Verloren maandag
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Verloren maandag of Verzworen maandag (Frans lundi perdu of lundi parjuré) is een Vlaamse traditie, over het algemeen op de maandag na de zondag na Driekoningen. Deze traditie is vooral hardnekkig in de provincie Antwerpen en in Doornik gebleven.
Het is in Vlaanderen en vooral in de provincie Antwerpen de traditie om op die dag worstenbroden en appelbollen te eten.
In de streek van Sint-Truiden (Belgisch-Limburg) wordt de maandag voor aswoensdag verloren maandag genoemd. Op die dag begint carnaval.[1]
Over de herkomst van dit gebruik doen vele verhalen en stadslegendes de ronde, het ene al wat accurater omspringend met de historische informatie dan het andere. Op basis van historische feiten kunnen wel een aantal zeer waarschijnlijke hypotheses naar voor worden geschoven.
Eedaflegging
In archiefstukken is soms sprake van een “verzworen maandag”: een Lorreinse akte uit 1231 verhaalt over de “lundi parjuré”, de dag waarop sommige ambtenaren hun eed aflegden. Deze aanduiding bleef echter niet beperkt tot de maandag na de eerste zondag na Driekoningen. Er wordt immers ook gesproken over de “verzworen maandag van Pasen“ of de “verzworen maandag van Kerstmis“. In Antwerpen wordt hiervan gewag gemaakt in een kerkrekening uit 1431, en later ook in een stadsrekening uit 1513. De eerste “Verloren Maandag” komen we tegen in 1730, te Leuven. Ook hierbij zou het gaan om een dag die “verloren” was: er werd niet gewerkt, omwille van de feestelijkheden ter gelegenheid van de eedaflegging der ambtenaren. Dergelijke plechtigheden werd (in Antwerpen) soms gevolgd door een feest. Om dat feest voor de stad betaalbaar te houden, kreeg men een goedkoop vleesbroodje te eten. Aangezien de ambtenaren de rest van die dag niet meer werkten, werd die dag al gauw “Verloren Maandag” gedoopt.
Gilden
Een variant op dit verhaal wil dat de in vroegere tijden erg machtige gilden rond het begin van de 18de eeuw hun nieuwjaarsfeest organiseerden op “Verloren Maandag”. Een ganse dag werd er gevierd, en kwamen de ambachtslui niet aan werken toe. Ook het voorlezen van gildenboeken, met daarin de rechten en plichten der ambachtslui, zou tot een “Verloren Maandag” geleid hebben. Hierna, zo wordt gesteld, zou de patroon zijn gildenleden immers op een borrel vergast hebben. Dit gebruik was naar verluidt vooral in Antwerpen in zwang. In andere gemeenten gingen gildenleden van deur tot deur de nieuwjaarswensen aanbieden, in naam van hun patroon. Het lijkt vrij veilig te veronderstellen dat ook dit aanleiding gaf tot herbergbezoek en werkverzuim. In andere gewesten gelden voor soortgelijke dagen andere benamingen: “weversmaandag” in de Westhoek, “koppermaandag” in Nederland. “Kopperen” had namelijk de betekenis: “zich tegoed doen aan spijs en drank”.
Dit drukke herbergbezoek bracht de herbergiers mogelijk op ideeën. Zo zouden zij nagestreefd hebben hun klanten zo lang mogelijk in hun zaak te houden, onder meer door te zorgen voor een (zout en dorstaanwakkerend) hapje. In samenwerking met slagers en bakkers trakteerden ze hun klanten dan ook op gebraden vlees en versgebakken brood. Om het goedkoop te houden, gebruikte men vooral vette vleessoorten, verwerkt tot worst en verpakt in deeg. De herbergbezoekers aten de worst, en het van vet doordrongen brood werd aan de hond gegeven.
Antwerpse haven
Andere bronnen verwijzen dan weer naar de Antwerpse haven. Traditioneel mochten de havenarbeiders op de maandag na de eerste zondag na Driekoningen op kosten van de natiebazen… drinken! Daarbij werd hen iets warms te eten aangeboden, samengesteld uit ‘onverkoopbaar’ vlees, en brood. Dat “verloren brood“ zou dan aan de oorsprong liggen van de specifieke naam van die dag.
Het eten van écht worstenbrood, zoals wij dat nu kennen, wordt voor het eerst vermeld in 1913 in het boek van Edward Poffé; "Plezante mannen in een plezante stad”. Het gebruik zou volgens hem pas opgekomen zijn na 1880. Pas na de Tweede Wereldoorlog zorgde het worstenbrood bij de bakker voor een grote toeloop op "Verloren Maandag". Tot op heden werd deze lekkere traditie gehandhaafd en worden in sommige, traditionele Antwerpse horecazaken de klanten vergast op worstenbrood en/of appelbollen.
Koppermaandag
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Koppermaandag is de eerste maandag na Driekoningen (6 januari). Op die dag hielden de gilden traditioneel een feestdag. De gildebrieven werden voorgelezen en de privileges die de leden van het gilde genoten, werden opgesomd. Vervolgens trokken de gildelieden de stad in om geld in te zamelen dat vervolgens werd verbrast. Zo sloten zij de donkere periode rond de kortste dag af.
De naam stamt waarschijnlijk van kopperen dat "feestvieren" betekent, via kop dat staat voor "beker". Koppermaandag wordt al in de eerste helft van de 15e eeuw genoemd, maar is waarschijnlijk nog ouder. In Amsterdam mochten op Koppermaandag en de dag erna de leprozen de stad in, wat normaal streng verboden was. In optocht ging het naar de Dam. Vervolgens werd geld ingezameld voor het Leprozenhuis en kregen de leprozen een maaltijd aangeboden. Vanaf 1604 werd de optocht verboden omdat die teveel overlast veroorzaakte.
Toen in de 18e eeuw de gilden werden afgeschaft, bleef de traditie van de feestdag alleen in stand onder de drukkers. De gezellen van de drukkers drukten als proeve van vakbekwaamheid een speciale prent met een heilwens erop, de Koppermaandagprent, die zij op Koppermaandag aan de meesterdrukkers en de eigenaar van de drukkerij overhandigden. In de 19e eeuw werden Koppermaandagprenten aan relaties gestuurd, als geschenk.
In de loop van de twintigste eeuw ging het ritueel vrijwel verloren, doordat men in plaats van Koppermaandagprenten, Kerst- en Nieuwjaarskaarten ging versturen. Na de Tweede Wereldoorlog werd het gebruik deels weer in ere hersteld. In 1948 gebeurde dat in Haarlem, de stad van Laurens Janszoon Coster, en in 's-Hertogenbosch, Arnhem en Gouda, daarvan vanaf 1949 in Drenthe, en later ook in Noord-Brabant, Zeeland en in Groningen. Verscheidene contribuanten van de Stichting Drukwerk in de Marge vervaardigen Kopperuitgaven.
In de Protestantse Gemeente Schettens-Schraard-Longerhouw (Friesland), is het tot op heden nog steeds gebruik dat de pachters van het kerkeland, op uitnodiging van de kerkvoogden bijeenkomen. De pacht wordt echter al jaren niet meer op deze dag voldaan.
de dinsdag
Overlevering
Over het gesproken Oudhoogduits is er een beetje bekend, dankzij twee kleine boekjes: de Kasseler Glossen (uit de 9de eeuw) en het Parijse Gespreksboekje (Pariser Gesprächsbüchlein; uit de 10e eeuw). De Kasseler Glossen waren waarschijnlijk een soort vertaalboekje voor het alledaagse leven, geschikt voor Romaanssprekende buitenlanders.
Ter illustratie twee regels uit het Hildebrandslied: Ik gihôrta / dat seggen / dat sih urhêttun aênon muotîn / Hiltibrant enti Hadubrant / unter heriun tuêm. Vertaling in het Nieuw hoog Duits: Ich hörte das sagen / daß herausfordernd sich trafen / Hildebrand und Hadubrand / zwischen zwei Heeren.
Dit heldendicht en enige bezweringsformules, bijvoorbeeld om een wond of beenkwetsuur te genezen, zijn een schat aan informatie over het Oudhoogduits. Het Hildebrandslied, dat rond 770 ontstaan is, is het enige heldenlied in het Duits dat nog bewaard is. Het oudste exemplaar dat we er nog van hebben, is rond 810 ontstaan in Fulda. Het einde is helaas verloren gegaan, zodat we niet weten hoe het gevecht tussen Hadubrant en zijn vader eindigt.
De teksten hebben het zogenaamde stafrijm of alliteratie (zoals de gecursiveerde klanken hierboven) en moeten ritmisch worden gelezen, waarbij de lange regel in twee niet altijd gelijke helften wordt verdeeld (zie de schuine strepen).
Waar dichters zelfstandig konden werken, pasten ze deze oude techniek nog toe, zoals in de Heliand, een lang gedicht over het leven van Christus in een Oudsaksisch dialect. Maar door het vertalen uit kerkelijke boeken ontstond enerzijds een proza: ordevoorschriften, gebeden, zoals het Onze Vader, kerkelijke diensten, psalmen en biechten, anderzijds een nieuwe vers-techniek.
Een monnik, Otfrid von Weißenburg (9de eeuw) heeft door zijn kundige vertaling van verschillende gedeelten uit de evangeliën de aanzet te geven tot de eindrijmtechniek in het Oudhoogduits. Hij verdeelde de lange versregel in twee ongeveer gelijke helften, waarvan de laatste lettergrepen op elkaar rijmden.
Voorbeeld uit Christus aan het kruis:
Muater sin thiu guata thiz allaz scowota theso selbun quisti thio ruarun iro brusti
Vertaling in modern Hoogduits: Seine mutter, die gute, schaute dies alles, Diese Martern die ihr Brust (Herz) rührten...
Dit werd het voorbeeld van de middeleeuwse rijmtechniek genoemd, die in de grote ridderverhalen werd toegepast.
Uitbreiding Hoogduitse woordenschat
Er ontstond ook heel wat nieuwe woordenschat. Men had immers nieuwe woorden nodig om de christelijke gedachtewereld te kunnen verklaren en te beschrijven. Deze gedachtewereld was voor de heidense Germanen nieuw en vreemd. Daarom probeerde men met vertrouwde woorden onbekende en abstracte begrippen van het christelijke geloof uit te drukken. Verscheidene Germaanse woorden kregen dus een nieuwe betekenis.
Bijvoorbeeld:
Er werden ook nieuwe samenstellingen gevormd (vaak in overeenstemming met de Latijnse tegenhanger). Dit wordt ook wel eens leenvertaling genoemd.
Bijvoorbeeld:
Vaak nam men de Latijnse woorden ook gewoon over.
Bijvoorbeeld:
-
Papst (paus), in het Latijn: papa
-
Pilger (pelgrim), in het Latijn: pelegrinus
-
Kreuz (kruis), in het Latijn: crucem
-
...
Naast de nieuwe woordenschat, verdwijnen ook heel wat Oudgermaanse woorden, vooral diegene die met het heidense geloof samenhangen:
-
alah (tempel)
-
zebar (offerdier); wel nog bewaard in het Duitse woord voor ongedierte: Ungeziefer
Oudhoogduits
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Het Oudhoogduits is een vorm van het Duits dat van ongeveer de achtste eeuw tot ongeveer 1050 gesproken werd.
De letterkundige overblijfselen uit deze tijd zijn gering in aantal. Uit hun taal is op te maken, dat woorden veel klankrijker waren, doordat de lettergrepen van verbuiging, vervoeging en afleiding een veel duidelijkere klank hadden.
06-04-2009 om 08:39
geschreven door quentin
Categorie:quentin
|