NIEUW: Blog reclamevrij maken?
SCHUINE TEKSTEN
Inhoud blog
  • 321: Perte totale
  • 320: Goede man
  • 319: Enig kind
  • 318: Fibo
  • 317: Dialoog
  • 316: Etaoin shrdlu
  • 315: Roland
  • 314: Bermkip
  • 313: Men
  • 312: Bruder Lustig
  • 311: Signeergesprek
  • 310: Rook
  • 309: Ode aan mijn bh
  • 308: Alfa
  • 307: Vijgen voor Pasen
  • 306: Wereldsmart
  • 305: Jonge ouderen
  • 304: De Boekenkrijg
  • 303: www.zot.com.bébé
  • 302: Echte fictie
  • 301: Mundial
  • 300: De Felle
  • 299: Westlof
  • 298: Lam Gods
  • 297: Jacky
  • 296: Hop paardje hop!
  • 295: God?
  • 294: Acoliet
  • 293: PP
  • 292: Netwerk
  • 291: Leffaards
  • 290: Het varkensei
  • 289: Geheim
  • 288: Geknipt
  • 287: Geloof
  • 286: Stommeling
  • 285: Een aardig ding
  • 265: VRESELIJK
  • 284: Kloon
  • 283: Allojjo
  • 282: Schaakstuk
  • 281: Communicatie
  • 280: Figuur
  • 279: Hairbag
  • 278: Lijstjes
  • 277: Jos, Joste, Gejost
  • 276: Melk?
  • 274: Frinch fraais
  • 273: Mager Heineken
  • 272: Appartemens
  • 271: Gestopt
  • 270: Ik zou u schrijven
  • 269: Koksmonoloog
  • 268: Een photo
  • 267: Getetter & Getoeter
  • 266: Water
  • 264: Beu
  • 263: Acteur
  • 262: Vederlands
  • 261: Etters & Engelen
  • 260: Men spele...
  • 259: Kwaak
  • 258: Geschoold
  • 257: A la recherche
  • 256: WJZBJZ
  • 255: Eindelijk
  • 254: 'Het' gezin
  • 253: Repetitieruis
  • 252: Kiespijn
  • 251: Reis Hiernamaals
  • 249: Gezondheid
  • 248: Speeltijden
  • 247: Rood licht
  • 246: Ruis
  • 245: Weg
  • 244: Mom
  • 243: HET JAAR ELF
  • 242: Kloon
  • 241: In de put
  • 240: Huid & Haar
  • 239: Zomer 11
  • 238: Duimen maar
  • 237: Poirot
  • 236: Smoke
  • 235: Collateral
  • 234: Nachtraven
  • 233: Undercover
  • 232: Frietpeace
  • 231: Kopie-Kopie
  • 230: Gezeid is gezeid
  • 229: Vreemde man
  • 228: Een stuk
  • 227: België
  • 226: Mijn meesters
  • DRAMA
  • 225: GVD
  • 224: Veldinterview
  • 223: Sprook
  • 222: Zappa
  • 221: Een bod op God
  • 220: Curryculum Vitae
  • 219: Tovenaar
  • 218: Perspest
  • 217: Animatietype
  • 216: Ruim
  • 215: De erwt
  • 214: Podiumbeest
  • 213: Mobiliteit
  • 212: Twee tijgereieren
  • 211: De kus
  • 210: Wolf
  • 209: Een reus
  • 208: Opsporingsbericht
  • 207: K met zuurpruim
  • 206: Volksverlakkerij
  • 205: Doppedrop
  • 204: Kap
  • 203: Affiche
  • 202: Regen
  • 201: Stuk
  • 200: Hair
  • 199: Wie A zegt
  • 198: Bijsluiter
  • 197: TV
  • 196: Arno
  • 195: Letters & Letteren
  • 194: Taalkunde
  • 193: Onder de zon
  • 192: Besparen
  • 191: De goede man
  • 190: Van die dagen
  • 189: Zwarte zwaan
  • 188: Questionnaire
  • 187: Say cheese
  • 186: Loteling
  • 185: Een zwaluw
  • 184: Grijs
  • 183: Claus
  • 182: Liefhebber
  • 181: Monumenten
  • 180: Erger
  • 179: Landbouw
  • 178: Bijna
  • 177: Onafhankelijkheid
  • 176: Zo fout als wat
  • 175: Wei-gevoel
  • 174: Merk
  • 173: Mens
  • 172: Pikant
  • 171: 50 vragen
  • 170: Jinx
  • 169: Wiskunst
  • 167: Met alle Chinezen
  • 166: Mooiste woorden
  • 165: Rijm
  • 164: Internetman
  • 163: EVBO
  • 162: Hondenleven
  • 161: Carrière
  • 160: Coureur local
  • 159: Kip ik heb je
  • 158: Politiek programma
  • 157: Design
  • 156: Kreeft
  • 155: Nicotine
  • 154: Gastronomen
  • 153: Verleiden
  • 152: Opinie
  • 151: 1e hulp in gevallen
  • 150: Verzamelwoedend
  • 149: Fakir
  • 148: Cliché
  • 147: Iets anders
  • 146: Uit de kunst
  • 145: Appartemensen
  • 144: Wereldwoeden
  • 143: Ongerijmd
  • 142: Dagboek van 1 dief
  • 141: Vioolkist
  • 140: Ouden van dagen
  • 139: Automatische piloot
  • 138: Leugendetector
  • 137: Hotel Milan
  • 136: De Diepe Gedachte
  • 135: De weg vragen
  • 134: Mag ik overvaren?
  • 133: Leven op Mars
  • 132: Vogelvlucht
  • 131: Faer♠er-gevoel
  • 130: Lolbroek
  • 129: Sollicitatie
  • 128: De Q van Proust
  • 127: Volg je nog?
  • 126: Kerstmisdaad
  • 125: Hartstuk
  • 124: Mozart in november
  • 123: Heb je gedronken?
  • 122: Frambozen in melk
  • 121: Appelschudder
  • 120: Quo Vadis?
    Zoeken in blog

    Foto
    Aan de sneeuwzee in Vlaanderen, februari 2012
    Foto

    Jowan & Joris in Stotendorp Heule

    Foto

            Red shoes Wilma

    Foto

    Younger me, already salt 'n pepper

    DEZE KANT BOVEN (Sjors DNO)
    SCHUINE TEKSTEN
    27-07-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.225: GVD

    GVD (Gebed om liefde)

    ‘Durf je 80 keer na elkaar godverdomme zeggen?’

    Met een ernstige rimpel boven zijn wenkbrauwen daagde Erwin De Coster me uit: de kampioen van het rood worden, maar op het schoolplein ook de baas van de cowboys, tégen de indianen. We stonden met z’n drieën op het lage muurtje voor de huizenrij waar hij woonde: ik, Erwin, Marina. Ik was jaloers op Erwins ravenzwarte haar, dat hij soms met een eigenaardige ruk van zijn hoofd naar achteren zwierde. Erwin zelf was echter ook doodbeschaamd dat hij op de wereld rondliep, wat zich uitdrukkelijk vertaalde in rare grimassen en tomatenrode bewolking die soms in een fractie van een seconde over zijn gezicht trok.
    Zijn alter ego, de baas van de cowboys, daagde me dus uit om 80 keer hardop te vloeken. 80 klonk in zijn oren waarschijnlijk meer dan 100. Het maakte meer indruk. 80 rijmde ook met krachtig.
    ‘Jaja, natuurlijk,’ knikte ik, bang om mijn plaats in de pikorde van de cowboybende te verliezen. Gezwind sprong ik van het muurtje.
    ‘Op het muurtje!’ gebood hij.
    Ik sprong er weer op; zij eraf. Marina, het al net zo ongelofelijk ravenzwarte buurmeisje van Erwin, keek glimlachend toe. Ze was twee jaar ouder dan ons, en ze had al wat. Haar oosterse glimlach was onweerstaanbaar. Marina was een mediterrane zeemeermin; alom veroorzaakte ze natte dromen. In de jaren 50-60 was een Marina namelijk heel anders dan een Marina uit de jaren 80-90.

    Held J. vloekt 80 x hardop te T. en verovert aldus menig meisjeshart, vooral dat van M., tevens aldaar woonachtig.

    Net toen ik aan mijn godslasterende monoloog wou beginnen, boven die twee zwartkoppen uittorend als een Frankische koning op een schild, piepte in een van de lager gelegen huisjes een deur open. Een man in onderhemd verscheen, met armen waarover aders als staalkabels liepen: de pa van Erwin.
    ‘Godverdomme: wat staan jullie daar zo te konkelfoezen, hé?’
    Het rood vlamde weer naar Erwins hoofd. Marina giechelde om dat konkelfoezen. Door een zachte windstoot bolde haar rokje even op. (Daar stonden kriskras cijfers op, dat weet ik nog, maar niemand van ons slaagde er ooit in die blitze Marina te ontcijferen, want later werd ze een vedette in het volleybal, dus trouwde ze met een dubbele meter basketvlees die ook nog eens geneeskunde studeerde, hoe gaat dat, godverdomme).
    Ik lachte mal en hupte van het muurtje.
    ‘Wel?’
    ‘Niets, pa,’ mompelde Erwin.
    ‘Hoe: niets? Zie maar dat je over vijf minuten binnen zijt. Je moeder wacht. Heb je huiswerk?’
    ‘Vandaag niet.’
    ‘Jaja.’
    Pats. De deur knalde weer dicht. Marina keek naar mij. Ik keek naar Erwin. Die jongleerde met zijn wenkbrauwen.
    ‘Wacht je moeder, Erwin?’ vroeg ik.
    ‘Tachtig keer!’ snauwde hij onverbiddelijk.
    ‘Maar je vader … ‘ begon ik weer.
    ‘TACHTIG!’
    ‘Weet je wat,’ opperde Marina plotseling samenzweerderig. ‘We doen het samen. We delen door twee. Ieder veertig. Goed zo, Erwin?’
    ‘Mm … ‘
    De cowboybaas, heer en meester over het vloeken in deze stad, haalde zijn schouders op.
    ‘Dan wil ik ook wel meedoen,’ besliste hij dan grootmoedig, alsof niemand, ook hijzelf niet, onder zijn uitdaging uit kon.
    ‘Delen door drie, oké?’
    ‘Oké.’
    ‘Maar hoeveel is dat dan voor elk?’ vroeg Marina.
    ‘Ik weet het,’ zei Erwin resoluut. ‘Marina twintig, ik dertig, jij dertig. Dat is samen tachtig.’
    ‘Waarom ik maar twintig en niet dertig?’ protesteerde Marina. Met haar ene hand hield ze haar rokje in bedwang tegen een verse windstoot.
    ‘Omdat jij een meisje bent,’ flapte Erwin het eruit, waarbij hij andermaal rood kleurde tot ver achter zijn oren. Nu bolde Marina’s cijferrokje andermaal op, want ze had beide handen nodig voor wat misbaar: ‘En wat heeft dat daarmee te maken, mislukte cowboy?!’
    ‘Jullie kunnen minder dan wij,’ mompelde Erwin beschaamd-chagrijnig.
    ‘Ha-ha-ha,’ meesmuilde Marina nadrukkelijk, met volle oosterse mond. ‘Ha-ha-ha.’
    En toen pakte ze haar belager bij zijn achillespees: ‘De roodhuid heeft weer gesproken. Ugh! Ugh! Je bent bang voor meisjes!’
    ‘Niet waar, godverdomme!’ riep Erwin. Hij was nu zowat koninklijk purper aangelopen. Zijn gezicht was verwrongen in een ongemakkelijke grimas. Hij had de hoogste graad van schaamte bereikt.
    Ik stond erbij en ik keek ernaar. Cijfers dansten voor mijn ogen. En toen ging die verrekte deur weer open. De vaderfiguur verscheen vervaarlijk in het deurgat. Hij vulde dat gat vrijwel volledig op. Erwin en Marina hielden op met kijven. Ze keken naar hem, naar mekaar, weer naar hem, dan naar mij.

    En net voor Erwins pa zijn mond kon openen, begon ik, vele jaren voor het een rage werd, godslasterlijk te rappen:
    ‘Godverdomme – godverdomme – godverdomme … ‘
    Waarom ik precies 80 keer, en bijvoorbeeld geen 100 keer moest vloeken, wist ik niet. 80 klonk misschien zelf ook meer als een vloek dan dat bolle 100. Daar op dat muurtje toen, dat was taalkunde en rekenkunde. Uit de school geklapt.

    Marina verdween mettertijd in de sportberichten van de nationale kranten. Het stadje werd te klein voor haar. Allerlei ridders op witte paarden omzwermden haar. Erwin hielp al vaker op de openbare markten in de groentekraam van zijn ouders. Als ik hem ooit eens weerzie, dan weet ik nu al met grote zekerheid wat mijn eerste woord zal zijn, uit de voorraad van de honderdduizenden die ik intussen machtig ben.


    03-07-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.224: Veldinterview

    VELDINTERVIEW

    Ik zat mijn honderdduizendste spaghetti op mijn vork te draaien toen ik op de radio het volgende gesprek hoorde. Een (vrouwelijke) radioreporter interviewde de politiecommissaris op de wekelijkse markt in het kuststadje B. Het thema: gauwdieven. Soms hoef je echt niet te betalen voor een avondje stand-upcomedy; je krijgt her en der gratis porties fijnkost.

    R(eporter): Ik ben hier op stap met Dimitri, politiecommissaris. We lopen rond op de markt in B., op zoek naar gauwdieven. Hoe doe je dat eigenlijk, commissaris Dimitri? Ben je bijvoorbeeld gewapend?

    CD (commissaris Dimitri): Ja, maar ik heb ook nog mijn handen hé.

    R: En nog iets meer dus?

    CD: Mijn hemd zit uit mijn broek. Er is hier namelijk meer aan de hand. Daaronder bevindt zich mijn wapen, aan mijn riem bevestigd. Als het nodig is … Maar: ge moet vooral in de massa opgaan.

    R: Ja, dat is niet gemakkelijk. Herken je gauw gauwdieven, commissaris Dimitri?

    CD: Wel, de gauwdieven gaan zich heroriënteren. Ze evolueren van zigeunermeisjes naar vreemd uitziende personen, ’t is jammer om te zeggen. Ik heb de som op de proef genomen.

    Toen heb ik het uitgeproest, me verslikkend in een sliert spaghetti.


    07-06-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.223: Sprook

    SPROOK

    Op een ochtendmistelijke dag stichtte ik een heilig vuur aan de rand van de stad, net op de valstreep van dagelijkse drukte. Hoogbejaarde vrouwtjes met zwarte hoofddoeken en takkenbossen op hun rugjes gekromd als vraagtekentjes knikten me dankbaar toe. Wind uit oude dagen wakkerde de vlammen aan, die gretig als hellehonden zichzelf likten. Heimweemoed palmde me in. Een miskloon die met opgeruimde benen uit zijn alkoof was gestapt – o red ons van die breedsmoelkikkers die des ochtends reeds rondhossen met een glimlach van oost tot west op hun mombakkes – vroeg me frikkerig: ‘Aloha gij daar, mesteling: denkt gij het buiten warmer te kunnen stoken dan gisteren binnen?’ Ikzelf antwoordde: ‘Vlaanderen spaanderen! Een overwinning heeft vele vaders, een nederlaag is een wees, vuur kent geen vrees’. ‘Verloofd zij Jezus Christus, hm’, ontkende de rekel niet. ‘Als ik vragen durf: wie zijt gij, lijfeigene?’ vroeg ik, gierig naar nieuws. Het antiwoord van de miskloon liet niet lang op zich wachten. ‘Ik ben Sir Drinkalot’, zo sprak hij. Eigenlijk zei hij: ‘Fir i.p.v. Sir’ – er gaapte een verhofstadtspleet tussen zijn fronttanden waardoor te veel gebakken lucht te vroeg ontsnapte. ‘Voorwaar een niet mif te verftane naam’, knikte ik. ‘Mij is een Liselot bekend, meerdere zelfs, maar van een Drinkalot heb ik nog nimmer gehoord’. ‘Waarom sticht gij dit vuur?’ ‘Ik breng een Chinees spreekwoord in de praktijk, dat zegt: gij zult de vier elementen van Empedokles in uw leven meester worden, wil uw leven geslaagd zijn’. ‘O?’ ‘Gij zult lucht bakken, aarde eten, water herverdelen en vuur beheersen’. ‘Hm … een beetje zoals Arnold Schwarzenegger dan, de ovenwarme gouverneur van de grootste Amerikaanse bosbrand aller tijden? Of … zoals die andere aanstoker van de grootste bushbrand in het Midden-Oosten?’ ‘Noch met deze Oostenrijker, noch met die Plastieken Junior wil ik in geen geval vergeleken worden’, wedervoer ik. ‘Maar wat brengt ù hier, Drinkalot?’ ‘Sir, graag’. ‘Oké, meneer’. ‘Ik ben zwervend op zoek naar de Graal’. ‘Hebben de muzelmannen die niet afgepakt van de christenhonden?’ vroeg ik. ‘Het gerucht gaat dat Judas die beker meegejat heeft op die fameuze avond’, antiwoordde Sir Drinkalot. ‘Ik vermoed dat hij hem doorverkocht heeft’. ‘Geplaagd door zo’n naam zijt gij daar zeer zeker op de hoogte van, drinkeman’. ‘Meer is in mij’, ontkende Sir Drinkalot andermaal niet. ‘Maar,’ vervolgde ik, ‘is het niet zo dat de genaamde Jozef van Arimathea deze beker met wijn van het Laatste Avondmaal én bloed van de beroemde kruisdode medenam op zijn geheimzinnige reis naar Engeland?’ ‘Gij bedoelt dan waarschijnlijk: het Engeland van de Tafelronde?’ ‘Yes. Misschien was het wel een bekeringsreis: men wenste ridders om te dopen’. Ik, de randstedelijke vuurstoker, en hij, de voorbijgangerende miskloon, zwegen even. We kregen allebei tot onze grote ontzetting dezelfde griezelige gedachte. Deze kelk van kennis en inzicht konden we niet aan ons laten voorbijgaan, deze ketel der Kelten, heilige Graal, beker der ingewijden. En we beseften eensklaps beiden, terwijl onze haren te berge rezen: de waarheid bevindt zich op de bodem van elke beker, zegge en schrijve glas. Meer was in ons.


    05-05-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.222: Zappa

    ZAPPA

    Je kunt nu ‘shoppend’ studeren: kuierend, winkelend en kiezend wandel je doorheen een aantal opleidingen (rekken die aangevuld worden door rekkenvullers dus), desgewenst wordt ook aan huis besteld via afstandelijke postorderbedrijven. Even tekenen en je diploma’s worden aan de deur afgeleverd. Zappen geblazen, accolade ernaast, bingo. Die vreemde voorkeur voor allegaartjes in plaats van stevige kwaliteitskost manifesteert zich ook in alle geledingen van de cultuur. Jongere schrijvers bijvoorbeeld gaan er prat op dat ze ook ‘andere’ dingen doen, pas op, met beeld en beweging en geluid, of salami en rolwagens en bokshandschoenen. Vroeger kreeg je daar op je kop voor: je mocht niet te vlug naar buiten komen, je moest vooral zuinig zijn op alles, je mocht vooral je werk niet verkopen en promoten, en bovenal moest je met je fikken van andere disciplines blijven. De bal ligt nu in veel kampjes tegelijk. Nu meent men alles te moeten combineren. Er wordt ook veel meer in eigen beheer en op eigen risico gepubliceerd, muziek en literatuur. Vroeger werd dat weggehoond of doodgezwegen. Nu wordt dat soms – ons kent ons – gepromoot: wat we zelf doen, doen we beter. En waarom zouden platenbazen en uitgevers met de centen gaan lopen? We frequenteren de ‘juiste’ drenkplaatsen, kloppen op de ‘juiste’ schouders, en vooruit met de geit: on air, in the picture, make it happen. De tijden veranderen dus. Of nee: de mensen. Het schijnt dat het leven discontinu en grillig verloopt. Dat kan nu geëtaleerd worden in boeken, films, installaties, beelden, klanklandschappen. Daardoor wordt soms flauwekul als genre beschouwd. De media moeten natuurlijk volgen: zij maken en kraken. Je zou haast gaan denken dat al die creatievelingen allround zijn. Het eventuele succes van hun ene talent wordt geacht af te stralen op het andere dat ze menen te hebben. Het deed zich vroeger wel eens voor: een schilderende dichter, een schrijvende beeldhouwer. Maar men had daar gewoonlijk bedenkingen bij, schouderophalen, beleefd gekuch, of het dubbelhartige adjectief ‘eigenzinnig’, wat ‘slecht’ betekende. Nu wedt men op vele paardjes tegelijk. Ook de muziek is totaal versnipperd. Gevraagd onder jongeren wat er nu ‘gaande’ is op muziekvlak, blijven ze een antwoord schuldig. Niets nieuws of eigens, blijkbaar. Veel mixen en stelen en plagiëren, maar men benoemt het anders, eufemistischer. Er schijnt nog meer: het schijnt dat die versnippering en dat onbeschaamde gejat op zich ook als daden van creatieve bevestiging moeten worden gezien. Welaan dan. Ikzelf heb alleen maar zin om buiten mijn geschrijf vliegende tapijten te knopen. Dat schrijven zelf, hoe onvolkomen ook, neemt me te veel in beslag. Zelfs begeleidende muziek stoort me daarbij. Niet vaak heb ik de tijd om verder in de knoop te raken met mijn vliegend tapijt. Zal er ooit weer een tijd komen waar men opnieuw verhalen gaat bedenken zonder moeilijke begeleidende video’s of zonder shopping- en samplinggedoe in en uit andere ruiven? De oude school is even uit, leve de nieuwe school. Weg met Zappa, leve Zappa. Kassa.


    29-03-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.221: Een bod op God

    EEN BOD OP GOD

    Terwijl ik me aan het voorbereiden ben op mijn nakende dood en desgevallend een leven daarna, zo dat woord daarop al van toepassing is, word ik bezocht door de volgende gedachte: oké, God kan misschien goed zijn, en desgewenst grappig, wat zorgt voor de nodige verrassingen in het leven, maar wat als blijkt dat Hij ook nog een broer heeft die het niet zo goed met de mensen en de mensheid meent, in die mate zelfs dat hij Bot wenst te heten, een zelfgekozen naam die rijmt met die van zijn bekendere broer God?

    De behoefte van God om grappig te zijn en bijvoorbeeld voorwerpen zoek te maken of boterhammen altijd op hun beboterde kant op de grond te doen vallen, vergeven we Hem. Hij is immers ook maar mens geworden, nietwaar. Hij mocht echter nooit verzwegen hebben dat Hij nog een broer heeft, dan nog wel een specialist in het doen slagen van worstcasescenario's en het vergallen van mensenlevens: de genaamde Bot.

    Bij de voorbereidingen op mijn nakende dood (ik nader zoals iedere jongere de 80) en desgevallend een leven daarna, heb ik besloten de heer Bot een proces aan te doen wegens rijmdwang met God, weshalve hij meent als Hij geschreven en aangesproken te moeten worden, terwijl hij toch alleen maar eropuit is om de mensen, hun menselijkheid en de mensheid op z'n zachtst gezegd te kloten. Ik heb gezegd.

    Weg met Bot.
    Botweg.


    03-03-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.220: Curryculum Vitae

    CURRYCULUM VITAE

    Is het beroep van kok levensgevaarlijk? De vuren nog buiten beschouwing gelaten? Zijn koks een kort leven beschoren? Ik heb al diverse keren gelezen dat beroepshalve koken very stressy is. Zo’n kok is top of the bill op de ranglijst van vroeg te sterven mensen. Dat verwondert me eigenlijk niet, gezien de combinatie van vuur, vet en stress. Daarenboven moorden koks ook zelf: kippen, konijnen, vissen, kreeften … Ze vermommen zich daartoe meestal als hun collega-dokters of -verplegers in smetteloos wit. Ook die zijn er om de mensen in leven te houden. Iets wat me raakt: Tony Soprano, een man die zo graag eet, werd door zijn oom in de maag geschoten. (Een soort Marvin-Gayetoestand). Zo jammer. Het middelpunt van het lichaam, nou: een weldoorvoed gangsterlijf in dit geval. De liefde van de man …

    A propos: uit de rib van de ingedommelde eerste man fabriceerde God de vrouw. Hoeveel chef-kokkinnen zouden er zijn in vergelijking met chef-koks? Dieren koken en kinderen kopen vallen moeilijk te combineren. Vreselijk geformuleerd: gebraad of gebroed, stoof of sloof. Kinderen vragen veel aandacht en tijd. Mannen bekommeren zich in veel mindere mate fulltime om hun kinderen. Het cv van een vrouw in gezinsverband ziet er wel even anders uit. Zelfs zonder gezinsverband. Mannen blijven hier in gebreke. Misschien zijn er al vele talentrijke chef-kokkinnen verloren gegaan? Of is het beroep van kok echt nog een afgeleide van de jager die uitrukte om dieren te doden, die boven vuren te warmen en er zijn gezin mee te voeden? En waarom staan er zo weinig vrouwen achter de zomerse barbecuevuren? Mis ik hier misschien een link ?


    09-02-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.219: Tovenaar

    TOVENAAR

    Het is u misschien een tijd geleden overkomen. Of nog helemaal niet zo lang geleden. Verveelde u zich wat eergisteravond toen u dat gezelschap op bezoek bij u thuis kreeg? Dan ken ik een leuk spelletje voor u. Het heet ‘Tovenaar’. Ik las het in een boek van de schrijver Paul Auster. Benodigdheden: een medestander aan de andere kant van de telefoonlijn, die op dat ogenblik wel bereikbaar moet zijn. Neem een spel kaarten. Vraag iemand uit het gezelschap daar een willekeurige kaart uit te trekken. Laat de kaart duidelijk aan iedereen zien. Bijvoorbeeld harten vier. Neem dan de telefoon. Vorm een nummer. Vraag of de Tovenaar thuis is. Zeg daarna: ‘Dat klopt. Ik wil de Tovenaar spreken.’ Dat duurt nu even. Er heerst wat stilte. Nog een- of tweemaal zegt u ‘Ja’ of ‘Oké’. Daarna geeft u de telefoon door. Aan iedereen die het horen wil. Tot hun verbazing horen uw gasten een mannenstem voortdurend herhalen: ‘Harten vier … harten vier … ‘. Vervolgens neemt u de telefoon weer zelf, u dankt de Tovenaar en haakt weer in. Voor de ongelovige Thomassen in het gezelschap doet u het nog een keer. Uiteraard met een totaal andere, alweer willekeurige kaart. Het is een aardig spelletje. Het lijkt ingewikkeld, maar het is doodeenvoudig. Twee mensen spreken af Tovenaar voor elkaar te zijn. De vraag ‘Kan ik de Tovenaar spreken?’ is een signaal. Dan begint de man aan de andere kant van de lijn de kaartsoorten op te sommen: schoppen, harten, ruiten, klaveren. Op het moment dat hij de juiste soort vermeldt, zegt diegene die opbelt zomaar iets. Bijvoorbeeld ‘Ja’, of ‘Oké’, of ‘Goed’. Dat betekent ‘niet verdergaan’. Dan begint de ‘Tovenaar’ alle waarden op te sommen: aas, één, twee, drie, vier, vijf, enz … Als hij bij de correcte waarde komt, zegt de beller weer iets gelijkaardigs. Dan combineert de ‘Tovenaar’ de twee elementen. Die herhaalt hij vervolgens voortdurend: ‘Harten vier … harten vier … ‘. Het is een leuk spelletje, waar uw gezelschap even over moet nadenken.

    Natuurlijk ware het veel handiger mocht u het gezelschap zelf weg kunnen toveren. Daarvoor echter moet ik nog andere Tovenaarsboeken raadplegen. Ik zal u op de hoogte houden en u te gelegener tijd opbellen.


    15-01-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.218: Perspest

    MAKEN, KRAKEN OF INFORMEREN?

    (PERSPEST)

    De mediatisering van ‘nieuws’ heeft al veel kwaad aangericht. De pers heeft de politiek naar de haaien geholpen. Ze zijn dan verwonderd dat de ‘burger’ de politiek verafschuwt, of dat er populistische partijen opkomen. Politici willen alleen nog scoren in stomme tv-programma’s. Televisie (met in zijn vaarwater een massa goedgelovigen) wordt als het nieuwe evangelie beschouwd. Bête idolatrie is dat. Stomme bewondering voor een heilige koe. BV’s (zeg maar: TV’s, Telegeleide Vlamingen, of Televisie Vlamingen) worden evangelisten. Kijkdichtheid is heilig. ‘Gezien op tv’ is de domste slogan ooit. Ik koop gvd nooit iets wat ‘op tv gezien is’, want tv biedt eenheidsworst, lulkoek en doorsneegetater.

    Ook leraren deelden onlangs in die kwalijke koek. Schuldig of niet, maar de berichtgeving over het cementincident in Hoegaarden en de moordenaar van Halen is van in den beginne gekleurd door gissen en missen. Diverse keren is daarover door juristen en publicisten geblogd en geschreven. Het voegt natuurlijk weer toe aan het clichébeeld dat nog altijd over ‘de leraar’ bestaat, maar dan in erge mate.

    En tijdens de recentste uitreiking van de Gouden Schoen bleef voetbalclub Standard ook weg ten gevolge van een persmisbaksel op een weblog van een populistische krant, terwijl net hun Jovanovic met de palm ging lopen.

    Wat is dat toch met de pers? Is het hen naar het hoofd gestegen? Menen zij te mogen maken en kraken? Is het niet hun taak te informeren? Schakel bijvoorbeeld een bekend populair magazine uit (dat vaak immer dezelfde schrijvers bepampert), of schrap die corrupte bestsellerlijstjes, en je krijgt onmiddellijk een ander beeld van de Vlaamse literatuur. Tafelspringers, meninghebbers en brulkikkers zouden uit het beeld verdwijnen. Uit ervaring en uit goede bron weet ik dat heilige huisjes zoals Knack en de ‘kwaliteitskrant’ De Standaard (waar ‘weids’ en ‘uitweiden’ qua spelling blijkbaar een probleem vormen – sommige redacteuren hebben niet goed opgelet op school) verboden terrein zijn voor sommige schrijvers, net omdat die onvoldoende met hun kop in de media verschijnen, als ‘niet bekend genoeg’ worden beschouwd en dus niet ‘verkopen’. En voor onbeduidende persmuskietjes is het daarenboven makkelijk om mee van de bekendheid van medianamen te profiteren. Veel van die schrijvelaars zijn immers zelf gestraalde schrijvers. Voorbeelden op aanvraag.

    Nog even en we hebben een tabloid-Vlaanderen, waar de beide partijen hard voor ijveren: het journaille, en de BV’s ofte Beroerde Vlamingen. Bezuiden de taalgrens deed Daerden al aardig zijn best, maar hierboven, in het welvarende deel, hebben we ook zo onze charlatans. Iemand een idee voor nog maar es een opgewarmd reality- of uitgekookt bak-en-braadprogramma met een aantal van die Belgische schertsfiguren?

    Zo, ik hoop dat ik de pers even heb kunnen kraken. O, ik wou alleen maar informeren, hoor. Sans rancune. No harm done.


    06-01-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.217: Animatietype

    ANIMATIETYPE

    Het animatietype kom je het vaakst tegen in zijn natuurlijke biotoop: bij en halfin halfuit het water van een zomers hotelzwembad. Zij roepen gezwinde bevelen in diverse talen naar rechtopstaande mensen in het water. Echter: animatietypes leuken de boel ook op ter gelegenheid van diverse evenementen in alle seizoenen, bijna altijd ongevraagd. De animatietypes aan de hotelzwembaden zijn jong en binden hun haren in een staart bijeen. Die van de evenementen zijn nonkels op trouwfeesten, buurmannen op barbecues en ongevraagde moppentappers op café. De drijvende krachten achter de animatietypes zijn de animatietypes zelf, weer of geen weer, oud of jong. Zij geven nooit op en laten nooit af. Zij zijn de pitbulls van de ontspanning en de feestelijkheden. Zij moeten voortdurend gevoederd worden door aansporingen en uitdagingen. Zij aarzelen niet iets tot driemaal toe te herhalen. Animatietypes nemen geen pilletjes om rustig te blijven. Zij zouden eerder elastiekjes en springveren eten en vitaminen slikken. In de zuiderse vakantielanden is het animatietype reeds ettelijke malen gekloond: spatvrij, beetje polyglot, staartje in het haar, vetvrij, roestbruin en een glimlach als de gleuf van een tipbox. Het animatietype: je kunt er niet omheen.


    22-12-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.216: Ruim

    RUIM

    Nog een ander punt dat erg gevoelig ligt bij mijn splinternieuwe politieke partij (naast het plaatsbesparende rechtop begraven van mensen en de defusionering van de steden en gemeentes): het luchtruim boven elk huis. Deze luchtzuil moet eigenlijk in het bezit komen van de koper /bewoner van het huis. Overvliegende bombardements- en passagiersvliegtuigen moeten toelating vragen om daar te passeren. Ooievaars en reigers niet. Het kind van de buren dat op zijn schommel tot over uw beukenhaagje zwiert, moet ook toelating hebben. Schending van het persoonlijke luchtruim vindt onze partij een ernstige inbreuk. Er moeten wetten komen. We zouden natuurlijk dé luchtruimspecialist bij uitstek kunnen vragen om daar werk van te maken, ware het niet dat het Anciauvisme ons niet erg aanspreekt. Om het in luchtruimtermen uit te drukken: wij zijn geen windhanen. Zijn vlieger gaat niet op. Wat we zelf doen, doen we beter. En ook: het is onze lucht, niet de zijne, verhippeltjes. Vanzelfsprekend zult gij de lucht boven uw huis en tuin niet vervuilen. Dat is de opperzijde van de medaille. De rook die van uw BBQ-stel naar omhoog kringelt, moet zuiver zijn. Zelfbeschikkingsrecht over je eigen luchtruim is ook een gedegen oefening in democratie: iedereen krijgt dezelfde hoeveelheid regen of sneeuw op zijn donder. En de zon schijnt ook voor iedere sterveling – als tenminste de boom van de buren niet in de weg staat. Alleen stank gecombineerd met windrichting vormt een bedreiging voor deze luchtige democratie. Daar is onze partij nog niet uit. Papieren vliegertjes zijn dan weer geen probleem, op voorwaarde dat ze gevouwen zijn uit verkiezingsdrukwerk of ander blablablagedoe. Bijen? Oké. Wespen? Met mate. Herfstbladeren? Als de wind goed zit, belanden die bij de buren. Ook daar maakt onze partij werk van. We zijn er voor u. En we zijn ruimdenkend. Komt er een (aarts)engel een goede of blijde boodschap brengen bij de buren, dan bent u niet verplicht om mee te luisteren, ook al paalt zijn of haar luchtruim aan het uwe. Duivenkwak en reigerkots die uit de lucht komen te vallen, mogen evenmin overgeheveld worden naar belendende tuinen. Ook in kwade dagen bent u immers heer en meester over uw luchtzuil. Bij hevige luchtverplaatsingen, het zg. stormweer, doen we een beroep op de flexibiliteit van onze kiezers. Uw rechterbuur hoeft dan niet te weten wat uw linkerbuur uitspookt. We hopen dat u massaal op ons gaat stemmen. We maken immers werk van voorverpakte lucht, iets waar de andere partijen tot nu toe een monopolie op bleken te hebben. Gedaan daarmee; er is werk aan de lucht. En verschijnt er aan het mariablauwe zwerk al eens een wollig wolkje als een ongewenst zwangerschapje, denk dan aan de uitdrukking ‘een wolk van een baby’ of het gezegde ‘zijn schaapjes op het droge hebben’. Kiezer, kiezerin, wees ruimdenkend en kleur mijn bolletje rood! Wij maken van u de keizers en de keizerinnen van uw luchtruim!


    23-11-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.215: De erwt

    DE ERWT

    De Credostoet trok elk jaar in mijn stadje uit. Daar passeerden dan heiligen, priesters, Romeinen, schapen, herders, farizeeërs en koningen. Onder een zeil werd iets zeer heiligs meegedragen door de opperpriester. Dan moesten de mensen op het trottoir even knielen, tot het voorbij was.
    Mijn vader was 1 meter 85. Dat was toen groot, in de oude postkoloniale tijden. Dus liep hij elk jaar als Romein mee in de Credostoet. Ik keek mijn ogen uit naar zijn bruinverbrande benen. En zijn vreemde rokje. Hij moest, samen met andere bruinverbrande grote vaders, Jezus Christus uitjouwen, die om de haverklap onder zijn kruis neerzakte op de kasseien.

    Op een keer wou ik niet meer met iedereen meeknielen op het trottoir. Mijn moeder wachtte tot we weer thuis waren om me uitvoerig te berispen. Enkele uren later kwam dan ook nog die vreselijke Romein thuis.

    Een jaar later was er geen Credostoet meer in mijn stadje.

    Telkenjare werd mijn klasvriend Didier uitverkoren om als kleine Jezus mee te lopen in de Credostoet. Om zijn hals en in zijn nek werd dan een echt, levend schaapje gedrapeerd. Didier was de telg uit een doktersfamilie. Didier had mooie, blonde krulharen, net als van een schaap. Didier was in den beginne altijd de eerste van de klas.

    Nee, ik wou niet meer knielen. Nooit heb ik nog geknield.

    Toen het kindervlees op de speelplaats van de lagere school verkaveld werd in cowboys en indianen, goeden en slechten, wou Didier iets anders. Hij wou Stoet spelen. Altijd maar weer Stoet. Geert moest de honderdman zijn, Jef nog een andere anonieme Romein, ik Judas. Didier, zonder schaapje, speelde Jezus. De 'grote' Jezus. We moesten hem slaan, bespotten, uitjouwen. We mochten hem op de grond duwen. Schoppen. Dat deden we dus. Want Didier bracht vaak lekkere chocolade mee naar school: repen waarvan elk partje op zich heel lang kauwbaar was. We sloegen en schopten dus.

    Op een mooie dag in mei wou ik dat niet meer. Het was knikker- en bikkeltijd op de speelplaats. De prairie was nu verkaveld in andere lucratieve territoria. We speelden weer eens Stoet. Jezus was op weg naar Golgotha. Zie: daar zeeg hij ten derden male op de speelplaats neder. En o: hij verslikte zich plotseling grandioos, liep purper aan en spuwde dan totaal onverwacht een erwt uit.

    Een erwt!

    Geert en Jef stokten in hun sadistische gebaren. Ik ook. Voorgoed. Aan die scheurende hoest kwam een einde door een erwt die ergens vanuit de diepten van Jezus naar buiten gekatapulteerd werd.

    De erwt rolde tussen de knikkers.
    Jezus was weer Didier.
    Hij was voorwaar de zoon van de dokter.


    05-11-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.214: Podiumbeest

    PODIUMBEEST

    Ik ben als de dood voor dat doek. Het hangt er als een onweersbui. Maar wanneer die opklaart, komt mijn stuk tot leven. En trekt de bewolking de zaal in. Ik speel in dat stuk. Ik vergeet mijn eigen ik in dat stuk en word een zij, hij of enkelen. Ik: de amateur, de liefhebber. Rits dat gordijn weer dicht (hopelijk na een spetterende regenbui van applaus) en het stuk is bevroren en mijn ik herstelt zich weer naar de normen van de non-fictie. Dat gordijn: als een dichtgeslagen deur die veel met alles doet, aan beide kanten van een werkelijkheid. Het hangt er van af hoe die deur dicht wordt gesmakt. De wereld is er namelijk soms lelijk aan toe. Daarom zijn er doeken en gordijnen nodig. We vluchten erachter en ervoor. We scheiden dicht en ver, mooi en lelijk, fictie en non-fictie, spanning en ontspanning vaak door deuren, doeken, poorten, gordijnen. Regen kan ook zo’n gordijn zijn. In de film ‘Un taxi mauve’ doorbreekt Philippe Noiret het Ierse regengordijn … steeds dieper, verder … om nog meer hemelwater te slikken te krijgen. En dat blijkt even helend te werken. Maar ach, wat sta ik hier theatraal te filosoferen. Ik moet straks het podium op, verhippeltjes. Ik heb er vele avonden van enkele maanden van mijn onbetaalbare tijd voor opgeofferd om in de huid van een ander te kruipen. Ben ik zenuwachtig? Ik troost me met gedachten aan lotgenoten. De golfspeler heeft zijn ‘yips’. De chef-kok heeft zijn maagzuur. De aanstaande mama kent haar nestbevlogenheid. Het podiumbeest kan aan plankenkoorts lijden. Mijn plankenkoorts (daar ga ik weer) bestaat uit wildweg filosoferen. Diepe en andere gedachten bliksemen dan door de doka van mijn hoofd, waarin zich een compleet maar nog onontwikkeld stuk bevindt dat ook beroepsspelers ooit ten tonele hebben gebracht. Ik krijg er zin in. Ik honger. Ik snak. Nog eenmaal gluur ik door de peeping-tomspleet midden in die textiele regenbui. In plaats van te zoeken naar de hoofden van mijn nicht, collega of buurman flitst er alweer een serpentine door mijn hoofd: “Op het toneel der vooropgestelde ideeën is de dood steeds een onbewogen gordijn” (Orbàn Otto). Een allerlaatste gedachte moedigt mij echter aan, ik, amateur die gaat sterven in het stuk: ik heb een stuk in mijn hoofd, en dat is beter dan een stuk in mijn kraag. Ja, humor helpt. Ik ben bereid. Komt dat allen zien. Mijn aprilse gril is van de bovenste plank!


    12-10-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.213: Mobiliteit

    MOBILITEIT

    De mensen konden het niet laten van kinderen te kopen en met auto’s te rijden. Dus begon ik een zaak in kinderschoenen en autobanden. Weldra stroomde mijn winkel vol met volwassenen. De helft ervan bracht kinderen mee, om schoentjes te passen. Een groot voordeel: van schoenen had ieder kind, hoe klein ook, er telkens twee nodig. Wat autobanden betreft: het was onveilig om maar één band te vervangen door een verse. Het minimum bedroeg ook hier twee, met uitschieters van vier. Soms vijf, want ook de reserveband mocht niet worden verwaarloosd. Er moest balans in het leven zijn: met je beide voeten op de grond, met je vier grondplakkers veilig op weg. Tussen de schoenen onderling of de banden onderling kon geen diversiteit heersen. Dit waren no-nonsenseproducten.

    Ik werd steenrijk, want er reden steeds meer auto’s en de nataliteit schoot om ongekende redenen de hoogte in. Mijn zaak stond niet lang in haar kinderschoenen.

    Schoenen: mobiliteit.
    Auto’s: mobiliteit?

    Hoe meer schoenen ik verkocht, hoe mobieler men werd.
    Hoe meer banden ik verkocht, hoe immobieler men werd.

    De verkeersinfarcten volgden elkaar snel op. Dagelijks zaten hoofdslagaders verstopt en stremde het bloed. Onbeweeglijkheid is ongezond. De grondplakkers bleven als aan de grond genageld. De economie ging kwakkelen. Ook mijn zaak lag op apegapen. Ik had voor zoveel mobiliteit gezorgd dat ik er zelf immobiel door werd. Ik legde de boeken neer, ging een eind fietsen en dacht na over nieuwe projecten voor mijn nabije toekomst.

    Toen werd ik eensklaps dodelijk gegrepen door een auto, bestuurd door een man die alcomobilist geworden was door de recente economische crisis. Toch nog iemand die mobiel was, dus. Bandeloos smakte ik ter aarde neer.


    21-09-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.212: Twee tijgereieren

    TWEE TIJGEREIEREN

    Portrait of the Artist as a Never-Aging Man. Een DT-kwestie.

    Het stomme dichtertje werd eerst door zijn mama en later door zijn vrouw het kapje van zijn ochtendlijke zachtgekookte eitje afgetopt. Toch schudde elke dag de toren zijn klokken voor hem, het getalenteerde sukkeltje dat zo goed de mensen om zijn vinger kon winden en perfect de berouwvolle deugniet kon spelen.

    Later raakte het natuurlijk zwaar aan de drank: om zijn genie te verdoven, om het grote werk uit te stellen. Ondraaglijkheid die des avonds en mettertijd ook overdag geblust diende te worden, weet je wel. Wat eventueel na de kater erna nog oplaaide, kreeg soms de vorm van een gedicht. Vaker en vaker laaide er hoegenaamd niets meer op (een aantal oplawaaien niet meegerekend), zodat het oeuvre van het stomme dichtertje klein bleef. Ei zo na was er geen sprake van een oeuvre.

    Een paar flitsen volstonden echter. En zijn jonge sterven. Ook dat. Die onwetende Amerikaanse dokter mocht hem nooit zoveel morfine toegediend hebben. Nu, de man kon ook niet weten dat het lichaam van het dichtertje al lang onder het heilig oliesel zat en na een paar volwassen decennia volledig uitgeput was. De coma kwam eraan en verloste hem voorgoed van zijn bewustzijn. De toren kon voor de laatste maal zijn klokken schudden voor hem. DT was niet meer.

    Had hij ooit tijgereieren gevonden?

    Proeve van een summiere biografie. Een DJ-kwestie.

    Na mijn achtmaandenangst, eerste communie, verplichte legerdienst en onvrijwillige midlifecrisis werd ik eindelijk vijftig en hoopte ik op het zwitserlevengevoel. Het zat eraan te komen toen ik met mijn leefgenoten enkele reizen ‘all-in’ ondernam: Tunesië, Hongarije, Turkije, Marokko, Bulgarije. Van dan af voltrok mijn verdere leven zich all-in, met dien verstande dat ik alles zelf betaalde.

    Naar mijn zestigste levensjaar toe hield ik het voor bekeken op de officiële arbeidsmarkt. Ik leverde geen arbeid meer in dienst van anderen. Onderweg had ik me ook al geoefend in het ‘zelfstandige’ statuut, waarbij ik uitsluitend voor mezelf werkte. Ik publiceerde als schrijver een vrij groot aantal teksten tegen betaling.

    Na mijn zestigste bestudeerde ik de filosofen grondig, zoals ik dat rond mijn twintigste ook al gedaan had. Het verschil zat ‘m hierin dat ik ze nu begreep. Ook nam ik meer en meer de tijd voor (dat vreselijke woord) ‘lichaamscultuur’. Ik had op jongere leeftijd veel aan sport gedaan: volleybal en verspringen op hoog niveau. Decennialang daarna bleef het echter bij schaken, een denksport, vaak vergezeld door flessen wijn. Nu ging ik weer stappen, weer of geen weer, mijlenver heen en terug.

    Toen werd ik plotseling gegrepen door een kusttram. Hoe stom kan een afscheid zijn.

    Had ik ooit tijgereieren gevonden?


    02-09-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.211: De kus

    DE KUS

    Het onderscheid tussen de liefhebberstheaterkus en de beroepsmatige kus moet in de zaal worden gezocht. In het publiek. Beide liefhebberskussers hebben namelijk een aantal nauwlettend toekijkende familieleden en kennissen. De beroeps, die ook veel vaker uitmatchen spelen, kunnen probleemloos theaterkussen. Het is overigens hun beroep: een acteur/actrice mag wild om zich heen kussen, een advocaat mag liegen dat hij zwart ziet. In het stuk dat ik in mijn randgemeente bijwoon, moeten een echte broer en een echte zus elkaar theaterkussen. Zo staat het in het stuk. Maar in dat stuk zijn ze geen broer en zus. Kan de zaal dit aan? Heeft het publiek talent voor fictie? De collectieve stilte wordt nog snijdender op het moment suprême. Vooral de voorste rijen houden hun adem in. Wordt dit een smak? Wordt dit een zedige luchtkus? En dan gebeurt iets wat eigenlijk alleen in een slechte mop of een zevenderangsfilm kan: in de halve gemeente valt alle elektriciteit uit. De zaal waarin zonet gekust zou worden, ligt in dit rampgebied. Ontsteltenis alom. Where were you when the lights went out in New York city? Don’t you know I was making love? Rokers toveren hun vuurtjes tevoorschijn. Gelukkig dat er nog rokers zijn. Ook op het podium flakkeren enkele kaarsen op. De broer en de zus staan nog steeds met de handen in elkaar. In de coulissen worden geheimzinnige kastjes aan de wand geïnspecteerd. Een liefhebbersgezelschap beschikt nou eenmaal niet over een gediplomeerd elektricien. Op de fase van de uitroepen volgt nu gemurmel dat al vlug hardop gebabbel wordt. Men blijft zitten. Men zal collectief zo koppig wachten dat dit vanzelf de elektriciteit zal doen opwekken. De voorzitter van toneelvereniging De Bovenste Plank komt met een kaars in de hand iets zeggen. Niemand luistert echt, want men verwacht geen elektrisch heil van een bank-verzekeraar. De zus van de te kussen toneelzus en -broer zucht diep. ‘Nu hebben ze zelfs niet eens moeten kussen!’ zegt ze tegen haar dochter naast haar. ‘Mama, het was maar een toneelzoen, hoor!’ antwoordt de dochter naar waarheid. Op dat ogenblik floepen de lichten weer aan. De voorzitter neemt andermaal het woord, terwijl hij in vragende paniek naar een glimp van de regisseur zoekt. Het rumoer dijt uit. Stilte daalt als een stolp over de zaal neer. Waar herbegint deze fictie nou? Dat stuk? Voor de kus? Na de kus? Doen ze het nu nog? Zal de elektriciteit sterk genoeg zijn? Kust ze, verdorie!


    15-08-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.210: Wolf

    WOLF

    Van bepaalde schrijvers wordt beweerd dat een soort voorbeschikking hun levensloop bepaalt. Shelley vond een eenzame dood in weer en wind. Tolstoj eindigde zijn dagen, net als zijn bekendste hoofdpersonage Anna Karenina, in een spoorwegstation. Rilke zou gestorven zijn aan de gevolgen van een prik aan de doornen van een rozenstruik. Dokter Tsjechov kreeg het aan de longen. Voor de Engelse schrijfster Virginia Woolf ( 1882 - 1941) was de enige mogelijke dood het water. Dat was het water waarvan het geluid in haar boeken doorklinkt. Eigenlijk heette ze Virginia Stephen. Door haar huwelijk met uitgever Leonard Woolf veranderde dat. En eigenlijk zou haar Woolf-naam haar later parten spelen. De Engelse ‘Virginia’ werd namelijk de Amerikaanse ‘Woolf’ door een toneelstuk van de Amerikaanse schrijver Edward Albee. Titel: ‘Wie is er bang voor Virginia Woolf?’  Vrij vertaald: ‘Wie is er bang voor de (boze) wolf?’  De naam van de schrijfster figureert in de titel, omdat men in Amerika dacht dat Virginia Woolf een gevaarlijke, hysterische ‘bitch’ was. Het omgekeerde was waar: ze was kwetsbaar, intelligent en introvert. In dat theaterstuk vernietigen vier volwassenen (twee koppels) elkaar door wrede mentale en verbale spelletjes, tijdens een nachtelijk ‘feestje’. De ‘Woolf-naam’ van Virginia (die toen al een literaire reputatie had opgebouwd) werd dus als beeld gebruikt voor een niet zo fraaie toestand. Jarenlang (en nog altijd) zijn daarover discussies gevoerd. Mensen die nooit een letter van de schrijfster hadden gelezen, kenden haar toch, door dat toneelstuk. Ook over haar werk bestaan tegengestelde meningen. De enen vinden dat ontoegankelijk, geforceerd, waardeloos. Voor de anderen is het vernieuwend, hoogst intellectueel, vooruitstrevend en geëngageerd. Over de laatste uren van Woolf, vooraleer ze het aardegroene water van de Ouse in stapt, haar zakken met stenen verzwaard, bestaat een schitterende film: The Hours. De muziek is van Philip Glass. De film is gebaseerd op het boek van Michael Cunningham. Daarin voert de auteur drie vrouwen op die te maken krijgen met zelfmoord. Prachtige vertolkingen van Julianne Moore, Nicole Kidman (die een speciale VW-neus op kreeg), Meryl Streep en Ed Harris. Zoals Virginia Woolf bekendheid (eerder beruchtheid) kreeg doordat iemand haar ‘Woolfnaam’ in de titel van een theaterstuk gebruikte, zo was er ook veel te doen rond de fameuze filmneus van Nicole Kidman. Zo zie je maar.


    26-07-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.209: Een reus

    EEN REUS

    Een reus eet per dag 14 kilo cote à l’os, 7 kilo entrecote, 5,5 kilo préparé, 84 appelcakes en soms nog 3 kilo stoverij. Als groensel verorbert hij dagelijks een stukje bos. Soms eet hij kindervlees, maar alleen van kinderen die op 32 september of 0 januari zijn geboren. Als een reus dorst heeft, gaat hij buiten in de regen staan. Daarom ook draagt hij altijd dezelfde kleren, want die worden dus voortdurend gewassen. Zijn hobby’s zijn: jarenlang staan wachten en af en toe in een stoet stappen. Dat is zeer vermoeiend, daarom moet hij telkens jarenlang uitblazen. Voor zo’n stoet nodigt hij gewoonlijk ook andere reuzen en reuzinnen uit. Een reus is heel groot, maar gaat niet rap. Hij schrijdt. Hij kiest altijd het midden van de straat, voor zijn gezondheid, want anders hapert hij aan de huizen. Reuzen zijn curieuzeneuzen, maar bukken zal hen niet lukken. Toch hebben ze alles gezien. Ze hebben een geheim, onzichtbaar oog op hun voorhoofd. Wie niet gelooft in reuzen, is gezien. Wie niet weg is, is ook gezien. Zeg nooit ‘Meneer’  tegen een reus, of ‘Mevrouw’  tegen een reuzin. Zeg gewoon: ‘Uwe Hoogheid’. In Heule, mijn onderkomen, is dat dan: ‘Uwe Hoogheid Stijn’. ‘Stijntje’  mag hier ook wel, want de reus van Heule houdt van een knuffelwoord. Een reus drinkt graag bier, maar ’t liefst tafelbier. Als hij een liter of 1000 tafelbier heeft gedronken, kan hij 17 kerktorens ver zien. Dat is handig: dan weet hij in welke dorpen hij niet is, en in welk dorp wel. Moet men bang zijn voor reuzen? Nou, eigenlijk wel. Je moet toch een keer in je leven voor iets bang zijn. Het hart van een reus is een groot koekebrood, maar dan in de vorm van een hart natuurlijk. Schrik niet als een reus eens moet hoesten, want dan zit er even een verdwaalde rozijn in de weg. Klop hem dan ook niet op de rug, want je kunt er niet aan. Laat hem maar even doorhoesten. Echt zieke reuzen zijn er nog nooit geweest. Soms worden ze wel vergeten, maar dat is een ander soort ziekte, waar ze zelf niks aan kunnen doen. Tot slot enkele domme vragen, waarop alleen domme antwoorden mogelijk zijn. Kan een reus lezen en rekenen? Ja. Is een reus getrouwd? Soms. Valt een reus soms omver? Nee. Kan een reus echt mensenvlees ruiken? Ja, ze zitten soms zelfs tot onder zijn rokken. Die mensen, bedoel ik. Kan een reus een bijnaam hebben? Tja, is mogelijk. Die van ons bijvoorbeeld, in Heule, mag wel eens als ‘Einstijn’ aangesproken worden. Maar gewoon voluit heet hij Stijn Emiel Renaat. Je moet wat literaire en muzikale geschiedenis kennen om die naam te begrijpen. Maar het is hier niet de plek om dat allemaal uit te leggen. Het is zomer; de zon fluit; de vogeltjes schijnen en de regen geeft mijn deelgemeente Heule af en toe een reusachtig bad. En de reus slaapt. Wek des zomers geen slapende reuzen.


    11-07-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.208: Opsporingsbericht

    OPSPORINGSBERICHT

    Een straatverkoper uit Hammamet in Tunesië liep met bosjes citroenbloemen rond. Ze stonden als kaarsen op zijn zomerhoed gedrapeerd. Zo schilderde Vincent van Gogh soms, beweert men, als het te donker was. De verkoper klampte toeristen aan, nam hun fototoestel, plantte zijn citroenkaarsenhoed op het hoofd van man of vrouw, nam een foto en vroeg daarna een veel te hoog bedrag voor bewezen diensten en een minituiltje citroenbloemen. Dat betekende om de haverklap hommeles. Elke dag maakte de man ettelijke vijanden. Die kwamen dan soms terug in de loop van de dag. Met boze blikken namen ze dan wraak. Ook verwittigden ze argeloze toeristen voor de kerel en zijn praktijken. Op een dag verdween hij spoorloos, in (nou: uit) speciale omstandigheden. Hier volgt zijn opsporingsbericht.
    Hij is van het mediterrane type, lang en klein en verplaatst zich op een bordeauxkleurige gele motorfiets. Verleden maand werd hij voor het laatst gezien op de spoedafdeling van het Hannibalziekenhuis, waar hij onder narcose verdoofd werd na een vechtpartij, maar kort daarna weer ontsnapte. Uit dat ziekenhuis dus. Hij draagt zwachtels om keel en pols – vermoedelijk de linkerpols, men tast hier in het duister omdat men het niet meer weet – en spreekt een gebrekkig toeristendialect en ook wat Tunesisch. De kerel heeft geen karakter. Personen die inlichtingen kunnen verschaffen, gelieven naar het dichtstbijzijnde nummer te bellen. Gezien de gevaarlijkheid van de bloemenverkoper wordt geen ruchtbaarheid gegeven aan uw oproep. Die wordt immers als zeer gevaarlijk beschouwd. De snoodaard dus. Bruggen, wegen en water zijn inmiddels ook al verwittigd.


    16-06-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.207: K met zuurpruim

    KONIJN MET ZUURPRUIM

    Bea V., huisvrouw, werd die ochtend door de baldadige hagelgod aangerand. Ze was er niet op bedacht, ook al zat de lucht zo grijs als haar leven. Zoals elke dag nam ze haar konijn mee uit voor een pisrondje. Gewillig als een hond huppelde het beest mee aan de leiband. Toen de eerste hagelbollen naar beneden suisden, kreeg het konijn een hartinfarct. Aanvankelijk had Bea V. niks in de gaten. Ze begon te rennen, omdat de bui steeds heviger werd. Toen ze meer en meer tegenstand ondervond, constateerde ze tot haar ontsteltenis het dode gewicht aan het einde van de lijn, nog verzwaard door het ijswater. Het kleddernatte ding achter zich aan slepend, spoedde ze zich in paniek naar Luc Appelboom, een kennis die niet zo veraf woonde. Steeds vormelozer zwierde het overleden dier achter haar aan. De acht stenen treden op naar Lucs voordeur boden de moeilijkste hindernis. Het bloedspoor werd echter al vlug door het ijswater weggewist. ‘Maar Bea toch! Kom vlug … O, uw konijn! Och Here!’ ‘Luc! Wat moet ik doen? Help me!’ Badnat en geschramd door de hagelbollen betrad Bea de bel-etage van Luc Appelboom. Het geliefde konijn sleepte ze tot bij de paraplubak. Stilleven in grijsrode plas. Het konijnenmens zag er deerniswekkend uit. Ze leek uit de trommel van een wasmachine te komen. Met het aantal ladders in haar nylons kon je de hemel bereiken. Haar citroengele jurk was besmeurd met de sappen van afgerukte bladeren. ‘Hoe haalt ze het in haar permanent op een ochtend als deze in een citroengele jurk te gaan wandelen,’ flitste het door Lucs hoofd. En het bleef maar oude wijven regenen, na een hagelbui vanjewelste. Het is echt gebeurd. Het was de prelude op een zoveelste Vlaamse kwakkelzomer. Wacht maar.


    06-06-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.206: Volksverlakkerij

    VOLKSVERLAKKERIJ

    Een onderwerp dat duizenden bladzijden kan beslaan: volksverlakkerij. Moeten we bijvoorbeeld blij zijn met de ongeveer tien nieuwe (literaire) uitgeverijen in Vlaanderen? Helemaal niet. Zonder blikken of blozen verkondigen die in en tussen hun regels dat ze vooral op zoek zijn naar boeken van BV's, Beroerde Vlamingen. Je moet met je kop op tv komen en dan pas geven ze je boekje uit. Paul D'Hoore heeft vooral zichzelf en zijn uitgeverij rijk gemaakt door een boekje te schrijven dat zogezegd vertelt hoe je rijk kunt worden. Zag u hem niet uitdijen telkens hij weer op tv verscheen omdat we een crisis hebben? Echte schrijvers komen niet meer aan de bak bij de uitgeverijen. De Boekenbeurs is een belachelijke signeershow geworden. Nee, nooit koop ik nog een boek.
    Recent zat ik noodgedwongen ook vlak bij de zoo van Kortrijk: een restaurant dat enkel en alleen door de heilige televisie succes kent. Oetlullen van allerlei rang en stand en slag stonden zich dagelijks hysterisch te vergapen op het pleintje voor het restaurant. De meesten konden en kunnen zich zelfs niet eens een etentje veroorloven in die gehypete mensenzoo. De gevierde en bekende apen in de keuken slaagden er niet in één fatsoenlijke zin te bouwen. Op tv namen breedsmoelkikkers geregeld de woorden 'heel Vlaanderen' in de mond. Alsof iedereen naar dat idiote gezever zou kijken. Walgelijk. 




                                                  COPYRIGHT JORIS DENOO
    ZIELSVERWANTE LINKS
  • Een blauwe plek
  • Moord !
  • Meester in de Vakken
  • De ongecomponeerde noot
  • Poëzie
  • Romaneske boeken
  • Satisfiction
  • Romans & Theater
  • Vreeslijke verhalen
  • Miljarden flarden

    Blog als favoriet !

    Foto

    Foto

    Sjors DNO eind vorige eeuw in een sneeuwstorm in Chicago


    Mail

    Druk op de knop


    Archief per jaar
  • 2017
  • 2016
  • 2015
  • 2014
  • 2013
  • 2012
  • 2011
  • 2010
  • 2009
  • 2008
  • 2007
  • 2006
  • 2005

    Foto

    Foto

    Foto

                       IK ALS UK
    Foto

    Me reading HARDZIEK, romandebuut Sarah Denoo

    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!