NIEUW: Blog reclamevrij maken?
SCHUINE TEKSTEN
Inhoud blog
  • 312: Bruder Lustig
  • 311: Signeergesprek
  • 310: Rook
  • 309: Ode aan mijn bh
  • 308: Alfa
  • 307: Vijgen voor Pasen
  • 306: Wereldsmart
  • 305: Jonge ouderen
  • 304: De Boekenkrijg
  • 303: www.zot.com.bébé
  • 302: Echte fictie
  • 301: Mundial
  • 300: De Felle
  • 299: Westlof
  • 298: Lam Gods
  • 297: Jacky
  • 296: Hop paardje hop!
  • 295: God?
  • 294: Acoliet
  • 293: PP
  • 292: Netwerk
  • 291: Leffaards
  • 290: Het varkensei
  • 289: Geheim
  • 288: Geknipt
  • 287: Geloof
  • 286: Stommeling
  • 285: Een aardig ding
  • 265: VRESELIJK
  • 284: Kloon
  • 283: Allojjo
  • 282: Schaakstuk
  • 281: Communicatie
  • 280: Figuur
  • 279: Hairbag
  • 278: Lijstjes
  • 277: Jos, Joste, Gejost
  • 276: Melk?
  • 274: Frinch fraais
  • 273: Mager Heineken
  • 272: Appartemens
  • 271: Gestopt
  • 270: Ik zou u schrijven
  • 269: Koksmonoloog
  • 268: Een photo
  • 267: Getetter & Getoeter
  • 266: Water
  • 264: Beu
  • 263: Acteur
  • 262: Vederlands
  • 261: Etters & Engelen
  • 260: Men spele...
  • 259: Kwaak
  • 258: Geschoold
  • 257: A la recherche
  • 256: WJZBJZ
  • 255: Eindelijk
  • 254: 'Het' gezin
  • 253: Repetitieruis
  • 252: Kiespijn
  • 251: Reis Hiernamaals
  • 249: Gezondheid
  • 248: Speeltijden
  • 247: Rood licht
  • 246: Ruis
  • 245: Weg
  • 244: Mom
  • 243: HET JAAR ELF
  • 242: Kloon
  • 241: In de put
  • 240: Huid & Haar
  • 239: Zomer 11
  • 238: Duimen maar
  • 237: Poirot
  • 236: Smoke
  • 235: Collateral
  • 234: Nachtraven
  • 233: Undercover
  • 232: Frietpeace
  • 231: Kopie-Kopie
  • 230: Gezeid is gezeid
  • 229: Vreemde man
  • 228: Een stuk
  • 227: België
  • 226: Mijn meesters
  • DRAMA
  • 225: GVD
  • 224: Veldinterview
  • 223: Sprook
  • 222: Zappa
  • 221: Een bod op God
  • 220: Curryculum Vitae
  • 219: Tovenaar
  • 218: Perspest
  • 217: Animatietype
  • 216: Ruim
  • 215: De erwt
  • 214: Podiumbeest
  • 213: Mobiliteit
  • 212: Twee tijgereieren
  • 211: De kus
  • 210: Wolf
  • 209: Een reus
  • 208: Opsporingsbericht
  • 207: K met zuurpruim
  • 206: Volksverlakkerij
  • 205: Doppedrop
  • 204: Kap
  • 203: Affiche
  • 202: Regen
  • 201: Stuk
  • 200: Hair
  • 199: Wie A zegt
  • 198: Bijsluiter
  • 197: TV
  • 196: Arno
  • 195: Letters & Letteren
  • 194: Taalkunde
  • 193: Onder de zon
  • 192: Besparen
  • 191: De goede man
  • 190: Van die dagen
  • 189: Zwarte zwaan
  • 188: Questionnaire
  • 187: Say cheese
  • 186: Loteling
  • 185: Een zwaluw
  • 184: Grijs
  • 183: Claus
  • 182: Liefhebber
  • 181: Monumenten
  • 180: Erger
  • 179: Landbouw
  • 178: Bijna
  • 177: Onafhankelijkheid
  • 176: Zo fout als wat
  • 175: Wei-gevoel
  • 174: Merk
  • 173: Mens
  • 172: Pikant
  • 171: 50 vragen
  • 170: Jinx
  • 169: Wiskunst
  • 167: Met alle Chinezen
  • 166: Mooiste woorden
  • 165: Rijm
  • 164: Internetman
  • 163: EVBO
  • 162: Hondenleven
  • 161: Carrière
  • 160: Coureur local
  • 159: Kip ik heb je
  • 158: Politiek programma
  • 157: Design
  • 156: Kreeft
  • 155: Nicotine
  • 154: Gastronomen
  • 153: Verleiden
  • 152: Opinie
  • 151: 1e hulp in gevallen
  • 150: Verzamelwoedend
  • 149: Fakir
  • 148: Cliché
  • 147: Iets anders
  • 146: Uit de kunst
  • 145: Appartemensen
  • 144: Wereldwoeden
  • 143: Ongerijmd
  • 142: Dagboek van 1 dief
  • 141: Vioolkist
  • 140: Ouden van dagen
  • 139: Automatische piloot
  • 138: Leugendetector
  • 137: Hotel Milan
  • 136: De Diepe Gedachte
  • 135: De weg vragen
  • 134: Mag ik overvaren?
  • 133: Leven op Mars
  • 132: Vogelvlucht
  • 131: Faer♠er-gevoel
  • 130: Lolbroek
  • 129: Sollicitatie
  • 128: De Q van Proust
  • 127: Volg je nog?
  • 126: Kerstmisdaad
  • 125: Hartstuk
  • 124: Mozart in november
  • 123: Heb je gedronken?
  • 122: Frambozen in melk
  • 121: Appelschudder
  • 120: Quo Vadis?
  • 119: Niespijn
  • 118: Rog
  • 117: Opiniepeiling
  • 116: Vragen aan 1 engel
  • 115: Garnaal
  • 114: De collectie
  • 113: Grot met klaprozen
  • 112: Rechtspraak
  • 111: Eierensmelting
    Zoeken in blog

    Foto
    Aan de sneeuwzee in Vlaanderen, februari 2012
    Foto

    Jowan & Joris in Stotendorp Heule

    Foto

            Red shoes Wilma

    Foto

    Younger me, already salt 'n pepper

    DEZE KANT BOVEN (Sjors DNO)
    SCHUINE TEKSTEN
    08-09-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.301: Mundial

    MUNDIAL

    Bij elk beeld herinnerde Braem zich die zomer weer. De schilderachtige Argentijnen uit 1982 tegen die splijtende Italianen uit 1982. Kijk: er was geen Argentijn te bekennen aan de tweede paal. Een onverwacht effectrijke bal zette iedereen voor schut. Uiteindelijk werd hij door de azuurblauwe verdediging opgehaald en weer voorwaarts gestuwd. Wat een kwieke kereltjes! Tijdens de pauze gaven twee ex-voetbalgoden op televisie enig commentaar op het geboden schouwspel. (Met een veel te ernstige term noemden tv-lui dat ‘analyse’). ‘De tijdstippen,’ zei de ene, ‘de tijdstippen waarop gespeeld wordt, wel: die tijdstippen hebben een niet te onderschatten invloed op het spelverloop. Wedstrijden om 17 uur zijn gewoonlijk van een lager gehalte dan die om 21 uur in de avond, omdat voortdurend gebruik wordt gemaakt van synthetische regenballen. Welnu: is het veld om 17 uur nog kurkdroog, zodat de bal vaak hapert en niet meewil, als het ware, dan is de groene mat om 21 uur al onderhevig aan een vliesdun laagje dauw, zodat veel creatiever kan worden gevoetbald.’ De andere ex-voetbalgod knikte beamend. Waarschijnlijk was hij stiekem jaloers, omdat hij dat niet gezegd had.


    Ex-trainer Braem echter vond dit allesbehalve een doorslaggevend argument om de beschamende kwaliteit van de middagmatchen te vergoelijken. Hij legde de video-opname stil. ‘Zo, heren,’ sprak hij tot de verzamelde Bond der Ontslagen Trainers, die dit keer einde herfst in zijn huis een bijeenkomst hielden. ‘Zo: u heeft nu allen het gesprek gehoord tussen die twee autoriteiten. Wat denkt u?’ Opgewonden geroezemoes brak los. Buiten regende het weer heel gemeen, op z’n Belgisch. In de hoogste afdeling van de landelijke competitie was de periodestand al bekend. Geen der acht hier verzamelde trainers had begin augustus kunnen vermoeden dat het zo’n vaart zou lopen: weer acht zwarte schapen die aan de dijk waren gezet, wegens gebrek aan ploegresultaten. En waarom? Door wie? Was het hun schuld? De regen kreeg de schuld. De BOT, Bond der Ontslagen Trainers, was van mening dat in een dergelijk regenklimaat nooit ofte nimmer ernstig gevoetbald zou kunnen worden. Vliesdunne dauw speelde zelfs de internationalen al parten. Bewijs op de video! Op kurkdroge velden werd gehaperd! Regenballen! Het klimaat kreeg de schuld.


    Bij regenweer zou dus niet meer gevoetbald mogen worden, vond de BOT. Ook niet bij droog weer. Verwezen werd naar de Mundial van 1982, waar… Ach, niemand van de acht ex-trainers raakte er nog wijs uit. Hoe zat dat nu eigenlijk met die dauw en die kurkdroge velden? ‘Er was toch sprake van creatiever voetbal?’ riep Smeets. ‘Ik snap er geen ballen meer van,’ zei Kowalski, een kersvers ontslagen trainer. ‘Je kunt toch niet voor dag en dauw gaan voetballen,’ vond Depuydt. ‘We dienen een motie van wantrouwen in tegen het klimaat,’ stelde Verwee voor. ‘Niemand luistert naar ontslagen trainers!’ ‘En de andere trainers dan?’ Toen merkte de stille Verbanck op dat er een heel nieuw type bal op de markt was, sedert verleden week. Ze spitsten allen hun oren. Op de radio meldde een sportreporter net dat vandaag trainer Malevitch ontslagen was. Dat was nummer negen. En het bleef maar onverdroten en genadeloos haaientanden regenen in dit ondankbare apenland.


    12-08-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.300: De Felle

    DE FELLE


    Het volgende verhaal werd me anno 1991 in Sparrenstad verteld door Vrouwtje Miserie.


    Felle Verhelle was kokkin bij meneer Dierendonck. Kokkin, maar ook koket. Ze was best tevreden met haar verschijning. Ze droeg aan elke hand twee ringen, liep graag op rode hakken en droeg in de keuken onder haar werkschort dure jurken die ze uit de stad liet komen. De leuke meid hield ook best wel van een avondje uit. Ze proefde heel graag van het lekkers dat ze bereidde, want ze was een prima kokkin. Dat lekkers betrof zowel het vaste voedsel als de wijn uit de kelder van meneer Dierendonck. Op een dag liet hij haar weten dat er een gast op bezoek zou komen. Een lekkerbek. ‘Slacht twee konijnen,’ beval hij haar. ‘En bereid die zoals je het gewoonlijk doet. Mijn gast zal van zijn sokken geblazen worden.’ Felle Verhelle knikte verheugd. Weer een feestdis waar ze van kon proeven. Ze ging aan de slag. Maar eerst nam ze in de wijnkelder een flinke slok. Tegen valavond waren de konijnen klaar. Het rook heerlijk. Felle Verhelle kon het niet laten en plukte een mals stuk van het ene konijn. Die smakelijke hap spoelde ze door met een slok wijn. Het was zo lekker dat dit zich herhaalde keren voordeed. Wie maalde nou om een klein stukje? Een petieterig slokje? De gast kwam maar niet opdagen. ‘Ik ga kijken waar hij blijft,’ zei meneer Dierendonck. ‘Dat is goed,’ knikte Felle Verhelle. Nauwelijks was hij weg of ze bediende zich nogmaals van de wijn en het konijn. Weldra was van het eerste konijn alleen nog maar een karkas over. Ook in de fles was het peil gedaald. Na de zoveelste kelderslok begon ze aan het tweede konijn. Ook dat verorberde ze helemaal, begeleid door heerlijke rode wijn uit een tweede fles. Ze kon niet aan de verleiding weerstaan. Toen meneer thuiskwam en haar liet weten dat zijn gast er eindelijk aan zou komen, troonde ze hem mee naar de mooi gedekte tafel. Tevreden pakte hij een mes en begon dat te slijpen. Ondertussen klopte de gast aan. Felle Verhelle ging opendoen. ‘Meneer! U weet niet wat u te wachten staat!’ fluisterde ze ernstig. ‘Hoort u dat? Meneer Dierendonck wil uw oren afsnijden. Hij is zijn mes al aan het wetten!’ De gast moest niet eens zijn oren spitsen om te horen dat het waar was. Als een haas ging hij er weer vandoor. Gillend rende Felle Verhelle nu naar de eetkamer: ‘Meneer! O ramp! Hij heeft de konijnen gestolen!’. Meneer Dierendonck haastte zich naar de deur en riep de gast ontgoocheld na: ‘Eén! Had je er dan toch ten minste één voor mij gelaten! Eén maar! Eén maar!’ Ontzet greep de vluchtende man naar zijn beide oren en spurtte weg alsof de duivel hem op de hielen zat.


    Vrouwtje Miserie uit Sparrenstad: het was me er eentje!


    25-07-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.299: Westlof

    WESTLOF

    De dichter Luuk Gruwez heb ik goed gekend. In Kortrijk aten we soms samen ‘macrobiotisch’; in Leuven zaten we niet ver van elkaar op kot. Dicht bij de gevangenis langs de Vest, met name. Ooit vatten we het plan op om de schedel van een oude Vlaamse schrijver op te graven. We gingen niet tot actie over, ook al stond op een avond een derde handlanger met de benodigde werktuigen klaar. In plaats daarvan bekokstoofden we spaghetti, het typische studentenvoer, op Luuks kot, waar twee vogeltjes met een Franse naam vrij rondfladderden. Later verhuisde Luuk naar Hasselt. Hij komt uit het West-Vlaamse Deerlijk. Hij schreef lang geleden een gedicht over Kortrijk. Daarin is hij niet mals voor de stad en haar inwoners. Hij heeft het zelfs over bommen die weer moeten vallen. Alain Delmotte, een dichter die lange tijd in Kortrijk woonde, pareerde met een gedicht over Hasselt en Limburg. Het is evenmin fraai wat hij daarin schrijft. De beide gedichten werden ooit in een syllabus Nederlands gebruikt in verband met agressief taalgebruik. Het is opvallend hoe de stede Kortrijk soms wrevel opwekt bij schrijvers. Er is iets mee. Bijna iedereen die de pen hanteert en iets met Kortrijk had of heeft, moet van een ei af. Gezelle bijvoorbeeld was er niet zo happy. Conscience ging er weg. Luc Boudens spotte ermee. En er zijn er nog. Kuddes West-Vlamingen die naar de wereldsteden Gent, Brussel, Antwerpen, Hasselt en Geel verhuizen, zweren hun provincie af en imiteren een hebdegij-Nederlands. Het is alsof Vlaanderen stopt in Gent. Daarachter ligt een zwart gat. Het grote niets. De badlands waar de Rode Duivels lik op stuk kregen van de Welshmen.

    Ikzelf heb met Kortrijk niet het minste probleem meer. Je moet toch ergens wonen. Ik hok aan de rand ervan. Mijn gemeente Heule noemen ze een deelgemeente. Het wordt stilaan een voorstad. Ik vind Kortrijk ook een interessante stad om uit te vertrekken: naar Gent, naar Rijsel, naar Brussel, naar de Westhoek, naar zee, naar Hongarije. Er is volop gas, water en elektriciteit. Ik heb me laten vertellen dat er ook betalende parkeermogelijkheid is. Tevens heerst er een groot tekort aan werkloosheid. Nou moe, wat wil je nog meer? Wat zoeken al die verbitterde schrijvers dan? In hun kleine stadsoptrekjes in Antwerpen? In hun gerestaureerde kortwoninkjes in Limburg? Op hun vochtige verdiepinkjes in Gent? Misschien lopen er in Kortrijk te weinig Bekende Vlamingen rond. Het is er wat moeilijker om in beeld te komen. Je wordt er vlugger overgeslagen en vergeten, want je woont te ver. Te ver van waar het brandt: in de juiste cafés in Antwerpen en Brussel. Waar ze mekaar voor de voeten lopen. Waar ze in file staan om elkaar op de beeldbuis te brengen, elkaar in hun bladen te promoten, elkaar op de schouder te kloppen, elkaar de hemel in te prijzen. Maar ach, Kortrijk leert wel bij. Ik denk dat ik er nog even blijf. Hoewel Ieper ook gas heeft. En Oostende water. En Brugge elektriciteit. En Mannekensvere ruime parkeermogelijkheden. We komen nog wel eens af.


    20-06-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.298: Lam Gods

    LAM GODS

    Tegen de wand van de afdeling Dames in het warenhuis Van Eyck staat een spiegel die de vorm heeft van een drieluik. Elk luik is een grote spits toelopende vingernagel. Dat is een prima vondst. Het Lam Gods van de Koopkrachtige Vrouwen! De spiegel wordt gebruikt om met vlugge oogopslag – met enig nagelnieuw textiel tegen het lijf gedrukt – lengte en breedte en kleuren te beoordelen van het aan te schaffen ding. Daarna gaan de dames eventueel echt passen, in de hokjes even verderop. ‘Echt pienter, echt fijn, dat van die vingernagels,’ denkt de man. Op zijn linkerhart zit zijn portefeuille al gereed. Want tien meter verder bevindt zich zijn vrouw in de kuise pashokjes. ‘Gelief altijd drie stukken mede naar binnen te nemen,’ staat daarboven. Dat is ook pienter bekeken. De economie heeft het moeilijk, de kleine man, nou: vrouw, is weer het slachtoffer. De verleiding is dus groot om, naar het voorbeeld van enkele politici, te stelen. Vooral in zo’n groot warenhuis. Gelief dus altijd drie stukken mede naar binnen te nemen. Op zaterdag zie je verveelde manspersonen in die omgeving vierkant in het rond draaien. Tussen al die vrouwenkleren voelen ze zich ongemakkelijk. Voor het aanschijn van popperige verkoopsters en slenterende voorbijgangers staan ze ietwat voor aap. Wachtend op een nieuwe echtgenote. Ik bedoel: een echtgenote in nieuw textiel gehuld. Het is bij Van Eyck namelijk niet de gewoonte dat ze hun wettelijk wijfje in het pashokje vergezellen. Mannen wachten buiten op hun baasje.


    Minutenlang lang al staat de man met één elleboog op de stang geleund waar een batterij zomerjurken aan hangt. Je kunt niet eeuwig rond blijven lummelen zonder op te vallen. Uiteindelijk moet je gewoon open kaart spelen en tonen dat je daar op vrouwlief staat te wachten. Plotseling krijgt hij ze in het vizier: de dominante moeder en de onbeholpen dochter. Die komen zo van het land; dat zie je van hier. Ze staan voor het drieluik van de vingernagels. Hij kan zijn ogen niet geloven: met haastige beschaamde rukken speelt het meisje enkele kleren uit. Eenmaal uitgepeld is ze het voorwerp van nog vele andere verbaasde blikken. De spiegels verdriedubbelen de pret. Wanneer ze zich bijna helemaal in een nieuwe jurk heeft gewrikt, schiet een verkoopster toe. Die begeleidt de twee naar een kuiser pashokje. De man verlaat nu zijn zomerse stang, nog nagniffelend. Dan monstert hij zichzelf in de Heilige Drievingernagels. Daar merkt hij tot zijn ontzetting dat zijn gulp wijd open staat. ‘Godver,’ lipt hij stilletjes. Het meisje achter de toonbank glimlacht hem bemoedigend toe. Ze steekt daarna een bestraffende vinger in de lucht. De man ontfermt zich over zichzelf en neemt weg deze kleine zonde in het grote warenhuis.


    10-06-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.297: Jacky

    JACKY


    Jacky Vanmaele is dood. Een vriend. Sommige vrienden zie je niet zo vaak. De kunst- en muziekscene in het Tieltse frequenteerde ik wel vaker, omwille van diverse redenen. Jacky was een van de hoofdredenen. Een soulmate. Het afgelopen anderhalve decennium zocht ik hem graag onverwacht eens op in ‘zijn’ foyer in het CC in Tielt, waar hij de bar bemande. Bij voorkeur op een valavond, on the road, wanneer het cultuurgretige volkje nog niet op stap was. Jacky aan zijn ronde tafel. Pakje sigaretten. Overvolle asbak. Koffie. Plotseling laptop. ‘Ik kan nu alle muziek hier binnentrekken!’ Zijn vreugde hieromtrent was groot. Jacky: Tielt, Polen (daar had hij iets mee), muziek, kunst, de Harlekijn. Ik trof er naar mijn aanvoelen in die foyer een hartelijke hippie, die in de nadagen van zijn openbaar leven nog altijd voeling hield met wat er leefde en geleefd had. Hij behoorde tot de generatie van de baard- en langharigen. Later, zelfs kaal, bleef hij trouw aan zijn lange haren. Ik ontmoette hem voor het laatst (zo zag het er toen al uit) in de cafetaria van het Tieltse ziekenhuis, met zijn vriendin. Hij zag er grijs en dor uit. Hij gaf een korte rustige analyse van zijn toestand. Een opgewekt tot ziens. Het was duidelijk. Ik had mijn koffie rechtopstaand gedronken, gehaast in verband met andere zaken. Toen ik wegging, wuifde hij nog even van in de verte. Ik wuifde terug. Jacky Vanmaele is dood. Een man van zijn tijd. Een kerel om zoveel van te herinneren.


    01-06-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.296: Hop paardje hop!

    HOP PAARDJE HOP


    Ik zweer het: ik heb een echte operette gezien. En daar moest ik vooraf aan wennen, want voor mij rijmt operette met wasserette en majorette. ’t Witte Paard werd een halve eeuw geleden opgevoerd in Heule. Die opvoering (in de openlucht, zonder versterkende microfoontjes) wordt beschouwd als de start van de bekende Tinekesfeesten in Heule, sedert 1977 deelgemeente van Kortrijk. Die Feesten (altijd meervoud, altijd hoofdletter) begonnen in 1962/63 met ’t Witte Paard: een lichtvoetig tirolerachtig operettestuk. Net daarvoor was het nog in buurgemeente Wevelgem opgevoerd. Nu werd anno 2013 – vijftig jaar later dus – het ding nog es gespeeld. Het Koninklijk Kortrijks Lyrisch Toneel zakte er naar OC De Vonke in Heule voor af. Drie stukken van drie kwartier, twee pauzes en een tribune zonder rugleuningen: je moest er wat voor over hebben. Gezelligheid troef echter, zowel in de zaal als op het podium. Jammer dat ze niet meer humor of persiflage in staken; het stuk overleeft amper zichzelf. Voor één keer echter (echt die ene keer) ergerde ik me niet aan lederhosen, gejodel, pluimhoedjes en een soortement Nederlands met Duitse naamvallen en West-Vlaams gebagger in de mond. Datzelfde gevoel beroerde het gemoed van de ongeveer vierhonderd toeschouwers, allen notoire Tinekesgangers en –gangsters. U moet namelijk weten dat we elk jaar voltallig vijf dagen lang feesten als de beesten, begin september. De Tinekesfeesten zijn allang de oubollige fase ontgroeid. Er is her en der altijd zoveel ‘te doen’ dat men het soms heeft over de ‘mini Gentse Feesten’. Het beperkt zich namelijk niet tot de Heulse bevolking. Of tot een bepaald segment van het compartiment ontspanning. Podiumkunsten, straatanimatie, muziek, sport, verkiezingen en de befaamde Stoten (openbare grappen waarvan het de bedoeling is dat iedereen erin tuint) sluiten er een deugddoend verbond, geflambeerd in veel nationale drank. Heule staat er op de kaart door. En ’t Witte Paard is ook weer eens opgedoken in het collectieve geheugen van de Heulenaar. Een halve eeuw is niet niks. Ik heb er een operette voor uitgezeten. Ik zweer het. Maar ik ben blij dat ik er woon, al zijn er geen bergen en is het een lage streek. En er is een wasserette vlak om het hoekje.


    08-05-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.295: God?

    GOD?

    Een holbewoner slaat een andere de schedel in voor om het even welke reden. Is er dan al een god die daarover oordeelt? Of is die pas uitgevonden in het jaar 1? Hoe zit dat met al diegenen die voor dat zogenaamde begin van de tijdrekening leven? Het antwoord is duidelijk: er kan niet zoiets of zo iemand als een god zijn. Vooral niet als man. Of als vrouw. God kan alleen mens zijn. En mensen onderling bepalen hoe het zit. En die fameuze eeuwigheid kan alleen het nu zijn. Niet een hemel waarmee pastoors de mensen proberen te paaien of een laaiende hel waarmee ze hen afdreigen. Ook al ziet het firmament er aanlokkelijk uit. Maar het is niet het hunne. Alleen astronauten komen er. En dromers. Nee: Hitler brandt niet eeuwig in de hel. Hij bestaat niet meer. Hij heeft bestaan. De mensen hebben hem een aangebrande eeuwigheid bezorgd.


    ‘En waarom is al twee millennia lang de kerk (ik weiger de hoofdletter te schrijven) dan zo bepalend?’ zult u opwerpen. Ha! Geef de wereldbol een tik en u belandt in andere tijdszones en andere religies. Al dan niet met een soort god. Het is dus duidelijk: relativeer. God zit in het detail. De duivel ook. De wereld zelf is de hemel en de hel.


    12-04-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.294: Acoliet

    ACOLIET

    Amper elf mompelde ik al Latijn. Ik had met mijn medemisdienaars onderricht in deze dode taal gekregen van Charles, het ernstige opperhoofd van al de snotneuzen die missen ‘dienden’. Charles was een schriel scharminkel, bijeengehouden door een grijze stofjas, altijd rinkelend van het ‘kleingeld’, want hij deed ook de omhalingen van het stoelgeld in de kerk. Met een vervaarlijke hoornen bril op zijn pief hield hij ons nauwlettend in de gaten. Blijkbaar had ik een nogal serieuze kop, zeg maar rouwkop, want ik werd vooral uitverkoren om begrafenissen te dienen. Zo greep ik naast flink wat zakgeld: de jongens die trouwmissen toegewezen kregen, gingen met de buit lopen. Als natuurlijk Charles niet al ingegrepen had. Hij stak daar namelijk met wisselend succes een stokje voor: alle fooien moesten ingeleverd worden.

    We lachten flink wat af terwijl we zoveel missen dienden. Het was voor mij ook dubbele pret geblazen met al die begrafenissen: ik kreeg makkelijk toestemming om de voormiddaglessen af en toe te spijbelen. Ik hoopte dan ook dat er druk gestorven zou worden in mijn stadje. Ooit vatte ik zelfs het snode plan op om oude mensen de stuipen op het lijf te jagen, zodat ik nog meer de lessen van de veel te strenge meester Spreeuw kon spijbelen. Tijdens het misdienen met z’n tweeën was de slappe lach nooit ver weg. Zo liet ik eens het heilig evangelie van de marmeren trappen donderen voor het aanschijn van honderden verbijsterde kerkgangers. Ik voelde me net Mozes. Op een van mijn zoldermuren thuis hing lange tijd mijn getuigschrift van acoliet, naast dat van skiër. Daartoe moest ik enkele dagen stage lopen in het verre Roeselare, mijlen verwijderd van mijn geboortestadje Torhout. Herinneringen aan dat steentijdperk: vreselijk vroeg uit de veren, klappertandend (en ‘nuchter’) naar de kerk, de grote verkleedkast met de zwart-witte tenues in alle maten, de smaak van wijn, de geur van wierook. Het was eigenlijk ook een goede training om plankenkoorts te bestrijden. Zelden heb ik later nog een groter publiek gehad. Dat geboeid zat te luisteren naar wat wij daar vooraan in het Latijn aan het mompelen waren, meestal met onze ruggen naar het godvruchtige volk toe. Het waren leuke religieuze tijden. Helaas kreeg ik op zo’n begrafenisvoormiddag gloeiende ruzie met opperhoofd Charles. Ik weigerde twee diensten na elkaar te dienen. Superkwaad liep ik naar buiten, de deur van de sacristie hard achter me dichtsmakkend, hoe zwaar en log die ook was. Mijn wijsvinger bleef tussen het onding gekneld zitten. Een helse ervaring, bovenop mijn woede. Het doet nog altijd pijn. Het was een straf van God. Om Hem op Zijn beurt ook te straffen, heb ik nimmer nog een woord Latijn over mijn lippen laten rollen. Hij moest het maar weten.


    15-03-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.293: PP

    PRUISISCHE PERESTROJKA


    Ik vulde een reistas en reed naar de meest zondige stad die ik kon bedenken: Hamburg. Ter hoogte van Brussel sneuvelde een duif onder mijn wielen; haar veren warrelden als een sneeuwbui in mijn achteruitkijkspiegel. Op tien kilometer van de zondige havenmetropool kon ik nog net een egel ontwijken, dacht ik, maar in een flits merkte ik dat hij al doodgereden was. Ik was over lijken gegaan en bereikte eindelijk Hamburg, havenstad en ook deelstaat aan de Elbe, met meer water dan Amsterdam of Venetië.

    Ik legde bij aankomst mijn moede hoofd op mijn stuurwiel, ten prooi aan parkeerwanhoop. Ik had al vijf rondjes gedraaid in een vicieuze verkeerscirkel en hoopte keer op keer dat de verkeerslichten op Pruisisch rood zouden huppen zodat ik wat respijt en rust zou krijgen. Ulanen waren indertijd beter voorbereid dan ik.
    In mijn beste combinatie van Neder- en Hoogduits vroeg ik uiteindelijk via mijn open autoraam hulp aan een Skoda vol met Turken. Ik hield er nekkramp en een straatlegende aan over, waardoor ik via een ontsnappingsroute uit dit spinnenweb toch een parkeergarage ontdekte in de wijk Altona.

    Eindelijk was ik op vrije voeten. Ik struinde door de havenstad, bereid tot umlauterigkeit, gründlichkeit en naamvallen. Alweer spotte ik dubbelgangers van diverse kennissen van mij. Er waren in dit vierde rijk blijkbaar geen verse modellen meer beschikbaar. Zelfs niet in het land van de Lebensborn Vereniging, de dirndls en de lederhosen.

    Hamburg… Waarom was ik hier? Van donderdag tot dinsdag? De reden voor mijn trip was negatief: ik ontvluchtte met voorbedachten rade de nationale zondagsverkiezingen in mijn vaderland. Helaas zouden de rechtse nationalisten die met verve winnen. Mijn buitenlandse ‘zakenreis’ vrijwaarde me ervan de Vlaamse leeuw in de schorre keel te moeten kijken. Stemmen hoefde niet, want ik was gewapend met bewijsmateriaal in verband met mijn alibi: ik diende ergens anders te zijn. Hier, in Pakhuisstad.

    Dwalend door welstellend, vrijzinnig, liberaal Hamburg belandde ik in het vermaarde Specerijenmuseum. Die ervaring kende wat mij betreft zijn gelijke met enkele bewustzijnsverruimende fuiven die ik in de dwaze jaren zeventig van de vorige eeuw had meegemaakt. Mijn zintuigen lagen namelijk aangenaam overhoop toen ik weer buiten stond.
    Ik inhaleerde de koopmanslucht diep en vervolgde mijn tocht in een land dat ooit mijn eigen land had bezet. En dat middels Saksen-Coburg-Gotha nog altijd deed. Dat verdiende een Gorbatsjov-wodka. Dus dook ik de Thomas Read in, een drankzekere pubhaven waar ook ter wereld. Na anderhalf uur al stond ik er bekend als de kerel aus Belgien die zijn papiergeld in vieren vouwde en dit gründlich in de compartimentjes van zijn portefeuille schoof. Mijn moerstaal grensde ondertussen zowel aan het Neder– als aan het Hoogduits. Vouwen deed ik al minder en minder. Plooien zou ik weldra doen, maar vooralsnog maakte de G-wodka van mij een wereldleider die met vele Hoofdletters sprak. Ich war ein Berliner und Ich war ein Hamburger. Ik was een Berlijnse bol en ik was een hamburger. Hamburg had me gered van Belgische kiespijn.


    18-02-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.292: Netwerk

    NETWERK

    Zeilend over de internetgolven onder de vlag van ‘toneel’ of ‘theater’ stootte ik op duizenden mensen, honderden groepen van die mensen en personages. Waar twee of meer mensen samen zijn, daar is het toneelspel in hun midden. Om over de vele monologen dan nog te zwijgen, de bij uitstek literaire einzelgänger onder de theaterteksten. De mens wil spelen. De mens wil toekijken. De mens wil spelenderwijs bekeken worden. Hij huurt er zalen voor en ontwerpt er kleren voor. Hij zet er een groep voor in beweging. Een heel netwerk gaat aan het trillen wanneer de spin een vlieg binnen heeft gehaald, met name wanneer de selectievrouw of –heer een stuk heeft gekozen. Op mijn internetzeiltochten in Vlaanderen en Nederland deze zomer (ik lag als een gevelde kapitein met een kapot houten been thuis) ontdekte ik de fraaiste namen voor theatergezelschappen. Ik vermeld er hier geen enkele, want als ik er één vernoem, laat ik er duizend andere vallen. Maar er zitten voorwaar ronkende pareltjes tussen. Je zou uit pure vreugd en deugd alleen al naar al die consten van al die ghesellen gaan zien. Er wappert een lekkere portie poëzie op sommige banieren. Verder zeilend ontdekte ik ook dat de namen van toneelauteurs minder bekend zijn dan de namen van romanciers en dichters. Ze lijken meer te verdwijnen achter het rumoer van hun werk. Ze worden overstemd door hun personages en door het groepsgebeuren rond hun tekst. Misschien wordt voor een stuk hun tekst zelfs een beetje aangepast en herkneed (… de meest gevreesde rol is die van deegrol ...) Ik heb het hier natuurlijk niet over ronkende namen als E. Albee, D. Potter of T. Williams. Ik mag toch hopen dat die ronken. Over het oneindige water van het theater surfend passeerde ik ook de eilanden van de poppen, de maskers, de figuren, de schimmen, de lyrische vogels en de musicals. Als een walking shadow stapte ik ten slotte terug in de werkelijkheid, mijn wereldwijde scherm weer dichtritsend als een gesloten doek.


    20-01-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.291: Leffaards

    LEFFAARDS & BAD PRITT

    We zitten in de rookgedoogzone van café De Woede der Noormannen. We drinken Leffe. We zijn leffaards. Het is een man met oud haar op zijn hoofd.
    ‘Liefde,’ zegt hij, ‘liefde is een kleverig gedoe’.
    Ik kan niet nee schudden en knik dus ietwat langs hem heen in de richting van een foeilelijke gatenplant. Zijn haar verraadt vele liefdesavonturen of helemaal geen. Serieliefhebber of kluizenaar. Misschien zelfs vader van 2,8 kleverige kinderen die hem ietwat hinderen.
    ‘Vrouwen willen zekerheid,’ zeg ik totaal overbodig, wat een mooie spreekwolk, maar met een rouwrandje om. ‘Ze zijn verkleefd aan die ene, liefst bestendige donor die ze kiezen uit velen.’
    Hij knikt en kijkt naar niets naast mij.
    ‘Doe jij iets met je haar misschien?’ vraagt de ouwe lefgozer.
    ‘Nee,’ zeg ik. ‘Ik heb er de tijd niet voor, vooral ’s ochtends niet, en de tijd staat niet stil, nietwaar.’
    ‘Hm,’ kucht hij.
    Hij inhaleert de rook van zijn sigaret tot in de toppen van zijn tenen. Ik wacht benieuwd tot die rook ergens weer uitkomt, maar nee hoor: meneer houdt alles voor zichzelf. Er komt zelfs geen wolkje uit zijn achterwerk of zijn linkeroor.
    ‘Vrouwen plakken aan je,’ zegt hij dan, iets concreter dan daarstraks, of juist nog veel abstracter. ‘Voor je het beseft, ben je geringd als een duif, opgespeld als een dode vlinder en vastgelijmd in een familiealbum. En ze gebruiken alleen Bad Pritt als glijmiddel, hi hi.’
    ‘Tja,’ doe ik.
    Ik kijk naar een kunstwerk aan de muur. Een vrouw, natuurlijk. Nou: de vrouw is mooi, maar het werk is kunst, dus lelijk.
    ‘Zo,’ zegt de leffaard met het oude haar op zijn hoofd dan. ‘Een levensverzekering heb je dus waarschijnlijk al.’
    ‘Ja, al jaren.’
    ‘En kan ik je echt geen beter voorstel doen?’
    ‘Nee, mijn leven is goed verzekerd. Voor wat het waard is, althans: morgen kan ik over een kikker struikelen en doodvallen.’
    ‘Het is anders tegen morgen al in orde: geen gedoe met papieren en zo. We werken honderd procent klantvriendelijk voor de categorie pre-senioren zoals u. Op uw leeftijd… ‘
    ‘Nee,’ schud ik beslist. ‘De enige verzekering die ik nog overweeg, is een verzekering tegen verzekeringen.’
    ‘Daar heb je dan zeer straffe colle-tout voor nodig,’ zegt de man, en hij verdwijnt uit café De Woede der Noormannen en uit mijn leven, zonder verzekering.
    Bad pritt, die kleverige lefgozers!
    Prittpraat!


    12-12-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.290: Het varkensei

    HET VARKENSEI

    ‘En nog een prettige verderzetting van de dag,’ zei de pakjesbezorger.
    Sandie nam de doos in ontvangst en keek de man onderzoekend aan. Ze verdacht hem ervan de orders tot vriendelijkheid en beleefdheid in het kader van het charmeoffensief van de Nationale Posterijen (voorheen: Pesterijen, omwille van de vele stakingen en gebrekkige bedelingen) tot in het absurde toe te passen. Ofwel had de man calvinistische Hollanders in zijn familie.

    ‘U ook, Hoogheid,’ mompelde Sandie dan, op goed geluk, maar de kerel was alweer op weg naar zijn bestelwagen.
    Het was een grote kartonnen doos die weinig woog, met lastige linten plakband eromheen. Er kwam een schilmesje aan te pas. Eindelijk waren de ingewanden zichtbaar: drie grote bruine proppen stug pakpapier camoufleerden en pamperden een varkensei.
    ‘Eindelijk,’ zei Sandie tegen zichzelf. ‘Eindelijk.’
    Ze plukte het varkensei van tussen de proppen en deponeerde het voorzichtig op tafel.
    ‘Ma!’ riep ze. ‘Ma! Het varkensei is gearriveerd!’
    Er klonk wat gestommel boven; even later daalde ma de trap af.
    ‘Is het varkensei er echt?’
    ‘Het is er, ma, eindelijk! Kijk maar.’
    ‘O!’
    Ma aaide het varkensei even.
    ‘Neem het maar vast.’
    ‘Zou ik?’
    ‘Doe maar. Het lukt je wel.’
    ‘Ik durf niet goed.’
    ‘Ik blijf naast je staan. En het weegt bijna niks.’
    ‘Vooruit dan maar.’
    Voorzichtig strekte ma haar handen naar het varkensei uit. Net toen ze het twintig centimeter opgetild had, rinkelde de deurbel hard en lang.
    Pats.
    ‘Nee!!’
    ‘Maar ma toch!!’
    ‘Oei oei oei… !!’
    ‘Wacht. Ik kijk eerst wie… ‘
    Sandie snelde naar de deur. Het was de pakjesbezorger weer.
    ‘Verschoning, maar ik vergat uw handtekening te vragen, mevrouw.’
    ‘Hebt u met de doos geschud, meneer?’ vroeg ze scherp.
    ‘Eh?’
    ‘Komt u even mee naar binnen a.u.b.’
    ‘Maar… ‘
    ‘Kom!’


    10-11-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.289: Geheim
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    GEHEIM

    Ieder mens heeft talloze geheimen. Grote en kleine. Bezwarende en gekoesterde. Iedereen sterft met die geheimen. Omdat het geheimen zijn. Anders waren het geen geheimen. Alleen schrijvers onthullen af en toe wat. Daartoe gebruiken ze personages. Of valse ik-figuren. Hun boeken zijn als poppenkasten. Vele verhalen zijn niet mooi, maar wel mooi geschreven. Er is vaak behoefte aan een ‘happy end’ of een oplossing. Het volk vraagt dat. Anders willen ze niet lezen. Of beleven. Of leven. Een zogenaamd ‘open einde’ is als een kist zonder lijk. Iets of iemand is spoorloos: de ziel, het vege lijf. Nee, het kan niet blijven duren. Er moet een deksel op de doos met geheimen. En we moeten zeker weten dat het geheim goed bewaard wordt. Verteerd door de wormen of de vlammen.


    06-10-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.288: Geknipt

    GEKNIPT


    Ik woonde het eerste anderhalve decennium van mijn leven in een provinciestadje. Men liet dat links en rechts liggen op weg naar of terug van de kust, want er gebeurde niets. En toch. Mijn kapper roetsjte elk seizoen ongenadig mijn haar eraf. Aan de muur van zijn salon hingen ingelijste zwart-witfoto’s. In de grote spiegel voor mij kon ik die ook permanent bekijken, tijdens de executie van mijn haren. Ik was er telkens weer onder de indruk van, terwijl de schaar met bliksemsnelle knipgeluidjes achter en om mijn jongensknopje haar ballet uitvoerde. Mijn kapper was namelijk de grimeur van toneelkring Rembert in het stadje T.  En ik was zijn geknipte gast. Die toneelkring won een paar keer het Landjuweel. Het was toen een gouden tijd voor theater in mijn stadje, jaren zestig en zeventig. We droomden met z’n allen van zowel toneel als volleybal, want in die twee disciplines blonk ons vooralsnog onbekende stadje uit. Niet veel later zou Torhout/Werchter er komen, en we werden plotseling wereldberoemd. T. werd Torhout.

    In het kapsalon getuigden de foto’s van de hoogconjunctuur van ons liefhebberstheater. Het waren scènes, maar ook vooral koppen uit diverse stukken waarmee de toneelkring Rembert plaatselijke en nationale roem had geoogst. ‘Dood van een handelsreiziger’: bij elke knipbeurt werd ik er weer aan herinnerd. Ik kende Albee (‘Alles voor de tuin’) en ‘Vrijdag’ van Claus. De personages liepen rond in de straten van mijn stadje. Zowel de regisseur als diverse spelers genoten hoog aanzien bij iedereen; sommigen enkel en alleen door hun puike prestaties op het podium. Ze mochten al eens dronken over de markt koprollen als ze weer een Landjuweel gewonnen hadden. Nog een decennium later verkaste ik naar zuidelijker oorden in mijn lage streken. En zie: ik trof er eenzelfde bloeiende toneelkring aan. Het Zwevegems Theater, met name. Maar toen frequenteerde ik al een tijdlang geen kapsalons meer. Scharen waren gevaarlijk. In de huidige oudere dagen van mijn leven ben ik wel bereid de kapper uit mijn jeugd te vergeven voor zijn kortwiekende wandaden. Hij was immers ook grimeur en toonde me de weg naar de theaterzaal via zijn foto-expositie aan de muren van zijn martelkamer. Het is hem vergeven, ook al sprak hij bijna nooit een woord. Hij gromde alleen maar snauwerige bevelen en rukte aan mijn kop alsof het een te rooien biet was. Of was hij een rol aan het instuderen?


    16-09-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.287: Geloof

    GELOOF

    Ik geloof dat alles wat we zeggen, denken en schrijven in een eeuwigdurend netwerk bewaard blijft. Ik geloof in communicatie met buitenaards bestaan. Ik geloof dat vloeibaar water niet altijd noodzakelijk is voor wat wij ‘leven’ noemen. Ik geloof dat een temperatuur tussen 0 en 90 graden Celsius evenmin een voorwaarde is. Ik geloof dat dit domweg onze maatstaven zijn. Daarom geloof ik in communicatie met buitenaards bestaan. Ik geloof dat wij ijdel en egoïstisch zijn omdat wij onszelf een hiernamaals of een betere wereld voorspiegelen. Ik geloof dat religie zelftroostende verblinding is. Ik geloof dat dit onjuist is. Ik geloof dat ander buitenaards leven dat niet doet. Ik geloof dat zij misschien wat langer ‘leven’ – of wat daarvoor moet doorgaan – dan wij, pakweg duizend jaar. Ik geloof dat wij, ‘mensen’, nog nergens staan of zijn. Ik geloof dat het werkwoord ‘geloven’ al tweeduizend jaar misbruikt is. Ik geloof niet in god of een god. Ik hoop.


    29-08-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.286: Stommeling

    SPREKEN IS NIET ZWIJGEN

    (STOMMELING)


    Er was eens een man die meespeelde in een theaterstuk van een amateurgezelschap. Tijdens elke repetitie bleek hoe monotoon hij sprak. Tot grote wanhoop van iedereen. Er hielp geen lievemoederen aan. Men maakte hem boos. Men slingerde hem scheldwoorden naar het hoofd. Men behandelde hem met zachtheid. Men legde begrip aan de dag. Men voerde hem dronken. Men daagde hem uit. Men behandelde hem met hardheid. Men dreigde. Men smeekte. Men suste. Men opperde een vitaminekuur. Niets hielp.

    De man – een imposant exemplaar van de menselijke soort – bleef al zo toonloos als een Engelse radiocommentator bij een paardenrace op een zelfmoordzondagnamiddag. Misschien genoot hij wel stiekem van doffe e’s, vlakke klanken en comateuze medeklinkers? Op de schaal van Richter zou hij nooit ook maar één expressief jotaatje scoren. Hij kon zelfs waarschijnlijk geen vlinder overstemmen. Hoe was het in hemelsnaam mogelijk dat deze man als hobby voor theater had gekozen?

    Het huidige in te studeren stuk heette dan nog ‘Heren onder het mes’ – stuk waarin heel wat afgekrijst diende te worden. Als er al een Nobelprijs voor Gelijkmoedigheid uitgereikt kon worden, dan viel die zeker te beurt aan de … stommeling, zoals zijn medespeelsters en –spelers hem achter zijn rug om noemden. Toch kon men niet om de man en zijn rol heen. Hij was een broodnodige belangrijke tegenspeler van de protagonist. En hij moest imposant zijn. En daar waren geen andere kandidaten voor. Nou: vooruit dan maar met de (niet-mekkerende) geit.

    En zie, voorwaar: na de première van het stuk gingen alle toeschouwers in vervoering rechtop staan. Daar waar gevreesd werd voor minutenlang tergend duimapplaus, daar plakte de volle zaal de handen tegen elkaar tot het pijn deed. Voor de monotone man.
    ‘Nog nooit een dergelijke volgehouden rol aanschouwd!’
    ‘Chapeau voor die realistische no-nonsensevertolking!’
    ‘Meer van dat!’
    ‘Nee: minder van dat!’
    ‘Een verse trend!’
    ‘Nooit gezien, nooit gehoord!’

    De man werd al zo beroemd als Susan Boyle. In eigen stad.


    27-07-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.285: Een aardig ding

    TAAL IS EEN AARDIG DING

    Vreemd hoe kinderen (terecht) de verleden tijd als iets voorwaardelijks gaan gebruiken wanneer ze in de huid van iemand anders kruipen om een stukje te spelen. ‘Ik was de prinses’. ‘Jullie waren de cowboys’. ‘Dit hier was ons kasteel’. Daardoor blijft de mogelijkheid bestaan om weer uit die huid te kruipen. Ze doen dat vanzelf; meestal heeft niemand ze dat aangeleerd (tenzij door kopieergedrag). Het verwoordt een aanvankelijk besef van fantasie en fictie. Het zet als het ware de scène die volgt tussen relativerende citaattekens: dit is niet echt, dit is maar spel, dit is gespeeld. Overigens gebruiken volwassenen (de ex-kinderen dus) ook het werkwoord ‘spelen’ als synoniem voor toneelspelen. Het is een analoog iets: dat ‘kinderlijke’ werkwoord gebruiken voor iets heel volwassens en complex. Alsof er ergens toch wel een waarschuwend belletje rinkelt: dit is eigenlijk maar spel, hoor. Terwijl we het toch over taal hebben: ik mag wel eens zo’n gezellig oubollig deurendrama (wat een mooi woord) smaken, gekruid met en geflambeerd in lokale tongval. Dat weifelen tussen ‘was’ en ‘waart’! Dat mixen van ‘gij’ en ‘ge’ en ‘jij’ en ‘u’! De kleuren van die klanken bij het steeds heviger en vlugger dichtklappen der deuren! En waarom denk ik hierbij ‘nou’ steeds weer aan Hollandse televisiedramaatjes in de jaren zeventig-tachtig? Ooit zag ik (wat taal betreft) twee uitzonderlijke voorstellingen. Ik ken er de details niet meer van. De Nederlandse cabaretier-poppenspeler Jozef van den Berg liet driekwart van zijn woorden op een uitdrukkelijke doffe e eindigen: ‘Martijne! Jongene! Kommene jongene!’ Langer geleden zag ik in een stadsschouwburg een stuk (Goethe, Torquato Tasso) in een bewerking van Decorte? Fabre? waar bijna iedereen na de pauze wegbleef: men sprak extreem grotesk-historisch-geëxalteerd – woorden schieten te kort voor een omschrijving van dit soortement Nederlands. Taal? Soms een zoetgevooisde prinses, somtijds een vuurspuwende draak.


    06-07-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.265: VRESELIJK

    VRESELIJKE VERHALEN                                                                                                           Sjors DNO

     

    Deze 133 verhalen zijn vreselijk. Dat slaat niet op de taal of de stijl. Men weze echter terdege gewaarschuwd voor de inhoud. Moord, brand, onthoofding, bloeddorst, vleeshonger, versnijdenis, verdwijning, wurging, bedwelming, verschrikking, ophanging, zelfverbranding, betovering, bedrog, verdwazing: de bloedstollende gebeurtenissen en hallucinante taferelen zijn schering en inslag. Zelfs de dieren gaan hier niet vrijuit.

    Een aantal verhalen verschenen eerder als voorpublicatie in literaire bladen zoals De Brakke Hond, Dietsche Warande & Belfort, Hollands Maandblad, Mens & Gevoelens, Passionate, Oikos, Deus ex Machina, Lava, De Muur, De Vlaamse Gids, Kreatief, Diogenes, Yang, De Tijdlijn, La Ligne de Temps, NVT/Gierik, Kluger Hans, Digther en op enkele sites. Diverse van deze verhalen werden genomineerd voor of bekroond met onderscheidingen.

    Bijlagen:
    VRESELIJKEVERHALEN.pdf (3.1 MB)   


    03-06-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.284: Kloon

    KLOON


    Ik droom van een theaterstuk waarin twee schommels op het podium staan. Ze bewegen zacht in de wind, terwijl het publiek de zaal binnenkomt en na het hoffelijke babbeltje met de buren op de zitplaatsen voor, achter, rechts en links gaat zitten. Er mag wat geknars en geknierp te horen zijn: de schommels hebben wat olie nodig, zoals alle schommels. Uit het leven gegrepen! Dan komt op de linkerschommel een viersterrenmeisje zitten. Neen: ze heeft geen lolly in haar mond. Even later neemt op de rechterschommel bijvoorbeeld Elvis Presley plaats. Of een buurvrouw. Of een astronaut. Dan ontspint zich natuurlijk een gesprek. De schommels kunnen daarbij een leuke bijrol vertolken: simultaan-synchroon, als tegenliggers, één in beweging en één bevroren … We komen te weten dat het viersterrenmeisje de helft van een tweeling is. Elvis Presley ((laten we die versie eens nemen) is een lookalike die in het werkelijke leven sedert kort lesgeeft in Nederlands en Engels. Hij heeft dat diploma door studie in de gevangenis verworven. Tijd zat. Voorheen was hij namelijk een geducht gangster, met bivakmuts en masker op. Zijn gelijkenis op de wereldbekende heupzanger exploiteert hij niet. Hij slaat er geen munt uit en gaat nooit naar elvismeetings. In mijn stuk zou ik ook graag echte duiven en mussen laten fladderen en scharrelen. Broodkruimels zullen hierbij noodzakelijke rekwisieten zijn. De regisseur moet natuurlijk een dirigent zijn. Hij moet metronomisch gevoel hebben om de schommels te beheersen. Misschien mag er ook een grote metronoom voor of achter op het podium. Het viersterrenmeisje, zo leren we, zou graag apothekeres worden. Dan zou ze een pil uitvinden die belet dat de ene mens op de andere mens gelijkt. Ze heeft daar dus – volgens het stuk – een paar redenen voor. Zelf gelijkt ze ook op de Egyptische koningin Nefertiti, vrouw van Achnaton. Dat vormt echter geen noemenswaardig probleem. Elvis prijst haar om haar klassieke schoonheid en haar dubbel geperforeerde oorlelletjes. Nu moet ik nog een titel vinden. Hoe zal ik mijn stuk gaan noemen? Niets schommelachtigs. Wat dacht u van ‘Kloons’? ‘Bring in the kloons?’ ‘Waltzing kloons?’ Ach, titels!


    03-05-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.283: Allojjo

    ALLOJJO


    (Of de Alliantie van Oude Jongeren en Jonge Ouderen)

    Ik ben één. Ik ween.
    Ik ben zestig. Ik juich.
    Maar het is nog niet volbracht.
    ALLOJJO wacht.


    Dit is een citaat uit het dagboek dat Reinoud Dejonghe van plan was te schrijven. Het is bij dat citaat gebleven. Reinoud Dejonghe kreeg het namelijk zo druk met de Alliantie van Oude Jongeren en Jonge Ouderen dat hij niet eens de tijd meer had om zijn dagboek verder aan te vullen.

    Die nacht in oktober kon Reinoud Dejonghe de slaap niet vatten. Akkoord: het was volle maan. In de genen van de mensen sluimerde nog altijd de oeroude overlevingsdrang om in het licht van de volle maan extra waakzaam te zijn en niet in slaap te vallen. Reinoud, pril zestiger, zou echter op nog een andere manier overleven. Door zijn hoofd spookte reeds geruime tijd de gedachte aan een Vlaamse politieke partij voor ouderen. Vormden die niet een groot segment van de bevolkingspiramide? Daar kon rimpelkracht van uitgaan. Bovendien waren de laatste decennia de jongeren te uitdrukkelijk aan zet geweest. Overal waar je om je heen keek, appelleerden de culturele affiches aan het jonge volkje. Media verklaarden (soms piep)jonge tafelspringers meteen zalig, gewoon maar omdat ze ‘jong en sexy’ waren. Het woord ‘sexy’ drong zelfs tot in de politiek door. Holklinkende debutanten die het warm water weer uitvonden, kregen voorrang op oudere ervaren en boeiende kunstenaars. Jonge voetballers scoorden waanzinnige bedragen. Vroeger was dat anders. Als je toen jong was, was je verdacht. Je werd belemmerd in doen en laten en gefnuikt in je engagement, weggelachen of doodgezwegen. De maatschappij leek toen alleen te bestaan uit saaie middenmoters die het voor het zeggen hadden en zijgerangeerde gerimpelden die het gezegd hadden en voorgoed zwegen.


    De woelslaap van Reinoud Dejonghe leverde alvast een letterwoord op. ALLOJJO kon naast de gewone invulling van Alliantie van Oude Jongeren en Jonge Ouderen nog andere associaties bevatten. Allen. Allemaal. Allochtonen. Er stak ook een stukje palindroom in: tegendraads te lezen. Holebi’s, dwarsliggers, ontevredenen, andersdenkenden: welkom. ALLOJJO was er voor iedereen, elckerlyc, eltsenien.


    Die ochtend in oktober rees Reinoud Dejonghe welgezind uit zijn bedstee op. Hij kon rustig de tijd nemen voor het dagelijkse kalefateren van zijn lijf, want hij had sedert anderhalve maand voor het rustpensioen gekozen na een carrière van 38 jaar als docent Kunstmatige Talen aan de BIBES-hogeschool voor Diplomaten en Tolken. Heden ten dage bouwde hij op eigen tempo die andere carrière van hem verder uit: hij was ook zelfstandig literair auteur. Een vijftigtal publicaties prijkten op zijn palmares: poëzie, proza, theater, essay, jeugdboeken. Ook op dat vlak echter ondervond Reinoud Dejonghe de nadelen van het ouder worden. Het werd bijna onmogelijk om op zijn leeftijd nog een boek gepubliceerd te krijgen bij een degelijke uitgeverij. Gevestigde waarden (de tafelspringers van de jaren tachtig) en baby’s (de verse debutanten) kregen de voorrang. Maar bovenal hadden ook de koks en de TV’s – de Televisie Vlamingen – de boekenbeurzen en de boekhandels ingepalmd. Balen van die bagger, maar que faire?


    Reinoud stelde die oktoberochtend het oplappen van zijn lijf even uit en schreef vier korte regels in een logboek dat hij van plan was bij te houden. Het bleef daar dus bij.
    Nog in zijn gestreepte kamerjas deed hij zijn vrouw Lotte kond van zijn politieke plannen.
    ‘Het wordt ook een brede maatschappelijke en culturele beweging, niet alleen een politieke,’ betoogde hij.
    ‘Vrouwen?’ interpelleerde ze tussen twee lepels gezondheidsvoer door.
    ‘Inbegrepen. Ik bedoel: uiteraard. Fiftyfifty. Altijd. Overal.’
    ‘Euthanasie?’
    ‘Moet kunnen.’
    ‘Wallonië?’
    ‘Grote liefde.’
    ‘Kerk?’
    ‘Geen punt.’
    ‘Klimaat?’
    ‘Een laagje meer.’
    ‘Mobiliteit?’
    ‘Hoe mobieler, hoe immobieler. Ja aan luchtbruggen, metro’s, buizenposten, tunnels.’
    ‘Vergrijzing?’
    ‘ALLOJJO!’
    ‘De Ouderenpartij in Nederland is door interne geschillen verbrokkeld.’
    ‘Brokkelkaas. Slecht voorbeeld. Binnen de tien jaar staat Kikkerland volledig onder water. Een lage streek.’
    ‘Ging je niet voor een cursus bridge, Reinoud?’
    ‘Die stel ik even uit.’
    ‘Daar zit wel een deel van je doelgroep. Oudere vrouwen met uitgestrekte namiddagen voor zich.’
    ‘Eerst de basis, Lotte. Bridge is zo…’
    ‘… bedoeld voor troubled water?’
    ‘ALLOJJO is niet tegen het gebruik van vreemde talen.’
    ‘Aha. Oud maar niet out.’
    ‘Haha, gesnopen.’
    ‘Is het letterwoord ALLOJJO niet te ver gezocht? Geforceerd?’
    ‘Herinner je AGALEV. Anders Gaan Leven. Dwazere partijnaam bestond er niet. Dan nog met die Bulgaarse v op het einde! CD&V, met dat belachelijke copywritersteken midden. Sp.a met dat onnozel puntje tussen de kleine gazeuse letters. GROEN! gevolgd door dat overspannen uitroepteken. Open VLD met dat holle Open voorop. Vlaams Belang met dat vreselijke woord uit de jaren dertig… ’
    ‘ALLOJJO klinkt als een vrolijke Zwitserse bergroep of een verkeerde Hawaïaanse begroeting.’
    ‘Er schuilt misschien wel te veel vreugde in.’
    ‘Wat dacht je van GOJJO? Geallieerde Oude Jongeren en Jonge Ouderen.’
    ‘Dat riekt naar oude uniformen. En er weerklinkt wat GAIA in. Dieren.’
    ‘Politiek is een ernstig tijdverdrijf hé.’
    ‘Eet je die noten nog op?’


    Die avond ging Reinoud Dejonghe raad vragen bij Trine, een van zijn tweelingdochters, die een paar jaar geleden nog op een politieke kieslijst in Kortrijk had gestaan. Eigenlijk hoopte hij dat ze zijn plan met twee enthousiast geheven duimen zou stutten. Noch de raad, noch het enthousiasme kregen een kans: kleinkinderen Lilly en Fons palmden met de nodige drukte en oorverdoving de avond in. Afko’s, letterwoorden en hoofdletters werden met kinderlijke vakkunde geaborteerd. Dit was een valavondveldslag waarbij jonge ouderen en oude jongeren alleen maar snakten naar de rust van het achtuurjournaal, met aanslagen in Syrië en Afghanistan.


    Waar te beginnen? Kortrijk had onlangs een klein staatsgreepje achter de rug. Aan het jarenlange bewind van CD&V-burgemeester Stefaan De Clerck was een einde gekomen door een manoeuvre van Open VLD’er Vincent Van Quickenborne, die een tegennatuurlijke coalitie sloot met sp.a en, jawel: N-VA. Groen! wou niet meespelen. Alweer niet. Het Vlaams Belang kukelde achteruit. Er was in Kortrijk nog plaats voor een nieuwe politieke beweging. Want ondanks de recente veranderingen kon je de Zuid-West-Vlaamse provinciestad nog altijd niet vrijpleiten van conservatisme en starheid.
    Het scheen dat de badstad De Panne zo stilaan een bejaardenreservaat aan het worden was. Zeewaarts dan maar met ALLOJJO? Opstarten in enkele proefsteden, zoals in Nederland bepaalde ouderenpartijen dat bekokstoofden? Hopen op voldoende boze ouderen en her en der delegeren? Aan zee had je wel meer concentraties van rimpelkracht. Een interessante combinatie van boosheid en kapitaalkracht.


    Partijprogramma!

    Wat is ALLOJJO?
    Waar staat ALLOJJO voor?
    Wat wil ALLOJJO?


    ALLOJJO is een tolerante politieke partij die jonge ouderen en oude jongeren en sympathisanten groepeert.


    ALLOJJO staat voor een groot segment van de samenleving: mensen die vaak een actief leven lang gewerkt hebben en dat zelfs meestal nog doen, op een of andere (on)bezoldigde manier.


    ALLOJJO wil meespelen in en wegen op het maatschappelijke, politieke en culturele debat en zijn ervaring, knowhow en desgewenst expertise aangesproken zien met dien verstande dat de officiële pensioenleeftijd op 65 jaar bepaald wordt, flexibele maatregelen inbegrepen, zowel voor als na.


    De jongeren van nu zijn de ouderen van straks. Dat ware een (iets te lange) interessante slogan. Nog beter: Oud maar niet out.


    ‘Het is gek, en het doet zich nochtans altijd voor,’ dacht Reinoud. ‘Jongeren denken er nooit aan dat ze oud zullen worden. Maar misschien is dat goed zo. Waarom zouden ze ook. Jeugd mag dom, ijdel en zelfs wreed zijn. De allerdomsten apen gaandeweg hun voorouders na: het leven begint aan 30, aan 40, aan 50, papegaaien ze. Larie. Het leven begint aan 1. En aan 60. Wenen. Juichen.’

    Reinoud Dejonghe begon her en der jonge ouderen en oude jongeren – hieronder verder genoemd OJJO’s – op te stoken. Hij wakkerde sluimerende boosheid aan, zaaide ongenoegen en hoopte misnoegdheid te oogsten, de basis voor ALLOJJO.

    (In praatcafé De Woede der Noormannen)

    ‘Je ziet er nog goed uit, Michiel.’
    ‘Bah ja. Gezichtsbedrog, zeker?’
    ‘Ik moet nog niet brillen, hoor!’
    ‘Van mij zijn het de kleine lettertjes. En ik hoor niet zo goed meer met mijn linkeroor.’
    ‘Ja, ze maken ons wat wijs, die ettertjes.’
    ‘Eh?’
    ‘Die ettertjes van dertigers. Zij die nu de dienst uitmaken. Maar gaan ZIJ werken tot hun 65ste?’
    ‘Mm… ‘
    ‘Dat moet ik nog zien!’
    ‘Ja… ‘
    ‘Wij hebben toch voor hen gezorgd hé! En betaald!’
    ‘Ja hé… ‘
    ‘In moeilijke tijden, zonder al dat pamperen en begeleiden. We moesten het zelf maar zien uit te vogelen. Zonder subsidies, zonder media, zonder begrip.’
    ‘Je hebt gelijk.’

    (In café De Zevensprong)

    ‘Waar zijn we nog goed voor? Hotel Mama? Opa Europa op 1 januari?’
    ‘Daar heb je een punt.’
    ‘Twee punten, bedoel je, en ik heb er nog acht.’
    ‘Puberheisa, debutantengebral, jongerenvervuiling, leerlingenstank, studentenkots, jeugdpesterij, adolescentenpoeha, midlifegezeur.’
    ‘Maar waren er een tijd geleden ook geen lastige hangouderen in Bredene? Die bier uit blikjes zopen en van op zitbankjes aan zee de voorbijgangers lastigvielen?’
    ‘Maar dat is nou net wat wij met ALLOJJO moeten doen!’
    ‘Eh?’
    ‘Rekruteren aan zee!’
    ‘Ja: onder de aroma’s en europa’s.’

    (In volkscafé De Meiboom)

    ‘Ik zou er zelfs een boek over kunnen schrijven.’
    ‘Heb je al een titel?’
    ‘Wel, eh, ik denk aan ALLOJJO. Simpelweg… ‘
    ‘Ik denk ook aan iets, simpelweg: HET RELAAS VAN EEN DWAAS.’


    Reinoud Dejonghe kwam om twee uur in de nacht dronken thuis en was meer dan ooit vervuld van zijn plannen. Het scheelde niet veel of hij klapte nog zijn laptop open en begon een blog op te zetten. Om vijf uur in de ochtend waren de kleinkinderen in de belendende logeerkamer al levendig en wel op. Dat was hij compleet vergeten. Reinoud Dejonghe verrees bijgevolg al bij het krieken van die dag met een kop als een rammelende spaarpot oude centen en een roestlaag in zijn keel. Nooit heeft hij nog met ook maar één woord gerept over ALLOJJO, de Alliantie van Oude Jongeren en Jonge Ouderen. Andermaal hadden de jongeren gewonnen.




                                                  COPYRIGHT JORIS DENOO
    ZIELSVERWANTE LINKS
  • Een blauwe plek
  • Moord !
  • Meester in de Vakken
  • De ongecomponeerde noot
  • Poëzie
  • Romaneske boeken
  • Satisfiction
  • Romans & Theater
  • Vreeslijke verhalen
  • Miljarden flarden

    Blog als favoriet !

    Foto

    Foto

    Sjors DNO eind vorige eeuw in een sneeuwstorm in Chicago


    Mail

    Druk op de knop


    Archief per jaar
  • 2017
  • 2016
  • 2015
  • 2014
  • 2013
  • 2012
  • 2011
  • 2010
  • 2009
  • 2008
  • 2007
  • 2006
  • 2005

    Foto

    Foto

    Foto

                       IK ALS UK
    Foto

    Me reading HARDZIEK, romandebuut Sarah Denoo

    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!