NIEUW: Blog reclamevrij maken?
SCHUINE TEKSTEN
Inhoud blog
  • 315: Roland
  • 314: Bermkip
  • 313: Men
  • 312: Bruder Lustig
  • 311: Signeergesprek
  • 310: Rook
  • 309: Ode aan mijn bh
  • 308: Alfa
  • 307: Vijgen voor Pasen
  • 306: Wereldsmart
  • 305: Jonge ouderen
  • 304: De Boekenkrijg
  • 303: www.zot.com.bébé
  • 302: Echte fictie
  • 301: Mundial
  • 300: De Felle
  • 299: Westlof
  • 298: Lam Gods
  • 297: Jacky
  • 296: Hop paardje hop!
  • 295: God?
  • 294: Acoliet
  • 293: PP
  • 292: Netwerk
  • 291: Leffaards
  • 290: Het varkensei
  • 289: Geheim
  • 288: Geknipt
  • 287: Geloof
  • 286: Stommeling
  • 285: Een aardig ding
  • 265: VRESELIJK
  • 284: Kloon
  • 283: Allojjo
  • 282: Schaakstuk
  • 281: Communicatie
  • 280: Figuur
  • 279: Hairbag
  • 278: Lijstjes
  • 277: Jos, Joste, Gejost
  • 276: Melk?
  • 274: Frinch fraais
  • 273: Mager Heineken
  • 272: Appartemens
  • 271: Gestopt
  • 270: Ik zou u schrijven
  • 269: Koksmonoloog
  • 268: Een photo
  • 267: Getetter & Getoeter
  • 266: Water
  • 264: Beu
  • 263: Acteur
  • 262: Vederlands
  • 261: Etters & Engelen
  • 260: Men spele...
  • 259: Kwaak
  • 258: Geschoold
  • 257: A la recherche
  • 256: WJZBJZ
  • 255: Eindelijk
  • 254: 'Het' gezin
  • 253: Repetitieruis
  • 252: Kiespijn
  • 251: Reis Hiernamaals
  • 249: Gezondheid
  • 248: Speeltijden
  • 247: Rood licht
  • 246: Ruis
  • 245: Weg
  • 244: Mom
  • 243: HET JAAR ELF
  • 242: Kloon
  • 241: In de put
  • 240: Huid & Haar
  • 239: Zomer 11
  • 238: Duimen maar
  • 237: Poirot
  • 236: Smoke
  • 235: Collateral
  • 234: Nachtraven
  • 233: Undercover
  • 232: Frietpeace
  • 231: Kopie-Kopie
  • 230: Gezeid is gezeid
  • 229: Vreemde man
  • 228: Een stuk
  • 227: België
  • 226: Mijn meesters
  • DRAMA
  • 225: GVD
  • 224: Veldinterview
  • 223: Sprook
  • 222: Zappa
  • 221: Een bod op God
  • 220: Curryculum Vitae
  • 219: Tovenaar
  • 218: Perspest
  • 217: Animatietype
  • 216: Ruim
  • 215: De erwt
  • 214: Podiumbeest
  • 213: Mobiliteit
  • 212: Twee tijgereieren
  • 211: De kus
  • 210: Wolf
  • 209: Een reus
  • 208: Opsporingsbericht
  • 207: K met zuurpruim
  • 206: Volksverlakkerij
  • 205: Doppedrop
  • 204: Kap
  • 203: Affiche
  • 202: Regen
  • 201: Stuk
  • 200: Hair
  • 199: Wie A zegt
  • 198: Bijsluiter
  • 197: TV
  • 196: Arno
  • 195: Letters & Letteren
  • 194: Taalkunde
  • 193: Onder de zon
  • 192: Besparen
  • 191: De goede man
  • 190: Van die dagen
  • 189: Zwarte zwaan
  • 188: Questionnaire
  • 187: Say cheese
  • 186: Loteling
  • 185: Een zwaluw
  • 184: Grijs
  • 183: Claus
  • 182: Liefhebber
  • 181: Monumenten
  • 180: Erger
  • 179: Landbouw
  • 178: Bijna
  • 177: Onafhankelijkheid
  • 176: Zo fout als wat
  • 175: Wei-gevoel
  • 174: Merk
  • 173: Mens
  • 172: Pikant
  • 171: 50 vragen
  • 170: Jinx
  • 169: Wiskunst
  • 167: Met alle Chinezen
  • 166: Mooiste woorden
  • 165: Rijm
  • 164: Internetman
  • 163: EVBO
  • 162: Hondenleven
  • 161: Carrière
  • 160: Coureur local
  • 159: Kip ik heb je
  • 158: Politiek programma
  • 157: Design
  • 156: Kreeft
  • 155: Nicotine
  • 154: Gastronomen
  • 153: Verleiden
  • 152: Opinie
  • 151: 1e hulp in gevallen
  • 150: Verzamelwoedend
  • 149: Fakir
  • 148: Cliché
  • 147: Iets anders
  • 146: Uit de kunst
  • 145: Appartemensen
  • 144: Wereldwoeden
  • 143: Ongerijmd
  • 142: Dagboek van 1 dief
  • 141: Vioolkist
  • 140: Ouden van dagen
  • 139: Automatische piloot
  • 138: Leugendetector
  • 137: Hotel Milan
  • 136: De Diepe Gedachte
  • 135: De weg vragen
  • 134: Mag ik overvaren?
  • 133: Leven op Mars
  • 132: Vogelvlucht
  • 131: Faer♠er-gevoel
  • 130: Lolbroek
  • 129: Sollicitatie
  • 128: De Q van Proust
  • 127: Volg je nog?
  • 126: Kerstmisdaad
  • 125: Hartstuk
  • 124: Mozart in november
  • 123: Heb je gedronken?
  • 122: Frambozen in melk
  • 121: Appelschudder
  • 120: Quo Vadis?
  • 119: Niespijn
  • 118: Rog
  • 117: Opiniepeiling
  • 116: Vragen aan 1 engel
  • 115: Garnaal
  • 114: De collectie
    Zoeken in blog

    Foto
    Aan de sneeuwzee in Vlaanderen, februari 2012
    Foto

    Jowan & Joris in Stotendorp Heule

    Foto

            Red shoes Wilma

    Foto

    Younger me, already salt 'n pepper

    DEZE KANT BOVEN (Sjors DNO)
    SCHUINE TEKSTEN
    27-11-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.242: Kloon

    KLOON 

    Ik droom van een theaterstuk waarin twee schommels op het podium staan.
    Ze bewegen zacht in de wind, terwijl het publiek de zaal binnenkomt en na het hoffelijke babbeltje met de buren op de zitplaatsen voor, achter, rechts en links gaat zitten. Er mag wat geknars en geknierp te horen zijn: de schommels hebben wat olie nodig, zoals alle schommels. Uit het leven gegrepen! Dan komt op de linkerschommel een viersterrenmeisje zitten. Neen: ze heeft geen lolly in haar mond. Even later neemt op de rechterschommel bijvoorbeeld Elvis Presley plaats. Of een buurvrouw. Of een astronaut. Dan ontspint zich natuurlijk een gesprek. De schommels kunnen daarbij een leuke bijrol vertolken: simultaan-synchroon, als tegenliggers, één in beweging en één bevroren … We komen te weten dat het viersterrenmeisje de helft van een tweeling is. Elvis Presley ((laten we die versie eens nemen) is een lookalike die in het werkelijke leven sedert kort lesgeeft in Nederlands en Engels. Hij heeft dat diploma door studie in de gevangenis verworven. Tijd zat. Voorheen was hij namelijk een geducht gangster, met bivakmuts en masker op. Zijn gelijkenis op de wereldbekende heupzanger exploiteert hij niet. Hij slaat er geen munt uit en gaat nooit naar elvismeetings. In mijn stuk zou ik ook graag echte duiven en mussen laten fladderen en scharrelen. Broodkruimels zullen hierbij noodzakelijke rekwisieten zijn. De regisseur moet natuurlijk een dirigent zijn. Hij moet metronomisch gevoel hebben om de schommels te beheersen. Misschien mag er ook een grote metronoom voor of achter op het podium. Het viersterrenmeisje, zo leren we, zou graag apothekeres worden. Dan zou ze een pil uitvinden die belet dat de ene mens op de andere mens gelijkt. Ze heeft daar dus – volgens het stuk – een paar redenen voor. Zelf gelijkt ze ook op de Egyptische koningin Nefertiti, vrouw van Achnaton. Dat vormt echter geen noemenswaardig probleem. Elvis prijst haar om haar klassieke schoonheid en haar dubbel geperforeerde oorlelletjes. Nu moet ik nog een titel vinden.
    Hoe zal ik mijn stuk gaan noemen? Niets schommelachtigs. Wat dacht u van ‘Kloons’? ‘Bring in the kloons?’ ‘Waltzing kloons?’ Ach, titels!


    28-10-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.241: In de put

    IN DE PUT

    In Onbeschaafd Nederlands gezegd en geschreven: ik heb er mijn buik van vol. Waarvan? Van die wegenwerken, ook getiteld Wegwerkzaamheden. (Wat een spuuglelijk monstrueus lang woord). Ik hoef u de betreffende omleidende of stuitende taferelen allicht niet te beschrijven. De minister van asfalt en beton zit volledig aan de grond en in de put. Alle wegen die ooit naar Rome leidden, brengen u nu naar de hel of een vagevuur ergens in het hol van Pluto of in de verafgelegen negorij Waarbennekiknu. Overal zijn menselijke mollen aan het werk. Van zohaast een mollenpeloton zijn werk heeft verricht, duiken er verse eenheden op. Het zijn ook vaak echte mollen, want niet altijd zijn ze zichtbaar. Soms trekken ze zelfs tenten op, om hun onzichtbaarheid nog te vergroten. Soms vervangen ze zichzelf door een oranje pop die eenarmig met een vlaggetje staat te zwaaien. Onnodig terug te zwaaien. Of met een colafles urine te gooien. Op vele wegen die dan uiteindelijk toch weer naar Rome leiden, ontwaar je dan nog vage gele strepen. Dat zijn de remsporen van de mollenkolonies. Van het Woeden der Wegwerkzaamheden, spaar ons, Heer.


    25-09-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.240: Huid & Haar

    HUID EN HAAR

    Wat drijft iemand om in de huid van een ander te kruipen? Waarom is men bereid zich als iemand anders te gedragen en spelend vreemd te gaan? Als uk wou ik een berenvel. Dat stond jarenlang nummer 1 op mijn verlanglijstje. Nummer 2 was een machine om wind te maken. Vermomd als beer zou ik, onherkenbaar, mijn medemensen de stuipen op het lijf jagen. Het liefst bij storm en ontij. De goede man bracht me echter geen berenvel. Nooit. Evenmin een windmachine. Ik ben nog altijd boos op hem. Overigens is hij zelf ook iemand die een rol speelt. Draagt hij immers geen pruik, valse baard en snor en theatrale kleren?
    Tijdens de voorbije Ronde van Frankrijk zag ik op tv opvallend veel pruiken, hoofddeksels en vermommingen langsheen de Franse wegen. Vooral de geweimensen en de Noormannen scoorden hoog. Ik zag ook twee pausen. Het is blijkbaar de behoefte van de mens zich een andere mens aan te meten. In huid, met haar. Schrijvers, undercoveragenten, advocaten, travestieten en acteurs: zoek het verband. Sommigen mogen beroepshalve liegen of zich anders voordoen dan ze in het werkelijke leven zijn. Sommigen mogen zich ook verkleden om hun beroep uit te oefenen. In een uniform mag je zelfs in bepaalde omstandigheden iemand … nou eh: onklaar maken. Carnaval, Halloween en Driekoningen zijn ook bekende openluchttheatertoestanden. Meer is dan toegestaan voor de vermomde. Rekruteren liefhebbers- of beroepsgezelschappen later bij voorkeur uit deze beschilderde losbollen, snoepmoordenaars of Wijsjes uit het Oosten? Jong geleerd, oud gedaan, tweede huid nog niet afgedaan?
    Ikzelf heb een knullige acteercarrière. Ik mag dan al theaterteksten en andere dingen schrijven, maar mijn actieve rol wat acteren betreft, beperkte zich tot een wit laken. Misschien betrof dit een afgeleide van het berenvel uit mijn prillere jeugd. In de jeugdbeweging speelde ik als negenjarige een spook in een dodendans, natuurlijk onder een wit laken. Daarbij zwierde ik per ongeluk en in mijn enthousiasme een fles limonade van een tafel. Mijn acteercarrière werd abrupt onder dat witte spooklaken gesmoord; ik kreeg een oplawaai vanjewelste van een zg. ‘leider’, versie jaren zestig, dwars door dat laken heen, waar hij mijn kop vermoedde. Daarna en daardoor ben ik aan het schrijven geslagen. Ik lieg dat ik zwart zie. Ik vind personages uit, met huid en haar. En ik voel me er beregoed bij.


    19-08-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.239: Zomer 11

    ZOMER 11

    Een uiterst vermoeide ober aan de Vlaamse kust brengt me terminaal sloffend mijn drankje.
    Boven het terras tapet muisgrijsheid het zwerk dicht. Mensen met herfstjassen aan overbevolken de horecabedrijven al van in de vroege voormiddag. Een horecavrouw hangt een mosselspandoek over de breedte van enkele ramen en jaagt zodoende op staande voet twee boze klanten weg, die eerder al boos waren omwille van de norse bediening door de ober. Zal het nu ook weldra gaan regenen?
    Dichtbij situeert zich de bekendste vismijn van de kust. Vele steenworpen verder nemen de politici van het druilerige koninkrijkje België de draad van hun ‘onderhandelingen’ weer op. Telkens weer worden ze gefilmd en geïnterviewd door een horde mediamensen, alsof het echte helden betreft. Wat drijft ze tot deze uitzichtloosheid, dat valsdappere geglim- en gegrimlach, die duffe werklunches, de nachtelijke vergaderingen, de eindeloze repetitie van immer dezelfde moeë clichés? Veel centen leiden naar macht, schijnt het. Ze hebben momenteel geen macht. Ze zijn amechtig. Het moeten dus de centen zijn. Volgt dan de macht? Neen. Wie al meer dan een jaar tot geen vergelijk of consensus komt, wordt machteloos.
    Terug naar de kust. Vooraleer ik aan zand toe ben, geef ik me over aan de klassieker: mosselen. Dat spandoek heeft misschien zijn effect niet gemist. Maar ik verorber de lekkertjes wel in een ander horecabedrijf, inderdaad ook omwille van die ober plus panoramafnuikend spandoek. Het blijft echter zo muis-, ja: olifantengrijs dat ik naderhand veroordeeld ben tot enkele koppen koffie in het hinterland. Ondertussen hoor ik in de auto op radio Culture drie Franse enthousiastelingen het proza van Ernest Hemingway loven en prijzen dat het bijna niet meer mooi is. Deze oorlogsliefhebber heeft met zijn journalistieke pen volgens het superlatievende trio de literatuur een bepalende en deugddoende zwik gegeven. Deze zomer memoreerde men ook zijn zelfdodingsdag, een halve eeuw geleden.
    Schrijver dezes trekt zich tegen valavond terug in zijn stulp, om verder het jaar elf in de gaten te houden en daarvan gewag te maken. Vooraleer ik aan thuiskomst toe ben, moet ik me noodgedwongen overgeven aan een onvervalst donder-en-bliksemtempeest. Het ‘doet zo lelijk’ dat het mooi is. Ik detecteer hierbij tot tweemaal toe een voorwerp uit vervlogen tijden: een regenkapje. Zo’n ding veroorzaakt ondanks zijn bedoeling altijd haast. De vrouwen eronder (geen man torst dit ooit) laveren ijlings tussen de druppels door.
    Ook dit is het jaar elf, nou: de zomer.


    25-07-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.238: Duimen maar

    DUIMEN MAAR

    Duimapplaus moet vreselijk zijn. In het Nederlandse Gebarenboekje vindt u de exacte beschrijving van het gebaar. Pakweg vierhonderd toeschouwers blijven na afloop van een voorstelling zitten, heffen ostentatief hun handen voor hun gezicht en tikken tergend hun duimnagels op elkaar. Stel u dat onwezenlijke geluid voor in een mooie pluchen zaal, terwijl de acteurs vlak na hun buiging beduusd en verbouwereerd de zaal in staan te kijken. Duimen zijn belangrijk. Ze onderscheiden door hun gebruik onder andere de mens van de aap. Geheven duim: oké. Duim down-under: bukken, man, de tomaten komen eraan! Het bekendste strijkorkestje ter wereld is dat van de duim tegen de wijsvinger. Het is het strijkje dat het prijskaartje of het kostenplaatje begeleidt, om het met een interviewcliché te zeggen. Mooi woord overigens, ‘duim’, voor de meest worstachtige onder onze vingers. Zijn er bekende gevallen van zo’n duimapplaus in de theaterwereld? Geroep en gefluit vallen meestal ten deel aan stukken of prestaties die men niet snapt of die niet goed gebracht werden. Zelfs Tsjechov kon erover meespreken, in zijn begindagen als theaterauteur.
    Vooraf duimen voor een goede afloop gebeurt ook maar beter niet. Je mag het lot niet tarten. Dan worden benen gebroken. ‘Jinxen’ is gevaarlijk: iets op een of andere manier uitdrukkelijk wensen. Misschien is het beter de fingers stiekem crossed te houden en stilletjes te hopen dat niemand uit zijn rol valt, dat er zich geen hoestola’s in de zaal voordoen, dat de elektriciteit het niet begeeft, dat de grimeur op tijd is en dat oom Wanja de slappe lach niet krijgt.


    PS De voorstelling Klein Duimpje van het kindertheatergezelschap Kindly yours kreeg wel een kleine doch krachtige staande ovatie. Het was een stuk om duimen en vingers bij af te likken.


    23-06-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.237: Poirot

    POIROT

    Wie is de bekendste Franssprekende Belg in het buitenland? Hercule Poirot, oui. Hij wordt heden ten dage weer ten tonele gevoerd middels een BBC-serie op een van de Vlaamse televisiezenders. David Suchet geeft hem gestalte. Hoewel het strookt met wat schrijfster Agatha Christie van het personage maakt, is het toch jammer dat men er in de Suchet-versie zo’n verwaande fat van maakt. Het inktzwarte krulsnorretje is erover; de nichterige pasjes nog meer. De zwartgeverfde karige haren (‘Ik geef mijn haar zijn natuurlijke kleur terug’, dixit het personage) en de lakschoentjes doen aan decadente commedia dell’arte denken, of aan de professor in Dood in Venetië. Nu, de Belgische detective draaft dan ook op in scenario’s die als een poppenkast in elkaar gezet worden. De intriges en de moordpartijtjes gebeuren tussen dienbladen met sherry op en in lounges van hotels en pensions. De slachtoffers vallen gewoonlijk nogal bloedloos te gronde. Er zijn weinig sporen van geweld, want bovenal houdt Poirot van orde en netheid. Hij handelt zoals elke televisiedetective: hij maakt zijn handen niet vuil, duikt in en uit taxi’s, auto’s en treinen, luistert goed naar slager, bakker, butler en kamermeisje en forceert op die manier via zijn zelfverklaarde geniaal werkende cellules grises dat beetje geluk dat ook een goede keeper moet hebben. Morse, Barnaby, Taggart, Frost, Lynley, Dalziel, Rebus, Lewis, Holmes: illustere linksrijders, sommigen onder ze stevig op drank, koffie of vast voedsel gefocust. Niet zo Hercule Poirot: hij nipt zuinigjes van crème de menthe of warme chocolade en neemt treinen en taxi’s.

    Acteurs die Hercule Poirot vertolkten:


    22-05-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.236: Smoke

    SMOKE

    Zag je onlangs nog iemand een sigaret opsteken met een lucifer? Roken is al uit den boze; de lucifer oogt oubollig. Wanneer de lucifervlam plotseling gedoofd wordt door een oude windvlaag uit het westen, dan bevinden we ons in een oude film. Zenuwachtige lipstickvrouw met lange filtersigaret versus man onder hoed met kortere machoversie tussen de lippen. Tussen twee windvlagen in last de vlam van de lucifer een verbond tussen de vrouw en de man, want ook de ogen spreken boekdelen. Het wordt een interessante schroeiplek op deze blauwe planeet, lang voor de ozongaten. De sigaret als vredespijp. Oude filmhelden en –heldinnen roken als schoorstenen. Peuken en afgebrande lucifers worden achteloos op de grond gegooid, soms verder onder de voetzool doodgetrapt, zelfs in mooie hotelkamers. Achtergronden die hier tot de verbeelding spreken: de Arc de Triomphe, een straat met lindebomen in Berlijn, een vliegveld in Casablanca. Het is donker, naoorlogs of ten minste Koude Oorlog. De wereld hangt af van die lucifervlam, want de mensheid hangt andermaal in de touwen. De blauwe planeet kan ieder ogenblik weer in puin vallen, zoals al voorheen gebeurde. De troost en wellicht ook de oplossing zitten ‘m in het aanstrijkgebaar van de man die de lucifer hanteert, de vlam, de lengte van de sigaretten en de rest is geschiedenis, nou: wordt geschiedenis. De eindgeneriek toont alsmaar nieuwe namen. Vers vlees. Geroosterd op de grill van ’s mensen historie. Rook, leven, liefde en dood. Rookt God?


    25-04-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.235: Collateral

    COLLATERAL

    Podiumberoepen: acteur, goochelaar, zanger, stand-upcomedian, entertainer, presentator, cabaretier. Ik vergeet er nog. Meestal komen die personages vaak en uitdrukkelijk in beeld of in ons vizier. Met of zonder plankenkoorts, die ze al dan niet bestrijden met rituelen. Er zijn ook bijrollen. Sidekicks. Aangevers. Nevenfiguren. Er zijn zelfs hoofdbijrollen, op tv. Dat zijn de onafhankelijke beroeps die geheel alleen optreden, noodgedwongen, geïnterpelleerd door journalisten, met wisselende bekommernissen. Dat zijn de BBV’s, de Bijna Bekende Vlamingen, of de collateral BV’s, zeg maar. Voorbeelden. Auto’s met mensen erin slippen. Er moet zout gestrooid worden. Dat zout raakt op. Drama. Ilse Luypaerts lost dat op. Zij wordt een BVV in de maanden december tot februari. Zij krijgt een bijrol in het grote drama van de Belgische mensheid. Overstromingen. Branden. Ontploffingen. Drama. Wauthier Robijns staat paraat, namens de verzekeringssector. Fileleed. Mobiel België staat stil. Drama. Maarten Matienko is hier de rots in de branding. Hij zal je aanraden pas zondag te vertrekken. Wat kan er verkeerd lopen? Hoe lang is uw remafstand? Voelt u zich een gordeldier? Drama. Maid Marjan Duchesne snelt u glimlachend ter hulp. Treinen te traag? NMBS alweer niet van haar woord? Botsingen? Frédéric Petit legt het wel uit. Puur fictie, die Frédéric! Winkelellende. Koopjes. Sperperiode. Percenten en serpenten. Drama. Opeenvolgende woordvoerders van UNIZO bezweren de gevaren ter plekke. Drie verschijningen en ze verkrijgen het BVV-statuut. Zo zijn er nog van deze toevallige bijrollen. Ze krijgen door omstandigheden een kans op dat rechthoekige scherm van afschuw, het podium van de eenentwintigste eeuw. Ze kunnen een Oscar krijgen als ze het collectieve probleem goed bezweren of weten uit te leggen. Ze worden niet gevraagd in de grote shows, de lullige panelgesprekken, de hoeraquizjes, de billenklets- en gierprogramma’s op de tv van de BV’s. Ze staan voor collateral damage, of althans: zij moeten die nevenschade uitleggen en zeggen dat het wel goed komt. Drama. De echte werkers zijn nooit zo zichtbaar als de zogezegde helden. En toch is misschien hun plankenkoorts groter.

    PS Ik heb het dan nog niet eens gehad over nieuwslezers op tv. Wist u dat die geen benen hebben? Over halve zichtbaarheid gesproken.


    03-04-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.234: Nachtraven

    NACHTRAVEN

    Nighthawks – Edward Hopper. Verveling en eenzaamheid ten top gedreven en te kijk gezet in de glazen kijkkast van een New Yorkse ‘diner’ begin jaren veertig. Het is een van de bekendste schilderijen ter wereld. Vier vastgespelde vlinders in een vitrinekastje. Je kan er dwars doorheen kijken en toch bulkt het plaatje van afstand en onbereikbaarheid. Alsof je in de zoo naar vreemde wezens kijkt die achter glas gevangen worden gehouden. Candid camera of splendid isolation? Gezien willen worden of ongezien en ongestoord willen blijven? Heeft men vensters en ramen als uitzicht op de wereld of dienen die om er gordijnen voor te draperen? Denk aan de glasgordijnen die vele ramen bedekken. (Ik associeer er onwillekeurig lijkwaden mee). Die verhullen het schouwtoneel op aarde (het kamertoneel, zo je wil), maar ze zijn toch transparant genoeg om nog de contouren van mens, tv-scherm en computer te ontwaren. Tegelijkertijd opaak en doorzichtig. Een combinatie: ik wil niet dat je me echt ziet, ik hoop dat je me ziet. Voorbijgangers zien dan een individu aan een computer zitten: eenzame nighthawks in contact met www. Communicatie ten top gedreven en te kijk gezet in de glazen kijkkast van een Vlaams woonhuis in de eenentwintigste eeuw. Chatrooms die er geen zijn, contact dat er niet is. In de jaren zeventig, tachtig flakkerden ’s avonds overal de blauwe en later kleurrijke televisieschermen op wanneer je door de stad stapte. Je zag er de menselijke contouren aan topsport doen in hun sofa’s. De daaropvolgende decennia werden de screens flatter en groter, en vaak ook ontwaarde je het kleinere broertje in de huiskamer: de pc of de laptop. Het zijn de vaste ingrediënten geworden van de schouwtoneeltjes ten huize van zovele nighthawks. Die nachtraven vliegen niet echt meer uit. Ze doen virtuele uitstapjes. Soms gebruikmakend van onechte namen, zoals mensen in de huid van iemand anders kruipen en acteur worden. Het hoofdpersonage in Hoppers Nighthawks zit met zijn rug naar ons toe. Buiten is geen levende ziel te bespeuren. Twee andere tooghangers lijken een dialoog te hebben met de barkeeper. Ieder ogenblik kan er een raaf te pletter vliegen tegen die zee van glas die ‘les gens de la nuit’ omhult en beschermt. Drama. Dimmen.


    06-03-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.233: Undercover

    UNDERCOVER (HAIR)

    In het literaire en het theatrale wereldje kom je nogal es types tegen met gladgeschoren schedels en moeilijke brilletjes op hun pief.
    Het camoufleren van enerzijds gebrek aan haar anderzijds gebrek aan verstand is er schering en inslag. Het lijken wel kloons van elkaar, al die moeilijkdoenertjes. Deze concentratiekamplook werkt ook dubbel. Men weet nooit goed wat men voor zich heeft: is men nou kampdokter of is men nou gevangene? Wanneer ik andermaal zo’n culturele Schedelmans zie opdoemen, zet ik mijn zonnebril op en ken ik hem een nummer toe. Ik zit al aan nummer 1.234.567. Zoveel exemplaren sjokken er rond. Deze Schedelmansen scheren zich daarenboven ook maar om de vier dagen. Zo creëren ze graag een indruk van geleerde verstrooidheid of geniale vergeetachtigheid. Geen tijd gehad. Bezig geweest met Moeilijke Dingen, dag en nacht. Zij staan hun kingewas toe even lang te worden als de afgeroetsjte groei op hun hoofd. Eigenlijk was dat ongeschoren syndroom het handelsmerk van het reclame- en copywritersgild. Helaas voor hen zijn ook andere beroepen zich om de vier dagen niet meer gaan scheren. Andere beroepen profileren zich plotseling ook modieus. Advocaten harken hun haren achteruit of laten die welig tieren. Aldus zien ze er vaak uit ofwel als tuig van de richel ofwel als kunstschilder of toondichter. De grens tussen recht en misdaad en kunst is smal. Acteurs vertonen nogal es de neiging kaal te worden. Doodgewoon kaal. Qua metamorfose valt daar veel mee aan te vangen. Een positief punt op het cv: beschikt over geen haar. Het gebeurt wel vaker dat zo’n acteur plotseling wanggewas gaat kweken. Vooral als hij al bekend genoeg is. Daar valt ook veel mee aan te vangen. Inzepen en afscheren bijvoorbeeld.
    Nu scheer ik mezelf weg, vooraleer zo’n kampbewaker op me afkomt. Ik smeer ‘m.


    02-02-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.232: Frietpeace

    FRIETPEACE

    Vette hap in magere dagen. Toeverlaat der hongerigen. Keet van vertrouwen. Alomtegenwoordige kathedraal van kroketten. Basiliek van burgers. Tempel van look en sissend vet. Sluiphok der scholieren. Steun voor de innerlijke mens. Rantsoenpost der gezinnen en alleenstaanden. Sis voor ons.


    Als er geen frietketen waren, dan zouden we ze weer uitvinden en laten beschermen door Monumentenzorg, Vlaanderen B-plan en een paar ministeries tegelijk. En nog een handjevol politieke partijen ook, want iedereen moet eten, nietwaar. Wat is er inderdaad nog gezelliger dan teeveestaren? Hongerend naar de eeuwigheid frieten plukken uit een pakje of een zakje, die eerst even kopje-onder gaan in een kledder mayonaise of pepersaus. Wat overstemt het gedruis van die hemeltergende Vlaamse regen en auto's op pletsende banden? Het allesbegrijpende gesis van vet in een frietkeet. Wat evenaart de douche thuis? De wind die uiteenwaaierend hemelwater onder de luifel van een friture jaagt, bijgestaan door opspattend modderwater van voortjakkerende gezinswagens. Waar praat je tegen een hondje met een hoedje op? Daar. Waar vind je de laatste resten echte democratie? Ook daar. In de friethalle. Ik hoorde er zelfs eens een rechter boeren. En als je liever niet gezien wordt met friet, vraag je maar iets burgerachtigs. De burger heeft nu eenmaal medezeggenschap. Ooit stond ik met twee Kortrijkse parlementariërs in een zeer bekende frietkeet aan het station. Ze konden er nog net bij; het was geen weer om een hond door te jagen. Ik stond er wel al. Ik zweer het u: voor de duur van één met witte pepersaus (plusminus negen minuten) heb ik daar toen eindelijk eens een zinvol gesprek gehad met politici. Dat was een primeur voor mij, in volle winter dan nog. Want als ik er zo een zie naderen, dan krijg ik onmiddellijk zeer bloederige ketchupvisioenen. De cement van ons toenmalige gesprek vormde de friet. We praatten, onze mond vervuld van warme patat. En weggedrongen in een hoek plukten we broederlijk onze frieten uit een ouderwets puntzakje. Ook toen wedijverde het frituurvet met de regen in lawaai: alles ziedde en schuimde en kookte. Haastig hapten we segmenten uit onze democratische frikadel, vervaardigd uit oud papier en oostpriesterhulptextiel. Onderzoek aan de universiteit had toen al uitgewezen dat frikadellen en hamburgers vooral bestonden uit oud papier, advertentiebladen, onderbroeken en legervoorraden kousen. Allemaal gerecycleerd, zoals het hoort. Jammer dat na ons bezoek aan de patatkraam de ban gebroken was. De passie was weg. De honger was gestild. Ieder ging zijns weegs, naar zijn taverne of naar moeder de teevee. A propos: waarover toen mijn gesprek met de twee parlementariërs ging? Ik monsterde hun frikadellen, wachtte tot die half op waren en somde dan de ingrediënten op waaruit die vervaardigd waren: oude verkiezingsdrukwerken onder andere. 'Heren,' deelde ik hen mede, 'u bent uw eigen leesvoer aan het opvreten. De cyclus is weer rond. Er is toch nog rechtvaardigheid in dit land'. Nou, ze namen het nog goed op. We stelden namelijk ter plekke een onderzoekscommissie in en probeerden te ontdekken tot welke politieke strekking de restjes frikadel behoorden. Geen probleem: ze kozen prompt voor de meerderheid. De mond van de beide parlementaire heren, met name. Frietpeace: de basis van onze democratie.


    08-01-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.231: Kopie-Kopie

    KOPIE-KOPIE

    Het wuivende groen in mei en in de ramen de weerspiegeling van het wuivende groen in mei. De maan die ’s nachts het water in de vicieuze kasteelwal verlicht waar ook de maan in dobbert. De wortel van de boom die de kruin herhaalt en omgekeerd. De bewolking in juli die ook op de gezichten van de bevolking te zien is. Een naam die je net zo goed achterstevoren kunt lezen. Een lepelnaam dus. De stad die in de glimmende regenstraten als haar eigen onderwereld weerspiegeld wordt. Iemand die zegt ‘Wat je zegt, ben je zelf’. Het atelier van de schilder met de schilder zelf erin perfect gekopieerd in het oog van de schilder die naar je kijkt op zijn zelfportret dat net echt is. Twee mensen die precies op hetzelfde ogenblik krek hetzelfde zeggen. De vergelijking ‘een roos is een roos is een roos.’ Het perfecte rederijkerskruiswoordraadsel. Tot je ontzetting je eigen gezicht herkennen in de reflectie van het etalageraam van een babyklerenwinkel terwijl je dacht: ‘Wat is die lelijke uitstulping daar? Wat een tronie!’ De echo van je eigen woorden in dat klankhol van je hoofd herhaald horen met terugwerkende kracht. Het spiegelschrift van de cafébazin. De gelijkenis tussen grootouders en kleinkinderen en grootouders. Andy Warhol. De poets wederom poets. De boemerang. De jogger die in het midden van zijn leven van zichzelf wegloopt en zolang voortsjokt tot hij zichzelf weer tegenkomt, want de aardbol is rond. Hij wint een dag tijd, want hij vertrok in oostelijke richting. Rijm dat rijmt met een ander rijm. Een soort achterklap, weet u wel. Klanken en noten die herhaald worden. Repercussie, repetitie, herhaling van reclame, alliteratie, stafrijm, de behoefte van de mens (en het kind) aan herhaling. De ene Griekse zuil die de andere oproept. A gaat voor B. Spic vraagt om Span. Gas en elektriciteit. Os en ezel. Bang en wezel. Rust. Evenwicht. Dit zou de winter kunnen zijn. want januari volgt op december, dat aan januari voorafgaat. Wie zoekt, die vindt, wat hij zoekt. Het (inter)net is een (spinnen)web. U ziet uzelf. U bent uw eigen schermbeveiliging.


    12-12-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.230: Gezeid is gezeid

    GEZEID IS GEZEID

    Waar is mijn piet nu weer, zei Sinterklaas, en hij zocht wanhopig tussen de plooien van zijn tabbaard.

    Wat is dat gelul toch allemaal over die zak, zei Sinterklaas, en hij sjorde zijn lange onderbroek nog maar eens op.

    De daken zijn niet meer wat ze geweest zijn, zei Sinterklaas, en hij struikelde over een zonnepaneel.

    Wie stout is krijgt de roe, zei Sinterklaas, al zou ik niet weten wat dat is en hoe.

    Laat de kinderen tot mij komen, zei Sinterklaas, ik ben ook een bisschop hé.

    Je hebt te veel noten op je zang, zwartwerker, zei Sinterklaas, en hij gaf zijn strooipiet een mep tegen zijn kop.

    Mijn koninkrijk voor een paard, zei Sinterklaas, en hij inspecteerde de schimmel tussen zijn tenen.

    Ik twijfel tussen een picknick en een pieknieke, zei Sinterklaas, en is het speculoos of speculaas?

    Dat scheelde geen haar, zei Sinterklaas, en hij streelde de extensions in zijn baard.


    11-11-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.229: Vreemde man

    VREEMDE MAN

    Nog hoeveel? keer slapen en het is weer zover. Dan komt de goede man. Afgelopen zomer aten we al zomerklaaskoeken; we vonden dat wat jammer. Dat is niet macrobiotisch: je moet eten wat het seizoen en de omgeving schaffen. Varkensvlees en frieten bijvoorbeeld. Heeft de Sint dan geen sperperiode, potverpietjes? Ik eis zo’n sperperiode voor bepaalde klaasproducten. Toen ik nog een uk was, rookte mijn pa Almos. Later werden dat andere merken. Groene Michel. Richmond. We wisten maar al te goed waar hij zijn voorraad verstopte. Ma dacht dus dat hij veel rookte. Maar wij leefden in het tijdperk waar een van de reclameslogans luidde: Sprint – dé sigaret voor de sportman. Roken was dus gezond. Het gebeurde wel vaker dat mijn mannelijke verwekker in het donker nog om een pakje holde, naar zo’n gezellig winkeltje uit oude tijden van koloniale waren van voor het economische debacle. Het rook er altijd naar zaterdag. Je kon er alles krijgen. Ik heb er eens mijn broer met zijn kont in een emmer haring geduwd. Enkele jaren op rij, op één welgemikte decemberavond, mochten we mee met pa op stap om een pakje sigaretten te kopen. De wandeling heen en terug duurde een halfuur. Het was 5 december. Guur weer, zoals gewoonlijk eind jaren vijftig – begin zestig. De wind gierde om schoorstenen en langs telefoondraden. Toen we weer thuiskwamen, mijn pa gehuld in verse Almos-wolkjes, was een andere goede man hem potverdorie voor geweest. De Sint was gepasseerd! We hadden hem niet gezien. Toch woonden we in een doodlopende straat. De spoorboom op het einde van de straat was definitief neergelaten; nieuwe wegenwerken en tijden braken aan. De heilige man had bij ons thuis wat speelgoed gedropt. En hij was natuurlijk via het dak en de schoorsteen gekomen. Gewone straten met ellendige kasseien had hij niet nodig. Vooral geen doodlopende, zelfs niet met sintvriendelijke kinderkopjes. Zo moesten we nooit wachten tot 6 december: een ellendige schooldag waar Pieten op deuren bonkten en meesters vraagstukken opgaven met picknicken erin. (‘Jan heeft 10 picknicken. An 7. Als Jan er 6 opeet en An 2, hebben ze samenveel pret’). Elk jaar echter was ik sterk ontgoocheld in de Sint. Want ik hoopte altijd op een echt berenvel. Het stond lange jaren bovenaan mijn verlanglijstje. Ik wou een heus berenvel om me in te vermommen en de mensen de stuipen op het lijf te jagen. Nooit kreeg ik het. In de derde kleuterklas had ik al sterke vermoedens omtrent de identiteit van de goede man. Hij rook namelijk naar Almos-sigaretten. Samen met mijn vriend Pol-zaliger deelde ik die vermoedens. Diens Sint rook naar Zemir, ook een merk van toen. Zuster Serafien had dat door en parkeerde ons op 6 december in een bank vlak bij de deur. ‘Niet te hard schrikken als er hard gebonsd wordt hé. Je weet wel wie er dan komt hé … Maar: mondje dicht, hé!’ We knikten ijverig. Maar op 6 december wipten we net als alle andere babyboomers geschrokken op, toen er knoerthard op de deur gebonsd werd en een regen van picknicken over de kortgeknipte koppen scheerde. Pol en ik keken ondertussen door de hagelwitte baard van de goede man heen: herkenden we een van onze vaders? Buren? Meesters van de grote school? Er liepen weinig mannen met baarden rond in die tijd. Alleen maar Jan, Piet, Joris en Corneel. En zaten er wel echte glazen in die bril? Het leek verdorie wel een zonnebril. Of toch zo’n ziekelijk brilletje met van die verduisterde glazen. En wat betekende dat gedoe met die vier Pieten? ‘Hulppieten,’ legde zuster Serafien uit, na het gewelddadige sintbezoek aan onze klas. ‘De goede man wordt oud en kan niet alles zelf meer doen.’ Ze keek Pol en ik staalhard in de ogen. Het leven ging later door. Zuster Serafien werd tweehonderd jaar. Ik kreeg nooit een berenvel en Pol stierf jong. En mijn pa stopte met roken. Het waren oude tijden waar straten doodliepen en het hard woei door de zee van antennes op de daken. Later, maar niet zo lang meer, heb ik me nog vragen over de sint gesteld. Eet de goedheiligman preparé? Zo ja: blijft er dan wat hangen in zijn baard? Kan ik zelf een sint worden of voor sint leren? Ben ik misschien de jongste broer van de Sint? Heeft de Sint bleke billen die des zomers aan het strand van Spanje bruin worden? Waarom Spanje in hemelsnaam? Waarom is hij zo in voor oranje? Wat is het verschil tussen speculoos en speculaas? En die roe dan: dient die om te roeren in de zak met stoute roestige kinderen? Kinderen die het grof gemaakt hadden, zoals in ‘Klein klein kleuterke, je maakt het veel te grof’? In het eerste leerjaar luidde mijn eerste zinnetje: Puk zit in de wei bij de beek. Hij houdt een roer vast. Hoe zat dat in elkaar? Roe? Roer? Roest? Wat was het verband? Vanwaar kwamen die vreemde woorden? Ook uit Spanje? Wie was Puk in hemelsnaam? Een of ander pikzwart pietje?
    Enkele jaren later waagde ik me zelf aan mijn eerste sigaret. Almos bestond al niet meer. En ook mijn geloof in een sintschap was al lang verdwenen. Alleen: zoals in een bekend boek de smaak van een koekje een verleden weer kan doen keren, zo verscheen eventjes in de rook van die verboden sigaret als een djinn de goedheiligman uit de middeleeuwen van mijn leven. Ik mocht echter geen drie wensen formuleren. Ik verwenste mezelf later dat ik er ooit aan begonnen was.


    15-10-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.228: Een stuk

    EEN STUK

    Dit wordt het stuk dat alle andere stukken zal doen vergeten. De gastregisseur heeft het gezegd. Ik krijg als trouw bezoeker reeds anderhalve maand op voorhand ook mailtjes van een speler die in het stuk aller stukken figureert. Hij ziet het zitten. Ik verdenk hem ervan me gekostumeerd te mailen. De titel van het stuk ontsnapt me weliswaar voortdurend. Er zijn te veel gelijkaardige titels. En ook te veel lange. Er staat, herinner ik me, onder andere een bijvoeglijk (groen? verboden?) en een zelfstandig naamwoord in (schandaal? feest?) Nu, ik ben kijkliefhebber in hart en nieren. Ik spiek nog even op het mailtje, mail terug omdat de dag niet klopt met de speeldatum van de première, en kan dan een paar uur later deze must in mijn agenda zetten. Vijf weken later is het zover. Ik spoed me naar zaal De Laatste Hoop, een polyvalent gebouw waar je bijvoorbeeld voor saucijzen kunt kaarten, Roetheense volksdansen kunt leren, Maltese geurentherapie kunt volgen, derdeleeftijdpingpong kunt spelen en aan toneelkijken kunt doen. In verband met dat laatste: jammer dat er geen hellend vlak is. Toneelvereniging De Plank brengt er hedenavond ‘Groen van de miserie’ in première, een blijspel. Vooraleer ik erin slaag mijn zitplaats te bereiken, word ik staande gehouden door diverse vrijwilligers. Ik ruil munten voor bewaring van kleren. Ik besteed een flapje aan de brochure over het stuk. Mijn toegangskaart wordt vakkundig middendoor gescheurd door een meisje dat Moderne Talen volgt. Ik baan me een wegje en knik en wuif ondertussen naar buuf en buur. Eindelijk bereik ik mijn stoel. Het is een gewone stoel. Er staan er twintig per rij. Hij staat iets te dicht tussen twee andere stoelen in. De kaartenverkoop liep blijkbaar lekker. Ik ruik de regenkleren bij mijn buren; zij gaven hun jassen niet ter bewaring af en dijen dus iets breder uit. De stoel voor mij blijft gelukkig leeg: ik zit in de voorlaatste rij en alles is hier dus letterlijk platvloers. Maar dan … vlak voor de vertoning gaat beginnen, de lichtplasjes aan de muren fletser worden, het geroezemoes afkalft en ik mijn zitvlees comfortabeler herverdeel over mijn stoeloppervlak, gebeurt het. Op de onbezette stoel vlak voor mij deponeert zich in laatste instantie een mevrouw met zo’n gebeeldhouwd Fabiolakapsel. Ik kan er niet naast kijken. Het is de mama van de hoofdfigurant. Ik zie nu al groen van miserie.


    16-09-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.227: België

    BELGIË

    De enige aanwijsbare reden voor het groot gelijk van iedere politicus is diens groot gelijk, al zegt hij het zelf. Idem dito is een bekende Vlaming bekend omdat hij bekend is, van op tv. Vandaar, België: land uit zicht. Het valt niet te bezeilen.


    29-08-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.226: Mijn meesters

    MIJN MEESTERS

    Meester Gilbert was de vreselijke man die mijn eerste leerjaar in de basisschool dirigeerde. Ik heb het over eind jaren vijftig – begin zestig. Ik had dat, zelf een uk op tafelhoogte zijnde, toen nog niet door, maar mijn eerste ‘grote’ meester was een onderdeurtje dat met rechtopstaande haren amper 1 m 60 hoogte bereikte en zo mager als een sprinkhaan was. Mocht Bellewaerde al bestaan hebben, hij mocht ‘voor niks’ binnen. Een ideale limbodanser. Waarom ik hem een vreselijke man vond? Meester Gilbert deed ons naar voren komen om verzen te declameren. En dat was nou net mijn trauma uit de papschool bij zuster Serafien geweest: dat we godgenageld alleen voor de klas liedjes moesten zingen of gedichtjes moesten voordragen. Meester Gilbert, een amateur-toneelspeler van het betere allooi (zijn toneelkring won enkele keren het nationale Landjuweel), acteerde ook zelf de lessen Gewijde Geschiedenis. Het passieverhaal blijft nu nog in mij nazinderen, met de oranje illustraties erbij. Mijn geloof is er echter niet groter door geworden, wel mijn fascinatie voor verhalen. Wie iets goed deed, kreeg een doopsuikertje. Soms moest je dat dan weer inleveren, omdat het niet goed bleef. Vier stokjes aan je m bijvoorbeeld. Of een inktvlek. Dan was dat doopsuikertje al half gesmolten. Je moest het immers bewaren: je mocht je beloning alleen maar verorberen tijdens speeltijden. Naast mij in de bank zat een roodharige dikkerd met duizend sproeten en een roze velletje. Soms haalde hij onverwacht maar stiekem zijn piemel uit. Dan moesten we lachen. Helemaal vooraan was Jozef-met-het-brilletje geparkeerd. Hij leek dom te zijn. Zag hij niet goed? Godverdomme, niemand besefte het: eigenlijk was Jozef een beetje doof. Jaren later kwam er op de plek van de toenmalige basisschool een PMS-centrum, nog veel later CLB genoemd. Daar hadden ze kunnen ontdekken dat Jozef wat doof was, en niet blind, en niet dom. Het waren harde tijden. Ik was de tweede van de klas, achter het zoontje van de dokter. Mijn prijsboek had als titel: Van een konijntje en een ei. Een kieken wou haar ei niet uitbroeden. Dan maar het konijn ten tonele gevoerd. Op de prijsuitreiking werd de film Bambi vertoond. Mijn eerste leerjaar? Angst.

    Meester Vandecasteele (ik ben zijn voornaam vergeten; Norbert?) kleurde mijn tweede leerjaar van de basisschool aangenaam in. Ik begon me eindelijk goed te voelen. Hij was jong. Elke ochtend kwam hij op school toe met een scooter, van ergens héél ver. Hij was een beetje Elvis Presley (hoewel wij die naam niet kenden). Er stond een steenkolenkachel midden in de klas. We schaarden er ons omheen, riekend naar natte honden. Meester Vandecasteele had een beloningssysteem met gekleurde kartonnetjes, waarbij niemand zich gepasseerd voelde. Soms zwierde hij zijn benen naar omhoog en ging hij even op zijn hoofd staan. We hadden het gevoel dat hij een vreemde snuiter in onze school was. In die tijd arriveerde midden in het schooljaar ook een rijke jongen bij ons in de klas. Iedereen wou naast hem in de bank. Hij was met een vliegtuig uit ‘de’ Congo gekomen: het gevaarlijke land van de negers met de afgehakte handen. In die tweede klas vond ik ook mijn eerste meikever, in de haag omheen de stedelijke speelwarande. Op rapportdag (examens heetten toen nog ‘wedstrijden’ of ‘ombesten’) bleek ik nog meer percent te hebben dan bij die brulaap uit het eerste leerjaar. Het zoontje van de dokter was dieper in de rangschikking weggezakt. Meester Vandecasteele was immers geen inwoner uit het stadje; hij kwam van ver … En bij hem mocht je ook wat stouter zijn. Dat vormde geen echt probleem betreffende de kolom ‘Uitmuntendheid’. Ik kreeg dus veel prijsboeken. Vooral van Hollandse schrijvers, waar personages Harm en Puk moesten heten. ‘Puk zit in de wei bij de beek. Hij houdt een roer vast.’ Aan mijn tweede leerjaar bewaar ik warme aangename herinneringen.

    Meester Wets van de derde klas (die toen al duizend jaar leek te zijn) werd ziek. Vrijwel onmiddellijk, aan het begin van het schooljaar, nam mevrouw M. zijn plaats in. Zij was de vrouw van de toenmalige schooldirecteur. We verhuisden dat jaar ook naar een ander segment gebouwen, palend aan de echte grote school, waar we ooit zouden belanden. Mevrouw M. leek in mijn ogen op een gerimpeld appeltje uit de vorige herfst, althans wat haar gezicht betrof. Ze was wel een voorloper in individuele evaluatie. Ze nam uitvoerig de tijd om van bank naar bank te gaan en daar ter plekke schrift na schrift te becommentariëren en te amenderen. Daardoor, vooral omstreeks april-mei, kregen we ook soms een stukje van haar boezem te zien. Dat geultje interesseerde ons toen al in dezelfde mate als de glijbaan in pretpark Meli. Ofschoon we in die tijd uiteraard een volledige masculiene klassengroep vormden, getalsterkte meer dan dertig eenheden, ondervond mevrouw M. geen moeite met ons. We vonden een juf wel eens fijn. Mijn derde leerjaar weekte de vrouwelijke kant in mij los.

    Meester Haelewijn van het vierde leerjaar vond ik een heel fijne kerel. Om te beginnen had hij een boekje gepubliceerd over het nabijgelegen en beroemde kasteel van Wijnendale. Dat vond ik indrukwekkend, want toen al wou ik schrijver worden. Meester Haelewijn nodigde echter ook eens een echte brandweerman in de klas uit, waardoor ik plotseling besloot: ik word spuitgast! Dat werd zelfs de titel van mijn daaropvolgende opstel. Hij organiseerde ook een heuse studietrip naar een ijzergieterij in de omgeving, want een van de zoons van het bedrijf zat in onze klas. Meester Haelewijn behandelde ons niet als domme onwetende kinderen. Hij ging rustig en gereserveerd met ons om. Wij, hoe jong ook, apprecieerden dat. Geen gebrul, geen lawine van straffen, een rustig stelsel van beloningen. Zijn natuurlijke autoriteit werd nog versterkt door zijn bril met zware montuur. Later zou de mode worden. Het zou ook nog decennia duren voor het woord ‘respect’ opdook in het straatvocabularium van jonge streetwise durfnieten, maar zeker weten: wij (Armand, Hans, Wilfried, Hans, Eric, Pol, … ) hadden toen ‘immens’ veel respect voor meester Haelewijn. Mijn vierde leerjaar opende mijn vensters op de wereld.

    Meester Devriese van de vijfde klas was mij zeer goed gezind. Hij kende mijn ouders goed. Bij hem leerde ik mijn eerste Frans. Zingend. C’est un éléphant, qui marche … qui marche … Hij kon een iguanodon op het bord tekenen. Maar bovenal ontdekte hij dat ik heel mooie opstellen schreef met veel tekenende woorden in. De zwarte kat liep door de dikke benen van de warme bakker. Mijn mooie zinnen kwamen telkens weer op het bord, na elk opstel, maar mijn tekeningen op de keerzijde waren een ramp. Meester Devriese keek door zijn wazige gekleurde brillenglazen altijd een beetje treurig. Hij was ook diepgelovig. Na schooltijd en na de niet-verplichte les Frans kon je bij hem bijvoorbeeld nog EKW volgen: Eucharistische Kern Werking. Dat deed hij samen met een priester, in de schoolkapel. Hij kwam ook op voor de zwakkere broertjes in de klas. Toen we voetbalden met een tennisballetje op de speelplaats, en het onhandige Willy’tje ‘kopte’ het balletje per ongeluk met zijn rug in plaats van met zijn hoofd weg, dan was meester daar om iedereen te bezweren dat dat helemaal niet erg was. Jezus had immers ook aandacht voor de minderbedeelden.

    In mijn zesde en laatste klas van de lagere school (ik deed geen zevende leerjaar, hoewel heel veel leerlingen dat toen wel deden: onze school kende in die jaren nog drie zevende klassen) was de cirkel rond: weer zat ik oog in oog met een tiran. Meester Rosseeuw (‘Spreeuwe’) was dubbelkinnig, streng, onredelijk en oud. Ik bewaar maar één goede herinnering aan hem uit dat jaar: toen hij elke zaterdagvoormiddag voorlas uit een avonturenboekje over een expeditie. Overigens bleek jaren later dat mijn eigen pa en de meester niet op goede voet met elkaar stonden. Vandaar het ongemak, dat ik elke dag aan den lijve ondervond. Spreeuwe speelde piano en was oerkatholiek. We moesten dus veel zingen. Gelukkig was het toen al de mode dat er in de zesde klas ook door andere meesters les werd gegeven, ter voorbereiding op de middelbare school. Meester Cafmeyer gaf geschiedenis; meester Schutyser gaf aardrijkskunde; mijn eigen tiran Spreeuwe gaf natuurkunde. Spreeuwe kwam rond met zo’n gigantische rolstempel, zodat iedereen een kikker of de nerven van een blad in zijn schrift kreeg gestempeld. Er was in die tijd wat aan de hand met bisschop Makarios op Cyprus. We moesten er knipsels uit de krant over verzamelen. En o ja: België won een oorlog tegen Duitsland. Dat was het enige goede wereldnieuws uit mijn zesde en laatste leerjaar in de basisschool. Spreeuwe, als de hemel of de hel bestaan, en ik kom u daar tegen: ik zal me moeten inhouden of ik geef u een optater tegen uw verwaande stekelharen kop, zodat uw kinnen trillen als een pudding.

    Mijn meesters en mijn ene juf: gemengde gevoelens. Angst, respect, warmte, bewondering, begrip, afgrijzen. En als het regende, regende het hevig. En als het vroor, vroor het dat het kraakte. En de wind huilde waanzinnig. En de sneeuw lag metershoog. En de zon brandde ongenadig.


    09-08-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DRAMA

    DRAMATISCH NIEUWS


    Ik neem de vrijheid u en uw gezelschap enkele van mijn theaterstukken onder uw welwillende aandacht te brengen. Zowel Toneelfonds J. Janssens (Borgerhout) als Theaterburo Almo (Antwerpen) als Toneeluitgeverij Vink (Alkmaar, Nl) publiceren mijn dramatisch werk. Mocht u eventueel interesse hebben i.v.m. opvoering, dan moeten de scripten bij deze literaire agenten opgevraagd worden.


    EEN EENHOORN IN JE TUIN
    (J. Janssens, 1996): jeugdtheater voor kinderen, door kinderen en desgewenst volwassenen. Meerdere rollen mogelijk, o.a. een hele klas. Thema: fantasie. Avondvullend.

    THUIS HEBBEN WE GEEN TREIN (J. Janssens, 1998): avondvullende monoloog. Aan het woord is een geprepensioneerde treinconducteur. Thema: station, treinen, reizen. Meerkeuzemogelijkheden voor het slot. Genre: hilarische komedie.

    DODE ADDER (Almo, 2000): bekroond met de Nestor de Tière Toneelprijs van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde Gent en met de Premie Theaterschrijfprijs Provincie West-Vlaanderen. Avondvullende dialoog voor 2 mannen of vrouwen en een zwarte vogel (raaf). Een ironisch sollicitatiespel dat uitmondt in rolomkering en moord. Genre: wrang-ironische komedie.

    HIEP HIEP HYPO! (J. Janssens, 2002): eenakter voor een 10-tal personages. Een man koestert zelfmoordplannen en gaat daarom een laatste keer shoppen in het warenhuis. Hij ontmoet er overledenen die hem tot andere gedachten proberen te brengen. Thema: zwaarmoedigheid. Genre: komedie.

    DE BIERKAAI (Almo, 2002): avondvullend volksstuk in 14 staties met een ‘catering’-einde, zich afspelend in een randstedelijk stamcafé. Een 20-tal rollen, verwisselbaar (m/v). Graag ook een hond. Diverse thema’s. Genre: komedie.

    DRIE MINIMONOLOGEN (J. Janssens, 2003 & Vink, NL, 2009): duur van elke monoloog is een halfuur. ALS HET HERT SPREEKT: een jachttrofee-met-gewei aan een cafémuur lucht zijn hart. MAMA: een zoon lucht zijn hart over zijn vrouwelijke ouder. ROLEX: een bedrogen minnares lucht haar hart over haar ex-geliefde.

    ZEG, LUISTER JE NOG? (Almo, 2004): een veertigtal korte sketches in dialoogvorm. Genre: absurd, laconiek, ironisch.

    ’T PARADIJS, EEN GRENSGEVAL (Almo, 2007/08): een volksstuk in opdracht, geschreven voor de bewoners van de grenswijk ’t Paradijs/Rekkem (Vl – F), waarin de typische grensproblematiek wordt geëvoceerd, o.a. de smokkel. In 2008 werd dit volksstuk opgevoerd ter plekke.Genre: volkstoneel.


    DAMIAAN, MIJN DING
    (2007/08): een jeugdtheaterstuk in opdracht van Damiaanactie en Revinzeschool Torhout. Eerste opvoering juni 08. Genre: spektakelstuk.


    HOTEL DE STERVENDE OLIFANT
    (Almo, 2009): een avondvullende theaterthriller met bloeddoping in de wielrennerij als thema. 15-tal rollen; 3 decors. Genre: drama.


    ZZOEF!!
    (IBVA Alkmaar, Vink, NL, 2009): eenakter in 12 taferelen over de snelheid van het leven. Combinatie ernst & humor. Verwisselbare rollen (5 à 6 duo's). Genre: drama/komedie


    VEE
    (Almo, 2009): komisch stuk over teambuilding, groepsdynamiek en zwak leiderschap. 11-tal rollen; 3 decors. Duur: 80 min. Genre: drama.


    APPELEN
    (2009): een kijk- en luisterspel dat door actrice Bianca Vanhaverbeke geïnterpreteerd wordt om door kinderen gespeeld te worden. Genre: spektakel.


    ZIJN ALLE ZWANEN WIT?
    (J.Janssens, 2010): absurde eenakter, duur drie kwartier, twee rollen en een vallend voorwerp. Genre: absurd.


    MEERVOUD (M/V)
    (Vink, NL, 2010): spektakelstuk voor twee rollen (desgewenst zes) op en rond een dubbele schommel, waarin Fred & Ginger, Julius & Cleo en Dolf & Eva op hun leven op aarde reflecteren. Duur: anderhalf uur. Dans- en zangscènes mogelijk. Genre: spektakelstuk/komedie.


    Hopelijk eens tot in de zaal of op de planken (en niet ertussen):

    JORIS DENOO

    www.jorisdenoo.be


    27-07-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.225: GVD

    GVD (Gebed om liefde)

    ‘Durf je 80 keer na elkaar godverdomme zeggen?’

    Met een ernstige rimpel boven zijn wenkbrauwen daagde Erwin De Coster me uit: de kampioen van het rood worden, maar op het schoolplein ook de baas van de cowboys, tégen de indianen. We stonden met z’n drieën op het lage muurtje voor de huizenrij waar hij woonde: ik, Erwin, Marina. Ik was jaloers op Erwins ravenzwarte haar, dat hij soms met een eigenaardige ruk van zijn hoofd naar achteren zwierde. Erwin zelf was echter ook doodbeschaamd dat hij op de wereld rondliep, wat zich uitdrukkelijk vertaalde in rare grimassen en tomatenrode bewolking die soms in een fractie van een seconde over zijn gezicht trok.
    Zijn alter ego, de baas van de cowboys, daagde me dus uit om 80 keer hardop te vloeken. 80 klonk in zijn oren waarschijnlijk meer dan 100. Het maakte meer indruk. 80 rijmde ook met krachtig.
    ‘Jaja, natuurlijk,’ knikte ik, bang om mijn plaats in de pikorde van de cowboybende te verliezen. Gezwind sprong ik van het muurtje.
    ‘Op het muurtje!’ gebood hij.
    Ik sprong er weer op; zij eraf. Marina, het al net zo ongelofelijk ravenzwarte buurmeisje van Erwin, keek glimlachend toe. Ze was twee jaar ouder dan ons, en ze had al wat. Haar oosterse glimlach was onweerstaanbaar. Marina was een mediterrane zeemeermin; alom veroorzaakte ze natte dromen. In de jaren 50-60 was een Marina namelijk heel anders dan een Marina uit de jaren 80-90.

    Held J. vloekt 80 x hardop te T. en verovert aldus menig meisjeshart, vooral dat van M., tevens aldaar woonachtig.

    Net toen ik aan mijn godslasterende monoloog wou beginnen, boven die twee zwartkoppen uittorend als een Frankische koning op een schild, piepte in een van de lager gelegen huisjes een deur open. Een man in onderhemd verscheen, met armen waarover aders als staalkabels liepen: de pa van Erwin.
    ‘Godverdomme: wat staan jullie daar zo te konkelfoezen, hé?’
    Het rood vlamde weer naar Erwins hoofd. Marina giechelde om dat konkelfoezen. Door een zachte windstoot bolde haar rokje even op. (Daar stonden kriskras cijfers op, dat weet ik nog, maar niemand van ons slaagde er ooit in die blitze Marina te ontcijferen, want later werd ze een vedette in het volleybal, dus trouwde ze met een dubbele meter basketvlees die ook nog eens geneeskunde studeerde, hoe gaat dat, godverdomme).
    Ik lachte mal en hupte van het muurtje.
    ‘Wel?’
    ‘Niets, pa,’ mompelde Erwin.
    ‘Hoe: niets? Zie maar dat je over vijf minuten binnen zijt. Je moeder wacht. Heb je huiswerk?’
    ‘Vandaag niet.’
    ‘Jaja.’
    Pats. De deur knalde weer dicht. Marina keek naar mij. Ik keek naar Erwin. Die jongleerde met zijn wenkbrauwen.
    ‘Wacht je moeder, Erwin?’ vroeg ik.
    ‘Tachtig keer!’ snauwde hij onverbiddelijk.
    ‘Maar je vader … ‘ begon ik weer.
    ‘TACHTIG!’
    ‘Weet je wat,’ opperde Marina plotseling samenzweerderig. ‘We doen het samen. We delen door twee. Ieder veertig. Goed zo, Erwin?’
    ‘Mm … ‘
    De cowboybaas, heer en meester over het vloeken in deze stad, haalde zijn schouders op.
    ‘Dan wil ik ook wel meedoen,’ besliste hij dan grootmoedig, alsof niemand, ook hijzelf niet, onder zijn uitdaging uit kon.
    ‘Delen door drie, oké?’
    ‘Oké.’
    ‘Maar hoeveel is dat dan voor elk?’ vroeg Marina.
    ‘Ik weet het,’ zei Erwin resoluut. ‘Marina twintig, ik dertig, jij dertig. Dat is samen tachtig.’
    ‘Waarom ik maar twintig en niet dertig?’ protesteerde Marina. Met haar ene hand hield ze haar rokje in bedwang tegen een verse windstoot.
    ‘Omdat jij een meisje bent,’ flapte Erwin het eruit, waarbij hij andermaal rood kleurde tot ver achter zijn oren. Nu bolde Marina’s cijferrokje andermaal op, want ze had beide handen nodig voor wat misbaar: ‘En wat heeft dat daarmee te maken, mislukte cowboy?!’
    ‘Jullie kunnen minder dan wij,’ mompelde Erwin beschaamd-chagrijnig.
    ‘Ha-ha-ha,’ meesmuilde Marina nadrukkelijk, met volle oosterse mond. ‘Ha-ha-ha.’
    En toen pakte ze haar belager bij zijn achillespees: ‘De roodhuid heeft weer gesproken. Ugh! Ugh! Je bent bang voor meisjes!’
    ‘Niet waar, godverdomme!’ riep Erwin. Hij was nu zowat koninklijk purper aangelopen. Zijn gezicht was verwrongen in een ongemakkelijke grimas. Hij had de hoogste graad van schaamte bereikt.
    Ik stond erbij en ik keek ernaar. Cijfers dansten voor mijn ogen. En toen ging die verrekte deur weer open. De vaderfiguur verscheen vervaarlijk in het deurgat. Hij vulde dat gat vrijwel volledig op. Erwin en Marina hielden op met kijven. Ze keken naar hem, naar mekaar, weer naar hem, dan naar mij.

    En net voor Erwins pa zijn mond kon openen, begon ik, vele jaren voor het een rage werd, godslasterlijk te rappen:
    ‘Godverdomme – godverdomme – godverdomme … ‘
    Waarom ik precies 80 keer, en bijvoorbeeld geen 100 keer moest vloeken, wist ik niet. 80 klonk misschien zelf ook meer als een vloek dan dat bolle 100. Daar op dat muurtje toen, dat was taalkunde en rekenkunde. Uit de school geklapt.

    Marina verdween mettertijd in de sportberichten van de nationale kranten. Het stadje werd te klein voor haar. Allerlei ridders op witte paarden omzwermden haar. Erwin hielp al vaker op de openbare markten in de groentekraam van zijn ouders. Als ik hem ooit eens weerzie, dan weet ik nu al met grote zekerheid wat mijn eerste woord zal zijn, uit de voorraad van de honderdduizenden die ik intussen machtig ben.


    03-07-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.224: Veldinterview

    VELDINTERVIEW

    Ik zat mijn honderdduizendste spaghetti op mijn vork te draaien toen ik op de radio het volgende gesprek hoorde. Een (vrouwelijke) radioreporter interviewde de politiecommissaris op de wekelijkse markt in het kuststadje B. Het thema: gauwdieven. Soms hoef je echt niet te betalen voor een avondje stand-upcomedy; je krijgt her en der gratis porties fijnkost.

    R(eporter): Ik ben hier op stap met Dimitri, politiecommissaris. We lopen rond op de markt in B., op zoek naar gauwdieven. Hoe doe je dat eigenlijk, commissaris Dimitri? Ben je bijvoorbeeld gewapend?

    CD (commissaris Dimitri): Ja, maar ik heb ook nog mijn handen hé.

    R: En nog iets meer dus?

    CD: Mijn hemd zit uit mijn broek. Er is hier namelijk meer aan de hand. Daaronder bevindt zich mijn wapen, aan mijn riem bevestigd. Als het nodig is … Maar: ge moet vooral in de massa opgaan.

    R: Ja, dat is niet gemakkelijk. Herken je gauw gauwdieven, commissaris Dimitri?

    CD: Wel, de gauwdieven gaan zich heroriënteren. Ze evolueren van zigeunermeisjes naar vreemd uitziende personen, ’t is jammer om te zeggen. Ik heb de som op de proef genomen.

    Toen heb ik het uitgeproest, me verslikkend in een sliert spaghetti.




                                                  COPYRIGHT JORIS DENOO
    ZIELSVERWANTE LINKS
  • Een blauwe plek
  • Moord !
  • Meester in de Vakken
  • De ongecomponeerde noot
  • Poëzie
  • Romaneske boeken
  • Satisfiction
  • Romans & Theater
  • Vreeslijke verhalen
  • Miljarden flarden

    Blog als favoriet !

    Foto

    Foto

    Sjors DNO eind vorige eeuw in een sneeuwstorm in Chicago


    Mail

    Druk op de knop


    Archief per jaar
  • 2017
  • 2016
  • 2015
  • 2014
  • 2013
  • 2012
  • 2011
  • 2010
  • 2009
  • 2008
  • 2007
  • 2006
  • 2005

    Foto

    Foto

    Foto

                       IK ALS UK
    Foto

    Me reading HARDZIEK, romandebuut Sarah Denoo

    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!