|
CARRIERE
Luister eens. Er zijn twee mogelijkheden. Ofwel doe je eerst onnozel en later gewoon, ofwel begin je gewoon en doe je later onnozel. Gewoonlijk slaagt de eerste categorie beter dan de tweede. Onnozele toestanden worden het vlotst toegeschreven aan jongere leeftijden. En ook daarom het snelst vergeven. Gekheid op latere leeftijd pruimt men niet. De bekendste tafelspringers en grote muilen profileren zich na hun veertigste plotseling als filosofen, meninghebbers of in het ergste geval politici. Zelfs Kamagurka, een vleesgeworden drol, praat al met twee woorden. En Lanoye zwijgt in alle talen, vooral de zijne, over zijn Agalev-avontuurtje. Pas op: er zijn er ook die hun hele verdomde leven lang gewoon doen. Voorspelbaar dus. De veilige keuzes. De grijze pakjes. Watou bijvoorbeeld, die zomer: dat is het Pompei van de poëzie. Ons kent ons, en ons klopt elkaar op de schoudertjes, en ons nodigt ons uit, want ons kan omgekeerd ook wat doen voor ons. Naar verrassingen moet je daar niet zoeken. Het is er eerder een consecratie van namen. ‘Ik heb net klein maar fijn gegeten met Hugo’. ‘Ach, Jozef is een ietsepietsie verkouden’. ‘Zou Guido weer te laat komen?’ Eenzame hoogtes! Negeren die oproerlingen en dwarsliggers! West-Vlaamse dichters? Nou, je moet toch ergens geboren zijn en wonen, hé. Er schijnen er zes komma vijf te zijn. Ik ken er dertien. Goeie, hoor. Niet van die tiepen die al jaren uit de provincie weg zijn, met een geforceerde Brabantse ie of e praten en alleen de treurnis van dit verre westen hier verkondigen. En nog eens ‘afzakken’ naar ‘de Vlaanders’ om aan de micro gesubsidieerde zwaarmoedige achterklap te mompelen. Dit is geen oprisping. Het is een pleidooi tegen klieken en kliekjes, tegen voorspelbaarheid. Ik pen een gevoel neer dat ik deel met minstens tien dichters. Kijk: ik heb geen sympathie voor carrièreplanners. Dichten is een avontuur. Een windvlaag harkt de herfstbladeren veel mooier samen dan een hark. Het gepiep van de zichzelf subsidiërende en prijzende grijze muizen van de poëzie moet gesmoord worden. Ik heb evenmin sympathie voor pluimstrijkers. Ik hoop dat zij zich doodvreten en –zuipen aan de tepels van de hoer die de poëzie is. Tot slot een kort dialoogje. ‘Ha, gij schrijft gedichten, hé?’ ‘Ja.’ ‘Kunt ge daar van leven?’ ‘Ik kan er wel bij blijven werken.’ ‘Leeft ge dan niet van de pen?’ ‘Ik leef voor de pen.’ ‘Ge zijt altijd een beetje een rare snuiter geweest, hé?’ ‘O, is het al zo laat?’
|