NIEUW: Blog reclamevrij maken?
ONDERWIJS ... TAAL ... EN ANDERE LEUKE DINGEN ... ZOALS KINDEREN ...
Inhoud blog
  • Hogeschoolvos (19)
  • Hogeschoolvos (18)
  • Hogeschoolvos (17)
  • Pauze
  • Hogeschoolvos (16)
  • Hogeschoolvos (15)
  • Verlichte gedichten
  • Hogeschoolvos (14)
  • Hogeschoolvos (13)
  • Hogeschoolvos (12)
  • Hogeschoolvos (11)
  • Hogeschoolvos (10)
  • Hogeschoolvos (9)
  • Hogeschoolvos (8)
  • Hogeschoolvos (7)
  • Hogeschoolvos (6)
  • Hogeschoolvos (5)
  • Hogeschoolvos (4)
  • Hogeschoolvos (3)
  • Hogeschoolvos (2)
  • Hogeschoolvos (1)
  • Biebjong 30: Eenhoorn
  • Biebjong 29: Schaak!
  • Biebjong 28: Hop!
  • Biebjong 27: Hoorspel
  • Biebjong 26: Wuif
  • Biebjong 25: Vallen
  • Biebjong 24: Schoenen
  • Biebjong 23: Stilte!
  • Biebjong 22: Eliott
  • Biebjong 21: Maanreis
  • Biebjong 20: Gans
  • Biebjong 19: Kiezen
  • Biebjong 18: Vis
  • Biebjong 17: Niet nat
  • Biebjong 16: Bloot
  • Biebjong 15: Tingeling
  • Biebjong 14: Windekind
  • Biebjong 13: Jasmien
  • Biebjong 12: Splash!
  • Biebjong 11: Poëzie
  • Biebjong 10: Help!
  • Biebjong 9: Blossen
  • Biebjong 8: Revolutie
  • Biebjong 7: Kind toch!
  • Biebjong 6: Krant
  • Biebjong 5: Stoef!
  • Biebjong 4: Kletskaas
  • Biebjong 3: Appelonia
  • Biebjong 2: Appelen
  • Biebjong 1: Aristide
  • Award?
  • Kersverse boekjes
  • Bieb bieb bieb
  • Wonderklas
  • Van A tot Z
  • Verrekijker
  • HOE IK BRIDGE LEERDE
  • Defence House BV
  • Sybren Polet
  • Lente a/d Leie
  • Kanalfabetisme
  • Abraham op Kulak
  • R-woord
  • Verrekijker
  • Friesland
  • And the winner is...
  • Bij leven & welzijn
  • Too far
  • Muilpeer
  • AMUZEMENTEN
  • Taalstrijd
  • Taaltreur
  • PVO in de klas
  • Staat van medewerking
  • Raf
  • Gedichtendag 2014
  • Kweetet !
  • 2014
  • Ik had jullie willen schrijven
  • Amusant
  • Oprotregeling
  • Sentimental journey
  • Zwanenzang
  • Papa Langkous
  • 175 jaar
  • Etters & Engelen (KT)
  • 13
  • Vives
  • 'Het' gezin
  • IM Virginie V.
  • Ode aan de aldi
  • Verlengingen (55)
  • HET JAAR ELF
  • Hier al verschenen
  • Zomer 2012
  • 175 jaar
  • Een Vlaemsch gezin
  • Verlengingen (54)
  • Schaak!
  • Gedichtendag 2012
  • Wisselkoers 2011-2012
  • Zzoéff!
  • Verlengingen (53)
  • BB A'pen 11
  • Verlengingen (52)
  • Verlengingen (51)
  • Verlengingen (50)
  • Mijn meesters
  • AMUZEMENTEN
  • Taal is een aardig ding
  • D-day
  • Reces
  • Verlengingen (49)
  • Verlengingen (48)
  • Rotkop
  • Lof & Sof
  • Hoegaarden
  • Old skool
  • VREEMDE HEMELVAART
  • Verlengingen (47)
  • Verlengingen (46)
  • Verlengingen (45)
  • Verlengingen (44)
  • Diversiteit
  • Negen
  • Verlengingen (43)
  • I.M.
  • KunstKunst
  • Flashback
  • Verlengingen (42)
  • Aan mijn slechte leraren
  • Aan mijn goede leraren
  • Vakantiegangster
  • De bel
  • Visioen
  • Verlengingen (41)
  • Verlengingen (40)
  • Verlengingen (39)
  • Dofferd tris
  • Dofferd bis
  • Verlengingen (38)
  • Het GND
  • Verlengingen (37)
  • Spelling
  • Dofferd
  • Hete kolen
  • Verlengingen (36)
  • Gedichtendag
  • Verlengingen (35)
  • SPELING
  • Verlengingen (34)
  • Verlengingen (33)
  • Verlengingen (32)
  • Boom der kennis
  • Verlengingen (31)
  • Beurs van boeken
  • Verlengingen (30)
  • Verlengingen (29)
  • Verlengingen (28)
  • Verlengingen (27)
  • Verlengingen (26)
  • Verlengingen (25)
  • Verlengingen (24)
  • DRAMA
  • Kwakkel
  • Verlengingen (23)
  • Verlengingen (22)
  • Verlengingen (21)
  • Verlengingen (20)
  • Verlengingen (19)
  • Verlengingen (18)
  • Verlengingen (17)
  • Verlengingen (16)
  • Verlengingen (15)
  • Verlengingen (14)
  • Verlengingen (13)
  • Verlengingen (12)
  • Verlengingen (11)
  • Verlengingen (10)
  • Verlengingen (09)
  • Verlengingen (08)
  • OBLOMOW
  • Verlengingen (07)
  • Verlengingen (06)
  • Verlengingen (05)
  • Verlengingen (04)
  • Verlengingen (03)
  • Verlengingen (02)
  • Verlengingen (01)
  • Leefbaar Vlaanderen
  • * * *
  • Ken uw klassiekers (2)
  • Ken uw klassiekers (1)
  • Krantenpraat
  • Boekhouder
  • Liberale schoenen
  • GVD ! (Gebed om liefde)
  • Vieze Madeleine
  • Kleermaker van de maffia
    Zoeken in blog

    Foto
    Noordzee, 2012, -10°C, met strandjutter Wilma
    Foto
    Vertellen over mijn boeken in Savio Gits
    Foto
    Wilma viert kerst 2013
    Foto
    Me reading HARDZIEK, Sarah Denoo
    (M/V): MEESTER IN DE VAKKEN (Sjors DNO)
    JEUGDBOEKERIJ & SCHOOLVOSSERIJ VOOR EX-KINDEREN & KINDEREN OP JONGER FORMAAT
    23-03-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Ken uw klassiekers (1)
    Ken uw klassiekers (1)

    Het is dus zover. Ik ben aan de eerste generatie studenten toe (onderwijsstudenten in een lerarenopleiding) die zijn klassiekers niet echt meer kent. Soms zelfs helemaal niet. Als er al eens een lampje gaat branden, dan gebeurt dat via Walt-Disneytoestanden of tv-formats die gebaseerd zijn op de bekende onbekende verhalen.
    'Ik ga voorlezen uit een boek, verteld door de grootste leugenaar uit de wereldbekende literatuur. Wie is dat?'
    Men bleef het antwoord schuldig. Ik zette de studenten op een interessant dwaalspoor door ze bijna letterlijk een neus te zetten.
    'Pinocchio!'
    'Nee: Baron von Münchhausen.'
    Gefronste wenkbrauwen alom. Niemand kende de kerel. Vroeger was dat anders.
    Ik las een hoofdstuk voor. Daarin bengelt een paard aan de spits van een kerktoren. Het heeft die nacht immers gedooid, nietwaar.
    'Is dat echt gebeurd?' vroeg een studente.
    Misschien moet ik weer de aanvankelijke begrippen leugen en fictie uitleggen.
     

    15-03-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Krantenpraat

    KRANTENPRAAT

    Troost u, achtbare heer burgemeester van de guldensporenstede Kortrijk, Uwe ex-Voorzitterigheid: zelfs de hoofdredacteur van de zogenaamde kwaliteitskrant De Standaard (waarin over u toentertijd een potje geroddeld werd) kan niet spellen. In een van de toenmalige uitzendingen van De Zevende Dag (een teeveeprogramma voor intellectuele zondagmensen zonder kater) ontrolde zich voor de kijkers zijn column. Hij las die ook voor. En er stond te lezen: ‘Hij vleide zich neer … enz…. ‘. Dat is een bok van formaat voor een hoofdredacteur. En dat is momenteel ook symptomatisch voor kranten en magazines die zich profileren als zijnde ‘beter’. Zij die in hun teksten op het onderwijs zitten te schieten, bijvoorbeeld, zouden beter zelf eerst behoorlijk leren schrijven. Slangen, Noël: leest gij dit, schertsfiguur? Ik bewaar nog een knipsel uit diezelfde kwaliteitskrant. Het dateert van enkele jaren geleden en het stond op de voorpagina. Een kwaliteitsjournalist vermeide zich in een spelfout in een titel van een boek. Er stond: ‘De Ontsterfelijken’. Een blunder van formaat alweer, ja zeker. Het boek diende dus uit de handel genomen te worden en opnieuw gedrukt, althans: de cover. Maar … in zijn meewarig artikel slaagde de journalist er zelf in een DT-werkwoord-fout te scoren. Wat een voorpaginanieuws! Wat je zegt, ben je zelf. En zo ken ik er nog wel een aantal. Het erge aan krantenpraat is dat het de tekst is van één iemand, die dan door velen klakkeloos geloofd wordt, net omdat het ‘in de krant’ staat. Dan te weten dat de helft van de kranten snert en de helft van de magazines pulp bevatten. Gefotografeerd, beschreven en te grabbel gegooid door prutsers die vroeger voor opstel gezakt werden. De zg. tabloids in Engeland zijn er het schoolvoorbeeld van. Riooljournalistiek. In België vergaat het de meeste kranten zoals de meeste politieke partijen: ze beginnen allemaal op elkaar te lijken. Politiek wordt nu zelfs vaak door journalisten bedreven, want ze willen allemaal zo graag gehoord worden en ad rem zijn. Misschien heeft de politiek ook wel dit soort kranten mee helpen veroorzaken. Van het ogenblik dat politici hun kostbare tijd begonnen te verkwanselen door in teeveespelletjes en dergelijke op te duiken, waren alle rapen gaar. Niet te verwonderen dus dat ze onder het mom van ‘human interest’ in het lang en in het breed ten tonele worden gevoerd en uitgesmeerd worden over paginagrote lappen. Hoge bomen vangen veel wind. Variant: tegen openbare bomen plassen veel honden.


    05-03-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Boekhouder

    BOEKHOUDER

    Boekhouders maken de dienst uit. Commerçanten lezen hun boeken. Het kon nochtans een stomweg mooie ochtend zijn waarop iemand bloemen kocht voor een feest dat in de valavond plaats vond. Maar de tijd is aan polsen vastgebonden. Bloemen gaan met kastickets gepaard. Een feest kost stukken van mensen, als die al komen opdagen. Naar de bloemen wordt slechts eenmaal omgekeken. En als er al boeken verzameld staan in dat feestelijk huis, dan is het de kunst om daar met een kennersblik achteloos overheen te zeilen. ‘Boeken lezen’. Die vraag, die mededeling. Vraag is: wat is een boek? Een aantal bijeen gehouden bladzijden waarin iets te lezen valt. Vaak bedoelt men: lees je boeken die niet echt gebeurd zijn? Thrillers? Detectives? Literatuur? Kookboeken? Nou, een aantal mensen houden wel van boeken. Sommigen zijn zelfs boekhouder. Anderen gebruiken boeken als louter boekensteun voor weer andere boeken. In sommige boekenkasten prijken meer vreemde voorwerpen: een lezende monnik, een kop van Beethoven, een hertje, en meer van dat breekbare fraais. Ik heb geen plaats meer voor verse boeken, maar toch koop ik elk seizoen wel een of andere titel. Daarenboven ben ik een nieuwe collectie begonnen: beeldjes (‘postuurkes’ in ’t algemeen Vlaams) die in een boek aan het lezen zijn. Soms vraag ik me dan af: in welk boek zijn die figuurtjes verdiept? Zeer veel bekende klassieke titels blijven eigenlijk ongelezen. Ik hoorde al vaker echte lezers klagen over het saaiheidsgehalte van en het geworstel met bijvoorbeeld Ulysses (Joyce), Het Wat-Ook-Weer? van België (Walschap? Claus? Kloos?), Iets Over Koffie & Plantages & Buffels (Multatuli) en nog een tiental andere bekende, bekroonde turven. Schrijvers en acteurs en andere min of meer openbare figuren pakken in vraaggesprekken graag uit met zogenaamd ‘onderschatte’ boeken en een rondje moeilijke ‘namedropping’. Het hebben en houden van boeken dient vaak letterlijk opgevat te worden. Anderzijds zijn er ook lezers die hun voorkeurboeken dubbel hebben: een bewaarexemplaar en een beduimeld exemplaar. ‘Lezen’ is bij hen wat meer dan het ontcijferen van letters, woorden, zinnen. Ze worden ook ziek als ze op een euforisch moment een boek uitlenen en dat dan weken blijft ontbreken in hun collectie. Ze krijgen de boekhoudersziekte. In hun boekhouding komt dan een zwarte bladzijde voor. Dat zijn de echte boekhouders. 


    18-02-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Liberale schoenen

    LIBERALE SCHOENEN

    Liberale schoenen, daar waren mijn jongere broer en ikzelf gloeiend kwaad op, jarenlang, totdat de oude Vandamme zijn teringschoenengroothandel in onze straat op moest doeken omdat hij gek werd. Maar toen waren we zelf al halfgek, en bijna de deur uit thuis.

    Liberale schoenen, definitie: foeilelijke schoenen met te grote, te spitse of te brede punten. Ze waren alomtegenwoordig in de magazijnen van de liberaal Vandamme. Het was godgeklaagd, maar de oude liberaal Vandamme, die tot meters boven zijn dikke kop duizenden dozen schoenen gestapeld had, beschikte nooit over ook maar één paar schoenen waarvan mijn broer en ikzelf eindelijk eens konden zeggen: voilà, dat is het. Het bleef een onbereikbare droom in een Deense koekendoos. En het veroorzaakte nachtmerries bij ons, waarin we schoensmeer te vreten kregen. Onze vrouwelijke ouder kende in die donkere vervloekte tijden maar twee donkere vervloekte adressen: de groothandel Vandamme en de schoenlapper Veryser. Die schoenlapper woonde aan de andere kant van de stad. Als we er weer eens op uitgestuurd werden voor een zoveelste schoenenmissie was ons schoeisel vanzelf al versleten, nog voor we in de plaats van herstel arriveerden: door de afstand, en door de lijzigheid waarmee we ons naar dat duistere hol met draaiende wielen, schijven, borstels en oorverdovend gesjirp sleepten.

    ‘HEF JE VOETEN OP’.
    Zelfs dié gesnauwde toverformule kon niet beletten dat groothandel Vandamme bleef bestaan. Om de haverklap hadden we toch nieuw schoeisel nodig. En alsof de duivel ermee gemoeid was, moesten we ook ettelijke keren per dag haaks daarop het tegenbevel ondergaan:
    ‘VEEG JE VOETEN’.

    Geen wonder dat teringschoenengroothandel Vandamme bleef bestaan. En schoenlapper Veryser bleef ook de handen vol hebben. De ene keer konden onze puntschoenen niet lang genoeg ‘meegaan’, de andere keer moesten we zowat door de zolen heen wrijven. De logica van de grotemensenwereld!
    Nog iets. Op de binnenplaats van het schoenenmagazijn lag een grote, harige, gevaarlijke waakhond aan de ketting. Een berg agressief hondenvlees. Altijd sloeg hij hemeltergend razend waanzinnig aan als we daar passeerden, op weg naar of terug van school, vier keer per dag, noodgedwongen, want onze straat was een fuik die ‘doodliep’, en de poort van Vandamme was altijd geopend, zodat eventuele klanten zo naar het magazijn konden. Maar … dat godgenagelde schurftbeest bleef als een comateuze koe met zijn laffe kwijlmuil braafjes op de grond suffen wanneer we er, met onze moeder, langsheen passeerden op weg naar het magazijn, voor de aanschaf van andermaal twee paar afgrijselijke teringpuntschoenen. Wel lonkte hij ons dan vol leedvermaak na, het rolluik van één lodderig oog half geopend. Hoe graag had ik die blafmachine eens een flinke trap in zijn reet verkocht, met mijn rechterpuntschoen van de groothandel Vandamme, spitse uitvoering! Een royale, liberale knal tegen zijn kont!

    Op zondagvoormiddag was dat beest spoorloos. Ergens diep in de ingewanden van het aanpalende huis hoorde ik hem dan even dof aanslaan. Hij rook kindervlees. Op zondag hield Vandamme zijn eredienst van het boek, van 10 tot 12 (ongeveer de uren van de hoogmis in de dekanale kerk, tiens): hij was ook de patron van het ‘liberale’ bibliotheekje in onze stad en verleende er in een voorpost van zijn schoenenmagazijn onderdak aan een paar duizend boeken. Schoon van hem. Edel. Op twee andere plaatsen in de stad werd hij, op krek hetzelfde tijdstip, beconcurreerd: in de Langepijpestraat door de socialistische bieb, in het Beerstraatje door de katholieke boekerij, in de schaduw van de hoofdkerk. De schoenen van de liberaal Vandamme, die waren een ramp. Zijn hond ook. Maar de boeken die ik in zijn liberaal fonds aantrof, daarmee had hij een grote voorsprong op de anderen. Vandamme beschikte over brains. Met zijn bril boven op zijn dikke, kale kop en zijn slimme varkensoogjes wees hij mij op Claus, Elsschot, Walschap en Henry Miller, lang voor mijn officiële leraren Nederlands. Overigens: in de katholieke boekerij ontbrak toen dat viertal, en nog een heleboel anderen. De in lelijk bruin schijtpapier ‘gekafte’ boeken aldaar hadden alle één thema gemeen: veiligheid. De ziel van het lezende kind zou niet bezoedeld worden. En bij de sossen was het huilen met de pet op: hun biebje lag veel te ver van het stadscentrum verwijderd, en ze leken er een abonnement te hebben op pulp, tuinieren, koken en domme beeldverhaaltjes voor mensen met een IQ op kamertemperatuur.

    Op zondag toog ik dus gewoonlijk, met mijn spuuglelijke liberale teringpuntschoenen aan, naar de liberale bieb van schoeiselgigant Vandamme. Hij hield me altijd nauwgezet in de gaten, want hij wist dat ik de grootste lezer van de stad was, in de categorie opstandige jongelingen, wel te verstaan. Als straf voor het distribueren en verkopen van afgrijselijke puntschoenen ontvreemdde ik er op een zondag NEXUS van Henry Miller. Op de cover prijkte de foto van twee bloedmooie vrouwen met ontbloot bovenlijf, die mekaar vastpakten. Inventaris betreffende het vrouwenvlees: 1 volmondige borst, een dubbele halve borst en 1 x het vermoeden van een borst. Op de rug van het geplastificeerde boek kleefde een etiketje, met daarop de mededeling MI 6! Vandamme had het verstand zijn boeken niet te verpakken in van dat uniform trezekespapier (blauw voor op school, bruin voor de katholieke boekerij, hier en daar wat plastiek bij de sossen). Hij liet de kleuren, coverontwerpen en wervende flapteksten zichtbaar door elk boek met een transparant beschermingsvliesje te laten overtrekken. Schoon van hem. Edel.

    Maar als wraak voor die lelijke gewrochten van hem stal ik dus een deeltje uit het indrukwekkende en adembenemende oeuvre van Henry Miller. (Toen ik later foto’s van de kerel onder ogen kreeg, ontdekte ik dat hij heel goed op Vandamme geleek).

    Het liberale bibliotheekje in mijn doodlopende straat hielp me onrechtstreeks ook even van die razende hellehond af, die mij en mijn vrienden uit de straat vier keer per weekdag met verscheurende bloeddoorlopen blikken en wildgraaiende voorpoten van in de verte bedreigde.
    Maar dat was van korte duur. De gedachten van dat monster waren al zo rood als de vitrine bij slagerij Depuydt, Versch Inlandsch Vleesch. Ik wist wel wat er in zijn harige kop omging. Daarom moest hij eraan, want vroeg of laat, bij volle maan bijvoorbeeld, zou die ketting het begeven en dan waren alle rapen gaar. Ik zocht inspiratie in het hol van de leeuw zelf: in de liberale boeken van Vandamme.
    ‘Meneer Vandamme, hebt u geen boek over paddenstoelen?’
    ‘Daar in dat zijrek gaat het over de natuur,’ wees hij. Ietwat verbaasd keek hij me na. Ik bladerde, trof wel giftige paddenstoelen in de boeken aan, maar niet in de natuur. Er was niet veel natuur in het stadje waar ik woonde. Als die er al was, lag die veel te ver of was die ingepalmd door lelijke huizen van mensen uit het onderwijs. Daarenboven was het bijna zomer. Plan afgevoerd.
    ‘Meneer Vandamme, ik wil een spreekbeurt over hondenrassen houden.’
    ‘Ge moet nog dat boek over paddenstoelen weer binnenbrengen, zie ik hier op uw kaart.’
    ‘Ah ja, vergeten.’
    ‘Boeken over honden? Die hebben we niet, denk ik. Kijk eens bij de H. We hebben wel iets over paardendressuur.’
    ‘Tja.’
    Ik zocht dan maar in de katholieke boekerij naar methodes om honden om zeep te helpen, maar daar trof ik alleen hondvriendelijke boekdelen aan: Braaf!, Mijn baasje en ik, Wat geef ik mijn puppy te eten? In dat laatste werkstuk stond bijvoorbeeld niet: ‘Vergiftigd vlees’, of ‘zeer veel suiker’. Dat vergiftigd vlees dook wel eens in crimiverhalen op, variant: salamiverhalen. Maar daar had ik de centen niet voor, voor versch vergiftigd inlandsch vleesch. En elke dag trouw als een hond dat beest met klonten suiker langs lijnen van geleidelijkheid blind maken, zag ik niet zitten. Te duur, te langdradig, te barmhartig.
    Toen vond ik het, plotseling, als het ei van Columbus. Ik zou het kwaad met wortel-en-al uitroeien. Die ingeving kreeg ik na lectuur van het dagboek van dokter Che Guevara, ontleend uit het liberale boekenbestand van Vandamme, baas van dat boebeest, upperdog over die underdog. Ik analyseerde de toestand op historisch-materialistische wijze.
    Het kwaad: de hond.
    De wortel: die ketting.
    (Nou, eigenlijk: het kapitaal van Vandamme, maar dat zou ons te ver leiden).
    De strategie: ik zou mijn vijand bestrijden door het paradoxale te doen. Ik zou hem zijn vrijheid geven. Hij zou, wild als hij was, met slingerende ketting achter zich aan, uit mijn leven verdwijnen en hopelijk onder een zware wegreus terechtkomen of ergens op een verafgelegen plek als straathond eindigen.
    Ik had al gemerkt dat die ketting makkelijk los te krijgen was van zijn houvast: hij was simpelweg met zijn laatste schakel losvast over een gekromde ijzeren pin in de grond geschoven. Wat voor een viervoeter onmogelijk was, bleek voor mij, tweevoeter, kinderspel.

    Mijn broer en ikzelf sloegen ongenadig toe toen we onze mama en onze jongste broer (jawel, die had het intussen ook al zweten: liberale puntschoenen geblazen!) vergezelden naar groothandel Vandamme. Terwijl de pas- en wrikverrichtingen zich in het labyrint van de hooggestapelde schoenendozen voordeden – doos open, doos dicht, andere kleur, geritsel van papier, nieuwe gang, trapje op, andere serie, en Vandamme met zijn killersblik maar bewonderenswaardig rustig blijven! – maakte mijn broer (een durver) op het binnenkoertje vliegensvlug de ketting los, nadat ik het beest een stuk uit mijn eigen mond gespaarde oude cervelaatworst had toegegooid, veilig vanuit de deuropening in het magazijn.
    Zzoeff !!
    Weg was hij, snel als de wind, door de open poort, die ketting als een serpentine achter hem aan wapperend. Wij infiltreerden weer in het magazijn. Niemand had iets gemerkt. Na de financiële verrichtingen in het kantoortje ergens in een uithoek van het schoenenmagazijn (getverderrie, mijn moeder betààlde dan nog ook voor die lelijke puntschoenen!), bleef Vandamme – gelukkig – ter plekke uitblazen van de gedane inspanningen. Mijn jongste broer hield zijn klep, toen we over het koertje stapten: ik had hem de avond tevoren met snoep omgekocht. Mijn mama, vervuld van de aankoop, viel niks op. Weg hondje.

    Maar de volgende ochtend, het was hondgeklaagd, ik zweer het: de volgende ochtend alweer klonk om veertien minuten over achten dat razende waanzinnige bloeddorstige tumult dat geblaf heet, terwijl de kwijl in het rond spatte, ten teken dat wij daar passeerden: drie schoolgaande broertjes met lelijke liberale puntschoenen.


    10-02-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.GVD ! (Gebed om liefde)

    GVD ! (Gebed om liefde)

    ‘Durf je 80 keer na elkaar godverdomme zeggen?’
    Met een ernstige rimpel boven zijn wenkbrauwen daagde Erwin De Coster me uit: de kampioen van het rood worden, maar op het schoolplein ook de baas van de cowboys, tégen de indianen. We stonden met z’n drieën op het lage muurtje voor de huizenrij waar hij woonde: ik, Erwin, Marina. Ik was jaloers op Erwins ravenzwarte haar, dat hij soms met een eigenaardige ruk van zijn hoofd naar achteren zwierde. Erwin zelf was echter ook doodbeschaamd dat hij op de wereld rondliep, wat zich uitdrukkelijk vertaalde in rare grimassen en tomatenrode bewolking die soms in een fractie van een seconde over zijn gezicht trok.
    Zijn alter ego, de baas van de cowboys, daagde me dus uit om 80 keer hardop te vloeken. 80 klonk in zijn oren waarschijnlijk meer dan 100. Het maakte meer indruk. 80 rijmde ook met krachtig.
    ‘Jaja, natuurlijk,’ knikte ik, bang om mijn plaats in de pikorde van de cowboybende te verliezen. Gezwind sprong ik van het muurtje.
    ‘Op het muurtje!’ gebood hij.
    Ik sprong er weer op; zij ervan. Marina, het al net zo ongelofelijk ravenzwarte buurmeisje van Erwin, keek glimlachend toe. Ze was twee jaar ouder dan ons, en ze had al wat. Haar oosterse glimlach was onweerstaanbaar. Marina was een mediterrane zeemeermin; alom veroorzaakte ze natte dromen. In de jaren 50-60 was een Marina namelijk heel anders dan een Marina uit de jaren 80-90.

    Held J. vloekt 80 x hardop te T. en verovert aldus menig meisjeshart, vooral dat van M., tevens aldaar woonachtig.

    Net toen ik aan mijn godslasterende monoloog wou beginnen, boven die twee zwartkoppen uit torend als een Frankische koning op een schild, piepte in een van de lager gelegen huisjes een deur open. Een man in onderhemd verscheen, met armen waarover aders als staalkabels liepen: de pa van Erwin.
    ‘Godverdomme: wat staan jullie daar zo te konkelfoezen, hé?’
    Het rood vlamde weer naar Erwins hoofd. Marina giechelde om dat konkelfoezen. Door een zachte windstoot bolde haar rokje even op. (Daar stonden kriskras cijfers op, dat weet ik nog, maar niemand van ons slaagde er ooit in die blitze Marina te ontcijferen, want later werd ze een vedette in het volleybal, dus trouwde ze met een dubbele meter basketvlees die ook nog eens geneeskunde studeerde, hoe gaat dat, godverdomme).
    Ik lachte mal en hupte van het muurtje.
    ‘Wel?’
    ‘Niets, pa,’ mompelde Erwin.
    ‘Hoe: niets? Zie maar dat je over vijf minuten binnen zijt. Je moeder wacht. Heb je huiswerk?’
    ‘Vandaag niet.’
    ‘Jaja.’
    Pats. De deur knalde weer dicht. Marina keek naar mij. Ik keek naar Erwin. Die jongleerde met zijn wenkbrauwen.
    ‘Wacht je moeder, Erwin?’ vroeg ik.
    ‘Tachtig keer!’ snauwde hij onverbiddelijk.
    ‘Maar je vader … ‘ begon ik weer.
    ‘TACHTIG!’
    ‘Weet je wat,’ opperde Marina plotseling samenzweerderig. ‘We doen het samen. We delen door twee. Ieder veertig. Goed zo, Erwin?’
    ‘Mm … ‘
    De cowboybaas, heer en meester over het vloeken in deze stad, haalde zijn schouders op.
    ‘Dan wil ik ook wel meedoen,’ besliste hij dan grootmoedig, alsof niemand, ook hijzelf niet, onder zijn uitdaging uit kon.
    ‘Delen door drie, oké?’
    ‘Oké.’
    ‘Maar hoeveel is dat dan voor elk?’ vroeg Marina.
    ‘Ik weet het,’ zei Erwin resoluut. ‘Marina twintig, ik dertig, jij dertig. Dat is samen tachtig.’
    ‘Waarom ik maar twintig en niet dertig?’ protesteerde Marina. Met haar ene hand hield ze haar rokje in bedwang tegen een verse windstoot.
    ‘Omdat jij een meisje bent,’ flapte Erwin het eruit, waarbij hij andermaal rood kleurde tot ver achter zijn oren. Nu bolde Marina’s cijferrokje andermaal op, want ze had beide handen nodig voor wat misbaar: ‘En wat heeft dat daarmee te maken, mislukte cowboy?!’
    ‘Jullie kunnen minder dan wij,’ mompelde Erwin beschaamd-chagrijnig.
    ‘Ha-ha-ha,’ meesmuilde Marina nadrukkelijk, met volle oosterse mond. ‘Ha-ha-ha.’
    En toen pakte ze haar belager bij zijn achillespees: ‘De roodhuid heeft weer gesproken. Ugh! Ugh! Je bent bang voor meisjes!’
    ‘Niet waar, godverdomme!’ riep Erwin. Hij was nu zowat koninklijk purper aangelopen. Zijn gezicht was verwrongen in een ongemakkelijke grimas. Hij had de hoogste graad van schaamte bereikt.

    Ik stond erbij en ik keek ernaar. Cijfers dansten voor mijn ogen. En toen ging die verrekte deur weer open. De vaderfiguur verscheen vervaarlijk in het deurgat. Hij vulde dat gat vrijwel volledig op. Erwin en Marina hielden op met kijven. Ze keken naar hem, naar mekaar, weer naar hem, dan naar mij. En net voor Erwins pa zijn mond kon openen, begon ik, vele jaren voor het een rage werd, godslasterlijk te rappen:

    ‘Godverdomme – godverdomme – godverdomme … ‘

    Waarom ik precies 80 keer, en bijvoorbeeld geen 100 keer moest vloeken, wist ik niet. 80 klonk misschien zelf ook meer als een vloek dan het bolle 100. Daar op dat muurtje toen, dat was taalkunde en rekenkunde. Uit de school geklapt.

    Marina verdween mettertijd in de sportberichten van de nationale kranten. Het stadje werd te klein voor haar. Allerlei ridders op witte paarden omzwermden haar. Erwin hielp al vaker op de openbare markten in de groentekraam van zijn ouders.
    Als ik hem ooit eens weerzie, dan weet ik nu al met grote zekerheid wat mijn eerste woord zal zijn, uit de voorraad van de honderdduizenden die ik intussen machtig ben.


    03-02-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vieze Madeleine

    DE GRAAL VAN VIEZE MADELEINE

    Lang voor ik mijn mond een paar keer per dag met wodka spoelde, was ik gefascineerd door een roestbruine onbereikbare paraplu. Vier keer per dag, op en af naar school, passeerde ik onder dat ding: hij stak zes meter hoog met zijn handvat in de gevel van een groot huis in de Zuidstraat. Dat huis moest vroeger een winkel geweest zijn, in het steentijdperk voor het economisch debacle. Nu waren er alleen nog de vele ramen met de half neergelaten rolluiken en een deur met een bordes. In de muur onderaan, rechts van de deur, zat nog zo’n schraapijzer: daar kon je wellicht je beslijkte rechtervoorpoot wat schoonschrapen vooraleer ‘koloniale waren’ uit de winkel in te slaan. Maar waarom in hemelsnaam stak die roestbruine paraplu daar hoog uit de voorgevel? Uit welk materiaal was die dan wel gemaakt, zodat hij jarenlang weer en wind in onze platte provincie trotseerde? Niemand gaf ooit een afdoend antwoord op mijn vragen. Telkens kreeg ik hetzelfde te horen:
    ‘Aha, da’s Vieze Madeleine die daar woont. Ze kocht eens … ‘.
    En dan vertelde men steevast het verhaal van Vieze Madeleine: hoe ze in de kerk verscheen, ter gelegenheid van een chique begrafenis, met een gebloemde badmuts op haar hoofd, en ‘uren in het rond’ stinkend omdat ze boven een verwarmingsrooster ging plaatsnemen (een Marilyn Monroevariatie). Dat laatste was altijd zo. Ze had die badmuts gekocht in de waan dat het een mooi en vooral goedkoop hoofddeksel was voor speciale gelegenheden.
    ‘En leeft ze nu nog?’
    ‘Ik geloof dat ze daar nog woont, ja. Waarom moet gij dat weten?’
    ‘O, zomaar.’

    Met de regelmaat van een ruitentikker controleerde ik hoogstpersoonlijk of ze daar inderdaad nog woonde. En in leven was. Geen antwoord. Om de haverklap katapulteerde ik nijdige kiezeltjes tegen die stomme paraplu. Tik. Tik. Tik. Geen reactie. Niet eens een raam dat woedend opengegooid werd. Stiekem aan de bel hangen ging toen al niet meer: die leek vastgevroren tot in der eeuwigheid.

    ‘Ze stinkt geweldig. ’t Is niet te doen. ’t Is daarom dat ze zeggen: Vieze Madeleine. Blijf daar maar weg. Neem de Oostendestraat in plaats van de Zuidstraat. En knoop uw jas dicht, of ge vangt nog een valling.’
    ‘Is het besmettelijk misschien?’
    ‘Wat? Een valling?’
    ‘Nee, die stank.’
    ‘Ga maar uw huiswerk maken.’

    Bij gebrek aan communicatie (het moest altijd allemaal van mijn kant komen) liet ik het parapluhuis dan maar een tijdlang met rust. Maar toen de aanpalende drukkerij en het andere (enige) buurhuis gesloopt werden en er niks anders in de plaats leek te komen, zodat in de onmiddellijke omgeving het nest van Vieze Madeleine als een eenzame rotte tand overschoot, groeide mijn belangstelling weer. Waar bleef die heks? Hoe zag ze er uit? Nog nooit had ik ook maar een glimp van haar opgevangen. En hoe zat dat met die uitdagende paraplu? Dat ding straalde iets dreigends uit. Kon ik die er maar eens uit of af krijgen, en als trofee op mijn kamer hangen, zoals het gewei van een zelf geschoten eland! Zou dat ding ook stinken uren tegen de wind in? Bij de jacht mocht je niet kieskeurig zijn.
    Hier moest dus ingegrepen worden. Hier moest ik tijd vrij voor maken, tijd die door de school als een monopolie werd beheerd of in een ander en beter geval veel te vlug verzwond door het lezen van boeken waarin dingen gebeurden die zich in het echt toch nooit voordeden. School lopen en lezen waren te gemakkelijk. Ik wou die onbereikbare roestbruine Graal gindsboven bemachtigen. Die Graal werd bewaakt door een onzichtbare, vieze walmen uitstotende draak. Ik doopte mezelf tot Stadsridder om: mij was de wrake, hebben zou ik dat ding!
    Het was het laatste jaar dat we permanent korte broeken droegen. Ik wou alleen maar maten die al met een polshorloge om hun pols pronkten, zoals ik er zelf nog geen had, maar zelfs dié gelukkigen betrok ik niet bij mijn Stadsridderschap: een roestbruine paraplu was niet deelbaar door twee. Een Graal diende je allenig te veroveren, zoals een meisje.

    Toen de drukkerij en het buurhuis helemaal gesloopt waren, kon ik tussen de verse brokstukken door een volledig omtrekkende beweging rond het parapluhuis beschrijven. De allereerste keer dat ik het er op waagde, de wind gierde als een bolide door de straten van het stadje, stond ik al voor een verrassing: de achterkant van het huis waar Vieze Madeleine onzichtbaar woonde, was een exacte kopie van de voorkant, met een verwaarloosde stadstuin erbij die open en bloot te kijk lag. En God zat toen al in het detail: mijn tweede verrassing betrof een roestbruine paraplu, zes meter hoog met zijn handvat in de achtergevel stekend. Perplex bleef ik staan, als een wassen beeld midden een nu braakliggende woestenij, gehypnotiseerd door die ene, overgebleven kathedraal met de dubbelgraal.
    Het was een van die zeldzame, beklijvende momenten uit mijn jeugd.
    Als vierjarige uk ontmoette ik Vrouwtje Miserie in levenden lijve in mijn eigen stadje.
    Als zevenjarig kind kreeg ik eens een kleine Chinese vrouw met inktzwarte haarwrong in mijn slaapkamer op bezoek, terwijl ik bibberend van de koorts in mijn nachtpo te mikken stond.
    Nu, als tienjarige detective en Stadsridder ontdekte ik twéé van die roestbruine dingen uit onvergankelijk materiaal!
    Waar zou ik dié getverderrie op mijn kamer etaleren? Veel ruimte had ik niet. Ik zweeg als vermoord over mijn hernieuwde belangstelling voor het huis-met-de-paraplu(s). Mij was immers een geheim geopenbaard dat ik met niemand kon of mocht delen, in een wereld van neon en beton. Ik diende nu alleen nog het slot van die deur (voordeur? achterdeur?) te slaken en de vele raadsels op te lossen.
    ‘Ma … eh … die Vieze Madeleine, komt die nog wel eens in de kerk?’
    ‘Maar jongen toch, waar dat gij nu nog over spreekt! Ge valt in herhaling, zulle!’
    Na deze allerlaatste voetnoot in de communicatie met mijn vrouwelijke ouder (tegen mijn mannelijke ouder sprak ik al minder en minder, dat polshorloge zou er toch wel te gelegener tijd komen, ze groeiden niet op onze rug) zweeg ik verder echt als vermoord. Als zovele goedbedoelende schimmen uit zovele goedbedoelende jongensboeken uit de goedbedoelde jaren zestig bleef ik rond het parapluhuis zwerven. Magnetisme. IETS IN MIJ VERTELDE ME DAT… Maar wat kon ik doen?
    Ik kon niemand de pas afsnijden.
    Ik kon niet uit smeulende as berekenen hoeveel uren voorsprong ze op mij hadden.
    Ik kon mijn kapmantel niet met een woeste snauw opzij zwieren en een flitsende degen trekken.
    Ik kon geen erwtensoep zitten lepelen in opdracht van de Britse Geheime Dienst.
    Ik kon verdorie nog geen Vieze Madeleine van een Gewone Madeleine onderscheiden, want al die oude vrouwen uit mijn jonge jaren heetten allemaal Madeleine.

    Ik nam dus mijn toevlucht tot intellectuele arbeid. Ik maakte schetsen van het geheimzinnige huis. Ik tekende een robotfoto van de onbereikbare Vieze Madeleine. God, ik tekende ze zo erg in het bruin, de kleur van de stank, met zoveel wasco erop, dat ze echt begon te stinken. Ik schreef een dreigbrief en propte die tussen wekenoude advertentiebladen in haar bus.

    Madellaine! Kom woensdag klokslag 12 uur (kerktoren) naar buiten, zoniet …

    Ik nam zelfs mijn mondvoorraad van vier uur mee om tussen school en notenleerles in post te vatten in het smalle donkere Wolstraatje, van waaruit ik steelse blikken wierp op de door mij begeerde Graal. Ik kwam echter niet te weten of Vieze Madeleine daar wel degelijk nog woonde.
    Een ladder? Bood een ladder de oplossing? Misschien wel aan de achterkant, om het gevaar van pottenkijkers te vermijden? Of, een heel andere hersenkronkel: zond ik haar een brief met de post?

    Geachte Vrouw … Madeleine (laine? lleine? llaine?), ik zou graag uw paraplu hebben. Ge hebt er toch twee. Het is voor een goed doel van de jeugdbeweging (kamp).

    Of huurde ik een spitsbroeder in (twee weken zakgeld) die op de voordeur stond te bonken terwijl ikzelf me achteraan toegang tot het huis verschaffen zou?
    Elke gedachte die ik hieromtrent opperde, bezorgde me prettig kippenvel. Maar zie: ze pakten me weer de kaas van het brood. Op een middag (ik kwam van school terug en was mijn jas al dicht aan het knopen, want ik naderde stilaan de straat met mijn ouderlijke woning) leunde een blinkende brandweerladder tegen de voorgevel van het parapluhuis. En in de Zuidstraat stonden twee wagens van het Stedelijk Ziekenhuis klaar met openstaande deuren. Met open mond keek ik toe hoe vlak na elkaar twee draagberries moeizaam naar beneden werden gezeuld. De brandweerlui droegen smoeltjes. Al vlug streken omwonenden en voorbijgangers als een klad kraaien bij de ambulances neer. Ik naderde en baande me een weg. Op elke draagberrie lag een dik ingepakte bobbel, in de verte gelijkend op een menselijk lichaam. Bruine dekens beletten verder elk detail. De toeschouwers deinsden achteruit en knepen hun neus dicht.
    ‘Wie is het?’
    ‘Ewel: Vieze Madeleine. Ze hebben haar boven gevonden. Al vier maanden dood, kunt ge u dat voorstellen? En haar tweelingzuster ook. Niemand wist dat die hier inwoonde. Wist gij dat? Geen wonder dat die rolluiken hier nooit een keer bougeerden. En ziet die propvolle brievenbus eens!’
    ‘En vuil, schijnt het, en vuil! Ze moeten alle twee tegelijkertijd doodgegaan zijn.’
    ‘Dat hebt ge veel met tweelingen. Als de één iets voelt … ‘
    ‘Ze zullen wel iets gepakt hebben, zeker!’
    ‘Ge zaagt ze nooit meer op straat.’
    ‘Het zijn nu waarschijnlijk al geraamten geworden, na al die tijd?’
    ‘’t Is misschien maar best dat ge Madeleine nooit meer op straat zag. Weet ge ’t nog, van die keer in de kerk … ‘
    ‘Amai, die zullen er nu lief uitzien!’
    ‘Jaja … ‘
    ‘Achteruit, mensen, achteruit!’
    Verbouwereerd keek ik naar boven, naar die stomme paraplu. En tussen het rumoer en het brandweergedoe door haastte ik me dan langzaam naar de achterkant van het huis, voor ze de politielinten rond de plaats des onheils zouden draperen. Die identieke paraplu hing er natuurlijk ook nog.

    Thuis werd mijn allerlaatste voetnoot van de week daarvoor nu een volledig hoofdstuk.
    ‘Gij waart daar nog veel mee bezig hé, gij?!’
    ‘Wist jij dat er daar twee paraplu’s hangen, ma?’
    ‘Zijt ge daar waarlijk toch gaan rond snuisteren, ja? Ge leest te veel boekskes.’
    Einde hoofdstuk. Ze waren nogal kort van stof, thuis.

    Anderhalf decennium later ongeveer werd ik zelf vader van een vrouwelijke tweeling. Op de dagen van hun geboorte (S. om tien voor middernacht, H. tien minuten erover) regende het pijpenstelen.


    27-01-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Kleermaker van de maffia

    DE KLEERMAKER VAN DE MAFFIA

    De slagboom aan het einde van de Boeyaerdstraat werd A.D. 1963 definitief neergelaten. Het betrof de tweede overweg nadat de trein zich hijgend en puffend uit het station los had geweekt, richting zuidpool. Of, omgekeerd, de voorlaatste wanneer hij als een dampend en sissend monster uit vreemde streken aan kwam zetten, steeds groter wordend.
    Onze straat ‘liep’ dus ‘dood’.
    Maandenlang nog reden auto’s blindelings in die fuik. Heen en terug. Het was wennen voor de inwoners van het stadje, die voorheen vaak gebruik maakten van de straat om te ontsnappen naar de grote wereld. De bewoners van de Boeyaerdstraat leken de ‘vreemde’ nummerplaten wel te kunnen ruiken. Telkens er zo eentje passeerde, bewogen de gordijnen nieuwsgierig. Lippen articuleerden dan spottend ‘weer eentje’, of iets met ‘dom’ erin. Hoofden werden meewarig geschud. En in de auto zelf kon je liplezend ‘godverdomme’ ontcijferen.
    Na enkele maanden werd het weer stiller in de Boeyaerdstraat. Vlak voor de werkeloze slagboom werd nog een draaischijfmogelijkheid voor auto’s voorzien, zodat het plaatselijke én het verdwaalde verkeer zich daar uit nesten konden manoeuvreren. Achteruit rijden met piepende banden en loeiende motor hoefde niet meer. Ongeruste ouders dienden in verband met hun schoolgaande kroost nog slechts één richting in de gaten te houden.

    Tussen de Franse zerkenkapper en de Vlaamse houthandel in woonde de Joodse kleermaker Lievin. Het huis was des avonds flets verlicht. Nadat ik mijn buurjongen Roland wekenlang de stuipen op het lijf had gejaagd met schrikbarende vertellingen over het heelal (via mijn pa bezwoer zijn pa me in het bijzijn van zijn zoon nooit meer de woorden ‘kosmos’ of ‘marsman’ in de mond te nemen), begonnen we ons op het geheimzinnige kleermakershuis te concentreren. Roland wou wel scheep met mij gaan voor een nieuw avontuur, als ik mijn bakkes maar hield over ontplofte kosmonauten. (Droevig spel van het lot, noodlot: amper een jaar later zou Roland sterven aan een laffe ziekte. Hij ging zelf een kijkje nemen in het heelal.)
    We spookten allerlei twaalfjarigs uit: dreigbriefjes schrijven en met bonzend hart vlugvlug door de brievenbusklep proppen, smoezen over moord en misdaad in de flauwe lichtplas van een straatlamp, over stapels hout klauteren om te kleermakerstuin te bespioneren, onzichtbaar zijn tussen zwiepende takken van bomen en struiken. Dat alles gebeurde bij voorkeur op dinsdag- en donderdagavonden, na de les notenleer in de muffe stedelijke gebouwen, toen het al dik donker was geworden.
    Wij, kapmantelromantiekers, dachten dat de Joodse kleermaker voor de maffia werkte. Hij was het die de fameuze slappe hoeden, lange jassen en zwarte handschoenen vervaardigde, in deze stille straat van dit provinciestadje. En dat terwijl in de grote wereld achter de slagboom alle andere rages en trends in de loop der tijden aan zijn neus voorbij gingen: houtjetouwtje, parka, chapka, minirok, jeans, zwartevogelmode, grungehouthakkersmode, Millet, gekke petten, … Wat de Westerse modeslagvelden wel overleefden: Lievin, de eeuwige jeansuniformen en de vreselijke maatpakken-met das, amen.
    De schrik sloeg me om het hart toen hij op een avond bij ons thuis aanbelde. Het betrof een echter een pomp aan de pantalon van mijn pa. Lievin bracht het ding zelf aan huis terug. Op het bruine pakpapier was een stukje papier geprikt waarop in potlood de rekening gekrabbeld stond. Het halfuur dat hij bij ons in de sofa zat – nee, hij wou niks hebben om te drinken, neenee, en hij wou evenmin zijn (lange!) jas uitdoen – bespiedde ik hem van achter mijn dampende mok avondmelk. Hij was witgrijs, had borstelige wenkbrauwen met zwart in en een stekelige snor. Ondanks dat maakte hij een zachte indruk, door zijn woorden en gebaren. Typischer kleermaker dan Lievin heb ik zelfs nooit in sprookjes ontmoet.

    De volgende dag bracht ik buurjongen Roland op de hoogte van mijn bevindingen. Het stond dus vast dat de kleermaker voor het misdaadsyndicaat werkte: hij had een perfecte dekmantel gekozen, in een doodlopende straat. Niets liet vermoeden dat hij jassen, handschoenen en hoeden voor gangsters maakte.
    Wijzelf vonden het om nog een andere reden ook een gevaarlijke straat. Vier keer per dag (er was geen ontkomen aan, onze straat liep nu eenmaal dood) passeerden we een vreselijke blafmachine van een hond, die op het binnenplaatsje van schoenenmagazijn Vanneste vastgeketend lag. Telkens die harige loebas ons door de immer openstaande poort opmerkte, sloeg hij aan en rammelde hij als een bezetene met zijn ketting. Door dat voorbij hollende dagelijkse kindervlees kreeg hij visioenen zo bloederig als de vitrine bij de slager. Nu, niks aan te doen. Dit obstakel maakte ons sterk. Daarenboven werden mijn broer en ik enkele jaren daardoor heuse atletische spurtkampioenen op de korte afstanden.

    ‘We moeten een verslag maken,’ zei ik ernstig tegen Roland. Die knikte.
    ‘Dat moet jij dan maar doen. Als mijn vader het vindt, dan zwaait er weer wat.’
    Even zag ik een marsmannetje boven Rolands hoofd zweven.
    ‘Ik schrijf het vanavond in mijn detectiveboekje. Dat verbergen we tussen de stapels planken in de houthandel. Niemand zal het vinden. Dat wordt onze geheime bergplaats.’
    ‘De Club van de Zwarte Hand moet gewaarschuwd worden.’
    Op het schoolplein brachten we Eric op de hoogte. En om vier uur wachtte Marina ons op aan de meisjesschool. Het geheime teken werd uitgewisseld (we trokken allen even aan ons linkeroorlelletje) en belegden een korte vergadering. Ons plan was als volgt: ik zou een kort verslag schrijven. Dat zouden we de avond erna verbergen in de houtstapel naast de beukenhaag van Lievin. Vervolgens zouden we op verkenning uit gaan. De duisternis zou ons beschermen, zoals in de avontuurlijke jongensboeken, want we hadden op donderdagavond alle vier notenleer tot zes uur. Zo gezegd, zo gedaan. Die avond zat ik lang op mijn balpen te kauwen. Mijn geheime notitieboekje lag opengeslagen voor mij. En plotseling had ik het gevonden.

    - Geheimz. Licht kleerm. Huisnr. 18 – B-straat/onderzoek gewenst/
    houthandel V. geheime basis/misdadig opzet?/9-11-1963//
    dCvdZH: H, R, M, E /stop /// -

    Tevreden kroop ik tussen de lakens. Het kriebelde in mijn buik bij de gedachte dat we morgenavond door de tuin van de kleermaker zouden sluipen.

    Roland deed wat lacherig over mijn detectiveboekje, maar Eric keek hem streng aan. Dit was een ernstige zaak. Marina schonk me een bewonderende blik.
    ‘Staat er nog iets anders in je boekje?’ vroeg ze.
    ‘Nee, niks.’
    ‘Vind je het niet jammer om het achter te laten?’
    ‘Telkens er iets gebeurt, moet het aangevuld worden,’ antwoordde Eric in mijn plaats. ‘We zullen het dus af en toe moeten zoeken. Het is het dagboek van de Zwarte Hand.’
    Ik knikte en voelde me plotseling heel belangrijk. Misschien zou het later een Echt Boek worden, met de avonturen van onze club erin.

    Na de les notenleer op donderdagavond trokken we naar de Boeyaerdstraat, beschermd door de duisternis. Eric en Marina beschreven een omtrekkende beweging, zoals in de avontuurlijke jongensboeken, om hun eigen straat te vermijden. Roland en ikzelf volgden onze gewone weg, dicht tegen de huizen aan. De gevaarlijke hondenpoort van schoenenmagazijn Vanneste was gelukkig al dicht op dit spokenuur. Het was koud en het woei wat. Het rook naar november. We stapten vlug door.Veel tijd hadden we niet: ongeveer acht ouders hielden ons elke dag in de gaten.
    Om tien over zes glipten we het hol van de leeuw binnen: de houthandel die aan de tuin van kleermaker Lievin grensde. In en om een grote open loods was een wirwar van houtstapels. Vlak bij de beukenhaag verstopten we ons bendeboekje, tussen de gestapelde planken en geplette spinnen. Daarna klauterden we op de stapel. Marina als laatste, want ze moest het licht in het kantoortje van de houtbaas in de gaten houden én ze had een rokje aan. Voor ons, lenige apen, was het een koud kunstje. Met een kwieke sprong landden we even later op volstrekt verboden terrein: de tuin van de maffiakleermaker! Ik kreeg een verdubbelde aanval van kriebels in mijn buik.
    ‘Hé, je rokje leek wel een parachute!’
    ‘Hihihi!’
    ‘Sst! Stil!’ siste Eric. Misschien was hij ook alweer knalrood aan het worden van de spanning, maar dat konden we in het donker niet zien. Voorzichtig schuifelden we naar het grote venster aan de achterkant. We konden elkaars hart horen bonken. Het mijne bonkte plotseling dubbel zo hard, want Marina greep een seconde lang mijn hand vast. Ik beleefde een geheimzinnig avontuur met het mooiste meisje van de aardbol aan mijn zijde! Om de beurt loerden we door een kier in de overgordijnen naar binnen. De kleermaker kregen we echter niet te zien. Natuurlijk niet: die was nu ergens met een gangsterbaas in een rokerig hol aan het vergaderen, met een zeppelin van een sigaar tussen zijn lippen. Wel zagen we een oude, witgrijze vrouw in een schommelstoel. Er lag een geruite deken over haar knieën.
    ‘Ze is dood!’
    ‘Niet waar. Kijk: de stoel schommelt nog.’
    ‘Is dat zijn moeder?’
    ‘Het is zijn vrouw, slimmerik! Hij is toch zelf ook al oud!’
    ‘Wat ligt daar op de tafel? Zie je dat? Kijk!’
    ‘Vampierenkleren! Zie je wel!’
    We verdrongen elkaar voor het venster. Onze ogen zwenkten als zoeklichten over een vreemde collectie zwarte, grijze en witte kledingstukken die kriskras over de tafel gedrapeerd lagen. Maatpakken voor gangsters?
    ‘Morgen schrijf ik dat in ons geheime boekje. Wat een ontdekking!’ fluisterde ik opgewonden. Ik raakte Marina’s hand hoopvol weer even aan, maar daar bleef het bij. Roland probeerde een fluitend geluid tussen de spleet in zijn tanden te maken. Ik bekeek de vrouw in de schommelstoel nauwkeuriger. Het leek wel een mummie. Haar ogen waren gesloten.
    ‘Kom,’ zei Roland dan. Eric keek hem spottend aan.
    ‘Ben je bang?’
    ‘Nee, maar de kleermaker kan … ‘
    ‘Je hebt gelijk. Ik moet eigenlijk ook naar huis.’
    We trokken ons terug in het duister. Onze ogen moesten weer aan de vreemde omgeving wennen.
    ‘Voor we weg gaan: eerst nog de geheime groet,’ fluisterde Eric. Op het ogenblik dat vier handen naar een linkeroor grepen (wat had ik zin om in Marina’s oortje te knijpen!), werd plotseling het zijhekje aan de rechterkant van de tuin geopend. Het fletse licht van een fietslamp flakkerde één keer op. We hoorden het geschraap van een keel en het gerammel van een ketting. Opgeschrikt tot in ons ruggenmerg doken we de duisternis in, naar de verste hoek van de tuin. Geritsel van bladeren, gekraak van stengels, paniek.
    ‘Hé, jullie! Wat … ‘
    De stem stokte. De fiets kletterde op het tuinpad. Toen was er geen houden meer aan. De Club van de Zwarte Hand vluchtte halsoverkop voltallig weg, rakelings langs de kleermaker heen, door het halfgeopende tuinhekje. De geheime groet kon ons verder gestolen worden: we renden als hazen naar huis, zonder nog een woord te wisselen. Had Lievin ons herkend? Zouden we met de maffia te maken krijgen?

    Diezelfde nacht werd Lievin dood aangetroffen in zijn tuin. Zijn fiets lag over hem heen. Het was een vreselijke klap voor ons. Angstvallig slopen Roland en ik langs de huizen in de Boeyaerdstraat, ieder aan zijn kant. Zelfs de hond in het voorportaal van schoenenmagazijn Vanneste raakte onze koude kleren niet meer. Liever hadden we honderd van die ondieren te trotseren dan langs het huis van de dode kleermaker te moeten. Er telde maar één ding: Lievin was dood. Misschien hadden wij de kleermaker vermoord?
    Een paar dagen later constateerde ik tot overmaat van ramp dat de fameuze houtstapel bij de beukenhaag verdwenen was. Dat gaf een knauw in mijn hart: het geheime notitieboekje!
    En ik werd nog erger gestraft. Zes dagen later kreeg de Joodse kleermaker Lievin een katholieke begrafenis in de hoofdkerk van het stadje. Ik werd (zoals ik het elke week wel een paar keer meemaakte) door de koster aangewezen om als misdienaar de begrafenisplechtigheid van de kleermaker te dienen. Toen het zover was, durfde ik de kerk niet in te kijken: overal lange jassen, slappe hoeden op de knieën en zwarte handschoenen. En waar in hemelsnaam was dat domme notitieboekje? Zou God echt straffen uitdelen? Of was Hij mild voor dromers?
    Nog nooit had ik me na een begrafenismis zo vlug uit de voeten gemaakt richting school dan toen.


    18-01-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Mijn eerste Frans

    MIJN EERSTE FRANS

    (Sans famille)

    Ik had al lang Sans famille gelezen. Of, voor de kijkers en de beeldbuizerds onder u: Alleen op de wereld. Rinkelt er een belletje? Ontsnapt er u een traan? Het is inderdaad het boek dat het grootste debiet aan tranen ter wereld heeft veroorzaakt. Arme Rémy! Arme Joli-Coeur! Arme vioolspeler Vitalis!

    Schuin tegenover het huis waar ik de eerste zeventien jaren van mijn leven op aarde gedeeltelijk doorbracht, ontdekte ik de blinde Rémy. Zijn enige dagelijkse houvast in het eeuwige zwarte gat betrof een spuugbak. Rémy was toen achter in de zeventig (denk ik), blind en Fransman. Hoe en waarom hij daar in onze oer-Vlaamse straat verzeild was geraakt, heb ik nooit geweten. Bij hem woonde een bejaarde, mooigeweeste vrouw: Angèle. Ze was nog altijd mooi, maar oud. Voor beiden was ik bang, maar nog veel banger was ik voor die spuugbak. Als ik er ook maar aan dacht, deed zich een omgekeerde reflex bij mij voor: ik slikte zo vlug en zo veel mogelijk speeksel in, als een fanatieke mohammedaan tijdens de ramadan, tot ik achter mijn opeengeklemde lippen een kurkdroge mond had. Het was een manier om niet te moeten kokhalzen.
    Rémy en Angèle bewoonden een piepklein rijhuisje. Je kwam er onmiddellijk binnen, na één deur al. Vlakbij die deur zat Rémy in een diepe fauteuil, om toch maar iets van het straatleven mee te kunnen pikken. Maar als een verdomde magneet, waar mijn ogen altijd weer naartoe getrokken werden maar toch bijtijds halt hielden, was er ook die afschuwelijke spuugbak, waar Rémy om de haverklap ongegeneerd gebruik van maakte. Ex-mijnwerker? Longziekte? Hij leunde ook op een oudtestamentische stok, die hij tussen zijn knieën gekneld hield. Voor geen geld ter wereld wou ik die stok aanraken (hij daagde me af en toe uit). Of, voor nog meer geld voor nog veel minder: ook maar een blik op die spuugbak van hem werpen. Ik wist dus aanvankelijk niet eens hoe dat onding er echt uitzag. Ik wist alleen dat het er was, onvermijdelijk, afschuwelijk, voldongen.
    Wat me ook verontrustte: de blinde Rémy kon exact en nauwkeurig mijn uiterlijk beschrijven, details inbegrepen. Had hij dat misschien van mijn pa of mijn ma voorgekauwd gekregen, die hem al eens een pannetje eten bezorgden? Maar hoé hij me beschreef, tot in mijn edelste trekken, kon onmogelijk van hen komen: mijn verwekkers met wie ik altijd overhoop lag. Vooraleer ik op de basisschool mijn allereerste Frans te horen kreeg (meester Devriese van de vijfde klas zong ons een aanvankelijk liedje voor: ‘C’est un éléphant, qui marche, qui marche … ), gaf Rémy me in deze welluidende aanpalende taal een persoonsbeschrijving annex karakterschets van mezelf, waardoor ik keer op keer dacht: ‘O nee, ik ben niet een van hen. Ik ben een vondeling, alleen op deze wrede wereld, sans famille, maar hier door die wezens aan de Vlaamse overkant geadopteerd omdat ik zo mooi ben.’
    Wist Rémy hetzelfde te vertellen over mijn broers en mijn zussen (van elke soort twee)? Ik heb het ze nooit gevraagd, want ik wou niet door de mand vallen. Zussen waren er om in te knijpen, broers om naar te stompen: grootmoedig was mijn hart. Deze blinde ziener die – net als ik – toevallig in die stomme straat verzeild was geraakt, predikte het evangelie volgens mij: alleenzaligmakend, en over mij alleen. Jammer dat die ellendige spuugbak zo in de weg zat.

    Toen ik al eens meer mijn drempelvrees overwon, nodigde hij me plotseling uit om zelf in die spuugbak te spuwen. Nou: spugen, eigenlijk.
    ‘Mais non!’ articuleerde ik onhandig.
    ‘Mais non!’
    Hij lachte tot hij hikte, en van dat hikken kwam dan weer … ajakkes.
    ‘Ma, als je nog eens een pannetje eten over hebt, draag het dan maar zelf naar de overkant hé.’
    ‘Waarom, jongen?’
    ‘Pff … die viezerik.’
    ‘Het is goed voor je Frans. Meester Devriese zei gisteravond nog dat je ver voor staat op je klasmakkers.’
    ‘Maar ik moest in zijn bakje spugen!’
    ‘Wat?’
    ‘Dat vies bakje dat daar bij de deur staat. Ik durf er zelfs niet naar te kijken, anders moet ik … En Angèle lacht altijd zo raar.’
    ‘Ach, het zijn oude mensen hé. En ze verstaan onze taal niet goed.’
    ‘Pff.’

    Het omslagontwerp van mijn exemplaar van Sans famille – Alleen op de wereld toonde in droevige kleuren een vioolspelende oude man (Vitalis) met een aapje op zijn schouder (Joli Coeur) en een bedelend jongetje in de sneeuw (Rémy). De tranen knalden uit mijn kop tijdens het lezen, wan IK was dat jongetje. (Later sloeg ik boeken over boeken er op na, en ik leerde: Alleen op de wereld van Hector Malot was eigenlijk ‘een uit de hand gelopen aardrijkskundeleerboek’ voor de Franse scholieren, geschreven op verzoek van de Franse minister van Onderwijs. Klimaat, industrie, arbeid, landbouw … Aardrijkskunde? Sentiment! Maar inderdaad ook: kinderarbeid, mijnen. Het bleek ook een geëngageerd verhaal te zijn.)

    Telkens ik bij overbuur Rémy zat (terwijl Angèle met haar koolzwarte ogen tussen die massa witgrijs haar door het kleine huisje spookte), kwam die tekening op mijn boek me weer voor ogen. Rémy geleek heel erg goed op die oude vioolspeler.
    Op een keer probeerde ik hem in mijn aanvankelijk Frans over het boek te vertellen. Dat ik het gelezen had. Livre. Lire. Sans famille: en flamand, oui. Hij knikte begrijpend en schraapte andermaal onrustbarend zijn keel. Het kwam van heel diep, als van uit de steenkoolmijnen. Ik was op het ergste voorbereid: soms barstte hij in een hoestbui uit die duurde tot lang nadat ik het huisje al verlaten had en de straat overgestoken was. Dan hoorde ik hem nog rochelen tot aan de overkant, als een oude apotheker na vervaldatum. Plotseling tikte Rémy nadrukkelijk met zijn stok tegen de spuugbak. Met veel hoofdgeknik wees hij het ding aan. In de sofa lachte Angèle me bemoedigend toe, met sneeuwwitte tanden die opflikkerden in het halfduister, hoe deed ze het, op haar leeftijd, nee: ouderdom. Ik haalde mijn schouders op, probeerde mijn walg te onderdrukken, schudde vragend van nee. Wat wilden ze dat ik deed? Ze wees godverdomme ook al naar de spuugbak. Ah nee hé! Of even maar?
    Ik overwon mezelf, besloot niet te kokhalzen of toe te laten dat mijn hart keerde en gleed met mijn ogen langzaam naar dat obstakel naast Rémy bij de deur.
    Ik keek scherper toe. Het was een oud vioolkistje. Het was potverdorie net zo’n vioolkistje als mijn moeder op zolder liggen had, omdat ze al enkele jaren niet meer de viool streek, zoals het op een bepaalde bladzijde in Alleen op de wereld luidde. Het kistje van Rémy was bekleed met een materie die ik het best als ‘teilachtig’ kan omschrijven. Was hij dan ook violist geweest??

    En toen kwam dat weke projectiel eraan, na oorverdovend geschraap.
    ‘Merde!’ riep ik.
    Pats! Roos!
    Rémy en Angèle barstten in lachen uit. Ik rukte de deur open en vluchtte de straat over, naar de beschaafde Vlaamse overkant, naar mijn liefhebbende familie. Die dag begon het te sneeuwen, zoals het ook in Alleen op de wereld/Sans famille soms zo onbarmhartig sneeuwen kon.


    12-01-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vrouwtje Miserie

    HET WAARGEBEURDE VERHAAL VAN VROUWTJE MISERIE

    Vrouwtje Miserie. Wie zal haar beschrijven? Ik kwam haar één keer in mijn leven tegen, in de Papebrugstraat in het stadje waar ik als uk papschool liep. Ze beantwoordde volledig aan mijn verwachtingen, die uitsluitend vorm hadden gekregen door de vertellingen van mijn grootmoeder, die ook nog de moeder van mijn mama was. Die begeleidde me af en toe te voet naar de kleuterschool, tijdens die winderige jaren vijftig van de vorige eeuw. Daar leerde ik over vrouwtjes die in februari hout sprokkelen, terwijl de storm aan hun zwarte hoofddoeken rukt. En dat het witte paard van de goede man nooit over daken uit kan glijden.
    In die tijd deed zich een groot drama in mijn leven voor: het handvat van mijn schooltasje brak. Dat schooltasje was de klassieke, kindvriendelijke oplossing tussen echte boekentas, broodtrommeltje en beautycase-avant-la-lettre. Sommige van die tasjes hadden bijvoorbeeld de vorm van een huisje.

    KNAP! deed mijn handvat. Doodbeschaamd was ik. Ik kon wel door de grond zinken, verdwijnen via dat verborgen luik waardoor je pijlsnel naar China werd ontvoerd. De hele mensheid keek op mijn ellende toe. In volle straat was dat oor afgebroken! Op dat ogenblik had ik liever gehad dat de linkerhand van mijn oma afbrak, linkerhand waarmee ze liefdevol mijn rechterpolleke vastkneep. Want er reden al enkele wagens door de straten. De tranen sprongen me in de ogen. Ik wou geen stap meer verder. Het schooltasje stond als een vreemd voorwerp naast mij op het hobbelige trottoir, waar in die tijd nog grassprieten uit priemden.
    ‘Maar dat is toch niet erg!’ probeerde grootmoeder sussend. ‘Dat naai ik er zo weer aan, hoor.’
    ‘Neenee! Ik wil naar huis terug! En jij moet dat … dat daar dragen!’
    Ik wou het kapotte ding zelfs geen naam meer geven, zo verontwaardigd was ik.
    ‘Allez, wat zullen de anderen wel zeggen hé.’
    ‘Ik wil terug! Ze zullen me uitlachen!’
    En het begon natuurlijk te regenen. Mijn hele kleuterschoolloopbaan lang regende het godgenageld oude wijven.
    ‘Kijk: nu worden we nog nat door jouw schuld!’ zei mijn grootmoeder, maar ze bleef vriendelijk, zoals altijd, want ze had een wipneus.
    ‘En wat zal mama dan zeggen hé? Dat ik niet goed voor je heb gezorgd?’
    ‘Maar mama is jouw kind!’
    ‘En daarom wil ik niet dat je nu nat wordt en een verkoudheid krijgt.’
    God, ik kon wel in mijn broek plassen van schaamte en ellende. Ik kneep in haar hand.
    ‘Au, je doet me pijn hoor!’
    ‘Het is jouw schuld.’
    ‘Ah ja? En de regen ook? Het zijn de engeltjes die eh … die hun piespotje uitgieten. Wist je dat? Ik kan dat niet, hoor: het doen regenen.’
    ‘Maar het oor van mijn tas is stuk!’
    Ik stond niet toe dat van dat prangende voorwerp werd afgedwaald.
    ‘Dat kan ik wel weer naaien.’
    ‘Je moet het nu doen, nu!’
    ‘Dat gaat toch niet, zo op straat.’
    ‘Ja. Jawel.’
    Normale kinderen met normale schooltassen brachten hun moeder of grootmoeder of grote zus naar school. Toen ze ons voorbij stapten, wierp ik ze een blik vol haat toe. Mijn schaamte escaleerde tot balorigheid. Tegen twee ervan stak ik zelfs mijn langste tong uit. Steeds dieper zakte ik weg in deze poel van ellende. Was er dan niemand die me redden kon?

    Toen gebeurde het.

    ‘Ha! Adrienne!’ riep mijn grootmoe-met-de-wipneus plotseling uit. ‘In zo’n weer! En zo vroeg?’
    Ik verstijfde helemaal. Want wie hield daar halt, vlak bij ons, gehuld in een zwarte gebreide hoofddoek, gerimpeld als een appeltje uit de vorige herfst, gekromd als een vraagteken? Vrouwtje Miserie!
    Ze leek zo uit bladzijde twee van zovele verhalen van mijn grootmoeder gestapt. (Of, wanneer ik er nu aan terugdenk: ontsnapt aan de turbulentie van de Hongaarse Opstand). Met ogen als schoteltjes bekeek ik haar. Angst ebde weg en werd verwondering, mondde uit in bewondering, en toen dobberden mijn ogen naar mijn eigen grootmoe, die een beetje op Vrouwtje Miserie geleek, en die nu geluidloos naar mij lachte, lachte … Een eigenaardig februarigevoel doorstroomde me plotseling. Ik voelde dat hier iets aan het gebeuren was. Vrouwtje Miserie en mijn grootmoeder wisselden wat gemompel. Tussen hun in keek ik naar boven, beurtelings naar de een en de ander, die twee kathedraaltjes van ouderdom.
    En toen wendde Vrouwtje Miserie zich tot mij – ze boog nog wat dieper voorover dan gewoonlijk en sprak: ‘Maar wat zie ik hier nu op het trottoir? Een … een … een verborgen schat?! Zo’n mooi ding? Maar … kijk nu eens: dat is een echte boekentas! Als dat geen echte boekentas is! Zonder zo’n gek oor dan nog wel! Welwelwel. Zeg, weet je: echte grote jongens dragen hun schooltas zo, onder hun rechterarm. Kijk, zo.’
    En Vrouwtje Miserie deed me voor hoe het echt moest, hoe het hoorde in de grote school. Ze pakte het geamputeerde ding stevig beet en knelde het klemvast onder haar arm. Misschien had ze in het woud wel met grote takkenbossen geoefend.
    ‘Gezien, grote kerel?’
    Ik knikte. Boven mijn poel van ellende brak de zon door. Ik zou in één stap groot zijn. Ik geloofde haar, en voerde haar bevelen uit, want ik geloofde (en geloof nog steeds) veel meer in verhalen dan in mensen. En Vrouwtje Miserie was een waargebeurd verhaal: oud, en dus waar, echt gebeurd in een boek. Want ik was bitter jong. Zo bitter.

    Nu nog, zoveel decennia later, geloof ik in twee grote samenzweringen: die van de peuters en die van de gerimpelden. Ex-peuters dus. Er is iets wat de cirkel steeds weer rond maakt. Er is geen ontkomen aan. Soms moet een detail dat duidelijk maken, bij voorkeur een on-feit. Als God in het detail zit, dan mogen we vitten. Maar de duivel is er soms mee gemoeid.


    03-01-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Oudgedienden/Stiefzusjes

    OUDGEDIENDEN & STIEFZUSJES

    Het Nederlands kent misschien wel enkele miljoenen woorden. We gebruiken er doorgaans niet zo veel van. Als we er gebruiken, zijn het vaak dezelfde. Dan worden die woorden dat ook wel eens moe. U kent metaalmoeheid, sleet, ouderdom. In woorden kan dus ook de mot zitten. Soms zijn we echte woordenaars.
    Oudgedienden: zaken die zo vaak gezegd worden dat ze moe zijn. Een beknopte bloemlezing. Laten we de rivier volgen. We snijden ze de pas af. De warmte zit binnen. De tijd staat niet stil. Ze kunnen nu al veel. Er hangt een prijskaartje aan. We moeten er eens uit zijn. Wit is altijd schoon. Wij zijn niet boos, wij zijn woest. De kleine man is weer de dupe. Alle aanwezigen gingen tevreden huiswaarts. De afwezigen hadden ongelijk. De bal is rond. Voetbal is oorlog. De kinderen zijn weer het slachtoffer. Het wordt een hete herfst. De politie staat voor een raadsel. De horeca klaagt steen en been. De terrasjes lokten vele dagjesmensen. Hij heeft niet afgezien. We moeten bij onszelf beginnen. Ik zal je nog wel eens bellen. We kunnen er weer tegen. We hebben maar dat. Ik ga er eens een nachtje over slapen. Dat blijft onder ons, hé. Het is weer te geweldig. Het zal het niet houden. Hela, ze groeien hier niet. Zeg nooit ‘nooit’. Nooit. Ik ben de tolk der aanwezigen. Ik wil hier graag van de gelegenheid gebruik maken.
    Stiefzusjes: zaken die gemixt worden met andere zaken en aldus een foutieve constructie veroorzaken en die dat ook moe zijn. Een beknopte bloemlezing. We hebben het achter de boeg. Er valt nog een appeltje uit de kast. Alles komt op z’n pootjes terecht. Het loopt van een glijdakje. Ik zie het onderste van mijn tong. Het komt mijn achterhoofd uit. Er is geen levende kat te bespeuren. De kogel is door het midden. Ge moet het ijs smeden als het heet is. Er zal geen kat naar kraaien. Ge moet het gouden kalf niet slachten. Hij legt er het loodje bij neer. Ge moet uw schapen niet op het droge verbranden. Die renner moet zijn verantwoording opnemen in de ontsnapping. Het kost te duur. Het is nog te vroeg om een oordeel te kunnen vestigen. Veel wegen leiden naar Keulen. Einde citaten. Wat klinkt de Nederlandse taal toch wonderzoet. De heerlijkste gerechten echter worden opgediend door sprekers die totaal niet weten hoe ze het moeten zeggen, maar wel weten waar ze het over willen hebben. Of soms omgekeerd, o ramp. Die hebben ergens een klok horen luiden. De Kamasutra is volgens hen een rivier in Indië. Ze hebben het bijvoorbeeld over ‘intimiti’ in plaats van ‘intimi’. ‘Etyologie’ in plaats van ‘etymologie’. Iemand heeft het al levenslang over ‘kervelig’. Zou ze ‘korzelig’ bedoelen? Soms is het zo erg dat je niet eens durft te informeren …


    26-12-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Taalkunde

    TAALKUNDE

    Kinderen in de twintigste eeuw. Waar is de tijd. Een marteling. Dat gedoe met limonade bijvoorbeeld. Is een half glas limonade halfvol of halfleeg? Luister naar een gesprek uit de vorige eeuw tussen een grote mens (1 m 83) en een kind (1 m 57). ‘Je drinkt weer te gulzig. Je ogen zijn groter dan … ‘. ‘Mmpff’. ‘Slokop’ ‘Mmpff’. ‘Het staat nog maar voor je neus en het is al halfleeg. Je zus is toch zo gulzig niet!? Kijk!’ ‘Maar nee! Het is nu nog halfvol. Kijk maar!’ ‘Weet je het weer beter?’ ‘Maar ik kreeg ook minder limonade dan de anderen’. ‘Dat is niet waar. Iedereen kreeg gelijk’. ‘Jennifer kreeg veel meer’. ‘Nee. Moet ik een vergrootglas halen? Een glas is een glas hee!’ ‘Jongens hebben meer dorst’. ‘O, is dat zo? Moet je een optater misschien?’ ‘Nee, nog een beetje limonade graag’. ‘Welhebjevanje … hiér!’ Lap. ‘Au!!’ Sommige oorlogen zijn er gekomen door gekijf over stukken land of zee. Iedereen wil meer. Sommige ruzies zijn oranje of citroengeel, en sprankelend, met veel prik. Ouders zijn uitgevonden om hun kinderen te hinderen. Zij overtreffen ze trapsgewijs. Nooit kunnen die kinderen hun ouderen, pardon, ouders, inhalen. Of toch: de ouder wordt ingehaald door het kind als het gaat om trouwen of rouwen. Dan ligt de lat voor beide partijen gelijk: zeer plat. Misschien is ‘jongeren’ de overspelige trap van ‘jong’. ‘Jongeren’ is ook een verontrustend meervoud. Zijn er eigenlijk wel zoveel jongeren? Die bevolkingspiramide van ons landje ziet er op dat vlak bedenkelijk uit. Je denkt bij dat woord ‘jongeren’ ook gewoonlijk aan andere woorden, afhankelijk van de context: ‘schade’, ‘ongewassen’, ‘onwel’, ‘duizenden’. Zoals je bij ‘oud’ misschien aan ‘pensioen’ en ‘grijs’ en ‘stok’ denkt. ‘Jongen’ klinkt dan weer zo zoogdier- of eierschaalachtig. Terwijl ‘meisje’ niet eens een verkleinwoord is. ‘Jippie zeg, heb ik daar een aardige meis ontmoet’. ‘Ouder’ is de vergelijkende trap van ‘oud’. Wee de man, de vrouw, die op zeer jonge leeftijd kinderen veroorzaken: zij zijn dan ‘ouder’. Meervoudsvarianten: ouders, oké, ouderen, ai. ‘Jongeren’ doet dan weer denken aan ‘worp’: de jongeren rolden als rapen uit de schoot van de vruchtbare boerin. Wat te doen? Ach, tegen de taal ingaan. Anders gaat die dicteren hoe je je moet gedragen. Waarom bijvoorbeeld kwispelt de hond met zijn staart? Omdat hij slimmer is dan zijn staart. Mocht hij dat niet zijn, dan zou de staart met de hond kwispelen. Ik vind dit een van de grootste wijsheden die ik al gelezen heb. Waarom, dat verklap ik u niet. U moet het zelf maar uitvissen. Feit is dat veel wijsheden in de vorm van een mop worden verkocht, ogenschijnlijk onnozel. Neenee, gij daar kluchtigaard op de tiende rij, ik heb het niet over ‘Het is groen en het klimt zonder handen naar beneden’. Drink maar uw limonade op.


    18-12-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Wiskunst

    WISKUNST

    Mijn bewondering voor de wiskunst (een oude droom van mij) en mijn afgrijzen voor de wiskunde (een oude draak van mij) zijn beide weer toegenomen na het bekijken (tot tweemaal toe) van de film ‘A Beautiful Mind’. Daarin vertolkt Russell Crowe een geflipt wiskundig genie, tevens toekomstig Nobelprijswinnaar, dat met extreme schizofrenie leert leven. Zoals elke filmfan van elke goeie film zegt: ‘Dat moet je gezien hebben’, zo zeg ik dat nu ook. Schrijvers mogen gek zijn – ze vinden toch hun eigen werelden uit, geen probleem. Wiskunstige knobbels mogen dat ook – ze redden soms de wereld door codes te kraken of toepasbare dingen uit te vinden. Wiskunde heb ik, met bewondering en met afgrijzen, altijd als wiskunst bekeken, veel liever nog dan wijsbegeerte die bewijsbegeerte wil zijn. Ik laat nu even in het midden of paarden echt wel kunnen rekenen. Uitzondering: de Houyhnmhnms in de wereldklassieker Gullivers Reizen, die zeer schrandere beesten zijn. Zo’n wiskundig spinnenweb met lijnen en letters en cijfers is al net zo raadselachtig als een gedicht. Er bevindt zich veel poëzie op de opengeslagen bladzijden van een algebraleerboek. Jammer genoeg wil men in de wiskunst meestal naar oplossingen toe werken. Als in een gedicht het raadsel of het geheim is ‘opgelost’ (in een soort oplossend denkwater van een of andere vermolmde uitlegger), dan houdt het op een gedicht te zijn. Het lost zichzelf op; de dichter moet dan maar weer een vers gedicht maken. Wie in de wiskunst dan de zo begeerde oplossing niét vindt, kan daar wisnijdig door worden. In de poëzie zeggen ze: schrijven is schrappen. Misschien is de wiskunde ook de kunst van het wissen. Ook al beweerde Steve Stevaert een tijdlang dat 1 plus 1 gelijk is aan 3. Hij voegde toe. Misschien heeft hij het verkeerde diploma. Dat gebeurt wel eens vaker in de politiek. Ik heb onlangs een avondje backgammon gespeeld met Pythagoras en Newton. Ze gaven allebei toe dat ze eigenlijk liever gedichten hadden geschreven, en dat ze dat stiekem ook gedaan hebben. De redenering van Stevaert vonden ze overdreven: hoewel ze beiden nogal bang waren voor nul, dat ze een ongetal noemden, konden ze met zekerheid bewijzen dat 1 plus 1 altijd 2 zal blijven. Omgekeerd heb ik mijn speelmaten ook bekend dat ik vroeger eigenlijk heel graag wiskunde deed. ‘Had je dan misschien de verkeerde leraars?’ opperde Newton, terwijl hij in een appel beet. ‘Maar dat is net goed’, repliceerde ik. ‘Wie zich in de lessen op school verveelt, krabbelt er stiekem op los, op de banken, op binnenflappen van boeken, en daar groeien dan later grote schrijvers uit’. Deze uitleg vond Newton bevredigend. ‘Het is dus verlangend uitkijken naar saaie leraars?’ vroeg Pythagoras. ‘In zekere zin wel’, gaf ik toe. ‘Ook een saaie leraar Nederlands?’ ‘Alles helpt’, zei ik. ‘Politiek ook?’ ‘Nee,’antwoordde ik pertinent, ‘daar lopen we niet in’. ‘Waarom niet? Politiek is toch ook saai en abstract? Zoals gedichten en vraagstukken?’ ‘Wis en zeker,’ wedervoer ik, ‘maar de abstractie betreft hier alleen maar gebakken lucht’. ‘Dus slagers, bakkers en cafébazen moeten de politiek in?’ concludeerde Pythagoras. Waarop ik de beide heren eruit bonjourde. Er zijn grenzen aan begrip.


    12-12-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Tempeest
    Klik op de afbeelding om de link te volgen







    Eric Otonne in een sneeuwstorm in Bologna


    05-12-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Moedertaal

    Moedertaal

    Een vak als een vehikel
    van gevoelens & gedachten:
    elke dag even boven de put,

    dan sta je nooit voor schut.

    Als je de letters meester bent,
    boek je voor de eerste klas.
    Als je de woorden onderhoudt,
    krijg je er steeds meer zin in.

    Zet je zinnen dan maar op mij:
    ik ben je meewerkend voorwerp.
    En als je van lezen houdt:
    dat is het leukste zittenblijven.

    PS Je mag me ook altijd schrijven, 
          taalschatje.


    21-11-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Mooie woorden

    MOOIE WOORDEN

    Vroeger, toen sommige dieren nog spraken, hoogstwaarschijnlijk West-Vlaams, en ikzelf nog tafelhoogte was, dacht ik dat achtentachtig en vierennegentig ‘meer’ waren dan honderd. Die woorden klonken namelijk langer en indrukwekkender. (Ik heb ook altijd het gevoel gehad dat volslanke mensen ‘meer’ op de wereld zijn dan slanke. En me lang de vraag gesteld of bijvoorbeeld een geamputeerde arm ook naar de hemel gaat). Ter zake nu: mooie woorden zijn niet de bombastische hoogdravende adjectieven die in een bolle opgeblazen rij na mekaar worden geparkeerd. ‘Tekenende woorden’, predikten ze vroeger op school. Mooie woorden horen niet thuis in een lange nietszeggende zin. Zo’n zin noemen we dan: holle frase. Mooie woorden wonen niet in praatballonnen van praatvaren die zichzelf graag horen spreken. Mooie woorden hoeven zelfs niet in gedichten. Mooie woorden zijn alleen maar mooi op zichzelf. Ze verschillen van mens tot mens. Soms is er geen reden voor. Je weet niet hoe het komt dat je ze mooi vindt. Ze zijn zomaar mooi. Ananas. Vulkaankonijn. Kiwi. Verdriet. Gletsjer. Ik zie ze graag en ik spreek ze graag uit. Er zijn ook lelijke woorden, vind ik. Scenario. Loopbaan. Kaukasus. Brandweer. Maart. Weer weet ik niet waarom. Zou het kunnen komen door bepaalde mensen die ze gebruiken of bepaalde plaatsen waar ze voorkomen? Van het ogenblik dat een politicus woorden in de mond neemt, zijn die bezoedeld. Zoveel is zeker. En woorden uit een tuchtreglement zullen ook niet op veel sympathie en begrip kunnen rekenen, vrees ik. Misschien valt een persoonlijk mooi woord te vergelijken met een geluksgetal of een voorkeurkleur. Door omstandigheden kunnen die veranderen. ‘Station’ kan een leuk woord zijn. Het hangt er van af met wie je er bent, of als je er vertrekt of aankomt, en zelfs op welk tijdstip van welke dag: maandag, vrijdag. De namen van de dagen zijn allemaal om ter lelijkst. Die van de maanden ook, september uitgezonderd. Er steekt vaart in dat woord. En kruidigheid. Ook november mag er zijn. Het dendert als een trein voorbij, een warreling van goudgele bladeren achterlatend. Van de getallen vind ik zes mooi ogen en klinken. Vier ook wel, in mindere mate. Maar dat is dan weer meer een geluksgetal. Achtentwintig ziet er ook goed uit. Voornamen? Al de mensen waar ik me goed bij voel. Er lopen wel woordmisdadigers los: woordenaars zijn lieden die moorden op woorden plegen. Ze gebruiken bijvoorbeeld maar een beperkte voorraad clichéwoorden. Of de verkeerde. Neem nu die tv-vedetten. De TelevisieVlamingen, ofte TV’s. Sommigen zijn seriewoordenaars. Ze bedrijven kakofonie in spelletjes en woorddiarree in panels. Hun clichés zijn zo hoog en zo oud als kathedralen met duivenstront op. Ook de gesproken reclameclips voeren constant aanslagen op woorden uit. De woordenkramerij rond waspoeders en auto’s is ten hemel schreiend. Ik koop alleen nog producten waar geen woorden aan vuilgemaakt worden. Zwijgen is goed.


    16-11-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Doffe brief
    Klik op de afbeelding om de link te volgen














    Doffe brief

    14-11-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Tussendoortje
    'Mijn papa werkt en mijn mama geeft les.'

    06-11-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dof maar duidelijk

    DOF MAAR DUIDELIJK

    DOF MAAR DUIDӘLӘK

    Intro

    Spelling is techniek. Spelling is ook een vaardigheid. Spelling speelt ons parten. Aanpassingen, amendementen, discussies en vereenvoudigingen maken het er vreemd genoeg niet makkelijker op. En wie onvolkomen spelt, wordt daar ook op beoordeeld.
    Daarom is het wenselijk de meest voorkomende letter én klank uit de Nederlandse taal, die nu zeven levens leidt, één duidelijk teken te geven. Het is eenvoudig en logisch. Het bestaat al in de fonetiek en op computer. Het schrijven van deze dofferd levert een nieuwe leukerd op: een aardig, probleemloos lusje, klein of groot. Taal leeft toch, niet?
    Tja, en moet alles nu opnieuw worden gedrukt? Welaan dan: op naar die tweehonderdduizend jobs! De taal is immers ‘gansch het volk’!

    DOF MAAR DUIDӘLӘK

    Beste taalschatjes, ik doe een voorstel dat beantwoordt aan logica, pragmatiek, haalbaarheid en taalgevoel, waar dat laatste zich ook moge bevinden. Het gaat over de doffe e, de zogenaamde sjwa ofte schwa. Hij is dus dof, oké. Bepaalde woordenboeken noemen hem zelfs ‘toonloos’ Andere leerboeken hebben het zelfs over de ‘stomme e’. Je moet je lippen niet bewegen als je die stommeling uitspreekt. Je ziet hem niet eens, mocht je al liplezen bedrijven. Het is zo’n beetje een luie klank. Je hoeft er niet veel inspanning voor te doen. Daardoor onderscheidt hij zich van alle andere klanken en klinkers. Hij staat dus ook altijd in een onbeklemtoonde, doffe lettergreep. Hij vormt echt wel een eenmanscategorie. Maar er rijst een groot probleem voor kinderen en anderstaligen die onze taal willen leren schrijven. Onze fameuze sjwa ofte doffe e vermomt zich graag in allerlei verschijningen. En dat veroorzaakt problemen bij het lezen en bij het schrijven (en natuurlijk ook bij het aanleren). Even het rijtje aflopen van enkele vermommingen. De kapitaal gedrukte letters (of het apostrofje) vormt/vormen telkens de doffe e: EEn, dE, hEt, ‘n, m’n, z’n, Er, d’Er, lelIJk, bEzittEn, gEdaan, kattEn, mIJn(onbeklemtoond), zIJn (idem), mE, jE, zE, wE, havIken, luiwammEs, LothAringen, sinAAsappel, avOnd, BussUm. Er zijn nog gevallen. Die sjwa komt dus heel vaak voor, het vaakst van alle klanken: in lidwoorden en in meervouden bijvoorbeeld. En in ‘er’. Soms komt hij tot driemaal toe in een woord voor: ‘vErrukkElIJk’. Hij wordt, wat schrijven betreft, verward met de gedekte e van ‘bek’ en ‘kef’ en met de vrije e van ‘peter’ en ‘lepel’. En hij veroorzaakt daardoor natuurlijk ook uitspraakproblemen voor kinderen en anderstaligen. Daarenboven: leest/interpreteert u maar eens woorden als ‘negeren’, ‘bedelen’ en het beroemde ‘bommelding’. Daarom dit voorstel: we gaan die dofferd een apart teken geven. Het moet gedaan zijn met die dubbel-, wat zeg en schrijf ik: meerzinnigheid. Je kunt maar één leven leiden, geen zeven. En waarom zouden we niet het teken gebruiken dat er in het fonetisch schrift al voor gereserveerd is? Die omgekeerde e? De [∂] dus? Hij zit zelfs al in uw computer, onder ‘symbolen’. Die ingreep zou ten minste veel verwarring uitsluiten. En dat teken zelf is niet zo revolutionair: je zet gewoon de meest bekende letter uit ons alfabet op zijn kop. Van een zachte revolutie gesproken. Ook in het letterlijke schrift, echt schrijvenderwijs dus, levert de verbinding tussen dat omgekeerde kereltje en zijn voorganger en achterligger geen problemen. Probeer het maar, dat aardige lusje; het is nog leuk ook. En waar parkeren we deze dofferd in het alfabet? Ofwel helemaal voorop, want hij komt het meest voor, ofwel als rode lantaarn, want hij is ook maar een doffe nieuweling.

    Voor alle duidelijkheid betreffende deze doffe ellende: het gaat er me dus niet om het arme kereltje af te schaffen. Alleen: hij moet een apart schriftteken krijgen. Hij wordt dus opgewaardeerd. Mijns inziens zou dat een veel zinvoller spellingingreep zijn dan dat salongemompel over de spelling anno 1995, waar een beukenboom naast een lindeboom geplant werd. Idem dito anno 2005. Zit God immers niet in het detail? Mogen we dan niet even zinvol vitten? Dof maar duidelijk. Van harte: Eric Otonnə.

    (Deze tekst werd ook gepubliceerd op Writer’s Block (Nl), in het vakdidactisch tijdschrift Moer (Nl), in het tijdschrift van de VWS -Vereniging Wetenschappelijke Spelling (Nl), in het magazine Klasse voor Leerkrachten & en in De Krant van West-Vlaanderen)

    Noot

    Kijk ook ‘ns naar de volgende lijstjes.

    ‘m    je    de     havik          mijn    lelijk

    ’n    we    het    misschien   zijn     bijvoeglijk

    ‘ns   ze    een

    ‘s    me

    ‘t    m’n   eens  doctor  dreumes  Bussum  Lotharingen

    z’n  motor verte  Dokkum  sinaasappel

    d’r  er  avond  stiekem  Gorcum

    zo’n  te dokter doctor

    Werkwoorden (en hun verleden vorm plus (on)voltooide deelwoorden) met prefix ge-, be- en ver:

    ge…vallen    be…dotten    ver…brassen

    ge…noten     be…loofde     ver…trekkend

    alle werkwoordEn // vele meervoudEn  // vele verkleinwoordjEs

    Overdreven, foutieve reductie in de uitspraak: bAnaan, belangrIJk

    Woordenboekinfo

    De sjwa (na 1950) <Hebr. Šewā (de naam van een accentteken), de toonloze ә: een schwa, een stomme e. Komt in veel Indo-Europese talen voor en wordt daarom ook genoemd: ‘schwa indogermanicum’ (bron: K. van het Reve)

    Reductievocaal in ongeaccentueerde lettergrepen (bron: Taalboek Nederlands, Smedts-Van Belle, DNB/Pelckmans, 1996)

    Slotnoot

    Natuurlijk zou alles herdrukt moeten worden. Tweehonderdduizend nieuwe jobs!

    TESTTEKSTӘN

    Dә Moerәn – Les Moërәs

    (Әn Vlaamsә klassiekәr ovәr tabakssmokkәl eind jarәn ’40 van dә vorәgә eeuw)

    01

    Hier trapt mәn in әn niemandsland.
    Hier komt mәn aan әn eindә:
    bredә gracht of brandәnd zand,
    soms mijnәnveld of әn vәrstrooidә weidә.

    Oudә wind fluit om әn grenspaal.
    Blad na blad bәtaalt әn boom dә tol.
    Niets aan tә gevәn in dә vreemdә taal;
    in zәn eigәn houdt mәn zwijgәnd vol.

    Tussәn ginds & hier & toen & hedәn
    grenst aan әn zekәr ongәloof
    ook hәt voordeel van dә twijfәl:
    dә douanә is aan één kant doof.


    02

    Mәn kamt alleen die windstreek uit
    die ergәns uit әn wijzer oostәn
    naar әn verdәr westәn strekt,
    of omgәkeerd, gәzwind als wind.

    Dә wind zit mee; zә lopәn әr weer in.
    Әn hazәnpad bәzaaid met grensgәvallәn.
    Commerçә vollә kracht vooruit:
    allәs voor centәn, centәn voor allәs.

    Dә pijp voor bij dә keukәnstoof
    wordt vannacht aan huis bәzorgd.
    Koppәn gloeiәn als uitgәholdә bietәn,
    maar al dә rest is uitgәdoofd.


    03

    Slaapwandәlaars op vreemd bәkend tәrrein.
    Vlaandәrәn zendt enkәlә zonәn uit:
    gәjaagd door winst, westwaarts,
    lopәn mannәnmensәn zwangәr tә zijn.

    Bultәnaars hinkәn schuldәg gәbukt
    tussәn gәflakkәr van populierәn
    door әn kathәdraal van donkәrtә.
    Gәruis, gәluid, gәritsәl & gәrucht.

    Dә rechtәrhand draagt zwartә sokkәn
    en heeft ervaring met dә mazәn.
    ‘Bruin of blauw: hazәnpad gәblazәn!
    En doe die sigaret dood, dwazәkloot’.


    04

    Nu of nooit; allәs of iets; hәt dooit.
    ‘Bonnә chancә ginds in dә Moerәn.
    Denk aan uw vel; kijk uit voor
    linkә loerәn: die doen wә zelf wel’.

    Dә maan krijgt haar bәwijs
    van goed gәdrag en zedәn.
    Zә blijft vәrstandәg weg;
    zә heeft әn duistәrә redәn.

    Hopәlәk gaat hәt niet mis.
    Stillә ovәrlopәrs vәrtredәn nu
    op zachtә voet dә wet. Dә aardә riekt
    naar zwartә sneeuw en kattәnpis.


    05

    Waar dә buidәl van dә bazәn zit,
    daar danst hәt hart als jojo op en neer.
    Dә kleinә man klampt zich aan zijn brәtellәn
    vast en draagt op elkә nier drie kilo méér.

    Zij zorgen, nu nog zwaarbәladәn,
    voor vәrlichting van dә Republiek.
    Pas in Calais, pas in Parijs
    glimmәn dә wormәn feeëriek.

    Hәt tolbareel vliegt aan spaandәrs:
    daar komt dә tabak uit dә Vlaandәrs,
    door slijk en grondsop voortgәdragәn
    op dә rug van Flandriens à pied.


    06

    Әn franc is әn franc, mәsjeu,
    en әn woord is әn woord.
    Әn gram is әn gram, parbleu,
    Of zijt gә mәsschien uw levәn beu?

    Dә kleinә man wordt van zijn vracht
    vәrlost. Vadәr Staat is weer vәrlicht
    en om tuin en veld gәleid.
    Zoals әn kilo hier kost,

    zo kost hij nergәns andәrs.
    ‘Maar smoort en zwijgt in allә talәn:
    gә weet van niks, al moest
    dә duivәl zelf u komen halәn’.


    07

    Hәt pәloton van knechtәn
    is in hәt hintәrland vәrspreid.
    Dә klassiekәr Veurnә – Duinkerkәn
    waaiәrt open. Tabak gәdijt.

    Dә weg tәrug maakt velә bochtәn.
    Hier en daar brandt nog әn licht
    of wacht әn hapklaar mokkәl.
    Hәt glazәn oog van God blijft dicht.

    In dә oudә Vlaamsә Moerәn
    zijn hәt enkәl dә konijnәn
    die zich nog evәn roerәn.
    Dә baas is thuis; dә rest heet haas.


    Op jә tellәn passәn

    Әr was eens әn stad. Soms lag die tә blakәrәn in dә zon. Soms lag die tә rillәn onder әn vriesmaan. Hәt was әn heel mooiә en gәzellәgә stad, waar iedәreen in wildә. Maar niet iedәreen mocht әr zomaar in. Dә oorspronkәlәkә stedәlingәn wildәn allәs rustәg en netjәs houdәn. Daarom was dә stad vәrsterkt en omwald. Әr was bәvoorbeeld maar een toegangspoort. Voor die poort stond dag en nacht әn gәwapәndә poortwachtәr. Hij was gәwapәnd met wachtwoordәn en әn vәrvaarlәkә hakbijl. Hij kon onafhankәlәk bәslissәn wie in dә stad werd toegәlatәn. Wie hem hәt correctә antwoord op een van zәn wachtwoordәn kon gevәn, mocht әrin. Want die was knap gәnoeg en zou dus dә stad geen schadә bәrokkәnәn en mәsschien wel nog welvarәndәr makәn. Wie foutief antwoorddә (en gәwoonlәk gәbeurdә dat door simpәlә onnadenkәndheid), haktә hij onvәrbiddәlәk dә kop әraf. Jә kunt jә voorstellәn dat dә stedәlәkә ophaaldienst elkә avәnd en elkә ochtәnd әn berg bloedәrәgә koppәn en lijvәn tә vәrwerkәn kreeg. En van massatoerismә had dә stad geen last. Nu, tәr zakә. Op әn miezәrәgә namiddag diendә әn Anglicaans priestәr zich bij dә poortwachtәr aan. Hij had әn langә reis achtәr dә rug en was doodmoe van hәt liftәn. ‘Dag,’ kniktә hij, ‘mag ik әrin alstublieft? Ik ben moe tot in mәn ruggәnmerg.’ ‘Als u correct op hәt wachtwoord weet tә antwoordәn, maak ik daar geen probleem van’, zei dә wachtәr, terwijl hij zәn hakbijl alvast stevәgәr omklemdә. ‘O, oké. En dat is?’ ‘Hәt wachtwoord is: twaalf.’ Evәn dacht dә geestәlәkә na. ‘Zes’, antwoorddә hij dan. ‘Oké’, kniktә dә wachtәr. En hij liet dә priestәr door. Evәn later kwam әr әn journalistә aan. Zә wou voor haar krant әn verhaal over dә stad schrijvәn. ‘Hoe luidt hәt wachtwoord?’ informeerde zә. ‘Acht’, deeldә dә wachtәr haar mee. ‘Zie jә hәt zittәn of vәrdwijn jә maar lievәr weer?’ ‘Vier’, glimlachtә dә journalistә opgәlucht. Dә poort werd prompt gәopәnd. In dә valavәnd tiktә әn vәrpleegstәr op dә schoudәr van dә poortwachtәr. ‘Hallo. Ik wil bij mәn zus in dә stad op bәzoek. Kan dat?’ ‘Dat hangt van u af. Hәt wachtwoord is: zes.’ Dә vәrpleegstәr kniktә. ‘Drie!’ riep zә fluks. ‘Hupsakee’, deed dә wachtәr, en dә poort zwaaidә opәn. Klokslag acht uur melddә zich әn advocaat aan dә poort. Dә wacht zou over әn halfuur wordәn afgәlost. ‘Goedәnavәnd mәneer’, groettә dә advocaat bәleefd. ‘Ik word op әn gәrechtәlәk diner vәrwacht in uw zeer mooiә stad. Hәt schijnt dat әr әn wachtwoord en әn wedәrwoord is. Mag ik dat van u horәn? Moeilәk kan hәt niet zijn; ik heb gәstudeerd.’ ‘Hm’, knordә dә wachtәr. ‘Jouw wachtwoord is: tien. Wat heb jә daarop tә zeggәn, gәstudeerdә?’ ‘Vijf’, antwoorddә dә advocaat onmiddәllәk en onnadenkәnd. Eigәnlәk had hij al dә helә dag op dә loer gәstaan in dә omgeving van dә stadspoort. Hij meendә dat hij hәt doorhad. Zondәr aarzәlәn haktә dә poortwachtәr hәt gәstudeerdә advocatәnhoofd әraf. Hәt bloed spoot naar allә windstrekәn.


    Әn kachәltjә op dә markt

    A - Allәs goed in Heulә?
    B - Vanmorgәn was hәt әr nog donkәr.
    A - Ah ja.
    Daar komt zekәr veel volk naar kijkәn?
    B - Ja, dә meestәn komәn dan wel naar buitәn.
    A - Dan moet hәt daar druk zijn.
    B - Opvallәnd druk. Beetjә spitsuur hé.
    A - Brandt әr dan ook әn kacheltje op dә markt?
    B - Nee, helaas niet.
    A - Bij ons dus ook niet.
    B - Ook niet met hәt wintәruur?
    A - Nee. Dә koudә blijft gәwoon buitәn.
    B - Wij proberәn deurәn en venstәrs goed gәslotәn tә houdәn.
    A - En dә seizoenarbeidәrs dan?
    B - Die bellәn vooraf als zә na hun seizoen tәrugkomәn.
    A - Jammer dat jullie dan geen kachәltjә op dә markt hebbәn.
    B - Tja … en nou net met kerst …
    A - Doodjammәr … in die tijd van hәt jaar …
    B - Ja hé … Maar ik zal eens iets bәkennәn.
    A - Ja?
    B - Wә hebbәn eigәnlәk ook geen markt.
    A - Had dat dan onmiddәllәk gәzegd.
    B - Ik durfdә niet.
    A - Bij mij zijn allә gәheimәn veilәg.
    B - Ook dat van die seizoenarbeidәrs?
    A - Dat is wat andәrs.
    B - Wat bәdoel je daar mee?
    A - Ik weet nu tә veel.
    B - Ach, dat valt nog mee.
    A - Vind jә?
    B - Ja. Maar wil jә één ding niet doorvәrtellәn?
    A - Met plәzier. En dat is?
    B - Zekәr wetәn hé?
    A - Jaja, schiet nou maar op. Bәloofd.
    B - Wә hebbәn eigәnlәk ook geen wintәruur in Heulә.
    A - Had ik hәt niet gәdacht!
    B - Ja, eigәnaardәg hé? Alleen әn spitsuur.
    A - Geen wintәruur?
    B - Helәmaal niet.
    A - Daarom is hәt hier zo warm!
    B - Ja hé, en zondәr kachәltjә op dә markt.


    PS - Handschriftәlәk geeft dit leuke zwijnenkrulletje geen problemen. Het is natuurlijk even wennen aan het nieuwkomertje.


    30-10-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Kindermond

    KINDERMOND

    ‘De ijstijger woont in de winter’, zei het kind in de eerste klas van de lagere school. De juffrouw knikte verbaasd. Dat was prachtig gezegd. En onopzettelijk. Diezelfde dag leerde ze haar klas het woord ‘vis’ aan. ‘Het is een dier … ,‘ zei ze, ‘ … dat in zee zwemt en het heeft hetzelfde buikje als ‘kip’. Wie weet het al? … zwemt in de zee en … ‘. ‘De witte haai!’ ‘Een goudvis!’ ‘Een … een walvis!’ ‘Maar nee!’ riep de juf wanhopig uit. En stiekem barstte ze ook in lachen uit. Even later ging het over het woord ‘boompje’, want dat stond in de titel van een gedicht. Oei, wat een dik buikje had dat woord! Maar een boom kende anders iedereen wel. ‘En nu,’ zei de juf, ‘nu wil ik het woord nog eens horen voor ‘een kleine boom’. Het is dus een kleinere boom, maar een langer woordje. Een kleine boom is een … ? Wie weet het nog?’ ‘Miniboom!’ ‘Dwergboom!’ ‘Maar nee!’ riep de juf wanhopig uit. En stiekem barstte ze ook in lachen uit. Toen duidde ze Suzanne aan om te antwoorden. ‘Suzanne, weet jij het?’ ‘Hé, juffrouw!’ protesteerde Paul-Edouard op de eerste rij. ‘Het is niet Suzanne. Je moet zeggen: Suzan. Want als je zegt Suzanne, dan zijn er veel Suzannekes. En er is er hier maar één’. ‘Ik zal het nooit meer doen’, beloofde de juffrouw ootmoedig. Paul-Edouard knikte ernstig, en Suzanneke zat hem met grote ogen aan te kijken.
    Toen ik die avond thuiskwam – ik was getuige geweest van deze tafereeltjes – schreef ik op: ‘Mijn hond woont in de winter’. Het werd de eerste regel van een vers gedicht. Hij was eigenlijk uitgevonden door een kind uit de eerste klas. Het was een prachtige blikopener voor een gedicht. De moderne spits-spraaktechnologie is zo schilderachtig niet. Zij brengt geen poëzie van dat gehalte voort. Zij maakt fouten. Iemand commandeert de computer: ‘Make it … ‘. En wat krijgen we op het scherm te lezen? ‘Naked … ‘. Nou, misschien is dat toch wel schilderachtig. Maar het was de bedoeling niet. Besluit: terug naar aanvankelijke spreek- en spraaklessen. Eerst dictie volgen, dan pas met de computer praten. Een ouderwets expressietrainingslokaal zou nog zin hebben. Want als de uitspraak van de boodschapper aan de computer verkeerd is, kan dat een zaak van leven of dood worden. La plupart des occasions des troubles du monde sont grammairiennes. Schreef Montaigne, de vader van het essay. Het woord is machtig. Met of zonder computer. Wat als ik zo’n computer dicteer: ik vlei meneer. Net zo goed schrijft hij: ik vlij me neer. Ander voorbeeld: ik verklaar u de oorlog. Dat schrijft hij wel neer. Maar ga ik dan vechten of het uitleggen? Begrijpt hij het? Nee. Een computer woont niet graag in de winter. He is too naked.


    25-10-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Filosofietje

    FILOSOFIETJE

    Ik las en hoorde de laatste jaren af en toe over ‘filosoferen met kinderen’. Er worden boeken over geschreven en congressen over gehouden. Mensen die van kinderen hun beroep maken, zijn er mee bezig. Maar eigenlijk hebben kinderen altijd al gefilosofeerd. Twijfel en verwondering vormen de vertrekpunten van filosofie. Enfin, het zou toch zo moeten zijn. ‘Kunnen dieren praten of lachen?’ ‘Heeft een kiwi pijn als je erin bijt?’ ‘Als ik mijn nagels knip, komen die dan in de hemel?’ ‘Als God ons graag ziet, waarom heeft hij dan tandpijn uitgevonden?’ Als iemand filosofeert, moet je bereid zijn mee te twijfelen. Vragen staat vrij. Grote mensen die met kinderen willen filosoferen, daar heb ik zo mijn twijfels over. Over de grote mensen, wel te verstaan. Ze zullen het wel weer in de ‘juiste’ banen leiden, naar hùn verwachtingen. Ongetwijfeld. Omdat ze alles weten. Omdat ze veiligheid verkiezen. Omdat ze avonturen ontgroeid zijn. En filosofie is nou net niéts weten, vragen stellen, op pad gaan, zonder te weten waar je uitkomt. Je bent er nooit te oud voor, of te jong, weet je wel. ‘Vertel het aan een kind dat jong genoeg is om het te begrijpen. Vertel het aan de bomen’, kent u dat (nog)? Gedachten die dieper en verder gaan dan friet kopje-onder in mayonaise, krijgen soms onderdak in gedichten, poëzie. Ook dat is een compartiment waar filosofie wordt bedreven: de wereld van de kopdonders, leverzwijnen, sprokkelkinderen, wiphammen, hoolifanten, snotkilometers, neusspeeksel, badsprinkhanen, paashazinnen, vakantiegangsters, zevenstormen, hinkstapslokken, ongediertjes, zolderlingen, dondernachten, stierlantijnen, roodlapjes, kalkoeien, grolmopsen, koeterwaals, tegendraads, … Filosofie heeft zijn eigen jargon. Gedichten gooien soms woorden overboord, in het sissende vet van verse verwondering, en vissen die dan weer op: in een nieuw, verrassend kleedje. Poëzie is minstens dubbel hard nadenken over de dingen. Zeker zo hard en zo diep als het geval is bij kommagetallen, breuken en metend rekenen. ‘Waar was u de nacht van vrijdag op zondag?’ ‘Als God in het detail zit, mogen we dan vitten?’ ‘Een gedicht, moet dat rijmen?’ ‘Nee, Filo-Sofietje: het mag ook ongerijmd, liefst zelfs. Laat het rijmen maar aan de commerciële schlagerbleiters over: hou, trouw, blauw, jou’. ‘Kan God mijn tandpijn niet genezen?’ ‘Eh … iedereen heeft kiespijn hoor, zo om de vier of zes jaar moeten alle mensen het hokje in om weer van die pijn af te geraken. Dan maken ze met een rood potlood een bolletje vol, binnen de lijntjes, zodat ze weer vier of zes jaar verder vrolijk pijnloos kunnen genieten van al het moois dat … ‘. ‘Zijn dat dan de Tandartsen-zonder-Grenzen?’ ‘Eh … dat zijn de hokjesmensen, Filo-Sofietje, en nu moet ik weg, da-ag!’




    ZIELSVERWANTE LINKS
  • Poëzie
  • Een blauwe plek
  • Schuine teksten
  • Moord !
  • De ongecomponeerde noot
  • Romaneske boeken
  • Satisfiction
  • Romans & Theater
  • Vreeslijke verhalen
  • Miljarden flarden

                                           COPYRIGHT JORIS DENOO
    Foto

    Blog als favoriet !

    Foto

    TAAL IS EEN AARDIG DING
    Archief per jaar
  • 2017
  • 2016
  • 2015
  • 2014
  • 2013
  • 2012
  • 2011
  • 2009
  • 2008
  • 2007
  • 2006
  • 2005

    Foto

                Opa & Wilma 2009


    Foto

                  Opa & Leo 2011
    Foto

    Wat je zegt, ben je zelf


    Foto

           Vallen en opstaan
    Foto

    Eén paar kinderen, graag


    Foto

    Het mysterie van Merlijn


    Foto

    Met Sarah & Hanne in Standaard Boekhandel Kortrijk: presentatie romandebuut HARDZIEK van Sarah Denoo
    Foto

    Me & Wilma 30 june 13
    Foto

    Me & Leo & 'Tutta'

    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!