NIEUW: Blog reclamevrij maken?
SCHUINE TEKSTEN
Inhoud blog
  • UPPERDOG
  • 334: De Bom
  • 333: Poldercrimi
  • 332: KLein Thailand
  • 331: Opdoffers
  • 330: Wind
  • 329: Hongerije
  • 328: Café
  • 327: Alle regen
  • 326: Hondenleven
  • 325: H... H... H...
  • 324: Roeping
  • 323: Houten koppen
  • 322: Mooilijk
  • 321: Perte totale
  • 320: Goede man
  • 319: Enig kind
  • 318: Fibo
  • 317: Dialoog
  • 316: Etaoin shrdlu
  • 315: Roland
  • 314: Bermkip
  • 313: Men
  • 312: Bruder Lustig
  • 311: Signeergesprek
  • 310: Rook
  • 309: Ode aan mijn bh
  • 308: Alfa
  • 307: Vijgen voor Pasen
  • 306: Wereldsmart
  • 305: Jonge ouderen
  • 304: De Boekenkrijg
  • 303: www.zot.com.bébé
  • 302: Echte fictie
  • 301: Mundial
  • 300: De Felle
  • 299: Westlof
  • 298: Lam Gods
  • 297: Jacky
  • 296: Hop paardje hop!
  • 295: God?
  • 294: Acoliet
  • 293: PP
  • 292: Netwerk
  • 291: Leffaards
  • 290: Het varkensei
  • 289: Geheim
  • 288: Geknipt
  • 287: Geloof
  • 286: Stommeling
  • 285: Een aardig ding
  • 265: VRESELIJK
  • 284: Kloon
  • 283: Allojjo
  • 282: Schaakstuk
  • 281: Communicatie
  • 280: Figuur
  • 279: Hairbag
  • 278: Lijstjes
  • 277: Jos, Joste, Gejost
  • 276: Melk?
  • 274: Frinch fraais
  • 273: Mager Heineken
  • 272: Appartemens
  • 271: Gestopt
  • 270: Ik zou u schrijven
  • 269: Koksmonoloog
  • 268: Een photo
  • 267: Getetter & Getoeter
  • 266: Water
  • 264: Beu
  • 263: Acteur
  • 262: Vederlands
  • 261: Etters & Engelen
  • 260: Men spele...
  • 259: Kwaak
  • 258: Geschoold
  • 257: A la recherche
  • 256: WJZBJZ
  • 255: Eindelijk
  • 254: 'Het' gezin
  • 253: Repetitieruis
  • 252: Kiespijn
  • 251: Reis Hiernamaals
  • 249: Gezondheid
  • 248: Speeltijden
  • 247: Rood licht
  • 246: Ruis
  • 245: Weg
  • 244: Mom
  • 243: HET JAAR ELF
  • 242: Kloon
  • 241: In de put
  • 240: Huid & Haar
  • 239: Zomer 11
  • 238: Duimen maar
  • 237: Poirot
  • 236: Smoke
  • 235: Collateral
  • 234: Nachtraven
  • 233: Undercover
  • 232: Frietpeace
  • 231: Kopie-Kopie
  • 230: Gezeid is gezeid
  • 229: Vreemde man
  • 228: Een stuk
  • 227: België
  • 226: Mijn meesters
  • DRAMA
  • 225: GVD
  • 224: Veldinterview
  • 223: Sprook
  • 222: Zappa
  • 221: Een bod op God
  • 220: Curryculum Vitae
  • 219: Tovenaar
  • 218: Perspest
  • 217: Animatietype
  • 216: Ruim
  • 215: De erwt
  • 214: Podiumbeest
  • 213: Mobiliteit
  • 212: Twee tijgereieren
  • 211: De kus
  • 210: Wolf
  • 209: Een reus
  • 208: Opsporingsbericht
  • 207: K met zuurpruim
  • 206: Volksverlakkerij
  • 205: Doppedrop
  • 204: Kap
  • 203: Affiche
  • 202: Regen
  • 201: Stuk
  • 200: Hair
  • 199: Wie A zegt
  • 198: Bijsluiter
  • 197: TV
  • 196: Arno
  • 195: Letters & Letteren
  • 194: Taalkunde
  • 193: Onder de zon
  • 192: Besparen
  • 191: De goede man
  • 190: Van die dagen
  • 189: Zwarte zwaan
  • 188: Questionnaire
  • 187: Say cheese
  • 186: Loteling
  • 185: Een zwaluw
  • 184: Grijs
  • 183: Claus
  • 182: Liefhebber
  • 181: Monumenten
  • 180: Erger
  • 179: Landbouw
  • 178: Bijna
  • 177: Onafhankelijkheid
  • 176: Zo fout als wat
  • 175: Wei-gevoel
  • 174: Merk
  • 173: Mens
  • 172: Pikant
  • 171: 50 vragen
  • 170: Jinx
  • 169: Wiskunst
  • 167: Met alle Chinezen
  • 166: Mooiste woorden
  • 165: Rijm
  • 164: Internetman
  • 163: EVBO
  • 162: Hondenleven
  • 161: Carrière
  • 160: Coureur local
  • 159: Kip ik heb je
  • 158: Politiek programma
  • 157: Design
  • 156: Kreeft
  • 155: Nicotine
  • 154: Gastronomen
  • 153: Verleiden
  • 152: Opinie
  • 151: 1e hulp in gevallen
  • 150: Verzamelwoedend
  • 149: Fakir
  • 148: Cliché
  • 147: Iets anders
  • 146: Uit de kunst
  • 145: Appartemensen
  • 144: Wereldwoeden
  • 143: Ongerijmd
  • 142: Dagboek van 1 dief
  • 141: Vioolkist
  • 140: Ouden van dagen
  • 139: Automatische piloot
  • 138: Leugendetector
  • 137: Hotel Milan
  • 136: De Diepe Gedachte
  • 135: De weg vragen
  • 134: Mag ik overvaren?
    Zoeken in blog

    Foto
    Aan de sneeuwzee in Vlaanderen, februari 2012
    Foto

    Jowan & Joris in Stotendorp Heule

    Foto

            Red shoes Wilma

    Foto

    Younger me, already salt 'n pepper

    DEZE KANT BOVEN (Sjors DNO)
    SCHUINE TEKSTEN
    11-05-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.330: Wind

    WIND


    Ik zou met plezier betalen voor wind. Gesteld dat ik niet krap bij kas zat. Ik heb graag dat het stevig waait. Gras dat tegendraads wordt gekamd. Bomen die buigen. Schuimende kruinen. Sommige mensen aan wie ik dat beken, zouden me dan maar al te graag een fikse dreun voor mijn raap verkopen. Zij hebben natuurlijk liever ‘mooi weer’. Mijn mooi weer, dat is wind. Het moet waaien.

    Lang geleden las ik in een Nederlands jeugdmagazine een spannend vervolgverhaal. Het ging over een ouwe man die het perpetuum mobile probeerde uit te vinden, de machine die de eeuwigdurende beweging uitvoert. Zijn knecht moest daartoe in het dorp bij nacht en ontij staande klokken uit de huizen stelen. Toen ik dat las, droomde ik van het ontwerpen van een windmachine. Die zou ik op zolder installeren, om het voor altijd te laten waaien. Maar ik was en ben niet handig. Dus legde ik het anders aan boord, jaren later: ik schreef boeken waarin het vaak waait. Dat is ook al iets. In boeken is altijd alles echt gebeurd.

    De mooiste atmosferische omstandigheden vind ik wind aan zee en het loodgrijze voorspel op een onweer. Regen vind ik maar pis uit de wolken. Maar wind, mijn kind, die de haan in beweging zet, die de molens in het hoofd doet draaien en de bomen tegendraads harkt, dat is pas feest. Eigenlijk zijn het de bomen zelf die wind veroorzaken. Van het ogenblik dat er zich één uit de statige rij naar voren of naar achteren buigt, volgen de anderen. En dan begint het. Dakpannen zeilen door de lucht. Paraplu’s worden verkracht. Dakhazen vluchten naar de begane grond. Pauwen schreeuwen op erven. Haren worden uit hoofden gerukt. Kapsels worden geëlektrocuteerd. Fietsers worden weer naar huis geblazen. Verkiezingspanelen smakken tegen de vlakte. Stranden waaien weg. En daarna komt de koning kijken naar de ergste schade. Op tv wordt iemand van de verzekeringen geïnterviewd, zo’n halve BV. Hij zegt dat het zo niet verder kan. Verzekeringen kunnen toch niet voor alles opdraaien!? Het Rampenfonds moet het maar doen.

    Ik bel naar de afdeling Stormschade. Ik zeg dat ik geld wil geven voor een nieuwe, verse storm. Zonder puin, zonder slachtoffers. Gewoon voor de gezelligheid. ‘U bent knetter,’ zegt een stem. ‘Dat weet ik,’ antwoord ik. ‘Ik heb er al vaak optaters voor geïncasseerd. Kunt u daar ook iets aan doen? Dat is toch ook stormschade? Ik heb momenteel een hemelsblauw oog en een bluts in mijn kop omdat ik zei dat ik van een flinke storm hou. Iemand randde me aan. Valt dat echt niet onder st… ?’ ‘Dat is de afdeling Kopzorgen. Daar hebben wij hier geen formulieren voor. Ik stel voor dat u bij toekomstige windvlagen uw mond houdt en thuisblijft. Of ga bij Lloyds. Die verzekeren zelfs seriemoordenaars en passionele windbuilen. Nog de wind vanachter, meneer.’ ‘Dank u wel. Tot de volgende storm.’

    Ik begon dan maar aan een gedicht waarin tussen de eerste regels al een briesje opsteekt. Gelukkig heb ik dat nog. Dat akelig mooi weer in Vlaanderen houdt te lang aan. Ik leg September Song op, Lou Reed.   


    01-05-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.329: Hongerije

    HONGERIJE 

     
    Hongarije, jaren negentig – ik was er tot tweemaal toe enkele weken: taaleiland, autokerkhof, worstenland. Je kunt er met grote moeite de straatnamen onthouden. Het Hongaars is een taal waar zelfs het internationaal begrip ‘politie’ iets onherkenbaars wordt. En je ziet er verdomd veel rondtoeren. Probeer in een winkeltje kauwgum te kopen en je loopt kans een paar autobanden te krijgen. Voor bijna elk huis staat een opgetakeld autowrak, waar permanent aan geknoeid en gesleuteld wordt. Pastelkleurige huizen. Veel honden achter hekken. Stalletjes langs de wegen met honderden watermeloenen. Het godendrankje ‘palinka’, ritueel keelbrandertje (52 graden) op basis van fruit. De wereldberoemde ‘Tokaj’ (witte wijn) en het ‘stierenbloed’ (rode wijn) uit Eger, waar vele kilometers wijnkelders zijn. Schaakspellen. Potjes kaviaar (o ja?) aan kerkportalen te koop. 

    Kuurbaden: de Hongaren hebben geen echte zee, maar houden van water. Ze staan er rechtop in, keuvelend, schaakspelend, kettingrokend. Hun Balaton-meer is voor de toeristen. Geknal van zwepen op de poesta, schitterend vlak landschap met ganzen, paarden en blauwgerokte ruiters. Vreselijk grote stukken landbouwgrond. Zonnebloemen. Ooievaars. Vroegere eenheidsmunt: de forint. Als je geen papieren zakdoeken meer had, kon je flappen van 100 forint gebruiken. Deel door 2,8 om bij de toenmalige Belgische franken uit te komen. 

    Middageten wordt vaak overgeslagen. Besparingen. Het ontbijt neemt de vreemdste vormen aan: worst, worst, paprika’s, worst, brood zonder boter, worst, brood in de vorm van worst, gefarceerde paprika’s. ’s Avonds verschijnen de deegwaren, gesopt in achtendertig varianten van goulash. Wel lekker. 

    Naar de politiek moet je in de prille jaren negentig niet te vaak informeren. De ‘roze’ communisten hebben even de verkiezingen gewonnen. Wie de voorbije jaren van een Westers model droomde, heeft nu een kater. Ze zijn onderling nog altijd bang voor elkaar en ze hebben nog altijd moeite met het hardop formuleren van een opinie. Je krijgt gewoonlijk vreemde ontwijkende antwoorden op vragen die naar politiek ruiken. Ferenc(-zaliger, inmiddels) ofte ‘Ferry’, een van de drie burgemeesters van Salgótarján, middelgrote stad in het noorden, is er een meester in. Deze nerveuze kettingroker heeft ons zijn land getoond: niet lang geleden de meest vrijgevochten satellietstaat van het Oostblok, lees de USSR. Het is een mooi, ietwat onopvallend land met sympathieke mensen die waarheid en fictie soms wat mengen. Alles lijkt wat in verval, maar misschien was het altijd zo. 

    Aan tszigane-kok Janosch vraag ik wat hij over België weet. Hij haalt zijn dikke Hongaars-Duits woordenboek boven, bladert met zijn worstenvingers en bromt dan opgetogen: ‘Foetsbaal’. Daarna somt hij de complete ploeg van Anderlecht op, naar we menen te begrijpen. En in ‘Broe-zil’ (Brussel) had iemand uit zijn familie ooit nog tszigane-muziek in een restaurant gespeeld. Daarop drinken we palinka. Op de gezondheid. ‘Egészségére’, of zoiets. En dan is er goulash, om die vreselijke ontbijten en ontbrekende middagmalen te bezweren.     

    Dat waren de jaren negentig van de vorige eeuw. Maar nu…  


    10-04-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.328: Café

    CAFÉ IN VLAANDEREN


    Ik groet de hele mensheid (jij, u, men, mens) vanuit café ‘De Woede der Noormannen’ ergens in Vlaanderen. Het is een café om de hoek. Alle cafés zijn om een hoekje. Ik zit er soms een dik halfuur te doen alsof ik naar niks kijk en aan niets denk. Gewoonlijk bestijg ik een kruk (voorbode van een ander soort kruk?) aan de toog. Stoelen en tafels in een slagorde opgesteld zijn niets voor mij. Op mijn kruk zie ik vlak voor mij de handgeschreven mededeling die aan de wand is vastgeprikt: ‘Zonder toelating van Linda NIET achter de toog – Linda.’ Het tot hoofdletters gepromoveerde NIET springt in alle ernst uit de band. Die mededeling vanwege cafébazin Linda hangt naast een kastje met chocolade en wafels in plastic hoesjes. Linda zelf is een levend bewijs van ‘lust for life’. Ze was waarschijnlijk een godgenageld mooi meisje. Ik schat dat ze nu begin vijftig is. ‘En nog goed bewaard’, zouden ze er hier aan toevoegen. (‘Door al dat sterk water om haar heen,’ vul ik zelf in gedachten aan. ‘Alcohol, weet je wel.’) Ze is nu te dik geworden, maar haar vlees heeft nog altijd de stralingskracht en het lokvermogen van een vuurtoren. Linda beschikt ook over twee stevige vooruitzichten, die door de mannelijke stamgasten als ankerplaats voor hun blikken wordt gebruikt. Haar stem is wonderbaarlijk rauw. Ze praat hard en vlug, en ze zegt dingen waar het mansvolk van schrikt. Ze is een engel en een duivelin. Ze zou goed passen bij dat Noormannenvolk van vroeger, dat onze vrouwen plunderde en onze kerken verkrachtte.

    Ja, er zijn nog mooie zekerheden in de grote boze wereld. In ‘De Woede der Noormannen’ staat nog zo’n jukebox, terwijl het woord zelf al bijna niet meer bestaat. Vlaamse schlagers zijn er niet van de lucht. En daarboven hangt een zoetzure poster waarop een wazig koppel aanstalten maakt om één vlees te worden.

    Ik zit daar dus te doen alsof ik aan niks denk. Naar niks kijk. Alsof Linda, deze onzinkbare Titanic met de indrukwekkende voorsteven, me geen ene moer kan schelen. Eigenlijk zit ik aan heel ingewikkelde dingen te denken. (Ze vroeg me eens of ik een kunstenaar was. ‘Nee,’ zei ik. Want met ‘kunstenaar’ bedoelen ze hier altijd ‘schilder’, synoniem: ‘artiest’.) Terwijl die heel ingewikkelde dingen mijn hoofd opvullen, kijk ik naar de bierdrinkers. Ze zijn allemaal voor Linda gekomen, lijkt het. Eigenlijk zouden ze liever borstvoeding krijgen. Het halfuur dat ik hier ‘vertoef’, vliegt zo voorbij. Aan een tweede koffie ben ik nooit toe. Ik zit altijd volgepropt met moeilijke gedachten. Ik vergeet er zelfs die ene koffie door. Elke week gaat dat zo. Om een reden die u niet aangaat, gij daar op de eerste rij. En na dat halfuur vertrek ik dan, de drukke wijde wereld in. Ik ga het hoekje om. Naar mijn zeer blauwe auto, zeer verkeerswettelijk in de omgeving van het station geparkeerd. Daar pik ik een van mijn dochters op, vers van de trein. ‘Hoi, heb je weer zitten dromen dat je cafébaas was?’ vraagt ze soms. ‘Nee,’ lieg ik altijd. ‘Hoe was het op school?’ ‘Goed,’ jokt ze. ‘Aha. Ook de scheikunde?’ ‘Mja… ‘ Mijn eigen scheikunde was ook een leugen: die ene koffie bestaat niet. Het was een Duvel. En cafébazin Linda bestaat evenmin. Ze heet Rita. En ‘De Woede der Noormannen’ is een veel te lange naam voor een café om het hoekje. En een veel te mooie. Laten we het daar bij houden. Laat me mijn droom. Slechts de andere helft klopt.


    21-03-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.327: Alle regen

    ALLE REGEN VAN DE KLEURENBOOG


    Kleren maken de man. Kleren bedekken hem. Kleuren kunnen hem sieren. Kleurenblinde mensen aarzelen langer dan anderen voor hun kleerkast. Op een bepaald ogenblik in hun leven werd ze gezegd dat er iets aan de hand was met hun kleurenwaarneming. Door vergelijking ontdekten ze dat dit inderdaad klopte. Als ze bijvoorbeeld combinaties kiezen voor een bepaalde outfit, moeten ze de hulp van anderen inroepen. Als er niemand voorradig is, zijn die combinaties soms van dien aard dat de wenkbrauwen van de medemens verbaasd de hoogte in gaan. De kleurenblindeman of –vrouw heeft ook nog moeite met stembiljetten, drankbonnen, verkeerslichten en tientallen andere pietluttigheden die hem het leven kunnen kosten. Misschien ook combineert hij per toeval zo origineel dat de toeschouwers er een kleur van krijgen. Kunst door de schok der verandering, weet je wel. Voor mijn part wordt de wereld geregeerd door zulke prettige minderheden: kleurenblinden, linkshandigen, hooikoortsigen, roodharigen. Zo iemand die de kleuren anders ziet dan de gewone sterveling maakt allicht ook andere ongewone associaties.

    Ik denk dat de beste en de veiligste kleur voor zo iemand blauw is. Of wat in mijn ogen voor blauw doorgaat. Ook al krijgt in de woordenboeken het steekwoord ‘blauw’ of ‘blue’ een hoop negatieve betekenissen of spreekwoorden naast zich: blauwe boon, blauw van de kou, een blauwtje oplopen, een blauwe plek, iets blauwblauw laten, (to have) the blues, blue devils, een blauw oog… (Hoewel een paar blauwe ogen soms ook niet misstaan). Beeld u eens in dat al het groen in de natuur blauw zou zijn. We hebben dan nog de keuze: mariablauw, berlijnsblauw, irisblauw, nonnenblauw, bloemvazenblauw, jamaïcablauw… Misschien is er op deze aarde iemand die de landschappen altijd zo ziet. Zonder dat zij/hij het beseft, noemt hij/zij blauw ‘groen’.

    Blauw is de enige kleur die ik zelf nooit beu word. Zwart en wit evenmin, maar het schijnt dat dit geen kleuren zijn, of alle kleuren samen. Blauw is trouwens de kleur van de trouw. Ik vind blauw een gelukkige kleur. Of het ook een warme kleur is, of een koude, weet ik niet. Tekenleraars hebben me dat ooit proberen uit te leggen, maar oefeningen op warme en koude kleuren raakten mijn koude kleren niet. Ik voelde, zag en begreep dat niet. Of ànders. Ik behoor namelijk ook tot het legertje van de kleurenblinden. Ik kreeg 2 op de 20 voor mijn stilleven: vaas met bloemen en nog iets. Ik weet alleen dit, als hartstochtelijk kleurenblinde: een sikkepit is altijd wit, het zwart staat apart, oranje grijp ik bij zijn franje, geel zit in een ei, bruin en groen zijn voor houthakkers en kabouters. Aan verkeerslichten moet je dubbel uitkijken: rood is dood, groen mag je doen. Purper was voor Prince, paars was voor de paus. Maar bovenal hou ik met heel mijn hart van blauw, in goede en in kwade dagen. Uitgesproken blauw graag. Bijvoorbeeld van zomerlucht, met wat witte remsporen van vliegtuigen in. Ja, bij blauw voel ik me goed. De aarde, onze wereld is één blauwe plek. Alleen: niemand ziet het. Ook de doden houden het meest van blauw. ’s Nachts dansen er blauwe waakvlammetjes boven strooiweides en begraafplaatsen. Blauw is immers de kleur van de trouw. Ik heb het zelf gezien. Denk ik.   


    05-03-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.326: Hondenleven

    HONDENLEVEN                                                                   


    Trouwe vriend

    Ik schrijf dit nu neer, terwijl ik nog in leven ben en jij je hondenleven leidt, aan mijn zij. Je weet maar nooit wat er gebeurt op dit ondermaanse. De mensenwereld lijkt wat aan het sudderen heden ten dage.

    Daar lig je dus. Zogezegd onverschillig. Maar wanneer ik ook maar even beweeg, luik je een oog. Dat registreert alles. Je denkt: ‘Misschien neemt hij me straks mee op stap.’ ‘Misschien valt er een knabbelkoekje uit de kast.’ ‘Duurt dat getokkel op die laptop nog lang?’ Je denkt dat ik niet zie dat je kijkt. Kijk: je kijkt nu weer weg. Nee, je wil je niet opdringen. Intussen zijn je gedachten zo rood als de vitrine bij de slager. Zie, ik betrap je op een bloedrood visioen: je komt binnen bij de slager, de deur stond aan, de bel marcheerde niet, geen kat, geen klant te zien. De natte droom van elke hond. De rest laat ik aan jouw verbeelding over. Ikzelf eet liever vis.

    Voor een aai of een koekje ga je als een onnozelaar op je rug liggen. Dat terwijl de vraag klinkt: ‘En wat doen de meisjes in Parijs?’ Het kon net zo goed Berlijn zijn. Of: anijs, pladijs, glad ijs. Dat kan soms vijfmaal na elkaar gebeuren. Soms ga je vanzelf op je rug liggen. Slim hoor. Maar daar tuin ik niet in. Soms ga je als tochthond op de deurmat liggen. Dat heeft meer zin. Dank je wel daarvoor. Je leidt een hondenleven. Je wordt kwaad als iedereen te lang afwezig blijft. Dan kaap je baldadig een schoen of sok weg ergens in verboden gebieden. Die deponeer je dan ostentatief ergens duidelijk zichtbaar in de woonkamer. Wanneer je echt baalt, plas je ergens in een verboden zone. Even jouw handtekening op ons strafblad zetten. Daarna ga je schuldbewust en nederig in een verdomhoekje van het huis liggen. Je aapt ons na door boterhammen te eten die je tussen je voorpoten vasthoudt. Nou, dat vinden wij wel grappig, hoor. Maar echte humor betekent bij jou dol gehuppel en gedoe met een onnozel namaakbeen. Maar je kunt niet lachen. Tv, films en boeken zeggen je niks. Je snapt geen reet van Rachmaninov. Willem Elsschot kan je gestolen worden.

    Maar je leeft wel mee als iemand in huis ziek is. Daar heb je talent voor, meid! De manier waarop je je dan bij de getroffene neervlijt: ‘Hei, even doorbijten, ik ben er ook nog, ik begrijp het.’ Zo pakkend; zo hartroerend.

    Weet je dat je broers en zussen hebt die daar hun beroep van maken? Wat een beetje in jou zit, daar maken die hun roeping van. Ze worden hulphond. Dat zijn pas memorabele hondenlevens! Misschien, trouwe vriend, heb jij je roeping gemist. Je had ooit opgeroepen kunnen worden om nog iets meer te betekenen in de moeilijke mensenwereld. Ik denk dat je er het talent voor hebt.

    Maar ik gun jou je bloedrode visioen. Meer kan ik niet doen. Je weet niet eens wat de meisjes in Berlijn doen. Worst met zuurkool eten?


    15-02-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.325: H... H... H...

    HATSJIE HATSJOEM HATSJERNOBIL

    (H... H... H... )

    Roodomrande konijnenogen, bergen zakdoeken, propvolle papiermanden, filevorming van snot, je kop zowat van je romp niezen, ziek en niet ziek, een onderwereldbril op je neus tegen het zonlicht en commentaar van evennaasten, pilletjes, injecties, dieet, slaperigheid, gemoed in het vriesvak ondanks ‘schoon’ weer: hooikoorts, kortom. Tussen pakweg maart en oktober (en nee: niet alleen in de zomer) ben ik, met vele medelijders, niet echt een natuurliefhebber. Dan zou ik het liefst onder water leven, ver verwijderd van grassen, pollen, berken, bloemen, planten, parken, hagen, heggen en bossen. Onbereikbaar voor droge schrale winden en vlammend zonlicht.

    Hoe moet je als hooikoortsige aan je omgeving of aan je directie uitleggen dat je deus verstobd zit, dat je wegens straffe pilletjes om de haverklap in slaap tuimelt, dat om de anderhalve seconde het snot uit je kop druipt, dat je een hoofd als een zwalpend eiland hebt? Dat je dus alleen tegen kauwgumsnelheid kunt werken? Dat je geen stem meer hebt? Dat je elk ogenblik in niezen uit kunt barsten? Dat je het liefst geen mensen ziet omdat die eigenlijk denken dat je een nachtje bent wezen stappen? Dat je alles al geprobeerd hebt? Ja, ook de allergietesten. De spuiten. De sproeiers.

    Zo’n kop! Moeilijk te geloven. Want je bent niet ziek. Je bent alleen maar wrakhout, aangespoeld op een zee van snot. Morene die van je gezicht slibt. Iedereen schrikt zich een hoedje als je weer eens zeventien keer na elkaar knoerthard niest. Grapjassen zitten stiekem te tellen hoeveel keer je het doet. En wanneer het eindelijk avond wordt en de bui ietwat overgewaaid is, dan is je hoofd leeg geniesd. (In Nederland: geniest.) En je neus is een staketsel van rode vellen geworden. En je stem klinkt stroef als kolengruis. En het is alweer tijd geworden om een vers pilletje in te nemen, preventief, want hierna komt er nog een dag.

    Ik merk dat steeds meer aardbewoners hooikoortsig aan het worden zijn. De schuld van Tsjernobil en Fukushima? Ozongaten die de Allerhoogste vergeten is? Het moet dan maar eens vlug lekker gaan onweren, met veel van die bliksems erbij: dat is dan God die met zijn lastoestel de gaten in de ozonlaag weer dicht probeert te schroeien. Maar misschien loopt het allemaal zo’n vaart niet. Het regent elk jaar meer en meer onverdroten. Geef mij maar zo’n gezellige Vlaamse herfst met alles erop en eraan. Of februari, met al dat takkengezwiep. Het mag stormen. Maar net niet hard genoeg om de dakpannen door het zwerk te zien zeilen. Het mag haaientanden regenen. Maar niet zo dat iedereen loopt te bibberen als een aanslagbrief van de belastingdienst. Tijdens zo’n magnifieke herfst houden wij, hooikoortsigen, soms op met niezen. Als we tenminste niet geveld worden door echte ziekte.

    Wat wij dus willen, is ten eerste een heel jaar lang herfst en ten tweede een statuut voor de hooikoortslijder. We eisen ook gratis papieren zakdoeken, voorrang in openbare toiletten, kosteloze vakanties aan zee, een toelage voor pillen en begrip vanwege de niet-niezende bevolking. We vragen met aandrang dat iedereen de andere kant op zou kijken als we weer aan het worstelen zijn met badnatte zakdoeken of propjes papier die we noodgedwongen moeten recycleren en onze ogen oceanen van dronkenschap lijken te zijn en uit onze neus een Donau van snot vertrekt die niet te stelpen valt. En nog iets, niet-niezers: kom vooral niet af met goede raad. We hebben alles al geprobeerd. Maar pollen en berken en grassen zijn sterker dan ons. Hatsjie. Hatsjoem. Hatsjernobil.


    22-01-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.324: Roeping

    ROEPING

    ‘Ik ben er twee keer geweest: de eerste en de laatste keer. We kregen er van de kwispel. Een bloedende kerel met alleen een onderbroek aan keek op ons neer van op een dwarshout. In een donkere hoek stond een oudere kerel die met zijn vinger naar een gat in zijn hart wees. Die droeg vrouwenkleren.’
    Vis keek grijnzend in het rond, duidelijk tevreden over zijn beschrijving, ingeleid door die formidabele oneliner.
    ‘En hoe heette dat clubje ook weer?’ vroeg Tabak.
    ‘De E.K. De Eucharistische Kernwerking. Verdomme: ik verslik me haast in dat joodse ch-geschraap!’
    ‘Joods?’
    ‘Die bloedende kerel was wel de Koning der Joden, hoor. Zijn plakkaat hing boven zijn hoofd aan die lat.’
    ‘Elke donderdagavond dus?’
    ‘Ja, na vier uur, als de schoolbel gegaan was. Wie bleef voor de E.K., at eerst zijn meegebrachte boterhammen op, gezeten op de grond in de gang naast de klas. Daarna werd er een halfuur gevoetbald op de speelplaats, met een pluizig tennisballetje. En dan begon die E.K., in de koude kapel boven aan de stenen trappen.’
    ‘Maar je ging maar… één keer?’
    ‘Twee keer: de eerste en de laatste keer,’ verbeterde Rauw Ei ernstig, blij dat hij de mop kon herhalen. Vis knikte.
    ‘Kon dat wel?’ vroeg Floshaar.
    ‘Ja. Je kon kiezen.’
    ‘Met hoeveel waren die E.K.’ers?’ vroeg Drietand.
    ‘Acht.’
    ‘Zeven dus,’ berekende Drietand.
    ‘Ja: acht min één. Ik ging maar… één keer.’
    ‘Twee keer dus.’
    ‘Ha ha.’
    ‘Dat is niet veel hé.’
    ‘Nee. Iedereen wou naar huis. Alleen de… Alleen die acht bleven.’
    ‘Wat gebeurde er daar dan, Vis?’ vroeg Tabak.
    ‘Een priester met een fijn snorretje gaf een preek over onze evennaaste. Hij was kort en dik. Daarna… ‘
    ‘Die evennaaste?’
    ‘Nee: die priester. Daarna volgde er een soort minimis, maar zonder hosties.’
    ‘Geen wonder dat er maar acht jongens wilden blijven.’
    ‘Zeven, zonder Vis.’
    ‘De meester van het vijfde leerjaar zat er ook elke week bij, achteraan. Die was nog… nog priesterachtiger dan die priester. Zonder lange rok.’
    ‘Dat waren tijden hé!’ constateerde Rauw Ei.
    ‘Ja, maar die tijden zijn voorbij. De mensen veranderen. Het wordt bijvoorbeeld ook tijd dat ik mijn naam verander,’ zei Vis.
    ‘Wil je geen Vis meer zijn, Vis?’ vroeg Floshaar.
    ‘Nee? Geen Vis meer?’ echode Tabak.
    ‘Wat dan wel, Vis?’ informeerde Rauw Ei.
    ‘Ja?’ deed Drietand.
    ‘Vrienden: ik heb er lang over nagedacht.’
    ‘Ja?’
    ‘En wat kwam… Wat komt er uit de bus, Vis?’
    ‘Vooruit… Zeg het… Je maakt ons… ‘
    ‘Jezus,’ zei Vis.


    12-01-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.323: Houten koppen

    HOUTEN KOPPEN

    Er heerst zonsverduistering in het land. En zinsverduistering. In weiden, naast dampende frietketen, in de schaduw van kerken en stadhuizen en langs de wegen hangen ze er, op houten panelen: de onverschrokken koppen die beloven dat zij iets voor ons kunnen doen. Ze kiezen een rugnummer, laten zich op affiches en flyers afdrukken en zetten er een op- en onderschrift bij. Er zijn er die koeien bij de horens zullen vatten, grote kuis zullen houden, tot op het bot zullen gaan, recht door zee zullen gaan, de burger contracten zullen aanbieden, of gewoon voor de mensen willen opkomen. Nou, kom maar op! Er is er eentje dat zichzelf als een hoge boom met diepe wortels ziet. Een ander vraagt zelfs om voor je moeder te stemmen. Ja: de campagnemeisjes en –jongens hebben weer hun best gedaan ‘om het verschil te maken’, zoals ze allemaal tegelijkertijd bazuinen. Jammer dat het weer huilen of griezelen geblazen is als je die treurige collectie politieke koppen bekijkt. Om er zelf een houten kop van te krijgen. De mens in al zijn lelijkheid en leugenachtigheid ontsiert het landschap. Iconen met vierkante koppen belemmeren het panorama. Beloftes voor een beter bestaan jagen de koeien de stuipen op het lijf. Dure politieke eden veroorzaken verstrooidheid en ongevallen op de weg. Het geblaat en geloei op de panelen is pure horizonverloedering en ernstige lawaaihinder. De meeste politici zijn te lelijk om te helpen donderen. En hoe zit het met die hoofden vanbinnen? Je vraagt je vaak af wat voor argumenten er in die zultkoppen zitten om zomaar op te komen voor alle medemensen ineens en te hopen op zeer veel stemmen. Daar moet wat leuks aan verbonden zijn, naast nachtelijke vergaderingen, stress, volle agenda’s, compromissen en onoverkomelijke problemen. Sommigen doen daar heel veel voor. Zo verscheen ooit op tv een verkiesbaar Euroman in het gezelschap van een koe. Dat was een welbegrepen verwijzing naar zijn strijd tegen de hormonenmaffia. Hoedje af voor de kerel. Maar het werd ietwat hilarisch toen hij, in dat dierlijke gezelschap, zei: ‘Ik wil niet moederziel alleen in dat Europese parlement zitten.’ Ja, laten we nog een koe afvaardigen. In verband met de melkproblematiek. Of al was het maar als tegemoetkoming omdat hun weiden als wiegende zeeën nu ontsierd worden door verkiezingspanelen met mensenvlees op. Er was er ook ooit eentje dat het met vissen probeerde. Heel symbolisch. De mensenvisser. In verband met Europa: een alles verslindende haai of een school gelijkgestemde haringen. En tussen al die partijen en panelen zijn er een heleboel landgenoten die geen rugnummer hebben gekozen. Het zijn de politiek daklozen, om wier stemmen zo hard wordt gesmeekt. Want het zijn er veel, en meer en meer. Ze zijn zo sterk dat ze partijen beïnvloeden, die zwellen, uitdunnen, fusioneren, verdwijnen. Op hun panelen staat in koeienletters te lezen: Beu!


    26-12-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.322: Mooilijk

    MOOILIJK

    Zonder pardon stapte ik zes jaar geleden naar de Club van de Lelijke Mensen. Jaren had ik toen al voor spiegels doorgebracht. Toen ik het bestaan van de club ontdekte, aarzelde ik geen moment. Bij de allereerste oogopslag al werd ik toegelaten en ingeschreven. Dit gebeurde door de lelijkste donder aller tijden. Dat ik bijna zo weer verdween, was zijn schuld, maar ik besefte plotseling waarvoor ik gekomen was.


    De club is erg gezellig. Hij is geïnspireerd op de excentrieke Engelse clubs, bijvoorbeeld de Onvriendelijken, de Linkshandige Butlers, de Negentiende-Eeuwers, de Roodharigen… We vergaderen nooit. Dat is een groot pluspunt. We beperken ons ertoe elke dag lelijk te zijn. Er is een ruimte om kranten te lezen, een bar, een keuken, een eetzaaltje, een bibliotheek. In de club werken vijf lelijke mensen fulltime: een kok, een barman, een conciërge, een dienster en een AD’er. Die laatste werkt in de kelders: als AD’er of Aartslelijke Donder kent hij zijn plaats. Onderling hebben de leden vlotte contacten, hoe verscheiden ze ook mogen zijn. Na de gebruikelijke schoonheidsfoutjes die elk gespreksbegin kenmerken, ontspinnen zich dagelijks dialogen die hun gelijke niet kennen bij de Iets Mooiere, de Veel Mooiere en de Heel Mooie Mensen. Het bevattingsvermogen van echte lelijkaards is namelijk groot. Ja, ik voel me thuis daar met mijn spuuglelijk bakkes.


    Aan centen heeft de club geen gebrek. In samenwerking met de dienst Monumentenzorg heft de Staat strafbelasting op lelijke verwezenlijkingen. Deze bij Koninklijk Besluit vastgelegde belasting komt ons toe. Dat percentage ligt erg hoog omdat ons land uitmunt in lelijkheid. We klagen dus niet. We blijven rustig binnen, lelijk wezend, betoelaagd door een andere lelijkheid dan de onze. Wij kunnen het ook niet helpen hé.


    Kijk: daar komt Annabelle net binnen. God, wat is ze toch weer mooi lelijk vandaag! Mooilijk, in één woord. Over haar bleke gezicht trekken donkere onweerswolken als ongewenste zwangerschappen. Ja, niet te verwonderen: de zwarte vlag hangt vandaag ook aan onze gevel uit. Het is immers Valentijn. Het doet hier de ronde dat onze AD’er uit de kelder een kaartje heeft ontvangen waarop hartjes prijken. Ook ruikt het naar Braziliaanse roos of zoiets. We zijn allemaal heel erg benieuwd naar hoe lelijk de afzendster dan wel moet zijn. Of de afzender.


    ‘Hallo Annabelle. Alles kits?’ groet ik hartelijk. Ik hou van de dubbele ll in haar naam en spreek die bijzonder smakelijk uit.
    ‘Opzouten, lelijke moeial,’ snauwt ze me toe. ‘Je weet toch welke dag het is?!’
    ‘Nee Annabelle,’ probeer ik vriendelijk. Ik hou ervan haar te plagen. Dan wordt ze godgeklaagd zo onmogelijk lelijk! Dan zou ze God de Vader himself rustig een proces mogen aandoen wegens grove fouten tijdens de werkzaamheden van zijn schepping.


    Ja, 14 februari is voor onze club altijd al een moeilijke dag geweest.


    ‘Plannen vandaag, Annabelle?’ probeer ik nog een keer. Ze haalt haar schouders op.
    ‘Er moet dringend werk gemaakt worden van onze kelders,’ gromt ze. ‘Het is er een zwijnenstal.’
    ‘Zal ik een handje toesteken?’
    ‘Nee.’
    ‘Je weet toch dat de AD’er uit de kelders een roze kaartje heeft ontva… ‘
    ‘Ja ja,’ onderbreekt ze me ruw. Dan verdwijnt ze met driftige stappen. Verbouwereerd kijk ik haar na.


    14 februari? Een dag om te vlaggen, inderdaad. In het zwart. Een mooilijke dag.


    11-12-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.321: Perte totale

    PERTE TOTALE

    Het is vrijdag. Alweer. Christoffel koopt een Europees weekblad aan de krantenkiosk en wandelt naar het hoekcafé St. Georges. Onlangs is hij met roken gestopt. Elke ochtend voelt hij zich wat meer bevrijd. Zijn ribbenkast voelt niet langer als een kooi van rochelmist en nicotine aan. Aan dampen denkt hij niet. Het lichaam beleeft deugd aan deze algehele onthouding. Christoffel moet nu alleen maar doorzetten. In St. Georges vraagt hij een koffie verkeerd. In het weekblad leest hij dat de laatste dag van mei uitgeroepen wordt tot ’s werelds rookvrije dag, overal en op alle plaatsen: schiereilanden, boorplatforms, continenten, polen, keerkringen, savannes, woestijnen, oceanen, oases. Hij grijpt nu naar de vrijdagkrant op het belendende tafeltje en tikt die in de gewenste stand. Vele pagina’s worden ontsierd door de vergezochte slogans en vierkante koppen van politici die naar een Europees salaris hengelen. Het regent nu niet meer. Plasjes zijn aan het opdrogen; de zon breekt door achter het bankgebouw. Aan de gevel verschijnt de mededeling 11:05. Even later: 14+ C. Meten is weten. Christoffel betaalt en dwaalt nog wat door de straten. Met leedvermaak bekijkt hij het rokende deel van de bevolking en hun idiote kankergebaren. Wat voelt hij zich sterk. Hij is precies meer op de wereld. Zijn soortelijk gewicht doet deugd. Dag na dag groeien zijn actieradius en zijn longinhoud aan. Overal ligt gezondheid te koop. Het seizoenfruit wordt op trottoirs uitgestald. Hij snuift de geuren op en koopt een bescheiden tros bananen die hij wandelend opeet.

    Op de brug doet zich een aanrijding voor. Oorzaak en slachtoffer is een agent van de bereden politie. Een kleine toeloop omarmt het voorval. De agent jammert honderduit. Zijn machine wordt met vereende krachten overeind gezeuld en tegen de brugreling gestald. Christoffel is er vlug op uitgekeken. De laatste banaan opetend stapt hij naar de garage aan de periferie van de stad. Zijn nicotinekleurige Saab is weer startklaar. De factuur volgt. ‘Dank u,’ zegt hij. ‘ Tot de volgende keer’. Hij duikt weer in het verkeer. En dan gebeurt het. Op een onbewaakt ogenblik, zoals ze zeggen. In een plooi van de tijd. Een mum. Een fractie. Wanneer hij in een combinatie van verslaving en instinct en gewoonte en schuldbesef en voorpret even later toch weer naar de permanente voorraad sigaretten in het handschoenenkastje reikt, slipt zijn Saab. Christoffel vloekt paniekerig. Hij zwiert van de weg af en schuurt langs twee dure autoflanken in de schaduw van het Evangelisch kerkgebouw. Op deze naargeestige geluiden van metaal op metaal draaien zich tientallen mensenhoofden in zijn richting. De Saab komt tot stilstand nadat hij grondig, hard en diep zijn handtekening in de twee kortparkeerders heeft gegrift. ‘Miljaarde!’ roept Christoffel.

    In het kerkgebouw valt een wierookvat kletterend op de grond. Christoffel stapt uit. Iemand met een sigaret in de mondhoek vraagt of hij gewond is. Aan de overkant van de straat rammelt een reclamepaneel voor aanstekers in de lentewind. Alles is weer verloren. Christoffel stapt weer in, reikt naar het handschoenenkastje en grijpt naar de boordpapieren en het pakje Gauloises. Arme dappere man.


    21-11-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.320: Goede man

    GOEDE MAN

    Goedheilige avond

    Ik heb het witte engelenhaar en de ook de ballen, maar ik ben de Kerstman niet. Ik ben wel de jongste broer van de Sint, weliswaar liefhebber van Gilette, the best a man can get. Daarom heb ik een beetje spreekrecht.
    Ik strooi om op te warmen en om u te laten schrikken wat zeispreuken van Sinterklaas rond. Ze komen uit zijn heilige mond. U hoeft dus niet te blozen of te schrikken.

    Waar is mijn piet nu weer, zei Sinterklaas, en hij zocht wanhopig tussen de plooien van zijn tabbaard.

    Wat is dat gelul toch allemaal over die zak, zei Sinterklaas, en hij sjorde zijn lange onderbroek nog maar eens op.

    De daken zijn niet meer wat ze geweest zijn, zei Sinterklaas, en hij struikelde over een zonnepaneel.

    Wie stout is krijgt de roe, zei Sinterklaas, al zou ik niet weten wat dat is en hoe.

    Laat de kinderen tot mij komen, zei Sinterklaas, ik ben ook een bisschop hé.

    Je hebt weer te veel noten op je zang, zwartwerker, zei Sinterklaas, en hij gaf zijn strooipiet een mep tegen zijn kop.

    Mijn koninkrijk voor een paard, zei Sinterklaas, en hij inspecteerde de schimmel tussen zijn tenen.

    Ik twijfel tussen een picknick en een pieknieke, zei Sinterklaas, en is het speculoos of speculaas?

    Dat scheelde geen haar, zei Sinterklaas, en hij streelde de extensions in zijn baard.

    En nu het echte zwartwerk…

    Nog enkele keren slapen en het is weer zover. Dan komt de goede man. Afgelopen zomer aten we al zomerklaaskoeken; we vonden dat wat jammer. Dat is niet macrobiotisch: je moet eten wat het seizoen en de omgeving schaffen. Varkensvlees en frieten bijvoorbeeld. Heeft de Sint dan geen sperperiode, potverpietjes? Ik eis zo’n sperperiode voor bepaalde klaasproducten.

    Toen ik nog een uk was, rookte mijn pa Almos. Later werden dat andere merken. Groene Michel. Richmond. We wisten maar al te goed waar hij zijn voorraad verstopte. Ma dacht dus dat hij veel rookte. Maar wij leefden in het tijdperk waar een van de reclameslogans luidde: Sprint – dé sigaret voor de sportman. Roken was dus gezond. Het gebeurde wel vaker dat mijn mannelijke verwekker in het donker nog om een pakje holde, naar zo’n gezellig winkeltje uit oude tijden van koloniale waren van voor het economische debacle. Het rook er altijd naar zaterdag. Je kon er alles krijgen. Ik heb er eens mijn broer met zijn kont in een emmer haring geduwd. Enkele jaren op rij, op één welgemikte decemberavond, mochten we mee met pa op stap om een pakje sigaretten te kopen. De wandeling heen en terug duurde een halfuur. Het was 5 december. Guur weer, zoals gewoonlijk eind jaren vijftig – begin zestig. De wind gierde om schoorstenen en langs telefoondraden. Toen we weer thuiskwamen, mijn pa gehuld in verse Almos-wolkjes, was een andere goede man hem potverdorie voor geweest. De Sint was gepasseerd! We hadden hem niet gezien. Toch woonden we in een doodlopende straat. De spoorboom op het einde van de straat was definitief neergelaten; nieuwe wegenwerken en tijden braken aan. De heilige man had bij ons thuis wat speelgoed gedropt. En hij was natuurlijk via het dak en de schoorsteen gekomen. Gewone straten met kasseien had hij niet nodig. Vooral geen doodlopende, zelfs niet met sintvriendelijke kinderkopjes. Zo moesten we nooit wachten tot 6 december: een ellendige schooldag waar Pieten op deuren bonkten en meesters vraagstukken opgaven met picknicken erin. (‘Jan heeft 10 picknicken. An 7. Als Jan er 6 opeet en An 2, hebben ze samen … veel pret’).

    Elk jaar echter was ik sterk ontgoocheld in de Sint. Want ik hoopte altijd op een echt berenvel. Het stond lange jaren bovenaan mijn verlanglijstje. Ik wou een heus berenvel om me in te vermommen en de mensen de stuipen op het lijf te jagen. Nooit kreeg ik het. In de derde kleuterklas had ik al sterke vermoedens omtrent de identiteit van de goede man. Hij rook namelijk naar Almos-sigaretten. Samen met mijn vriend Pol-zaliger deelde ik die vermoedens. Diens Sint rook naar Zemir, ook een merk van toen. Zuster Serafien had dat door en parkeerde ons op 6 december in een bank vlak bij de deur. ‘Niet te hard schrikken als er hard gebonsd wordt hé. Je weet wel wie er dan komt hé… Maar: mondje dicht, hé!’ We knikten ijverig. Maar op 6 december wipten we net als alle andere babyboomers geschrokken op, toen er knoerthard op de deur gebonsd werd en een regen van picknicken over de kortgeknipte koppen scheerde. Pol en ik keken ondertussen door de hagelwitte baard van de goede man heen: herkenden we een van onze vaders? Buren? Meesters van de grote school? Er liepen weinig mannen met baarden rond in die tijd. Alleen maar Jan, Piet, Joris en Corneel. En zaten er wel echte glazen in die bril? Het leek verdorie wel een zonnebril. Of toch zo’n ziekelijk brilletje met van die verduisterde glazen. En wat betekende dat gedoe met die vier Pieten? ‘Hulppieten,’ legde zuster Serafien uit, na het gewelddadige sintbezoek aan onze klas. ‘De goede man wordt oud en kan niet alles zelf meer doen.’ Ze keek Pol en ik staalhard in de ogen.

    Het leven ging later door. Zuster Serafien werd tweehonderd jaar. Ik kreeg nooit een berenvel en Pol stierf jong. En mijn pa stopte met roken. Het waren oude tijden waar straten doodliepen en het hard woei door de zee van antennes op de daken.

    Later, maar niet zo lang meer, heb ik me nog vragen over de sint gesteld. Eet de goedheiligman preparé? Zo ja: blijft er dan wat hangen in zijn baard? Kan ik zelf een sint worden of voor sint leren? Ben ik misschien de jongste broer van de Sint? Heeft de Sint bleke billen die des zomers aan het strand van Spanje bruin worden? Waarom Spanje in hemelsnaam? Waarom is hij zo in voor oranje? Wat is het verschil tussen speculoos en speculaas? En die roe dan: dient die om te roeren in de zak met stoute roestige kinderen? Kinderen die het grof gemaakt hadden, zoals in ‘Klein klein kleuterke, je maakt het veel te grof’? In het eerste leerjaar luidden mijn eerste zinnetjes: Puk zit in de wei bij de beek. Hij houdt een roer vast. Hoe zat dat in elkaar? Roe? Roer? Roest? Wat was het verband? Vanwaar kwamen die vreemde woorden? Ook uit Spanje? Wie was Puk in hemelsnaam? Een of ander pikzwart pietje?

    Enkele jaren later waagde ik me zelf aan mijn eerste sigaret. Almos bestond al niet meer. En ook mijn geloof in een sintschap was al lang verdwenen. Alleen: zoals in een bekend boek de smaak van een koekje een verleden weer kan doen keren, zo verscheen eventjes in de rook van die verboden sigaret als een djinn de goedheiligman uit de middeleeuwen van mijn leven. Ik mocht echter geen drie wensen formuleren. Ik verwenste mezelf later dat ik er ooit aan begonnen was.


    30-10-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.319: Enig kind

    ENIG KIND

    Dot Cooman mocht een parttime rotkind worden genoemd. Daar konden haar leuke kruidnagelkleurige krulletjes niets aan verhelpen. Noch de betekenis van haar voornaam: ‘Geschenk van God’. Naast hoger vermeld ettertje zat er geen tweede achterbaksel. Deze voortplanting stoelde op eenmaligheid. Dot: een enig kind.
    Even gaf mama Rowena de achteruitkijkspiegel een duwtje, zodat ze een heimelijke blik kon werpen op haar pruilende koter.
    ‘Ik sjie wel dat je naar mij kijkt!’ riep Dot plotseling. De spionne gluurde vertederd naar het gat waar voorheen twee aanpalende tandjes hadden gestaan. De tandenfee had lieve Dot onlangs met een nachtelijk bezoek vereerd. Het was twee uren geleden dat er nog een woord (of was het een klanknabootsing?) uit die praat- en eetklep ontsnapt was. Sindsdien had Dot er alleen maar voedsel en drank in gedeponeerd en er na sluitingstijd misprijzend mee uitgebeeld dat ze vreselijk boos was. De wenkbrauwen van mama Rowena kropen vragend verwonderd boven de grote zonnebrilglazen uit.
    ‘Sjie je wel! Door die stomme bril en in die spiegel!’
    ‘Wauw! Zoveel woorden ineens, Dot! Van harte gefeliciteerd. Kijk: we zijn al bijna over de brug. Dat gaat vlot vandaag.’
    Rowena bracht de spiegel weer in de correcte stand. Met haar tongpunt verkende ze voor de zoveelste keer de afgebroken vulling in haar kies. Straks zou dat euvel verholpen worden.
    ‘We sjullen te laat zijn.’
    Het gat in de voorste batterij tandjes sorteerde een speciaal effect bij het vormen van de z.
    ‘We zijn op tijd. De bel rinkelt pas om halfnegen.’
    ‘De brug sjal instorten.’
    ‘We kunnen zwemmen.’
    ‘Het is vies water.’
    ‘We hebben verse kleren aan.’
    ‘Ik sjit vastgebonden.’
    ‘Voor je veiligheid.’
    ‘Dat is een sjomerbril.’
    ‘Daarmee zie ik alles beter.’
    ‘Waarom stop je nu?’
    ‘Je ziet toch dat er file is.’
    ‘Ik sjie niets.’
    ‘Waarom niet?’
    ‘Ik heb geen sjomerbril. En je sjit in de weg.’
    Rowena had veel zin om grappig terug te sj’ten, maar ze kon zich nog net inhouden. Dot.com zou wel eens Dot.bom kunnen worden. In plaats daarvan sperde ze haar mond en streek ze met haar tong nog maar eens over de onvolkomen kies. Haar tongpunt gloeide even op van de pijn. Dotje zat haar gekke bekken trekkende moeder met ogen als kogels aan te staren.


    20-10-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.318: Fibo

    BRAAF! & FIBONACCI


    (Toespraak in kunstgalerij Marbes, Kortrijk, t.g.v. een expositie van de Fibonacciboys: drie fotografen en enkele beeldend kunstenaars)

    01. Os & ezel, A & B, gas & elektriciteit, Spic & Span, de ene Griekse zuil die de andere Griekse zuil oproept… die vreselijk voorspelbare symmetrie en repetitie zit overal goed ingebakken. Behoefte aan veiligheid, rust, evenwicht, structuur. In een biografie over de Britse komiek en zoveel meer John Cleese las ik ergens zijn verzuchting: waarom hebben we in hemelsnaam structuur nodig? Mag iets ook eens wat scheef of schuin zijn?

    02. Jaren geleden wees een kunstschilder me in Parijs de fameuze reeks getallen aan (de bijgenaamde ‘konijnenrij’) plus de toepassing ervan in bijvoorbeeld diverse vensters in de omgeving van de Jardin du Luxembourg. Het was een verademing en ook een ontdekking. Ik begon de dingen anders te bekijken.

    03. Vroeg of laat moest er eens een verhaal van komen. Letterlijk letterkundig de rij van Fibonacci toepassen is niet zo simpel als de slaapkamerdeur van een slachtoffer van een moord op een kier van 1 komma 62 centimeter te laten staan bijvoorbeeld in het perfect recursieve stratenplan van Dakpannendorp of Verkavelgem. Trouw aan de zoon van Bonaccio (of diens ontdekking via de Indiase en Arabische wiskunde in Algerije) heb ik mijn verhaal (titel ‘Braaf!’) via allerlei details en divers repeterende elementen gestalte gegeven. Er gebeuren vreselijke dingen met een soort fibonacciaanse recursieve consecutiviteit met onder andere een eenkleurige chef-kokkin (die elke dag in een andere kleur kookt, gebaseerd op de oude Indiase geneeskunde) en een hond die niet Fifi heet – zover heb ik het niet gedreven. In hoofdstuk 0 bolt keukenhulp Jezebel Malbien van restaurant Het Laatste Avondmaal met vrolijk belgerinkel een tuinpad op. Zo doet ze dat ook in hoofdstuk 1, hoofdstuk 1, hoofdstuk 2, hoofdstuk 3, hoofdstuk 5, hoofdstuk 8, hoofdstuk 13 en hoofdstuk 21. Dat loopt telkens op een vreselijke wijze af. Er sneuvelen oude besjes en Libanese professoren in de Toevalskunde. Gelukkig zijn er die avond in restaurant Het Laatste Avondmaal van de eenkleurige chef-kokkin 55 reservaties om te dineren, zodat het verhaal harmonieus kan eindigen. Mocht u het verhaal Braaf! willen lezen, dan kan dit via deze link:

    http://vreeslijkeverhalen.skynetblogs.be


    01-10-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.317: Dialoog

    DIALOOG DIE TE DENKEN GEEFT

    - U hebt hier Zaalverantwoordelijke ingevuld.
    - Ja, en?
    - Maar hier moest uw voornaam komen.
    - Dat is mijn voornaam.
    - Dat kan toch niet.
    - Toch wel.
    - Dus u heet Zaalverantwoordelijke?
    - Ja.
    - En uw achternaam is Vandenbussche?
    - Ja, zoals u ziet.
    - Die hebt u inderdaad correct ingevuld. Maar… ‘
    - U gelooft me niet?
    - Ik kan wel tegen een grapje. Maar nu moet ik wel een nieuw formulier… ‘
    - De meesten zeggen Zaal. Maar voluit… ‘
    - Komaan zeg!
    - Ik meen het.
    - Het heeft nu lang genoeg geduurd hé!
    - Maar komaan zelf zeg! Wat is uw probleem eigenlijk?
    - Meneer… Meneer Vandenbussche – als dat al uw echte naam is – Meneer Vandenbussche: dit moet ophouden.
    - U houdt niet van grapjes?
    - Nee.
    - Ik ook niet. Zowaar ik Zaalverantwoordelijke Vandenbussche heet.
    - Moet ik er mijn eigen verantwoordelijke bijroepen?
    - Nu drijft u de spot met de naam die mijn ouders me hebben gegeven.
    - En u drijft het wel heel erg ver. Kijk eens om: er staan nog drie wachtenden achter u aan te schuiven. U verspilt onze tijd.
    - Ja: mijn tweelingzussen en mijn moeder. Hun moeder dus ook.
    - Is dat weer een grap? Dames! Mevrouw!
    - Ja?
    - Hoe heet die… die kerel hier vlak voor mij? Hij houdt iedereen op en… ‘
    - Onze Zaalverantwoordelijke!
    - Onze… ja, maar… ‘
    - Iets niet pluis, Zaal?
    - Problemen, Zaal?
    - Ja: die mevrouw hier wil me niet inschrijven.
    - Maar mevrouw toch! Wat is hier aan de hand?
    - Komaan zeg! Is dit een epidemie van slechte grappen?
    - Dit is ongehoord.
    - En hoe heten jullie dan?
    - Vandenbussche. Tweemaal.
    - En Vandamme. Ik ben de mama. Van alle drie.
    - Ja ja. Maar… hebben jullie voornamen?
    - Natuurlijk.
    - Mag ik die weten?
    - Merel en Mokka.
    - En ik heet Gisela. De moeder.
    - Mokka??
    - Is daar ook iets mee misschien? U bent wel erg… Waar is hier de verantwoordelijke? Ik wil die even spreken.
    - Maar er staat er één voor mij! Jullie hebben er zelf één!
    - Dat hebben we nu nog nooit meegemaakt! Dat is nu de eerste keer dat…
    - We zijn dat niet gewend, hoor!
    - Komaan Zaal, we zijn hier weg. Ze gelooft ons toch niet.


    (De vrouw aan de inschrijvingen kijkt het vertrekkende viertal perplex na, tot die de zaal verlaten hebben. Dan schroeft ze een flesje open, schudt er drie pillen uit en slikt die met een flinke ruk van haar hoofd door).


    07-09-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.316: Etaoin shrdlu

    ETAOIN SHRDLU

    Toen in vroegere winters een meter sneeuw je mobiliteit zowel beperkte als uitbreidde, en in vroegere zomers de vogels te voet gingen en de bijen vleugellam op tuinpaden lagen vanwege de hitte, werkte mijn moeder als een soort redactrice bij een lokale krant en mijn vader was linotypist bij een bekende drukkerij in een grote stad. Later zouden ze andere beroepen uitoefenen: noodgedwongen huisvrouw en éénverdienende ambtenaar in schoolverband. Ik kreeg dus bij mijn verwekking zowat de dans der letters als de geur van inkt geïnjecteerd en geïmplementeerd.

    Krijsend kwam ik ter wereld, deze blauwe plek in het heelal – de smalle adembenemende doorgang voor de eerste keer vrijmakend, want ik was de oudste. Mijn ontzetting betrof zowel het verlaten van de veilige moederlijke buidel als het aanschouwen van een spuuglelijke wereld. Ik krijste nogmaals toen de naar rode port riekende dokter me een paar rake patsen verkocht waarvoor ik tien op de tien kreeg. Ten derden male krijste ik toen een kerel met kale kruin in vrouwenkleren me boven een vergeetput een gulp koud water over mijn kop pletste. De dagen en nachten daarna krijste ik nog wat door, telkens als zich rood aangelopen koppen over mijn ligplaats bogen. Maar het wende.

    Ik werd vrijwel onmiddellijk slapeloos. Dat vormde geen probleem. De nachten waren er om na te denken en plannen te smeden; de dagen om te kijken, te zuigen, te vreten, te ontlasten en te zwijgen. Soms bonden mijn verwekkers me bij avond vast aan mijn matrasje, omdat ik ’s nachts nooit sliep en verkennen wou. Dat hielp gedeeltelijk. Na enkele intense oefeningen stapte ik als een soort gordeldier of vreemd rechtop lopende schildpad met een immense rugzak in het maanlicht op mijn kamer rond en ontwikkelde aldus ook vroeger dan verwacht een stevig spierstelsel. (Kwade tongen zouden later mijn fantasie, zeg maar mijn schrijverschap, verwarren met maanzucht).

    Waarschijnlijk door deze nachtelijke uitstappen (geruggensteund door een systeem van valprotectie) groeide mijn belangstelling voor de nog prille kosmologie. Ik keek door het raam en zag de maan en de sterren. Van de grote drukkerij waar mijn mannelijke verwekker linotypete, kwamen wel eens naast verkeerd bedrukte smeerkaasdozen ook afgedankte proefdrukken van leerboeken mee: scheikunde, oerdieren, het heelal, weet je wel. Ik bouwde met mijn inmiddels ook ter aarde bestelde broers niet alleen verschansingen met smeerkaasdozen, maar ik las ook de fragmentarische tot grotere veelvouden opgevouwen correctieproeven die blijkbaar geen bestemming meer gekregen hadden en die mijn vader mee naar huis bracht. Aldus wou ik al heel jong in deze volgorde astronaut en daarna apotheker worden. Ik zou met mijn hoofd in een glazen stolp rondzweven in de ruimte en ik zou poedertjes pletten en drankjes mengen.

    Die dans der letters en die geur van inkt waren echter te sterk geweest. Ik las als een gek (volgens mijn moeder, een goedingelichte bron, kon ik einde tweede kleuterklas zo uit de krant zelfstandig al het woord ‘liefdesverdriet’ lezen) en ging aan het schrijven. Mijn woede in verband met de onrijmbaarheid van ‘gezien’ en ‘knieën’ in een raadselrijmpje (het lukte wel in ons gesproken dialect, maar niet in zowel de geschreven als de mondelinge ‘mooie’ taal) hield me gaande. Ik bleef schrijven. En ik schrijf nog. Ja, ik beken: ik ben een seriewoordenaar.

    Etaoin shrdlu zijn de eerste twaalf letters op het toetsenbord van een Linotype-machine, die in de 20ste eeuw veel gebruikt werd voor het zetten van teksten. De letters op Linotype-machines waren geordend naar aflopende frequentie van voorkomen. De complete volgorde van het toetsenbord is etaoin / shrdlu / cmfwyp / vbgkqj / xz, dan cijfers en speciale tekens, gevolgd door ETAOIN / SHRDLU / CMFWYP / VBGKQJ / XZ in kapitalen.

    Linotypisten die een fout hadden gemaakt konden die niet simpelweg met de hand verbeteren, maar moesten de regel afmaken voordat de slug ('slak', het gebruikswoord voor 'zetregel') uitgeworpen werd en een nieuwe opgesteld kon worden. Een regel met een fout werd direct omgesmolten en de inhoud was dus niet van belang, maar hij moest toch volledig gevuld worden om in lood gegoten te worden. De snelste manier om genoeg letters in te voeren om een regel af te maken was door met de vingers van boven naar beneden over de toetsen te gaan, waardoor deze onzin-frase ingevoerd werd.

    Als de 'slug' per ongeluk niet verwijderd werd en bij de zetters aankwam, viel de ongewone combinatie op, waardoor ze makkelijk weg te halen was. Af en toe gebeurde het dat de regel bleef staan en toch in de gedrukte media terechtkwam. Meestal betrof het dan een krant. Dat gebeurde vaak. Ook in Nederlandstalige kranten komt het verschijnsel voor; zowel 'etaoin' als 'shrdlu' kunnen in diverse bladen gevonden worden vanaf 1905, evenals overigens iets minder vaak de combinaties 'cmfwyp' en 'vbgkqj'.


    14-08-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.315: Roland

    ROLAND

    Wat bezielde de kosmos in de eerste helft van de jaren zestig van de vorige eeuw om een jongen van 12 – de oudste van een beduidend aantal – weg te plukken van planeet Aarde? Roland woonde in mijn straat en ‘kreeg’ kanker. Een aantal jaren al stapten we gezamenlijk op naar de lagere school, jongere broers en zussen in ons kielzog – hij woonde honderd meter verderop in ‘mijn’ straat. Ook ik was de oudste van een vrij omvangrijk nest babyboomers.


    In die tijd wikkelden snuggere verkoopgenieën prentjes om het zilverpapier dat chocoladerepen beschermde. De zogenaamde ‘chromo’s’ van chocolade Jacques waren een tijdlang echt mijn ding: spoetniks, raketten, satellieten, planeten, astronauten, kosmonauten. Ik verzamelde die en ontwikkelde er op mijn beurt verhalen mee, nog voor een mens een stap op de maan had gezet. Roland was bang voor mijn verhalen over marsmannetjes en buitenaardse wezens. Op een dag belde zijn pa bij ons aan. Mijn pa deed open. Of ik, de eerstgeborene van dit huis, dringend mijn wilde kosmosverhalen wilde opbergen. Roland, zijn eerstgeborene, kreeg er nachtmerries door. Dat moest stoppen. Ik incasseerde een klap voor mijn kop van mijn eigen verwekker (pas daarna volgde wat uitleg) en borg mijn talent voor fictie en ruimtevaart weer op.


    Nog voor er echt een mens op de maan landde, stierf Roland aan de gevreesde laffe K. Thuis deelden ze me mee dat zijn laatste dagen aangebroken waren – en of ik nog op bezoek in de kliniek wou. Ik durfde niet, bang voor het verdriet, de geuren van de dood. Mijn buurjongen stierf zonder dat ik hem nog iets opbeurends over de kosmos kon vertellen.


    Zijn lichaam ligt al zolang op het oude kerkhof aan de rand van de stad. Je moet een doolhof van amper onderhouden paden en scheefgezakte stenen door voor je zijn laatste rustplaats vindt. In zijn grafsteen zit zijn foto verwerkt. Voor eeuwig jong. Wat bezielde ‘in hemelsnaam’ de kosmos?


    27-07-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.314: Bermkip

    BERMKIP

    Elke week razen we een aantal keren op de roetsjbanen rond Kortrijk: sterren, vicieuze cirkels, onverwachte haarspeldkronkels, onafgewerkte stukken ‘ring’, duizelingwekkende achtbanen, luchtbruggen, eiconstructies, omtrekkende bewegingen. Een Melkweg van twijfel, kommer, kwel en blikschade. Een Aqualibi waar het menens is.


    Ter hoogte van de afrit Kortrijk-Noord (de fameuze ‘knik’ bij de verkeerslichten, richting Heule en industrieterreinen; een hel voor ongeschoolde chauffeurs) hebben we een gelukkige kip ontdekt. Ze woont in een berm, die ingebed ligt tussen twee stukken autostrade. Waarschijnlijk is ze daar ooit verdwaald geraakt. Achter en voor en naast haar territorium zoeven de auto’s voorbij. Blijkbaar heeft ze al in het snot dat dit gevaarlijk is. Ze blijft in haar heuvelachtige groene zone. Die is ongeveer honderd vijftig meter lang en twintig meter breed. Ontsnappen zit er niet in. Dat wil ze ook niet. Ze heeft het er te goed. Het is haar ei-land. Ze ziet er schitterend uit: wild, vet, goed in de veren, grauw van landelijk geluk en uitlaatgassen. Ze is daar namelijk helemaal alleen, in haar zevende hemel. Als ze eieren legt, maakt ze er misschien de ratten gelukkig mee. Of de eksters. Ofwel stapelt ze haar producten ergens in een bermhoekje op. Mijn vrouw heeft al het idee geopperd er een haan te droppen. Zo wil ze een generatie bermkiekens veroorzaken: een nieuwe soort wild, gelukkig pluimvee dat de groene zones van onze E34’s en A17’s enzovoort bevolkt en onderhoudt.


    Het kieken dat wij kennen is alleszins niet onnozel. Het loopt bijvoorbeeld niet onder auto’s. Het blijft gezellig op zijn groene eiland, als een Robinson-kip die haar lot zelf in handen kan nemen en alles naar eigen goeddunken kan organiseren. Ondernemerschap, weet je wel. Ik ben jaloers op dat beest. Kippen vind ik niet sympathiek, maar van deze bermtoeriste hou ik wel. Die eigeleider springt uit de band. Ze is het levende, weldoorvoede bewijs van individuele ondernemingslust. Ze hoeft geen rekening meer te houden met een pikorde. Ze wordt met rust gelaten door haantjes-de-voorsten.


    Er is maar één schaduwzijde aan haar solitaire bestaan tussen al dat voorbijrazend volk: dat ellendige lawaai. We denken dat ze al vaak zin heeft gehad om ons met haar eieren te bekogelen. Maar ze houdt zich vooralsnog gedeisd. Want de aanval is niet altijd de beste verdediging. Ze wil niet eindigen als coq au vin of vol-au-vent. Als er één kip is die niet mag eindigen in een pot, dan is zij het wel. Diersoorten sterven uit. Zij kan de oermoeder worden van een nieuwe soort: de Robinson-kippen-te-land, het Vlaamse Bermkieken, het Grote Ring-pluimvee, de Vuilwit Gevederde Kortrijk-Noord Scharrelaar. Kipvrij, maar toch gevangen. Kiplekker, maar niet veel soeps.


    We benijden haar. We krijgen er kippenvel van, ei zo na. Van snavel tot kont is ze kerngezond. En vrijwel dagelijks denderen er kippenbatterijen op wielen voorbij, volgepropt met ongelukkige soortgenoten. Die passeren dan de vogelvrije kip. Maar of ze echt helemaal echt gelukkig is, tot in al haar veren, betwijfelen we. Alleen is maar alleen. Ook al zaai je eieren waar twee voltijdse paashazen hun handen vol aan zouden hebben.


    01-07-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.313: Men

    MEN

    Mensheid gedeeld door mens = men. Het grote probleem van men is onzichtbaarheid. Men lijkt telkenmale te worden overgeslagen. Men wordt vergeten. Men is niet gekend. Heeft men dit over zichzelf afgeroepen door in zijn prille jeugd aan de goede man steevast een berenpels te vragen waarin men zich zou hullen teneinde onherkenbaar de mensen de stuipen op het lijf te jagen? Was deze verholen roep om aandacht de kiem van zijn latere ontstentenis in de gedachten van de anderen? Was er toen al iets loos met dat vel van de beer? Zitten de talrijke pseudoniemen waarvan men zich in de loop der tijden bediende hier voor iets tussen? Weten de anderen niet meer met wie ze nu eigenlijk te maken hebben? Het probleem is zelfs paradoxaal geworden: hoe opvallender men er soms bij loopt, hoe minder men hem opmerkt. Is men misschien aangestoken door een extreem virus afkomstig van De Onzichtbare Man, dat hem compleet doorzichtig maakt? In het allerbeste geval is er iemand die hem op de valreep opmerkt of vermeldt: ‘O ja, en dan is er ook nog… ‘ Het is hem al tientallen malen overkomen.

    Dus besluit men daar iets aan te doen. Men wordt niet gezien? Men blijft onopgemerkt? Goed dan. Ze zullen wel eens zien. En men slaat aan het moorden. Men klopt iemand de hersenpan in met een diepgevroren schapenbout die men daarna opeet. Men drijft met een hamer een scheepsnagel door de kruin van een onfortuinlijke waarna men hem van een dak gooit. Men herhaalt dit, zodat een serie ontstaat. Herhaling werkt bij de mensen. Andy Warhol had dat door en vond het opnieuw uit. Eén Mao of Marilyn maakt geen indruk; meerdere Mao’s of Marilyns doen dat wel.

    En of men hem begon te kennen! Maar nu hadden de anderen een probleem. Men was de mensheid gedeeld door mens. Wie was men eigenlijk? En was iedereen niet een beetje men? Had iedereen niet al eens ooit in zijn leven iemand in gedachten vermoord? Men werd het onderwerp van analyses, discussies en boeken. Een van de grote vragen hierbij was: waarom laat men na elke slachtpartij op de plek van de misdaad een teddybeertje achter? Was hier andermaal sprake van een moeilijke jeugd?

    De zielenkunde (en alle aanverwante concrete wetenschappen en dito kundes) bleek echter nog in haar kinderschoenen te staan. Het totale pakket aan specialisten ter zake kon die moordzucht noch beheersen noch begrijpen. Het was nochtans doodsimpel: het vel van de beer. De goede man was in gebreke gebleven. Dat heeft zich later gewroken.


    15-06-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.312: Bruder Lustig

    BRUDER LUSTIG

    Een honderdtal boeken en boekjes van mijn hand heeft het licht gezien. Ik heb dingen verzameld en weer weggegooid. Ik heb gelezen, geschreven, gehaat en liefgehad. Mijn haren zijn nu wit, maar de meeste weigeren mijn kop te verlaten. Ik heb ze ooit dit bevel gegeven. Ik draag ze ook lang, voor een reden die ik mee in mijn urne zal nemen. Mij niet gezien in Hairport, Haar Zaak, Hem & Haar, Ben Hair of Haircules.


    Ik kan dus voorlopig nog best wel als een tamelijk tevreden en opgewekte kerel door de stad stuiteren, maar bespaar me het ‘dagelijkse grapje’ of het wekelijkse ‘wist-je-datje’ in de krant of op het internet. Ook de mop van de oen die een uur later met mij aan de toog van café De Woede der Noormannen staat, zal ik met wrangheid beantwoorden. Zelfs zijn weetje, dat hij ongetwijfeld op National Geographic Channel heeft gejat, zal ik ongenadig beantwoorden met een dodelijke blik. Onze ontmoeting zal wellicht de laatste zijn. Als een volstrekt onbekommerde Vrolijke Frans zal ik daarna mijn pint kapseizen in de krocht van mijn keelgat, waarna ik het over een geheel andere boeg zal gooien. Het gesprek (zo daar al sprake van is) een eigen kant op sturen, is namelijk nog erger dan niet of meesmuilend reageren op andermans verbale roerselen, toch in de veronderstelling dat het intelligentiequotiënt van de tegenpartij kan wedijveren met de verkoopprijs van een bakje kiwi’s. De wereld barst van de overbodige mededelingen en de loze meldingen. Mochten deze kunnen ontbreken en vervangen worden door het ruisen van zinvolle en niet-verplichte stilte, dan zou dat zoveel aangenamer zijn. Zielenzalf. Echt oorsmeer. Minder getoeter. Minder oorontstekingen. Geen lolbroeken of automatische piloten die het luchtruim tussen mensen verstoren. Laten we met z’n allen af en toe oorverdovend zwijgen.


    Dat ik daarnet het beeld van een Vrolijke Frans gebruikte, mag u niet op een dwaalspoor brengen. Ik sta niet te schreeuwen op tribunes. Ik beweeg me niet in groep naar ‘optredens’ of voetbaltempels. Ik rol geen kleurrijke kameleontong elk oudjaar onverwacht voor mij uit, gepaard gaande met schrille feestgeluiden. Ik deponeer geen fopdrollen of scheetkussens op stoelen. Ik knijp niemand onverwacht in haar zitvlees. Ik wapper niet met serpentines op de vooravond van de vasten. Ik draag nooit een papieren hoedje op bruiloften. Ik hos zeker nooit rond in polonaiseslierten. Een zeldzame keer betrapt in een massale manifestatie besta ik het zelfs geluidloos te scanderen of te roepen, mee met de meute, de vuist even geheven, alsof ik erbij hoor. Mimiek en lichaamstaal moeten volstaan. Desnoods zet ik mee een sprintje in met de voorhoede. Maar daar houdt het op. Ik heb een zwakke stem en wens die te sparen voor gelegenheden die er toe doen. Bovendien ga ik gewoonlijk maar voor de helft (of helemaal niet) akkoord met ‘men’: het hoofdpersonage van de modale mensheid. Mensheid gedeeld door mens = men.


    Ik heb een fysieke afkeer van schepsels wier mond een bazuin geworden is. Dat zijn de ergste ‘mennen’. Het verschil tussen borstvoeding en worstvoeding is klein. Het waren de eersten die in de ‘expressieve’ lessen op hun Boem-Paukeslagschool een snor op hun bovenlip stiftten, uitbundig in de verkleedkoffer van juffrouw Zonnebloem of meester Pijpensteel graaiden en met behulp van een halve kilogram gel hun haar steil achterover harkten. Het begin van een acteercarrière, die hun hele leven zou blijven duren. Die gespeelde opgewektheid, die zich bij gebrek aan echt talent en podium stuitend uit middels een hoog debiet aan moppen, sociaal geleuter, bombast en gelegenheidsretoriek ter hoogte van rode wijn, camembert en kampvuren, daar heb ik ook een grondige geestelijke afkeer van. Bling bling, ping ping: de schijn van heiligheid. Geef mij whisky, Stilton, wind en een afgelegen eiland. Gun mij de Hebriden. Zend mij naar Shetland. Daarom ook is het passend en billijk weg te blijven van het verenigingsleven, al dolen ook daar sombere zielen in rond die het nog niet gevonden hebben. Maar het enige wat er te vinden valt, is dat er niets te vinden valt. Ook al wordt het omgekeerde ons wijsgemaakt door creaturen die posterpraat en slogans slijten, en die baat hebben bij de sombere zoektochten van die zwarte zielen.


    23-05-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.311: Signeergesprek

    SIGNEERGESPREK

    - Is het grappig?
    - Het leest grappig.
    - Wat bedoel je?
    - Wat er gebeurt, is helemaal niet grappig. Wel hoe het wordt verteld. Hoe het is geschreven.
    - Glijdt er dan niemand over een bananenschil uit?
    - Nee. Ha ha.
    - Floept er dan eens geen tiet tevoorschijn? Zoals bij de weervrouw op televisie?
    - Ha ha, het is misschien een weerman.
    - Ook geen achtervolging?
    - Nee.
    - Ontploffing?
    - Noppes.
    - Tja…
    - U hoeft het voor mijn part niet te kopen, hoor.
    - Maar u zou toch signaleren?
    - Sorry?
    - U zou signaleren.
    - Eh?
    - Dat stond op de uitnodiging. U zou signaleren.
    - Eh… signeren, zult u bedoelen?
    - O, is het dat? Ik dacht: signaleren, seinen, geheime wachtwoorden, vliegdekschepen, spionnen… Je weet wel. Het gaat dus toch niet daarover?
    - Nee.
    - Geen signaleren?
    - Nee. Wilt u nu het boek? Hoe heet u? Zal ik het sign…
    - Nee, ik ben meer voor het signaleren. Actie, zoals op tv.
    - Ah ja.


    Mismoedig staarde de schrijver de boekenbeursbezoeker na. Die bereikte heelhuids de uitgang. Niemand stak hem een mes in de rug. Geen dolgedraaide extremist maaide hem met een ongenadige kogelregen neer. Hij kreeg geen hartaanval. Het volgende boek van de auteur die momenteel even niet zat te signeren op stand 34 zou druipen van het bloed.




                                                  COPYRIGHT JORIS DENOO
    ZIELSVERWANTE LINKS
  • Een blauwe plek
  • Verhalen
  • Meester in de Vakken
  • Plankenkoorts
  • Poëzie
  • Romans
  • Moord!
  • Romans & Theater
  • Miljarden flarden

    Blog als favoriet !

    Foto

    Foto

    Sjors DNO eind vorige eeuw in een sneeuwstorm in Chicago


    Mail

    Druk op de knop


    Archief per jaar
  • 2018
  • 2017
  • 2016
  • 2015
  • 2014
  • 2013
  • 2012
  • 2011
  • 2010
  • 2009
  • 2008
  • 2007
  • 2006
  • 2005

    Foto

    Foto

    Foto

                       IK ALS UK
    Foto

    Me reading HARDZIEK, romandebuut Sarah Denoo

    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!