Wel ja, West-Vlaanderen heeft het kleinste percentage bossen van alle provincies. En dan? So what? We hebben ook het minste percentage bosbranden van alle provincies. Overigens zijn sommige bossen lelijk. Ze belemmeren het zicht, de einder, weet je wel. Aparte bomen zijn wel mooi. En wij in onze lage streek hebben toch ook de kust? Geen enkele andere provincie heeft zoveel kust. En dan nog, over bossen gesproken: we mogen er dan nog weinig hebben, de beroemdste bossen bevinden zich toch in West-Vlaanderen. De bossen van Beernem en hun moorden! Het Lappersfortbos in Brugge-die-Ontboste! Da’s wat anders dan die saaie donkere Ardennen en hun claustrofobische wouden. Er staan daar zelfs zoveel bomen zo dicht bijeen opeengepakt, dat je er nooit eens een echte Arden kunt zien. Of een normale zonsondergang. Traliewerk allemaal! Hier in deze lage streek in het platte verre westen kunnen we ten minste nog de wind aflezen aan een boom apart, aan een bomenrij of een bosschage. Een boom dat is een prachtig ding, weet je wel. Een bos is van het prachtige en goede te veel. Less is more. Ik kan uren naar een boom turen, maar ik doe het zelden wegens tijdgebrek. Een bos, vooral ontbost, maakt me gek. De kampen van mijn jeugdbeweging vroeger gingen gewoonlijk in van die gekke bossen door. Als het met school ‘bezinning’ geblazen was, (eufemisme voor ‘weg in ’t hoofd en geen les’): naar de bossen, jongens! Zelfs in West-Vlaanderen, de ontboste streek die zowel de wang van de Noordzee als de kont van Frankrijk kust, bleven ze die toch ontdekken, de zielenhelende bossen. Groenhove, Tillegem, Heuvelland, Wielsbeke, Kluisberg, Zevenkerken, Snellegem, potverdorie, Baekelandt, Beerbos, Sterrebos, het houdt niet op, Beernem, allez, vooruit, West-Vlaanderen leek wel één groot oerwoud vol met houthakkers en hindes. Zelfs bij ons in het bij wijlen zeer stille en soms zeer onrustige Heule was er een bos of twee: Heulebos en Steenbekebos. Maar dat zijn nu bosjes die vooral uit villa’s bestaan en bordjes-bij-bosjes waarop stukken bos te koop worden aangeboden. Om op een positieve noot in verband met kreupelhout te eindigen: een van de mooiste bomen die ik ken staat vlak naast een frituur en een krantenkiosk aan een druk kruispunt in de stille zuidelijke stad K. Dat vormt samen een prachtig stadslandschap. En het ruikt er nog lekker ook. Ondertussen leeft de Lappersfortboslegende verder, die bekende stadslegende waar alles waar van is, en die echt aan het gebeuren is. Kunnen bomen ook huilen? Respect voor bomen van dagen, zij sneuvelen bij bosjes!
17-06-2005
54: Bedrog
BEDROG
Een mens droomt de gekste dingen als de nacht is gevallen. Het zou kunnen dat we te weinig aanvangen met onze dromen. Leren we er niets uit? Hebben ze voorspellende kracht? Droomvrienden bijvoorbeeld kunnen ons behoeden voor onheil of ons de ogen openen. Zij kunnen in de droom het mes verwijderen dat we in het ‘werkelijke’ leven in de rug geplant kregen. Soms ook is er totaal geen aanleiding in de alledaagse werkelijkheid geweest om iets te dromen, hoe hard je ook op zoek gaat en associeert. Dromen kunnen ook zo ontzettend stom zijn. Probeer die maar eens op te schrijven of na te vertellen. Ze kunnen zich ook voordoen als een droom in een andere droom, en je beseft het, slapend, maar toch ben je alweer de klos als je wakker wordt: dubbel bedrogen. Ken je dat: dromen dat je droomt dat je op moet staan? Bent opgestaan? Maar niet bent opgestaan? Denken dat je opgestaan bent? Ik heb in mijn droomcarrière van een halve eeuw twee dromen die af en toe weer opduiken. De ene is taalkundig; de andere meetkundig. We bevinden ons op een weide die bestaat uit verdroogde puzzelstukken steenkoolachtige materie. Allemaal heel plat, desolaat, droog. Iemand komt me vertellen dat dit ‘scheepswol’ heet. Einde droom. Andere droom: een trapezium. In dat trapezium zweeft een geel puntje. Het komt steeds nader, dreigend, en verdwijnt ook steeds weer ver, net zo dreigend. Verstikkend gevoel in beide richtingen. Indruk van modder in de mond. Mijn recentste nachtdroom was splinternieuw. Nog nooit gedroomd. Ik barstte bijna in lachen uit toen ik wakker werd en de droom onmiddellijk probeerde te reconstrueren. Stel je voor: ik zit in een kerkje. We zijn met een klein aantal. Iemand voert het woord vooraan. Hij zegt: ‘Wij zijn The Scottish Numbered Church’. Dat komt dus neer op: de Schotse Getelde Kerk. Misschien bedoelde hij dat we uitverkorenen waren, en dat we met weinig waren. Ik stond op en speelde een stukje op de saxofoon. Daarna werd ik uitgejouwd door de toehoorders, terwijl de leider van The Scottish Numbered Church me bezwoer nooit reclame te maken voor onze kerkgemeenschap. Einde droom. Zouden mijn dagen geteld zijn? Ben ik in een ander leven lid van een gemeenschap die alleen in nummers gelooft? Heb ik een zielsverwant in Schotland? Toch is het veel leuker gezellig ouderwets te dromen dat je kunt vliegen. Leuker dan uitgelachen worden in een Schots kerkje. Mijn sympathie voor dat land verminderde daardoor gevoelig. Zoals je een hele dag lang boos kunt zijn op iemand die jou een nachtmerrie vanjewelste bezorgde, buiten zijn wil om natuurlijk. De meeste dromen zijn bedrog, maar als je wakker wordt heb je soms moordzuchtige plannen. I have a dream.
16-06-2005
53: Zomer
ZOMER
Voilà, alweer een seizoen achter de rug, van september tot juni, bedoel ik. De zomer zal passeren als een hogesnelheidstrein, geurend naar teer en hout. De tijd zal stilstaan in een eilanderige Engelse tuin en hevig kloppen op zweterige zomerfestivals. Uit Vlaamse tuinen zullen hemelse rooksignalen opstijgen (probeer eens sprot gecombineerd met blonde leffe!). Ik ben van plan een vreselijk dik boek te lezen. Mijn leessnelheid zal die van een slak zijn. Er hoeft niet per se iets te gebeuren in dat boek. Het geruis van de wind door het gebladerte van bomen in Rusland volstaat. Een warm onweer in loodgrijze, paapspaarse en krijtwitte kleuren mag ook wel af en toe, zo naar de avond toe. Ik zal ook zelf een dik boek schrijven: deel twee van het boek dat ik tijdens de zomer van enkele jaren geleden schreef in de stilste stad van Vlaanderen. (Het is nog ergens goed voor, dat ik me in een doodstille uithoek van Vlaanderen kan verbergen om de laptop ter hand te nemen). Terwijl ik dit neerschrijf, is het juni. De regen roffelt oorverdovend op het dak. Op 1 mei was het nog bloedheet. Niet te doen voor de optochten met de fanfare, de politieke windhanen en de majorettes met de kruidnagelbruine billen. Ik vind het anders best wel gezellig: de blaasjes op straat, de grijsheid van regen, het jonge groen in bomen en hagen, en maar om de twintig seconden een voorbijpletsende auto in plaats van om de drie seconden. Het is bijna een weertje om een konijn in de pot te doen. Maar terug naar de nabije toekomst: zomer. Wat zal er in deze komkommertijd weer gebeuren? Het was in zulke periodes dat onze vorige vorst plotseling in Spanje kwam te sterven. Het was ook in zulke periodes dat de meest gehate misdadiger van België volop in beeld kwam. Vorig jaar was er minder groot nieuws, tot 11 september eraan kwam natuurlijk. Een zinderend nazomertje, zeg maar. De Ronde van Frankrijk, zegt u? O ja. Armstrong. Het zal weer niet zo leuk worden. Hij stond er ook al min of meer in het voorjaar. De coureurs locales zijn verwittigd. Het belooft dus weer (niet veel). Een monopolie is nooit boeiend. En die elf mannekens in het rood die een bal nahollen of soms ook zelf rondschoppen? Onze Brabançonnettes? Bah ja, daar zit soms wat aanvankelijke vreugde in, zeker? Beetje stom geluk van iemand die voor de eerste keer meespeelt op de lotto. Een ding is zeker: deze zomer wordt het buiten niet altijd warmer dan vroeger, en binnen zal het soms al zo koud kunnen worden als vandaag. Ik wens u allen een snoeihete zomer.
15-06-2005
52: Bot
BOT
Het was opvallend rustig tijdens die krokusdagen, een jaar of twee geleden. Weinig mails, brieven, foons, sms’jes. De mensheid was uit skiën. De mensheid stond op latten. Eerst in files, dan op latten. De mensheid brak haar botten. Het was dus ook weer komkommertijd wat nieuws betreft. Maar plotseling kwamen toch de botten weer aan de oppervlakte. En in het vizier. In Diksmuide met name, de hoofdstad van het IJzertijdperk. Met vroegere overledenen hadden ze daar wat aan de bermen gedaan. Ze hadden die bermen met aarde van ergens anders opgehoogd. De mensen die nog moesten overlijden, waren daar erg boos over. Je zou voor minder. Voorvaderen dienen niet om mee op te hogen. Het was een lugubere verkaveling. Je zag dus hier en daar ‘en passant’ een been uitsteken. De burgemeesteres beloofde dat het nooit meer zou gebeuren. We geloofden haar, ook al kenden we de tekst op de IJzertoren vanbuiten. Omstreeks diezelfde tijd was er op de betere tv-zender een BBC-documentaire over de laatste dagen van Jezus Christus. Botkundigen reconstrueerden er zijn hoofd. De kerel zag er geruststellend eenvoudig uit: eerder kort donker kroezelig haar, donkere huid, vroeg oud onder invloed van het klimaat, wat kingewas. Ook zijn kruisdood (in die tijd waren er wel ongeveer 500 per dag; er was een vaste ploeg Romeinen voor dat karwei aangesteld) werd nagebootst, met handen en voeten. Water en bloed zweten bleek ook mogelijk te zijn; men verwees hiervoor naar terdoodveroordeelden op weg naar hun executie of mensen in bombardementen. Dat lege graf in die steengroeve op paaszondag blijft natuurlijk een van de allergrootste raadsels. Lag hij er ooit wel in? Levend? Dood? Werd hij ontvreemd? Werd hij ergens anders ondergebracht? De conclusie van het programma was interessant: er moet daar toen iets gebeurd zijn, want die Jezus had concurrentie van andere messiassen. Er was zelfs sprake van een broer van hem, die ook predikte. Die andere messiassen hebben in de afgelopen 2005 jaar het nieuws niet meer gehaald; hij wel. Bleek ook dat de rol van Judas misschien wel herdacht moet worden. Een verradersrol is een ietsje te voorspelbaar literair, verhaalkundig bekeken. Een combinatie van dit tv-verhaal, de Bijbel, de Rollen van de Dode Zee, computer en forensische onderzoeken kan een ander licht werpen op een van de bekendste en onbekendste biografieën ter wereld. God zit in het detail.
14-06-2005
51: Zak
ZAK
Enkele winters geleden, het was beregezellig slecht weer, reed ik bijna per ongeluk door Stuivekenskerke. Ik dacht toen dat ik op een filmset was beland. Wonder boven wonder moest ik niet lang daarna voorlezen uit eigen werk in datzelfde Stuivekenskerke, in de oude ex-dorpsschool. Dat gebeurde in het kader van Dichtsmuide: het infietsen van een fietsroute van 42 kilometer langsheen overal te lande neergepote gedichten. De moeite waard, voorwaar. Veel centen heeft Diksmuide niet meer, maar het moet gezegd dat de poëtische zielen er zeer actief zijn. Ik had het er nog over met een andere dichter: er is geen stad of dorp waar we de afgelopen jaren meer gevraagd werden om voor te lezen dan Diksmuide. De stichting Digther, tevens tijdschrift, zit daar ook voor veel tussen. Da’s wat anders dan de grijze vuilniszakken van Kortrijk met een gedicht op van een naambekende kerel die gepromoot wordt door Humo en in de dwepersstad A’pen woont. Je moet al een deegkop hebben om zoiets te bedenken. Kortrijk wordt trouwens voor een en ander meer en meer spreekwoordelijk. Nog even en het is zo bekend als Pompei: zijn krampen, zijn doodsheid, zijn pretentie. Er valt geen zak meer te beleven in het stadje aan de ‘Golden River’, in het zg. ‘Petit Paris’ van weleer. Als Brugge het Venetië van het noorden is, dan is Kortrijk het Pompei van het zuiden, buiten westen. De eigen artiesten, beeldend, literair, noem maar op, worden er permanent vernederd door ze over het hoofd te zien en snobistisch te flirten met ‘het buitenland’ en wat van ver komt. Ze hebben ook onlangs ontdekt en beseft dat ze een eiland hebben, terwijl de Leie al jaren lang als een vreemd voorwerp door de stad stroomt. Ach, Darlingen: het is nooit anders geweest. Lees Conscience. Als er al eens wat roert, pretendeert men er onmiddellijk het warm water uitgevonden te hebben. Le tout Courtrai wil op de kaart van Vlaanderen en heeft al jaren het noorden verloren. Het ligt nu volledig buiten westen. Roeselare, Rijsel en Moeskroen boeren veel beter. Maar ter zake. In Stuivekenskerke, Pervijze en omgeving. Je hoeft er niet in vuilniszakken te rommelen om poëzie te lezen, mocht je dat natuurlijk al willen. Er hing (voor die gestolen werd, tot tweemaal toe) bijvoorbeeld aan het kerkmuurtje van Stuivekenskerke, tussen twee zitbanken in, een ‘boîte aux lettres’ met dichtbundels in. Je moest er niet wachten tot de vuilniskar passeerde. Over vuil gesproken. Het mooiste vuilniskargedicht komt van mij, en niet van meneer Gezelle of Lanoye. Het staat op mijn webstek en heet ‘De vuilniskar zingt halleluja’. Gezelle heeft over iets mooiere dingen geschreven. Lanoye niet. À propos: was de Guido gelukkig in Kortrijk? Tijdens zijn leven was er alleszins geen haan die kraaide of kat die omkeek naar de pennenvruchten van deze meneer. Overigens zweeg hij dertig jaar lang. Hij woonde ook te dicht voor erkenning, misschien?
13-06-2005
50: Prins
VAN DE PRINS GEEN KWAAD
De soepboer deed zijn ronde in Torhouthulst. Dat dit in de 21e eeuw nog bestond! Ik mikte ijlings mijn inktzwarte Saab in een vrije parkeerplaats en stapte uit om te ruiken. Kervel? Erwt? Ossenstaart? Kip? Tomaat? De geur van soep, eender welke, staat bij mij op nummer twee, voorafgegaan door die van benzine, gevolgd door die van gebakken lever-en-uien. Toen ik daarom de Tiksmondestraat in Torhouthulst overstak, werd ik omvergereden door een Rover. Drie maanden later ontwaakte ik uit een coma. Het meisje uit Tiksmonde, dat ooggetuige was geweest, zat naast mijn bed. Ze was alweer aanwezig. ‘De soepboer is dood’, vertelde ze. ‘Toen jij omvergereden werd, kreeg hij op staande voet een hartinfarct. Torhouthulst zit al drie maanden zonder mobiele soep. De soepcentrale is definitief dicht. Een tijdperk is voorgoed afgesloten’. ‘Was het spruitensoep die dag?’ vroeg ik, want ik was nog erg verward door mijn lange reis naar de diepte. ‘Eh … ik geloof niet dat zo’n soep bestaat’, antwoordde de Tiksmondse. ‘Was het niet een oranje soepje?’ ‘Ik kreeg toen alleen de geur van rubber, benzine en verschroeid mensenvlees te pakken’, zei ik bitter. ‘Het is fijn dat je me opzoekt. Is er veel gebeurd de afgelopen maanden? Hoe heet je? Was je daar toevallig? Skuus voor al die vragen’. ‘Irak, Soedan, Israël, Anneleen, ja, geen probleem’. ‘Ja?’ ‘Ik woon in Tiksmonde, maar kom elke week mijn ma even gedag zeggen. Jou heb ik hier in het ziekenhuis al drie keer opgezocht, in opdracht van prins Laurent. Het valt mee met de schade, hé?’ Ik monsterde mijn lijf en knikte. ‘Laurent? En mijn halfdoodrijder dan?’ informeerde ik dan. ‘Weet je daar iets over, Anneleen?’ ‘Tja, eigenlijk ben je nu een Bekende Vlaming geworden’, zei ze. ‘Zie je: je halfdoodrijder was prins Laurent van België’. ‘Eh?’ ‘Op de gang wachten enkele journalisten. Toen je de eerste tekenen van leven gaf, werd een persbericht verspreid’. ‘O ja?’ ‘Het Paleis ademt opgelucht, lieten ze al weten in een prompt communiqué’. ‘En wat wordt er nu van mij verwacht?’ ‘Dat je ook opgelucht ademhaalt?’ opperde Anneleen. Dit alles gebeurde op de dag dat het hondje van de prins dood ging en er een zitbetoging voor zijn villa plaatsgreep tegen prinselijke belastingvoordelen. Het was dus een erg drukke dag voor deze monseigneur. Hij belde me de dag van mijn ontwaken nog op met de mededeling: ‘Dat nooit meer! Beloofd! Plus jamais!’ De grote vraag was natuurlijk: wat deed prins Laurent van België op een saaie soepvoormiddag in het stille dorp Torhouthulst diep in april? Was Zijne Hondvriendelijkheid de weg verloren of wou hij terug naar de kust? We zullen het nooit weten. Ik ben herstellende van de koninklijke aanrijding.
12-06-2005
49: D '77
D ’77
Dames en heren, hierbij verklaar ik de politieke partij D’77 op te richten: Defusioneringspartij 1977. Dat jaar was niet alleen het jaar na ‘die warme zomer’. In 1976 gingen niet alleen de kraaien te voet, of kon je kippen zo geroosterd krijgen in het zonlicht op de middenstip van het veld van Cercle Brugge. Nee: omstreeks 1976 & 1977 grepen de gemeentelijke fusies plaats. Fusionering, fusie, zeg maar fusillade. Grotere steden en stadjes en gemeentes slorpten hun omliggende en aanpalende kleine broertjes en zusjes op. Het werd het begin van een paradoxaal tijdperk. Hoe meer de overheid op alle terreinen fusies en centralisering oplegde, hoe minder ze dat zelf deed en steeds meer versnipperde in allerlei regeringen, gewesten, communautaire opsplitsingen, gemeenschappen en meer van dat fraais. Zelfs de politieke partijen leden aan dat euvel. Er zijn volslanke brochures nodig om buitenlanders dat allemaal uit te leggen. Terwijl het volk moest afslanken en inleveren en samensmelten in grotere entiteiten, leden de machthebbers zelf aan volslankheid en spilzucht. Ze bleven verdelen en heersen.Welnu, dat moet gedaan zijn. D’77 wil deze overheid een poepje laten ruiken en van hetzelfde laken een pak bezorgen. Terug naar de burgervader van voor ’76, terug naar het tijdperk van de autoloze zondagen, terug naar gezonde regiokleinschaligheid in het Europa van de regio’s. Onze slogan: ‘Verkocht maar niet verknocht’. Een dorp of gemeente kan niet zomaar verkocht worden en aanhangig en horig gemaakt worden, vooral niet als die gemeenschap helemaal niet houdt van de stad waar ze door opgezwolgen wordt. ‘Nationalisme’, zie ik een krant al koppen. ‘Rationalisme’, zie ik de andere krant al blokken. ‘Patriottisme’, zie ik nog een andere krant schreeuwen. Een recente enquête uitgevoerd door de vereniging ERWT (Eer, Respect, Woede, Trots) onder de Belgische bevolking leert dat niet minder dan 71 percent van de mensen pro defusionering is. De klassieke aanmerking of vraag is altijd: wie zal dat betalen? Waar halen al die pietepeuterige entiteitjes het geld om apart samen te gaan leven? Het antwoord is simpel: dat geld moet teruggegeven worden door de opslorpers van 1977 en hun trawanten. Vele dorpen en hun vroedschap zijn best wel zelfbedruipend én in staat zichzelf te besturen. Ze hebben daar helemaal geen vreemd cumulerend heerschap voor nodig dat eenmaal ’s jaars acte de présence geeft op het dorpsfeest. In 2007 zal het 30 jaar geleden zijn. We hebben nog even de tijd om na te denken, vooraleer we weer verplicht worden naar de gemeentelijke stembussen te trekken. De eerste taak van D’77 is vertegenwoordigers te krijgen in de gemeenteraden en schepencolleges van de stadjes en steden. Van daaruit kunnen zij ijveren voor defusionering, d.w.z.: ontwenning aan bemoeizucht, groeizucht, spilzucht, vetzucht. Het moet gedaan zijn met dit leenroerig stelsel. Wij willen vooruit kijken en gaan daarom terug naar het tijdperk van voor 1977. Men zegge en schrijve het voort. Leve D’77. Zonder uitroepteken.
11-06-2005
48: Choco
CHOCO
De roos is het symbool van de liefde. De duif betekent vrede. De chocopot staat voor kinderjaren. Een van de eerste teksten die we, bewust of onbewust, lazen, of althans probeerden te ontcijferen, was het etiket op de chocopot. Sommigen onder u zullen nu opmerken: nee, dat was op de cornflakedozen. Toch niet, jonger grut, want die dingen bestonden nog niet toen wij piepjonge virussen waren. Chocopotten dus. Ook ondergingen we in de middeleeuwen van de twintigste eeuw onbewust onze eerste lessen Frans dank zij la vache qui rit. La vache qui rit, dat waren kleine driehoekjes amper smeerbare smeerkaas zonder smaak. Wie die heeft uitgevonden, moesten ze levenslang op water en smeerkaas zetten. Later hebben ze smaken aan die driehoekjes toegevoegd, maar ondertussen gingen hele generaties reddeloos verloren door smaakloosheid. Dat waren de piepjonge helden uit de tijden van de soldatenradio, soldatenkoeken, vellen met melk onder verborgen en ‘zoetekoek’ waar je mond en je kont dagenlang van dichtplakten. Na al die martelingen deed zich dan des zomers in de vakantie een ander drama voor: die vreselijke rabarber dook op. In plaats van ons die zure stokken als wapens te laten gebruiken, maakten de ouden van dagen er godgenageld confituur van. We plakten dan nog meer, en honderden vliegen uit de late jaren vijftig en de vroege jaren zestig landden ononderbroken op ons gestel. Een van mijn broers werd zelfs door een boze verdwaalde vogel aangevallen die op zoek was naar zoete weerwraak. Mijn angst voor overvliegend pluimvee en mijn fascinatie voor katapulten en schietlappen dateren van toen. Maar terug naar de choco. Elk jaar omstreeks december, krijg ik weer de geur van ouwe choco in mijn neus. Zou dat door de Goede Man en zijn Zwarte Piet komen? Ach, net zo goed doet een doordringende sinaasappelgeur hetzelfde. Nee, dat choco-aroma stamt nog uit onbestemde tijden, toen de dagen maar ‘open en toe gingen’, de wind in de boomkruinen oud was, de zomers warmer waren, het struikgewas geheimzinniger, de straatlampen spookachtiger, de sneeuw witter en hoger, de postbode op nieuwjaardag gezellig zat. Mijn choco kwam misschien uit de allereerste chocopotten ter wereld. Wat eerst komt, is vaak het best. De rest is gewoonte, herhaling. Gewoonte wordt luxe. Luxe wordt snobisme. Snobisme wordt blasé. Blasé is … Geef de choco eens door, mémé.
10-06-2005
47: Upperdog
UPPERDOG
Omdat sommige basket- en volleybalspelers al bijna drie meter hoog zijn, heeft men besloten met gewichten rond de enkels te spelen, wegend naar gelang van de lengte van de speler. Zo wordt het wat boeiender voor het publiek; tot nu toe hadden de spelers het papgemakkelijk. Ook wordt het volleybalnet dertig centimeter hoger opgetrokken; de basketkorven idem dito. Aan de ballen raakt men vooralsnog niet, maar men speelt wel met de gedachte aan één scherpe hoek. Wat voetbal betreft (een balsport): om dat spel wat aangenamer te maken, wordt elke ploeg verplicht om met een willekeurig uit de tribune te plukken supporter te spelen, eventueel door het lot aangeduid, als een van de elf. Ook komen er permanent twee ballen in het spel, en twee scheidsrechters. De buitenspelval wordt eindelijk afgeschaft. Voor de wielrennerij blijft alles zoals voorheen: wie er in slaagt zijn doping perfect te maskeren, wint de wedstrijd. Wil hij dat liever niet, dan mag hij de koers verkopen op ongeveer achthonderd meter van de eindstreep. Om het nietszeggende gelul van trainers en sporters in tv-interviews ietwat in te dijken (‘De bal is rond’, ‘Wat wilt ge’, ‘Het was moeilijk’, ‘Ik had de benen’, ‘Ik stierf voor de meet’, ‘Ik doe het voor de wielersport’, ‘We zien wel’), krijgen de ondervraagden van de reporter vooraf drie woorden en een punt waar ze een zin mee moeten bouwen. De rest wordt door de reporter zelf gezegd. Voor de renners worden dat: ik, conditie, tandje, (.). Voor voetballers: ja, bal, pech, (.). Maar ach, ook sportreporters kramen soms onzin uit. Gehoord op drie april, over een renner: ‘Hij is psychologisch veel met zijn lichaam bezig’. En ze hebben het bij wielerklassiekers zeer oorlogszuchtig over ‘sterven’ en ‘agressief zitten’. In hun enthousiasme steken ze dan ook een metaforisch tandje bij. Vandaar dat ook beslist is het beroep van sportreporter af te schaffen. Er wordt alleen nog gekeken door de toeschouwers, zonder storend commentaar. Dat betekent meteen het einde van de radiosport. Idem voor de herhalende beelden, traag of vlug: afgeschaft, die ellende. Wie het niet gezien heeft, het doelpunt, de aanslag, komt volgend weekend maar terug. Want de bal blijft rond. Supporters die achter de reporter of de geïnterviewde met een pet op hun kop het tv-scherm staan te verontreinigen, vooral diegenen met reclame op hun kleren, wordt levenslang de toegang ontzegd tot velden en circuits. Echter! Dit alles is niet van toepassing voor Vlaanderens Mooiste, de Ronde met name. De doping mag dan nog van de koppen en kuiten spatten, het blijft een koers als een roman. Al is de beroepssport al lang niet meer gezond, voor een klein broodje en wat spelen blijf ik graag een paar uur horizontaal in mijn zeer Engelse sofa. Leve upperdog Excelsior Moeskroen! Avanti Roeselare! Vanwege een denksporter.
09-06-2005
46: Dolen door symbolen
DOLEN DOOR SYMBOLEN
Symbolen … Symboliek … Van zohaast de mens aan iets betekenis en extra-associatie toekent, is het symbool of symbolisch. Zelfs als het er niet meer is: is Ground Zero nu een symbool? De WTC-torens waren dat alleszins: van het kapitalisme. Is Pim Fortuyn een symbool (geworden)? Nu hij dood is misschien wel. Koning Boudewijn? Prinses Di? Is de tomaat, net als het duimapplaus, al heel lang hét symbool van afkeuring ( … als ermee gegooid wordt … )? En het ei dan? Moeten we de uil slimheid of domheid toedichten? (De knappe meneer Uil versus ‘Wat baten kaars en bril … ‘). In Chili gooien de mensen maïs naar politici, als ze het niet met ze eens zijn. Wie pikt maïs? Juist, ja: kiekens.Zinnebeelden zijn cultuurgebonden. Laten we wel wezen:de natuur biedt op zichzelf geen symbolen. Ook al ziet een en ander er soms driehoekig of cirkelvormig uit.
Met het Symbolum des Geloofs ofte De Twaalf Artikelen van het Geloof (gegeven de 10 April 1946 in ‘Catechismus ten gebruike van al de bisdommen van België’) associeerde ik Dreiging, Duister en Gevaar. Dat kwam door dat magnifieke woord ‘symbolum’, dat tegelijk klonk als een klok en dreigde als een draak. Na het opdreunen van dat Symbolum (apostolische geloofsbelijdenis als herkenningsteken van de verbondenheid binnen de geloofsgemeenschap) was ik vooral blij dat ik alle twaalf artikelen zonder haperen had opgesomd en dat de duivel me dus vooralsnog niet kwam halen. De meester was overigens al erg genoeg. Hij staat nog altijd symbool voor de duistere Middeleeuwen van mijn bestaan op aarde, deze blauwe plek in het heelal.
Zijn goden symbolen? Ze duiken alleszins gretig op in de mythes. Pandora, Afrodite, Prometheus, Sysifus, Tantalus, …En bijna uitsluitend daar. Bepaalde literatuur wil zelfs van buitenaardse verschijningen (af)godjes maken. Feit is dat bijvoorbeeld sprookjes zeer sterk symbolisch geladen zijn. Roodkapje draagt niet toevallig een rood kapje, en geen groen, ook al vertoeft ze veel in het bos. Het rode kapje moet de dierlijke hartstocht verzinnebeelden. En sinterklaas loert (als hij geluk heeft en niet uitglijdt over je natte dromen) door de schoorsteen, niet van je huis, maar van je hart: hoe zit het met dat geweten van je, braaf kind? Eigenlijk wordt dat zelfs door zijn geheugen gedaan: zijn zwarte knechtje.
Symbool: Zinnebeeld: verdichting van en verwijzing naar een niet-aanschouwelijk begrip in een enkele aanschouwelijke voorstelling, voorwerp, handeling of teken. Oorspronkelijk een legitimatiebewijs, herkenningsteken, contramerk, afgesproken teken, parool, wachtwoord. Denk aan zo’n gespleten hartje-aan-een-ketting dat bijvoorbeeld bij de Joepie wordt geleverd: twee lieverdjes kunnen zoiets delen en weer complementeren. Teken van hun (kalver)liefde. Idem dito zoals bij de oude Grieken een contract werd bekrachtigd niet door de handen ineen te slaan, maar door twee complementaire potscherven te delen, die samen een pot vormden uiteraard. De uitvinders van onze democratie draaiden niet rond de pot.
Ook de exacte wetenschappen kennen hun symbolen: tekens, letters. (Lettersymbolen, tekensymbolen). Dat is zo voor wiskundige constanten en chemische elementen. Grootheden, eenheden, relaties, waarden, operaties worden niet omschreven maar symbolisch aangeduid. Duidelijkheid en begrijpelijkheid zijn hier de boodschap. De tekentaal van de ‘exacte’ symbolen vormt de kortste weg naar het begrip. Net zo goed betekent + min en – plus. Het is een kwestie van afspraak. Tijdens zo’n college aan de unief kunnen gefluit of gegooi met bepaalde voorwerpen tevens voor symboliek zorgen.
Alleen de mens kan dus (extra-)betekenis aan voorwerpen of handelingen toekennen. Dieren niet. Wanneer de elektriciteit uitvalt, kan een kaars u uit de penarie helpen. Diezelfde kaars, uitdrukkelijk voor een raam gezet, kan symbolisch staan voor (verlangen naar) vrede. En in de omgeving van de kerstboom, brengt ze extra sfeer. De driehoek uit de natuur roept niemendal op. In het verkeer daarentegen houden we er, al dan niet omgekeerd, zeer zeker rekening mee. Hij symboliseert een en ander. Een symbool draagt dus alleszins geschiedenis over: gedachten, gevoelens, beschaving kortom.
Godsdiensten zijn zo abstract dat ze barsten van de metaforiek en de symbolen. De beeldende kunsten hebben daar af en toe werk van gemaakt. Het is maar via de afbeeldingen dat we de symbolen leren kennen. De witte lelie staat bij de middeleeuwse kunstschilder voor goedertierenheid, op voorstellingen van het Laatste Oordeel voor barmhartigheid. Uit de ons best bekende godsdienst, de katholieke, even een inventaris van symbolen: het kruisteken, het monogram van Christus, de Griekse letter T (tau, tevens de vorm van de executiepaal waaraan Jezus is gestorven, later de vorm van de St.-Pietersbasiliek en vele andere kerken), de duif (Heilige Geest), offerlam (Lam Gods), mens/engel (Mattheus), arend (Johannes), leeuw (Markus), rund (Lukas), herder (stok, tas, melkkan), vis, anker, mandorla (twee snijdende cirkels, amandelvormig ‘oog’, ‘vis’), feniks, passiewerktuigen (kruis, doornenkroon, drie spijkers, lans, spons, speer, hamer, tang, gesels, folterpaal, ladder, naambord), trinitasringen (drieëenheid), driehoek, drie gestrekte vingers, brood, zout, bijenkorf, schip, roos, ivoren toren, morgenster, nimbus van driehoek in cirkel (geloof, hoop, liefde, opgenomen in het rijkste teken van rust én beweging), nimbus met kruisvorm (cf. heidense zonnewiel, de spaken merken de vier seizoenen). Symbolische getallen? Drie, zeven (maal zeven … ).
Echte symbolen, in tegenstelling tot bijvoorbeeld wiskundige tekens en verkeerspictogrammen, die gewoon een collectieve afspraak zijn en zelfs veranderd kunnen worden, tonen iets wat niet in gewone termen, begrippen en omschrijvingen te vatten is. Ze roepen ‘mysterie’ op: een diepere werkelijkheid achter dingen, mensen. We snappen het wel, maar kunnen het niet verklaren. We weten het wel, maar kunnen het niet definiëren. De symbolen ontsnappen aan de redekundige en intellectuele greep van de mensen. Symboliek is heel belangrijk. Hij komt meer voor in het dagelijkse leven dan we denken. De naam van iemand is een symbool. Negeer die naam, spot met die naam, verwring die naam, verbaster die naam: heel erg. Vervang die naam door een nummer: allerergst degraderend. Wie bijvoorbeeld tijdens een betoging de vlag van de tegenstander besmeurt, verscheurt, verbrandt, stelt een symbolische daad. En toch is het maar een lap textiel waarvan er zovele zijn.
Persoonlijke noot. De verkeerde lieveheer. Ik heb er al een hele collectie van. Mijn persoonlijk symbool. Antiquarisch net zo veel waard als een verkeerd getande postzegel. Niet veel dus. Dat is ook niet de bedoeling van symbolen. De Christus aan het kruis die (vanuit zijn eigen standpunt) naar links helt en kijkt en luistert, richting zg. ‘slechte’ moordenaar. De klassieke afbeeldingen volgens de officiële canon: Christus’ hoofd op de borst gezonken (schaamte over de wereld?) en Christus’ hoofd naar rechts hellend (berouw aanhorend van de zg. ‘goede’ moordenaar). Mijn ‘links’, ‘verkeerd’ lieveheertje doet de moeite het alibi van de slechterik te aanhoren. Hij legt zijn oor te luisteren aan de linkse, donkere, slechte, duistere kant. Ik promoveer hem tot symbool van rechtspraak en bevrijdingstheologie. Tijdens het eerste pausbezoek aan België waren er katholieke fundamentalisten die de jacht op verkeerde lieveheren openden. Die ene, ‘abstracte’ linkse Christus is symbool; de rest (mijn gehele collectie) is natuurlijk ‘voorwerp’. Hebbedingetjes, wat mij betreft. Dingsigheidjes, soms.
Monumenten. Een mens kan ‘een monument’ zijn. Eenmaal monument, altijd monument. Zelfs besmeurd. Of bekakt door duiven ( … die dan zelf geen symbolen zijn … ). Kennedy. Ghandi. Lernout & Hauspie? Die hebben misschien symbolischer uitstraling dan de man die rijmt met ‘astronaut’: Frimout. Rise and Fall of Flanders Empire. Ghandi is meer symbool dan monument. Kennedy minder. En Che dan? Ikoon? Nu dragen ook de antiglobalisten hem al op hun lijf. Hij staat dus voor iets. Symbool? Nieuwe versie van de Lijkwade van Turijn? À propos: Boeretoren, Zoo, Kennedytunnel, Atomium: pre-millennium & naoorlogse vooruitgangssymbolen?
Kon de hierboven vermelde tweeling L&H (’Let me do the talking’) maar van de atlas op hun schouders af door de symbolische frank (nou: euro) te betalen! Symbolisch in zijn waarde, lachwekkend zelfs, maar het is het (opgelegde) gebaar dat telt. En een frank is een frank! Iets meer frank- en vrijheid levert de gouden handdruk op. Er kleeft wat meer dan genoegdoening aan dat onzichtbare symbool. Fort Knox: symbool van wat in o.a. de WTC-torens-zaliger aan kapitaal werd omgezet. Goud. De hedendaagse steen der grijzen. De dollar als teken van grootheid en eenheid. Dat dollarteken als symbool van Amerikapitalisme. O ja: ‘dollar’ komt van het Hollandse ‘daalder’.
Symbolen waar slijtage op zit omdat hun actualiteit verdwenen is: terril, liftkooi, mijnwerkerslamp, hoefijzer, drietand. Symbolen die zo vaak gebruikt worden dat ze het moe zijn ( … en tot cliché of dood symbool zijn verworden … ): de zon, de donkere wolken, de ster, de zee. Vergelijk met een ‘dode’ metafoor als ‘slachtoffer’, of een ‘weg’ afleggen. Soms variabel: de slang (serpent, geneeskunst), de vos (sluwheid, rebellie, seks – cf. D.H. Lawrence: The Fox), de beer (fysieke sterkte, Rusland). Uit het rijke oeuvre van de Vlaamse schlagerzangers plukken we ‘de roos’.
13 een symbool? Bij het Laatste Avondmaal lagen ze met z’n dertienen aan tafel. De zogenaamde verrader lag vlak links naast de te verradene – eigenlijk de boezemvriendplaats. Of zat daar bij nader inzien en dichter toezien een boezemvriendin? Da Vinci heeft het via zijn bekend schilderij de mensheid verkeerd doorgegeven. De leperd.
08-06-2005
45: Hooi
HOOI
Roodomrande konijnenogen, bergen zakdoeken, filevorming van snot, je kop van je romp niezen, ziek en niet ziek, een onderwereldbril op je neus tegen het zonlicht, pilletjes, injecties, dieet, slaperigheid, gemoed in het vriesvak: hooikoorts, kortom. Ik kan niet echt een natuurliefhebber zijn tussen april en oktober. En ik ben het beu om aan mijn omgeving uit te leggen dad bijn deus verstobd zit, dat ik wegens straffe pilletjes om de drie uur in slaap dreig te tuimelen, dat om de anderhalve seconde het snot uit mijn kop druipt, dat ik een hoofd als een zwalpend eiland heb, dat ik dus alleen tegen kauwgumsnelheid kan presteren, dat ik geen stem meer heb, dat ik niét een nachtje op de lappen ben geweest. Zo’n kop! Moeilijk te geloven. Want je bent niet ziek. Je bent aandoenlijk. Je bent alleen maar wrakhout, een slachtoffer van de natuur, aangespoelde drenkeling op een zee van snot. Iedereen schrikt zich een hoedje als je weer eens zeventien keer na mekaar knoerthard aan het niezen slaat. Grapjassen zitten stiekem te tellen hoe veel keer je het doet. En als het dan eindelijk avond wordt en de buien zijn ietwat overgewaaid, dan is je hoofd leeg geniesd. En je neus is een staketsel van rode vellen geworden. En je stem klinkt stroef als kolengruis. En het is alweer tijd geworden om een vers pilletje in te nemen, preventief, want hierna komt er nog een dag. O, ik kan hevig verlangen naar wind en regen en zomerse onweders. Met veel donder en bliksem erbij: dat is dan God die met zijn lastoestel de gaten in de ozonlaag weer dicht probeert te schroeien. Ik wil hier ook van de gelegenheid gebruik om een statuut te eisen voor de hooikoortslijder. Wij eisen gratis papieren zakdoeken, bergen begrip, voorrang in openbare toiletten, kosteloze vakanties in de nabijheid van veel water, een toelage voor pillen. Wij vragen met aandrang dat iedereen de andere kant op zal kijken wanneer we aan het worstelen zijn met badnatte zakdoeken en onze ogen oceanen van dronkenschap lijken te zijn en uit onze neus een Donau van snot vertrekt die niet te stelpen valt en het debiet heeft van Belgische bieren. Nog iets: laat vooral niemand afkomen met goede raad. Alle hooikoortsigen hebben alles al geprobeerd. Soms lukt iets. Soms niet. Koning Boudewijn bijvoorbeeld heeft zijn hooikoorts nu overwonnen. Voor ons, overlevenden, is het weer bang afwachten: komt er schrale oostenwind? Gooit die verdomde zomerzon weer met gloeiende speren naar moeder aarde? Zal men altijd meer grassen, berken, parken, bossen aanplanten of mogen we hopen op neon, beton, frietketen en cinema’s? Hatsjie … Hatsjoem … Hatsjernobil … God zegene u, hooikoortslijdenden.
06-06-2005
44: CC
CC
De zon zonk als een oranje kauwgombal in de gapende muil van het West-Vlaamse avondland. Ik stond diepe gedachten te hebben op een welbepaalde plek, en van daaruit zwermden die naar nog andere streken en steden uit. Cultureel Centrum ’t Yserleiepand zag er uit zoals vele CC’s in Vlaanderen: eerst en vooral ‘polyvalent’, en niet te vergeten ook volstrekt smakeloos afschuwelijk ongeïnspireerd foeilelijk. Polyvalent: men moest er toneel opvoeren, voor dode konijnen kaarten, mosselen eten en op klompen hossen. Lelijk: afwezigheid van zowel goede als slechte smaak, zeg dus maar aanwezigheid van doodgewone onsmaak, vertaalde zich in een ellendige symmetrie van avondrode bakstenen muren, de verplichte lichtkoepel en de onvermijdelijke glazen toegangsdeuren. Dit geheel werd luisterrijk omgeven door de alom gekende boomsoort der coniferen, vreselijk groen, op hun beurt beschermd door afschuwelijk groene afrasteringsdraad van een overbekende monopoliefirma. Zoals alle culturele centra bevond ook ’t Yserleiepand zich ergens lukraak aan de rand van een ‘bebouwde kom’ (waar veel mensen tegelijk in de soep zitten), vrolijk, ludiek, gedurfd, haaks op alle andere architectuur, afgescheiden als een drol door zijn hond. Ha, Jan Modaal wou Modern?! Jan Modaal zou Modern krijgen!! En een architect met ringbaard en lang haar schraapte een gebouw bijeen. Omwonende slachtoffers vormden daarna een comité om een naam te bedenken voor het onding. Dat was hun troostprijs. Kijk: cultureel centrum ’t Yserleiepand bestaat niet. Je kunt er dus niet naar komen kijken. Maar je ziet het overal, op vele plaatsen: daar waar de afgelopen decennia de roep naar cultuur zo groot was en dus de navenante gebouwen als zwammen uit de grond schoten. Veel van die gebouwen zijn lelijk. Sommige onfunctioneel. Andere dan weer niet in verhouding tot hun omgeving, inwoneraantal, mogelijkheden. Enkele industriële pareltjes zijn zelfs tegen de vlakte gegaan om plaats te maken voor een 20e-eeuws misbaksel. Zulke diepe gedachten stond ik te hebben toen de zon eindelijk helemaal ter kimme neeg en onzichtbaar wegzonk aan de achterkant van mijn wereld. Dat gebeurde in het westen, een streek die echt niet opviel door haar architectuur. Daarenboven was het maartuari, de lelijkste maand van het jaar.Gelukkig was er nog het CC in Tielt; het werd tijd om nog eens Jacky in zijn foyer op te zoeken. Het was daar twee keer leuker toeven dan in zovele koele-kikkerkunstcentra. En gelukkig woonde ik zelf in een vuurtoren.
05-06-2005
43: Nicht gezapt
WIR HABEN ES NICHT GEZAPT
Kijk, als het waar is dat men is wat men eet, dan ben ik een bijzonder zoet man. Dieren eet ik vooral graag in de vorm van donkere fondantchocolade. Met fanta en cola heb ik een zoete verhouding, en een suikertante is altijd welkom. Ik was vroeger ook fan van The Sweet, een Britpopgroep. Maar zwijg mij over televisie, of ik word bitter en zuur en spuw gal. En ’t een en ’t ander wordt dan nog duurder ook, merci telenet, zomaar: betalen voor pulp, platgoed. Nog meer dan vroeger is het pure ellende op het scherm. Vooral die van VT4 en VTM denken dat iedereen het IQ heeft van een potje mosselen. Het hoofdprogramma bestaat daar uit irritante domme vreselijke voortdurend herhaalde reclameblokken met tussenin wat stompzinnig BV-gedoe, spelletjesgeleuter of een feuilleton waar je de galopkak van krijgt. Voorts een vooruitblik op de komende programma’s, tot je stikt van verveling. Maar nu staan ze bij Van Molle op de VRT ook al te springen en onnozel te doen bij die quiz. Toen ik die oenen over mijn scherm heen en weer zag hollen, heb ik ze voor eeuwig weg gezapt. En ook daar herhalen ze nu al tot je zwart ziet wat ze de komende dagen gaan vertonen. Wat is dat toch met die televisiemakers? Hoste op oudjaar is al een ramp; nu wordt het alsmaar erger: na de Pfaffs weten ze van geen ophouden meer, de Vlaamse primitieven. Dat ze hun camera in een konijnenhok zetten verdorie. Dan kan iedereen eens dieren ‘in ’t echt’ zien. Naast de Britse feuilletons, films, documentaires, Ter Zake en het journaal schiet er bitter weinig over dat het meemaken waard is. National Geographic is ook al naar de knoppen. De uitzendingen worden er eindeloos herhaald en om de haverklap zijn er ook daar al commerciële mededelingen van hoofdzakelijk onze welvarende buren boven de Moerdijk. Dan maar CNN op de achtergrond, oorlog of geen oorlog, om ondertussen iets anders bij te doen: een boek lezen, ruziën met huisgenoten, de kat tergen, kikkerbillen klaarmaken, kruismoordraadsels invullen, niet opendoen als er gebeld wordt. Je komt op CNN veel rapper het nieuwste nieuws te weten en hun weersvoorspellingen wereldwijd zijn verdorie beter dan die van onze beeldbuizerds. En hun muziekjes zijn leuker. En hun reclameboodschappen korter, dus krachtiger. 2005 zal wat mij betreft een televisiekarig jaar worden. Ik zal beletten dat die domme heilige koe bepaalt en dicteert hoe ik mijn avonden doorbreng. Of mijn zomer, godbetert. En ik blijf stiekem snoepen. Yes, I am a very sweet man.
04-06-2005
42: Winkelellende
WINKELELLENDE
Vijftien kilometer ten zuiden van een stille Vlaamse stad strekt zich het groezelige Noord-Frankrijk niet uit. Het kàn zich niet uitstrekken, want het staat bomvol met fabrieken, warenhuizen, fabrieken en warenhuizen. Het vergezicht wordt overal gehinderd. In elk toilet in Noord-Frankrijk wil je je een kogel door je kop jagen zonder een afscheidsbriefje aan de mensheid na te laten. In elk warenhuis wil je je ter plekke ophangen met een stuk lingerie ‘le moins cher’, onderste rayons. Op een druilerige zaterdagvoormiddag trok ik met mijn poedersuikertante naar dat buitenland, naar een van die ellendige warenhuizen. We slaagden erin op een gigantische parking een winkelkar los te wrikken van de rest door de truc toe te passen met een oud stuk van 50 BEF: munt erin, hop, karretje los, hop, munt er weer uit plukken. Geen gedoe meer met altijdzoekrakende jetons dus. Onderweg met ons koppig karretje (dat voorwiel wil altijd ergens anders heen) kwamen we een man tegen die rochelde als een apotheker na vervaldatum, een vrouwtje dat hoestte als een koffiezetapparaat van een postorderbedrijf en een Fransmannetje wiens brommertje niet wou starten en dus ‘kloot!!’ naar dat brommertje riep in het Frans. Een bezoek aan dat warenhuis raad ik verder iedereen af. De halve mensheid schurkt er zich aan de meer dan 90 kassa’s zwetend en zuchtend tegen de andere halve mensheid aan. Gedwee als een schaap klampte ik me aan het karretje vast, dat zich gestaag vulde met de noodzakelijkheden van het bestaan op deze aarde. Even aarzelde mijn poedersuikertante bij het visvoer, maar toen bedacht ze dat ze geen vissen in huis had. Waren er nog andere mensen in warenhuizen dan volslanke vrouwen in magere kleren en volslanke mannen op dunne stengels van benen in trainingspakken? Ja, er waren ook pubers die niet achter hun oren gewassen waren, een vreselijke stank tussen de rekken verspreidden en gilden in plaats van te spreken. Deze bavianen gebruikten ook alle parfumtesters die ze op hun weg tegenkwamen. Ik had zin om in huilen uit te barsten, met een salvo iedereen om me heen neer te maaien en daarna een fles snelwerkend gif in mijn keelgat te gieten. Mijn tante, een echte wijsheidstante, suste me echter met een eclairke. Na betaling van de goederen, voorafgegaan door 27 minuten filevorming, verlieten mijn poedersuikertante en ik dat buitenland met zijn lelijke nummerplaten weer. Ondergetekende had een heel weekend nodig om te bekomen van deze cultuurshock.
03-06-2005
41: Eeuwige vergunning
EEUWIGE VERGUNNING
Waarom begint iemand van de ene op de andere dag zijn overgebleven hoofdharen naar achteren te harken? Daarvoor was hij voor de vooruit. Hoe komt het iemand plotseling van koffie begint te houden? Vroeger bunkerde hij sloten alcohol en cola. Wanneer begint iemand de wallen onder zijn ogen als jaarringen te beschouwen, zoals bij de bomen? In glorierijke dagen waren dat lauwerkransen. Het is de ziel die dat dicteert. De ziel bevindt zich in het linkeroorlelletje. (Vandaar de bekende zinsnede: ‘Als de ziele luistert … ‘). Als iemand voor de spiegel met een bedenkelijk gezicht aan zijn linkeroorlel staat te frutselen, dat schiereilandje kippenvel ten westen van zijn hoofd, dan wil dat zeggen: de ziele spreekt. En als de ziele spreekt, dan moeten het hart en het hoofd luisteren. Zo spreekt de ziele: ‘Man, het is nu welletjes geweest. Vlot en tof moet je niet meer proberen te zijn. Je vlot is stuurloos, de toftigheid hangt er in treurige vodden bij. Neem nu eens een fotokopie van je vader, je grootvaders, je voorvaders en hun spataders, hark je haar op maat, kies wat kleren op maat, hou maat in het drinken en kies maten die ook maat kunnen houden. Zo kun je nog eens een decennium doorbaggeren, zoals je vaderen het je hebben voorgedaan.’ Tja, en ik die altijd als motto had: ‘Liever de wind dan een hark om blaren op te ruimen.’ En, o wonder, dan komt er zo’n jonge gast op je af, zo’n zwarte betwetervogel in recyclagekleren, en hij zegt: ‘Maar dat vind ik nu eens deftig en cool, dat achterover geharkte haar, die ringen onder je ogen, en die emmers koffie die je met Special-Agent-Cooperachtige gebaren in dat oude hoofd van je giet! Toftig!’ Dan zijn er twee mogelijkheden om zoetjes wraak te nemen op dat ontzagwekkende misverstand. Ten eerste kun je voor altijd thuisblijven. Een soort levende begrafenis, zeg maar. Ten tweede kun je marathons lopen. Twee lange ingrepen dus. Als je voor de tweede mogelijkheid kiest, waar loop je dan naartoe? De eindmeet is voor iedereen gelijk: strooiweide of graf. De lat ligt er voor iedereen gelijk: zeer plat. Het is de ultieme democratie. De wereld is ook rond; je kunt dus moeilijk jezelf ontlopen, want je komt steeds jezelf weer tegen. Welaan dan, strijden maar, ondanks krampen in de verlengingen. Iemand die tegen je zegt: ‘God, wat ben jij grijs geworden zeg!’ En dan antwoorden: ‘Vroeger was ik god, nu niet meer. En vroeger was ik groen. Nu ook niet meer.’ Om je te troosten denk je dan aan leuke dingen. Dingen die beter of mooier worden naarmate ze ouder zijn. Wijn, violen. Wijn die mee de val van het Romeinse Rijk veroorzaakte, wegens tinvergiftiging. Violen die het zinken van de Titanic begeleidden. Zo komen we weer bij de ziel uit: het hoorapparaatje voor een geweldige stilte. En bij koffie, dat geweldige bakje inktzwarte troost.
02-06-2005
40: Q?
Q?
Waarom stond je niet op de eerste rij toen de schepper van hemel en aarde met charme rondging? Kun je in alcoholische volgorde de koningen van België opsommen? Wil je je nu eens niks van kleren aantrekken, schat? Wilt u zegeltjes van de kroostrijke gezinnen of mag ik direct aftrekken? Als je zo volmaakt bent, waarom sta je dan niet in een museum? Hoe vaak ben je al voor zenuwfeiten veroordeeld? Waarom maak je geen pijlen van je plankenkoorts? Waarom geeft het leven je geen krediet als je niet betaalt? Kan men zich verzekeren tegen verzekeringen? Waarom hield God op met tegen de mensen te spreken toen ze er in de bijbel over gingen schrijven? Geloof je in eierboerpraatjes en koektrommelplaatjes? Heb je ook een broer aan de universiteit? In welke bokaal? Wat was dat? O, niks speciaals, dat was je leven dat voorbij zoefde. O, kan ik er nog een? Nee, sorry makker. Gedaan met zappen. Wat doet u om den brode? Ik zit levenslang uit, op later en dood. Als u een open boek bent, waarom ligt u dan op de verkeerde bladzijde opengeslagen? U schrijft? Ja. Kan u daar van leven? Ik kan er wel bij blijven werken. Als het Nederlands enkele miljoenen woorden telt, waarom zou ik er dan maar honderddertig van gebruiken? Waarom is het leven een droom als je boeken leest van dode schrijvers? Hoe veel synoniemen zijn er voor ‘liefde’? Zo veel als de Inuït er hebben voor ‘sneeuw’? Als God in het detail zit, mogen we dan vitten? Zit de duivel daar dan ook in? Heb je een minuutje en een vuurtje? Wanneer komt die pil tegen Bekende Vlamingen nu op de markt? Eddy, neemt gij Dempsey tot bruidegom? Dempsey, neemt gij Eddy tot bruid? De slechtste antwoorden op deze vragen (ja, nee, muziek, voetbal) worden bestraft met een weekend met Sam Gooris. De origineelste antwoorden worden bekroond met een warme blauwe muts voor reizen naar de Balkan. De schiftingsvraag van deze Q?-quiz luidt: heb je je haar laten knippen misschien? Wie daarop correct antwoordt, krijgt een tweede schiftingsvraag: hoe veel Russen pletten hun frambozen in spierwitte melk? Tot slot nog enkele moeilijke vragen buiten competitie: waar zijn we mee bezig? Is er dood na het leven? Is er licht aan het einde van de tunnel? Hoe veel keer stroomt een beek eenzelfde punt voorbij? Kunnen er nog andere dingen dan politici omhoog vallen? Waarom zijn de loketten in de postkantoren altijd maar aan een kant overbevolkt? Waarom laten de mensen de andere mensen niet met rust? Houdt God van frieten? O, is het al zo laat?
01-06-2005
39: Theater
THEATER
Het gordijn is de dood. Pas als het gordijn open geritst wordt, komt het theaterstuk tot leven, weze het goed, weze het slecht. Rits het gordijn weer dicht, en het stuk bevriest. Zoals een dichtgeslagen deur veel met alles doet, aan beide zijden of aan weerskanten van het gelijk (afhangend onder andere van hoe die deur dicht gesmakt werd). Uit een stuk proza van de Hongaarse schrijver Orbàn Otto: ‘Op het toneel der vooropgestelde ideeën is de dood steeds een onbewogen gordijn’. Gordijn als grens tussen werkelijkheid en fictie, echt en waar. Gordijn als filter tussen buiten en binnen. We zien de gordijnen in de huiskamer niet als de gordijnen in de schouwburg. En toch gelijken ze heel erg op elkaar. De wereld is er lelijk aan toe. Daarom zijn er gordijnen nodig, alweer om de weerskanten van dat gelijk te scheiden. We vluchten erachter; we vluchten ervoor. Regen kan zo’n aangenaam gordijn zijn, jawel. Zoals in de film ‘Un taxi mauve’, waarin Philippe Noiret in Ierland het regengordijn doorbreekt en inrijdt, ergens heel noordelijk, en nog meer regen dan voorheen te slikken krijgt, zodat zijn bestaan op deze aarde op een carwash begint te lijken. Maar dat blijkt helend te werken. Zoals bij Pallieter, maar dan totaal anders. Nog beveiligend: het haargordijn voor je ogen, al of niet permanent. Kaalkoppen en zelfgekozen kojaks met schedels als roetsjbanen kunnen hierbij alleen maar herinneringen ophalen. Drapeer, als je nog in de mogelijkheid bent, je haar voor je ogen en je bedoelt: ‘Ga weg’. Theater dus. Allemaal theater. Doek. Open doek. Gesloten boek. Doekje voor het bloeden. Het mooiste toneelstuk dat ik ooit heb gezien, was, nou: is, alles van Ionesco. Absurd theater met een hoog werkelijkheidsgehalte, zoals het ten eerste hoort en ten tweede ook is. Ik bedoel: de werkelijkheid, haha, laat me niet lachen. Bezoek het parlement. Probeer naar politici te luisteren. Volg de soaps van alledag. Zie hoe het gerecht werkt. Of niet werkt. Lees de krant. Het zijn eigenlijk niet de schrijvers die hun fantasie de vrije loop laten of dingen uitvinden of billenkletsende, dramatische, absurde, sentimentele, bloederige …. boeken en stukken plegen. Nee, de werkelijkheid zelf staat er bol van. Daarom zijn er gordijnen en gordijntjes nodig. Soms bewegen die even. Gordijnen hebben ogen; muren hebben oren. Vraag het maar aan die Margarita uit Nederland. Een punaise in de muur kan afluisterapparatuur zijn. Een olijf ook. Uitkijken. Zwijgen. Dichtritsen die mond, dat gordijn. Geen zaken mee.
31-05-2005
38: Opstel
OPSTEL
(Titel). Als de hond stinkt naar hond. (Aanvang). Ik heb geen hond. Dat mag u verwonderen, maar ik heb geen hond, ook al gelijk ik op een hond, zoals iedereen. Vrienden en kennissen van ons hebben wel een hond: Mickey, Darky, Pebbles, Loekie. Dat zijn de namen waar die honden naar luisteren, niet de vrienden en de kennissen. Een van mijn vrienden gelijkt wel erg goed op een Dalmatiër. Het is alsof hij voortdurend ernstig ziek is. De hond: trouwe viervoeter of gevaarlijke blafmachine? (Midden). Ik wil helemaal geen hond. Pa en ma ook niet. Willen de honden ons zelf wel? Zijn dat geen kuddedieren? Er zijn vele nadelen verbonden aan zo’n viervoeter in huis. Het ergste vind ik dat een hond naar hond kan rieken, vooral als hij in de regen heeft gewandeld. Rieken is erger dan ruiken. En wie hangt aan het andere eind van zo’n onwelriekende lijn? Juist, ja: een mens. Wie wandelt hier wie? Ikzelf heb geen wandelhond nodig om aan mijn dagelijkse gymnastiek te komen of om diepe gedachten onderweg te koesteren. Hondendrollen vormen een belangrijke plaag in de steden van ons land. Mensendrollen gelukkig nog niet. De meeste mensen doen de drol van hun hond niet in zo’n zakje, maar stappen stiekem vlug door. Wat moeten we denken van iemand die een hondenleven leidt? Het antwoord ligt voor de hond, eh, voor de hand: slapen, eten, suffen, weer slapen, weer eten en weer suffen. Wel, daarvoor kun je voor ‘luiaard’ uitgescholden worden. Verwondert het ons dat er in tekenfilms veel hondenmeppers rondlopen? Neen. Kennen we allemaal de uitdrukking ‘zo ziek als een hond’? Ja. ‘Een hond in huis vraagt zo veel aandacht als een klein kind’, zegt mijn pa. Dat vind ik dus ook. Ik zag zelfs al honden met luiers om. Een bedenking: waar begint het onderscheid tussen kat en hond? Hoe komt het dat de ene blaft en de andere miauwt? Voor de rest gelijken ze erg op mekaar. Er zijn katten met en zonder haar, en er zijn honden met en zonder haar, de zogenaamde zeemvelhonden. Geen van de twee legt eieren. Het verschil dan? Geen idee. Het is eenzelfde vraag als: ‘Is de spin een huisdier?’ (Slot). U merkt dus dat ik niet tegen honden ben, maar dat ik wel tegen honden in huis ben. Geef mij maar de kikker in het vijvertje in onze tuin. We noemen hem Bernard Massard. Als de lente weer achter de mistgordijnen begint te piepen, zal hij wel weer te voorschijn komen. Een lekker borrelhapje.
30-05-2005
37: De kwien en de paap
DE KWIEN EN DE PAAP
Pasen 2002 hingen twee openbare figuren halfstok: de katholieke kerkvorst en de Queen Mum. De ene was halfdood; de andere helemaal. Van de doden niets dan goeds. Kweenie Mum was zo dapper en zo goed om tijdens de oorlogsbombardementen in Good Old England te blijven, jawel. Daar wordt ze om geroemd en geëerd. Maar de enige reden was eigenlijk dat ze haar garderobe niet mee kon sleuren mocht ze gevlucht zijn. Kweenie was ook een rancuneus mensje, gok- en drankzuchtig en racistisch. Britten Boven! ‘Granny England’ zorgde wel voor kunstmatige inseminatie in haar oubollige land, zodat later koningin Elizabeth een feit kon worden. Ach, oudjes wordt veel vergeven. De oorlog heeft van sommige mensen ook helden gemaakt met een vraagteken bij. En ondertussen, op de valreep van De Goede Week, werd beslist dat de paus een kunstknie zou krijgen. Men vond het wel jammer van die achtste operatie. Men had liever gehad dat deze Poolse paus bekend bleef als de paus van de zeven operaties, een zg. heilig getal. De kerkvorst werd op Pasen zelfs in zijn pausmobiel in de kerk binnengeloodst. Een echt ouderwets mirakel zat er dus niet in. Zowel de kwien als de paap hebben een behoorlijk druk openbaar leven achter de rug. Beiden hebben heel veel representaties gedaan. Daar kan bijvoorbeeld Tineke van Heule niet aan tippen. Granny England was de petemoei van meer dan driehonderd verenigingen. En de paus kuste zowat overal ter wereld de tarmac, asfalt of macadam. Ook zullen we ons deze personages blijven herinneren omwille van hun kleurrijke kleren. Je kon niet naast de aquarelle outfit van de oude koningin kijken. In allerlei baby- en frambozenkleuren verscheen ze op de balkons. En het paapse paars, gecombineerd met vele andere hippiekleuren, is genoegzaam bekend. Die paus toch! Werk aan de winkel voor Walter Van Beirendonck. Maar wat is godgenageld nu het verschil tussen dergelijke mensen en pakweg een Indiër die al 38 jaar lang met zijn rechterarm omhoog leeft en gras eet en een vrouw van 44 jaar die na haar vorige vijf kinderen nog een tweeling ‘koopt’? Niets. En alles. Niets: je kunt niet voor Indiër, koningin, paus of moeder leren. Alles: de enen leven in een poppenkast, de anderen in een naturalistisch drama. En in die tijd waren er die het nog slechter troffen, want er speelde zich een heuse oorlogsfilm af in het Heilig Land. Ja, drukte alom met Pasen 2002.
29-05-2005
36: Vensterman
VENSTERMAN
Misschien leest hij dit, Vensterman. Misschien ook niet. De enige echte Vensterman woont boven een leegstaande winkel van bedden, op de hoek van een drukke straat waar zich dagelijks ettelijke keren bumperverkeer voordoet. Hij heeft een perfect uitzicht van op zijn eerste verdieping; zijn venster zit vlak op de hoek, zodat hij een panorama heeft op een viertal straten ineens. Het schijnt dat de politie Vensterman af en toe consulteert als goede bron. Vensterman houdt de wacht in de zuidelijke provinciestad K., een stad die zich kenmerkt door niets. Ik ontdekte hem deze zomer, toen ik zoals gewoonlijk des avonds mijn binnenverblijf verliet: mijn stadsoptrekje waar ik prachtige boeken schrijf. (Ik hou van stad en randstad.) Ik wuifde. Elke avond wuifde ik en hij wuifde terug. Soms gebeurde dat ook al eens op weg naar mijn geheime honk. Want hij zat en stond er ongeveer de hele dag. Zou Vensterman streepjes zetten per wuif? Heeft hij ondertussen het imposante getal van 65 876 wuivers bereikt? Heeft hij daarin categorieën ontworpen? Ondertussen is het een hele lente lang november geweest. Velden en weiden werden moerassen, tot wanhoop van de boeren. Evenementen verzopen in hemelwater. Op maandagen ontsierde de ene na de andere kettingbotsing het verkeer. Op dinsdagen vlogen bejaardentehuizen in de fik. Een zeehondenziekte bereikte onze kusten. Vensterman bleef ondertussen trouw op post, wat er ook gebeurde in de grote, boze wereld. Een keer zag ik hem, onlangs, over het zebrapad hollen. Bewonderenswaardig kwiek. Zijn zittend vensterbestaan heeft hem dus niet geïmmobiliseerd. Hij was gehaast om weer post te vatten één-hoog. Aanvankelijk dacht ik dat hij alleen maar naar mij terugwuifde, omdat ik er zelf mee begonnen was. Toen mijn dochter naast mij in de auto ook wuifde, en uitleg verschafte over de beroemde Vensterman, toen wist ik dat hij een O.B.V. was, een Onbekende Bekende Vlaming. Ik denk dat Vensterman net als ik ook van ‘slecht’ weer houdt. Dat het hoogdagen voor hem zijn als de regendruppels over zijn panoramische raam biggelen en de wind om de hoeken giert. Vensterman heeft dus een mooie lente achter de rug, als dat zo is. Ik ook, maar ik durf het bijna niet te bekennen, want overal worden heden ten dage heel vlug wapens getrokken en gebruikt.