De roos is het symbool van de liefde. De duif betekent vrede. De chocopot staat voor kinderjaren. Een van de eerste teksten die we, bewust of onbewust, lazen, of althans probeerden te ontcijferen, was het etiket op de chocopot. Sommigen onder u zullen nu opmerken: nee, dat was op de cornflakedozen. Toch niet, jonger grut, want die dingen bestonden nog niet toen wij piepjonge virussen waren. Chocopotten dus. Ook ondergingen we in de middeleeuwen van de twintigste eeuw onbewust onze eerste lessen Frans dank zij la vache qui rit. La vache qui rit, dat waren kleine driehoekjes amper smeerbare smeerkaas zonder smaak. Wie die heeft uitgevonden, moesten ze levenslang op water en smeerkaas zetten. Later hebben ze smaken aan die driehoekjes toegevoegd, maar ondertussen gingen hele generaties reddeloos verloren door smaakloosheid. Dat waren de piepjonge helden uit de tijden van de soldatenradio, soldatenkoeken, vellen met melk onder verborgen en ‘zoetekoek’ waar je mond en je kont dagenlang van dichtplakten. Na al die martelingen deed zich dan des zomers in de vakantie een ander drama voor: die vreselijke rabarber dook op. In plaats van ons die zure stokken als wapens te laten gebruiken, maakten de ouden van dagen er godgenageld confituur van. We plakten dan nog meer, en honderden vliegen uit de late jaren vijftig en de vroege jaren zestig landden ononderbroken op ons gestel. Een van mijn broers werd zelfs door een boze verdwaalde vogel aangevallen die op zoek was naar zoete weerwraak. Mijn angst voor overvliegend pluimvee en mijn fascinatie voor katapulten en schietlappen dateren van toen. Maar terug naar de choco. Elk jaar omstreeks december, krijg ik weer de geur van ouwe choco in mijn neus. Zou dat door de Goede Man en zijn Zwarte Piet komen? Ach, net zo goed doet een doordringende sinaasappelgeur hetzelfde. Nee, dat choco-aroma stamt nog uit onbestemde tijden, toen de dagen maar ‘open en toe gingen’, de wind in de boomkruinen oud was, de zomers warmer waren, het struikgewas geheimzinniger, de straatlampen spookachtiger, de sneeuw witter en hoger, de postbode op nieuwjaardag gezellig zat. Mijn choco kwam misschien uit de allereerste chocopotten ter wereld. Wat eerst komt, is vaak het best. De rest is gewoonte, herhaling. Gewoonte wordt luxe. Luxe wordt snobisme. Snobisme wordt blasé. Blasé is … Geef de choco eens door, mémé.
10-06-2005
47: Upperdog
UPPERDOG
Omdat sommige basket- en volleybalspelers al bijna drie meter hoog zijn, heeft men besloten met gewichten rond de enkels te spelen, wegend naar gelang van de lengte van de speler. Zo wordt het wat boeiender voor het publiek; tot nu toe hadden de spelers het papgemakkelijk. Ook wordt het volleybalnet dertig centimeter hoger opgetrokken; de basketkorven idem dito. Aan de ballen raakt men vooralsnog niet, maar men speelt wel met de gedachte aan één scherpe hoek. Wat voetbal betreft (een balsport): om dat spel wat aangenamer te maken, wordt elke ploeg verplicht om met een willekeurig uit de tribune te plukken supporter te spelen, eventueel door het lot aangeduid, als een van de elf. Ook komen er permanent twee ballen in het spel, en twee scheidsrechters. De buitenspelval wordt eindelijk afgeschaft. Voor de wielrennerij blijft alles zoals voorheen: wie er in slaagt zijn doping perfect te maskeren, wint de wedstrijd. Wil hij dat liever niet, dan mag hij de koers verkopen op ongeveer achthonderd meter van de eindstreep. Om het nietszeggende gelul van trainers en sporters in tv-interviews ietwat in te dijken (‘De bal is rond’, ‘Wat wilt ge’, ‘Het was moeilijk’, ‘Ik had de benen’, ‘Ik stierf voor de meet’, ‘Ik doe het voor de wielersport’, ‘We zien wel’), krijgen de ondervraagden van de reporter vooraf drie woorden en een punt waar ze een zin mee moeten bouwen. De rest wordt door de reporter zelf gezegd. Voor de renners worden dat: ik, conditie, tandje, (.). Voor voetballers: ja, bal, pech, (.). Maar ach, ook sportreporters kramen soms onzin uit. Gehoord op drie april, over een renner: ‘Hij is psychologisch veel met zijn lichaam bezig’. En ze hebben het bij wielerklassiekers zeer oorlogszuchtig over ‘sterven’ en ‘agressief zitten’. In hun enthousiasme steken ze dan ook een metaforisch tandje bij. Vandaar dat ook beslist is het beroep van sportreporter af te schaffen. Er wordt alleen nog gekeken door de toeschouwers, zonder storend commentaar. Dat betekent meteen het einde van de radiosport. Idem voor de herhalende beelden, traag of vlug: afgeschaft, die ellende. Wie het niet gezien heeft, het doelpunt, de aanslag, komt volgend weekend maar terug. Want de bal blijft rond. Supporters die achter de reporter of de geïnterviewde met een pet op hun kop het tv-scherm staan te verontreinigen, vooral diegenen met reclame op hun kleren, wordt levenslang de toegang ontzegd tot velden en circuits. Echter! Dit alles is niet van toepassing voor Vlaanderens Mooiste, de Ronde met name. De doping mag dan nog van de koppen en kuiten spatten, het blijft een koers als een roman. Al is de beroepssport al lang niet meer gezond, voor een klein broodje en wat spelen blijf ik graag een paar uur horizontaal in mijn zeer Engelse sofa. Leve upperdog Excelsior Moeskroen! Avanti Roeselare! Vanwege een denksporter.
09-06-2005
46: Dolen door symbolen
DOLEN DOOR SYMBOLEN
Symbolen … Symboliek … Van zohaast de mens aan iets betekenis en extra-associatie toekent, is het symbool of symbolisch. Zelfs als het er niet meer is: is Ground Zero nu een symbool? De WTC-torens waren dat alleszins: van het kapitalisme. Is Pim Fortuyn een symbool (geworden)? Nu hij dood is misschien wel. Koning Boudewijn? Prinses Di? Is de tomaat, net als het duimapplaus, al heel lang hét symbool van afkeuring ( … als ermee gegooid wordt … )? En het ei dan? Moeten we de uil slimheid of domheid toedichten? (De knappe meneer Uil versus ‘Wat baten kaars en bril … ‘). In Chili gooien de mensen maïs naar politici, als ze het niet met ze eens zijn. Wie pikt maïs? Juist, ja: kiekens.Zinnebeelden zijn cultuurgebonden. Laten we wel wezen:de natuur biedt op zichzelf geen symbolen. Ook al ziet een en ander er soms driehoekig of cirkelvormig uit.
Met het Symbolum des Geloofs ofte De Twaalf Artikelen van het Geloof (gegeven de 10 April 1946 in ‘Catechismus ten gebruike van al de bisdommen van België’) associeerde ik Dreiging, Duister en Gevaar. Dat kwam door dat magnifieke woord ‘symbolum’, dat tegelijk klonk als een klok en dreigde als een draak. Na het opdreunen van dat Symbolum (apostolische geloofsbelijdenis als herkenningsteken van de verbondenheid binnen de geloofsgemeenschap) was ik vooral blij dat ik alle twaalf artikelen zonder haperen had opgesomd en dat de duivel me dus vooralsnog niet kwam halen. De meester was overigens al erg genoeg. Hij staat nog altijd symbool voor de duistere Middeleeuwen van mijn bestaan op aarde, deze blauwe plek in het heelal.
Zijn goden symbolen? Ze duiken alleszins gretig op in de mythes. Pandora, Afrodite, Prometheus, Sysifus, Tantalus, …En bijna uitsluitend daar. Bepaalde literatuur wil zelfs van buitenaardse verschijningen (af)godjes maken. Feit is dat bijvoorbeeld sprookjes zeer sterk symbolisch geladen zijn. Roodkapje draagt niet toevallig een rood kapje, en geen groen, ook al vertoeft ze veel in het bos. Het rode kapje moet de dierlijke hartstocht verzinnebeelden. En sinterklaas loert (als hij geluk heeft en niet uitglijdt over je natte dromen) door de schoorsteen, niet van je huis, maar van je hart: hoe zit het met dat geweten van je, braaf kind? Eigenlijk wordt dat zelfs door zijn geheugen gedaan: zijn zwarte knechtje.
Symbool: Zinnebeeld: verdichting van en verwijzing naar een niet-aanschouwelijk begrip in een enkele aanschouwelijke voorstelling, voorwerp, handeling of teken. Oorspronkelijk een legitimatiebewijs, herkenningsteken, contramerk, afgesproken teken, parool, wachtwoord. Denk aan zo’n gespleten hartje-aan-een-ketting dat bijvoorbeeld bij de Joepie wordt geleverd: twee lieverdjes kunnen zoiets delen en weer complementeren. Teken van hun (kalver)liefde. Idem dito zoals bij de oude Grieken een contract werd bekrachtigd niet door de handen ineen te slaan, maar door twee complementaire potscherven te delen, die samen een pot vormden uiteraard. De uitvinders van onze democratie draaiden niet rond de pot.
Ook de exacte wetenschappen kennen hun symbolen: tekens, letters. (Lettersymbolen, tekensymbolen). Dat is zo voor wiskundige constanten en chemische elementen. Grootheden, eenheden, relaties, waarden, operaties worden niet omschreven maar symbolisch aangeduid. Duidelijkheid en begrijpelijkheid zijn hier de boodschap. De tekentaal van de ‘exacte’ symbolen vormt de kortste weg naar het begrip. Net zo goed betekent + min en – plus. Het is een kwestie van afspraak. Tijdens zo’n college aan de unief kunnen gefluit of gegooi met bepaalde voorwerpen tevens voor symboliek zorgen.
Alleen de mens kan dus (extra-)betekenis aan voorwerpen of handelingen toekennen. Dieren niet. Wanneer de elektriciteit uitvalt, kan een kaars u uit de penarie helpen. Diezelfde kaars, uitdrukkelijk voor een raam gezet, kan symbolisch staan voor (verlangen naar) vrede. En in de omgeving van de kerstboom, brengt ze extra sfeer. De driehoek uit de natuur roept niemendal op. In het verkeer daarentegen houden we er, al dan niet omgekeerd, zeer zeker rekening mee. Hij symboliseert een en ander. Een symbool draagt dus alleszins geschiedenis over: gedachten, gevoelens, beschaving kortom.
Godsdiensten zijn zo abstract dat ze barsten van de metaforiek en de symbolen. De beeldende kunsten hebben daar af en toe werk van gemaakt. Het is maar via de afbeeldingen dat we de symbolen leren kennen. De witte lelie staat bij de middeleeuwse kunstschilder voor goedertierenheid, op voorstellingen van het Laatste Oordeel voor barmhartigheid. Uit de ons best bekende godsdienst, de katholieke, even een inventaris van symbolen: het kruisteken, het monogram van Christus, de Griekse letter T (tau, tevens de vorm van de executiepaal waaraan Jezus is gestorven, later de vorm van de St.-Pietersbasiliek en vele andere kerken), de duif (Heilige Geest), offerlam (Lam Gods), mens/engel (Mattheus), arend (Johannes), leeuw (Markus), rund (Lukas), herder (stok, tas, melkkan), vis, anker, mandorla (twee snijdende cirkels, amandelvormig ‘oog’, ‘vis’), feniks, passiewerktuigen (kruis, doornenkroon, drie spijkers, lans, spons, speer, hamer, tang, gesels, folterpaal, ladder, naambord), trinitasringen (drieëenheid), driehoek, drie gestrekte vingers, brood, zout, bijenkorf, schip, roos, ivoren toren, morgenster, nimbus van driehoek in cirkel (geloof, hoop, liefde, opgenomen in het rijkste teken van rust én beweging), nimbus met kruisvorm (cf. heidense zonnewiel, de spaken merken de vier seizoenen). Symbolische getallen? Drie, zeven (maal zeven … ).
Echte symbolen, in tegenstelling tot bijvoorbeeld wiskundige tekens en verkeerspictogrammen, die gewoon een collectieve afspraak zijn en zelfs veranderd kunnen worden, tonen iets wat niet in gewone termen, begrippen en omschrijvingen te vatten is. Ze roepen ‘mysterie’ op: een diepere werkelijkheid achter dingen, mensen. We snappen het wel, maar kunnen het niet verklaren. We weten het wel, maar kunnen het niet definiëren. De symbolen ontsnappen aan de redekundige en intellectuele greep van de mensen. Symboliek is heel belangrijk. Hij komt meer voor in het dagelijkse leven dan we denken. De naam van iemand is een symbool. Negeer die naam, spot met die naam, verwring die naam, verbaster die naam: heel erg. Vervang die naam door een nummer: allerergst degraderend. Wie bijvoorbeeld tijdens een betoging de vlag van de tegenstander besmeurt, verscheurt, verbrandt, stelt een symbolische daad. En toch is het maar een lap textiel waarvan er zovele zijn.
Persoonlijke noot. De verkeerde lieveheer. Ik heb er al een hele collectie van. Mijn persoonlijk symbool. Antiquarisch net zo veel waard als een verkeerd getande postzegel. Niet veel dus. Dat is ook niet de bedoeling van symbolen. De Christus aan het kruis die (vanuit zijn eigen standpunt) naar links helt en kijkt en luistert, richting zg. ‘slechte’ moordenaar. De klassieke afbeeldingen volgens de officiële canon: Christus’ hoofd op de borst gezonken (schaamte over de wereld?) en Christus’ hoofd naar rechts hellend (berouw aanhorend van de zg. ‘goede’ moordenaar). Mijn ‘links’, ‘verkeerd’ lieveheertje doet de moeite het alibi van de slechterik te aanhoren. Hij legt zijn oor te luisteren aan de linkse, donkere, slechte, duistere kant. Ik promoveer hem tot symbool van rechtspraak en bevrijdingstheologie. Tijdens het eerste pausbezoek aan België waren er katholieke fundamentalisten die de jacht op verkeerde lieveheren openden. Die ene, ‘abstracte’ linkse Christus is symbool; de rest (mijn gehele collectie) is natuurlijk ‘voorwerp’. Hebbedingetjes, wat mij betreft. Dingsigheidjes, soms.
Monumenten. Een mens kan ‘een monument’ zijn. Eenmaal monument, altijd monument. Zelfs besmeurd. Of bekakt door duiven ( … die dan zelf geen symbolen zijn … ). Kennedy. Ghandi. Lernout & Hauspie? Die hebben misschien symbolischer uitstraling dan de man die rijmt met ‘astronaut’: Frimout. Rise and Fall of Flanders Empire. Ghandi is meer symbool dan monument. Kennedy minder. En Che dan? Ikoon? Nu dragen ook de antiglobalisten hem al op hun lijf. Hij staat dus voor iets. Symbool? Nieuwe versie van de Lijkwade van Turijn? À propos: Boeretoren, Zoo, Kennedytunnel, Atomium: pre-millennium & naoorlogse vooruitgangssymbolen?
Kon de hierboven vermelde tweeling L&H (’Let me do the talking’) maar van de atlas op hun schouders af door de symbolische frank (nou: euro) te betalen! Symbolisch in zijn waarde, lachwekkend zelfs, maar het is het (opgelegde) gebaar dat telt. En een frank is een frank! Iets meer frank- en vrijheid levert de gouden handdruk op. Er kleeft wat meer dan genoegdoening aan dat onzichtbare symbool. Fort Knox: symbool van wat in o.a. de WTC-torens-zaliger aan kapitaal werd omgezet. Goud. De hedendaagse steen der grijzen. De dollar als teken van grootheid en eenheid. Dat dollarteken als symbool van Amerikapitalisme. O ja: ‘dollar’ komt van het Hollandse ‘daalder’.
Symbolen waar slijtage op zit omdat hun actualiteit verdwenen is: terril, liftkooi, mijnwerkerslamp, hoefijzer, drietand. Symbolen die zo vaak gebruikt worden dat ze het moe zijn ( … en tot cliché of dood symbool zijn verworden … ): de zon, de donkere wolken, de ster, de zee. Vergelijk met een ‘dode’ metafoor als ‘slachtoffer’, of een ‘weg’ afleggen. Soms variabel: de slang (serpent, geneeskunst), de vos (sluwheid, rebellie, seks – cf. D.H. Lawrence: The Fox), de beer (fysieke sterkte, Rusland). Uit het rijke oeuvre van de Vlaamse schlagerzangers plukken we ‘de roos’.
13 een symbool? Bij het Laatste Avondmaal lagen ze met z’n dertienen aan tafel. De zogenaamde verrader lag vlak links naast de te verradene – eigenlijk de boezemvriendplaats. Of zat daar bij nader inzien en dichter toezien een boezemvriendin? Da Vinci heeft het via zijn bekend schilderij de mensheid verkeerd doorgegeven. De leperd.
08-06-2005
45: Hooi
HOOI
Roodomrande konijnenogen, bergen zakdoeken, filevorming van snot, je kop van je romp niezen, ziek en niet ziek, een onderwereldbril op je neus tegen het zonlicht, pilletjes, injecties, dieet, slaperigheid, gemoed in het vriesvak: hooikoorts, kortom. Ik kan niet echt een natuurliefhebber zijn tussen april en oktober. En ik ben het beu om aan mijn omgeving uit te leggen dad bijn deus verstobd zit, dat ik wegens straffe pilletjes om de drie uur in slaap dreig te tuimelen, dat om de anderhalve seconde het snot uit mijn kop druipt, dat ik een hoofd als een zwalpend eiland heb, dat ik dus alleen tegen kauwgumsnelheid kan presteren, dat ik geen stem meer heb, dat ik niét een nachtje op de lappen ben geweest. Zo’n kop! Moeilijk te geloven. Want je bent niet ziek. Je bent aandoenlijk. Je bent alleen maar wrakhout, een slachtoffer van de natuur, aangespoelde drenkeling op een zee van snot. Iedereen schrikt zich een hoedje als je weer eens zeventien keer na mekaar knoerthard aan het niezen slaat. Grapjassen zitten stiekem te tellen hoe veel keer je het doet. En als het dan eindelijk avond wordt en de buien zijn ietwat overgewaaid, dan is je hoofd leeg geniesd. En je neus is een staketsel van rode vellen geworden. En je stem klinkt stroef als kolengruis. En het is alweer tijd geworden om een vers pilletje in te nemen, preventief, want hierna komt er nog een dag. O, ik kan hevig verlangen naar wind en regen en zomerse onweders. Met veel donder en bliksem erbij: dat is dan God die met zijn lastoestel de gaten in de ozonlaag weer dicht probeert te schroeien. Ik wil hier ook van de gelegenheid gebruik om een statuut te eisen voor de hooikoortslijder. Wij eisen gratis papieren zakdoeken, bergen begrip, voorrang in openbare toiletten, kosteloze vakanties in de nabijheid van veel water, een toelage voor pillen. Wij vragen met aandrang dat iedereen de andere kant op zal kijken wanneer we aan het worstelen zijn met badnatte zakdoeken en onze ogen oceanen van dronkenschap lijken te zijn en uit onze neus een Donau van snot vertrekt die niet te stelpen valt en het debiet heeft van Belgische bieren. Nog iets: laat vooral niemand afkomen met goede raad. Alle hooikoortsigen hebben alles al geprobeerd. Soms lukt iets. Soms niet. Koning Boudewijn bijvoorbeeld heeft zijn hooikoorts nu overwonnen. Voor ons, overlevenden, is het weer bang afwachten: komt er schrale oostenwind? Gooit die verdomde zomerzon weer met gloeiende speren naar moeder aarde? Zal men altijd meer grassen, berken, parken, bossen aanplanten of mogen we hopen op neon, beton, frietketen en cinema’s? Hatsjie … Hatsjoem … Hatsjernobil … God zegene u, hooikoortslijdenden.
06-06-2005
44: CC
CC
De zon zonk als een oranje kauwgombal in de gapende muil van het West-Vlaamse avondland. Ik stond diepe gedachten te hebben op een welbepaalde plek, en van daaruit zwermden die naar nog andere streken en steden uit. Cultureel Centrum ’t Yserleiepand zag er uit zoals vele CC’s in Vlaanderen: eerst en vooral ‘polyvalent’, en niet te vergeten ook volstrekt smakeloos afschuwelijk ongeïnspireerd foeilelijk. Polyvalent: men moest er toneel opvoeren, voor dode konijnen kaarten, mosselen eten en op klompen hossen. Lelijk: afwezigheid van zowel goede als slechte smaak, zeg dus maar aanwezigheid van doodgewone onsmaak, vertaalde zich in een ellendige symmetrie van avondrode bakstenen muren, de verplichte lichtkoepel en de onvermijdelijke glazen toegangsdeuren. Dit geheel werd luisterrijk omgeven door de alom gekende boomsoort der coniferen, vreselijk groen, op hun beurt beschermd door afschuwelijk groene afrasteringsdraad van een overbekende monopoliefirma. Zoals alle culturele centra bevond ook ’t Yserleiepand zich ergens lukraak aan de rand van een ‘bebouwde kom’ (waar veel mensen tegelijk in de soep zitten), vrolijk, ludiek, gedurfd, haaks op alle andere architectuur, afgescheiden als een drol door zijn hond. Ha, Jan Modaal wou Modern?! Jan Modaal zou Modern krijgen!! En een architect met ringbaard en lang haar schraapte een gebouw bijeen. Omwonende slachtoffers vormden daarna een comité om een naam te bedenken voor het onding. Dat was hun troostprijs. Kijk: cultureel centrum ’t Yserleiepand bestaat niet. Je kunt er dus niet naar komen kijken. Maar je ziet het overal, op vele plaatsen: daar waar de afgelopen decennia de roep naar cultuur zo groot was en dus de navenante gebouwen als zwammen uit de grond schoten. Veel van die gebouwen zijn lelijk. Sommige onfunctioneel. Andere dan weer niet in verhouding tot hun omgeving, inwoneraantal, mogelijkheden. Enkele industriële pareltjes zijn zelfs tegen de vlakte gegaan om plaats te maken voor een 20e-eeuws misbaksel. Zulke diepe gedachten stond ik te hebben toen de zon eindelijk helemaal ter kimme neeg en onzichtbaar wegzonk aan de achterkant van mijn wereld. Dat gebeurde in het westen, een streek die echt niet opviel door haar architectuur. Daarenboven was het maartuari, de lelijkste maand van het jaar.Gelukkig was er nog het CC in Tielt; het werd tijd om nog eens Jacky in zijn foyer op te zoeken. Het was daar twee keer leuker toeven dan in zovele koele-kikkerkunstcentra. En gelukkig woonde ik zelf in een vuurtoren.
05-06-2005
43: Nicht gezapt
WIR HABEN ES NICHT GEZAPT
Kijk, als het waar is dat men is wat men eet, dan ben ik een bijzonder zoet man. Dieren eet ik vooral graag in de vorm van donkere fondantchocolade. Met fanta en cola heb ik een zoete verhouding, en een suikertante is altijd welkom. Ik was vroeger ook fan van The Sweet, een Britpopgroep. Maar zwijg mij over televisie, of ik word bitter en zuur en spuw gal. En ’t een en ’t ander wordt dan nog duurder ook, merci telenet, zomaar: betalen voor pulp, platgoed. Nog meer dan vroeger is het pure ellende op het scherm. Vooral die van VT4 en VTM denken dat iedereen het IQ heeft van een potje mosselen. Het hoofdprogramma bestaat daar uit irritante domme vreselijke voortdurend herhaalde reclameblokken met tussenin wat stompzinnig BV-gedoe, spelletjesgeleuter of een feuilleton waar je de galopkak van krijgt. Voorts een vooruitblik op de komende programma’s, tot je stikt van verveling. Maar nu staan ze bij Van Molle op de VRT ook al te springen en onnozel te doen bij die quiz. Toen ik die oenen over mijn scherm heen en weer zag hollen, heb ik ze voor eeuwig weg gezapt. En ook daar herhalen ze nu al tot je zwart ziet wat ze de komende dagen gaan vertonen. Wat is dat toch met die televisiemakers? Hoste op oudjaar is al een ramp; nu wordt het alsmaar erger: na de Pfaffs weten ze van geen ophouden meer, de Vlaamse primitieven. Dat ze hun camera in een konijnenhok zetten verdorie. Dan kan iedereen eens dieren ‘in ’t echt’ zien. Naast de Britse feuilletons, films, documentaires, Ter Zake en het journaal schiet er bitter weinig over dat het meemaken waard is. National Geographic is ook al naar de knoppen. De uitzendingen worden er eindeloos herhaald en om de haverklap zijn er ook daar al commerciële mededelingen van hoofdzakelijk onze welvarende buren boven de Moerdijk. Dan maar CNN op de achtergrond, oorlog of geen oorlog, om ondertussen iets anders bij te doen: een boek lezen, ruziën met huisgenoten, de kat tergen, kikkerbillen klaarmaken, kruismoordraadsels invullen, niet opendoen als er gebeld wordt. Je komt op CNN veel rapper het nieuwste nieuws te weten en hun weersvoorspellingen wereldwijd zijn verdorie beter dan die van onze beeldbuizerds. En hun muziekjes zijn leuker. En hun reclameboodschappen korter, dus krachtiger. 2005 zal wat mij betreft een televisiekarig jaar worden. Ik zal beletten dat die domme heilige koe bepaalt en dicteert hoe ik mijn avonden doorbreng. Of mijn zomer, godbetert. En ik blijf stiekem snoepen. Yes, I am a very sweet man.
04-06-2005
42: Winkelellende
WINKELELLENDE
Vijftien kilometer ten zuiden van een stille Vlaamse stad strekt zich het groezelige Noord-Frankrijk niet uit. Het kàn zich niet uitstrekken, want het staat bomvol met fabrieken, warenhuizen, fabrieken en warenhuizen. Het vergezicht wordt overal gehinderd. In elk toilet in Noord-Frankrijk wil je je een kogel door je kop jagen zonder een afscheidsbriefje aan de mensheid na te laten. In elk warenhuis wil je je ter plekke ophangen met een stuk lingerie ‘le moins cher’, onderste rayons. Op een druilerige zaterdagvoormiddag trok ik met mijn poedersuikertante naar dat buitenland, naar een van die ellendige warenhuizen. We slaagden erin op een gigantische parking een winkelkar los te wrikken van de rest door de truc toe te passen met een oud stuk van 50 BEF: munt erin, hop, karretje los, hop, munt er weer uit plukken. Geen gedoe meer met altijdzoekrakende jetons dus. Onderweg met ons koppig karretje (dat voorwiel wil altijd ergens anders heen) kwamen we een man tegen die rochelde als een apotheker na vervaldatum, een vrouwtje dat hoestte als een koffiezetapparaat van een postorderbedrijf en een Fransmannetje wiens brommertje niet wou starten en dus ‘kloot!!’ naar dat brommertje riep in het Frans. Een bezoek aan dat warenhuis raad ik verder iedereen af. De halve mensheid schurkt er zich aan de meer dan 90 kassa’s zwetend en zuchtend tegen de andere halve mensheid aan. Gedwee als een schaap klampte ik me aan het karretje vast, dat zich gestaag vulde met de noodzakelijkheden van het bestaan op deze aarde. Even aarzelde mijn poedersuikertante bij het visvoer, maar toen bedacht ze dat ze geen vissen in huis had. Waren er nog andere mensen in warenhuizen dan volslanke vrouwen in magere kleren en volslanke mannen op dunne stengels van benen in trainingspakken? Ja, er waren ook pubers die niet achter hun oren gewassen waren, een vreselijke stank tussen de rekken verspreidden en gilden in plaats van te spreken. Deze bavianen gebruikten ook alle parfumtesters die ze op hun weg tegenkwamen. Ik had zin om in huilen uit te barsten, met een salvo iedereen om me heen neer te maaien en daarna een fles snelwerkend gif in mijn keelgat te gieten. Mijn tante, een echte wijsheidstante, suste me echter met een eclairke. Na betaling van de goederen, voorafgegaan door 27 minuten filevorming, verlieten mijn poedersuikertante en ik dat buitenland met zijn lelijke nummerplaten weer. Ondergetekende had een heel weekend nodig om te bekomen van deze cultuurshock.
03-06-2005
41: Eeuwige vergunning
EEUWIGE VERGUNNING
Waarom begint iemand van de ene op de andere dag zijn overgebleven hoofdharen naar achteren te harken? Daarvoor was hij voor de vooruit. Hoe komt het iemand plotseling van koffie begint te houden? Vroeger bunkerde hij sloten alcohol en cola. Wanneer begint iemand de wallen onder zijn ogen als jaarringen te beschouwen, zoals bij de bomen? In glorierijke dagen waren dat lauwerkransen. Het is de ziel die dat dicteert. De ziel bevindt zich in het linkeroorlelletje. (Vandaar de bekende zinsnede: ‘Als de ziele luistert … ‘). Als iemand voor de spiegel met een bedenkelijk gezicht aan zijn linkeroorlel staat te frutselen, dat schiereilandje kippenvel ten westen van zijn hoofd, dan wil dat zeggen: de ziele spreekt. En als de ziele spreekt, dan moeten het hart en het hoofd luisteren. Zo spreekt de ziele: ‘Man, het is nu welletjes geweest. Vlot en tof moet je niet meer proberen te zijn. Je vlot is stuurloos, de toftigheid hangt er in treurige vodden bij. Neem nu eens een fotokopie van je vader, je grootvaders, je voorvaders en hun spataders, hark je haar op maat, kies wat kleren op maat, hou maat in het drinken en kies maten die ook maat kunnen houden. Zo kun je nog eens een decennium doorbaggeren, zoals je vaderen het je hebben voorgedaan.’ Tja, en ik die altijd als motto had: ‘Liever de wind dan een hark om blaren op te ruimen.’ En, o wonder, dan komt er zo’n jonge gast op je af, zo’n zwarte betwetervogel in recyclagekleren, en hij zegt: ‘Maar dat vind ik nu eens deftig en cool, dat achterover geharkte haar, die ringen onder je ogen, en die emmers koffie die je met Special-Agent-Cooperachtige gebaren in dat oude hoofd van je giet! Toftig!’ Dan zijn er twee mogelijkheden om zoetjes wraak te nemen op dat ontzagwekkende misverstand. Ten eerste kun je voor altijd thuisblijven. Een soort levende begrafenis, zeg maar. Ten tweede kun je marathons lopen. Twee lange ingrepen dus. Als je voor de tweede mogelijkheid kiest, waar loop je dan naartoe? De eindmeet is voor iedereen gelijk: strooiweide of graf. De lat ligt er voor iedereen gelijk: zeer plat. Het is de ultieme democratie. De wereld is ook rond; je kunt dus moeilijk jezelf ontlopen, want je komt steeds jezelf weer tegen. Welaan dan, strijden maar, ondanks krampen in de verlengingen. Iemand die tegen je zegt: ‘God, wat ben jij grijs geworden zeg!’ En dan antwoorden: ‘Vroeger was ik god, nu niet meer. En vroeger was ik groen. Nu ook niet meer.’ Om je te troosten denk je dan aan leuke dingen. Dingen die beter of mooier worden naarmate ze ouder zijn. Wijn, violen. Wijn die mee de val van het Romeinse Rijk veroorzaakte, wegens tinvergiftiging. Violen die het zinken van de Titanic begeleidden. Zo komen we weer bij de ziel uit: het hoorapparaatje voor een geweldige stilte. En bij koffie, dat geweldige bakje inktzwarte troost.
02-06-2005
40: Q?
Q?
Waarom stond je niet op de eerste rij toen de schepper van hemel en aarde met charme rondging? Kun je in alcoholische volgorde de koningen van België opsommen? Wil je je nu eens niks van kleren aantrekken, schat? Wilt u zegeltjes van de kroostrijke gezinnen of mag ik direct aftrekken? Als je zo volmaakt bent, waarom sta je dan niet in een museum? Hoe vaak ben je al voor zenuwfeiten veroordeeld? Waarom maak je geen pijlen van je plankenkoorts? Waarom geeft het leven je geen krediet als je niet betaalt? Kan men zich verzekeren tegen verzekeringen? Waarom hield God op met tegen de mensen te spreken toen ze er in de bijbel over gingen schrijven? Geloof je in eierboerpraatjes en koektrommelplaatjes? Heb je ook een broer aan de universiteit? In welke bokaal? Wat was dat? O, niks speciaals, dat was je leven dat voorbij zoefde. O, kan ik er nog een? Nee, sorry makker. Gedaan met zappen. Wat doet u om den brode? Ik zit levenslang uit, op later en dood. Als u een open boek bent, waarom ligt u dan op de verkeerde bladzijde opengeslagen? U schrijft? Ja. Kan u daar van leven? Ik kan er wel bij blijven werken. Als het Nederlands enkele miljoenen woorden telt, waarom zou ik er dan maar honderddertig van gebruiken? Waarom is het leven een droom als je boeken leest van dode schrijvers? Hoe veel synoniemen zijn er voor ‘liefde’? Zo veel als de Inuït er hebben voor ‘sneeuw’? Als God in het detail zit, mogen we dan vitten? Zit de duivel daar dan ook in? Heb je een minuutje en een vuurtje? Wanneer komt die pil tegen Bekende Vlamingen nu op de markt? Eddy, neemt gij Dempsey tot bruidegom? Dempsey, neemt gij Eddy tot bruid? De slechtste antwoorden op deze vragen (ja, nee, muziek, voetbal) worden bestraft met een weekend met Sam Gooris. De origineelste antwoorden worden bekroond met een warme blauwe muts voor reizen naar de Balkan. De schiftingsvraag van deze Q?-quiz luidt: heb je je haar laten knippen misschien? Wie daarop correct antwoordt, krijgt een tweede schiftingsvraag: hoe veel Russen pletten hun frambozen in spierwitte melk? Tot slot nog enkele moeilijke vragen buiten competitie: waar zijn we mee bezig? Is er dood na het leven? Is er licht aan het einde van de tunnel? Hoe veel keer stroomt een beek eenzelfde punt voorbij? Kunnen er nog andere dingen dan politici omhoog vallen? Waarom zijn de loketten in de postkantoren altijd maar aan een kant overbevolkt? Waarom laten de mensen de andere mensen niet met rust? Houdt God van frieten? O, is het al zo laat?
01-06-2005
39: Theater
THEATER
Het gordijn is de dood. Pas als het gordijn open geritst wordt, komt het theaterstuk tot leven, weze het goed, weze het slecht. Rits het gordijn weer dicht, en het stuk bevriest. Zoals een dichtgeslagen deur veel met alles doet, aan beide zijden of aan weerskanten van het gelijk (afhangend onder andere van hoe die deur dicht gesmakt werd). Uit een stuk proza van de Hongaarse schrijver Orbàn Otto: ‘Op het toneel der vooropgestelde ideeën is de dood steeds een onbewogen gordijn’. Gordijn als grens tussen werkelijkheid en fictie, echt en waar. Gordijn als filter tussen buiten en binnen. We zien de gordijnen in de huiskamer niet als de gordijnen in de schouwburg. En toch gelijken ze heel erg op elkaar. De wereld is er lelijk aan toe. Daarom zijn er gordijnen nodig, alweer om de weerskanten van dat gelijk te scheiden. We vluchten erachter; we vluchten ervoor. Regen kan zo’n aangenaam gordijn zijn, jawel. Zoals in de film ‘Un taxi mauve’, waarin Philippe Noiret in Ierland het regengordijn doorbreekt en inrijdt, ergens heel noordelijk, en nog meer regen dan voorheen te slikken krijgt, zodat zijn bestaan op deze aarde op een carwash begint te lijken. Maar dat blijkt helend te werken. Zoals bij Pallieter, maar dan totaal anders. Nog beveiligend: het haargordijn voor je ogen, al of niet permanent. Kaalkoppen en zelfgekozen kojaks met schedels als roetsjbanen kunnen hierbij alleen maar herinneringen ophalen. Drapeer, als je nog in de mogelijkheid bent, je haar voor je ogen en je bedoelt: ‘Ga weg’. Theater dus. Allemaal theater. Doek. Open doek. Gesloten boek. Doekje voor het bloeden. Het mooiste toneelstuk dat ik ooit heb gezien, was, nou: is, alles van Ionesco. Absurd theater met een hoog werkelijkheidsgehalte, zoals het ten eerste hoort en ten tweede ook is. Ik bedoel: de werkelijkheid, haha, laat me niet lachen. Bezoek het parlement. Probeer naar politici te luisteren. Volg de soaps van alledag. Zie hoe het gerecht werkt. Of niet werkt. Lees de krant. Het zijn eigenlijk niet de schrijvers die hun fantasie de vrije loop laten of dingen uitvinden of billenkletsende, dramatische, absurde, sentimentele, bloederige …. boeken en stukken plegen. Nee, de werkelijkheid zelf staat er bol van. Daarom zijn er gordijnen en gordijntjes nodig. Soms bewegen die even. Gordijnen hebben ogen; muren hebben oren. Vraag het maar aan die Margarita uit Nederland. Een punaise in de muur kan afluisterapparatuur zijn. Een olijf ook. Uitkijken. Zwijgen. Dichtritsen die mond, dat gordijn. Geen zaken mee.
31-05-2005
38: Opstel
OPSTEL
(Titel). Als de hond stinkt naar hond. (Aanvang). Ik heb geen hond. Dat mag u verwonderen, maar ik heb geen hond, ook al gelijk ik op een hond, zoals iedereen. Vrienden en kennissen van ons hebben wel een hond: Mickey, Darky, Pebbles, Loekie. Dat zijn de namen waar die honden naar luisteren, niet de vrienden en de kennissen. Een van mijn vrienden gelijkt wel erg goed op een Dalmatiër. Het is alsof hij voortdurend ernstig ziek is. De hond: trouwe viervoeter of gevaarlijke blafmachine? (Midden). Ik wil helemaal geen hond. Pa en ma ook niet. Willen de honden ons zelf wel? Zijn dat geen kuddedieren? Er zijn vele nadelen verbonden aan zo’n viervoeter in huis. Het ergste vind ik dat een hond naar hond kan rieken, vooral als hij in de regen heeft gewandeld. Rieken is erger dan ruiken. En wie hangt aan het andere eind van zo’n onwelriekende lijn? Juist, ja: een mens. Wie wandelt hier wie? Ikzelf heb geen wandelhond nodig om aan mijn dagelijkse gymnastiek te komen of om diepe gedachten onderweg te koesteren. Hondendrollen vormen een belangrijke plaag in de steden van ons land. Mensendrollen gelukkig nog niet. De meeste mensen doen de drol van hun hond niet in zo’n zakje, maar stappen stiekem vlug door. Wat moeten we denken van iemand die een hondenleven leidt? Het antwoord ligt voor de hond, eh, voor de hand: slapen, eten, suffen, weer slapen, weer eten en weer suffen. Wel, daarvoor kun je voor ‘luiaard’ uitgescholden worden. Verwondert het ons dat er in tekenfilms veel hondenmeppers rondlopen? Neen. Kennen we allemaal de uitdrukking ‘zo ziek als een hond’? Ja. ‘Een hond in huis vraagt zo veel aandacht als een klein kind’, zegt mijn pa. Dat vind ik dus ook. Ik zag zelfs al honden met luiers om. Een bedenking: waar begint het onderscheid tussen kat en hond? Hoe komt het dat de ene blaft en de andere miauwt? Voor de rest gelijken ze erg op mekaar. Er zijn katten met en zonder haar, en er zijn honden met en zonder haar, de zogenaamde zeemvelhonden. Geen van de twee legt eieren. Het verschil dan? Geen idee. Het is eenzelfde vraag als: ‘Is de spin een huisdier?’ (Slot). U merkt dus dat ik niet tegen honden ben, maar dat ik wel tegen honden in huis ben. Geef mij maar de kikker in het vijvertje in onze tuin. We noemen hem Bernard Massard. Als de lente weer achter de mistgordijnen begint te piepen, zal hij wel weer te voorschijn komen. Een lekker borrelhapje.
30-05-2005
37: De kwien en de paap
DE KWIEN EN DE PAAP
Pasen 2002 hingen twee openbare figuren halfstok: de katholieke kerkvorst en de Queen Mum. De ene was halfdood; de andere helemaal. Van de doden niets dan goeds. Kweenie Mum was zo dapper en zo goed om tijdens de oorlogsbombardementen in Good Old England te blijven, jawel. Daar wordt ze om geroemd en geëerd. Maar de enige reden was eigenlijk dat ze haar garderobe niet mee kon sleuren mocht ze gevlucht zijn. Kweenie was ook een rancuneus mensje, gok- en drankzuchtig en racistisch. Britten Boven! ‘Granny England’ zorgde wel voor kunstmatige inseminatie in haar oubollige land, zodat later koningin Elizabeth een feit kon worden. Ach, oudjes wordt veel vergeven. De oorlog heeft van sommige mensen ook helden gemaakt met een vraagteken bij. En ondertussen, op de valreep van De Goede Week, werd beslist dat de paus een kunstknie zou krijgen. Men vond het wel jammer van die achtste operatie. Men had liever gehad dat deze Poolse paus bekend bleef als de paus van de zeven operaties, een zg. heilig getal. De kerkvorst werd op Pasen zelfs in zijn pausmobiel in de kerk binnengeloodst. Een echt ouderwets mirakel zat er dus niet in. Zowel de kwien als de paap hebben een behoorlijk druk openbaar leven achter de rug. Beiden hebben heel veel representaties gedaan. Daar kan bijvoorbeeld Tineke van Heule niet aan tippen. Granny England was de petemoei van meer dan driehonderd verenigingen. En de paus kuste zowat overal ter wereld de tarmac, asfalt of macadam. Ook zullen we ons deze personages blijven herinneren omwille van hun kleurrijke kleren. Je kon niet naast de aquarelle outfit van de oude koningin kijken. In allerlei baby- en frambozenkleuren verscheen ze op de balkons. En het paapse paars, gecombineerd met vele andere hippiekleuren, is genoegzaam bekend. Die paus toch! Werk aan de winkel voor Walter Van Beirendonck. Maar wat is godgenageld nu het verschil tussen dergelijke mensen en pakweg een Indiër die al 38 jaar lang met zijn rechterarm omhoog leeft en gras eet en een vrouw van 44 jaar die na haar vorige vijf kinderen nog een tweeling ‘koopt’? Niets. En alles. Niets: je kunt niet voor Indiër, koningin, paus of moeder leren. Alles: de enen leven in een poppenkast, de anderen in een naturalistisch drama. En in die tijd waren er die het nog slechter troffen, want er speelde zich een heuse oorlogsfilm af in het Heilig Land. Ja, drukte alom met Pasen 2002.
29-05-2005
36: Vensterman
VENSTERMAN
Misschien leest hij dit, Vensterman. Misschien ook niet. De enige echte Vensterman woont boven een leegstaande winkel van bedden, op de hoek van een drukke straat waar zich dagelijks ettelijke keren bumperverkeer voordoet. Hij heeft een perfect uitzicht van op zijn eerste verdieping; zijn venster zit vlak op de hoek, zodat hij een panorama heeft op een viertal straten ineens. Het schijnt dat de politie Vensterman af en toe consulteert als goede bron. Vensterman houdt de wacht in de zuidelijke provinciestad K., een stad die zich kenmerkt door niets. Ik ontdekte hem deze zomer, toen ik zoals gewoonlijk des avonds mijn binnenverblijf verliet: mijn stadsoptrekje waar ik prachtige boeken schrijf. (Ik hou van stad en randstad.) Ik wuifde. Elke avond wuifde ik en hij wuifde terug. Soms gebeurde dat ook al eens op weg naar mijn geheime honk. Want hij zat en stond er ongeveer de hele dag. Zou Vensterman streepjes zetten per wuif? Heeft hij ondertussen het imposante getal van 65 876 wuivers bereikt? Heeft hij daarin categorieën ontworpen? Ondertussen is het een hele lente lang november geweest. Velden en weiden werden moerassen, tot wanhoop van de boeren. Evenementen verzopen in hemelwater. Op maandagen ontsierde de ene na de andere kettingbotsing het verkeer. Op dinsdagen vlogen bejaardentehuizen in de fik. Een zeehondenziekte bereikte onze kusten. Vensterman bleef ondertussen trouw op post, wat er ook gebeurde in de grote, boze wereld. Een keer zag ik hem, onlangs, over het zebrapad hollen. Bewonderenswaardig kwiek. Zijn zittend vensterbestaan heeft hem dus niet geïmmobiliseerd. Hij was gehaast om weer post te vatten één-hoog. Aanvankelijk dacht ik dat hij alleen maar naar mij terugwuifde, omdat ik er zelf mee begonnen was. Toen mijn dochter naast mij in de auto ook wuifde, en uitleg verschafte over de beroemde Vensterman, toen wist ik dat hij een O.B.V. was, een Onbekende Bekende Vlaming. Ik denk dat Vensterman net als ik ook van ‘slecht’ weer houdt. Dat het hoogdagen voor hem zijn als de regendruppels over zijn panoramische raam biggelen en de wind om de hoeken giert. Vensterman heeft dus een mooie lente achter de rug, als dat zo is. Ik ook, maar ik durf het bijna niet te bekennen, want overal worden heden ten dage heel vlug wapens getrokken en gebruikt.
28-05-2005
35: Pudding
PUDDING
In de maanden met een l in hun naam, het zijn er maar twee, eten we graag eens een lilpudding. Bijvoorbeeld na anderhalf kilootje mosselen, want ook daarin komen een paar l’en voor. Lillende pudding: met de l’en van langzaam, lui, lekker, lauw, luwte, lanterfanten, lang, landerig en langoureus. Lang leve het lillen van puddingen. De kleur van dat lillen mag best roze zijn, groen, rood, smurfenblauw, eigeel, hoe erger hoe beter. Of iets van een vage, onbestemde, onmogelijke kleur, waar ze bijvoorbeeld in Engeland zo goed in zijn. In het woord ‘pudding’, ook op z’n Engels gearticuleerd, zit al luie beweging. Het is een ‘lazy’, vriendelijk woord. Als je ermee gooit – naar iemand, tegen iets – verspreidt het zich ongevaarlijk. Met pudding kun je niets of niemand verwonden. Het is de meest hanteerbare vorm na de vloeibaarheid, maar gelijk ook zo moeilijk hanteerbaar, omdat het niet veel met vloeibaarheid scheelt. Het woord ‘pudding’ – ook op z’n Engels – kun je als het ware uitspuwen. Je laat de p hard ploffen, spaart in de bolheid van je wangen de volheid van dat lillen op en laat dan de hele smurrie zachtjes landen waar je wil dat die landt. Transparante pudding is het einde. Die gelachtige doorzichtigheid laat verwarring toe: vicks? gel? lijm? pudding? kokos? shampoo? Het doet me denken aan die smokkelaar van lang geleden. Elke dag passeerde hij op zijn fiets de douane. Telkens had hij een lilpudding op zijn bagagedrager. Nooit kon de douane hem op iets strafbaars betrappen: de puddingen waren alleen maar puddingen. Er zat niets verdachts in, hoe vaak ze er ook met hun vingers in woelden, en er soms van proefden. Uiteindelijk bleek dat de kerel fietsen smokkelde. Heden ten dage gebruiken de mensensmokkelaars containers en zwaar vervoer van kaasbollen, kikkerbillen, pruiken en Oostenrijkse pluimhoedjes, maar dat is dus een truc met een baard. Eigenlijk smokkelen ze vrachtwagens. Ter zake: die oude smokkelaar smokkelde natuurlijk ook nog wat detailhandel over en weer. Zijn drinkbus bevatte pure alcohol, en zijn banden zaten vol met tabak. Hij had vroeger op school goed geluisterd toen zijn meester het verhaal van het paard van Troje vertelde. Maar hij keerde het om. Gewoonlijk moet je de zaken op hun kop zetten, zoals dichters in hun gedichten wel eens doen, om iets interessants te ontdekken of mee te maken of te doen. Zo zijn het bijvoorbeeld de bomen die wind veroorzaken. En de steen voor het lege graf van Jezus werd niet weg gerold, maar dicht gerold: de intimi wilden vermijden dat pottenkijkers zouden ontdekken dat hij er nooit in gelegen had. En Judas was eigenlijk geen verrader, maar een goeie vriend van hem. Hij lag zelfs naast hem aan tafel, aan zijn linkerkant, de beste plaats. Want hij zou doen wat zijn meester hem opgedragen had: hem overdragen aan de autoriteiten en de huur van het avondmaallokaal betalen. Maar pudding was er die avond niet bij.
27-05-2005
34: Cocoon
COCOON
Het was niet lang na bimbambeierenzondag.Verontwaardigd over wat dit aardse leven mij en anderen allemaal wel en niet had aangedaan, zat ik eigenlijk best wel gezellig cocoonend en afternoonachtig thuis naar het snookerwereldkampioenschap in The Crucible in Sheffield te kijken in het gezelschap van een cappuccino. Lange zin, lange namiddag. Regen waaierde tegen de ramen; wind gierde om de straathoek. Mannen in vest-en-strik stootten ballen in gaten en snookerden mekaar. Het was een maandagnamiddag omstreeks 14 uur 30 en toch zat de zaal in Sheffield nokvol. Werkloze Engelsen? Verlofnemende Engelsen? Snookerfundamentalisten? Nu, ze mogen dan al het lelijkste volk ter wereld zijn, ze kennen wat van evenementen en het verfilmen ervan. Zelfs van biljart maken ze een thriller. Er straalde een algehele vredigheid van de omliggende tribunes af. Ook bij een geslaagde ingreep van een speler die duidelijk zwaar het onderspit aan het delven was, brak enthousiast-bedaard Brits applaus los. Het getik van de ballen kalmeerde me. De cappuccino was ik vergeten. Eigenlijk had ik die alleen maar veroorzaakt om naar te kijken, want, dames en heren, zo’n cappu is een ware caloriebom. Net naast het tv-scherm had ik een panorama over een eindaprilse zachte storm, af en toe gedrenkt in een lauwe regenvlaag. Jong, fris groen stond zeer groen heen en weer te zwiepen in de tuin. Af en toe kamde de wind de beukenhaag tegendraads. Graag had ik met mijn zaptoestel dat natuurtafereel annex geluiden voorgoed bevroren, in een eindeloze ‘still’ vol beweging en eeuwigheid. Helaas moest een van de snookerspelers echt in het zand bijten. Helaas brak het spitsuurkabaal van 16 uur in de straat los. En van 16 uur 30 en 17 uur ook. Iedereen snelde naar de autostrades die onze randgemeente in een wurggreep houden. Enkelen bleven. Helaas was mijn cappuccino koud geworden; hij zag er uit als een potje kots van een zieke kat. Kent u dat? Verder niet aan denken. Helaas ook brak de zon weer door. Dat heb je met april. De gehele wereld daarbuiten begon dus weer te woeden. Het deed pijn aan de ogen. Even later brak de dinsdag aan: dé dag bij uitstek om als maatstaf te gebruiken die over het leven op aarde kan helpen oordelen. Helemaal geen donsdag. Als het bijvoorbeeld regent op dinsdag in Rome, is dat bijzonder treurig, maar niet zo droevig als regen op dinsdag in Westrozebeke. Waarmee ik niet gezegd wil hebben dat een zonovergoten Westrozebeke de moeite niet loont. Maar dinsdagen … ach, schrijf me erover. Volgende week misschien meer over woensdagen!
26-05-2005
33: Koeiemorgen
KOEIEMORGEN
‘Koeiemorgen’, zei de ene koe tegen de andere op een noordelijk gelegen weide in Torhout. ‘Beu, melkmuil’, antwoordde die. ‘Ik heb een slechte nacht achter de rug. Mijn magen liggen overhoop door de aanhoudende droogte. Wat krijgen we nog voor sappigs te grazen de laatste tijd?’ ‘Tja, groen is verdwenen, hé’. ‘Hm. Zeg: zie je die sufferd van een hond ginder naar mij loeren? Ja, die met zijn biefstukoren. Hij staat er al minstens een halfuur. Hij werkt op mijn systeem’. ‘Dat komt er van als je een zieke koe bent’. ‘Wacht maar tot ik eens de galopkak heb! Dat hij dan maar durft te naderen! Ik bezorg hem de douche van zijn leven. Lekker lauw.’ ‘Maak maar liever wat melk’. ‘Met die droogte!? Mijn horens vallen verdorie van mijn kop’. ‘Maar als geuierde beesten moeten we solidair zijn met onze geluierde medemensjes. We zijn verantwoordelijk voor hun melktandjes, beu’. ‘Tja, je neemt me weer de woorden uit de melkmuil. Ik besef het wel. Maar er zijn nog andere dingen dan melk en vlees produceren. Ik wil verdomme nog een leven ook hoor! Dat ze mij eens beschilderen en tentoonstellen bijvoorbeeld! En wanneer is er weer eens een muziekfestival? Ik snak naar wat luide muziek op de weide’. ‘O, de festivals komen er volgend seizoen wel weer aan. Dan kunnen we gratis meeluisteren. En geen gedoe voor ons met peperdure tickets, stomme t-shirts, drankbonnen of toiletwagens: we kunnen schijtend in ons eigen voedsel lopen, backstage in onze eigen VIP-weide’. ‘Holy cow, daar verlang ik naar! Ik begin me alweer een beetje een VIK te voelen, een Very Important Koe’. ‘En ik verlang ook naar een goeie cocktail in mijn kont, om een beetje bij te komen. Ik voel me te mager. Ik moet dringend een veearts of een sportverzorger opzoeken’. ‘Koeiemorgen zeg, dat gevoel ken ik. Ik ben nu al drie uren aan het ontbijten en ik heb nog altijd honger als een paard. Ik voel me zo helemaal … beuh … helemaal Johan Musseeuw’. ‘Je bent en je blijft een koe hoor, dat is je lot’. ‘Ja, doodjammer. Het doktertje, beuh, het dochtertje van de boerin zal wel nooit op mijn rug rijden. En Waregem Koerse voor Koeien is ook al uitgesloten’. ‘Haha, dat is een koeie!’ ‘Zeg, weet je het nog: toen Michael Stipe van R.E.M. in een van mijn taarten uitgleed? Dat was pas een festival!’ ‘En ik heb al Sting en Schueremans op mijn taartenlijstje staan’. ‘Jij schijt ook veel uitgebreider dan ik hé’. ‘Je moet maar meer grazen’. ‘Ja, akkoord, ik laat er misschien wat meer gras over groeien, maar ik hou ook rekening met het landschap. Wij, beesten en boeren, bieden toch gratis schitterende landschappen aan hé? We laten Jan Hoet elke dag een poepje ruiken’ ‘Ja, maar welke domme koe heeft godverongelukt die foeilelijke verkiezingsborden in de weiden uitgevonden?’ ‘Och god, zwijg me daarvan. Als je daarover begint, is mijn dag eraan. Beu!’ ‘Beu!’
24-05-2005
32: Lot
LOT
O God, o lot, o gebod: liep u er weer in afgelopen 1 april? Ik loop er zelf ook elke dag weer in. Nooit zal ik het leren. Iemand, maar ik weet niet wie, dicteert me bijvoorbeeld dat ik vele jaren lang werk moet verrichten voor anderen. Mijn tijd (‘mijn’ tijd!) wordt ook door onzichtbare instanties in mootjes gehakt, opgedeeld en verkaveld in zogenaamde seconden, minuten, uren en deadlines. Als dàt geen pretentie is: de tijd in stukjes hakken en die aan je pols vastbinden en denken die zo te kunnen manipuleren! In ruil voor een maandelijkse omkoopsom bemoeit men zich dan ook nog eens met van alles betreffende mijn werk. Soms met veel meer dan dat. Maar soms neem ik het lot in eigen handen. Dan koop ik iets om te krabben. Niet dat ik luizen heb. Het schijnt dat getallen of kruisjes je leven kunnen veranderen. Nou, op weg naar de lottowinkel maaide ik met mijn inktzwarte saab eens bijna een fietser van de weg. Als dàt geen verandering in ons leven geweest zou zijn. De afgoden liggen altijd op de loer om ons … tja: een loer te draaien. Ze zijn zélf van lotje getikt. Nog iets: heb ik het gevraagd om uitgerekend in het apenland België geboren te worden? Waarom niet Denemarken? Legoland? Nu moet ik met het brandmerk B rondrijden. De hele wereld lacht me uit: ‘Kijk! Een Belg! Uit het land van de charlatans! Zijn premier denkt dat hij iets te piepen heeft op wereldniveau! Steak Pretentie!’ Het wrede lot wou daarenboven dat ik in de jaren vijftig mijn eerste angstschreeuw slaakte. Ik had veel liever de jaren twintig van de vorige eeuw meegemaakt. En dan, hupsakee: sprongetje naar de jaren zestig. Daarna, bis: naar de jaren twintig van de 21e eeuw. Maar da’s voor straks. Het lot bepaalt ons leven elke seconde: inslagen van meteoren, aanslagen van meteorieten, stadsinfarcten, orkanen met meisjesnamen, aanslibbing van auto's, een waanzinnige politicus die op de verkeerde knop drukt, een komma, een getal, een woord, een barst, een stap, een blik, een tik. Het lot heeft ook vreselijke creaturen geschapen, maar die kunnen daar weinig aan verhelpen: er worden nu eenmaal geen nieuwe modellen meer gemaakt. Misschien moet de bevolking, omdat die elke dag er moet op kijken, esthetische belasting heffen op tv-schermschokkende figuren als Dehaene, Verhofstadt, Vande Lanotte, Aelvoet, Tobback, Willockx en Michel. Dat grenst nl. aan huiskamerhorizonvervuiling. Doe daar ook maar een paar zwetende tv-koks bij plus een aantal breedsmoelkikkerglimlachende presentatoren en presentatrices van die rechthoek van afgrijzen die we ‘televisie’ noemen. Ook dat is ons lot. We lopen er bijna elke dag in, verhippeltjes. Zappen!
23-05-2005
31: Hersenhoos
HERSENHOOS
In het hoofd van sommige mensen bevinden zich de zg. ‘hersenen’: een wirwar van weekheid. Sommige delen blijven lang sluimeren. Er is nog hoop, want het schijnt dat we maar een klein percentage van onze brains gebruiken. Voor de soaps waarin vooral gebeeldhouwde siliconetroela’s en correct gekapte kerels met keramieken glimlachen rondlopen, stel ik de algemene titel ‘Mooi en Hersenloos’ voor. Als die elkaar secondenlang in de ogen staren, in de waan dat ze aan het acteren zijn, dan zoek ik altijd vergeefs naar vonken van hersenen, gensters van verstand in diezelfde vier ogen. Maar neen, men is niet thuis daarboven, men is buiten de zone. Het zijn dan nog soms diezelfde acteurs, niet gehinderd door het intelligentiequotiënt van een kiwi, die in allerlei snertbladen hun mening ten beste geven over politiek en religie en maatschappij. Neen, toen de Schepper van Hemel & Aarde met hersenen rondging, stonden ze niet op de eerste rij. Dezelfde gevoelens bestormen me als ik de president van de Verenigde Staten van Amerika achter het spreekgestoelte zie verschijnen. Maar mooi is natuurlijk anders. Wat hebben de menselijke brains in de loop der tijden al bewerkstelligd? Waar heeft de zo geroemde rede al voor gezorgd? Uit bijna elke bladzijde van de geschiedenisboeken klinkt wapengekletter en doodsgereutel. Door de chaos van modder en bloed en mensenvlees probeerde men orde op zaken te krijgen: via de hel, de zogenaamde hemel bereiken. Nou, wat is er van geworden, van de aardkloot bevolkt door wezens met hersenen in hun kop? Een poel van ellende? Er is weinig reden tot lachen. Grimlachen, jawel. De wirwar van weekheid die zich in de opperste regionen van het menselijk lijf ophoudt, is blijkbaar nog voor een groot stuk aan het sluimeren. En hoe staat het met uw eigen wirwar daarboven dan?, zie ik u vinnig mompelen. Wel, laat ik stellen dat ik een aanhanger van de chaostheorie ben. Ik heb eerbied voor het systeem in de waanzin. Even zijrangeren is best leuk: ook schaakcomputers slaan uit wanhoop tilt bij de bokkensprongen van de menselijke geest. Om niet helemaal als een krop sla door het leven te waden, eet ik af en toe oesters en noten en pijnig ik mijn hersenen door een partijtje schaak tegen mezelf. Ik ben een fijne tegenstander. Als ik win, hijs ik de vlag van de Cutty Sark. Als ik verlies, is het hozen geblazen.
22-05-2005
30: Roodkopje
ROODKOPJE
Hij was onbeheerst bang voor het geheim dat meisje heette. Een naam alleen al volstond voor minutenlange schaamrode bewolking op zijn aangelaat. Daarenboven kukelde hij elke zondag in de kerk met zijn stoel opzij of voorover – high van de wierook, ziek van de reuk van oude pis en natte kleren, voor het aanschijn van zovele meisjes met hetzelfde bouwjaar als het zijne. Pas toen hij in een drukke stad een duif door de rode lichten zag vliegen, besefte hij: er zijn er nog die door het rood gaan. En in het rood stààn, wat nog een stuk erger is. Hij at of dronk ook niks met een rode kleur. Hij kocht bijvoorbeeld alleen maar groene snoep. Geen tomaten, aardbeien, grenadine, rode wijn, radijzen, … Wel rodekool, want dat was volgens hem een blauwte. Zelfs geen groente. Eerder een schaamte. De kinderziektes met ‘rode’ of ‘rood’ erin waren een hel voor hem. Zelfs het gebruik van het ouderwetse ‘roodsel’ voor geschaafde knieën of ellebogen bezorgde hem nachtmerries. Bij de verdeling van cowboys of indianen op de speelplaats van zijn jeugd, koos hij nooit voor de roodhuiden. Later zou hij nochtans leren dat cowboys ook ‘rednecks’ ofte rooienekken waren. Dat was al net zo erg als dikkenekken. Van de voetbalploegen en de politieke partijen koos hij altijd de onrode uit om voor te supporteren. Helaas voor de zakkenvullers: een bolletje rood kleuren deed hij dus uiteraard ook nooit. Hij keek wel uit. Met een rode auto heeft hij later nooit gereden. Het onnozelste sprookje aller tijden vond hij Roodkapje zijn. Toen de meesters nog krijtlongen hadden, kinderen met linialen op de knokkels sloegen en er af en toe autoloze zondagen waren, toen waren de zwartkopjes de lieveling van iedereen. Blond kon er ook nog mee door. Wit niet: hei, wittepenne! Bruin, alle schakeringen, evenmin: schijtkleur!. Wie zwart haar op zijn kop staan had, werd gezegend met veel aandacht en liefde. Die mocht op de achterbank in de schoolreisbus en die mocht altijd de deur opendoen als er geklopt werd aan de klasdeur. Wie rood haar op zijn schedel droeg, ging door een hel. Hij dus ook. In het zo pittige West-Vlaams behoorde hij tot de verschrikkelijke categorie van de ‘rostekoppen’. Om het allemaal nog veel erger te maken, was hij ook nog eens bezaaid met sproeten, zodat ze hem soms ‘Gespikkeld Opperhoofd’ noemden. Toen kwam met het einde der tijden de oplossing in zicht: men ging massaal haar verven, vaak in alle mogelijke tinten van vlammenwerpend rood, of men ging zich massaal het haar afroetsjen tot tegen de schedelpan. En toen braken voor Roodkopje betere tijden aan.
21-05-2005
29: Reis
REIS
2 juli 1904, 03:00 in de ochtend, Sommerhotel, kuuroord Badenweiler in Duitsland: ‘Het is lang geleden dat ik champagne gedronken heb’, zei de Russische schrijver Anton Tsjechov, en hij stierf, na een kort leven (1860-1904). Zijn lijk werd naar Moskou overgebracht in een groenachtige treinwagon waarop stond: ‘Vervoer van oesters’. Daarna volgde de begrafenisstoet per ongeluk de verkeerde kist: die van ene generaal Keller, gesneuveld, en op hetzelfde ogenblik ook in het station gearriveerd. Vandaar de krijgshaftige muziek, waar men zich over verwonderde. Iedereen keerde op zijn stappen terug. Er waren ook enkele laatkomers. De moeder van Tsjechov, zijn zuster en zijn broers moesten nog stevig op de ordediensten inpraten: ze werden niet herkend en werden bijna belet de begrafenisstoet bij te wonen. Op de begraafplaats werden kruisen gebroken, hekken omvergeduwd en bloemen en aanplantingen vertrapt door de nieuwsgierige ramptoeschouwers. Zo werd de laatste treinreis annex reis hiernamaals van een van Ruslands grootste schrijvers een draak van een drama, bijna komedie. Schril in contrast met de afschuw van Tsjechov voor vertoon, bombast en vulgariteit. Zijn literaire vrienden waren razend over het hele gebeuren. De schrijver van ‘De meeuw’ en ‘De kersentuin’ reisde ondanks zijn zwakke gezondheid talloze keren Rusland op en af, alsof hij zijn eigen dood op een dwaalspoor wou brengen. Hij bekommerde zich, als dokter, o.a. ook om het lot van de vele dwangarbeiders op het strafeiland Sachalin, waarover hij tienduizend steekkaarten opstelde. Ik heb meer van en over Rusland gezien en geleerd door de biografie van H. Troyat over Tsjechov te lezen dan dat ik er zelf naartoe gereisd zou zijn. Ik leerde zelfs Tolstoi heel goed kennen. En Gorki. Tolstoi vond bijvoorbeeld de heer Shakespeare een grote klungelaar. Voor Tsjechov als verhalenschrijver toonde hij wel respect, niet voor zijn theaterwerk. Mijn leesavontuur speelde zich dus vooral af onder nul op de schaal van Celsius, in de zonnige Krim, het koude Moskou of het mistige St. Petersburg. En buiten werden de Vlaamse boomkruinen onbarmhartig gegeseld door niet aflatende wind. Het regende ondertussen haaientanden, katten en honden, oude wijven en pijpenstelen. We lezen om te leren.