – Eh …




    Zielsverwante links
  • Een blauwe plek & Jong dichter (Joris Denoo)
  • Moord ! (Geraldine Roslare)
  • (M/V): Meester in de Vakken (Eric Otonne)
  • De ongecomponeerde noot (Erica Wrangel)
  • Webstek auteur Joris Denoo
  • Romaneske boeken (Bärbel Urquhart)
  • Satisfiction (Joris Denoo)
  • Vreeslijke verhalen (Sjors DNO)
  • Miljarden flarden

    Blog als favoriet !

    Foto

    Foto

    Bjarne Donderdag in een eindeeuwse sneeuwstorm in Chicago
    Mail

    Druk op de knop


    Archief per maand
  • 01-2012
  • 12-2011
  • 11-2011
  • 10-2011
  • 09-2011
  • 08-2011
  • 07-2011
  • 06-2011
  • 05-2011
  • 04-2011
  • 03-2011
  • 02-2011
  • 01-2011
  • 12-2010
  • 11-2010
  • 10-2010
  • 09-2010
  • 08-2010
  • 07-2010
  • 06-2010
  • 05-2010
  • 03-2010
  • 02-2010
  • 01-2010
  • 12-2009
  • 11-2009
  • 10-2009
  • 09-2009
  • 08-2009
  • 07-2009
  • 06-2009
  • 05-2009
  • 04-2009
  • 03-2009
  • 02-2009
  • 01-2009
  • 12-2008
  • 11-2008
  • 10-2008
  • 09-2008
  • 08-2008
  • 07-2008
  • 06-2008
  • 05-2008
  • 04-2008
  • 03-2008
  • 02-2008
  • 01-2008
  • 12-2007
  • 11-2007
  • 10-2007
  • 09-2007
  • 08-2007
  • 07-2007
  • 06-2007
  • 05-2007
  • 04-2007
  • 03-2007
  • 02-2007
  • 01-2007
  • 12-2006
  • 11-2006
  • 10-2006
  • 09-2006
  • 08-2006
  • 07-2006
  • 06-2006
  • 05-2006
  • 04-2006
  • 03-2006
  • 02-2006
  • 01-2006
  • 12-2005
  • 11-2005
  • 10-2005
  • 09-2005
  • 08-2005
  • 07-2005
  • 06-2005
  • 05-2005
  • 04-2005

                                                  COPYRIGHT JORIS DENOO
    Foto

    Foto


    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!