Disclaimer
In verband met een recent dispuut omtrent plagiaat wil ik bendadrukken dat deze teksten uiteraard niet origineel zijn maar een condensatie van teksten die over dit onderwerp werden gepubliceerd. Ik kan de geschiedenis van Egypta niet heruitvinden en mijn persoonlijke bijdragen aan origineel onderzoek hierover zijn nihil. Ik tracht hier met zoveel mogelijk bronvermelding een samenvatting te geven over wat hedendaags bekend is.
Ronald Milo
Hierboven vind je een afbeelding van de god HAPI, de Nijlgod of beter gezegd de God van de Overstroming van de NIjl. De Egyptenaren maakten immers een onderscheid tussen de nijl als stroom, die ze "iteroe" noemden, en de welvaart brengende overstroming die ze personifiлerden in de god Hapi. Hij werd meestal voorgesteld met een hangbuikje en hangborsten (een teken van welvaart voor de oude Egyptenaren) en met een haartooi van waterplanten. Vaak wordt hij echter ook in de verschillende provincies ( nomen) afgebeeld met het embleem van de provincie op zijn hoofd. Dit is ook het geval in bovenstaande afbeelding. Hapi werd vooral vereerd te Assoean en Jebel el Silsila waar hij geacht werd rond te dwalen in de grotten bij de eerste stroomversnelling (cataract). In de Delta daarentgen geloofde men dat hij in grot nabij Memfis woonde. Om hem te vereren en gunstig te stemmen werden, meestal in de nabijheid van een nilometer, offergiften in de stroom gegooid.
Een herschikking van het blog is aan de gang om alle delen aanklikbaar te maken vanuit het centrale Inhoudsmenu. Enig geduld wordt op prijs gesteld. Ondertussen kan u nog steeds bij de artikels terecht via de inhoud in rechterkolom
e-mail van de auteur: ronald.milo@skynet.be
19-06-2009
neboe
NEBOE =GOUD
Het oudste stratum van het continent , de oude Afrikaanse sokkel, is gemaakt van graniet en metamorfe rotsen, met aders van goud en dioriet. Hierboven heeft zich tijdens het Krijt zandsteen, hier en daar overdekt met gesteente van vulkanerupties, afgezet. Op dit alles heeft de warme Thetys zee alvorens zich terug te trekken een dikke laag krijt, schiste en kalksteen nagelaten. Daarna begon de Nijl of een van zijn voorouders aan een afwisseling van erosie en afzetting van klei en zand. Goud werd gevonden in de alluviale zandgrond van de wadi's en in de witte kwartsaders die men vindt in de binnenzijde van de vulkaanrotsen van de grote centrale keten die de Nijl van de Rode Zee scheidt.
De oostelijke woestijn
Het is mogelijk dat de Egyptenaren hun goud oorspronkelijk dolven in bepaalde alluviale Nijlzones of in beddingen van oude wadi's maar veel kan dat niet hebben opgeleverd. Goud werd vooral gewonnen in de kwartsaders van de oostelijke woestijn en in Nubië, dat er trouwens zijn naam aan zou ontlenen, neboe betekende immers goud. In de oostelijke woestijn strekken de vindplaatsen zich uit vanaf enkele km ten noorden van de moderne weg tussen Kena en Koesseïr aan de Rode Zee tot diep in Nubïe. De meest voorname exploitatie plaatsen zijn gelegen rond drie zones wiens natuurlijke afvoerwegen naar de Nijl leiden: te Kena en Kift (het Oude Koptos) , el-Kab en Edfoe. Dit gebied is verschrikkelijk heet en droog (er kan best een hele generatie lang geen druppel regen vallen). Maar het is wel gunstig gelegen. De Nijl maakt er een grote bocht naar de Rode Zee toe en nadert haar daar tot op ongeveer 130 km. Bovendien was er een weg door de bergen langswaar ezelkaravanen de door schepen aangevoerde goederen uit het Poentgebied naar Coptos konden brengen. In de Hamamatwadi , in een steengroeve die op drie dagmarsen van de Nijl gelegen was, werd ook de mooie "Bechensteen", een heel hard zwart garniet, gedolven. Daaruit werden de langste architraven en de slanke obelisken vervaardigd. Ondanks de onherbergzaamheid van het gebied wist de administratie er een voor de drie exploitatietypes gemeenschappelijke infrastructuur te centraliseren. Ten tijde van het Oude Rijk bewaakten garnizoenen zowel de mijnslaven als de karavaanroute die voortdurend bedreigd werd door nomadenvolken uit het kustgebergte
Het is niet onmogelijk dat de exploitatie van deze goudaders een rol heeft gespeeld in de vorming van de eerste steden en stadsstaten in Opper-Egypte in het IVe millenium v. Chr. De predynastische stad Naqada bij de monding van de wadi Hammamat ( toen het Rohenoedal) was bekend als Nubt : de Goudstad.
Als de farao een expeditie naar Poent stuurde kon de opperbevelhebber zijn prestige vergroten door uit Hammamat een gedeelte van de goud of steenproductie mee te brengen. Sommige van die goudmijnen zijn teruggevonden. Bij één ervan niet ver van het huidige El Fawakhir , staan nog duizenddriehonderd hutten : onderkomens voor de slaven, maar waarschijnlijk in de eerste plaats voor de soldaten en functionarissen. Het was dus een heel belangrijke mijn.
De oudste geografische kaart is dan ook een soort "piratenkaart" waarop een diagram voorkomt van de goudmijnen in de wadi Hammamat. De kaart geeft de weg aan, die in zuidelijke richting naar het begin van de waddi leidde en dan naar het oosten afboog naar de mijnen van de secundaire valleien, die nog niet geïdentificeerd zijn. Er werden waterputten gegraven van verscheidene tientallen meters diep, om mens en dier te drenken. Op het grootste kaartfragment situeert zich een put die in 1304 op bevel van Sethi I op zestig kilometer van de Nijl werd gegraven De farao maakte een uitstap in de woestijn en vroeg zich af "Wat gebeurt er met de reizigers op deze weg ? Waarmee lessen zij hun dorst in deze immense woestijn? Hoe kan ik hen de mogelijkheid tot overleven bieden opdat zij mijn naam in de toekomst eer zouden bewijzen ? De door de steenhouwers gegraven put leverde zoveel water dat een stukje land kon worden bewerkt en dat de farao opdracht gaf op die plek een tempel en een stad te bouwen.
Deel van de "mijnpapyrus van Turijn" ten tijde van Ramses IV .Turijn :Museo Egizio cat . 1879. 1: Stele van Sethi I. 2: Cysternae (waterreservoirs), 3:Schrijn van Amon van het Zuivere Gebergte. 4: Werkmanshutten. 5: Bruine penseelstreken die mogelijks geologische variatie van het gesteente aanduiden. 6: Bodem van de wadi, beschreven als de weg die naar zee leidt.
Nubië
Toen het rijk zich had uitgebreid tot voorbij de eerste cataract werd een steeds belangrijker deel van het goud uit de Nubische woestijn ( het land van Koesj) en dan hoofdzakelijk uit de streek die vandaag Eskhoeranib heet aangevoerd. Hoewel de slaven uit de wadi Hammamat reden te over hadden om zich te beklagen leden zij nog een vrij aardig bestaan in vergelijking met hun slavenbroeders uit Nubië. Vanuit Koeban (ten zuiden van Assoean) was het zeventien dagen reizen door de brandende woestijn om de mijnen te bereiken. Het is er zo heet dat aanraking met de overhitte rotsen brandblaren veroorzaakt en dat de lucht constant zindert.
Kopij van een grafschildering in 1840 door Richard Lepsius gereproduceerd ziet men dat de edelman Hoei, onderkoning van Nubië aan de farao de goudtributen van de volken van het Zuiden aanbiedt. Hoei heeft een kromstaf en waaier in de hand. Het tribuut bestaat uit rijk bewerkte vazen, halssieraden, borstplaten, schalen met carneool en zakken goudpoeder. Op het tweede prentje van dit beeldverhaal ziet men achter de onderkoning een Nubiër die ten teken van eerbied zijn handen opheft.
Minder dan de helft van de naar Nubië gestuurde gevangenen en lastdieren kwamen op hun bestemming aan. De overlevenden die soms niet eens de taal van hun Egyptische meesters verstonden, en die dag en nacht naakt engeketend werkten in de zengende hitte, konden alleen maar hopen op een snelle dood. Zelfs ouderlingen en vrouwen werden met stokslagen aan het werk gehouden
De opbrengst van de mijnen in Nubië echter vond zijn weg via de wadi el-Allaki bij wiens monding de Egyptenaren van het Nieuwe Rijk de forten Koeban en Ikkoe bouwden. Maar deze mijnen werden toen reeds eeuwen met name reeds tijdens de eerste dynastie geëxploiteerd. Deze exploitatie wekt bewondering ; bewondering voor de Egyptische prospecteurs die tot in dit verre oord goud ontdekten en voor de Egyptische administratie die erin slaagde deze afgelegen kolonie ondanks alle moeilijkheden te behouden. Tot het midden van het derde millennium was Koesj slechts bewoond door bruinhuidige stammen, die etnisch verwant waren met de Egyptenaren, maar hun cultuur niet deelden. Nadats Senwosret I (1965 -1920) en zijn opvolgers hen min of meer hadden onderworpen, dreven deze volken wat handel met Egypte. Ze ruilden plaatselijke producten en goederen afkomstig van de zwarte volkeren, die langzaam maar zeker het zuiden van Soedan inpalmden. Ze aarzelden echter niet om zodra de gelegenheid zich voordeed op strooptocht te gaan. Eeuwenlang moesten de Egyptische karavanen zwaar geëscorteerd worden . De nomarch Ameni, die voor rekening van Senwosret I een expeditie leidde nam alleen al voor de bescherming van het goud vierhonderd elitesoldaten mee. Dit illustreert de aggressiviteit van de Nubiërs want de Egyptische soldaten waren bij de beste van de oude wereld.
Pas onder de stoere politiek van de farao's van de 19e dynastie werd Nubië een wat veiliger provincie. Tot dan toe bleef de mijnexploitatie eerder beperkt wegens een tekort aan water. In zeven eeuwen tijd was men er niet in geslaagd één goede put te graven. Zelfs Sethi I mislukte. Maar de slaven van diens zoon Ramses II slaagden daar in de 13e eeuw v. Chr. wel in na onvoorstelbare inspanningen. Tijdens het Nieuwe Rijk zal de geschiedenis dan gelijk lopen met de ontwikkeling en de uitputting van de goudaders in de woestijn. Eerst zal het de militaire expedities van de farao's financieren, daarna zal het gebrek aan voldoende goud zich laten voelen op militair en diplomatisch vlak.
Goud en zilver
Een mengsel van goud en 20 tot 50% zilver wordt technisch "electrum" genaamd. Maar daar het meeste Egyptische goud niet zuiver was en tot 20 % zilver kon bevatten is het onderscheid nogal kunstmatig. Maar de Egyptenaren waren er zich wel van bewust dat men deze legering ook kunstmatig kon maken. Daar electrum meer resistent was dan zuiver goud werd het al sinds de eerste dynastieën gebruikt in juwelen.
Goud was een zeer waardevol metaal bij de Egyptenaren maar toch niet zo waardevol als zilver wanneer dit voor het eerts werd ingevoerd. Want op het eigen grongebied werd in Egypte geen zilver ontgonnen, het moest worden ingevoerd. Het kwam zeker niet uit de Poent (Somali¨-Yemen) want van hetgeen van daar ingevoerd werd bestaan heel precieze lijsten. Misschien was het uit Cilicië, dat geenszins buiten het bereik van de Egyptische zeelieden lag, zelfs niet ten tijde van het Oude Rijk. Tijdens de expantieperiode van het Nieuwe Rijk echter werden gemakkleijker toegankelijke en dichterbij gelegen zilvermijnen ontgonnen. Een ding is zeker tijdens het 18e dynastie (Nieuwe Rijk) speelde Syrië een bemiddelende rol in de zilverhandel. Reeds tijdens het Middenrijk (2055 -1650 v. Chr. ) echter stond goud al duidelijk op de eerste plaats onder de edele metalen en werd zilver naar de tweede plaats verdrongen.
In het graf van Sobekhotep (TT63-Nieuwe Rijk) zijn Nubiërs afgebeeld, die goud aanbrengen als schatting. Tijdens het Nieuwe Rijk (1550 -1060 v.Chr.) werd ook goud aangevoerd als schatting uit Syrië-Palestina, ondanks het feit dat Egypte meer goud bezat dan de Levant. Het feit dat de farao zo veel goud bezat was niet onbekend bij de andere machthebbers in het Midden-Oosten en in de Amarna brieven komt de vraag naar goud herhaardelijk voor . Een voorbeeld is brief EA19 van Toeschratta van Mitanni waarin deze schrijft aan de farao-"Moge mijn broer onbewerkt goud zenden in grote hoeveelheden, en moge hij mij nog zoveel meer goud zenden dan hij aan mijn vader zond want goud is in het land van mijn broeder zo overvloedig aanwezig als stof. "
De mijnbouw
De ontginning van goud was van in den beginne een monopolie van de farao. De expedities naar de mijnen en groeven stonden onder militaire controle en de arbeiders waren vaak misdadigers. Het was een moeilijk en gevaarlijk werk en menig mijnwerker liet het leven tijdens de werkzaamheden.
De installaties van Eskhoerabib werden intact achtergelaten nadat de mijnen waren uitgeput. Ze vormen een prachtige informatiebron voor de archeologen. In de vallei staan nog driehonderd stenen hutten overeind met in elk daarvan een granieten molen waarmee het goudhoudend kwarts werd verpulverd. Het goudbevattende gesteente werd na de extractie dus fijn geslagen of gemalen, gewassen om het goud te recupereren, waarna dit werd afgevoerd voor raffinage en verdere bewerking. Nabij de hellingen zijn er in de rotsen uitgegraven citernen , waarin de zeldzame winterregens werden opgevangen en vlak bij die citernen bevinden zich de grote, hellende steenvlakken waarop het goud uit de stenen werd gewassen.
In de bergflanken zijn diepe gangen uitgegraven . De slaven groeven zich een kronkelende, de kwartsader volgende, weg en stopten pas waar de ader onderbroken werd. Zoals bijna altijd in primitieve mijnen liet men de harde rots springen door verhitting met vuur een afkoeling met water ( als dat voorhanden was). De slaven van Eskhoerabib moesten dus nog van ver en onder moeilijke omstandigheden brandstof aanvoeren. Het is onvoorstelbaar dat deze mensen konden werken in de onverluchte, oververhitte schachten bij het licht van kleine olielampen. Na splijting met vuur werden de kwartsblokken uitgehaald met behulp van houten, benen, bronzen en pas later ijzeren gereedschap. Kinderen droegen de steenblokken naar buiten, waar oudere mannen ( ouder dan diegene die in de schacht werkten ) ze verbrijzelden in stukjes ter groote van een lins. Dan werd dit erts tussen granieten molenstenen gemalen door vrouwen en ouderlingen en het aldus bekomen gruis op grote platte stenen gewassen.
Al deze operaties geschiedden onder de brutale bewaking der soldaten en het waakzame oog van de scriba's ( schrijvers) . Ondanks de zeer moeizame ontginning was Egyptes goudproductie enorm. Papyrusdocumenten vermelden (jaarlijkse ??) producties van duizenden kilo's. Naast Hammamat en Koesj bestonden er nog andere bevoorradingsgebieden en de Egyptenaren onderscheidden diverse goudsoorten naargelang de plaats van herkomst en de zuiverheid. Het woestijngoud uit Coptos, het goud uit Nubië, het goud uit Azië, het witte goud, het goede goud en het goud van tweede en derde kwaliteit. Bij elke transactie werd de kwaliteit van het metaal dan ook zorgvuldig geverifiëerd door de wegers en scriba's.
Soms werd het goudstof in lederen zakjes naar de hoofdstad of tenminste naar de Nijl gevoerd. Dat was het geval voor het goud uit Nubië, omdat de brandstof daar te kostbaar was om het metaal ter plaatste te smelten. Het smelten gebeurde echter altijd zo vlug mogelijk. Vijf dagen lang werd het goud met zout en andere substanties gezuiverd in smeltkroezen uit aardewerk, die met een loodlegering werden afgesloten. Op de vijfde dag werd het vloeibare goud in ringen van verscheidene diktes maar met een vaste diameter van ongeveer twaalf en een halve centimeter gegoten. Onder deze vorm werd het goud, na zorgvuldige weging op een speciaal daartoe bestemde weegschaal definitief in ontvangst genomen.
De goudsmeden
Het gewogen en geaccepteerde goud werd ofwel in reserve gehouden ofwel onmiddellijk hersmolten en in staven van verschillende groottes gegoten, die dan werden toevertrouwd aan ambchtslui. Al van bij de aanvang van het Oude Rijk hamerden die het goud op een stenen aambeeld tot bruikbare vormen ( draad, blad, stengel). Hoewel de scriba's, die zich als de belangrijkste personages van het rijk beschouwden, de handwerklieden minachten en belachelijk maakten, bekleedden de smeden en goudsmeden toch een benijdenswaardige positie in de Egyptische samenleving. Ze behoorden weliswaar tot een bepaalde categorie maar hun kunde die ze van vader op zoon doorgaven was onmisbaar voor de goede gang van zaken en vermits hun aantal vrij gering was kon men ze niet als eenvoudige boeren behandelen.
Het hoofd van de goudsmelters en het hoofd van de goudsmeden waren belangrijke personnages onder de hoogwaardigheidsbekleders van het hof en deze functies werden vaak binnnen dezelfde families gehandhaafd. Ook specialisten in het vervaardigen van godenafbeeldingen hadden als ingewijden in bepaalde geheimen een bevoorrechte positie.Goud werd immers ,ook beschouwd als het vlees van Ra en andere goden. Beelden van de goden waren dan ook van goud of op zijn minst verguld. Goud werd ook gebruikt voor de versiering van tempels en voor de bekleding van pyramidons op de top van een obelisk of een pyramide.
Eenvoudige goudsmeden daarentegen waren nooit hun eigen meester en een ambachtsman die voor een zo belangrijk man als de vizier werkte kon zonder diens instemming het werk niet neerleggen om een feest van Amon bij te wonen. De overvloed van goud wakkerde echter de creativiteit van de Egyptische goudsmeden aan. Hun technieken werden zo geraffineerd dat ze nog vandaag de dag moeilijk te reproduceren zijn. Het dodenmasker van Toetanchamon illustreert de tijdens het Nieuwe rijk bereikte perfectie . Het is nochtans maar één voorbeeld uit een massa aan meesterwerken waarvan vele in de loop der tijden verloren zijn gegaan.
In een graf in Saqqara (ca 2.400 v.Chr.) werd een beschrijving van de goudsmidtechniek nagelaten waaruit blijkt dat ze goud smolten met behulp van lemen blaaspijpen waarmee men de temperatuur omhoog joeg tot 1063° Celsius, die voor het smelten noodzakelijk is. Op de voorstelling zien wij de ambahctsman die het vloeibare goud uit de smeltkroes giet terwijl anderen het goud met stenen hamers tot vlakke platen slaan.
wordt verder uitgewerkt
Het debat bij deze koning kan reeds beginnen bij de nummering. Deze koning Schorpioen II was reeds bekend door zijn knotskop uit Nekhen (NakadaIIIB/C1) toen naar aanleiding van G.Dreyer's publicatie (1998) een andere koning Schorpioen door de meeste Egyptologen aanvaard werd als zijnde de eigenaar van graf U-j te Abydos ( Nakada IIIA1/IIIa2) . Verschillende van de potten en verpakkingen in de opslagplaatsen aldaar vertoonden ingesneden ivoren labels en geverfde tekens in de vorm van een schorpioen hiëroglief.
Als gevolg werd de reeds bekende en ook stilistisch later te dateren koning Schorpioen bedacht met het label II om vergissingen met zijn homoniem uit de periode Nakada IIIA1/IIIa2 van graf U-J te vermijden. Recent is daar echter twijfel over ontstaan.Vooreerst is het zo dat de namen van de meeste predynastische koningen in serechs voorkomen en dat nergens in het graf een Schorpioen serech werd gevonden. Anderzijds is het ook zo dat koningen waarvan wel serechs bekend zijn zoals Narmer de naam soms ook voorkomt zonder serech (zie hiervoor de achterzijde van het Narmer palet ) en dat b.v. van koning Ra/Iry evenmin serechs bekend zijn. Het wordt er niet duidelijker op door het feit dat er naast de schorpioen afbeeldingen in dit graf ook labels met andere dieren op gevonden. werden. Recent werd er dan ook duidelijk kritiek geuit op de eerste lezing van het materiaal uit tombe U-j waarbij het schorpioen teken als een koningsnaam wordt geïnterpreteerd. Het schorpioenteken en andere diertekens zouden eerder als plaatsnamen van herkomst of levering van de grafgoederen moeten worden gelezen. Maar dan vervalt natuurlijk koning Schorpioen I en blijft er misschien maar één koning Schorpioen (II) over !
Voor de volledigheid vermelden we dat een Brits televisie programma voorstelde dat de knotskop, het voornaamste argument voor zijn bestaan, een tribuut zou zijn geweest van Narmer aan koning Schorpioen I en dat er dus helemaal geen Schorpioen II zou hebben bestaan. (1)
Dynastie: 0
Op stilistische basis dienen de artefacten die aan deze koning kunnen worden toegewezen zeker op het eind van dynastie "0" geplaatst worden.
Begraafplaats:Het graf van Schorpioen II is nooit met zekerheid gevonden . G.Dreyer en M.Hofman hebben op speculatieve gronden respectief volgende mogelijkheden voorgesteld : het vierkamerig graf B50 te Abydos, Oem el-Qaab en/of tombe 1, uit locatie 6 van de begraafplaats in Hiërakonpolis. (2)
Monumenten en artefacten
ZUID-EGYPTE :
1.Hierakonpolis knotskop . Nu in het Ashmolean Museum, Oxford; nummer: AN1896-1908.E3632)
De Schorpioen knotskop is vrijwel de enige afbeelding die bewijs levert van het bestaan. van deze koning De knotskop werd gevonden in de zogenaamde " Main deposit" door de archeologen James E. Quibell en Frederick W. Green (3) in een tempel te Nekhen (Hiërakonpolis) in Zuid-Egypte tijdens de opgravingen van 1896/1898. De stratigrafie van de vondst is maar magertjes vastgelegd geweest maar stilistisch moet men de knots dateren op het einde van de predynastische periode.(4). Schorpioens regering dient dus zeker niet voor deze van Ka maar ook niet later dan deze van Narmer gesitueerd.
Op de knots zien we een farao afgebeeld die de witte kroon van Opper-Egypte draagt. Hij schijnt een soort schoffel of houweel vast te houden. Dit tafereel werd geïnterpreteerd als een cermonie waarbij de farao de eerste vore in een veld of de grondvesten van een tempel trekt. Maar ook als de opening van een dijk om de velden te bevloeien. (Clayton, Peter A. Chronicle of the Pharaohs: The Reign-by-Reign Record of the Rulers and Dynasties of Ancient Egypt. Thames & Hudson. 2006. ISBN 0-500-28628-0)
De naam Schorpioen is afgeleid van de schorpioen, die afgebeeld is onmiddellijk voor het aangezicht van de farao en onder een bloem met zeven kelkblaadjes is geplaatst. Deze plaats komt overeen met de plaats van Narmer's naam aan de achterzijde van het Narmer palet waar Narmer voorafgegaan wordt door zijn standaard dragers. Maar deze Schorpioen komt niet voor in een serech zoals het wel de gewoonte was bij de andere vorsten uit de Dynastie 0. Hij wordt wel begeleid door een bloem met zeven kelkblaadjes, die wel enkele overeenkomst vertoont met de ster die schijnt deel uit de maken van de naam (of titulatuur) van de de sandaaldrager van Narmer op het gelijknamige palet. Vervangt de bloem de serech als koningssymbool bij de vorsten van Nekhen ? Of maakt ze deel uit van de titulatuur van het personage als een teken van macht (gezien de mogelijks fatale steek van het dier) ? Dit blijft een open vraag. Baumgartel is er in elk geval van overtuigd dat het om een titel gaat. (Baumgartel E. ,
Op de knotskop zit er trouwens aan de schorpioen een klein pennetje waarmee hij als het ware op een stok of en scepter kan bevestigd worden zoals de standaarden elders op de knotskop en op het Narmer palet. Dit zou dan een argument zijn voor de theorie dat schorpioen helemaal geen naam van een persoon betekent - maar een geografische lokalisatie.
De protodynastische hiërogliefen bevinden zich nog in hun ontwikkelingsfase en zijn vaak moeilijk te lezen. Maar de dode kievieten aan de standaarden ( zouden de betekenis hebben van Noord-Egyptenaren zoals de negen bogen traditioneel vijanden van Egypte voorstellen. Deze scene werd zo geïnterpreteerd dat koning Schorpioen II, een koning van een van de Opper-Egyptische koninkrijken (This-Abydos, Nagada, Nekhen-Hiëraconpolis) , de aanval had ingezet op Neder-Egypte en de Delta wat dan later zou leiden tot de definitieve verovering ervan door zijn opvolger (?) Narmer (Clayton, Peter A. Chronicle of the Pharaohs: The Reign-by-Reign Record of the Rulers and Dynasties of Ancient Egypt. Thames & Hudson. 2006. ISBN 0-500-28628-0). De kieviet werd in het Oude Rijk echter ook gebruikt als hiëroglief om het "gewone volk" aan te duiden en dus kunnen de standaarden waar ze aan opgehangen zijn ook beschouwd worden als de afbeelding van de steden of nomes die deze Schorpioen II veroverde. K. Cialowicz denkt dat aan het eind van het bovenste register met de rekhyt-bogen en standaarden men een staande koning moet toevoegen met de rode kroon van Neder-Egypte.( Adams - Cialowicz, Protodynastic Egypt, 1997, 8, fig.1 , Cialowicz K. "La tête de massue du roi Scorpion "in 50 Years of Polish Ecxcavations in Egypt and the Nera East. Acts of the Symposium at the Warshaw University 1986, Varsovie, p 82-85, 1994 - Cialowicz K., Remarques sur la tête de massue du roi Scorpion, SAAC8, 11-27, 1997 ).Voor een alternatieve reconstructie door Midant-Reynes en Gautier (die suggereert dat een tweede koninklijke knotskop deel kan hebben uitgemaakt van deze van Schorpioen ) zie hieronder.
De knotskop is zowat vijf keer groter dan een functionele knots en ook veel groter dan deze van Narmer. Het gaat hier dus duidelijk om een ritueel voorwerp. Mogelijks gemaakt om een overwinning te vieren. Hij belandde bij de verdeling van de vondsten in het Ashmolean Museum daar de Universiteit van Oxford de opgraving gesponsord had.
2.Hiërakonpolis knotskop2. Een tweede kleiner fragment van een knotskop uit dezelfde cachette te Hiërakonpolis, dat zich nu bevindt in het Universoty College, London met inventaris nummer 14898.) is zo klein dat het weinig toont tenzij de farao zittende onder een baldakijn die het ceremoniële Heb Sed gewaad draagt samen met de Rode Kroon van het Noorden. Dit heeft aanleding gegeven tot verschillende speculatieve theorieën over de identificatie van deze koning. Arkell interpreteerde een nauwelijks zichtbaar teken voor het hoofd van de koning als een schorpioen. (Arkel A., Was kinf Scorpion Menes ?, Antiquity 145-37, p 31-35, 1963 ). Maar Adams (1974) vond geen spoor van een rosette in de breuklijn net voor de krul van de rode kroon en besluit dan ook dat het object ook aan een andere koning van de periode die onmiddellijk aan Narmer voorgaat kan hebben toebehoord. Raffaele suggereerde dat het fragmentair hiëroglief misschien moet geïnterpreteerd worden als als een standaard met een krokodil met rechts neerhangende staart en dus aan Horus Krokodil dient toegewezen.
Cialowicz heeft een overtuignde beschrijving gegeven van deze scene. Hij neemt aan dat het over een Heb Sed viering gaat na een militaire overwinning van de koning. Rechts van de koning zien we een grote naar de koning gekeerde valk met in de rechter klauw een touw dat naar de rechterkant van het geconserveerde fragment loopt. Achter de valk maar lager verschijenen een aantal gevangenen (waarvan één oor duidelijk zichtbaar is ) die met de koord door de valk worden vastgehouden en voorgeleid.
Midant-Reynes en Gautier (1995, fig. 15) beschouwen dit fragment als een onderdeel van de grote knotskop in het Ashmolean museum. Het zou rechts van het hoofdfragment zijn in te voegen. Het baldekijn is volgens hen tegenover dansers van een repwt -processie geplaats. De valk zou dan niet voor maar achter de koning geplaatst moeten worden tegenover de twee standaarddragers rechts van de naam-hiëroglief.
3.Hiërakonpolis vazen. Kalkstenen vazen door Quibell's te Hiërakonpolis opgegraven (id., Hierakonpolis I, 7-8). Maar in tegenstelling met de opvatting van de auteur
kunnen de reliefs van valken (in boten zoals de goden Andjety / Nemty), schorpioenen, bogen en "rekhyt vogels" die de buik van een van deze vazen omringen (op. it., XIX,1 , XXV, photo below) niet met zekerheid worden toegeschreven aan een "Horus Schorpioen van Dynastie 0 evenmin als de geïsoleerde schorpioen op een andere vaas (op. cit., XVII,1 , XXXIII, 1). Wat betreft deze vaas (it, Pl XIX,1) met valken en schorpioenreliefs ( noteer eenzelfde motief op het UC14869 ivoor label ) vindt Dreyer hierin een indicatie voor een soort filiatie of een gift aan elkaar van de verondersteld na elkaar regerende vorsten van de Nagada IIIa2 periode Horus Schorpioen I en Horus Valk (Umm el-Qaab, vol. 1, 173, n. 249).
Raffaele dateert de schorpioenen op de twee vazen uit de "Main deposit" van Hiërakonpolis en op deze uit de privaat collectie in Kaplony (Kaplony, Steingefasse, 1968, 13, nr. 2.) in een tijdspanne tussen de schorpioenen uit graf U-j te Abydos ( vroeg Nagada III)* en deze van de knotskop uit het Ashmolean museum ( laat NagadaIIIB -vroeg NagadaIIIC1. Daarnaast werd een nog groterer groep van objecten door P. Kaplony (in Orientalia 34, 1965, 132ff., Pl. 19-23; id., I.A.F.; id., Steingefasse, 1968, 13f. (crocodiles, scorpions, turtle on an alabaster vase from a privare collection). , met wisselende graden van betrouwbaarheid aan deze koning toegeschreven. Maar men kan toch niet ponereen dat bijna iedere laat-predynastische voorstelling van een schorpioen naar een of andere koning Schorpioen zou verwijzen. .
4.Aboe Oemoeri (Qabilet el-Azayza bij Nag Hammadi) palet : Een palet uit tombe 60 , nu in het Cairo museum J.E. 71326 (24x13,4cm) werd ook door Kaploni aan koning Schorpioen toegeschreven. Het palet is duidelijk vroeg dynastisch van stijl maar lijkt mij geen enkel verband met een koningsnaam te vertonen. De drie schorpioenen (bovenaan) zijn duidelijk onderworpen en zelfs gebonden met een touw of een staaf aan de Horus-valk standaard. Het doet denken aan andere Nagada IIIB-C2 picto-logographische compositie waarbij tot leven gebrachte standaarden of serechs de vreemde vijand onderwerpen ( Raffaelle F. Corpus van Paletten ) I
ONBEKENDE OORSPRONG:
Een beeldje van onbekende oorsprong bevindt zich nu in het Staatliches Museum Ägyptischer Kunst München AS 7149 - Het is vervaardigd uit sedimentair gesteente en 11,2 cm hoog.
Op de linker torso is een serech gegrift die zowel als Narmer dan wel als Schorpioen kan worden gelezen. Alhoewel geen van beide mij echt kan overtuigen
DELTA
1.Minshat Aboe Omar Kruik. De tombe 160.1 te Minshat Aboe Omar bevatte een kruik met een ingegrifte serekh [naar van den Brink op.cit., 1996 pl. 28b (Type III)]. Boven de serech bevindt zich een valk . De naam in de serech wordt ofwel gelezen als Aha ofwel als Schorpioen. Het teken lijkt wel enigzins op een gebogen schorpioen met staart boven het lichaam. Staart en hoofd zijn naar rechts gericht, daar waar de valk naar links kijkt. De valk is op de foto vrij goed te onderscheiden maar de schorpioen is totaal onduidelijk.
2. Tarkhan inscriptie in inkt. Een kruik uit tombe 315 vertoont een serech in inkt. Van den Brink heeft voorgesteld dat dit mischien een onderste boven variant kan zijn van de kronkel die door Dreyer werd geïdentificeerd op twee vazen en een zegelafdruk afkomstig uit Tarkhan (Wildung, Aegypten vor den Pyramiden, 1981 fig. 32; van den Brink op. cit. pl. 28 a,b: Horus (Krokodil -Sbk of Hmz-) de Bedwinger (cfr. id. op. cit. 1996 en 2001 ); alleen B. Adams heeft een poging gewagd om deze serech met Horus Krokodil te associëren ; G. Dreyer in: B. Adams - R. Friedman (eds.), op. cit. 1992, 259ff) . Deze met inkt beschreven cilindervazen werden door Petrie (T. 1549: Petrie, Tarkhan II, 1914, 11 en pl. 9.3; t. 315: Petrie et al. 1913, 9, 29, pl. 31.66 (verkeerd als Ka voorgesteld) en pl. 60 (hier wordt de vaas niet vermeld; cfr. Kaplony I.A.F. III pl. 1, 2; id. I.A.F. II, 1090.) gevonden in graven 1549 en 315. Kaiser en Kaplony lezen de naam in hun serechs als Schorpioen (met de staart nu onder het lichaam geplooid). Dit is allemaal echter moeilijk te aanvaarden want in beide gevallen ( M.A.O en Tarkhan) is de blikrichting van valk en schorpioen dan tegengesteld aan elkaar. Dreyer (G. Dreyer in: B. Adams - R. Friedman (eds.), op. cit. 1992, 259ff) introduceerde om dit probleem op te lossen een koning Krokodil , als lokale vorst in de Fajoem regio . Althans voo de serechs uit Tarhan maar niet voor deze uit Minshat Omar.
NUBIË
De graffito werd in rood nagetrokken voor de duidelijkheid
Een graffito te Gebel Sheikh Suleiman [30] in Boven- Nubia (zone van de tweede cataract) toont een schorpioen met een gevangen in zijn klauwen met nog nog twee menselijke figuren met boog en valse start die naar de schorpioen gewend zijn. Deze scene is volgens F.Raffaele veel vroeger te dateren dan Schorpioen II ,aan wie deze scenen wel eels is toegeschreven . Hij suggereert eerder een chef in de Nagada IIIa (of zelfs Nagada II) periode ( Schorpioen I ?) .
Over welk gebied regeerde Schorpioen II ?
Wanneer men abstractie maakt van zijn zogenaamd graf in Abydos dan zou hij evengoed een koning van Nekhen kunnen zijn die gelijktijdig met Narmer regeerde en misschien door deze opzij werd gezet. De rosette in plaats van de serech zou ook in deze richting kunnen wijzen. Uit de plaats van de vondst kan weinig worden afgeleid daar ook koning Narmers knotskop die zeker een vorst van This was op dezelfde plaats in Nekhen werd gevonden. Dreyer denk trouwens dat Schorpioen II een Thinitische vorst was wiens graf nog niet werd gevonden te Abydos. Later nam hij an dat graf B50 dit van Schorpioen zou zijn.
Wanneer regeerde hij ?
Volgens sommigen zou hij dezelfde persoon zijn als Narmer/Menes. Zij steunen daarbij op het feit dat ook de koningen van de Eerste Dynastie verschillende namen voerden (David P. Silverman, David O'Connor, Ancient Egyptian Kingship, Brill 1995, p.9). Dus miscchien ook hun voorgangers.
Anderen argumenteren dat de naam van Narmer's Voorganger (?) Ka, alleen maar een stillistische variant zou zijn van een schorpioen en dat beide eenzelfde persoon zouden zijn met de naam Sekhen.
Susan Wise Bauer echter houdt het er bij dat Narmer en Schorpioen II , twee verschillende koningen zouden zijn maar dat Schorpioen II zowat honderd jaar voor Narmer zou hebben geregeerd in 3200 v.Chr.Susan Wise Bauer, The History Of The Ancient World (From The Earliest Accounts To The Fall Of Rome), W. W. Norton & Company, Inc., ch.4, pg.22-29)
Als Schorpioen alleen de witte kroon van Boven-Egypte draagt en een overwinning op de Kivieten heeft geboekt dan moet dit feit zijn voorgekomen voor de vereniging van de Beide-Egyptes en voor Narmer.
n een recent artikel van de NY Times werd gepostuleerd da koning Schorpîoen oorlog zou hebben gevoerd tegen Nagada rond 3250 v.Chr. Dit is gebaseerd op een serie inscripties genaamd "Het Schorpioen Tableau."
(1) Channel 5 TV programme Secrets of Egypt 2/8 Scorpion King, 20-21 uur op Dond. 20. November 2008 (2) Dreyer, in: MDAIK 43, 1987; id., MDAIK 46, 1990 p. 71; Hoffman, The Sciences, Jan/Feb 1988, 40-7 (3) J.E.Quibell and F.W. Green , Hierkonpolis, 2 vols -London 1900 -1902 (4) Shaw, Ian; and Nicholson, Paul. The Dictionary of Ancient Egypt. p. 254. The British Museum Press, 1995
Monumenten en inscripties:
Andere litteratuur
[5]Edwards, I.E.S., The Early Dynastic Period in Egypt. in The Cambridge Ancient History, vol. 1, part 2, ed. Edwards, I.E.S, et al. p. 6. Cambridge University Press, 1965.
@ F. J. Yurco, "Narmer: First King of Upper and Lower Egypt. A Reconsideration of his Palette and Macehead" in Journal of the Society for the Study of Egyptian Antiquities, No. 25, 1995, Figure 1
*
Voor de mogelijke datering ( voorgesteld door G. Dreyer, in Umm el-Qaab I, 1998, 173ff.) van de Tehenoe palet (Steden palet) tijdens de regering van koning Schorpioen II
cf. Dynasty. OOk L.D. Morentz has heeft recent nog (2004, 144ff.) de connectie tussen de "Boeto Palet" en koning Schorpioe bevestigd. with king Scorpion.
ARTIKEL NOG ONDER CONSTRUCTIE
Beeld van Anoebis (onder in kleur) zoals aangetroffen door Carter in het graf van Toetanchamon.
"Hij met het hoofd van een wilde hond". De zeventiende westelijke nome of gouw van Boven-Egypte1 voert als embleem Anoebis maar dat wil nog niet zeggen dat Cynopolis, de hoofdstad van deze nome, de originele cultplaats van Anoebis was. Indien , zoals Sethe denkt, de pluim in de rug van de hond er op zou duiden dat het dier niet langer meer vereerd werd maar dat afbeeldingen ervan als het ware heilige afbeeldingen geworden waren dan moet zijn verering al zeer oud zijn. Zeker is dat hij reeds vanaf het Oude Rijk wordt beschouwd als de universele god van de begrafenis en de doden. Hij had ondertussen reeds gelijkaardige goden zoals Sokar , Wepwawet (Oepoeaoet), Chentimentioe uit Abydos, Ha en Amentit geassimileerd. In Lycopolis en Abt was de cultus van Anoebis bijzonder ontwikkeld.
Hij verstrekt aan de overledene de begrafenis-offerande en wordt beschouwd als de "heer van de overledenen" en dit tot en met de vijfde dynastie. Op dat ogenblik wordt hij in deze rol door Osiris vervangen en wordt hij de assistent van deze laatste in het begrafenis ritueel. In het bijzonder waakt hij over de bewaring van het lichaam en dus de mummificatie. Hij had immers ook Isis en Horus geholpen bij de balseming van het lichaam van Osiris. Hij bezorgde hen de zalven en stoffen noodzakelijk voor dit doel. Hij kan zowat beschouwd worden als de apotheker van de goden en werd dan ook als het ware de beschermheilige van de lijkbalsemers.
Anoebis neemt de mummie in ontvangst bij het begin van de onderwereld
Naast de god van de lijkbalseming wordt hij ook beschouwd als de god van de begraafplaatsen. Jakhalzen, (alhoewel er volgens natuurkenner en Egyptoloog Louis Keimer in Egypte geen echte jakhalzen voorkomen) en wilde honden waren veel voorkomende aaseters op de Egyptische begraafplaatsen. Het vereren van Anoebis kan dan ook beschouwd worden als een manier om de lijken te beschermen tegen vernieling. Het is echter onder Egyptologen geen uitgemaakte zaak of de hondachtige die vaak met het Egyptische woord "sab" wordt aangeduid een wilde hond of een jakhals betreft. Maar naar alle waarschijnlijkheid gaat het toch om een min of meer zuivere soort van het ras Canis lupaster. Daarnaast dient opgemerkt dat de gelijkenis van de eigentijdse Basjeni hond met de afbeeldingen van Anubis treffend is. Zie hiervoor ook "de offerformule deel IV"
Samen met Horus waakt Anoebis ook over de psychostasie of de "waag van het hart". Hij vergezelde de overledene naar Osiris troon voor dit ritueel van het wegen van het hart. Zijn voornaamste taak hierbij was het bewaken van de schalen waarop het hart afgewogen werd tegenover de pluim van de godin Maat (rechtvaardigheid). Oorspronkelijk was Anoebis de oppertse rechter maar deze functie ging over op Osiris.
Links onder begeleidt Anoebis de dode naar het oordeel. Iets verder naar rechts ziet men hem zorgvuldig de weegschaal afstellen. Het resultaat zal opgeschreven worden door Thot met de Ibiskop en aan Osiris gezeten op de troon met achter zich de godin Maat medegedeeld. Horus met de valkenkop zal de dode dan naar Osiris leiden om het verdict te horen. Indien het negatief is zal het beeest naast de weegschall het hart verslinden en de overledene zal voor eeuwig ophouden met bestaan
Hij wordt afgebeeld als een jakhals of wilde hond maar ook als een man met het hoofd van een jakhals/hond. Priesters die bedrijvig waren bij de balseming of de begrafenisplechtigheid leidden droegen vaak een jakhals masker om de godheid uit te beelden. Anoebis wordt vaak bij de ingang van het graf afgebeeld en niet zelden door twee afbeeldingen in spiegelbeeld. Maar het han hier ook om Oepoeaoet gaan. Een afbeelding van Anoebis was ook terug te vinden op de zegels waarmee de tomben in de vallei der koningen werden afgesloten. Een liggende Anoebis werd hierop afgebeeld boven een set van negen gebonden gevangenen met als betekenis dat Anoebis het graf tegen boosdoeners zou beschermen. <:p>
De zwarte kleur van Anoebis is terug te voeren op de kleur van vergane lijken maar ook op de bitumen van de balseming en de zwarte aarde (kemet) van de Nijvalei. Deze aarde jaarlijks aangebracht door de overstroming was nauw verbonden met het idee van "wedergeboorte". Het zwart had dus niets met rouwen te maken integendeel.
De zittende Anoebis droeg vaak een ceremoniлle halsband on de nek en soms een sechem-scepter ( net als Osiris). In zijn meest traditionele vorm komt Anoebis liggend voor ("hij die op zijn buik ligt") iets wat hem onderscheidt van de door hem geassimileerde Oepoeaoet die meestal staande op vier poten afgebeeld.
Anoebis heeft ook verschillende bijnamen en titels
1.Eerste vande Westerlingen (Chenty iment oe ). Een titel die hij later verloor aan Osiris. De Westerlingen waren de doden begraven op de westelijke oever van de Nijl en daar rondzwierven. Zoals hogerop reeds vermeld was Chentimentioe de vroegere hond-god van Abydos, die door Anoebis geassimileerd werd maar later йn van de titels van Osiris werd.
2.Hij die op zijn berg zit (tepy djoe-ef). Anoebis zit namelijk op de toppen van de bergen van de westelijke oever boven de de begraafplaatsen die hij van daaruit bewaakt.
3.Heer van het heilige land.(neb ta djeser). Met het Heilige Land bedoelde men de woestijn en de daarin gelegen necropolen waar de begrafenissen plaatsvonden.
4.Degene die over gods paviljoen heerst. (chenty seh netjer) De grafkamer of de plaats (hut of tent) waar de balseming plaatsvond wordt hiermee bedoeld.
5. Hij die in de plaats van de balseming is. ( imy-oet )
6. Zonen van de hesat-koe. Dit meervoud vergt enige verklaring. Anoebis werd ook in verband gebracht met de imioet fetisj. Deze bestond uit de onthoofde huid van een dier aan een paal opgehangen. In het begrafenismateriaal van het Nieuwe Rijk zijn afbeeldingen van deze imioet-fetisj bekend en een beeldje ervan werd aangetroffen in het graf van Toetanchamon. Beiden, de fetisj en Anoebis, werden beschouwd als de zonen van de hesat-koe.
7. Opener van de weg (oepoeaoet). Een titel die ook aan Anoebis werd toegeschreven maar in feite aan een afzonderlijke godheid behoort. Samen met Anoebis begeleidde hij de doden door de onderwereld naar de troon van Osiris. In feite was Anoebis dus een beschermer vn de dode en zijn mummie. Hij was ook aanwezig bij de ceremonie van de opening van de mond. en beschermde en begeleide de overledene op zijn tocht door de onderwereld. Merkwaardig is dat in verschillende culturen de hond als begeleider in de onderwereld wordt voorgesteld. In Peru en Mexico werden honden bij de begrafenis geofferd en het is niet onmogelijk dat eenzelfde idee aan de basis van de cultus van Anoebis lag.
Anoebis of een priester met een Anoebismasker bij de ceremon,ie van het openen van de mond
Over zijn afkomst was men het niet eens. Hij wordt soms beschouwd als de vierde zoon van Ra maar ook nog (volgens de theologie van Heliopolis) als de zoon van Nephtys en Osiris alhoewel men doorgaans Seth voor zijn vader hield. De beide laatste stellingen duiden erop dat Anoebis wellicht oorspronkelijk een kosmische god was en ergens een fase van de duisternis van de nacht ( en dus het westen en de verblijfplaats van de doden) verpersoonlijkte.
(1) Anubis, herr von Sepa und der 18 oberдgyptische Gau.ZДS 58( 1923), 79-101, Der Gau von Kynopolis und seine Gottheit, MIO 6(1958), 157-75
La grande encyclopйdie de l'Egypte.
Lucia Gahlin ,2001, Egypte: goden, mythen en religie,
Maurizio Dammiano-Appia. Dictionnaire encyclopйdique de l'Egypte
Wallis Budge The Gods of the Egyptians.en From fetish to God in Ancient Egypt
Manfred Lurker, An illustrated Dictionary of the Gods ans Symbols of Ancient Egypt
Aker was een god van de aarde. Hij hield toezicht op de overgang van de westelijke naar de oostelijke horizon, die de in- en uitgang van de onderwereld vormden. Daar waar de zon verween en zijn nachtelijke tocht in de wereld van de doden begon en daar waar iedere ochtend de zon weer oprees uit deze donkere wereld hield hij de wacht. Hij wordt meestal afgebeeld als twee rug aan rug zittende leeuwen maar ook als een stuk land met aan elk uiteinde ofwel een leeuwenkop ofwel een mensenhoofd. In het begin betrof het een stukje land met slechts aan één zijde een mensenhoofd 1 en pas later werd een tweede hoofd toegevoegd om hem als goddelijk wezen te onderscheiden2. De god door wiens lichaam de zon werd opgeslokt en dit terug verliet na haar nachtelijke tocht door er doorheen.
Afbeelding van de Aker(oe), als twee leeuwen, die de opgaande zon Achet op hun rug en de hemel Noet op hun hoofd schragen, Afbeelding uit het Dodenboek van Ani , negentiende dynastie,ca 1250, geschilderd op papyrus
Sinds het Nieuwe Rijk worden ook de voorpoten van een leeuw aan het hoofd toegevoegd. Het wordt dan als het ware een dubbelsfinx . Nu en dan zal het mensenhoofd door een leeuwenkop vervangen worden. Waarom de overgang van mensen naar leeuwenhoofd plaatst vond is niet met zekerheid geweten. Aanleiding daarvoor kan geweest zijn dat Aker in de dodenteksten vaak optrekt met de luchtgod Sjoe (en dus met Roeti, het leeuwenpaar van Leontopolis, die met Sjoe en Tefnoet geïdentificeert werden )3 . De dode wil namelijk niet in de aarde blijven; wel willen zijn voeten op Aker (aarde) rusten maar zijn hoofd wil zich door Sjoe (lucht) omringd zien 4. De leeuwen of de hoofden zijn respectievelijk naar het westen en het oosten gericht waar de zon ondergaat en opstaat.
In de pyramide teksten 5 spreekt men tot de mensen voor wie de poorten van de onderwereld geopend zijn aldus " de poorten van de aardegod (Aker) zijn geopend voor jou". Aker is dus, ondanks de gruwel die hij opwekt, de dode niet ongunstig gezind en onder de amuletten die men aan de doden meegeeft vindt men ook afbeeldingen van Aker 6. Maar hier is één van de leeuwenkoppen soms vevangen door een stierenhoofd. Een verwijzing naar Osiris, "de stier ven het Westen".
Verder vinden we Aker vooral in kosmische afbeeldingen terug. De koningsinscripties uit het Oude Rijk zijn dikwijls symbolisch door aarde, hemel en hemelsteunen omringd, waarbij de aarde door Aker uitgebeeld wordt.7. Verder vinden we Aker in afbeeldingen van de kringloop van de zon. 's Nachts beweegt de zon zich door het lichaam van deze God ( een variante op de doorgang van de zon door het lichaam van de hemelgodin Noet) om 's morgens weer uit zijn lichaam te voorschijn te komen. Men beeldt dit uit door de zonnebark tussen de hoofden van Aker te laten opgaan zoals de zon tussen de bergen.8.
Aker draagt het zonneschip
Zo worden beide hoofden dan ook symbool voor het oosten en het westen en van daaruit is het kleine stap om hen te bezien als bewakers van deze horizonten, die de toegang tot de geheimen van de onderwereld bewaken. In de latere theologie zullen de leeuwen afzonderlijk beschouwd "Sef" en "Doeaoe" genaamd worden wat zoveel wil zeggen als "gisteren" en "vandaag". Aker stond dus nauw in betrekking tot de reis van de zon in de onderwereld en later werd de houder van de mast van de zonneboot dan ook met Aker geïdentificeerd.
Ook werd het concept van de sfinxachtige figuren die de onderwereld bewaakten uitgebreid en beelden van leeuwen of sfinxen werden aan de ingang van graftomben en paleizen gezet om deze te bewaken.
Al bij al speelt Aker maar een bescheiden rol ind e myhtologie en als aardgod werd hij al snel door Geb uit de kosmogenie van Heliopolis (On) overvleugeld, daar waar de pyramide teksten 9 beide goden nog als gelijkwaaridg behandelen. Soms komen ze samen voor in afbeeldingen en de gestalte van Geb wordt dan door Aker op de rug of de schouder gedragen.
In de oudste teksten werd zijn naam nog geschreven met het teken "aarde" , een smal stukje land. De naam van deze god in hiërogliefen vindt u hieronder. Het heeft niets moeilijk en is in zuivere unileterale tekens geschreven met het teken van zittende god als determinatief.
Anderzijds komt ook de meervoudsvorm van Aker n.m.l. Akeroe voor. Normaal betreft het twee goden en verwachten we een dualis "Akeroei" en deze komt ook voor. In vele gevallen echter zijn de Akeroe aardegeesten die onder de vorm van slangen de doden bedreigen 10
1. Pyramide teksten nr 504, 658. Zie ook voor een dergelijke afbeeldinghet Narmerpalet : nml. het hoofd van de zgn. Delta bewoner met in de neus de haak vastgehouden door de Horusvalk vastzittend aan het landstukje begroeid met papyrus
2.Pyramide teksten 796 .
3. G.Roeder : 1915 Urkunden zur Religion des alten Дgypten
4.Pyramide teksten 325.
5.Pyramide teksten nr 769, 1014, 1713
6.Reisner; 1914 Amulets pl 22
7.L. Borchardt, 1910-13, Das Grabmal des Kцnings Sahure I
8.E. Lefébure, 1886, Les hypogées royaux de Thébes. Div 1. Le tombeau de Séti I
9.Pyramide teksten nr 796
10. Sethe Zeitschrift für ägyptische Sprache und Atertumskunde, 59,96;64,4
Lit:
Hans Bonnet, Lexikon der ägyptischen Religions-Geschichte ; I. Shaw & P.Nicholson, The Dictionary of Ancient Egypt, Budge E.A.W., The Gods of the Egyptians; M.Lurker, An illustrated Dictionary of teh Gods ansd Symbols of Ancient Egypt; M.Damiano-Appia ,L'Egypte, dictionairre Encyclopédique
Samenvatting van de geschiedenis van het Oude Egypte
Geleerden verdelen de lange geschiedenis van het Oude Egypte in periodes en dynasties.
Een dynastie bestaat uit een serie koningen die niet alleen door familiale banden maar ook gemeenschappelijk geografische origine, gemeenschappelijke hoofdstad of een ander element bij elkaar horen. Het huidige systeem van dynasties gaat terug op het werk van Manetho, een Egyptische priester die in opdracht van de Griekse farao in ca 300 v.Chr. een geschiedenis van Egypte schreef. Hij gebruikte daarbij oudere manuscripten uit tempelarchieven en deelde de farao's in in een reeks van dertig dynasties. Deze onderverdeling is nog steeds in gebruik maar dan wel herzien op basis van nieuwer historisch materiaal.
De indeling in periodes is een uitvinding van de moderne Egyptologie waarbij de dynasties gegroepeerd worden in grotere tijdvakken meestal overeenkomend met periodes van eenheid en verdeeldheid van het land.
De Dynastische Periode van Egypte begint rond het jaar 3000 v.Chr. wanneer het land onder één centrale regering komt. Voor die tijd was Egypte verdeeld over een paar lokale machtscentra en deze periode staat bekend als de Predynastische Periode. Meestal bedoeld men met de Protodynastische Periode de periode van de eenmaking van het land vlak voor de Eerste Dynastie. Meest waarschijnlijk was deze eenmaking niet het gevolg van een enig feit of veldslag maar een langzaam en progressief gebeuren.
Manetho laat zijn 1e Dynastie beginnen met de legendarisch koning Menes, die Noord- en Zuid-Egypte verenigde en een nieuwe hoofdstad bouwde te Memfis ( net ten zuiden van het huidige Cairo). De Egyptologen zijn er nog steeds niet uit met wie, van de archeologisch bekende farao's, deze Menes nu moet geïdentificeerd worden. Tegenwoordig neemt men aan dat de eerste koning van de 1e Dynastie ofwel Aha, ofwel zijn voorganger, Narmer zou zijn. Maar in feite zijn er veel argumenten om aan te nemen dat reeds een aantal koningen voor Narmer controle hebben uitgeoefend over een groot deel van, zoniet over gans, Egypte. De Egyptologen groeperen deze koningen in een "Dynastie 0".
Strijdknots met afbeelding van koning "Schorpioen" (Dynastie 0)
De dynasties 1 en 2 werden door Egyptologen gegroepeerd in een ARCHAÏSCHE PERIODE (ca 3200 -2686 v.Chr.) die ook naar de stad van afkomst (This) van deze farao's wel eens THINIETENTIJD genoemd wordt. Tijdens deze periode kunnen we reeds de ontwikkeling volgen van vrijwel alle traditionele aspecten van de Egyptische beschaving op gebied van regering, godsdienst, kunst, schrift e.a.
Beeld van farao Chasechem (Dyn. 2)
Maar het is tijdens de Dynastie 3 tot 6, gegroepeerd in het OUDE RIJK (ca. 2686 - 2172 ) dat de Egyptische cultuur volledig tot bloei kwam. Dit is de tijd waarin de grote pyramiden werden gebouwd en ook deze van het verschijnen van volledige hiërogliefen teksten.
Beeld van koning Djoser (Derde Dyn)
Na de Zesde Dynastie begon het centraal gezag in Egypte te verslappen en ving een periode van oproer en verwarring aan, die bekend staat al de EERSTE TUSSENPERIODE (Dynasties 8- 11, 2173 - 2040).
Manetho's Zevende Dynastie schijnt echter niet overeen te komen met enig bekende koning. Tegen het eind van de periode regeerden in Egypte twee tegen elkaar wedijverende dynasties: de Tiende Dynastie met als hoofdstad Herakleopolis in het noorden en de Elfde Dynastie, met als basis Thebe in het zuiden.
Gewicht met de cartouche van farao Chety Nebkaoere (9 & 10 dyn.)
Rond 2040 slaagde Mentoehotep II, een koning van de Elfde Dynastie, erin opnieuw gans Egypte onder zijn scepter te herenigen. Daarmee werd de periode van het MIDDENRIJK (Dynasties 11 -12, ca 2040 - 1786) ingezet. Met de Twaalfde Dynastie, die vanuit een nieuwe hoofdsad Lisht (een dertigtal kilometer van Cairo verwijderd) regeerde, begon een tweede luisterrijke periode voor de Egyptische cultuur. De eerste grote werken in de Egyptische literatuur werden toen geschreven in een fase van de Egyptische taal die bekend staat onder de naam klassiek of Midden-Egyptisch.
Koning Sesostris I (dynastie 12) 1965-1920 v.Chr.
Na de Twaalfde Dynastie begon het centrale gezag opnieuw te verzwakken en begon voor Egypte de TWEEDE TUSSENPERIODE (1789 -1552 v.Chr. Dynasties 13-17). Deze startte nog tijdens de Dertiende Dynastie toen een aantal lokale heersers de controle over de Delta overnam. Rond 1650 namen heersers van een Aziatische nederzetting in Delta de controle over het grootste gedeelte van Egypte over. De Egyptenaren noemden deze koningen de "heka hasoet", de buitenlandse heersers of Hyksos. Deze koningen worden traditioneel ondergebracht in de Vijftiende Dynastie. Ondertussen nam de Dertiende Dynastie een einde maar rond Thebe, in het zuiden van Egypte stond een nieuwe dynastie van lokale heersers (Zeventiende Dynastie ) op en in de Westelijke Delta regeerden koningen van de Zestiende Dynastie ( waarschijnlijk als vazallen van de Hyksos).
Beeld en cartouche van koning Apepi = Ippi (Hyksos)
Na een serie gevechten slaagden de koningen van de Zeventiende Dynastie er in de Hyksos te verdrijven en Egypte weer onder één scepter te herenigen. Dit luidde het begin van de Achtiende Dynastie en meteen ook van HET NIEUWE RIJK (1552 -1069 v.Chr., dynasties 18-20) in. De Egyptische cultuur straalde weer uit en nu ook over een groot deel van het Nabije-Oosten, dat de farao's van de Achtiende Dynastie hadden weten te veroveren. Grote bouwprojekten werden op touw gezet maar op het eind van de Achtiende Dynastie zou de "ketterse " farao Achnaton een periode inluidden van onrust (hij trachte een monotheïstische godsdienst op poten te zetten). Dit tijdperk van Achnaton en zijn onmiddellijke opvolgers waaronder Toetacnhamon staat bekend als de "Amarna periode" (ca 1350-1323 v.Chr.).
Reuzenbeeld van Ramses II (tempel te Aboe Simbel)
De laatste farao van de Achtiende Dynastie Horemheb slaagde er wel in de gevolgen van de hervorming en de verwaarlozing van de buitenlandse betrekkingen recht te trekken en heerste opnieuw over een stabiel en sterk rijk. De meeste vorsten van de twee volgende dynasties droegen de naam Ramses en deze periode staat bekend als de periode van de Ramessieden(Dynasties 19-20, ca 1295- 1070/69 v.Chr.). De regering van Ramses II (ca 1279-1213 v.Chr. ) vormde het hoogtepunt van deze periode, gekenmerkt door een vredesverdrag met de Hittieten ( de tweede grootmacht van het Nabije-Oosten) , opmerkelijke vorderingen in de theologie en de filosofie en de grootste bouwprojecten sinds de pyramiden 1300 jaar voordien.
Alhoewel de meeste opvolgers van Ramses II dezelfde naam droegen waren het maar zwakke afspiegelingen die met moeite de erfenis voort torsten.
Na de dood van de laatste farao van de Twintigste Dynastie Ramses XI verviel Egypte terug in een staat van verdeeldheid, bekend als de DERDE TUSSENPERIODE (1069-664, dynasties 21-25). Het land werd verscheurd tussen elkaar bekampende dynasties van autochtone ( Dynastie 21 en 24), Libische (Dynasties 22 en 23) en Nubische (Dynastie 25) vorsten. Slecht rond 650 slaagde een inheemse dynastie (Dynastie 26, ca 664-525 v.Chr.) erin Egypte terug onder één kroon te verenigen. Deze vorsten hadden Saïs in de Delta als hoofdstad en de periode staat bekend als het Saïtische Tijdvak. Het werd gekenmerkt door een heropleving van de traditionele kunst en levensnormen gebaseerd op de klassieke voorbeelden uit het Oude - en het Midden- Rijk
Afbeelding van farao Psammetichos I 644-610 v.Chr. (Saïtische periode)
De Saïtische periode kwam echter brutaal tot een eind door de verovering van Egypte door de Perzen in 525 v.Chr. Voor het eerst in de eeuwenlange geschiedenis van Egypte werd het land geregeerd niet als een onafhankelijk koninkrijk maar als een provincie van een vreemd rijk.
Tijdens de volgende tweehonderd jaar bekend als de LATE PERIODE ( Dynasties 27-30, 525- 332 v.Chr.) verkeerde Egypte onder Perzische heerschappij (Dynastie 27) met daar tussenin korte periodes waarin inheemse vorsten de controle over het land wisten te heroveren (Dynasties 28-30) . In 343 v.Chr. echter onderwierpen de Perzen, nu definitief, het land en verdreven de laatste farao Nectanabo II. Het zal tot 1952 duren eer Egypte zijn onafhankelijkheid zal herwinnen.
Toen Alexander de Grote het Perziche Rijk veroverde viel ook Egypte in zijn handen (332 v.Chr.). Na zij dood zou Egypte onder het gezag van een van zijn generaals, Ptolemaios genaamd, vallen. Alhoewel ze van Macedonische komaf waren regeerden hij en zijn opvolgers als echte Egyptische farao's. Gedurende hun driehonderjarig bewind, bekend als de Ptolemeïsche Periode ( 323 -30 v.Chr.) zou Egypte opnieuw heropleven onder een sterk centraal gezag met een voortdurend programma van herbouwing en verbouwing van de oudere monumenten.
Munt van Ptolemaios IV Philopator 221-205 v.Chr.
Aan dit tijdvak kwam een eind in 30 v.Chr. toen Marucs Antonius, bondgenoot van Cleopatra VII door Octavianus ( de latere keizer Augustus) verslagen werd in de zeeslag bij Actium. Egypte werd een provincie van het Romeinse Rijk. Alhoewel gedurende de eerste vierhonderd jaar Egypte zijn tradities min of meer behield onder de Romeinse keizers als nominale farao's , ging de Egyptische identiteit toch progressief verloren. Eerst door beinvloeding van het christendom (Koptisch Tijdvak) en daarna in 641 door deze van de Islam (bij de verovering van het land door de Arabieren).
Belangrijkste cultuscentra waren :Thebe, Hermopolis Magna ( Khnoem in het Egyptisch, het moderne el Asjmoenein), Meroë in Ethiopië en de oase van Siwa in Libië
Zijn naam werd geschreven :
Zijn naam betekende "de Verborgene" en een van zijn grafschriften was "mysterieus van gedaante . De naam zou verband houden met het werkwoord "imni" dat verstoppen betekent. Maar het is ook mogelijk dat zijn naam verband houdt met een oud Lybisch woord "aman" dat water betekent. De onmogelijkheid om een naam (nomen) voor deze complexe godheid te vinden werd opgelost door hem "asja renou" i.e "rijk aan namen" te noemen.
Voorstelling: Ondanks het geheim van zijn gedaante, als schepper en bron van alle leven waarin hij onzichtbaar was, werd Amon voorgesteld als een man met een hoofdtooi met twee pluimen, maar ook als een man met een ramskop (sjeft) of als een ram ( Ovis platyra) met naar binnen gebogen horens dicht bij de kop en dus duidelijk verschillend van het ram met horizontale horens ( Ovis logipes palaeoegypticus) dat karakteristiek was voor de godheid Chnoem. Een blauwe huidskleur ( lucht ?) was karakteristiek voor de afbeelding van Amon.
Bekend zijn ook de criosphinxen: leeuwenbeelden met ramskoppen die tussen hun poten een beeld van de farao houden en waarmee de dreven die de tempels van Loeksor en Karnak met elkaar verbonden, afgeboord waren. Ook de "Oeserhat", de magnifieke processieboot van Amon, de Heer van de Twee Horens, was aan de boeg en achtersteven met ramskoppen versierd.
De ram werd reeds in de prehistorie in de Sahara vereerd en drong van daar door naar de Nijvallei waar hij het onderwerp werd van verschillende religieuse syncretismen ( versmeltingen); zoals deze van de Nubische ram, vereerd te Kerma en de rest van Nubië en de Egyptische Amon.
Criosfinxen langs de processieweg van Karnak
Soms werd hij ook afgebeeld als een "smn"-gans ( Alopochen aegyptiaca). In een hymne op de papyrus "Leiden 1350" wordt hij beschreven als " de grote schreeuwer " , een oergans. Ook de slang, waarin hij zich reïncarneerde was als heilig dier aan hem gewijd.
Soms werd hij verbonden met de vruchtbaarheidsgod Min tot Amon-Min of Amon-Kamoetef ( stier van zijn moeder). In dat geval werd hij ithyiphallisch (met een stijve penis) afgebeeld . Mogelijks werd Min, de god van het naburige Coptos, te Thebe vereerd voor Amon. Beide voeren ze in hun afbeeldingen de karakteristiek pluimen op hun kroon, wat op verwantschap zou kunnen wijzen.
Als Amon-Ra werd hij ook verbonden met de zonnegod Ra, een van de dominerende goden uit het Oude Rijk. Het zou onder de Vijfde Dynastie zijn dat de vereniging met Ra tot stand kwam . In die hoedanigheid draagt hij een zonneschijf naast de pluimen op zijn kroon (zie afbeelding 3 hierboven: Amon met het ramshoofd waarbij de zonneschijf duidelijk te zien is voor de pluimen). Deze verbintenis met de populaire godheid Ra was een van de oorzaken van zij algemene opgang later.
Amon, de heer die in alle dingen verblijft , werd ook geacht de ziel (ba) van alle dingen te zijn.
Amon was oorspronkelijk samen met zijn gemalin Amaunet één van de 4 koppels van oergoden van de ogdoade (Grieks voor een groep van acht) uit de scheppingsmythe van Hermopolis Magna. Hij personifieerde de wind of de verborgen kracht van de lucht. Hij was een scheppingsgod die zichzelf kon opwekken door de vorm aan te nemen van een slang die zijn huid afwerpt. In die functie was hij bekend als Amon Kametef (hij die zijn tijd vervuld).
Zijn voornaamste cultuscentrum was de tempel van Karnak te Thebe waar hij samen met zijn echtgenote , de gier-moedergodin, Moet en hun kind de maangod Chonsoe als goddelijke triade werd vereerd.
Hij wordt voor het eerst vernoemd in de pyramide teksten uit de vijfde dynastie (ca 2350 - ca 2345) waar zijn gemalin Amonet of Amaunet is. ( = Amon + vrouwelijke eind "t")
Men weet niet precies wanneer men begon met Amon te Thebe te vereren maar als lucht en windgod veronderstelt men dat Amon misschien een god van de plaatselijke schippers was. Zeker is dat helemaal niet. Wel zeker is dat tijdens de "Eerste Tussenperiode" een tempel aan hem gewijd bestond te Thebe.
Met de opgang van de dynasten van Thebe werd Amon steeds belangrijker zodat hij tenslotte de oppergod van het staatspantheon van de Egyptenaren werd. Later vereenzelfdigden de Grieken onder de Ptolemeeën hem met Zeus en de Romeinen met Jupiter. Zijn opkomst dankte hij vooral aan deze van de plaatselijke Thebaanse heersers, die sinds Mentoehotep II progressief het land wisten te herenigen na een periode van oproer en onenigheid onder de gouwvorsten (Eerste Tussenperiode). Een inscriptie van Senoesret I (ca 1965- ca 1920 v.Chr.) , uit de vroege twaalfde dynastie, in de jubileumkapel te Karnak beschrijft Amon als "de koning der goden". Senoesret was bovendien de eerste vorst die te Karnak een heiligdom oprichtte.
Het was Amon-Ra, de Thebaanse manifestatie van de zonnegod, die de expansie van het Egyptische koninkrijk over Nubië en de Levant voorzat. Hij werd geassocieerd met de heersende farao maar het was de Thebaanse priesterklasse die gebruik maakte van het prestige van de cultus van Amon-Re om tegen het eind van het Nieuwe Rijk hun rivaliteit met de farao te legitimiseren.
De opkomst van de farao's van de vijfentwintigste dynastie afkomstig uit Koesj leidde tot een renaissance van de cultus van Amon, daar de Nubiërs geloofden dat de werkelijke thuisbasis van Amon de Djebel Barkal in Noord-Soedan was. Koningen als Piy, Sjabaka en Taharqa associeerden zich met de cultus van Amon en trachten de cultus en de heilige plaatsen nieuw leven in te blazen. De tempel van Darius te Hibis in de oasis van Kharga en het orakel van Amon in de oasis van Siwa bleven prestige uitstralen tot aan de tijd van Alexander de Grote.
Bronnen: -J.Zandee: De hymnen aan Amon van papyrus Leiden 1350, Leiden, 1948 -Lucia Gahlin; Egypte goden, mythen en religie,Utrecht 2001 -K.Sethe: Amun und die acht Urgцtter, Leipzig, 1929 -Hans Bonnet:Lexikon der Äyptischen religionsgeschichte; 1952 -Champollion J.F. Panthйon Egyptien,1823 -Wallis Budge E.A. The Gods of the Egyptians,1904 -M.Damiano-Appia. Dictionair encyclopédique de l'Ancienne Egypte,1999 -I.Shaw & P.Nicholson, The Dictionary of Ancient Egypt,1995