Het is hoogzomer. De gordijnen van de ouderlijke slaapkamer waar ik als driejarige kleuter een middagslaapje doe zijn gesloten, maar het zomerzonlicht schijnt er doorheen en omdat het slaapkamerraam open staat dringen vage geluiden tot mij door: mijn vader die in de groentetuin werkt, een passerende trein , want wij woonden slechts 100 meter van het station van het kleine dorpje W. Verder is het stil en zijn er slechts "natuurgeluiden"te horen: het ruisen van de warme zomerwind, de koerende duiven , het tjilpen van de talrijke mussen en in de verte enkele mensenstemmen.
Een andere keer werd ik wakker, 's morgens vroeg, en werd ik gewaar dat mijn beide ouders al heel vroeg waren opgestaan om de overvloedige oogst bonen uit eigen tuin te oogsten en te verwerken. Daarvoor gebruikten ze een machientje waar je twee bonen tegelijk bovenin kon stoppen en onderin kwamen de versneden bonen weer te voorschijn en vielen ze direct in een grote pan die later die dag, na toevoeging van zout, opgezet werd en verwerkt in weckflessen. Want onder het huis was een niet al te grote kelder met heel veel planken langs de kelderwanden, waar de weck opstond en dat kon van alles zijn: ingemaakte pruimen, allerlei soorten groenten enz.