Waarom eten we mosselen in juli en augustus? Omdat er een R in het woord ‘zomermaand’ staat. Ik poog deze tekst te maken met alle leden uit ons alfabet, tenzij dat dingetje. Ukken uit de papschool hebben veel last met die klank, want het is hoofdzakelijk een tongpuntgedoe. Volwassenen ook soms: ze maken een keel- of een huigklank. Je hebt eigenlijk hoofdzakelijk je tong nodig, en die moet geoefend zijn. Mei, juni, juli en augustus hebben evenmin dat moeilijke geluidje. Vakantie en geen mosselen? Kan niet. Onmogelijk. Het is als een theeloos Engeland, of een België dat geen patat-met-mayonaise te bieden heeft. In het Duits glijdt deze moeilijke consonant tamelijk zacht op de tong. Hij bestaat nauwelijks. In de taal van onze zuidelijke aanpalenden (en in een flink stuk van ons land ook) schaatst hij diep in de keel en tegen het gehemelte. Net een ziekte. In het Engels behandelen ze hem heel elastisch. Het kauwgumtaaltje uit de United States doet hem helemaal de das om. Lelijk! En de Tsjechische schijnt ook af te wijken. Nee, ik heb geen eitje te pellen met de klank die ik nu constant niet uit mijn laptop laat vloeien. Het is alleen een spelletje. Als ik een student was die speciale moeilijkheden met die tongpuntklank heeft, dan zou ik op deze wijze mijn examen dictie afleggen: de man die de punten uitdeelt, zou misschien nooit in de gaten hebben dat ik, mits enige inspanning, het zaakje opgelost heb en zelf mijn teksten maakte. Misschien kan nu iemand zo’n handboek samenstellen, met teksten die specifieke obstakels niet bevatten. Wat wel al bestaat, zijn gedichten met heel veel dezelfde klank: het i- of het u-gedicht. Of de a-saga: om West-Vlamingen mee te pesten die een van hun moeilijkste klanken moeten oefenen. Oef, het einde is in zicht. Nooit gedacht dat ik het vol zou houden. Het moet namelijk inhoudelijk nog een beetje steek houden, vindt u niet? Het is echt wel moeilijk. Het zogezegd afwezige klankje duikt als een duvel uit een doosje op en je ziet het niet eens. Nu, wie deze tekst luidop leest, zal alleszins zijn tongpuntje niet uitputten. Ik heb nu ook een weddenschap gewonnen. Een bak Leffe en twee kilo mosselen.
06-09-2005
79: Letteren
LETTEREN
Jan de Hartog gaf de geest, een paar jaar geleden, oud 88. Krasse ouwe knar. Hij liep ooit weg van huis om op zee te gaan werken. Hij emigreerde naar Amerika, schreef zijn zeevaartromans in het Engels en vertaalde die dan later zelf terug naar het Nederlands. Hollands beroemdste auteur in het buitenland (werk van hem werd ook verfilmd) werd in eigen nest niet echt tot de literatuur gerekend. Het is blijkbaar het lot van sommige schrijvers die het begrijpelijk en spannend houden. Gewoonlijk zijn ze absoluut geen sant in eigen land. Ergens anders worden ze dan wel op handen gedragen. Dus verhuizen ze. Of proberen ze het in een andere taal. Hemmerechts en Reve bijvoorbeeld, als ik het goed heb. Die schreven ooit in het Engels. Ze zijn wel naar hun moerstaal teruggekeerd. De verwaande literatuurkenners uit de Lage Landen hebben altijd al ietwat smalend gedaan over de lekker lopende, spannende en ontspannende literatuur, die ze soms neerbuigend ‘lectuur’ noemen. Of ‘platgoed’. Jammer voor ze behoorden bijvoorbeeld Enid Blyton (‘De Vijf’) en Françoise Sagan tot de meest gelezen auteurs niet zo lang geleden. Jan de Hartog heeft natuurlijk het Hollandse water geëvoceerd én de strijd tussen goed en kwaad: zoiets typisch slaat in het buitenland aan. Ook Timmermans en Streuvels werden in verre landen gelezen omwille van hun ‘Vlaamsheid’. Tja, Nederland zond al veel schrijvende zonen en dochters uit. Vele dichters, prozaïsten en ook acteurs wonen/woonden en werk(t)en in Frankrijk, Portugal, Amerika. Denk maar aan deegkoppen als Hermans, Komrij, Kousbroek. Wat scheelt er met dat kikkerland? Te klein? Te eng? Te laag? Te waterachtig? Of spelen de elementen ‘fiscus’ en ‘weer’ hier de hoofdrollen in? Ook uit België is een kolonietje artiesten naar Frankrijk getrokken om er als God te leven. Sommigen keerden weer; anderen gingen heen en weer. Dat hangt of hing af van de verkoop van hun boeken, in zeer kleine mate, en van de subsidies van de staat, in zeer hoge mate. Ach, de letteren: ze blijven knetteren. Ik heb net een turf van 600 bladzijden uit over Russische spionagetoestanden. Tien keer leuker en interessanter, voorwaar, dan pakweg zo’n Max Havelaar van Multatuli, waar zoveel andere moeilijke boeken over bestaan. Of dan de dunne boekjes die de heer Claus de laatste jaren op de markt liet brengen. Maar ja, saaiheid is altijd al hét vak op school geweest. Literatuur moet naar ouwe sokken rieken, nietwaar. Anders is zij verdacht.
01-09-2005
78: Krantenpraat
KRANTENPRAAT
Troost u, achtbare heer burgemeester van de guldensporenstede Kortrijk, uwe ex-Voorzitterigheid: zelfs de hoofdredacteur van de zogenaamde kwaliteitskrant De Standaard (waarin ooit over u een potje geroddeld werd) kan niet spellen. In een van de uitzendingen van De ZevendeDag (een tv-programma voor intellectuele zondagmensen zonder kater) ontrolde zich voor de kijkers zijn column. Hij las die ook voor. We kregen te lezen: ‘Hij vleide zich neer … enz… ‘ Dat is een bok van formaat voor een hoofdredacteur. En dat is momenteel ook symptomatisch voor kranten en magazines die zich profileren als zijnde ‘beter’. Zij die in hun teksten op het onderwijs zitten te schieten, bijvoorbeeld, zouden beter zelf eerst behoorlijk leren schrijven. Ik bewaar nog een knipsel uit diezelfde kwaliteitskrant. Het dateert van enkele jaren geleden en het stond op de voorpagina. Een kwaliteitsjournalist vermeide zich in een spelfout in de titel van een boek. Er stond: ‘De Ontsterfelijken’. Een blunder van formaat alweer, ja zeker. Het boek diende dus uit de handel genomen te worden en opnieuw gedrukt, althans: de cover. Maar … in zijn meewarig artikel slaagde de journalist er zelf in een DT-werkwoordfout te scoren. Wat een voorpaginanieuws! Wat je zegt, ben je zelf. En zo ken ik er nog wel een aantal. Het erge aan krantenpraat is dat het de tekst is van één iemand, die dan door velen klakkeloos geloofd wordt, net omdat het ‘in de krant’ staat. Dan te weten dat de helft van de kranten snert en de helft van de magazines pulp bevatten. Gefotografeerd, beschreven en te grabbel gegooid door prutsers die vroeger voor opstel gezakt werden. De zg. tabloids in Engeland zijn er het schoolvoorbeeld van. Riooljournalistiek. In België vergaat het de meeste kranten zoals de meeste politieke partijen: ze beginnen allemaal op elkaar te lijken. Politiek wordt nu zelfs vaak door journalisten bedreven, want ze willen allemaal zo graag gehoord worden en ad rem zijn. Misschien heeft de politiek ook wel dit soort kranten mee helpen veroorzaken. Van het ogenblik dat politici hun kostbare tijd begonnen te verkwanselen door in tv-spelletjes en dergelijke op te duiken, waren alle rapen gaar. Niet te verwonderen dus dat ze onder het mom van ‘human interest’ in het lang en in het breed ten tonele worden gevoerd en uitgesmeerd worden over paginagrote lappen. Hoge bomen vangen veel wind. Variant: tegen openbare bomen plassen veel honden.
28-08-2005
77: Kort-kort-lang
KORT-KORT-LANG
Bijna nergens nog kun je korte verhalen lezen. Alleen maar in obscure, weinig verspreide literaire tijdschriften die niet bij de dokter of de tandarts liggen. Dat is jammer. In Engeland en Amerika geven ze wel short stories uit. Hier niet. Niet meer. Uitgevers zeggen daarover: ‘Het verkoopt niet. Je moet eerst naambekendheid hebben, hoe dan ook, en dan pas wagen we ons aan een collectie korte verhalen’. De uitgevers hebben het genre van de korte verhalen doodgemaakt. De tijdschriften niet, maar wie kent die? Wie leest die? Zevenendertig man en een paardenkop. Alleen de mensen die er zelf in publiceren. Nee, het gaat niet over de Libelle of Knack en zo, want die doen dat al lang niet meer. Het gaat over onbekende literaire bladen: Deus ex Machina, De Brakke Hond, Gierik, Hollands Maandblad, … Dat is allemaal jammer, want korte verhalen zouden dé literaire consumptie van deze tijden kunnen zijn. Kranten hebben daar evenmin nog plaats voor. En over gedichten zullen we het maar helemaal niet hebben; da’s nog erger. Alleen sporadisch wordt ergens eens zo’n gedicht opgeduikeld, gewoonlijk ter gelegenheid van een of andere rare dag: Gedichtendag, Valentijn, Watougedoe of als iemand dood moet gaan of geboren worden. En, ja: naambekendheid, verhippeltjes, wat is dat? Op tv komen in zo’n stomme show? Iemand koud maken en in het gevang vliegen? Het wereldrecord kikkers opblazen verbeteren? En pas daarna de wereld met je korte verhalen kunnen verblijden en verontrusten? Populisme! Ik haat de millenniumcultuur uit de grond van mijn hart. De politiek van de cafébazen en de letterkunde van de beenhouwers. Daarom, onder andere. Om al dat extra-literaire gedoe. De literatuur is naar de knoppen. De literatuur wordt heden ten dage gedicteerd door uitgevers met puur commerciële bedoelingen. Eender welke BV kan momenteel zijn boekje wel kwijt. En de ‘serieuze’ literatuur wordt dan weer gedirigeerd door een klein kliekje zichzelf subsidiërende would-be-professoren die eigenlijk voor prof geleerd hadden maar het niet echt zijn geworden. Dus vinden ze postjes uit voor elkaar – en schrijven ze alleen maar voor elkaar. Ze manoeuvreren jarenlang om dat zo voor elkaar te krijgen, de droogstoppels. Liefde voor de letteren? Vergeet het maar. Je wordt al scheef bekeken als je een normale zin bouwt. Maar ik kan u wel een bloemlezing van hun spel- en taalfouten in al hun teksten en statuten en brieven bezorgen: geen short story, niet kort-kort, maar lang. Jarenlang. De republiek der letteren wordt geregeerd door stuntels met pretentie en tafelspringers met een grote bek. Slager blijf bij uw kapblok.
26-08-2005
76: Oud & Stief
OUDGEDIENDEN & STIEFZUSJES
Het Nederlands kent misschien wel enkele miljoenen woorden. We gebruiken er doorgaans niet zo veel van. Als we er gebruiken, zijn het vaak dezelfde. Dan worden die woorden dat ook wel eens moe. U kent metaalmoeheid, sleet, ouderdom. In woorden kan dus ook de mot zitten. Oudgedienden: zaken die zo vaak gezegd worden dat ze moe zijn. Een beknopte bloemlezing. Laten we de rivier volgen. We snijden ze de pas af. De warmte zit binnen. De tijd staat niet stil. Ze kunnen nu al veel. Er hangt een prijskaartje aan. We moeten er eens uit zijn. Wit is altijd schoon. Wij zijn niet boos, wij zijn woest. De kleine man is weer de dupe. Alle aanwezigen gingen tevreden huiswaarts. De afwezigen hadden ongelijk. De bal is rond. Voetbal is oorlog. De kinderen zijn weer het slachtoffer. Het wordt een hete herfst. De politie staat voor een raadsel. De horeca klaagt steen en been. De terrasjes lokten vele dagjesmensen. Hij heeft niet afgezien. We moeten bij onszelf beginnen. Ik zal je nog wel eens bellen. We kunnen er weer tegen. We hebben maar dat. Ik ga er eens een nachtje over slapen. Dat blijft onder ons, hé. Het is weer te geweldig. Het zal het niet houden. Hela, ze groeien hier niet. Zeg nooit ‘nooit’. Nooit. Ik ben de tolk der aanwezigen. Ik wil hier graag van de gelegenheid gebruik maken. Stiefzusjes: zaken die gemixt worden met andere zaken en aldus een foutieve constructie veroorzaken en die dat ook moe zijn. Een beknopte bloemlezing. We hebben het achter de boeg. Er valt nog een appeltje uit de kast. Alles komt op z’n pootjes terecht. Het loopt van een glijdakje. Ik zie het onderste van mijn tong. Het komt mijn achterhoofd uit. De kogel is door het midden. Er is hier geen levende kat te bespeuren. Ge moet het ijs smeden als het heet is. Er zal geen kat naar kraaien. Ge moet het gouden kalf niet slachten. Hij legt er het loodje bij neer. Ge moet uw schapen niet op het droge verbranden. Die renner moet zijn verantwoording opnemen in de ontsnapping. Het kost te duur. Het is nog te vroeg om een oordeel te kunnen vestigen. Veel wegen leiden naar Keulen. Iedereen kan niet zingen. Einde citaten. Wat klinkt de Nederlandse taal toch wonderzoet. De heerlijkste gerechten echter worden opgediend door sprekers die totaal niet weten hoe ze het moeten zeggen, maar wel weten waar ze het over willen hebben. Of soms omgekeerd, o ramp. Die hebben ergens een klok horen luiden. De Kamasutra is volgens hen een rivier in Indië. Ze hebben het bijvoorbeeld over ‘intimiti’ in plaats van ‘intimi’. ‘Etyologie’ in plaats van ‘etymologie’. Iemand heeft het al levenslang over ‘kervelig’. Zou ze ‘korzelig’ bedoelen? Soms is het zo erg dat je niet eens durft te informeren …
23-08-2005
75: Zomer in Amerika
ZOMER IN AMERIKA
We waren deze zomer al even in Amerika, bij onze naamgenoten die zowel van Vlamingen, Indianen als van Spanjaarden afstammen. Ten noorden van Malibu, aan de kustweg langs de Grote Oceaan, ligt een stukje strand dat Paradise Cove heet. Tijdens vakanties en weekends staat de smalle landweg naar het strand altijd eivol auto’s en caravans. Ook het kleine restaurant puilt er dan uit van de gasten. De jongeren sleuren picknickmanden mee naar het strand, of ze troepen samen aan de broodjes- en pizzakramen. Surfen en zonnebaden zijn hier de twee meest bedreven werkwoorden. Die zaterdagmiddag rond drie uur scheen de zon. Het strand lag vol met aanbidders van dat hemellichaam. Wegens onvoldoende golfslag waren er weinig surfers. Noordwaarts, op het kleine plateau van een rotsformatie waarvan de wand zestig meter loodrecht uit het water verrees, hadden de schaduwmensen hun eigen wereldje gevonden. Nu en dan klonk het scherpe gekrijs van de naar afval zoekende meeuwen boven de stemgeluiden van de baders en het geruis van de branding uit. Vanuit de lucht kwam nog een geluid: het zoevende ronken van een helikopter. De naturisten graaiden snel naar zwembroeken en bikini’s en keken ontstemd omhoog. Een gemompel van teleurstelling klonk op toen men zag wat er op de zijkant van de helikopter stond: THE CHURCH OF ETERNAL LIFE. Een stem daverde door de luidsprekers van de helikopter terwijl de machine naar het rotsplateau daalde: THE CHURCH OF ETERNAL LIFE WISHES YOU PEACE. Daarna verdween de helikopter over de rots uit het zicht. Pat Denowh, mijn naamgenoot, probation officer die zowel van Vlamingen, Indianen als Spanjaarden afstamt, zei alleen maar: ‘Damned.’ Het strandleven hernam zijn normale loop, na dit ongewenste bezoek van de boodschappers van de Allerhoogste. De zwembroeken gingen weer uit en de meisjes koesterden hun dubbele punten weer in de zon. ‘Gebeurt dit hier vaker?’ vroeg ik, met mijn hoofd richting hemel knikkend. Pat Denowh glimlachte. ‘Jammer genoeg wel,’ antwoordde hij. ‘Eigenlijk doen zulke dingen zich ook voor in slechte romannetjes van Harold Robbins. Misschien halen die predikers daar hun inspiratie.’ ‘Aha,’ knikte ik, ‘een beroemde schrijver, zeker?’ ‘Een van de best verkochte,’ knikte Pat, ‘hij schrijft dan ook pure bullshit. Gelukkig staat op de eerste bladzijde van elk van zijn boeken dat het producten zijn van de verbeelding.’ ‘Maar the sky is hier the limit hé,’ opperde ik. ‘Dit is Amerika,’ zuchtte mijn naamgenoot. Het werd nog een interessante vakantie, waarvan elk uur zo gekopieerd leek uit weggooiromannetjes.
20-08-2005
74: Kaap Kont
KAAP KONT
Neem me niet kwalijk. Soms moet het hoge woord eruit. Neem dat nu met een korrel zout. Moet je pissen? U maakt een plas. Heb je het schijt? U baart een drol. Nu ben je maar beter even alleen, met je spleen en je speen. Het lijf staat hier buiten kijf. Nu is het niet meer van u. Minder is nu in u. Meer kan nu weer in u. Vlees, bloed, merg, hersens, kak, pis: dat is wat de mens gewis is. Gekabbel, gezeik, gepraat, gewauwel, gebabbel. Deze aardkloot – een blauwe plek in een heelal – zit overvol. Daarom hebt u zichzelf even verstopt in deze cel van verontreiniging en bezinning. U deelt die met niemand en met iedereen. Zeg niet te gauw: ’t is weer een man. Of: ’t is de vrouw die alles kan, want ook u neemt er afstand van. À propos: het smoort niet dat u hier stoort. Laat uw donkere gedachten even kabbelen op de deining van dat kosmische spoelwater. Negen planeten. Negen gaten in dat vege lijf van u. Hoe veel keer tussen de eerste schreeuw en doodshik en met hoe veel maal uw eigen lichaamsgewicht zult u deze blauwe planeet met uw eigenste venijn verblijden? Is er hoop voor dit hoopje, deze hoop, of ziet het er bruin uit? Voelt u zich bevrijd, pisnijdig, branderig of ontlast? Kijk uit, er zit een diamant in uw drol. Een parel wellicht. Heb aandacht voor vorm, hoeveelheid en geur. Gooi het kind niet met het badwater weg. Zoals u daarstraks in het café overschot aan gelijk had, zo helpt u thans deze zaak aan overschot van mest. Mij best. Halleluja: uw gerief is zeer productief. Luister naar het gorgelen van de pot en het geruis van de inheemse watervallen. Hier heb je tijd om op verhaal te komen. Lees de tekenen aan de wand. Sanitaire literatuur. Schalks gebabbel. Tegelseks. Who the fuck is Kilroy? Is Johanneke een jongen of een meisje? Heeft hij/zij een fopspeen of een ijsje? Ook van woorden moeten sommigen zich ontlasten. Rond deze Kaap Kont. Vaar op deze Mississippi van urine uit. U bent een god in het diepst van uw ingewanden. Maar vergeet na deze vertoning uw gordijnen niet dicht te ritsen. Het water neemt gedwee met zich mee wat u zo lang en zo dierbaar met u hebt meegedragen. Moest u iets kwijt? Het is eruit. Had u het hard? Het reist nu apart. Nu bent u weer alleen. U hebt uzelf afgescheiden. Ach, leer te leven met wat minder gewicht. Minder is nu in u, maar meer kan nu in u.
17-08-2005
73: Assepoes' dagboek
ASSEPOES’ DAGBOEK
Natuurlijk weiger ik. Waarom zou ik met hem dansen? Zijn voeten zijn te groot. Zijn moeder is een kreng van een wijf. Hij zal zijn kleffe vingers tegen mijn rug duwen. Zijn adem riekt naar twee warme maaltijden per dag. Ik wil niet. Ik haat zijn twee hoofden: het ene glimlacht, het andere grijnslacht. Geen van beide heeft nog al zijn tanden. Kinderen zal hij bij mij nooit mogen verwekken. Kunnen we godbetert deze dans niet simpelweg vervangen door een handdruk plus drie beleefde zinnetjes? Of door een zitstaking? Kan het ergens in deze balzaal asjeblief beginnen branden? Stom van mijn zus om me naar hier mee te nemen. Ik hoor hier niet thuis, tussen opgetutte juffers en schaapachtig lachende macho’s. Ai, hij nadert zienderogen. Ik voel het. Zijn ogen branden gaten in mijn rug. Bah, wie heeft dat akelige dansen toch uitgevonden? Zal ik doen alsof ik flauwval? Nee, dan denkt hij dat het door hem komt. Hoe laat is het nu? Nog veel te vroeg. ‘Euche-euche,’ doet mijn zus. Ze kijkt me veelbetekenend aan. Jaja, ik weet het. Ik heb het al lang in de gaten. Ik heb ogen op mijn rug: de zijne, verdorie. Mijn zus glimlacht nu fijntjes. Natuurlijk weiger ik. Waarom zou ik met die kerel dansen? Wat denkt hij wel? Wat bezielt hem? Ai, nu staat hij vlak voor ons. Hij buigt heel slecht. En hij vraagt mijn zus ten dans! ‘Natuurlijk,’ zeg ik rustig glimlachend, ‘neemt u haar maar mee. Ik hou me wel even alleen bezig.’ Mijn zus staat triomfantelijk op. Hij brengt haar naar de dansvloer, dat vierkant van afgrijzen. Ik ben razend. ‘Ik denk niet dat ik nog lang blijf!’ wil ik ze naroepen, maar ik durf niet. Er zit een kikker in mijn keel. Nee, ik roep het niet, maar ik doe het wel, voilà! In mijn haast om me uit de voeten te maken, verlies ik een schoen. Geeft niet. Ik kijk niet eens meer achterom. Schoenen genoeg thuis, om te poetsen. Rise and shine myshoes, every day! Of nee … ik kan toch niet zo … In de verte zit nu een andere mooie gozer te grijnslachen. Terwijl ik met gemengde gevoelens bedenk dat ook dat monster op mij toe kan komen, gebeurt het al. Hij komt in beweging. Help! Ik keer ijlings terug naar mijn plaats en buk me om mijn voet in mijn schoen te wringen.
15-08-2005
72: Weps
WEPS
Medio augustus, na een lang regenseizoen hier in Grijs Vlaanderen, kregen de rugbyspelers van London Wasps in de cup final heel erg op hun donder. Ze verloren met een monsterscore van eh … hun tegenstanders, een andere ploeg dus. Maar hun uitrusting was pico bello; ze leken echt op wespen. Diezelfde dag, na een zomer die november genoemd kan worden, verschenen ook weer honderdduizenden wespen op terrassen en in tuinen. Want ondertussen had de mens zich alweer wat aangepast aan het buitenleven. Het best vertegenwoordigd waren (ik gebruik hier ook de wetenschappelijke benamingen) de ‘gewone’ wesp en de Duitse wesp (‘germanicus’). Zoek maar op; het is zo. Uit Duitsland is overigens nog nooit veel goeds gekomen. De ene soort heeft een drietal stipjes op het voorhoofd, zoals een waarschuwing voor stralingsgevaar, de andere op dezelfde plaats iets wat op een anker gelijkt. Augustus is hun bedrijvigste maand. Dan moeten ze hun eerste twee kwartalen goedmaken. Dan gebeurt de aanmaak van een en ander. Dan zijn er ‘verkiezingen’. En dan is er ook veel zoets beschikbaar en bereikbaar in de mensenwereld: cola, kindervlees, … Het is het hoogseizoen van het broodje-wesp. Ze zouden zelfs aan het tuinmeubilair durven knagen. Twee woorden uit de Nederlandse taal worden door vrijwel alle kinderen ietwat dooreen gehutseld en op een tijdelijk spraakgestoorde manier uitgesproken: hesp en wesp. Sommigen blijven dat hun leven lang doen: heps, weps. De scherpte van het woord ‘wesp’ staat tegenover de bonhommie van het woord ‘hommel’. ‘Hommel’ klinkt gezellig; ‘wesp’ doet zeer. ‘Kloothommel’ is een eerder silly scheldwoord; ‘wesp’ is als scheldnaam zo stekelig en gevaarlijk als ‘feeks’. Maya de Bij is daarbij vergeleken een seut. (Het woord ‘seut’ heeft/geeft geen specifieke uitspraakproblemen). Maar de ergste soort van alle wespen is de WASP: de White Anglo-Saxon Protestant. Het zijn de nazaten van zij die de Indianen van hun gronden hebben weggejaagd en uitgeroeid. Het zijn ook de nakomelingen van al het geboefte dat er aanspoelde op zoek naar fortuin. De WASP vormt een grote meerderheid in Amerika. Flink, blank, protestant. Bush, kortom, father & son, senior & junior. De WASPs hebben ook Irak aangevallen. Want WASPs houden niet alleen van zoetigheid, maar ook van olie.
12-08-2005
71: Een grappige god
EEN GRAPPIGE GOD
Ik denk dat er een grappige God bestaat die zich af en toe schaterlachend op de dijen slaat van plezier. ’s Nachts, als de meeste stervelingen slapen, amuseert Hij zich met het verplaatsen van voorwerpen en het scheppen van chaos. Tegen de ochtend zet Hij alles dan weer op zijn plaats. Soms is Hij verstrooid en vergeet Hij iets terug te zetten. Hij verplant soms zelfs een boom of een auto, vooral tijdens weekends. Sommige mensen denken dan dat ze dronken zijn, vergeetachtig of dement. Ook laat Hij ons geloven dat we over de gave van het voorspellen beschikken. Hij laat ons bijvoorbeeld aan iets of iemand denken, en hupsakee: twee dagen later gebeurt er iets waardoor dit ongeveer voorspeld had kunnen zijn. Dan vermoeden we dat we heel speciaal zijn. Zo laat de grappige God ons zelf eens Godje spelen. Om te lachen. Dan klinkt de schaterlach van de grappige God luid door de hemelen. Hij lacht met de domheid en de pretentie van de mens. En dan gaat Hij ook overdrijven: Hij maakt opzettelijk een voorwerp zoek dat iemand hard nodig heeft. De bril draagt daarbij zijn voorkeur weg. Ook met mobieltjes, sleutels en portefeuilles durft Hij zich wel eens te amuseren. Als het ongeveer te laat is, zorgt Hij er dan wel voor dat het verloren voorwerp vlak voor de neus van het slachtoffer ligt of opduikt, alsof het altijd op die plaats is geweest. Alsof die mens vreselijk dom is. Dan ligt de grappige God echt in een deuk. En wat heeft die fratsenmaker nog op zijn goddelijke kerfstok? Wegenwerken zonder wegarbeiders. Omleidingen waarbij je onveranderlijk weer op je beginpunt arriveert. Een wet die zegt: als iets kans loopt niet te lukken, dan gaat het niet lukken. Variant: het slechtste scenario loopt kans zich het meest te realiseren. Een boterham zal aldus altijd op zijn beboterde kant op de grond vallen. En je zult er bij het oprapen nog in trappen ook, want een ongeluk komt nooit alleen. Ach, die grappige God toch. Laten we het Hem vergeven. Hij is ook maar mens geworden, nietwaar.
08-08-2005
70: Sporen
SPOREN
Ik heb iets met treinen. Een van de mooiste plekken ter wereld is de Oriënt Express, ook al omdat dat mooie ding altijd in beweging is. Mijn collectie treintickets bestaat al uit diverse soorten. De kleine, harde, paarse kartonnetjes van weleer waren de handigste om op te knabbelen bij vertraging. Lange tijd ook kregen we van die slappe, witgeel gespikkelde vervoerbewijzen. De huidige formulieren, door computers uitgebraakt, zijn te groot en te lelijk. Ook de tarieven liggen te hoog, tenzij je er voor zorgt dat je weduwe of wees wordt. Voor de rest dweep ik met het spoor. Ik heb zelfs ooit een treingedicht gemaakt, dat maandenlang razendsnel in ons koninkrijkje de ronde deed. Ik zit liever klokvast in de trein dan klikvast in de auto. Gewoonlijk reis ik ruggelings naar mijn bestemming toe. Ik weet niet waarom, en pieker vaak tijdens treinreizen over de wetten van de fysica. Eerste klasse interesseert me maar matig. Het echte leven in een trein speelt zich in tweede klasse af. Geknal van opengerukte colablikken, ochtendmisselijke mensen, geritsel van sportkranten, stank van ongewassen scholieren met gel op hun kop, de eeuwige heen en weer wandelende en waggelende gek in de middengang (elke trein heeft zijn zonderling, die nooit gaat zitten maar altijd heen en weer pendelt, een soort beweging-in-beweging), bedienden die liever eerste klas zouden reizen, rokende schoolmeisjes die hun rook hardop weer uitblazen, wezenloze avondmensen wier hoofd als een te zware pompoen tussen hun schouders heen en weer rolt, tiepen die je ononderbroken zitten aan te staren. Dit rollende leven fascineert me. Kijk hoe de treinwachter met een Clint-Eastwoodreflex zijn knipmachine uit zijn holster trekt! Er gebeurt altijd iets in treinen. Paul Delvaux schilderde ze. Johan Daisne schreef erover. Gustaaf Vermeersch ook. Hercule Poirot loste er een misdaad in op. Louis Tobback wou zich ooit uit protest ervoor leggen, op de rails voor de aanstormende HST. Butch Cassidy, Jesse James en Ronald Biggs beroofden ze. En mijn vriend de conducteur, een geknipte kerel, ontmoette op zijn trein naar Parijs in de restauratiewagen de acteur Richard Burton, lang geleden. Die vroeg een fles whisky aan de kelner, een entrecote en een Deense dog. ‘Wablief??’ Sorry?? Pardon??’ vroeg de drietalige kelner. ‘Een Deense dog?’ ‘Yes, yes,’ knikte Burton, ‘en die gaat de entrecote opeten.’
06-08-2005
69: Verloren Vlaams
VERLOREN VLAAMS
Dit is het tijdperk waarin advocaten Arne kunnen heten en ukken met Oscar, Cyriel of Marcel aangesproken moeten worden. What’s in a name? De meeste heiligen zijn al lang uit de kalenders geschrapt. Ik maakte een wandeling langsheen de naamborden in het Kortrijkse advocatenkwartier. Het regende en miek er zo koud. Conclusie van mijn tocht: de tijd staat stil, het zijn de mensen die veranderen. Bijvoorbeeld van naam. Oude mensen dragen nu jonge namen en peuters dragen opapetten. Een van de honden van de Nederlandse dichter Simon Vinkenoog heette zelfs Joris. Waf. Toen hij me dat vertelde, voelde ik me zeer vereerd. Namen roepen associaties op. Yasser: keukenhanddoek. Theresa: ook zoiets. Mahatma: geen kleren. Nero: fakkels. Hitler: neushaar. Elvis: heupen. Dichters kiezen soms een pseudoniem waar weer of wind of water in zit: Westerlinck, Van Wilderode, Mandelinck. Otto is handiger: kun je twee keer gebruiken, van voor naar achteren en vice versa. Zoals het Panamakanaal: ‘Aman, a plan, a canal: Panama’. Bekendste initialen ter wereld: JR, JFK. In België: VDB. Ijskreem, weet je wel. Afko’s, onderdeeltjes van een turbotaal, afgeknepen stukjes worst: een lupa (lunchpakket), een buma (burgermannetje). ‘Man, kort van stof, wnst. knsm. m. vr.krtgrkt.’ Medeklinkers zeggen alles, maar de grote klankverschuivingen gebeuren via klinkers. Nico de mus heet voluit eigenlijk Nicodemus. De zus van je zus heet Jezebel. Jezus was iemand anders uit de familie. Hoe zullen we ons kind noemen? Geen probleem. Er zijn getallen genoeg. Ooit hadden we twee schildpadden. In afwachting dat ze zelf over hun naam konden beslissen, noemden we ze eenentwintig en tweeëntwintig. Ter gelegenheid van hun ongeveer twaalfjarige bestaan op en in deze aarde mochten ze dan zelf een naam kiezen, met onze hulp. Er werd ook schildpadsoep opgediend. Vindt u Anaconda ook een mooie naam voor een meisje? En stel dat men constateert dat een baby een komma tussen zijn beentjes heeft, is Raspoetin dan niet een geschikte naam? Want dan is het waarschijnlijk een jongetje. Het kind moet nu eenmaal een naam hebben. Otto Lepel en Anna Kaak hebben de eer u het huwelijk aan te kondigen van resp. zijn dochter Jo met haar zoon Dagmar. Bij twijfel omtrent hun geslacht raadpleeg dan de toekomstige eerstgeborene. Zij (m/v) zal misschien Jackie heten, voor alle duidelijkheid. En moeder heette de koekenpan. En kent u de heer Frans Engels? Zijn mond staat nooit stil. Hij spreekt Verloren Vlaams: overbodige mededelingen in de trant van ‘stoppen met roken’, ‘wat ben je gegroeid’, ‘wat ben je grijs geworden’, ‘is je haar geknipt?’ en ‘mooi weer vandaag’. Ja, de taal leeft.
02-08-2005
68: Onder indianen
ONDER INDIANEN
Later die avond ontmoette ik nog Zwemt Met De Zalm, ook een oude indiaan. ‘Dag Gedroogd Vlees,’ groette hij. ‘Dag, maar eigenlijk valt de nacht al, Zwemt enzovoort,’ antwoordde ik. ‘Niettemin is mijn vreugde groot u hier aan te treffen.’ ‘Dat betreft dan een wederzijds gevoel, Gedroogd Vlees.’ ‘En hoe gaat het nog met In De Bergen Rollende Donder?’ ‘Die is van ons heengegaan. Was ik blank, dan zei ik: helaas van ons heengegaan. Maar zoals u weet: zielen kennen pas rust ginds aan de overkant. Geen ‘helaas’ dus.’ ‘Nee,’ beaamde ik, ‘de doden hebben het wellicht goed.’ ‘En hoe gaat het heden in deze westelijke staat?’ informeerde Zwemt Met De Zalm. ‘Soms,’ zei ik peinzend, ‘soms is men in alle staten, soms is men in staat van ontbinding. Maar het moet gezegd: het is een goede plek om alsmaar ouder te worden. Zo hebben we waterlopen, een zee, wat heuvels en ook een zeer plat hinterland. Een lage streek, zeg maar. Vele vreemde stammen trekken des zomers westwaarts om dat te komen bekijken.’ ‘Dat is prima voor de economische ontwikkeling,’ knikte Zwemt Met De Zalm. ‘En wordt er ook nog gelachen met de westelijke voertaal?’ ‘Nee, men probeert die nu zelfs na te apen. Een modegril, Zwemt.’ ‘O, goed.’ ‘Er worden om de haverklap ook overal verse opperhoofden gekozen.’ ‘Ook squaws?’ ‘Ja,’ bevestigde ik. ‘De tijd staat niet stil. Ze hebben zelfs ontdekt dat de aarde niet zo plat als een vijg is, maar dat wist u al, hé.’ ‘Verandert er dan veel met al die verse opperhoofden?’ ‘Niet zo veel,’ opperde ik. ‘Al ziet de verentooi er soms veel kleurrijker uit. Blauw, groen, paars, oranje, bruin, regenboog, … ‘ ‘En het geel?’ ‘Uit de mode.’ ‘Bruin, zei u ook?’ ‘Daar vrezen we voor. Het is een gewelddadige stam die al het land voor zichzelf opeist.’ ‘Laat de strijdbijl niet roesten, Gedroogd Vlees.’ ‘Nee. Maar het is wel met gekrulde tenen hopen dat ook de wildebizonziekte niet weer uitbreekt. En onze kippen zijn soms zo giftig als een oude apotheker na vervaldatum.’ ‘Betrouw maar op de Grote Manitoe. Aan niets zal het u en de uwen ontbreken.’ ‘We leven op hoop, oude roodhuid,’ zei ik, ‘al lijkt de aardbol meer en meer op een blauwe plek, een open riool, een vergaarbak van gereutel en gerochel.’ Na dit gesprek besloten we ons weerzien te vieren door iets te gaan bikken in eetcafé De Woede Der Noormannen. Zwemt Met De Zalm koos voor een duifje als voorgerecht gevolgd door een entrecote zo groot als de stafkaart van West-Vlaanderen. Ik hield het bij een huwelijk van lotte en prei in een bedje van vulkaankonijnsaus, gevolgd door 48 applaudisserende mosselen. Onder indianen is eten een belangrijk ritueel.
31-07-2005
67: Godendrank
GODENDRANK
Onlangs stak er een somber bericht in mijn bus. Het was opgesteld in een soort Gotisch lettertype: het einde van de wereld was nabij. Ik slaagde er in uitzonderlijk kalm te blijven. Geen spier in mijn aangelaat verraadde ook maar enige emotie. Mijn enige bedenking was: als iemand weet dat het hier afgelopen is op deze blauwe plek in het heelal, waarom wil hij/zij iedereen daar op de hoogte van brengen door middel van huis-aan-huisdrukwerk? Waarom doet hij/zij in godsnaam de moeite? Ik ging peinzend weer naar binnen, naar mijn zeer knusse achttiende-eeuwse Cornish interieur. God zat in de fauteuil. Op mijn vaste stek dan nog wel, of all places. Daar zat ik gewoonlijk te kijken naar BBC en CNN, of boeken te lezen van Franse auteurs. ‘Dag Joris,’ knikte hij. ‘Dag God,’ zei ik. ‘Heeft u al gegeten? Ik wou net de hond wat brokjes geven.’ ‘Ja, dank je. Ik heb mijn portie manna voor vandaag al op,’ zei God. ‘Ik merk dat je het fameuze bericht al uit de bus hebt gehaald?’ ‘Zo is het, Allerhoogste.’ ‘Geloof je die onzin?’ ‘Zeer zeker niet, Weldoener. Ik geloof er geen fluit van.’ ‘Dat is goed zo. Ik kom iedereen persoonlijk waarschuwen dat het einde van de wereld nog een poos op zich zal laten wachten. En ik kan het weten.’ ‘Bezoekt u dan de totale bevolking, o Heiland?’ vroeg ik verbaasd. Meteen had ik spijt van mijn vraag: God was immers overal, en hij kon nog toveren ook. ‘God de Vader en de Heilige Geest nemen ook een stuk van de bevolking voor hun rekening,’ antwoordde de Mensenzoon. ‘We doen het eens op die manier omdat heden ten dage en vooral aan het begin van een millennium er zeer veel flierefluiters, kwakzalvers, valse profeten en politici loslopen, oef, wat een lange zin, lang geleden dat ik nog zo veel woorden na elkaar uitsprak.’ Ik knikte begrijpend. ‘Drinkt u iets, Koning der Joden? Het pompelmoessap staat lekker koel en koosjer.’ ‘Doe me maar een dubbele wodka,’ sprak de Langverwachte tot mijn grote verrassing. ‘Als ik pompelmoes drink, wil ik altijd kooplui afranselen en met meubilair gooien. En water dat ik in wijn verander, ben ik kotsbeu.’ ‘Wodka zal het zijn, Zaligmaker,’ knikte ik. En een gevoel van geluk doorstroomde mijn borst, zoals de koele weldaad van een glas fris bier dat zich een weg naar je lendenen en je tenen zoekt. God dronk dus ook. Ik was niet alleen.
26-07-2005
66: Zijne Doorlichtigheid
ZIJNE DOORLICHTIGHEID
Kijk, ik zal het kort houden. Ik ben ook de tolk van zeer veel mensen die het kort willen houden. Daarom wil ik per se kort zijn. Het is het volgende. Wie moet er eigenlijk eens grondig doorgelicht worden? (Tussen twee haakjes: ‘doorgelicht’ is het eufemistische nieuwlichtende woord voor het ouwerwetser ‘geïnspecteerd’). Wie dus, o wie? Hier komen ze. In willekeurige volgorde, want ze zijn allen van vlees en bloed en ze hebben ook allen stoelgang. Na mijn opsomming volgt het commentaar. Meer moet dat niet zijn. Een: de doorlichters. Twee: de betweters ofte beste stuurlui aan wal. Drie: jury’s. Vier: vrijgestelden. Vijf: managers. Zes: politici. Zeven: communicatie-deskundigen, copywriters, campagnebouwers, reclameboys en –girls, journalisten. Neen, niet de BV’s, want daar valt niks door te lichten. Er zijn nog categorieën mensachtigen die in aanmerking zouden kunnen komen, maar zeven is een ietwat heilig getal. Terug dus naar één: de doorlichters. Waarom hebben zij de ‘werkvloer’ verlaten? Het ‘werkveld’, zoals ze het zo fraai naäpend uitdrukken? Zouden ze er niet beter voor zorgen dat alles zo goed marcheert, door zelf te blijven werken op de vloer en in het veld, dat ze Hunne Doorlichtigheid overbodig maken? Zou het kunnen dat volgens een welbepaald principe deze doorlichters eigenlijk gesjeesde werkvloerders en omhooggevallen werkvelders zijn? Twee: de betweters. Licht die door, en je vindt niets. Zelfs geen frustratie, zoals bij de eerste categorie. Die weten het domweg beter. Wie het beter weet, heeft altijd gelijk voor zichzelf. Drie: jury’s. Hierbij een concreet voorbeeld. In het juryrapport van de Guido-Gezelleprijs voor onuitgegeven roman (Brugge, november 2002) staan ongeveer vijftig taal-, stijl- en spelfouten op asjeblief anderhalf blad. Literatuurstudenten hebben het uitgevlooid. Het is geschreven en goedgekeurd door twee leraren en een ‘resencent’ (!) van De Standaard der Letteren, de jury dus. Men bedoelt: ‘recensent’. Ongelofelijk, maar waar en echt gebeurd. En dat oordeelt over ingezonden werken en spelling. Een pareltje van onbenul, voor in de collectie ‘Het RijkeVlaamse Letterkundige Leven’. Vier: vrijgestelden. Kijk uit voor die gasten. Ze werken ongaarne. Vijf: managers. Karel Vinck? Ontslagen en afslankingen. Je zag het zo gebeuren. Succesvol? Natuurlijk. Op onze kap. Hoera, gered! Zes: politici. Zet alle overlopers samen en je hebt de grootste partij. Zeven: zij die hun baard vier dagen laten stoppelen en designbretellen, het juiste pak en het juiste parfum dragen. Maar een zin bouwen? Ho maar! Hoogstens enkele gestolen en ingestudeerde oneliners komen eruit. Zij maken het verschil, deze maatverpakte stouterds! Een hoog honorarium voor gebakken lucht. Doorlichten! Braden! Koken! Afvoeren! Weggooien! Seponeren! Negeren!
24-07-2005
65: Zomer in de stad
ZOMER IN DE STAD
Het regende oude wijven, katten, honden en haaientanden op 1 juli. Zouden de kaarten van de mensheid vandaag dooreen gehutseld worden? Of minstens eens op een verrassende manier gedeeld worden? Deze symbolische zomerdag die naar hout en teer en vertrekkende treinen zou moeten geuren, geleek in alles op een carwash op een valavond in november. Boven de stad was een strak loodgrijs zeil gespannen. Daaronder was iedere sterveling op straat een potentiële moordenaar. Auto’s voerden groot licht. Binnen bepaalde kunstlicht de gehele dag al de stemming: onwezenlijk, depri, tegennatuurlijk. Door een samenloop van omstandigheden (start schoolvakantie, uittocht reizen, koopjes, barslecht weer, wegenwerken alom) reden overal te lande auto’s en vrachtwagens op elkaar in. Daarin bevond zich dus al een deel van de moordenaars. Mobilhomes en caravans, die rijdende schijthuizen, baanden zich treurig een weg doorheen de opake grijsheid, waaiers van hemelwater om zich heen sproeiend. In de stad K., die om absoluut niets bekend stond en juist daarom iets aantrekkelijks had, bewoog ik me voort. Ik was op weg naar taverne Darlingen. Het was 14:08, een van de tijdstippen van de dag waarop je het meest kans liep jezelf voor de kop te schieten. Of naar de Leie te lopen en van de Consciencebrug te springen in de hoop niet op het jaagpad terecht te komen annex traumatologie. Hier en daar flakkerden tv-schermen in etalages en woonhuizen. Men deed aan topsport in sofa’s. In taverne Darlingen had ik een diepgaand gesprek met de bijna comateuze tapheer. ‘Dag’, zei ik. ‘Dag’, antwoordde hij. ‘Hoe maak je het?’ ‘Dat verklap ik je niet’. ‘Waarom niet?’ ‘Omdat je het dan zelf ook gaat maken’. ‘Een Westmalle?’ ‘Nee, een Leffe. Of nee: toch maar een Westmalle’. ‘Schitterend weertje, hé?’ ‘Ja’. ‘Maar dat heb jij graag, hé?’ ‘Ja, uit de grond van mijn hart’. De tapheer van Darlingen keek me vernietigend aan. Hoe goed hij me ook kende, veel liever zou hij nu die Westmalle over mijn regenkop uitgewaaierd hebben. De haat spoot uit zijn oren. Ik zag het. ‘En Malisse?’ knikte ik naar het scherm in de hoogte. ‘Pff … ‘. De tapheer schoof me de bol bier toe en ging weer comateus over zijn kranen hangen. De juliregen biggelde onverdroten van de ramen. De kaarten van de mensheid zouden vandaag geen geluk brengen.
20-07-2005
64: Rozemarijke
ROZEMARIJKE
It was a cold, windy night. Rozemarijke knoopte haar mariablauwe sjaal nog wat steviger om haar frêle hals. De wind had vrij spel in haar inktzwarte kapmantel. Bijna woei ze terug vanwaar ze gekomen was. Toch was ze niet van de magerste; bickyburgers en milkshakes hadden daar in de loop der jaren voor gezorgd. Haastig baande ze zich een weg door het bos van parkeermeters in de stad. In een duistere portiek stond een geheimzinnige gedaante haar op te wachten. Het was de roze wolf, alom gevreesd voor zijn scherpe uitspraken, voor de gelegenheid vermomd in een grijs pak. Bruinbehaard sprong hij haar plotseling voor de voeten. Rozemarijke schrok zich een hoedje maar weigerde een gil te slaken. ‘Aha! Het meisje met de mooie vooruitzichten!’ grijnsde de roze wolf, terwijl hij al zijn voorpoten uitstrekte om … ‘Poten thuis!’ snauwde Rozemarijke. ‘Wachtwoord?’ vroeg de roze wolf. ‘Plattekaas’. ‘Maak dat je grootje wijs’. ‘En ga jij maar een ander lastigvallen, verschoten pluchevampier’, beet ze van zich af, terwijl ze de roze onverlaat een dreun tegen zijn kop verkocht met haar streekgerechtenmand. ‘Aha, paté!’ riep het beest likkebaardend. ‘En streekbieren! Mag ik mee naar je grootmoe?’ ‘Eerst moet je drie vragen correct beantwoorden’. ‘Ah, hoe sprookjesachtig. Spreek op, o Rozemarijke’. ‘Ben je goed wijs? Wat staat in ’t midden van Parijs?’ De roze wolf rimpelde zijn foeilelijke snuit, zodat hij op de streekkrant van verleden week begon te lijken. ‘De Eifeltoren’, antwoordde hij dan. ‘Mis poes!’ riep Rozemarijke triomfantelijk uit. ‘En daardoor hoef ik mijn twee andere vragen niet meer te stellen, domoor!’. ‘Maar wat staat er dan in ’t midden van Parijs?’ vroeg de roze wolf pruilend. ‘De letter r, lelijkaard’. ‘Melige rijmende mop’, smaalde de wolf. ‘Flauw!’. ‘Adieu, ongedierte, ik doe de groeten aan mijn grootmoe’, riep Rozemarijke, en ze stapte door, de streekgerechtenmand klemvast onder haar arm. De roze wolf liep ontgoocheld weg. Rozemarijke bracht de paté en de streekbieren naar haar grootmoe in het bejaardentehuis BRAAF! Die was bijzonder blij dat ze het er levend af gebracht had. Rozemarijke bedoel ik. Op diezelfde cold, windy night botste de roze wolf met een knalrode Saab bij het oversteken van de straat. Hij was op slag halfdood. Dit alles gebeurde in een tijd waarin de bosgeesten nog kleine kinderen roofden en de dieren nog West-Vlaams spraken.
18-07-2005
63: Coup de mémoire
COUP DE MEMOIRE
Door het openen van een doos koekjes en de geur die eruit ontsnapt, kun je hele stukken verleden weer opsnuiven en oproepen. Een flard van iets zintuiglijks kan daartoe volstaan. In het jaar Onzes Heren 1962, Osama-bin-Laden was nog een virus, liep ik op een tamelijk zonnige zondagmiddag over een verboden speelplaats in de grote school van Torhout. Ik kwam van een zogenaamde ‘activiteit’ van de Kongolese Slinger Apen, de KSA-jeugdbeweging. Ik nam een kortere weg naar huis via de doolhof van die grote school. Die speelplaats waar ik over liep, was verboden terrein voor mij, omdat ik nog bij de ‘kleintjes’ op school zat. Wij hadden een ander speelplaatsje om cowboy en indiaan te spelen. Plotseling kwam een flard muziek aanwaaien die ik alleen kan omschrijven als ‘zondagnamiddagmuziek’: lijzig, loom, weemoedig, ver en dichtbij. Een soort van refrein waarvan het belangrijkste woord op ‘Leo’ leek en zowel door een man als een vrouw gezongen zou kunnen zijn. Het kwam van ergens heel hoog, van op de derde of vierde verdieping van een geheimzinnig gebouw naast de speelplaats, uit een openstaand raam. Het had tegelijk iets treurigs en iets feestelijks. In die zestien seconden muziekflard zat een hele wereld van toen, het tijdperk van voor de maanlanding, de oude aarde van die ene sinterklaas en het engelenhaar in de kerstboom. Veertig jaar later, Osama-bin-Laden is nog steeds een virus, en zowel die speelplaats als dat gebouw zien er nu heel anders uit, speelt die flard nog altijd in mijn hoofd. Als dat gebeurt, duikel ik onmiddellijk het verleden weer in, naar de Sparrenstede ten tijde van de Kennedy’s. Het eerste wat ik dan doe, is een handvol sneeuw van het muurtje rond de kerk scheppen en die opeten, want na de jeugdbeweging rookten we soms met z’n drieën of vieren in een ijltempo een heel pakje Zemirsigaretten achter elkaar op. We waren geen watjes. Daarna stap ik naar huis, voorbij een zondig café waar een filmaffiche hangt: een dokter, of toch alleszins een man in het wit, houdt een boreling ondersteboven. Titel van de film: ‘Waarover men niet spreekt’. Uit het café komt een andere flard muziek aanwaaien, iets Elvisachtigs, maar die is nooit in mijn hoofd blijven haperen. Die speelplaatsflard dus wel. Ik kan die niet eens omschrijven, maar ik hoor die nog altijd. Het is iets van dezelfde orde als het Chinese vrouwtje met de zwarte paardenstaart dat vroeger af en toe in mijn slaapkamer opdook, vlak naast de pispot. Echt gebeurd, denk ik.
07-07-2005
62: Gewei
GEWEI
Mijn vrouw vindt dat de mensen een gewei moeten hebben. Mannen én vrouwen. Dat zou onder andere handig zijn om kattebelletjes en boodschappenlijstjes aan op te hangen. Of om flessen en blikjes te openen. Als iemand met zijn gewei achterstevoren thuiskomt, zou men ook meteen weten wat er aan de hand is. Desgewenst zou het menselijk gewei ook versierd kunnen worden. Er kan verlichting in gehangen worden. Je kan goochelen met verf en kleuren. Je cafébazin kan er je tickets aan vastprikken. Ikzelf ben meer voorstander van de menselijke staart in alle maten, gewichten en soorten: eekhoorn, zwijn, koe, pauw, … noem maar op. Als ik zo het menselijk lijf verken, ben ik er vrijwel zeker van dat wij vroeger allemaal een staart hadden. Een staart is niet zo handig, maar in de eerste plaats bijzonder fraai. Ieder mens zou er een moeten hebben van bij zijn geboorte. Hoe die er uitziet, wordt bepaald door karakter en temperament en levenswijze. Een varkensstaartje bijvoorbeeld hoeft niet noodzakelijk met modder en vet geassocieerd te worden, maar met verstand. Een varken gaat zelden achteruit; het graaft ook de truffels onder de boom der kennis op. Het is de bisschop onder de beesten. Pauwenstaarten zouden we te zien krijgen bij politici, BV’s en vrouwen die vroeger met heelder fruitmanden op hun haarstaketsel rondliepen. Wat mij betreft: doe mij maar een simpele paardenstaart. Het paard is een macrobiotisch beest dat leeft in harmonie met zijn omgeving: gras, land, renbaan. Moessonmensen zijn bijvoorbeeld ook aangepast aan hevige langdurige regens: hun gehoor verdraagt meer en ze hebben sterke blazen. Toeristen daarentegen moeten er ononderbroken plassen. Nog honderd jaar en de moessonmensen krijgen kieuwen en vinnen. Misschien beginnen mijn nazaten dan te hinniken. Ik moet wel uitkijken met mijn verzuchting: het venijn zit in de staart. Tiens, toen ik daarnet mijn staart even uitliet om een luchtje te scheppen (dat is soms nodig – ik hoef er geen tekeningetje bij te maken zeker van waar precies zich de staart bevindt?), zag ik dat het gewei van mijn buurman naast zijn voordeur tegen de gevel lag. Dat was dus een variant op thuiskomen met je gewei achterstevoren op je kop. Het kan ook zijn dat er niks aan de hand was en dat buurvrouw gewoon het gewei van haar man buiten had gezet in verband met ophaling van oude kleren en zo. Komt met de zomer mijn buurman met een nagelnieuw gewei voor de dag? Een nieuw seizoen, een nieuw gewei? Druip ik met de staart tussen de benen maar weer naar binnen?
05-07-2005
61: Kieken
KIEKEN
Elke dag vliegen en roetsjen we een aantal keren op de banen om Kortrijk: sterren, vicieuze cirkels, haarspeldkronkels, eierconstructies, onafgewerkte wereldwonderen, duizelingwekkende achtbanen, luchtbruggen. Een melkweg van twijfel, kommer, kwel en blikschade. Een aqualibi waar het menens is. Ter hoogte van Kortrijk-Noord, de fameuze haarspeldknik, hebben we een gelukkige kip ontdekt. Ze woont in een berm, die ingebed ligt tussen twee stukken autostrade. Waarschijnlijk is ze daar ooit verdwaald geraakt. Om haar heen zoeven dodelijke auto’s. Blijkbaar heeft ze al in het snot dat dit gevaarlijk is. Ze blijft in haar heuvelachtige groene zone. Ontsnappen kan niet meer; dit is het Alcatraz van de kiekens. Maar ze wil niet ontsnappen. Ze ziet er schitterend uit, een echt kieken: wild, vet, goed in de veren verpakt, grauw van landelijk geluk. Als ze eieren legt, maakt ze er de ratten gelukkig mee. Ofwel stapelt ze die ergens in een hoekje van haar zevende hemel op, met de hulp van een tweetal paashazen. Mijn vrouw speelt met de gedachte daar een haan te droppen. Zo veroorzaakt ze misschien een generatie bermkiekens: een nieuw soort wild, gelukkig pluimvee dat de groene zones naast onze dodenwegen onderhoudt. Toch een prettiger toekomstgedachte dan te eindigen als coq-au-vin of vol-au-vent. Het kieken dat wij kennen, is beslist niet onnozel. Het loopt bijvoorbeeld niet onder auto’s. Het blijft als een Robinsonkip op zijn groene eiland en bepaalt zelf zijn eigen lot. Deze bermtoeriste vind ik bijzonder sympathiek. Zij is het levende, weldoorvoede bewijs van individuele ondernemingslust. Ze hoeft geen rekening te houden met een pikorde en met haantje-de-voorsten. Er is maar een schaduwzijde aan haar eilanderige bestaan: dat ellendige lawaai. Ik denk dat ze al vaak zin gehad heeft om de auto’s met haar eieren te bekogelen. Mochten haar eieren kogels zijn … Ze houdt zich alsnog gedeisd, want de aanval is niet altijd de beste verdediging. Zij kan de aartsmoeder worden van generaties bermkiekens. Hoe zullen we haar noemen? De Robinsonkip? Het Vlaamse Bermkieken? Het Grote-Ringpluimvee? De Vuilwit-Gevederde-Kortrijk-Noordscharrelaar? Kipvrij, maar toch gevangen. Kiplekker, maar niet veel soeps. Van snavel tot kont ei zo na kerngezond. We benijden haar. We krijgen er kippenvlees van. Wekelijks denderen hier kippenbatterijen op wielen voorbij, volgepropt met ongelukkige soortgenoten. Die passeren dan de vogelvrije kip, woonachtig en scharrelachtig tussen Bissegem en Heule. Ach, vertel mij, wat is er mooier dan een dooier?