Een gedicht van Abraham van Collem 1885-1933
MATTEN VLECHTEN
Het kleine vrouwtje, rond gebukt, Het mannetje, in stoel gedrukt - Ze grijzen in het kotje; Hij rukt de biezen uit de schoof En reikt ze vrouwtje, staand' op stoof,- Zij reikt naar het schavotje.- Schavotje is een hoog toestel, Daar schuift men biezen aan, op tel.- De biezen groeien aan de kreek, In 't binnenland, de heidestreek, Nabij ons Genemuiden; Zij waaien, ongeteld en steil, Zoo maar den grond uit, tot het heil, Het heil van Genemuiden.
Uit geel' en bruine biezen kan Een oude vrouw en kleine man Saamvlechten een karpetje; Hij dekt den ketting, zij den slag,- En als de avond haalt den dag, Dan gaan zij naar hun bedje. Het bedje staat van biezen vol, Het bedje is een biezenhol.- De biezen groeien aan de kreek, In 't binnenland, de heidestreek, Nabij ons Genemuiden; Zij waaien, ongeteld en steil, Zoo maar den grond uit, tot het heil, Het heil van Genemuiden.
Het bedje ligt in diepe scheur Van grijzig muurtje, bij de deur, Behangen met gordijntjes. Daarin te slapen, zijn gekromd, Totdat de nieuw morgen komt, Twee oude mensenlijntjes. Op hunne handen, klein en teer, De biezen staan in rijpe zweer,- De biezen groeien aan de kreek, In 't binnenland, de heidestreek, Nabij ons Genemuiden; Zij waaien , ongeteld en steil, Zoo maar den grond uit, tot het heil, Het heil van Genemuiden.
Van biezen stram, van biezen moe, De beide zieltjes vallen toe En worden dan begraven; Voorbij de kreek, daar wacht de hof, Waarin geborgen wordt de stof Der beide biezenslaven, Zij liggen achter biesgeruis, Gevouwen, in hun dodenhuis,- De biezen groeien aan de kreek, In 't binnenland, de heidestreek, Nabij ons Genemuiden; Zij waaien, ongeteld en steil, Zoo maar den grond uit , tot het heil, Het heil van Genemuiden.
Uit de bundel: Liederen van huisvlijt, C.A.J. van Dishoeck, Bussum (1917)
|