NIEUW: Blog reclamevrij maken?
SCHUINE TEKSTEN
Inhoud blog
  • 345: Gillers
  • 344: Heiligenleven
  • 343: BW-V
  • 342: Kuur
  • 341: Eerlijke vlinder
  • 340: Avond in VL
  • 339: Goj
  • 338: Zwart gat
  • Detectiepoëzie
  • 337: Curieusneus
  • 336: Hair
  • 335: Upperdog
  • Presentaties Upperdog
  • 334: De Bom
  • 333: Poldercrimi
  • 332: Klein Thailand
  • 331: Opdoffers
  • 330: Wind
  • 329: Hongerije
  • 328: Café
  • 327: Alle regen
  • 326: Hondenleven
  • 325: H... H... H...
  • 324: Roeping
  • 323: Houten koppen
  • 322: Mooilijk
  • 321: Perte totale
  • 320: Goede man
  • 319: Enig kind
  • 318: Fibo
  • 317: Dialoog
  • 316: Etaoin shrdlu
  • 315: Roland
  • 314: Bermkip
  • 313: Men
  • 312: Bruder Lustig
  • 311: Signeergesprek
  • 310: Rook
  • 309: Ode aan mijn bh
  • 308: Alfa
  • 307: Vijgen voor Pasen
  • 306: Wereldsmart
  • 305: Jonge ouderen
  • 304: De Boekenkrijg
  • 303: www.zot.com.bébé
  • 302: Echte fictie
  • 301: Mundial
  • 300: De Felle
  • 299: Westlof
  • 298: Lam Gods
  • 297: Jacky
  • 296: Hop paardje hop!
  • 295: God?
  • 294: Acoliet
  • 293: PP
  • 292: Netwerk
  • 291: Leffaards
  • 290: Het varkensei
  • 289: Geheim
  • 288: Geknipt
  • 287: Geloof
  • 286: Stommeling
  • 285: Een aardig ding
  • 265: VRESELIJK
  • 284: Kloon
  • 283: Allojjo
  • 282: Schaakstuk
  • 281: Communicatie
  • 280: Figuur
  • 279: Hairbag
  • 278: Lijstjes
  • 277: Jos, Joste, Gejost
  • 276: Melk?
  • 274: Frinch fraais
  • 273: Mager Heineken
  • 272: Appartemens
  • 271: Gestopt
  • 270: Ik zou u schrijven
  • 269: Koksmonoloog
  • 268: Een photo
  • 267: Getetter & Getoeter
  • 266: Water
  • 264: Beu
  • 263: Acteur
  • 262: Vederlands
  • 261: Etters & Engelen
  • 260: Men spele...
  • 259: Kwaak
  • 258: Geschoold
  • 257: A la recherche
  • 256: WJZBJZ
  • 255: Eindelijk
  • 254: 'Het' gezin
  • 253: Repetitieruis
  • 252: Kiespijn
  • 251: Reis Hiernamaals
  • 249: Gezondheid
  • 248: Speeltijden
  • 247: Rood licht
  • 246: Ruis
  • 245: Weg
  • 244: Mom
  • 243: HET JAAR ELF
  • 242: Kloon
  • 241: In de put
  • 240: Huid & Haar
  • 239: Zomer 11
  • 238: Duimen maar
  • 237: Poirot
  • 236: Smoke
  • 235: Collateral
  • 234: Nachtraven
  • 233: Undercover
  • 232: Frietpeace
  • 231: Kopie-Kopie
  • 230: Gezeid is gezeid
  • 229: Vreemde man
  • 228: Een stuk
  • 227: België
  • 226: Mijn meesters
  • DRAMA
  • 225: GVD
  • 224: Veldinterview
  • 223: Sprook
  • 222: Zappa
  • 221: Een bod op God
  • 220: Curryculum Vitae
  • 219: Tovenaar
  • 218: Perspest
  • 217: Animatietype
  • 216: Ruim
  • 215: De erwt
  • 214: Podiumbeest
  • 213: Mobiliteit
  • 212: Twee tijgereieren
  • 211: De kus
  • 210: Wolf
  • 209: Een reus
  • 208: Opsporingsbericht
  • 207: K met zuurpruim
  • 206: Volksverlakkerij
  • 205: Doppedrop
  • 204: Kap
  • 203: Affiche
  • 202: Regen
  • 201: Stuk
  • 200: Hair
  • 199: Wie A zegt
  • 198: Bijsluiter
  • 197: TV
  • 196: Arno
  • 195: Letters & Letteren
  • 194: Taalkunde
  • 193: Onder de zon
  • 192: Besparen
  • 191: De goede man
  • 190: Van die dagen
  • 189: Zwarte zwaan
  • 188: Questionnaire
  • 187: Say cheese
  • 186: Loteling
  • 185: Een zwaluw
  • 184: Grijs
  • 183: Claus
  • 182: Liefhebber
  • 181: Monumenten
  • 180: Erger
  • 179: Landbouw
  • 178: Bijna
  • 177: Onafhankelijkheid
  • 176: Zo fout als wat
  • 175: Wei-gevoel
  • 174: Merk
  • 173: Mens
  • 172: Pikant
  • 171: 50 vragen
  • 170: Jinx
  • 169: Wiskunst
  • 167: Met alle Chinezen
  • 166: Mooiste woorden
  • 165: Rijm
  • 164: Internetman
  • 163: EVBO
  • 162: Hondenleven
  • 161: Carrière
  • 160: Coureur local
  • 159: Kip ik heb je
  • 158: Politiek programma
  • 157: Design
  • 156: Kreeft
  • 155: Nicotine
  • 154: Gastronomen
  • 153: Verleiden
  • 152: Opinie
  • 151: 1e hulp in gevallen
  • 150: Verzamelwoedend
  • 149: Fakir
  • 148: Cliché
  • 147: Iets anders
  • 146: Uit de kunst
    Zoeken in blog

    Foto
    Aan de sneeuwzee in Vlaanderen, februari 2012
    Foto

    Jowan & Joris in Stotendorp Heule

    Foto

            Red shoes Wilma

    Foto

    Younger me, already salt 'n pepper

    DEZE KANT BOVEN (Sjors DNO)
    SCHUINE TEKSTEN
    01-04-2019
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.343: BW-V

    BW-V

    Ik reikte op een decemberavond eind vorige eeuw een postume prijs uit aan eerwaarde heer dichter Guido Gezelle (omdat ik toen zelf de Gezelle Poëzie Prijs gewonnen had): de man was West-Vlaming Van Het Jaar 1999, categorie cultuur natuurlijk. Ensor deed toen ook mee. Willy Leloup, toenmalig conservator van het Gezellemuseum, nam de trofee in ontvangst. Tijdens zijn levend leven viel Guido Gezelle niet zo vaak in de prijzen. Hij was zelfs niet eens zo bekend als nu. Maar prijzen… ach. Een prijs aan iemand toekennen is ok anderen niet bekronen. En er wonen toch wel fameuze kleppers in deze platte provincie hier: schrijvers, politici, koks, schilders… West-Vlaanderen is allang Mest-Vlaanderen niet meer. We zijn, ju ju, een druk volkje dat naarstig voortdoet. We hebben al BW-V’s gehad van in het parlement tot in de gevangenis. We hebben slagvelden en we hadden zelfs even een vreedzame taalvallei. En waar werd de Wapenstilstand getekend? En waar beten de Fransen eens in het zand (nou: modder) van de Kouter? En waar hield het Belgisch leger ooit stand? Streuvels, Gezelle, Permeke, Ensor, Claus, Snoek. Mooi rijtje voor een gezelschapsspelletje ‘Ken uw klassiekers’. McEnroe, Sampras, Gezelle: wie past niet bij deze gezellen? McEnroe kan niet schrijven, Sampras is geen West-Vlaamse tennisspeler. Schiet over Gezelle. Beroemde West-Vlaamse steden: Oostende, zijn springtij, Kortrijk, zijn begraafplaats, Brugge, zijn fotoapparaten, Ieper, zijn oorlog, Poperinge, zijn vergezichten als er geen hopstaken staan. Ja, voorwaar: het is een voordeel in westelijk Vlaanderen te wonen. Je wordt niet gevraagd voor debiele tv-spelletjes. Je moet niet in de ‘juiste’ cafés in Antwerpen of Brussel gaan zitten apegapen om een boek gepubliceerd te krijgen of geld te zamelen voor een stomme film. Iedereen laat je gerust. Ze kennen je niet. Gezelle, Ensor, Permeke, Streuvels, weet je wel. Sedert Mathilde haar Blijde Intrede deed, hebben we er ook een BW-V bij: de oud-burgervader van Hopstad. Hij was in de mis. Hij stond op de foto’s. Hij knikte goedkeurend in het Brusselse stadhuis. Het was gezien. Het was niet onopgemerkt gebleven. Maar nu…

    ‘The west is the best’, zong wijlen Jim Morrison van The Doors. Hij had gelijk. We zijn zelfs de enige Belgische provincie met een zee en een kust. Ze komen hier van heinde en verre hun Niveadozen lozen en hun frigoboxen parkeren. We grenzen aan twee landen waarvan de vlaggen sterk op elkaar lijken. Met onze kont schurken we tegen de camembert aan; onze wang schuurt even langs de gouda. Waar kun je nog beter zijn?   


    01-03-2019
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.342: Kuur

    KUUR

    Ik ging naar de dokter in mijn inktzwarte Saab. De geneesheer was een zeer mooie vrouw van 88. Ze rookte een sigaar en nipte af en toe van een glas tequila. ‘Wat is er met jou aan de hand, Denoo Joris?’ vroeg ze, terwijl ze het sigarenbandje lospeuterde en in de asbak deponeerde. Ik zei naar waarheid: ‘Wel, mevrouw de geneesheer, ik onderga momenteel een opstoot van wereldsmart. Er staat water in de machinekamer van mijn hart.’ Ze knikte en hoestte begrijpend. ‘Dat rijmt hé.’ ‘Dat is toeval. Ik heb er niet om gedaan. Het is vanzelf gegaan. Oei, alweer.’ ‘Ik schrijf je iets voor, ouwe jongen. Weliswaar niet op rijm.’ ‘Mag ik de woning verlaten?’ vroeg ik ongerust. ‘Reken maar,’ glimlachte ze.

    In mijn bemotregende Saab vouwde ik even later het voorschrift open. In onleesbaar handschrift stond erop: ‘Drie weken rust in hotel California in de woestijn. Patiënt moet als een vip behandeld worden.’ ‘Eindelijk een begrijpende arts,’ mompelde ik. Ik verhuisde mijn parelhoenders naar het asiel, pakte in en vertrok met het vliegtuig.

    Twintig sigaretten later stond ik voor hotel California. En ja, ik merkte het subiet: dit was op maat gemaakt voor mij. Hier zou mijn wereldsmart wegsmelten als sneeuw voor de zon en kon ik dat water uit de machinekamer van mijn hart hozen. Het waaide ook heerlijk. Wat zeg ik: het woei! Dat geeft het beter weer. Ik kreeg een ruime kamer met bubbelbad en zicht op de woestijn. In die woestijn was niets te zien, maar dat heb ik graag zo: het oog wil ook eens rust, in plaats van om de haverklap tegen de lelijke muren van het zoveelste bankgebouw op te botsen.

    De eerste avond al raakte ik in gesprek met Jodie Foster, in de oesterbar. Ze bleek de kamer vlak naast die van mij te betrekken. Haar dokter had haar drie weken pauze voorgeschreven. Take three. Tijd voor een break. We dronken samen enkele flessen Californische wijn en slurpten menige oester tegen ons zevende gehemelte. Aan een andere tafel zaten Neil Young en Van Morrison gezellig ruzie te maken. ‘Het ware beter, Jodie,’ zo sprak ik, ‘dat wij elkaar tijdens deze drie weken alleen aan tafel zien. Zielenrust gaat boven alles. En ik wil verse energie opdoen en van de woestijn en zijn winden genieten.’ ‘Dat is best oké, Denoo Joris,’ knikte Jodie. ‘Ik begrijp dat volkomen. Trouwens: ik heb zelf gezelschap. Ik heb mijn konijn Dubbeloor meegebracht.’ ‘Dat konijn mag van geluk spreken.’

    En aldus geschiedde. Elke dag at ik, met mate, zeevruchten, T-bonesteaks, haaienvin, kaviaarpatatjes en sushi met de BA (Bekende Amerikaan) Jodie Foster. Voor de rest lieten we elkaar met rust. Des avonds ondernam ik woestijnwandelingen. Overdag las ik aan de bar enkele bladzijden uit Under the Volcano, een boek over een aan alcohol en aftershave verslaafde ex-consul in Mexico. Het werden mooie weken. En het woei stevig. Ik leerde diverse Amerikaanse wijnen en bourbons kennen. Ik luisterde naar oude muziek uit mijn jonge jaren van onverstand. Ik schreef twee ouderwetse lange brieven die ik niet verzond. Ik ging in de woestijn zitten om met mezelf te praten. Dat was heel leerrijk en aangenaam. Soms wuifde Jodie Foster even vanuit haar raam. Een keer gingen we samen zwemmen. Na drie weken was ze plotseling foetsie, zonder afscheid van me te nemen. Wel trof ik een grote ruiker gele rozen op mijn nachttafel aan. Terstond begon ik te schrijven aan een boek: ‘Mijn leven met Jodie’.

    Na drie fantastische weken nam ik het vliegtuig terug naar huis. Er was maar één schaduwkantje aan deze periode: toen ik uit de woestijn van de US of A terugkwam, ging mijn lieve dokter dood. De doodsoorzaak was ouderdom. Nu mocht zij voor altijd haar woning verlaten.


    13-02-2019
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.341: Eerlijke vlinder

    EERLIJKE VLINDER            

    De kaaskleurige maan verdween aan de hemel en in de plaats daarvan kwam de eierdooier van de zon in de lucht dobberen. De dieren van de nacht verdwenen of gingen slapen. De dieren van de dag ontwaakten. Alleen de mot wist niet goed meer waar hij het had. Het daglicht deed hem wat pijn aan de ogen. En wat meer was: die kleuren! Had je dat ooit gezien!? Daar kwam een pracht van een vlinder aangefladderd. Mooier kon een gevleugelde niet zijn. De mot wreef zijn ogen uit en monsterde zijn eigen evenbeeld in de weerschijn van een raam.

    ‘We heb je van je leven!’ riep hij ontgoocheld uit toen hij zichzelf bekeek. ‘Lieve God! Waarom mocht ik geen vlinder zijn en ben ik maar een doodgewone mot?’
    De vlinder streek naast hem neer.
    ‘Ach ach motje,’ zei die troostend. ‘Het zijn niet de kleuren die het hem doen, niet de kleren, niet de snit, maar alles wat vanbinnen zit. Soms voel ik me best wel mottig, hoor.’ 
    ‘Maar jij bent zo mooi en leuk. En ik zo grijs en saai,’ zuchtte de mot. ‘Je weet toch wat ze zeggen: vlinders in de buik. Wat een aardig compliment voor jou. En ik moet het maar stellen met motregen en kou.’
    ‘Tja,’ zei de vlinder, ‘zo zit de wereld in elkaar. De een krijgt poeder en een schattig pakje, de ander moet het stellen met wat stekelhaar. Trek het je niet aan, wees blij dat je leeft, en dat een ander motje om je geeft.’
    ‘Jij bent tenminste een eerlijke vlinder,’ zei de mot. ‘Ik zou je een knuffel willen geven.’
    ‘Mot je horen,’ zei de vlinder. ‘Ik vind jou ook niet minder. Maar pas op voor mijn poeder, anders zwaait het er wat van mijn moeder.’ 

    Zo was er altijd wat. De vlinder en de mot draaiden niet meer rond de pot. Ze knuffelden even en vlogen dan tevreden een nieuwe dag tegemoet.


    22-01-2019
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.340: Avond in VL

    EEN AVOND IN VLAANDEREN


    Een dikke verboden rookkolom stijgt op. Kerstboomverbranding in een achtertuin. Binnenkort paaseierensmelting. Eerst nog de epidemie van Driekoningen. Zevenentachtig half verklede kinderen bellen aan en proberen wat te zingen. Een man zapt zichzelf in slaap. Iemand zegt tegen iemand: ‘Ge kunt ze kussen’. Een dronken fietser valt net niet. Hond met biefstukoren wandelt met man aan lijn. Het is driekwartmaan. Om de anderhalve seconde wordt iemand geboren of vermoord. Iedereen wordt vanavond een avond ouder. Iemand plant haar kerstboom tot volgend jaar. Zij weet nog niet wie van de twee zal sterven. Zij of de boom. Een renner eet drie rijsttaartjes: de voorjaarsklassiekers staan voor de deur. Zijn vrouw is zwanger van een voetballertje dat binnenkort halfdood geschopt zal worden. Om halfelf gaat de telefoon niet. Ook de smartphone zwijgt als vermoord. Hij had moeten gaan. Hij had niet moeten gaan. Internetters en gamers wrijven zich de slaap uit hun konijnenogen. Met een bibberend muishandje plukken ze een icetea uit de frigo. Iemand gaat vroeg slapen en heeft een nachtmerrie omdat hij te veel cappuccino’s heeft gedronken. Hij droomt dat hij Dutroux onder de guillotine terecht moet stellen, maar dat lukt niet: de helft van het grijnslachende gelaat van Dutroux schiet over. En hij leeft nog. De man besluit nooit meer te slapen. Een oude politicus wordt wakker door kindergekrijs. Hij kan echter de borst niet geven, dat is slecht voor zijn hart. Een meisje droomt dat het kan vliegen. Een rijwoning schiet in brand. Even verderop gebeurt een weekongeval. Eens iets anders dan een weekendongeval. Een hond krijgt de stuipen, maar niemand ziet het. Een stiefvader leest voor uit een verzamelbundel sprookjes. Het kind heeft hoge koorts, en het is het zijne niet. Een egel komt stiekem drinken uit het kommetje van de poes. Houden egels van melk? ‘Ge kunt ze ook kussen,’ zegt iemand tegen iemand. Een ander iemand zit twijfelend en weifelend aan de telefoon. Zal hij of zal hij niet? Bij de hulplijn neemt niemand op. De apotheker van wacht krijgt een hartinfarct. Hij had de vervaldatum overschreden. Een toneelstuk krijgt duimapplaus van het publiek. Een meisje van tien schrijft bij kaarslicht haar eerste gedicht. Ofwel sterft ze onbekend, ofwel wint ze de Nobelprijs. ‘Onbekend is onbemand,’ zegt een dronken filosoof in een praatcafé. Het is de laatste avond van de cafébaas: volgende week probeert hij zijn geluk met een croissanterie aan de kust. Iemand groet u van harte. Levenslustig Vlaanderen valt in slaap.


    01-01-2019
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.339: Goj

    GOEDE OUDE JORIS

    (Het goj of gentile kwaliteitslabel)

    Oude Joris dronk goede rode wijnen. Aan galg en rad ontsnapte hij, ofschoon hij zwart en scherp verkoos aangaande tint van zijn gemoed en smaak van zijn gedachten. Oude Joris pamperde zijn knoken met mooie kleren, milde mosterd en de juiste oliën uit de goede noten. Prut was niet aan hem besteed. Echte mortel vroeg zijn kathedraal. Oude Joris trok zijn neus niet op voor vis. Hetzelfde dient gezegd van centen. Boter was zijn motto; de gladheid van de aal droeg zijn voorkeur weg. Hij werd een vinnige oude van dagen. Oude Joris droeg zijn linkerhart rustig tikkend door de jaren heen. Hij was een tijdbom als eenieder, maar leefde in gedoogzones van kwaliteit en welbevinden. Oude Joris bezat ook de boeken. Uitgelezen stonden ze te kijk. Hij bliefde nu geen letters meer, maar hield ze zindelijk te boek. Meer kon hij niet voor ze betekenen. Oude Joris hield van wind en regen. Ook dat aspect boeide hem zeer. Onweer baarde hem geen grote zorgen. Integendeel: gedonder en gewapper waren voor hem het spetterende einde. Oude Joris vond een zee ondersteboven een woestijn en dit laatste landschap dan weer omgekeerd een zee. Idem dito voor de boomkruin en de ondergrondse wortel. Alles was spiegeling. Oude Joris gaf in alle rust de geest. Ontsnapt aan vuur- en waterproef. Gekleed op zijn paasbest, op een zeer goede vrijdag, zijn hart verdeeld in links en rechts. De boeken waren neergelegd. Het motregende die dag. Lucht en aarde zagen grijs. Goede Oude Joris: goede reis.

     


    08-12-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.338: Zwart gat

    ZWART GAT


    Het continuüm bestaat uit de dommekrachten tijd, ruimte en zwaartekracht. Er bestaat ook een huwelijk tussen snelheid en relativiteit. De mens wordt ouder, verplaatst zich vlotter (hoewel: hoe mobieler, hoe immobieler… hebbes?) en valt af en toe op zijn bakkes. Snelheid is de domste kracht: die wordt kunstmatig ontwikkeld, met behulp van toestellen. (Zie ook: rally, Formule 1, F-16, HST, Agusta, Concorde). Alleen menselijke snelheid is interessant en ongevaarlijk. (Zie ook: Bolt, Borlée). Jammer: men wordt er niet jonger op. Men vindt ergens anders net dezelfde ellende als in de eigen achtertuin. ‘Il faut cultiver son jardin’. Aldus luidde het besluit van Voltaire in zijn Candide. Men valt ook nooit eens omhoog. (Uitzondering: sommige pluimstrijkende minkukels die het plotseling voor het zeggen krijgen; er zijn enkele benamingen voor dit verschijnsel). Ik vind zowel de gedachte als het woord ‘continuüm’ interessant, ook al worden die gretig gebruikt en misbruikt in Star Trek/Deep Space Nine/The Next Generation en al van dat televisiefraais met van die rare ruimtepakjes. Ik kan het niet helpen, maar in verband met de begrippen ‘kosmos’ en ‘heelal’ en dergelijke krijg ik vaak associaties met schildpadden en met een soort van baldadig godje dat duchtig met hun en onze voeten aan het rammelen is. Dat godje is dan een spelend kind, dat willekeurig kan beslissen de kop van een pop te rukken of zijn oogjes uit te steken. Die schildpadden behoren tot de zwevende zeeschildpadden van Oman, de bekende Galàpagosbeesten (waar Darwin vinken aanvinkte) of de soepschildpadden die na 1 seconde ademhappen 9 minuten onder water blijven met maar 1 hartslag. Goed voor een lekker soepje dus. Schildpadden: 150 miljoen jaar oud, vaak zelf ook eeuwelingen, traag en vlug, wreed en zacht (ooit vermoordde op het kleinste Galàpagoseiland zo’n schildpad een volwassen man), Jurassic en 21ste-eeuws. Een wereld op zich. Een soort van levende bewijzen van een aards continuüm. Een bewijs dat de wereld nooit zal vergaan, wegens te oud. Ze hebben de dino’s gezien. Ze hebben met Darwin gepraat. Einstein, Hawking en Jehova hebben over hun bestaan nagedacht, over die dieren die een halve wereldbol op hun rug torsen. Schuldpadden dus. De macrokosmos weerspiegelt zich in de microkosmos. Pakweg: een kopje koffie of een schildpad. God zit in het detail, maar de duivel ook.

    Dit alles valt te lezen in het logboek van astronaut Captain Kurk. Het is vele bladzijden ‘stardates’ dik. Het verhaalt over dapperen die gingen waar nooit voorheen iemand anders geweest was. Over de bodem van een glas whisky vaart een schip. In een luchtbel drijft stateloos een zeppelin. Continuüm. Zwart gat. Voor de rest gaat alles goed.   


    28-11-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Detectiepoëzie

    Publieksmoment metaaldetectie & poëzie

    Kom naar het publieksmoment over metaaldetectie op vrijdag 7 december 2018 in het Kunstencentrum Ten Bogaerde in Koksijde. Met een rondleiding over de geschiedenis van Ten Bogaerde, poëtische intermezzo's van dichter Joris Denoo en een kennismaking met het kunstwerk van Honoré d'O wordt deze presentatie over metaaldetectie door Roland De Cock een geanimeerde activiteit. 

    Programma

    U wordt verwelkomd om 13u30 met een toelichting over het kunstproject TOURELLONS! van Honoré d’O. Daarna verneemt u alles over de werking van metaaldetectie, de regelgeving en de determinatie van de vondsten in een presentatie van Roland Decock (metaaldetectorist).  Na deze uiteenzetting pauzeren we even met een streepje poëzie door dichter Joris Denoo en vervolgens laten we ons rondleiden op de historische site door K-ambassadeur Huguette Deck. We sluiten af met een glaasje.

    Dit publieksmoment is een organisatie van de dienst Cultuur & Erfgoed in samenwerking met het Agentschap Onroerend Erfgoed, het Poëziecentrum en het Vlaams Fonds der Letteren. 

    Schrijf je in voor 4 december. Deelname is gratis. 


    01-11-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.337: Curieusneus

    CURIEUSNEUS

     

    Lang geleden vond de Franse schrijver Marcel Proust een vragenlijst uit om de vrije tijd te ‘doden’. Antwoorden op die vragen werd als een gezelschapsspel beschouwd. Je mocht liegen, overdrijven, verhaaltjes ter illustratie uitvinden of de waarheid vertellen. Het mocht ook grappig zijn, of gemeend. Een bekende Vlaamse krant legde indertijd een aantal van die vragen aan enkele bekende mensen voor. Het vormt nog altijd een prettig tijdverdrijf of een interessante spreekoefening voor mensen met fantasie, humor, verstand en spreekvaardigheid die verder gaat dan ‘mijn hobby’s zijn voetbal en muziek’. Er zijn een dertigtal vragen, maar je kunt er ook zelf bijmaken. De bekendste: hoe luidt uw motto of devies? Hoe zou u willen sterven? Welke fout bij de m/v/x vergeeft u het makkelijkst? Wat is uw ideaal op aarde? Welke is uw voorkeurkleur? Voorkeurnaam? Voorkeurbloem? Componist? Wie is uw historische held? Wat verafschuwt u bovenal? Welke is uw overheersende karaktertrek? Wat is volgens u het concrete toppunt van ellende? Wie zou u geweest willen zijn? Welke historische figuur haat u het meest? Wat doet u het liefst? Welke eigenschap verkiest u in de m/v/x? Wat was uw mooiste droom?

    Je kon aan de boekenkast van iemand aflezen hoe hij min of meer in elkaar stak, maar je kunt het waarschijnlijk ook aan de hand van zijn/haar antwoorden op dergelijke vragen. Je kunt zelfs ontdekken dat zij/hij een schitterende leugenaar is. Of, met andere woorden, talent voor fictie heeft. Met de diverse antwoorden kun je net zo goed een verhaal bouwen. Bijvoorbeeld. Ik zou het liefst totaal onverwacht doodvallen op een vrijdag in de herfst in een mariablauwe lift tussen de zevende en de achtste verdieping van het Chelsea hotel in New York, kauwend op de stengel van een vergeet-mij-nietje, dagdromend over een onbewoond eiland waar het altijd waait en over mensen die het talent hebben andere mensen met rust te laten. Op de achtergrond wat lawaai van Mozart en Rachmaninov. Misschien een requiem. Omdat vliegen ook al vaker in mijn dromen opdook, zou andermaal een hartenwens in vervulling gaan, want als je doodgaat, vlieg je. Je vliegt eruit. Een keer de hemelpoort voorbij, zou ik het haten daar in het Rijk der Hemelen figuren aan te treffen als Nero, Hitler, Alexander de Grote, Napoleon, Mobutu en allerlei Bekende Vlamingen uit de Boekskes. In mijn zevende hemel moet het altijd waaien. Het mag ook wat regenen. Zeker weten dat ze er ook het vraagstaartspel spelen. Een vraag wordt er door iedereen op identiek dezelfde manier beantwoord. Als de Zalige Perlefien aan de Heilige Joyce (ik kies twee willekeurige namen) vraagt wat zij het toppunt van ellende vindt, dan antwoordt zij: ‘Het leven op aarde’. Dan fronst in de verte de schepper van hemel en aarde even boos het voorhoofd, maar ach: hij vergeet snel weer, want hij is ook maar een god, die mens geworden is, nietwaar. En de vraag ‘Hoe zou je willen sterven?’ wordt in die hemel natuurlijk niet meer gesteld. Die wordt vervangen door: ‘Er is weer een kok door het raam gesprongen. Wat eten we vanavond?’


    04-10-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.336: Hair

    HAIR


    In enkele kroegen zitten de Miekes en de Johans en de Hildes en de Peters diep in gedachten verzonken naar de Beatles en de Doors en de Stones te luisteren die alleen in hun hoofd spelen. Hun cafébazen laten namelijk uitsluitend nog behangmuziek en klassieke muziek horen: een late retraite op zoek naar verstand dat er eerst nooit was.

    De nacht valt. Vrouwen ontharen hun benen. Mannen nemen de benen. Steden en dorpen slapen in na gedane zaken. ‘Nog een laatste glas?’ stelt textielkunstenaar Oswald voor. Zijn avant-gardekuif glimt in het licht der lantaarnen. ‘Ja,’ knik ik niet ontkennend. Ik wil ook deze beker niet aan mij laten voorbijgaan. Op de bodem staat immers gegrift: ‘Meer is in u.’

    Ergens in de bescheiden centrumstad beweegt zich ook de fel benevelde kunstkenner Frangipane voort. Hij loopt nog net niet achteruit. Hij torst een postmodernistisch sjaaltje om zijn dikke nek en zoekt vruchteloos naar de kern van de zaak. ‘Hou uw straten rein!’ roept Oswald door het omlaag gedraaide autoraampje. Frangipane kijkt nauwelijks op. Hij zwiert een klis haar uit zijn ogen. Per ongeluk en toevallig behendig ontwijkt hij een pelotonnetje stedelijke vuilniszakken, maar schiet daarbij met zijn rechtervoet in de bladerblubber van de herfst. Hij bukt zich om met zijn zakdoek die schoen droog te wrijven. Als een eenzame eenhoorn in de doolhof van de stad zakt hij daarbij helaas totaal voorover. Verlaten wij hem thans weer.

    ‘Frangipane is een vrijdagkind,’ zeg ik tegen Oswalds hoofd. ‘Wat betekent dat dan?’ ‘Dat hij twee dagen te vroeg geboren is.’ De regen biggelt van de ramen in café De Weerwraak. ‘We komen van een vernissage in kunsthuis De Schemerlamp,’ delen we de patrones mee. ‘O,’ zegt ze. ‘En mochten jullie binnen zonder gekleurde haarlok of kaalgeroetsjte kop?’ ‘Geen probleem voor mij,’ antwoord ik. Over mijn kop is immers al jaren geleden een groot vat peper uitgestrooid. ‘Voor mij evenmin,’ zegt Oswald. Diens haar is al over zijn kruin tot in zijn nek gezakt. Een kransje schaamhaar stut hem nog.

    ‘Waar blijft al dat haar toch… ‘ mijmer ik hardop. ‘Welk haar?’ vraagt Oswald. ‘Dat een paar jaar geleden nog op je kop stond. Waar is het haar naartoe dat gedragen werd door alle huidige kaalkoppen op deze planeet? Ergens op deze wereld moet zich een enorme haarbol aan het ophopen zijn.’ ‘De wereld is aan de kaalkoppen,’ orakelt Oswald de textielkunstenaar. Dan komt plotseling een der mooiste meisjes uit nachtelijk Vlaanderen binnen. Haar rode haar stroomt als een waterval voortdurend naar beneden. Schuin op haar hoofd heeft ze een dikke tros van datzelfde haar samengestrikt. Die wijst als een dronken antenne ergens naar buiten westen. Ze vraagt een krok mesjeu en een Duvel. Oswald zucht diep. De tooglamp kletst een plas licht over zijn kaalkop uit.

    ‘Luister, bejaarde hippie,’ zegt hij dan, terwijl hij met treurige ossenogen naar de regenramen kijkt. ‘Het leven is een carwash waar we ons in onderdompelen in onze veel te kleine autootjes waarvan de ramen niet meer sluiten, terwijl het oude wijven regent.’ ‘Wauw!’ roep ik uit.


    05-09-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.335: Upperdog

    UPPERDOG. UPPER CLASS. UPPERCUT. Biotrilogie van Joris Denoo bij uitgeverij Bibliodroom ISBN 9789492515247

    Upperdog. We hebben Abraham gezien. We weten waar hij de mosterd haalt. We waren babyboomers, hippies en yuppies. We hebben moto’s in de prak gereden, marathons gelopen en we zijn gestopt met roken. We pamperden nazaten en begroeven voorouders. We vormen een flink deel van de flanken van de leeftijdspiramide. We hebben een ver verleden en een nabije toekomst. We hebben ervaring en centen. We zijn niet meer krimpvrij. Maar de media, reclame e.a. big brothers en sisters moeten eens ophouden met aftermidlifers alleen maar aan te spreken wanneer het gaat over licht urineverlies of karakterkoppen om streekbieren in te gieten. In dit boek is de rode draad het gevoel van vlak na When I’m Sixty-Four. In your face, melkmuilen! Oud maar niet out! De schrijver (een OJJO, ofte Oude Jongere/Jonge Oudere) vertolkt het stevig: hij voegt het woord bij de daad.   

    Upperdog speelt zich bovendien af in een biotoop die ook naar adem snakt: het verstedelijkte dorp, dat anno 1977 gefusioneerd werd met (in de volksmond: gefusilleerd door) de grotere broer stad, die een renaissance aan het beleven is. Men wil er zo graag wonen dat het anno 2020 volledig dichtgeslibd is met mensen en voertuigen allerhande, afgewisseld met parkeerpleinen en groenzones. Dit vormt het tweede deel van deze verhaalroman, Upper Class, waarin op eenzelfde manier met feit en fictie gespeeld wordt door de hilarische Rembert Anneessens, een anderik van de schrijver. Het blijft maar naar adem happen!

    Upperdog evoceert ten derde ook eindelijk, op velerlei verzoek, het supervreemde bestaan van alter ego of anderik Bjarne Donderdag. De schrijver bediende zich jarenlang van dat pseudoniem, soms tot wanhoop van bepaalde literaten. Deze spookkompaan kan ook op een merkwaardige bibliografie bogen, met inbegrip van een waslijstje nominaties en literaire prijsjes, vooral in Nederland. Zijn fictieve leven echter is nog veel onwaarschijnlijker. Een alibi? Een ware Uppercut!


    07-08-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Presentaties Upperdog

    T PLEIN KORTRIJK zondag 16 september 2018

    LITERATUUR IN BEWEGING | In het park krijg je drie uur lang woordkunst voor de kiezen. De Letterzetter van Kortrijk brengt samen met zijn collectief een ode aan Kortrijks auteur Joris Denoo.  Eerst is er 'Letter Tid' (14 tot 15 uur) waarbij Siebrand Craeynest een open podium optrekt voor dappere woordkunstenaars die een performance willen brengen. Daarna brengen enkele jonge kunstenaars uit het project Letterzetter een ode aan Joris Denoo (15 tot 16 uur) en tot slot laten we de meester zelf aan het woord over zijn nieuwste werk 'Upperdog' (16 tot 17 uur). Deze roman van Joris Denoo speelt zich af in Kortrijk en Heule, Italië, Zuid-Afrika en de Himalaya. Het is een trilogie over mens, stadsdorp en tijd. Pittig, picaresk, pruimig, puntig. De presentatie van deze roman gebeurt in een bijzonder pittoresk kader. Een tweede voorstelling, waarbij de auteur een voordracht geeft, omringd door Flo Rice & Beans (acoustic blues) vindt plaats in De Heerlijkheid Heule (aan het vintage station) op donderdag 27 september 2018 klokslag 20 u. 

    ‘Ik heb een boek geschreven. Het gaat over mijn leven, mijn stad, mijn deelgemeente en mijn anderik. Het is een biotrilogie die de genres dooreen hutselt en een foto morgana biedt die tot buiten zijn vermeende kader reikt. Het boek paaldanst met feiten en fictie, biografie en fantasie. Het is een kegelspel waar een greyhound in verschijnt. Om te beletten dat de staart met zijn hond kwispelt, doet de hond dat met zijn staart. Hij kegelt een en ander omver; een strike is het gevolg. De upper class van de underdog die een uppercut lanceert. En incasseert.’

    De roman bestaat uit drie delen. Driewerf up!

    Upperdog: een verhalende man op een plek in een tijd.
    Upper Class: een hilarische ode aan een stadsdorp.
    Uppercut: een thrillende inkijk in een anderik.

    Uitgeverij Bibliodroom publiceert dit boek t.g.v. de 65 jaren die de schrijver op deze blauwe plek in het heelal doorbracht. De kans is groot dat ook u in deze roman voorkomt. Misschien moet u dat even checken. U kan naar een van de presentaties komen (of beide – ze zullen anders zijn). U kan ook het boek bestellen via de uitgeverij info@bibliodroom.be (051486694 – 0475485078) of via joris.denoo@gmail.com (0479630279). Het losgeld zal des mensen zijn. We treffen de nodige maatregelen.   

    Bijlagen:
    cover.pdf (102.2 KB)   


    22-07-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.334: De Bom

    LEVEN MET DE BOM (M/V/X)


    ’18 gedeeld door 17 al, verdorie,’ mompelt Jezus Vandenberghe digitaal. In de omgeving van het Boudewijn-gedenkteken (een glimlach in een Ardense rots gehouwen) spoedt zich Marleen Davidoff naar de plaats van afspraak. Ze merkt daarbij niet dat ze een vijfkeerkomenkaart voor een serie Betere Horrorfilms verliest wanneer ze een papieren zakdoekje opdist. Nu wacht ze aan het zebrapad. Op straat is het glibberig. Een combinatie van fijn woestijnstof en westerse klamheid door aanhoudende vochtige droogte. Ze moet goed uitkijken: ze heeft al een zware zebraval achter de rug, goed voor anderhalve maand verblijf in het Stuyvesant-ziekenhuis. Kijk: het begint alweer onmerkbaar te motregenen. Jezus Vandenberghe wacht ongeduldig aan het bemoste en door duiven besmeurde Interbellum-monument. Hij krijgt het al een beetje op de heupen. Kan die Marleen nu nooit eens op tijd arriveren? Altijd is er wat. Tot grote verbazing van Marleen Davidoff en de groep wachtenden wordt het rode voetgangerslicht nu blauw. ‘Verdomd!’. ‘Kijk nu!’ ‘Zie je dat?’ ‘Maar… !’ Gebiologeerd kijkt iedereen toe. Niemand beweegt. Wat te doen bij blauw? Stilstaand blauw? Blauw zwieplicht is gekend, maar stilstaand… Nu stremt ook het verkeer. De grote lichten blijven op blauw, overal in de stad. ‘Van nu af is ze echt te laat! Ik ga haar zeker niet zelf tegemoet, nààh!,’ mompelt Jezus Vandenberghe balorig. Op het Interbellum-monument strijkt een klad lijkwitte duiven neer. Een felle blauwe flash striemt plotseling de hemel. Niemand heeft het gezien. Dan komen de mensen en de auto’s weer in beweging. Rood, oranje, groen. ‘Hèhè!’ ‘Eindelijk zeg!’ ‘Sorry hoor Jezus! Ik kon onmogelijk…‘ ‘Al goed, al goed,’ bromt Jezus Vandenberghe. Ze gaan een pizzeria binnen.

    Inmiddels… op de planeet Parnas. ‘Gedurende ongeveer vijftien minuten kunnen we hun zintuigen en hun geheugen manipuleren,’ rapporteert ingenieur Huksli aan overste Blauwbaard. ‘En alles en iedereen blijft overeind, ongedeerd. Alleen die verrekte verkeerslichten op aarde… daar hebben we nog last mee, ziet u. Dat is een ander paar mouwen.’ ‘Tja, dat nevenverschijnsel moet je maar eens met je team apart onder de loep nemen, Huksli,’ antwoordt overste Blauwbaard. ‘Je hebt alvast de CVV verdiend. We zijn heel tevreden over u. Treed nader.’ Ingenieur Huksli kijkt verrast op en zwiert een klis groen haar uit zijn ogen. ‘Dank u, overste!’ Hij maakt een perfecte revérence (die hij eigenlijk van aardse dames uit vroegere tijden heeft afgekeken, een kleine vergissing) en neemt dan apetrots de felbegeerde CVV in ontvangst: de Champignon van Vernuft & Vooruitgang. Fier als een gieter stapt hij even later naar de Loods der Nevenverschijnselen. Daar wordt de Bom aangemaakt die alles spaart: de mensen, hun gezondheid, de gebouwen, de natuur grotendeels… en het verkeer. Nu zal en moet het hem alleszins lukken. Hij monstert het lijstje van de nevenverschijnselen op aarde: tijdelijk blauwe verkeerslichten, een plotse woekering van klavertjes-vier, reuzengrote kroppen sla en bloemkolen, opvallend veel spierwitte duiven én… sommige aardbewoners die denken dat ze Jezus zijn. ‘Daar gaan we nu iets aan doen,’ mompelt Ir. Huksli. ‘Leven met de Bom moet toch mogelijk zijn!’


    28-06-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.333: Poldercrimi

    POLDERCRIMI


    Als ik ergens geweest ben, gebeurt er even later op deze plaats gegarandeerd wat. Op een schitterende herfstzondag (wind, regen, bladerdeeg, modder, whiskykleuren in de boomkruinen) was ik in het versmachte polderdorp Dudzele. Mijn dochter nam er foto’s van beslijkte cyclocrossers. Mijn zoon en ik stelden ons strategisch op. We zochten de scherpste bocht van het parcours uit. ‘Dan kunnen we de renners die hier tegen de grond smakken weer rechtop helpen,’ zeiden we tegen elkaar. We zijn er namelijk overal en altijd om te helpen. Er gebeurde echter niks noemenswaardigs. Om de haverklap passeerden slijkduivels op baggerfietsen. De commentator vroeg ze door de micro om hun rugnummer af en toe schoon te wrijven. Rond diens podium wapperden vlaggen. Niemand viel in ‘onze’ bocht.

    We zagen ooms, vaders, liefjes en vrouwen hun geliefde renner met drankpulletjes opwachten. De Dudzeelse agent met dienst rookte een zondagssigaar. De man met de Belgische tricolore om zijn arm blies af en toe op een fluitje. ’25 jaar lang al,’ zei hij. ‘En toch kijken ze nog niet uit hun doppen. Heb je die kerel met die hond gezien? Die vrouw daarnet?’ Ik knikte dat hij gelijk had. Hoe was het mogelijk. Het talent van de Vlaming om vlak voor aanstormende coureurs de weg over te steken. Daarnet was een crosser bijna pardoes op een vrouw geknald. Een rozenkrans vloeken aan elkaar rijgend reed hij op haar af, slalomde om haar heen en trok zich dansend op de trappers weer op gang, alsmaar vloekend als een hardrocker. De vrouw vertrok geen spier (althans niet in haar gezicht) en liep gewoon door over straat. Dat was ene die vaak naar koersen kwam kijken, dacht ik.

    Enfin: het werd nog een rustige herfstzondag daar in dat doodstille polderdorp Dudzele. Maar twee dagen later, terwijl de meeste inwoners nog te dutten lagen, speelde er zich een wilde achtervolgingsscène af. Schietpartij inbegrepen. Vier Nederlandse boeven waren bij een politionele controle aan de grens in Sluis al schietend naar het koninkrijkje België gevlucht. De politie ging erachteraan. In Dudzele, vroeg in de ochtend, kwam het tot een tweede vuurgevecht. Waren de boeven de polders in gevlucht, dan bleven ze steken in het cycloslijk van de zondag ervoor. Maar ze vlamden de West-Vlaamse provincie in. En ze haalden het nationale nieuws, net als een gijzelnemer in Henegouwen en voortvluchtige gangsters in Duitsland. De winnaar van de cyclocross op die schitterende herfstzondag haalde het landelijke nieuws niet. Het deed me denken aan de toenmalige Wereldbeker Voetbal in Amerika: het hele land volgde op het scherm de achtervolging mee op een losgeslagen ex-sportman/acteur. Het voetbal kon de Amerikanen gestolen worden.

    Dit alles deed zich dus voor in het zeer stille maar langzaam versmachte polderdorp Dudzele, gekneld tussen industriezones, autostrades, een haven en kusttoerisme. Als ik nu eens naar een vogelpikwedstrijd in Jonkershove ging zien… ? Dan maakte ik misschien weer iets crimineels mee. Of werkt het geboefte niet meer tijdens het weekend?


    08-06-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.332: Klein Thailand

    KLEIN THAILAND


    Tot u wendt zich een verraste ziel. Ik zal de lezeres en de lezer in niet mis te verstane bewoordingen onderhouden over Klein Thailand, en ook over hoe ik daar tegen alle verwachtingen in een hoofdpersonage werd. We bevinden ons in de provinciale centrumstad C., waar ongeveer 90 000 (negentig duizend) inwoners – het kan een paardenkop min of meer schelen – de dienst uitmaken. De stad C. bevindt zich ietwat buiten westen van België, het kleine koninkrijk aan de Noordzee. Hij is bekend voor enkele veldslagen, maar ach: bestaat de geschiedenis niet uitsluitend uit wapengekletter, kanongebulder en doodsgereutel? Er stroomt een helende rivier door C. die zich, net voor hij het centrum van de stad bereikt, in tweeën vertakt, om dan enkele kilometers verder weer met zichzelf samen te vloeien, zodat er een eiland ontstaat. Aan de rand van dat eiland, vlak tegenover een oude stenen brug, de enige brug die nog geen 21ste-eeuwse make-over kreeg, bevindt zich Klein Thailand.

    Ikzelve ben niet de bedenker van deze benaming. Nimmer van mijn leven heb ik namen of spotnamen bedacht of gebruikt. Zeer strikt ben ik daar in. Deze horecazaak draagt dus geen naam. Het ontbreken van een eigen naam voor de bescheiden combinatie tearoom/shop/terras vormt wellicht ook de oorzaak van de volkse aanduiding Klein Thailand, alsmede het niet te loochenen feit dat de vrouw die deze zaak runt ontegensprekelijk Oosters is. Is zij echter afkomstig van het verre Thailand? Van het geheimzinnige China misschien? Kennen wij, Westerlingen, eigenlijk het onderscheid? We gewagen dan nog niet eens van Koreanen. Vermoedelijk is de vrouw al vaker deze vraag gesteld. Ikzelve wil dat niet echt weten. Definiëren is afbakenen en beperken. Wat doet men overigens met zo’n wetenschap? Niets. Hoe meer men weet, hoe minder men niet meer weet, en hoe minder spannend het wordt. Daar ben ik zeker van. Ik blijf gaarne in het ongewisse wat dergelijke zaken betreft. Voor mijn part mag iemand uit Legoland komen. Het algemene Oosterse uiterlijk van deze zaakvoerster in de horeca van de stad C. mag volstaan – tevens om mijn verhaal wat kleur te geven.

    Hoe raakte ik aanvankelijk verzeild in en om dat pand zonder naam, dat door omwonenden en klanten Klein Thailand werd genoemd? Dat gaat u niets aan. Ooit moet ik de moed gehad hebben daar mijn remmen dicht te knijpen of mijn pas te vertragen. Die eerste keer was het vermoedelijk koud, zodat ik vermoedelijk binnen een koffie dronk, en vermoedelijk niet buiten op het terras op het brede trottoir. Ik bleef er komen (met in de nabijheid ook een boekhandel, dat verklaart veel), met mate. Zo ontdekte ik enkele constanten. Bijvoorbeeld enkele klanten, die ook met mate kwamen, misschien zelfs met grotere regelmate.

    T. geleek op de oud geworden populaire zanger Elvis Presley en torste vijf ringen aan zijn rokershand, zijnde de rechterhand. Zijn klassieke jeanspak getuigde niet van huishoudkundig talent. Te wijten aan zijn magere benen die op muggenpoten geleken moest hij vroeg of laat een keer omvervallen. Ook dronkenschap kon dit veroorzaken. Een naamloze maar uitgesproken Westerse vrouw bleef zowel binnen als op het terras volhouden in stilzwijgen. Ze brak zelfs nimmer in gebarentaal uit. Daar verscheen in mijn vizier ook bijwijlen een vastberaden vrijetijdsvisser met moordlustige plannen. Zijn kleding bestond vooral uit zakken, die overal uitpuilden. Die hadden de saaie kleur van camouflage, hoewel we in de stad waren. Hij maakte zelden gebruik van de faciliteiten van Klein Thailand zelf, doch installeerde zich met zijn moordwapens telkenmale aan de rand van de rivierkade, vlak tegenover de tearoom. Een handig aanhangwagentje aan zijn rijwiel toverde hij met de voorbereidende precisie van een beul om tot zitplaats/eethoek/observatiepost/aanvalslinie. De half bejaarde langharige intellectueel P. ‘sprak vele talen, tenzij be-talen’, zo slaagde hij er bij elk bezoek in mede te delen, terwijl dat nooit ofte nimmer echt ter zake deed. Een grapjas, die zelfs zijn liggende streepjes uit-sprak. Een erfenis van de Bond Zonder Naam en de pastoors. Voorts kan ik melding maken van nog een tiental rusteloze zielen die wel eens in het etablissement opdoken. Ze zaten hier tijdelijk gehuisvest tussen reclameborden voor ijs en aanverwanten, wiegend in de wind, die borden bedoel ik, en grote raamaffiches waarop kommen soep en belegde broodjes waren afgebeeld, die het zicht naar buiten beletten, die affiches bedoel ik.   

    Maar ter zake: waarom zat ik hier af en toe, met mate? In dit Oosterse mekka van de mokka? Ik was, toegegeven, op zoek naar inspiratie voor mijn volgende roman. Ik bespaar u het antwoord op de vraag: waarover gaat dat boek? Het gaat u trouwens voorlopig niets aan.

    En kreeg ik inspiratie door het overhevelen van koffie naar mijn slokdarm? Door het wezenloos registreren van zovele voorbijgangers, bakfietsers en auto’s met kauwgumsnelheid de brug op en af rijdend? Door het trotseren van windstoten die van over het grijze wateroppervlak aan kwamen buitelen en mijn haren eerst achterover en daarna voorover harkten alsof ik geëlektrocuteerd werd? Door een parasolbestaan in deze lage streek, dat even aan exotische bestemmingen deed denken? Lezeres, lezer: ik dien u in dit verband van een geheel ander antwoord te voorzien.

    Reeds diverse malen was het mij opgevallen dat de vrouw met de Oosterse kentrekken, de bazin dus, zo u wil, tijdens haar vrije minuutjes op een laptop aan het tokkelen was. Nou: ze zat afwisselend ingespannen te staren en te tokkelen, u kent dat wel van in andere openbare gelegenheden, neem nou een stationsbuffet of een inkomhal van een hotel of een wachtzaal in een afkickkliniek. Op een bepaalde zeer milde dag in het voorjaar – de reclameborden werden gestreeld door een deugddoende lauwwarme wind; iedereen zat buiten – merkte ik dat er een schriftje voor haar open gespreid lag, waarvan de zichtbare bladzijden voor minstens driekwart volgeschreven waren. De vrouw die nooit iets zei, zat vlak tegenover haar. Er kwam geen woord uit, noch mondeling, noch schriftelijk, noch baarlijk. Maar het was de intellectueel P. die plotseling het woord ‘dagboek’ in vragende vorm liet vallen. ‘Dag-boek?’ Dat hoorde ik. Ik nam tevens instemmend gemompel waar, van haar kant. De heer P. had wel vaker een conversatie met de Oosterse, met luider stem. Net op dat ogenblik was ook ik iets in een notitieboekje aan het krabbelen, zodat ik dat vlug weer wegstopte. Dat kon ik missen als kiespijn: twee zielen die in weer en wind (nou: goed weer en milde wind) lotsverbonden door de letteren werden gegrepen en dat ook openbaar vertoonden. Neen, men moet niet schrijven ten aanschouwe van iedereen. Ik gedroeg me verder zoals gewoonlijk, me verschansend achter de gebruikelijke communicatie betreffende consumpties en weersomstandigheden (parasol, wind, zon, schaduw). Mijn inspiratie zou even moeten wachten. Dat was zelfs in die mate het geval dat ik jaloers werd op deze ijverige Oosterse, die niet alleen een tearoom runde, maar ondertussen ook dagboeken bijeen tokkelde op een computer en evenmin terugdeinsde voor handgeschreven letterkundige teksten, zelfs in de openlucht. Mijn volgende roman leek daardoor verder dan ooit van mij verwijderd. De heer P. had me zelfs nog nimmer aangesproken in verband met mijn klein gekrabbel in Klein Thailand, dat ooit een wereldwerk zou worden. Hij leek alleen geïnteresseerd in de Oosterse, niet in mij, de Westerling.

    In haar dagelijkse mondelinge communicatie bediende de vrouw zich van de vierkante versie van onze moedertaal. U kent dat wel. Men kan zich volop uitdrukken, de woordenschat kan wedijveren met de onze, men benoemt de zaken begrijpelijk en verstaanbaar, maar men kan niet versluieren dat men bijvoorbeeld van de Salomonseilanden afkomstig is. Of van Frans-Polynesië. Pakweg het Jamlayagebergte. Waarom zou men ook. Een verre afkomst is aantrekkelijk. In welke taal zou deze vrouw haar letterkunde bedrijven? Welke vorm namen haar letters aan? Bouwde zij zinnen die een raadsel voor Westerlingen betekenden? Zij was hier alleszins al vele jaren. Daar getuigde haar taal van. We waren allemaal bekend met Thais voedsel, maar snapten we ook maar een jota van Thaise leestekens?

    Had ik een communicatie gemist? Was ik te lang weggebleven? Plotseling was Klein Thailand alleen nog met grote moeite en te voet bereikbaar. De laatste oude stenen brug in de stad C. zou eindelijk geheel en al naar de 21ste eeuw geüpgraded worden. Grijp-, graaf-, boor- en hijsmachines rukten aan. De stroom dagelijkse passanten stremde. Er deed zich een stadsinfarct voor. Klein Thailand werd het slachtoffer van collateral damage. Gedreun, gedaver, versperringen en modder isoleerden de zaak. Extra bewegwijzering en paniekbordjes met mededelingen betreffende bereikbaarheid mochten niet baten. Vlak voor de zomer rochelde het koffiezetapparaat er voor de laatste keer.

    Twee jaar later verscheen ‘Westerling’, het opgemerkte debuut van ene Ratana Srivarathanabul. De ondertitel luidde: ‘Dagboek van een tearoomtante’. Tot mijn verbijstering herkende ik mezelf ontegensprekelijk in een van de hoofdpersonages: een koffie slurpende schrijver op een terras in een provinciestad, hopeloos op zoek naar inspiratie. Ook de bejaarde vijfringerige Elvis, de langharige intellectueel P., de vreselijke visser en de zwijgzame vrouw figureerden in het boek. Maar toen was Klein Thailand al dicht. En ‘Westerling’ ging als zoete broodjes over vele andere toonbanken. Het werd een bescheiden bestseller. Hij stond zes weken lang in de boeken top tien van enkele kwaliteitsmagazines. Nog nooit was de letterkunde mij zo gunstig gezind geweest.


    20-05-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.331: Opdoffers

    OPDOFFERS

    Eén: een kilogram advertentiebladen door Vlaamse regen tot een knot onhandelbare smurrie herleid, aan dat ene droge ezelsoor uit de bus gesleurd en als oergrijze kwak op je rechterschoen neerpletsend.

    Twee: verkopers van het ware geloof (een variant van witlof) aan de deur op het uur der aperitieven. ‘Wij brengen u God, meneer.’ ‘Prima. Ik heb er al één. Zet deze alvast maar aan de garagepoort.’

    Drie: rode lichten. Gangbare naam: verkeerslichten. Altijd rood.

    Vier: verkiezingsdrukwerk dat aan beide kanten bedrukt is. Niet eens een kans om te recycleren voor strafwerk, kattebelletjes, kladjes, invalletjes, gedichten, boodschappenlijsten. Misschien nog een hoedje van papier voor een ukkepuk. Kiespijn.

    Vijf: weerberichten. Buiten is het altijd beter weer dan gisteren. Het wordt morgen een ietsje frisser dan binnen. De vier seizoenen staan voor de deur. Ze zijn opgewarmd door de aarde.

    Zes: autobestuurders met een hoed op hun knikker. Geen probleem als die niet voor je rijden. Maar ze rijden altijd voor je. In fossiele wagens.

    Zeven: alle charmezangers.

    Acht: moppen die beginnen met ‘Er waren eens drie Schotten, een Belg en een stier’.

    Negen: moppen die beginnen met ‘Ken je die van die vrouw en die oud-strijder?’

    Tien: moppen die beginnen met: ‘Het is groen en het…’

    Elf: moppen die beginnen met ‘Weet je waarom de hond van de koning met zijn staart kwispelt?’

    Twaalf: mensen die moppen vertellen.

    Dertien: tombola’s en prijsvragen.

    Veertien: FC De Kampioenen (waar alles twaalfmaal wordt herhaald) en het VRT-journaal (waar alles tot driemaal toe wordt herhaald). Kleuterprogramma’s.

    Vijftien: talkshows. Ze kennen niet eens hun Engels.

    Zestien: Heb-de-gij-Nederlandssprekende BV’s.

    Zeventien: Bart Peeters en de gillende opbrengst van een benefietactie op het scherm van afgrijzen, ook genoemd de tv.

    Achttien: het domme ronde getal twintig.


    11-05-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.330: Wind

    WIND


    Ik zou met plezier betalen voor wind. Gesteld dat ik niet krap bij kas zat. Ik heb graag dat het stevig waait. Gras dat tegendraads wordt gekamd. Bomen die buigen. Schuimende kruinen. Sommige mensen aan wie ik dat beken, zouden me dan maar al te graag een fikse dreun voor mijn raap verkopen. Zij hebben natuurlijk liever ‘mooi weer’. Mijn mooi weer, dat is wind. Het moet waaien.

    Lang geleden las ik in een Nederlands jeugdmagazine een spannend vervolgverhaal. Het ging over een ouwe man die het perpetuum mobile probeerde uit te vinden, de machine die de eeuwigdurende beweging uitvoert. Zijn knecht moest daartoe in het dorp bij nacht en ontij staande klokken uit de huizen stelen. Toen ik dat las, droomde ik van het ontwerpen van een windmachine. Die zou ik op zolder installeren, om het voor altijd te laten waaien. Maar ik was en ben niet handig. Dus legde ik het anders aan boord, jaren later: ik schreef boeken waarin het vaak waait. Dat is ook al iets. In boeken is altijd alles echt gebeurd.

    De mooiste atmosferische omstandigheden vind ik wind aan zee en het loodgrijze voorspel op een onweer. Regen vind ik maar pis uit de wolken. Maar wind, mijn kind, die de haan in beweging zet, die de molens in het hoofd doet draaien en de bomen tegendraads harkt, dat is pas feest. Eigenlijk zijn het de bomen zelf die wind veroorzaken. Van het ogenblik dat er zich één uit de statige rij naar voren of naar achteren buigt, volgen de anderen. En dan begint het. Dakpannen zeilen door de lucht. Paraplu’s worden verkracht. Dakhazen vluchten naar de begane grond. Pauwen schreeuwen op erven. Haren worden uit hoofden gerukt. Kapsels worden geëlektrocuteerd. Fietsers worden weer naar huis geblazen. Verkiezingspanelen smakken tegen de vlakte. Stranden waaien weg. En daarna komt de koning kijken naar de ergste schade. Op tv wordt iemand van de verzekeringen geïnterviewd, zo’n halve BV. Hij zegt dat het zo niet verder kan. Verzekeringen kunnen toch niet voor alles opdraaien!? Het Rampenfonds moet het maar doen.

    Ik bel naar de afdeling Stormschade. Ik zeg dat ik geld wil geven voor een nieuwe, verse storm. Zonder puin, zonder slachtoffers. Gewoon voor de gezelligheid. ‘U bent knetter,’ zegt een stem. ‘Dat weet ik,’ antwoord ik. ‘Ik heb er al vaak optaters voor geïncasseerd. Kunt u daar ook iets aan doen? Dat is toch ook stormschade? Ik heb momenteel een hemelsblauw oog en een bluts in mijn kop omdat ik zei dat ik van een flinke storm hou. Iemand randde me aan. Valt dat echt niet onder st… ?’ ‘Dat is de afdeling Kopzorgen. Daar hebben wij hier geen formulieren voor. Ik stel voor dat u bij toekomstige windvlagen uw mond houdt en thuisblijft. Of ga bij Lloyds. Die verzekeren zelfs seriemoordenaars en passionele windbuilen. Nog de wind vanachter, meneer.’ ‘Dank u wel. Tot de volgende storm.’

    Ik begon dan maar aan een gedicht waarin tussen de eerste regels al een briesje opsteekt. Gelukkig heb ik dat nog. Dat akelig mooi weer in Vlaanderen houdt te lang aan. Ik leg September Song op, Lou Reed.   


    01-05-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.329: Hongerije

    HONGERIJE 

     
    Hongarije, jaren negentig – ik was er tot tweemaal toe enkele weken: taaleiland, autokerkhof, worstenland. Je kunt er met grote moeite de straatnamen onthouden. Het Hongaars is een taal waar zelfs het internationaal begrip ‘politie’ iets onherkenbaars wordt. En je ziet er verdomd veel rondtoeren. Probeer in een winkeltje kauwgum te kopen en je loopt kans een paar autobanden te krijgen. Voor bijna elk huis staat een opgetakeld autowrak, waar permanent aan geknoeid en gesleuteld wordt. Pastelkleurige huizen. Veel honden achter hekken. Stalletjes langs de wegen met honderden watermeloenen. Het godendrankje ‘palinka’, ritueel keelbrandertje (52 graden) op basis van fruit. De wereldberoemde ‘Tokaj’ (witte wijn) en het ‘stierenbloed’ (rode wijn) uit Eger, waar vele kilometers wijnkelders zijn. Schaakspellen. Potjes kaviaar (o ja?) aan kerkportalen te koop. 

    Kuurbaden: de Hongaren hebben geen echte zee, maar houden van water. Ze staan er rechtop in, keuvelend, schaakspelend, kettingrokend. Hun Balaton-meer is voor de toeristen. Geknal van zwepen op de poesta, schitterend vlak landschap met ganzen, paarden en blauwgerokte ruiters. Vreselijk grote stukken landbouwgrond. Zonnebloemen. Ooievaars. Vroegere eenheidsmunt: de forint. Als je geen papieren zakdoeken meer had, kon je flappen van 100 forint gebruiken. Deel door 2,8 om bij de toenmalige Belgische franken uit te komen. 

    Middageten wordt vaak overgeslagen. Besparingen. Het ontbijt neemt de vreemdste vormen aan: worst, worst, paprika’s, worst, brood zonder boter, worst, brood in de vorm van worst, gefarceerde paprika’s. ’s Avonds verschijnen de deegwaren, gesopt in achtendertig varianten van goulash. Wel lekker. 

    Naar de politiek moet je in de prille jaren negentig niet te vaak informeren. De ‘roze’ communisten hebben even de verkiezingen gewonnen. Wie de voorbije jaren van een Westers model droomde, heeft nu een kater. Ze zijn onderling nog altijd bang voor elkaar en ze hebben nog altijd moeite met het hardop formuleren van een opinie. Je krijgt gewoonlijk vreemde ontwijkende antwoorden op vragen die naar politiek ruiken. Ferenc(-zaliger, inmiddels) ofte ‘Ferry’, een van de drie burgemeesters van Salgótarján, middelgrote stad in het noorden, is er een meester in. Deze nerveuze kettingroker heeft ons zijn land getoond: niet lang geleden de meest vrijgevochten satellietstaat van het Oostblok, lees de USSR. Het is een mooi, ietwat onopvallend land met sympathieke mensen die waarheid en fictie soms wat mengen. Alles lijkt wat in verval, maar misschien was het altijd zo. 

    Aan tszigane-kok Janosch vraag ik wat hij over België weet. Hij haalt zijn dikke Hongaars-Duits woordenboek boven, bladert met zijn worstenvingers en bromt dan opgetogen: ‘Foetsbaal’. Daarna somt hij de complete ploeg van Anderlecht op, naar we menen te begrijpen. En in ‘Broe-zil’ (Brussel) had iemand uit zijn familie ooit nog tszigane-muziek in een restaurant gespeeld. Daarop drinken we palinka. Op de gezondheid. ‘Egészségére’, of zoiets. En dan is er goulash, om die vreselijke ontbijten en ontbrekende middagmalen te bezweren.     

    Dat waren de jaren negentig van de vorige eeuw. Maar nu…  


    10-04-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.328: Café

    CAFÉ IN VLAANDEREN


    Ik groet de hele mensheid (jij, u, men, mens) vanuit café ‘De Woede der Noormannen’ ergens in Vlaanderen. Het is een café om de hoek. Alle cafés zijn om een hoekje. Ik zit er soms een dik halfuur te doen alsof ik naar niks kijk en aan niets denk. Gewoonlijk bestijg ik een kruk (voorbode van een ander soort kruk?) aan de toog. Stoelen en tafels in een slagorde opgesteld zijn niets voor mij. Op mijn kruk zie ik vlak voor mij de handgeschreven mededeling die aan de wand is vastgeprikt: ‘Zonder toelating van Linda NIET achter de toog – Linda.’ Het tot hoofdletters gepromoveerde NIET springt in alle ernst uit de band. Die mededeling vanwege cafébazin Linda hangt naast een kastje met chocolade en wafels in plastic hoesjes. Linda zelf is een levend bewijs van ‘lust for life’. Ze was waarschijnlijk een godgenageld mooi meisje. Ik schat dat ze nu begin vijftig is. ‘En nog goed bewaard’, zouden ze er hier aan toevoegen. (‘Door al dat sterk water om haar heen,’ vul ik zelf in gedachten aan. ‘Alcohol, weet je wel.’) Ze is nu te dik geworden, maar haar vlees heeft nog altijd de stralingskracht en het lokvermogen van een vuurtoren. Linda beschikt ook over twee stevige vooruitzichten, die door de mannelijke stamgasten als ankerplaats voor hun blikken wordt gebruikt. Haar stem is wonderbaarlijk rauw. Ze praat hard en vlug, en ze zegt dingen waar het mansvolk van schrikt. Ze is een engel en een duivelin. Ze zou goed passen bij dat Noormannenvolk van vroeger, dat onze vrouwen plunderde en onze kerken verkrachtte.

    Ja, er zijn nog mooie zekerheden in de grote boze wereld. In ‘De Woede der Noormannen’ staat nog zo’n jukebox, terwijl het woord zelf al bijna niet meer bestaat. Vlaamse schlagers zijn er niet van de lucht. En daarboven hangt een zoetzure poster waarop een wazig koppel aanstalten maakt om één vlees te worden.

    Ik zit daar dus te doen alsof ik aan niks denk. Naar niks kijk. Alsof Linda, deze onzinkbare Titanic met de indrukwekkende voorsteven, me geen ene moer kan schelen. Eigenlijk zit ik aan heel ingewikkelde dingen te denken. (Ze vroeg me eens of ik een kunstenaar was. ‘Nee,’ zei ik. Want met ‘kunstenaar’ bedoelen ze hier altijd ‘schilder’, synoniem: ‘artiest’.) Terwijl die heel ingewikkelde dingen mijn hoofd opvullen, kijk ik naar de bierdrinkers. Ze zijn allemaal voor Linda gekomen, lijkt het. Eigenlijk zouden ze liever borstvoeding krijgen. Het halfuur dat ik hier ‘vertoef’, vliegt zo voorbij. Aan een tweede koffie ben ik nooit toe. Ik zit altijd volgepropt met moeilijke gedachten. Ik vergeet er zelfs die ene koffie door. Elke week gaat dat zo. Om een reden die u niet aangaat, gij daar op de eerste rij. En na dat halfuur vertrek ik dan, de drukke wijde wereld in. Ik ga het hoekje om. Naar mijn zeer blauwe auto, zeer verkeerswettelijk in de omgeving van het station geparkeerd. Daar pik ik een van mijn dochters op, vers van de trein. ‘Hoi, heb je weer zitten dromen dat je cafébaas was?’ vraagt ze soms. ‘Nee,’ lieg ik altijd. ‘Hoe was het op school?’ ‘Goed,’ jokt ze. ‘Aha. Ook de scheikunde?’ ‘Mja… ‘ Mijn eigen scheikunde was ook een leugen: die ene koffie bestaat niet. Het was een Duvel. En cafébazin Linda bestaat evenmin. Ze heet Rita. En ‘De Woede der Noormannen’ is een veel te lange naam voor een café om het hoekje. En een veel te mooie. Laten we het daar bij houden. Laat me mijn droom. Slechts de andere helft klopt.


    21-03-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.327: Alle regen

    ALLE REGEN VAN DE KLEURENBOOG


    Kleren maken de man. Kleren bedekken hem. Kleuren kunnen hem sieren. Kleurenblinde mensen aarzelen langer dan anderen voor hun kleerkast. Op een bepaald ogenblik in hun leven werd ze gezegd dat er iets aan de hand was met hun kleurenwaarneming. Door vergelijking ontdekten ze dat dit inderdaad klopte. Als ze bijvoorbeeld combinaties kiezen voor een bepaalde outfit, moeten ze de hulp van anderen inroepen. Als er niemand voorradig is, zijn die combinaties soms van dien aard dat de wenkbrauwen van de medemens verbaasd de hoogte in gaan. De kleurenblindeman of –vrouw heeft ook nog moeite met stembiljetten, drankbonnen, verkeerslichten en tientallen andere pietluttigheden die hem het leven kunnen kosten. Misschien ook combineert hij per toeval zo origineel dat de toeschouwers er een kleur van krijgen. Kunst door de schok der verandering, weet je wel. Voor mijn part wordt de wereld geregeerd door zulke prettige minderheden: kleurenblinden, linkshandigen, hooikoortsigen, roodharigen. Zo iemand die de kleuren anders ziet dan de gewone sterveling maakt allicht ook andere ongewone associaties.

    Ik denk dat de beste en de veiligste kleur voor zo iemand blauw is. Of wat in mijn ogen voor blauw doorgaat. Ook al krijgt in de woordenboeken het steekwoord ‘blauw’ of ‘blue’ een hoop negatieve betekenissen of spreekwoorden naast zich: blauwe boon, blauw van de kou, een blauwtje oplopen, een blauwe plek, iets blauwblauw laten, (to have) the blues, blue devils, een blauw oog… (Hoewel een paar blauwe ogen soms ook niet misstaan). Beeld u eens in dat al het groen in de natuur blauw zou zijn. We hebben dan nog de keuze: mariablauw, berlijnsblauw, irisblauw, nonnenblauw, bloemvazenblauw, jamaïcablauw… Misschien is er op deze aarde iemand die de landschappen altijd zo ziet. Zonder dat zij/hij het beseft, noemt hij/zij blauw ‘groen’.

    Blauw is de enige kleur die ik zelf nooit beu word. Zwart en wit evenmin, maar het schijnt dat dit geen kleuren zijn, of alle kleuren samen. Blauw is trouwens de kleur van de trouw. Ik vind blauw een gelukkige kleur. Of het ook een warme kleur is, of een koude, weet ik niet. Tekenleraars hebben me dat ooit proberen uit te leggen, maar oefeningen op warme en koude kleuren raakten mijn koude kleren niet. Ik voelde, zag en begreep dat niet. Of ànders. Ik behoor namelijk ook tot het legertje van de kleurenblinden. Ik kreeg 2 op de 20 voor mijn stilleven: vaas met bloemen en nog iets. Ik weet alleen dit, als hartstochtelijk kleurenblinde: een sikkepit is altijd wit, het zwart staat apart, oranje grijp ik bij zijn franje, geel zit in een ei, bruin en groen zijn voor houthakkers en kabouters. Aan verkeerslichten moet je dubbel uitkijken: rood is dood, groen mag je doen. Purper was voor Prince, paars was voor de paus. Maar bovenal hou ik met heel mijn hart van blauw, in goede en in kwade dagen. Uitgesproken blauw graag. Bijvoorbeeld van zomerlucht, met wat witte remsporen van vliegtuigen in. Ja, bij blauw voel ik me goed. De aarde, onze wereld is één blauwe plek. Alleen: niemand ziet het. Ook de doden houden het meest van blauw. ’s Nachts dansen er blauwe waakvlammetjes boven strooiweides en begraafplaatsen. Blauw is immers de kleur van de trouw. Ik heb het zelf gezien. Denk ik.   


    05-03-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.326: Hondenleven

    HONDENLEVEN                                                                   


    Trouwe vriend

    Ik schrijf dit nu neer, terwijl ik nog in leven ben en jij je hondenleven leidt, aan mijn zij. Je weet maar nooit wat er gebeurt op dit ondermaanse. De mensenwereld lijkt wat aan het sudderen heden ten dage.

    Daar lig je dus. Zogezegd onverschillig. Maar wanneer ik ook maar even beweeg, luik je een oog. Dat registreert alles. Je denkt: ‘Misschien neemt hij me straks mee op stap.’ ‘Misschien valt er een knabbelkoekje uit de kast.’ ‘Duurt dat getokkel op die laptop nog lang?’ Je denkt dat ik niet zie dat je kijkt. Kijk: je kijkt nu weer weg. Nee, je wil je niet opdringen. Intussen zijn je gedachten zo rood als de vitrine bij de slager. Zie, ik betrap je op een bloedrood visioen: je komt binnen bij de slager, de deur stond aan, de bel marcheerde niet, geen kat, geen klant te zien. De natte droom van elke hond. De rest laat ik aan jouw verbeelding over. Ikzelf eet liever vis.

    Voor een aai of een koekje ga je als een onnozelaar op je rug liggen. Dat terwijl de vraag klinkt: ‘En wat doen de meisjes in Parijs?’ Het kon net zo goed Berlijn zijn. Of: anijs, pladijs, glad ijs. Dat kan soms vijfmaal na elkaar gebeuren. Soms ga je vanzelf op je rug liggen. Slim hoor. Maar daar tuin ik niet in. Soms ga je als tochthond op de deurmat liggen. Dat heeft meer zin. Dank je wel daarvoor. Je leidt een hondenleven. Je wordt kwaad als iedereen te lang afwezig blijft. Dan kaap je baldadig een schoen of sok weg ergens in verboden gebieden. Die deponeer je dan ostentatief ergens duidelijk zichtbaar in de woonkamer. Wanneer je echt baalt, plas je ergens in een verboden zone. Even jouw handtekening op ons strafblad zetten. Daarna ga je schuldbewust en nederig in een verdomhoekje van het huis liggen. Je aapt ons na door boterhammen te eten die je tussen je voorpoten vasthoudt. Nou, dat vinden wij wel grappig, hoor. Maar echte humor betekent bij jou dol gehuppel en gedoe met een onnozel namaakbeen. Maar je kunt niet lachen. Tv, films en boeken zeggen je niks. Je snapt geen reet van Rachmaninov. Willem Elsschot kan je gestolen worden.

    Maar je leeft wel mee als iemand in huis ziek is. Daar heb je talent voor, meid! De manier waarop je je dan bij de getroffene neervlijt: ‘Hei, even doorbijten, ik ben er ook nog, ik begrijp het.’ Zo pakkend; zo hartroerend.

    Weet je dat je broers en zussen hebt die daar hun beroep van maken? Wat een beetje in jou zit, daar maken die hun roeping van. Ze worden hulphond. Dat zijn pas memorabele hondenlevens! Misschien, trouwe vriend, heb jij je roeping gemist. Je had ooit opgeroepen kunnen worden om nog iets meer te betekenen in de moeilijke mensenwereld. Ik denk dat je er het talent voor hebt.

    Maar ik gun jou je bloedrode visioen. Meer kan ik niet doen. Je weet niet eens wat de meisjes in Berlijn doen. Worst met zuurkool eten?




                                                  COPYRIGHT JORIS DENOO
    ZIELSVERWANTE LINKS
  • Een blauwe plek
  • Verhalen
  • Meester in de Vakken
  • Plankenkoorts
  • Poëzie
  • Romans
  • Moord!
  • Romans & Theater
  • Vreselijke verhalen
  • Miljarden flarden

    Blog als favoriet !

    Foto

    Foto

    Sjors DNO eind vorige eeuw in een sneeuwstorm in Chicago


    Mail

    Druk op de knop


    Archief per jaar
  • 2019
  • 2018
  • 2017
  • 2016
  • 2015
  • 2014
  • 2013
  • 2012
  • 2011
  • 2010
  • 2009
  • 2008
  • 2007
  • 2006
  • 2005

    Foto

    Foto

    Foto

                       IK ALS UK
    Foto

    Me reading HARDZIEK, romandebuut Sarah Denoo

    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!