Ik ben quentin
Ik ben een man en woon in roeselare (belgie) en mijn beroep is .
Ik ben geboren op 27/08/1998 en ben nu dus 14 jaar jong.
Mijn hobby's zijn: voetbalenveldrijden.
Slangenalarm in Düsseldorf! Een voorbijganger trof er op een parkeerplaats een python aan. De wurgslang was in een zeer slechte toestand. Het dier had brandwonden en kroop onderkoeld over de parkeerplaats. De brandweer kwam de slang vangen, meldt Express.
Paniek aan boord van een vlucht van Qantas. Vier pythons waren ontsnapt uit hun containers. Het personeel kon de slangen maar niet vinden, ook niet na de landing.
De reptielen waren ontsnapt op weg van Alice Springs naar Melbourne. Ook na de landing kon het personeel de slangen niet vinden, ze zaten ook niet tussen de bagage van de passagiers. Het toestel werd dan maar aan de kant gezet. Volgens woordvoerder Joe Aston van Qantas vlogen de beestjes mee in containers en was er niks mis voor het vertrek. "We hebben niks alarmerend gemerkt voor het opstijgen maar blijkbaar zijn de slangen er toch in geslaagd om te ontsnappen tijdens de vlucht." Volgens slangenkenners zijn de beestjes waarschijnlijk in de warmste plekken van het vliegtuig gekropen en zitten ze vermoedelijk in de motoren van het toestel. (vsv)
Wie verhuist laat al eens wat achter maar huurders in het Duitse Wesseling maakten het bont. Ze trokken de deur achter zich dicht en lieten hun slangen gewoon rondkruipen.
De nieuwe huurders keken vreemd op, plots kroop er een reptiel over de vloer. Ze belden onmiddellijk de politie. De agenten deden een poging om het 120 centimeter lange dier te vangen maar dat lukte niet. De slang werd agressief en de agenten moesten een stapje achteruit zetten. Ze waagden een nieuwe poging met een bezem en een emmer. Het lukte maar daarmee was het verhaal nog niet gedaan. Even later kwam er een tweede slang piepen. De slangen werden naar de zoo gebracht waar ze opnieuw op krachten konden komen.
Benito Juárez was een negentiende-eeuwse president van Mexico. Hij was van oorsprong een Zapoteeks indiaan en was daarmee de eerste president met een volledig Indiaanse achtergrond. Juárez stond bekend als een liberale hervormer. Hij schreef een nieuwe grondwet, waarin kerk en staat strikt gescheiden werden. Van 1861 tot 1867 leidde hij de republikeinse regering in de strijd tegen de Fransen en de troepen van keizer Maximiliaan. Na zijn overwinning liet Juárez deze executeren, tot groot genoegen van veel Mexicanen omdat op deze manier werd duidelijk gemaakt dat het Amerikaanse continent geen bemoeienis van buitenaf duldde. (Lees verder)
In 1996 arriveerde Michael Schumacher bij het rode team. Vanaf dat moment begon het team weer op te leven. Er zou een opmars volgen die in 1997 Ferrari dicht bij de rijderstitel bracht, maar uiteindelijk ging Williams er samen met Jacques Villeneuve mee lopen. Het volgende jaar kon Schumacher wereldkampioen worden tot de laatste race, maar weer liep het mis. In 1998 kwam Luca Badoer bij het team die vanaf dat moment testrijder is geworden bij het team van Ferrari, alleen in het jaar 1999 reed hij een seizoen voor het team van Minardi maar daarna bleef hij testen voor Ferrari. In 1999 brak Schumacher zijn been in de Grand Prix op Silverstone. Hij kon geen rol van betekenis meer spelen in het wereldkampioenschap. Teamgenoot Eddie Irvine greep net naast de titel. Ferrari veroverde wel sinds lang opnieuw de constructeurstitel. 2000 was het einde van de 21-jarige lijdensweg van de Scuderia: Schumacher won zijn 3de rijderstitel. Het volgende jaar was nog beter voor Ferrari. Williams was snel en McLaren constant, maar Ferrari was het beiden nog meer… goed voor twee titels. In 2002 zorgde de uitermate dominante F2002 bolide dat Ferrari 15 van de 17 races kon winnen, waarvan Michael Schumacher er 11 behaalde, goed voor zijn 5de wereldtitel. Aanvankelijk leek 2003 niet zo succesvol te worden maar uiteindelijk slaagde Ferrari er toch in zowel de rijderstitel als de constructeurstitel te bemachtigen. 2004 was opnieuw "makkelijk" voor het Italiaanse team: Schumacher zorgde voor 13 overwinningen en de rijderstitel. In 2005 belandde het rode team opnieuw in een diepe put. Het Italiaanse team kon slechts 1 Grand Prix winnen: de farce-race van Indianapolis waar slechts 6 wagens aan de start kwamen. In 2005 heeft het team het seizoen afgesloten op een 3de plaats. In 2006 boekte het team betere resultaten, zo won Schumacher zeven races en de nieuw in het team gekomen Massa twee races. Ondanks dat besloot Schumacher te stoppen met de Formule 1. Zijn opvolger was de FinKimi Räikkönen geworden. In 2007 won Ferrari zowel de rijderstitel met Räikkönen als de constructeurstitel. In het daaropvolgende seizoen 2008 greep teamgenoot Felipe Massa net naast de titel nadat Räikkönen eerder al was afgehaakt. Wel bezorgden zij dat jaar Ferrari de constructeurstitel door concurrent McLaren voor te blijven in het kampioenschap.
In 1968 verkocht de stichter, Enzo Ferrari, 90% van zijn personenwagenzaak en 50% van de Scuderia Ferrari aan Fiat. In dat jaar zorgde de Belg Jacky Ickx voor de enige overwinning van het team. In 1970 won Jacky Ickx in zijn Ferrari nog drie Grote Prijzen en werd tweede in het kampioenschap. Tot 1975 was het echter crisis bij Ferrari: soms was het team gewoon niet competitief genoeg, dan weer misten ze de titel op een haar na. De terugkeer van hun ware kracht kwam in 1975. De drie daaropvolgende jaren won Ferrari de constructeurstitel. Niki Lauda werd bovendien wereldkampioen in 1975 en 1977. In 1976 was dit waarschijnlijk ook het feit geweest als hij zijn ongeluk op de Nürburgring niet had gehad. Ferrari eindigde de jaren ’70 in stijl. Jody Scheckter werd wereldkampioen en het rode team won ook de constructeurstitel. Deze titels zouden de laatste zijn voor een lange periode. In de jaren '80 kon slechts tweemaal de constructeurstitel behaald worden en in de eerste helft van de jaren '90 werd vrijwel niks behaald.
In 1956 gaat Ferrari samenwerken met Lancia. Het heeft direct resultaat, want Juan Manuel Fangio wordt onmiddellijk wereldkampioen. Omdat Fangio niet goed met Enzo Ferrari kan opschieten, vertrekt hij na één seizoen. Ferrari beleeft een rampjaar en behaalt geen enkele zege. In 1958 wordt alles weer goed gemaakt. Met slechts één overwinning, maar met vijf tweede plaatsen wordt Mike Hawthorn zeer verrassend de derde wereldkampioen voor Ferrari. In de volgende twee jaren zijn er nog wat kleine successen te vieren, maar geen kampioenschappen meer.
In 1961 behaalt Ferrari voor het eerst de constructeurstitel. De titel bij de coureurs lijkt naar de Ferrari-coureur Wolfgang von Trips te gaan, maar in Monza verongelukt hij dodelijk en zijn teamgenoot Phil Hill wordt wereldkampioen. Het seizoen daarna is een slecht seizoen voor Ferrari. Een tweede plaats voor Hill in Monaco is het beste resultaat. In 1963 haalt John Surtees de enige zege voor Ferrari, het jaar daar op wordt Surtees wereldkampioen.
Ferrari debuteert in de Formule 1 in 1950 bij de Grote Prijs van Italië met een F1 versie van de Ferrari 125. Ze zijn hiermee het oudste team dat nog steeds actief is in de Formule 1. Veel potten werden er echter nog niet gebroken in het eerste jaar, Alfa Romeo domineert het hele seizoen. Op 14 juli1951 breekt Froilán González op Silverstone de zegereeks van Alfa en zorgt voor de eerste overwinning van Ferrari. In 1952 wint Alberto Ascari zes Grand Prix achter elkaar en wordt Ascari de eerste wereldkampioen in een Ferrari. Een jaar later is hij opnieuw de beste coureur en wint hij vijf races. Hierna neemt de overmacht van Ferrari tijdelijk af.
In 1929 richt Enzo Ferrari samen met Alfredo Caniato en Mario Tadini Scuderia Ferrari op in Modena met als doel coureurs een kans te geven in de autosport. Als wagens gebruikt hij vooral Alfa Romeo's en Scuderia Ferrari groeit uit tot de officiële racedivisie van Alfa Romeo in 1933. In 1938 neemt Alfa Romeo weer zelf de racedivisie in handen en wordt de racedivisie omgedoopt naar Alfa Corse. Enzo verlaat Alfa Romeo in 1939, maar moest hen beloven dat hij de naam Scuderia Ferrari niet zou gebruiken in de komende vijf jaar. Hij gebruikte aanvankelijk de naam Auto Avio Costruzioni. Na de Tweede Wereldoorlog begint hij dan eindelijk met het ontwikkelen van zijn eigen wagens onder de naam Scuderia Ferrari.
Verloren maandag of Verzworen maandag (Frans lundi perdu of lundi parjuré) is een Vlaamse traditie, over het algemeen op de maandag na de zondag na Driekoningen. Deze traditie is vooral hardnekkig in de provincie Antwerpen en in Doornik gebleven.
Over de herkomst van dit gebruik doen vele verhalen en stadslegendes de ronde, het ene al wat accurater omspringend met de historische informatie dan het andere. Op basis van historische feiten kunnen wel een aantal zeer waarschijnlijke hypotheses naar voor worden geschoven.
Eedaflegging
In archiefstukken is soms sprake van een “verzworen maandag”: een Lorreinse akte uit 1231 verhaalt over de “lundi parjuré”, de dag waarop sommige ambtenaren hun eed aflegden. Deze aanduiding bleef echter niet beperkt tot de maandag na de eerste zondag na Driekoningen. Er wordt immers ook gesproken over de “verzworen maandag van Pasen“ of de “verzworen maandag van Kerstmis“. In Antwerpen wordt hiervan gewag gemaakt in een kerkrekening uit 1431, en later ook in een stadsrekening uit 1513. De eerste “Verloren Maandag” komen we tegen in 1730, te Leuven. Ook hierbij zou het gaan om een dag die “verloren” was: er werd niet gewerkt, omwille van de feestelijkheden ter gelegenheid van de eedaflegging der ambtenaren. Dergelijke plechtigheden werd (in Antwerpen) soms gevolgd door een feest. Om dat feest voor de stad betaalbaar te houden, kreeg men een goedkoop vleesbroodje te eten. Aangezien de ambtenaren de rest van die dag niet meer werkten, werd die dag al gauw “Verloren Maandag” gedoopt.
Gilden
Een variant op dit verhaal wil dat de in vroegere tijden erg machtige gilden rond het begin van de 18de eeuw hun nieuwjaarsfeest organiseerden op “Verloren Maandag”. Een ganse dag werd er gevierd, en kwamen de ambachtslui niet aan werken toe. Ook het voorlezen van gildenboeken, met daarin de rechten en plichten der ambachtslui, zou tot een “Verloren Maandag” geleid hebben. Hierna, zo wordt gesteld, zou de patroon zijn gildenleden immers op een borrel vergast hebben. Dit gebruik was naar verluidt vooral in Antwerpen in zwang. In andere gemeenten gingen gildenleden van deur tot deur de nieuwjaarswensen aanbieden, in naam van hun patroon. Het lijkt vrij veilig te veronderstellen dat ook dit aanleiding gaf tot herbergbezoek en werkverzuim. In andere gewesten gelden voor soortgelijke dagen andere benamingen: “weversmaandag” in de Westhoek, “koppermaandag” in Nederland. “Kopperen” had namelijk de betekenis: “zich tegoed doen aan spijs en drank”.
Dit drukke herbergbezoek bracht de herbergiers mogelijk op ideeën. Zo zouden zij nagestreefd hebben hun klanten zo lang mogelijk in hun zaak te houden, onder meer door te zorgen voor een (zout en dorstaanwakkerend) hapje. In samenwerking met slagers en bakkers trakteerden ze hun klanten dan ook op gebraden vlees en versgebakken brood. Om het goedkoop te houden, gebruikte men vooral vette vleessoorten, verwerkt tot worst en verpakt in deeg. De herbergbezoekers aten de worst, en het van vet doordrongen brood werd aan de hond gegeven.
Antwerpse haven
Andere bronnen verwijzen dan weer naar de Antwerpse haven. Traditioneel mochten de havenarbeiders op de maandag na de eerste zondag na Driekoningen op kosten van de natiebazen… drinken! Daarbij werd hen iets warms te eten aangeboden, samengesteld uit ‘onverkoopbaar’ vlees, en brood. Dat “verloren brood“ zou dan aan de oorsprong liggen van de specifieke naam van die dag.
Het eten van écht worstenbrood, zoals wij dat nu kennen, wordt voor het eerst vermeld in 1913 in het boek van Edward Poffé; "Plezante mannen in een plezante stad”. Het gebruik zou volgens hem pas opgekomen zijn na 1880. Pas na de Tweede Wereldoorlog zorgde het worstenbrood bij de bakker voor een grote toeloop op "Verloren Maandag". Tot op heden werd deze lekkere traditie gehandhaafd en worden in sommige, traditionele Antwerpse horecazaken de klanten vergast op worstenbrood en/of appelbollen.
Koppermaandag is de eerste maandag na Driekoningen (6 januari). Op die dag hielden de gilden traditioneel een feestdag. De gildebrieven werden voorgelezen en de privileges die de leden van het gilde genoten, werden opgesomd. Vervolgens trokken de gildelieden de stad in om geld in te zamelen dat vervolgens werd verbrast. Zo sloten zij de donkere periode rond de kortste dag af.
De naam stamt waarschijnlijk van kopperen dat "feestvieren" betekent, via kop dat staat voor "beker". Koppermaandag wordt al in de eerste helft van de 15e eeuw genoemd, maar is waarschijnlijk nog ouder. In Amsterdam mochten op Koppermaandag en de dag erna de leprozen de stad in, wat normaal streng verboden was. In optocht ging het naar de Dam. Vervolgens werd geld ingezameld voor het Leprozenhuis en kregen de leprozen een maaltijd aangeboden. Vanaf 1604 werd de optocht verboden omdat die teveel overlast veroorzaakte.
Toen in de 18e eeuw de gilden werden afgeschaft, bleef de traditie van de feestdag alleen in stand onder de drukkers. De gezellen van de drukkers drukten als proeve van vakbekwaamheid een speciale prent met een heilwens erop, de Koppermaandagprent, die zij op Koppermaandag aan de meesterdrukkers en de eigenaar van de drukkerij overhandigden. In de 19e eeuw werden Koppermaandagprenten aan relaties gestuurd, als geschenk.
In de Protestantse Gemeente Schettens-Schraard-Longerhouw (Friesland), is het tot op heden nog steeds gebruik dat de pachters van het kerkeland, op uitnodiging van de kerkvoogden bijeenkomen. De pacht wordt echter al jaren niet meer op deze dag voldaan.
de dinsdag
Overlevering
Over het gesproken Oudhoogduits is er een beetje bekend, dankzij twee kleine boekjes: de Kasseler Glossen (uit de 9de eeuw) en het Parijse Gespreksboekje (Pariser Gesprächsbüchlein; uit de 10e eeuw). De Kasseler Glossen waren waarschijnlijk een soort vertaalboekje voor het alledaagse leven, geschikt voor Romaanssprekende buitenlanders.
Ter illustratie twee regels uit het Hildebrandslied: Ik gihôrta / dat seggen / dat sih urhêttun aênon muotîn / Hiltibrant enti Hadubrant / unter heriun tuêm. Vertaling in het Nieuw hoog Duits: Ich hörte das sagen / daß herausfordernd sich trafen / Hildebrand und Hadubrand / zwischen zwei Heeren.
Dit heldendicht en enige bezweringsformules, bijvoorbeeld om een wond of beenkwetsuur te genezen, zijn een schat aan informatie over het Oudhoogduits. Het Hildebrandslied, dat rond 770 ontstaan is, is het enige heldenlied in het Duits dat nog bewaard is. Het oudste exemplaar dat we er nog van hebben, is rond 810 ontstaan in Fulda. Het einde is helaas verloren gegaan, zodat we niet weten hoe het gevecht tussen Hadubrant en zijn vader eindigt.
De teksten hebben het zogenaamde stafrijm of alliteratie (zoals de gecursiveerde klanken hierboven) en moeten ritmisch worden gelezen, waarbij de lange regel in twee niet altijd gelijke helften wordt verdeeld (zie de schuine strepen).
Waar dichters zelfstandig konden werken, pasten ze deze oude techniek nog toe, zoals in de Heliand, een lang gedicht over het leven van Christus in een Oudsaksisch dialect. Maar door het vertalen uit kerkelijke boeken ontstond enerzijds een proza: ordevoorschriften, gebeden, zoals het Onze Vader, kerkelijke diensten, psalmen en biechten, anderzijds een nieuwe vers-techniek.
Een monnik, Otfrid von Weißenburg (9de eeuw) heeft door zijn kundige vertaling van verschillende gedeelten uit de evangeliën de aanzet te geven tot de eindrijmtechniek in het Oudhoogduits. Hij verdeelde de lange versregel in twee ongeveer gelijke helften, waarvan de laatste lettergrepen op elkaar rijmden.
Vertaling in modern Hoogduits: Seine mutter, die gute, schaute dies alles, Diese Martern die ihr Brust (Herz) rührten...
Dit werd het voorbeeld van de middeleeuwse rijmtechniek genoemd, die in de grote ridderverhalen werd toegepast.
Uitbreiding Hoogduitse woordenschat
Er ontstond ook heel wat nieuwe woordenschat. Men had immers nieuwe woorden nodig om de christelijke gedachtewereld te kunnen verklaren en te beschrijven. Deze gedachtewereld was voor de heidense Germanen nieuw en vreemd. Daarom probeerde men met vertrouwde woorden onbekende en abstracte begrippen van het christelijke geloof uit te drukken. Verscheidene Germaanse woorden kregen dus een nieuwe betekenis.
Bijvoorbeeld:
Hölle (hel) : refereerde oorspronkelijk naar het Germaanse dodenrijk
Er werden ook nieuwe samenstellingen gevormd (vaak in overeenstemming met de Latijnse tegenhanger). Dit wordt ook wel eens leenvertaling genoemd.
Bijvoorbeeld:
Gewissen (geweten) - in het Latijn: con-scientia
Heiligtum - in het Latijn: sanctuarium
Vaak nam men de Latijnse woorden ook gewoon over.
Bijvoorbeeld:
Papst (paus), in het Latijn: papa
Pilger (pelgrim), in het Latijn: pelegrinus
Kreuz (kruis), in het Latijn: crucem
...
Naast de nieuwe woordenschat, verdwijnen ook heel wat Oudgermaanse woorden, vooral diegene die met het heidense geloof samenhangen:
alah (tempel)
zebar (offerdier); wel nog bewaard in het Duitse woord voor ongedierte: Ungeziefer
Het Oudhoogduits is een vorm van het Duits dat van ongeveer de achtste eeuw tot ongeveer 1050 gesproken werd.
De letterkundige overblijfselen uit deze tijd zijn gering in aantal. Uit hun taal is op te maken, dat woorden veel klankrijker waren, doordat de lettergrepen van verbuiging, vervoeging en afleiding een veel duidelijkere klank hadden.
De naam vrijdag is afgeleid van Friia's dag, het Germaanse equivalent van de Latijnse benaming Dies Veneris, de dag van Venus, genoemd naar de gelijknamige planeet. Deze planeet ontleende zijn naam aan de gelijknamige godin Venus. De Germaanse godin Friia beschouwde men als dezelfde godin als Venus. Vrijdag is de laatste dag voor het weekend in veel gebieden met een vijfdaagse werkweek.
De naam donderdag is afgeleid van Donars dag, het Germaanse equivalent van de Latijnse benaming Dies Iovis, de dag van Jupiter, genoemd naar de gelijknamige planeet. Deze planeet ontleende zijn naam aan de gelijknamige god Jupiter. De Germaanse god Donar beschouwde men als dezelfde god als Jupiter.
Hemelvaartsdag valt elk jaar op de zesde donderdag na Pasen. Wanneer men vanaf Eerste Paasdag telt, is dat de veerstigste dag. Eerste Pinksterdag is dan de vijftigste dag.
De naam woensdag is afgeleid van Wodans dag, het Germaanse equivalent van de Latijnse benaming Dies Mercurii, de dag van Mercurius, genoemd naar de gelijknamige planeet. Deze planeet ontleende zijn naam aan de gelijknamige god Mercurius. De Germaanse god Wodan (Wotan|Woden) beschouwde men als dezelfde god als Mercurius. Woensdag is de middelste dag van de week en hij heet in het Duits dan ook Mittwoch.
Veel basisscholen in Nederland en Vlaanderen zijn op woensdagnamiddag gesloten, wat de basisschoolkinderen halverwege de week een halve dag extra ontspanning geeft. In Vlaanderen hebben ook de leerlingen van het secundair onderwijs doorgaans de woensdagmiddag vrij. Alleen in de topsportscholen wordt deze tijd gebruikt voor extra training. In Nederland verschilt dat per school en per klas.
De kinderen kunnen dan spelen, of een sport beoefenen. In de jaren 1980, een tijd waarin er in Nederland en Vlaanderen nog geen commerciële televisie bestond, werden er op woensdagmiddagen extra veel kinderprogramma's uitgezonden.
Trivia
Een ludieke vraag die op woensdag rond het middaguur veel wordt gesteld is of men Zaagmans al heeft gezien. Vaak met de toevoeging: ...Om de week doormidden te zagen.
De Romeinen hadden de gewoonte de zeven dagen van de week naar de voornaamste hemellichamen te noemen. De hun bekende planeten (afgezien van Aarde) droegen namen van Romeinse goden. Hun dinsdag heette Martis dies, wat in het Frans tot mardi werd en in het ItaliaansMartedi. De Martis dies was de dag genoemd naar de planeet Mars die op zijn beurt was genoemd naar de oorlogsgodMars.
De Germanen namen die gewoonte over maar gebruikten de namen van hun eigen goden als bron voor de namen van de dagen. Mogelijk is dinsdag dan afgeleid van de lokale naam van de god Týr die in gelatiniseerde vorm is gevonden in inscripties aan de muur van Hadrianus als 'Thingsus'.
Dingsdag
Een andere mogelijkheid is dat de Nederlandse naam dinsdag genoemd is naar de 'dingen' zoals vroegere voorlopers van rechtsgedingen of rechtszaken genoemd werden. In het Middelnederlands heet de dag dinxdach of dinxendach. Maarten Luther heeft in zijn Bijbelvertaling een variant hiervan gebruikt en in het Standaardduits populair gemaakt (Dienstag tegenover het Zuid-Duitse Ziestag).
In andere germaanse talen is de naam voor dinsdag vaak afgeleid van de Germaanse god van het recht Týr of Tiwaz en die hebben dan ook geen -n- in de naam. Voorbeelden:
Aan de Germaanse god Tīwaz (in de Noordse mythologieTýr), die gewoonlijk als equivalent van Mars optreedt, herinneren plaatselijke benamingen als Diessendag, Dijssendag (in het zuidwesten van het Nederlandse taalgebied
Ares
In Beieren spreekt men van Er(ch)tag, wat gedeeltelijk uit het Grieks is overgenomen (Arēos hēméra, naar de Griekse oorlogsgod Ares). De Griekse god Ares beschouwde men als het equivalent van Týr, Ziu en Mars.
Belangrijke dinsdagen
In Nederland is het jaarlijks op de derde dinsdag van september Prinsjesdag.
Dinsdag 5 september1944 - de dag waarop veel Nederlanders ten onrechte dachten dat de bevrijding was begonnen - staat bekend als Dolle Dinsdag
Sinds Microsoft elke tweede dinsdag van de maand patches voor zijn producten uitbrengt staat deze dag bekend als Patch Tuesday, door sommige systeembeheerders ook wel Black Tuesday genoemd.
Maandag is naar de maan genoemd. Bij de Romeinen heette hij dies Lunae, dag van de maan. In het volksgeloof staat de dag in een kwade reuk.
In de joods-christelijke wereld wordt de maandag als de eerste of als de tweede dag van de week gezien. Voor beide bestaan goede argumenten. De status van de zondag als rustdag (de Dag des Heren) was oorspronkelijk die van de zaterdag. Wie van de oorspronkelijke stand van zaken uitgaat, zal de zondag de eerste dag vinden, en daarmee de maandag de tweede. Agenda's vermelden de maandag doorgaans als eerste dag, vooral ook om het weekeinde samen te kunnen vatten aan het einde. Ook volgens ISO 8601 is maandag de eerste dag van de week.
De Europese talen zijn het over de nummering van de maandag evenmin eens: van de talen die de maandag niet naar de maan noemen, maar aan zijn plaats in de week, beschouwt het Portugees de maandag als de tweede dag (segunda-feira), net als het Grieks, Δευτέρα, maar het Hongaars (hétfö = lett. weekhoofd) en het Estisch (esmaspäev = eerste dag) als de eerste. De Slavische talen noemen de maandag 'de dag na de zondag', maar uit hun namen voor de dinsdag (tweede dag), blijkt dat ook de sprekers van deze talen de maandag als de eerste dag beschouwen. In het IJslands zijn de zondag naar de zon en de maandag naar de maan genoemd, maar heten dinsdag 'derde dag' en donderdag 'vijfde dag'.
Palmzondag, ook wel Palmpasen genoemd, is de laatste zondag van de vastenperiode (de zondag vóór Pasen), vanouds de tweede zondag van de Passietijd, maar vooral belangrijk als eerste dag van de Goede Week. Op Palmzondag wordt de blijde intocht van Jezus Christus in Jeruzalem gevierd.
Sinds de hervorming van de liturgiekalender na het Tweede Vaticaans Concilie wordt Palmzondag ook palmzondag van de passietijd des Heren genoemd. Passiezondag wordt in de Tridentijnse liturgie gevierd op de tweede zondag voor Pasen.
Spaans-latijnse wereld: deze dag beginnen de processies van de Semana Santa, waarin het lijden van Christus wordt uitgebeeld. Overigens kennen enkele plaatsen in Nederland en België ook dit gebruik (hoewel soberder).
Op deze zondag leggen in de protestantse kerken veel mensen openbare belijdenis van het geloof af. In sommige kerken gebeurt dit op de Tweede Paasdag of met Pinksteren. Vaak versieren kinderen een mooie palmpasentak en dragen die na afloop van de kindernevendienst mee terug in de kerk.
Rooms-Katholieke traditie
In de Rooms-Katholieke Kerk wordt Palmzondag vanouds gevierd met de zegening van palmtakken, in onze streken vanwege het klimaat bijna altijd vervangen door buxustakjes. Na de zegening volgt dan een processie met traditionele gezangen die herinneren aan het volk dat "Hosanna" riep en Jezus met gejuich in Jeruzalem binnenhaalde. Deze muziek heeft, zoals de hele dag, een wat verdrietige ondertoon, vooruitlopend op Goede Vrijdag, de dag waarop Jezus door datzelfde volk verstoten werd. Dezelfden die "Hosanna" riepen op Zondag, zouden "kruisig Hem" roepen op Vrijdag. Enkele van deze beroemde Gregoriaanse antifonen zijn door verschillende componisten bewerkt tot polyfone muziekstukken, zoals Gloria laus et honor tibi sit en Pueri Hebraeorum. Na de Mis worden de gezegende palmtakken thuis achter het kruisbeeld gestoken. In de Katholieke Kerk is het gebruikelijk op deze dag voor het eerst het hele lijdensverhaal van Jezus te lezen; de tweede keer is op Goede Vrijdag. In de Tridentijnse liturgie wordt dat ook al op de zondag vóór Palmpasen, de passiezondag gedaan.
Zacharia 9:9-10: Verheug u zeer, gij dochter Sions! juich, gij dochter Jeruzalems! Ziet, uw Koning zal u komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland; arm, en rijdende op een ezel, en op een veulen, een jong der ezelinnen. En Ik zal de wagens uit Efraïm uitroeien, en de paarden uit Jeruzalem; ook zal de strijdboog uitgeroeid worden, en Hij zal den heidenen vrede spreken; en Zijn heerschappij zal zijn van zee tot aan zee, en van de rivier tot aan de einden der aarde (SV).
De gebeurtenis staat beschreven in de vier kanonieke evangeliën; Mattheüs 21:1-11, Markus 11:1-11, Lukas 19:28-44, en Johannes 12:12-19.
Zes dagen voor het Pascha, op de zevende van de maand Nisan, kwam Jezus in Bethanië en in Bethfagé. Die avond had hij diner met Lazarus en zijn zussen Maria en Martha. Twee van de discipelen werden erop uitgestuurd, naar "een tegenovergelegen dorpje", om een veulen op te halen "waar nog niemand op gereden heeft". Het veulen zou naast een ezelin staan; indien gevraagd moesten ze zeggen "dat de Heere het veulen nodig heeften dat Hij het ook weer terug zou brengen". 's Ochtends vroeg, op de achtste van de maand Nisan legden de discipelen hun mantels op de rug van het dier, waarna Jezus erop ging zitten en naar Jeruzalem reed. Langs de weg stonden mensen die riepen: "Hosanna, gezegend is Hij die komt in de Naam des Heeren! Gezegend zij het Koninkrijk van onze vader David, hetwelk komt in de Naam des Heeren! Hosanna in de hoogste hemelen! (Markus 11:9-10, Boek der Psalmen 118:25-26)" Ook spreidden ze hun mantels uit op de weg en haalden ze jonge takken van de bomen om die ook op de weg te leggen.
Na Jeruzalem binnengereden te zijn ging Jezus naar de tempel. Daar was het een drukte van belang; er werd gehandeld en geld gewisseld. Jezus joeg alle handelaars de tempel uit, hun tafels gooide Hij om. Na deze schoonmaak kwamen er allerlei zieken naar Hem toe die Hij genas. 's Avonds ging Jezus weer terug naar Bethanië.
In het christendom is de zondag de wekelijkse rustdag. Maar de eerste Joodse christenen hielden nog de sabbat, zoals dat nu nog steeds in het jodendom, zevendedagsbaptisten, zevendedagsadventisten en de Orthodoxe Kerk, het geval is. In het Oude of Nieuwe Testament is niet te lezen dat de zondag de rustdag is, echter de meeste kerken houden op zondag hun eredienst.
Professor Henk Jan de Jonge, hoogleraar Nieuwe Testament en vroegchristelijke literatuur in Leiden, is van mening dat de zondag zeker niet ontstaan is uit de sabbat en het dus geen gekerstende zaterdag is. Volgens hem dankt de zondag zijn speciale positie aan het feit dat de vroege christenen in de eerste eeuw na Christus op die dag ’s avonds altijd samen aten. Zij kozen voor de zondag doordat de zaterdag afviel. ‘De zaterdag was uitgesloten omdat de eerste christenen joden waren. En als joden namen ze op zaterdagavond al deel aan een familiemaal in huiselijke kring.’ Dat betekende dat voor de christelijke viering moest worden uitgeweken naar een andere dag. ‘Juist het idee dat het christelijk groepsmaal een soort aanvulling en correctie was op het joodse familiemaal kan de wens ingegeven hebben het christelijke avondmaal dan maar zo spoedig mogelijk na het zaterdagse familiemaal te houden, dus op zondagavond.’ Doordat deze zondagse maaltijd voor de vroege christenen het hoogtepunt van de week was, straalde dat af op de dag zelf.
Over de maaltijd valt te lezen in Handelingen der apostelen 20 vers 7: Toen wij ‘s zondags bijeen waren voor de maaltijd van de Here, sprak Paulus de christenen toe. Omdat hij de volgende morgen wilde vertrekken, ging hij door tot middernacht. Over een samenkomst op de eerste dag van de week, de zondag, valt ook te lezen in I Korintiërs 16 vers 1 en 2: Volg voor de collecte voor de arme gelovigen de richtlijnen die ik de gemeenten van Galatië heb gegeven. Die komen hierop neer, dat ieder van u elke zondag iets opzij moet leggen van wat hij heeft verdiend. Bewaar het tot ik bij u kom.
Dit is wat er in de Engelse versie van de Vrije encyclopedie staat: In Handelingen der apostelen 20:7 lezen wij “En op de eerste dag van de week, toen de discipelen bijeengekomen waren om brood te breken, sprak Paulus, die de volgende dag wilde vertrekken, hen toe en rekte zijn rede tot middernacht” Wees er aan herinnerd dat volgens de Joodse en Hebreeuwse traditie zoals beschreven staat in Leviticus 23:32, een nieuwe dag begint wanneer de zon onder gaat en dat deze bijeenkomst in de avond plaats vond rond etenstijd. Zo dat zij die geloven dat Christenen de Sabbat houden op de zevende dag van mening zijn dat deze samenkomst begon op Sabbatavond na zonsondergang. Paulus heeft op die zaterdagavond tot middernacht gepredikt en liep 18 mijl ( 28,8 km ) van Traos naar Assos op Zondag en zou dit zeker niet gedaan hebben wanneer hij de Zondag als Sabbat had beschouwd.
In 313 na Chr. vaardigde keizer Constantijn, zelf tot op zijn sterfbed opperpriester van de zonnecultus (Sol Invictus), het edict van Milaan uit dat Rome onder één godsdienst bracht. Hij gaf met deze verordening de christenen de facto vrijheid van godsdienst. Constantijn liet veel kerken bouwen, waarin heel wat van de gangbare heidense symbolen werden ingebouwd, en in 321 na Chr. stelde hij de zondag als rustdag in voor het gehele rijk. Dit was aan de ene kant ten gunste van de christenen die de zondag als rustdag wilden houden, maar viel anderzijds goed bij de lokale bevolking die destijds nog de zon een belangrijke plaats in het religieuze leven gaf en waar zondag de rustdag was. Op die manier maakte hij zijn nieuw gevestigde godsdienst voor alle partijen aanvaardbaar.
Zondag is genoemd naar de dag die in de voorchristelijke tijd aan de zon en naar de Godin Sól of Sunna was gewijd (Latijn: dies solis) en die in het overgrote deel van de christelijke wereld als de 'dag des Heren' wordt gevierd (Latijn: dies domenica, waarvan Frans: dimanche; Italiaans: domenica). De dag wordt algemeen als geluksdag beschouwd.
De tweede zondag in mei is moederdag, hoewel in sommige streken moederdag op 15 augustus gevierd wordt.
De derde zondag in juni is, van de Nederlandstalige landen alleen in Nederland en Suriname, vaderdag.
Eerste Paasdag of Paaszondag valt volgens de christelijke kalender op de eerste zondag na de eerste volle maan vanaf het begin van de lente (20/21 maart).
Eerste Pinksterdag valt op vijftigste paasdag, oftewel de zevende zondag na Pasen.
De Heidelbergse catechismus, een in het protestantisme belangrijk belijdenisgeschrift, is onderverdeeld in 52 'zondagen', aan de hand waarvan predikanten het jaar rond alle onderwerpen konden behandelen.
De naam is een verbastering van het Latijnse: dies Saturni, naar de god Saturnus, god van de landbouw.
De Franse naam samedi is afgeleid van Vulgair-Latijn sabbati dies (dag van de sabbat).
De Duitse naam is Sonnabend (= vooravond van de zondag) of Samstag, samengesteld uit een op het Hebreeuwse woord sjabbat teruggaand leenwoord, en Tag (dag). De wekelijkse rustdag wordt door de joden en door een aantal christenen op deze dag gehouden. De reden is dat de Bijbel beschrijft dat God, nadat hij de wereld in zes dagen had geschapen, op de zevende dag, de zaterdag of sabbat-dag, rust nam.
De Friese naam voor zaterdag is sneon. Dit sneon heeft als oudere vorm snjoen, wat een samentrekking is van sunne (Oudfries voor Zon) en joen (Oudfries voor avond, tegenwoordig gespeld als jûn, maar hetzelfde uitgesproken). Net als bij het Duitse Sonnabend heet deze dag bij de Friezen dus letterlijk vertaald 'zonneavond'.