NIEUW: Blog reclamevrij maken?
SCHUINE TEKSTEN
Inhoud blog
  • 345: Gillers
  • 344: Heiligenleven
  • 343: BW-V
  • 342: Kuur
  • 341: Eerlijke vlinder
  • 340: Avond in VL
  • 339: Goj
  • 338: Zwart gat
  • Detectiepoëzie
  • 337: Curieusneus
  • 336: Hair
  • 335: Upperdog
  • Presentaties Upperdog
  • 334: De Bom
  • 333: Poldercrimi
  • 332: Klein Thailand
  • 331: Opdoffers
  • 330: Wind
  • 329: Hongerije
  • 328: Café
  • 327: Alle regen
  • 326: Hondenleven
  • 325: H... H... H...
  • 324: Roeping
  • 323: Houten koppen
  • 322: Mooilijk
  • 321: Perte totale
  • 320: Goede man
  • 319: Enig kind
  • 318: Fibo
  • 317: Dialoog
  • 316: Etaoin shrdlu
  • 315: Roland
  • 314: Bermkip
  • 313: Men
  • 312: Bruder Lustig
  • 311: Signeergesprek
  • 310: Rook
  • 309: Ode aan mijn bh
  • 308: Alfa
  • 307: Vijgen voor Pasen
  • 306: Wereldsmart
  • 305: Jonge ouderen
  • 304: De Boekenkrijg
  • 303: www.zot.com.bébé
  • 302: Echte fictie
  • 301: Mundial
  • 300: De Felle
  • 299: Westlof
  • 298: Lam Gods
  • 297: Jacky
  • 296: Hop paardje hop!
  • 295: God?
  • 294: Acoliet
  • 293: PP
  • 292: Netwerk
  • 291: Leffaards
  • 290: Het varkensei
  • 289: Geheim
  • 288: Geknipt
  • 287: Geloof
  • 286: Stommeling
  • 285: Een aardig ding
  • 265: VRESELIJK
  • 284: Kloon
  • 283: Allojjo
  • 282: Schaakstuk
  • 281: Communicatie
  • 280: Figuur
  • 279: Hairbag
  • 278: Lijstjes
  • 277: Jos, Joste, Gejost
  • 276: Melk?
  • 274: Frinch fraais
  • 273: Mager Heineken
  • 272: Appartemens
  • 271: Gestopt
  • 270: Ik zou u schrijven
  • 269: Koksmonoloog
  • 268: Een photo
  • 267: Getetter & Getoeter
  • 266: Water
  • 264: Beu
  • 263: Acteur
  • 262: Vederlands
  • 261: Etters & Engelen
  • 260: Men spele...
  • 259: Kwaak
  • 258: Geschoold
  • 257: A la recherche
  • 256: WJZBJZ
  • 255: Eindelijk
  • 254: 'Het' gezin
  • 253: Repetitieruis
  • 252: Kiespijn
  • 251: Reis Hiernamaals
  • 249: Gezondheid
  • 248: Speeltijden
  • 247: Rood licht
  • 246: Ruis
  • 245: Weg
  • 244: Mom
  • 243: HET JAAR ELF
  • 242: Kloon
  • 241: In de put
  • 240: Huid & Haar
  • 239: Zomer 11
  • 238: Duimen maar
  • 237: Poirot
  • 236: Smoke
  • 235: Collateral
  • 234: Nachtraven
  • 233: Undercover
  • 232: Frietpeace
  • 231: Kopie-Kopie
  • 230: Gezeid is gezeid
  • 229: Vreemde man
  • 228: Een stuk
  • 227: België
  • 226: Mijn meesters
  • DRAMA
  • 225: GVD
  • 224: Veldinterview
  • 223: Sprook
  • 222: Zappa
  • 221: Een bod op God
  • 220: Curryculum Vitae
  • 219: Tovenaar
  • 218: Perspest
  • 217: Animatietype
  • 216: Ruim
  • 215: De erwt
  • 214: Podiumbeest
  • 213: Mobiliteit
  • 212: Twee tijgereieren
  • 211: De kus
  • 210: Wolf
  • 209: Een reus
  • 208: Opsporingsbericht
  • 207: K met zuurpruim
  • 206: Volksverlakkerij
  • 205: Doppedrop
  • 204: Kap
  • 203: Affiche
  • 202: Regen
  • 201: Stuk
  • 200: Hair
  • 199: Wie A zegt
  • 198: Bijsluiter
  • 197: TV
  • 196: Arno
  • 195: Letters & Letteren
  • 194: Taalkunde
  • 193: Onder de zon
  • 192: Besparen
  • 191: De goede man
  • 190: Van die dagen
  • 189: Zwarte zwaan
  • 188: Questionnaire
  • 187: Say cheese
  • 186: Loteling
  • 185: Een zwaluw
  • 184: Grijs
  • 183: Claus
  • 182: Liefhebber
  • 181: Monumenten
  • 180: Erger
  • 179: Landbouw
  • 178: Bijna
  • 177: Onafhankelijkheid
  • 176: Zo fout als wat
  • 175: Wei-gevoel
  • 174: Merk
  • 173: Mens
  • 172: Pikant
  • 171: 50 vragen
  • 170: Jinx
  • 169: Wiskunst
  • 167: Met alle Chinezen
  • 166: Mooiste woorden
  • 165: Rijm
  • 164: Internetman
  • 163: EVBO
  • 162: Hondenleven
  • 161: Carrière
  • 160: Coureur local
  • 159: Kip ik heb je
  • 158: Politiek programma
  • 157: Design
  • 156: Kreeft
  • 155: Nicotine
  • 154: Gastronomen
  • 153: Verleiden
  • 152: Opinie
  • 151: 1e hulp in gevallen
  • 150: Verzamelwoedend
  • 149: Fakir
  • 148: Cliché
  • 147: Iets anders
  • 146: Uit de kunst
    Zoeken in blog

    Foto
    Aan de sneeuwzee in Vlaanderen, februari 2012
    Foto

    Jowan & Joris in Stotendorp Heule

    Foto

            Red shoes Wilma

    Foto

    Younger me, already salt 'n pepper

    DEZE KANT BOVEN (Sjors DNO)
    SCHUINE TEKSTEN
    26-12-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.100: Straat

    STRAAT            

    Onlangs zag ik een jeugdstraatvriend terug. In lang vervlogen tijden waren we bijna-buren in de Lichterveldestraat in sparrenstede Torhout. Toen ik hem terugzag, merkte ik dat net als bij mij de tand des tijds zijn werk had gedaan én dook ook de straat onzer jeugd weer in mijn herinnering op. Het was een doodlopende straat met op het einde een voor eeuwig bevroren neergelaten spoorboom. Iemand had bekokstoofd dat die voor altijd neergelaten moest worden. Geen straatje-zonder-einde meer dus. Daarachter passeerden amechtige treinen onder een vriezemaan heen en terug naar de Zuid- en de Noordpool. Heel vroeg in de ochtend al hoorde je hun gegil, want ze sjokten op stoom voort. In mijn straat was een houtzagerij met torenhoge stapels planken, wat dacht je. Er was een geheimzinnig bos-met-kasteeltje aan de overkant. Elke herfst lagen er honderden kastanjebolsters op het trottoir. En er woonde ook geheimzinnig volk in onze straat, in de tijd van de eerste maanlanding en de Kennedymoord: een Franse zerkenkapper, een Joodse kleermaker, een blinde bejaarde met een spuugbak bij de deur, een modiste die Sinatrafan was en nog vele anderen. Stof genoeg om te fantaseren. Je kon alles kopen in onze straat: versch inlands vlees, schoenen, groenten, horloges, zaden, zuivel, hout, fruit, hoeden. Ik hoor nog het gerinkel van glas in een boodschappentas. Er was zelfs een liberaal bibliotheekje in een schoenengroothandel. Open op woensdag en zondag. Ik ontleende er Hugo Claus, Henry Miller en Alles over Giftige Paddestoelen. Want op het binnenkoertje lag een harig boebeest van een hond aan de ketting. In onze ogen was hij zo groot als een kalf. Het was elke dag weer bibberen geblazen om daar te passeren: de poort stond altijd open en het ondier ging soms als een razende tekeer. Een echte blafmachine. We waren vreselijk bang voor zijn gedachten, die al zo rood en zo bloederig waren als de vitrine bij slagerij Paula: versch inlands kindervlees! Ik wou dat ongedierte vermoorden met een giftige paddenstoel. De Lichterveldestraat is nu voor driekwart onherkenbaar veranderd. Zij loopt eigenlijk niet meer door in de richting van Lichtervelde. Wat gebleven is: de wind uit de jaren vijftig in de boomkruinen bij de houtzagerij. Het is daardoor dat ik begon te schrijven. 


    11-12-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.99: Oud nieuws

    OUD NIEUWS                 

    In de Tasmaanse Zee zijn een aantal tot nu toe onbekende vissoorten ontdekt. Wellicht zijn die van heel oude komaf, toen zelfs de dieren nog niet eens spreken konden en er nog geen tweevoeters op deze aardbol rondzeulden. Toen ik de tv-beelden zag, dacht ik bij mezelf dat het vroeger ook al een vreselijke wereld moet zijn geweest. Toen al. De monstertjes en hun gebitjes spraken boekdelen. Alles keert blijkbaar terug, als het al niet stiekem sluimert of ergens in een duister verdomhoekje overleeft. Zo kreeg president Bush ook zijn bloedeigen Vietnam. Na een lange uitputtingsslag zou hij wel eens in het zand kunnen bijten. Ondanks de ‘naoorlogse’ aanwezigheid van zo’n 160 000 Amerikaanse soldaten in Tweestromenland. Dan komen de voorspellingen van die grappige Iraakse minister van Informatie uit. Is er anders nog iets nieuws ondertussen? Neen, helemaal niet. Geen verse informatie. Hip is niet hip meer, maar dat wisten we al lang. Mode is alleen maar oplapping. Trends wekken de lachlust op. En men blijft onbeschaamd zaken jatten uit het verleden en doen alsof men ze zelf heeft bedacht. Alleen de combinatie en het ritme veranderen. Het is anders wel een fijne periode, vindt u niet, die bloedrode en bladgroene kersterigheid alom? Of zullen we maar weer verlangen naar de tweede helft van de prachtmaand augustus? Ik heb augustus altijd al het rusthuis van de zomer gevonden. Zwaarte en overrijpheid zijn troef. Je hebt het putje van de winter, maar er is ook het holst van de zomer. Dat gevoel heb ik in augustus. Dan verlaat ik wat vaker mijn binnenverblijf om me op te sluiten in mijn zeer grote tuin. Dan brand ik een kaars tegen allerlei lastig gedierte en ongedierte en lees zo langzaam mogelijk voor de zesde keer hetzelfde boek uit mijn collectie boeken die ik altijd opnieuw lees. Ik drink dan vaak dezelfde wijn en denk er dezelfde gedachten bij: bijvoorbeeld dat het druk is geweest en dat er weer drukte in aantocht is. En dat er daartussen een niemandslandje ligt in de tuin onder de treurberk, wiens koepel het augustuszonlicht dermate filtert dat je denkt een fotokopie van het aards paradijs mee te maken. En bij het zicht van zo veel licht in de zwaarte van augustus denk je ook nog, vlak voor je in een donkerrode coma glijdt: ‘Wat ben ik blij dat ik niet in Tasmanië zit, of in Tweestromenland, maar doodgewoon hier. Mijn monsters zijn tenminste herkenbaar’. Maar eerst moeten we nog de winter door. En daarna weer de zomer. Enzovoort.


    05-12-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.98: Altijdwitte kerst

    ALTIJDWITTE KERST      

    De kou ziet blauw als wintermelk. Er is geen huis dat niet iets van kerst heeft: kalkoen, cognac, Ebenezer Scrooge, groen, pakpapier in oorlogskleuren, verkoudheid. Als de kerstverlichting in de stad aanfloept, moet het echt wel donker worden. Zo geschiedt. De kou kan je nu niet meer zien. Alleen voelen. De hoop op een witte kerst is zo ijl als de donkere kou. Ijdele hoop wordt bij velen nederige hoop, bijna smeekbede, want hoe lang is het al geleden dat hagelwitte poedersuiker alom tot inkeer noopte? Winters zich konden meten met zovele oude schilderijen en ansichtkaarten? Is Vlaanderen veroordeeld misschien tot een altijdgroene kerst? Ach, niet getreurd. Voor een flink deel van de Vlaamse mensen is het alweer een witte kerst. De vergrijzing van de bevolking, een cliché als een kabouter op een paddenstoel, is namelijk meer en meer een voldongen feit. De welvaartstaat kan het sterftecijfer ernstige schade toebrengen. Blijven de natuur en de sneeuw in gebreke, nou, hup, vooruit dan maar, geen tandengeknars: de mensen doen het. De grijzen, de witten, de pigmentlozen, de ouden-van-dagen, de bejaarden, de hoogbejaarden, de oude jongeren, de jonge ouderen, de derde leeftijd, de vierde leeftijd, de prepensioeners, de gepensioneerden, de zilvervossen, de grootouders, de gewone ouders, de stiefouders, de generatiepacters: die zorgen elk jaar weer voor een algehele witte kerst. Jàren zijn ze herkenbaar geweest aan hun zwarte schoenen, hun kinderbijslag, hun slapeloze nachten. Nu kun je er ze zo uitplukken aan hun haren: wit, zilver, peper-en-zout, muisgrijs, loodgrijs, olifantengrijs, lijkwit, sneeuwwit, hagelwit. Groen en rood, de kabouteroutfit, de kerstkleuren bij uitstek, halen het nooit van het verhoopte wit. Na de zinsnede ‘een witte … ‘ vullen we trouwens bij voorkeur aan: ‘kerst’. Niks anders. Het is zoiets als ‘belendende … percelen’, ‘aangetekende … brief’ en ‘Baskische … afscheidingsbeweging ETA’. Oud, vertrouwd nieuws dus. In het geval van ‘witte kerst’ is het nieuws dat verhoopt mag worden. Zoals we vroeger op nieuwjaardag op uitkijk stonden tot de dronken postbode langskwam met de wenskaarten. En na sneeuw komt dooi. Opspattende donkergrijze kledder. Gegorgel en gekokhals in rioleringen. Grijze koortswind. Nu, voor mij is het toch elk jaar weer een flinke witte kerst: ik heb de ballen en het engelenhaar.


    29-11-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.97: Een goed gevoel

    EEN GOED GEVOEL            

    Ik had een goed gevoel. Het was een vrijdag, valavond. De week voor kerst. Het regende en woei gezellig. Ik had me van mijn auto ontdaan voor de duur van een etmaal, want er was veel blauw op straat aangekondigd. Dat zou blijken te kloppen. Ik bevond me in een horecazaak op de markt van de zuidelijke stad K. Die markt was, echt waar, zinvol, mooi en blauw verlicht. Het regende letterlijk licht. Een goed gevoel. Kersterig. Ik was ook net terug onder de levenden, na een slepende ziekte die me drie dagen en drie nachten lang aan het bed gekluisterd had. Nu leek een en ander lekker te lopen. Alles viel in z’n plooi, zoals ze zo smaakvol zeggen. Voor het nieuwe jaar kon ik een nieuw jeugdboek, een nieuwe dichtbundel en een verse novelle tegemoet zien. Een opperbest gevoel (ook al is het jeugdboek een ‘probleem’boek), want het kwam allemaal uit mijn hoofd. En het zou een kans krijgen. Toen ik van mijn cola nipte, begon ik bijna schuldgevoelens te krijgen. Verdiende ik geen pak slaag? Maar waarom dan? Ik zette mijn schrijfbril op en begluurde de marktverlichting nu op deze wijze. Die werd er niet mooier op. Alles vermenigvuldigde zich, en werd waziger. Er zijn grenzen. Het uur vorderde. Mijn gevoel bleef goed. Ook al werd ik voortdurend ouder. Klokslag twintig voor zeven kreeg mijn gemoed plotsklaps een deuk. In mijn vizier passeerde een kerel met een pluimhoedje op zijn hoofd. Waar anders? Dan op zijn hoofd? Getverderrie. Op mijn schaal van welbevinden zakte mijn gemoed terstond enkele graden. Hoedjes met pluimpjes op beschouw ik als kwalijke voortekenen. De mannen of vrouwen die eronder lopen en ze torsen (neem nou Fabiola, ook een vrouw), hoeven daar niks achter of onder te zoeken. Eerder erboven. Ik wendde mijn blikken weer naar de feestverlichting en ontdekte een patroon in de boomversieringen op de markt. U kunt al raden zeker welk patroon? Nu, erger werd het niet. Ik was gewapend met goede wil. Ik bestelde immers ondertussen ook mijn derde cola. Wist u dat cola geneest? Ik ook niet. Ik weet het nog altijd niet. Maar ik denk het. En bovenal: ik voel het. Een goed gevoel. Maar het kan ook zijn dat cola ziek maakt. Niet zo’n goed gevoel. Wanneer zullen we eens iets met zekerheid weten?


    21-11-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.96: Op je tellen passen

    OP JE TELLEN PASSEN        

    Er was eens een stad. Soms lag die te blakeren in de zon. Soms lag die te rillen onder een vriesmaan. Het was een heel mooie en gezellige stad, waar iedereen in wilde. Maar niet iedereen mocht er zomaar in. De oorspronkelijke stedelingen wilden alles rustig en netjes houden. Daarom was de stad versterkt en omwald. Er was bijvoorbeeld maar een toegangspoort. Voor die poort stond dag en nacht een gewapende poortwachter. Hij was gewapend met wachtwoorden en een vervaarlijke hakbijl. Hij kon onafhankelijk beslissen wie in de stad werd toegelaten. Wie hem het correcte antwoord op een van zijn wachtwoorden kon geven, mocht erin. Want die was knap genoeg en zou dus de stad geen schade berokkenen en misschien wel nog welvarender maken. Wie verkeerd antwoordde (en gewoonlijk gebeurde dat door simpele onnadenkendheid), hakte hij onverbiddelijk de kop eraf. Je kunt je voorstellen dat de stedelijke ophaaldienst elke avond en elke ochtend een berg bloederige koppen en lijven te verwerken kreeg. En van massatoerisme had de stad geen last. Nu, ter zake. Op een miezerige namiddag diende een Anglicaans priester zich bij de poortwachter aan. Hij had een lange reis achter de rug en was doodmoe van het liften. ‘Dag,’ knikte hij, ‘mag ik erin alstublieft? Ik ben moe tot in mijn ruggenmerg’. ‘Als u correct op het wachtwoord weet te antwoorden, maak ik daar geen probleem van’, zei de wachter, terwijl hij zijn hakbijl alvast steviger omklemde. ‘O, oké. En dat is?’ ‘Het wachtwoord is: twaalf’. Even dacht de geestelijke na. ‘Zes’, antwoordde hij dan. ‘Oké’, knikte de wachter. En hij liet de priester door. Even later kwam er een journaliste aan. Ze wou voor haar krant een verhaal over de stad schrijven. ‘Hoe luidt het wachtwoord?’ informeerde ze. ‘Acht’, deelde de wachter haar mee. ‘Zie je het zitten of verdwijn je maar liever weer?’ ‘Vier’, glimlachte de journaliste opgelucht. De poort werd prompt geopend. In de valavond tikte een verpleegster op de schouder van de poortwachter. ‘Hallo. Ik wil bij mijn zus in de stad op bezoek. Kan dat?’ ‘Dat hangt van u af. Het wachtwoord is: zes’. De verpleegster knikte. ‘Drie!’ riep ze fluks. ‘Hupsakee’, deed de wachter, en de poort zwaaide open. Klokslag acht uur meldde zich een advocaat aan de poort. De wacht zou over een halfuur worden afgelost. ‘Goedenavond meneer’, groette de advocaat beleefd. ‘Ik word op een gerechtelijk diner verwacht in uw zeer mooie stad. Het schijnt dat er een wachtwoord en een wederwoord is. Mag ik dat van u horen? Moeilijk kan het niet zijn; ik heb gestudeerd’. ‘Hm’, knorde de wachter. ‘Jouw wachtwoord is: tien. Wat heb je daarop te zeggen, gestudeerde?’ ‘Vijf’, antwoordde de advocaat onmiddellijk en onnadenkend. Eigenlijk had hij al de hele dag op de loer gestaan in de omgeving van de stadspoort. Hij meende dat hij het doorhad. Zonder aarzelen hakte de poortwachter het gestudeerde advocatenhoofd eraf. Het bloed spoot naar alle windstreken.


    15-11-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.95: Het anciauvisme

    HET ANCIAUVISME           

    Enkele verzuurde middenstanders uit de horeca maakten twee zomers geleden heisa rond de zogenaamde lawaaihinder naar aanleiding van het Brugse Cactusfestival, eervoorgaande editie dan nog wel (het schaap was al verjaard). Het was weer zo’n typisch voorbeeld van wat zich de laatste tijd aan het manifesteren is: verzuring. Heeft dit enge denken te maken met hoe de bevolkingspiramide alhier er momenteel uitziet? Met de vergrijzing? Vroeger al, onder andere een stuk door de schuld van de tv, kregen we met verkleutering te maken. Dat is al net zo erg als verzuring. Verkleutering: het versimpelen van alles, iedereen beroemd, weg niveau, leve den bompa, de lat gelijk, VT4, miss Asperge, Sam Gooris, populisme alom, den Pfaff en den Planckaert hebben het gezeid, dus ’t is waar. Het Stevaertisme, geschraagd door het Anciauvisme, is er de politieke vertaling van. Stunt of gestuntel. Laten we lachen. Verzuring: saaiheid troef, Vlaanderen beeft, laat vooral niks gebeuren, er kome ernst, vroeg in bed, leve het grijs, en wit is ook altijd schoon, fusioneren, fusilleren. Verboden te lachen. Wie is de meest kleurloze politicus met de hoogste zuurtegraad? Keuze te over. We beleven ons kleuterkwartiertje en onze zuurpruimentijd tegelijkertijd. Het is natuurlijk ook een gouden tijd voor advocaten; kleuters en zuurpruimen hebben vaak ruzie en sommigen wenen ook vlug. Andere zuurpruimen moeten dat dan oplossen. Laten we wel wezen: het Anciauvisme en het Stevaertisme werken de verzuring niet in de hand. Ze hebben alleen bepaalde zaken verkleuterd. Het ziet er soms allemaal te simpel uit, 1 plus 1 is 3 bijvoorbeeld, terwijl de wereld momenteel toch vierkant in het rond draait, nietwaar. Toppunt van de internationale verkleutering wellicht was de Iraakse minister van Informatie. Hij ontkende de nederlaag terwijl de bommen op zijn kop vielen. Hij maakte er als het ware een speelgoedoorlogje van. Gevolgen: drukbezochte websites ter ontspanning van de Amerikanen en diverse gadgets. De Iraakse lolbroek werd de meest bezochte man ter wereld; hij vond de humor opnieuw uit in levenden lijve. Maar ook de Amerikanen speelden toen met kaarten, waarop de foto’s van hun bekendste vijanden (BV’s) prijkten. Zoek de schoppenboer and kick him in the ass! Terug naar ons eigen kleine speelgoedlandje. Wordt dit druilerige driehoekje gered door het Stevaertisme-Anciauvisme? De Steve is al omhooggevallen. Die moet nu zwijgen en stoppen met stunten. Den Bert maakt het verder bont. Zal Zijne Vergrijzende Goedlachsheid de cultuur, vooral de literatuur en het theater en de film, volledig naar de knoppen helpen? Het ziet er naar uit. Worst, Bert, worst. Laten we weer eensgezind worst vreten, opeengepakt als anjovissen. Maar blijf met je fikken van de boeken.


    07-11-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.94: Dichter in Darlingen

    DICHTER IN DARLINGEN                

    Twintig dagen lang had het geweigerd om te regenen. Op de laatste vrijdag van de maand toog ik naar een van de gezelligste plekken ter wereld, en zie, voorwaar: het regende eindelijk eens. Sprokkelende vrouwtjes met zwarte halsdoeken om sloegen een kruis; landbouwers voerden een rondedans uit. Wat een verkwikking. Huiverend van genoegen bleef ik een kwartier lang rechtop staan in de regen, op het brugje boven de kolkende Heulebeek die Heule-Watermolen in tweeën splijt. Daarna ging ik een portie mosselen eten in ’'t Brugske bij Jempi, ten voordele van de Watermolenkermis. Het waren voortreffelijke mosselen; ik at er 48 en zwoer bij mezelf daar volgend jaar terug te keren. Net toen ik aan een gedicht over cholesterol en caloriebommen wou beginnen, kwam een Schepen van Iets binnen. (Jammer genoeg is dat Kortrijks schip ook bevoegd voor onze deelgemeentes Heule en Heule-Watermolen. We hadden liever zelf onze boontjes gedopt, want wat we zelf doen, doen we beter. In 1977, rampjaar van de fusies, zeg maar: fusillades, stopte het Gouden Tijdperk van de Menselijkheid). Tja, waar een of meer mensen in naam der mosselen verenigd zijn, daar is een schepen in hun midden. ‘Ha, de dichter’, sprak deze schepen stemmig. ‘Ah, eh‘, wedervoer ik. Ik heb altijd moeite met het aanspreken van politici: is dat nu wel een beroep? (‘Dag politicus’. ‘Hoi politieker’. ‘Ach‘). ‘Ge gaat er moeten over schrijven hé, over de mosselen’, zei de Schepen van Iets. ‘Ik moet altijd over alles iets schrijven, als ze mijn kop zien’. ‘Maar ge zijt dan ook dichter hé’. ‘Ja: dichter in Darlingen’. ‘Darlingen?’ ‘De naam die Conscience aan Kortrijk (of was het Dendermonde?) gaf in zijn boek De Burgers van Darlingen’. ‘Ah. Niet gelezen. Eh... … Dichter in Darlingen: een … hoe noemen ze dat ook weer?’ opperde de schepen. ‘Een ramp?’ stelde ik voor. ‘Neenee, ik bedoel: D … D … tweemaal. Zoals bij Suske en Wiske hé, allez, zoals in De Natte Navajo’. ‘Jaja, het regent hier vaak en een dichter in Kortrijk voelt zich inderdaad als een indiaan tussen cowboys. '’t Is hier de streek van de zwiepende lasso’s en de elektriciteit van koeienstaarten hé’. ‘Ja, het is echt een stad vol gedichten hé, met die volgeschreven vuilniszakken‘, glunderde de man. ‘Jaja, we zijn daar zeer gelukkig mee. Vooral de dichters uit Darlingen zelf, meneer de Schepen van Iets. Wat doet godgenageld een gedicht van een Antwerpenaar op Kortrijkse vuilniszakken? Moeten we nu nog voor u stemmen of hoe zit dat?’. Plotseling kreeg de Schepen van Iets iemand anders in het vizier. Ook een belangrijk persoon. Hij mompelde nog vlug een alliteratie en ging deze persoon enige malen op de schouder kloppen. Ik schrapte mijn poging om een gedicht over cholesterol te schrijven en verving die door adrenaline.


    01-11-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Onwijze uk
    Klik op de afbeelding om de link te volgen










    Onwijze uk

    30-10-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.93: Wijs & grijs

    WIJS & GRIJS        

    Hebben nieuwslezers benen? Voorwaar ik zeg u: in dit land hebben nieuwslezers geen benen. Niemand weet dat. Het is een vereiste. Toen ontdekt werd dat Bavo Claes benen had, werd hij bijna ontslagen via de tussenstap van het laatavondjournaal. Nu heeft hij het zelf ‘bekeken’. Regelt de koning de verkeerslichten? Beschikt hij over de Grote Verkeersknop in Brussel? Dan moet hij dringend zijn mobiliteitsplan bijstellen. Ook al is hij al jaren koning. Er zijn nog wel meer gekke dingen aan de hand in dit gekke land. Om de vergrijzing van de bevolking niet te duur te laten zijn, nou, om dus niet zo veel pensioenen te moeten betalen dus, raadt de regering de vijftigplussers aan om langer aan de slag te blijven en er niet uit te stappen. Ondertussen echter dankte een bekende regeringspartij in een klap drie van haar oudere ministers af, o.a. iemand van zelfs amper 45. Van schoolvoorbeelden gesproken. Of paradoxen. Geen consequenties voor excellenties! De premier wou tweehonderdduizend nieuwe jobs veroorzaken. Karel Vinck, de man met de handen in de zakken, naar voren geschoven door de regering om de problemen met het spoor op te lossen, wou tienduizend jobs schrappen én de tickets duurder maken én stations afschaffen. (Schouppe deed het anders; hij kuiste zijn schup af en ging mee blaten in de politieke kudde, volledig ontspoord. Een vergeet-mij-nietje voor het leven: ‘Schouppe! Kent gij dan Schouppe niet, madam? Die van ’t spoor?!’ ‘Ah, dié Schouppe! Maar dat was nen slechten!’ Einde citaat). Van schoolvoorbeelden gesproken. Of paradoxen. Alles en iedereen moest de laatste tien jaren dringend gaan afslanken en fusioneren en rationaliseren, maar nog nooit hadden we omgekeerd zo veel regerinkjes en presidentjes en ministertjes. Nog veel meer dan voor de gemeentelijke fusies medio jaren ‘70. Wat ze zeggen en dicteren, deze dames en heren, zijn of doen ze zelf niet. Geen consequenties voor excellenties! En zullen we het even over de cumuls van bepaalde politici hebben? En wat ze daarover allemaal te leuteren hebben? Neen. We zwijgen over de mensen met twee, drie functies. Anders sneuvelt er weer een job. De mijne. Treurigheid troef. Toch dit: er was er zelfs eentje bij dat het bestond bij voorbaat te beweren dat je als parlementariër te weinig werk hebt, zodat later het niemand hem kwalijk kon nemen dat hij ook partijvoorzitterschap en burgemeesterschap en ministerschap ambieerde. Een ware wegbereider, voorwaar, voor zichzelf. Als ik nieuwslezer zou zijn (maar ik heb daar de juiste grimas niet voor en ik zie er ook te middeleeuws uit), zou ik bij het uitspreken van die namen voortdurend onder tafel met mijn benen zitten schoppen, ware het niet dat ik dan geen benen zou hebben. Ik zou alleszins zitten knarsetanden. Net zo wijs en grijs als Bavo Claes. Zonder benen dus.


    25-10-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.92: Beeld & Woord

    BEELD & WOORD        

    Onlangs gehoord op de radio, uit de mond van een platenbaas: ‘Als je als muzikant of groep geen videoclip hebt, mag je het vergeten’. Onlangs beseft, naar aanleiding daarvan: ‘Als je als schrijver met je kop niet op tv komt, kun je ’t wel schudden met je boek’. Ik zie al jarenlang alsmaar dezelfde schrijversgezichten op tv en in de bladen. Ze zijn alomtegenwoordig. Ik probeer al net zo lang hun boeken te lezen en ik ben vaker zwaar ontgoocheld dan opgetogen. Die zijn saai, slecht, soms nodeloos balorig, en daarenboven lezen de schrijvers hun teksten nog belabberd voor ook. Opgeblazen door de media, jawel. Op de schouder geklopt door ‘ons kent ons’. En er gaat geen programma voorbij of een van die ‘ons kent ons’ moet wel ergens een mening over iets ventileren. Er zit een veelschrijver bij die kutboeken zonder verhaal schrijft. Bij een tweede is alles maar armetierig doodgewoontjes. Om de aandacht daarvan af te leiden probeert hij af en toe wat aan politiek te doen, zonder succes, en op tafels te springen. Een derde is om te huilen. Zelfs dagboekmatig; we zullen het allemaal geweten hebben. Ik vraag me af, en velen doen dat met mij: vanwaar dan al die media-aandacht voor immer dezelfde smoeltjes? Die drukte? Die wind? Waarom krijgen betere schrijvers niet meer aandacht? En moet het nu echt altijd over bekende gezichten gaan die bekend geworden zijn door hun bekendheid dank zij de tv? Is ‘gezien op tv’ en ‘gelezen en gezien in de blaadjes’ dan een argument of criterium voor kwaliteit geworden misschien? Tja, dan zijn we ver heen. Dan worden we een dom volk, dat de dictatuur van het beeld aanvaardt en ondergaat. In de nabije toekomst, namelijk het heden, zullen er dus behoorlijk wat kunstenaars uit de boot vallen omdat ze niet aan de juiste toog hangen, geen lange arm hebben, te ver van Antwerpen of Brussel wonen, hetero of homo of allebei of niemendal of krokodil zijn, nooit in dwaze programma’s op het scherm van afgrijzen verschijnen, bijgenaamd de tv, geen hielen likken, pluimen strijken. De literatuur en de kunst zijn ingepalmd door de platte commerçe. Middenstanders hebben zelfverklaarde bestsellertjes de markt opgestuurd. Dichters van ergens anders schrijven inheemse vuilniszakken vol. Alles moet weg, mijn voeten! Gooi alle televisietoestellen buiten, en er schiet geen van die succesnummertjes over. Zo, voilà, nu ga ik weer Tsjechov lezen, Nabokov, Gontsjarov. Van die drie niet-hogervermelde opgeklopte Vlaamse pennenridders zal ik maar niets meer ter hand nemen. Ze zijn al in allerlei blaadjes en bladen zo uitvoerig uitgesmeerd, dat ik ze niet meer hoef. Trop is te veel.


    18-10-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.91: Flater

    FLATER              

    Missen is menselijk. Men zegt het zelfs graag nog anders, omgekeerder. Tristan Peirsman, ooit doelbewaker van Anderlecht, een vrij bekende voetbalploeg, liet zich eens een bal ontglippen. De sportpers watertandde. Perfectie is immers saai. Men ziet liever onvolkomenheden, fiasco’s, mislukkingen. Bij Club Brugge, ook een befaamde voetbalploeg, viel niet zoveel meer te beleven. Ze werden landskampioen. Saai! Het gaat dus redelijk goed. De sportpersers trokken toen ook liever richting Anderlecht, op zoek naar de onfortuinlijke doelwachter, dan naar Brugge. Nu kan het even verkeren, maar … wacht maar! Het was vroeger ook altijd leuker kijken naar John McEnroe dan naar Björn Borg. De ontvlambare versus de onkreukbare. De onvoorspelbare versus de saaie piet. Zweet tegen Zweed. Er viel altijd wel wat te beleven aan de ene kant van dat net. Een schoonheidsfoutje is sympa. Een flater is mega. Het publiek snoept wekenlang van een blunder. Koppen moeten rollen. Koppen snellen, koppen die rollen: wat zich vroeger rond de guillotines afspeelde, gebeurt nog altijd massaal. Nu vervullen de kranten de rol van de guillotines. Wat onthoudt men van renners? Wespen. Wat onthoudt men van presentatoren? Valpartijen. Ook de schepping vertoont flaters. God wil immers ook af en toe wat plezier in zijn eenzame zevende hemel. Zo is elke man eigenlijk een niet-vrouw. Een vergissing dus. ‘Even proberen met een komma tussen de benen,’ moet God gedacht hebben, ‘en hop maar, vooruit met de bok, die pik achterna!’ En Hij kijkt grinnikend toe, de olijkerd, samenzwerend met alle vrouwen. De eendagsvlieg is een vergissing. Vliegende vissen zijn dat ook. En de wandelende tak is niet zo gelukkig met zijn verschijningsvorm. Hij weet nog altijd niet goed wat hij is. Sommige automerken, BV’s (nou: TV’s eigenlijk, alleen maar bekend omdat ze op den teevee komen), politici en televisieprogramma’s mogen ook in het grote boek van gigantische blunders of flaters. Maar ach, laten we het niet altijd over mensen hebben. Anno 2005 ontploften al minstens twee voetballen op het veld, in België en Nederland. Er zijn geen zekerheden meer. De bal is niet altijd meer rond.


    13-10-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.90: De Brabançonnettes

    DE BRABANÇONNETTES       

    Handje in handje staan ze al een braaf klasje beste kameraadjes op één lijn. Ze playbacken dapper de nationale hymne. Ze dragen hetzelfde rode T-shirt. Af en toe is er een nieuweling. Maar dan moet er een ander naar het strafbankje. Ze maken nooit ruzie, tot je in de magazines en de kranten tussen de regels de wrevel leest. Er is en er was altijd wat met die verwende rotkereltjes. Ze liggen meer op massagetafels en aan stranden dan ze op velden staan, terwijl rond hen miljoenendansen worden uitgevoerd en viersterrenkoks zich uit de naad werken. Is dat nu zo moeilijk om die rotbal van de middenstip naar de vijandelijke kooi te brengen en die erin te trappen? Ze zijn toch met z’n elven? ‘Ne goei foetbeller,’ zegt zo’n coach dan over eender wie in eender welk interview. ‘Em speelt op kerekter en em ken efzien.’ (Soms varieert het dialect van zo’n coach.) Het klasje Brabançonnettes bestaat altijd uit ‘tien goei foetbellers’ plus een wereldkeeper. En toch krijg je de indruk dat je met een kleuterklasje te maken hebt. Groen veld, rode shirts: geef ze nog een gele puntmuts en ze kunnen zo de Vlaamse showbiz in. Hun lijflied: ‘De Rode Duivels gaan naar Blankenberge/Tien om te zien/Eén die zweeft/De rest die beeft/De tribune leert afzien//’ De Brabançonnettes zouden eens weer tot mensenmaat herleid moeten worden. Ze zijn net als alle andere mensen opgetrokken uit vlees, bloed, merg, been, zweet, pis en nog wat hersenen. Ook het Belgisch volkslied moet aangepast worden. Het is lelijk en het heeft te veel noten. De voetbalvelden mogen ook wat kleiner zijn. We leven toch al in een klein koninkrijkje, dat vanzelf al verkaveld is in stukken en brokken. En het zogenaamde ‘voetbalspel’ zelf mag met twee ballen worden gespeeld, om het eens wat spannender te maken. De ploegen moeten gehalveerd worden. Dan lopen de spelers elkaar minder voor de voeten en komt er minder ruzie van. Het nationale elftal mag nog uit vijf spelers plus een doelwachter bestaan. En twee ballen dus. Dat is ook handig voor de wasserij. Pas bij het verlaten van het stadion betalen de toeschouwers een uitgangsticket: 2,5 euro per doelpunt. We kijken dus met hooggespannen verwachtingen uit naar brilscores. Het grote voorbeeld moet daarbij van onze nationale Brabançonnettes komen. Het moet ook gedaan zijn met business-seats. Wie honger heeft, gaat maar op restaurant. Daar kun je nog het best van al niét naar voetbal kijken. Er is dan maar één probleem: niemand die het ziet. Ik bedoel: niemand die het ziet dat je niet naar … Ach, de bal ligt in uw kamp.


    11-10-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.89: Mirakel

    MIRAKEL               

    Een mirakel, bestaat dat? Welzeker. Een ouderwets mirakel? Alle mirakels zijn ouderwets. Er zijn er geen nieuwe. Want dan zijn ze uitgevonden. Een voorbeeld moet u voorzeker overtuigen. Laten we even teruggaan in de tijd, die dommekracht waardoor we ouder menen te moeten worden. Londen, Joseph Haydn. In zijn tijd was Joseph Haydn al heel erg beroemd in Europa. Het was een tijd waar men nog echt verwonderd kon zijn over een mens van vlees en bloed. Zo gebeurde het ook die avond in Londen. Joseph Haydn kwam er musiceren, dirigeren. Er was een afgeladen, eivolle zaal. Nieuwsgierig volk wou van dichtbij de beroemde man aan het werk zien. Men stroomde toe onder een gigantische luchter die uiteraard pal midden in de zaal hing, boven al die hoofden. Het duurde niet lang of iedereen verliet zijn plaats. Men wou van zo dicht mogelijk meester Haydn kunnen bekijken. De toeschouwers begaven zich kuddegewijs naar voren en troepten allen samen voor het podium. Even later kukelde achter hun rug die kroonluchter – op dat ogenblik een dodelijk wapen – met hels gekraak en gesplinter in de lege zaal neer. Niemand werd gewond. Deze nederdaling gebeurde tijdens de 96e symfonie van Joseph Haydn. Die symfonie kreeg daardoor de bijnaam: Het Mirakel. Ja, muziek verricht mirakels. Muziek doet wonderen. Muziek verzacht de zeden. Een tweede voorbeeld zal u voorzeker nog veel meer overtuigen. Het is wel van een geheel andere orde. Toch is het ook echt gebeurd. Eens keerde ik ’s nachts huiswaarts, toen een gevaarlijke bruine beer met gesperde muil en uitgestrekte klauwen op me afkwam. Ik was ongewapend, maar ik beschikte toevallig wel over twee vuurstenen. Ik graaide die vlug uit mijn jaszak en mikte er een van recht in de muil van de beer. De beer schrok zich rot, liet zich weer op zijn vier poten zakken en draaide zich daarbij met zijn kont naar mij. Ik nam mijn tweede vuursteen en gooide die met alle kracht die ik in mijn jonge lijf kon verzamelen recht in de kont van de verbijsterde beer. De twee vuurstenen ontmoetten elkaar aldus in het midden van de beer, de zg. ‘maag’. Daar veroorzaakten ze door botsing een geweldige ontploffing, waardoor de beer sneuvelde. Niet ik. Ik was gered van een wisse dood, door een mirakel dat ik eigenlijk zelf had verricht. Sedert die ontmoeting bij nacht en ontij heb ik altijd twee vuurstenen bij me.


    08-10-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.88: De ziel van het kind

    VOOR DE ZIEL VAN HET KIND               

    De hautaine betweters, bedillerige kwezels en betuttelende blauwkousen die de laatste jaren oordelen over de Vlaamse jeugdliteratuur via tijdschriften en jury’s en commissies enzovoort, hebben Pietje Bell en Pippi Langkous vermoord. Ze hebben het ook met Marc De Bel geprobeerd. Tevergeefs. Ze hebben hun ziel verkocht aan een bloeiende Nederlandse uitgeverij en kwijlen als hondjes, nou: teefjes, bij het horen van die naam alleen al. Al de rest is verdacht, overbodig, Vlaams, ongevraagd, ongewenst, niet via henzelf gepasseerd of gesignaleerd, dus niet goedgekeurd. Deze Vlaamse, nou: Antwerpse, kwezels plegen vaandelvlucht en collaboreren met zg. ‘grote namen’, gemakshalve, veiligheidshalve, voorspelbaar, en eigenlijk doen ze ook de moeite niet nog andere boeken diezelfde aandacht te gunnen. Het blijft altijd bij dezelfde namen. Door deze permanente namedropping hopen ze zelf in beeld te komen en mee van de koek te eten en in het zonnetje te staan. Je weet maar nooit dat ze ooit gevraagd worden zelf eens een boekje te plegen. Bij die ‘grote’ Nederlandse uitgeverij natuurlijk. Ze propageren ondertussen onverdroten veilig en voorspelbaar de namen van de zg. ‘betere’ auteurs. Zeg maar: ‘saaie’. Die zijn ondertussen zelfs zo saai geworden dat ze alleen nog gelezen worden door diezelfde hogervermelde kwezels van 30-plus, jury’s en enkele collega-schrijvers. Deze propagandisten van het ‘betere’ boek jongleren graag met woordjes als ‘diepgang’ en ‘psychologie’ en verfoeien fantasie en avontuur. Ze hebben dus Pietje en Pippi vermoord. Ze hebben met hun diepgang de leuke jeugdliteratuur ondermijnd en de avonturenboeken ondergraven. Bij hen zou een manuscript van Astrid Lindgren geen kans maken. Misschien zelfs niet van ene Roald Dahl. Lig ik daar wakker van? Nou, nee. In de literatuur voor de ‘volwassenen’ zien we ook al vijftien jaar de tafelspringers en de slagers en de lijkenpikkers en de tv-gezichten en de meninghebbers de plak zwaaien, terwijl de goede boeken en hun schrijvers in de schaduw blijven. De middenstanders van de letterkunde hebben het voor het zeggen, nou: roepen. Je kunt maar hopen op andere tijden. Ach, ik heb, zoals bekend, een hart van koekebrood. Als ik een hartinfarct zal doen, zal het niet door boekbesprekers komen; het zal te wijten zijn aan een rozijn.


    30-09-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.87: Bos

    BOS                     

    Wel ja, West-Vlaanderen heeft het kleinste percentage bossen van alle provincies. En dan? So what? We hebben ook het minste percentage bosbranden van alle provincies. Overigens zijn bossen lelijk. Ze belemmeren het zicht. Net tralies. Aparte bomen zijn wel mooi. En wij in onze lage streek hebben toch ook de kust? Geen enkele andere provincie heeft zoveel kust. En dan nog, over bossen gesproken: we mogen er dan nog weinig hebben, de beroemdste bossen bevinden zich toch in West-Vlaanderen. De bossen van Beernem en hun moorden! Het Lappersfortbos in Brugge-die-Ontboste! Da’s wat anders dan die saaie donkere Ardennen en hun claustrofobische bossen. Er staan daar zelfs zoveel bomen zo dicht bijeen opeengepakt, dat je er nooit eens een echte Arden kunt zien. Of een normale zonsondergang. Hier in het platte verre westen kunnen we ten minste nog de wind aflezen aan een boom apart, aan een bomenrij of een bosschage. Een boom dat is een prachtig ding, weet je wel. Een bos is van het prachtige en goede te veel. Less is more. Ik kan uren naar een boom turen, maar ik doe dat nooit wegens tijdsgebrek. In een bos word ik knettergek. Die ellendige kampen van mijn jeugdbeweging vroeger gingen gewoonlijk in van die knettergekke bossen door. Als er met school ‘bezonnen’ moest worden (eufemisme voor ‘weg in ’t hoofd en geen les’): naar de bossen, jongens! Zelfs in West-Vlaanderen bleven ze ze ontdekken, die zielenhelende bossen. Groenhove, Tillegem, Heuvelland, Wielsbeke, Kluisberg, Zevenkerken, Snellegem, potverdorie, Baekelandt, Beerbos, Sterrebos, het houdt niet op, Beernem, allez, vooruit, West-Vlaanderen lijkt plotseling wel één groot oerwoud vol met houthakkers en hindes. Zelfs bij ons in het bij wijlen zeer stille en soms zeer onrustige Heule is er een bos of twee: Heulebos en Steenbekebos. Maar dat zijn bosjes die vooral uit villa’s bestaan en bordjes-bij-bosjes waarop stukken bos te koop worden aangeboden. Om op een positieve noot in verband met hout te eindigen: een van de mooiste bomen die ik ken, staat vlak naast een frituur en een krantenkiosk aan een druk kruispunt in de stille zuidelijke stad K. Dat vormt samen een prachtig stadslandschap. En het ruikt er nog lekker ook. Ondertussen speelt zich in het Venetië van het noorden nog altijd de Lappersfortboslegende af, die zo stilaan een stadslegende aan het worden is, maar jammer genoeg een die echt gebeurd is …


    27-09-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Hoofdzaak
    Klik op de afbeelding om de link te volgen








    Mijn hoofdzaak, geschilderd door MKLL

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.86: Stik

    STIK                       

    Ik ben afgunstig op mensen die een das kunnen knopen. Ik ben jaloers op iemand die op perfecte en esthetische wijze een handdoek om zijn of haar kop kan draperen na een badscène. Graag zou ik in de plaats zijn van een mens die aan zee woont in een stad waar het altijd waait. Hoe prachtig moet het zijn om elke dag tot tegen de middag in kamerjas rond te hangen. Dolgaarne zou ik eens een jaar lang in de schoenen willen staan van een beroepswijnproever. Ook als voorproever van het koninklijk paar, maar niét van hun kleinkind, zie ik het zitten, best wel een aantal jaren. Ik krijg een steek door mijn hart als ik een rotverwende topvoetballer zijn tiende doelpunt van het seizoen zie maken. Stikjaloers ben ik op iemand met een massa ravenzwart haar op zijn hoofd én op de geslaagde kaalkop die zich van niks meer moet aantrekken boven zijn voorhoofd. Ik benijd degene die langzaam en grondig een meesterwerk pleegt en daar tijd voor maakt: een Vlaams konijn in de pot, een roman, een schilderij, een gebouw. Hoe graag zou ik een succesvol oesterboer zijn met elk jaar een boekje op de markt over hoe om te gaan met de oester. Ween en knars uw tanden, gij zwetende Vanhove en Huysentruyt. Mijn zelfde verzuchting geldt ook voor de truffelboer. Groen van jaloezie word ik bij het horen van een bas-baritonstem en ook bij het zien en aanhoren van hoe een muzikant iets moois aan een instrument ontlokt, soms gebaseerd op dode noten op een blad papier. Spinaziegroen van nijd vlucht ik de gordijnen in bij het naderen van keukenpieten, doe-het-zelvers, autotovenaars, groenvingerigen. Ik ben niets. Helemaal niets. Ik ben een mug. Een heel klein pionnetje op een schaakberd waar ik niets van begrijp. Ik ben het nog niet waard als luis te vertoeven in de pels van de meest schurftige oude leeuw uit Bellewaerde. Het bestaan van de marmot op deze aarde heeft meer zin dan het mijne. Ik ben bijna volledig onbestaande. Eigenlijk zou ik me overal moeten excuseren voor mijn bestaan. Maar ik ben niet jaloers op iemand met bloemkooloren, transatlantische zeiloren of op iemand die jaloers is. Ik ben al blij dat ik leef en loop. En dat mijn knokkels daarbij niet over de grond slepen.


    24-09-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.85: Crime de la crime

    CRIME DE LA CRIME              

    In tijden waarin onnozele familie’drama’s’ als ‘de Pfaffs’ de tv-schermen teisteren en oetlulletjes als Sam Gooris op de covers van zelfs weldenkende magazines prijken, koester ik een diep, grondig, gemeend heimwee naar bijvoorbeeld Morse, de Britse chief-inspector die vroeger op zaterdagavonden en nu op een bepaalde weekdag humeurig schitterend loopt te zijn in zijn gelijknamige misdaadserie. Wat een verademing kunnen moord en doodslag toch betekenen in vergelijking met de poelen van ellende waarin de Pfaffs vertoeven! Wat heb ik toch lak aan de bovenlip van J-M Pfaff, ex-keeper! Dat hij ruste in vrede. Misschien heeft hij het verdiend. Maar Morse! En die is zelfs al dood, in beide gevallen: als mens in levenden lijve, als personage. Dat is pas crime de la crime! Kwaliteit van de dodelijkste plank! Een kneepje in de kont van Miss Marple, een snuifje achter de rug van Hercule Poirot, een stiekem lurkje aan de pijp van Maigret en een kopje thee-verkeerd met Sherlock Holmes. En ondertussen vallen er koppen en moet er nagedacht worden. En ondertussen leert ook Lewis, de braafgetrouwde loopjongen van Morse, de knepen van het vak. En we vergeven Morse zijn arrogantie, zijn alcoholisme en zijn gierigheid. Waarom worden er nooit Vlaamse feuilletons van een dergelijk niveau gemaakt? Aan de scripts of de boeken kan het niet liggen, want alle schrijvers klagen over de verminking van hun verhalen door scenarioprutsers. Aan de acteurs evenmin, want we hebben best wel goeie. We hebben vroeger zelfs een soort mini-tv-traditie gehad, met enkele opmerkelijke feuilletons. Dat was in de tijd dat het woord ‘soap’ nog niet uitgevonden en toepasbaar was. Nu heb je dat wel. Als men plotseling beseft dat men een massaproduct aan het maken is ten behoeve van kijkdichtheid en commerçe, dan beschermt men zichzelf door het als ‘soap’ te verkopen. Het woord heeft zelfs bijna geen negatieve bijklank meer. Zo ver is het dus gekomen. Niets belet me verder om mijn tv buiten te gooien en nooit meer een magazine te kopen. Telenet, een van de nieuwe Big Brothers, heeft toch al de interessantste kanalen eraf gegooid. Het zou een kleine weldaad zijn voor mezelf en een grote weldaad voor mijn menszijn. Maar ik zou wel de Morsemisdaden missen. Dat is zo zeker als de moord van de CIA op JFK.


    20-09-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.84: Lawine

    LAWINE

    ‘s Nachts was de huishond zijn mand moe. Hij hupte op de sofa en raakte het zaptoestel. Daardoor floepte de tv oorverdovend hard aan. Geschrokken tot in zijn ruggenmerg sprong de mens uit bed. Hij nam te vlug de trap en kukelde nog vlugger naar beneden. Hij brak heel veel. Zijn vrouw wachtte wat. Toen ze merkte dat hij na een halfuur nog leefde, belde ze de spoeddienst. De mens werd meegenomen, ingespoten en hersteld. De vrouw werd die nacht door een verpleger naar huis gebracht. Helaas stond dat huis er niet meer. Daar was de brandweer al druk in de weer. De oorverdovende tv was namelijk ontploft. De nagelnieuwe overgordijnen vormden prachtig voedsel voor de vlammen. Twee spuitgasten schoten er het leven bij in, toen ze afgingen op hondengejank. De hond kon echter toch nog ontsnappen via het tuimelluikje. Intussen overleed de mens in de dienst Spoedgevallen de volgende dag. Toen de vrouw daarover werd opgebeld ten huize van haar schoonzus, stierf ze zelf onmiddellijk. De hond holde alsmaar door. Een instructie-auto van de rijschool diende ijlings te remmen. Daardoor ontstond een kettingbotsing. In de derde auto morste een bestuurster een beker gloeiend hete koffie op haar knieën. Ergens aan de kust wachtte 120 man op haar komst, want ze was de voorzitster van een belangrijke vergadering. De weg werd door de politie afgezet. Plotseling dook een snelheidsduivel op een moto op. Toen hij staande werd gehouden en zijn helm afzette, bleek het koning Albert te zijn. Ondertussen had de hond dorst gekregen. Hij hield een eind verderop halt en likte een plas hemelwater op. Die plas lag naast een tank waarin zich een zeer giftig goedje bevond. Dus gaf de hond de geest. Koning Albert, inmiddels weer op weg, merkte het hondenlijk te laat op. Hij kon het niet meer ontwijken, hotsebotste erover, slipte en belandde tegen de omheining van een schildpadkwekerij. De eigenaar stormde woedend en gewapend naar buiten: vorige week nog hadden ze bij hem al twee peperdure schildpadden gestolen door een gat in de omheining te knippen. Hij aarzelde nu niet en schoot. Een halfuur later lag koning Albert op Intensieve Zorgen. Nadat ze ook verzorgd werd, verwittigde de onfortuinlijke vrouw van de hete koffie via haar gsm de vergadering van 120 man aan de kust. Ze zou wat later komen. Dat deed ze vlakbij de pomp van een tankstation. Daardoor ontplofte de hele santenkraam met een daverende knal. ‘Wat is dat, potverhippeltjes?’ vroeg koning Albert, geschrokken rechtverend in zijn ziekbed. ‘Heb je dat ook gehoord, zuster?’ En daarna werd alles weer stil en rustig. De schildpaddenman vloog nog in de gevangenis, en een vlinder in Tokio veroorzaakte nog een aardbeving in San Francisco.


    15-09-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.83: Een kacheltje

    EEN KACHELTJE OP DE MARKT    

    A - Alles goed in Staden?
    B - Vanmorgen was het er nog donker.
    A - Ah ja. Daar komt zeker veel volk naar kijken?
    B - Ja, de meesten komen dan wel naar buiten.
    A - Dan moet het daar druk zijn.
    B - Opvallend druk. Beetje spitsuur hé.
    A - Brandt er dan ook een kacheltje op de markt?
    B - Nee, helaas niet.
    A - Bij ons dus ook niet.
    B - Ook niet met het winteruur?
    A - Nee. De koude blijft gewoon buiten.
    B - Wij proberen deuren en vensters goed gesloten te houden.
    A - En de seizoenarbeiders dan?
    B - Die bellen vooraf als ze na hun seizoen terugkomen.
    A - Jammer dat jullie dan geen kacheltje op de markt hebben.
    B - Tja … en nou net met kerst …
    A - Doodjammer … in die tijd van het jaar ...
    B - Ja hé … Maar ik zal eens iets bekennen.
    A - Ja?
    B - We hebben eigenlijk ook geen echte markt.
    A - Had dat dan onmiddellijk gezegd.
    B - Ik durfde niet.
    A - Bij mij zijn alle geheimen veilig.
    B - Ook dat van die seizoenarbeiders?
    A - Dat is wat anders.
    B - Wat bedoel je daar mee?
    A - Ik weet nu te veel.
    B - Ach, dat valt nog mee.
    A - Vind je?
    B - Ja. Maar wil je één ding niet doorvertellen?
    A - Met plezier. En dat is?
    B - Zeker weten hé?
    A - Jaja, schiet nou maar op. Beloofd.
    B - We hebben eigenlijk ook geen winteruur in Staden.
    A - Had ik het niet gedacht!
    B - Ja, eigenaardig hé? Alleen een spitsuur.
    A - Geen winteruur?
    B - Helemaal niet.
    A - Daarom is het hier zo warm!
    B - Ja hé, en zonder kacheltje op de markt.


    13-09-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.82: Record

    RECORD                      

    Dames en heren, het is voor de zoveelste keer zover. Begin september hadden ze het in het journaal alweer over een recordvangst drugs. Bijna elke vangst in België wordt een recordvangst genoemd. Klein landje, grote getallen! Bijna elke keer sneuvelt een record: aantal kilo’s, straatwaarde, … Binnenkort zullen deze getallen zo hoog oplopen, dat er andere records zullen moeten worden gezocht. Ik hoor het Bavo Spruyt of Sigrid Claes al zeggen: ‘Bij een drugsvangst in Antwerpen is opnieuw een record geboekt; een grote hoeveelheid hasj en XTC-pillen is door speurders ontdekt in de langste straat van de provincie Antwerpen.  Kwestie van toch maar een nieuw record te scoren. Er zijn nog talloze mogelijkheden. Een ander record, of het begon er toch naar uit te zien: de wisseling van ministers in die paarsgroene bewindsgroep en de naamsveranderingen van de partijen en partijtjes. Vervelling alom. Het zit er momenteel altijd in dat door dergelijke omstandigheden uw buurvrouw plotseling in het parlement belandt of dat de brave meneer X. plotseling minister van Iets moet worden. Als ze trouwens wat meer eergevoel hadden gehad, waren er nog andere excellenties opgestapt. Nog een zomerrecord betrof het aantal ‘toegestroomden’ op de muziekfestivals op pleinen en weiden. Vele van deze toegestroomden werden dan ook nog eens over- en ondergestroomd door een groot debiet aan hemelwater of bedreigd door vuurzeeën. Vlaanderen spaanderen! Detailrecord: er is bij mooi weer in het seizoen geen parkeerplaats meer te vinden aan de kust. Onverrichter zake terugkeren zit er af en toe in. Of even Frankrijk in, bezijden Adinkerke, voorbij Plopsablablabla. En wil u echt in zo’n opeengepakte trein openbaar vervoerd worden tussen zweetlijven en niveadozen en frigoboxen? Dan blijf ik toch liever thuis tussen de frambozenstruiken en onder de rimpelappelboom. Nog een treurig record: de prijs van de mosselen. Een schande. Laten we collectief een jaar lang het mosseleneten boycotten tot ze zakken, die prijzen. Laat de handelaren uit Yerseke een aardig poepje ruiken! Waar we in Europa afgelopen zomer ook prima scoorden, was op het waterfront. De regenzomer braakte records. Er zijn dus inderdaad geen vier seizoenen meer. We zullen de aarde anders moeten behandelen en meer met rust laten. We moeten de schuld niet op El Nino of het broeikaseffect schuiven. Oké?


    12-09-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.81: Spin

    SPIN                 

    De spin heeft een formidabel geconstrueerde website. Als er een bezoeker op haar webstek arriveert, komt hij gewoonlijk niet meer terug. Het is een dodelijke snelweg voor sommige surfers/slurfers. Weer is de tijd aangebroken van Hare Webgevalligheid. Roerloos zit zij stil te zitten tegen witte en iets minder witte oppervlaktes (plafonds, badkuipen, lavabo’s). Benodigdheden voor de durver: een papieren zakdoekje, een fragmentje van de wc-rol, een stoel desgewenst, een plettend geluidje … gevolgd door gegorgel van wegspoelend water … en het is zo gebeurd. Eens spin, nu ex-spin, zeg maar: moes. Dames en heren, luister goed: er zijn ook jachtspinnen. Die gaan – het mag u verwonderen – gewoon op jacht. Ze construeren niet eens een web. Ze doen de moeite niet. Ze kunnen dus overal opduiken: op uw hoofdkussen, in uw bord. Maar gij daar, onwetende schijtlijster, laat de spinnen met rust! Vang liever slakken! Spinnen zijn nuttige monsters die tijdens de maand septober goed opruimwerk leveren. Heb je dan niet opgelet, vroeger, bij meester Spreeuwe? Je hebt toen toch geleerd dat spinnen allerlei gedierte en ongedierte enteren, verpakken, verdoven en uitzuigen? Jammer dat ze geen spreeuwen aankunnen, heb ik vaak gedacht. Spinnen zijn schapen in wolvenvacht. Ze zien er vervaarlijk uit, maar ze zijn best aardig, zolang het geen vliegen en dergelijke betreft. ‘De Spin’ was ook de codenaam van een beroemde detective uit een serie Nederlandse jeugdboeken, jaren vijftig-zestig. Die kerel had een grijs verleden, was toen moreel aan de betere hand, at graag erwtensoep in Arnhem en liep ook dolgraag over daken in datzelfde Arnhem. Mijn sympathie voor spinnen is daar begonnen. Gevaarlijker beesten dan spinnen zijn hersenspinsels. Dat zijn van die websites in je hoofd waar je hopeloos verdwaalt en verloren loopt. Het zijn parasieten die zich in de hoofden van de mensen nestelen. (Nota bene: het zogenaamde ‘hoofd’ bevindt zich boven op de romp – ook bij u). Veel meer dan voor hersenspinsels zijn mensen bang voor levende harige veelpotige spinnen. Ze dromen bijvoorbeeld dat ze met open mond (ter hoogte van datzelfde hoofd) door een spinnenweb lopen, terwijl in de navel van dat web een dikke vette spin nietsvermoedend zeer stil zat stil te zitten. Slik. Natuurlijk wordt die spin dan gloeiend kwaad. Zou jij graag hebben dat er iemand je breiwerkje weer komt ontrafelen nadat je er anderhalve dag aan gewerkt hebt? Wat een nachtmerrie!


    07-09-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.80: Geen mosselen

    GEEN MOSSELEN          

    Waarom eten we mosselen in juli en augustus? Omdat er een R in het woord ‘zomermaand’ staat. Ik poog deze tekst te maken met alle leden uit ons alfabet, tenzij dat dingetje. Ukken uit de papschool hebben veel last met die klank, want het is hoofdzakelijk een tongpuntgedoe. Volwassenen ook soms: ze maken een keel- of een huigklank. Je hebt eigenlijk hoofdzakelijk je tong nodig, en die moet geoefend zijn. Mei, juni, juli en augustus hebben evenmin dat moeilijke geluidje. Vakantie en geen mosselen? Kan niet. Onmogelijk. Het is als een theeloos Engeland, of een België dat geen patat-met-mayonaise te bieden heeft. In het Duits glijdt deze moeilijke consonant tamelijk zacht op de tong. Hij bestaat nauwelijks. In de taal van onze zuidelijke aanpalenden (en in een flink stuk van ons land ook) schaatst hij diep in de keel en tegen het gehemelte. Net een ziekte. In het Engels behandelen ze hem heel elastisch. Het kauwgumtaaltje uit de United States doet hem helemaal de das om. Lelijk! En de Tsjechische schijnt ook af te wijken. Nee, ik heb geen eitje te pellen met de klank die ik nu constant niet uit mijn laptop laat vloeien. Het is alleen een spelletje. Als ik een student was die speciale moeilijkheden met die tongpuntklank heeft, dan zou ik op deze wijze mijn examen dictie afleggen: de man die de punten uitdeelt, zou misschien nooit in de gaten hebben dat ik, mits enige inspanning, het zaakje opgelost heb en zelf mijn teksten maakte. Misschien kan nu iemand zo’n handboek samenstellen, met teksten die specifieke obstakels niet bevatten. Wat wel al bestaat, zijn gedichten met heel veel dezelfde klank: het i- of het u-gedicht. Of de a-saga: om West-Vlamingen mee te pesten die een van hun moeilijkste klanken moeten oefenen. Oef, het einde is in zicht. Nooit gedacht dat ik het vol zou houden. Het moet namelijk inhoudelijk nog een beetje steek houden, vindt u niet? Het is echt wel moeilijk. Het zogezegd afwezige klankje duikt als een duvel uit een doosje op en je ziet het niet eens. Nu, wie deze tekst luidop leest, zal alleszins zijn tongpuntje niet uitputten. Ik heb nu ook een weddenschap gewonnen. Een bak Leffe en twee kilo mosselen. 


    06-09-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.79: Letteren

    LETTEREN                      

    Jan de Hartog gaf de geest, een paar jaar geleden, oud 88. Krasse ouwe knar. Hij liep ooit weg van huis om op zee te gaan werken. Hij emigreerde naar Amerika, schreef zijn zeevaartromans in het Engels en vertaalde die dan later zelf terug naar het Nederlands. Hollands beroemdste auteur in het buitenland (werk van hem werd ook verfilmd) werd in eigen nest niet echt tot de literatuur gerekend. Het is blijkbaar het lot van sommige schrijvers die het begrijpelijk en spannend houden. Gewoonlijk zijn ze absoluut geen sant in eigen land. Ergens anders worden ze dan wel op handen gedragen. Dus verhuizen ze. Of proberen ze het in een andere taal. Hemmerechts en Reve bijvoorbeeld, als ik het goed heb. Die schreven ooit in het Engels. Ze zijn wel naar hun moerstaal teruggekeerd. De verwaande literatuurkenners uit de Lage Landen hebben altijd al ietwat smalend gedaan over de lekker lopende, spannende en ontspannende literatuur, die ze soms neerbuigend ‘lectuur’ noemen. Of ‘platgoed’. Jammer voor ze behoorden bijvoorbeeld Enid Blyton (‘De Vijf’) en Françoise Sagan tot de meest gelezen auteurs niet zo lang geleden. Jan de Hartog heeft natuurlijk het Hollandse water geëvoceerd én de strijd tussen goed en kwaad: zoiets typisch slaat in het buitenland aan. Ook Timmermans en Streuvels werden in verre landen gelezen omwille van hun ‘Vlaamsheid’. Tja, Nederland zond al veel schrijvende zonen en dochters uit. Vele dichters, prozaïsten en ook acteurs wonen/woonden en werk(t)en in Frankrijk, Portugal, Amerika. Denk maar aan deegkoppen als Hermans, Komrij, Kousbroek. Wat scheelt er met dat kikkerland? Te klein? Te eng? Te laag? Te waterachtig? Of spelen de elementen ‘fiscus’ en ‘weer’ hier de hoofdrollen in? Ook uit België is een kolonietje artiesten naar Frankrijk getrokken om er als God te leven. Sommigen keerden weer; anderen gingen heen en weer. Dat hangt of hing af van de verkoop van hun boeken, in zeer kleine mate, en van de subsidies van de staat, in zeer hoge mate. Ach, de letteren: ze blijven knetteren. Ik heb net een turf van 600 bladzijden uit over Russische spionagetoestanden. Tien keer leuker en interessanter, voorwaar, dan pakweg zo’n Max Havelaar van Multatuli, waar zoveel andere moeilijke boeken over bestaan. Of dan de dunne boekjes die de heer Claus de laatste jaren op de markt liet brengen. Maar ja, saaiheid is altijd al hét vak op school geweest. Literatuur moet naar ouwe sokken rieken, nietwaar. Anders is zij verdacht.


    01-09-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.78: Krantenpraat

    KRANTENPRAAT                

    Troost u, achtbare heer burgemeester van de guldensporenstede Kortrijk, uwe ex-Voorzitterigheid: zelfs de hoofdredacteur van de zogenaamde kwaliteitskrant De Standaard (waarin ooit over u een potje geroddeld werd) kan niet spellen. In een van de uitzendingen van De Zevende Dag (een tv-programma voor intellectuele zondagmensen zonder kater) ontrolde zich voor de kijkers zijn column. Hij las die ook voor. We kregen te lezen: ‘Hij vleide zich neer … enz… ‘ Dat is een bok van formaat voor een hoofdredacteur. En dat is momenteel ook symptomatisch voor kranten en magazines die zich profileren als zijnde ‘beter’. Zij die in hun teksten op het onderwijs zitten te schieten, bijvoorbeeld, zouden beter zelf eerst behoorlijk leren schrijven. Ik bewaar nog een knipsel uit diezelfde kwaliteitskrant. Het dateert van enkele jaren geleden en het stond op de voorpagina. Een kwaliteitsjournalist vermeide zich in een spelfout in de titel van een boek. Er stond: ‘De Ontsterfelijken’. Een blunder van formaat alweer, ja zeker. Het boek diende dus uit de handel genomen te worden en opnieuw gedrukt, althans: de cover. Maar … in zijn meewarig artikel slaagde de journalist er zelf in een DT-werkwoordfout te scoren. Wat een voorpaginanieuws! Wat je zegt, ben je zelf. En zo ken ik er nog wel een aantal. Het erge aan krantenpraat is dat het de tekst is van één iemand, die dan door velen klakkeloos geloofd wordt, net omdat het ‘in de krant’ staat. Dan te weten dat de helft van de kranten snert en de helft van de magazines pulp bevatten. Gefotografeerd, beschreven en te grabbel gegooid door prutsers die vroeger voor opstel gezakt werden. De zg. tabloids in Engeland zijn er het schoolvoorbeeld van. Riooljournalistiek. In België vergaat het de meeste kranten zoals de meeste politieke partijen: ze beginnen allemaal op elkaar te lijken. Politiek wordt nu zelfs vaak door journalisten bedreven, want ze willen allemaal zo graag gehoord worden en ad rem zijn. Misschien heeft de politiek ook wel dit soort kranten mee helpen veroorzaken. Van het ogenblik dat politici hun kostbare tijd begonnen te verkwanselen door in tv-spelletjes en dergelijke op te duiken, waren alle rapen gaar. Niet te verwonderen dus dat ze onder het mom van ‘human interest’ in het lang en in het breed ten tonele worden gevoerd en uitgesmeerd worden over paginagrote lappen. Hoge bomen vangen veel wind. Variant: tegen openbare bomen plassen veel honden.


    28-08-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.77: Kort-kort-lang

    KORT-KORT-LANG                

    Bijna nergens nog kun je korte verhalen lezen. Alleen maar in obscure, weinig verspreide literaire tijdschriften die niet bij de dokter of de tandarts liggen. Dat is jammer. In Engeland en Amerika geven ze wel short stories uit. Hier niet. Niet meer. Uitgevers zeggen daarover: ‘Het verkoopt niet. Je moet eerst naambekendheid hebben, hoe dan ook, en dan pas wagen we ons aan een collectie korte verhalen’. De uitgevers hebben het genre van de korte verhalen doodgemaakt. De tijdschriften niet, maar wie kent die? Wie leest die? Zevenendertig man en een paardenkop. Alleen de mensen die er zelf in publiceren. Nee, het gaat niet over de Libelle of Knack en zo, want die doen dat al lang niet meer. Het gaat over onbekende literaire bladen: Deus ex Machina, De Brakke Hond, Gierik, Hollands Maandblad, … Dat is allemaal jammer, want korte verhalen zouden dé literaire consumptie van deze tijden kunnen zijn. Kranten hebben daar evenmin nog plaats voor. En over gedichten zullen we het maar helemaal niet hebben; da’s nog erger. Alleen sporadisch wordt ergens eens zo’n gedicht opgeduikeld, gewoonlijk ter gelegenheid van een of andere rare dag: Gedichtendag, Valentijn, Watougedoe of als iemand dood moet gaan of geboren worden. En, ja: naambekendheid, verhippeltjes, wat is dat? Op tv komen in zo’n stomme show? Iemand koud maken en in het gevang vliegen? Het wereldrecord kikkers opblazen verbeteren? En pas daarna de wereld met je korte verhalen kunnen verblijden en verontrusten? Populisme! Ik haat de millenniumcultuur uit de grond van mijn hart. De politiek van de cafébazen en de letterkunde van de beenhouwers. Daarom, onder andere. Om al dat extra-literaire gedoe. De literatuur is naar de knoppen. De literatuur wordt heden ten dage gedicteerd door uitgevers met puur commerciële bedoelingen. Eender welke BV kan momenteel zijn boekje wel kwijt. En de ‘serieuze’ literatuur wordt dan weer gedirigeerd door een klein kliekje zichzelf subsidiërende would-be-professoren die eigenlijk voor prof geleerd hadden maar het niet echt zijn geworden. Dus vinden ze postjes uit voor elkaar – en schrijven ze alleen maar voor elkaar. Ze manoeuvreren jarenlang om dat zo voor elkaar te krijgen, de droogstoppels. Liefde voor de letteren? Vergeet het maar. Je wordt al scheef bekeken als je een normale zin bouwt. Maar ik kan u wel een bloemlezing van hun spel- en taalfouten in al hun teksten en statuten en brieven bezorgen: geen short story, niet kort-kort, maar lang. Jarenlang. De republiek der letteren wordt geregeerd door stuntels met pretentie en tafelspringers met een grote bek. Slager blijf bij uw kapblok.


    26-08-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.76: Oud & Stief

    OUDGEDIENDEN & STIEFZUSJES             

    Het Nederlands kent misschien wel enkele miljoenen woorden. We gebruiken er doorgaans niet zo veel van. Als we er gebruiken, zijn het vaak dezelfde. Dan worden die woorden dat ook wel eens moe. U kent metaalmoeheid, sleet, ouderdom. In woorden kan dus ook de mot zitten. Oudgedienden: zaken die zo vaak gezegd worden dat ze moe zijn. Een beknopte bloemlezing. Laten we de rivier volgen. We snijden ze de pas af. De warmte zit binnen. De tijd staat niet stil. Ze kunnen nu al veel. Er hangt een prijskaartje aan. We moeten er eens uit zijn. Wit is altijd schoon. Wij zijn niet boos, wij zijn woest. De kleine man is weer de dupe. Alle aanwezigen gingen tevreden huiswaarts. De afwezigen hadden ongelijk. De bal is rond. Voetbal is oorlog. De kinderen zijn weer het slachtoffer. Het wordt een hete herfst. De politie staat voor een raadsel. De horeca klaagt steen en been. De terrasjes lokten vele dagjesmensen. Hij heeft niet afgezien. We moeten bij onszelf beginnen. Ik zal je nog wel eens bellen. We kunnen er weer tegen. We hebben maar dat. Ik ga er eens een nachtje over slapen. Dat blijft onder ons, hé. Het is weer te geweldig. Het zal het niet houden. Hela, ze groeien hier niet. Zeg nooit ‘nooit’. Nooit. Ik ben de tolk der aanwezigen. Ik wil hier graag van de gelegenheid gebruik maken. Stiefzusjes: zaken die gemixt worden met andere zaken en aldus een foutieve constructie veroorzaken en die dat ook moe zijn. Een beknopte bloemlezing. We hebben het achter de boeg. Er valt nog een appeltje uit de kast. Alles komt op z’n pootjes terecht. Het loopt van een glijdakje. Ik zie het onderste van mijn tong. Het komt mijn achterhoofd uit. De kogel is door het midden. Er is hier geen levende kat te bespeuren. Ge moet het ijs smeden als het heet is. Er zal geen kat naar kraaien. Ge moet het gouden kalf niet slachten. Hij legt er het loodje bij neer. Ge moet uw schapen niet op het droge verbranden. Die renner moet zijn verantwoording opnemen in de ontsnapping. Het kost te duur. Het is nog te vroeg om een oordeel te kunnen vestigen. Veel wegen leiden naar Keulen. Iedereen kan niet zingen. Einde citaten. Wat klinkt de Nederlandse taal toch wonderzoet. De heerlijkste gerechten echter worden opgediend door sprekers die totaal niet weten hoe ze het moeten zeggen, maar wel weten waar ze het over willen hebben. Of soms omgekeerd, o ramp. Die hebben ergens een klok horen luiden. De Kamasutra is volgens hen een rivier in Indië. Ze hebben het bijvoorbeeld over ‘intimiti’ in plaats van ‘intimi’. ‘Etyologie’ in plaats van ‘etymologie’. Iemand heeft het al levenslang over ‘kervelig’. Zou ze ‘korzelig’ bedoelen? Soms is het zo erg dat je niet eens durft te informeren …


    23-08-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.75: Zomer in Amerika

    ZOMER IN AMERIKA           

    We waren deze zomer al even in Amerika, bij onze naamgenoten die zowel van Vlamingen, Indianen als van Spanjaarden afstammen. Ten noorden van Malibu, aan de kustweg langs de Grote Oceaan, ligt een stukje strand dat Paradise Cove heet. Tijdens vakanties en weekends staat de smalle landweg naar het strand altijd eivol auto’s en caravans. Ook het kleine restaurant puilt er dan uit van de gasten. De jongeren sleuren picknickmanden mee naar het strand, of ze troepen samen aan de broodjes- en pizzakramen. Surfen en zonnebaden zijn hier de twee meest bedreven werkwoorden. Die zaterdagmiddag rond drie uur scheen de zon. Het strand lag vol met aanbidders van dat hemellichaam. Wegens onvoldoende golfslag waren er weinig surfers. Noordwaarts, op het kleine plateau van een rotsformatie waarvan de wand zestig meter loodrecht uit het water verrees, hadden de schaduwmensen hun eigen wereldje gevonden. Nu en dan klonk het scherpe gekrijs van de naar afval zoekende meeuwen boven de stemgeluiden van de baders en het geruis van de branding uit. Vanuit de lucht kwam nog een geluid: het zoevende ronken van een helikopter. De naturisten graaiden snel naar zwembroeken en bikini’s en keken ontstemd omhoog. Een gemompel van teleurstelling klonk op toen men zag wat er op de zijkant van de helikopter stond: THE CHURCH OF ETERNAL LIFE. Een stem daverde door de luidsprekers van de helikopter terwijl de machine naar het rotsplateau daalde: THE CHURCH OF ETERNAL LIFE WISHES YOU PEACE. Daarna verdween de helikopter over de rots uit het zicht. Pat Denowh, mijn naamgenoot, probation officer die zowel van Vlamingen, Indianen als Spanjaarden afstamt, zei alleen maar: ‘Damned.’ Het strandleven hernam zijn normale loop, na dit ongewenste bezoek van de boodschappers van de Allerhoogste. De zwembroeken gingen weer uit en de meisjes koesterden hun dubbele punten weer in de zon. ‘Gebeurt dit hier vaker?’ vroeg ik, met mijn hoofd richting hemel knikkend. Pat Denowh glimlachte. ‘Jammer genoeg wel,’ antwoordde hij. ‘Eigenlijk doen zulke dingen zich ook voor in slechte romannetjes van Harold Robbins. Misschien halen die predikers daar hun inspiratie.’ ‘Aha,’ knikte ik, ‘een beroemde schrijver, zeker?’ ‘Een van de best verkochte,’ knikte Pat, ‘hij schrijft dan ook pure bullshit. Gelukkig staat op de eerste bladzijde van elk van zijn boeken dat het producten zijn van de verbeelding.’ ‘Maar the sky is hier the limit hé,’ opperde ik. ‘Dit is Amerika,’ zuchtte mijn naamgenoot. Het werd nog een interessante vakantie, waarvan elk uur zo gekopieerd leek uit weggooiromannetjes.


    20-08-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.74: Kaap Kont

    KAAP KONT                       

    Neem me niet kwalijk. Soms moet het hoge woord eruit. Neem dat nu met een korrel zout. Moet je pissen? U maakt een plas. Heb je het schijt? U baart een drol. Nu ben je maar beter even alleen, met je spleen en je speen. Het lijf staat hier buiten kijf. Nu is het niet meer van u. Minder is nu in u. Meer kan nu weer in u. Vlees, bloed, merg, hersens, kak, pis: dat is wat de mens gewis is. Gekabbel, gezeik, gepraat, gewauwel, gebabbel. Deze aardkloot – een blauwe plek in een heelal – zit overvol. Daarom hebt u zichzelf even verstopt in deze cel van verontreiniging en bezinning. U deelt die met niemand en met iedereen. Zeg niet te gauw: ’t is weer een man. Of: ’t is de vrouw die alles kan, want ook u neemt er afstand van. À propos: het smoort niet dat u hier stoort. Laat uw donkere gedachten even kabbelen op de deining van dat kosmische spoelwater. Negen planeten. Negen gaten in dat vege lijf van u. Hoe veel keer tussen de eerste schreeuw en doodshik en met hoe veel maal uw eigen lichaamsgewicht zult u deze blauwe planeet met uw eigenste venijn verblijden? Is er hoop voor dit hoopje, deze hoop, of ziet het er bruin uit? Voelt u zich bevrijd, pisnijdig, branderig of ontlast? Kijk uit, er zit een diamant in uw drol. Een parel wellicht. Heb aandacht voor vorm, hoeveelheid en geur. Gooi het kind niet met het badwater weg. Zoals u daarstraks in het café overschot aan gelijk had, zo helpt u thans deze zaak aan overschot van mest. Mij best. Halleluja: uw gerief is zeer productief. Luister naar het gorgelen van de pot en het geruis van de inheemse watervallen. Hier heb je tijd om op verhaal te komen. Lees de tekenen aan de wand. Sanitaire literatuur. Schalks gebabbel. Tegelseks. Who the fuck is Kilroy? Is Johanneke een jongen of een meisje? Heeft hij/zij een fopspeen of een ijsje? Ook van woorden moeten sommigen zich ontlasten. Rond deze Kaap Kont. Vaar op deze Mississippi van urine uit. U bent een god in het diepst van uw ingewanden. Maar vergeet na deze vertoning uw gordijnen niet dicht te ritsen. Het water neemt gedwee met zich mee wat u zo lang en zo dierbaar met u hebt meegedragen. Moest u iets kwijt? Het is eruit. Had u het hard? Het reist nu apart. Nu bent u weer alleen. U hebt uzelf afgescheiden. Ach, leer te leven met wat minder gewicht. Minder is nu in u, maar meer kan nu in u.


    17-08-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.73: Assepoes' dagboek

    ASSEPOES’ DAGBOEK            

    Natuurlijk weiger ik. Waarom zou ik met hem dansen? Zijn voeten zijn te groot. Zijn moeder is een kreng van een wijf. Hij zal zijn kleffe vingers tegen mijn rug duwen. Zijn adem riekt naar twee warme maaltijden per dag. Ik wil niet. Ik haat zijn twee hoofden: het ene glimlacht, het andere grijnslacht. Geen van beide heeft nog al zijn tanden. Kinderen zal hij bij mij nooit mogen verwekken. Kunnen we godbetert deze dans niet simpelweg vervangen door een handdruk plus drie beleefde zinnetjes? Of door een zitstaking? Kan het ergens in deze balzaal asjeblief beginnen branden? Stom van mijn zus om me naar hier mee te nemen. Ik hoor hier niet thuis, tussen opgetutte juffers en schaapachtig lachende macho’s. Ai, hij nadert zienderogen. Ik voel het. Zijn ogen branden gaten in mijn rug. Bah, wie heeft dat akelige dansen toch uitgevonden? Zal ik doen alsof ik flauwval? Nee, dan denkt hij dat het door hem komt. Hoe laat is het nu? Nog veel te vroeg. ‘Uche-uche,’ doet mijn zus. Ze kijkt me veelbetekenend aan. Jaja, ik weet het. Ik heb het al lang in de gaten. Ik heb ogen op mijn rug: de zijne, verdorie. Mijn zus glimlacht nu fijntjes. Natuurlijk weiger ik. Waarom zou ik met die kerel dansen? Wat denkt hij wel? Wat bezielt hem? Ai, nu staat hij vlak voor ons. Hij buigt heel slecht. En hij vraagt mijn zus ten dans! ‘Natuurlijk,’ zeg ik rustig glimlachend, ‘neemt u haar maar mee. Ik hou me wel even alleen bezig.’ Mijn zus staat triomfantelijk op. Hij brengt haar naar de dansvloer, dat vierkant van afgrijzen. Ik ben razend. ‘Ik denk niet dat ik nog lang blijf!’ wil ik ze naroepen, maar ik durf niet. Er zit een kikker in mijn keel. Nee, ik roep het niet, maar ik doe het wel, voilà! In mijn haast om me uit de voeten te maken, verlies ik een schoen. Geeft niet. Ik kijk niet eens meer achterom. Schoenen genoeg thuis, om te poetsen. Rise and shine my shoes, every day! Of nee … ik kan toch niet zo … In de verte zit nu een andere mooie gozer te grijnslachen. Terwijl ik met gemengde gevoelens bedenk dat ook dat monster op mij toe kan komen, gebeurt het al. Hij komt in beweging. Help! Ik keer ijlings terug naar mijn plaats en buk me om mijn voet in mijn schoen te wringen.


    15-08-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.72: Weps

    WEPS                 

    Medio augustus, na een lang regenseizoen hier in Grijs Vlaanderen, kregen de rugbyspelers van London Wasps in de cup final heel erg op hun donder. Ze verloren met een monsterscore van eh … hun tegenstanders, een andere ploeg dus. Maar hun uitrusting was pico bello; ze leken echt op wespen. Diezelfde dag, na een zomer die november genoemd kan worden, verschenen ook weer honderdduizenden wespen op terrassen en in tuinen. Want ondertussen had de mens zich alweer wat aangepast aan het buitenleven. Het best vertegenwoordigd waren (ik gebruik hier ook de wetenschappelijke benamingen) de ‘gewone’ wesp en de Duitse wesp (‘germanicus’). Zoek maar op; het is zo. Uit Duitsland is overigens nog nooit veel goeds gekomen. De ene soort heeft een drietal stipjes op het voorhoofd, zoals een waarschuwing voor stralingsgevaar, de andere op dezelfde plaats iets wat op een anker gelijkt. Augustus is hun bedrijvigste maand. Dan moeten ze hun eerste twee kwartalen goedmaken. Dan gebeurt de aanmaak van een en ander. Dan zijn er ‘verkiezingen’. En dan is er ook veel zoets beschikbaar en bereikbaar in de mensenwereld: cola, kindervlees, … Het is het hoogseizoen van het broodje-wesp. Ze zouden zelfs aan het tuinmeubilair durven knagen. Twee woorden uit de Nederlandse taal worden door vrijwel alle kinderen ietwat dooreen gehutseld en op een tijdelijk spraakgestoorde manier uitgesproken: hesp en wesp. Sommigen blijven dat hun leven lang doen: heps, weps. De scherpte van het woord ‘wesp’ staat tegenover de bonhommie van het woord ‘hommel’. ‘Hommel’ klinkt gezellig; ‘wesp’ doet zeer. ‘Kloothommel’ is een eerder silly scheldwoord; ‘wesp’ is als scheldnaam zo stekelig en gevaarlijk als ‘feeks’. Maya de Bij is daarbij vergeleken een seut. (Het woord ‘seut’ heeft/geeft geen specifieke uitspraakproblemen). Maar de ergste soort van alle wespen is de WASP: de White Anglo-Saxon Protestant. Het zijn de nazaten van zij die de Indianen van hun gronden hebben weggejaagd en uitgeroeid. Het zijn ook de nakomelingen van al het geboefte dat er aanspoelde op zoek naar fortuin. De WASP vormt een grote meerderheid in Amerika. Flink, blank, protestant. Bush, kortom, father & son, senior & junior. De WASPs hebben ook Irak aangevallen. Want WASPs houden niet alleen van zoetigheid, maar ook van olie.


    12-08-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.71: Een grappige god

    EEN GRAPPIGE GOD                 

    Ik denk dat er een grappige God bestaat die zich af en toe schaterlachend op de dijen slaat van plezier. ’s Nachts, als de meeste stervelingen slapen, amuseert Hij zich met het verplaatsen van voorwerpen en het scheppen van chaos. Tegen de ochtend zet Hij alles dan weer op zijn plaats. Soms is Hij verstrooid en vergeet Hij iets terug te zetten. Hij verplant soms zelfs een boom of een auto, vooral tijdens weekends. Sommige mensen denken dan dat ze dronken zijn, vergeetachtig of dement. Ook laat Hij ons geloven dat we over de gave van het voorspellen beschikken. Hij laat ons bijvoorbeeld aan iets of iemand denken, en hupsakee: twee dagen later gebeurt er iets waardoor dit ongeveer voorspeld had kunnen zijn. Dan vermoeden we dat we heel speciaal zijn. Zo laat de grappige God ons zelf eens Godje spelen. Om te lachen. Dan klinkt de schaterlach van de grappige God luid door de hemelen. Hij lacht met de domheid en de pretentie van de mens. En dan gaat Hij ook overdrijven: Hij maakt opzettelijk een voorwerp zoek dat iemand hard nodig heeft. De bril draagt daarbij zijn voorkeur weg. Ook met mobieltjes, sleutels en portefeuilles durft Hij zich wel eens te amuseren. Als het ongeveer te laat is, zorgt Hij er dan wel voor dat het verloren voorwerp vlak voor de neus van het slachtoffer ligt of opduikt, alsof het altijd op die plaats is geweest. Alsof die mens vreselijk dom is. Dan ligt de grappige God echt in een deuk. En wat heeft die fratsenmaker nog op zijn goddelijke kerfstok? Wegenwerken zonder wegarbeiders. Omleidingen waarbij je onveranderlijk weer op je beginpunt arriveert. Een wet die zegt: als iets kans loopt niet te lukken, dan gaat het niet lukken. Variant: het slechtste scenario loopt kans zich het meest te realiseren. Een boterham zal aldus altijd op zijn beboterde kant op de grond vallen. En je zult er bij het oprapen nog in trappen ook, want een ongeluk komt nooit alleen. Ach, die grappige God toch. Laten we het Hem vergeven. Hij is ook maar mens geworden, nietwaar.


    08-08-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.70: Sporen

    SPOREN       

    Ik heb iets met treinen. Een van de mooiste plekken ter wereld is de Oriënt Express, ook al omdat dat mooie ding altijd in beweging is. Mijn collectie treintickets bestaat al uit diverse soorten. De kleine, harde, paarse kartonnetjes van weleer waren de handigste om op te knabbelen bij vertraging. Lange tijd ook kregen we van die slappe, witgeel gespikkelde vervoerbewijzen. De huidige formulieren, door computers uitgebraakt, zijn te groot en te lelijk. Ook de tarieven liggen te hoog, tenzij je er voor zorgt dat je weduwe of wees wordt. Voor de rest dweep ik met het spoor. Ik heb zelfs ooit een treingedicht gemaakt, dat maandenlang razendsnel in ons koninkrijkje de ronde deed. Ik zit liever klokvast in de trein dan klikvast in de auto. Gewoonlijk reis ik ruggelings naar mijn bestemming toe. Ik weet niet waarom, en pieker vaak tijdens treinreizen over de wetten van de fysica. Eerste klasse interesseert me maar matig. Het echte leven in een trein speelt zich in tweede klasse af. Geknal van opengerukte colablikken, ochtendmisselijke mensen, geritsel van sportkranten, stank van ongewassen scholieren met gel op hun kop, de eeuwige heen en weer wandelende en waggelende gek in de middengang (elke trein heeft zijn zonderling, die nooit gaat zitten maar altijd heen en weer pendelt, een soort beweging-in-beweging), bedienden die liever eerste klas zouden reizen, rokende schoolmeisjes die hun rook hardop weer uitblazen, wezenloze avondmensen wier hoofd als een te zware pompoen tussen hun schouders heen en weer rolt, tiepen die je ononderbroken zitten aan te staren. Dit rollende leven fascineert me. Kijk hoe de treinwachter met een Clint-Eastwoodreflex zijn knipmachine uit zijn holster trekt! Er gebeurt altijd iets in treinen. Paul Delvaux schilderde ze. Johan Daisne schreef erover. Gustaaf Vermeersch ook. Hercule Poirot loste er een misdaad in op. Louis Tobback wou zich ooit uit protest ervoor leggen, op de rails voor de aanstormende HST. Butch Cassidy, Jesse James en Ronald Biggs beroofden ze. En mijn vriend de conducteur, een geknipte kerel, ontmoette op zijn trein naar Parijs in de restauratiewagen de acteur Richard Burton, lang geleden. Die vroeg een fles whisky aan de kelner, een entrecote en een Deense dog. ‘Wablief??’ Sorry?? Pardon??’ vroeg de drietalige kelner. ‘Een Deense dog?’ ‘Yes, yes,’ knikte Burton, ‘en die gaat de entrecote opeten.’


    06-08-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.69: Verloren Vlaams

    VERLOREN VLAAMS              

    Dit is het tijdperk waarin advocaten Arne kunnen heten en ukken met Oscar, Cyriel of Marcel aangesproken moeten worden. What’s in a name? De meeste heiligen zijn al lang uit de kalenders geschrapt. Ik maakte een wandeling langsheen de naamborden in het Kortrijkse advocatenkwartier. Het regende en miek er zo koud. Conclusie van mijn tocht: de tijd staat stil, het zijn de mensen die veranderen. Bijvoorbeeld van naam. Oude mensen dragen nu jonge namen en peuters dragen opapetten. Een van de honden van de Nederlandse dichter Simon Vinkenoog heette zelfs Joris. Waf. Toen hij me dat vertelde, voelde ik me zeer vereerd. Namen roepen associaties op. Yasser: keukenhanddoek. Theresa: ook zoiets. Mahatma: geen kleren. Nero: fakkels. Hitler: neushaar. Elvis: heupen. Dichters kiezen soms een pseudoniem waar weer of wind of water in zit: Westerlinck, Van Wilderode, Mandelinck. Otto is handiger: kun je twee keer gebruiken, van voor naar achteren en vice versa. Zoals het Panamakanaal: ‘A man, a plan, a canal: Panama’. Bekendste initialen ter wereld: JR, JFK. In België: VDB. Ijskreem, weet je wel. Afko’s, onderdeeltjes van een turbotaal, afgeknepen stukjes worst: een lupa (lunchpakket), een buma (burgermannetje). ‘Man, kort van stof, wnst. knsm. m. vr. krtgrkt.’  Medeklinkers zeggen alles, maar de grote klankverschuivingen gebeuren via klinkers. Nico de mus heet voluit eigenlijk Nicodemus. De zus van je zus heet Jezebel. Jezus was iemand anders uit de familie. Hoe zullen we ons kind noemen? Geen probleem. Er zijn getallen genoeg. Ooit hadden we twee schildpadden. In afwachting dat ze zelf over hun naam konden beslissen, noemden we ze eenentwintig en tweeëntwintig. Ter gelegenheid van hun ongeveer twaalfjarige bestaan op en in deze aarde mochten ze dan zelf een naam kiezen, met onze hulp. Er werd ook schildpadsoep opgediend. Vindt u Anaconda ook een mooie naam voor een meisje? En stel dat men constateert dat een baby een komma tussen zijn beentjes heeft, is Raspoetin dan niet een geschikte naam? Want dan is het waarschijnlijk een jongetje. Het kind moet nu eenmaal een naam hebben. Otto Lepel en Anna Kaak hebben de eer u het huwelijk aan te kondigen van resp. zijn dochter Jo met haar zoon Dagmar. Bij twijfel omtrent hun geslacht raadpleeg dan de toekomstige eerstgeborene. Zij (m/v) zal misschien Jackie heten, voor alle duidelijkheid. En moeder heette de koekenpan. En kent u de heer Frans Engels? Zijn mond staat nooit stil. Hij spreekt Verloren Vlaams: overbodige mededelingen in de trant van ‘stoppen met roken’, ‘wat ben je gegroeid’, ‘wat ben je grijs geworden’, ‘is je haar geknipt?’ en ‘mooi weer vandaag’. Ja, de taal leeft.


    02-08-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.68: Onder indianen

    ONDER INDIANEN              

    Later die avond ontmoette ik nog Zwemt Met De Zalm, ook een oude indiaan. ‘Dag Gedroogd Vlees,’ groette hij. ‘Dag, maar eigenlijk valt de nacht al, Zwemt enzovoort,’ antwoordde ik. ‘Niettemin is mijn vreugde groot u hier aan te treffen.’ ‘Dat betreft dan een wederzijds gevoel, Gedroogd Vlees.’ ‘En hoe gaat het nog met In De Bergen Rollende Donder?’ ‘Die is van ons heengegaan. Was ik blank, dan zei ik: helaas van ons heengegaan. Maar zoals u weet: zielen kennen pas rust ginds aan de overkant. Geen ‘helaas’ dus.’ ‘Nee,’ beaamde ik, ‘de doden hebben het wellicht goed.’ ‘En hoe gaat het heden in deze westelijke staat?’ informeerde Zwemt Met De Zalm. ‘Soms,’ zei ik peinzend, ‘soms is men in alle staten, soms is men in staat van ontbinding. Maar het moet gezegd: het is een goede plek om alsmaar ouder te worden. Zo hebben we waterlopen, een zee, wat heuvels en ook een zeer plat hinterland. Een lage streek, zeg maar. Vele vreemde stammen trekken des zomers westwaarts om dat te komen bekijken.’ ‘Dat is prima voor de economische ontwikkeling,’ knikte Zwemt Met De Zalm. ‘En wordt er ook nog gelachen met de westelijke voertaal?’ ‘Nee, men probeert die nu zelfs na te apen. Een modegril, Zwemt.’ ‘O, goed.’ ‘Er worden om de haverklap ook overal verse opperhoofden gekozen.’ ‘Ook squaws?’ ‘Ja,’ bevestigde ik. ‘De tijd staat niet stil. Ze hebben zelfs ontdekt dat de aarde niet zo plat als een vijg is, maar dat wist u al, hé.’ ‘Verandert er dan veel met al die verse opperhoofden?’ ‘Niet zo veel,’ opperde ik. ‘Al ziet de verentooi er soms veel kleurrijker uit. Blauw, groen, paars, oranje, bruin, regenboog, … ‘ ‘En het geel?’ ‘Uit de mode.’ ‘Bruin, zei u ook?’ ‘Daar vrezen we voor. Het is een gewelddadige stam die al het land voor zichzelf opeist.’ ‘Laat de strijdbijl niet roesten, Gedroogd Vlees.’ ‘Nee. Maar het is wel met gekrulde tenen hopen dat ook de wildebizonziekte niet weer uitbreekt. En onze kippen zijn soms zo giftig als een oude apotheker na vervaldatum.’ ‘Betrouw maar op de Grote Manitoe. Aan niets zal het u en de uwen ontbreken.’ ‘We leven op hoop, oude roodhuid,’ zei ik, ‘al lijkt de aardbol meer en meer op een blauwe plek, een open riool, een vergaarbak van gereutel en gerochel.’ Na dit gesprek besloten we ons weerzien te vieren door iets te gaan bikken in eetcafé De Woede Der Noormannen. Zwemt Met De Zalm koos voor een duifje als voorgerecht gevolgd door een entrecote zo groot als de stafkaart van West-Vlaanderen. Ik hield het bij een huwelijk van lotte en prei in een bedje van vulkaankonijnsaus, gevolgd door 48 applaudisserende mosselen. Onder indianen is eten een belangrijk ritueel.


    31-07-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.67: Godendrank

    GODENDRANK                  

    Onlangs stak er een somber bericht in mijn bus. Het was opgesteld in een soort Gotisch lettertype: het einde van de wereld was nabij. Ik slaagde er in uitzonderlijk kalm te blijven. Geen spier in mijn aangelaat verraadde ook maar enige emotie. Mijn enige bedenking was: als iemand weet dat het hier afgelopen is op deze blauwe plek in het heelal, waarom wil hij/zij iedereen daar op de hoogte van brengen door middel van huis-aan-huisdrukwerk? Waarom doet hij/zij in godsnaam de moeite? Ik ging peinzend weer naar binnen, naar mijn zeer knusse achttiende-eeuwse Cornish interieur. God zat in de fauteuil. Op mijn vaste stek dan nog wel, of all places. Daar zat ik gewoonlijk te kijken naar BBC en CNN, of boeken te lezen van Franse auteurs. ‘Dag Joris,’ knikte hij. ‘Dag God,’ zei ik. ‘Heeft u al gegeten? Ik wou net de hond wat brokjes geven.’ ‘Ja, dank je. Ik heb mijn portie manna voor vandaag al op,’ zei God. ‘Ik merk dat je het fameuze bericht al uit de bus hebt gehaald?’ ‘Zo is het, Allerhoogste.’ ‘Geloof je die onzin?’ ‘Zeer zeker niet, Weldoener. Ik geloof er geen fluit van.’ ‘Dat is goed zo. Ik kom iedereen persoonlijk waarschuwen dat het einde van de wereld nog een poos op zich zal laten wachten. En ik kan het weten.’ ‘Bezoekt u dan de totale bevolking, o Heiland?’ vroeg ik verbaasd. Meteen had ik spijt van mijn vraag: God was immers overal, en hij kon nog toveren ook. ‘God de Vader en de Heilige Geest nemen ook een stuk van de bevolking voor hun rekening,’ antwoordde de Mensenzoon. ‘We doen het eens op die manier omdat heden ten dage en vooral aan het begin van een millennium er zeer veel flierefluiters, kwakzalvers, valse profeten en politici loslopen, oef, wat een lange zin, lang geleden dat ik nog zo veel woorden na elkaar uitsprak.’ Ik knikte begrijpend. ‘Drinkt u iets, Koning der Joden? Het pompelmoessap staat lekker koel en koosjer.’ ‘Doe me maar een dubbele wodka,’ sprak de Langverwachte tot mijn grote verrassing. ‘Als ik pompelmoes drink, wil ik altijd kooplui afranselen en met meubilair gooien. En water dat ik in wijn verander, ben ik kotsbeu.’ ‘Wodka zal het zijn, Zaligmaker,’ knikte ik. En een gevoel van geluk doorstroomde mijn borst, zoals de koele weldaad van een glas fris bier dat zich een weg naar je lendenen en je tenen zoekt. God dronk dus ook. Ik was niet alleen.


    26-07-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.66: Zijne Doorlichtigheid

    ZIJNE DOORLICHTIGHEID                         

    Kijk, ik zal het kort houden. Ik ben ook de tolk van zeer veel mensen die het kort willen houden. Daarom wil ik per se kort zijn. Het is het volgende. Wie moet er eigenlijk eens grondig doorgelicht worden? (Tussen twee haakjes: ‘doorgelicht’ is het eufemistische nieuwlichtende woord voor het ouwerwetser ‘geïnspecteerd’). Wie dus, o wie? Hier komen ze. In willekeurige volgorde, want ze zijn allen van vlees en bloed en ze hebben ook allen stoelgang. Na mijn opsomming volgt het commentaar. Meer moet dat niet zijn. Een: de doorlichters. Twee: de betweters ofte beste stuurlui aan wal. Drie: jury’s. Vier: vrijgestelden. Vijf: managers. Zes: politici. Zeven: communicatie-deskundigen, copywriters, campagnebouwers, reclameboys en –girls, journalisten. Neen, niet de BV’s, want daar valt niks door te lichten. Er zijn nog categorieën mensachtigen die in aanmerking zouden kunnen komen, maar zeven is een ietwat heilig getal. Terug dus naar één: de doorlichters. Waarom hebben zij de ‘werkvloer’ verlaten? Het ‘werkveld’, zoals ze het zo fraai naäpend uitdrukken? Zouden ze er niet beter voor zorgen dat alles zo goed marcheert, door zelf te blijven werken op de vloer en in het veld, dat ze Hunne Doorlichtigheid overbodig maken? Zou het kunnen dat volgens een welbepaald principe deze doorlichters eigenlijk gesjeesde werkvloerders en omhooggevallen werkvelders zijn? Twee: de betweters. Licht die door, en je vindt niets. Zelfs geen frustratie, zoals bij de eerste categorie. Die weten het domweg beter. Wie het beter weet, heeft altijd gelijk voor zichzelf. Drie: jury’s. Hierbij een concreet voorbeeld. In het juryrapport van de Guido-Gezelleprijs voor onuitgegeven roman (Brugge, november 2002) staan ongeveer vijftig taal-, stijl- en spelfouten op asjeblief anderhalf blad. Literatuurstudenten hebben het uitgevlooid. Het is geschreven en goedgekeurd door twee leraren en een ‘resencent’ (!) van De Standaard der Letteren, de jury dus. Men bedoelt: ‘recensent’. Ongelofelijk, maar waar en echt gebeurd. En dat oordeelt over ingezonden werken en spelling. Een pareltje van onbenul, voor in de collectie ‘Het Rijke Vlaamse Letterkundige Leven’. Vier: vrijgestelden. Kijk uit voor die gasten. Ze werken ongaarne. Vijf: managers. Karel Vinck? Ontslagen en afslankingen. Je zag het zo gebeuren. Succesvol? Natuurlijk. Op onze kap. Hoera, gered! Zes: politici. Zet alle overlopers samen en je hebt de grootste partij. Zeven: zij die hun baard vier dagen laten stoppelen en designbretellen, het juiste pak en het juiste parfum dragen. Maar een zin bouwen? Ho maar! Hoogstens enkele gestolen en ingestudeerde oneliners komen eruit. Zij maken het verschil, deze maatverpakte stouterds! Een hoog honorarium voor gebakken lucht. Doorlichten! Braden! Koken! Afvoeren! Weggooien! Seponeren! Negeren!


    24-07-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.65: Zomer in de stad

    ZOMER IN DE STAD        

    Het regende oude wijven, katten, honden en haaientanden op 1 juli. Zouden de kaarten van de mensheid vandaag dooreen gehutseld worden? Of minstens eens op een verrassende manier gedeeld worden? Deze symbolische zomerdag die naar hout en teer en vertrekkende treinen zou moeten geuren, geleek in alles op een carwash op een valavond in november. Boven de stad was een strak loodgrijs zeil gespannen. Daaronder was iedere sterveling op straat een potentiële moordenaar. Auto’s voerden groot licht. Binnen bepaalde kunstlicht de gehele dag al de stemming: onwezenlijk, depri, tegennatuurlijk. Door een samenloop van omstandigheden (start schoolvakantie, uittocht reizen, koopjes, barslecht weer, wegenwerken alom) reden overal te lande auto’s en vrachtwagens op elkaar in. Daarin bevond zich dus al een deel van de moordenaars. Mobilhomes en caravans, die rijdende schijthuizen, baanden zich treurig een weg doorheen de opake grijsheid, waaiers van hemelwater om zich heen sproeiend. In de stad K., die om absoluut niets bekend stond en juist daarom iets aantrekkelijks had, bewoog ik me voort. Ik was op weg naar taverne Darlingen. Het was 14:08, een van de tijdstippen van de dag waarop je het meest kans liep jezelf voor de kop te schieten. Of naar de Leie te lopen en van de Consciencebrug te springen in de hoop niet op het jaagpad terecht te komen annex traumatologie. Hier en daar flakkerden tv-schermen in etalages en woonhuizen. Men deed aan topsport in sofa’s. In taverne Darlingen had ik een diepgaand gesprek met de bijna comateuze tapheer. ‘Dag’, zei ik. ‘Dag’, antwoordde hij. ‘Hoe maak je het?’ ‘Dat verklap ik je niet’. ‘Waarom niet?’ ‘Omdat je het dan zelf ook gaat maken’. ‘Een Westmalle?’ ‘Nee, een Leffe. Of nee: toch maar een Westmalle’. ‘Schitterend weertje, hé?’ ‘Ja’. ‘Maar dat heb jij graag, hé?’ ‘Ja, uit de grond van mijn hart’. De tapheer van Darlingen keek me vernietigend aan. Hoe goed hij me ook kende, veel liever zou hij nu die Westmalle over mijn regenkop uitgewaaierd hebben. De haat spoot uit zijn oren. Ik zag het. ‘En Malisse?’ knikte ik naar het scherm in de hoogte. ‘Pff … ‘. De tapheer schoof me de bol bier toe en ging weer comateus over zijn kranen hangen. De juliregen biggelde onverdroten van de ramen. De kaarten van de mensheid zouden vandaag geen geluk brengen.


    20-07-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.64: Rozemarijke

    ROZEMARIJKE                    

    It was a cold, windy night. Rozemarijke knoopte haar mariablauwe sjaal nog wat steviger om haar frêle hals. De wind had vrij spel in haar inktzwarte kapmantel. Bijna woei ze terug vanwaar ze gekomen was. Toch was ze niet van de magerste; bickyburgers en milkshakes hadden daar in de loop der jaren voor gezorgd. Haastig baande ze zich een weg door het bos van parkeermeters in de stad. In een duistere portiek stond een geheimzinnige gedaante haar op te wachten. Het was de roze wolf, alom gevreesd voor zijn scherpe uitspraken, voor de gelegenheid vermomd in een grijs pak. Bruinbehaard sprong hij haar plotseling voor de voeten. Rozemarijke schrok zich een hoedje maar weigerde een gil te slaken. ‘Aha! Het meisje met de mooie vooruitzichten!’ grijnsde de roze wolf, terwijl hij al zijn voorpoten uitstrekte om … ‘Poten thuis!’ snauwde Rozemarijke. ‘Wachtwoord?’ vroeg de roze wolf. ‘Plattekaas’. ‘Maak dat je grootje wijs’. ‘En ga jij maar een ander lastigvallen, verschoten pluchevampier’, beet ze van zich af, terwijl ze de roze onverlaat een dreun tegen zijn kop verkocht met haar streekgerechtenmand. ‘Aha, paté!’ riep het beest likkebaardend. ‘En streekbieren! Mag ik mee naar je grootmoe?’ ‘Eerst moet je drie vragen correct beantwoorden’. ‘Ah, hoe sprookjesachtig. Spreek op, o Rozemarijke’. ‘Ben je goed wijs? Wat staat in ’t midden van Parijs?’ De roze wolf rimpelde zijn foeilelijke snuit, zodat hij op de streekkrant van verleden week begon te lijken. ‘De Eifeltoren’, antwoordde hij dan. ‘Mis poes!’ riep Rozemarijke triomfantelijk uit. ‘En daardoor hoef ik mijn twee andere vragen niet meer te stellen, domoor!’. ‘Maar wat staat er dan in ’t midden van Parijs?’ vroeg de roze wolf pruilend. ‘De letter r, lelijkaard’. ‘Melige rijmende mop’, smaalde de wolf. ‘Flauw!’. ‘Adieu, ongedierte, ik doe de groeten aan mijn grootmoe’, riep Rozemarijke, en ze stapte door, de streekgerechtenmand klemvast onder haar arm. De roze wolf liep ontgoocheld weg. Rozemarijke bracht de paté en de streekbieren naar haar grootmoe in het bejaardentehuis BRAAF! Die was bijzonder blij dat ze het er levend af gebracht had. Rozemarijke bedoel ik. Op diezelfde cold, windy night botste de roze wolf met een knalrode Saab bij het oversteken van de straat. Hij was op slag halfdood. Dit alles gebeurde in een tijd waarin de bosgeesten nog kleine kinderen roofden en de dieren nog West-Vlaams spraken.


    18-07-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.63: Coup de mémoire

    COUP DE MEMOIRE                       

    Door het openen van een doos koekjes en de geur die eruit ontsnapt, kun je hele stukken verleden weer opsnuiven en oproepen. Een flard van iets zintuiglijks kan daartoe volstaan. In het jaar Onzes Heren 1962, Osama-bin-Laden was nog een virus, liep ik op een tamelijk zonnige zondagmiddag over een verboden speelplaats in de grote school van Torhout. Ik kwam van een zogenaamde ‘activiteit’ van de Kongolese Slinger Apen, de KSA-jeugdbeweging. Ik nam een kortere weg naar huis via de doolhof van die grote school. Die speelplaats waar ik over liep, was verboden terrein voor mij, omdat ik nog bij de ‘kleintjes’ op school zat. Wij hadden een ander speelplaatsje om cowboy en indiaan te spelen. Plotseling kwam een flard muziek aanwaaien die ik alleen kan omschrijven als ‘zondagnamiddagmuziek’: lijzig, loom, weemoedig, ver en dichtbij. Een soort van refrein waarvan het belangrijkste woord op ‘Leo’ leek en zowel door een man als een vrouw gezongen zou kunnen zijn. Het kwam van ergens heel hoog, van op de derde of vierde verdieping van een geheimzinnig gebouw naast de speelplaats, uit een openstaand raam. Het had tegelijk iets treurigs en iets feestelijks. In die zestien seconden muziekflard zat een hele wereld van toen, het tijdperk van voor de maanlanding, de oude aarde van die ene sinterklaas en het engelenhaar in de kerstboom. Veertig jaar later, Osama-bin-Laden is nog steeds een virus, en zowel die speelplaats als dat gebouw zien er nu heel anders uit, speelt die flard nog altijd in mijn hoofd. Als dat gebeurt, duikel ik onmiddellijk het verleden weer in, naar de Sparrenstede ten tijde van de Kennedy’s. Het eerste wat ik dan doe, is een handvol sneeuw van het muurtje rond de kerk scheppen en die opeten, want na de jeugdbeweging rookten we soms met z’n drieën of vieren in een ijltempo een heel pakje Zemirsigaretten achter elkaar op. We waren geen watjes. Daarna stap ik naar huis, voorbij een zondig café waar een filmaffiche hangt: een dokter, of toch alleszins een man in het wit, houdt een boreling ondersteboven. Titel van de film: ‘Waarover men niet spreekt’. Uit het café komt een andere flard muziek aanwaaien, iets Elvisachtigs, maar die is nooit in mijn hoofd blijven haperen. Die speelplaatsflard dus wel. Ik kan die niet eens omschrijven, maar ik hoor die nog altijd. Het is iets van dezelfde orde als het Chinese vrouwtje met de zwarte paardenstaart dat vroeger af en toe in mijn slaapkamer opdook, vlak naast de pispot. Echt gebeurd, denk ik.


    07-07-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.62: Gewei

    GEWEI                      

    Mijn vrouw vindt dat de mensen een gewei moeten hebben. Mannen én vrouwen. Dat zou onder andere handig zijn om kattebelletjes en boodschappenlijstjes aan op te hangen. Of om flessen en blikjes te openen. Als iemand met zijn gewei achterstevoren thuiskomt, zou men ook meteen weten wat er aan de hand is. Desgewenst zou het menselijk gewei ook versierd kunnen worden. Er kan verlichting in gehangen worden. Je kan goochelen met verf en kleuren. Je cafébazin kan er je tickets aan vastprikken. Ikzelf ben meer voorstander van de menselijke staart in alle maten, gewichten en soorten: eekhoorn, zwijn, koe, pauw, … noem maar op. Als ik zo het menselijk lijf verken, ben ik er vrijwel zeker van dat wij vroeger allemaal een staart hadden. Een staart is niet zo handig, maar in de eerste plaats bijzonder fraai. Ieder mens zou er een moeten hebben van bij zijn geboorte. Hoe die er uitziet, wordt bepaald door karakter en temperament en levenswijze. Een varkensstaartje bijvoorbeeld hoeft niet noodzakelijk met modder en vet geassocieerd te worden, maar met verstand. Een varken gaat zelden achteruit; het graaft ook de truffels onder de boom der kennis op. Het is de bisschop onder de beesten. Pauwenstaarten zouden we te zien krijgen bij politici, BV’s en vrouwen die vroeger met heelder fruitmanden op hun haarstaketsel rondliepen. Wat mij betreft: doe mij maar een simpele paardenstaart. Het paard is een macrobiotisch beest dat leeft in harmonie met zijn omgeving: gras, land, renbaan. Moessonmensen zijn bijvoorbeeld ook aangepast aan hevige langdurige regens: hun gehoor verdraagt meer en ze hebben sterke blazen. Toeristen daarentegen moeten er ononderbroken plassen. Nog honderd jaar en de moessonmensen krijgen kieuwen en vinnen. Misschien beginnen mijn nazaten dan te hinniken. Ik moet wel uitkijken met mijn verzuchting: het venijn zit in de staart. Tiens, toen ik daarnet mijn staart even uitliet om een luchtje te scheppen (dat is soms nodig – ik hoef er geen tekeningetje bij te maken zeker van waar precies zich de staart bevindt?), zag ik dat het gewei van mijn buurman naast zijn voordeur tegen de gevel lag. Dat was dus een variant op thuiskomen met je gewei achterstevoren op je kop. Het kan ook zijn dat er niks aan de hand was en dat buurvrouw gewoon het gewei van haar man buiten had gezet in verband met ophaling van oude kleren en zo. Komt met de zomer mijn buurman met een nagelnieuw gewei voor de dag? Een nieuw seizoen, een nieuw gewei? Druip ik met de staart tussen de benen maar weer naar binnen?


    05-07-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.61: Kieken

    KIEKEN                    

    Elke dag vliegen en roetsjen we een aantal keren op de banen om Kortrijk: sterren, vicieuze cirkels, haarspeldkronkels, eierconstructies, onafgewerkte wereldwonderen, duizelingwekkende achtbanen, luchtbruggen. Een melkweg van twijfel, kommer, kwel en blikschade. Een aqualibi waar het menens is. Ter hoogte van Kortrijk-Noord, de fameuze haarspeldknik, hebben we een gelukkige kip ontdekt. Ze woont in een berm, die ingebed ligt tussen twee stukken autostrade. Waarschijnlijk is ze daar ooit verdwaald geraakt. Om haar heen zoeven dodelijke auto’s. Blijkbaar heeft ze al in het snot dat dit gevaarlijk is. Ze blijft in haar heuvelachtige groene zone. Ontsnappen kan niet meer; dit is het Alcatraz van de kiekens. Maar ze wil niet ontsnappen. Ze ziet er schitterend uit, een echt kieken: wild, vet, goed in de veren verpakt, grauw van landelijk geluk. Als ze eieren legt, maakt ze er de ratten gelukkig mee. Ofwel stapelt ze die ergens in een hoekje van haar zevende hemel op, met de hulp van een tweetal paashazen. Mijn vrouw speelt met de gedachte daar een haan te droppen. Zo veroorzaakt ze misschien een generatie bermkiekens: een nieuw soort wild, gelukkig pluimvee dat de groene zones naast onze dodenwegen onderhoudt. Toch een prettiger toekomstgedachte dan te eindigen als coq-au-vin of vol-au-vent. Het kieken dat wij kennen, is beslist niet onnozel. Het loopt bijvoorbeeld niet onder auto’s. Het blijft als een Robinsonkip op zijn groene eiland en bepaalt zelf zijn eigen lot. Deze bermtoeriste vind ik bijzonder sympathiek. Zij is het levende, weldoorvoede bewijs van individuele ondernemingslust. Ze hoeft geen rekening te houden met een pikorde en met haantje-de-voorsten. Er is maar een schaduwzijde aan haar eilanderige bestaan: dat ellendige lawaai. Ik denk dat ze al vaak zin gehad heeft om de auto’s met haar eieren te bekogelen. Mochten haar eieren kogels zijn … Ze houdt zich alsnog gedeisd, want de aanval is niet altijd de beste verdediging. Zij kan de aartsmoeder worden van generaties bermkiekens. Hoe zullen we haar noemen? De Robinsonkip? Het Vlaamse Bermkieken? Het Grote-Ringpluimvee? De Vuilwit-Gevederde-Kortrijk-Noordscharrelaar? Kipvrij, maar toch gevangen. Kiplekker, maar niet veel soeps. Van snavel tot kont ei zo na kerngezond. We benijden haar. We krijgen er kippenvlees van. Wekelijks denderen hier kippenbatterijen op wielen voorbij, volgepropt met ongelukkige soortgenoten. Die passeren dan de vogelvrije kip, woonachtig en scharrelachtig tussen Bissegem en Heule. Ach, vertel mij, wat is er mooier dan een dooier?


    02-07-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.60: Thuisreis

    THUISREIS                      

    Mijn laptop brengt me de wereld rond. Aangezien we reizen om te leren, steek ik overal wat op. Zo heb ik de afgelopen maanden doorgebracht o.a. in White Plains, in Syracuse (beide State of New York) en Phoenix, Arizona. Mijn gastdame en gastheren waren naamgenoten: Candice Denoo, Steve Denoo, Pat Denowh. We houden internetcontact. Pat’s ‘great grandfather’ is geboren op 1 februari 1860 in Torhout. Steve en Candice hebben herinneringen aan Europa van horen zeggen. Misschien zijn zij en wij verwant, misschien ook niet: het stormt ook wel eens door de kruinen van stambomen en er komen ook gelijknamige maar verschillende stammen voor in het grote bos der mensen. Steve (Syracuse) was ooit barkeeper in Chicago. Hij werd er in zijn bar aangesproken door de maffia, nogal dwingend, en verkaste daardoor naar rustiger oorden bij de grote meren. Op mijn verzoek om wat ‘inspiratie’ door te spelen, mailde hij mij het verhaal van de bowlingballen: maffiosi hebben ginds nogal eens de gewoonte een te liquideren lotgenoot vast te binden, in de autokoffer te gooien, in het gezelschap van drie stevige bowlingballen en een rit van een honderdtal kilometer te ondernemen over hobbelige wegen. Daarna wordt de nog-net-levende gedumpt, en iedereen vraagt zich af wat er in godsnaam is gebeurd. Momenteel is Steve verkoper van Cadillacs; het zijn auto’s met een grote kofferruimte en nog altijd zeer gegeerd door de maffia, zegt hij. Die maffia ofte ‘mob’ is overigens nog altijd actief in Boston, Chicago en New York. Candice (White Plains) doet het rustiger aan. Zij ontwierp een leerplan wiskunde voor de basisscholen en publiceert gedichten over gestorven huisdieren (Rainbow Bridge webstek). Haar geliefde poes is van haar heengegaan. Zij onderhoudt ook nauwe contacten met het dierenkerkhof in de omgeving. Parole Officer Pat Denowh (voorheen Apache Junction, nu Phoenix) mailde mij dan weer ietwat ruiger verhalen. Zo beweert hij dat zijn great-grandmother waarschijnlijk haar man van de aardbol liet verdwijnen. Er is nooit opheldering geweest daarover. Het was een zeer vinnig, opvliegend vrouwmens. Zo wou ze bijvoorbeeld ook nooit aan haar zonen vertellen hoe ‘Denoo’ nu echt werd geschreven. Waarschijnlijk kon ze dat zelf niet. Of was het uit wraak. Dus schreven de zonen hun naam dan maar zoals ze het hoorden: ‘Denowh’. De –wh werd er eind negentiende eeuw aan toegevoegd. Het zag er niet eens zo slecht uit, want de familie zat toen vooral in Apachegebied. O, nog iets: er is ook een cafébaas uit Dallas met dezelfde achternaam. Ik zag hem in het gastenboek bij de Cadillacsite. Toch even contact zoeken. Het wordt steeds schilderachtiger, dat thuisreizen van mij. Het wordt nog een mooie zomer.


    30-06-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.59: Zomerkiekje

    ZOMERKIEKJE                        

    De keizer, een of andere omhooggevallen pipo van een Pruis, zei tegen Mozart na de opvoering van een meesterwerk, om toch maar iets te kunnen aanmerken: ‘Te veel noten, mijn beste, te veel noten’. In vergelijking met de gecontroleerde Vlaamse gazons staan de meeste Engelse tuinen ook bomvol, maar dan wel in harmonie. De reactie daarop zou er ook een kunnen zijn van ‘te veel bloemen, te veel kleuren’. Engelsen zijn echter prachtige prutsers wat dat betreft; ze kunnen woekeren met ruimte en ogenschijnlijk paradoxale dingen doen harmoniëren. Dat geldt ook voor hun voetbal: die foeilelijke eilanders breien vaak de mooiste voetbalpatronen. Het ziet er altijd wat gewaagd en slordig uit, maar bij nader/dichter inzien/toezien ontdek je gestructureerde complexiteit. Heden ten dage scharrelt in onze zeer Engelse tuin de gevederde Pim Fortuyn rond: een piepklein kuiken dat op de dag van de moord op de ongevederde Pim Fortuyn door mijn vrouw uit zijn ei gered werd omdat de moederkip zich alleen maar om de andere eieren bekommerde. Het Fortuynei deed er namelijk een dag langer over, door omstandigheden. Met behulp van een kartonnen doos, een lamp en fijngemalen graan is het kieken Pim Fortuyn nu toch nog een leven op aarde beschoren. Maar hij moet uitkijken. Onlangs werd hij bijna gewurgd door een enorme worm: we laten Pim af en toe al binnen een afrasterinkje buitenshuis scharrelen. Ondertussen, terug naar de noten, knabbel ik aan mijn hamstervoorraad noten. Deze lekkernijen worden mij af en toe geleverd door gulle collega’s met bomen. In deze barre tijden van hitte en droogte gaan mijn gedachten in dankbaarheid naar hen uit. Ook naar de komende herfst en naar de sprokkelmaand februari, tijdens dewelke adembenemende stormen de luchten en de straten weer schoon zullen vegen en de boomkruinen ranselen tot het noten en vervolgens takken regent. Van deze muziek hou ik zeer grondig. Ondertussen stel ik me tevreden met mijn zomerkiekje. Ik leer het wat Engels praten en probeer het ook wat politiek bij te brengen, zodat het binnenkort op een lijst kan gaan staan, bij de andere kiekens. U kunt het van tussen de andere kakelenden herkennen aan zijn pluimen. Het zal tegen dan ook geregeld een ei leggen.


    26-06-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.58: De Guldenkolenslag

    DE GULDENKOLENSLAG                     

    Heel lang geleden, toen de dieren nog spraken, wellicht West-Vlaams, had ik een huis met een zeer grote tuin. Waaiende bomen, diepe putten, hoge bergen, bedden groenten, gaarden fruit. Een waar paradijs, kortom. Niets liet vermoeden dat zich daar een vreselijk doch kleurrijk drama zou afspelen. Mijn tuin bracht elk jaar honderdvoudig op. Ik sproeide en harkte en hakte dat het een lieve lust was. Ik plantte en zaaide en luisterde naar de raadgevingen van mannen met brugpensioen. Alles gedijde naar behoren. Hoe welig tierden mijn vruchten! Maar op een dag trok ik ogen als postorderschoteltjes. Ik had per ongeluk tachtig rodekolen in mijn zeer grote tuin geplant. Rodekolen! Tachtig! Die groente haatte ik als de ziekte. Ik vond het eerder een blauwte, een schaamte. Dat ik dat niet gezien had! Ik had me weer eens in de kleur vergist. Het resultaat was een glanzende roodpurperen slagorde rodekolen, strak in het gelid, klaar om tachtig middag- of avondmalen grondig te verpesten. Tachtig galgenmalen … dat kon ik onder geen beding laten gebeuren. Toen greep ik resoluut in. Geschiedenis wordt vaak geschreven door kerels die een plotse beslissing nemen. Er hielp geen lievemoederen meer aan. Om mijn geweten wat te sussen knielde ik eerst neer. Ik at een kluit van die vruchtbare moeder aarde, zoals de Vlaamse aalmoezenier deed vlak voor de grote schok in 1302 hier ter stede. Dan pakte ik mijn spade. Ik zette die op haar scherpst en onthoofdde daarna een na een die roodpurperen ondingen met een stevige hauw. Toen het bloederige slagveld vol afgehakte blauwte lag, katapulteerde ik met een waar genoegen tachtig onthoofde rodekolen tegen de tuinmuur achter in het kiekencompartiment. Met een doffe knal spatten die daar uiteen en gleden zieltogend naar beneden. Mijn handen zagen purper van het kolenbloed. Nog altijd hoor ik de geluiden van de ontploffingen. Dit drama speelde zich in de vroege valavond af. Het was een weertje om naar te fluiten. De zon kleurde de kim bloedrood. Zij was getuige van de Guldenkolenslag in mijn tuin. Na mijn overwinning op die tachtig vijanden boog ik me liefdevol over mijn andere groentes, die ten minste nog groen waren. Ook aaide ik liefdevol mijn drie perzikbomen. En ik tekende twee doelpalen op de tuinmuur en gooide kleine patatjes naar Pinard de poes, die kon keepen als de beste. U ziet: ik ben geen onmens. Ik barst van liefde en begrip. Alleen legden mijn kiekens uit schrik die avond ieder nog een extra ei.


    24-06-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.57: De onbekende dichter

    DE ONBEKENDE DICHTER                 

    Een eeuwige vlam? Een nederige urne met een pietepeuterig waakvlammetje? Een zuil? Een symbolische steen of vergeetput? Ik koester al lang het plan om een monument op te richten voor de Onbekende Dichter (m/v). Waar zou dat dan moeten komen? Watou is al lang voorbehouden aan de elkaar op de schouder kloppende gecanoniseerde dichters. In Brussel brandt al een vlam voor zij die niet spreken of schrijven. Gent met zijn Poëziecentrum kan in aanmerking komen. Misschien ook, of all places, Merchtem: daar waar jaarlijks duizenden jonge dichters en dichteressen hun inzendingen droppen en waaruit dan naderhand enkele gelukkigen worden gefilterd. Antwerpen Boekenstad heb ik al geschrapt: te veel rumoer met die stadsdichters. Het liefst kies ik een leeg pleintje in een volstrekt anoniem dorp, en mijn voorkeur betreft het idee van de vergeetput. Er zou bijvoorbeeld van alles in gedumpt kunnen worden: al het papier dat zijn weg niet gevonden heeft naar de gedrukte openbaarheid middels uitgeverijen, boeken, tijdschriften, kranten, jury’s, kliekjes en andere heilige huisjes of cenakels. Elk jaar, bijvoorbeeld op Gedichtendag, zou die papieren toren in de vergeetput door een plechtig dalende toorts in de fik gestoken kunnen worden, om plaats te maken voor verse afgewezen manuscripten, weigerbrieven, achterklap op rijm en onverkochte boeken. Ik denk eraan sponsoring voor het project te vragen aan het Vlaams Fonds voor de Letteren en aan de stichting Behoud de Begeerte, dé Führers van de Abwehr in de Vlaamse literatuur. Op de gedenksteen bij de vergeetput voor de Onbekende Dichter komt te staan: ‘Hier ligt er / een onbekende dichter.’ Eenvoudig, to the point, no nonsense, in de put. Mijn monument zou ook aanleiding kunnen zijn tot een extra invulling van de uitdrukking ‘in de put zitten’. Mijn gedenkput zou duizenden en duizenden dichters en dichteressen memoreren, waarvan er vermoedelijk een honderdtal wellicht beter zijn dan de bekende levende dichters en dichteressen. Tja, zo zit de wereld met zijn bewoners in elkaar. Het leven is een lotto. Mensdaden tegen de misselijkheid, misdaden tegen de menselijkheid. Het schone geheim van de poëzie ligt soms diep begraven. Ik hou u op de laagte van mijn project.


    22-06-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.56: Geen kik

    GEEN KIK                    

    Het overkomt me soms dat ik een handvol kikkerbillen in een pan mik. Die heerlijke onderdelen laat ik dan sissen en pruttelen in al het scherpst en het pikantst dat ik in onze zeer ruime keukenkasten kan ontdekken. Als het water me in de mond komt en als er geen kikkerbillen voorradig zijn in dit druilerige apenland alhier, dan praat ik er gewoon over, ter vervanging. Erover praten is ook een beetje smullen. (Ooit was ik een menseneter. Ik was ‘gids’ van een ‘vendel’ bij de KSA, de Kongolese Slinger Apen. Mijn leuze was: ‘Menseneters … eet!’ Er is dus beterschap). Praten over kikkerbillen stuit soms op weerstand. Ik ken een fantastische kok die problemen heeft met de landen van herkomst van kikkerbillen: het straatarme Bangla Desh en India. Mijn vrouw vergelijkt kikkerbillen met jongemeisjesdijen, weerloos geslachtofferd in de ziedende pan. Hier en daar lees ik ook dat een kikker in een prins kan veranderen. Aan prins Charles’ gezicht kun je dat nu nog merken. Toch zal ik als laatste wens voor het executiepeloton als galgenmaal een pan kikkerbillen vragen, zonder blinddoek. Alsook: een dozijn oesters. En misschien nog een hazenbout met een rodenbach. Om het te rekken. Plus een chocotoff, want die gaat volgens de reclamespot eeuwig mee. En de mensen van het vuurpeloton moeten hun kogels en hun geweren met look inwrijven. Dan kan ik deze blauwe plek in het heelal verlaten, een schroeiplek nalatend die geurt naar kruit, bloed, look, kruid, chocolade, zee en vlees. Mijn hemelvaart zal welriekend zijn. De enige stank zal komen van het vuurpeloton zelf, dat met een lookprobleem zal zitten. Maar ik zal geen kik geven. Ook al is er aan de kikkerbillen veel gekwaak voorafgegaan. In deze poel van ellende, waar we rondwaren met de daver in onze reet en het schijt in onze schoenen omdat alles zo hard zijn best doet ineen te storten, veranderen omgekeerd de mensen weer in kikkers. Opgeblazen gekwaak wordt zwanenzang. Dat merkten we al vaker, na onze kiespijn in de stemhokjes. Te veel koks bederven de brij. Kijk maar naar Nederland, hét kikkerland bij uitstek. (Ook in het woordenboek). Het rommelt er al maanden in hun keukenhofje. Niet zo lang geleden bekte het ‘poldermodel’ nog zo leuk in de mond. Een wrange nasmaak blijft over. Ik ga puiten pakken.


    19-06-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.55: W-Vlse wouden

    WEST-VLAAMSE WOUDEN                  

    Wel ja, West-Vlaanderen heeft het kleinste percentage bossen van alle provincies. En dan? So what? We hebben ook het minste percentage bosbranden van alle provincies. Overigens zijn sommige bossen lelijk. Ze belemmeren het zicht, de einder, weet je wel. Aparte bomen zijn wel mooi. En wij in onze lage streek hebben toch ook de kust? Geen enkele andere provincie heeft zoveel kust. En dan nog, over bossen gesproken: we mogen er dan nog weinig hebben, de beroemdste bossen bevinden zich toch in West-Vlaanderen. De bossen van Beernem en hun moorden! Het Lappersfortbos in Brugge-die-Ontboste! Da’s wat anders dan die saaie donkere Ardennen en hun claustrofobische wouden. Er staan daar zelfs zoveel bomen zo dicht bijeen opeengepakt, dat je er nooit eens een echte Arden kunt zien. Of een normale zonsondergang. Traliewerk allemaal! Hier in deze lage streek in het platte verre westen kunnen we ten minste nog de wind aflezen aan een boom apart, aan een bomenrij of een bosschage. Een boom dat is een prachtig ding, weet je wel. Een bos is van het prachtige en goede te veel. Less is more. Ik kan uren naar een boom turen, maar ik doe het zelden wegens tijdgebrek. Een bos, vooral ontbost, maakt me gek. De kampen van mijn jeugdbeweging vroeger gingen gewoonlijk in van die gekke bossen door. Als het met school ‘bezinning’ geblazen was, (eufemisme voor ‘weg in ’t hoofd en geen les’): naar de bossen, jongens! Zelfs in West-Vlaanderen, de ontboste streek die zowel de wang van de Noordzee als de kont van Frankrijk kust, bleven ze die toch ontdekken, de zielenhelende bossen. Groenhove, Tillegem, Heuvelland, Wielsbeke, Kluisberg, Zevenkerken, Snellegem, potverdorie, Baekelandt, Beerbos, Sterrebos, het houdt niet op, Beernem, allez, vooruit, West-Vlaanderen leek wel één groot oerwoud vol met houthakkers en hindes. Zelfs bij ons in het bij wijlen zeer stille en soms zeer onrustige Heule was er een bos of twee: Heulebos en Steenbekebos. Maar dat zijn nu bosjes die vooral uit villa’s bestaan en bordjes-bij-bosjes waarop stukken bos te koop worden aangeboden. Om op een positieve noot in verband met kreupelhout te eindigen: een van de mooiste bomen die ik ken staat vlak naast een frituur en een krantenkiosk aan een druk kruispunt in de stille zuidelijke stad K. Dat vormt samen een prachtig stadslandschap. En het ruikt er nog lekker ook. Ondertussen leeft de Lappersfortboslegende verder, die bekende stadslegende waar alles waar van is, en die echt aan het gebeuren is. Kunnen bomen ook huilen? Respect voor bomen van dagen, zij sneuvelen bij bosjes!


    17-06-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.54: Bedrog

    BEDROG                          

    Een mens droomt de gekste dingen als de nacht is gevallen. Het zou kunnen dat we te weinig aanvangen met onze dromen. Leren we er niets uit? Hebben ze voorspellende kracht? Droomvrienden bijvoorbeeld kunnen ons behoeden voor onheil of ons de ogen openen. Zij kunnen in de droom het mes verwijderen dat we in het ‘werkelijke’ leven in de rug geplant kregen. Soms ook is er totaal geen aanleiding in de alledaagse werkelijkheid geweest om iets te dromen, hoe hard je ook op zoek gaat en associeert. Dromen kunnen ook zo ontzettend stom zijn. Probeer die maar eens op te schrijven of na te vertellen. Ze kunnen zich ook voordoen als een droom in een andere droom, en je beseft het, slapend, maar toch ben je alweer de klos als je wakker wordt: dubbel bedrogen. Ken je dat: dromen dat je droomt dat je op moet staan? Bent opgestaan? Maar niet bent opgestaan? Denken dat je opgestaan bent? Ik heb in mijn droomcarrière van een halve eeuw twee dromen die af en toe weer opduiken. De ene is taalkundig; de andere meetkundig. We bevinden ons op een weide die bestaat uit verdroogde puzzelstukken steenkoolachtige materie. Allemaal heel plat, desolaat, droog. Iemand komt me vertellen dat dit ‘scheepswol’ heet. Einde droom. Andere droom: een trapezium. In dat trapezium zweeft een geel puntje. Het komt steeds nader, dreigend, en verdwijnt ook steeds weer ver, net zo dreigend. Verstikkend gevoel in beide richtingen. Indruk van modder in de mond. Mijn recentste nachtdroom was splinternieuw. Nog nooit gedroomd. Ik barstte bijna in lachen uit toen ik wakker werd en de droom onmiddellijk probeerde te reconstrueren. Stel je voor: ik zit in een kerkje. We zijn met een klein aantal. Iemand voert het woord vooraan. Hij zegt: ‘Wij zijn The Scottish Numbered Church’. Dat komt dus neer op: de Schotse Getelde Kerk. Misschien bedoelde hij dat we uitverkorenen waren, en dat we met weinig waren. Ik stond op en speelde een stukje op de saxofoon. Daarna werd ik uitgejouwd door de toehoorders, terwijl de leider van The Scottish Numbered Church me bezwoer nooit reclame te maken voor onze kerkgemeenschap. Einde droom. Zouden mijn dagen geteld zijn? Ben ik in een ander leven lid van een gemeenschap die alleen in nummers gelooft? Heb ik een zielsverwant in Schotland? Toch is het veel leuker gezellig ouderwets te dromen dat je kunt vliegen. Leuker dan uitgelachen worden in een Schots kerkje. Mijn sympathie voor dat land verminderde daardoor gevoelig. Zoals je een hele dag lang boos kunt zijn op iemand die jou een nachtmerrie vanjewelste bezorgde, buiten zijn wil om natuurlijk. De meeste dromen zijn bedrog, maar als je wakker wordt heb je soms moordzuchtige plannen. I have a dream.


    16-06-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.53: Zomer

    ZOMER                     

    Voila, alweer een seizoen achter de rug, van september tot juni, bedoel ik. De zomer zal passeren als een hogesnelheidstrein, geurend naar teer en hout. De tijd zal stilstaan in een eilanderige Engelse tuin en hevig kloppen op zweterige zomerfestivals. Uit Vlaamse tuinen zullen hemelse rooksignalen opstijgen (probeer eens sprot gecombineerd met blonde leffe!). Ik ben van plan een vreselijk dik boek te lezen. Mijn leessnelheid zal die van een slak zijn. Er hoeft niet per se iets te gebeuren in dat boek. Het geruis van de wind door het gebladerte van bomen in Rusland volstaat. Een warm onweer in loodgrijze, paapspaarse en krijtwitte kleuren mag ook wel af en toe, zo naar de avond toe. Ik zal ook zelf een dik boek schrijven: deel twee van het boek dat ik tijdens de zomer van enkele jaren geleden schreef in de stilste stad van Vlaanderen. (Het is nog ergens goed voor, dat ik me in een doodstille uithoek van Vlaanderen kan verbergen om de laptop ter hand te nemen). Terwijl ik dit neerschrijf, is het juni. De regen roffelt oorverdovend op het dak. Op 1 mei was het nog bloedheet. Niet te doen voor de optochten met de fanfare, de politieke windhanen en de majorettes met de kruidnagelbruine billen. Ik vind het anders best wel gezellig: de blaasjes op straat, de grijsheid van regen, het jonge groen in bomen en hagen, en maar om de twintig seconden een voorbijpletsende auto in plaats van om de drie seconden. Het is bijna een weertje om een konijn in de pot te doen. Maar terug naar de nabije toekomst: zomer. Wat zal er in deze komkommertijd weer gebeuren? Het was in zulke periodes dat onze vorige vorst plotseling in Spanje kwam te sterven. Het was ook in zulke periodes dat de meest gehate misdadiger van België volop in beeld kwam. Vorig jaar was er minder groot nieuws, tot 11 september eraan kwam natuurlijk. Een zinderend nazomertje, zeg maar. De Ronde van Frankrijk, zegt u? O ja. Armstrong. Het zal weer niet zo leuk worden. Hij stond er ook al min of meer in het voorjaar. De coureurs locales zijn verwittigd. Het belooft dus weer (niet veel). Een monopolie is nooit boeiend. En die elf mannekens in het rood die een bal nahollen of soms ook zelf rondschoppen? Onze Brabançonnettes? Bah ja, daar zit soms wat aanvankelijke vreugde in, zeker? Beetje stom geluk van iemand die voor de eerste keer meespeelt op de lotto. Een ding is zeker: deze zomer wordt het buiten niet altijd warmer dan vroeger, en binnen zal het soms al zo koud kunnen worden als vandaag. Ik wens u allen een snoeihete zomer.


    15-06-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.52: Bot

    BOT                               

    Het was opvallend rustig tijdens die krokusdagen, een jaar of twee geleden. Weinig mails, brieven, foons, sms’jes. De mensheid was uit skiën. De mensheid stond op latten. Eerst in files, dan op latten. De mensheid brak haar botten. Het was dus ook weer komkommertijd wat nieuws betreft. Maar plotseling kwamen toch de botten weer aan de oppervlakte. En in het vizier. In Diksmuide met name, de hoofdstad van het IJzertijdperk. Met vroegere overledenen hadden ze daar wat aan de bermen gedaan. Ze hadden die bermen met aarde van ergens anders opgehoogd. De mensen die nog moesten overlijden, waren daar erg boos over. Je zou voor minder. Voorvaderen dienen niet om mee op te hogen. Het was een lugubere verkaveling. Je zag dus hier en daar ‘en passant’ een been uitsteken. De burgemeesteres beloofde dat het nooit meer zou gebeuren. We geloofden haar, ook al kenden we de tekst op de IJzertoren vanbuiten. Omstreeks diezelfde tijd was er op de betere tv-zender een BBC-documentaire over de laatste dagen van Jezus Christus. Botkundigen reconstrueerden er zijn hoofd. De kerel zag er geruststellend eenvoudig uit: eerder kort donker kroezelig haar, donkere huid, vroeg oud onder invloed van het klimaat, wat kingewas. Ook zijn kruisdood (in die tijd waren er wel ongeveer 500 per dag; er was een vaste ploeg Romeinen voor dat karwei aangesteld) werd nagebootst, met handen en voeten. Water en bloed zweten bleek ook mogelijk te zijn; men verwees hiervoor naar terdoodveroordeelden op weg naar hun executie of mensen in bombardementen. Dat lege graf in die steengroeve op paaszondag blijft natuurlijk een van de allergrootste raadsels. Lag hij er ooit wel in? Levend? Dood? Werd hij ontvreemd? Werd hij ergens anders ondergebracht? De conclusie van het programma was interessant: er moet daar toen iets gebeurd zijn, want die Jezus had concurrentie van andere messiassen. Er was zelfs sprake van een broer van hem, die ook predikte. Die andere messiassen hebben in de afgelopen 2005 jaar het nieuws niet meer gehaald; hij wel. Bleek ook dat de rol van Judas misschien wel herdacht moet worden. Een verradersrol is een ietsje te voorspelbaar literair, verhaalkundig bekeken. Een combinatie van dit tv-verhaal, de Bijbel, de Rollen van de Dode Zee, computer en forensische onderzoeken kan een ander licht werpen op een van de bekendste en onbekendste biografieën ter wereld. God zit in het detail.


    14-06-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.51: Zak

    ZAK                              

    Enkele winters geleden, het was beregezellig slecht weer, reed ik bijna per ongeluk door Stuivekenskerke. Ik dacht toen dat ik op een filmset was beland. Wonder boven wonder moest ik niet lang daarna voorlezen uit eigen werk in datzelfde Stuivekenskerke, in de oude ex-dorpsschool. Dat gebeurde in het kader van Dichtsmuide: het infietsen van een fietsroute van 42 kilometer langsheen overal te lande neergepote gedichten. De moeite waard, voorwaar. Veel centen heeft Diksmuide niet meer, maar het moet gezegd dat de poëtische zielen er zeer actief zijn. Ik had het er nog over met een andere dichter: er is geen stad of dorp waar we de afgelopen jaren meer gevraagd werden om voor te lezen dan Diksmuide. De stichting Digther, tevens tijdschrift, zit daar ook voor veel tussen. Da’s wat anders dan de grijze vuilniszakken van Kortrijk met een gedicht op van een naambekende kerel die gepromoot wordt door Humo en in de dwepersstad A’pen woont. Je moet al een deegkop hebben om zoiets te bedenken. Kortrijk wordt trouwens voor een en ander meer en meer spreekwoordelijk. Nog even en het is zo bekend als Pompei: zijn krampen, zijn doodsheid, zijn pretentie. Er valt geen zak meer te beleven in het stadje aan de ‘Golden River’, in het zg. ‘Petit Paris’ van weleer. Als Brugge het Venetië van het noorden is, dan is Kortrijk het Pompei van het zuiden, buiten westen. De eigen artiesten, beeldend, literair, noem maar op, worden er permanent vernederd door ze over het hoofd te zien en snobistisch te flirten met ‘het buitenland’ en wat van ver komt. Ze hebben ook onlangs ontdekt en beseft dat ze een eiland hebben, terwijl de Leie al jaren lang als een vreemd voorwerp door de stad stroomt. Ach, Darlingen: het is nooit anders geweest. Lees Conscience. Als er al eens wat roert, pretendeert men er onmiddellijk het warm water uitgevonden te hebben. Le tout Courtrai wil op de kaart van Vlaanderen en heeft al jaren het noorden verloren. Het ligt nu volledig buiten westen. Roeselare, Rijsel en Moeskroen boeren veel beter. Maar ter zake. In Stuivekenskerke, Pervijze en omgeving. Je hoeft er niet in vuilniszakken te rommelen om poëzie te lezen, mocht je dat natuurlijk al willen. Er hing (voor die gestolen werd, tot tweemaal toe) bijvoorbeeld aan het kerkmuurtje van Stuivekenskerke, tussen twee zitbanken in, een ‘boîte aux lettres’ met dichtbundels in. Je moest er niet wachten tot de vuilniskar passeerde. Over vuil gesproken. Het mooiste vuilniskargedicht komt van mij, en niet van meneer Gezelle of Lanoye. Het staat op mijn webstek en heet ‘De vuilniskar zingt halleluja’. Gezelle heeft over iets mooiere dingen geschreven. Lanoye niet. À propos: was de Guido gelukkig in Kortrijk? Tijdens zijn leven was er alleszins geen haan die kraaide of kat die omkeek naar de pennenvruchten van deze meneer. Overigens zweeg hij dertig jaar lang. Hij woonde ook te dicht voor erkenning, misschien?


    13-06-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.50: Prins

    VAN DE PRINS GEEN KWAAD                        

    De soepboer deed zijn ronde in Torhouthulst. Dat dit in de 21ste eeuw nog bestond! Ik mikte ijlings mijn inktzwarte Saab in een vrije parkeerplaats en stapte uit om te ruiken. Kervel? Erwt? Ossenstaart? Kip? Tomaat? De geur van soep, eender welke, staat bij mij op nummer twee, voorafgegaan door die van benzine, gevolgd door die van gebakken lever-en-uien. Toen ik daarom de Tiksmondestraat in Torhouthulst overstak, werd ik omvergereden door een Rover. Drie maanden later ontwaakte ik uit een coma. Het meisje uit Tiksmonde, dat ooggetuige was geweest, zat naast mijn bed. Ze was alweer aanwezig. ‘De soepboer is dood’, vertelde ze. ‘Toen jij omvergereden werd, kreeg hij op staande voet een hartinfarct. Torhouthulst zit al drie maanden zonder mobiele soep. De soepcentrale is definitief dicht. Een tijdperk is voorgoed afgesloten’. ‘Was het spruitensoep die dag?’ vroeg ik, want ik was nog erg verward door mijn lange reis naar de diepte. ‘Eh … ik geloof niet dat zo’n soep bestaat’, antwoordde de Tiksmondse. ‘Was het niet een oranje soepje?’ ‘Ik kreeg toen alleen de geur van rubber, benzine en verschroeid mensenvlees te pakken’, zei ik bitter. ‘Het is fijn dat je me opzoekt. Is er veel gebeurd de afgelopen maanden? Hoe heet je? Was je daar toevallig? Skuus voor al die vragen’. ‘Irak, Soedan, Israël, Anneleen, ja, geen probleem’. ‘Ja?’ ‘Ik woon in Tiksmonde, maar kom elke week mijn ma even gedag zeggen. Jou heb ik hier in het ziekenhuis al drie keer opgezocht, in opdracht van prins Laurent. Het valt mee met de schade, hé?’ Ik monsterde mijn lijf en knikte. ‘Laurent? En mijn halfdoodrijder dan?’ informeerde ik dan. ‘Weet je daar iets over, Anneleen?’ ‘Tja, eigenlijk ben je nu een Bekende Vlaming geworden’, zei ze. ‘Zie je: je halfdoodrijder was prins Laurent van België’. ‘Eh?’ ‘Op de gang wachten enkele journalisten. Toen je de eerste tekenen van leven gaf, werd een persbericht verspreid’. ‘O ja?’ ‘Het Paleis ademt opgelucht, lieten ze al weten in een prompt communiqué’. ‘En wat wordt er nu van mij verwacht?’ ‘Dat je ook opgelucht ademhaalt?’ opperde Anneleen. Dit alles gebeurde op de dag dat het hondje van de prins dood ging en er een zitbetoging voor zijn villa plaatsgreep tegen prinselijke belastingvoordelen. Het was dus een erg drukke dag voor deze monseigneur. Hij belde me de dag van mijn ontwaken nog op met de mededeling: ‘Dat nooit meer! Beloofd! Plus jamais!’ De grote vraag was natuurlijk: wat deed prins Laurent van België op een saaie soepvoormiddag in het stille dorp Torhouthulst diep in april? Was Zijne Hondvriendelijkheid de weg verloren of wou hij terug naar de kust? We zullen het nooit weten. Ik ben herstellende van de koninklijke aanrijding.


    12-06-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.49: D '77

    D ’77                        

    Dames en heren, hierbij verklaar ik de politieke partij D’77 op te richten: Defusioneringspartij 1977. Dat jaar was niet alleen het jaar na ‘die warme zomer’. In 1976 gingen niet alleen de kraaien te voet, of kon je kippen zo geroosterd krijgen in het zonlicht op de middenstip van het veld van Cercle Brugge. Nee: omstreeks 1976 & 1977 grepen de gemeentelijke fusies plaats. Fusionering, fusie, zeg maar fusillade. Grotere steden en stadjes en gemeentes slorpten hun omliggende en aanpalende kleine broertjes en zusjes op. Het werd het begin van een paradoxaal tijdperk. Hoe meer de overheid op alle terreinen fusies en centralisering oplegde, hoe minder ze dat zelf deed en steeds meer versnipperde in allerlei regeringen, gewesten, communautaire opsplitsingen, gemeenschappen en meer van dat fraais. Zelfs de politieke partijen leden aan dat euvel. Er zijn volslanke brochures nodig om buitenlanders dat allemaal uit te leggen. Terwijl het volk moest afslanken en inleveren en samensmelten in grotere entiteiten, leden de machthebbers zelf aan volslankheid en spilzucht. Ze bleven verdelen en heersen.Welnu, dat moet gedaan zijn. D’77 wil deze overheid een poepje laten ruiken en van hetzelfde laken een pak bezorgen. Terug naar de burgervader van voor ’76, terug naar het tijdperk van de autoloze zondagen, terug naar gezonde regiokleinschaligheid in het Europa van de regio’s. Onze slogan: ‘Verkocht maar niet verknocht’. Een dorp of gemeente kan niet zomaar verkocht worden en aanhangig en horig gemaakt worden, vooral niet als die gemeenschap helemaal niet houdt van de stad waar ze door opgezwolgen wordt. ‘Nationalisme’, zie ik een krant al koppen. ‘Rationalisme’, zie ik de andere krant al blokken. ‘Patriottisme’, zie ik nog een andere krant schreeuwen. Een recente enquête uitgevoerd door de vereniging ERWT (Eer, Respect, Woede, Trots) onder de Belgische bevolking leert dat niet minder dan 71 percent van de mensen pro defusionering is. De klassieke aanmerking of vraag is altijd: wie zal dat betalen? Waar halen al die pietepeuterige entiteitjes het geld om apart samen te gaan leven? Het antwoord is simpel: dat geld moet teruggegeven worden door de opslorpers van 1977 en hun trawanten. Vele dorpen en hun vroedschap zijn best wel zelfbedruipend én in staat zichzelf te besturen. Ze hebben daar helemaal geen vreemd cumulerend heerschap voor nodig dat eenmaal ’s jaars acte de présence geeft op het dorpsfeest. In 2007 zal het 30 jaar geleden zijn. We hebben nog even de tijd om na te denken, vooraleer we weer verplicht worden naar de gemeentelijke stembussen te trekken. De eerste taak van D’77 is vertegenwoordigers te krijgen in de gemeenteraden en schepencolleges van de stadjes en steden. Van daaruit kunnen zij ijveren voor defusionering, d.w.z.: ontwenning aan bemoeizucht, groeizucht, spilzucht, vetzucht. Het moet gedaan zijn met dit leenroerig stelsel. Wij willen vooruit kijken en gaan daarom terug naar het tijdperk van voor 1977. Men zegge en schrijve het voort. Leve D’77. Zonder uitroepteken.


    11-06-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.48: Choco

    CHOCO                   

    De roos is het symbool van de liefde. De duif betekent vrede. De chocopot staat voor kinderjaren. Een van de eerste teksten die we, bewust of onbewust, lazen, of althans probeerden te ontcijferen, was het etiket op de chocopot. Sommigen onder u zullen nu opmerken: nee, dat was op de cornflakedozen. Toch niet, jonger grut, want die dingen bestonden nog niet toen wij piepjonge virussen waren. Chocopotten dus. Ook ondergingen we in de middeleeuwen van de twintigste eeuw onbewust onze eerste lessen Frans dank zij la vache qui rit. La vache qui rit, dat waren kleine driehoekjes amper smeerbare smeerkaas zonder smaak. Wie die heeft uitgevonden, moesten ze levenslang op water en smeerkaas zetten. Later hebben ze smaken aan die driehoekjes toegevoegd, maar ondertussen gingen hele generaties reddeloos verloren door smaakloosheid. Dat waren de piepjonge helden uit de tijden van de soldatenradio, soldatenkoeken, vellen met melk onder verborgen en ‘zoetekoek’ waar je mond en je kont dagenlang van dichtplakten. Na al die martelingen deed zich dan des zomers in de vakantie een ander drama voor: die vreselijke rabarber dook op. In plaats van ons die zure stokken als wapens te laten gebruiken, maakten de ouden van dagen er godgenageld confituur van. We plakten dan nog meer, en honderden vliegen uit de late jaren vijftig en de vroege jaren zestig landden ononderbroken op ons gestel. Een van mijn broers werd zelfs door een boze verdwaalde vogel aangevallen die op zoek was naar zoete weerwraak. Mijn angst voor overvliegend pluimvee en mijn fascinatie voor katapulten en schietlappen dateren van toen. Maar terug naar de choco. Elk jaar omstreeks december, krijg ik weer de geur van ouwe choco in mijn neus. Zou dat door de Goede Man en zijn Zwarte Piet komen? Ach, net zo goed doet een doordringende sinaasappelgeur hetzelfde. Nee, dat choco-aroma stamt nog uit onbestemde tijden, toen de dagen maar ‘open en toe gingen’, de wind in de boomkruinen oud was, de zomers warmer waren, het struikgewas geheimzinniger, de straatlampen spookachtiger, de sneeuw witter en hoger, de postbode op nieuwjaardag gezellig zat. Mijn choco kwam misschien uit de allereerste chocopotten ter wereld. Wat eerst komt, is vaak het best. De rest is gewoonte, herhaling. Gewoonte wordt luxe. Luxe wordt snobisme. Snobisme wordt blasé. Blasé is … Geef de choco eens door, mémé.


    10-06-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.47: Upperdog

    UPPERDOG                  

    Omdat sommige basket- en volleybalspelers al bijna drie meter hoog zijn, heeft men besloten met gewichten rond de enkels te spelen, wegend naar gelang van de lengte van de speler. Zo wordt het wat boeiender voor het publiek; tot nu toe hadden de spelers het papgemakkelijk. Ook wordt het volleybalnet dertig centimeter hoger opgetrokken; de basketkorven idem dito. Aan de ballen raakt men vooralsnog niet, maar men speelt wel met de gedachte aan één scherpe hoek. Wat voetbal betreft (een balsport): om dat spel wat aangenamer te maken, wordt elke ploeg verplicht om met een willekeurig uit de tribune te plukken supporter te spelen, eventueel door het lot aangeduid, als een van de elf. Ook komen er permanent twee ballen in het spel, en twee scheidsrechters. De buitenspelval wordt eindelijk afgeschaft. Voor de wielrennerij blijft alles zoals voorheen: wie er in slaagt zijn doping perfect te maskeren, wint de wedstrijd. Wil hij dat liever niet, dan mag hij de koers verkopen op ongeveer achthonderd meter van de eindstreep. Om het nietszeggende gelul van trainers en sporters in tv-interviews ietwat in te dijken (‘De bal is rond’, ‘Wat wilt ge’, ‘Het was moeilijk’, ‘Ik had de benen’, ‘Ik stierf voor de meet’, ‘Ik doe het voor de wielersport’, ‘We zien wel’), krijgen de ondervraagden van de reporter vooraf drie woorden en een punt waar ze een zin mee moeten bouwen. De rest wordt door de reporter zelf gezegd. Voor de renners worden dat: ik, conditie, tandje, (.). Voor voetballers: ja, bal, pech, (.). Maar ach, ook sportreporters kramen soms onzin uit. Gehoord op drie april, over een renner: ‘Hij is psychologisch veel met zijn lichaam bezig’. En ze hebben het bij wielerklassiekers zeer oorlogszuchtig over ‘sterven’ en ‘agressief zitten’. In hun enthousiasme steken ze dan ook een metaforisch tandje bij. Vandaar dat ook beslist is het beroep van sportreporter af te schaffen. Er wordt alleen nog gekeken door de toeschouwers, zonder storend commentaar. Dat betekent meteen het einde van de radiosport. Idem voor de herhalende beelden, traag of vlug: afgeschaft, die ellende. Wie het niet gezien heeft, het doelpunt, de aanslag, komt volgend weekend maar terug. Want de bal blijft rond. Supporters die achter de reporter of de geïnterviewde met een pet op hun kop het tv-scherm staan te verontreinigen, vooral diegenen met reclame op hun kleren, wordt levenslang de toegang ontzegd tot velden en circuits. Echter! Dit alles is niet van toepassing voor Vlaanderens Mooiste, de Ronde met name. De doping mag dan nog van de koppen en kuiten spatten, het blijft een koers als een roman. Al is de beroepssport al lang niet meer gezond, voor een klein broodje en wat spelen blijf ik graag een paar uur horizontaal in mijn zeer Engelse sofa. Leve upperdog Excelsior Moeskroen! Avanti Roeselare! Vanwege een denksporter.


    09-06-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.46: Dolen door symbolen

    DOLEN DOOR SYMBOLEN                   

    Symbolen … Symboliek … Van zohaast de mens aan iets betekenis en extra-associatie toekent, is het symbool of symbolisch. Zelfs als het er niet meer is: is Ground Zero nu een symbool? De WTC-torens waren dat alleszins: van het kapitalisme. Is Pim Fortuyn een symbool (geworden)? Nu hij dood is misschien wel. Koning Boudewijn? Prinses Di? Is de tomaat, net als het duimapplaus, al heel lang hét symbool van afkeuring ( … als ermee gegooid wordt … )? En het ei dan? Moeten we de uil slimheid of domheid toedichten? (De knappe meneer Uil versus ‘Wat baten kaars en bril … ‘). In Chili gooien de mensen maïs naar politici, als ze het niet met ze eens zijn. Wie pikt maïs? Juist, ja: kiekens.Zinnebeelden zijn cultuurgebonden. Laten we wel wezen:de natuur biedt op zichzelf geen symbolen. Ook al ziet een en ander er soms driehoekig of cirkelvormig uit.

    Met het Symbolum des Geloofs ofte De Twaalf Artikelen van het Geloof (gegeven de 10 April 1946 in ‘Catechismus ten gebruike van al de bisdommen van België’) associeerde ik Dreiging, Duister en Gevaar. Dat kwam door dat magnifieke woord ‘symbolum’, dat tegelijk klonk als een klok en dreigde als een draak. Na het opdreunen van dat Symbolum (apostolische geloofsbelijdenis als herkenningsteken van de verbondenheid binnen de geloofsgemeenschap) was ik vooral blij dat ik alle twaalf artikelen zonder haperen had opgesomd en dat de duivel me dus vooralsnog niet kwam halen. De meester was overigens al erg genoeg. Hij staat nog altijd symbool voor de duistere Middeleeuwen van mijn bestaan op aarde, deze blauwe plek in het heelal.

    Zijn goden symbolen? Ze duiken alleszins gretig op in de mythes. Pandora, Afrodite, Prometheus, Sysifus, Tantalus, …En bijna uitsluitend daar. Bepaalde literatuur wil zelfs van buitenaardse verschijningen (af)godjes maken. Feit is dat bijvoorbeeld sprookjes zeer sterk symbolisch geladen zijn. Roodkapje draagt niet toevallig een rood kapje, en geen groen, ook al vertoeft ze veel in het bos. Het rode kapje moet de dierlijke hartstocht verzinnebeelden. En sinterklaas loert (als hij geluk heeft en niet uitglijdt over je natte dromen) door de schoorsteen, niet van je huis, maar van je hart: hoe zit het met dat geweten van je, braaf kind? Eigenlijk wordt dat zelfs door zijn geheugen gedaan: zijn zwarte knechtje.

    Symbool: Zinnebeeld: verdichting van en verwijzing naar een niet-aanschouwelijk begrip in een enkele aanschouwelijke voorstelling, voorwerp, handeling of teken. Oorspronkelijk een legitimatiebewijs, herkenningsteken, contramerk, afgesproken teken, parool, wachtwoord. Denk aan zo’n gespleten hartje-aan-een-ketting dat bijvoorbeeld bij de Joepie wordt geleverd: twee lieverdjes kunnen zoiets delen en weer complementeren. Teken van hun (kalver)liefde. Idem dito zoals bij de oude Grieken een contract werd bekrachtigd niet door de handen ineen te slaan, maar door twee complementaire potscherven te delen, die samen een pot vormden uiteraard. De uitvinders van onze democratie draaiden niet rond de pot.

    Ook de exacte wetenschappen kennen hun symbolen: tekens, letters. (Lettersymbolen, tekensymbolen). Dat is zo voor wiskundige constanten en chemische elementen. Grootheden, eenheden, relaties, waarden, operaties worden niet omschreven maar symbolisch aangeduid. Duidelijkheid en begrijpelijkheid zijn hier de boodschap. De tekentaal van de ‘exacte’ symbolen vormt de kortste weg naar het begrip. Net zo goed betekent + min en – plus. Het is een kwestie van afspraak. Tijdens zo’n college aan de unief kunnen gefluit of gegooi met bepaalde voorwerpen tevens voor symboliek zorgen.

    Alleen de mens kan dus (extra-)betekenis aan voorwerpen of handelingen toekennen. Dieren niet. Wanneer de elektriciteit uitvalt, kan een kaars u uit de penarie helpen. Diezelfde kaars, uitdrukkelijk voor een raam gezet, kan symbolisch staan voor (verlangen naar) vrede. En in de omgeving van de kerstboom, brengt ze extra sfeer. De driehoek uit de natuur roept niemendal op. In het verkeer daarentegen houden we er, al dan niet omgekeerd, zeer zeker rekening mee. Hij symboliseert een en ander. Een symbool draagt dus alleszins geschiedenis over: gedachten, gevoelens, beschaving kortom.

    Godsdiensten zijn zo abstract dat ze barsten van de metaforiek en de symbolen. De beeldende kunsten hebben daar af en toe werk van gemaakt. Het is maar via de afbeeldingen dat we de symbolen leren kennen. De witte lelie staat bij de middeleeuwse kunstschilder voor goedertierenheid, op voorstellingen van het Laatste Oordeel voor barmhartigheid. Uit de ons best bekende godsdienst, de katholieke, even een inventaris van symbolen: het kruisteken, het monogram van Christus, de Griekse letter T (tau, tevens de vorm van de executiepaal waaraan Jezus is gestorven, later de vorm van de St.-Pietersbasiliek en vele andere kerken), de duif (Heilige Geest), offerlam (Lam Gods), mens/engel (Mattheus), arend (Johannes), leeuw (Markus), rund (Lukas), herder (stok, tas, melkkan), vis, anker, mandorla (twee snijdende cirkels, amandelvormig ‘oog’, ‘vis’), feniks, passiewerktuigen (kruis, doornenkroon, drie spijkers, lans, spons, speer, hamer, tang, gesels, folterpaal, ladder, naambord), trinitasringen (drieëenheid), driehoek, drie gestrekte vingers, brood, zout, bijenkorf, schip, roos, ivoren toren, morgenster, nimbus van driehoek in cirkel (geloof, hoop, liefde, opgenomen in het rijkste teken van rust én beweging), nimbus met kruisvorm (cf. heidense zonnewiel, de spaken merken de vier seizoenen). Symbolische getallen? Drie, zeven (maal zeven … ).

    Echte symbolen, in tegenstelling tot bijvoorbeeld wiskundige tekens en verkeerspictogrammen, die gewoon een collectieve afspraak zijn en zelfs veranderd kunnen worden, tonen iets wat niet in gewone termen, begrippen en omschrijvingen te vatten is. Ze roepen ‘mysterie’ op: een diepere werkelijkheid achter dingen, mensen. We snappen het wel, maar kunnen het niet verklaren. We weten het wel, maar kunnen het niet definiëren. De symbolen ontsnappen aan de redekundige en intellectuele greep van de mensen. Symboliek is heel belangrijk. Hij komt meer voor in het dagelijkse leven dan we denken. De naam van iemand is een symbool. Negeer die naam, spot met die naam, verwring die naam, verbaster die naam: heel erg. Vervang die naam door een nummer: allerergst degraderend. Wie bijvoorbeeld tijdens een betoging de vlag van de tegenstander besmeurt, verscheurt, verbrandt, stelt een symbolische daad. En toch is het maar een lap textiel waarvan er zovele zijn.

    Persoonlijke noot. De verkeerde lieveheer. Ik heb er al een hele collectie van. Mijn persoonlijk symbool. Antiquarisch net zo veel waard als een verkeerd getande postzegel. Niet veel dus. Dat is ook niet de bedoeling van symbolen. De Christus aan het kruis die (vanuit zijn eigen standpunt) naar links helt en kijkt en luistert, richting zg. ‘slechte’ moordenaar. De klassieke afbeeldingen volgens de officiële canon: Christus’ hoofd op de borst gezonken (schaamte over de wereld?) en Christus’ hoofd naar rechts hellend (berouw aanhorend van de zg. ‘goede’ moordenaar). Mijn ‘links’, ‘verkeerd’ lieveheertje doet de moeite het alibi van de slechterik te aanhoren. Hij legt zijn oor te luisteren aan de linkse, donkere, slechte, duistere kant. Ik promoveer hem tot symbool van rechtspraak en bevrijdingstheologie. Tijdens het eerste pausbezoek aan België waren er katholieke fundamentalisten die de jacht op verkeerde lieveheren openden. Die ene, ‘abstracte’ linkse Christus is symbool; de rest (mijn gehele collectie) is natuurlijk ‘voorwerp’. Hebbedingetjes, wat mij betreft. Dingsigheidjes, soms.

    Monumenten. Een mens kan ‘een monument’ zijn. Eenmaal monument, altijd monument. Zelfs besmeurd. Of bekakt door duiven ( … die dan zelf geen symbolen zijn … ). Kennedy. Ghandi. Lernout & Hauspie? Die hebben misschien symbolischer uitstraling dan de man die rijmt met ‘astronaut’: Frimout. Rise and Fall of Flanders Empire. Ghandi is meer symbool dan monument. Kennedy minder. En Che dan? Ikoon? Nu dragen ook de antiglobalisten hem al op hun lijf. Hij staat dus voor iets. Symbool? Nieuwe versie van de Lijkwade van Turijn? À propos: Boeretoren, Zoo, Kennedytunnel, Atomium: pre-millennium & naoorlogse vooruitgangssymbolen?

    Kon de hierboven vermelde tweeling L&H (’Let me do the talking’) maar van de atlas op hun schouders af door de symbolische frank (nou: euro) te betalen! Symbolisch in zijn waarde, lachwekkend zelfs, maar het is het (opgelegde) gebaar dat telt. En een frank is een frank! Iets meer frank- en vrijheid levert de gouden handdruk op. Er kleeft wat meer dan genoegdoening aan dat onzichtbare symbool. Fort Knox: symbool van wat in o.a. de WTC-torens-zaliger aan kapitaal werd omgezet. Goud. De hedendaagse steen der grijzen. De dollar als teken van grootheid en eenheid. Dat dollarteken als symbool van Amerikapitalisme. O ja: ‘dollar’ komt van het Hollandse ‘daalder’.

    Symbolen waar slijtage op zit omdat hun actualiteit verdwenen is: terril, liftkooi, mijnwerkerslamp, hoefijzer, drietand. Symbolen die zo vaak gebruikt worden dat ze het moe zijn ( … en tot cliché of dood symbool zijn verworden … ): de zon, de donkere wolken, de ster, de zee. Vergelijk met een ‘dode’ metafoor als ‘slachtoffer’, of een ‘weg’ afleggen. Soms variabel: de slang (serpent, geneeskunst), de vos (sluwheid, rebellie, seks – cf. D.H. Lawrence: The Fox), de beer (fysieke sterkte, Rusland). Uit het rijke oeuvre van de Vlaamse schlagerzangers plukken we ‘de roos’.

    13 een symbool? Bij het Laatste Avondmaal lagen ze met z’n dertienen aan tafel. De zogenaamde verrader lag vlak links naast de te verradene – eigenlijk de boezemvriendplaats. Of zat daar bij nader inzien en dichter toezien een boezemvriendin? Da Vinci heeft het via zijn bekend schilderij de mensheid verkeerd doorgegeven. De leperd.


    08-06-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.45: Hooi

    HOOI                           

    Roodomrande konijnenogen, bergen zakdoeken, filevorming van snot, je kop van je romp niezen, ziek en niet ziek, een onderwereldbril op je neus tegen het zonlicht, pilletjes, injecties, dieet, slaperigheid, gemoed in het vriesvak: hooikoorts, kortom. Ik kan niet echt een natuurliefhebber zijn tussen april en oktober. En ik ben het beu om aan mijn omgeving uit te leggen dad bijn deus verstobd zit, dat ik wegens straffe pilletjes om de drie uur in slaap dreig te tuimelen, dat om de anderhalve seconde het snot uit mijn kop druipt, dat ik een hoofd als een zwalpend eiland heb, dat ik dus alleen tegen kauwgumsnelheid kan presteren, dat ik geen stem meer heb, dat ik niét een nachtje op de lappen ben geweest. Zo’n kop! Moeilijk te geloven. Want je bent niet ziek. Je bent aandoenlijk. Je bent alleen maar wrakhout, een slachtoffer van de natuur, aangespoelde drenkeling op een zee van snot. Iedereen schrikt zich een hoedje als je weer eens zeventien keer na mekaar knoerthard aan het niezen slaat. Grapjassen zitten stiekem te tellen hoe veel keer je het doet. En als het dan eindelijk avond wordt en de buien zijn ietwat overgewaaid, dan is je hoofd leeg geniesd. En je neus is een staketsel van rode vellen geworden. En je stem klinkt stroef als kolengruis. En het is alweer tijd geworden om een vers pilletje in te nemen, preventief, want hierna komt er nog een dag. O, ik kan hevig verlangen naar wind en regen en zomerse onweders. Met veel donder en bliksem erbij: dat is dan God die met zijn lastoestel de gaten in de ozonlaag weer dicht probeert te schroeien. Ik wil hier ook van de gelegenheid gebruik om een statuut te eisen voor de hooikoortslijder. Wij eisen gratis papieren zakdoeken, bergen begrip, voorrang in openbare toiletten, kosteloze vakanties in de nabijheid van veel water, een toelage voor pillen. Wij vragen met aandrang dat iedereen de andere kant op zal kijken wanneer we aan het worstelen zijn met badnatte zakdoeken en onze ogen oceanen van dronkenschap lijken te zijn en uit onze neus een Donau van snot vertrekt die niet te stelpen valt en het debiet heeft van Belgische bieren. Nog iets: laat vooral niemand afkomen met goede raad. Alle hooikoortsigen hebben alles al geprobeerd. Soms lukt iets. Soms niet. Koning Boudewijn bijvoorbeeld heeft zijn hooikoorts nu overwonnen. Voor ons, overlevenden, is het weer bang afwachten: komt er schrale oostenwind? Gooit die verdomde zomerzon weer met gloeiende speren naar moeder aarde? Zal men altijd meer grassen, berken, parken, bossen aanplanten of mogen we hopen op neon, beton, frietketen en cinema’s? Hatsjie … Hatsjoem … Hatsjernobil … God zegene u, hooikoortslijdenden.


    06-06-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.44: CC

    CC                         

    De zon zonk als een oranje kauwgombal in de gapende muil van het West-Vlaamse avondland. Ik stond diepe gedachten te hebben op een welbepaalde plek, en van daaruit zwermden die naar nog andere streken en steden uit. Cultureel Centrum ’t Yserleiepand zag er uit zoals vele CC’s in Vlaanderen: eerst en vooral ‘polyvalent’, en niet te vergeten ook volstrekt smakeloos afschuwelijk ongeïnspireerd foeilelijk. Polyvalent: men moest er toneel opvoeren, voor dode konijnen kaarten, mosselen eten en op klompen hossen. Lelijk: afwezigheid van zowel goede als slechte smaak, zeg dus maar aanwezigheid van doodgewone onsmaak, vertaalde zich in een ellendige symmetrie van avondrode bakstenen muren, de verplichte lichtkoepel en de onvermijdelijke glazen toegangsdeuren. Dit geheel werd luisterrijk omgeven door de alom gekende boomsoort der coniferen, vreselijk groen, op hun beurt beschermd door afschuwelijk groene afrasteringsdraad van een overbekende monopoliefirma. Zoals alle culturele centra bevond ook ’t Yserleiepand zich ergens lukraak aan de rand van een ‘bebouwde kom’ (waar veel mensen tegelijk in de soep zitten), vrolijk, ludiek, gedurfd, haaks op alle andere architectuur, afgescheiden als een drol door zijn hond. Ha, Jan Modaal wou Modern?! Jan Modaal zou Modern krijgen!! En een architect met ringbaard en lang haar schraapte een gebouw bijeen. Omwonende slachtoffers vormden daarna een comité om een naam te bedenken voor het onding. Dat was hun troostprijs. Kijk: cultureel centrum ’t Yserleiepand bestaat niet. Je kunt er dus niet naar komen kijken. Maar je ziet het overal, op vele plaatsen: daar waar de afgelopen decennia de roep naar cultuur zo groot was en dus de navenante gebouwen als zwammen uit de grond schoten. Veel van die gebouwen zijn lelijk. Sommige onfunctioneel. Andere dan weer niet in verhouding tot hun omgeving, inwoneraantal, mogelijkheden. Enkele industriële pareltjes zijn zelfs tegen de vlakte gegaan om plaats te maken voor een 20e-eeuws misbaksel. Zulke diepe gedachten stond ik te hebben toen de zon eindelijk helemaal ter kimme neeg en onzichtbaar wegzonk aan de achterkant van mijn wereld. Dat gebeurde in het westen, een streek die echt niet opviel door haar architectuur. Daarenboven was het maartuari, de lelijkste maand van het jaar.Gelukkig was er nog het CC in Tielt; het werd tijd om nog eens Jacky in zijn foyer op te zoeken. Het was daar twee keer leuker toeven dan in zovele koele-kikkerkunstcentra. En gelukkig woonde ik zelf in een vuurtoren.


    05-06-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.43: Nicht gezapt

    WIR HABEN ES NICHT GEZAPT              

    Kijk, als het waar is dat men is wat men eet, dan ben ik een bijzonder zoet man. Dieren eet ik vooral graag in de vorm van donkere fondantchocolade. Met fanta en cola heb ik een zoete verhouding, en een suikertante is altijd welkom. Ik was vroeger ook fan van The Sweet, een Britpopgroep. Maar zwijg mij over televisie, of ik word bitter en zuur en spuw gal. En ’t een en ’t ander wordt dan nog duurder ook, merci telenet, zomaar: betalen voor pulp, platgoed. Nog meer dan vroeger is het pure ellende op het scherm. Vooral die van VT4 en VTM denken dat iedereen het IQ heeft van een potje mosselen. Het hoofdprogramma bestaat daar uit irritante domme vreselijke voortdurend herhaalde reclameblokken met tussenin wat stompzinnig BV-gedoe, spelletjesgeleuter of een feuilleton waar je de galopkak van krijgt. Voorts een vooruitblik op de komende programma’s, tot je stikt van verveling. Maar nu staan ze bij Van Molle op de VRT ook al te springen en onnozel te doen bij die quiz. Toen ik die oenen over mijn scherm heen en weer zag hollen, heb ik ze voor eeuwig weg gezapt. En ook daar herhalen ze nu al tot je zwart ziet wat ze de komende dagen gaan vertonen. Wat is dat toch met die televisiemakers? Hoste op oudjaar is al een ramp; nu wordt het alsmaar erger: na de Pfaffs weten ze van geen ophouden meer, de Vlaamse primitieven. Dat ze hun camera in een konijnenhok zetten verdorie. Dan kan iedereen eens dieren ‘in ’t echt’ zien. Naast de Britse feuilletons, films, documentaires, Ter Zake en het journaal schiet er bitter weinig over dat het meemaken waard is. National Geographic is ook al naar de knoppen. De uitzendingen worden er eindeloos herhaald en om de haverklap zijn er ook daar al commerciële mededelingen van hoofdzakelijk onze welvarende buren boven de Moerdijk. Dan maar CNN op de achtergrond, oorlog of geen oorlog, om ondertussen iets anders bij te doen: een boek lezen, ruziën met huisgenoten, de kat tergen, kikkerbillen klaarmaken, kruismoordraadsels invullen, niet opendoen als er gebeld wordt. Je komt op CNN veel rapper het nieuwste nieuws te weten en hun weersvoorspellingen wereldwijd zijn verdorie beter dan die van onze beeldbuizerds. En hun muziekjes zijn leuker. En hun reclameboodschappen korter, dus krachtiger. 2005 zal wat mij betreft een televisiekarig jaar worden. Ik zal beletten dat die domme heilige koe bepaalt en dicteert hoe ik mijn avonden doorbreng. Of mijn zomer, godbetert. En ik blijf stiekem snoepen. Yes, I am a very sweet man.


    04-06-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.42: Winkelellende

    WINKELELLENDE                       

    Vijftien kilometer ten zuiden van een stille Vlaamse stad strekt zich het groezelige Noord-Frankrijk niet uit. Het kàn zich niet uitstrekken, want het staat bomvol met fabrieken, warenhuizen, fabrieken en warenhuizen. Het vergezicht wordt overal gehinderd. In elk toilet in Noord-Frankrijk wil je je een kogel door je kop jagen zonder een afscheidsbriefje aan de mensheid na te laten. In elk warenhuis wil je je ter plekke ophangen met een stuk lingerie ‘le moins cher’, onderste rayons. Op een druilerige zaterdagvoormiddag trok ik met mijn poedersuikertante naar dat buitenland, naar een van die ellendige warenhuizen. We slaagden erin op een gigantische parking een winkelkar los te wrikken van de rest door de truc toe te passen met een oud stuk van 50 BEF: munt erin, hop, karretje los, hop, munt er weer uit plukken. Geen gedoe meer met altijdzoekrakende jetons dus. Onderweg met ons koppig karretje (dat voorwiel wil altijd ergens anders heen) kwamen we een man tegen die rochelde als een apotheker na vervaldatum, een vrouwtje dat hoestte als een koffiezetapparaat van een postorderbedrijf en een Fransmannetje wiens brommertje niet wou starten en dus ‘kloot!!’ naar dat brommertje riep in het Frans. Een bezoek aan dat warenhuis raad ik verder iedereen af. De halve mensheid schurkt er zich aan de meer dan 90 kassa’s zwetend en zuchtend tegen de andere halve mensheid aan. Gedwee als een schaap klampte ik me aan het karretje vast, dat zich gestaag vulde met de noodzakelijkheden van het bestaan op deze aarde. Even aarzelde mijn poedersuikertante bij het visvoer, maar toen bedacht ze dat ze geen vissen in huis had. Waren er nog andere mensen in warenhuizen dan volslanke vrouwen in magere kleren en volslanke mannen op dunne stengels van benen in trainingspakken? Ja, er waren ook pubers die niet achter hun oren gewassen waren, een vreselijke stank tussen de rekken verspreidden en gilden in plaats van te spreken. Deze bavianen gebruikten ook alle parfumtesters die ze op hun weg tegenkwamen. Ik had zin om in huilen uit te barsten, met een salvo iedereen om me heen neer te maaien en daarna een fles snelwerkend gif in mijn keelgat te gieten. Mijn tante, een echte wijsheidstante, suste me echter met een eclairke. Na betaling van de goederen, voorafgegaan door 27 minuten filevorming, verlieten mijn poedersuikertante en ik dat buitenland met zijn lelijke nummerplaten weer. Ondergetekende had een heel weekend nodig om te bekomen van deze cultuurshock.


    03-06-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.41: Eeuwige vergunning

    EEUWIGE VERGUNNING       

    Waarom begint iemand van de ene op de andere dag zijn overgebleven hoofdharen naar achteren te harken? Daarvoor was hij voor de vooruit. Hoe komt het iemand plotseling van koffie begint te houden? Vroeger bunkerde hij sloten alcohol en cola. Wanneer begint iemand de wallen onder zijn ogen als jaarringen te beschouwen, zoals bij de bomen? In glorierijke dagen waren dat lauwerkransen. Het is de ziel die dat dicteert. De ziel bevindt zich in het linkeroorlelletje. (Vandaar de bekende zinsnede: ‘Als de ziele luistert … ‘). Als iemand voor de spiegel met een bedenkelijk gezicht aan zijn linkeroorlel staat te frutselen, dat schiereilandje kippenvel ten westen van zijn hoofd, dan wil dat zeggen: de ziele spreekt. En als de ziele spreekt, dan moeten het hart en het hoofd luisteren. Zo spreekt de ziele: ‘Man, het is nu welletjes geweest. Vlot en tof moet je niet meer proberen te zijn. Je vlot is stuurloos, de toftigheid hangt er in treurige vodden bij. Neem nu eens een fotokopie van je vader, je grootvaders, je voorvaders en hun spataders, hark je haar op maat, kies wat kleren op maat, hou maat in het drinken en kies maten die ook maat kunnen houden. Zo kun je nog eens een decennium doorbaggeren, zoals je vaderen het je hebben voorgedaan.’ Tja, en ik die altijd als motto had: ‘Liever de wind dan een hark om blaren op te ruimen.’ En, o wonder, dan komt er zo’n jonge gast op je af, zo’n zwarte betwetervogel in recyclagekleren, en hij zegt: ‘Maar dat vind ik nu eens deftig en cool, dat achterover geharkte haar, die ringen onder je ogen, en die emmers koffie die je met Special-Agent-Cooperachtige gebaren in dat oude hoofd van je giet! Toftig!’ Dan zijn er twee mogelijkheden om zoetjes wraak te nemen op dat ontzagwekkende misverstand. Ten eerste kun je voor altijd thuisblijven. Een soort levende begrafenis, zeg maar. Ten tweede kun je marathons lopen. Twee lange ingrepen dus. Als je voor de tweede mogelijkheid kiest, waar loop je dan naartoe? De eindmeet is voor iedereen gelijk: strooiweide of graf. De lat ligt er voor iedereen gelijk: zeer plat. Het is de ultieme democratie. De wereld is ook rond; je kunt dus moeilijk jezelf ontlopen, want je komt steeds jezelf weer tegen. Welaan dan, strijden maar, ondanks krampen in de verlengingen. Iemand die tegen je zegt: ‘God, wat ben jij grijs geworden zeg!’ En dan antwoorden: ‘Vroeger was ik god, nu niet meer. En vroeger was ik groen. Nu ook niet meer.’ Om je te troosten denk je dan aan leuke dingen. Dingen die beter of mooier worden naarmate ze ouder zijn. Wijn, violen. Wijn die mee de val van het Romeinse Rijk veroorzaakte, wegens tinvergiftiging. Violen die het zinken van de Titanic begeleidden. Zo komen we weer bij de ziel uit: het hoorapparaatje voor een geweldige stilte. En bij koffie, dat geweldige bakje inktzwarte troost.


    02-06-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.40: Q?

    Q?                     

    Waarom stond je niet op de eerste rij toen de schepper van hemel en aarde met charme rondging? Kun je in alcoholische volgorde de koningen van België opsommen? Wil je je nu eens niks van kleren aantrekken, schat? Wilt u zegeltjes van de kroostrijke gezinnen of mag ik direct aftrekken? Als je zo volmaakt bent, waarom sta je dan niet in een museum? Hoe vaak ben je al voor zenuwfeiten veroordeeld? Waarom maak je geen pijlen van je plankenkoorts? Waarom geeft het leven je geen krediet als je niet betaalt? Kan men zich verzekeren tegen verzekeringen? Waarom hield God op met tegen de mensen te spreken toen ze er in de Bijbel over gingen schrijven? Geloof je in eierboerpraatjes en koektrommelplaatjes? Heb je ook een broer aan de universiteit? In welke bokaal? Wat was dat? O, niks speciaals, dat was je leven dat voorbij zoefde. O, kan ik er nog een? Nee, sorry makker. Gedaan met zappen. Wat doet u om den brode? Ik zit levenslang uit, op later en dood. Als u een open boek bent, waarom ligt u dan op de verkeerde bladzijde opengeslagen? U schrijft? Ja. Kan u daar van leven? Ik kan er wel bij blijven werken. Als het Nederlands enkele miljoenen woorden telt, waarom zou ik er dan maar honderddertig van gebruiken? Waarom is het leven een droom als je boeken leest van dode schrijvers? Hoe veel synoniemen zijn er voor ‘liefde’? Zo veel als de Inuït er hebben voor ‘sneeuw’? Als God in het detail zit, mogen we dan vitten? Zit de duivel daar dan ook in? Heb je een minuutje en een vuurtje? Wanneer komt die pil tegen Bekende Vlamingen nu op de markt? Eddy, neemt gij Dempsey tot bruidegom? Dempsey, neemt gij Eddy tot bruid? De slechtste antwoorden op deze vragen (ja, nee, muziek, voetbal) worden bestraft met een weekend met Sam Gooris. De origineelste antwoorden worden bekroond met een warme blauwe muts voor reizen naar de Balkan. De schiftingsvraag van deze Q?-quiz luidt: heb je je haar laten knippen misschien? Wie daarop correct antwoordt, krijgt een tweede schiftingsvraag: hoe veel Russen pletten hun frambozen in spierwitte melk? Tot slot nog enkele moeilijke vragen buiten competitie: waar zijn we mee bezig? Is er dood na het leven? Is er licht aan het einde van de tunnel? Hoe veel keer stroomt een beek eenzelfde punt voorbij? Kunnen er nog andere dingen dan politici omhoog vallen? Waarom zijn de loketten in de postkantoren altijd maar aan een kant overbevolkt? Waarom laten de mensen de andere mensen niet met rust? Houdt God van frieten? O, is het al zo laat?


    01-06-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.39: Theater

    THEATER                   

    Het gordijn is de dood. Pas als het gordijn open geritst wordt, komt het theaterstuk tot leven, weze het goed, weze het slecht. Rits het gordijn weer dicht, en het stuk bevriest. Zoals een dichtgeslagen deur veel met alles doet, aan beide zijden of aan weerskanten van het gelijk (afhangend onder andere van hoe die deur dicht gesmakt werd). Uit een stuk proza van de Hongaarse schrijver Orbàn Otto: ‘Op het toneel der vooropgestelde ideeën is de dood steeds een onbewogen gordijn’. Gordijn als grens tussen werkelijkheid en fictie, echt en waar. Gordijn als filter tussen buiten en binnen. We zien de gordijnen in de huiskamer niet als de gordijnen in de schouwburg. En toch gelijken ze heel erg op elkaar. De wereld is er lelijk aan toe. Daarom zijn er gordijnen nodig, alweer om de weerskanten van dat gelijk te scheiden. We vluchten erachter; we vluchten ervoor. Regen kan zo’n aangenaam gordijn zijn, jawel. Zoals in de film ‘Un taxi mauve’, waarin Philippe Noiret in Ierland het regengordijn doorbreekt en inrijdt, ergens heel noordelijk, en nog meer regen dan voorheen te slikken krijgt, zodat zijn bestaan op deze aarde op een carwash begint te lijken. Maar dat blijkt helend te werken. Zoals bij Pallieter, maar dan totaal anders. Nog beveiligend: het haargordijn voor je ogen, al of niet permanent. Kaalkoppen en zelfgekozen kojaks met schedels als roetsjbanen kunnen hierbij alleen maar herinneringen ophalen. Drapeer, als je nog in de mogelijkheid bent, je haar voor je ogen en je bedoelt: ‘Ga weg’. Theater dus. Allemaal theater. Doek. Open doek. Gesloten boek. Doekje voor het bloeden. Het mooiste toneelstuk dat ik ooit heb gezien, was, nou: is, alles van Ionesco. Absurd theater met een hoog werkelijkheidsgehalte, zoals het ten eerste hoort en ten tweede ook is. Ik bedoel: de werkelijkheid, haha, laat me niet lachen. Bezoek het parlement. Probeer naar politici te luisteren. Volg de soaps van alledag. Zie hoe het gerecht werkt. Of niet werkt. Lees de krant. Het zijn eigenlijk niet de schrijvers die hun fantasie de vrije loop laten of dingen uitvinden of billenkletsende, dramatische, absurde, sentimentele, bloederige …. boeken en stukken plegen. Nee, de werkelijkheid zelf staat er bol van. Daarom zijn er gordijnen en gordijntjes nodig. Soms bewegen die even. Gordijnen hebben ogen; muren hebben oren. Vraag het maar aan die Margarita uit Nederland. Een punaise in de muur kan afluisterapparatuur zijn. Een olijf ook. Uitkijken. Zwijgen. Dichtritsen die mond, dat gordijn. Geen zaken mee.


    31-05-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.38: Opstel

    OPSTEL                    

    (Titel). Als de hond stinkt naar hond. (Aanvang). Ik heb geen hond. Dat mag u verwonderen, maar ik heb geen hond, ook al gelijk ik op een hond, zoals iedereen. Vrienden en kennissen van ons hebben wel een hond: Mickey, Darky, Pebbles, Loekie. Dat zijn de namen waar die honden naar luisteren, niet de vrienden en de kennissen. Een van mijn vrienden gelijkt wel erg goed op een Dalmatiër. Het is alsof hij voortdurend ernstig ziek is. De hond: trouwe viervoeter of gevaarlijke blafmachine? (Midden). Ik wil helemaal geen hond. Pa en ma ook niet. Willen de honden ons zelf wel? Zijn dat geen kuddedieren? Er zijn vele nadelen verbonden aan zo’n viervoeter in huis. Het ergste vind ik dat een hond naar hond kan rieken, vooral als hij in de regen heeft gewandeld. Rieken is erger dan ruiken. En wie hangt aan het andere eind van zo’n onwelriekende lijn? Juist, ja: een mens. Wie wandelt hier wie? Ikzelf heb geen wandelhond nodig om aan mijn dagelijkse gymnastiek te komen of om diepe gedachten onderweg te koesteren. Hondendrollen vormen een belangrijke plaag in de steden van ons land. Mensendrollen gelukkig nog niet. De meeste mensen doen de drol van hun hond niet in zo’n zakje, maar stappen stiekem vlug door. Wat moeten we denken van iemand die een hondenleven leidt? Het antwoord ligt voor de hond, eh, voor de hand: slapen, eten, suffen, weer slapen, weer eten en weer suffen. Wel, daarvoor kun je voor ‘luiaard’ uitgescholden worden. Verwondert het ons dat er in tekenfilms veel hondenmeppers rondlopen? Neen. Kennen we allemaal de uitdrukking ‘zo ziek als een hond’? Ja. ‘Een hond in huis vraagt zo veel aandacht als een klein kind’, zegt mijn pa. Dat vind ik dus ook. Ik zag zelfs al honden met luiers om. Een bedenking: waar begint het onderscheid tussen kat en hond? Hoe komt het dat de ene blaft en de andere miauwt? Voor de rest gelijken ze erg op mekaar. Er zijn katten met en zonder haar, en er zijn honden met en zonder haar, de zogenaamde zeemvelhonden. Geen van de twee legt eieren. Het verschil dan? Geen idee. Het is eenzelfde vraag als: ‘Is de spin een huisdier?’ (Slot). U merkt dus dat ik niet tegen honden ben, maar dat ik wel tegen honden in huis ben. Geef mij maar de kikker in het vijvertje in onze tuin. We noemen hem Bernard Massard. Als de lente weer achter de mistgordijnen begint te piepen, zal hij wel weer te voorschijn komen. Een lekker borrelhapje.


    30-05-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.37: De kwien en de paap

    DE KWIEN EN DE PAAP                        

    Pasen 2002 hingen twee openbare figuren halfstok: de katholieke kerkvorst en de Queen Mum. De ene was halfdood; de andere helemaal. Van de doden niets dan goeds. Kweenie Mum was zo dapper en zo goed om tijdens de oorlogsbombardementen in Good Old England te blijven, jawel. Daar wordt ze om geroemd en geëerd. Maar de enige reden was eigenlijk dat ze haar garderobe niet mee kon sleuren mocht ze gevlucht zijn. Kweenie was ook een rancuneus mensje, gok- en drankzuchtig en racistisch. Britten Boven! ‘Granny England’ zorgde wel voor kunstmatige inseminatie in haar oubollige land, zodat later koningin Elizabeth een feit kon worden. Ach, oudjes wordt veel vergeven. De oorlog heeft van sommige mensen ook helden gemaakt met een vraagteken bij. En ondertussen, op de valreep van De Goede Week, werd beslist dat de paus een kunstknie zou krijgen. Men vond het wel jammer van die achtste operatie. Men had liever gehad dat deze Poolse paus bekend bleef als de paus van de zeven operaties, een zg. heilig getal. De kerkvorst werd op Pasen zelfs in zijn pausmobiel in de kerk binnengeloodst. Een echt ouderwets mirakel zat er dus niet in. Zowel de kwien als de paap hebben een behoorlijk druk openbaar leven achter de rug. Beiden hebben heel veel representaties gedaan. Daar kan bijvoorbeeld Tineke van Heule niet aan tippen. Granny England was de petemoei van meer dan driehonderd verenigingen. En de paus kuste zowat overal ter wereld de tarmac, asfalt of macadam. Ook zullen we ons deze personages blijven herinneren omwille van hun kleurrijke kleren. Je kon niet naast de aquarelle outfit van de oude koningin kijken. In allerlei baby- en frambozenkleuren verscheen ze op de balkons. En het paapse paars, gecombineerd met vele andere hippiekleuren, is genoegzaam bekend. Die paus toch! Werk aan de winkel voor Walter Van Beirendonck. Maar wat is godgenageld nu het verschil tussen dergelijke mensen en pakweg een Indiër die al 38 jaar lang met zijn rechterarm omhoog leeft en gras eet en een vrouw van 44 jaar die na haar vorige vijf kinderen nog een tweeling ‘koopt’? Niets. En alles. Niets: je kunt niet voor Indiër, koningin, paus of moeder leren. Alles: de enen leven in een poppenkast, de anderen in een naturalistisch drama. En in die tijd waren er die het nog slechter troffen, want er speelde zich een heuse oorlogsfilm af in het Heilig Land. Ja, drukte alom met Pasen 2002.


    29-05-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.36: Vensterman

    VENSTERMAN                           

    Misschien leest hij dit, Vensterman. Misschien ook niet. De enige echte Vensterman woont boven een leegstaande winkel van bedden, op de hoek van een drukke straat waar zich dagelijks ettelijke keren bumperverkeer voordoet. Hij heeft een perfect uitzicht van op zijn eerste verdieping; zijn venster zit vlak op de hoek, zodat hij een panorama heeft op een viertal straten ineens. Het schijnt dat de politie Vensterman af en toe consulteert als goede bron. Vensterman houdt de wacht in de zuidelijke provinciestad K., een stad die zich kenmerkt door niets. Ik ontdekte hem deze zomer, toen ik zoals gewoonlijk des avonds mijn binnenverblijf verliet: mijn stadsoptrekje waar ik prachtige boeken schrijf. (Ik hou van stad en randstad.) Ik wuifde. Elke avond wuifde ik en hij wuifde terug. Soms gebeurde dat ook al eens op weg naar mijn geheime honk. Want hij zat en stond er ongeveer de hele dag. Zou Vensterman streepjes zetten per wuif? Heeft hij ondertussen het imposante getal van 65 876 wuivers bereikt? Heeft hij daarin categorieën ontworpen? Ondertussen is het een hele lente lang november geweest. Velden en weiden werden moerassen, tot wanhoop van de boeren. Evenementen verzopen in hemelwater. Op maandagen ontsierde de ene na de andere kettingbotsing het verkeer. Op dinsdagen vlogen bejaardentehuizen in de fik. Een zeehondenziekte bereikte onze kusten. Vensterman bleef ondertussen trouw op post, wat er ook gebeurde in de grote, boze wereld. Een keer zag ik hem, onlangs, over het zebrapad hollen. Bewonderenswaardig kwiek. Zijn zittend vensterbestaan heeft hem dus niet geïmmobiliseerd. Hij was gehaast om weer post te vatten één hoog. Aanvankelijk dacht ik dat hij alleen maar naar mij terugwuifde, omdat ik er zelf mee begonnen was. Toen mijn dochter naast mij in de auto ook wuifde, en uitleg verschafte over de beroemde Vensterman, toen wist ik dat hij een O.B.V. was, een Onbekende Bekende Vlaming. Ik denk dat Vensterman net als ik ook van ‘slecht’ weer houdt. Dat het hoogdagen voor hem zijn als de regendruppels over zijn panoramische raam biggelen en de wind om de hoeken giert. Vensterman heeft dus een mooie lente achter de rug, als dat zo is. Ik ook, maar ik durf het bijna niet te bekennen, want overal worden heden ten dage heel vlug wapens getrokken en gebruikt.


    28-05-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.35: Pudding

    PUDDING                            

    In de maanden met een l in hun naam, het zijn er maar twee, eten we graag eens een lilpudding. Bijvoorbeeld na anderhalf kilootje mosselen, want ook daarin komen een paar l’en voor. Lillende pudding: met de l’en van langzaam, lui, lekker, lauw, luwte, lanterfanten, lang, landerig en langoureus. Lang leve het lillen van puddingen. De kleur van dat lillen mag best roze zijn, groen, rood, smurfenblauw, eigeel, hoe erger hoe beter. Of iets van een vage, onbestemde, onmogelijke kleur, waar ze bijvoorbeeld in Engeland zo goed in zijn. In het woord ‘pudding’, ook op z’n Engels gearticuleerd, zit al luie beweging. Het is een ‘lazy’, vriendelijk woord. Als je ermee gooit – naar iemand, tegen iets – verspreidt het zich ongevaarlijk. Met pudding kun je niets of niemand verwonden. Het is de meest hanteerbare vorm na de vloeibaarheid, maar gelijk ook zo moeilijk hanteerbaar, omdat het niet veel met vloeibaarheid scheelt. Het woord ‘pudding’ – ook op z’n Engels – kun je als het ware uitspuwen. Je laat de p hard ploffen, spaart in de bolheid van je wangen de volheid van dat lillen op en laat dan de hele smurrie zachtjes landen waar je wil dat die landt. Transparante pudding is het einde. Die gelachtige doorzichtigheid laat verwarring toe: vicks? gel? lijm? pudding? kokos? shampoo? Het doet me denken aan die smokkelaar van lang geleden. Elke dag passeerde hij op zijn fiets de douane. Telkens had hij een lilpudding op zijn bagagedrager. Nooit kon de douane hem op iets strafbaars betrappen: de puddingen waren alleen maar puddingen. Er zat niets verdachts in, hoe vaak ze er ook met hun vingers in woelden, en er soms van proefden. Uiteindelijk bleek dat de kerel fietsen smokkelde. Heden ten dage gebruiken de mensensmokkelaars containers en zwaar vervoer van kaasbollen, kikkerbillen, pruiken en Oostenrijkse pluimhoedjes, maar dat is dus een truc met een baard. Eigenlijk smokkelen ze vrachtwagens. Ter zake: die oude smokkelaar smokkelde natuurlijk ook nog wat detailhandel over en weer. Zijn drinkbus bevatte pure alcohol, en zijn banden zaten vol met tabak. Hij had vroeger op school goed geluisterd toen zijn meester het verhaal van het paard van Troje vertelde. Maar hij keerde het om. Gewoonlijk moet je de zaken op hun kop zetten, zoals dichters in hun gedichten wel eens doen, om iets interessants te ontdekken of mee te maken of te doen. Zo zijn het bijvoorbeeld de bomen die wind veroorzaken. En de steen voor het lege graf van Jezus werd niet weg gerold, maar dicht gerold: de intimi wilden vermijden dat pottenkijkers zouden ontdekken dat hij er nooit in gelegen had. En Judas was eigenlijk geen verrader, maar een goeie vriend van hem. Hij lag zelfs naast hem aan tafel, aan zijn linkerkant, de beste plaats. Want hij zou doen wat zijn meester hem opgedragen had: hem overdragen aan de autoriteiten en de huur van het avondmaallokaal betalen. Maar pudding was er die avond niet bij.


    27-05-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.34: Cocoon

    COCOON                         

    Het was niet lang na bimbambeierenzondag.Verontwaardigd over wat dit aardse leven mij en anderen allemaal wel en niet had aangedaan, zat ik eigenlijk best wel gezellig cocoonend en afternoonachtig thuis naar het snookerwereldkampioenschap in The Crucible in Sheffield te kijken in het gezelschap van een cappuccino. Lange zin, lange namiddag. Regen waaierde tegen de ramen; wind gierde om de straathoek. Mannen in vest-en-strik stootten ballen in gaten en snookerden mekaar. Het was een maandagnamiddag omstreeks 14 uur 30 en toch zat de zaal in Sheffield nokvol. Werkloze Engelsen? Verlofnemende Engelsen? Snookerfundamentalisten? Nu, ze mogen dan al het lelijkste volk ter wereld zijn, ze kennen wat van evenementen en het verfilmen ervan. Zelfs van biljart maken ze een thriller. Er straalde een algehele vredigheid van de omliggende tribunes af. Ook bij een geslaagde ingreep van een speler die duidelijk zwaar het onderspit aan het delven was, brak enthousiast-bedaard Brits applaus los. Het getik van de ballen kalmeerde me. De cappuccino was ik vergeten. Eigenlijk had ik die alleen maar veroorzaakt om naar te kijken, want, dames en heren, zo’n cappu is een ware caloriebom. Net naast het tv-scherm had ik een panorama over een eindaprilse zachte storm, af en toe gedrenkt in een lauwe regenvlaag. Jong, fris groen stond zeer groen heen en weer te zwiepen in de tuin. Af en toe kamde de wind de beukenhaag tegendraads. Graag had ik met mijn zaptoestel dat natuurtafereel annex geluiden voorgoed bevroren, in een eindeloze ‘still’ vol beweging en eeuwigheid. Helaas moest een van de snookerspelers echt in het zand bijten. Helaas brak het spitsuurkabaal van 16 uur in de straat los. En van 16 uur 30 en 17 uur ook. Iedereen snelde naar de autostrades die onze randgemeente in een wurggreep houden. Enkelen bleven. Helaas was mijn cappuccino koud geworden; hij zag er uit als een potje kots van een zieke kat. Kent u dat? Verder niet aan denken. Helaas ook brak de zon weer door. Dat heb je met april. De gehele wereld daarbuiten begon dus weer te woeden. Het deed pijn aan de ogen. Even later brak de dinsdag aan: dé dag bij uitstek om als maatstaf te gebruiken die over het leven op aarde kan helpen oordelen. Helemaal geen donsdag. Als het bijvoorbeeld regent op dinsdag in Rome, is dat bijzonder treurig, maar niet zo droevig als regen op dinsdag in Westrozebeke. Waarmee ik niet gezegd wil hebben dat een zonovergoten Westrozebeke de moeite niet loont. Maar dinsdagen … ach, schrijf me erover. Volgende week misschien meer over woensdagen!


    26-05-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.33: Koeiemorgen

    KOEIEMORGEN     

    ‘Koeiemorgen’, zei de ene koe tegen de andere op een noordelijk gelegen weide in Torhout. ‘Beu, melkmuil’, antwoordde die. ‘Ik heb een slechte nacht achter de rug. Mijn magen liggen overhoop door de aanhoudende droogte. Wat krijgen we nog voor sappigs te grazen de laatste tijd?’ ‘Tja, groen is verdwenen, hé’. ‘Hm. Zeg: zie je die sufferd van een hond ginder naar mij loeren? Ja, die met zijn biefstukoren. Hij staat er al minstens een halfuur. Hij werkt op mijn systeem’. ‘Dat komt er van als je een zieke koe bent’. ‘Wacht maar tot ik eens de galopkak heb! Dat hij dan maar durft te naderen! Ik bezorg hem de douche van zijn leven. Lekker lauw.’ ‘Maak maar liever wat melk’. ‘Met die droogte!? Mijn horens vallen verdorie van mijn kop’. ‘Maar als geuierde beesten moeten we solidair zijn met onze geluierde medemensjes. We zijn verantwoordelijk voor hun melktandjes, beu’. ‘Tja, je neemt me weer de woorden uit de melkmuil. Ik besef het wel. Maar er zijn nog andere dingen dan melk en vlees produceren. Ik wil verdomme nog een leven ook hoor! Dat ze mij eens beschilderen en tentoonstellen bijvoorbeeld! En wanneer is er weer eens een muziekfestival? Ik snak naar wat luide muziek op de weide’. ‘O, de festivals komen er volgend seizoen wel weer aan. Dan kunnen we gratis meeluisteren. En geen gedoe voor ons met peperdure tickets, stomme t-shirts, drankbonnen of toiletwagens: we kunnen schijtend in ons eigen voedsel lopen, backstage in onze eigen VIP-weide’. ‘Holy cow, daar verlang ik naar! Ik begin me alweer een beetje een VIK te voelen, een Very Important Koe’. ‘En ik verlang ook naar een goeie cocktail in mijn kont, om een beetje bij te komen. Ik voel me te mager. Ik moet dringend een veearts of een sportverzorger opzoeken’. ‘Koeiemorgen zeg, dat gevoel ken ik. Ik ben nu al drie uren aan het ontbijten en ik heb nog altijd honger als een paard. Ik voel me zo helemaal … beuh … helemaal Johan Musseeuw’. ‘Je bent en je blijft een koe hoor, dat is je lot’. ‘Ja, doodjammer. Het doktertje, beuh, het dochtertje van de boerin zal wel nooit op mijn rug rijden. En Waregem Koerse voor Koeien is ook al uitgesloten’. ‘Haha, dat is een koeie!’ ‘Zeg, weet je het nog: toen Michael Stipe van R.E.M. in een van mijn taarten uitgleed? Dat was pas een festival!’ ‘En ik heb al Sting en Schueremans op mijn taartenlijstje staan’. ‘Jij schijt ook veel uitgebreider dan ik hé’. ‘Je moet maar meer grazen’. ‘Ja, akkoord, ik laat er misschien wat meer gras over groeien, maar ik hou ook rekening met het landschap. Wij, beesten en boeren, bieden toch gratis schitterende landschappen aan hé? We laten Jan Hoet elke dag een poepje ruiken’ ‘Ja, maar welke domme koe heeft godverongelukt die foeilelijke verkiezingsborden in de weiden uitgevonden?’ ‘Och god, zwijg me daarvan. Als je daarover begint, is mijn dag eraan. Beu!’ ‘Beu!’


    24-05-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.32: Lot

    LOT                              

    O God, o lot, o gebod: liep u er weer in afgelopen 1 april? Ik loop er zelf ook elke dag weer in. Nooit zal ik het leren. Iemand, maar ik weet niet wie, dicteert me bijvoorbeeld dat ik vele jaren lang werk moet verrichten voor anderen. Mijn tijd (‘mijn’ tijd!) wordt ook door onzichtbare instanties in mootjes gehakt, opgedeeld en verkaveld in zogenaamde seconden, minuten, uren en deadlines. Als dàt geen pretentie is: de tijd in stukjes hakken en die aan je pols vastbinden en denken die zo te kunnen manipuleren! In ruil voor een maandelijkse omkoopsom bemoeit men zich dan ook nog eens met van alles betreffende mijn werk. Soms met veel meer dan dat. Maar soms neem ik het lot in eigen handen. Dan koop ik iets om te krabben. Niet dat ik luizen heb. Het schijnt dat getallen of kruisjes je leven kunnen veranderen. Nou, op weg naar de lottowinkel maaide ik met mijn inktzwarte Saab eens bijna een fietser van de weg. Als dàt geen verandering in ons leven geweest zou zijn. De afgoden liggen altijd op de loer om ons … tja: een loer te draaien. Ze zijn zélf van lotje getikt. Nog iets: heb ik het gevraagd om uitgerekend in het apenland België geboren te worden? Waarom niet Denemarken? Legoland? Nu moet ik met het brandmerk B rondrijden. De hele wereld lacht me uit: ‘Kijk! Een Belg! Uit het land van de charlatans! Zijn premier denkt dat hij iets te piepen heeft op wereldniveau! Steak Pretentie!’ Het wrede lot wou daarenboven dat ik in de jaren vijftig mijn eerste angstschreeuw slaakte. Ik had veel liever de jaren twintig van de vorige eeuw meegemaakt. En dan, hupsakee: sprongetje naar de jaren zestig. Daarna, bis: naar de jaren twintig van de 21ste eeuw. Maar da’s voor straks. Het lot bepaalt ons leven elke seconde: inslagen van meteoren, aanslagen van meteorieten, stadsinfarcten, orkanen met meisjesnamen, aanslibbing van auto's, een waanzinnige politicus die op de verkeerde knop drukt, een komma, een getal, een woord, een barst, een stap, een blik, een tik. Het lot heeft ook vreselijke creaturen geschapen, maar die kunnen daar weinig aan verhelpen: er worden nu eenmaal geen nieuwe modellen meer gemaakt. Misschien moet de bevolking, omdat die elke dag er moet op kijken, esthetische belasting heffen op tv-schermschokkende figuren als Dehaene, Verhofstadt, Vande Lanotte, Aelvoet, Tobback, Willockx en Michel. Dat grenst nl. aan huiskamerhorizonvervuiling. Doe daar ook maar een paar zwetende tv-koks bij plus een aantal breedsmoelkikkerglimlachende presentatoren en presentatrices van die rechthoek van afgrijzen die we ‘televisie’ noemen. Ook dat is ons lot. We lopen er bijna elke dag in, verhippeltjes. Zappen!


    23-05-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.31: Hersenhoos

    HERSENHOOS                              

    In het hoofd van sommige mensen bevinden zich de zg. ‘hersenen’: een wirwar van weekheid, een grijs gebied. Sommige delen blijven lang sluimeren. Er is nog hoop, want het schijnt dat we maar een klein percentage van onze brains gebruiken. Voor de soaps waarin vooral gebeeldhouwde siliconetroela’s en correct gekapte kerels met keramieken glimlachen rondlopen, stel ik de algemene titel ‘Mooi en Hersenloos’ voor. Als die elkaar secondenlang in de ogen staren, in de waan dat ze aan het acteren zijn, dan zoek ik altijd vergeefs naar vonken van hersenen, gensters van verstand in diezelfde vier ogen. Maar neen, men is niet thuis daarboven, men is buiten de zone. Het zijn dan nog soms diezelfde acteurs, niet gehinderd door het intelligentiequotiënt van een kiwi, die in allerlei snertbladen hun mening ten beste geven over politiek en religie en maatschappij. Neen, toen de Schepper van Hemel & Aarde met hersenen rondging, stonden ze niet op de eerste rij. Dezelfde gevoelens bestormen me als ik de president van de Verenigde Staten van Amerika achter het spreekgestoelte zie verschijnen. Maar mooi is natuurlijk anders. Wat hebben de menselijke brains in de loop der tijden al bewerkstelligd? Waar heeft de zo geroemde rede al voor gezorgd? Uit bijna elke bladzijde van de geschiedenisboeken klinkt wapengekletter en doodsgereutel. Door de chaos van modder en bloed en mensenvlees probeerde men orde op zaken te krijgen: via de hel, de zogenaamde hemel bereiken. Nou, wat is er van geworden, van de aardkloot bevolkt door wezens met hersenen in hun kop? Een poel van ellende? Er is weinig reden tot lachen. Grimlachen, jawel. De wirwar van weekheid die zich in de opperste regionen van het menselijk lijf ophoudt, is blijkbaar nog voor een groot stuk aan het sluimeren. En hoe staat het met uw eigen wirwar daarboven dan?, zie ik u vinnig mompelen. Wel, laat ik stellen dat ik een aanhanger van de chaostheorie ben. Ik heb eerbied voor het systeem in de waanzin. Even zijrangeren is best leuk: ook schaakcomputers slaan uit wanhoop tilt bij de bokkensprongen van de menselijke geest. Om niet helemaal als een krop sla door het leven te waden, eet ik af en toe oesters en noten en pijnig ik mijn hersenen door een partijtje schaak tegen mezelf. Ik ben een fijne tegenstander. Als ik win, hijs ik de vlag van de Cutty Sark. Als ik verlies, is het hozen geblazen.


    22-05-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.30: Roodkopje

    ROODKOPJE                   

    Hij was onbeheerst bang voor het geheim dat meisje heette. Een naam alleen al volstond voor minutenlange schaamrode bewolking op zijn aangelaat. Daarenboven kukelde hij elke zondag in de kerk met zijn stoel opzij of voorover – high van de wierook, ziek van de reuk van oude pis en natte kleren, voor het aanschijn van zovele meisjes met hetzelfde bouwjaar als het zijne. Pas toen hij in een drukke stad een duif door de rode lichten zag vliegen, besefte hij: er zijn er nog die door het rood gaan. En in het rood stààn, wat nog een stuk erger is. Hij at of dronk ook niks met een rode kleur. Hij kocht bijvoorbeeld alleen maar groene snoep. Geen tomaten, aardbeien, grenadine, rode wijn, radijzen, … Wel rodekool, want dat was volgens hem een blauwte. Zelfs geen groente. Eerder een schaamte. De kinderziektes met ‘rode’ of ‘rood’ erin waren een hel voor hem. Zelfs het gebruik van het ouderwetse ‘roodsel’ voor geschaafde knieën of ellebogen bezorgde hem nachtmerries. Bij de verdeling van cowboys of indianen op de speelplaats van zijn jeugd, koos hij nooit voor de roodhuiden. Later zou hij nochtans leren dat cowboys ook ‘rednecks’ ofte rooienekken waren. Dat was al net zo erg als dikkenekken. Van de voetbalploegen en de politieke partijen koos hij altijd de onrode uit om voor te supporteren. Helaas voor de zakkenvullers: een bolletje rood kleuren deed hij dus uiteraard ook nooit. Hij keek wel uit. Met een rode auto heeft hij later nooit gereden. Het onnozelste sprookje aller tijden vond hij Roodkapje zijn. Toen de meesters nog krijtlongen hadden, kinderen met linialen op de knokkels sloegen en er af en toe autoloze zondagen waren, toen waren de zwartkopjes de lieveling van iedereen. Blond kon er ook nog mee door. Wit niet: hei, wittepenne! Bruin, alle schakeringen, evenmin: schijtkleur!. Wie zwart haar op zijn kop staan had, werd gezegend met veel aandacht en liefde. Die mocht op de achterbank in de schoolreisbus en die mocht altijd de deur opendoen als er geklopt werd aan de klasdeur. Wie rood haar op zijn schedel droeg, ging door een hel. Hij dus ook. In het zo pittige West-Vlaams behoorde hij tot de verschrikkelijke categorie van de ‘rostekoppen’. Om het allemaal nog veel erger te maken, was hij ook nog eens bezaaid met sproeten, zodat ze hem soms ‘Gespikkeld Opperhoofd’ noemden. Toen kwam met het einde der tijden de oplossing in zicht: men ging massaal haar verven, vaak in alle mogelijke tinten van vlammenwerpend rood, of men ging zich massaal het haar afroetsjen tot tegen de schedelpan. En toen braken voor Roodkopje betere tijden aan.


    21-05-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.29: Reis

    REIS                                

    2 juli 1904, 03:00 in de ochtend, Sommerhotel, kuuroord Badenweiler in Duitsland: ‘Het is lang geleden dat ik champagne gedronken heb’, zei de Russische schrijver Anton Tsjechov, en hij stierf, na een kort leven (1860-1904). Zijn lijk werd naar Moskou overgebracht in een groenachtige treinwagon waarop stond: ‘Vervoer van oesters’. Daarna volgde de begrafenisstoet per ongeluk de verkeerde kist: die van ene generaal Keller, gesneuveld, en op hetzelfde ogenblik ook in het station gearriveerd. Vandaar de krijgshaftige muziek, waar men zich over verwonderde. Iedereen keerde op zijn stappen terug. Er waren ook enkele laatkomers. De moeder van Tsjechov, zijn zuster en zijn broers moesten nog stevig op de ordediensten inpraten: ze werden niet herkend en werden bijna belet de begrafenisstoet bij te wonen. Op de begraafplaats werden kruisen gebroken, hekken omvergeduwd en bloemen en aanplantingen vertrapt door de nieuwsgierige ramptoeschouwers. Zo werd de laatste treinreis annex reis hiernamaals van een van Ruslands grootste schrijvers een draak van een drama, bijna komedie. Schril in contrast met de afschuw van Tsjechov voor vertoon, bombast en vulgariteit. Zijn literaire vrienden waren razend over het hele gebeuren. De schrijver van ‘De meeuw’ en ‘De kersentuin’ reisde ondanks zijn zwakke gezondheid talloze keren Rusland op en af, alsof hij zijn eigen dood op een dwaalspoor wou brengen. Hij bekommerde zich, als dokter, o.a. ook om het lot van de vele dwangarbeiders op het strafeiland Sachalin, waarover hij tienduizend steekkaarten opstelde. Ik heb meer van en over Rusland gezien en geleerd door de biografie van H. Troyat over Tsjechov te lezen dan dat ik er zelf naartoe gereisd zou zijn. Ik leerde zelfs Tolstoi heel goed kennen. En Gorki. Tolstoi vond bijvoorbeeld de heer Shakespeare een grote klungelaar. Voor Tsjechov als verhalenschrijver toonde hij wel respect, niet voor zijn theaterwerk. Mijn leesavontuur speelde zich dus vooral af onder nul op de schaal van Celsius, in de zonnige Krim, het koude Moskou of het mistige St. Petersburg. En buiten werden de Vlaamse boomkruinen onbarmhartig gegeseld door niet aflatende wind. Het regende ondertussen haaientanden, katten en honden, oude wijven en pijpenstelen. We lezen om te leren.


    20-05-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.28: Schreeuwlelijkerds

    SCHREEUWLELIJKERDS                         

    Toen ik lang geleden, in de beginjaren 60, met de KSA (‘Kongolese Slinger Apen’ noemden die groene jongetjes van de Scouts ons, ofte VVKS: ‘Vorte Vis Kan Stinken’) ergens op kamp ging, was ik een zeer braaf ventje met veel dromen. Ik zou geen vlieg kwaad doen. Toch betrapte een zogenaamde ‘leider’ me eens op praten terwijl ik dat niet mocht. Stel je voor! Knoerthard slingerde hij mijn achternaam door de zaal, als een vloek, zodat iedereen het horen kon. Ik was daar zo door geschrokken en vernederd – want ik had eigenlijk niet echt gepraat; ik had alleen geknikt omdat ik aangesproken werd door een andere strafbare onverlaat – dat ik toen onmiddellijk besloot levenslang kluizenaar in een woest landschap te worden, onder een schuilnaam te leven en alleen de nederigste en de braafste mensen te helpen en bij te staan. Van dan af noemde ik mezelf ‘Oude Hein’; dat had ik in het Nederlandse jeugdmagazine Taptoe gelezen. Ik wou voortaan ook alleen maar oude kleren dragen en op lelijke schoenen ronddwalen. Dat vormde geen groot probleem in die tijd. En ik wou vooral heel rap oud worden. Die verdomde ‘leider’ van de Kongolese Slinger Apen kon toen met zijn bavianenverstand nooit hebben vermoed hoe ver strekkend de gevolgen zouden zijn van het schreeuwend uitspreken van mijn achternaam. Nu, vier decennia later, heb ik nog altijd zeer veel zin om hem een oplawaai te verkopen, een pandoering te geven, af te trommelen, op zijn kanis te meppen, maar wellicht is hij vanzelf al doodgegaan. Ik ken nog exact de omstandigheden van toen dat onfeit plaatsvond: tijd, plaats, weer, publiek, gelegenheid. En verhippeltjes, een paar maanden later was het weer zover. De directeur van mijn lagere school, een veldwachtersfiguur met brillantine op zijn schedel en een sigaar als een zeppelin in zijn scheur, lapte me krek hetzelfde, toen we op het schoolplein op de bus stonden te wachten die ons mee op schoolreis naar Zaventem zou nemen. Weer hetzelfde liedje. En weer was het mijn schuld niet, want ook dan was ik nog een braaf ventje. Ik mocht bijna niet mee, maar dan zou die feldwebel zelf ook thuis hebben moeten blijven. En meneer ging natuurlijk mee. Toen was de maat vol. Ik werd zo kwaad als Repelsteeltje, toen diens naam geraden werd. Ik pakte mijn linkerbeen beet, scheurde mezelf middendoor en verdween door een spleet in de grond, groene rook nalatend. Een jaar later begon ik te schrijven. Stiekem, zoals de meeste kinderen. Het is nooit meer goed gekomen. God zit in het detail, maar de duivel ook.


    18-05-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.27: Klinkende munt

    KLINKENDE MUNT                               

    Op 29 december 2001 klokslag 19:21 besteedde ik mijn allerlaatste oude Belgische geld aan een bakje friet met bolognaise. Het betrof de ronde som van 155 BEF, zijnde een honderdflapje en enkele muntstukken. Dit alles speelde zich af in frituur Den Anker in mijn soms rumoerige, soms doodstille dorp H., een ‘rand’gemeente van de soms muisstille, soms windstille, soms doodstille stad K. (Sommige dorpen en steden zijn zo stil, dat je er alleen het klinken van munten hoort). Het was helemaal niet met heimwee dat ik mijn laatste patriottische som besteedde, want ik vond het lelijk geld. Blij dat ik er vanaf ben. Vroeger was ons geld veel mooier, in de tijd dat er centiemstukken waren met een gaatje in, net een mini-cd. De laatste jaren vond ik alleen de halve frank de moeite waard om naar te kijken. Er stond dan ook geen koning op. En ook het flapje van vijfhonderd frank kon er nog mee door. Maar de meeste andere landen hadden veel mooier geld. Het slijk der aarde is ook zeer ongezond, en vormt een bron van ziektes in de eerste wereld. Via geldwisseling worden allerlei microbes, bacteriën en virussen doorgegeven. Die veroorzaken dan hebzucht, diarree, constipatie, overvoeding, ijdelheid, snobisme, vraatzucht en vetzucht. De huisartsen en advocaten hebben groot gelijk dat ze een flink deel van dat gevaarlijke geld weer afpakken van hun patiënten en kliënten. Je moet preventief optreden bij een epidemie. Ruilhandel vormt natuurlijk ook geen oplossing; het komt alweer neer op het uitwisselen van dingen. Met plastic betalen dus maar verder. Kies een kaart uit de bloemlezing kaarten in uw portefeuille en hoop dat de automaat er zin in heeft. Dat u niet tegen de muur staat te praten. Het klinken van munten is vervangen door het knarsen en ratelen en zoemen van de muurbediende.Vlug geld uit de muur toveren? Vergeet het maar: file zult gij vormen, zo lang er mensen zijn op deze aarde, en zo lang deze aarde bezaaid is met slijk. Zout als ruilmiddel vormt anders wel een alternatief. De frietmanager in frietkeet Den Anker deed ook zout op mijn bakje vette hap. In ruil gaf ik hem wat oud Belgisch geld. Zo waren beide partijen tevreden. En ja: het was wel degelijk een bakje friet met bolognaise op. De bolognaise lag in een compartimentje apart, maar verspreidde zich ook over al mijn 123 frieten. Het moet toch niet altijd vol-au-vent of stoofvlees zijn. Voorspelbaarheid is zo saai en zo veilig. Gezouten en gepeperde groeten.


    17-05-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.26: De spiegel

    DE SPIEGEL                          

    Er was eens een spiegel. Hij had de vorm van een grote traan. Hij stond rechtop tegen de slaapkamermuur in een villa. Zoals alle villa’s droeg ook deze villa een vreselijk lelijke naam die in vreselijke koeienletters op de voorgevel prijkte. Die naam is nu van geen belang. In de villa woonden een dure heer en zijn dame. Telkens er zware vrachtwagens over de nabijgelegen weg dreunden, trilde de spiegel een beetje mee. Maar daar gaat het nu niet over. Er wàs niet veel verkeer in de omgeving van de villa. Alleen om acht en twaalf en één en vier uur was er wat getoeter en geronk, want er bevond zich een school in de omgeving. Er was wel iets aan de hand met die spiegel. Nog nooit waren de dame en de heer er in geslaagd hun gezicht en hun buik in de spiegel te zien. Altijd weerspiegelde die hun nek, hun rug, hun achterwerk en een deel van het weidelandschap daarbuiten, hoe ze zich ook in allerlei bochten draaiden, wrongen of wentelden, tot hun bovenlijf bijna uit hun bekken werd geschroefd. Dat gebeurde ook met iedereen die zich wou spiegelen. De villabewoners nodigden namelijk iedere bezoeker in hun slaapkamer uit om het ook eens proberen. Je wist maar nooit. De spiegel weigerde echter koppig hun voorkant te weerspiegelen. Zo was er ooit een bezoeker geweest die bijzonder veel van Shetlandpulls hield. Tijdens een stormwinter was voor de kusten van Shetland een olietanker gekapseisd. Robben, vogels en schapen hadden onder de ramp te lijden. De man had ijlings dertien Shetlandpulls gekocht. Hij vreesde namelijk dat er na de ramp geen meer geproduceerd zouden worden: het gras was bezoedeld en de schapen hadden geen voedsel meer. Toen hij als goede vriend des villa’s zijn verzameling pulls in de spiegel wou monsteren, lukte ook dat niet. De spiegel kende geen genade. Voor niemand. Ook niet voor een kerel met dertien Shetlandpulls ineens. Vergeet echter niet dat de spiegel de vorm van een traan had. De jaren verstreken. Door het steeds drukker wordende verkeer met ook steeds zwaarder vrachtvervoer brak op een dag de spiegel. Toen was de ban gebroken. In elke scherf apart konden de man en de vrouw eindelijk zien hoe oud ze geworden waren. God zit in het detail, maar de duivel ook.


    15-05-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.25: Werkzaamheden

    WERKZAAMHEDEN                                

    Het genoegen vrijwel elke week deelgenoot te zijn aan een file van formaat, is mij welbekend en geheel aan mijn kant. De autostrada ter hoogte van Gent, Gentbrugge, Waasmunster, Antwerpen en Ranst ken ik als mijn broekzak, beide richtingen. Ik vind dat geen levensgroot probleem en probeer er in mijn inktzwarte Saab het beste van te maken. Bij het filevormen kies ik voor de uiterst linkse strook, palend aan de middenberm. De middenbermnatuur is fascinerend én onbekend; alleen bij filevorming valt die te bewonderen. Er staan zelfs appelboompjes hier en daar. Verder liggen er verscheidene relikwieën van de consumerende mens uit de 21ste eeuw. Meestal flits ik daar zo voorbij. Soms echter liggen er patatten of halve varkens over middenberm en linkse strook verspreid, zodat dit feest niet doorgaat en ik voor de andere stroken moet kiezen. In een stilstaande file is de auto een gezellige cocon, vooral als het prachtig slecht weer is en de Vlaamse regen van de ramen biggelt. Het panorama wordt bepaald door het uitzicht op de achterwand van het vrachtbusje voor je (‘VUIL!’, ‘WAS MIJ!’) en je boeiende dashboard. Er is ook muziek, voor zover die niet voortdurend onderbroken wordt door verkeersmededelingen en irritante reclamespots. Flesje water. Chocotoff. Al dat gezelligs doet zich voor omdat omstreeks de lente overal te lande weer ‘wegwerkzaamheden’ uitbreken. Mannekens kruipen dan van onder de grond en gooien die helemaal bloot. (Wanneer gaan ze nu eindelijk eens het stijve stadhuiswoord ‘werkzaamheden’ vervangen door ‘wegenwerken’?) Medio april lagen er ter hoogte van Waasmunster ettelijke dode halve varkens over het wegdek verspreid, zodat ik ruimschoots de tijd had volstrekt stilstaand van een gigantische file te genieten. Ik hoorde o.a. twee keer hetzelfde nieuws. Net toen ik besloot om pen en papier boven te halen om het eerste hoofdstuk aan een fantastisch boek te schrijven, kwam er beweging in het duizendwielig monster. Ik vond het bijna jammer. Een eind verderop lagen de gehalveerde zwijnen de weg voor tweederde te versperren. Eenheidspolitie dirigeerde driftig de aanschuivende gelukzaligen die zich uit de file aan het losweken waren. Eigenlijk moest dan weer een kilometer verderop zich een verse file voordoen, wegens échte wegenwerken. Maar daar ploegde iedereen gezwind door, als een gevaarlijk mes door koelkastsmeerbare boerenboter. Dertig kilometer verder, ik had de Antwerpse Ring net verlaten, werd ik echter alweer van mijn linkse rijstrook weggejaagd door een oranje-zwarte motorrijder die hevig naar mij gesticuleerde. Vlak daarna suisde een wagen voorbij met een kroonprins erin. Ja, er valt voorwaar altijd wat te beleven op de Belgische autostrada. Mochten de files nog wat langer duren, dan schreef ik er een boek over. De hoofdpersonages zouden welluidende namen dragen: Welriekende Dreef, Vierarmenkruispunt, Kennedytunnel, Wommelgem, Lummen, Ranst, Bertem en nog vele, vele andere. Ooit komt dat boek er nog wel, wegens werkzaamheden.


    13-05-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.24: Niets

    NIETS                                 

    Leegte is prachtig. Zodra je er een grens om trekt, is die verdwenen. Daarom is het beter geen grenzen te trekken, want verderop is er niets beters dan hier. Alles is voortdurend anders behalve jezelf. Vertrouwdheid kan aangenaam verblinden. Ook niet zeggen: ‘Dat zien we later wel’. Later zie je niks. Later kan het donker geworden zijn. Prairie en woestijn en zee en daar de wind overheen. Leegte is niet saaier dan slootwater. Hitte kan denderend op je afkomen in zo’n volle leegte. Grote bomen die over een weg heen groeten, zijn ook mooi. Waar vind je al dat fraais nog allemaal? In de boeken natuurlijk. Al die moeilijke gedachten kwamen in me op terwijl ik onder het eten van Russische sprot las in ‘Zen en de kunst van het motoronderhoud’ (1974) van Robert Pirsig. Daarin wordt een serieus potje afgefilosofeerd op, naast en via de motorfiets. Het boek beschrijft een tocht van Minnesota naar Californië op de motorfiets door de verteller en zijn elfjarige zoon Chris. Het is ook een filosofische verhandeling en een twintigste-eeuwse versie van de Erlkönigsage van Goethe (man en zoon te paard; spook; einde: dood zoon). ‘Wer reitet so spät durch Nacht und Wind? Es ist der Vater und seinem Kind’. Na deze wereldbekende, moeilijke en moeizaam te lezen kluif (je hebt er een stevige läserstraal voor nodig, vooral als moto’s je niks zeggen) verorberde ik langzaam de lijvige Tsjechov-biografie van Henri Troyat. Mijn ziel werd daardoor gevat in een soort van gelatine. Ik ging veel sympathie koesteren voor de journalist-schrijver-bloedspuwende huisarts wiens eerste toneelstuk een drama was, ik bedoel: echt wel een drama. Ook zijn begrafenis was een drama, maar dan meer een draak. Het was passend en rechtvaardig dat ik dit boek las onder de treurberk in de tuin. Maar het was een prachtige hoogzomer met schitterend slecht weer toen en ik wou vooral aan niks denken. Dat is heel moeilijk. Het is een van de moeilijkste dingen: je hersenen vakantie gunnen. Met een volstrekt nietszeggend gezicht, desnoods vreselijk dwaas, naar prachtige leegte zitten staren of naar een boom die tot ver beneden naar de grond groet. Kijken naar kiekens zonder dat je beseft dat het immense kiekens zijn en zonder dat je ze echt ziet. Van krommenaas gebaren als een of andere slimmerik het weer meent te weten, weet je wel. Nu is het allemaal weer anders. De woestenij is in zicht.


    12-05-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.23: Bewijsbegeerte

    BEWIJSBEGEERTE                                 

    De wereld van de meetbare dingen is helemaal niet boeiend. Een liter is saai. Een meter is saai. Een horloge is het bewijs en symbool van de menselijke ijdelheid: men denkt de tijd te kunnen beheersen door hem aan de pols vast te binden, aan muren op te hangen of in klokkentorens te metselen. Allemaal bewijsbegeerte. De broederschap der voordehandliggende logica predikt nu overal meetbaarheid, veilige meetbaarheid. Menselijke prestaties op het werk moeten ‘meetbaar’ zijn. Wat meetbaar is, is vaak voorspelbaar. Adieu creativiteit, verrassing, flexibiliteit, humor (om maar vier kenmerken van intelligentie te noemen). Van wijsbegeerte naar bewijsbegeerte. Volgende stap: het uniform. O, er zijn nog zaken meetbaar. Maar gewoonlijk doet men daar niks aan, als na meting blijkt dat bijvoorbeeld stress, belasting en werkdruk hoog scoren. Dan worden de meetlatten vlug weer weggemoffeld. Het is geweten, dus het volstaat. Marleen Vanderpoorten wou tijdens een bepaalde hete onderwijsherfst ook eerst wachten op de steun van iets meetbaars vooraleer ze onderhandelingsbereidheid aan de dag legde. Ze wou zelfs even de ‘privé’ en het onderwijs met elkaar vergelijken, wat bijzonder dom is, en wat eigenlijk neer zou komen op ‘zich meten met elkaar’. Een appel en een peer meten zich nooit met elkaar. Tja, al dat gemeet. Het beantwoordt aan het veiligheidsgevoel van een grijze meerderheid. Wat meetbaar is, is overzichtelijk, in te tomen, te controleren, te manipuleren. Als het al moeilijke resultaten oplevert, omdat het menselijkheid en prestaties betreft, en een en ander duidelijk maakt, wordt er gegoocheld met percenten en percentages: die zijn zo onduidelijk en rekkelijk, dat je er makkelijk mee kunt schuiven en jongleren naar eigen goeddunken en willekeur. Het zijn de eufemistische stiefbroers en -zusjes van de getallen en de aantallen. En toch klinken ze ‘meetbaar’. O, ik heb heimwee naar en verlang naar onmeetbaarheid, wijsbegeerte van de twijfel, variatie, alles wat uitdijt, krimpt, uitdijt, krimpt, en weigert zich in liter, kilo, meter, watt, percent of cijfer te vertalen. Het is ook pas in oneindigheid dat het perfecte samenkomt. Zoals het scalpel van de chirurg het bewijs is van de onkunde van de geneeskunde, zo is de meetbare eenheid het bewijs van de angst van de bewijsgeer. Maten en gewichten zijn de werktuigen van de kruidenier. Horlogemakers hakken de tijd in mootjes. Ze verdelen om beter te heersen. We weten nu allemaal hoe laat het is.


    10-05-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.22: Terugblik

    TERUGBLIK                          

    Alles was er klein in het groot. Alles was er groot in het klein. Het regende onverdroten. Wind uit oude dagen hield grote schoonmaak. Buiten was de vorige eeuw volop aan het woeden: de midlifecrisis van de jaren zestig, zeventig. In mijn herinnering zat zij aan het enige raam in de kleine woonkamer: wipneus, krulhaar, altijd lachend. Hij zat in de fauteuil in de omgeving van de kachel: pet, bril bij wijlen, stofjas. Ze waren met pensioen na een druk leven op de arbeidsmarkt van de jaren dertig, veertig, vijftig. Ze lazen boeken of vertelden verhalen en anekdotes. Dat is nou natuurlijk het moeilijke van herinneringen: die zijn gekleurd. De twee mensen waar ik het over heb, zaten daar niet voortdurend. Ze hebben waarschijnlijk moeten knokken om daar af en toe eens zo bedaard te kunnen zitten, tijdens weekends en op feestdagen bijvoorbeeld. En het waaide zo vaak en zo hevig omdat mijn herinnering dat zo wil. Nu, en dan nog. Er is de feestelijke geur van konijn-met-bier. De drukte van een wielerwedstrijd in de straat in de provinciestad. Renners kwamen zich achter in het kolenhok omkleden, insmeren en bananen vreten. In de keuken wedijverden ook de geuren van scheerzeep, zwarte zeep en prinsessenbonen voor bij het konijn. Alles feestelijk dooreen. Het was in de Oostendestraat in Torhout. We trokken op woensdagmiddag te voet onder het bladerdak van grote kastanjebomen tot aan het kasteel van Wijnendale. Zij ging mee. We gingen in het overgebleven groen van het uitbreidende stadje op zoek naar wilgenhout om fluitjes van te snijden. Dat kon hij ook. Hij kon alles. We plukten braambessen, gluurden met afgrijzen in het gapende zwarte gat van de ijskelder bij de kapel aan het Wijnendaals kasteel, duwden in gedachten enkele van onze onderwijzers in die bodemloze vergeetput, maakten vuisten in onze jaszakken tegen de vrieskou van de twintigste eeuw en raapten kastanjes als het waaiweer begon te worden. Op zondagavonden zagen we er onze eerste televisieprogramma’s; de grote wereld kwam binnengeflikkerd, met zijn witte en zijn zwarte sneeuw. Nergens smaakte een boterham-met-kaas beter dan daar. Toen het handvat van mijn allereerste broodtrommeltje (de voorloper op de schooltas, de beautycase en de rugzak) op weg naar de papschool losliet, heeft grootmoe mij gered van de schande op straat. En het regende godgenageld oude wijven die dag, en haaientanden en pijpenstelen. Ja, ik weet het zeker: Elvis leeft, Kroetsjov loopt nog rond, Tony Corsari leidt ergens een gezellig leven en mijn grootouders doen dat ook.


    07-05-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.21: Bad Pritt

    BAD PRITT                               

    We zitten alweer in café De Woede der Noormannen, ergens tussen Adinkerke en Outrijve. Het regent mot. Het waait niet. Jammer. Het is een man met oud haar op zijn hoofd. ‘Liefde,’ zegt hij, ‘liefde is een kleverig gedoe.’ Ik kan niet nee zeggen en knik dus ietwat langs hem heen in de richting van een foeilelijke gatenplant. Zijn haar verraadt vele liefdesavonturen of helemaal geen. Serieliefhebber of kluizenaar. Misschien zelfs vader van 2,8 kleverige kinderen die hem ietwat hinderen. ‘Vrouwen willen zekerheid,’ zeg ik totaal overbodig, wat een mooie spreekwolk, maar met een rouwrandje om. ‘Ze zijn verkleefd aan die ene, liefst bestendige donor die ze kiezen uit velen.’ Hij knikt en kijkt naar niets naast mij: ‘Doe jij iets met je haar misschien?’ ‘Ik, nee,’ zeg ik. ‘Ik heb er de tijd niet voor, vooral ’s ochtends niet, en de tijd staat niet stil, nietwaar.’ ‘Nee,’ beaamt hij opgelucht. ‘Nee. Of zijn wij het die veranderen?’ ‘Je zult bedoelen: verouderen.’ ‘Hm,’ kucht hij. Hij inhaleert de rook van zijn sigaret tot in de toppen van zijn tenen. Ik wacht benieuwd tot die rook ergens weer uitkomt, maar nee hoor: meneer houdt alles voor zichzelf. Er komt zelfs geen wolkje uit zijn achterwerk of zijn linkeroor. ‘Vrouwen plakken aan je,’ zegt hij dan, iets concreter dan daarstraks, of juist nog veel abstracter. ‘Voor je het beseft, ben je geringd als een duif, opgespeld als een dode vlinder en vastgelijmd in een familiealbum.’ ‘Tja,’ doe ik. Ik kijk naar een foeilelijk kunstwerk aan de muur. Een vrouw, natuurlijk. Nou: de vrouw is mooi, maar het werk is kunst, dus lelijk. ‘Zo,’ zegt de man met het oude haar op zijn hoofd dan. ‘Een levensverzekering heb je dus waarschijnlijk al.’ ‘Ja, al jaren.’ ‘En kan ik je echt geen beter voorstel doen?’ ‘Nee, mijn leven is goed verzekerd. Voor wat het waard is, althans: morgen kan ik over een kikker struikelen en doodvallen.’ ‘Het is anders tegen morgen al in orde: geen gedoe met papieren en zo. We werken honderd procent klantvriendelijk voor de categorie pre-senioren zoals u. Op uw leeftijd … ‘ ‘Nee,’ schud ik beslist. ‘Jullie verzekeringen zijn anders ook wel een kleverig gedoe, hé. De enige verzekering die ik op mijn gezegende leeftijd nog overweeg, is een verzekering tegen verzekeringen.’ ‘Daar heb je dan boekbinderslijm voor nodig, of zeer straffe colle-tout’, zegt de man, en hij verdwijnt uit café De Woede der Noormannen en uit mijn leven, zonder verzekering. Bad pritt, die kleverige verzekeraars!


    05-05-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.20: Burgers Darlingen

    DE BURGERS VAN DARLINGEN                         

    Een honderdtal kilometer van de hoofdstad verwijderd, tegen de spoorweg aangehurkt, ligt een kleine stad, die we om verschillende redenen Darlingen zullen noemen. Die stad telt ongeveer veertienduizend inwoners. Er zijn diverse kerken en kloosters, en een ziekenhuis dat omwille van zijn ouderdom en zijn gotische bouwstijl zeker de aandacht van kunstliefhebbers zal trekken. Wanneer men ongeveer vijftien jaar geleden in Darlingen halt hield, en de navel van de stad naderde, ontwaarde men eerst en vooral fabrieksschouwen die boven grote werkhuizen uit torenden. Daardoor was men geneigd Darlingen als een druk economisch centrum te beschouwen. Dit gevoel werd nog versterkt door de concrete drukte in de fabriekswijken. Nauwelijks echter was men de lange toegangsstraten gepasseerd, of die drukte verminderde aanzienlijk. In de plaats daarvan trad stilte in, vooral toen men het centrum van Darlingen naderde. Ja, er waren brede, mooie straten met grote huizen, bewoond door vermoedelijk welvarende mensen. De gevels van die huizen waren echter vuil en grijs. De meeste luiken voor de vensters waren permanent dicht en de trottoirs zagen groen van het gras, dat hier en daar zelfs tot het midden van de straat reikte. Een zeldzame keer ontmoette men er een levende ziel. Het was er stil en doods, alsof iedereen de hele dag sliep. Alleen het geklep en gelui van klokjes en klokken doorbrak af en toe die stilte, in vele hoeken van de stad. En overal was het stil en eenzaam, met uitzondering van de fabriekswijken. Ook genoot Darlingen de dubbele faam een rijke, maar buitengewoon vervelende stad te zijn. (…) Nu zijn we de fabrieken voorbij. Werp uw blik op lange, eentonige straat die zich voor u ontrolt, met die gesloten huizen, die stilte, het gras dat tussen de stenen groeit: zeggen die tekenen van bewegingloosheid u niet dat Darlingen wil slapen, terwijl iedereen wakker is en werkt? (…) Ook spreekt men er onder elkaar vaak kwaad van een ander; veel goeds zegt men niet. (…). Dit is het begin van de roman De Burgers van Darlingen van Hendrik Conscience, 19e eeuw. Ik heb er hedendaags Nederlands van gemaakt. De man die zijn volk leerde lezen, woonde korte tijd in het Vlas Vegas van Vlaanderen, later ook genoemd Texas. Is er ondertussen al iets veranderd in de stad waar de schrijver het over heeft, met uitzondering van het aantal inwoners? We mogen hopen van wel.

    PS Mensen die moeite hebben met fictie en bijvoorbeeld in dit geval de kilometerafstanden gaan uitpluizen, beweren dat Darlingen eigenlijk Dendermonde is. Meten is weten. Kruideniers doen dat ook.


    04-05-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.19: Vaart wel

    VAART WEL                             

    Welvaartstaat? Kijk maar eens goed naar de kleine lettertjes en cijfertjes om u heen vooraleer u in zo’n zelfverklaarde staat gelooft. Welzijn? Loop eens de lange rijen wachtlijsten af van de jongvolwassenen die omwille van mindervaliditeit onderdak zoeken. Ze worden asielzoekers in eigen land. Natùùrlijk wordt mantelzorg gepromoot. Want de staat schiet te kort. Thuisverzorging dan maar, met alle gevolgen vandien. Gelukkig gaan ze nu die wachtlijsten ‘wegwerken’. Mobiliteit? De gratuite Stevaert? Laat me niet lachen. Je zult bijvoorbeeld maar in het westen van dit land wonen. En zelf moeten bellen voor een bus. Treinen en bussen schieten de meeste stations en haltes zo voorbij. Als ze al stoppen, zitten ze volgestouwd tot in de nok. Gratis onderwijs? Maar kindjes toch! Zie eerst maar dat papa of mama de juiste schoolkeuze maken. En dan nog. Licht, warmte, geluid? Elektriciteit in België komt u duur te staan, dames en heren. In dit felverlichte land zijn de rekeningen gepeperd. Zet een kaars voor je raam vannacht en bid om beterschap. Of hoop op concurrentie van andere bedrijven, want monopolieposities zijn nefast voor de klant, de burger, of hoe worden we heden ten dage genoemd door Vader Staat? Een stem? O, ja: stilaan zit de stemming er weer in. Wacht maar. Er gaat weer van alles gebeuren, veranderen. Het ‘druppelt’ in Brussel. Sommige dames en heren krijgen kiespijn. Ze dromen van hokjes. Hoe zwart zal hun zondag weer zijn? Hoe groen hun lach? Hoe blauw the limit? Hoeveel franje krijgt oranje? Hoe dood is rood? Door de zogenaamde herverkaveling van het politieke landschap (een cliché als een kathedraal met duivenstront op) krijgen we nu andere kiesclowns te horen en te zien. Ook zij zullen weer beginnen oefenen in glimlachen en grimlachen. Glimlachen naar u, kiezer, en uw arm uit de kom rukken bij de populaire handdruk. Grimlachen bij het aanschouwen van de verkiezingsresultaten, en rode cijfers leren ombuigen in hun voordeel door voortdurend andere vergelijkingspunten te hanteren. Ze zullen weer taalbokken schieten in hun wervende teksten. Hun slogans zullen weer om te gillen zijn. Laten we met maïs gooien naar de windhanen en mestkevers en blaaskaken onder deze beroepstateraars, zoals in Chili, want maïs wordt door kiekens gegeten. Ja, voorwaar: het wordt weer een drukke tijd in onze welvaartstaat. Wacht maar.


    03-05-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.18: Punt.be

    PUNT.BE                              

    ‘Het lekt aan alle kanten. Het werkt helemaal niet. Het is één stinkende riool. Nee, met hen valt niet samen te werken’. It's as bad as Belgian justice. Waarover gaat dit? Het is een korte dialoog uit een Amerikaanse of Britse film die ik begin februari op tv zag. Onderwerp van dit gesprek was het Belgisch gerecht. We hebben het laatste decennium inderdaad nog wat toegevoegd aan ons fraai lijstje exportproducten. Dit is Belgisch: nestbevuiling, de Belgenmop, pedofilie, chocolade, bier, mest, politieke corruptie, rammelende rechtspraak. Be Big in Belgium, land van charlatans, eredoctoraten en weekendongevallen. Wie als buitenlander vertederd over Belgische kasseien stapt, beschut door wilgen, de nasmaak van witlof uit het Brusselse Beenhouwersstraatje nog in de mond, moet toch wel even de wenkbrauwen fronsen bij al dat moois van punt.be. Datzelfde weekend waarin ik die film zag, toonde het tv-programma De Zevende Dag ook een artikel van een journalist van Het Belang van Limburg. Zijn opinie: ‘rooms-rood, blauw-rooms, groen-blauw of paars-groen: ze hebben er allemaal een potje van gemaakt’. En nog datzelfde weekend kwam het ‘wereldberoemde’ Beenhouwersstraatje van Brussel in opspraak wegens witwasserij. Enkele restaurants bleken wasserijen te zijn; twee werden prompt gesloten. En nog datzelfde weekend, herejezustoch, werd de overheid in verband met een ongeval annex proces op de vingers getikt door een Dendermondse rechter. En het was niet de eerste keer dat de heren of dames rechters uit hun ivoren toren nederdaalden en Vadertje Staat berispten. En in diezelfde tijd was er ook, alweer, een rel rond benoemingspolitiek. Ja, we zijn goed bezig in België, punt.be. Natuurlijk was nationale baas Verhofstadt niet welkom op het sociale wereldcongres in Brazilië. In New-York mocht hij wel aanschuiven; daar zaten de politici en de captains of industry samen. Je kunt nu eenmaal niet uit twee ruiven eten en telkens de andere kant opkijken naar gelang van de richting van waaruit de wind komt. Windhanen doen dat; onze vorige premier verzamelde die overigens. Tja, natuurlijk is ons druilerige koninkrijkje ook bekend voor zijn strips en zijn striptekenaars. Er wonen dan ook veel stripfiguren; soms waan je je in een heus stripverhaal. Altijd uitkijken, geachte vreemdeling, beste argeloze, als je in België rondstruint, voor doofpotten, lijken uit de kast, dubbele agenda’s en neutrale verklaringen. Het beste wat je hier kan doen, mocht je hier een wijle blijven, is de juiste loge kiezen of in het slechtste geval vlugvlug een politiek partijtje uit de grond stampen. We hebben er al een hele heksenkring van. If you can’t join them, beat them. Kies hùn wapens. Een andere mogelijkheid, maar niet van gevaar ontbloot, is u in West-Vlaanderen vestigen. Gouverneur Breyne zal er voor zorgen dat u minder rap dood gereden wordt dan in andere provincies. En per slot van rekening is er nog altijd de zee. Punt.be


    01-05-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.17: Prior Tante Pos

    PRIOR TANTE POS                                

    Prior: ooit het magische woord van Tante Pos. En wij maar hopen en kopen en likken, tot onze tong op onze buik hing. Resultaat: de priorzendingen arriveerden dagen te laat en de ‘gewone’ zendingen (de drenkelingen dus) bleven nog langer uit. Die spoelden nog later aan. Voilà, nog maar eens een ingreep van de wonderboys. We betalen ons niet alleen blauw, we ergeren ons ook blauw. Vandaar sedert enkele jaren de uitdrukking: ‘Meer blauw op straat.’ Tante Pos liep hoe dan ook een blauwtje op. En wij maar likken en slikken, want we zijn er afhankelijk van. Moeilijke heertjes met gezichten als verkreukelde financiële kranten krijgen een schouderklop van een minister en maken er vervolgens een soepje van. Denk aan die Zwitsers en onze Sabena. De Belgische Spoorwegen. Zo’n gladgestreken oen komt dan ijskoud vertellen dat de kerstdrukte er voor iets tussen zat dat prior eigenlijk helemaal niet prior was. Maar ondertussen hebben we met z’n allen wel stevig betaald. Voor niets dus. En hoe zit het met de volgende kerstdrukte dan? Alles moet altijd tot op de gram kloppen bij Tante Pos. Wel, als wij nu eens massaal ook alles tot op de cent doen kloppen? En tot op de dag? We eisen onze priorcenten terug die niet prioritair gebruikt werden. Met die centen kopen we een extra pakje drenkelingzegels, voor zendingen die traditiegetrouw toch dagen- en nachtenlang blijven zwalpen. De klant, die al jarenlang trouw en dapper de kont van de koning likt, is dus zelf geen koning. Daarom stel ik voor dat er een speciale postzegel komt, zo in de trant van de mijnwerker op de halve frank van vroeger. Op die postzegel komt de klant te staan. De ontevreden klant wellicht. Dat mag dan natuurlijk geen priorzegel zijn. Want klanten zijn niet prior bij Tante Pos, ondanks de slogans en de slijmerige peppraat. Misschien moet er ook een tweede postzegel komen, met de beeltenis op van de postbode en de loketbediende. Die zijn ook de klos bij Tante Pos, want die vangen het ongenoegen van de klanten op. Gelukkig zijn de bedienden en de klanten beschermd door glas. Allebei. En de postbodes door slecht weer. Tja, die brief die ik u zou zenden, zal dus niet aankomen. Het spijt me. Misschien doe ik het elektronisch. Maar niet getreurd: het is nu zo’n tijd. Ook de banken willen geen mensen meer over de vloer. Ze beheren onze centen ook met dezelfde minachting. Dit is 2005, weet u wel. Stemt u dat niet tot nadenken, in het kleinste hokje van onze democratie?


    30-04-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.16: The West, the Best

    THE WEST, THE BEST                                 

    Ik denk dat ik er in geslaagd ben alle dorpen van West-Vlaanderen gezien te hebben, eindelijk. Mocht ik dichter zijn, ik zou schrijven: ‘Ik ben dankbaar dat ik de dorpen heb gezien’. Meteen een alliteratie ofte stafrijm, herinnert u zich nog van uw schitterende lessen Nederlands uit de middeleeuwen van uw leven. De dorpen in West-Vlaanderen klinken zelf als gedichten. Ik kan niet onbewogen blijven bij namen als Stuivekenskerke, Pervijze, Slype, Mannekensvere, Outrijve, Zwankendamme, ja: zelfs Hoeke en Heule. Voor het blote oog liggen sommige van die dorpen wel even buiten westen. Je moet die zelf ontsluiten, want ministers van mobiliteit kunnen niet zo ver denken. Maar opgepast! Onderschat het niet! De heilige klank van Kanegem! Het wereldgevoel in Raversijde! De nering en tering in Adinkerke! De vaart der volken in de weiden rond Diksmuide! De laatste echte chocolade in Abele! Iets geheimzinnigs in Schuiferskapelle! En ook in Elverdinge! Om van de wegomleggingen in Kruiseke nog maar te zwijgen! Het diepst onder de indruk was ik in Stuivekenskerke, in het holst van de winter. Onder het woeden van een heus tempeest (wind, regen) reed ik langs water dat Ijzer heet, minutenlang, zonder ook maar een levende ziel of dode auto tegen te komen. Alleen een hoopje westtoeristen op een boot samengepropt passeerde ik. Plotseling gebood een wegwijzer me linksaf te slaan. Aldus geschiedde. En zie: daar doemde de dorpskern van Stuivekenskerke voor mij op. Eerst liet ik een kasteelhoevehotel (hoevekasteelhotel? hotelhoevekasteel?) links liggen. Ik zal daar ooit terugkomen als ik beroemd ben. Daarna kwam ik bij een twintigtal huizen, een katholiek gebedshuis en een drenkplaats, ook ‘café’ genoemd. Voor ik van mijn verbazing bekomen was, had ik Stuivekenskerke alweer achter me liggen. (N.B.: ik heb een zeer blauwe en zeer rappe auto). Het was net alsof ik even door een filmdecor gereden was. Die middag passeerde ik ook tot tweemaal toe de Dodengang. Het moet me van het hart dat ik het jammer vind dat het oud-Belgische museumgebouw er vervangen werd door een eenentwintigste-eeuws afschuwelijk gedrocht. Er is al veel kapotgemaakt in dit land, o.a. een hoop Hortahuizen in Brussel, en hier in het westen moeten ze ook niet onderdoen, kijk maar naar Oostende en Kortrijk. Maar verder is het in de tuin van gouverneur Breyne best wel aangenaam vertoeven. Laat ze maar komen uit Brussel en Antwerpen en Keulen naar de kust, met hun niveadozen en hun moppengebral-op-café, het zijn allemaal inkomsten, en dood moeten ze toch eens, ooit, allemaal, nietwaar, ‘kust ze’, zeggen we dan. Warme groeten vanuit deze lage streek.


    28-04-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.15: Dof maar duidelijk

    DOF MAAR DUIDӘLӘK           

     

     

    Beste taalschatjes, ik doe een voorstel dat beantwoordt aan logica, pragmatiek, haalbaarheid en taalgevoel, waar dat laatste zich ook moge bevinden. Het gaat over de doffe e, de zogenaamde sjwa ofte schwa. Hij is dus dof, oké. Bepaalde woordenboeken noemen hem zelfs ‘toonloos’ Andere leerboeken hebben het zelfs over de ‘stomme e’. Je moet je lippen niet bewegen als je die stommeling uitspreekt. Je ziet hem niet eens, mocht je al liplezen bedrijven. Het is zo’n beetje een luie klank. Je hoeft er niet veel inspanning voor te doen. Daardoor onderscheidt hij zich van alle andere klanken en klinkers. Hij staat dus ook altijd in een onbeklemtoonde, doffe lettergreep. Hij vormt echt wel een eenmanscategorie. Maar er rijst een groot probleem voor kinderen en anderstaligen die onze taal willen leren schrijven. Onze fameuze sjwa ofte doffe e vermomt zich graag in allerlei verschijningen. En dat veroorzaakt problemen bij het lezen en bij het schrijven (en natuurlijk ook bij het aanleren). Even het rijtje aflopen van enkele vermommingen. De kapitaal gedrukte letters (of het apostrofje) vormt/vormen telkens de doffe e: EEn, dE, hEt, ‘n, m’n, z’n, Er, d’Er, lelIJk, bEzittEn, gEdaan, kattEn, mIJn(onbeklemtoond), zIJn (idem), mE, jE, zE, wE, havIken, luiwammEs, LothAringen, sinAAsappel, avOnd, BussUm. Er zijn nog gevallen. Die sjwa komt dus heel vaak voor, het vaakst van alle klanken: in lidwoorden en in meervouden bijvoorbeeld. En in ‘er’. Soms komt hij tot driemaal toe in een woord voor: ‘vErrukkElIJk’. Hij wordt, wat schrijven betreft, verward met de gedekte e van ‘bek’ en ‘kef’ en met de vrije e van ‘peter’ en ‘lepel’. En hij veroorzaakt daardoor natuurlijk ook uitspraakproblemen voor kinderen en anderstaligen. Daarenboven: leest/interpreteert u maar eens woorden als ‘negeren’, ‘bedelen’ en het beroemde ‘bommelding’. Daarom dit voorstel: we gaan die dofferd een apart teken geven. Het moet gedaan zijn met die dubbel-, wat zeg en schrijf ik: meerzinnigheid. Je kunt maar één leven leiden, geen zeven. En waarom zouden we niet het teken gebruiken dat er in het fonetisch schrift al voor gereserveerd is? Die omgekeerde e? De [∂] dus? Hij zit zelfs al in uw computer, onder ‘symbolen’. Die ingreep zou ten minste veel verwarring uitsluiten. En dat teken zelf is niet zo revolutionair: je zet gewoon de meest bekende letter uit ons alfabet op zijn kop. Van een zachte revolutie gesproken. Ook in het letterlijke schrift, echt schrijvenderwijs dus, levert de verbinding tussen dat omgekeerde kereltje en zijn voorganger en achterligger geen problemen. Probeer het maar, dat aardige lusje; het is nog leuk ook. En waar parkeren we deze dofferd in het alfabet? Ofwel helemaal voorop, want hij komt het meest voor, ofwel als rode lantaarn, want hij is ook maar een doffe nieuweling.

    Voor alle duidelijkheid betreffende deze doffe ellende: het gaat er me dus niet om het arme kereltje af te schaffen. Alleen: hij moet een apart schriftteken krijgen. Hij wordt dus opgewaardeerd. Mijns inziens zou dat een veel zinvoller spellingingreep zijn dan dat salongemompel over de spelling anno 1995, waar een beukenboom naast een lindeboom geplant werd. Idem dito 2005. Zit God immers niet in het detail? Mogen we dan niet even zinvol vitten? Dof maar duidelijk. Van harte: BJARNӘ DONDӘRDAG.

      


    27-04-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.14: Kroniek

    KRONIEK              

     

    Dit is een verhaal over mijn dorp. Het is echt gebeurd. Ik zweer het op de Rollen van de Dode Zee. Weer of geen weer: we kunnen niet om de vergrijzing van ons klimaat heen. De lentes en de zomers zijn niet meer zoals in de vorige eeuw. Op 2 juli van het scharnierjaar 2000 floepte om 16:01 in de middag de straatverlichting in de randstedelijke gemeente Heule aan. (Population: 17 000 en een paardenkop). Een indrukwekkend onweer naderde. Het bleef maar naderen. De Vlaamse luchten vertoonden het hele gamma aan grijswaarden. Lijkwitte duiven zwierden statig in de loden geladenheid van het zwerk. Een uil dacht dat het nacht werd (daarom was het ook een uil) en verliet het galmgat in zijn kerktoren. Hem wachtte misschien een rat. Om 18:06 voorspelde een glimlachende weervrouw na het journaal alom overstromingen. Het betrof een ernstig te nemen waarschuwing. Op de tweede o van ‘overstromingen’ deed zich een algehele elektriciteitspanne in Heule, West-Vlaanderen voor. Die had niks met dat naderende onweer te maken. Wel met een rat die een flinke kluif had gehad aan een belangrijke kabel in de omgeving. (Ach, stel je voor dat je een kaars brandt om je huis te beschermen tegen allerlei onheil en dat je huis door simpele onoplettendheid in de fik vliegt daardoor! Een eeuwigdurende vlam, als het ware. Ik bedoel maar: het is altijd uitkijken geblazen). Het distributiehuisje ontplofte; de rat werd herleid tot smurrie. Men weet het euvel aanvankelijk aan blikseminslag. Dat euvel bleef maar duren. In Frankrijk werd de eerste rit-in-lijn van de gelijknamige Ronde gereden. In de Rotterdamse Kuip gaven Italië en Frankrijk elkaar partij in de E.K.-voetbalfinale. Er was ook tennis en formule1-geloei. Een ware sporthoogdag, voorwaar. Alle fauteuils en sofa’s zouden volzet geweest zijn. Helaas: zowel de magnetrons als de telefoontoestellen in het Zuid-West-Vlaamse Heule gaven verstek, om van het allerergste nog maar te zwijgen: de televisietoestellen. Kaarsen en batterijen kregen een grotere marktwaarde. Maar het was dus na ampel onderzoek een simpele grijze rat gebleken. Het onweer dreef over; de aangekondigde overstromingen, meervoud, beperkten zich tot plaatselijk rioolgekolk en extra gegorgel in goten. De Heulse brandweer laafde zich in een café zonder voetbal en muziek. De ex-rat werd postuum nog getroffen door een verdwaalde vogel. Ge zoudt al een uil moeten zijn om daar niet van te profiteren. Gefundenes Fressen noemen ze dat in een andere taal. Ja, in mijn dorp gebeurt er altijd van alles.


    26-04-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.13: Gezwommen hond

    GEZWOMMEN HOND           

     

    Kijk, dat is nu net het verschil tussen poëzie en alle andere mededelingen: een ‘gezwommen’ hond is nog iets anders dan een ‘natte’ hond. Dat dacht ik toen ik … maar ik loop vooruit. Eerst dit: de steenrijke linkshandige Arabier Osama-in-den-Hoge was ook in ons stamcafé De Woede der Noormannen een tijdlang het gespreksonderwerp. Eindelijk hadden we nog eens een serieus gesprek, na een groot debiet aan geëmailde moppen en internethumor. ‘Die rijkeluiszoon zit goed in de olie’, zei Alverman. ‘Hij heeft geen buiten-, maar een binnenverblijf onder de grond’. En dan moet je weten dat het symbool op de Amerikaanse greyhoundbussen de Afghaanse windhond is!’ merkte Veltekort op. Diens jaren van verstand waren eindelijk aangebroken; we feliciteerden hem met zijn opmerking. Alleen Bismark, de caféhond, zweeg hierbij in alle talen. Hij zag er altijd uit als een gezwommen hond: niet nat, maar grondig moe, en zo … zo honds. Hij sleepte zich als een soort te groot en te lui geworden horecacocker door het bestaan op deze blauwe plek in het heelal. Onze blikken gleden even naar zijn vaste stek op de mat aan de deur, waar hij gewoonlijk als tochthond postvatte. Smalle Geboorte mompelde iets over slapende honden. ‘Hm’, gromde cafébaas Sjapoo, in plaats van zijn huisdier. Vervolgens filosofeerden we over de kwestie waar we zelf onze kamikazevliegtuigen in onze randgemeente neder zouden laten ploffen. Diverse verzekeringsmaatschappijen en banken kwamen in aanmerking, omwille van hun lelijkheid. Iemand opperde ook: ‘De kerk’. Een ander: ‘Het cultureel centrum’. ‘Hangt er van af wie er dan in zit’. ‘Als het maar niet op mijn dak is’, zei Sjapoo. ‘Weet je wat ik ga doen? Ik ga mijn heilige Rita halen en er een kaars voor branden. Ze komt van de rommelmarkt in Doornik en ze helpt tegen hopeloze gevallen’. ‘Wat heeft dat er nu mee te maken?’ vroeg Pallas Athena. ‘Hij bedoelt dat we zelf de hopeloze gevallen zijn’, antwoordde Veltekort in zijn plaats. ‘Het is tegen de biologische en chemische oorlogsvoering, voilà’, zei Sjapoo, en hij voegde de daad bij het woord. Zo kabbelde onze avond rustig verder, bij het geflakker van een kaars en het gelonk van de H. Rita op de vensterbank, in een tijd waar de voorraad vrede weer eens opgebruikt was. Helaas … Sjapoo vergat het ding toen hij slapen ging. De Woede der Noormannen ging die nacht in vlammen op. Sjapoo, tapheer, en Bismark, gezwommen hond, stierven in de vuurzee. Ze gingen dus niet dood door miltvuur of terrorisme, maar door doodgewoon vuur en onoplettendheid. Je zult maar een kaars ter bescherming van je huis aansteken en daardoor je woning in vlammen zien opgaan … Allemaal de schuld van Osama.                           


    24-04-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.12: Snooker

    SNOOKER                     

     

    Snooker is een heerlijke zaterdagsport. Je hebt er alleen een teevee voor nodig. Indien mogelijk ook een stevige portie herfstweer buiten en een al net zo stevige portie whisky binnen. Het blauwe of het groene laken strekt zich voor je uit. Twee feestelijk gestrikte Engelsmannen breien met hun keu fraaie valstrikken op het ballenveld, waar ook zes gaten in zijn. Uitwendig kalm, inwendig een mijnenveld, proberen ze ballen te ‘potten’ in die gaten. Of beter en liever, als dat onmogelijk blijkt te zijn, proberen ze mekaar te ‘snookeren’: de ander beletten te potten of de juiste bal te toucheren. Levert punten op. Er heerst een gewijde biljartstilte; er mag alleen gepreveld worden. De te winnen bedragen zijn gigantisch. De snookerboys zijn helden. De scheids draagt fluwelen handschoenen om de ballen op verzoek van de speler desgewenst een wrijfbeurt te geven. Zo’n zaterdagmiddag languit voor het BBC-scherm is een weldaad: paardenkoppen, biljartballen, rugbymodder, de witheid van cricket, het groene golfen, wedstrijden schapen drijven onder bloemkoolbewolking en heerlijke Schotse regen. Dat ellendige Vlaamse oorlogje om de kijkcijfers is dan ver weg. Tiens, rond die snookertafels heb ik nog geen enkele vrouw zien verschijnen. Verwondert me eigenlijk niet. Er hangt nog altijd een rokerige cafésfeer rond het biljart. Vrouwen maken elkaar liever af met keiharde aces op de tennisvelden. Snooker zou nochtans een van de weinige sporten kunnen zijn waarin mannen zich met vrouwen kunnen meten, of omgekeerd. Schaken ook. Dat brengt me op een ander dwaalspoor. Waarom zijn er onder de chef-koks zo weinig vrouwen? Iemand opperde dat het met kinderen en gezin en verantwoordelijkheden en taakverdeling thuis te maken heeft. Maar, dacht ik zo, er zijn toch ook talrijke carrièrevrouwen bekend? Niet alleen de bekende clichébeelden van de vrijgezelles-in-mantelpakje die mannen vreten en die echt niet gemist kunnen worden? Nu, dit is een dwaalspoor. Terug naar de masculiene snookertafel: de mannen hebben de ballen. En altijd worden de ouder wordende knarren onverbiddelijk opgevolgd door de jongere turken. Ik herinner me nog ‘The Hurricane’, ofte Alex Higgins: antiheld, enfant terrible. Hij combineerde talent met wangedrag. Na een schorsing lukte zijn comeback niet meer. Hij ondervond te veel zijwind: drank, vrouwen, leeftijd, grilligheid, nukken, tegenvallers. Hij speelde ongemeen vlug, terwijl snooker zich meer afspeelt in slow motion. Ondertussen is hij al meerdere keren opgevolgd en overklast. Maar dat waren nog eens tijden. En gewoonlijk op zaterdagen.  


    22-04-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.11: Paaps of Turks

    LIEVER PAAPS DAN TURKS, LIEVER TURKS DAN PRUISISCH   
     

    (01) Op een valavond in april 2005 werd de oude Duitse kardinaal Ratzinger de 265e paus. De rookontwikkeling van het oubollige kaduke Vaticaankacheltje binnen in de Sixtijnse kapel was zo onverwacht hevig dat de bejaarde kardinalen half groggy ijlings hun stem uitbrachten. Ze hoestten zowat hun roodkapjes van hun kruinen. Door deze haastklus – een regelrecht gevolg van dat kaduke kacheltje – werd de oude Beierse kardinaal Joseph Ratzinger de nieuwe paus. Voorheen was hij immers ook alom gedoodverfd als de grote kanshebber. De kardinalen steunden dus de bookmakers, terwijl ze eigenlijk in de waan waren dat de Heilige Geest (in de gedaante van grijze rook, die noch wit, noch zwart was of dat wilde worden) hun stemgedrag dicteerde. Hun opwelling schreven ze aan hogere machten toe.

    Vrouwen over de hele wereld zaten door deze verkiezing in de rats. Er fladderden wel wat glimlachende nonnen als zwarte vogels over dat St. Pietersplein, maar de rest van de niet-mannen zat met de gebakken peren. Hun reacties spraken boekdelen:

    ‘Het is een Duitser.’

    ‘Het is een Duitser in vrouwenkleren.’

    ‘Het is een zeer oude Duitser in vrouwenkleren.’

    ‘Roodkapje is Sneeuwwitje geworden: oma is dood, de wolf is verjaagd, de dwergen gaan nu zeven jaren lang het bos kappen.’

    ‘U spreekt in raadsels.’

    ‘Hij daar ook. En hij gebruikt er nog een schuilnaam voor.’

    ‘Ja: we zijn er goed mee gezegend!’

    ‘Die draait de klok met één zwier terug naar de tijd van toen ze nog dachten dat de aarde plat was.’

    ‘ … zo plat als een vijg uit de Heilige Schrift.’

    ‘Ja: straks haalt hij Galilei weer uit de kast om die te weerleggen.Let maar op mijn woorden.’

    ‘Diene Duits gaat ook hele continenten decimeren.’

     

     

    (02) In het belang van het onderzoek verzwijgen we hier ook niet de positieve reacties:

    ‘Ja … het is een Beierse Duitser … en dan?’

    ‘Wel eh … ‘

    ‘Het moet toch iemand zijn, hé?’

    ‘Hij was tegen zijn zin lid van die bruine jeugdbeweging, hoor!’

    ‘Het is toch om het even wie Christus op aarde vervangt?’

    ‘De Italianen raken hem al een beetje gewend.’

    ‘Hij spreekt zes talen.’

     

     

    (03) Het deed tevens de ronde dat deze nieuwe oude paus liever boeken had geschreven dan Petrus op te volgen. Maar gedane zaken nemen geen keer: de Heilige Geest, deze vrome kettingroker, had beslist.

     

    (04) Danneels uit Kanegem/Mechelen, gepolst naar een reactie:

    ‘Oef!’

    De Belgische pers, collectief: ‘Eh?’

    ‘Wel: hoe zou u zelf zijn?’

    Begrip alom.

    De Belgische ex-kanshebber was een kathedraaltje van diplomatie.

     

    (05) De Zwitserse Wacht keek neutraal toe. Hun bloedsomloop vormde hun grootste probleem.

     

    (06) Habemus Papoea? Neen. De sluipschutter, in een helikopter van de geheime dienst boven het Vaticaan cirkelend, pakte opgelucht zijn moordtuig weer in: de nieuwe paus was noch zwart, noch latino, noch piloot, noch muzikant, noch jong. Een paar uur later werd hij zelf grondig uit deze materiële wereld verwijderd door diezelfde geheime dienst van Vaticaanstad. Hij werd boven Sicilië in his birthday suit uit de helikopter geduwd. Ten gronde duurde het amper enkele onbewaakte minuten vooraleer hij voorgoed van de aardbodem verdwenen was.

     

    (07) Wat deed Joseph Ratzinger de dag na zijn verkiezing? Hij maakte zich sterk dat zijn beroemde voorganger de grote wereldgeheimen ergens op kattebelletjes had neergekrabbeld en dat hij die in zijn appartement had verborgen. Dus eiste hij twee pauselijke uren voor zich alleen op en ging onder het mom van sanitaire en andere badkamerbehoeften op zoek. Een laatste al te opdringerige pottenkijker wees hij de deur met de opmerking:

    ‘Ik wil voor een tweede keer mijn tranen de vrije loop laten, gun me dat alstublieft.’

    De buit was schaars:

    1. Een woordenboek Pools-Italiaans.
    2. Enkele audio-cd’s om Esperanto te leren.

     

     

    (08) De reisbureaus deden ondertussen gouden zaken. Een flink aantal roodkapjes (sommigen onder hen zwaar ontgoocheld) boekten hun terugreis. Alleen de gegadigden voor de Curie bleven in Rome hangen. De vele Polen deden aan carpooling. In deze rangen vielen een behoorlijk aantal naakte ontslagen te noteren. Omgekeerd kwam dan weer vanuit Duitsland, zegge en schrijve Beieren, een kleine blitzkrieg tot stand: Benedictus XVI zou wel hulp kunnen gebruiken zeker?

     

     

    (09) De educatieve uitgevers in Gutenberg-Duitsland wreven zich in de handen: de Duitse schoolboeken Gewijde Geschiedenis en Wereldoriëntatie konden nu massaal aangepast en herdrukt worden. (PS: een wijze les voor de Japanners, die in hun eigen leerboeken hun bedenkelijke historische gedrag hadden verdoezeld! De Chinezen, die in dat verband met een zwaar probleem zaten, kregen hier steun uit onverwachte hoek.) Andere Europese uitgevers hoorden ook plotseling de kassa’s rinkelen.

     

    (10) Een 26-jarige vrouw uit Oostenrijk werd het slachtoffer van een vreselijk toeval. Haar leven nam plotseling, om zo te zeggen, een andere wending. Ze werd zelfs een BO. Kranten en magazines bestookten haar met journalisten en fotografen. Ze werd betaald voor interviews. Geen spaander van haar privé-leven werd heel gelaten. Haar naam: Benedicte Ratzinger. Geen familie. Anderhalve maand na de pausverkiezing liet ze haar naam veranderen in Gitte Retsin. De rust in haar leven keerde gedeeltelijk weer.

     

    (11) Exact een jaar na de dodelijke vloedgolf in Azië deed zich in Vaticaanstad een tsunami van vurige tongen voor. De Ratz bleef er ook in. Rookontwikkeling vormde de belangrijkste doodsoorzaak bij de 458 slachtoffers. Een omgevallen kaars in een wachthokje van de Zwitserse Wacht zou de brand hebben aangestoken. ‘Zou’, want ondanks een zee van licht tastte men eigenlijk in het duister. 

     

    (12) A.D. 2007 werd door de vrouwen overal ter wereld een pausin verkozen. Condoleezza Rice, nu luisterend naar de naam Barbara Johanna I, nam haar intrek in het voormalige gerestaureerde gerechtsgebouw van Phoenix, Arizona. Een gevolg hiervan was dat het oude schisma tussen orthodoxen en rooms-katholieken weer oplaaide, én er liep een nieuwe stevige breuklijn door de kerk, als een permanente rilling over de ruggengraat: de masculiene kerk wilde helemaal niets te maken hebben met de feminiene kerk. Nieuwerwetse profeten voorspelden zelfs voor de nabije toekomst een derde wereldoorlog: die zou tussen mannen en vrouwen gevoerd worden, en geleid worden vanuit de twee Vaticaansteden Rome en Phoenix.

    Maar eerst moest Rome nog uit zijn as herrijzen, als een feniks.

     

    (13) We volgen alles met argusogen. God sta ons bij.        


    21-04-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.10: Tijd zat

    TIJD ZAT            

     

    ‘De tijden veranderen’. ‘De tijd staat niet stil’. Hela, een minuutje. Er verandert helemaal niks aan de tijd. Alleen prutst er soms eens een paus of een keizer aan de kalenders en de jaartelling. Da’s alles. Voor de rest ligt het aan ons. Tijd tikt niet. Het is het hart dat slaat. Het zijn gewoon de mensen die veranderen, zeg maar: verouderen. Dat begint al als kind. Met nieuwjaar zegt je poedersuikertante dan tegen je: ‘Wat ben je groot geworden, zeg’. Of: ‘Wat ben je gegroeid’. Ja, je kunt eigenlijk moeilijk kleiner worden, of jonger. Jammer. Maar zoveel is zeker: de tijd van nu is de tijd van toen en van straks. Wat er wel verandert, gebeurt door de ingrepen van de mensen: levensomstandigheden, kuren, pillen om niet te sterven, remedies, therapieën, opinies, regeringen, de hele reutemeteut kortom. Om de tijd te kunnen meten en er de baas over te spelen, hakken we die in mootjes, zodat we een menselijk overzicht blijven behouden: eeuwen, jaren, maanden, dagen, secondes. Maar de ruimte verandert wel, onder onze invloed. Of vanuit ons gezichtspunt. Een Chinees schoolkind leert zijn geschiedenis vanuit een ander standpunt dan het onze. (Toen ze daar al hoogontwikkeld waren, knuppelden ze hier elkaar met knotsen dood). Een middeleeuwse dorper zou nooit kunnen denken hebben dat de lucht die hij inademde ooit een probleem zou worden. De mens heeft alsmaar versnellingen aangebracht in de wereld: het vuur (rapper warm, rapper gaar, rapper veilig), het wiel (rapper vooruit), de trap (rapper naar omhoog), het geweer (rapper dood), de boekdrukkunst (rapper nieuws), de chip (rapper communicatie), de VLD (minder belastingen). Sommige zaken zijn ‘van alle tijden’, zoals ze zeggen. De rest is pretentie. Het is pretentieus een horloge om je pols te binden en zodoende te denken dat je de tijd aan banden kunt leggen. Resultaat: ‘Ik heb geen tijd (meer)’ – ‘Het is te laat’. Welaan dan. Kome het winteruur, het zomeruur. De enige zekerheid hierbij is: licht en donker. Daartussen: leven. Tussen geboorteschreeuw en doodsreutel situeren zich het lawaai, het wapengekletter, de facturen, de zandstormen. Veranderingen, ingrepen. Maar voor de rest blijft er riet groeien langsheen de Nijl, de Tigris en de Eufraat. Soms drijft er een mandje in, bemand door een baby: Mozes. Soms verdwaalt er een afgeschoten piloot in. Nee, de tijd tikt niet. Het is het hart dat slaat, die verdomde tikker. Tijd is alleen maar uitgevonden om te beletten dat alles tegelijkertijd gebeurt. Time? Time is never on our side. 


    20-04-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.09: Chief-Inspector

    CHIEF-INSPECTOR      

     

    Morse, Dalziel, Frost: de mannen die, gewoonlijk op een Canvaszaterdagavond, soms op maandagavond, me anderhalf uur lang horizontaal in mijn zeer antieke oud-Engelse sofa kunnen houden. Gelukkig hebben we dat nog, in tijden waar de kijkbuis vooral treurbuis is geworden. Deze chief-inspectors lossen in de fictieve tijd van ongeveer negentig minuten ’s mensen wandaden op. Gerechtigheid geschiedt omstreeks kwart voor elf, maar zelf komen ze er vaak geblutst en gebuild uit. Het zijn alledrie knorrige, very English, drank- of eetzuchtige detectives bij wie blijkbaar ook geen enkele vrouw van het andere geslacht het ziet zitten. Daar zit dus wat in. Met doetjes, watjes en brave zielen bouw je nu eenmaal geen thriller. De misdaad is de beste leerschool om de menselijke ziel te leren kennen. De ziel bevindt zich in de linkeroorlel, dat schiereilandje kippenvel vlak boven de linkerschouder. Sommige mensen hebben geen oorlellen. Anderen perforeren ze of smukken ze op met allerlei prikkelends of hangends. En de meeste mensen hebben lelijke oren. Twee, in de meeste gevallen. Maar terug naar Oxford, Cornwall, Denton. Er is ook nog detective Barnaby. Die oogt menselijker en vriendelijker. Saaier dus. Zijn enige nadeel blijkt er in te bestaan dat hij telkens weer op huiselijke momenten zijn vrouw en dochter in de steek moet laten. Hij glimlacht vaak (de andere drie grimlachen), hij vergezelt vrouw en dochter bij sociaal gedoe, hij praat normaal. Alleen zijn jonge kompaan, een eikel, krijgt af en toe een sneer, maar die trapt dan ook voortdurend open deuren in. Nou, met mijn vier chief-inspectors heb ik al interessante avonden beleefd. De rest mogen ze hebben. En houden. Gelukkig is er geen kijk- en luistergeld meer. Ik betaalde niet graag voor al die randdebiele vertoningen op teevee. Het was dus een ietsepietsie minder erg toen die aartslelijke smoelentrekker Marcel Vanthilt rond nieuwjaar weer met zijn wenkbrauwend aangelaat op het scherm verscheen en overspannen glunderend als een breedsmoelkikker aankondigde: ‘Hier zijn we weer’. Of de zelfverklaarde slimmerik Marc Reynebeau die nu overal ten tonele wordt gevoerd als tegenwicht voor … nou, hij krijgt dus eindelijk zijn praatshowtje. Maar ik dwaal weer af, driftkikker die ik ben. Ik had het over detectives en misdaad. Misdaad loont. Terwijl ik namelijk naar Morse, Frost of Dalziel kijk, word ik ondertussen niet vergiftigd en op stang gejaagd door allerlei bête teevee-ego’s en dwaze programma’s of ‘formats’, zoals ze dat nu noemen. Laat ù graag bepalen hoe uw avond er uit zal zien? Ik niet.


    19-04-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.08: Dop

    DOP                

     

    Tegen gevels, palen, middenbermen, stenen muurtjes en hekkens aangeleund, zie je overal te lande eenzame wieldoppen staan. Ooit vormden zij een onderdeel van een groter geheel. Het zijn er waarschijnlijk nog meer dan de in de steek gelaten vakantiehonden, en zij zijn onopzettelijk achtergelaten. Ze zijn afgelopen, uit de bocht gegaan, weggekatapulteerd of geslachtofferd tegen trottoirbanden na parkeergewrik. Ik ken een wieldoppenverzamelaar die ermee gestopt is wegens te veel. Hij dateerde en nummerde de verweesde wieldoppen waar hij zich over ontfermde, maar het was niet meer bij te houden. Hij had er ook de ruimte niet meer voor; zijn nederige woning begon op een autokerkhof zonder auto’s te gelijken. Eigenlijk was hij aanvankelijk van plan er een gigantisch kunstwerk mee te construeren. Na beelden van alweer een serie weekendongevallen liet hij dat plan varen. Hij heeft zijn collectie wieldoppen verkocht aan de vereniging Anno 05. Die wenden de dingen nu aan als schilden voor de reconstructie van de Guldensporenslag, een van de vele gewapende burenruzies uit die tijd. Het is nu de Opels en de Volvo’s tegen de Peugots en de Renaults. Vlaanderen leeft! Vlaanderen beeft! Vlaanderen dopt! Vlaanderen freewheelt! Vlaanderen spaanderen! klinkt het nu op de zompige zomerweide. Zelf blijf ik ook gefascineerd door dergelijke doelloos rondzwervende voorwerpen in het landschap. Ze hebben iets esthetisch-industrieels, net als een pylonenlandschap langsheen de autostrade of een batterij hijskranen als je een haven nadert. Het is ook een voorwerpje waarvan je er niet graag eentje mist, omdat de symmetrie en het evenwicht van tweemaal twee dan verstoord wordt. Vooral bij een eerder nieuwe auto veroorzaakt het verlies van een wieldop scherpe pijn. Soms ontdek je dat verlies maar veel later. Als ik u was, ging ik nu toch maar even controleren in uw garage of ze er nog wel alle vier op zitten. Als dat zo is, hoeft u ze niet per se op te poetsen; morgen kan er zo eentje sneuvelen in het drukke fileverkeer van de eenentwintigste eeuw. Ze zijn echter vlot te koop in de wieldoppenwinkels. Nog enkele uitdrukkingen om te besluiten: zijn auto van dop tot teen controleren, de nagel op de dop slaan, vier wieldoppen zijn nog geen Saab. Vanwege uw autotoerist.


    18-04-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.07: Eet God vet?

    EET GOD VET?                    

     

    ‘Mag ik vijf van die kippenboutjes op een pen alstublieft.’ ‘Is het om mee te nemen?’ ‘Nee, ik eet die hier op. En ook nog een cola graag.’ ‘Zijt u geïnteresseerd in theologie, meneer?’ ‘Pardon?’ Ik had de frietbaas niet goed verstaan door al dat gesis van vet. ‘Theologie, of u geïnteresseerd zijt.’ ‘Eigenlijk niet,’ antwoordde ik verbaasd en hongerig. ‘Dat is mijn compartiment niet. Ik heb honger.’ Potverhippeltjes, zo’n prachtige frietkathedraal met zo’n onderdeurtje erin. Ik bekeek hem scherper. Hij was niet kleiner dan een pygmee. Hij duwde op de knoppen van een van de drie magnetrons die voor hem uit torenden en mikte er ergens de kippenboutjes in. Het leven op aarde was duidelijk al flink geautomatiseerd. ‘Voila, uw cola. Wat vindt u daarvan: iedere professor theologie belijdt toch zijn eigen geloof? Hoe kunnen ze dan in ’s hemelsnaam subjectief …, eh, objectief oordelen?’ ‘Potverdorie,’ dacht ik. Het kwam uit de grond van mijn hart. En ik sprak: ‘Ik zou dat niet weten, verdorie.’ ‘Ik ga binnenkort een cursus theologie volgen,’ vervolgde de man. Ik sleurde verwoed aan het treklipje van mijn koele cola en zette de pul aan mijn mond. Mijn borst en mijn tenen stroomden vol met iets ijzigs. ‘Ah ja?’ ‘Ja, niet voor de poes, hoor. Soms komt er hier een jonge kerel friet kopen. Die gaat er in oktober ook aan beginnen, maar hij weet niet wat hij doet.’ ‘O nee?’ ‘Nee, te jong. Ik ben er vijfenveertig. Ik kan met leven en dood omgaan.’ ‘Tja, ik ben er eenenvijftig, en ik rammel van de honger.’ Mompelend voegde ik daar aan toe: ‘Ik wist niet dat heiligen ook frieten eten.’ ‘Hoeveel mensen op deze wereld zouden er echt gelukkig zijn?’ vroeg de kerel me nu uitdrukkelijk. ‘Servet?’ ‘Ja, merci, dat ik het begot niet zou weten.’ Ping-ping! Mijn kippenonderdelen waren klaar. Ik ruilde wat geld voor wat vlees. ‘Voilà, meneer, smakelijk. Merci.’ Ik zette mijn tanden in het pluimvee en schudde de vleespen even heen en weer, zoals een krokodil met haar buit doet. ‘Alle godsdiensten zijn eigenlijk een en dezelfde,’ zei de frietbaas, ‘het huis van Maria bijvoorbeeld bevindt zich in Turkije. Weinigen weten dat.’ Ik knikte, at en dronk. ‘Er zou minder oorlog zijn mochten ze dat weten.’ Ik werkte vreugdeloos de boutjes naar binnen en stuurde er een hinkstapslok cola achter aan. Ook dat was weer volbracht: het voeden, het drenken van het lijf. Gelukkig bedreef niet iedereen theologie, anders zouden er geen frietketen meer zijn. Dus zei ik dankbaar: ‘Zo.’ Voldaan mikte ik de pul, het servet, de pen en het kartonnen bord in de vuilnisbak. Een mens maakt altijd meer afval dan hij aangekocht heeft. ‘Theologie?’ vroeg ik, me omdraaiend. Een opwelling van begrip, na voedertijd. De man was onzichtbaar geworden. Een mirakel. ‘Goeienavond,’ zei ik tegen niemand. Een walm van frietvet en heiligheid woei met me mee in de stille avond. 


    17-04-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.06: Bring in the kloons

    BRING IN THE KLOONS    

     

    Zouden er, pakweg in de Middeleeuwen, of in de Grieks-Romeinse tijd bijvoorbeeld, mensen geweest zijn met een identiek gezicht als het onze, het uwe, het jouwe, het mijne, het hare, het zijne? De schepper van hemel en aarde kan toch niet altijd opnieuw verse modellen uitvinden en ovenwarme nieuwe smoeltjes kneden die dan ook nog eens naar zijn evenbeeld zijn geschapen? Zo ben ik misschien ook een veldrijder: iemand had mij ooit op een grijze zondag in de duinen van Koksijde zien veldrijden, terwijl ik eigenlijk gewoon thuis zondags lag te zijn, lezend in James Joyce’s Ulysses. Die zandfietser droeg allicht hetzelfde gelaat voor zich uit als mijn mombakkes. Het dubbelgangerschap slaat veelvuldig toe. Ook dubbelgangsters komen vaak voor. Een tweelingendag is nog niet lang achter de rug. Zou koningin Fabiola een dubbelgangster hebben? Of gehad hebben, in de Middeleeuwen bijvoorbeeld? Ook zo’n antieke dame met gebeeldhouwd kapsel, groot genoeg om getroffen te worden door een verdwaalde vogel die er, dagenlang beduusd, dan toch maar in blijft wonen omwille van de ruimte? Doen spiegelbeelden van Hitler, Stalin, Nero, Bush en Vanderpoorten iets aan hun aangelaat? Is het een voordeel een bakkes als Brad Pitt te hebben of is dat maar bad pritt die slecht kleeft en te lang blijft plakken als het niet wenselijk is? Was ik lang geleden een Arabier of doodgewoon een Vlaams streekbier? Een Londense inbreker liet ooit zijn gigantische zeiloren afzetten en vervangen door kleinere oortjes, besteld en uitgevoerd op de afdeling plastische chirurgie. De politie vatte hem namelijk telkens te vlug bij de lurven, ook al oefende hij zijn beroep uit met een kous over zijn kop. Wee echter zijn nageslacht. En o ja: Dolly is dood. Geschrokken van haar spiegelbeeld haalde ze zich het pleuris op haar hals. Arm schaap. Wol wil wandelen, nietwaar. Bijvoorbeeld naar het schapenhiernamaals. À propos: op de BBC toonden ze de reconstructie van Jezus Christus’ gezicht. Echt wel een migrant hoor, als je ’t met onze ogen bekijkt. Hij kreeg trouwens ook geen asiel in de herberg toen hij geboren was. En wat te denken van mensen die op hun huisdier gaan gelijken? Mijn poedersuikertante heeft een goudvis. Ikzelf hielp jarenlang een kieken kweken: Patricia. En soms hebben wij een groene puit aan ons watertje: Bernard Massard. Als ik echter zelf al op een beest wil gelijken, dan het liefst op een of andere vertegenwoordiger van de Houyhnmhnms: de paarden uit Gullivers Reizen die knapper zijn dan de mensen. Ik hoor ook veel liever gehinnik dan interviews met politici. En gekwaak van Hemmerechts en Brusselmans zap ik alleszins als de vliegende spetter weg. Da-ag. 


    16-04-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.05: VV's

    VV’s              

    In een tijdspanne van zes maanden laten inwoners uit Tokio driehonderdduizend paraplu’s ergens achter. Blijkbaar is een paraplu voor een Japanner waardeloos. In een stadje in Alabama verkoopt een firma de duizenden verloren voorwerpen die in vliegtuigen teruggevonden werden, maar nooit opgehaald door hun eigenaar. Volgens een vindkundige is een voorwerp nooit verloren, alleen een tijdlang ‘uit het zicht’ van de bezitter, ‘niet meer in de bekende leefomgeving’. Het schijnt daarenboven dat zo’n VV nooit echt ver weg is, al heb ik daar persoonlijk mijn bedenkingen bij, want ooit liet mijn dochter een peperduur fotoapparaat in de prachtstad Praag achter, ver weg dus. En mijn eigen gouden aansteker uit de tijd dat ik nog rook in mijn longen zoog, is zeker weten ergens in het wonderschone Italië aan te treffen. Ook in Las Vegas stapelen zich, in de hotels, de Verloren Voorwerpen op. (Natuurlijk ook veelvoudig in de casino’s: zuurverdiende centen). Het grappige ginder is dat veel van die dingen nooit meer geclaimd worden, want het blijkt dat nogal wat mensen incognito en zonder medeweten van hun partner het gokstadje een bezoek brengen. Wat niet weet, wat niet deert. Tot in de jaren dertig van de vorige eeuw verschenen er in bepaalde magazines nog lijsten met namen van Missing Persons uit de Eerste Wereldoorlog. Het is niet voor niets dat de meest aangesproken heilige, Antonius is. Hij is bijzonder populair. Zelf heeft hij ook veel van zijn hoofdhaar verloren. Nog BVV’s (Bekende Verloren Voorwerpen): de Graal, de doornenkroon van Jezus Christus, een stuk van het Lam Gods, de Stenen Tafelen, de Ark des Verbonds, het Nazigoud, het Paard van Troje, Osama bin Laden en vele Sabenamiljarden. Ook de kruisvaarders probeerden via de herovering van het Heilig Land een voorwerp terug te bemachtigen: een stuk van het Heilig Kruis. Zo wilden ze vergiffenis bekomen voor hun vele zonden. Dat was ze beloofd. (En zondigen hadden ze gedaan, lees er maar de biografie van Richard Leeuwenhart op na!) Er zijn ook Bekende Gevonden Voorwerpen: de Rollen van de Dode Zee, het dagboek van Anne Frank en ongeveer alles wat van onder het zand in Egypte komt. Maar naar de officiële wereldwonderen (een stuk of zeven) moet u niet meer uitkijken. De meeste hebben hun tijd gehad. Jammer dat niet meer teeveeBV’s gewoon VV’s worden, zodat we van hun Bekende Bekendheid verlost zijn. Zo doet het de ronde dat Luc Steeno een verkoudheid heeft, maar dat hij zijn zakdoek niet meer vindt. Waar gaat dat toch allemaal eindigen?!


    15-04-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.04: Marjetje Sovjetje

    MARJETJE SOVJETJE  

     

    Na de stoutekinderenworp (december), driekoningenpesten(januari) en de kerstboomverbranding (januari) is ook alweer de paaseierensmelting achter de rug, ideale gelegenheid om kinderen te pesten. En de 1- meiviering komt eraan. De tijd gaat vlug; tijd is geld. Ik heb tijdens deze periode van gezellige voorjaarsstormen en preluderend gedoe omtrent de voorjaarsklassiekers ook weer Vrouwtje Miserie gezien. Gekromd als een vraagteken sjokte ze door het woud van Torhouthulst, terwijl een storm ongenadig de boomkruinen ranselde en dikke gevorkte takken door het zwerk zwierde. Zelf zeulde ze een grote bos hout op haar rug mee. De boze wind rukte aan haar zwarte Hongaarse hoofddoek, waaronder ze een klein rood Russisch mutsje droeg. Haar echte naam was eigenlijk Marjetje Sovjetje. Ze was altijd al een soort Oostblokroodkapje in het Houtland geweest. Marjetje Sovjetje begon haar carrière als majoretje met kruidnagelbruine krullen, witte laarsjes en gespierde zonnebankbenen. 1 mei was elk jaar weer een hoogdag voor haar. Dan gooide ze telkens weer haar stokje in de lucht, dat ze daarna telkens ook weer opving. Daarna werd ze militant turnverenigster, waarbij ze vaak zichzelf de lucht in buitelde of over het asfalt koprolde. 1 mei bleef een hoogdag voor haar. Vervolgens (na een conflict met een turnzak) werd ze studentenactiviste, gestraalde studente, bisstudente, studente-af, vakbondster, stakingsleidster. Ze ijverde voor gratis busvervoer in de stad, lagere parkeertarieven en allerlei van dat rood fraais. Zo verzette ze zich ook hevig tegen de priorpostzegels en de fiscale amnestie. Even was ze getrouwd met Bismarck, die eigenlijk Marc heette, soms ook bijgenaamd Kortemark, omdat hij uit Kortemark kwam en niet zo groot was. Marc had al zijn jaren aan de universiteit tweemaal gedaan, om het goed te kunnen. Vandaar ook: Bismarck. Dat huwelijksbootje strandde echter, door interne politieke geschillen en vreselijke badscènes. Marjetje Sovjetje, ijverend om alles wat openbaar was gratis te maken,  werd op 1 mei van vorig jaar door zo’n gratis bus overreden, ergens in het kreupel-Houtland godbetert. Marjetje Sovjetje, een republiekje op zichzelf, vond totaal verhakkeld de dood. Inmiddels is haar de Stevaert-medaille postuum toegekend. Op die zilveren medaille staan een duim en een wijsvinger die over elkaar wrijven: het geluidloze strijkorkestje van de arme. Door dit gebaar is een schuine streep getrokken. De medaille werd overhandigd aan haar ex Bismarck, alias Kortemark, bij gebrek aan familie, want de Sovjetjes waren allemaal al uitgestorven. Nee, Marjetje Sovjetje zal 1 mei 2005 niet halen. Dat was nochtans eens een leeuwin!


    14-04-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.03: Paus

    PAUS              

     

    Net toen ik met mijn motorboot Kaap De Goede Hoop aan het ronden was, kwam de oudste paus ter wereld mij ook tegemoet, vanuit omgekeerde richting, ook welvarend. ‘Dag meneer de paus’, begroette ik hem hartelijk doch beleefd. Hij lichtte even zijn pauspetje op. Dat was witter dan wit, want hij was met vakantie en hij gebruikte ook dat bepaald soort waspoeder. Hij lichtte dus, om kort te vertellen, zijn verblindend witte petje op en sprak in een soort van latijnachtig Pools tot mij: ‘Dag Bjarne. Hoe vaart gij heden?’ ‘Ik vaar wel ende leef schoon, o paus’, wedervoer ik. ‘En ik dank u om deze vraag tot mij te richten’. We legden onze motoren even het zwijgen op. ‘En gij, o opperste der kerkheren?’ verstoutte ik me op mijn beurt te vragen. ‘Ik moet er even uit, Donderdag. Ik … ‘. ‘Zeg maar Bjarne, Johannes-Paulus’. ‘Eh … ik moet er even uit, Bjarne. Suid-Afrika leek me zo … zo apart’. ‘Inderdaad, een mooi landje, voorwaar. En het bengelt zo gezellig onderaan het Zwarte Continent, waar wellicht de beenderen der eerste mensachtigen zijn aangetroffen. Een goede keuze, kerkvader’. ‘Ach, ik heb me weer door de rook laten leiden. Bij de laatste barbecue in Vaticaanstad merkte ik dat de witte rook boven de witte pensen die richting uit dreef. Dat gaf de doorslag. Toen dacht ik: ‘Daarnaartoe, paapje’. ‘En dan nog wel met de boot, Heilige Vader?’ ‘Precies. Ik kan niet achterblijven bij de sint, nietwaar. Of bij de bootvluchtelingen. Ik was ook het pausmobiel wat beu. Te warm achter dat glas. Onvoldoende vering. Overal klamme hand- en tongafdrukken. Nee, mijn motorboot is mijn vrijheid’. ‘Idem wat mij betreft,’ beaamde ik, ‘allez, ik bedoel: alleen de boot hé, Johannes-Paulus’. ‘Zeg maar Jean-Pol’. ‘Jean-Pol’. De paus lichtte zijn vakantiepetje andermaal even op en veegde er zich het zweet van zijn voorhoofd mee. Daarna mikte hij het weer op zijn schedel. ‘Ik heb nog een boodschap voor uw Belgische lotgenoten’, sprak hij dan. ‘Deze woonachtigen in dat druilerige driehoekje’. ‘Landgenoten, niet lotgenoten, o baas der bisschoppen en keizer aller kanunniken’, verbeterde ik hem. ‘Maar dat is hetzelfde’, antwoordde de paus met een beslistheid in zijn stem die me toch even deed opkijken. ‘Dewelke is uw boodschap?’ waagde ik het te vragen. De Heilige Vader pakte zijn staf beet en met de krul ervan manoeuvreerde hij nonchalant een handgreep naar omlaag. Met een brul schoot de motor op gang. ‘Bedank uw landgenoten voor de bloemen!’ riep de kerkvorst dan. ‘Maar laat het een volgende keer eens geen tulpen zijn! Verras me!’ En hij stoof weg in Urbi & Orbi, zijn wit-gele motorboot, om Kaap De Goede Hoop heen, een spoor van schuim nalatend. Als van de hand Gods geslagen bleef ik ter plekke achter. Wat een paus!


    13-04-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.02: De Hee en de Haa

    DE HEE EN DE HAA                 

     

    Hoedenavond, provinciegenoten uit mijn lage streek in West-Vlaanderen. Heeft u al gehoord van de haa-naar-omhoog en de hee-naar-beneden? De gele dag al spookt die vraag door mijn hoofd. ‘Ja maar:moet het nu met een haa-naar-omhoog of schrijf ik het met een hee-naar-beneden? (ofte: omlaag). Ik lach me te pletter bij dergelijke kwesties. Het slachtoffer herstelt zich dan, maar vervalt alweer in een ander euvel: al zijn haa-naar-omhoogs worden plotseling diep in de keel halfzacht in de boter gewenteld, en al zijn hee-naar-omlaags (ofte: benedens) worden in overdadig geschraap geflambeerd. Hij begint dan plotseling als een Hollander te spreken die te veel Dixmuudsche boerenboter op zijn kop heeft. Is me dat toch een alomtegenwoordig griepje! Nu, erg is het niet: er bestaan remedies tegen. Frans spreken bijvoorbeeld. Of Engels. Of niet spreken. En de Antwerpenaren, Oost-Vlamingen, Limbo’s en Brabanders hebben ook hun afschuwelijkheden. Die zijn dan nog gewoonlijk in de waan dat ze officieel Nederlands babbelen. Ze gebben heen helijk!! Het West-Vlaams is het ‘verste’, het ‘oudste’ en het ‘waterachtigste’ dialect. Het scheelde verdorie geen haar of het werd de voertaal, toen Brugge economisch hoogtij vierde. Jammer dat de haven van Brugge verzandde: het zand verzwond, het zwin verzandde. Misschien komt het door deze aanslibbing dat ook de hee’s en de haa’s een heel apart wildwestelijk leven zijn gaan leiden. Maar de laatste jaren boert Brugge-aan-de-Zee verre van slecht. Er is weer hoop voor de hasj en de zjee. Heert Goste moet zich vooralsnog heen zorgen maken. Het West-Vlaams ligt tamelijk goed in de markt: vette e’s die als drassige weiden met een huigplof word’n afgeslot’n, zodat ze niet uit hun omheining ontsnappen, sk’tjes die klinken als het klappen van zwepen en lasso’s van ondernemende cowboys, o’s die als donkere modder in een betonmolen hun rondjes baggeren. O ja, begrijp me niet verkeerd: ik hoor heel graag mijn dialect. Niemand als wij kan de haa’s naar omhoog doen gaan en de hee’s naar beneden. We maken er soms ook een tekeningetje bij: een haastige luchtkrabbel die op een zwijnenstaart gelijkt.


    12-04-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.01: Handen omhoog !

    HANDEN OMHOOG !                     

     

    Geld bestaat niet. Het is uit de lucht gegrepen. Iedereen ontkent het bestaan ervan. Zo worden bij elke overval de handen symbolisch omhoog geheven. Overal ter wereld. Geld heeft wel een kleur: die van de spijt waarmee afgedokt en de gretigheid waarmee ontvangen wordt. Slijmgroen dus, en gespikkeld. Geld wil altijd het huis uit. Overal langs de weg staan vriendelijke wisselagenten. Ze wrijven zich in de handen en tuiten hun lippen. Hun gelach wordt door anderen betaald. Dieren hebben geen geld. Geld onderscheidt de mens van het dier en de onmens van de mens. Daarom ook kunnen baby’s geen dieren worden genoemd: van soms in de baarmoeder al hebben ze een spaarrekeningetje. Is geld dus belangrijk? Ja hoor, anders ben je een beest. Geld moet circuleren zoals op de renbaan of de achtbaan. Geld zou vlugger de ronde moeten doen. Iedereen wil het aan zijn neus voorbij zien gaan. Vroeger blonk alles. Wie geld had, bleef geld hebben. Wie er geen had, kon er aan geen geraken. Nu is er overal beweeglijkheid. Piepjonge ondernemers in te ruime apenpakjes in te grote fauteuils zitten zelden stil. Geld zweeft tussen hart en kont, zoals de doodskist van Mohammed tussen hemel en aarde. Geld plant zichzelf voort, in dezelfde families. Niet erg gezond is dat. Je krijgt er ezeloren van, en een zeer wazige blik. Geld is dubbelzinnig. ‘Iets aan te geven?’ vroeg de douanier aan de zondagsschilder op terugreis van een buitenlandje. ‘Iets van onschatbare waarde,’ antwoordde de schilder. Prompt werd het wagentje van de arme konterfeiter naar de pechstrook geloodst. Neem nu Van Gogh, de beste langetermijnbelegger aller tijden: vrijwel de enige Hollander voor wie geld geen rol speelde. Of een zeer kwalijke. Geld: het stinkt als de ziekte, het schiet vormloos over, het is bezinksel, men glijdt erin uit, men struikelt erover, het heeft de kleuren van vallen en pijn, men verzinkt en verzuipt erin: geld is het slijk der aarde. Alleen de varkens wroeten erin rond. Geld verricht ook een mirakel. Het zendt mensen door simpele handoplegging wandelen: de gouden handdruk. Geld groeit, en herkent op den duur zichzelf niet meer. Als het heel groot is geworden, krijgt het koorts: het wil meer en andere gelden om te genezen en te groeien. Of het valt uiteen in brokstukken om verder op kleine schaal zacht ziek te zijn. Dan herkent het zichzelf weer. Op je tellen passen, maat! Voor je het beseft, ben je uitgeteld.




                                                  COPYRIGHT JORIS DENOO
    ZIELSVERWANTE LINKS
  • Een blauwe plek
  • Verhalen
  • Meester in de Vakken
  • Plankenkoorts
  • Poëzie
  • Romans
  • Moord!
  • Romans & Theater
  • Vreselijke verhalen
  • Miljarden flarden

    Blog als favoriet !

    Foto

    Foto

    Sjors DNO eind vorige eeuw in een sneeuwstorm in Chicago


    Mail

    Druk op de knop


    Archief per jaar
  • 2019
  • 2018
  • 2017
  • 2016
  • 2015
  • 2014
  • 2013
  • 2012
  • 2011
  • 2010
  • 2009
  • 2008
  • 2007
  • 2006
  • 2005

    Foto

    Foto

    Foto

                       IK ALS UK
    Foto

    Me reading HARDZIEK, romandebuut Sarah Denoo

    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!