NIEUW: Blog reclamevrij maken?
SCHUINE TEKSTEN
Inhoud blog
  • 321: Perte totale
  • 320: Goede man
  • 319: Enig kind
  • 318: Fibo
  • 317: Dialoog
  • 316: Etaoin shrdlu
  • 315: Roland
  • 314: Bermkip
  • 313: Men
  • 312: Bruder Lustig
  • 311: Signeergesprek
  • 310: Rook
  • 309: Ode aan mijn bh
  • 308: Alfa
  • 307: Vijgen voor Pasen
  • 306: Wereldsmart
  • 305: Jonge ouderen
  • 304: De Boekenkrijg
  • 303: www.zot.com.bébé
  • 302: Echte fictie
  • 301: Mundial
  • 300: De Felle
  • 299: Westlof
  • 298: Lam Gods
  • 297: Jacky
  • 296: Hop paardje hop!
  • 295: God?
  • 294: Acoliet
  • 293: PP
  • 292: Netwerk
  • 291: Leffaards
  • 290: Het varkensei
  • 289: Geheim
  • 288: Geknipt
  • 287: Geloof
  • 286: Stommeling
  • 285: Een aardig ding
  • 265: VRESELIJK
  • 284: Kloon
  • 283: Allojjo
  • 282: Schaakstuk
  • 281: Communicatie
  • 280: Figuur
  • 279: Hairbag
  • 278: Lijstjes
  • 277: Jos, Joste, Gejost
  • 276: Melk?
  • 274: Frinch fraais
  • 273: Mager Heineken
  • 272: Appartemens
  • 271: Gestopt
  • 270: Ik zou u schrijven
  • 269: Koksmonoloog
  • 268: Een photo
  • 267: Getetter & Getoeter
  • 266: Water
  • 264: Beu
  • 263: Acteur
  • 262: Vederlands
  • 261: Etters & Engelen
  • 260: Men spele...
  • 259: Kwaak
  • 258: Geschoold
  • 257: A la recherche
  • 256: WJZBJZ
  • 255: Eindelijk
  • 254: 'Het' gezin
  • 253: Repetitieruis
  • 252: Kiespijn
  • 251: Reis Hiernamaals
  • 249: Gezondheid
  • 248: Speeltijden
  • 247: Rood licht
  • 246: Ruis
  • 245: Weg
  • 244: Mom
  • 243: HET JAAR ELF
  • 242: Kloon
  • 241: In de put
  • 240: Huid & Haar
  • 239: Zomer 11
  • 238: Duimen maar
  • 237: Poirot
  • 236: Smoke
  • 235: Collateral
  • 234: Nachtraven
  • 233: Undercover
  • 232: Frietpeace
  • 231: Kopie-Kopie
  • 230: Gezeid is gezeid
  • 229: Vreemde man
  • 228: Een stuk
  • 227: België
  • 226: Mijn meesters
  • DRAMA
  • 225: GVD
  • 224: Veldinterview
  • 223: Sprook
  • 222: Zappa
  • 221: Een bod op God
  • 220: Curryculum Vitae
  • 219: Tovenaar
  • 218: Perspest
  • 217: Animatietype
  • 216: Ruim
  • 215: De erwt
  • 214: Podiumbeest
  • 213: Mobiliteit
  • 212: Twee tijgereieren
  • 211: De kus
  • 210: Wolf
  • 209: Een reus
  • 208: Opsporingsbericht
  • 207: K met zuurpruim
  • 206: Volksverlakkerij
  • 205: Doppedrop
  • 204: Kap
  • 203: Affiche
  • 202: Regen
  • 201: Stuk
  • 200: Hair
  • 199: Wie A zegt
  • 198: Bijsluiter
  • 197: TV
  • 196: Arno
  • 195: Letters & Letteren
  • 194: Taalkunde
  • 193: Onder de zon
  • 192: Besparen
  • 191: De goede man
  • 190: Van die dagen
  • 189: Zwarte zwaan
  • 188: Questionnaire
  • 187: Say cheese
  • 186: Loteling
  • 185: Een zwaluw
  • 184: Grijs
  • 183: Claus
  • 182: Liefhebber
  • 181: Monumenten
  • 180: Erger
  • 179: Landbouw
  • 178: Bijna
  • 177: Onafhankelijkheid
  • 176: Zo fout als wat
  • 175: Wei-gevoel
  • 174: Merk
  • 173: Mens
  • 172: Pikant
  • 171: 50 vragen
  • 170: Jinx
  • 169: Wiskunst
  • 167: Met alle Chinezen
  • 166: Mooiste woorden
  • 165: Rijm
  • 164: Internetman
  • 163: EVBO
  • 162: Hondenleven
  • 161: Carrière
  • 160: Coureur local
  • 159: Kip ik heb je
  • 158: Politiek programma
  • 157: Design
  • 156: Kreeft
  • 155: Nicotine
  • 154: Gastronomen
  • 153: Verleiden
  • 152: Opinie
  • 151: 1e hulp in gevallen
  • 150: Verzamelwoedend
  • 149: Fakir
  • 148: Cliché
  • 147: Iets anders
  • 146: Uit de kunst
  • 145: Appartemensen
  • 144: Wereldwoeden
  • 143: Ongerijmd
  • 142: Dagboek van 1 dief
  • 141: Vioolkist
  • 140: Ouden van dagen
  • 139: Automatische piloot
  • 138: Leugendetector
  • 137: Hotel Milan
  • 136: De Diepe Gedachte
  • 135: De weg vragen
  • 134: Mag ik overvaren?
  • 133: Leven op Mars
  • 132: Vogelvlucht
  • 131: Faer♠er-gevoel
  • 130: Lolbroek
  • 129: Sollicitatie
  • 128: De Q van Proust
  • 127: Volg je nog?
  • 126: Kerstmisdaad
  • 125: Hartstuk
  • 124: Mozart in november
  • 123: Heb je gedronken?
  • 122: Frambozen in melk
  • 121: Appelschudder
  • 120: Quo Vadis?
    Zoeken in blog

    Foto
    Aan de sneeuwzee in Vlaanderen, februari 2012
    Foto

    Jowan & Joris in Stotendorp Heule

    Foto

            Red shoes Wilma

    Foto

    Younger me, already salt 'n pepper

    DEZE KANT BOVEN (Sjors DNO)
    SCHUINE TEKSTEN
    16-07-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.125: Hartstuk

    HARTSTUK (naar een vrij bekend stukje)        

    A – Mag ik je iets vragen?
    B – Ga je gang maar.
    A – Zul je me niet uitlachen?
    B – Beloofd.
    A – Zeker weten?
    B – Zèg … !!
    A – Mag ik mijn hart aan je voeten leggen?
    B – Eh … als je mijn vloer niet vuil maakt.
    A – Maar mijn hart is schoon.
    B – Dat zullen we wel zien.
    A – Hé?
    B – Kom, laat ik je even opereren. Zeker spelen.
    A – Maar …
    B – Waar is mijn mes … ? Ah!
    A – Aaahhh!!!
    B – Zo … hier heb ik het …
    A – Aaahhh!!!
    B – Maar … jouw hart is een baksteen!
    A – Maar het klopte alleen voor jou!
    B – Had ik dat geweten!


    04-07-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.124: Mozart in november

    MOET HET NOVEMBER ZIJN VOOR MOZART?       

    A – Tja, hoe zere vallen ze weer af, hé.
    B – De dagen gaan maar open en toe meer.
    A – Ik weet nog goed, een jaar geleden …
    B – Zeg, bespeur ik daar al wat grijs ten westen en ten oosten van je?
    A – Hé? Ofwel ben je kleurenblind …
    B – Nee, nee: serieus … Is dat al wat sneeuw? Zo vroeg op ’t jaar?
    A – … ofwel is het gezichtsbedrog door de lichtinval …
    B – Mijn gezicht liegt niet.
    A – Het herfstlicht kan bijzonder scherp zijn.
    B – Daar bestaan speciale shampoos voor.
    A – Luister je nog altijd zo vaak naar Mozart?
    B – Mijn moeders vriend was al grijs met z’n zevenentwintigste.
    A – Zo’n requiempje fietst er nu wel in, met het vallen van het blad.
    B – Maar ’t schijnt wel dat grijze haren blijven …
    A – Allez dan, ben ik een bofkont, zeg!
    B – … en op geen zotte bollen groeien, haha.
    A – Is het niet?
    B – Ach, geef mij maar Bach. Die wiskunde! Die hersenzalf!
    A – Ah, je luistert toch!
    B – Welja … wat dacht je wel.
    A – Ik twijfelde, omdat er haren uit je linkeroor groeien.
    B – Ga weg …
    A – Nee, nee: serieus … Zo van die ravenzwarte … O, en je neus …
    B – Zou de Shopping nog open zijn?
    A – Natuurlijk, het is nog maar …
    B – Ik bel je nog wel!
    A – Het meest bekende rijmpje …


    26-06-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.123: Heb je gedronken?

    HEB JE GEDRONKEN MISSCHIEN?        

    A – Je weet toch net zo goed als ik dat er tachtig soorten dronkenschappen zijn?
    B – Daar ben ik me ten volle van bewust.
    A – Het effect van binnensijpelend licht door brandglasramen in een kerk …
    B – Hou op! Genoeg!
    A – Zatheid nummer drieënveertig valt ook niet te onderschatten.
    B – Erover spreken alleen al maakt een mens duizelig.
    A – Met drankorgels valt niet te praten.
    B – Nee, maar je moet wel urenlang naar hun gewauwel luisteren.
    A – Nu heb je het over type zevenenzestig, hé?
    B – Correct. Een tijdrovend type.
    A – Ik zou ze hier allemaal uitvoerig kunnen beschrijven, die vazallen van Koning Alcohol.
    B – Helaas ontbreekt je de tijd, is het niet?
    A – Eh … heb je gedronken misschien?
    B – Ja, waarom?
    A – Ja!?
    B – Kippenbouillon, verhippeltjes.
    A – Ik bespeurde anders enig sarcasme daarnet.
    B – O, maar dat komt door de verkeerde dingen te eten. Vast voedsel, weetjewel.
    A – Eh? Zoals?
    B – Alles wat ‘n snack-&-‘n-beet is: krok mesjeu, bierworst, hardgekookt ei, portie kaas.
    A – Er zijn daar ook veel types van, zeker?
    B – O, is het al zo laat? Ribbedebie, ik moet er maar eens rap vandoor.
    A – We konden anders nog vlug …
    B – Op mijn bus staan erwtjes geschilderd! Bye!


    19-06-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.122: Frambozen in melk

    FRAMBOZEN IN MELK                    

    A – Hoe maakt u het nog?
    B – Ik vind het moeilijk om daarop te antwoorden.
    A – Waarom?
    B – Omdat u het dan zelf gaat maken.
    A – Mijn lippen zijn anders wel verzegeld, hoor.
    B – Had dat dan onmiddellijk gezegd.
    A – Wel: hoe maakt u het nog?
    B – Ik maak het bont.
    A – Zoals in bontjas of bont-en-blauw?
    B – Heden ten dage laat ik lichten branden en deuren aanstaan.
    A – Moet daar niet iets aan gedaan worden, wildebras?
    B – Ik heb al een zelfhulptapijtje gekocht.
    A – Dat is prima: de koe bij de horens!
    B – Maar ik ben het alweer kwijt.
    A – Hoezo?
    B – Het is weggevlogen, door een openstaand raam.
    A – Uw probleem zit werkelijk heel diep, hé.
    B – Hé?
    A – Dat uw … Ach, laat maar.
    B – Zeg, ik plet nu mijn frambozen in spierwitte melk.
    A – Veranderen van onderwerp kan u niet helpen.
    B – Gaat u dan maar weg als u toch niet van kleuren houdt.
    A – Ik ben al weg, meneer Bontekoe.


    04-06-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.121: Appelschudder

    APPELSCHUDDER          

    Hoera voor de herfst. Het was in de tijd dat een eerste lichte siddering door het land trok. Een briesje, meer niet. Midden september passeerde de appelschudder even, bijna onmerkbaar. Hij gaf de boomkruinen een luchtkus en verdween dan weer voor twaalf maanden. Al net zo onmerkbaar verschoten daarna de tinten op het land en in de stad wat dieper. De man hield ervan dat het elke dag wat vroeger donker werd. ‘De dagen worden korter,’ zeiden de mensen met een bedrukt gezicht. Dat was natuurlijk niet echt zo. Dat was een uitvinding van de winteruurwerkmaker. Tijd kon immers alle kleuren aan, ook donkere en grijze en zwarte. En het waren niet de tijden die veranderden, maar de stervelingen die ouder werden, onontkoombaar. Over hun gezicht trokken onweerswolken. De mensen hadden ook de gewoonte om vooral die donkere, grijze en zwarte tinten te versieren met lichten, lampen en juwelen, bij voorkeur wanneer de avond ingetreden was, of wanneer een mens geboren werd, lief begon te hebben en daarna sterven moest. De andere kleuren hadden die menselijke ingrepen niet echt nodig, uitbundig aanwezig als ze vanzelf al waren. Mensen waren altijd al een beetje bang geweest voor nacht en onweer, maar vaak stond het slechtste weer alleen maar op hun gezicht te lezen. Het gelaat kreeg meer bewolking te verduren dan zonne-uren. Ook de man kreeg in die herfsttijd weer een ietwat paarse blos op zijn wangen, zeg maar: magenta, want het werd wat kouder. Gelijk met de bladeren die hun bomen loslieten en wegwarrelden over het land, verloren de kruinen de warmte die ze een zomer lang vastgehouden hadden. De man vond dat dus best gezellig. Hij stookte vuren en gooide er de bladeren in die dood wensten te gaan. Het waren geen vuren om te vernielen, maar om het warm te hebben. Aan takken en bladeren leed de man geen gebrek. Langs het kanaal waar hij woonde en rond zijn huis was het één groot gehakketak en geblader. Hij hoefde maar te plukken en te kraken, te bukken en te rapen. En bij het knetterende haardvuur gezeten, las hij met gloeiende wangen alle verhalen waar het heerlijk in waaide. Dan hoopte hij dat het buiten ook echt waaide. Soms was dat zo. De schoorsteen en de rolluiken van het huis konden daar van meespreken. Ook het kanaal rimpelde en rilde vaak hevig. En hij hoopte dat het nooit ophield met waaien, tot de appelschudder weer langs zou komen, met een verse luchtkus, bijna onmerkbaar, een jaar later.


    24-05-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.120: Quo Vadis?

    QUO VADIS?                

    In den beginne was het woord – geloof het of geloof het niet, het staat in de bijbel, maar ook in Quo Vadis was in den beginne het woord. De ‘Quo Vadis’ (volksmond: ‘Kwo’) is mijn ‘oude’ jeugdclub in het bruisende dorp H. Hij bestaat nu al meer dan dertig jaar. In de herfst van 1974 – er stonden nog bomen in de straat – was er daar namelijk ook zo’n oubollige stencilmachine uit het steentijdperk, waaruit we op gezette tijden ‘Muze’ persten en wrongen: dat was een ‘blaadje’ zoals we dat noemen waarin verzen stonden en berichten van de ongeveer dertien mensen die daar elk weekend anderhalf glas rode wijn nipten bij het flakkeren van een halve kaars in een fles. Ik overnachtte daar die winter (want ik kwam altijd van ver) bij scherpe noordenwind met mijn parka aan en mijn voeten schroeiend in een mobiel vuurtje waarvan de gaspul altijd leeg was, zoals Mao Tse Toeng zijn boeken schreef. ’t Is veel veranderd ondertussen, moet ik zeggen, en ik ook. Ik vraag me bijvoorbeeld af: hoeveel gaten zijn er nog in dat dak? Stort dat dak nog af en toe een keer in? Vallen er soms nog mensen in de kelder? Missen ze nog van deur? Passeert er in die kelder nog altijd ’s avonds laat een Romein zonder kop op zoek naar wijn? Wordt dat daar nog altijd gefrekwenteerd door dichters en muzikanten en andere doordrinkers? De snaren van de gitaren van toen zijn wellicht al helemaal anders gestemd nu. Toch deed het deugd anno 2004 daar even weer te zijn tussen gelijkgestemd volk dat een stuk van zijn jeugd op deze plek doorgebracht heeft. Voor mezelf associeerde ik deze biotoop met enkele details: die ‘buzestove’ van 1974 waar ik de armen van een oranje kapstok in verbrandde, plus ettelijke Streekkranten en blaadjes van andere jeugdclubs, de toog waar ik op sliep als die stoof het niet meer deed of als het boven min dertig graden was, de Stones en Mike Oldfield en Focus en Vermandere en John Lee Hooker en ’t een en ’t andere, de afscheidsavond van iemand die naar het leger moest, mijn eerste teksten die ik kwijt kon in een blaadje. Van op een afstand bekeken – de afstand van leeftijd, relaties, tijd, beroep en nieuwe engagementen – deed het altijd wel weer deugd te horen dat het goed ging in ‘de Kwo’. Per slot van rekening laat je in de plaats waar je jong bent geweest altijd een schilfer van je hart achter. Als je in de loop van al die jaren nog ergens een andere Quo Vadisser ontmoette, dan deed dat altijd wel weer enkele aangename belletjes rinkelen, en niet per se die van de kassa. We lagen aan zee, we liepen rond in de zoo, we lieten ons te lande droppen, we vierden oudjaar, we maakten hutspot, we deelden soms lief en leed. Meer moest dat niet zijn, maar het was ook heel veel. In die straat van mijn oude jeugdclub kun je toevalligerwijs voor veel dingen des levens terecht: je kunt er school lopen als je daar zin in hebt, je kunt er (hoog)bejaarde jaren doorbrengen, je kunt er begraven worden als de tijd gekomen is en je kon er tanken naast de deur van ‘de Kwo’, en je kan er dus nog altijd tanken, maar alleen in ‘de Kwo’. De ‘Quo Vadis’ is altijd een van de bekendste drenkplaatsen in het bruisende H. gebleven. Ja, ook ik was een van hen.

    Bijlagen:
    DenooJoris.jpg (297.5 KB)   


    12-05-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.119: Niespijn

    NIESPIJN            

    Roodomrande konijnenogen, bergen zakdoeken, filevorming van snot, je kop van je romp niezen, ziek en niet ziek, een onderwereldbril op je neus tegen het daglicht, pilletjes, injecties, snuifflesjes, dieet, slaperigheid, gesmoorde stem, gemoed ondanks koorts in het vriesvak: hooikoorts, kortom. Een vrij mooi woord, bekt lekker, vind ik, er zit iets zonnigs in, maar het is een verdomd vervelend onding om mee om te gaan. Tussen april en oktober ben ik, samen met grote scharen medelijders, niet echt wat je kunt noemen een natuurliefhebber. Dan zou ik het liefst onder water leven, of in het heelal rondzweven, stof- en krimpvrij bij voorkeur, ver verwijderd van grassen, pollen, berken, bloemen, planten, parken, bossen, bruidsboeketjes, theekransjes, verjaardagstuilen, fluweel, textiel. Onbereikbaar voor droge, schrale oostenwind en vlammend zonlicht. Hoe moet je als hooikoortsige aan je omgeving, de immer begripvolle medemensen dus, uitleggen dat je deus verstobd zit en je stem wegdeemstert en je kop te hard klopt wegens uitzinnig genies, dat je wegens te straffe pilletjes om de drie uur een dreun van de hamer krijgt, dat om de anderhalve seconde het snot uit je kop druipt en dat je hoofd aanvoelt als een op hol geslagen eiland vol koppensnellers? Dat je alleen tegen kauwgumsnelheid kunt presteren? Zo’n kop, verdorie, moeilijk te geloven, man. Want je bent dus niet ziek. Geen dokter heeft aan je bed gestaan. Je mag de woonst verlaten. Je bent alleen maar wrakhout, aangespoeld op een zee van snot. Iedereen schrikt zich een hoedje als je weer eens zeventienmaal na elkaar knoerthard niest. Als het eindelijk avond wordt, is je hoofd leeggeniesd. Je neus is een staketsel van rode vellen geworden. Je stem klinkt stroef als kolengruis. Tijd voor een nieuw pilletje, preventief, want hierna komt nog een dag. Geef ons vochtig onweer, en dat de bliksems gaten mogen schroeien in de ozonlaag, laat het lastoestel van God in werking treden, laat het pijpenstelen zeiken als nooit tevoren. Laat het weer vlug herfst worden, stormen het zwerk schoonvegen, haaientanden regenen. Geef ons een jaar lang herfst, en een statuut voor de hooikoortslijder. En gratis papieren zakdoeken, voorrang in openbare toiletten, kosteloze vakanties aan zee, een eigen rockfestival (‘Snotverblomme Rock’), een toelage voor pillen en begrip vanwege de niet-niezende mensen. We vragen met aandrang dat iedereen de andere kant op zou kijken als we weer aan het worstelen zijn met badnatte zakdoeken en als onze ogen oceanen van dronkenschap lijken te zijn. En nog iets: kom niet af met goede raad. We hebben alles al geprobeerd.


    05-05-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.118: Rog

    ROG            

    Ik zat in een bistrot waar blauwe visjes in een aquarium te kijk zwommen. In deze bistrot werd vast voedsel verstrekt, en het was er best gezellig. Ik pleit voor meer aquariums in eetgelegenheden. Enige drank kon evenmin ontkend worden, maar die heb je nodig om dat vast voedsel door te spoelen. Ik had ‘hoerensjans’, want het dagmenu betrof roggenvlerken, en daar doe ik graag een moord voor. Vlak voor ik geëxecuteerd word bijvoorbeeld, formuleer ik als laatste wens twee verzoeken. Een: geen blinddoek. Ik wil zien wie mij neerschiet. Twee: roggenvlerken. Ik wil op het allerlaatste nippertje van mijn loopbaan op deze aardkloot nog het lekkerste uit de zee proeven. En daarna nog een chocotoff, als het kan. Die duurt lang en rekt mijn bestaan op deze blauwe plek in het heelal nog een wijle. De onnozelste gedachten troffen mij ook in deze bistrot met de blauwe visjes, want ik genoot er van een breed panorama. Ik keek onder andere uit op een bloeiende bakkerij. Op het appartement op de eerste verdieping erboven hing een Vlaamse leeuw. Was de bakker Vlaamsgezind? Of helemaal niet, en was alleen de huurder erboven flamingant? Kon de bakker daar iets aan doen? Vond hij dat goed of slecht voor zijn broodjes? Had hij daar niets mee te maken? Had dat invloed op de verkoop van zijn deegwaren? Bestaat dat, hoe dan ook: Vlaamse broodjes? En zo, terwijl ik naar die blauwe visjes onder water zat te staren, en af en toe ook naar buiten, overvielen mij de gekste gedachten. Bijvoorbeeld nog deze: kon ik de politici processen aansmeren omdat ze met hun lelijke tronies op hun grote verkiezingsborden het zicht belemmerden, ongevallen veroorzaakten en de horizon vervuilden? Konden de verzamelde burgers, zeg maar: het kiesvee, de politici niet voor het gerecht dagen en alsnog een lelijkheidsbelasting uit de brand slepen? Ook de koeien in de weiden waar die foeilelijke borden hadden gestaan, weigerden nog melk te produceren. Hoe zou je zelf zijn? Hoe groen was hun wei nog? Koeiemorgen, zeg! Toen kwamen gelukkig de roggenvlerken eraan, want mijn gedachten werden alsmaar bozer en stouter. Het was me een waar genoegen deze vlerken te verorberen, en ik had daarenboven het geluk dat de patrones kwam vragen of ik er nog eentje of twee wilde. En willen dat ik deed! Ik ga daar zeker nog terug in het gezelschap van mijn inwendige mens. Alzo vormden de visjes en de roggenvlerken in die duistere tijden medio mei enkele bescheiden hoogtepunten. En de zon scheen af en toe wat meer over België, het land van le rouge et le noir.


    28-04-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.117: Opiniepeiling

    OPINIEPEILING                   

    En, hebben zij die onlangs in het weekend ongevraagd aanbelden en uw bus met allerlei onzin volpropten en u daarna al lang weer vergeten zijn, nog iets van zich laten horen intussen? Of zwijgen ze weer als vermoord tot nader order? Hebt u uw stem uitgebracht op een van die openbare figuren die van Vlaanderen een paradijs zouden maken? Op zij die fabriekjes in het armere buitenland neerpoten, voor de eigen portemonnee meehelpen aan de industriële vlucht, maar hier tweehonderdduizend jobs beloven? Herkennen deze verkozenen of onverkozenen u nog uit de zovelen wanneer u in de massa opgaat? Branden ze nog altijd van verlangen om hun beloftes waar te maken? Schuiven ze op zaterdagmiddagen in de file aan bij de Getuigen van Jehova en lopen ze nog altijd uw deur plat terwijl de frietpot op zijn hoogtepunt staat te sissen? Glimlachen ze nog altijd als breedsmoelkikkers bij het zien van uw lichaam? Hebt u nu werkelijk meer Vlaanderen en minder belastingen? Maken zij het verschil? Of hebt u nu nog altijd kiespijn? Voelt u hun beloftes elke dag ook in uw portemonnee? Verhoogden zij vlak na hun uitverkiezing niét fluks de benzineprijzen aan de pomp? Zorgden zij inderdaad voor de transparantie in administratie en papierwinkels of veroorzaakten zij zoals verwacht alleen maar transpiratie? Nemen zij nog te gelegener tijd de woorden ‘U’, ‘jouw’ en ‘burger’ in de mond? Geven ze echt blijk van topprioriteiten? Schaffen ze echt uw hoogdagen af? Bemoeien ze zich verder met uw vrijetijdsbesteding? Drijven ze de betutteling nog altijd zo ver? Schuiven ze ook nog altijd met percentages en wijzen ze naar statistieken om hun gelijk te halen? Fietsen de paters van Groen! nog met lawaaihinderend belgerinkel rond? Staat dat Haantje-de-voorste nog in bier-en worstkramen idiote schlagers uit te kramen? Klopt blauw elkaar nog op de schouders? Doet sp.a nog belleke-trek? Ziet het er nog bruin uit voor Bruin? Heeft de NVA nog altijd geelzucht? Dienden ze een onkostennota in? Bekenden zij na hun niet-verkiezing hun lijkbleke kleur? Hoe zit het nu met het anciauvisme en het stevaertisme? Is het weer huilen zonder pet op? Zitten er weer van die Beroerde Vlamingen in de besturen? Hebben ze al hun oud papier weer opgehaald, zoals ze zelf propageren voor oude toestellen en verpakkingen? Ruikt het in uw omgeving naar gebakken lucht? Draaien de windhanen op de Vlaamse kerktorens weer op volle toeren? Moeten we er weer geen tekeningetje bij maken? Begrijpt u wat ik bedoel? En, laatste en belangrijkste vraag van deze opiniepeiling na de vorige en voor de volgende verkiezingen, een retorische vraag: dachten ze echt dat ze op uw stem konden rekenen? 


    21-04-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.116: Vragen aan 1 engel

    VRAGEN AAN EEN ENGEL                    

    Ben je hier geweest of is dat te veel gevraagd? Moet je hier niet zijn of ben je net vertrokken? Kom je uit een ander tijdperk, liep je even aan en ben je weer verdwenen? Heb je even van een glas genipt, een bloem verschikt? Laat je een geheime deur aanstaan? Liet je een Dear-Johnbriefje achter? Waar anders mag ik je verbeelden? Is dit Parijs, Berlijn, Normandië, geen van beide, dan maar stad en weide in kaart en kleur gezet, gedacht, verteld? Spreek je gebroken Frans in Sint-Petersburg en dans je in Constantinopel de cancan? Hoorde je in Brighton, Deauville en Oostende de schreeuw van meeuwen om wat manna? Ben je voorheen al onbeschrijfelijk beschreven? Ga je kerken binnen of prevel je op straat de doodgewoonste woorden voor je uit? Zink je wel eens vaker neer op banken in een park van herfstzomer of stap je alsmaar door? Laat je dan een schroeiplek na op dit ondermaanse of een luchtbel vol met geurigheid? Gluur je verstolen naar jezelf in weerschijn van etalages of trotseer je de terrassen zonder meer? Duik je graag in boeken onder met een open einder of verdrink je liever in de beelden van weleer? Als de mode wil dat het weer lente wordt, en het trottoir weer catwalk wordt, volg jij dan op de hielen deze zachte revolutie? Mogen we dat dan ook maar even zien? Durf je je eenzaam vol te vreten tussen suikertantes in de tearoom? Ga je met voorbedachten rade uit de kleren? Ligt er binnen schootsafstand altijd een wapen klaar? Voel je je veilig als de lampen weer gaan doven? Hoe veel mensen zijn er al voorgoed verdronken in de oceanen van je ogen? Kan je zelf het kaatsen van een spiegel aan? Is je hart een kooi van ribben, het Berlijn van na de oorlog of het Parijs dat weifelt tussen licht en liefde, dromen en bedrog? Wordt het een zachte landing in Normandië? Laat je het licht aan en de poort open terwijl de zuidenwind door kruinen fluit en klokken malen om verloren tijd? Zou ik wat Mozart voor je kunnen zijn, het begrijpen rond een glas rode wijn, vieren, weet je wel, maar niet te fel, niet rijmen zo strak, de woorden niet dopen? Laat je dan het licht aan en de poort open? Worden we wat wijzer dan of verdwijn je weer in straten, over pleinen, in de steden, aan de wind? Als in de strakke blauwte van augustus bovenal een vliegtuig met gespreide vleugels bidt, zit jij daar dan in? Zing jij dan de zomerherfst in de diepte die daaruit ontstaat als gewijde opera? Noem je dat dan romantiek en durf je dat te durven? Zou je vlinders kunnen doden en de wind gaan wecken om niet te vergeten hoe onstuimig het ooit was? Hou je van het wrede van collectioneren en bewaren, waaiend glas en marmeren gefladder zoals destijds Pompei? Als het woord behagen valt, maak jij je dan uit de voeten naar een ander, verder eiland schier? Kom je nog terug als je weet hebt van het zachte ruisen van een goede stilte, van de grootste warmte in de kleinste wintertuin, en van eilanderigheid: als heel veel overal altijd rondom jou op je afkomt om je heen? Wat wacht er aan het einde van de straat, op het plein, om een hoek, aan de fontein: een feest, herinnering, draaiboek, ansicht, glansrol, gerinketink van glas op wat was, weemoed, een heildronk op wat wegblijven of komen kan?


    14-04-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.115: Garnaal

    GARNAAL                    

    Hoeveel verschillende soorten uitspraak van het woord ‘garnaal’ zouden er zijn? Ze klinken allemaal om ter vreemdst en om ter gruwelijkst. Vooral in de lage streken van deze westelijke provincie. Ze klinken een beetje zoals de beestjes er zelf uitzien: leuk, maar lelijk. Misschien ook veroorzaken ze te veel water in de mond bij het uitspreken. Yves Leterme (iemand uit Ieper) trok vorig jaar eind augustus het verse garnalenseizoen op gang. Hij leerde hoe hij het staartje vast moest houden om het lekkere diertje van zijn pantsertje te beroven. Niet te onderschatten. Op zijn eigen beëdigde hoofd bevond zich uit hygiënische overwegingen een leuk transparant petje. Ook de visvrouwen rond hem waren zeer proper ingepakt. De minister-president (naar eigen zeggen goed op de hoogte van het viswezen via een vroegere viswinkel in Wervik) zat daar natuurlijk niet zomaar. De baas van Vlaanderen was eigenlijk dubbel druk aan het werk. Hij kwam zich informeren over de problemen in de garnaalvisserij. De brandstofprijs bleek daar bijvoorbeeld toe te behoren. Dat is zeker een groot probleem. De laatste jaren, heb ik de indruk, smaken garnalen meer en meer naar brandstof en bewaarmiddelen, en minder en minder naar garnaal. Met tomaten heb je dat ook. En vooral: met gevulde tomaten. Sommige tomaten zijn namelijk zo oneetbaar dat men hun vruchtvlees er vooraf al uitlepelt. Kijk: er is een feestje, of het wordt Kerstmis, en wat gebeurt er? Men propt achtenveertig slappe garnalen in de bloedrode holte waar de ingewanden van de tomaat zich bevonden en men bekomt een dubbele neutrale smaak. Dat gecombineerde vergrijsde roze en roodsel smaakt gewoonlijk naar niets. Het is bijna de vleesgeworden afwezigheid van smaak. Bah, en dat uitgedroogde tomatenhoedje dat daar dan bovenop prijkt! De kroon op het werk. Het kapsel op de koningin. Nu maar hopen dat die kerel uit Ieper het bevel heeft gegeven tot het leveren en opscheppen van alleen maar levende-verse garnalen. En omdat hij zich ook over de tuinbouw gaat ontfermen, wel, dat hij de tomaten ook maar eens een verse rode blos geeft, een beetje natuurlijker dan die glanzende geforceerdheid die alleen maar fletsheid in de mond veroorzaakt. Als de kwaliteit zo goed is, en de productie zo hoog, en de prijzen dus kelderen (die vreemde paradox van overvloed en armoede), kan er weer meer aandacht besteed worden aan de gezondheid. De een zijn dood is de ander zijn brood. Weg met de vergrijzing van de garnaal.


    08-04-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.114: De collectie

    DE CATERING-COLLECTIE

    (Aan het brood ontsnapt)

    met dank aan Anton Tsjechov

    Enkele dagen geleden bracht ik een bezoek aan mijn vriend de journalist Everhart De Bruyn. Ik vond dat hij fel vermagerd was. Hij bood me een kopje thee aan, want hij had net een vers kannetje staan. Dat sloeg ik niet af.
    ‘En mag ik er een broodje bij?’ vroeg ik. ‘Ik heb al geruime tijd niets meer achter de kiezen gehad.’
    ‘O nee,’ antwoordde Everhart. ‘Nee, nee. Ik bied wel mijn vijanden brood aan, maar zeker nooit mijn vrienden.’
    ‘Tiens, dat is vreemd,’ zei ik. ‘Waarom dan? Waarom dan niet?’
    ‘Waarom? Kom eens mee!’
    Everhart troonde me mee naar de salontafel, spreidde er zijn krant op uit en trok de lade open.
    ‘Kijk,’ wees hij.
    Ik keek in de lade, maar ontdekte hoegenaamd niks interessants of opvallends.
    ‘Maar ik zie niks,’ zei ik. ‘Ja … alleen wat prullen … zoals je wel vaker in een lade aantreft: … een vodje … een punaise … een lucifer … een spijker … eh … ‘
    ‘Inderdaad,’ knikte Everhart. ‘Zeer juist. En dat is het precies wat ik je vraag even te bekijken. Tien jaar heb ik gedaan over mijn collectie. Het is een merkwaardige verzameling geworden van vodjes, nagels, beentjes, dode dieren, graten, prullen, eh … soms onherkenbare onderdeeltjes van iets groters.’
    Hij graaide de inhoud van de lade bijeen en liet die op de opengespreide krant vallen. Toen stak hij van wal.
    ‘Zie je die half opgebrande lucifer? Dat is een interessant voorwerpje. Hij kon mijn dood betekend hebben. Verleden jaar zat dat ding in een gebakje van patisserie Lizzy. Wat het daar deed? Dat was en is een groot raadsel. Gelukkig was mijn vrouw thuis, om me op mijn rug te kloppen. Het luciferstokje zat namelijk dwars in mijn keel. Ik werd op het nippertje door haar gered. Zie je die teennagel hier? Dat halvemaantje? Ja, natuurlijk: hij is groot genoeg, hé. Drie jaar geleden bevond die zich in een klaaskoek van de bakkerij An & Geert. Ja, die klaaskoek had armen en benen, maar nagels hoefden er voor mij niet aan, hoor. Ik slikte het ding net niet door. Vervolgens: dat stukje vod hier. Dat stak vijf jaar geleden in een stuk worst van de bekendste fijne-vleeswarenzaak in Brussel. Op de valreep belandde het niet in mijn inwendige mens. Omstreeks dezelfde tijd ontdekte ik in een potje yoghurt én een mensenhaar én een punaise. Gelukkig was ik toen al min of meer een gewaarschuwd man: ik lepelde alles heel traag en bedachtzaam uit. En ik ga door. Ik merk dat je geboeid luistert. Dat zakdoekje hier zwom in de kervelsoep die ik in het stationsbuffet aan het eten was. Deze spijker bevond zich in het broodje-gehakt dat ik in een ander station had gekocht, want ik vertrouwde de catering in dat eerste station niet langer. Deze rattenstaart hier – intussen gelijkt hij op een aardig stukje leer, nietwaar – komt uit een flesje bier. Ik zette er mijn mond aan en … je kunt je mijn afgrijzen wel voorstellen. Dit sardientje – althans: je ziet er alleen nog dit ruggengraatje van – ontdekten mijn vrouw en ik in een verjaardagstaart voor onze zoon. Deze harige duizendpoot baadde in mijn pint in de Ierse pub hier vlakbij. En ik was ook 1 cm verwijderd van het inslikken van deze schapenkeutel, die verzeild was geraakt in leverpastei die we van de kerstmarkt meebrachten. Enzovoort … enzovoort … Intussen weegt mijn merkwaardige verzameling anderhalve kilogram. Dat is 1 œ kg die ik alvast zelf niet hoef te torsen. Maar wie weet wat ik wél al allemaal heb ingeslikt. Gelukkig, maar het betekent een ietwat schrale troost: deze collectie hier heb ik dus net niét ingeslikt. Wil je nu een broodje bij je thee?’
    ‘Nee,’ schudde ik beslist.


    31-03-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.113: Grot met klaprozen

    IN EEN GROT MET KLAPROZEN

    ( BOEFTIE, GEDAANTIE & PEPELAAR )

    Ze bestaan echt, want ze doken al eens in mijn dromen op. Daarom kan ik ze moeilijk beschrijven. Ik waag een poging. Het is lang geleden, en toch lijkt het de dag van gisteren. We zeggen en schrijven 1918 en 2008.
    Pepelaar heeft voorspellende kracht en maakt altijd de zinnen van andere mensen af. Balen!
    Gedaantie heeft in volle zon geen schaduw en loopt permanent gelaagd gekleed. Zweten!
    Boeftie geilt op zestienjarig meisjeshaar, dat hij voortdurend wil kammen. Rennen!

    Ik ontmoette ze op de Carpathia, het schip dat het dichtst bij de Titanic was (maar helaas ook te ver: 93 km) op het ogenblik van de ramp. De Carpathia was een democratisch schip, met een 2e en een 3e klasse van vrij hoog allooi. Het was ook gespecialiseerd in het transport van diepgevroren voedsel. Daartoe was het uitgerust met drie aparte koelmachines, extra bij die voor eigen gebruik.
    Boeftie en Gedaantie waren beëdigde indommelaars, door de rederij vast in dienst genomen. Hun taak: ’s avonds in de kajuiten de slapen van resp. oudere dames (Boeftie) en heren (Gedaantie) masseren tot die de slaap konden vatten. Soms deden ze hun werk zo goed dat bepaalde dames en heren door de hele oceaanreis heen sliepen. De indommelaar en indommelaarster vormden niet echt een koppel, maar toch zag je ze vaak samen. Ze dommelden bijvoorbeeld af en toe bij elkaar in, uiteraard vaak overdag.
    Pepelaar was door Boeftie en Gedaantie aanbevolen bij de kapitein. Hij mocht zeeweddenschappen organiseren en de speelzaal in de 2e klasse runnen. Een korte schets van de kerel: hij geleek op de missing link, maar wel met twee gouden tanden. Daarenboven was hij Russisch-Orthopedisch. Hij kruistekende zich averechts en hij mankte.
    Die rampavond met de Titanic (de nacht van 14 op 15 april 1912) was ik met mijn schijnvrouw, de operazangeres Macarena Rubens (ook genoemd Gods Persoonlijke Nachtegaal) in de speelzaal van de Carpathia. Met haar had ik een schijnhuwelijk aangegaan. Zo kon deze Roemeense zangvogel ongestoord in westelijk Europa verblijven en werken, zeg maar: kwelen. En ik had zelf niks anders omhanden. Nu wou ze echter de grote plas over, met mij, om haar geluk in Canada of Amerika te beproeven. In deze goede en kwade dagen volgde ik haar. Ik zou namelijk ook haar wettelijke entreekaartje in Amerika zijn. Overigens lokte een oceaanreisje me wel aan: ik had in die periode een vissenbeet geïncasseerd die slechts moeizaam genas. Een van onze aquariumvissen thuis had bij de laatste voedersessie het bovenste kootje van mijn rechtermiddelvinger omzeggens weg gehapt. Nog geruime tijd daarna liep ik koortsig rond. Een uitje op de oceaan zou me dus goed doen.
    Terwijl in de verte de Titanic aan het zinken was, waren Macarena Rubens en ikzelf aan de hoofdspeeltafel Pepelaar aan het bedriegen. Hij was zo gemeen en lelijk dat we hem genadeloos oplichtten en plunderden. Zijn gouden tanden en onze trouwringen flikkerden vervaarlijk over en weer. Dit was oorlog. Macarena beheerste dit als geen ander; dat had ze allemaal in de coulissen van de Karpaten geleerd. Ikzelf was ook bijzonder vingervlug. Dat had ik opgestoken in de buik en ingewanden van Brussel.
    Laat op de avond kwamen Boeftie en Gedaantie er geeuwend bij staan. Hun nachttaak zat er op. Ze hadden de ouderen van dagen de slaap in gewreven en in de armen van Morpheus gedreven. De oceaan zou hen verder tot de ochtend wiegen. Dachten ze.
    ‘Ze hadden wel nog zin in een spelletje,’ knikten ze.
    ‘Dat zal wel,’ grinnikte ik, want we hadden de samenzweerders intussen goed leren kennen. Macarena glimlachte weer gevaarlijk. Pepelaar keek diep en hulpbehoevend in de ogen van zijn kornuiten. Dat allerlaatste spelletje ging echter helemaal niet meer door.
    Even later werd iedereen op het schip gealarmeerd. Alle energie werd aangewend om ziedend snel door de koude wateren in de richting van een noodsein te varen, slalommend om ijsbergen heen. Intussen zocht en stapelde iedereen ijlings dekens en noodvoorzieningen op het dek.
    We beseften toen nog niet dat we een soort heldendom tegemoet gingen.
    Maar ons heldendom op deze aarde was van korte duur. Enkele jaren later zonk ook de Carpathia, op 17 juli 1918. Dat betrof oorlogsomstandigheden. Na driewerf geklop in mijn hoofd werd ik wakker. De rest van de opvarenden werd ook gered, sommigen weliswaar zwaargewond. Vijf mensen overleden door de explosies van drie torpedo’s. Onder hen Boeftie, Gedaantie, Pepelaar en mijn schijnvrouw Macarena Rubens. Ze bevonden zich op dat fatale ogenblik allen bakboord. Ook in de machinekamer stierf nog iemand, een bemanningslid.
    Het was 1918 en 2008. Ik mis niemand echt. Gelukkig kan ik het nog doorvertellen. Macarena echter …


    23-03-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.112: Rechtspraak

    RECHTSPRAAK                          

    Het Deutches Requiem van Brahms weerklonk door mijn weidse schrijfvertrekken in de geheimzinnige stad K. – prachtige protestantse muziek over mens en dood, rouw en troost. Buiten struikelde godverongelukt schel winterzonlicht over de daken. Celsius ging vreemd: 14 graden, godgenageld! Toch had ik liever nog regen op een dinsdag in Rome dan winterzon op een zaterdag in een geheimzinnige stad in het zuiden van westelijk Vlaanderen. Nu, je kunt niet alles hebben: én het leven, én een inktzwarte Saab, én gezellig slecht weer, én een uur Brahms, én een wereldstad. Ik had toch ook, toegegeven, een vrij interessant Belgisch panorama als ik rechts van mij naar buiten staarde: een gerechtsgebouw. De grauwheid ervan kon te wijten zijn aan het ontbreken van glazenwassers, ik bedoel: wat mijn ramen betreft. Voortdurend daalden en stegen zekere rechtspersonen van en op de trappen. Ik vroeg me af hoe veel van ze de waarheid in pacht hadden. De ene moest zweren niks anders dan de waarheid te vertellen, de andere mocht beroepshalve liegen, geen van beiden kon een goeie zin bouwen, laat staan uitspreken. Deze donkere gedachten overweldigden me, fel beschenen door vreselijk hel winterzonlicht in de stille stad K. gelegen langsheen het traankanaal de Leie. Gelukkig kon ik troost vinden in Brahms’ Requiem, een notenkraker van de bovenste plank. Toen ik weer even in een schrijfgat tuimelde, en niks meer kon verzinnen om aan het nochtans gewillige papier toe te vertrouwen, probeerde ik het beroep of de hoedanigheid te raden van de stervelingen die op de trappen van het gerechtsgebouw verschenen. Wrange glimlach, autosleutels in de hand, apenpakje over de arm gedrapeerd: advocaat. De tijd nemend om op de trappen nog twee keer stevig aan haar sigaret te ‘trekken’ en die dan grondig ‘doodtrappend’ op de eh … trappen: schoonmaakster of seriemoordenares. Twee achter-in-de-twintigers en een dertiger, alledrie met een snorretje: Albanese vriendenkring. Een man, gehaast: scheidingsprocedure, leraar scheikunde, moest nog examens ‘verbeteren’. Een vrouw, gehaast: scheidingsprocedure, werkzoekend, moordplannen, wou af van leraar scheikunde. Een man met witte-verfplekken op zijn plunje: gevelschilder die zijn rijbewijs weer op kwam halen, zeer tegen zijn zin nochtans de trappen bestijgend. Man plus vrouw, dalend, stevenden recht en rokend op hoekcafé af: huurcontractconflict verloren, juridisch steekspelletje gaan verzuipen. Twee mannen in blauw met insignes waar die godgenagelde schelle winterzon op weerkaatste: politie. Iemand op vier poten die een mens aan de lijn had: een hond. Hij plaste tegen de onderste trede en vervolgde ongestraft zijn weg. Op enkele uren rijden oostwaarts deed zich toen het stripverhaalproces voor van de moord op André Cools. Op enkele maanden afstand zou dan het proces-Dutroux plaatsgrijpen. Toen ik weer tot mezelf kwam en me concentreerde op het witte blad kreeg ik hevig heimwee naar een regenachtige dinsdag in Rome, maar dan zonder Berlusconi.


    15-03-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.111: Eierensmelting

    PAASEIERENSMELTING                 

    Ik heb in mijn dorp een nieuw gebruik gelanceerd. Het kwam in me op toen ik naar de traditionele kerstboomverbranding stond te kijken met een koele cola in mijn hand. Waarom niet alle overtollige paaschocolade van de vraatzuchtige en de stoute kinderen een week na Pasen ophalen en die massaal smelten? Door een soort Boze Paaspiet? Dat kan gebeuren in een daartoe bestemde grote paasketel. Alle kinderen die zich misselijk gevreten hebben ter gelegenheid van de verrijzenis van de heer Jezus Christus moeten er hun overtollige eieren en zo in deponeren. Ze worden ook verplicht toe te kijken op de paaseierensmelting, als straf voor hun vraatzucht. Van die chocoladepap mogen alle brave kinderen dan komen eten: alle kinderen die hun Pasen gehouden hebben en een week lang helemaal niets van hun chocolade gegeten hebben. Wat gebeurt er dan met die stoute kinderen? Daar moet ik nog verder over nadenken, maar een kinderensmelting behoort ook tot de mogelijkheden, zo ongeveer een week voor de grote vakantie. Maar wat moet er dan met die kinderpap gebeuren? Daar ben ik ook nog niet uit. Sommige kinderen hebben flaporen. Transatlantische zeiloren, zeg maar. Andere niet. Maar die hebben dan bijvoorbeeld iets anders: vlammend ‘rost’ haar, twee ongelijke spillebenen, een neus als een glijbaan, kikkerogen, duizend sproeten, wit haar, zwart haar, bruin haar, een deelteken op hun borst, een komma tussen hun benen, noem maar op …Wel: al die kinderen mogen ook van de paaspap komen eten. Als ze maar allemaal hun klep houden. De paaseierensmelting en de paaseierenproeving gebeuren in volstrekte stilte, onder begeleiding van de Boze Paaspiet. De kinderensmelting vlak voor die onnozele grote vakantie daarentegen gaat met luid gejuich en applaus gepaard vanwege de brave kindjes die hun Pasen hebben gehouden én goede cijfers of letters op school behaalden. De aldus verkregen kinderpap kan eigenlijk gewoon worden weggegoten. (Vandaar de uitdrukking: ‘Het kind met het badwater weggooien’, komt oorspronkelijk van: ‘De kinderen met het papwater weggooien’). Tot zover mijn nieuw gebruik. À propos: bij die klassieke kerstboomverbrandingen moeten ze wel uitkijken. Er zijn de laatste maanden opvallend veel branden in bejaardentehuizen. We ijveren er met onze partij momenteel voor die twee zaken gescheiden te houden: kerk en staat. Kerstbomen verbranden is immers heidens. Maar paaseieren smelten en kinderpap maken, nou: lees er maar eens de gewijde-geschiedenisboeken op na. In de grootste beschavingen werd alom gesmolten. Wel, smell you later, alligator.


    05-03-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.110: Gezeid is gezeid

    GEZEID IS GEZEID                      

    Verloofd zij Jezus Christus, zei de priester, en hij zwaaide met zijn kwispel naar zijn buurvrouw. Eigen volk eerst, riep de Vlaams Belanger, en hij sloeg zijn kinderen dood. Geen commentaar, zei Dehaene, en hij liet een wind vanachter. Mijn koninkrijk voor een hond, zei Laurent, en hij veranderde in een kikker. Niks van aantrekken, zei de kleermaker, en hij kleedde de mannequin uit. Tijd is geld, zei de luiaard, en hij bleef zitten. Ieder huisje zijn kruisje, zei de pompier, en hij stak zijn vrouw in brand. Een hoed op je hoofd staat chique, zei Fabiola, en ze werd getroffen door een verdwaalde vogel. Trop is teveel, zei Van Den Boeynants, en hij gaf de pijp aan Maarten. Nooit van mijn leven, zei de eendagsvlieg, en ze knalde tegen een boom aan. De ene shit is de andere niet, zei Margriet, en ze stapte van de VRT in de politiek. Dat kussen is er teveel aan, zei Filip, en hij veranderde ook in een koele kikker. Leven en laten leven, zei de seriemoordenaar, en hij dronk het aquarium leeg. Perfectie is saai, zei Hugo Claus, en hij schreef weer een slecht boek. Ik ben weer op teevee, zei Van Rossem, en hij wuifde naar de bewakingscamera. Gezondheid schaadt het roken, zei de sponsor, en hij hoestte drie miljoen op. Het leven kan zwaar zijn, zei Panamarenko, en hij zag ze weer vliegen. Hoge bomen vangen veel wind, zei Johan Persijn, en hij werd ontvoerd door de Liga ter Bescherming van Boskabouters. Klep dicht, snauwde de postbode, en hij gaf de tochthond een trap tegen zijn kont. Ik ben alles uitgehaald, zei de vrouw, maar ik heb het nu in mijn hoofd gestoken. Weg met die papierwinkel, zei Van Quickenborne, en hij draaide een joint met wc-papier. Het zijn moeilijke tijden voor de kunst, zei Jan Hoet, en hij exposeerde zichzelf. Om het eerst bij de poort, riep Jan Breydel, en hij sloeg Pieter De Coninck de kop in met zijn goedendag. Ik laat ze eens een poepje ruiken, zei de boer, en hij boerde rustig door. In Oostende moet een nieuwe wind waaien, zei De Decker, maar zijn vlieger ging niet op. Maar allez, zei Luk Alloo, ik had me gisteren toch nog geschoren? Had ik dat geweten, zuchtte de madam van dat andere merk tegen de madam van Dash, en ze werd zo wit als een lijk. Geen haar op mijn hoofd, zei de leugenaar, en zijn lip trilde als een belastingaangifte. Het is een cadeau, zei Denoo, en hij gaf zijn paard een muilpeer.


    02-03-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.109: Verre westen

    VERRE WESTEN                  

    Ik kon niet aan mijn tocht beginnen zonder een neutje en een ‘schelle van de zeuge’ bij Berten en Gerda even bezijden de weg tussen Ieper en Veurne. Tien Brabantse trekpaarden op een rij deden daar alsof ze in gedachten verzonken waren. Medio november, tijdens de zeer dynastieke monumentendagen, terwijl het gebladerte van oude soldaten over de wegen warrelde, ging in Krombeke, Haringe, Roesbrugge, Watou, Beveren a/d Ijzer, Stavele, Houtem en Leisele de zon rond 16 uur 48 onder als een gigantische oranje kauwgumbal. Op monsterachtig grote landbouwmachines gingen de lichten aan. Een piepjong boertje reed ons op een op-de-groei-gekocht tractortje voorbij. Twee etmalen plus nog een aantal aan de werkelijkheid ontstolen uren lang zwierf ik met voorbedachten rade en in mijn langste loopgraafjas rond in hop- en polderstreek. De uiterlijke mens legde ik te slapen in ’t Kapittel in Watou, bij Bernadette: een inspirerende plek met pico bello ontbijten. De innerlijke mens voorzag ik hier en daar van vast en vloeibaar voedsel. Jan Dhondt, auteur van de toeristische ‘Westhoekjes’, wachtte me bijvoorbeeld in ’t Boeregat in Houtem op voor enkele kostelijke avonduren. Hij herhaalde dat de volgende dag in het Christen Volkshuis te Haringe-Roesbrugge, biotoop to be! De patron van De Zaligheid in Beveren bereidde me een perfect fazantje en schonk Remhoogte, een Suid-Afrikaanse rode wijn. Ik fietste op straffe van mijn leven de adembenemende steilte van een kuitenbijtende heuvel op en af, en werd onbewust deelgenoot in het vreemde raadsel van een gestolen/verwisselde fiets. Dat kon alleen maar in zo’n hellegat gebeuren. Als ik er ooit terugkeer, zal ik daar een ei gaan pellen. In ’t Kerkegat, grote hoektand van Roesbrugge-Haringe, bezwoer ik een vage bekende dat er met mijn ribbetjes niets beters klikte dan een koele pint, terwijl ik daarop klonk met een ricard in de hand. Ik ontdekte wegwijzers naar Ronse en Maldegem bij de brug aan het Hof van Commerce (inclusief oude slagerswinkel) bij de brug in Stavele. Om uit te blazen ging ik schrijven op mijn kamer, of zappen tussen National Geographic en oude zwartwitte beelden uit De Groote Oorlog. En terwijl die grote oranje bol van de zon ten derden male ter kimme neeg, sloot ik een schitterend weekend af in De Koornbloem op het Klein Marktje in Watou. Ik had elk uur opgespannen tot dubbele proporties, elke beker geledigd tot op de bodem, rookzuilen als zeppelins geblazen en varkens en gevogelte eer betuigd. Tussen de plooien van dag en nacht vond ik zelfs nog extra tijd uit. Voorwaar, ik zeg u: the west is the best.


    26-02-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.108: Regenkleurenboog

    ALLE REGEN VAN DE KLEURENBOOG          

    Kleren maken de man, want ze bedekken hem. Kleuren kunnen hem sieren. Kleurenblinde mensen aarzelen lang voor hun kleerkast. Ze zijn door vergelijking of door opmerkingen te weten gekomen dat er iets schort aan hun kleurenwaarneming. De kleurenblindeman (m/v) heeft ook moeilijkheden met stembiljetten, drankbonnen, verkeerslichten en tientallen andere pietluttigheden die hem het leven kunnen kosten. En misschien combineert hij per toeval zulke originele kleren en kleuren dat de toeschouwers er zelf een kleur van krijgen. Kunst door de schok der verandering, weet je wel. De kleurenblinden behoren tot de club van de gezellige minderheden: linkshandigen, roodharigen, hooikoortsigen. De beste en veiligste kleur voor dit soort blinde is blauw. Ook al krijgt dat woord in de woordenboeken veel negatieve betekenissen of spreekwoorden naast zich: blauwe boon, blauw van de kou, een blauwtje lopen, blauwen (smokkelen), iets blauwblauw laten, (to have) the blues, blue devils (een kater), een ‘blauwe’ (gemeenzaam voor ‘iemand met niet-blanke huidskleur’). Beeld u eens in dat alle groen in de natuur blauw wordt: mariablauw, grieksblauw, irisblauw, jamaïcablauw, berlijnsblauw. Zoals een zomerblauwe lucht met witte remsporen van vliegtuigen in, met gespreide vleugels bovenal biddend in die hemelse blauwte. Misschien is er op aarde wel iemand die de landschappen zo waarneemt. Zonder dat hij het beseft noemt hij zijn blauw ‘groen’. Blauw word ik zelf zelden beu. Tekenleraars probeerden me ooit uit te leggen hoe het zat met warme en koude kleuren, maar dat raakte nooit mijn koude kleren. Ik zag dat waarschijnlijk anders, of al helemaal niet. Ik behoor namelijk ook tot dat clubje van prettig gestoorden op kleurenvlak. Mijn enige zekerheden betreffende kleuren: een sikkepit is altijd wit, zwart staat apart, aan verkeerslichten moet je dubbel uitkijken, rood is dood, paars is voor de paus. En bovenal: de wereld is ook een blauwe plek in dit heelal. Als je van op de maan naar onze planeet kijkt (wie werd al niet eens naar de maan gewenst?), merk je dat duidelijk. En voor de rest is het beeld duidelijk zeker? 


    18-02-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.107: Vraagstaart

    VRAAGSTAART                 

    A – Hoe zou u willen sterven mocht uw ogenblik gekomen zijn ?
    B – Ik twijfel tussen een onbewaakt of een bewaakt moment.
    A – Waar zou u nu willen zijn ?
    B – In Jutland onder laaghangende wolken terwijl een storm aanzwelt.
    A – Wat is uw voorkeurkleur ? Kleuren, misschien ?
    B – Grieksblauw, onderwatergroen, eierdooiergeel, valavondoranje, magenta, solferino.
    A – Welke historische figuur bewondert u bovenmate ? Figuren ?
    B – Sidney Reilly, Coco Chanel. Geen staatsmannen of -vrouwen.
    A – Q ?
    B – De eerste professionele Westerse spion. De andere figuur is u welbekend.
    A – Ach zo. Hoe zou uw motto kunnen luiden ?
    B – We never sleep. In het Nederlands: altijd opletten.
    A – Hoe ziet uw geluksdroom er uit ?
    B – Stormachtig, landschappelijk vlak, drank, voedsel, warmte, onderdak.
    A – Uw beste karaktertrek ?
    B – Flexibiliteit. Ik vaar, ik vlieg, ik loop, ik rijd.
    A – En uw slechtste karaktertrek ?
    B – Ik pas me te makkelijk en te vlug overal aan.
    A – Lievelingsdieren ?
    B – Ijsbeer, wolf, vos, kameleon, windhaan, pechvogel.
    A – Haha. Welke eigenschap verkiest u bij anderen ?
    B – Geheimzinnigheid. Humor. Smaak.
    A – Welke is uw liefste bezigheid ?
    B – Gastronomie terwijl het stormt, bij voorkeur ergens aan zee in de herfst.
    A – Welke historische figuur verafschuwt u ?
    B – Alle niet-Russische dictators. Vooral Pinochet, Nero, Hitler en Amin.
    A – Waar zou u willen wonen ?
    B – In Chicago of Edinburg. Het waait er vaak.
    A – Wat vindt u van deze vragen ?
    B – Deze vragen vinden mij best te doen. Ze vallen niet echt op door eenvoud.
    A – U proest het dus uit ?
    B – Zoveel is zeker ! Is dit een woordspeling ?
    A – Ik had u niet gevraagd zelf te eindigen met een vraag.
    B – O, maar dan zijn de rollen even omgekeerd hé ?
    A – Inderdaad. Hoe is het zo ver kunnen komen ?
    B – Maar daar loop ik niet in hoor !
    A – Maken we er dan maar een einde aan ?
    B – Helemaal niet. Da-ag !


    10-02-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.106: Mooie woorden

    MOOIE WOORDEN                  

    Vroeger, toen sommige dieren nog spraken, hoogstwaarschijnlijk West-Vlaams, en ikzelf nog tafelhoogte was, dacht ik dat achtentachtig en vierennegentig ‘meer’ waren dan honderd. Die woorden klonken namelijk langer en indrukwekkender. (Ik heb ook altijd het gevoel gehad dat volslanke mensen ‘meer’ op de wereld zijn dan slanke. En me lang de vraag gesteld of bijvoorbeeld een geamputeerde arm ook naar de hemel gaat). Ter zake nu: mooie woorden zijn niet de bombastische hoogdravende adjectieven die in een bolle opgeblazen rij na mekaar worden geparkeerd. ‘Tekenende woorden’, predikten ze vroeger op school. Mooie woorden horen niet thuis in een lange nietszeggende zin. Zo’n zin noemen we dan: holle frase. Mooie woorden wonen niet in praatballonnen van praatvaren die zichzelf graag horen spreken. Mooie woorden hoeven zelfs niet in gedichten. Mooie woorden zijn alleen maar mooi op zichzelf. Ze verschillen van mens tot mens. Soms is er geen reden voor. Je weet niet hoe het komt dat je ze mooi vindt. Ze zijn zomaar mooi. Ananas. Vulkaankonijn. Kiwi. Verdriet. Gletsjer. Ik zie ze graag en ik spreek ze graag uit. Er zijn ook lelijke woorden, vind ik. Scenario. Loopbaan. Kaukasus. Brandweer. Maart. Weer weet ik niet waarom. Zou het kunnen komen door bepaalde mensen die ze gebruiken of bepaalde plaatsen waar ze voorkomen? Van het ogenblik dat een politicus woorden in de mond neemt, zijn die bezoedeld. Zoveel is zeker. En woorden uit een tuchtreglement zullen ook niet op veel sympathie en begrip kunnen rekenen, vrees ik. Misschien valt een persoonlijk mooi woord te vergelijken met een geluksgetal of een voorkeurkleur. Door omstandigheden kunnen die veranderen. ‘Station’ kan een leuk woord zijn. Het hangt er van af met wie je er bent, of als je er vertrekt of aankomt, en zelfs op welk tijdstip van welke dag: maandag, vrijdag. De namen van de dagen zijn allemaal om ter lelijkst. Die van de maanden ook, september uitgezonderd. Er steekt vaart in dat woord. En kruidigheid. Ook november mag er zijn. Het dendert als een trein voorbij, een warreling van goudgele bladeren achterlatend. Van de getallen vind ik zes mooi ogen en klinken. Vier ook wel, in mindere mate. Maar dat is dan weer meer een geluksgetal. Achtentwintig ziet er ook goed uit. Voornamen? Al de mensen waar ik me goed bij voel. Er lopen wel woordmisdadigers los: woordenaars zijn lieden die moorden op woorden plegen. Ze gebruiken bijvoorbeeld maar een beperkte voorraad clichéwoorden. Of de verkeerde. Neem nu die tv-vedetten. De TelevisieVlamingen, ofte TV’s. Sommigen zijn seriewoordenaars. Ze bedrijven kakofonie in spelletjes en woorddiarree in panels. Hun clichés zijn zo hoog en zo oud als kathedralen met duivenstront op. Ook de gesproken reclameclips voeren constant aanslagen op woorden uit. De woordenkramerij rond waspoeders en auto’s is ten hemel schreiend. Ik koop alleen nog producten waar geen woorden aan vuilgemaakt worden. Zwijgen is goed.




                                                  COPYRIGHT JORIS DENOO
    ZIELSVERWANTE LINKS
  • Een blauwe plek
  • Moord !
  • Meester in de Vakken
  • De ongecomponeerde noot
  • Poëzie
  • Romaneske boeken
  • Satisfiction
  • Romans & Theater
  • Vreeslijke verhalen
  • Miljarden flarden

    Blog als favoriet !

    Foto

    Foto

    Sjors DNO eind vorige eeuw in een sneeuwstorm in Chicago


    Mail

    Druk op de knop


    Archief per jaar
  • 2017
  • 2016
  • 2015
  • 2014
  • 2013
  • 2012
  • 2011
  • 2010
  • 2009
  • 2008
  • 2007
  • 2006
  • 2005

    Foto

    Foto

    Foto

                       IK ALS UK
    Foto

    Me reading HARDZIEK, romandebuut Sarah Denoo

    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!