Bijna nergens nog kun je korte verhalen lezen. Alleen maar in obscure, weinig verspreide literaire tijdschriften die niet bij de dokter of de tandarts liggen. Dat is jammer. In Engeland en Amerika geven ze wel short stories uit. Hier niet. Niet meer. Uitgevers zeggen daarover: ‘Het verkoopt niet. Je moet eerst naambekendheid hebben, hoe dan ook, en dan pas wagen we ons aan een collectie korte verhalen’. De uitgevers hebben het genre van de korte verhalen doodgemaakt. De tijdschriften niet, maar wie kent die? Wie leest die? Zevenendertig man en een paardenkop. Alleen de mensen die er zelf in publiceren. Nee, het gaat niet over de Libelle of Knack en zo, want die doen dat al lang niet meer. Het gaat over onbekende literaire bladen: Deus ex Machina, De Brakke Hond, Gierik, Hollands Maandblad, … Dat is allemaal jammer, want korte verhalen zouden dé literaire consumptie van deze tijden kunnen zijn. Kranten hebben daar evenmin nog plaats voor. En over gedichten zullen we het maar helemaal niet hebben; da’s nog erger. Alleen sporadisch wordt ergens eens zo’n gedicht opgeduikeld, gewoonlijk ter gelegenheid van een of andere rare dag: Gedichtendag, Valentijn, Watougedoe of als iemand dood moet gaan of geboren worden. En, ja: naambekendheid, verhippeltjes, wat is dat? Op tv komen in zo’n stomme show? Iemand koud maken en in het gevang vliegen? Het wereldrecord kikkers opblazen verbeteren? En pas daarna de wereld met je korte verhalen kunnen verblijden en verontrusten? Populisme! Ik haat de millenniumcultuur uit de grond van mijn hart. De politiek van de cafébazen en de letterkunde van de beenhouwers. Daarom, onder andere. Om al dat extra-literaire gedoe. De literatuur is naar de knoppen. De literatuur wordt heden ten dage gedicteerd door uitgevers met puur commerciële bedoelingen. Eender welke BV kan momenteel zijn boekje wel kwijt. En de ‘serieuze’ literatuur wordt dan weer gedirigeerd door een klein kliekje zichzelf subsidiërende would-be-professoren die eigenlijk voor prof geleerd hadden maar het niet echt zijn geworden. Dus vinden ze postjes uit voor elkaar – en schrijven ze alleen maar voor elkaar. Ze manoeuvreren jarenlang om dat zo voor elkaar te krijgen, de droogstoppels. Liefde voor de letteren? Vergeet het maar. Je wordt al scheef bekeken als je een normale zin bouwt. Maar ik kan u wel een bloemlezing van hun spel- en taalfouten in al hun teksten en statuten en brieven bezorgen: geen short story, niet kort-kort, maar lang. Jarenlang. De republiek der letteren wordt geregeerd door stuntels met pretentie en tafelspringers met een grote bek. Slager blijf bij uw kapblok.
26-08-2005
76: Oud & Stief
OUDGEDIENDEN & STIEFZUSJES
Het Nederlands kent misschien wel enkele miljoenen woorden. We gebruiken er doorgaans niet zo veel van. Als we er gebruiken, zijn het vaak dezelfde. Dan worden die woorden dat ook wel eens moe. U kent metaalmoeheid, sleet, ouderdom. In woorden kan dus ook de mot zitten. Oudgedienden: zaken die zo vaak gezegd worden dat ze moe zijn. Een beknopte bloemlezing. Laten we de rivier volgen. We snijden ze de pas af. De warmte zit binnen. De tijd staat niet stil. Ze kunnen nu al veel. Er hangt een prijskaartje aan. We moeten er eens uit zijn. Wit is altijd schoon. Wij zijn niet boos, wij zijn woest. De kleine man is weer de dupe. Alle aanwezigen gingen tevreden huiswaarts. De afwezigen hadden ongelijk. De bal is rond. Voetbal is oorlog. De kinderen zijn weer het slachtoffer. Het wordt een hete herfst. De politie staat voor een raadsel. De horeca klaagt steen en been. De terrasjes lokten vele dagjesmensen. Hij heeft niet afgezien. We moeten bij onszelf beginnen. Ik zal je nog wel eens bellen. We kunnen er weer tegen. We hebben maar dat. Ik ga er eens een nachtje over slapen. Dat blijft onder ons, hé. Het is weer te geweldig. Het zal het niet houden. Hela, ze groeien hier niet. Zeg nooit ‘nooit’. Nooit. Ik ben de tolk der aanwezigen. Ik wil hier graag van de gelegenheid gebruik maken. Stiefzusjes: zaken die gemixt worden met andere zaken en aldus een foutieve constructie veroorzaken en die dat ook moe zijn. Een beknopte bloemlezing. We hebben het achter de boeg. Er valt nog een appeltje uit de kast. Alles komt op z’n pootjes terecht. Het loopt van een glijdakje. Ik zie het onderste van mijn tong. Het komt mijn achterhoofd uit. De kogel is door het midden. Er is hier geen levende kat te bespeuren. Ge moet het ijs smeden als het heet is. Er zal geen kat naar kraaien. Ge moet het gouden kalf niet slachten. Hij legt er het loodje bij neer. Ge moet uw schapen niet op het droge verbranden. Die renner moet zijn verantwoording opnemen in de ontsnapping. Het kost te duur. Het is nog te vroeg om een oordeel te kunnen vestigen. Veel wegen leiden naar Keulen. Iedereen kan niet zingen. Einde citaten. Wat klinkt de Nederlandse taal toch wonderzoet. De heerlijkste gerechten echter worden opgediend door sprekers die totaal niet weten hoe ze het moeten zeggen, maar wel weten waar ze het over willen hebben. Of soms omgekeerd, o ramp. Die hebben ergens een klok horen luiden. De Kamasutra is volgens hen een rivier in Indië. Ze hebben het bijvoorbeeld over ‘intimiti’ in plaats van ‘intimi’. ‘Etyologie’ in plaats van ‘etymologie’. Iemand heeft het al levenslang over ‘kervelig’. Zou ze ‘korzelig’ bedoelen? Soms is het zo erg dat je niet eens durft te informeren …
23-08-2005
75: Zomer in Amerika
ZOMER IN AMERIKA
We waren deze zomer al even in Amerika, bij onze naamgenoten die zowel van Vlamingen, Indianen als van Spanjaarden afstammen. Ten noorden van Malibu, aan de kustweg langs de Grote Oceaan, ligt een stukje strand dat Paradise Cove heet. Tijdens vakanties en weekends staat de smalle landweg naar het strand altijd eivol auto’s en caravans. Ook het kleine restaurant puilt er dan uit van de gasten. De jongeren sleuren picknickmanden mee naar het strand, of ze troepen samen aan de broodjes- en pizzakramen. Surfen en zonnebaden zijn hier de twee meest bedreven werkwoorden. Die zaterdagmiddag rond drie uur scheen de zon. Het strand lag vol met aanbidders van dat hemellichaam. Wegens onvoldoende golfslag waren er weinig surfers. Noordwaarts, op het kleine plateau van een rotsformatie waarvan de wand zestig meter loodrecht uit het water verrees, hadden de schaduwmensen hun eigen wereldje gevonden. Nu en dan klonk het scherpe gekrijs van de naar afval zoekende meeuwen boven de stemgeluiden van de baders en het geruis van de branding uit. Vanuit de lucht kwam nog een geluid: het zoevende ronken van een helikopter. De naturisten graaiden snel naar zwembroeken en bikini’s en keken ontstemd omhoog. Een gemompel van teleurstelling klonk op toen men zag wat er op de zijkant van de helikopter stond: THE CHURCH OF ETERNAL LIFE. Een stem daverde door de luidsprekers van de helikopter terwijl de machine naar het rotsplateau daalde: THE CHURCH OF ETERNAL LIFE WISHES YOU PEACE. Daarna verdween de helikopter over de rots uit het zicht. Pat Denowh, mijn naamgenoot, probation officer die zowel van Vlamingen, Indianen als Spanjaarden afstamt, zei alleen maar: ‘Damned.’ Het strandleven hernam zijn normale loop, na dit ongewenste bezoek van de boodschappers van de Allerhoogste. De zwembroeken gingen weer uit en de meisjes koesterden hun dubbele punten weer in de zon. ‘Gebeurt dit hier vaker?’ vroeg ik, met mijn hoofd richting hemel knikkend. Pat Denowh glimlachte. ‘Jammer genoeg wel,’ antwoordde hij. ‘Eigenlijk doen zulke dingen zich ook voor in slechte romannetjes van Harold Robbins. Misschien halen die predikers daar hun inspiratie.’ ‘Aha,’ knikte ik, ‘een beroemde schrijver, zeker?’ ‘Een van de best verkochte,’ knikte Pat, ‘hij schrijft dan ook pure bullshit. Gelukkig staat op de eerste bladzijde van elk van zijn boeken dat het producten zijn van de verbeelding.’ ‘Maar the sky is hier the limit hé,’ opperde ik. ‘Dit is Amerika,’ zuchtte mijn naamgenoot. Het werd nog een interessante vakantie, waarvan elk uur zo gekopieerd leek uit weggooiromannetjes.
20-08-2005
74: Kaap Kont
KAAP KONT
Neem me niet kwalijk. Soms moet het hoge woord eruit. Neem dat nu met een korrel zout. Moet je pissen? U maakt een plas. Heb je het schijt? U baart een drol. Nu ben je maar beter even alleen, met je spleen en je speen. Het lijf staat hier buiten kijf. Nu is het niet meer van u. Minder is nu in u. Meer kan nu weer in u. Vlees, bloed, merg, hersens, kak, pis: dat is wat de mens gewis is. Gekabbel, gezeik, gepraat, gewauwel, gebabbel. Deze aardkloot – een blauwe plek in een heelal – zit overvol. Daarom hebt u zichzelf even verstopt in deze cel van verontreiniging en bezinning. U deelt die met niemand en met iedereen. Zeg niet te gauw: ’t is weer een man. Of: ’t is de vrouw die alles kan, want ook u neemt er afstand van. À propos: het smoort niet dat u hier stoort. Laat uw donkere gedachten even kabbelen op de deining van dat kosmische spoelwater. Negen planeten. Negen gaten in dat vege lijf van u. Hoe veel keer tussen de eerste schreeuw en doodshik en met hoe veel maal uw eigen lichaamsgewicht zult u deze blauwe planeet met uw eigenste venijn verblijden? Is er hoop voor dit hoopje, deze hoop, of ziet het er bruin uit? Voelt u zich bevrijd, pisnijdig, branderig of ontlast? Kijk uit, er zit een diamant in uw drol. Een parel wellicht. Heb aandacht voor vorm, hoeveelheid en geur. Gooi het kind niet met het badwater weg. Zoals u daarstraks in het café overschot aan gelijk had, zo helpt u thans deze zaak aan overschot van mest. Mij best. Halleluja: uw gerief is zeer productief. Luister naar het gorgelen van de pot en het geruis van de inheemse watervallen. Hier heb je tijd om op verhaal te komen. Lees de tekenen aan de wand. Sanitaire literatuur. Schalks gebabbel. Tegelseks. Who the fuck is Kilroy? Is Johanneke een jongen of een meisje? Heeft hij/zij een fopspeen of een ijsje? Ook van woorden moeten sommigen zich ontlasten. Rond deze Kaap Kont. Vaar op deze Mississippi van urine uit. U bent een god in het diepst van uw ingewanden. Maar vergeet na deze vertoning uw gordijnen niet dicht te ritsen. Het water neemt gedwee met zich mee wat u zo lang en zo dierbaar met u hebt meegedragen. Moest u iets kwijt? Het is eruit. Had u het hard? Het reist nu apart. Nu bent u weer alleen. U hebt uzelf afgescheiden. Ach, leer te leven met wat minder gewicht. Minder is nu in u, maar meer kan nu in u.
17-08-2005
73: Assepoes' dagboek
ASSEPOES’ DAGBOEK
Natuurlijk weiger ik. Waarom zou ik met hem dansen? Zijn voeten zijn te groot. Zijn moeder is een kreng van een wijf. Hij zal zijn kleffe vingers tegen mijn rug duwen. Zijn adem riekt naar twee warme maaltijden per dag. Ik wil niet. Ik haat zijn twee hoofden: het ene glimlacht, het andere grijnslacht. Geen van beide heeft nog al zijn tanden. Kinderen zal hij bij mij nooit mogen verwekken. Kunnen we godbetert deze dans niet simpelweg vervangen door een handdruk plus drie beleefde zinnetjes? Of door een zitstaking? Kan het ergens in deze balzaal asjeblief beginnen branden? Stom van mijn zus om me naar hier mee te nemen. Ik hoor hier niet thuis, tussen opgetutte juffers en schaapachtig lachende macho’s. Ai, hij nadert zienderogen. Ik voel het. Zijn ogen branden gaten in mijn rug. Bah, wie heeft dat akelige dansen toch uitgevonden? Zal ik doen alsof ik flauwval? Nee, dan denkt hij dat het door hem komt. Hoe laat is het nu? Nog veel te vroeg. ‘Euche-euche,’ doet mijn zus. Ze kijkt me veelbetekenend aan. Jaja, ik weet het. Ik heb het al lang in de gaten. Ik heb ogen op mijn rug: de zijne, verdorie. Mijn zus glimlacht nu fijntjes. Natuurlijk weiger ik. Waarom zou ik met die kerel dansen? Wat denkt hij wel? Wat bezielt hem? Ai, nu staat hij vlak voor ons. Hij buigt heel slecht. En hij vraagt mijn zus ten dans! ‘Natuurlijk,’ zeg ik rustig glimlachend, ‘neemt u haar maar mee. Ik hou me wel even alleen bezig.’ Mijn zus staat triomfantelijk op. Hij brengt haar naar de dansvloer, dat vierkant van afgrijzen. Ik ben razend. ‘Ik denk niet dat ik nog lang blijf!’ wil ik ze naroepen, maar ik durf niet. Er zit een kikker in mijn keel. Nee, ik roep het niet, maar ik doe het wel, voilà! In mijn haast om me uit de voeten te maken, verlies ik een schoen. Geeft niet. Ik kijk niet eens meer achterom. Schoenen genoeg thuis, om te poetsen. Rise and shine myshoes, every day! Of nee … ik kan toch niet zo … In de verte zit nu een andere mooie gozer te grijnslachen. Terwijl ik met gemengde gevoelens bedenk dat ook dat monster op mij toe kan komen, gebeurt het al. Hij komt in beweging. Help! Ik keer ijlings terug naar mijn plaats en buk me om mijn voet in mijn schoen te wringen.
15-08-2005
72: Weps
WEPS
Medio augustus, na een lang regenseizoen hier in Grijs Vlaanderen, kregen de rugbyspelers van London Wasps in de cup final heel erg op hun donder. Ze verloren met een monsterscore van eh … hun tegenstanders, een andere ploeg dus. Maar hun uitrusting was pico bello; ze leken echt op wespen. Diezelfde dag, na een zomer die november genoemd kan worden, verschenen ook weer honderdduizenden wespen op terrassen en in tuinen. Want ondertussen had de mens zich alweer wat aangepast aan het buitenleven. Het best vertegenwoordigd waren (ik gebruik hier ook de wetenschappelijke benamingen) de ‘gewone’ wesp en de Duitse wesp (‘germanicus’). Zoek maar op; het is zo. Uit Duitsland is overigens nog nooit veel goeds gekomen. De ene soort heeft een drietal stipjes op het voorhoofd, zoals een waarschuwing voor stralingsgevaar, de andere op dezelfde plaats iets wat op een anker gelijkt. Augustus is hun bedrijvigste maand. Dan moeten ze hun eerste twee kwartalen goedmaken. Dan gebeurt de aanmaak van een en ander. Dan zijn er ‘verkiezingen’. En dan is er ook veel zoets beschikbaar en bereikbaar in de mensenwereld: cola, kindervlees, … Het is het hoogseizoen van het broodje-wesp. Ze zouden zelfs aan het tuinmeubilair durven knagen. Twee woorden uit de Nederlandse taal worden door vrijwel alle kinderen ietwat dooreen gehutseld en op een tijdelijk spraakgestoorde manier uitgesproken: hesp en wesp. Sommigen blijven dat hun leven lang doen: heps, weps. De scherpte van het woord ‘wesp’ staat tegenover de bonhommie van het woord ‘hommel’. ‘Hommel’ klinkt gezellig; ‘wesp’ doet zeer. ‘Kloothommel’ is een eerder silly scheldwoord; ‘wesp’ is als scheldnaam zo stekelig en gevaarlijk als ‘feeks’. Maya de Bij is daarbij vergeleken een seut. (Het woord ‘seut’ heeft/geeft geen specifieke uitspraakproblemen). Maar de ergste soort van alle wespen is de WASP: de White Anglo-Saxon Protestant. Het zijn de nazaten van zij die de Indianen van hun gronden hebben weggejaagd en uitgeroeid. Het zijn ook de nakomelingen van al het geboefte dat er aanspoelde op zoek naar fortuin. De WASP vormt een grote meerderheid in Amerika. Flink, blank, protestant. Bush, kortom, father & son, senior & junior. De WASPs hebben ook Irak aangevallen. Want WASPs houden niet alleen van zoetigheid, maar ook van olie.
12-08-2005
71: Een grappige god
EEN GRAPPIGE GOD
Ik denk dat er een grappige God bestaat die zich af en toe schaterlachend op de dijen slaat van plezier. ’s Nachts, als de meeste stervelingen slapen, amuseert Hij zich met het verplaatsen van voorwerpen en het scheppen van chaos. Tegen de ochtend zet Hij alles dan weer op zijn plaats. Soms is Hij verstrooid en vergeet Hij iets terug te zetten. Hij verplant soms zelfs een boom of een auto, vooral tijdens weekends. Sommige mensen denken dan dat ze dronken zijn, vergeetachtig of dement. Ook laat Hij ons geloven dat we over de gave van het voorspellen beschikken. Hij laat ons bijvoorbeeld aan iets of iemand denken, en hupsakee: twee dagen later gebeurt er iets waardoor dit ongeveer voorspeld had kunnen zijn. Dan vermoeden we dat we heel speciaal zijn. Zo laat de grappige God ons zelf eens Godje spelen. Om te lachen. Dan klinkt de schaterlach van de grappige God luid door de hemelen. Hij lacht met de domheid en de pretentie van de mens. En dan gaat Hij ook overdrijven: Hij maakt opzettelijk een voorwerp zoek dat iemand hard nodig heeft. De bril draagt daarbij zijn voorkeur weg. Ook met mobieltjes, sleutels en portefeuilles durft Hij zich wel eens te amuseren. Als het ongeveer te laat is, zorgt Hij er dan wel voor dat het verloren voorwerp vlak voor de neus van het slachtoffer ligt of opduikt, alsof het altijd op die plaats is geweest. Alsof die mens vreselijk dom is. Dan ligt de grappige God echt in een deuk. En wat heeft die fratsenmaker nog op zijn goddelijke kerfstok? Wegenwerken zonder wegarbeiders. Omleidingen waarbij je onveranderlijk weer op je beginpunt arriveert. Een wet die zegt: als iets kans loopt niet te lukken, dan gaat het niet lukken. Variant: het slechtste scenario loopt kans zich het meest te realiseren. Een boterham zal aldus altijd op zijn beboterde kant op de grond vallen. En je zult er bij het oprapen nog in trappen ook, want een ongeluk komt nooit alleen. Ach, die grappige God toch. Laten we het Hem vergeven. Hij is ook maar mens geworden, nietwaar.
08-08-2005
70: Sporen
SPOREN
Ik heb iets met treinen. Een van de mooiste plekken ter wereld is de Oriënt Express, ook al omdat dat mooie ding altijd in beweging is. Mijn collectie treintickets bestaat al uit diverse soorten. De kleine, harde, paarse kartonnetjes van weleer waren de handigste om op te knabbelen bij vertraging. Lange tijd ook kregen we van die slappe, witgeel gespikkelde vervoerbewijzen. De huidige formulieren, door computers uitgebraakt, zijn te groot en te lelijk. Ook de tarieven liggen te hoog, tenzij je er voor zorgt dat je weduwe of wees wordt. Voor de rest dweep ik met het spoor. Ik heb zelfs ooit een treingedicht gemaakt, dat maandenlang razendsnel in ons koninkrijkje de ronde deed. Ik zit liever klokvast in de trein dan klikvast in de auto. Gewoonlijk reis ik ruggelings naar mijn bestemming toe. Ik weet niet waarom, en pieker vaak tijdens treinreizen over de wetten van de fysica. Eerste klasse interesseert me maar matig. Het echte leven in een trein speelt zich in tweede klasse af. Geknal van opengerukte colablikken, ochtendmisselijke mensen, geritsel van sportkranten, stank van ongewassen scholieren met gel op hun kop, de eeuwige heen en weer wandelende en waggelende gek in de middengang (elke trein heeft zijn zonderling, die nooit gaat zitten maar altijd heen en weer pendelt, een soort beweging-in-beweging), bedienden die liever eerste klas zouden reizen, rokende schoolmeisjes die hun rook hardop weer uitblazen, wezenloze avondmensen wier hoofd als een te zware pompoen tussen hun schouders heen en weer rolt, tiepen die je ononderbroken zitten aan te staren. Dit rollende leven fascineert me. Kijk hoe de treinwachter met een Clint-Eastwoodreflex zijn knipmachine uit zijn holster trekt! Er gebeurt altijd iets in treinen. Paul Delvaux schilderde ze. Johan Daisne schreef erover. Gustaaf Vermeersch ook. Hercule Poirot loste er een misdaad in op. Louis Tobback wou zich ooit uit protest ervoor leggen, op de rails voor de aanstormende HST. Butch Cassidy, Jesse James en Ronald Biggs beroofden ze. En mijn vriend de conducteur, een geknipte kerel, ontmoette op zijn trein naar Parijs in de restauratiewagen de acteur Richard Burton, lang geleden. Die vroeg een fles whisky aan de kelner, een entrecote en een Deense dog. ‘Wablief??’ Sorry?? Pardon??’ vroeg de drietalige kelner. ‘Een Deense dog?’ ‘Yes, yes,’ knikte Burton, ‘en die gaat de entrecote opeten.’
06-08-2005
69: Verloren Vlaams
VERLOREN VLAAMS
Dit is het tijdperk waarin advocaten Arne kunnen heten en ukken met Oscar, Cyriel of Marcel aangesproken moeten worden. What’s in a name? De meeste heiligen zijn al lang uit de kalenders geschrapt. Ik maakte een wandeling langsheen de naamborden in het Kortrijkse advocatenkwartier. Het regende en miek er zo koud. Conclusie van mijn tocht: de tijd staat stil, het zijn de mensen die veranderen. Bijvoorbeeld van naam. Oude mensen dragen nu jonge namen en peuters dragen opapetten. Een van de honden van de Nederlandse dichter Simon Vinkenoog heette zelfs Joris. Waf. Toen hij me dat vertelde, voelde ik me zeer vereerd. Namen roepen associaties op. Yasser: keukenhanddoek. Theresa: ook zoiets. Mahatma: geen kleren. Nero: fakkels. Hitler: neushaar. Elvis: heupen. Dichters kiezen soms een pseudoniem waar weer of wind of water in zit: Westerlinck, Van Wilderode, Mandelinck. Otto is handiger: kun je twee keer gebruiken, van voor naar achteren en vice versa. Zoals het Panamakanaal: ‘Aman, a plan, a canal: Panama’. Bekendste initialen ter wereld: JR, JFK. In België: VDB. Ijskreem, weet je wel. Afko’s, onderdeeltjes van een turbotaal, afgeknepen stukjes worst: een lupa (lunchpakket), een buma (burgermannetje). ‘Man, kort van stof, wnst. knsm. m. vr.krtgrkt.’ Medeklinkers zeggen alles, maar de grote klankverschuivingen gebeuren via klinkers. Nico de mus heet voluit eigenlijk Nicodemus. De zus van je zus heet Jezebel. Jezus was iemand anders uit de familie. Hoe zullen we ons kind noemen? Geen probleem. Er zijn getallen genoeg. Ooit hadden we twee schildpadden. In afwachting dat ze zelf over hun naam konden beslissen, noemden we ze eenentwintig en tweeëntwintig. Ter gelegenheid van hun ongeveer twaalfjarige bestaan op en in deze aarde mochten ze dan zelf een naam kiezen, met onze hulp. Er werd ook schildpadsoep opgediend. Vindt u Anaconda ook een mooie naam voor een meisje? En stel dat men constateert dat een baby een komma tussen zijn beentjes heeft, is Raspoetin dan niet een geschikte naam? Want dan is het waarschijnlijk een jongetje. Het kind moet nu eenmaal een naam hebben. Otto Lepel en Anna Kaak hebben de eer u het huwelijk aan te kondigen van resp. zijn dochter Jo met haar zoon Dagmar. Bij twijfel omtrent hun geslacht raadpleeg dan de toekomstige eerstgeborene. Zij (m/v) zal misschien Jackie heten, voor alle duidelijkheid. En moeder heette de koekenpan. En kent u de heer Frans Engels? Zijn mond staat nooit stil. Hij spreekt Verloren Vlaams: overbodige mededelingen in de trant van ‘stoppen met roken’, ‘wat ben je gegroeid’, ‘wat ben je grijs geworden’, ‘is je haar geknipt?’ en ‘mooi weer vandaag’. Ja, de taal leeft.
02-08-2005
68: Onder indianen
ONDER INDIANEN
Later die avond ontmoette ik nog Zwemt Met De Zalm, ook een oude indiaan. ‘Dag Gedroogd Vlees,’ groette hij. ‘Dag, maar eigenlijk valt de nacht al, Zwemt enzovoort,’ antwoordde ik. ‘Niettemin is mijn vreugde groot u hier aan te treffen.’ ‘Dat betreft dan een wederzijds gevoel, Gedroogd Vlees.’ ‘En hoe gaat het nog met In De Bergen Rollende Donder?’ ‘Die is van ons heengegaan. Was ik blank, dan zei ik: helaas van ons heengegaan. Maar zoals u weet: zielen kennen pas rust ginds aan de overkant. Geen ‘helaas’ dus.’ ‘Nee,’ beaamde ik, ‘de doden hebben het wellicht goed.’ ‘En hoe gaat het heden in deze westelijke staat?’ informeerde Zwemt Met De Zalm. ‘Soms,’ zei ik peinzend, ‘soms is men in alle staten, soms is men in staat van ontbinding. Maar het moet gezegd: het is een goede plek om alsmaar ouder te worden. Zo hebben we waterlopen, een zee, wat heuvels en ook een zeer plat hinterland. Een lage streek, zeg maar. Vele vreemde stammen trekken des zomers westwaarts om dat te komen bekijken.’ ‘Dat is prima voor de economische ontwikkeling,’ knikte Zwemt Met De Zalm. ‘En wordt er ook nog gelachen met de westelijke voertaal?’ ‘Nee, men probeert die nu zelfs na te apen. Een modegril, Zwemt.’ ‘O, goed.’ ‘Er worden om de haverklap ook overal verse opperhoofden gekozen.’ ‘Ook squaws?’ ‘Ja,’ bevestigde ik. ‘De tijd staat niet stil. Ze hebben zelfs ontdekt dat de aarde niet zo plat als een vijg is, maar dat wist u al, hé.’ ‘Verandert er dan veel met al die verse opperhoofden?’ ‘Niet zo veel,’ opperde ik. ‘Al ziet de verentooi er soms veel kleurrijker uit. Blauw, groen, paars, oranje, bruin, regenboog, … ‘ ‘En het geel?’ ‘Uit de mode.’ ‘Bruin, zei u ook?’ ‘Daar vrezen we voor. Het is een gewelddadige stam die al het land voor zichzelf opeist.’ ‘Laat de strijdbijl niet roesten, Gedroogd Vlees.’ ‘Nee. Maar het is wel met gekrulde tenen hopen dat ook de wildebizonziekte niet weer uitbreekt. En onze kippen zijn soms zo giftig als een oude apotheker na vervaldatum.’ ‘Betrouw maar op de Grote Manitoe. Aan niets zal het u en de uwen ontbreken.’ ‘We leven op hoop, oude roodhuid,’ zei ik, ‘al lijkt de aardbol meer en meer op een blauwe plek, een open riool, een vergaarbak van gereutel en gerochel.’ Na dit gesprek besloten we ons weerzien te vieren door iets te gaan bikken in eetcafé De Woede Der Noormannen. Zwemt Met De Zalm koos voor een duifje als voorgerecht gevolgd door een entrecote zo groot als de stafkaart van West-Vlaanderen. Ik hield het bij een huwelijk van lotte en prei in een bedje van vulkaankonijnsaus, gevolgd door 48 applaudisserende mosselen. Onder indianen is eten een belangrijk ritueel.