Handje in handje staan ze al een braaf klasje beste kameraadjes op één lijn. Ze playbacken dapper de nationale hymne. Ze dragen hetzelfde rode T-shirt. Af en toe is er een nieuweling. Maar dan moet er een ander naar het strafbankje. Ze maken nooit ruzie, tot je in de magazines en de kranten tussen de regels de wrevel leest. Er is en er was altijd wat met die verwende rotkereltjes. Ze liggen meer op massagetafels en aan stranden dan ze op velden staan, terwijl rond hen miljoenendansen worden uitgevoerd en viersterrenkoks zich uit de naad werken. Is dat nu zo moeilijk om die rotbal van de middenstip naar de vijandelijke kooi te brengen en die erin te trappen? Ze zijn toch met z’n elven? ‘Ne goei foetbeller,’ zegt zo’n coach dan over eender wie in eender welk interview. ‘Em speelt op kerekter en em ken efzien.’ (Soms varieert het dialect van zo’n coach.) Het klasje Brabançonnettes bestaat altijd uit ‘tien goei foetbellers’ plus een wereldkeeper. En toch krijg je de indruk dat je met een kleuterklasje te maken hebt. Groen veld, rode shirts: geef ze nog een gele puntmuts en ze kunnen zo de Vlaamse showbiz in. Hun lijflied: ‘De Rode Duivels gaan naar Blankenberge/Tien om te zien/Eén die zweeft/De rest diebeeft/De tribune leert afzien//’ De Brabançonnettes zouden eens weer tot mensenmaat herleid moeten worden. Ze zijn net als alle andere mensen opgetrokken uit vlees, bloed, merg, been, zweet, pis en nog wat hersenen. Ook het Belgisch volkslied moet aangepast worden. Het is lelijk en het heeft te veel noten. De voetbalvelden mogen ook wat kleiner zijn. We leven toch al in een klein koninkrijkje, dat vanzelf al verkaveld is in stukken en brokken. En het zogenaamde ‘voetbalspel’ zelf mag met twee ballen worden gespeeld, om het eens wat spannender te maken. De ploegen moeten gehalveerd worden. Dan lopen de spelers elkaar minder voor de voeten en komt er minder ruzie van. Het nationale elftal mag nog uit vijf spelers plus een doelwachter bestaan. En twee ballen dus. Dat is ook handig voor de wasserij. Pas bij het verlaten van het stadion betalen de toeschouwers een uitgangsticket: 2,5 euro per doelpunt. We kijken dus met hooggespannen verwachtingen uit naar brilscores. Het grote voorbeeld moet daarbij van onze nationale Brabançonnettes komen. Het moet ook gedaan zijn met business-seats. Wie honger heeft, gaat maar op restaurant. Daar kun je nog het best van al niét naar voetbal kijken. Er is dan maar één probleem: niemand die het ziet. Ik bedoel: niemand die het ziet dat je niet naar … Ach, de bal ligt in uw kamp.
11-10-2005
89: Mirakel
MIRAKEL
Een mirakel, bestaat dat? Welzeker. Een ouderwets mirakel? Alle mirakels zijn ouderwets. Er zijn er geen nieuwe. Want dan zijn ze uitgevonden. Een voorbeeld moet u voorzeker overtuigen. Laten we even teruggaan in de tijd, die dommekracht waardoor we ouder menen te moeten worden. Londen, Joseph Haydn. In zijn tijd was Joseph Haydn al heel erg beroemd in Europa. Het was een tijd waar men nog echt verwonderd kon zijn over een mens van vlees en bloed. Zo gebeurde het ook die avond in Londen. Joseph Haydn kwam er musiceren, dirigeren. Er was een afgeladen, eivolle zaal. Nieuwsgierig volk wou van dichtbij de beroemde man aan het werk zien. Men stroomde toe onder een gigantische luchter die uiteraard pal midden in de zaal hing, boven al die hoofden. Het duurde niet lang of iedereen verliet zijn plaats. Men wou van zo dicht mogelijk meester Haydn kunnen bekijken. De toeschouwers begaven zich kuddegewijs naar voren en troepten allen samen voor het podium. Even later kukelde achter hun rug die kroonluchter – op dat ogenblik een dodelijk wapen – met hels gekraak en gesplinter in de lege zaal neer. Niemand werd gewond. Deze nederdaling gebeurde tijdens de 96e symfonie van Joseph Haydn. Die symfonie kreeg daardoor de bijnaam: Het Mirakel. Ja, muziek verricht mirakels. Muziek doet wonderen. Muziek verzacht de zeden. Een tweede voorbeeld zal u voorzeker nog veel meer overtuigen. Het is wel van een geheel andere orde. Toch is het ook echt gebeurd. Eens keerde ik ’s nachts huiswaarts, toen een gevaarlijke bruine beer met gesperde muil en uitgestrekte klauwen op me afkwam. Ik was ongewapend, maar ik beschikte toevallig wel over twee vuurstenen. Ik graaide die vlug uit mijn jaszak en mikte er een van recht in de muil van de beer. De beer schrok zich rot, liet zich weer op zijn vier poten zakken en draaide zich daarbij met zijn kont naar mij. Ik nam mijn tweede vuursteen en gooide die met alle kracht die ik in mijn jonge lijf kon verzamelen recht in de kont van de verbijsterde beer. De twee vuurstenen ontmoetten elkaar aldus in het midden van de beer, de zg. ‘maag’. Daar veroorzaakten ze door botsing een geweldige ontploffing, waardoor de beer sneuvelde. Niet ik. Ik was gered van een wisse dood, door een mirakel dat ik eigenlijk zelf had verricht. Sedert die ontmoeting bij nacht en ontij heb ik altijd twee vuurstenen bij me.
08-10-2005
88: De ziel van het kind
VOOR DE ZIEL VAN HET KIND
De hautaine betweters, bedillerige kwezels en betuttelende blauwkousen die de laatste jaren oordelen over de Vlaamse jeugdliteratuur via tijdschriften en jury’s en commissies enzovoort, hebben Pietje Bell en Pippi Langkous vermoord. Ze hebben het ook met Marc De Bel geprobeerd. Tevergeefs. Ze hebben hun ziel verkocht aan een bloeiende Nederlandse uitgeverij en kwijlen als hondjes, nou: teefjes, bij het horen van die naam alleen al. Al de rest is verdacht, overbodig, Vlaams, ongevraagd, ongewenst, niet via henzelf gepasseerd of gesignaleerd, dus niet goedgekeurd. Deze Vlaamse, nou: Antwerpse, kwezels plegen vaandelvlucht en collaboreren met zg. ‘grote namen’, gemakshalve, veiligheidshalve, voorspelbaar, en eigenlijk doen ze ook de moeite niet nog andere boeken diezelfde aandacht te gunnen. Het blijft altijd bij dezelfde namen. Door deze permanente namedropping hopen ze zelf in beeld te komen en mee van de koek te eten en in het zonnetje te staan. Je weet maar nooit dat ze ooit gevraagd worden zelf eens een boekje te plegen. Bij die ‘grote’ Nederlandse uitgeverij natuurlijk. Ze propageren ondertussen onverdroten veilig en voorspelbaar de namen van de zg. ‘betere’ auteurs. Zeg maar: ‘saaie’. Die zijn ondertussen zelfs zo saai geworden dat ze alleen nog gelezen worden door diezelfde hogervermelde kwezels van 30-plus, jury’s en enkele collega-schrijvers. Deze propagandisten van het ‘betere’ boek jongleren graag met woordjes als ‘diepgang’ en ‘psychologie’ en verfoeien fantasie en avontuur. Ze hebben dus Pietje en Pippi vermoord. Ze hebben met hun diepgang de leuke jeugdliteratuur ondermijnd en de avonturenboeken ondergraven. Bij hen zou een manuscript van Astrid Lindgren geen kans maken. Misschien zelfs niet van ene Roald Dahl. Lig ik daar wakker van? Nou, nee. In de literatuur voor de ‘volwassenen’ zien we ook al vijftien jaar de tafelspringers en de slagers en de lijkenpikkers en de tv-gezichten en de meninghebbers de plak zwaaien, terwijl de goede boeken en hun schrijvers in de schaduw blijven. De middenstanders van de letterkunde hebben het voor het zeggen, nou: roepen. Je kunt maar hopen op andere tijden. Ach, ik heb, zoals bekend, een hart van koekenbrood. Als ik een hartinfarct zal doen, zal het niet door boekbesprekers komen; het zal te wijten zijn aan een rozijn.
30-09-2005
87: Bos
BOS
Wel ja, West-Vlaanderen heeft het kleinste percentage bossen van alle provincies. En dan? So what? We hebben ook het minste percentage bosbranden van alle provincies. Overigens zijn bossen lelijk. Ze belemmeren het zicht. Net tralies. Aparte bomen zijn wel mooi. En wij in onze lage streek hebben toch ook de kust? Geen enkele andere provincie heeft zoveel kust. En dan nog, over bossen gesproken: we mogen er dan nog weinig hebben, de beroemdste bossen bevinden zich toch in West-Vlaanderen. De bossen van Beernem en hun moorden! Het Lappersfortbos in Brugge-die-Ontboste! Da’s wat anders dan die saaie donkere Ardennen en hun claustrofobische bossen. Er staan daar zelfs zoveel bomen zo dicht bijeen opeengepakt, dat je er nooit eens een echte Arden kunt zien. Of een normale zonsondergang. Hier in het platte verre westen kunnen we ten minste nog de wind aflezen aan een boom apart, aan een bomenrij of een bosschage. Een boom dat is een prachtig ding, weet je wel. Een bos is van het prachtige en goede te veel. Less is more. Ik kan uren naar een boom turen, maar ik doe dat nooit wegens tijdsgebrek. In een bos word ik knettergek. Die ellendige kampen van mijn jeugdbeweging vroeger gingen gewoonlijk in van die knettergekke bossen door. Als er met school ‘bezonnen’ moest worden (eufemisme voor ‘weg in ’t hoofd en geen les’): naar de bossen, jongens! Zelfs in West-Vlaanderen bleven ze ze ontdekken, die zielenhelende bossen. Groenhove, Tillegem, Heuvelland, Wielsbeke, Kluisberg, Zevenkerken, Snellegem, potverdorie, Baekelandt, Beerbos, Sterrebos, het houdt niet op, Beernem, allez, vooruit, West-Vlaanderen lijkt plotseling wel één groot oerwoud vol met houthakkers en hindes. Zelfs bij ons in het bij wijlen zeer stille en soms zeer onrustige Heule is er een bos of twee: Heulebos en Steenbekebos. Maar dat zijn bosjes die vooral uit villa’s bestaan en bordjes-bij-bosjes waarop stukken bos te koop worden aangeboden. Om op een positieve noot in verband met hout te eindigen: een van de mooiste bomen die ik ken, staat vlak naast een frituur en een krantenkiosk aan een druk kruispunt in de stille zuidelijke stad K. Dat vormt samen een prachtig stadslandschap. En het ruikt er nog lekker ook. Ondertussen speelt zich in het Venetië van het noorden nog altijd de Lappersfortboslegende af, die zo stilaan een stadslegende aan het worden is, maar jammer genoeg een die echt gebeurd is …
27-09-2005
Hoofdzaak
Mijn hoofdzaak, geschilderd door MKLL
86: Stik
STIK
Ik ben afgunstig op mensen die een das kunnen knopen. Ik ben jaloers op iemand die op perfecte en esthetische wijze een handdoek om zijn of haar kop kan draperen na een badscène. Graag zou ik in de plaats zijn van een mens die aan zee woont in een stad waar het altijd waait. Hoe prachtig moet het zijn om elke dag tot tegen de middag in kamerjas rond te hangen. Dolgaarne zou ik eens een jaar lang in de schoenen willen staan van een beroepswijnproever. Ook als voorproever van het koninklijk paar, maar niét van hun kleinkind, zie ik het zitten, best wel een aantal jaren. Ik krijg een steek door mijn hart als ik een rotverwende topvoetballer zijn tiende doelpunt van het seizoen zie maken. Stikjaloers ben ik op iemand met een massa ravenzwart haar op zijn hoofd én op de geslaagde kaalkop die zich van niks meer moet aantrekken boven zijn voorhoofd. Ik benijd degene die langzaam en grondig een meesterwerk pleegt en daar tijd voor maakt: een Vlaams konijn in de pot, een roman, een schilderij, een gebouw. Hoe graag zou ik een succesvol oesterboer zijn met elk jaar een boekje op de markt over hoe om te gaan met de oester. Ween en knars uw tanden, gij zwetende Vanhove en Huysentruyt. Mijn zelfde verzuchting geldt ook voor de truffelboer. Groen van jaloezie word ik bij het horen van een bas-baritonstem en ook bij het zien en aanhoren van hoe een muzikant iets moois aan een instrument ontlokt, soms gebaseerd op dode noten op een blad papier. Spinaziegroen van nijd vlucht ik de gordijnen in bij het naderen van keukenpieten, doe-het-zelvers, autotovenaars, groenvingerigen. Ik ben niets. Helemaal niets. Ik ben een mug. Een heel klein pionnetje op een schaakberd waar ik niets van begrijp. Ik ben het nog niet waard als luis te vertoeven in de pels van de meest schurftige oude leeuw uit Bellewaerde. Het bestaan van de marmot op deze aarde heeft meer zin dan het mijne. Ik ben bijna volledig onbestaande. Eigenlijk zou ik me overal moeten excuseren voor mijn bestaan. Maar ik ben niet jaloers op iemand met bloemkooloren, transatlantische zeiloren of op iemand die jaloers is. Ik ben al blij dat ik leef en loop. En dat mijn knokkels daarbij niet over de grond slepen.
24-09-2005
85: Crime de la crime
CRIME DE LA CRIME
In tijden waarin onnozele familie’drama’s’ als ‘de Pfaffs’ de tv-schermen teisteren en oetlulletjes als Sam Gooris op de covers van zelfs weldenkende magazines prijken, koester ik een diep, grondig, gemeend heimwee naar bijvoorbeeld Morse, de Britse chief-inspector die vroeger op zaterdagavonden en nu op een bepaalde weekdag humeurig schitterend loopt te zijn in zijn gelijknamige misdaadserie. Wat een verademing kunnen moord en doodslag toch betekenen in vergelijking met de poelen van ellende waarin de Pfaffs vertoeven! Wat heb ik toch lak aan de bovenlip van J-M Pfaff, ex-keeper! Dat hij ruste in vrede. Misschien heeft hij het verdiend. Maar Morse! En die is zelfs al dood, in beide gevallen: als mens in levenden lijve, als personage. Dat is pas crime de la crime! Kwaliteit van de dodelijkste plank! Een kneepje in de kont van Miss Marple, een snuifje achter de rug van Hercule Poirot, een stiekem lurkje aan de pijp van Maigret en een kopje thee-verkeerd met Sherlock Holmes. En ondertussen vallen er koppen en moet er nagedacht worden. En ondertussen leert ook Lewis, de braafgetrouwde loopjongen van Morse, de knepen van het vak. En we vergeven Morse zijn arrogantie, zijn alcoholisme en zijn gierigheid. Waarom worden er nooit Vlaamse feuilletons van een dergelijk niveau gemaakt? Aan de scripts of de boeken kan het niet liggen, want alle schrijvers klagen over de verminking van hun verhalen door scenarioprutsers. Aan de acteurs evenmin, want we hebben best wel goeie. We hebben vroeger zelfs een soort mini-tv-traditie gehad, met enkele opmerkelijke feuilletons. Dat was in de tijd dat het woord ‘soap’ nog niet uitgevonden en toepasbaar was. Nu heb je dat wel. Als men plotseling beseft dat men een massaproduct aan het maken is ten behoeve van kijkdichtheid en commerçe, dan beschermt men zichzelf door het als ‘soap’ te verkopen. Het woord heeft zelfs bijna geen negatieve bijklank meer. Zo ver is het dus gekomen. Niets belet me verder om mijn tv buiten te gooien en nooit meer een magazine te kopen. Telenet, een van de nieuwe Big Brothers, heeft toch al de interessantste kanalen eraf gegooid. Het zou een kleine weldaad zijn voor mezelf en een grote weldaad voor mijn menszijn. Maar ik zou wel de Morsemisdaden missen. Dat is zo zeker als de moord van de CIA op JFK.
20-09-2005
84: Lawine
LAWINE
‘s Nachts was de huishond zijn mand moe. Hij hupte op de sofa en raakte het zaptoestel. Daardoor floepte de tv oorverdovend hard aan. Geschrokken tot in zijn ruggenmerg sprong de mens uit bed. Hij nam te vlug de trap en kukelde nog vlugger naar beneden. Hij brak heel veel. Zijn vrouw wachtte wat. Toen ze merkte dat hij na een halfuur nog leefde, belde ze de spoeddienst. De mens werd meegenomen, ingespoten en hersteld. De vrouw werd die nacht door een verpleger naar huis gebracht. Helaas stond dat huis er niet meer. Daar was de brandweer al druk in de weer. De oorverdovende tv was namelijk ontploft. De nagelnieuwe overgordijnen vormden prachtig voedsel voor de vlammen. Twee spuitgasten schoten er het leven bij in, toen ze afgingen op hondengejank. De hond kon echter toch nog ontsnappen via het tuimelluikje. Intussen overleed de mens in de dienst Spoedgevallen de volgende dag. Toen de vrouw daarover werd opgebeld ten huize van haar schoonzus, stierf ze zelf onmiddellijk. De hond holde alsmaar door. Een instructie-auto van de rijschool diende ijlings te remmen. Daardoor ontstond een kettingbotsing. In de derde auto morste een bestuurster een beker gloeiend hete koffie op haar knieën. Ergens aan de kust wachtte 120 man op haar komst, want ze was de voorzitster van een belangrijke vergadering. De weg werd door de politie afgezet. Plotseling dook een snelheidsduivel op een moto op. Toen hij staande werd gehouden en zijn helm afzette, bleek het koning Albert te zijn. Ondertussen had de hond dorst gekregen. Hij hield een eind verderop halt en likte een plas hemelwater op. Die plas lag naast een tank waarin zich een zeer giftig goedje bevond. Dus gaf de hond de geest. Koning Albert, inmiddels weer op weg, merkte het hondenlijk te laat op. Hij kon het niet meer ontwijken, hotsebotste erover, slipte en belandde tegen de omheining van een schildpadkwekerij. De eigenaar stormde woedend en gewapend naar buiten: vorige week nog hadden ze bij hem al twee peperdure schildpadden gestolen door een gat in de omheining te knippen. Hij aarzelde nu niet en schoot. Een halfuur later lag koning Albert op Intensieve Zorgen. Nadat ze ook verzorgd werd, verwittigde de onfortuinlijke vrouw van de hete koffie via haar gsm de vergadering van 120 man aan de kust. Ze zou wat later komen. Dat deed ze vlakbij de pomp van een tankstation. Daardoor ontplofte de hele santenkraam met een daverende knal. ‘Wat is dat, potverhippeltjes?’ vroeg koning Albert, geschrokken rechtverend in zijn ziekbed. ‘Heb je dat ook gehoord, zuster?’ En daarna werd alles weer stil en rustig. De schildpaddenman vloog nog in de gevangenis, en een vlinder in Tokio veroorzaakte nog een aardbeving in San Francisco.
15-09-2005
83: Een kacheltje
EEN KACHELTJE OP DE MARKT
A - Alles goed in Staden? B - Vanmorgen was het er nog donker. A - Ah ja. Daar komt zeker veel volk naar kijken? B - Ja, de meesten komen dan wel naar buiten. A - Dan moet het daar druk zijn. B - Opvallend druk. Beetje spitsuur hé. A - Brandt er dan ook een kacheltje op de markt? B - Nee, helaas niet. A - Bij ons dus ook niet. B - Ook niet met het winteruur? A - Nee. De koude blijft gewoon buiten. B - Wij proberen deuren en vensters goed gesloten te houden. A - En de seizoenarbeiders dan? B - Die bellen vooraf als ze na hun seizoen terugkomen. A - Jammer dat jullie dan geen kacheltje op de markt hebben. B - Tja … en nou net met kerst … A - Doodjammer … in die tijd van het jaar ... B - Ja hé … Maar ik zal eens iets bekennen. A - Ja? B - We hebben eigenlijk ook geen echte markt. A - Had dat dan onmiddellijk gezegd. B - Ik durfde niet. A - Bij mij zijn alle geheimen veilig. B - Ook dat van die seizoenarbeiders? A - Dat is wat anders. B - Wat bedoel je daar mee? A - Ik weet nu te veel. B - Ach, dat valt nog mee. A - Vind je? B - Ja. Maar wil je één ding niet doorvertellen? A - Met plezier. En dat is? B - Zeker weten hé? A - Jaja, schiet nou maar op. Beloofd. B - We hebben eigenlijk ook geen winteruur in Staden. A - Had ik het niet gedacht! B - Ja, eigenaardig hé? Alleen een spitsuur. A - Geen winteruur? B - Helemaal niet. A - Daarom is het hier zo warm! B - Ja hé, en zonder kacheltje op de markt.
13-09-2005
82: Record
RECORD
Dames en heren, het is voor de zoveelste keer zover. Begin september hadden ze het in het journaal alweer over een recordvangst drugs. Bijna elke vangst in België wordt een recordvangst genoemd. Klein landje, grote getallen! Bijna elke keer sneuvelt een record: aantal kilo’s, straatwaarde, … Binnenkort zullen deze getallen zo hoog oplopen, dat er andere records zullen moeten worden gezocht. Ik hoor het Bavo Spruyt of Sigrid Claes al zeggen: ‘Bij een drugsvangst in Antwerpen is opnieuw een record geboekt; een grote hoeveelheid hasj en XTC-pillen is door speurders ontdekt in de langste straat van de provincie Antwerpen.’ Kwestie van toch maar een nieuw record te scoren. Er zijn nog talloze mogelijkheden. Een ander record, of het begon er toch naar uit te zien: de wisseling van ministers in die paarsgroene bewindsgroep en de naamsveranderingen van de partijen en partijtjes. Vervelling alom. Het zit er momenteel altijd in dat door dergelijke omstandigheden uw buurvrouw plotseling in het parlement belandt of dat de brave meneer X. plotseling minister van Iets moet worden. Als ze trouwens wat meer eergevoel hadden gehad, waren er nog andere excellenties opgestapt. Nog een zomerrecord betrof het aantal ‘toegestroomden’ op de muziekfestivals op pleinen en weiden. Vele van deze toegestroomden werden dan ook nog eens over- en ondergestroomd door een groot debiet aan hemelwater of bedreigd door vuurzeeën. Vlaanderen spaanderen! Detailrecord: er is bij mooi weer in het seizoen geen parkeerplaats meer te vinden aan de kust. Onverrichter zake terugkeren zit er af en toe in. Of even Frankrijk in, bezijden Adinkerke, voorbij Plopsablablabla. En wil u echt in zo’n opeengepakte trein openbaar vervoerd worden tussen zweetlijven en niveadozen en frigoboxen? Dan blijf ik toch liever thuis tussen de frambozenstruiken en onder de rimpelappelboom. Nog een treurig record: de prijs van de mosselen. Een schande. Laten we collectief een jaar lang het mosseleneten boycotten tot ze zakken, die prijzen. Laat de handelaren uit Yerseke een aardig poepje ruiken! Waar we in Europa afgelopen zomer ook prima scoorden, was op het waterfront. De regenzomer braakte records. Er zijn dus inderdaad geen vier seizoenen meer. We zullen de aarde anders moeten behandelen en meer met rust laten. We moeten de schuld niet op El Nino of het broeikaseffect schuiven. Oké?
12-09-2005
81: Spin
SPIN
De spin heeft een formidabel geconstrueerde website. Als er een bezoeker op haar webstek arriveert, komt hij gewoonlijk niet meer terug. Het is een dodelijke snelweg voor sommige surfers/slurfers. Weer is de tijd aangebroken van Hare Webgevalligheid. Roerloos zit zij stil te zitten tegen witte en iets minder witte oppervlaktes (plafonds, badkuipen, lavabo’s). Benodigdheden voor de durver: een papieren zakdoekje, een fragmentje van de wc-rol, een stoel desgewenst, een plettend geluidje … gevolgd door gegorgel van wegspoelend water … en het is zo gebeurd. Eens spin, nu ex-spin, zeg maar: moes. Dames en heren, luister goed: er zijn ook jachtspinnen. Die gaan – het mag u verwonderen – gewoon op jacht. Ze construeren niet eens een web. Ze doen de moeite niet. Ze kunnen dus overal opduiken: op uw hoofdkussen, in uw bord. Maar gij daar, onwetende schijtlijster, laat de spinnen met rust! Vang liever slakken! Spinnen zijn nuttige monsters die tijdens de maand septober goed opruimwerk leveren. Heb je dan niet opgelet, vroeger, bij meester Spreeuwe? Je hebt toen toch geleerd dat spinnen allerlei gedierte en ongedierte enteren, verpakken, verdoven en uitzuigen? Jammer dat ze geen spreeuwen aankunnen, heb ik vaak gedacht. Spinnen zijn schapen in wolvenvacht. Ze zien er vervaarlijk uit, maar ze zijn best aardig, zolang het geen vliegen en dergelijke betreft. ‘De Spin’ was ook de codenaam van een beroemde detective uit een serie Nederlandse jeugdboeken, jaren vijftig-zestig. Die kerel had een grijs verleden, was toen moreel aan de betere hand, at graag erwtensoep in Arnhem en liep ook dolgraag over daken in datzelfde Arnhem. Mijn sympathie voor spinnen is daar begonnen. Gevaarlijker beesten dan spinnen zijn hersenspinsels. Dat zijn van die websites in je hoofd waar je hopeloos verdwaalt en verloren loopt. Het zijn parasieten die zich in de hoofden van de mensen nestelen. (Nota bene: het zogenaamde ‘hoofd’ bevindt zich boven op de romp – ook bij u). Veel meer dan voor hersenspinsels zijn mensen bang voor levende harige veelpotige spinnen. Ze dromen bijvoorbeeld dat ze met open mond (ter hoogte van datzelfde hoofd) door een spinnenweb lopen, terwijl in de navel van dat web een dikke vette spin nietsvermoedend zeer stil zat stil te zitten. Slik. Natuurlijk wordt die spin dan gloeiend kwaad. Zou jij graag hebben dat er iemand je breiwerkje weer komt ontrafelen nadat je er anderhalve dag aan gewerkt hebt? Wat een nachtmerrie!
07-09-2005
80: Geen mosselen
GEEN MOSSELEN
Waarom eten we mosselen in juli en augustus? Omdat er een R in het woord ‘zomermaand’ staat. Ik poog deze tekst te maken met alle leden uit ons alfabet, tenzij dat dingetje. Ukken uit de papschool hebben veel last met die klank, want het is hoofdzakelijk een tongpuntgedoe. Volwassenen ook soms: ze maken een keel- of een huigklank. Je hebt eigenlijk hoofdzakelijk je tong nodig, en die moet geoefend zijn. Mei, juni, juli en augustus hebben evenmin dat moeilijke geluidje. Vakantie en geen mosselen? Kan niet. Onmogelijk. Het is als een theeloos Engeland, of een België dat geen patat-met-mayonaise te bieden heeft. In het Duits glijdt deze moeilijke consonant tamelijk zacht op de tong. Hij bestaat nauwelijks. In de taal van onze zuidelijke aanpalenden (en in een flink stuk van ons land ook) schaatst hij diep in de keel en tegen het gehemelte. Net een ziekte. In het Engels behandelen ze hem heel elastisch. Het kauwgumtaaltje uit de United States doet hem helemaal de das om. Lelijk! En de Tsjechische schijnt ook af te wijken. Nee, ik heb geen eitje te pellen met de klank die ik nu constant niet uit mijn laptop laat vloeien. Het is alleen een spelletje. Als ik een student was die speciale moeilijkheden met die tongpuntklank heeft, dan zou ik op deze wijze mijn examen dictie afleggen: de man die de punten uitdeelt, zou misschien nooit in de gaten hebben dat ik, mits enige inspanning, het zaakje opgelost heb en zelf mijn teksten maakte. Misschien kan nu iemand zo’n handboek samenstellen, met teksten die specifieke obstakels niet bevatten. Wat wel al bestaat, zijn gedichten met heel veel dezelfde klank: het i- of het u-gedicht. Of de a-saga: om West-Vlamingen mee te pesten die een van hun moeilijkste klanken moeten oefenen. Oef, het einde is in zicht. Nooit gedacht dat ik het vol zou houden. Het moet namelijk inhoudelijk nog een beetje steek houden, vindt u niet? Het is echt wel moeilijk. Het zogezegd afwezige klankje duikt als een duvel uit een doosje op en je ziet het niet eens. Nu, wie deze tekst luidop leest, zal alleszins zijn tongpuntje niet uitputten. Ik heb nu ook een weddenschap gewonnen. Een bak Leffe en twee kilo mosselen.
06-09-2005
79: Letteren
LETTEREN
Jan de Hartog gaf de geest, een paar jaar geleden, oud 88. Krasse ouwe knar. Hij liep ooit weg van huis om op zee te gaan werken. Hij emigreerde naar Amerika, schreef zijn zeevaartromans in het Engels en vertaalde die dan later zelf terug naar het Nederlands. Hollands beroemdste auteur in het buitenland (werk van hem werd ook verfilmd) werd in eigen nest niet echt tot de literatuur gerekend. Het is blijkbaar het lot van sommige schrijvers die het begrijpelijk en spannend houden. Gewoonlijk zijn ze absoluut geen sant in eigen land. Ergens anders worden ze dan wel op handen gedragen. Dus verhuizen ze. Of proberen ze het in een andere taal. Hemmerechts en Reve bijvoorbeeld, als ik het goed heb. Die schreven ooit in het Engels. Ze zijn wel naar hun moerstaal teruggekeerd. De verwaande literatuurkenners uit de Lage Landen hebben altijd al ietwat smalend gedaan over de lekker lopende, spannende en ontspannende literatuur, die ze soms neerbuigend ‘lectuur’ noemen. Of ‘platgoed’. Jammer voor ze behoorden bijvoorbeeld Enid Blyton (‘De Vijf’) en Françoise Sagan tot de meest gelezen auteurs niet zo lang geleden. Jan de Hartog heeft natuurlijk het Hollandse water geëvoceerd én de strijd tussen goed en kwaad: zoiets typisch slaat in het buitenland aan. Ook Timmermans en Streuvels werden in verre landen gelezen omwille van hun ‘Vlaamsheid’. Tja, Nederland zond al veel schrijvende zonen en dochters uit. Vele dichters, prozaïsten en ook acteurs wonen/woonden en werk(t)en in Frankrijk, Portugal, Amerika. Denk maar aan deegkoppen als Hermans, Komrij, Kousbroek. Wat scheelt er met dat kikkerland? Te klein? Te eng? Te laag? Te waterachtig? Of spelen de elementen ‘fiscus’ en ‘weer’ hier de hoofdrollen in? Ook uit België is een kolonietje artiesten naar Frankrijk getrokken om er als God te leven. Sommigen keerden weer; anderen gingen heen en weer. Dat hangt of hing af van de verkoop van hun boeken, in zeer kleine mate, en van de subsidies van de staat, in zeer hoge mate. Ach, de letteren: ze blijven knetteren. Ik heb net een turf van 600 bladzijden uit over Russische spionagetoestanden. Tien keer leuker en interessanter, voorwaar, dan pakweg zo’n Max Havelaar van Multatuli, waar zoveel andere moeilijke boeken over bestaan. Of dan de dunne boekjes die de heer Claus de laatste jaren op de markt liet brengen. Maar ja, saaiheid is altijd al hét vak op school geweest. Literatuur moet naar ouwe sokken rieken, nietwaar. Anders is zij verdacht.
01-09-2005
78: Krantenpraat
KRANTENPRAAT
Troost u, achtbare heer burgemeester van de guldensporenstede Kortrijk, uwe ex-Voorzitterigheid: zelfs de hoofdredacteur van de zogenaamde kwaliteitskrant De Standaard (waarin ooit over u een potje geroddeld werd) kan niet spellen. In een van de uitzendingen van De ZevendeDag (een tv-programma voor intellectuele zondagmensen zonder kater) ontrolde zich voor de kijkers zijn column. Hij las die ook voor. We kregen te lezen: ‘Hij vleide zich neer … enz… ‘ Dat is een bok van formaat voor een hoofdredacteur. En dat is momenteel ook symptomatisch voor kranten en magazines die zich profileren als zijnde ‘beter’. Zij die in hun teksten op het onderwijs zitten te schieten, bijvoorbeeld, zouden beter zelf eerst behoorlijk leren schrijven. Ik bewaar nog een knipsel uit diezelfde kwaliteitskrant. Het dateert van enkele jaren geleden en het stond op de voorpagina. Een kwaliteitsjournalist vermeide zich in een spelfout in de titel van een boek. Er stond: ‘De Ontsterfelijken’. Een blunder van formaat alweer, ja zeker. Het boek diende dus uit de handel genomen te worden en opnieuw gedrukt, althans: de cover. Maar … in zijn meewarig artikel slaagde de journalist er zelf in een DT-werkwoordfout te scoren. Wat een voorpaginanieuws! Wat je zegt, ben je zelf. En zo ken ik er nog wel een aantal. Het erge aan krantenpraat is dat het de tekst is van één iemand, die dan door velen klakkeloos geloofd wordt, net omdat het ‘in de krant’ staat. Dan te weten dat de helft van de kranten snert en de helft van de magazines pulp bevatten. Gefotografeerd, beschreven en te grabbel gegooid door prutsers die vroeger voor opstel gezakt werden. De zg. tabloids in Engeland zijn er het schoolvoorbeeld van. Riooljournalistiek. In België vergaat het de meeste kranten zoals de meeste politieke partijen: ze beginnen allemaal op elkaar te lijken. Politiek wordt nu zelfs vaak door journalisten bedreven, want ze willen allemaal zo graag gehoord worden en ad rem zijn. Misschien heeft de politiek ook wel dit soort kranten mee helpen veroorzaken. Van het ogenblik dat politici hun kostbare tijd begonnen te verkwanselen door in tv-spelletjes en dergelijke op te duiken, waren alle rapen gaar. Niet te verwonderen dus dat ze onder het mom van ‘human interest’ in het lang en in het breed ten tonele worden gevoerd en uitgesmeerd worden over paginagrote lappen. Hoge bomen vangen veel wind. Variant: tegen openbare bomen plassen veel honden.
28-08-2005
77: Kort-kort-lang
KORT-KORT-LANG
Bijna nergens nog kun je korte verhalen lezen. Alleen maar in obscure, weinig verspreide literaire tijdschriften die niet bij de dokter of de tandarts liggen. Dat is jammer. In Engeland en Amerika geven ze wel short stories uit. Hier niet. Niet meer. Uitgevers zeggen daarover: ‘Het verkoopt niet. Je moet eerst naambekendheid hebben, hoe dan ook, en dan pas wagen we ons aan een collectie korte verhalen’. De uitgevers hebben het genre van de korte verhalen doodgemaakt. De tijdschriften niet, maar wie kent die? Wie leest die? Zevenendertig man en een paardenkop. Alleen de mensen die er zelf in publiceren. Nee, het gaat niet over de Libelle of Knack en zo, want die doen dat al lang niet meer. Het gaat over onbekende literaire bladen: Deus ex Machina, De Brakke Hond, Gierik, Hollands Maandblad, … Dat is allemaal jammer, want korte verhalen zouden dé literaire consumptie van deze tijden kunnen zijn. Kranten hebben daar evenmin nog plaats voor. En over gedichten zullen we het maar helemaal niet hebben; da’s nog erger. Alleen sporadisch wordt ergens eens zo’n gedicht opgeduikeld, gewoonlijk ter gelegenheid van een of andere rare dag: Gedichtendag, Valentijn, Watougedoe of als iemand dood moet gaan of geboren worden. En, ja: naambekendheid, verhippeltjes, wat is dat? Op tv komen in zo’n stomme show? Iemand koud maken en in het gevang vliegen? Het wereldrecord kikkers opblazen verbeteren? En pas daarna de wereld met je korte verhalen kunnen verblijden en verontrusten? Populisme! Ik haat de millenniumcultuur uit de grond van mijn hart. De politiek van de cafébazen en de letterkunde van de beenhouwers. Daarom, onder andere. Om al dat extra-literaire gedoe. De literatuur is naar de knoppen. De literatuur wordt heden ten dage gedicteerd door uitgevers met puur commerciële bedoelingen. Eender welke BV kan momenteel zijn boekje wel kwijt. En de ‘serieuze’ literatuur wordt dan weer gedirigeerd door een klein kliekje zichzelf subsidiërende would-be-professoren die eigenlijk voor prof geleerd hadden maar het niet echt zijn geworden. Dus vinden ze postjes uit voor elkaar – en schrijven ze alleen maar voor elkaar. Ze manoeuvreren jarenlang om dat zo voor elkaar te krijgen, de droogstoppels. Liefde voor de letteren? Vergeet het maar. Je wordt al scheef bekeken als je een normale zin bouwt. Maar ik kan u wel een bloemlezing van hun spel- en taalfouten in al hun teksten en statuten en brieven bezorgen: geen short story, niet kort-kort, maar lang. Jarenlang. De republiek der letteren wordt geregeerd door stuntels met pretentie en tafelspringers met een grote bek. Slager blijf bij uw kapblok.
26-08-2005
76: Oud & Stief
OUDGEDIENDEN & STIEFZUSJES
Het Nederlands kent misschien wel enkele miljoenen woorden. We gebruiken er doorgaans niet zo veel van. Als we er gebruiken, zijn het vaak dezelfde. Dan worden die woorden dat ook wel eens moe. U kent metaalmoeheid, sleet, ouderdom. In woorden kan dus ook de mot zitten. Oudgedienden: zaken die zo vaak gezegd worden dat ze moe zijn. Een beknopte bloemlezing. Laten we de rivier volgen. We snijden ze de pas af. De warmte zit binnen. De tijd staat niet stil. Ze kunnen nu al veel. Er hangt een prijskaartje aan. We moeten er eens uit zijn. Wit is altijd schoon. Wij zijn niet boos, wij zijn woest. De kleine man is weer de dupe. Alle aanwezigen gingen tevreden huiswaarts. De afwezigen hadden ongelijk. De bal is rond. Voetbal is oorlog. De kinderen zijn weer het slachtoffer. Het wordt een hete herfst. De politie staat voor een raadsel. De horeca klaagt steen en been. De terrasjes lokten vele dagjesmensen. Hij heeft niet afgezien. We moeten bij onszelf beginnen. Ik zal je nog wel eens bellen. We kunnen er weer tegen. We hebben maar dat. Ik ga er eens een nachtje over slapen. Dat blijft onder ons, hé. Het is weer te geweldig. Het zal het niet houden. Hela, ze groeien hier niet. Zeg nooit ‘nooit’. Nooit. Ik ben de tolk der aanwezigen. Ik wil hier graag van de gelegenheid gebruik maken. Stiefzusjes: zaken die gemixt worden met andere zaken en aldus een foutieve constructie veroorzaken en die dat ook moe zijn. Een beknopte bloemlezing. We hebben het achter de boeg. Er valt nog een appeltje uit de kast. Alles komt op z’n pootjes terecht. Het loopt van een glijdakje. Ik zie het onderste van mijn tong. Het komt mijn achterhoofd uit. De kogel is door het midden. Er is hier geen levende kat te bespeuren. Ge moet het ijs smeden als het heet is. Er zal geen kat naar kraaien. Ge moet het gouden kalf niet slachten. Hij legt er het loodje bij neer. Ge moet uw schapen niet op het droge verbranden. Die renner moet zijn verantwoording opnemen in de ontsnapping. Het kost te duur. Het is nog te vroeg om een oordeel te kunnen vestigen. Veel wegen leiden naar Keulen. Iedereen kan niet zingen. Einde citaten. Wat klinkt de Nederlandse taal toch wonderzoet. De heerlijkste gerechten echter worden opgediend door sprekers die totaal niet weten hoe ze het moeten zeggen, maar wel weten waar ze het over willen hebben. Of soms omgekeerd, o ramp. Die hebben ergens een klok horen luiden. De Kamasutra is volgens hen een rivier in Indië. Ze hebben het bijvoorbeeld over ‘intimiti’ in plaats van ‘intimi’. ‘Etyologie’ in plaats van ‘etymologie’. Iemand heeft het al levenslang over ‘kervelig’. Zou ze ‘korzelig’ bedoelen? Soms is het zo erg dat je niet eens durft te informeren …
23-08-2005
75: Zomer in Amerika
ZOMER IN AMERIKA
We waren deze zomer al even in Amerika, bij onze naamgenoten die zowel van Vlamingen, Indianen als van Spanjaarden afstammen. Ten noorden van Malibu, aan de kustweg langs de Grote Oceaan, ligt een stukje strand dat Paradise Cove heet. Tijdens vakanties en weekends staat de smalle landweg naar het strand altijd eivol auto’s en caravans. Ook het kleine restaurant puilt er dan uit van de gasten. De jongeren sleuren picknickmanden mee naar het strand, of ze troepen samen aan de broodjes- en pizzakramen. Surfen en zonnebaden zijn hier de twee meest bedreven werkwoorden. Die zaterdagmiddag rond drie uur scheen de zon. Het strand lag vol met aanbidders van dat hemellichaam. Wegens onvoldoende golfslag waren er weinig surfers. Noordwaarts, op het kleine plateau van een rotsformatie waarvan de wand zestig meter loodrecht uit het water verrees, hadden de schaduwmensen hun eigen wereldje gevonden. Nu en dan klonk het scherpe gekrijs van de naar afval zoekende meeuwen boven de stemgeluiden van de baders en het geruis van de branding uit. Vanuit de lucht kwam nog een geluid: het zoevende ronken van een helikopter. De naturisten graaiden snel naar zwembroeken en bikini’s en keken ontstemd omhoog. Een gemompel van teleurstelling klonk op toen men zag wat er op de zijkant van de helikopter stond: THE CHURCH OF ETERNAL LIFE. Een stem daverde door de luidsprekers van de helikopter terwijl de machine naar het rotsplateau daalde: THE CHURCH OF ETERNAL LIFE WISHES YOU PEACE. Daarna verdween de helikopter over de rots uit het zicht. Pat Denowh, mijn naamgenoot, probation officer die zowel van Vlamingen, Indianen als Spanjaarden afstamt, zei alleen maar: ‘Damned.’ Het strandleven hernam zijn normale loop, na dit ongewenste bezoek van de boodschappers van de Allerhoogste. De zwembroeken gingen weer uit en de meisjes koesterden hun dubbele punten weer in de zon. ‘Gebeurt dit hier vaker?’ vroeg ik, met mijn hoofd richting hemel knikkend. Pat Denowh glimlachte. ‘Jammer genoeg wel,’ antwoordde hij. ‘Eigenlijk doen zulke dingen zich ook voor in slechte romannetjes van Harold Robbins. Misschien halen die predikers daar hun inspiratie.’ ‘Aha,’ knikte ik, ‘een beroemde schrijver, zeker?’ ‘Een van de best verkochte,’ knikte Pat, ‘hij schrijft dan ook pure bullshit. Gelukkig staat op de eerste bladzijde van elk van zijn boeken dat het producten zijn van de verbeelding.’ ‘Maar the sky is hier the limit hé,’ opperde ik. ‘Dit is Amerika,’ zuchtte mijn naamgenoot. Het werd nog een interessante vakantie, waarvan elk uur zo gekopieerd leek uit weggooiromannetjes.
20-08-2005
74: Kaap Kont
KAAP KONT
Neem me niet kwalijk. Soms moet het hoge woord eruit. Neem dat nu met een korrel zout. Moet je pissen? U maakt een plas. Heb je het schijt? U baart een drol. Nu ben je maar beter even alleen, met je spleen en je speen. Het lijf staat hier buiten kijf. Nu is het niet meer van u. Minder is nu in u. Meer kan nu weer in u. Vlees, bloed, merg, hersens, kak, pis: dat is wat de mens gewis is. Gekabbel, gezeik, gepraat, gewauwel, gebabbel. Deze aardkloot – een blauwe plek in een heelal – zit overvol. Daarom hebt u zichzelf even verstopt in deze cel van verontreiniging en bezinning. U deelt die met niemand en met iedereen. Zeg niet te gauw: ’t is weer een man. Of: ’t is de vrouw die alles kan, want ook u neemt er afstand van. À propos: het smoort niet dat u hier stoort. Laat uw donkere gedachten even kabbelen op de deining van dat kosmische spoelwater. Negen planeten. Negen gaten in dat vege lijf van u. Hoe veel keer tussen de eerste schreeuw en doodshik en met hoe veel maal uw eigen lichaamsgewicht zult u deze blauwe planeet met uw eigenste venijn verblijden? Is er hoop voor dit hoopje, deze hoop, of ziet het er bruin uit? Voelt u zich bevrijd, pisnijdig, branderig of ontlast? Kijk uit, er zit een diamant in uw drol. Een parel wellicht. Heb aandacht voor vorm, hoeveelheid en geur. Gooi het kind niet met het badwater weg. Zoals u daarstraks in het café overschot aan gelijk had, zo helpt u thans deze zaak aan overschot van mest. Mij best. Halleluja: uw gerief is zeer productief. Luister naar het gorgelen van de pot en het geruis van de inheemse watervallen. Hier heb je tijd om op verhaal te komen. Lees de tekenen aan de wand. Sanitaire literatuur. Schalks gebabbel. Tegelseks. Who the fuck is Kilroy? Is Johanneke een jongen of een meisje? Heeft hij/zij een fopspeen of een ijsje? Ook van woorden moeten sommigen zich ontlasten. Rond deze Kaap Kont. Vaar op deze Mississippi van urine uit. U bent een god in het diepst van uw ingewanden. Maar vergeet na deze vertoning uw gordijnen niet dicht te ritsen. Het water neemt gedwee met zich mee wat u zo lang en zo dierbaar met u hebt meegedragen. Moest u iets kwijt? Het is eruit. Had u het hard? Het reist nu apart. Nu bent u weer alleen. U hebt uzelf afgescheiden. Ach, leer te leven met wat minder gewicht. Minder is nu in u, maar meer kan nu in u.
17-08-2005
73: Assepoes' dagboek
ASSEPOES’ DAGBOEK
Natuurlijk weiger ik. Waarom zou ik met hem dansen? Zijn voeten zijn te groot. Zijn moeder is een kreng van een wijf. Hij zal zijn kleffe vingers tegen mijn rug duwen. Zijn adem riekt naar twee warme maaltijden per dag. Ik wil niet. Ik haat zijn twee hoofden: het ene glimlacht, het andere grijnslacht. Geen van beide heeft nog al zijn tanden. Kinderen zal hij bij mij nooit mogen verwekken. Kunnen we godbetert deze dans niet simpelweg vervangen door een handdruk plus drie beleefde zinnetjes? Of door een zitstaking? Kan het ergens in deze balzaal asjeblief beginnen branden? Stom van mijn zus om me naar hier mee te nemen. Ik hoor hier niet thuis, tussen opgetutte juffers en schaapachtig lachende macho’s. Ai, hij nadert zienderogen. Ik voel het. Zijn ogen branden gaten in mijn rug. Bah, wie heeft dat akelige dansen toch uitgevonden? Zal ik doen alsof ik flauwval? Nee, dan denkt hij dat het door hem komt. Hoe laat is het nu? Nog veel te vroeg. ‘Euche-euche,’ doet mijn zus. Ze kijkt me veelbetekenend aan. Jaja, ik weet het. Ik heb het al lang in de gaten. Ik heb ogen op mijn rug: de zijne, verdorie. Mijn zus glimlacht nu fijntjes. Natuurlijk weiger ik. Waarom zou ik met die kerel dansen? Wat denkt hij wel? Wat bezielt hem? Ai, nu staat hij vlak voor ons. Hij buigt heel slecht. En hij vraagt mijn zus ten dans! ‘Natuurlijk,’ zeg ik rustig glimlachend, ‘neemt u haar maar mee. Ik hou me wel even alleen bezig.’ Mijn zus staat triomfantelijk op. Hij brengt haar naar de dansvloer, dat vierkant van afgrijzen. Ik ben razend. ‘Ik denk niet dat ik nog lang blijf!’ wil ik ze naroepen, maar ik durf niet. Er zit een kikker in mijn keel. Nee, ik roep het niet, maar ik doe het wel, voilà! In mijn haast om me uit de voeten te maken, verlies ik een schoen. Geeft niet. Ik kijk niet eens meer achterom. Schoenen genoeg thuis, om te poetsen. Rise and shine myshoes, every day! Of nee … ik kan toch niet zo … In de verte zit nu een andere mooie gozer te grijnslachen. Terwijl ik met gemengde gevoelens bedenk dat ook dat monster op mij toe kan komen, gebeurt het al. Hij komt in beweging. Help! Ik keer ijlings terug naar mijn plaats en buk me om mijn voet in mijn schoen te wringen.
15-08-2005
72: Weps
WEPS
Medio augustus, na een lang regenseizoen hier in Grijs Vlaanderen, kregen de rugbyspelers van London Wasps in de cup final heel erg op hun donder. Ze verloren met een monsterscore van eh … hun tegenstanders, een andere ploeg dus. Maar hun uitrusting was pico bello; ze leken echt op wespen. Diezelfde dag, na een zomer die november genoemd kan worden, verschenen ook weer honderdduizenden wespen op terrassen en in tuinen. Want ondertussen had de mens zich alweer wat aangepast aan het buitenleven. Het best vertegenwoordigd waren (ik gebruik hier ook de wetenschappelijke benamingen) de ‘gewone’ wesp en de Duitse wesp (‘germanicus’). Zoek maar op; het is zo. Uit Duitsland is overigens nog nooit veel goeds gekomen. De ene soort heeft een drietal stipjes op het voorhoofd, zoals een waarschuwing voor stralingsgevaar, de andere op dezelfde plaats iets wat op een anker gelijkt. Augustus is hun bedrijvigste maand. Dan moeten ze hun eerste twee kwartalen goedmaken. Dan gebeurt de aanmaak van een en ander. Dan zijn er ‘verkiezingen’. En dan is er ook veel zoets beschikbaar en bereikbaar in de mensenwereld: cola, kindervlees, … Het is het hoogseizoen van het broodje-wesp. Ze zouden zelfs aan het tuinmeubilair durven knagen. Twee woorden uit de Nederlandse taal worden door vrijwel alle kinderen ietwat dooreen gehutseld en op een tijdelijk spraakgestoorde manier uitgesproken: hesp en wesp. Sommigen blijven dat hun leven lang doen: heps, weps. De scherpte van het woord ‘wesp’ staat tegenover de bonhommie van het woord ‘hommel’. ‘Hommel’ klinkt gezellig; ‘wesp’ doet zeer. ‘Kloothommel’ is een eerder silly scheldwoord; ‘wesp’ is als scheldnaam zo stekelig en gevaarlijk als ‘feeks’. Maya de Bij is daarbij vergeleken een seut. (Het woord ‘seut’ heeft/geeft geen specifieke uitspraakproblemen). Maar de ergste soort van alle wespen is de WASP: de White Anglo-Saxon Protestant. Het zijn de nazaten van zij die de Indianen van hun gronden hebben weggejaagd en uitgeroeid. Het zijn ook de nakomelingen van al het geboefte dat er aanspoelde op zoek naar fortuin. De WASP vormt een grote meerderheid in Amerika. Flink, blank, protestant. Bush, kortom, father & son, senior & junior. De WASPs hebben ook Irak aangevallen. Want WASPs houden niet alleen van zoetigheid, maar ook van olie.