NIEUW: Blog reclamevrij maken?
SCHUINE TEKSTEN
Inhoud blog
  • 319: Enig kind
  • 318: Fibo
  • 317: Dialoog
  • 316: Etaoin shrdlu
  • 315: Roland
  • 314: Bermkip
  • 313: Men
  • 312: Bruder Lustig
  • 311: Signeergesprek
  • 310: Rook
  • 309: Ode aan mijn bh
  • 308: Alfa
  • 307: Vijgen voor Pasen
  • 306: Wereldsmart
  • 305: Jonge ouderen
  • 304: De Boekenkrijg
  • 303: www.zot.com.bébé
  • 302: Echte fictie
  • 301: Mundial
  • 300: De Felle
  • 299: Westlof
  • 298: Lam Gods
  • 297: Jacky
  • 296: Hop paardje hop!
  • 295: God?
  • 294: Acoliet
  • 293: PP
  • 292: Netwerk
  • 291: Leffaards
  • 290: Het varkensei
  • 289: Geheim
  • 288: Geknipt
  • 287: Geloof
  • 286: Stommeling
  • 285: Een aardig ding
  • 265: VRESELIJK
  • 284: Kloon
  • 283: Allojjo
  • 282: Schaakstuk
  • 281: Communicatie
  • 280: Figuur
  • 279: Hairbag
  • 278: Lijstjes
  • 277: Jos, Joste, Gejost
  • 276: Melk?
  • 274: Frinch fraais
  • 273: Mager Heineken
  • 272: Appartemens
  • 271: Gestopt
  • 270: Ik zou u schrijven
  • 269: Koksmonoloog
  • 268: Een photo
  • 267: Getetter & Getoeter
  • 266: Water
  • 264: Beu
  • 263: Acteur
  • 262: Vederlands
  • 261: Etters & Engelen
  • 260: Men spele...
  • 259: Kwaak
  • 258: Geschoold
  • 257: A la recherche
  • 256: WJZBJZ
  • 255: Eindelijk
  • 254: 'Het' gezin
  • 253: Repetitieruis
  • 252: Kiespijn
  • 251: Reis Hiernamaals
  • 249: Gezondheid
  • 248: Speeltijden
  • 247: Rood licht
  • 246: Ruis
  • 245: Weg
  • 244: Mom
  • 243: HET JAAR ELF
  • 242: Kloon
  • 241: In de put
  • 240: Huid & Haar
  • 239: Zomer 11
  • 238: Duimen maar
  • 237: Poirot
  • 236: Smoke
  • 235: Collateral
  • 234: Nachtraven
  • 233: Undercover
  • 232: Frietpeace
  • 231: Kopie-Kopie
  • 230: Gezeid is gezeid
  • 229: Vreemde man
  • 228: Een stuk
  • 227: België
  • 226: Mijn meesters
  • DRAMA
  • 225: GVD
  • 224: Veldinterview
  • 223: Sprook
  • 222: Zappa
  • 221: Een bod op God
  • 220: Curryculum Vitae
  • 219: Tovenaar
  • 218: Perspest
  • 217: Animatietype
  • 216: Ruim
  • 215: De erwt
  • 214: Podiumbeest
  • 213: Mobiliteit
  • 212: Twee tijgereieren
  • 211: De kus
  • 210: Wolf
  • 209: Een reus
  • 208: Opsporingsbericht
  • 207: K met zuurpruim
  • 206: Volksverlakkerij
  • 205: Doppedrop
  • 204: Kap
  • 203: Affiche
  • 202: Regen
  • 201: Stuk
  • 200: Hair
  • 199: Wie A zegt
  • 198: Bijsluiter
  • 197: TV
  • 196: Arno
  • 195: Letters & Letteren
  • 194: Taalkunde
  • 193: Onder de zon
  • 192: Besparen
  • 191: De goede man
  • 190: Van die dagen
  • 189: Zwarte zwaan
  • 188: Questionnaire
  • 187: Say cheese
  • 186: Loteling
  • 185: Een zwaluw
  • 184: Grijs
  • 183: Claus
  • 182: Liefhebber
  • 181: Monumenten
  • 180: Erger
  • 179: Landbouw
  • 178: Bijna
  • 177: Onafhankelijkheid
  • 176: Zo fout als wat
  • 175: Wei-gevoel
  • 174: Merk
  • 173: Mens
  • 172: Pikant
  • 171: 50 vragen
  • 170: Jinx
  • 169: Wiskunst
  • 167: Met alle Chinezen
  • 166: Mooiste woorden
  • 165: Rijm
  • 164: Internetman
  • 163: EVBO
  • 162: Hondenleven
  • 161: Carrière
  • 160: Coureur local
  • 159: Kip ik heb je
  • 158: Politiek programma
  • 157: Design
  • 156: Kreeft
  • 155: Nicotine
  • 154: Gastronomen
  • 153: Verleiden
  • 152: Opinie
  • 151: 1e hulp in gevallen
  • 150: Verzamelwoedend
  • 149: Fakir
  • 148: Cliché
  • 147: Iets anders
  • 146: Uit de kunst
  • 145: Appartemensen
  • 144: Wereldwoeden
  • 143: Ongerijmd
  • 142: Dagboek van 1 dief
  • 141: Vioolkist
  • 140: Ouden van dagen
  • 139: Automatische piloot
  • 138: Leugendetector
  • 137: Hotel Milan
  • 136: De Diepe Gedachte
  • 135: De weg vragen
  • 134: Mag ik overvaren?
  • 133: Leven op Mars
  • 132: Vogelvlucht
  • 131: Faer♠er-gevoel
  • 130: Lolbroek
  • 129: Sollicitatie
  • 128: De Q van Proust
  • 127: Volg je nog?
  • 126: Kerstmisdaad
  • 125: Hartstuk
  • 124: Mozart in november
  • 123: Heb je gedronken?
  • 122: Frambozen in melk
  • 121: Appelschudder
  • 120: Quo Vadis?
  • 119: Niespijn
  • 118: Rog
    Zoeken in blog

    Foto
    Aan de sneeuwzee in Vlaanderen, februari 2012
    Foto

    Jowan & Joris in Stotendorp Heule

    Foto

            Red shoes Wilma

    Foto

    Younger me, already salt 'n pepper

    DEZE KANT BOVEN (Sjors DNO)
    SCHUINE TEKSTEN
    29-03-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.309: Ode aan mijn bh

    ODE AAN MIJN BOEKHANDEL

    In een mekka van mokka en kletskoekjes houden boekhouders van de bovenste plank hier huis. We reizen er over rails van boekenruggen naar verre bestemmingen in onszelf en in zoetzure buitenlanden. Er heerst een zacht geruis tussen al dat gebladerte. Goede stilte vezelt zacht tussen bladzijden. Op hurkhoogte torsen de onderste planken het zilver en goud van lettersoep, bladerdeeg, griffels en pluimen. Op het kookpunt heersen pollepeldrama en schuimspaanromantiek, op slurpafstand van whodunits en huiver op kamertemperatuur. Vers geperst kan ook: dichter, dunner, gezonder. Of boekenbeursgenoteerd en uitbundig: inkt die klinkt. Die ene kanjer. Dat nog onontdekte reisverhaal. Boeken voor eerste klas. Van die drukte kun je bladstil worden. Rode oortjes, ezelsoortjes, mijn laatste oortje voor een boek. Want Boekenhuis Theoria in Kortrijk bedrijft de uitgelezen boekhoudkunde. Met inktzwarte koffie.

    (In Top tien t.g.v. Independent Bookstore Day Boekenweek Nederland 2017)


    03-03-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.308: Alfa

    ALFA


    Elke dag in de metro las ze The Herald Tribune. Op een van die dagen hield ze warempel de krant ondersteboven. Ik weigerde over de reden na te denken, checkte nog driemaal of dat wel zo was, en ja, dat was zo, en dat bleef zo, en toen staarde ik wazig naar nergens, want ik had een kater. ’s Anderendaags (ze veroverde gewoonlijk ongeveer dezelfde plek in de metro) las ze weer zoals iedereen (… uit het tijdperk dat er nog in treinen, trams en metro’s papieraal gelezen werd… ). Pas toen viel het me op dat ze al elke dag dezelfde krant mee genomen had – een exemplaar van ongeveer twee maanden geleden, vrijdag de twaalfde april. De hele verdere week bleef dat kloppen: vrijdag de twaalfde april.


    Een tijdlang was ze er niet meer. Haar plaats in de metro werd door i-phonende en i-paddende bezigaards ingepalmd. Ik vergat haar.


    In de herfst werd ik uitgenodigd om voor te lezen in het Centrum voor Volwassenen Onderwijs. Het moest (uiteraard) een boeiend verhaal zijn dat ongeveer een halfuur duurde. Het mocht best wat schuin of aangebrand zijn, want het ging immers om instemmende volwassenen. Wel werd me afgeraden moeilijke of lange woorden te gebruiken, want de doelgroep betrof grote mensen die leerden lezen. Door omstandigheden hadden ze dat nooit kunnen doen.

    Toen ik die bewuste avond met Roald Dahl’s verhaal ‘Gelijk oversteken’ verscheen, ontdekte ik haar op de tweede rij in het publiek.


    16-02-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.307: Vijgen voor Pasen

    VIJGEN VOOR PASEN


    Omstreeks Pasen duikt mijn passie weer op: Bijbelfilms, Golgotha-taferelen, verkeerde lieveheren. Mensen verzamelen de vreemdste dingen: verkeerd getande postzegels. Alleen die. Boeken waarin alcohol de hoofdrol speelt. Alleen die. Fiasco’s. Alleen die. Ook ik heb mijn afwijking, naast vele andere. Ik collectioneer verkeerde lieveheren. Dat zijn christussen die aan het kruis de linkerkant op kijken. Ze luisteren naar het alibi van de slechte moordenaar. Gewoonlijk is dat anders. Hun hoofd is op hun borst gezonken, wegens schaamte over al het leed en geweld in de wereld. Of het rust op hun rechterschouder, luisterend naar de goede moordenaar. Nog andere perspectieven zijn mogelijk, als je het van de toeschouwer of ramptoerist uit bekijkt. Er is een film waarin de Gekruisigde Man alleen en uitsluitend van op de rug wordt getoond. En er is een bekend schilderij dat het Golgotha-tafereel anders dan alle andere weergeeft. Mijn collectie bestaat uit zo’n tweehonderd verkeerde lieveheren. Echte en ook afbeeldingen ervan. Ik weet niet meer hoe ik het bestaan van verkeerde lieveheren op het spoor kwam. Ik hoorde er ooit eens over spreken door een antiquair, denk ik. Hij zei dat het geen unicum of zeldzaamheid betrof. Alleen een curiosum. En er was ook iets aan de hand met de voeten van sommige lieveheren: de linker over de rechter, of omgekeerd.


    De prachtigste verkeerde lieveheer die ik ooit zag, was een stuk wortel van een druivelaar. Die had precies zo’n vorm aangenomen. In al zijn grilligheid was hij perfect. Nee, hij is jammer genoeg geen deel van mijn verzameling geworden. Ik mocht hem van de ‘eigenaars’ een tijdlang onderdak bieden. Hij zou me inspiratie bezorgen bij het schrijven. Dat heeft hij ook gedaan. Een novelle, met name. Bekroond met een Nederlandse verhalenprijs in Amsterdam en bij een bescheiden Vlaamse uitgeverij verschenen. Ook gepubliceerd in het oudste en bekendste Nederlandse literaire tijdschrift en later nog een keer in een roemrijk Vlaams letterkundig blad. En toen werd hij plotseling weer opgehaald, mijn verkeerde.


    Sedertdien gluur ik overal waar ik binnenkom eerst naar omhoog, naar muren en wanden. Soms hangt daar een gekruisigde. Heel zelden rust zijn moede en moegetergde en gekroonde hoofd op zijn linkerschouder. Dat is er dan één die extra luistert. Ik heb nog een foto van toen ik in de zesde klas van de lagere school zat: in het stadje Torhout, dat toen nog niet rockte. We zijn op schoolreis. We poseren voor de groepsfoto op de nationale luchthaven van Zaventem. Als ik scherp toekijk, merk ik dat we bijna allemaal met ons hoofd een ietsepietsie naar de linkerkant hellen. Precies alsof er iets belangrijks buiten beeld gebeurt. Maar het is iets anders. Het waaide heel hard die dag. Kun je ook aan onze haren zien. Er stond een meer dan stevige zijwind. Wanneer ik de gezichten bestudeer van die tweeëndertig verkeerde lieveheertjes uit het midden van de jaren zestig van de vorige eeuw, dan zie ik dat er al een flink aantal van dood zijn. Wij, de nog levenden, zijn inmiddels zestigers. Hoe minder paashaast we hebben om te verrijzen, hoe vlugger de tijd voorbijvliegt.


    06-01-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.306: Wereldsmart

    WERELDSMART


    01


    Ik kende nog een voorbeeld. Niemand had het al genoemd. Natuurlijk niet. Iedereen zei alleen maar de bekende dingen. Ik stak mijn rechterwijsvinger in de lucht.
    ‘Ja?’
    ‘De nachtegaal,’ zei ik, met wat bibber in mijn stem, want ik was bij voorbaat al ‘zo trots als een pauw’ met dit onverwachte formidabele verrassende voorbeeld.
    ‘Nee,’ zei Spreeuwe, zijn kinkwab schudde heftig mee. ‘Nee, de nachtegaal is een zangvogel, geen trekvogel.’
    Bloedrood en gekrenkt zonk ik door mijn bank, het geheime luik klapte open, waarna ik in de diepe schacht tuimelde die naar China leidde, waar ik altijd en overal onzichtbaar zou blijven.
    De nachtegaal was wel een trekvogel. Dat wist ik heel zeker. En Spreeuwe was een dom kieken.


    Spreeuwe was onze onderwijzer van de zesde klas. Hij heette eigenlijk Roseeuw met zijn achternaam. Hoe hij in de loop der jaren aan de spotnaam Spreeuwe is geraakt, weet niemand. Wellicht lag kinderlijke rijmnood aan de basis, geflambeerd in een scheut plaatselijke voertaal. Want het moest klinken als Spreeuwe, met een vreselijke tweeklank middenin en bekroond door een ruwe doffe klank. Niet het bekakte woordenboekwoord Spreeuw dus. Maar met vogels had Spreeuwe niets te maken. Nou, vooral niet met de mijne. Ergens geleek hij wel op een vogelbekdier. Zijn kin bestond uit drie verdiepingen kwabben.


    Een week later lapte Spreeuwe me nog zoiets. Iedereen moest om de beurt met een opgegeven letter een bekende plaatsnaam op aarde zeggen.
    Daar gingen we.
    A. Antwerpen. Natuurlijk.
    B. België. Wie had dat gedacht!
    C. Eh… Eh… Vooruit! Is dat nu zo moeilijk?!
    Geert wist het niet. Hij werd overgeslagen.
    Het werd uiteindelijk Cyprus, bij slimme Pol. Die had goed onthouden uit vorige lessen dat er problemen waren op het verre Cyprus en dat aartsbisschop Makarios die zou oplossen.
    Ik kreeg onverwacht de Z toegewezen.
    ‘Zürich,’ zei ik vastberaden.
    ‘Waarom dan niet Zwitserland?!’ riep Spreeuwe boos.
    Waren mijn ogen kogels geweest, dan perforeerden die terstond zijn driedubbele kwabbenkin.

    Spreeuwe verklootte mijn laatste jaar van de lagere school. Waar ik alle voorgaande jaren tot de top van de klas had behoord, daar slaagde deze lillende hufter er in om me in de blatende middenmoot van de groep te doen belanden wat schoolcijfers betrof. Elke dag zag ik de voorbedachte rade achter zijn brilglazen flikkeren. Ook zijn trouwring veroorzaakte bliksemschichten. Er ‘heerste’ tien maanden onweer.

    Jaren later kwam ik voor een stuk te weten hoe het kwam. Mijn vader had het onderwijsmens Spreeuwe ooit een lelijke hak gezet. Welke precies, dat wou mijn mannelijke verwekker nooit echt uit de doeken doen. We leefden namelijk in die tijden waar veel verzwegen werd. Het beletselteken was het meest gebruikte leesteken; de woorden ‘puntjepuntjepuntje’ en ‘enzovoort’ tierden welig. De doofpotten zaten eivol. De kerken ook.

    Maar ondertussen trok mijn nachtegaal niet naar het zuivere Zürich. Echt niet.
    Moordlustig verliet ik de lagere school.

    Twee maanden later was ik van alle jongens uit het eerste jaar middelbaar de allereerste die twee uren strafstudie op zaterdag kreeg. Een priester-bewaker had me in de studiezaal betrapt met een bibliotheekexemplaar van ‘Villa des Roses’ van Willem Elsschot op mijn knieën. Ik wenste dat de ontelbare knoopjes aan zijn inktzwarte soutane allemaal inslagen van kogels waren.
    ‘Tisten’ was zijn bijnaam: een reus van drie meter hoog met wat zwart schaamhaar boven op zijn schedel en een ‘hm-hm’-tourettetic die zich zesduizend keer per dag manifesteerde.

    Mijn valse start in het middelbaar werd echter al vlug goedgemaakt door enkele prima leraren die zelfs niet eens met een spotnaam werden bedacht. Alleen een vechtpartij met een dokterszoon ontsierde nog even de middeleeuwen van mijn schoolgaande jeugd.
    Gaandeweg leerde ik dat Hemingway de zin ‘De zwarte kat liep door de dikke benen van de warme bakker’ niet goed gevonden zou hebben. Hij zou de drie ‘tekenende’ woorden die in het lager onderwijs als mooie taal dubbel onderstreept werden, onverbiddelijk schrappen. Economisch taalgebruik! En meneer Nolf bracht de cursiefjes van een zekere Bomans mee naar de klas. Ik was daar zo in de wolken over dat ik zelfs bereid was de onbelangrijke vakken Rekenkunde en Meetkunde te studeren, noodzakelijke kwaadheden die ik onder de noemer ‘Miskunde’ parkeerde.

    Ondanks allerlei boemannen in het laatste jaar van de middelbare school slaagde ik met vlag en wimpel voor alle vakken van mijn leerrijke jeugdjaren, inclusief roken.

    Ik was klaar om nog meer vanbuiten te leren.

    Gelukkig had ik toen al een miljoen boeken gelezen. Tijdens mijn vier jaren aan de faculteit Wijsbegeerte & Letteren, afdeling Germaanse Filologie, had ik namelijk alleen nog tijd voor de verplichte lectuur en af en toe een betoging. Ook deze combinatie lukte wonderwel, hoewel ik het jammer vond dat mijn leeslust plaats had gemaakt voor schrijflust, waar ik al helemaal geen tijd voor had. Een aantal politieke pamfletten getuigen nog van deze academische periode. Ik schreef toen ook mijn nachtelijke dromen op, waarschijnlijk omdat ik er later gebruik van zou maken om het Boek der Boeken te schrijven.


    02


    Van jongs af aan hield ik van de wind en van de sterren, twee uitgesproken onbetrouwbare instanties van ‘s mensen bestaan op de aarde, deze blauwe plek in een heelal. Toen al lag het dichterschap op de loer. De mensen deelde ik in drie categorieën in. Ten eerste had je de oude jongens. Hun das liep in de pas, hun jeans was hun harnas. Vaak flikkerde hun trouwring vervaarlijk. Ten tweede waren er de meisjes die voor vrouw leerden. Ze waren oud van nagellak en wapenrok, constant in oorlog met de mode. Vaak zaten die aan hun trouwring te frunniken. De derde categorie bestond uit een hopeloos aantal nog oudere mensen. Over die gerimpelden en gekrompenen der aarde wenste ik niet na te denken, met uitzondering van mijn eigen krimpvrije oma’s en opa’s, waarvan ik er geruime tijd vier bezat. Kathedraaltjes van ouderdom. Ik harkte alle zeer ouden van veel dagen samen in een verdomhoekje van het Museum voor Oudheidkunde. Baby’s, ukken, peuters en kleuters, alle kindervlees kortom, ondergingen een analoog lot, want ik vond dat die op oude mensen leken. Ja, ik was een zeer gesloten kereltje. Wind en sterren, weet je wel.

    Plotseling werd het 1970. Ik was zeventien. Opgerold als een ansjovis lag ik in bed. Het was al donker op de wereld. De mensheid sliep. Ik was gewapend met een minizaklamp en een miniradio. Dit moest ontegensprekelijk het minitijdperk zijn. Uren aan een stuk goot ik radio Luxemburg in mijn linkeroor uit, terwijl hoerachtig schijnsel onder mijn lakens spookte. Tears of a clown. War. Purple haze. Ik sliep in met ruis. Ik werd wakker met ruis en liep de tunnel van de dag door: verlangend naar het flauwe plasje licht aan het eind daarvan. Presidenten werden neergekogeld. Transplantaties werden verricht. Hemellichamen werden betreden. Ik peuterde de oude zelfklevers van mijn fiets en verving die door de beklijvende Jim Morrison, de krullen als een doornenkroon om zijn hoofd gevlochten. Op die fiets reed ik naar mijn eerste echte fuif, toen nog genoemd ‘thé-dansant’. O mamy, o mamy, o mamy blue, o mamy blue. De witte hemden van de studenten fluoresceerden. Ik dronk om niet te moeten dansen. Gefascineerd keek ik naar dat gewriemel in die slangenkuil. Jongens harpoeneerden hun tong in meisjesmonden. Bambarondedansen zonder totempaal werden afgewisseld met lijfgewrijf in slow motion. Geheel beneveld verliet ik dit paringsfeest.

    Ik hulde me in een andere mist: die van de sigarettenrook. Met lijvige letterkundige syllabi bouwde ik een luchtkasteel. Vanuit de schietgaten vuurde ik somtijds zelf een gedicht af, richting grote boze wereld. Ondertussen leerde ik dat, toen Guido Gezelle geboren werd omstreeks de Belgische Onafhankelijkheid, de gevangenissen eivol zaten. Waar was het verband? Ik hoorde aan de unief vaklui uitweiden over poëzie. ‘Mijne heren, nu weet ik het ook niet zo goed meer,’ sprak de nog jonge heer H.B., assistent-professor-criticus. En de zeer oudgeletterde professor A.W., fin de schitterende carrière, stak op het mondeling examen zijn honderdduizendste Bastos filter op en kraste: ‘Aha, kerel: van West-Vlaanderen, zie ik hier op mijn lijst? Daar woont gij toch, hé? Vertel eens over uw mooie streek.’ Zijn toenmalige assistente, ook een occidentaal meisje, gooide zich na zijn dood op de kinderliteratuur, men bedoelde eigenlijk literatuur voor kinderen, een ‘nog onontgonnen terrein’, zoals dat toen heette.

    Mijn maten droomden hardop van journalistiek, televisie en schrijverschap. Meisjes smeekten thuis, gebruik makend van veel verkleinwoorden, om nog een ‘jaartje’ extra Communicatiewetenschappen te mogen ‘doen’. Op een zwaarbewolkte dag in juli mompelde een oude prof achter een katheder dat de meeste van ons geslaagd waren. Ik verliet mijn kroegen en ging terug naar de lage streken in mijn platte provincie om een meesterwerk te schrijven. Het Boek der Boeken dus.

    De eenentwintigste eeuw heeft nu al een tijdlang haar plechtige communie gedaan. Ik heb de kaap van zestig jaar al geruime tijd gerond. Ik slaap met mijn navel naar de aarde gekeerd. Mijn kinderen zijn draadloos met mij verbonden; af en toe duiken ze thuis op om de schade op te nemen. Ik zag de oude Dimitri Van Toren (een zanger) zijn ding oppoetsen in een oude Vlaamse dorpszaal. Ik lees dat Armand ‘Ben ik te min’ twee weken op een rantsoentje pindakaas leefde. Weldra sneuvelden ze ook. De stille drummer van de Stones doet in antiek in het rustige Devon. Jim Morrisons graf wordt wegens groot succes een beetje verplaatst. Hier bij ons in West-Vlaanderen zouden ze zeggen: ‘Wegens te veel leven’. Ikzelf heb het nog altijd niet gevonden. De vraag is maar: wat? Mijn ongeduld wordt niet beloond. Ik word een oude jongen in een gekke megawereld. Zou professor H.B. het ondertussen al weten ? Gelijkt het eeuwig jachtveld van professor A.W. op West-Vlaanderen? Ach, van alle materialen waar ik me ooit mee omringde, schiet alleen de taal over. Wegens te veel leven. Laat ik maar aan het Boek der Boeken beginnen.


    25-12-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.305: Jonge ouderen

    JONGE OUDEREN

    Waarom begint iemand van de ene op de andere dag zijn haren naar achteren te harken? (Daarvoor was hij voor de vooruit). Hoe komt het dat iemand plotseling van koffie begint te houden? (Vroeger bunkerde hij sloten alcohol en cola). Wanneer begint iemand de wallen onder zijn ogen als jaarringen te beschouwen? Zoals bij de bomen? (Voorheen waren dat de lauwerkransen van overgeslagen nachten). Het is de ziel die dat dicteert. De ziel bevindt zich in de linkeroorlel. (Vandaar de zinsnede: ‘Als de ziele luistert…’). Wanneer iemand voor de spiegel met een bedenkelijk gezicht aan zijn linkeroorlel staat te frutselen (dat schiereilandje kippenvel), dan wil dat zeggen: de ziele spreekt. En als de ziele spreekt, dan moeten het hart en het hoofd luisteren.


    Zo spreekt de ziele: ‘Man, het is nu welletjes geweest. Vlot en tof en cool en bère moet je niet meer proberen te zijn. Je vlot is stuurloos. De toftigheid hangt er in treurige vodden bij. De coolness is een ijstijd geworden. Nee: geen acetijd. Bère is boring geworden. Stop met de zelfjes en neem nu eens een fotokopie van je vader, je grootvaders, je voorvaders. Hark je haar op maat. Kies wat kleren op maat. Hou maat in het drinken. Kies maten die ook maat kunnen houden. Zo kun je nog eens enkele decennia doorbaggeren, met gezonde aderen, zoals je vaderen het je hebben voorgedaan.’
    (En ik die altijd als motto had: ‘Liever de wind dan een hark om blaren te bloemlezen’!)


    En, o wonder, dan word je benaderd door zo’n jonge gast, zo’n zwarte vogel in recyclagekleren, en die zegt: ‘Maar dat vind ik nu eens tof en vlot, dat achterover geharkte haar, die ringen onder je ogen, en die emmers koffie die je met special-agent-Cooper-achtige gebaren in dat oude hoofd van je giet! Toftig!’ Dan zijn er twee mogelijkheden om zoetjes wraak te nemen op dat ontzagwekkende misverstand. Ofwel laat je je haar in een staart tussen je schouderbladen bungelen. Daardoor foutparkeer je jezelf bij de modeveroordeelden. Ofwel begin je marathons te lopen. Ook volledig verkeerd. Twee lange ingrepen dus. Je verandert je eigen schaduw en daarna probeer je die te ontvluchten. Waar loop je dan naartoe? De eindmeet is voor iedereen gelijk: strooiweide, graf, urn. De lat ligt er voor allemaal gelijk: zeer plat. De ultieme democratie waar velen van dromen.


    Post scriptum. Het voorgaande is in de mannelijke vorm geschreven. Maar het gaat ook op voor oude meisjes. Vrouwen dus. Met deze verschillen: die knippen dan hun staarten af. En in plaats van te gaan lopen en koffie te slurpen, blijven ze zitten bij streekbieren, na een avond Afrikaanse dans of biceptuele stroomlijnjazz. Hun mannen laten ze maar lopen. Want de aardbol is rond. (Sommigen zeggen en schrijven: aardkloot. Anderen: Moeder Aarde). Midlife? De koffiekoppencarrousel in Bellewaerde. Krampen na de echte match en voor de verlengingen. Of iemand die tegen je zegt: ‘God, wat ben jij grijs geworden zeg!’ Dan antwoord je: ‘Vroeger was ik God. Nu niet meer. En groen.’ Om jezelf te troosten, denk je dan aan leuke dingen. Dingen die beter of mooier worden naarmate ze ouder zijn. Wijn. Violen. Wijn die mee de Val van het Romeinse Rijk veroorzaakte. Violen die het zinken van de Titanic begeleidden. Zo komen we weer bij de ziel uit: het hoorapparaat voor een geweldige stilte. En bij koffie, dat geweldige bakje inktzwarte troost.


    29-11-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.304: De Boekenkrijg

    DE BOEKENKRIJG


    Goeie genade, nu ik er aan denk: je vroeg me een ‘goed’ boek. Die lange vakantie brak weer aan, weet je wel. Boeken geblazen. Ik koop echter nog weinig boeken. Ik lees nu al mijn boeken voor de tweede of de zoveelste keer. Nooit verlaten ze nog mijn huis. Tenzij door de schoorsteen. Ik heb er genoeg van. Dus: het enige boek dat ik je misschien nog wil geven, is een kookboek.

    Nee, een echte Boekenkrijg is het niet meer. Liever mag ik door de stad stappen, zonder boeken in mijn hoofd, terwijl de frisse geuren van schoolplichtige meisjes me in het gezicht waaien. Zo kan ik vele kilometers stappen en lange uren doorgaan. Ik lees de stad en ik ontcijfer de mensen. Liever dan lezen mag ik op een bank in het park zitten dromen dat jij ook op die bank zit. Dat we praten zoals het niet in de boeken staat: zonder bijsluiter, zonder legende, zonder laatste bladzijde, zonder houdbaarheidsdatum.

    Vorige week wandelde ik in de stad. (Door de stad? Ik ben verminkt door een teveel aan lezen). Ik passeerde een gebouw waarvan de tuimelramen open waren geklapt. Daarachter weerklonk een profetische stem, die sprak: ‘Acht komma vier.’ Toen ik opkeek, merkte ik dat het een schoolgebouw was. Die 8,4 betrof boekenwijsheid. De ogen die bij die stem hoorden, hadden die wijsheid de avond tevoren in een boek gelezen. Cijfers kun je immers ook lezen. ‘Acht komma vier’ deed het de volgende dag de ronde, en niemand was gelukkig. ‘Acht komma vier’ ruiste het in de bomen, en niemand luisterde. ‘Acht komma vier’ sprak een stem in de stad, en niemand geloofde het.

    Nog liever mag ik planten en boeddha’s in mijn boekenkasten zetten. Gewone boeken zijn maar boekensteuntjes voor weer andere gewone boeken. De dikke, moeilijke of onwijs symbolische boeken stop ik diep weg. Ach welnee, een boekverbrander ben ik niet. Ik heb eerbied voor drukwerk. Maar wie me boeken vraagt, wakkert wel een brandje aan. Ik heb mijn boeken zozeer lief, dat ik ze haat. Ik haat de zorg die ik aan ze besteed. Ik haat hun affe voldongenheid. Onachtzaam en moeiteloos en rotverwend staan ze daar. Zij staan lijdzaam op mij toe te zien. Ik hoor hun mooie zinnen die de mijne niet zijn. Een boek dat echter ooit mijn huis zou verlaten, is het mijne niet meer. Ik mag er niet aan denken. Want een boek dat hierbinnen goed is, wordt daarbuiten slecht.

    Mijn hoop in bange dagen en mijn vreugde bij Vlaamse regenvlagen is een halve meter ‘Livre de Poche’ en een meter ‘Dwarsliggers’. Betaalbare dingetjes. Handige zakformaatjes. Ik bereik diverse leespieken per jaar: in de trein, op perrons, op banken in wachtkamers, ongezien thuis verschanst. Nee: nooit in bed, de plaats bij uitstek waar zovelen lezen. Ik heb, moet u weten, nekwervelproblemen, wegens te veel lezen. Van horizontale lectuur valt de fysieke arbeid me te zwaar.

    Nee dus: een ‘goed’ boek krijg je niet van mij. Kom eens langs, maar blijf met je fikken uit mijn boekenkasten. Broodjes bij de bakker, boeken bij de boekenboer. Weet je wel. Ik neem toch ook geen vaas uit jouw appartement mee? Nog dit, tot slot: vaak ben ik zelf een open boek, maar op de verkeerde bladzijde opengeslagen. Als je lang genoeg bladert, vind je wel wat. Het recept voor een koekje van eigen deeg bijvoorbeeld.


    30-10-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.303: www.zot.com.bébé

    WWW.ZOT.COM.BÉBÉ

    De tweeling Doralinda en Anneliselotte ontsproot aan Jasdorina, hun vrouwelijke verwekker die later in haar leven via een ombouwpakket zonder de optie ‘penis’ als Jason aangesproken wenste te worden. De mannelijke medeverwekker, wiens naam zo lelijk klonk dat wij die hier niet durven uit te spreken, dronk zich op de dag van de teraardebestelling van de tweeling zoveel moed in dat hij van de rooksectie op het dakterras van de kliniek op de visgraatparking te pletter kukelde, want daar bevond zich de cafetaria waar de teelballentorsers angstig hun nageslacht verbeidden, rokend en drinkend. Doralinda en Anneliselotte kregen aldus eerst met een begrafenis te maken, nog voor er pogingen werden ondernomen om ze te dopen en in het leger van God in te lijven. De katholieke priester Perikles Pardonne, op een of andere ingewikkelde manier verwant aan Jasdorina, stuurde sterk op zo’n doopgedoe aan, maar de ovenwarme mama had in één klap alle geloof in eender welke goden of afgoden verloren. Er was namelijk door een verstrooide dokter een drieling voorspeld, terwijl er maar twee uitfloepten, zodat de arbeidssatisfactie kleiner was, want dat had evenveel pijn gedaan als bij een meerling, en het was evenmin de bedoeling geweest dat de vader die dag zou sterven. De kranten en de tv hadden bovendien geen belangstelling voor een tweeling. Wel voor een drieling. Of meer. De gratis luiers en babyvoeding van bekende warenhuisketens bleven dus ook al uit. Perikles Pardonne regisseerde de begrafenis van de dode vader met beknopt geprevel en gepredik, want hij voelde zich in zijn kruis getast. Daarna praatte hij nog urenlang op Jasdorina in, terwijl de beide bloedjes tegen elkaar op te krijsen lagen. Ze gaf niet toe en gooide de zwartrok eruit. Terstond hielden Doralinda en Annelieselotte hun keeltjes en stembandjes in bedwang. Twintig jaar later was hun moeder een man. Weliswaar zonder komma tussen zijn benen. Jason werd verkoper voor een bedrijf dat geribbeld glas fabriceerde. Dat ging zo goed dat hij met de CEO geregeld casino’s bezocht. Tevens bekwaamde hij zich met andere dure heren op de golfgreen. Perikles Pardonne gooide omstreeks die tijd zijn kap over de haag, trouwde met een ex-non die jarenlang gymnastieklessen aan een huishoudschool had gegeven en werd vertegenwoordiger voor een doopkaarsengieterij. Doralinda en Anneliselotte richtten de firma DORAN op en werden respectievelijk dobbelsteneninspectrice en golfballenduikster in Andorra. Op hun website www.zot.com.bébé combineren ze striptekeningen en teksten om hun leven in hapklare brokken aan de vele kijkers en lezers te voeren. O nee, we mogen nooit de hoop opgeven in dit leven.


    02-10-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.302: Echte fictie

    ECHTE FICTIE

    Lang voor Noach zijn ark in elkaar timmerde (de derde poging was raak, tot tweemaal toe verloor het in opbouw zijnde gevaarte met veel oudtestamentisch gekreun het bewustzijn) vloog een slankpootvliegje behorende tot de onderfamilie van de Sciapodinae tegen de stam van een den aan en kukelde verdwaasd op de grond, waar het na een vijftal minuten van vicieuze omzwervingen per toeval onder de voetzool van een voorbij rennende holbewoner op de vlucht voor een dierlijke vijand werd geplet. Het diertje kon zich door een uiterste maar helaas allerlaatste krachtinspanning nog even naar de stam van de dodelijke den slepen en zich daar aan vastklampen voor het de geest gaf. Eeuwen later prijkte dat slankpootvliegje roerloos in de gestolde transparante hyacintrode amberdruppel in de linkerpinkring van meneer Vellemans, vlak naast de ringvinger waar vooralsnog geen trouwring te zien was.


    Meneer Vellemans – de tijdelijke vervanger van meneer Depuydt, die op een zondags toeristisch uitstapje met de heemkundige kring door de vliering van een oude molen was gezakt, met zijn onderrug op een lavabo was gevallen en nu al wekenlang in de kliniek gekalefaterd en gerevalideerd werd – had zijn klas de opdracht gegeven om een creatief verhaal te schrijven. Hij had zelf even een gedurfd voorbeeld geformuleerd: van een schrijver (wiens naam hem was ontsnapt) die verhaalde hoe een fietser met een blok ijs door de hete woestijn fietste. Ze kregen er zelfs tijdens de lesuren van het vak geheten Nederlands schrijftijd voor, kauwend op potloden en balpennen, de hoofden gestut in de handpalmen, onderuit gezakt in de banken, door de hoge kantelramen naar onbereikbare vertes starend.


    Aldus geschiedde.


    Arend Knop deed alsof hij wezenloos voor zich uit zat te kijken, op zoek naar ideeën in het mijnenveld van spelling en grammatica, terwijl hij eigenlijk meneer Vellemans en diens Karl Marx-baard aan het bestuderen was. De man zat lekker ontspannen aan zijn bureau links vooraan, op gelijke hoogte van twee rechthoekige raampjes met geribbeld glas die op een schoolplein uitgaven en waardoorheen je alleen schimmige figuren kon zien passeren. Hij streek ononderbroken met zijn linkerhand over zijn kingewas. Toen viel Arends blik op die ring, want één tel lang blikkerde die onverwacht op door een speling van het zonlicht doorheen die ribbelramen. Het was een doodgewone trouwring, aan een doodgewone ringvinger. Zoals het hoorde. Arend zou er iets anders van maken. Zijn ogen lichtten op, hij plukte de balpen van tussen zijn tanden en ging aan het werk. Morgen was het woensdag. In de namiddag zou hij naar de stadsbibliotheek gaan om de encyclopedieën en de naslagwerken te raadplegen.


    Meneer Vellemans geloofde niet dat Arend Knop dit zelf had bedacht. Hij durfde de term ‘plagiaat’ echter niet uitspreken. Hij twijfelde. Hyacintrood? Amberdruppel? Er kwamen woordenboeken bij te pas, en informatie bij de collega’s Biologie en Kunstgeschiedenis.


    ‘Maar het moest toch creatief en gedurfd zijn, meneer?’
    ‘Ja ja… ‘
    ‘Een blok ijs in een fietstas is veel… ‘
    ‘Ja, ik weet het, Arend, maar… Komt dit uit jezelf?’
    Vellemans tikte met zijn trouwringhand tegen de zijkant van zijn hoofd.
    ‘U hebt ons zelf op een dwaalspoor gebracht… in de woestijn.’
    ‘Maar dat was bij wijze van voorbeeld.’
    ‘Bij mij is het bij wijze van echte fantasie die gedocumenteerd is.’
    ‘Hoe kwam je er op om… ‘
    ‘… om uw linkerpink te gebruiken?’
    ‘Eh… nee… ja… dat beestje… amber… eh… waar haal je het? Ken je iets van halfedelstenen? Fossielen? Is dat een hobby misschien?’
    Arend Knop negeerde de vragen en hield zijn bronnen geheim.
    ‘Hoeveel gaat u me geven op de twintig?’
    ‘Er staan maar tien punten op.’
    ‘Tien?’
    ‘Dat valt nog te bezien.’
    ‘Ik verdien tien.’
    ‘Kijk: je rijmt ook al.’


    Arend Knop kreeg zijn tien.
    De enige fictie betrof de trouwring van meneer Vellemans.
    Hij was niet eens getrouwd.


    08-09-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.301: Mundial

    MUNDIAL

    Bij elk beeld herinnerde Braem zich die zomer weer. De schilderachtige Argentijnen uit 1982 tegen die splijtende Italianen uit 1982. Kijk: er was geen Argentijn te bekennen aan de tweede paal. Een onverwacht effectrijke bal zette iedereen voor schut. Uiteindelijk werd hij door de azuurblauwe verdediging opgehaald en weer voorwaarts gestuwd. Wat een kwieke kereltjes! Tijdens de pauze gaven twee ex-voetbalgoden op televisie enig commentaar op het geboden schouwspel. (Met een veel te ernstige term noemden tv-lui dat ‘analyse’). ‘De tijdstippen,’ zei de ene, ‘de tijdstippen waarop gespeeld wordt, wel: die tijdstippen hebben een niet te onderschatten invloed op het spelverloop. Wedstrijden om 17 uur zijn gewoonlijk van een lager gehalte dan die om 21 uur in de avond, omdat voortdurend gebruik wordt gemaakt van synthetische regenballen. Welnu: is het veld om 17 uur nog kurkdroog, zodat de bal vaak hapert en niet meewil, als het ware, dan is de groene mat om 21 uur al onderhevig aan een vliesdun laagje dauw, zodat veel creatiever kan worden gevoetbald.’ De andere ex-voetbalgod knikte beamend. Waarschijnlijk was hij stiekem jaloers, omdat hij dat niet gezegd had.


    Ex-trainer Braem echter vond dit allesbehalve een doorslaggevend argument om de beschamende kwaliteit van de middagmatchen te vergoelijken. Hij legde de video-opname stil. ‘Zo, heren,’ sprak hij tot de verzamelde Bond der Ontslagen Trainers, die dit keer einde herfst in zijn huis een bijeenkomst hielden. ‘Zo: u heeft nu allen het gesprek gehoord tussen die twee autoriteiten. Wat denkt u?’ Opgewonden geroezemoes brak los. Buiten regende het weer heel gemeen, op z’n Belgisch. In de hoogste afdeling van de landelijke competitie was de periodestand al bekend. Geen der acht hier verzamelde trainers had begin augustus kunnen vermoeden dat het zo’n vaart zou lopen: weer acht zwarte schapen die aan de dijk waren gezet, wegens gebrek aan ploegresultaten. En waarom? Door wie? Was het hun schuld? De regen kreeg de schuld. De BOT, Bond der Ontslagen Trainers, was van mening dat in een dergelijk regenklimaat nooit ofte nimmer ernstig gevoetbald zou kunnen worden. Vliesdunne dauw speelde zelfs de internationalen al parten. Bewijs op de video! Op kurkdroge velden werd gehaperd! Regenballen! Het klimaat kreeg de schuld.


    Bij regenweer zou dus niet meer gevoetbald mogen worden, vond de BOT. Ook niet bij droog weer. Verwezen werd naar de Mundial van 1982, waar… Ach, niemand van de acht ex-trainers raakte er nog wijs uit. Hoe zat dat nu eigenlijk met die dauw en die kurkdroge velden? ‘Er was toch sprake van creatiever voetbal?’ riep Smeets. ‘Ik snap er geen ballen meer van,’ zei Kowalski, een kersvers ontslagen trainer. ‘Je kunt toch niet voor dag en dauw gaan voetballen,’ vond Depuydt. ‘We dienen een motie van wantrouwen in tegen het klimaat,’ stelde Verwee voor. ‘Niemand luistert naar ontslagen trainers!’ ‘En de andere trainers dan?’ Toen merkte de stille Verbanck op dat er een heel nieuw type bal op de markt was, sedert verleden week. Ze spitsten allen hun oren. Op de radio meldde een sportreporter net dat vandaag trainer Malevitch ontslagen was. Dat was nummer negen. En het bleef maar onverdroten en genadeloos haaientanden regenen in dit ondankbare apenland.


    12-08-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.300: De Felle

    DE FELLE


    Het volgende verhaal werd me anno 1991 in Sparrenstad verteld door Vrouwtje Miserie.


    Felle Verhelle was kokkin bij meneer Dierendonck. Kokkin, maar ook koket. Ze was best tevreden met haar verschijning. Ze droeg aan elke hand twee ringen, liep graag op rode hakken en droeg in de keuken onder haar werkschort dure jurken die ze uit de stad liet komen. De leuke meid hield ook best wel van een avondje uit. Ze proefde heel graag van het lekkers dat ze bereidde, want ze was een prima kokkin. Dat lekkers betrof zowel het vaste voedsel als de wijn uit de kelder van meneer Dierendonck. Op een dag liet hij haar weten dat er een gast op bezoek zou komen. Een lekkerbek. ‘Slacht twee konijnen,’ beval hij haar. ‘En bereid die zoals je het gewoonlijk doet. Mijn gast zal van zijn sokken geblazen worden.’ Felle Verhelle knikte verheugd. Weer een feestdis waar ze van kon proeven. Ze ging aan de slag. Maar eerst nam ze in de wijnkelder een flinke slok. Tegen valavond waren de konijnen klaar. Het rook heerlijk. Felle Verhelle kon het niet laten en plukte een mals stuk van het ene konijn. Die smakelijke hap spoelde ze door met een slok wijn. Het was zo lekker dat dit zich herhaalde keren voordeed. Wie maalde nou om een klein stukje? Een petieterig slokje? De gast kwam maar niet opdagen. ‘Ik ga kijken waar hij blijft,’ zei meneer Dierendonck. ‘Dat is goed,’ knikte Felle Verhelle. Nauwelijks was hij weg of ze bediende zich nogmaals van de wijn en het konijn. Weldra was van het eerste konijn alleen nog maar een karkas over. Ook in de fles was het peil gedaald. Na de zoveelste kelderslok begon ze aan het tweede konijn. Ook dat verorberde ze helemaal, begeleid door heerlijke rode wijn uit een tweede fles. Ze kon niet aan de verleiding weerstaan. Toen meneer thuiskwam en haar liet weten dat zijn gast er eindelijk aan zou komen, troonde ze hem mee naar de mooi gedekte tafel. Tevreden pakte hij een mes en begon dat te slijpen. Ondertussen klopte de gast aan. Felle Verhelle ging opendoen. ‘Meneer! U weet niet wat u te wachten staat!’ fluisterde ze ernstig. ‘Hoort u dat? Meneer Dierendonck wil uw oren afsnijden. Hij is zijn mes al aan het wetten!’ De gast moest niet eens zijn oren spitsen om te horen dat het waar was. Als een haas ging hij er weer vandoor. Gillend rende Felle Verhelle nu naar de eetkamer: ‘Meneer! O ramp! Hij heeft de konijnen gestolen!’. Meneer Dierendonck haastte zich naar de deur en riep de gast ontgoocheld na: ‘Eén! Had je er dan toch ten minste één voor mij gelaten! Eén maar! Eén maar!’ Ontzet greep de vluchtende man naar zijn beide oren en spurtte weg alsof de duivel hem op de hielen zat.


    Vrouwtje Miserie uit Sparrenstad: het was me er eentje!


    25-07-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.299: Westlof

    WESTLOF

    De dichter Luuk Gruwez heb ik goed gekend. In Kortrijk aten we soms samen ‘macrobiotisch’; in Leuven zaten we niet ver van elkaar op kot. Dicht bij de gevangenis langs de Vest, met name. Ooit vatten we het plan op om de schedel van een oude Vlaamse schrijver op te graven. We gingen niet tot actie over, ook al stond op een avond een derde handlanger met de benodigde werktuigen klaar. In plaats daarvan bekokstoofden we spaghetti, het typische studentenvoer, op Luuks kot, waar twee vogeltjes met een Franse naam vrij rondfladderden. Later verhuisde Luuk naar Hasselt. Hij komt uit het West-Vlaamse Deerlijk. Hij schreef lang geleden een gedicht over Kortrijk. Daarin is hij niet mals voor de stad en haar inwoners. Hij heeft het zelfs over bommen die weer moeten vallen. Alain Delmotte, een dichter die lange tijd in Kortrijk woonde, pareerde met een gedicht over Hasselt en Limburg. Het is evenmin fraai wat hij daarin schrijft. De beide gedichten werden ooit in een syllabus Nederlands gebruikt in verband met agressief taalgebruik. Het is opvallend hoe de stede Kortrijk soms wrevel opwekt bij schrijvers. Er is iets mee. Bijna iedereen die de pen hanteert en iets met Kortrijk had of heeft, moet van een ei af. Gezelle bijvoorbeeld was er niet zo happy. Conscience ging er weg. Luc Boudens spotte ermee. En er zijn er nog. Kuddes West-Vlamingen die naar de wereldsteden Gent, Brussel, Antwerpen, Hasselt en Geel verhuizen, zweren hun provincie af en imiteren een hebdegij-Nederlands. Het is alsof Vlaanderen stopt in Gent. Daarachter ligt een zwart gat. Het grote niets. De badlands waar de Rode Duivels lik op stuk kregen van de Welshmen.

    Ikzelf heb met Kortrijk niet het minste probleem meer. Je moet toch ergens wonen. Ik hok aan de rand ervan. Mijn gemeente Heule noemen ze een deelgemeente. Het wordt stilaan een voorstad. Ik vind Kortrijk ook een interessante stad om uit te vertrekken: naar Gent, naar Rijsel, naar Brussel, naar de Westhoek, naar zee, naar Hongarije. Er is volop gas, water en elektriciteit. Ik heb me laten vertellen dat er ook betalende parkeermogelijkheid is. Tevens heerst er een groot tekort aan werkloosheid. Nou moe, wat wil je nog meer? Wat zoeken al die verbitterde schrijvers dan? In hun kleine stadsoptrekjes in Antwerpen? In hun gerestaureerde kortwoninkjes in Limburg? Op hun vochtige verdiepinkjes in Gent? Misschien lopen er in Kortrijk te weinig Bekende Vlamingen rond. Het is er wat moeilijker om in beeld te komen. Je wordt er vlugger overgeslagen en vergeten, want je woont te ver. Te ver van waar het brandt: in de juiste cafés in Antwerpen en Brussel. Waar ze mekaar voor de voeten lopen. Waar ze in file staan om elkaar op de beeldbuis te brengen, elkaar in hun bladen te promoten, elkaar op de schouder te kloppen, elkaar de hemel in te prijzen. Maar ach, Kortrijk leert wel bij. Ik denk dat ik er nog even blijf. Hoewel Ieper ook gas heeft. En Oostende water. En Brugge elektriciteit. En Mannekensvere ruime parkeermogelijkheden. We komen nog wel eens af.


    20-06-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.298: Lam Gods

    LAM GODS

    Tegen de wand van de afdeling Dames in het warenhuis Van Eyck staat een spiegel die de vorm heeft van een drieluik. Elk luik is een grote spits toelopende vingernagel. Dat is een prima vondst. Het Lam Gods van de Koopkrachtige Vrouwen! De spiegel wordt gebruikt om met vlugge oogopslag – met enig nagelnieuw textiel tegen het lijf gedrukt – lengte en breedte en kleuren te beoordelen van het aan te schaffen ding. Daarna gaan de dames eventueel echt passen, in de hokjes even verderop. ‘Echt pienter, echt fijn, dat van die vingernagels,’ denkt de man. Op zijn linkerhart zit zijn portefeuille al gereed. Want tien meter verder bevindt zich zijn vrouw in de kuise pashokjes. ‘Gelief altijd drie stukken mede naar binnen te nemen,’ staat daarboven. Dat is ook pienter bekeken. De economie heeft het moeilijk, de kleine man, nou: vrouw, is weer het slachtoffer. De verleiding is dus groot om, naar het voorbeeld van enkele politici, te stelen. Vooral in zo’n groot warenhuis. Gelief dus altijd drie stukken mede naar binnen te nemen. Op zaterdag zie je verveelde manspersonen in die omgeving vierkant in het rond draaien. Tussen al die vrouwenkleren voelen ze zich ongemakkelijk. Voor het aanschijn van popperige verkoopsters en slenterende voorbijgangers staan ze ietwat voor aap. Wachtend op een nieuwe echtgenote. Ik bedoel: een echtgenote in nieuw textiel gehuld. Het is bij Van Eyck namelijk niet de gewoonte dat ze hun wettelijk wijfje in het pashokje vergezellen. Mannen wachten buiten op hun baasje.


    Minutenlang lang al staat de man met één elleboog op de stang geleund waar een batterij zomerjurken aan hangt. Je kunt niet eeuwig rond blijven lummelen zonder op te vallen. Uiteindelijk moet je gewoon open kaart spelen en tonen dat je daar op vrouwlief staat te wachten. Plotseling krijgt hij ze in het vizier: de dominante moeder en de onbeholpen dochter. Die komen zo van het land; dat zie je van hier. Ze staan voor het drieluik van de vingernagels. Hij kan zijn ogen niet geloven: met haastige beschaamde rukken speelt het meisje enkele kleren uit. Eenmaal uitgepeld is ze het voorwerp van nog vele andere verbaasde blikken. De spiegels verdriedubbelen de pret. Wanneer ze zich bijna helemaal in een nieuwe jurk heeft gewrikt, schiet een verkoopster toe. Die begeleidt de twee naar een kuiser pashokje. De man verlaat nu zijn zomerse stang, nog nagniffelend. Dan monstert hij zichzelf in de Heilige Drievingernagels. Daar merkt hij tot zijn ontzetting dat zijn gulp wijd open staat. ‘Godver,’ lipt hij stilletjes. Het meisje achter de toonbank glimlacht hem bemoedigend toe. Ze steekt daarna een bestraffende vinger in de lucht. De man ontfermt zich over zichzelf en neemt weg deze kleine zonde in het grote warenhuis.


    10-06-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.297: Jacky

    JACKY


    Jacky Vanmaele is dood. Een vriend. Sommige vrienden zie je niet zo vaak. De kunst- en muziekscene in het Tieltse frequenteerde ik wel vaker, omwille van diverse redenen. Jacky was een van de hoofdredenen. Een soulmate. Het afgelopen anderhalve decennium zocht ik hem graag onverwacht eens op in ‘zijn’ foyer in het CC in Tielt, waar hij de bar bemande. Bij voorkeur op een valavond, on the road, wanneer het cultuurgretige volkje nog niet op stap was. Jacky aan zijn ronde tafel. Pakje sigaretten. Overvolle asbak. Koffie. Plotseling laptop. ‘Ik kan nu alle muziek hier binnentrekken!’ Zijn vreugde hieromtrent was groot. Jacky: Tielt, Polen (daar had hij iets mee), muziek, kunst, de Harlekijn. Ik trof er naar mijn aanvoelen in die foyer een hartelijke hippie, die in de nadagen van zijn openbaar leven nog altijd voeling hield met wat er leefde en geleefd had. Hij behoorde tot de generatie van de baard- en langharigen. Later, zelfs kaal, bleef hij trouw aan zijn lange haren. Ik ontmoette hem voor het laatst (zo zag het er toen al uit) in de cafetaria van het Tieltse ziekenhuis, met zijn vriendin. Hij zag er grijs en dor uit. Hij gaf een korte rustige analyse van zijn toestand. Een opgewekt tot ziens. Het was duidelijk. Ik had mijn koffie rechtopstaand gedronken, gehaast in verband met andere zaken. Toen ik wegging, wuifde hij nog even van in de verte. Ik wuifde terug. Jacky Vanmaele is dood. Een man van zijn tijd. Een kerel om zoveel van te herinneren.


    01-06-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.296: Hop paardje hop!

    HOP PAARDJE HOP


    Ik zweer het: ik heb een echte operette gezien. En daar moest ik vooraf aan wennen, want voor mij rijmt operette met wasserette en majorette. ’t Witte Paard werd een halve eeuw geleden opgevoerd in Heule. Die opvoering (in de openlucht, zonder versterkende microfoontjes) wordt beschouwd als de start van de bekende Tinekesfeesten in Heule, sedert 1977 deelgemeente van Kortrijk. Die Feesten (altijd meervoud, altijd hoofdletter) begonnen in 1962/63 met ’t Witte Paard: een lichtvoetig tirolerachtig operettestuk. Net daarvoor was het nog in buurgemeente Wevelgem opgevoerd. Nu werd anno 2013 – vijftig jaar later dus – het ding nog es gespeeld. Het Koninklijk Kortrijks Lyrisch Toneel zakte er naar OC De Vonke in Heule voor af. Drie stukken van drie kwartier, twee pauzes en een tribune zonder rugleuningen: je moest er wat voor over hebben. Gezelligheid troef echter, zowel in de zaal als op het podium. Jammer dat ze niet meer humor of persiflage in staken; het stuk overleeft amper zichzelf. Voor één keer echter (echt die ene keer) ergerde ik me niet aan lederhosen, gejodel, pluimhoedjes en een soortement Nederlands met Duitse naamvallen en West-Vlaams gebagger in de mond. Datzelfde gevoel beroerde het gemoed van de ongeveer vierhonderd toeschouwers, allen notoire Tinekesgangers en –gangsters. U moet namelijk weten dat we elk jaar voltallig vijf dagen lang feesten als de beesten, begin september. De Tinekesfeesten zijn allang de oubollige fase ontgroeid. Er is her en der altijd zoveel ‘te doen’ dat men het soms heeft over de ‘mini Gentse Feesten’. Het beperkt zich namelijk niet tot de Heulse bevolking. Of tot een bepaald segment van het compartiment ontspanning. Podiumkunsten, straatanimatie, muziek, sport, verkiezingen en de befaamde Stoten (openbare grappen waarvan het de bedoeling is dat iedereen erin tuint) sluiten er een deugddoend verbond, geflambeerd in veel nationale drank. Heule staat er op de kaart door. En ’t Witte Paard is ook weer eens opgedoken in het collectieve geheugen van de Heulenaar. Een halve eeuw is niet niks. Ik heb er een operette voor uitgezeten. Ik zweer het. Maar ik ben blij dat ik er woon, al zijn er geen bergen en is het een lage streek. En er is een wasserette vlak om het hoekje.


    08-05-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.295: God?

    GOD?

    Een holbewoner slaat een andere de schedel in voor om het even welke reden. Is er dan al een god die daarover oordeelt? Of is die pas uitgevonden in het jaar 1? Hoe zit dat met al diegenen die voor dat zogenaamde begin van de tijdrekening leven? Het antwoord is duidelijk: er kan niet zoiets of zo iemand als een god zijn. Vooral niet als man. Of als vrouw. God kan alleen mens zijn. En mensen onderling bepalen hoe het zit. En die fameuze eeuwigheid kan alleen het nu zijn. Niet een hemel waarmee pastoors de mensen proberen te paaien of een laaiende hel waarmee ze hen afdreigen. Ook al ziet het firmament er aanlokkelijk uit. Maar het is niet het hunne. Alleen astronauten komen er. En dromers. Nee: Hitler brandt niet eeuwig in de hel. Hij bestaat niet meer. Hij heeft bestaan. De mensen hebben hem een aangebrande eeuwigheid bezorgd.


    ‘En waarom is al twee millennia lang de kerk (ik weiger de hoofdletter te schrijven) dan zo bepalend?’ zult u opwerpen. Ha! Geef de wereldbol een tik en u belandt in andere tijdszones en andere religies. Al dan niet met een soort god. Het is dus duidelijk: relativeer. God zit in het detail. De duivel ook. De wereld zelf is de hemel en de hel.


    12-04-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.294: Acoliet

    ACOLIET

    Amper elf mompelde ik al Latijn. Ik had met mijn medemisdienaars onderricht in deze dode taal gekregen van Charles, het ernstige opperhoofd van al de snotneuzen die missen ‘dienden’. Charles was een schriel scharminkel, bijeengehouden door een grijze stofjas, altijd rinkelend van het ‘kleingeld’, want hij deed ook de omhalingen van het stoelgeld in de kerk. Met een vervaarlijke hoornen bril op zijn pief hield hij ons nauwlettend in de gaten. Blijkbaar had ik een nogal serieuze kop, zeg maar rouwkop, want ik werd vooral uitverkoren om begrafenissen te dienen. Zo greep ik naast flink wat zakgeld: de jongens die trouwmissen toegewezen kregen, gingen met de buit lopen. Als natuurlijk Charles niet al ingegrepen had. Hij stak daar namelijk met wisselend succes een stokje voor: alle fooien moesten ingeleverd worden.

    We lachten flink wat af terwijl we zoveel missen dienden. Het was voor mij ook dubbele pret geblazen met al die begrafenissen: ik kreeg makkelijk toestemming om de voormiddaglessen af en toe te spijbelen. Ik hoopte dan ook dat er druk gestorven zou worden in mijn stadje. Ooit vatte ik zelfs het snode plan op om oude mensen de stuipen op het lijf te jagen, zodat ik nog meer de lessen van de veel te strenge meester Spreeuw kon spijbelen. Tijdens het misdienen met z’n tweeën was de slappe lach nooit ver weg. Zo liet ik eens het heilig evangelie van de marmeren trappen donderen voor het aanschijn van honderden verbijsterde kerkgangers. Ik voelde me net Mozes. Op een van mijn zoldermuren thuis hing lange tijd mijn getuigschrift van acoliet, naast dat van skiër. Daartoe moest ik enkele dagen stage lopen in het verre Roeselare, mijlen verwijderd van mijn geboortestadje Torhout. Herinneringen aan dat steentijdperk: vreselijk vroeg uit de veren, klappertandend (en ‘nuchter’) naar de kerk, de grote verkleedkast met de zwart-witte tenues in alle maten, de smaak van wijn, de geur van wierook. Het was eigenlijk ook een goede training om plankenkoorts te bestrijden. Zelden heb ik later nog een groter publiek gehad. Dat geboeid zat te luisteren naar wat wij daar vooraan in het Latijn aan het mompelen waren, meestal met onze ruggen naar het godvruchtige volk toe. Het waren leuke religieuze tijden. Helaas kreeg ik op zo’n begrafenisvoormiddag gloeiende ruzie met opperhoofd Charles. Ik weigerde twee diensten na elkaar te dienen. Superkwaad liep ik naar buiten, de deur van de sacristie hard achter me dichtsmakkend, hoe zwaar en log die ook was. Mijn wijsvinger bleef tussen het onding gekneld zitten. Een helse ervaring, bovenop mijn woede. Het doet nog altijd pijn. Het was een straf van God. Om Hem op Zijn beurt ook te straffen, heb ik nimmer nog een woord Latijn over mijn lippen laten rollen. Hij moest het maar weten.


    15-03-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.293: PP

    PRUISISCHE PERESTROJKA


    Ik vulde een reistas en reed naar de meest zondige stad die ik kon bedenken: Hamburg. Ter hoogte van Brussel sneuvelde een duif onder mijn wielen; haar veren warrelden als een sneeuwbui in mijn achteruitkijkspiegel. Op tien kilometer van de zondige havenmetropool kon ik nog net een egel ontwijken, dacht ik, maar in een flits merkte ik dat hij al doodgereden was. Ik was over lijken gegaan en bereikte eindelijk Hamburg, havenstad en ook deelstaat aan de Elbe, met meer water dan Amsterdam of Venetië.

    Ik legde bij aankomst mijn moede hoofd op mijn stuurwiel, ten prooi aan parkeerwanhoop. Ik had al vijf rondjes gedraaid in een vicieuze verkeerscirkel en hoopte keer op keer dat de verkeerslichten op Pruisisch rood zouden huppen zodat ik wat respijt en rust zou krijgen. Ulanen waren indertijd beter voorbereid dan ik.
    In mijn beste combinatie van Neder- en Hoogduits vroeg ik uiteindelijk via mijn open autoraam hulp aan een Skoda vol met Turken. Ik hield er nekkramp en een straatlegende aan over, waardoor ik via een ontsnappingsroute uit dit spinnenweb toch een parkeergarage ontdekte in de wijk Altona.

    Eindelijk was ik op vrije voeten. Ik struinde door de havenstad, bereid tot umlauterigkeit, gründlichkeit en naamvallen. Alweer spotte ik dubbelgangers van diverse kennissen van mij. Er waren in dit vierde rijk blijkbaar geen verse modellen meer beschikbaar. Zelfs niet in het land van de Lebensborn Vereniging, de dirndls en de lederhosen.

    Hamburg… Waarom was ik hier? Van donderdag tot dinsdag? De reden voor mijn trip was negatief: ik ontvluchtte met voorbedachten rade de nationale zondagsverkiezingen in mijn vaderland. Helaas zouden de rechtse nationalisten die met verve winnen. Mijn buitenlandse ‘zakenreis’ vrijwaarde me ervan de Vlaamse leeuw in de schorre keel te moeten kijken. Stemmen hoefde niet, want ik was gewapend met bewijsmateriaal in verband met mijn alibi: ik diende ergens anders te zijn. Hier, in Pakhuisstad.

    Dwalend door welstellend, vrijzinnig, liberaal Hamburg belandde ik in het vermaarde Specerijenmuseum. Die ervaring kende wat mij betreft zijn gelijke met enkele bewustzijnsverruimende fuiven die ik in de dwaze jaren zeventig van de vorige eeuw had meegemaakt. Mijn zintuigen lagen namelijk aangenaam overhoop toen ik weer buiten stond.
    Ik inhaleerde de koopmanslucht diep en vervolgde mijn tocht in een land dat ooit mijn eigen land had bezet. En dat middels Saksen-Coburg-Gotha nog altijd deed. Dat verdiende een Gorbatsjov-wodka. Dus dook ik de Thomas Read in, een drankzekere pubhaven waar ook ter wereld. Na anderhalf uur al stond ik er bekend als de kerel aus Belgien die zijn papiergeld in vieren vouwde en dit gründlich in de compartimentjes van zijn portefeuille schoof. Mijn moerstaal grensde ondertussen zowel aan het Neder– als aan het Hoogduits. Vouwen deed ik al minder en minder. Plooien zou ik weldra doen, maar vooralsnog maakte de G-wodka van mij een wereldleider die met vele Hoofdletters sprak. Ich war ein Berliner und Ich war ein Hamburger. Ik was een Berlijnse bol en ik was een hamburger. Hamburg had me gered van Belgische kiespijn.


    18-02-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.292: Netwerk

    NETWERK

    Zeilend over de internetgolven onder de vlag van ‘toneel’ of ‘theater’ stootte ik op duizenden mensen, honderden groepen van die mensen en personages. Waar twee of meer mensen samen zijn, daar is het toneelspel in hun midden. Om over de vele monologen dan nog te zwijgen, de bij uitstek literaire einzelgänger onder de theaterteksten. De mens wil spelen. De mens wil toekijken. De mens wil spelenderwijs bekeken worden. Hij huurt er zalen voor en ontwerpt er kleren voor. Hij zet er een groep voor in beweging. Een heel netwerk gaat aan het trillen wanneer de spin een vlieg binnen heeft gehaald, met name wanneer de selectievrouw of –heer een stuk heeft gekozen. Op mijn internetzeiltochten in Vlaanderen en Nederland deze zomer (ik lag als een gevelde kapitein met een kapot houten been thuis) ontdekte ik de fraaiste namen voor theatergezelschappen. Ik vermeld er hier geen enkele, want als ik er één vernoem, laat ik er duizend andere vallen. Maar er zitten voorwaar ronkende pareltjes tussen. Je zou uit pure vreugd en deugd alleen al naar al die consten van al die ghesellen gaan zien. Er wappert een lekkere portie poëzie op sommige banieren. Verder zeilend ontdekte ik ook dat de namen van toneelauteurs minder bekend zijn dan de namen van romanciers en dichters. Ze lijken meer te verdwijnen achter het rumoer van hun werk. Ze worden overstemd door hun personages en door het groepsgebeuren rond hun tekst. Misschien wordt voor een stuk hun tekst zelfs een beetje aangepast en herkneed (… de meest gevreesde rol is die van deegrol ...) Ik heb het hier natuurlijk niet over ronkende namen als E. Albee, D. Potter of T. Williams. Ik mag toch hopen dat die ronken. Over het oneindige water van het theater surfend passeerde ik ook de eilanden van de poppen, de maskers, de figuren, de schimmen, de lyrische vogels en de musicals. Als een walking shadow stapte ik ten slotte terug in de werkelijkheid, mijn wereldwijde scherm weer dichtritsend als een gesloten doek.


    20-01-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.291: Leffaards

    LEFFAARDS & BAD PRITT

    We zitten in de rookgedoogzone van café De Woede der Noormannen. We drinken Leffe. We zijn leffaards. Het is een man met oud haar op zijn hoofd.
    ‘Liefde,’ zegt hij, ‘liefde is een kleverig gedoe’.
    Ik kan niet nee schudden en knik dus ietwat langs hem heen in de richting van een foeilelijke gatenplant. Zijn haar verraadt vele liefdesavonturen of helemaal geen. Serieliefhebber of kluizenaar. Misschien zelfs vader van 2,8 kleverige kinderen die hem ietwat hinderen.
    ‘Vrouwen willen zekerheid,’ zeg ik totaal overbodig, wat een mooie spreekwolk, maar met een rouwrandje om. ‘Ze zijn verkleefd aan die ene, liefst bestendige donor die ze kiezen uit velen.’
    Hij knikt en kijkt naar niets naast mij.
    ‘Doe jij iets met je haar misschien?’ vraagt de ouwe lefgozer.
    ‘Nee,’ zeg ik. ‘Ik heb er de tijd niet voor, vooral ’s ochtends niet, en de tijd staat niet stil, nietwaar.’
    ‘Hm,’ kucht hij.
    Hij inhaleert de rook van zijn sigaret tot in de toppen van zijn tenen. Ik wacht benieuwd tot die rook ergens weer uitkomt, maar nee hoor: meneer houdt alles voor zichzelf. Er komt zelfs geen wolkje uit zijn achterwerk of zijn linkeroor.
    ‘Vrouwen plakken aan je,’ zegt hij dan, iets concreter dan daarstraks, of juist nog veel abstracter. ‘Voor je het beseft, ben je geringd als een duif, opgespeld als een dode vlinder en vastgelijmd in een familiealbum. En ze gebruiken alleen Bad Pritt als glijmiddel, hi hi.’
    ‘Tja,’ doe ik.
    Ik kijk naar een kunstwerk aan de muur. Een vrouw, natuurlijk. Nou: de vrouw is mooi, maar het werk is kunst, dus lelijk.
    ‘Zo,’ zegt de leffaard met het oude haar op zijn hoofd dan. ‘Een levensverzekering heb je dus waarschijnlijk al.’
    ‘Ja, al jaren.’
    ‘En kan ik je echt geen beter voorstel doen?’
    ‘Nee, mijn leven is goed verzekerd. Voor wat het waard is, althans: morgen kan ik over een kikker struikelen en doodvallen.’
    ‘Het is anders tegen morgen al in orde: geen gedoe met papieren en zo. We werken honderd procent klantvriendelijk voor de categorie pre-senioren zoals u. Op uw leeftijd… ‘
    ‘Nee,’ schud ik beslist. ‘De enige verzekering die ik nog overweeg, is een verzekering tegen verzekeringen.’
    ‘Daar heb je dan zeer straffe colle-tout voor nodig,’ zegt de man, en hij verdwijnt uit café De Woede der Noormannen en uit mijn leven, zonder verzekering.
    Bad pritt, die kleverige lefgozers!
    Prittpraat!


    12-12-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.290: Het varkensei

    HET VARKENSEI

    ‘En nog een prettige verderzetting van de dag,’ zei de pakjesbezorger.
    Sandie nam de doos in ontvangst en keek de man onderzoekend aan. Ze verdacht hem ervan de orders tot vriendelijkheid en beleefdheid in het kader van het charmeoffensief van de Nationale Posterijen (voorheen: Pesterijen, omwille van de vele stakingen en gebrekkige bedelingen) tot in het absurde toe te passen. Ofwel had de man calvinistische Hollanders in zijn familie.

    ‘U ook, Hoogheid,’ mompelde Sandie dan, op goed geluk, maar de kerel was alweer op weg naar zijn bestelwagen.
    Het was een grote kartonnen doos die weinig woog, met lastige linten plakband eromheen. Er kwam een schilmesje aan te pas. Eindelijk waren de ingewanden zichtbaar: drie grote bruine proppen stug pakpapier camoufleerden en pamperden een varkensei.
    ‘Eindelijk,’ zei Sandie tegen zichzelf. ‘Eindelijk.’
    Ze plukte het varkensei van tussen de proppen en deponeerde het voorzichtig op tafel.
    ‘Ma!’ riep ze. ‘Ma! Het varkensei is gearriveerd!’
    Er klonk wat gestommel boven; even later daalde ma de trap af.
    ‘Is het varkensei er echt?’
    ‘Het is er, ma, eindelijk! Kijk maar.’
    ‘O!’
    Ma aaide het varkensei even.
    ‘Neem het maar vast.’
    ‘Zou ik?’
    ‘Doe maar. Het lukt je wel.’
    ‘Ik durf niet goed.’
    ‘Ik blijf naast je staan. En het weegt bijna niks.’
    ‘Vooruit dan maar.’
    Voorzichtig strekte ma haar handen naar het varkensei uit. Net toen ze het twintig centimeter opgetild had, rinkelde de deurbel hard en lang.
    Pats.
    ‘Nee!!’
    ‘Maar ma toch!!’
    ‘Oei oei oei… !!’
    ‘Wacht. Ik kijk eerst wie… ‘
    Sandie snelde naar de deur. Het was de pakjesbezorger weer.
    ‘Verschoning, maar ik vergat uw handtekening te vragen, mevrouw.’
    ‘Hebt u met de doos geschud, meneer?’ vroeg ze scherp.
    ‘Eh?’
    ‘Komt u even mee naar binnen a.u.b.’
    ‘Maar… ‘
    ‘Kom!’




                                                  COPYRIGHT JORIS DENOO
    ZIELSVERWANTE LINKS
  • Een blauwe plek
  • Moord !
  • Meester in de Vakken
  • De ongecomponeerde noot
  • Poëzie
  • Romaneske boeken
  • Satisfiction
  • Romans & Theater
  • Vreeslijke verhalen
  • Miljarden flarden

    Blog als favoriet !

    Foto

    Foto

    Sjors DNO eind vorige eeuw in een sneeuwstorm in Chicago


    Mail

    Druk op de knop


    Archief per jaar
  • 2017
  • 2016
  • 2015
  • 2014
  • 2013
  • 2012
  • 2011
  • 2010
  • 2009
  • 2008
  • 2007
  • 2006
  • 2005

    Foto

    Foto

    Foto

                       IK ALS UK
    Foto

    Me reading HARDZIEK, romandebuut Sarah Denoo

    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!