In de maanden met een l in hun naam, het zijn er maar twee, eten we graag eens een lilpudding. Bijvoorbeeld na anderhalf kilootje mosselen, want ook daarin komen een paar l’en voor. Lillende pudding: met de l’en van langzaam, lui, lekker, lauw, luwte, lanterfanten, lang, landerig en langoureus. Lang leve het lillen van puddingen. De kleur van dat lillen mag best roze zijn, groen, rood, smurfenblauw, eigeel, hoe erger hoe beter. Of iets van een vage, onbestemde, onmogelijke kleur, waar ze bijvoorbeeld in Engeland zo goed in zijn. In het woord ‘pudding’, ook op z’n Engels gearticuleerd, zit al luie beweging. Het is een ‘lazy’, vriendelijk woord. Als je ermee gooit – naar iemand, tegen iets – verspreidt het zich ongevaarlijk. Met pudding kun je niets of niemand verwonden. Het is de meest hanteerbare vorm na de vloeibaarheid, maar gelijk ook zo moeilijk hanteerbaar, omdat het niet veel met vloeibaarheid scheelt. Het woord ‘pudding’ – ook op z’n Engels – kun je als het ware uitspuwen. Je laat de p hard ploffen, spaart in de bolheid van je wangen de volheid van dat lillen op en laat dan de hele smurrie zachtjes landen waar je wil dat die landt. Transparante pudding is het einde. Die gelachtige doorzichtigheid laat verwarring toe: vicks? gel? lijm? pudding? kokos? shampoo? Het doet me denken aan die smokkelaar van lang geleden. Elke dag passeerde hij op zijn fiets de douane. Telkens had hij een lilpudding op zijn bagagedrager. Nooit kon de douane hem op iets strafbaars betrappen: de puddingen waren alleen maar puddingen. Er zat niets verdachts in, hoe vaak ze er ook met hun vingers in woelden, en er soms van proefden. Uiteindelijk bleek dat de kerel fietsen smokkelde. Heden ten dage gebruiken de mensensmokkelaars containers en zwaar vervoer van kaasbollen, kikkerbillen, pruiken en Oostenrijkse pluimhoedjes, maar dat is dus een truc met een baard. Eigenlijk smokkelen ze vrachtwagens. Ter zake: die oude smokkelaar smokkelde natuurlijk ook nog wat detailhandel over en weer. Zijn drinkbus bevatte pure alcohol, en zijn banden zaten vol met tabak. Hij had vroeger op school goed geluisterd toen zijn meester het verhaal van het paard van Troje vertelde. Maar hij keerde het om. Gewoonlijk moet je de zaken op hun kop zetten, zoals dichters in hun gedichten wel eens doen, om iets interessants te ontdekken of mee te maken of te doen. Zo zijn het bijvoorbeeld de bomen die wind veroorzaken. En de steen voor het lege graf van Jezus werd niet weg gerold, maar dicht gerold: de intimi wilden vermijden dat pottenkijkers zouden ontdekken dat hij er nooit in gelegen had. En Judas was eigenlijk geen verrader, maar een goeie vriend van hem. Hij lag zelfs naast hem aan tafel, aan zijn linkerkant, de beste plaats. Want hij zou doen wat zijn meester hem opgedragen had: hem overdragen aan de autoriteiten en de huur van het avondmaallokaal betalen. Maar pudding was er die avond niet bij.
27-05-2005
34: Cocoon
COCOON
Het was niet lang na bimbambeierenzondag.Verontwaardigd over wat dit aardse leven mij en anderen allemaal wel en niet had aangedaan, zat ik eigenlijk best wel gezellig cocoonend en afternoonachtig thuis naar het snookerwereldkampioenschap in The Crucible in Sheffield te kijken in het gezelschap van een cappuccino. Lange zin, lange namiddag. Regen waaierde tegen de ramen; wind gierde om de straathoek. Mannen in vest-en-strik stootten ballen in gaten en snookerden mekaar. Het was een maandagnamiddag omstreeks 14 uur 30 en toch zat de zaal in Sheffield nokvol. Werkloze Engelsen? Verlofnemende Engelsen? Snookerfundamentalisten? Nu, ze mogen dan al het lelijkste volk ter wereld zijn, ze kennen wat van evenementen en het verfilmen ervan. Zelfs van biljart maken ze een thriller. Er straalde een algehele vredigheid van de omliggende tribunes af. Ook bij een geslaagde ingreep van een speler die duidelijk zwaar het onderspit aan het delven was, brak enthousiast-bedaard Brits applaus los. Het getik van de ballen kalmeerde me. De cappuccino was ik vergeten. Eigenlijk had ik die alleen maar veroorzaakt om naar te kijken, want, dames en heren, zo’n cappu is een ware caloriebom. Net naast het tv-scherm had ik een panorama over een eindaprilse zachte storm, af en toe gedrenkt in een lauwe regenvlaag. Jong, fris groen stond zeer groen heen en weer te zwiepen in de tuin. Af en toe kamde de wind de beukenhaag tegendraads. Graag had ik met mijn zaptoestel dat natuurtafereel annex geluiden voorgoed bevroren, in een eindeloze ‘still’ vol beweging en eeuwigheid. Helaas moest een van de snookerspelers echt in het zand bijten. Helaas brak het spitsuurkabaal van 16 uur in de straat los. En van 16 uur 30 en 17 uur ook. Iedereen snelde naar de autostrades die onze randgemeente in een wurggreep houden. Enkelen bleven. Helaas was mijn cappuccino koud geworden; hij zag er uit als een potje kots van een zieke kat. Kent u dat? Verder niet aan denken. Helaas ook brak de zon weer door. Dat heb je met april. De gehele wereld daarbuiten begon dus weer te woeden. Het deed pijn aan de ogen. Even later brak de dinsdag aan: dé dag bij uitstek om als maatstaf te gebruiken die over het leven op aarde kan helpen oordelen. Helemaal geen donsdag. Als het bijvoorbeeld regent op dinsdag in Rome, is dat bijzonder treurig, maar niet zo droevig als regen op dinsdag in Westrozebeke. Waarmee ik niet gezegd wil hebben dat een zonovergoten Westrozebeke de moeite niet loont. Maar dinsdagen … ach, schrijf me erover. Volgende week misschien meer over woensdagen!
26-05-2005
33: Koeiemorgen
KOEIEMORGEN
‘Koeiemorgen’, zei de ene koe tegen de andere op een noordelijk gelegen weide in Torhout. ‘Beu, melkmuil’, antwoordde die. ‘Ik heb een slechte nacht achter de rug. Mijn magen liggen overhoop door de aanhoudende droogte. Wat krijgen we nog voor sappigs te grazen de laatste tijd?’ ‘Tja, groen is verdwenen, hé’. ‘Hm. Zeg: zie je die sufferd van een hond ginder naar mij loeren? Ja, die met zijn biefstukoren. Hij staat er al minstens een halfuur. Hij werkt op mijn systeem’. ‘Dat komt er van als je een zieke koe bent’. ‘Wacht maar tot ik eens de galopkak heb! Dat hij dan maar durft te naderen! Ik bezorg hem de douche van zijn leven. Lekker lauw.’ ‘Maak maar liever wat melk’. ‘Met die droogte!? Mijn horens vallen verdorie van mijn kop’. ‘Maar als geuierde beesten moeten we solidair zijn met onze geluierde medemensjes. We zijn verantwoordelijk voor hun melktandjes, beu’. ‘Tja, je neemt me weer de woorden uit de melkmuil. Ik besef het wel. Maar er zijn nog andere dingen dan melk en vlees produceren. Ik wil verdomme nog een leven ook hoor! Dat ze mij eens beschilderen en tentoonstellen bijvoorbeeld! En wanneer is er weer eens een muziekfestival? Ik snak naar wat luide muziek op de weide’. ‘O, de festivals komen er volgend seizoen wel weer aan. Dan kunnen we gratis meeluisteren. En geen gedoe voor ons met peperdure tickets, stomme t-shirts, drankbonnen of toiletwagens: we kunnen schijtend in ons eigen voedsel lopen, backstage in onze eigen VIP-weide’. ‘Holy cow, daar verlang ik naar! Ik begin me alweer een beetje een VIK te voelen, een Very Important Koe’. ‘En ik verlang ook naar een goeie cocktail in mijn kont, om een beetje bij te komen. Ik voel me te mager. Ik moet dringend een veearts of een sportverzorger opzoeken’. ‘Koeiemorgen zeg, dat gevoel ken ik. Ik ben nu al drie uren aan het ontbijten en ik heb nog altijd honger als een paard. Ik voel me zo helemaal … beuh … helemaal Johan Musseeuw’. ‘Je bent en je blijft een koe hoor, dat is je lot’. ‘Ja, doodjammer. Het doktertje, beuh, het dochtertje van de boerin zal wel nooit op mijn rug rijden. En Waregem Koerse voor Koeien is ook al uitgesloten’. ‘Haha, dat is een koeie!’ ‘Zeg, weet je het nog: toen Michael Stipe van R.E.M. in een van mijn taarten uitgleed? Dat was pas een festival!’ ‘En ik heb al Sting en Schueremans op mijn taartenlijstje staan’. ‘Jij schijt ook veel uitgebreider dan ik hé’. ‘Je moet maar meer grazen’. ‘Ja, akkoord, ik laat er misschien wat meer gras over groeien, maar ik hou ook rekening met het landschap. Wij, beesten en boeren, bieden toch gratis schitterende landschappen aan hé? We laten Jan Hoet elke dag een poepje ruiken’ ‘Ja, maar welke domme koe heeft godverongelukt die foeilelijke verkiezingsborden in de weiden uitgevonden?’ ‘Och god, zwijg me daarvan. Als je daarover begint, is mijn dag eraan. Beu!’ ‘Beu!’
24-05-2005
32: Lot
LOT
O God, o lot, o gebod: liep u er weer in afgelopen 1 april? Ik loop er zelf ook elke dag weer in. Nooit zal ik het leren. Iemand, maar ik weet niet wie, dicteert me bijvoorbeeld dat ik vele jaren lang werk moet verrichten voor anderen. Mijn tijd (‘mijn’ tijd!) wordt ook door onzichtbare instanties in mootjes gehakt, opgedeeld en verkaveld in zogenaamde seconden, minuten, uren en deadlines. Als dàt geen pretentie is: de tijd in stukjes hakken en die aan je pols vastbinden en denken die zo te kunnen manipuleren! In ruil voor een maandelijkse omkoopsom bemoeit men zich dan ook nog eens met van alles betreffende mijn werk. Soms met veel meer dan dat. Maar soms neem ik het lot in eigen handen. Dan koop ik iets om te krabben. Niet dat ik luizen heb. Het schijnt dat getallen of kruisjes je leven kunnen veranderen. Nou, op weg naar de lottowinkel maaide ik met mijn inktzwarte saab eens bijna een fietser van de weg. Als dàt geen verandering in ons leven geweest zou zijn. De afgoden liggen altijd op de loer om ons … tja: een loer te draaien. Ze zijn zélf van lotje getikt. Nog iets: heb ik het gevraagd om uitgerekend in het apenland België geboren te worden? Waarom niet Denemarken? Legoland? Nu moet ik met het brandmerk B rondrijden. De hele wereld lacht me uit: ‘Kijk! Een Belg! Uit het land van de charlatans! Zijn premier denkt dat hij iets te piepen heeft op wereldniveau! Steak Pretentie!’ Het wrede lot wou daarenboven dat ik in de jaren vijftig mijn eerste angstschreeuw slaakte. Ik had veel liever de jaren twintig van de vorige eeuw meegemaakt. En dan, hupsakee: sprongetje naar de jaren zestig. Daarna, bis: naar de jaren twintig van de 21e eeuw. Maar da’s voor straks. Het lot bepaalt ons leven elke seconde: inslagen van meteoren, aanslagen van meteorieten, stadsinfarcten, orkanen met meisjesnamen, aanslibbing van auto's, een waanzinnige politicus die op de verkeerde knop drukt, een komma, een getal, een woord, een barst, een stap, een blik, een tik. Het lot heeft ook vreselijke creaturen geschapen, maar die kunnen daar weinig aan verhelpen: er worden nu eenmaal geen nieuwe modellen meer gemaakt. Misschien moet de bevolking, omdat die elke dag er moet op kijken, esthetische belasting heffen op tv-schermschokkende figuren als Dehaene, Verhofstadt, Vande Lanotte, Aelvoet, Tobback, Willockx en Michel. Dat grenst nl. aan huiskamerhorizonvervuiling. Doe daar ook maar een paar zwetende tv-koks bij plus een aantal breedsmoelkikkerglimlachende presentatoren en presentatrices van die rechthoek van afgrijzen die we ‘televisie’ noemen. Ook dat is ons lot. We lopen er bijna elke dag in, verhippeltjes. Zappen!
23-05-2005
31: Hersenhoos
HERSENHOOS
In het hoofd van sommige mensen bevinden zich de zg. ‘hersenen’: een wirwar van weekheid. Sommige delen blijven lang sluimeren. Er is nog hoop, want het schijnt dat we maar een klein percentage van onze brains gebruiken. Voor de soaps waarin vooral gebeeldhouwde siliconetroela’s en correct gekapte kerels met keramieken glimlachen rondlopen, stel ik de algemene titel ‘Mooi en Hersenloos’ voor. Als die elkaar secondenlang in de ogen staren, in de waan dat ze aan het acteren zijn, dan zoek ik altijd vergeefs naar vonken van hersenen, gensters van verstand in diezelfde vier ogen. Maar neen, men is niet thuis daarboven, men is buiten de zone. Het zijn dan nog soms diezelfde acteurs, niet gehinderd door het intelligentiequotiënt van een kiwi, die in allerlei snertbladen hun mening ten beste geven over politiek en religie en maatschappij. Neen, toen de Schepper van Hemel & Aarde met hersenen rondging, stonden ze niet op de eerste rij. Dezelfde gevoelens bestormen me als ik de president van de Verenigde Staten van Amerika achter het spreekgestoelte zie verschijnen. Maar mooi is natuurlijk anders. Wat hebben de menselijke brains in de loop der tijden al bewerkstelligd? Waar heeft de zo geroemde rede al voor gezorgd? Uit bijna elke bladzijde van de geschiedenisboeken klinkt wapengekletter en doodsgereutel. Door de chaos van modder en bloed en mensenvlees probeerde men orde op zaken te krijgen: via de hel, de zogenaamde hemel bereiken. Nou, wat is er van geworden, van de aardkloot bevolkt door wezens met hersenen in hun kop? Een poel van ellende? Er is weinig reden tot lachen. Grimlachen, jawel. De wirwar van weekheid die zich in de opperste regionen van het menselijk lijf ophoudt, is blijkbaar nog voor een groot stuk aan het sluimeren. En hoe staat het met uw eigen wirwar daarboven dan?, zie ik u vinnig mompelen. Wel, laat ik stellen dat ik een aanhanger van de chaostheorie ben. Ik heb eerbied voor het systeem in de waanzin. Even zijrangeren is best leuk: ook schaakcomputers slaan uit wanhoop tilt bij de bokkensprongen van de menselijke geest. Om niet helemaal als een krop sla door het leven te waden, eet ik af en toe oesters en noten en pijnig ik mijn hersenen door een partijtje schaak tegen mezelf. Ik ben een fijne tegenstander. Als ik win, hijs ik de vlag van de Cutty Sark. Als ik verlies, is het hozen geblazen.
22-05-2005
30: Roodkopje
ROODKOPJE
Hij was onbeheerst bang voor het geheim dat meisje heette. Een naam alleen al volstond voor minutenlange schaamrode bewolking op zijn aangelaat. Daarenboven kukelde hij elke zondag in de kerk met zijn stoel opzij of voorover – high van de wierook, ziek van de reuk van oude pis en natte kleren, voor het aanschijn van zovele meisjes met hetzelfde bouwjaar als het zijne. Pas toen hij in een drukke stad een duif door de rode lichten zag vliegen, besefte hij: er zijn er nog die door het rood gaan. En in het rood stààn, wat nog een stuk erger is. Hij at of dronk ook niks met een rode kleur. Hij kocht bijvoorbeeld alleen maar groene snoep. Geen tomaten, aardbeien, grenadine, rode wijn, radijzen, … Wel rodekool, want dat was volgens hem een blauwte. Zelfs geen groente. Eerder een schaamte. De kinderziektes met ‘rode’ of ‘rood’ erin waren een hel voor hem. Zelfs het gebruik van het ouderwetse ‘roodsel’ voor geschaafde knieën of ellebogen bezorgde hem nachtmerries. Bij de verdeling van cowboys of indianen op de speelplaats van zijn jeugd, koos hij nooit voor de roodhuiden. Later zou hij nochtans leren dat cowboys ook ‘rednecks’ ofte rooienekken waren. Dat was al net zo erg als dikkenekken. Van de voetbalploegen en de politieke partijen koos hij altijd de onrode uit om voor te supporteren. Helaas voor de zakkenvullers: een bolletje rood kleuren deed hij dus uiteraard ook nooit. Hij keek wel uit. Met een rode auto heeft hij later nooit gereden. Het onnozelste sprookje aller tijden vond hij Roodkapje zijn. Toen de meesters nog krijtlongen hadden, kinderen met linialen op de knokkels sloegen en er af en toe autoloze zondagen waren, toen waren de zwartkopjes de lieveling van iedereen. Blond kon er ook nog mee door. Wit niet: hei, wittepenne! Bruin, alle schakeringen, evenmin: schijtkleur!. Wie zwart haar op zijn kop staan had, werd gezegend met veel aandacht en liefde. Die mocht op de achterbank in de schoolreisbus en die mocht altijd de deur opendoen als er geklopt werd aan de klasdeur. Wie rood haar op zijn schedel droeg, ging door een hel. Hij dus ook. In het zo pittige West-Vlaams behoorde hij tot de verschrikkelijke categorie van de ‘rostekoppen’. Om het allemaal nog veel erger te maken, was hij ook nog eens bezaaid met sproeten, zodat ze hem soms ‘Gespikkeld Opperhoofd’ noemden. Toen kwam met het einde der tijden de oplossing in zicht: men ging massaal haar verven, vaak in alle mogelijke tinten van vlammenwerpend rood, of men ging zich massaal het haar afroetsjen tot tegen de schedelpan. En toen braken voor Roodkopje betere tijden aan.
21-05-2005
29: Reis
REIS
2 juli 1904, 03:00 in de ochtend, Sommerhotel, kuuroord Badenweiler in Duitsland: ‘Het is lang geleden dat ik champagne gedronken heb’, zei de Russische schrijver Anton Tsjechov, en hij stierf, na een kort leven (1860-1904). Zijn lijk werd naar Moskou overgebracht in een groenachtige treinwagon waarop stond: ‘Vervoer van oesters’. Daarna volgde de begrafenisstoet per ongeluk de verkeerde kist: die van ene generaal Keller, gesneuveld, en op hetzelfde ogenblik ook in het station gearriveerd. Vandaar de krijgshaftige muziek, waar men zich over verwonderde. Iedereen keerde op zijn stappen terug. Er waren ook enkele laatkomers. De moeder van Tsjechov, zijn zuster en zijn broers moesten nog stevig op de ordediensten inpraten: ze werden niet herkend en werden bijna belet de begrafenisstoet bij te wonen. Op de begraafplaats werden kruisen gebroken, hekken omvergeduwd en bloemen en aanplantingen vertrapt door de nieuwsgierige ramptoeschouwers. Zo werd de laatste treinreis annex reis hiernamaals van een van Ruslands grootste schrijvers een draak van een drama, bijna komedie. Schril in contrast met de afschuw van Tsjechov voor vertoon, bombast en vulgariteit. Zijn literaire vrienden waren razend over het hele gebeuren. De schrijver van ‘De meeuw’ en ‘De kersentuin’ reisde ondanks zijn zwakke gezondheid talloze keren Rusland op en af, alsof hij zijn eigen dood op een dwaalspoor wou brengen. Hij bekommerde zich, als dokter, o.a. ook om het lot van de vele dwangarbeiders op het strafeiland Sachalin, waarover hij tienduizend steekkaarten opstelde. Ik heb meer van en over Rusland gezien en geleerd door de biografie van H. Troyat over Tsjechov te lezen dan dat ik er zelf naartoe gereisd zou zijn. Ik leerde zelfs Tolstoi heel goed kennen. En Gorki. Tolstoi vond bijvoorbeeld de heer Shakespeare een grote klungelaar. Voor Tsjechov als verhalenschrijver toonde hij wel respect, niet voor zijn theaterwerk. Mijn leesavontuur speelde zich dus vooral af onder nul op de schaal van Celsius, in de zonnige Krim, het koude Moskou of het mistige St. Petersburg. En buiten werden de Vlaamse boomkruinen onbarmhartig gegeseld door niet aflatende wind. Het regende ondertussen haaientanden, katten en honden, oude wijven en pijpenstelen. We lezen om te leren.
20-05-2005
28: Schreeuwlelijkerds
SCHREEUWLELIJKERDS
Toen ik lang geleden, in de beginjaren 60, met de KSA (‘Kongolese Slinger Apen’ noemden die groene jongetjes van de Scouts ons, ofte VVKS: ‘Vorte Vis Kan Stinken’) ergens op kamp ging, was ik een zeer braaf ventje met veel dromen. Ik zou geen vlieg kwaad doen. Toch betrapte een zogenaamde ‘leider’ me eens op praten terwijl ik dat niet mocht. Stel je voor! Knoerthard slingerde hij mijn achternaam door de zaal, als een vloek, zodat iedereen het horen kon. Ik was daar zo door geschrokken en vernederd – want ik had eigenlijk niet echt gepraat; ik had alleen geknikt omdat ik aangesproken werd door een andere strafbare onverlaat – dat ik toen onmiddellijk besloot levenslang kluizenaar in een woest landschap te worden, onder een schuilnaam te leven en alleen de nederigste en de braafste mensen te helpen en bij te staan. Van dan af noemde ik mezelf ‘Oude Hein’; dat had ik in het Nederlandse jeugdmagazine Taptoe gelezen. Ik wou voortaan ook alleen maar oude kleren dragen en op lelijke schoenen ronddwalen. Dat vormde geen groot probleem in die tijd. En ik wou vooral heel rap oud worden. Die verdomde ‘leider’ van de Kongolese Slinger Apen kon toen met zijn bavianenverstand nooit hebben vermoed hoe ver strekkend de gevolgen zouden zijn van het schreeuwend uitspreken van mijn achternaam. Nu, vier decennia later, heb ik nog altijd zeer veel zin om hem een oplawaai te verkopen, een pandoering te geven, af te trommelen, op zijn kanis te meppen, maar wellicht is hij vanzelf al doodgegaan. Ik ken nog exact de omstandigheden van toen dat onfeit plaatsvond: tijd, plaats, weer, publiek, gelegenheid. En verhippeltjes, een paar maanden later was het weer zover. De directeur van mijn lagere school, een veldwachtersfiguur met brillantine op zijn schedel en een sigaar als een zeppelin in zijn scheur, lapte me krek hetzelfde, toen we op het schoolplein op de bus stonden te wachten die ons mee op schoolreis naar Zaventem zou nemen. Weer hetzelfde liedje. En weer was het mijn schuld niet, want ook dan was ik nog een braaf ventje. Ik mocht bijna niet mee, maar dan zou die feldwebel zelf ook thuis hebben moeten blijven. En meneer ging natuurlijk mee. Toen was de maat vol. Ik werd zo kwaad als Repelsteeltje, toen diens naam geraden werd. Ik pakte mijn linkerbeen beet, scheurde mezelf middendoor en verdween door een spleet in de grond, groene rook nalatend. Een jaar later begon ik te schrijven. Stiekem, zoals de meeste kinderen. Het is nooit meer goed gekomen. God zit in het detail, maar de duivel ook.
18-05-2005
27: Klinkende munt
KLINKENDE MUNT
Op 29 december 2001 klokslag 19:21 besteedde ik mijn allerlaatste oude Belgische geld aan een bakje friet met bolognaise. Het betrof de ronde som van 155 BEF, zijnde een honderdflapje en enkele muntstukken. Dit alles speelde zich af in frituur Den Anker in mijn soms rumoerige, soms doodstille dorp H., een ‘rand’gemeente van de soms muisstille, soms windstille, soms doodstille stad K. (Sommige dorpen en steden zijn zo stil, dat je er alleen het klinken van munten hoort). Het was helemaal niet met heimwee dat ik mijn laatste patriottische som besteedde, want ik vond het lelijk geld. Blij dat ik er vanaf ben. Vroeger was ons geld veel mooier, in de tijd dat er centiemstukken waren met een gaatje in, net een mini-cd. De laatste jaren vond ik alleen de halve frank de moeite waard om naar te kijken. Er stond dan ook geen koning op. En ook het flapje van vijfhonderd frank kon er nog mee door. Maar de meeste andere landen hadden veel mooier geld. Het slijk der aarde is ook zeer ongezond, en vormt een bron van ziektes in de eerste wereld. Via geldwisseling worden allerlei microbes, bacteriën en virussen doorgegeven. Die veroorzaken dan hebzucht, diarree, constipatie, overvoeding, ijdelheid, snobisme, vraatzucht en vetzucht. De huisartsen en advocaten hebben groot gelijk dat ze een flink deel van dat gevaarlijke geld weer afpakken van hun patiënten en kliënten. Je moet preventief optreden bij een epidemie. Ruilhandel vormt natuurlijk ook geen oplossing; het komt alweer neer op het uitwisselen van dingen. Met plastic betalen dus maar verder. Kies een kaart uit de bloemlezing kaarten in uw portefeuille en hoop dat de automaat er zin in heeft. Dat u niet tegen de muur staat te praten. Het klinken van munten is vervangen door het knarsen en ratelen en zoemen van de muurbediende.Vlug geld uit de muur toveren? Vergeet het maar: file zult gij vormen, zo lang er mensen zijn op deze aarde, en zo lang deze aarde bezaaid is met slijk. Zout als ruilmiddel vormt anders wel een alternatief. De frietmanager in frietkeet Den Anker deed ook zout op mijn bakje vette hap. In ruil gaf ik hem wat oud Belgisch geld. Zo waren beide partijen tevreden. En ja: het was wel degelijk een bakje friet met bolognaise op. De bolognaise lag in een compartimentje apart, maar verspreidde zich ook over al mijn 123 frieten. Het moet toch niet altijd vol-au-vent of stoofvlees zijn. Voorspelbaarheid is zo saai en zo veilig. Gezouten en gepeperde groeten.
17-05-2005
26: De spiegel
DE SPIEGEL
Er was eens een spiegel. Hij had de vorm van een grote traan. Hij stond rechtop tegen de slaapkamermuur in een villa. Zoals alle villa’s droeg ook deze villa een vreselijk lelijke naam die in vreselijke koeienletters op de voorgevel prijkte. Die naam is nu van geen belang. In de villa woonden een dure heer en zijn dame. Telkens er zware vrachtwagens over de nabijgelegen weg dreunden, trilde de spiegel een beetje mee. Maar daar gaat het nu niet over. Er wàs niet veel verkeer in de omgeving van de villa. Alleen om acht en twaalf en één en vier uur was er wat getoeter en geronk, want er bevond zich een school in de omgeving. Er was wel iets aan de hand met die spiegel. Nog nooit waren de dame en de heer er in geslaagd hun gezicht en hun buik in de spiegel te zien. Altijd weerspiegelde die hun nek, hun rug, hun achterwerk en een deel van het weidelandschap daarbuiten, hoe ze zich ook in allerlei bochten draaiden, wrongen of wentelden, tot hun bovenlijf bijna uit hun bekken werd geschroefd. Dat gebeurde ook met iedereen die zich wou spiegelen. De villabewoners nodigden namelijk iedere bezoeker in hun slaapkamer uit om het ook eens proberen. Je wist maar nooit. De spiegel weigerde echter koppig hun voorkant te weerspiegelen. Zo was er ooit een bezoeker geweest die bijzonder veel van Shetlandpulls hield. Tijdens een stormwinter was voor de kusten van Shetland een olietanker gekapseisd. Robben, vogels en schapen hadden onder de ramp te lijden. De man had ijlings dertien Shetlandpulls gekocht. Hij vreesde namelijk dat er na de ramp geen meer geproduceerd zouden worden: het gras was bezoedeld en de schapen hadden geen voedsel meer. Toen hij als goede vriend des villa’s zijn verzameling pulls in de spiegel wou monsteren, lukte ook dat niet. De spiegel kende geen genade. Voor niemand. Ook niet voor een kerel met dertien Shetlandpulls ineens. Vergeet echter niet dat de spiegel de vorm van een traan had. De jaren verstreken. Door het steeds drukker wordende verkeer met ook steeds zwaarder vrachtvervoer brak op een dag de spiegel. Toen was de ban gebroken. In elke scherf apart konden de man en de vrouw eindelijk zien hoe oud ze geworden waren. God zit in het detail, maar de duivel ook.
15-05-2005
25: Werkzaamheden
WERKZAAMHEDEN
Het genoegen vrijwel elke week deelgenoot te zijn aan een file van formaat, is mij welbekend en geheel aan mijn kant. De autostrada ter hoogte van Gent, Gentbrugge, Waasmunster, Antwerpen en Ranst ken ik als mijn broekzak, beide richtingen. Ik vind dat geen levensgroot probleem en probeer er in mijn inktzwarte Saab het beste van te maken. Bij het filevormen kies ik voor de uiterst linkse strook, palend aan de middenberm. De middenbermnatuur is fascinerend én onbekend; alleen bij filevorming valt die te bewonderen. Er staan zelfs appelboompjes hier en daar. Verder liggen er verscheidene relikwieën van de consumerende mens uit de 21e eeuw. Meestal flits ik daar zo voorbij. Soms echter liggen er patatten of halve varkens over middenberm en linkse strook verspreid, zodat dit feest niet doorgaat en ik voor de andere stroken moet kiezen. In een stilstaande file is de auto een gezellige cocon, vooral als het prachtig slecht weer is en de Vlaamse regen van de ramen biggelt. Het panorama wordt bepaald door het uitzicht op de achterwand van het vrachtbusje voor je (‘VUIL!’, ‘WAS MIJ!’) en je boeiende dashboard. Er is ook muziek, voor zover die niet voortdurend onderbroken wordt door verkeersmededelingen en irritante reclamespots. Flesje water. Chocotoff. Al dat gezelligs doet zich voor omdat omstreeks de lente overal te lande weer ‘wegwerkzaamheden’ uitbreken. Mannekens kruipen dan van onder de grond en gooien die helemaal bloot. (Wanneer gaan ze nu eindelijk eens het stijve stadhuiswoord ‘werkzaamheden’ vervangen door ‘wegenwerken’?) Medio april lagen er ter hoogte van Waasmunster ettelijke dode halve varkens over het wegdek verspreid, zodat ik ruimschoots de tijd had volstrekt stilstaand van een gigantische file te genieten. Ik hoorde o.a. twee keer hetzelfde nieuws. Net toen ik besloot om pen en papier boven te halen om het eerste hoofdstuk aan een fantastisch boek te schrijven, kwam er beweging in het duizendwielig monster. Ik vond het bijna jammer. Een eind verderop lagen de gehalveerde zwijnen de weg voor tweederde te versperren. Eenheidspolitie dirigeerde driftig de aanschuivende gelukzaligen die zich uit de file aan het losweken waren. Eigenlijk moest dan weer een kilometer verderop zich een verse file voordoen, wegens échte wegenwerken. Maar daar ploegde iedereen gezwind door, als een gevaarlijk mes door koelkastsmeerbare boerenboter. Dertig kilometer verder, ik had de Antwerpse Ring net verlaten, werd ik echter alweer van mijn linkse rijstrook weggejaagd door een oranje-zwarte motorrijder die hevig naar mij gesticuleerde. Vlak daarna suisde een wagen voorbij met een kroonprins erin. Ja, er valt voorwaar altijd wat te beleven op de Belgische autostrada. Mochten de files nog wat langer duren, dan schreef ik er een boek over. De hoofdpersonages zouden welluidende namen dragen: Welriekende Dreef, Vierarmenkruispunt, Kennedytunnel, Wommelgem, Lummen, Ranst, Bertem en nog vele, vele andere. Ooit komt dat boek er nog wel, wegens werkzaamheden.
13-05-2005
24: Niets
NIETS
Leegte is prachtig. Zodra je er een grens om trekt, is die verdwenen. Daarom is het beter geen grenzen te trekken, want verderop is er niets beters dan hier. Alles is voortdurend anders behalve jezelf. Vertrouwdheid kan aangenaam verblinden. Ook niet zeggen: ‘Dat zien we later wel’. Later zie je niks. Later kan het donker geworden zijn. Prairie en woestijn en zee en daar de wind overheen. Leegte is niet saaier dan slootwater. Hitte kan denderend op je afkomen in zo’n volle leegte. Grote bomen die over een weg heen groeten, zijn ook mooi. Waar vind je al dat fraais nog allemaal? In de boeken natuurlijk. Al die moeilijke gedachten kwamen in me op terwijl ik onder het eten van Russische sprot las in ‘Zen en de kunst van het motoronderhoud’ (1974) van Robert Pirsig. Daarin wordt een serieus potje afgefilosofeerd op, naast en via de motorfiets. Het boek beschrijft een tocht van Minnesota naar Californië op de motorfiets door de verteller en zijn elfjarige zoon Chris. Het is ook een filosofische verhandeling en een twintigste-eeuwse versie van de Erlkönigsage van Goethe (man en zoon te paard; spook; einde: dood zoon). ‘Wer reitet so spät durch Nacht und Wind? Es ist der Vater und seinem Kind’. Na deze wereldbekende, moeilijke en moeizaam te lezen kluif (je hebt er een stevige läserstraal voor nodig, vooral als moto’s je niks zeggen) verorberde ik langzaam de lijvige Tsjechov-biografie van Henri Troyat. Mijn ziel werd daardoor gevat in een soort van gelatine. Ik ging veel sympathie koesteren voor de journalist-schrijver-bloedspuwende huisarts wiens eerste toneelstuk een drama was, ik bedoel: echt wel een drama. Ook zijn begrafenis was een drama, maar dan meer een draak. Het was passend en rechtvaardig dat ik dit boek las onder de treurberk in de tuin. Maar het was een prachtige hoogzomer met schitterend slecht weer toen en ik wou vooral aan niks denken. Dat is heel moeilijk. Het is een van de moeilijkste dingen: je hersenen vakantie gunnen. Met een volstrekt nietszeggend gezicht, desnoods vreselijk dwaas, naar prachtige leegte zitten staren of naar een boom die tot ver beneden naar de grond groet. Kijken naar kiekens zonder dat je beseft dat het immense kiekens zijn en zonder dat je ze echt ziet. Van krommenaas gebaren als een of andere slimmerik het weer meent te weten, weet je wel. Nu is het allemaal weer anders. De woestenij is in zicht.
12-05-2005
23: Bewijsbegeerte
BEWIJSBEGEERTE
De wereld van de meetbare dingen is helemaal niet boeiend. Een liter is saai. Een meter is saai. Een horloge is het bewijs en symbool van de menselijke ijdelheid: men denkt de tijd te kunnen beheersen door hem aan de pols vast te binden, aan muren op te hangen of in klokkentorens te metselen. Allemaal bewijsbegeerte. De broederschap der voordehandliggende logica predikt nu overal meetbaarheid, veilige meetbaarheid. Menselijke prestaties op het werk moeten ‘meetbaar’ zijn. Wat meetbaar is, is vaak voorspelbaar. Adieu creativiteit, verrassing, flexibiliteit, humor (om maar vier kenmerken van intelligentie te noemen). Van wijsbegeerte naar bewijsbegeerte. Volgende stap: het uniform. O, er zijn nog zaken meetbaar. Maar gewoonlijk doet men daar niks aan, als na meting blijkt dat bijvoorbeeld stress, belasting en werkdruk hoog scoren. Dan worden de meetlatten vlug weer weggemoffeld. Het is geweten, dus het volstaat. Marleen Vanderpoorten wou tijdens een bepaalde hete onderwijsherfst ook eerst wachten op de steun van iets meetbaars vooraleer ze onderhandelingsbereidheid aan de dag legde. Ze wou zelfs even de ‘privé’ en het onderwijs met elkaar vergelijken, wat bijzonder dom is, en wat eigenlijk neer zou komen op ‘zich meten met elkaar’. Een appel en een peer meten zich nooit met elkaar. Tja, al dat gemeet. Het beantwoordt aan het veiligheidsgevoel van een grijze meerderheid. Wat meetbaar is, is overzichtelijk, in te tomen, te controleren, te manipuleren. Als het al moeilijke resultaten oplevert, omdat het menselijkheid en prestaties betreft, en een en ander duidelijk maakt, wordt er gegoocheld met percenten en percentages: die zijn zo onduidelijk en rekkelijk, dat je er makkelijk mee kunt schuiven en jongleren naar eigen goeddunken en willekeur. Het zijn de eufemistische stiefbroers en -zusjes van de getallen en de aantallen. En toch klinken ze ‘meetbaar’. O, ik heb heimwee naar en verlang naar onmeetbaarheid, wijsbegeerte van de twijfel, variatie, alles wat uitdijt, krimpt, uitdijt, krimpt, en weigert zich in liter, kilo, meter, watt, percent of cijfer te vertalen. Het is ook pas in oneindigheid dat het perfecte samenkomt. Zoals het scalpel van de chirurg het bewijs is van de onkunde van de geneeskunde, zo is de meetbare eenheid het bewijs van de angst van de bewijsgeer. Maten en gewichten zijn de werktuigen van de kruidenier. Horlogemakers hakken de tijd in mootjes. Ze verdelen om beter te heersen. We weten nu allemaal hoe laat het is.
10-05-2005
22: Terugblik
TERUGBLIK
Alles was er klein in het groot. Alles was er groot in het klein. Het regende onverdroten. Wind uit oude dagen hield grote schoonmaak. Buiten was de vorige eeuw volop aan het woeden: de midlifecrisis van de jaren zestig, zeventig. In mijn herinnering zat zij aan het enige raam in de kleine woonkamer: wipneus, krulhaar, altijd lachend. Hij zat in de fauteuil in de omgeving van de kachel: pet, bril bij wijlen, stofjas. Ze waren met pensioen na een druk leven op de arbeidsmarkt van de jaren dertig, veertig, vijftig. Ze lazen boeken of vertelden verhalen en anekdotes. Dat is nou natuurlijk het moeilijke van herinneringen: die zijn gekleurd. De twee mensen waar ik het over heb, zaten daar niet voortdurend. Ze hebben waarschijnlijk moeten knokken om daar af en toe eens zo bedaard te kunnen zitten, tijdens weekends en op feestdagen bijvoorbeeld. En het waaide zo vaak en zo hevig omdat mijn herinnering dat zo wil. Nu, en dan nog. Er is de feestelijke geur van konijn-met-bier. De drukte van een wielerwedstrijd in de straat in de provinciestad. Renners kwamen zich achter in het kolenhok omkleden, insmeren en bananen vreten. In de keuken wedijverden ook de geuren van scheerzeep, zwarte zeep en prinsessenbonen voor bij het konijn. Alles feestelijk dooreen. Het was in de Oostendestraat in Torhout. We trokken op woensdagmiddag te voet onder het bladerdak van grote kastanjebomen tot aan het kasteel van Wijnendale. Zij ging mee. We gingen in het overgebleven groen van het uitbreidende stadje op zoek naar wilgenhout om fluitjes van te snijden. Dat kon hij ook. Hij kon alles. We plukten braambessen, gluurden met afgrijzen in het gapende zwarte gat van de ijskelder bij de kapel aan het Wijnendaals kasteel, duwden in gedachten enkele van onze onderwijzers in die bodemloze vergeetput, maakten vuisten in onze jaszakken tegen de vrieskou van de twintigste eeuw en raapten kastanjes als het waaiweer begon te worden. Op zondagavonden zagen we er onze eerste televisieprogramma’s; de grote wereld kwam binnengeflikkerd, met zijn witte en zijn zwarte sneeuw. Nergens smaakte een boterham-met-kaas beter dan daar. Toen het handvat van mijn allereerste broodtrommeltje (de voorloper op de schooltas, de beautycase en de rugzak) op weg naar de papschool losliet, heeft grootmoe mij gered van de schande op straat. En het regende godgenageld oude wijven die dag, en haaientanden en pijpenstelen. Ja, ik weet het zeker: Elvis leeft, Kroetsjov loopt nog rond, Tony Corsari leidt ergens een gezellig leven en mijn grootouders doen dat ook.
07-05-2005
21: Bad Pritt
BAD PRITT
We zitten alweer in café De Woede der Noormannen, ergens tussen Adinkerke en Outrijve. Het regent mot. Het waait niet. Jammer. Het is een man met oud haar op zijn hoofd. ‘Liefde,’ zegt hij, ‘liefde is een kleverig gedoe.’ Ik kan niet nee zeggen en knik dus ietwat langs hem heen in de richting van een foeilelijke gatenplant. Zijn haar verraadt vele liefdesavonturen of helemaal geen. Serieliefhebber of kluizenaar. Misschien zelfs vader van 2,8 kleverige kinderen die hem ietwat hinderen. ‘Vrouwen willen zekerheid,’ zeg ik totaal overbodig, wat een mooie spreekwolk, maar met een rouwrandje om. ‘Ze zijn verkleefd aan die ene, liefst bestendige donor die ze kiezen uit velen.’ Hij knikt en kijkt naar niets naast mij: ‘Doe jij iets met je haar misschien?’ ‘Ik, nee,’ zeg ik. ‘Ik heb er de tijd niet voor, vooral ’s ochtends niet, en de tijd staat niet stil, nietwaar.’ ‘Nee,’ beaamt hij opgelucht. ‘Nee. Of zijn wij het die veranderen?’ ‘Je zult bedoelen: verouderen.’ ‘Hm,’ kucht hij. Hij inhaleert de rook van zijn sigaret tot in de toppen van zijn tenen. Ik wacht benieuwd tot die rook ergens weer uitkomt, maar nee hoor: meneer houdt alles voor zichzelf. Er komt zelfs geen wolkje uit zijn achterwerk of zijn linkeroor. ‘Vrouwen plakken aan je,’ zegt hij dan, iets concreter dan daarstraks, of juist nog veel abstracter. ‘Voor je het beseft, ben je geringd als een duif, opgespeld als een dode vlinder en vastgelijmd in een familiealbum.’ ‘Tja,’ doe ik. Ik kijk naar een foeilelijk kunstwerk aan de muur. Een vrouw, natuurlijk. Nou: de vrouw is mooi, maar het werk is kunst, dus lelijk. ‘Zo,’ zegt de man met het oude haar op zijn hoofd dan. ‘Een levensverzekering heb je dus waarschijnlijk al.’ ‘Ja, al jaren.’ ‘En kan ik je echt geen beter voorstel doen?’ ‘Nee, mijn leven is goed verzekerd. Voor wat het waard is, althans: morgen kan ik over een kikker struikelen en doodvallen.’ ‘Het is anders tegen morgen al in orde: geen gedoe met papieren en zo. We werken honderd procent klantvriendelijk voor de categorie pre-senioren zoals u. Op uw leeftijd … ‘ ‘Nee,’ schud ik beslist. ‘Jullie verzekeringen zijn anders ook wel een kleverig gedoe, hé. De enige verzekering die ik op mijn gezegende leeftijd nog overweeg, is een verzekering tegen verzekeringen.’ ‘Daar heb je dan boekhouderslijm voor nodig, of zeer straffe colle-tout’, zegt de man, en hij verdwijnt uit café De Woede der Noormannen en uit mijn leven, zonder verzekering. Bad pritt, die kleverige verzekeraars!
05-05-2005
20: Burgers Darlingen
DE BURGERS VAN DARLINGEN
Een honderdtal kilometer van de hoofdstad verwijderd, tegen de spoorweg aangehurkt, ligt een kleine stad, die we om verschillende redenen Darlingen zullen noemen. Die stad telt ongeveer veertienduizend inwoners. Er zijn diverse kerken en kloosters, en een ziekenhuis dat omwille van zijn ouderdom en zijn gotische bouwstijl zeker de aandacht van kunstliefhebbers zal trekken. Wanneer men ongeveer vijftien jaar geleden in Darlingen halt hield, en de navel van de stad naderde, ontwaarde men eerst en vooral fabrieksschouwen die boven grote werkhuizen uit torenden. Daardoor was men geneigd Darlingen als een druk economisch centrum te beschouwen. Dit gevoel werd nog versterkt door de concrete drukte in de fabriekswijken. Nauwelijks echter was men de lange toegangsstraten gepasseerd, of die drukte verminderde aanzienlijk. In de plaats daarvan trad stilte in, vooral toen men het centrum van Darlingen naderde. Ja, er waren brede, mooie straten met grote huizen, bewoond door vermoedelijk welvarende mensen. De gevels van die huizen waren echter vuil en grijs. De meeste luiken voor de vensters waren permanent dicht en de trottoirs zagen groen van het gras, dat hier en daar zelfs tot het midden van de straat reikte. Een zeldzame keer ontmoette men er een levende ziel. Het was er stil en doods, alsof iedereen de hele dag sliep. Alleen het geklep en gelui van klokjes en klokken doorbrak af en toe die stilte, in vele hoeken van de stad. En overal was het stil en eenzaam, met uitzondering van de fabriekswijken. Ook genoot Darlingen de dubbele faam een rijke, maar buitengewoon vervelende stad te zijn. (…) Nu zijn we de fabrieken voorbij. Werp uw blik op lange, eentonige straat die zich voor u ontrolt, met die gesloten huizen, die stilte, het gras dat tussen de stenen groeit: zeggen die tekenen van bewegingloosheid u niet dat Darlingen wil slapen, terwijl iedereen wakker is en werkt? (…) Ook spreekt men er onder elkaar vaak kwaad van een ander; veel goeds zegt men niet. (…). Dit is het begin van de roman De Burgers van Darlingen van Hendrik Conscience,19e eeuw. Ik heb er hedendaags Nederlands van gemaakt. De man die zijn volk leerde lezen, woonde korte tijd in het Vlas Vegas van Vlaanderen, later ook genoemd Texas. Is er ondertussen al iets veranderd in de stad waar de schrijver het over heeft, met uitzondering van het aantal inwoners? We mogen hopen van wel.
04-05-2005
19: Vaart wel
VAART WEL
Welvaartstaat? Kijk maar eens goed naar de kleine lettertjes en cijfertjes om u heen vooraleer u in zo’n zelfverklaarde staat gelooft. Welzijn? Loop eens de lange rijen wachtlijsten af van de jongvolwassenen die omwille van mindervaliditeit onderdak zoeken. Ze worden asielzoekers in eigen land. Natùùrlijk wordt mantelzorg gepromoot. Want de staat schiet te kort. Thuisverzorging dan maar, met alle gevolgen vandien. Gelukkig gaan ze nu die wachtlijsten ‘wegwerken’. Mobiliteit? De gratuite Stevaert? Laat me niet lachen. Je zult bijvoorbeeld maar in het westen van dit land wonen. En zelf moeten bellen voor een bus. Treinen en bussen schieten de meeste stations en haltes zo voorbij. Als ze al stoppen, zitten ze volgestouwd tot in de nok. Gratis onderwijs? Maar kindjes toch! Zie eerst maar dat papa of mama de juiste schoolkeuze maken. En dan nog. Licht, warmte, geluid? Elektriciteit in België komt u duur te staan, dames en heren. In dit felverlichte land zijn de rekeningen gepeperd. Zet een kaars voor je raam vannacht en bid om beterschap. Of hoop op concurrentie van andere bedrijven, want monopolieposities zijn nefast voor de klant, de burger, of hoe worden we heden ten dage genoemd door Vader Staat? Een stem? O, ja: stilaan zit de stemming er weer in. Wacht maar. Er gaat weer van alles gebeuren, veranderen. Het ‘druppelt’ in Brussel. Sommige dames en heren krijgen kiespijn. Ze dromen van hokjes. Hoe zwart zal hun zondag weer zijn? Hoe groen hun lach? Hoe blauw the limit? Hoeveel franje krijgt oranje? Hoe dood is rood? Door de zogenaamde herverkaveling van het politieke landschap (een cliché als een kathedraal met duivenstront op) krijgen we nu andere kiesclowns te horen en te zien. Ook zij zullen weer beginnen oefenen in glimlachen en grimlachen. Glimlachen naar u, kiezer, en uw arm uit de kom rukken bij de populaire handdruk. Grimlachen bij het aanschouwen van de verkiezingsresultaten, en rode cijfers leren ombuigen in hun voordeel door voortdurend andere vergelijkingspunten te hanteren. Ze zullen weer taalbokken schieten in hun wervende teksten. Hun slogans zullen weer om te gillen zijn. Laten we met maïs gooien naar de windhanen en mestkevers en blaaskaken onder deze beroepstateraars, zoals in Chili, want maïs wordt door kiekens gegeten. Ja, voorwaar: het wordt weer een drukke tijd in onze welvaartstaat. Wacht maar.
03-05-2005
18: Punt.be
PUNT.BE
‘Het lekt aan alle kanten. Het werkt helemaal niet. Het is één stinkende riool. Nee, met hen valt niet samen te werken’. Waarover gaat dit? Het is een korte dialoog uit een Amerikaanse of Britse film die ik begin februari op teevee zag. Onderwerp van dit gesprek was het Belgisch gerecht. We hebben het laatste decennium inderdaad nog wat toegevoegd aan ons fraai lijstje exportproducten. Dit is Belgisch: nestbevuiling, de Belgenmop, pedofilie, chocolade, bier, mest, politieke corruptie, rammelende rechtspraak. Be Big in Belgium, land van charlatans, eredoctoraten en weekendongevallen. Wie als buitenlander vertederd over Belgische kasseien stapt, beschut door wilgen, de nasmaak van witlof uit het Brusselse Beenhouwersstraatje nog in de mond, moet toch wel even de wenkbrauwen fronsen bij al dat moois van punt.be. Datzelfde weekend waarin ik die film zag, toonde het tv-programma De Zevende Dag ook een artikel van een journalist van Het Belang van Limburg. Zijn opinie: ‘rooms-rood, blauw-rooms, groen-blauw of paars-groen: ze hebben er allemaal een potje van gemaakt’. En nog datzelfde weekend kwam het ‘wereldberoemde’ Beenhouwersstraatje van Brussel in opspraak wegens witwasserij. Enkele restaurants bleken wasserijen te zijn; twee werden prompt gesloten. En nog datzelfde weekend, herejezustoch, werd de overheid in verband met een ongeval annex proces op de vingers getikt door een Dendermondse rechter. En het was niet de eerste keer dat de heren of dames rechters uit hun ivoren toren nederdaalden en Vadertje Staat berispten. En in diezelfde tijd was er ook, alweer, een rel rond benoemingspolitiek. Ja, we zijn goed bezig in België, punt.be. Natuurlijk was nationale baas Verhofstadt niet welkom op het sociale wereldcongres in Brazilië. In New-York mocht hij wel aanschuiven; daar zaten de politici en de captains of industry samen. Je kunt nu eenmaal niet uit twee ruiven eten en telkens de andere kant opkijken naar gelang van de richting van waaruit de wind komt. Windhanen doen dat; onze vorige premier verzamelde die overigens. Tja, natuurlijk is ons druilerige koninkrijkje ook bekend voor zijn strips en zijn striptekenaars. Er wonen dan ook veel stripfiguren; soms waan je je in een heus stripverhaal. Altijd uitkijken, geachte vreemdeling, beste argeloze, als je in België rondstruint, voor doofpotten, lijken uit de kast, dubbele agenda’s en neutrale verklaringen. Het beste wat je hier kan doen, mocht je hier een wijle blijven, is de juiste loge kiezen of in het slechtste geval vlugvlug een politiek partijtje uit de grond stampen. We hebben er al een hele heksenkring van. If you can’t join them, beat them. Kies hùn wapens. Een andere mogelijkheid, maar niet van gevaar ontbloot, is u in West-Vlaanderen vestigen. Gouverneur Breyne zal er voor zorgen dat u minder rap dood gereden wordt dan in andere provincies. En per slot van rekening is er nog altijd de zee. Punt.be
01-05-2005
17: Prior Tante Pos
PRIOR TANTE POS
Prior: ooit het magische woord van Tante Pos. En wij maar hopen en kopen en likken, tot onze tong op onze buik hing. Resultaat: de priorzendingen arriveerden dagen te laat en de ‘gewone’ zendingen (de drenkelingen dus) bleven nog langer uit. Die spoelden nog later aan. Voilà, nog maar eens een ingreep van de wonderboys. We betalen ons niet alleen blauw, we ergeren ons ook blauw. Vandaar sedert enkele jaren de uitdrukking: ‘Meer blauw op straat.’ Tante Pos liep hoe dan ook een blauwtje op. En wij maar likken en slikken, want we zijn er afhankelijk van. Moeilijke heertjes met gezichten als verkreukelde financiële kranten krijgen een schouderklop van een minister en maken er vervolgens een soepje van. Denk aan die Zwitsers en onze Sabena. De Belgische Spoorwegen. Zo’n gladgestreken oen komt dan ijskoud vertellen dat de kerstdrukte er voor iets tussen zat dat prior eigenlijk helemaal niet prior was. Maar ondertussen hebben we met z’n allen wel stevig betaald. Voor niets dus. En hoe zit het met de volgende kerstdrukte dan? Alles moet altijd tot op de gram kloppen bij Tante Pos. Wel, als wij nu eens massaal ook alles tot op de cent doen kloppen? En tot op de dag? We eisen onze priorcenten terug die niet prioritair gebruikt werden. Met die centen kopen we een extra pakje drenkelingzegels, voor zendingen die traditiegetrouw toch dagen- en nachtenlang blijven zwalpen. De klant, die al jarenlang trouw en dapper de kont van de koning likt, is dus zelf geen koning. Daarom stel ik voor dat er een speciale postzegel komt, zo in de trant van de mijnwerker op de halve frank van vroeger. Op die postzegel komt de klant te staan. De ontevreden klant wellicht. Dat mag dan natuurlijk geen priorzegel zijn. Want klanten zijn niet prior bij Tante Pos, ondanks de slogans en de slijmerige peppraat. Misschien moet er ook een tweede postzegel komen, met de beeltenis op van de postbode en de loketbediende. Die zijn ook de klos bij Tante Pos, want die vangen het ongenoegen van de klanten op. Gelukkig zijn de bedienden en de klanten beschermd door glas. Allebei. En de postbodes door slecht weer. Tja, die brief die ik u zou zenden, zal dus niet aankomen. Het spijt me. Misschien doe ik het elektronisch. Maar niet getreurd: het is nu zo’n tijd. Ook de banken willen geen mensen meer over de vloer. Ze beheren onze centen ook met dezelfde minachting. Dit is 2005, weet u wel. Stemt u dat niet tot nadenken, in het kleinste hokje van onze democratie?
30-04-2005
16: The West, the Best
THE WEST, THE BEST
Ik denk dat ik er in geslaagd ben alle dorpen van West-Vlaanderen gezien te hebben, eindelijk. Mocht ik dichter zijn, ik zou schrijven: ‘Ik ben dankbaar dat ik de dorpen heb gezien’. Meteen een alliteratie ofte stafrijm, herinnert u zich nog van uw schitterende lessen Nederlands uit de middeleeuwen van uw leven. De dorpen in West-Vlaanderen klinken zelf als gedichten. Ik kan niet onbewogen blijven bij namen als Stuivekenskerke, Pervijze, Slype, Mannekensvere, Outrijve, Zwankendamme, ja: zelfs Hoeke en Heule. Voor het blote oog liggen sommige van die dorpen wel even buiten westen. Je moet die zelf ontsluiten, want ministers van mobiliteit kunnen niet zo ver denken. Maar opgepast! Onderschat het niet! De heilige klank van Kanegem! Het wereldgevoel in Raversijde! De nering en tering in Adinkerke! De vaart der volken in de weiden rond Diksmuide! De laatste echte chocolade in Abele! Iets geheimzinnigs in Schuiferskapelle! En ook in Elverdinge! Om van de wegomleggingen in Kruiseke nog maar te zwijgen! Het diepst onder de indruk was ik in Stuivekenskerke, in het holst van de winter. Onder het woeden van een heus tempeest (wind, regen) reed ik langs water dat Ijzer heet, minutenlang, zonder ook maar een levende ziel of dode auto tegen te komen. Alleen een hoopje westtoeristen op een boot samengepropt passeerde ik. Plotseling gebood een wegwijzer me linksaf te slaan. Aldus geschiedde. En zie: daar doemde de dorpskern van Stuivekenskerke voor mij op. Eerst liet ik een kasteelhoevehotel (hoevekasteelhotel? hotelhoevekasteel?) links liggen. Ik zal daar ooit terugkomen als ik beroemd ben. Daarna kwam ik bij een twintigtal huizen, een katholiek gebedshuis en een drenkplaats, ook ‘café’ genoemd. Voor ik van mijn verbazing bekomen was, had ik Stuivekenskerke alweer achter me liggen. (N.B.: ik heb een zeer blauwe en zeer rappe auto). Het was net alsof ik even door een filmdecor gereden was. Die middag passeerde ik ook tot tweemaal toe de Dodengang. Het moet me van het hart dat ik het jammer vind dat het oud-Belgische museumgebouw er vervangen werd door een eenentwintigste-eeuws afschuwelijk gedrocht. Er is al veel kapotgemaakt in dit land, o.a. een hoop Hortahuizen in Brussel, en hier in het westen moeten ze ook niet onderdoen, kijk maar naar Oostende en Kortrijk. Maar verder is het in de tuin van gouverneur Breyne best wel aangenaam vertoeven. Laat ze maar komen uit Brussel en Antwerpen en Keulen naar de kust, met hun niveadozen en hun moppengebral-op-café, het zijn allemaal inkomsten, en dood moeten ze toch eens, ooit, allemaal, nietwaar, ‘kust ze’, zeggen we dan. Warme groeten vanuit deze lage streek.