Wat ik me nog levendig kan herinneren was dat in de kelder van onze overburen, de kolenboer, wij 3 of 4 dagen verbleven . Hun zoontje O. die even oud was als ik, had van zijn vader een enorme houten vrachtauto met oplegger gekregen. Een oplegger zo groot dat ik er met gemak in paste. Na die dagen, waar de Engelsen boven ons hoofd een complete operatiekamer hadden ingericht, begonnen de geallieerden op te trekken naar O. en de Duitsers kwamen vanuit het westen en noorden achter hen aan. Het ene moment waren we bevrijd en wellicht hebben sommige burgers hun zorgvuldig bewaarde driekleur uitgehangen, maar korte tijd daarna waren we weer als vanouds bezet. En erger nog : de moffen maakten van het hele gebied Sperrgebiet, en dat hield in dat de hele bevolking zijn en haar biezen moest pakken en elders toevlucht zoeken. Mijn ouders gingen met hun kinderwagen met mijnzeven maanden oude zusje er haastig vandoor.Een korte wapenstilstand maakte het mogelijk om tussen de linie door te vluchten en via de buunderkamp, planken wambuis, Otterlo belanden we na 2 dagen in Ermelo. Later hebben mijn vrouw en ik die tocht nog eens te voet gemaakt om te weten wat dat voor mijn ouders betekend heeft. Maar ten eerste hadden we niet 2 kleine kinderen bij ons en natuurlijk ondervonden we ook niet de stress die mijn ouders ongetwijfeld gevoeld hebben. Twee ongetrouwde wijk zusters, de gezusters Binnendijk, hebben ons meer dan een half jaar onderdak gegeven en ik blijf hen daar mijn hele leven dankbaar voor. Mijn vader vond zelfs in die laatste oorlogs maanden werk in de psychiatrische inrichting aldaar. Een minder mooi voorval tijdens ons verblijf was dat de zeer orthodoxe boeren uit de omgeving de zusters af en toe etenswaren toestopten maar daarbij zeiden dat het voor hun was en niet voor die evacuees. Die had God immers gestraft en dus hadden ze het niet verdiend. Dat deed pijn!
Na dit vreedzame begin - de allereerste herinneringen- komen donkere wolken aandrijven. Het is een schitterende zondag in september. Om precies te zijn 17 september 1944. Niemand beseft dat de slag om Arnhem op het punt staat om uit te breken.De bevolking van het dorpje W. gaat ter kerke zoals gewoonlijk, maar al gauw beseft men in de kerk dat het wel erg onrustig is in de lucht. Steeds het gebrom en gezoem van geallieerde vliegtuigen, maar dit keer niet op weg om Duitse steden en industriegebieden te bombarderen. De dominee kort de preek in en beeindigt de dienst, maar terwijl de diakenen het collectegeld nog tellen vallen de eerste bommen en diegenen die nog veilig hun huis bereikten worden al gauw geconfronteerd met chaos, dood en verdriet. Tientallen doden vallen er in het centrum van het dorp bij die eerste aanval. Gelukkig woonden wij destijds aan de rand van het dorp en kregen we bij de tweede aanval de volle laag, maar in die paar minuten kregen mijn ouders de gelegenheid om snel mijn zusje en mij in de kelder te laten schuilen. Ze lagen half over ons heel op een bult aardappelen om ons tegen granaatscherven te beschermen. Het duurde maar heel kort, maar de ravage was enorm. Toen vader poolshoogte nam zag hij dat de fietsenschuur een voltreffer had gehad, de perenboom was niet meer en de derde bom was dwars door het dak, de logeerkamer en de voorkamer gegaan, rakelings langs het schuilende gezin in de kelder. De dag daarop verhuisden we naar de overbuurman, onze kolenboer, omdat hun huis gespaard was gebleven en omdat zij over een heel grote kelder beschikten, waar uiteindelijk 17 mensen beschutting zochten. Ondanks de schokkende ervaring spraken vele getuigen later nog jaren over het schouwspel dat zich kort na de bombardementen afspeelde. Duizenden prachtig gekleurde, zijden parachutes ontvouwden zich boven de bloeiende heide en zweefvliegtuigen brachten jeeps, artillerie en opvouwbare fietsen aan de grond. Onze oude kolenboer waagde zijn leven door het korenveld achter zijn huis in te rennen op jacht naar enkele kostbare zijden parachutes.
Het is hoogzomer. De gordijnen van de ouderlijke slaapkamer waar ik als driejarige kleuter een middagslaapje doe zijn gesloten, maar het zomerzonlicht schijnt er doorheen en omdat het slaapkamerraam open staat dringen vage geluiden tot mij door: mijn vader die in de groentetuin werkt, een passerende trein , want wij woonden slechts 100 meter van het station van het kleine dorpje W. Verder is het stil en zijn er slechts "natuurgeluiden"te horen: het ruisen van de warme zomerwind, de koerende duiven , het tjilpen van de talrijke mussen en in de verte enkele mensenstemmen.
Een andere keer werd ik wakker, 's morgens vroeg, en werd ik gewaar dat mijn beide ouders al heel vroeg waren opgestaan om de overvloedige oogst bonen uit eigen tuin te oogsten en te verwerken. Daarvoor gebruikten ze een machientje waar je twee bonen tegelijk bovenin kon stoppen en onderin kwamen de versneden bonen weer te voorschijn en vielen ze direct in een grote pan die later die dag, na toevoeging van zout, opgezet werd en verwerkt in weckflessen. Want onder het huis was een niet al te grote kelder met heel veel planken langs de kelderwanden, waar de weck opstond en dat kon van alles zijn: ingemaakte pruimen, allerlei soorten groenten enz.