Onze familie komt uit de vallei van Barcelonnette, gelegen in Frankrijk. Wij stammen af uit het nakomelingschap van Pascal Bellon, geboren te Fours c.a. 1710. In de tweede helft van de 18 de eeuw emigreerde Sebastiaen Bellon naar Vlaanderen. Hij huwde er in Wetteren op 10 november 1778 met Joanna Philippa Van der Linden. Hun afstammelingen vertakten zich voornamelijk in de Rupelstreek, de Denderstreek en Antwerpen.
In deze kolom
Inhoud blog. Familieschenking. Drie Stamvaders. Oog hebben voor... Fotos uit de streek van Barcelonnette. Wat afleiding. Het Bellonneke. Tips om te beleven. Over stambomen
In het jaar 1978 schonk onze familie een glasraam voor het kerkje te Fours ter vrome nagedachtenis aan Sebastiaen Bellon (1751-1825). Het is een werk van Ivo Bakelants uit Deurne en stelt de H.Sebastiaen voor. Links onder het wapenschild van het graafschap Vlaanderen, rechts onder dat van Barcelonnette.
Herdenkingspenning geschonken aan de gemeente Barcelonette. Op de achterkant stond te lezen:
Rika De Backer Minister van Nederlandse Cultuur aan de Heer Burgemeester van Barcelonnette t.g.v de reis van de familie Bellon 1978
De eer voor dit alles komt toe aan Frans Bellon uit Deurne. Jaren besteedde hij aan de opmaak van de stamboom, en ging daarvoor naar de vallei van Barcelonnette. Het resultaat was ernaar ! Hij gaf voor het eerst" Het Bellonneke" uit in mei 1976 en is de promotor van de familievereniging. Tot op de dag van vandaag graaft hij verder naar familie en verwanten. Reden waarom wij zijn werk, voor een groot stuk, in de kijker willen brengen .
Drie stamvaders
Tak Boom Willem Bellon Boom °7 november 1859 +30 maart 1937
Tak Antwerpen Pieter Frans Bellon ° te Boom 22 juni 1864 + 25 augustus 1930 Deurne
Tak Aalst Leopold Bellon ° Gent 6 december 1873 + Aalst24 oktober 1949.
Een mens behoeft eerst voeding wil hij aan zijn welvaart werken.
ex:cardio.nettools.be
Foto's uit de streek van Barcelonnette
Het kerkje te les Agneliers
Col d'Alos
De Saint Laurent te Fours
Op het kerkhof van Fours verschillende graven van Bellons. In het hartje de naan van enerzijds Appolonie en anderzijds deze van Adrien Bellon
Saint Louis, ooit de parochiekerk van les Bellons in Bayasse
Typische houten daken
Detail olieverfportret van Jean-Baptiste Bellon (ca 1835) in de kapel Notre -Dame- de-la- Lumière in het gehucht les Longs in Fours. Opmerking:De neus een erfelijk trekje bij de familie Bellon.
Zelfs wijn draagt onze naam ! Is bij ons niet te koop.
De rue Bellon te Barcelonnette
Ook in de Grote Oorlog sneuvelden enkele Bellons uit Barcelonnette
U mag een stevige brok geschiedenis verwachten, streekgebonden foto's, levenswijzen en harde realiteit. Van onze verre voorouders tot onze overgrootouders en grootouders.
Welkom
op onze
familiewebsite
Voor elk wat wils
Wij proberen het mooi en geschiedkundig voor te stellen, niet overhaast; eerder als 't past. Met wegwijzers naar familie gebonden histories en plaatsen Snuffelen in onze familiedoos, zoals ooit op de zolder, waar elkeen toch wat moet vinden.Hier vind je de inhouden van onze blogs en de geschiedenis van de oude generatie.
En altijd
bedankt voor uw bezoek!!
Voor de toekomst
Ook ere aan diegenen die de vereniging gestalte gaven. Een ruime terublik mag u verwachten. Dit alles voor de nieuwe generatie, omdat ze de herkomst niet zou vergeten !
title="ImageShack - Image And Video Hosting" href="http://img11.imageshack.us/i/aanwijzer.jpg/" target=_blank>
Volgend artikel: " De Broederschap van Scherpenheuvel onder Bellon Willem"
Volksgeloofheeft altijd bestaan. Tot de dag van vandaag gaan nog velen op bedevaart. Voornamelijk naar plaatsen waar de H. Maagd zou zijn verschenen, of waar een miraculeus beeldje voor wonderen zorgde. Al verbood de Kerk de verering van beelden toch bleven de mensen geloven in de wonderlijke kracht ervan.
Zo is de cultus rond het bedevaartsoord Scherpenheuvel ontstaan. Daar stond alouds geleden een ferme eikenboom.De Germanen geloofden in de kracht van eikenschors. Bleek dat die schors helend werkte. Uit die schors werd later een Mariabeeldje gemaakt en in de eikenboom gehangen. Was er toch in het jaar 1514 een herder die zich het beeldje eigen wou maken. De hemelse Maagd greep in en liet die schalkse herder stokstijf staan met het beeld in zijn handen. Geen voet kon hijbewegen. De omwoners kregen hem blijkbaar ook niet meer aan het lopen tot iemand het Mariabeeldje uit de handen van de herder trok en terug in de eikenboom plaatste. De stijfheid bij de verbouwereerde schaapshoeder verslapte zodat hij opnieuw kon lopen. Of de herder zich bekeerde tot een beter leven weten we niet. Het wonder ging evenwel van mond tot mond, van huis tot huis,van mens tot mens totde eerste pelgrim verscheen aan de wonderbaarlijke boom. Wellicht door de godsdienstige onlusten in onze streken verdween het eerste beeldje op mysterieuze wijze. Een Zichemse schepen wist in Diest een soortgelijk exemplaar te bemachtigen. Het werd in een wegkapelletje geplaatst waarna de wonderen niet uitbleven. Grote figuren als Alva, de AartshertogenAlbrecht en Isabella kwamen het oord vereren en de laatst genoemden maakten van de plaats een waar bedevaartsoord. De heilige geschiedenis van Scherpenheuvel was begonnen en duurt tot de dag van vandaag nog voort.
Ook Boom geraakte in de ban van Scherpenheuvel. Wellicht eerst individuele bedevaarders; later, misschien tegen het einde van de 18e eeuw, kleine groepen. Zo ontstond stilaan de behoefte tot het vormen van een broederschap. Op 1 juni 1810 werd te Boom “de bedevaart of Pelgrimagie naar en ter ere van O.L.Vrouw van Scherpenheuvel” gesticht. De nieuwe broederschap maakte snel opgang. Het 600ste lid werd al in 1822 ingeschreven, het 800ste in 1825 en het 1000ste in 1828. In 1855 diende het stichtings- en ledenboek al overgeschreven.
Vandaag mag de vereniging nog prat gaan op haar aantal leden. Ze vierde onlangs haar 2ooste jaar van bestaan*. Deze jubileumviering is niet onopgemerkt voorbijgegaan. De ongeveer 75 moedige bedevaarders werden hartelijk ontvangen door de mensen van Scherpenheuvel alsook door de geestelijkheid van de Basiliek. In Boom ging een heus feest door rond de geschiedenis van deze Broederschap, die in tijden van secularisatie nog veel aandacht trok. Het moet de familie Bellon gunstig stemmen dat haar voorzitters niet zijn vergeten en we nu tevens allemaal weten dat de al oude bezemwagen, de koets der koetsen, een groene kleur had i.p.v bruin of witachtig zoals op verbruinde foto's te zien zijn. We verwijzen hier graag naar de talrijke foto's die de gemeenschap heeft weten te verzamelen rond dit jubileumfeest. Wij bevelen iedereen aan, die dit artikel leest, de website van de broederschap te doorsurfen.
De eerste Bellons die we in de registers van de Broederschap zien verschijnen zijn Mathilde Bellon, de zus van Willem Bellon. Zij trad toe in het jaar 1875, zij was toen 17 jaar. Willem Bellon volgde in het jaar 1889. Hij was toen reeds gehuwd met Maria Melanie Moens die zich tevens in dat jaar aansloot.
In de ledenlijst van 1910 verschijnen ook de namen van hun kinderen, Henri, ( 1887 – 1935), Frans ( 1889 – 1950), Albert ( 1891 -1963) en Desideer ‘( 1899 – 1964), mijn grootvader.
Enkele Bellons zouden een belangrijke rol gaan spelen in de organisatie. Willem Bellon en diens zoon Albert waren voorzitter van de Broederschap respectievelijk 20 en 21 jaar lang.
Hun verdienste willen we dan ook hier nogmaals onderlijnen en voor een stukje beschrijven.
volgend: De Broederschap onder Willems voorzitterschap.
Afbeelding: Wie de tekening heeft gemaakt is niet bekend. Er zijn enthousiaste familieleden die beweren dat Frans Bellon( 1889 - 1950), mijn andere grootvader, het zou hebben gemaakt. Hij was wel een kunstenaar. Ik citeer enkel. Indien iemand anders de vinger zou willen opsteken voor de creatie van deze prent dan zou ik dat graag willen weten. Auteursrechten namelijk. Op de tekening zien we Aartshertog Albrecht van Oostenrijk en Isabella. Albrecht zag heil in de boom gezien hij juist in Nieuwpoort op zijn donder had gekregen van Willem van Oranje, de protestant. Zijn echtgenote zal wel wat anders hebben gedacht. Oorlogen zijn niet te verteren in de hemel. Zij zag meer heil in een geestelijker Scherpenheuvel, los van alle macht. We zien links de kerk van Boom, rechts de Basiliek van Scherpenheuvel. In het midden, voor de boom de witte lelies, wijzend op de zuiverheid, en tevens het Mariabeeld hangend in de aloude eikenboom.
een website die je moet bezoeken.* De boekhouding van Scherpenheuvel telde reeds heel wat Boomse bedevaarders in 1809.
Je zou zeggen: “Een vreselijk verhaal lijkt me dat.” Dat is ook zo. Je moet echter weten dat die gebeurtenis teruggaat tot de eerste wereldoorlog 1914 -1918. Duitsland bezet ons land, de bevolking lijdt honger. Wij mensen weten niet meer wat honger is. Wij leven in een cultuur waar eten geen noodzaak meer is maar een hobby. Wij eten niet meer om te overleven, maarwe leven om te eten. Een hemelsgroot verschil. Een teken van onze welvaart. Honger is echter nog niet verbannen en kan bij ieder van ons terug keren. Hopelijk niet bij u en niet bij mij en mijn gezin.
De Nederlandse schrijfster met de naam Marita de Sterck schreef de roman rond het gekende verhaal van de hondenfretters in Boom. Ze brengt ons in een tijd waar haast geen erwt, geen brood, geen verse melk meer te vinden zijn. Vlees? Geen koebeest loop er nog rond, die behoren de vijand toe. Mensen zoeken naar ratten en muizen, maar die zijn schaars. Die dierenvinden zelf niets meer om op te peuzelen!Paarden moesten de militairen vergezellen naar het front. Daar worden zij net als vele soldaten aan flarden geschoten. Geen kat loopt er nog vrij, een konijn zou goudwaarde hebben gehad, en een kanariepiet zou geen kans meer hebben gekregen zijn vrolijk deuntjede lucht in te fluiten. Restte de hond, de trouwe metgezel van de mens. Die laatste verklaarde hem vogelvrij omwille van zijn vlees. Verkocht werd hij op de markten, geslacht werd hij in Boom om te worden verkocht aan de grote stad Antwerpen.
Het boek van Marita vertelt ons het verhaal van eenepileptische jongen die op dat moment op zoek gaat naar zijn hond Django , een Mechelse Scheper, die twee verschillende ogen heeft. De hond vergezelde hem steeds en kon zijn ziekelijke aanvallen voorspellen. Victor, zo noemt de jongen, is wereldvreemd en overbeschermd door zijn ouders. Hij verlaat stiekem de ouderlijke woning en stapt de wereld in zonder paspoort en beseft niet wat hem allemaal te wachten zal staan. In gedachten neemt hij zijn broer Nest mee die naar het front moest en een ware held voor hem is. Hij verlaat zijn geboortestad Mechelen, waar Victor de eerste hondengruwel op de armenmarkt te verwerken krijgt. Mensen wijzen hem de weg naar Boom waar honden zouden worden geslacht. Misschien is daar wel zijn trouwe metgezel te vinden tussen alle anderen die wachten op de executie. Hij ontmoet op zijn zoektocht verschillende figuren, bizarre, arme luizen, hoeren, verbitterde mensen. Hij hoort over slijkduivels en ziet een wereld die hij niet kent en tot dan toe nooit heeft beleefd. Geschokt en getekend zal hij worden als hij verneemt hoe mensen bedrog plegen met melk en hoe baby’s daaraan sterven. Zijn gedachtenwereld raakt overhoop enkrijgt meermaals aanvallen van epilepsie. Hij geeft niet op. Niemand zal bij het lezen van het boekVictor krediet geven dat hij zijn hond ooit zal terug vinden. Hij blijft er evenwel hardnekkig in geloven. Maar den Duits waakt en controleert.
Marita de Sterk boeit de lezer. Het verhaal speelt zich aflangs voor velen herkenbare of ooit bestaandeplaatsen langs de Dijleen de Rupel zoals het café het Zennegat en die van de Tien Billekens, de tolbrug naar Boom, het gasthuis van Boom, de hondenslachterij, de kerk van Hellegat.
Haar taal is soepel en gaat scherp met de episodes mee. Ze laat Victor naar de Rupel wandelen daar waar de Dijle de Nete kust en de Rupel geboren wordt. Zij geeft ons ruim kennis over de vallende ziekte en beschrijft de dingen zeer visueel. Je rilt als je leest hoe de honden in het slachthuis hingen: “klompen kaal, bloot vlees rond botten compleet ontmanteld, als een houten paard dat na een woeste hobbelpartij zijn nek gebroken had of een lievelingsbeer die bij het ravotten zijn buikvulling was kwijt geraakt.”
Kortom een boek om zo maar niet te laten liggen. Inderdaad een spijkerharde roman over de eerste wereldoorlog gevoerd op een klein stukje grond van Mechelen totBoom en Hellegat. En wanneer het toppunt van het verhaal is bereikt zal de spanning niet afnemen, integendeel. De terugweg naar Mechelen is even boeiend. Victor keert terug als een volwassen kerel, vol levenservaring en zeker van zichzelf.
Over de hondenfretters van Boom kan je eveneens heel wat vinden op de website Ten Boome, hierboven aanklikbaar. De verdienste van Marc Verlinden en de Geschiedkundige studiegroep die Boom door en door kennen waren ook de leveranciers voor de Boomse geschiedkundige gegevens aan Marita de Sterck. Trouwens verschillende lokale historici hebben dekleine geschiedenis via haar schrijftalent groot weten te maken.
Een boek dat goed kadert in het 700 jarig bestaan van Boom. Een boek dat thuis hoort ook op deze site.
De Sterck Maria; De Hondeneters. Em. Querido's Uitgeverij BV 2009. Isbn 9789045107714/NUR 285 Omslagontwerp Nanja Toebak Zie ook/
Sappig taaltje dat Booms. Iemand die in Boom geboren is en er blijft wonen noemen ze nen gestampte Boomenaar. Een plodde is een dronken man, terwijl een blaaskaak ze een rettepetét noemen. Soms kan iemand een vies gelaat trekken. Pas dan op want in Boom is dat iemand die nen toot heeft om leir(leer) op te slagen. Als ge niet vlot kunt spreken ben je in Boom nen broebeleir. Die plodde van daarjuist zal wellicht aan de poat spaven. Het is dan best dat ge roemmedoemrond of eivereksoem gaat. (ondertitteling: Die dronkaard zal wellicht aan de poort braken, het is dan best dat je een ommetje of rechtsomkeer maakt.) Van een zemelzeiker kan je tuureluut worden ma ge moet met zo'n mensen patience hebben. (Je wordt van iemand gek die spijkers op laag water zoekt, je moet evenwel met zo'n mensen geduld uitoefenen.) Nen tettereir(iemand die veel babbelt) is het tegenovergestelde van een ene broebeleir. Toch liever een tettereir dan nen tantefeir( iemand die zich met alles moeit), want zo iemand kun je wel een abbabel (een klap) geven. Op de met (markt) is er altijd wel een duurendans( die veel geld vraagt voor zijn koopwaar) Op die met kopen de gestampte Boomenaars ook hun bijval (charcuterie) zoals heps. Iemand die paddeknots in de Rupel gaat zwemmen kan blaat uitslaan, maar daar moet ge nen bietskoemmer voor zijn of ne floosevent.( Iemand die naakt in de Rupel gaat zwemmen kan blauw uitslaan, maar dan ben je wel een beetje een onnozelaar.)
Ik heb hier dus op den wilden boef (uit het vuistje)wat plat Booms neergeschreven Merci voor elle patience.
Familie is belangrijk. De familie maakt geschiedenis, ja zelfs wereldgeschiedenis. Op hetkerkhof zie je dat een beetje. Grote zerken laten vermoeden dat rijke families, die ooit aanzien hadden, het ook ruim en breed willen hebben eens ze dood zijn. Samen liggen ze te wachten op de wederopstanding. Zo moeten ze elkaar niet gaan zoeken eens dat zover is. Familie hoort bij elkaar. Ondertussen bewaakteen engelbewaarder hun graf.
Als de naam groot gebeiteld staat in de blauwe steen, hoe belangrijker hun leven geweest is in Staat en of Kerk. Ze zijn fier en trots en dat moet tot over de dood heen zo blijven.
Het beeld van een viool, een boek, een wenende vrouw, een kind, een geweer, een helm, vertelt iets van de man of vrouw die onder de zerk begraven ligt. De overgrote meerderheid echter ligt er onbekenden niets betekenend bij. Zij, of hun nabestaanden, hebben gekozen voor een kortstondige concessie. Al die duizenden mensen verdwijnen na enkele jaren definitief van het wereldtoneel. Geen katspreekt meer over hen. En toch hebben zij een geschiedenis gemaakt. “De kleine” geschiedenis”, zo waardevol en warm. Die vanbeminnende ouder, vol overgave voor kinderen en kleinkinderen. De man en of de vrouw die met volle overgave hun ziekte hebben moeten dragen. Mensen die hebben moeten wroeten om wat welstand te vergaren en toch geluk uitstraalden. Mensen die dienstbaar, gastvrij waren. De lach, de dans en de muziek die ze brachten, de moppen die ze vertelden. Zij die ons leerden lezen, schrijven en denken. Zij die mooi konden vertellen, schilderen en schrijven.Maar er is ook “Degeschiedenisvan het drama“. De jongeling die door een verwoest psychologisch leven omvergereden werd. Kindjes die het niet haalden bij de geboorte. Dodelijke kogels en mijnen, verwoestende kankers en harten die plots stilvielen. Kinderen verlaten en of verwekt zonder liefde. Hartverscheurende ruzies, onbegrepen, verstoten, onvervulde liefde, verkeerde liefde en de dood verkozen boven het leven. Sukkelaars die van de koude en de honger omkwamen. Les misérables. Zij zijn ook van deze tijden. Zij schrijven nog altijd hun geschiedenis, maar het wordt niet meer zo gelezen.
Al zijn die mensen er niet meer, je weet dat ze er zijn daar op het kerkhof. Ze willen nog zoveelvertellen en verrechtvaardigen. Het leven van een mens gaat zo vlug voorbij. Wie waren zij weer ? Wat hebben we van hen meegekregen?Vanwaar die kromme neus, die lange flaporen ? Vanwaar mijn talent, die lach, melancholie, die ziekelijke toestand?Waar zijn mijn voorouders nu ?Watmorgen met ons?
Waar brengt de dood ons heen? Zielen, opgegaan in het ijle, totaal ontdaan van hetaardse. Mogelijkis de weg lang om het punt van de schepping te bereiken, daar waar alles begon en misschien ook alles eindigt?
Het leven zal het mysterie van de dood niet verklappen.
Tenslotte kunnen we ons troosten dat doodgaan, vlug of later,het meestrechtvaardige is dat er bestaat: niemand ontsnapt eraan.
Het is in september 2004 en in mei 2005 dat Boom een verbindingsovereenkomst tekende met het Spaanse Ayamonte. De burgervaders van beide gemeenten droomden toen vanprojecten die zouden kunnen uitgewisseld worden om elkaar beter te leren kennen.
Er is voor de toenadering blijkbaar tot vandaag nog het één en het ander blijven steken. Veel verkeer tussen beide gemeenten is er nog niet. Wat nog niet is kan nog komen.Ayamonte vinden we helemaal in het puntje zuiden van Spanje aan de golf van Cadiz. Het ligt vlakbij de Rio Guadiana dat Spanje scheidt van Portugal. Dichter bij de kust liggen nog Vita Real de Santo- Antonio en de Playa de Isla Cristina. Misschien eens een bestemming om er een vakantie door te brengen. In ieder geval een gebied met veel water. De verbroedering heeft reeds wel wat interesse opgewekt. De Ayamontezen en de Boomenaars zijn mekaar al eens gaan opzoeken en heeft de Spaanse commune aan Boom en replica van de heilige maagd van El Rocio geschonken. Er zijn verder plannen dat de Spaanse kameraden zouden meehelpen aan het bouwen van de replica van het historische schip de Belgica. Hopelijk blijft het niet bij dromen.
Mogelijk het moment om wat Spaanse sfeeren kleuren in Boom te integreren.
Zuiders temperament brengt ons in beweging en laat ons genieten van hun smakelijke hapjes. Gezonder kan het niet!
Belgen houden van Spanje. We zijn jaloers op de Spaanse zon. Zij boeiden zich in onze cultuur. Die namen ze ooit mee vanhier. Hun zon is ons ietsje te warm om ze over te smokkelen.
Misschien zullen wenog eens samen wonen nu het wereldklimaat aardig wat doorheen aan het schudden is.
Met Bellon Guiliemus begint onze generatie. In de genealogie wordt hij bestempeld als de stamvader van de tak Boom. Op 7 november 1859 slaat de vroedvrouw hem op de prille bips. Hij groeit op en gaat een tijd tegemoet waarin veel staat te gebeuren. België is nog jong en verslijt tijdens zijn leven haar eerste koningen. Armoede is troef. De industriële revolutie met heel haar dramatiek evolueert traag maar zeker. Wallonië begreep de waarde van de stoommachines. In Vlaanderen heerst evenwel armoede. Daar bleef men aan het weefgetouw vastzitten. Priester Daens zal op de banken van het parlement zijn woede komen uitroepen en de armoede aanklagen. Tegelijkertijd komt het socialisme, dat elders in de wereld wortel schiet, hier opzetten en krijgt de kans te groeien. De liberalen worden de geschiedenis ingestuurd omwille van hun fel bevochten schoolstrijd met de katholieken. Ook de Nederlandse taal wringt zich eindelijk in het onderwijs en zal Leopold II Congo koloniseren. De Nouveau Art is iets voor de kleine groep rijken, de bourgeoisie genoemd. Veel vreugde is er niet voor de gewone mens. Even na de eeuwwisseling moet Albert I met zijn Belgische soldaten de ijzervlakte invluchten om aan de Duitse pinhelmen te kunnen weerstaan. Jan met de pet lijdt nog maar eens aan chronische honger en hebben, vele kinderen ernstige ziekten, zoals tuberculose en rachitis.Luxe, zoals wij die kennen, is er niet voor hen ook niet voor Willem. Hij zal die nooit kennen. Wanneer de economie in de goede richting blijkt te gaan breekt in de jaren dertig een crisis uitmet werkloosheid alom. Je weet wel Wall Street. Willem sterft in de prille lente op 30 maart 1937. Hij was toen in zijn 78ste levensjaar. En toch ondanks de vele perioden van kommer en kwel is er ook vreugde. Springen mensen voor elkaar in de bres. De Leon, een goedaardig man, zal velen in Boom weten te bekoren.
Speciaal citeren we hem onder verschillende voornamen. Officieel noemde hij Guiliemus, maar soms spreekt men overWillem dan eens over Leon. Zelfhandtekende hij al eens onder de naam Leon Bellon.
Onder welke omstandigheden Willem is geboren weten we niet. Gezien het een jongen was zal er wel vreugde geweest zijn in het ouderlijke huis, daar aan de Antwerpsestraat nr 22. Twee meisjes, Anna en Mathilde, waren hem voorafgegaan terwijl Pieter Frans hem enkele jaren later, in 1864, zalkomenvergezellen.
In het jaar 1866 brak er Cholera uit. Hij was toen zeven jaar. Volgens de Belgische kronieken was het de vijfde epidemiesinds de onafhankelijkheid van België en de ziekte had al 30.000 slachtoffers gemaakt. De eerste golf van de nieuwe cholera begon zowat in mei-juni 1865 aan de Zenne. Zoals gewoonlijk werden de arbeiderswijken aan de vervuilde kanalen en binnenwateren het ergst getroffen. In de maand februari, de 21ste van het jaar 1866 komtvader Désiré te overlijden. Ook zijnbroer, Josephus, die te Deurne woont, sterft in datzelfde jaar. Désiré Bellon, had een job als olieslagersgast, terwijl moederals dagloonster werkte. Kwestie de eindjes aan elkaar te kunnen rijgen. In die tijd verdiende een arbeider 1,50 frank per uur. Het jaarinkomen bedroegongeveer 450 fr. Gezien het wegvallen van vader deed men beroep op grootvader Adriaen Bellon, die toen 83 jaar oud was. Hij kwam er inwonen wellicht om op de kinderen te passen. Deze interessante figuur, zoon van Sebastiaen en Philippa van der Linden, zal heel wat verhalen hebben kunnen vertellen aan de kinderen.
De tragiek voor de kinderen hield echter niet op. Tot overmaat van ramp stierf ookmoeder, Johanna Maria in de lente van 1868. Anna, Mathilde, Willem en Albert werden toevertrouwd aan het Sint-Jan Baptist Godsgasthuis waar ze noodgedwongen het strenge en harde leven van een weeshuis moesten ondergaan. Tijdens hun verblijf brachten ze grootvader ziek binnen. Hij stierf daar enkele maanden later.
Even is er een vacuum voor ons. We weten niet waar de kinderen tijdelijk zijn opgevangen na hun ontslag uit het weeshuis. We weten niet bij wie en waar ze dan verbleven. Willem en zijn zussen zien we uiteindelijk terug in Mechelen waar, zoals elders in België politieke beroering heerste. “Elke reglementering van de arbeid is slavernij”zei de liberale minister Frère Orban, en de minimumleeftijd voor kinderarbeid bleef op 10 jaar. Volgens overlevering weten we dat Willem als jongeling terecht kwam bij een beenhouwer in de Katelijnestraat te Mechelen. Daar kon hij de stielleren, het mes hanteren en te weten komen hoe een varken en een koebeest er langs binnen uitzagen. Comfortabel had Willem het daar niet. Na het harde labeur kon hij terecht op de hooizolder, waar hij doodmoe vlug de slaap vond. De vermoeidheid was zo groot dat hij niet eens voelde datratten over hem liepen en al eens kwamen proeven van zijn oorlelletjes. Alsjongen kwam hij heel vlug in contact met andere meningen, ideologieën. Moreel werd hij gedwongen door zijn liberale beenhouwersbaas te gaan protesteren tegen het uitgaan van de Mechelse processie. Daarvoor kreeg hij een fluitje en kon hij voor deze actie twee frank verdienen. Zijn katholieke opvoeding leek sterk genoeg te zijn geweest om neen te durven zeggen tegen zijn baas. Deze kleine confrontatie met de liberalen zal voor Willem niet de laatste zijn. Hij huwt te Mechelenop 2 december 1886met een braaf meiske, Maria Melanie Moens een Boomse die hij leert kennen te Mechelen waar ze dienstmeid was. Ze wasde dochter van Johannes Fredericus,landbouwer te Boom en van Petronella De Keersmaecker, die reeds in 1866 enkele uren na de geboorte van haar derde kind overleed. Hij die vlees kon versnijden, zij die het poetsen in de handen had, een ideaal koppel om in de vleeshandel wat te gaan presteren. Ze wilden in 1892 een varkensslachterij beginnen in de Vrijheidsstraat nr 6 te Boom.Ze kregen het deksel op de neus van de bestendige deputatie van de Provincie Antwerpen omdat zulke inrichting voor de openbare gezondheid een bestendig gevaar zou betekenen. Wellicht durfde men geen toelating geven gezien er dat jaar één van de ergste cholera epidemieën woedde in en rond de provincie Antwerpen.Willem moest in beroep gaan tegen deze beslissing en kreeg op 24 april 1893 van de minister toestemming om zijn varkensslachterij op te richten mits enkele aanpassingen zouden gebeuren op vlak van hygiëne.
De koteletten, de varkenspoten, de alom gekende goede witte en zwarte pensen, de kip kap, de eps die drie dagen in het zout lag, nadien te drogen werd gehangen en vervolgens uitgebeend en toegenaaid, vlogen de winkel uit. De zaak floreerde. Den Bellon werd den Ballon. Hij werd bekend in het Boomse.
Hij was fier op zijn haardos. Hij kamde zijn krullen tot vier maal daags. Trots bezorgde hijhet vlees aan huis. In het gekende plunje van toen, met een hoofddeksel op, een sjaaltje rond de hals, witte schort en op klompen met de rieten mand om de arm ging hij van klant tot klant. Het meest opvallende was de snor, iets dat bijde toenmalige beenhouwer paste. Hij had ook een kraam op de markt. In de winkel kon het enorm druk zijn vooral de zondagen. Hij kende dan ook jan en alleman. Mie van achter den hoek, Sus met de lammen arm, verschillende notarissen en andere notabelen alsook mijnheer pastoor en zijn onderpastoors en zovele huisvrouwen. Rijke “dammekes” kwamen al eens hun echtelijke probleemjes vertellen. Hij stond hun graag met raad en daad bij. Willem kende de mensen en had voor hen een luisterend oor over. Hij was tevens, zoals velen van zijn tijdgenoten, een diepgelovig man. Elke jaar ging hij samen met zijn echtgenote op bedevaart naar Scherpenheuvel, een beeweg ingericht door de in die tijd vermaarde De Broederschap van Scherpenheuvel. Deze broederschap had een enorm succes. Het was steeds feest als de bedevaart uittrok en als ze terug thuiskwam. Heel Boom stond op de straat en van in de hele omtrek kwamen er mensen naartoe om naar die processie te kijken en de tocht mee te doen. In 1897 fungeerde hij reeds als bestuurslid van de broederschap en werd zelfs voorzitter in 1917 en bleef dat tot zijn dood.
Door al die belangstelling van en voor mensen werd hij ook politiek opgemerkt. De strijd met de liberalen mondde steeds uit in een spannende kiesstrijd. Ook toen zocht men naar sympathieke en sociale mensen die door het volk waren gekend. Alzo vroeg grote rivaal, de Katholieke partij van Boom, aan Willem of hij niet geïnteresseerd was om mee te doen in de gemeentepolitiek en mee te ijveren om de liberalen een hak te zetten.Het plaatselijk partijbestuur was er zeker van dat den Ballon stemmenwinst zou halen. Willem stemde toe en kwam zodoendeop de kieslijst voor de gemeentelijke verkiezingen van het jaar 1907. Bellon deed het verre van slecht. Hij behaalde 1.752 stemmen. Alleen architect Haesaerts en Vermant deden beter! Niemand van de liberalen haalden meer stemmen dan Willem.Genoeg bewijs om aan te tonen hoe hoog hij op de populariteitsmeter stond. Verkozen voor en periode van acht jaar zou hij mee de gemeentebelangen dienen. Boom telde in 1907, 16.857 inwoners. Het is echter de Eerste Wereldoorlog die voor een onderbreking in gemeentepolitiek zorgde. Bij de verkiezingen van 1921 kwam Willem niet meer op. Die Eerste wereldoorlog bracht bittere hongersnood voor de Boomenaars. Geen koe, geen paard, geen gans, geen eend, geen kat, geen hond...liep er nog rond. Nog altijd vertelt men in en om het Boomse het verhaal over de "hondenfretters".
Achter deze man stond een liefhebbende vrouw. Ze stond in de schaduw zoals vele vrouwen van toen. Maria Moens kende men als een oprechte vrouw die niemand kwaad zou doen. Ze was oneindig gedienstig. Zelf lepelde ze kinderen regelmatig in steeds met elkaar eensgezind, ootmoedig te zijn en bezorgd om wel te doen niet alleen voor God, maar ook voor de mensen. Ze zorgde met veel liefde voor haar man. Hij moest er steeds keurig uitzien zeker als er gemeenteraad op de agenda stond. Ook in de beenhouwerij gold de strenge regel van properheid. Alle dagen poetsten. Een varken slachten bracht heel wat vuiligheid met zich mee. De plaats waar het varken geslacht werd diende zorgvuldig gereinigd. Geen restje van het geslachte dier mocht nog rondslingeren op de grond of in het afvoerputje achterblijven. Alle potten en kannen, materiaal, de houtblok, de vloer, diende grondig proper en geschrobd te worden.
Komt daarbij de zorg voor de kinderen. Het gezin kreeg 4 kinderen, Hendrik Jozef Corneel, Frans Jan Willem, Albert Frans Mathilda en Desideer Pieter Robrecht. Drie van hen gingen in het onderwijs terwijl Albert zijn vader in de beenhouwerij zou opvolgen.
Maria Melanie Moens stierfop 18 november 1925 te Boom, ze was 63 geworden. Willem overleefde haar 15 jaar.
Rond deze figuur is nog heel wat te schrijven, als gemeenteraadslid en als voorzitter van de Broederschap. Door over hem te vertellen zullen we we tevens een glimp van het toenmalige Boom ontdekken.
Samenstelling uit de verschillende krantjes 'Het Bellonneke"
In azuur, een keper van goud, vergezeld in beide schildhoeken van een zilveren ster en in de schildvoet van een breedarmig kruisje van zilver, overtopt met een zilveren wassenaar.
Aangepast en in kleur gezet
Op basis schets J.B. Rietstap, Armorial Général, Tome I, Gouda, G.B. van Goor Zonen, 1884, blz158.
Werd geboren in Valenza ( Alessandria) in 1573 uit Luigi en Angela Rosa. Afstammeling van de oude en de adellijke familie van de graven Montu- Beccaria afkomstig van Pavia, die reeds vooraanstaande rechtsgeleerden en magistraten onder haar leden telde. Studeerde bij Francesco Cicerio, Flavio Torti en Giambattista Costa, en ontving zo een degelijke, zowel juridische als literaire opleiding.
Nadat hij in 1597 hoogleraar was geworden aan de universiteit van Pavia, bekleedde hij eerst de “lectura institutionum” en ging daarna in 1600 over naar de “lectura iuris canonici(1). In diezelfde periode, nog steeds te Pavia, maakte hij deel uit van de Academia degli Intenti”, onder de naam Inquieto, en was hij raadsman bij de rechtbank van het Heilig Officie ( de Inquisitie). Naderhand verliet hij in 1619 die stad en het onderwijs om zich met zijn echtgenote Aurelia Viscardi en zijn kinderen te vestigen in Milaan, waar hij tot senator benoemd was.
Nadat hij in 1621 ook voorzitter van de Milanese Senaat was geweest, werd hij praetor en nadien stadhouder van Cremona, van 1622 tot 1624;Belloni stierf in Milaan op 20 april 1625 en werd begraven in de San- Fedelelerk.
Onze digitale foto's vullen onze computers. We schieten er op los. Eéntje meer of minder het doet er niet toe. We zijn al in staat om met enkele drukken op de toetsen foto's te verbeteren, foutjes weg te werken, rode ogen om te toveren tot staal blauwe. Alleen weten we niet hoelang al die foto's geconserveerd zullen blijven. In de pionierstijd van de fotografie werden foto's zorgvuldig opgeborgen in een verkleurd familiealbum met koperen slot, of nonchalant weggemoffeld in een blikken koekjesdoos. Deze sepia - of chamoiskleurige kleinodiën weerstonden wonderwel aan de tand des tijds. De gewoonte zich te laten fotograferen vond algemeen ingang omstreeks 1880. Ruim een halve eeuw na het ontstaan van de eerste bekende foto door Nièpce* waren groot- of overgrootouders niet meer in te tomen. De fotoateliers rezen als paddestoelen uit de grond. Bekende studio's waren bijvoorbeeld in Antwerpen J.Beff (Klapdorp), Edward (Brederodestraat), Atelier Henry ( Sint Jacobs markt) en Prévot ( Offerandestraat). Het was een hele bedoening wou je een foto van jezelf of groep laten opnemen. Die ateliers konden decors opbouwen. Ze sleurden met witgekalkte of rieten stoelen, met piëdestals en plaasteren bloemschalen. Eens het decor in orde moesten de opgetutte dames en heren of kinderen de scène op en kon de regie beginnen. Of mevrouw haar waaier iets lager kon houden? En mijnheer zou u je rechterbeen iets voor de linker willen plaatsen? Dan hield ieder de adem in, niets mocht meer bewegen. De fotograaf kroop onder een zwarte doek waar zijn zware camera stond en zou vervolgens het vogeltje laten verschijnen.Dat beestje had het soms moeilijk om uit de lens te geraken. Dit sfeerbeeld om regelmatig enkele oude foto's te laten tonen. * verdere info over uit www fotografie.nl
August Bellon ( 1860 - 1945 ), zoon van Stephaan Bellon
Op de foto zittend -, tweede van rechts zien we August Bellon. De niet -gedateerde foto werd volgens ons omstreeks de eeuwwisseling genomen. Iets voor 1900? Het origineel (14,5 cm bij 19,5 cm) was op grijs karton gelijmd, dat bedrukt was met een kader, met bloemmotief in de hoeken. De achtergrond met bakstenen, de vloer, wijzen alleszins niet op een studioopname. August Bellon was onderwijzer, later schoolbestuurder. Werd de foto genomen tijdens een gewone onderwijzersreünie? Of ter gelegenheid van een conferentie? De waardigheid die de geportretteerden uitstralen, de zelfzekerheid waarmee ze naar de zware camera kijken, wijzen in die richting. Is het gezette heerschap in 't midden de schoolbestuurder? Of werd deze foto genomen na een jaarlijkse souper van één of andere vereniging? Een litterair groepje? Stephaan Bellon, vader van August, schreef immers gedichten. En dan krijgen boek en inktstel een betekenis. Of betreft het hier een politieke vergadering? We weten ondertussen dat August later gemeenteraadslid te Mortsel zou worden. In elk geval is het een mooie compositie, een pronkstuk waarop de fotograaf prat mocht gaan.
Tamelijk jong huwde August met Hortensia Theresia Josephina BREES ( 1860-1894), die hem volgende kinderen schonk: 1. Henricus Stephanus: geboren te Antwerpen op 3.11.1882 en er het jaar daarop overleed. 2. Stehania Joanna: geboren te Antwerpen op 25.7.1884 en in haar geboortestad overleden op 4.8.1906, Gustaaf gaston Van Snick, waarvan afstammelingen. 3. Augustina Hubertina: geboren te Antwerpen op 3.11.1892 en gestorven te Wilrijk op 24.4.1968. Onderwijzeres. Een eerste huwelijk in 1915 met leo martinus Mermans. Na diens overlijden hertrouwd . Afstammelingen uit het eerste huwelijk gekend.
Na de dood van Hortensia Brees, trad August bellon in 1896 opnieuw in het huwelijk, nl met Joanna- Charlotta Van Snick ( Foto ons terbeschikking gesteld door W. Van Snick- tekst uit het Bellonneke nr 19 Frans Bellon)
Het klinkt pretentieus. Een van de grootste omwentelingen in de Europese geschiedenis. Hij, M Bellon en M. Thuriot de la Roziére waren de vonk, de druppel die een lange bloedige periode zouden inluiden om te komen tot een heel andere maatschappijvisie. In verschillende geschriften worden hun namen geciteerd. Hun namen zijn verbonden met de Bastille, stevige burcht aan de oostelijke ingang van Parijs. Die Bastille werd afgebroken en haar stenen liggen over geheel Frankrijk, in elk departement, verspreid. Dat verklaarde Monsieur de Montgolfier du musée Carnavalet, geschiedkundig museum van Parijs, in een radiouitzending. Eén steen van dit historische monument is nog te bekijken in dit museum. Eén zonderlinge steen, zoals de namen van Thuriot de la Roziére en M Bellon. Meer weten we over hen niet te vertellen. Ziehier het artikel dat in het Bellonneke nr.10 in het jaar 1979 verscheen en we integraal via dit net publiceren.
De 14de juli 1789 wordt door alle Fransen gezien als het einde van het koninklijke despotisme, en als dusdanig ook gevierd. Geen enkele datum heeft gewichtiger gevolgen gehad voor Frankrijks geschiedenis. De bastille, in 1370 door koning karel V gebouwd als verdediging van de oostelijke ingang van parijs, werd later staatsgevangenis toen het strategisch belang ervan was weggevallen. Er waren echter in 1789 slechts 7 gevangenen, die door 4 bewakers, 7 stafleden en 120 militairen werden bewaakt. Het volk haatte de bastille omdat het volgens de wet mogelijk was iedereen gevangen te zetten die het ongenoegen van de koning hadden opgewekt. Dat gebeurde echter zelden of nooit en de enkele gevangenen die er zaten genoten er een prima verzorging ( er waren 5 gangen bij het diner en 3 bij het souper en dessert). Al de verhalen over folteringen waren pure fantasie. Nietemin bleef de bastille het symbool van het koninklijk despotisme.
Toen het ongenoegen zo groot was en het volk de 13de juli 1789 woedend op de straat betyoogde, liet gouverneur Launay buskruit en straatstenen op de muren van de Bastille klaarzetten. Nog versterkt met 32 man van de Zwitserse garde waren ze voldoende bewapend om de parijzenaars het hoofd te bieden.
Om dat te voorkomen besloot het permanente Comité van parijze kiezers een delegatie naar de Bastille te zenden. De afgezanten, aangevoerd door Bellon, een infanterieofficier, kregen van Launy de belofte dat er niet op de menigte zou geschoten worden. Om zijn goede wil te tonen nodigde de gouverneur de delegatie uit voor de lunch. Toen bellon niet meer te voorschijn kwam dacht het volk dat hij gevangen was genomen. DAT FEIT WAS DE OORZAAK VAN HET BEGIN VAN DE FRANSE REVOLUTIE! 7 of 8 man kropen over de buitenmuren en lieten de ophaalbrug omlaag en 300 man stroomden binnen. De Bastille werd veroverd omdat Launay zich overgaf zonder zijn woord te breken ( hij had zonder moeiete de aanvallers kunnen wegjagen).
Launay werd door het van woede verblinde gepeupel onmiddellijk gelynchd.
Wat ook de grondoorzaken waren van de val van de bastille, de overwinning was voor alles een overwinning op Lodewijk XVI. Een jaar voordat hij, op 21 januari 1793 naar de guillotine werd gebracht, schreef Lodewijk XVI : " Ik heb het juiste ogenblik laten voorbijgaan. Op de avond van de 14de juli had ik Frankrijk moeten verlaten." In 1880 werd deze datum tot nationale feestdag uitgeroepen.
-------------- samenvatting uit de De dag waarop de Bastille viel" door Jean- Marie Jarrou, in julinummer van "Het Beste uit Reader's Digest" links:1=wikipedia;2.= dwardmac.pitzer.edu/Anarchist_Archives/kropotkin/frenchrev/xii.html 3=www paris.fr
Het zou beter zijn hem met een "meulensteen om de hals in het diepste van de gracht te werpen...
Het gezin van Stephaan Bellon bewoonde geruime tijd het huis genaamd « De Speek », gelegen Steenweg naar Wiekevorst ( thans Dorpstraat), tussen de kerk en de Fonteinbrug over de Grote Nete. Deze woning komt voort op een prentkaart van omstreeks de eeuwwisseling. Boven de deur hing een bord met volgend opschrift: “ In de Speek – Herberg – Winkel”. Het huis was witgekalkt met onder aan een zwarte band.
( zie foto)
Stehaan Bellon, ook Etienne genoemd, moet een onderwijzer met charisma geweest zijn. Verschillende schriften bewijzen dat.
In het archief van de Heistse heemkring bestaat een document[1], een verslagboek over de jaren 1870 -1876 van de vergaderingen van de “Broederlijke Vereeniging der Onderwijzers van het kanton Heist- op - den – Berg. “ Deze vereniging luisterde naar de naam “Voorwaarts”.We lezen hierin dat Stephaan Bellonzich op 12 maart 1870 verenigde met twaalf andere onderwijzers. Dat gebeurdein het lokaal van de gemeentelijke jongensschool van Heist - op - den- Berg. Aldaar stichtten zij een onderwijzerskring en legden zij meteen een reglement vast. Verkozen tot voorzitter beveelt Stephaan “de leden aan ware broeders voor malkander te zijn, het zich tot plicht en eer rekende nooit misbruik te maken van de woorden, door één of ander lid, in des krings, zittingen uitgesproken.” Het doel van deze vereniging was: “ mee te werken aan de verbetering van het volksonderwijs en den toestand der onderwijzers; de werkzaamheden der drijmaandelijkse conferenciën te bespreken en punten van letterkundigen aard te behandelen. “Elk jaar moet Stephaan vier vergaderingen hebben voorgezeten en “in bijzondere omstandigheden” kon hij evenwel een buitengewone zitting samenroepen”. Tijdens die vergaderingen ontstonden soms “geanimeerde discussies over het al of niet invoeren van lichamelijke opvoeding, het nut van het Frans in de lagere school, het gebruik van bepaalde leermiddelen, de geschiktheid van sommige leerboeken. “Stephaan Bellon drong bij de leden aan om een algemeen stilzwijgen te behouden omtrent het besprokene omdat de overheid niet te weten zou komen wat er in de vergadering zoal aan de orde kwam. De vereniging kwam zover dat zij in het jaar 1875 kon beloven dat een zekere som zou uitbetaald worden aan de onderwijzer voor het reinigen, onderhouden en witten van de scholen.
Kwam toen de maatregel van de liberale regering Frère-Orban die een eerste pijnlijke schoolstrijd inzette.
Niet dat Stephaan het moeilijk had met die wet, wel met het feit dat het Belgisch episcopaat zich verzette tegen de wet, tot daar aan toe, maar vervolgens het gemeentelijk onderwijs als goddeloos gingbestempelen. Dat laatste maakte hem furieus. Hij die kwaliteit nastreefde en een hart had voor het volksonderwijs.
Hij zag tegenover zijn school een katholieke school uit de grond rijzen. Hij moest met bitterheid vaststellen hoe de meeste kinderen naar het vrije onderwijs overstapten. De banvloeken van de kerk hadden geholpen. Hijzelf behoorde nu tot het kamp van de geuzen, de onverbiddelijke zondaars die als ze hun leven niet zouden beteren in ongewijde grond zouden begraven worden. De hel stond hen te wachten! De Kempische volksschrijver Lodewijk Smits[2] schreef over deze schoolstrijd een novelle met als tittel
“ Nonnenkens op ons dorp”. Eén der hoofdfiguren uit dit verhaal is de “meester”. Uit betrouwbare bron[3]zou deze figuur Stephaan Bellon geweest zijn.
In deze novelle wordt verteld hoe de meester verscheidene malen op de pastorij werd geroepen en nadienal snikkend naar huis keerde en sedertdien “met de kop in den grond liep”. “ Die man had zijn geloof afgezworen, was een goddeloze. Maar hij zat daar in de kerk, op zijn gewone plaats, daar achter de banken, vanwaar hijde schooljeugd bewaakte. Hij durfde geen oog opslaan. De pastoor, ooit zijn goede vriend, bestempelde hem nu als een wolf in een schapenvacht. Het zou beter zijn hemmet een “meulensteen”om de hals in het diepste van gracht te werpen, zo verhaalt de novelle.
Het werd nog erger. Wanneer de katholieke partij in het jaar 1884 de verkiezingen met een volstrekte meerderheid veranderde zij de schoolwet van 1879 en revancheerde zich op de onwillige onderwijzers van het gemeentelijk onderwijs. Op 15 oktober 1884 steldede gemeenteraad van Itegem Stephaan Bellon in beschikbaarheid voor afschaffing van bediening. Met andere woorden, Stephaan mocht geen actieve meester meer zijn. De Gouverneur van de provincie bekrachtigde dit voorstel.
Gezien zijn leeftijd van 55 jaar, gezien zijn dertig jaar dienst, gezien zijn ouderdom de gezondheid aantastte en hij bijgevolg zijn ambt niet meer naar behoren zou kunnen uitoefenen werd Stephaan op gedwongen pensioen gesteld. Dat staat te lezen in de notulen van de gemeenteraad van 6 juli 1885.[4]
De politiek liet een gebroken man achter. Een idealist, een man eerlijk met zichzelf, met een enorme wilskracht, met inzicht en nobele ideeën. Hij verdiende beter.
Hijzelf scheef een gedicht in 12 verzen met als titel: ” ’T Heilig Kabinet”. Zijn aanklacht tegen de katholieke kerk was scherp. Zijn geschreven woorden klinkenbitter.
‘ Ons landje wordt bestuurd door klerikale krot!
Zij zuigen’t volkje uit en- lachen met hun lot;
Zij drukken ons ter neêr, zij houden ons op band,
Geboeid als eene slaaf is ’t arm vaderland. (vers2)
In de archieven van de abdij van Tongerloo heeft men een gedicht gevonden van een zekere Ernest van Meensel die “naar Ledeganck” een gedicht schreef, getitteld “ AAN ITEGEM”.
Het tiende vers verhaalt over het onderwijs in 1851; de nieuwe onderwijzer was Stephaan Bellon:
En ’t onderwijs,
Die geestesspijs,
Met d’ouden sluier nog omgeven, liet ja veel te wensen,
Tot eindelijk de man verscheen,
Die d’ ouden slenter ras verdween
Zijn leer gegrond op zielekund’ des mensen
En zijnd’ daarbij een man van echt talent,
Zo werd zijn school weldra, als een der puikst’ gekend.
Vanaf de negentiende eeuw komen we regelmatig Bellons tegen in het onderwijs.Eén van de eerste is Stephaan Bellon.Zijnlerarenloopbaan zou eerder een kwelling worden dan een zegen.
Hoe een politieke beslissing verstrekkende gevolgen kan hebben op mensen zoals u en ik.Hoe een ideologieverdeeldheid kan zaaien en de samenbundeling van goede ideeën, idealen en krachten tot heil van de mensen voor lang kan immobiliseren.’
In het jaar 1878 vormde Frère- Orban een liberale regering.Op 1 juli 1879 werd de nieuwe wet op het lager onderwijs van kracht.De wet bepaalde dat het godsdienstonderwijsvoortaan moet wordenovergelaten aan de zorgen van de gezinnenen van de bedienaars van de verschillende erediensten.Dus niet meer in de scholen.De bisschoppen reageerden furieustegen deze schoolpolitiek.Toen de wet gestemd was verbood zij de katholieken hun kinderen naar deze scholen zonder God te zenden en er les te gaan geven.Bij inbreuk zouden zij de sacramenten worden geweigerd![1]
‘In het dorpje Itegem was er ruzie binnen de fanfare omwille van de schoolstrijd, schrijft Cas Goossens.De schoolwet rukte, zoals elders, de mensen uiteen.Wie zijn kinderen naar de officiële school zond, was een Geus, naar de katholieke school gingen de kinderen van de Sussen.Hij stelde zich de vraag ofhet dispuut alleen over de schone ziel van het kind ging of er een machtsstrijd werd uitgevochten onder de notabelen van het dorp? Het ging zover dat helefamilies zich gingen scharen achter de dorpsfiguren.Er ontstonden clans van Geuzen en Sussenen dat bleef zo tot ver in de 20ste eeuw schrijft de gewezen directeur.InItegem kwam je dus op de wereld, als een Sus of een Geus, zelfs wanneer een katholieke regering nog binnen de 19e eeuw de wet van 1879 teniet had gedaan’[2]
‘ In de ‘Geschiedenis van Itegem’ lezen we dat het dorp toen ongeveer 2000 zielentelde[3] en gehoor gafaan de bisschoppen.De twee gemeentescholen telden een klein aantal leerlingen terwijl de meeste kinderende katholieke scholen bijwoonden.Een nieuwejongensschool werd gebouwd recht tegenover de gemeenteschool op vraag van het schoolcomité.Een gediplomeerde onderwijzer werdaangesteld[4].
In Zele werd op 10 december 1829 Stephaan Bellon geboren.Hij was het eerste kinduit het gezin Adriaen Sebastiaen- en Franciska De Waele.Vader was uurwerkmaker, moeder een herbergierster, later naaister.
Omstreeks 1840 vertrok Stephaan Bellon met het ouderlijk gezin van Zele naar Sint – Pauwels.Tijdens de zomer van 1851 verhuisden zij opnieuw, ditmaal naar Itegem waar Stephaan in de gemeenteschool hulponderwijzer of”ondermeester” was geworden.
Hij behaalde in 1850 het onderwijsdiploma aan de rijksnormaalschool van Lier.
Gewapend met deze kennis begon Stephaan de Itegemse jeugd op te voeden, onder het waakzaam oog van de benoemde onderwijzer, P.J Stuyk.‘De school stond op de grond van het armenbestuur, westwaarts van de hof der pastorij.In 1858 werd hij officieel als opvolger van Stuyck aangesteld.Tot in 1871 bestond er enkel een gemengde school, bijgewoond doormeisjes en jongens.
Interessant om weten is welke onderricht o.a.Stephaan had gekregen.
Het kreeg opleiding in de vakken godsdienst en zedenleer, de gewijde en de kerkelijke geschiedenis.Het lezen.Het schrijven en het boekhouden.De ‘Vlaamsche’ spraakleer.Aardrijkskunde en in het bijzonder de aardrijkskunde des lands.De geschiedenis en deze van het land.De volledige rekenkunde met toepassing op de handel,het wettelijk stelsel van maten en gewichten.De begrippen van natuurlijke wetenschappen toepasselijk op het noodzakelijk levensgebruik.De praktijk van de boomteelt en de hofbouw; enten en snoeien van bomen.De theorie inzake opvoeding.De opvoeding en de methodeleer.Gezondheidsleer voor kinderen en voor scholen.De grondbeginselen vanpraktische bestuurskunde.Verklaring der grondwet, de wetten, besluiten en algemene verordeningen, die betrekking hebben op het lager onderwijs.Het houden der registers van den burgerlijke stand.Het opstellen van verslagen.Formuleren van akten.Wetgeving aangaande de kerkfabrieken.Muziek en gewone kerkzang.Het tekenen en in het bijzonder lijntekenen[5].
Het moet dan toch waar zijn dat de meester van het dorp een wijs man was.
Stephaan Bellon huwde Pauline Van Den Bosch, een Itegemse, dochter van Jan Frans en van Maria Anna Marien die in 1844 overleed.Het huwelijk greep plaats in Itegem op 8 augustus 1855.Paulina stierf jong op 4 februari 1862 enkele weken na de geboorte van hun vierde kind eenzoon Ludovicus genaamd die zelf een paar maanden later overleed.Pauline was eerst vrouwenkorsetmaakster geweest, dan mutsenmaakster.
Suzanne Martin brengt op haar site “La Famille Bellon” het relaas van
Provençaalse Bellons die in Artigues (Var) gedurende zeven generaties als genezers bekend stonden. Dit ingevolge een profetie aan hun voorvader gedaan door een eremiet, later gekend als Saint-Benoît Joseph Labre.
(..)
Het jaar onzes Heren 1774. Op terugweg van een bedevaart naar Sint-Jacob in Compostela besloot de kluizenaar te overnachten in het Provençaalse dorp Artigues. Artigues dat nu ca 115 inwoners telt, ligt ongeveer 80 km ten noorden van Toulon en 5 km ten oosten van Rians. Het dorp rust aan de voet van een heuvel waarin een prehistorische grot werd ontdekt die al in 60.000 v.Chr. zou zijn bewoond. Benoît werd in Artigues zeer eenvoudig maar hartelijk ontvangen in de landelijke woning van een familie Bellon in het gehucht genaamd Hameau des Bellons. Geroerd door de gastvrijheid wilde de bedelaar-eremiet zijn erkentelijkheid betuigen en richtte zich als volgt tot een zekere Maistre Bellon : “In de naam van God zullen jij en je afstammelingen de gave verkrijgen om het lot van ongelukkigen te verzachten”. Verder wil de traditie dat dit vermogen om te genezen zou stoppen in de 7de generatie. Wie was nu die mysterieuze Benoît Joseph Labre ? Hij werd geboren als oudste van een kinderrijk gezin in 1748 te Amettes in het bisdom Atrecht. Vanaf zijn 12de werd hij opgevoed door een nonkel-pastoor die hem zou voorbereiden op het seminarie. Maar het priesterschap trok de jongeling niet aan. Wel probeerde hij toe te treden tot een kloosterorde. Geweigerd bij de Trappisten deed hij nog een poging bij de Kartuizers die hem een gebrek aan roeping verweten. Later gelooft hij dat God hem geroepen heeft tot een leven als pelgrim-bedelaar. Kortom hij zocht als vagebond Gods een weg naar de heiligheid. Gekleed in lompen, een rozenkrans in de hand en een andere om de hals, een kruis op de borst, de bedelnap in de andere hand … zo trok hij van bedevaartplaats naar bedevaartplaats. Wat hij kreeg deelde hij met de armen. Hij waste zich niet meer uit versterving. Hij stierf te Rome in 1783 ten huize van een beenhouwer die hem uitgeput had gevonden op de trappen van de kerk Santa Maria dei Monti. Heilig verklaard in 1881 is hij bij ons gekend als de Heilige Benedictus Jozef Labre, patroonheilige van vrijgezellen, bedelaars, pelgrims, daklozen en zwervers.
Rijst de vraag welke Bellon in 1774 de toekomstige heilige zo goed ontvangen heeft. Suzanne Martin, verwant aan de familie Bellon, veronderstelt dat de gave van genezing geschonken werd aan Sébastien Bellon (geb. Artigues 20.01.1718 en er overl. 24.10.1788) omdat er dan inderdaad zoals de traditie wil 7 generaties genezers waren tot in 1959, jaar van overlijden van de laatste genezer Etienne Louis Paul Bellon. Uiteraard konden wij geen familieverband vinden met onze stam. Verwantschap is echter niet uitgesloten. Want zowel Rians als Artigues liggen langs wegen die door herders van de Vallei van Fours jaarlijks werden gebruikt om met hun schapen naar de vlakte van de Crau te trekken. Dit gebeuren, transhumance genoemd, gaf regelmatig aanleiding tot trouwpartijen tussen gavots, inwoners van de Alpen, en bewoners van de Lage Provence.
(..)
Etienne Louis Paul BELLON, geb. Aix-en-Provence 29.10.1912 en er overl. 12.03.1959. Huwde in zijn geboortestad op 23.04.1938 Jeanne Charlotte Amélie DEFORET, geb. 17.03.1912 als dr van Paul en Aline Roubaud. Na succesvolle studies aan de faculteiten geneeskunde van Marseille en Parijs promoveerde Etienne tot dokter in de geneeskunde, gespecialiseerd in orthopedie en osteopathie. Hij woonde in Aix-en-Provence 24 boulevard de la République. Tot omstreeks 1950 had hij als 2de verblijfplaats la Bérarde in Rians, daarna Eguilles dichtbij Aix. Bekend médecin-rebouteux in de Provence. Met zijn dood nam Dr Etienne Bellon de uitzonderlijke gave mee in het graf, door Benoît Joseph Labre aan de familie verleend tot en met de 7de generatie. Ter gelegenheid van zijn afsterven verscheen volgend artikel in Ici Paris Hebdo : “ De laatste maandagen en vrijdagen was het op nummer 24 van de boulevard de la République maar stilletjes. De reden hiervoor kan men lezen op een papier bevestigd aan de voordeur : “Dr Bellon is overleden”. Hier woonde één der meest vermaarde geneesheren van de Midi. Weliswaar bezat hij een diploma afgeleverd door de faculteit geneeskunde van Parijs waar hij tot zijn 25ste zeer serieuze studies had gedaan. Maar wat Etienne Bellon daarnaast bezat was de gave van rebouteux 1. Voetballers en rugbyspelers, atleten en acrobaten zochten hem op als zij gekwetst of verongelukt waren. Zijn methode was empirisch maar handig. Zijn mysterieuze kwaliteiten vulde hij aan met zijn wetenschappelijke kennis, die hem voor fouten behoedde waaraan de eenvoudige beenzetter is blootgesteld. Hij was zo bekend dat hij de hele maandag moest wijden aan de gekwetste sportlui van ’s zondags. Vrijdag was de dag van de op donderdag verongelukte scholieren. De rij verongelukten strekte zich soms uit tot aan de boulevard. Nochtans was de geneesheer zeer vaardig. Vijf minuten volstonden om een ontwrichte ledemaat of een verstuikt gewricht op de juiste plaats te zetten. Het aantal verstuikingen, verzwikkingen, ontwrichte knieschijven, spitaanvallen, stijve nekken, gescheurde of gekneusde spieren dat hij met succes heeft behandeld is niet te tellen. (…) En nu nauwelijks 46 jaar wordt deze sterke energieke practicus, die nooit ziek is geweest, getroffen door een dodelijke hersenbloeding. De dag voordien verbleef Etienne Bellon nog in zijn buitenverblijf om er fruitbomen te planten. Hij hield van het buitenleven. En van de natuur op dezelfde manier als zijn voorouders, van wie hij de gave van beenzetter had geërfd. Met zijn plotse, onverwachte dood voltrok zich de merkwaardige profetie van Saint-Benoît Labre, waarvan de cultus, de persoonlijkheid en de legende vermaard zijn in de Provence ”.
Gene Bervoets is een Bask! Hij zou ook wat hebben van de Sioux, iets wat moederskant hem ongewild doorgaf. Uiteindelijk isook hij familie van Adam en Eva.
Zo’n 20 Antwerpenaren lieten zich via DNA traceren. OokRonny Mosuse, Annick Segal van Thuis en Peter Van Den Begin lieten hun herkomst onderzoeken.
Ja, de Gene Bervoets! Hij is ook overal bij waar er wat uit te testen valt. Zijn voornaam had nog moeten eindigen op een “n” om symbool te kunnen staan in het genealogisch pionieren naar de herkomst van ons allen. Hij heeft wat van Adam. Hij zou zeker in die appel gebeten hebben alleen al omna te kunnen gaan of hij die niet zou kunnen gebruiken in zijnwaterzooi. ’t Zou wat zijn;den eerste waterzooi in den hof vanEden, gemaakt door de Gene.’t Zit hem toch in zijn genen. Zijn zending om overalter wereld de smaak van het land dat hij bezoekt te laten integreren met de Gentse waterzooi. Goed idee jong, den tv vond dat een heerlijk hapje en heel Vlaanderen ook. De Gene als Bask. Die typische “bonnet” zou hem goed staan! Hij zou daar niet eens opvallen. Rond gezicht en blozende wangen door de friste van de bergen, al weten we vanwaar die blos ook kan komen, hé Gene! Hij als Sioux ? Zelfs met de felste en kleurrijkste pluimen op zijn kop is hij in de verte niet te vergelijken met die heftige en strijdlustige indianen. Misschien als hij van hun vuurwater zou mogen proeven zou hij roodaangeslagen die roodhuiden wat kunnen benaderen.
Tof om te vernemen hoe de wetenschap via DNA onderzoek kan blootleggen hoe elk van ons is terechtgekomen waar hij nu leeft.
“ Wij zijn allemaal Afrikanen van oorsprong. Daarmee heeft de wetenschap definitief komaf gemaakt met de idee dat er verschillende rassen zijn! Er is maar één menselijke soort, de homo sapiens,” zegt professor Ronny van de KULin de Standaard.
“ Zestig duizend jaar geleden waren we allemaal zwart”, meldt hij verder. “ Naarmate onze voorouders in streken kwamen met minder zonlicht werd de huid bleker om meer vitaminen D te kunnen aanmaken. Maar genetisch zijn we allemaal voor meer dan 99 procent gelijk.
Hoe beter het onderzoek, hoe verfijnder de stamboom. De geneticakan ook uitsluitsel geven of een Vlaming van de Euburonen of de Menapiërs afstamt of van de Kelten of Franken. We kunnen zelfs nagaan wat de invloed van een bezetting of migraties op een bevolking is geweest en welk aandeel van een volk werkelijk afstamt van de groep waarmee we ons identificeren”, zegt professor Decorte in vermelde krant. Straf hé!
Dit gegevenmoet onze honger wat aanscherpen vanwaar onze Bellons zoal komen, zowel langs vaderlijke als moederlijke kant. We willen het te weten komen. Misschien lopen we de Gene nog tegen het lijf bij de Sioux!
De auteurs Mertens en Torfs schrijven in hun vierde deel van hun boek over de Gechiedenisvan Antwerpen het volgende:
“ In het jaar 1529 heerste in Engeland een besmettelijke ziekte die tijdens de maand september Antwerpen bereikte. Twee voorname dokters uit die tijd, Dokter Joachim Roelants uit Mechelen en Jacob van den Kasteele uit Antwerpen beschouwden de kwaal als een soort van pest, waarbij het menselijk bloed en andere lichaamssappen besmet raakten.Men noemde ze de Engelse of Zweetziekte. De ziekte sloeg hard toe en diegenen die zekregen stierven bijna allen binnen de vierentwintig uur.
De ziekte bereikte haar toppunt wanneer het zweet stonk. Verschillende patiënten braakten zwart bloed en gal. Anderen waterden overvloedig. Die laatste soort zieken zouden veel kans hebben de kwaal te overleven. Volgens de geciteerde geneesheren zou de zweetziekte ontstaan zijn door de uitermate vochtige en warme zomer van dat jaar.
De epidemie in Antwerpen begon na een dikke en stinkende nevel! De eerste symptomen waren koude rillingen vergezeld vanhoofdpijn en duizelingen. Men voelde benauwdheid op de borst, ging het hart feller kloppen,werd men slap zodat men niet meer op de benen kon staan. Vervolgens zwol de keel op, kreeg men het heel warm en
snakte men naar drinken. De beroering bracht de zieke in een ‘onweerstaenbare slaeplust” waarbij de handen zwollen enhet zweten ophield. Na enkele stuiptrekkingen overleed de man en of de vrouw.
De slachtoffers blken meestal diklijvige en “kwaedvochtige” mensen te zijn.Zo stierven de burgemeester Aert van Lierde, Rutgeerd van der Weyden, deken van de Sint-Lucasgilde en de vermaarde schilder Quiten Metsys, die in het kartuizerklooster op het Kiel overleed. In drie dagen tijd begroef men hier meer dan vierhonderd burgers.
Geneesheren uit de stad en ook uit die van Gent werden gevraagd naar de oorspong van de ziekte en hoe ze te genezen.Er kwam geen antwoord, temeer de meeste dokters de stad verlieten om zichzelf en hun huisgezin te beschermen, anderen werden ziek en diegenen die overbleven konden zich niet vrijmaken gezien het aantal te behandelen patiënten.
Erasmus betoogde dat velen stierven door zich de ziekte in te beelden en alzo de kwaal op de hals te halen.
Temidden van de verslagenheid organiseerde de geestelijkheid een biddag en een processie opSint- Michielsdag, waarna, schrijven de auteurs, de ziekte eensklaps ophield.
uit de website: http://www.seghersonline.be/Hamme/Hageschiedenis.htm
De kinderen van Adrianus
Adriaen
Sebastiaen
°06/12/1805 Wetteren
+29/08/1886 Antwerpen
horlogiemaker
Anne
Christine
°07/10/1808 Hamme
+25/01/1830 Hamme
naaister
Benoite
Coleta
°11/02/1810 Hamme
+19/12/1887 Gent
Charles
Louis
02/07/1811 Hamme
+?
zeeldraaier
schipper
Hyppolyte
°27/05/1814 Hamme
+04/07/1819 Hamme
Désiré
°22/10/1815 Hamme
+21/02/1866 Boom
dagloner
Pilippe
Antoine
°17/02/1817 Hamme
+?
mijnwerker
Jean
Baptist
°07/06/1819 Hamme
+10/09/1819 Hamme
Casimirus
°30/7/1820 Hamme
+08/08/1820 Hamme
Josephus
°06/11/1821 Hamme
+?
Koopman
kleermaker
Augustus
°14/08/1824 Hamme
?/?/1825 Hamme
Adrianus- Sebastiaen huwde Francisca de Waele uit Waasmunster 17/07/1799.
Benoite Coleta huwde Joannes Antonius Lobel(of Lebel?)
Charles Louis trouwde met Maria Elisaberth Lauwers uit Boom 25/05/1807
Josephus huwde Ludovica Articuleer+ en een tweede maal met Coletta Suetens uit Koningshooikt op 02/01/1856 Antwerpen.
Uit dit rijtje kinderen zal het zesde kind, Désiré, stamvader wordenvan de takken Antwerpen, Boom en Mechelen. Hij werd geboren te Hamme op 22.10.1815 en zou overlijden te Boom op 21.02. 1866 toen er een hevige cholera-epidemie stond los te breken.
Voor zijn huwelijk verbleef hij enige tijd te Visé nabij Luik. Désiré trad in de zomer te Humbeek op 17/07/ 1855 in het huwelijkmet Johanna – MariaMees. Zij sterft op 29/04/1868 te Boom en laat vier wezen achter, Anna, Mathilda, Willem en Pieter Frans.
Uit de Burgerlijke stand van Hamme zou Adrianus met zijn gezin er op verschillende adressen gewoond hebben.Zo verbleven ze in de Hoogstraat, vanaf 1811 in de Kerkstraat en vanaf 1819 in de Dorpsstraat.
Nadat Charles Louis begin 1834 was getrouwd, en Désiré en Philippe Antoine het ouderlijk huis hadden verlaten om elders werk te zoeken, vestigden Adriaen en Maria Josepha zich in december 1834 met hun zoon Joseph te Boom. Eind oktober 1848 nam Désiré opnieuw zijn intrek bij zijn ouders, doch verliet hen andermaal in augustus 1850. Werd Adriaens gezin toen ook door ellende en hongersnood getroffen zoals vele huishoudens in Vlaanderen? Immers het einde van het tweede kwart van de 19e eeuw bracht in onze kontreien veel armoede en miserie, ja zelfs hongersnood als gevolg van verschillende misoogsten van graangewassen en aardappelen.
Op 14 september 1851 verloor Adriaan zijn levensgezellin. Maria Josepha stierf in de echtelijk woning te Boom gelegen Antwerpsesteenweg 22. Vanaf oktober 1854, maand waarin zoon Joseph in Antwerpen in het huwelijk trad, stond hij er alleen voor.. Maar in juli 1855 kwamen Désiré en diens bruid, Johanna –Maria Mees bij hem inwonenDaar in het huis in de Antwerpschestraat 22 werd op 6 juli 1856 uit dit kersverse huwelijk een eerste kind geboren: Anna Catharina. Boterde het niet tussen Adriaen en zijn schoondochter? Of kreeg hij heimwee naar zijn geboortestreek?In elk geval tijdens de zomer van 1857, hij was toen 74 jaar oud, installeerde hij zich terug in Wetteren. O.i. verbleef hij er een vijftal jaren. Verkeerde hij in staat van faillissement of liet hij om persoonlijke redenen zijn inboedel openbaar verkopen op 5 juli 1862?Een openbare verkoop die toch 492,30 fr. Opbracht, of ongeveer het jaarinkomen van een fabrieksarbeider.Deze “venditie van roerende voorwerpen” bestond uit 121 kavels, t.w.: acht broeken, 6 kazakken, 4 stellen glazen, 2 stellen telloren, een koperen ketel, lepels, een verzijp, blikken dozen, 7 sargies, beddengoed, 3 matrassen, een borstel, een wafelijzer, schoenen, spiegels, kandelaars, een lijfrok, fluwijnen, een kader, linnengoe, handdoeken, een hammelaken, een koffiekan, een onderbroek, neusdoeken, minstens 17 hemden, 7 lakens, een mand, 4 prenten, pannen, 2 horloges, 4 tafels, een koffiemolen, een moor, een peluw, drie akers, stoelen, een boek, 2 kuipen, een koffer, 2 togen, 2 bedstoelen, aardewerk, hout, ijzerwerk, een maat, een kastje, een stoof, een kas en kleine rommel.
Van 1862 tot 1866 woonde Adriaen vermoedelijk te Antwerpen. In dat laatste jaar, berucht voor zijn cholera-epidemie,verloor hij twee zonen, eerst Joseph en later Désiré. Na Désiré’s dood nam hij opnieuw zijn intrek bij zijn schoondochter Johanna-Maria Mees, die in Boom was achtergebleven met vier kleine peuters.
In het jaar 1869 verbleef Adrianus nog officieel in de Kerkhofstraat 135 te Boom. Wellicht moest hij verhuizen na de dood van Joanna Maria. Drie van haar kinderen werden in 1869 in het Godshuis Sint – Jan Baptist als wezen opgenomen. Waar Anna toen 12 jaar, verbleef is tot hiertoe niet geweten. Pieter - Frans enWillem waren respectievelijk 8 en 4 jaar toen ze werden opgenomen op 21 april 1869. Mathilde, 10 jaar, vervoegde haar twee broers op 28 april van dat zelfde jaar of juist één jaar na de dood van haar moeder. De wezen zouden daar hun grootvader terugzien die reedsals zieke sinds 3 april1869 was opgenomen. Op 11 december van datzelfde jaar, of 95 dagen na zijn opname, overleed hij. Hij werd 86 jaar!
Adriaen leefde in een zeer bewogen tijd. Hij zag het levenslicht onder de regering van de keizer –koster Jozef II, die in 1790 werd opgevolgd door zijn broer Leopold II. In 1792 – 93 zag hij de Franse revolutionaire legers komen engaan. Wanneer onze gewesten in 1794 bij Frankrijk ingelijfd werden leefde Adriaan achtereenvolgens onder de Conventie, het Directoire en het keizerrijk. Hij moet gehoord hebben over de Honderd dagen en de slag bij waterloo. Van 1815 tot 1830 was hij Nederlander. Toen hij in 1869 stierf werd België al geregeerd door zijn tweede vorst, Leopold II. Veel kans dat hijde stroomtrein heeft zien rijden. Link:ex www seghersonline.be Uit Het Bellonneke nummer 7/ Frans Bellon
Is de cholera een onrechtvaardige ziekte?Ze viseerde blijkbaaralleen de arme sukkels, de arme luizen, de mensen die in de stinkende steegjes woonden. Zij, wier vel niet meer proper te krijgen was. Het is Gods straf zei het volk! Daarmee was de kous af.
Was dat wel zo?
De 19e eeuw, de jaren 1800 scharnierjaren naar een nieuwe wereldorde, een nieuwe economie waar iedereen beter zou van worden. Het stoomtijdperk was begonnen, het moment dat de publieke uurwerkenin heel het land hetzelfde uur sloegen. De treinen moesten op tijd vertrekken en aankomen. Iedereen diende vanaf toen stipt op tijdop het werk te zijn. De westerse wereld begon een nieuw tijdperk. Een tijd van stiptheid, van orde en van tucht. Een nieuw woord kwam in onze woordenboeken. Stress zou de mensen in de ban gaan houden.
De landbouw gebruikte nieuwe meststoffen. De aarde gaf plotseling zoveel meer aan gewassen. Eten genoeg. Mensen zouden aan de arbeid kunnen in de talrijke fabrieken, aanvankelijk slecht betaald, zeker in Vlaanderen. De stoommachines moesten afbetaald worden, maar die drommelse banken wilden niet direct leningen op lange termijn geven. De fabriek zou beter betalen dan de arbeid op het land. De weefgetouwen brachten daar niets meer op. Cockerill; daar had men de mond van vol.De toekomst! Het staal en het glas, producten die het toen enorm goed deden gingen de wereld veroveren. Zelfs het vrijheidsstandbeeld in New York moet ergens de inkerving dragen”made byCockerill Belgium”.De toekomst oogde veelbelovend.Meer kindjes werden geboren. De mensen gingen massaal naar de stad om er werk te vinden. Men drumdeomonderdak te vinden. De steden barstten uit hun voegen. Ze zaten propvol mensen. In krotten, in schamele huisjes en kelders huisden verschillende grote families.Wc’s waren erniet genoeg, de riolering moest zorgen voor het verwijderen vanal de menselijke afval, nu dubbel zoveel. Rivieren werden openbare riolen. Beerputten konden niet tijdig meer geledigd worden, leidingen sprongen. De grond werd verzadigd door pis en stront. De pompen in de steden haalden geïnfecteerd water boven. Voor wie het zich kon permitteren kon van privaat watermaatschappijen proper water krijgen. Niets liet vermoeden dat ondergronds er zich een bodem aan het vormen was waar één bacterie zich goed zou gaan voelen, zich zodanig zou gaan vermenigvuldigen en de toenmalige primitieve geïndustrialiseerde wereld zou gaan teisteren. De cholerabacterie bestond al. Z e moest enkel een boot weten te vinden om vanuit Azië hier te arriveren. Op de boot had ze al een slachtoffer gevonden. Eens aan wal vonden de al vermenigvuldigde bacteriën door de vuiligheid hun weg naar niets vermoedende burgers.
Ze viseerden de darmen van de mens. Ze kondendie bereiken via water van uit de verschillende stadspompen.Eens binnengedrongen in het menselijk verteringsstelsel kon ze de darm bewerken en omzwachtelen. De darm die mechanismen bezit om de waterhuishouding van het lichaam op peil te houden werden door de indringers ontregeld. De man en of vrouw moest gaan braken kreegenorme buikloop en werd ernstig ziek. In niet minder dan enkele uren herkende men de patiënt niet meer. De diaree en het braken droogden het lichaam uit. Opvallend veel waterverlies dat door de niets vermoedende verzorgster in het rioleringssysteem werd gekieperd. Dat water, rijstwater genoemd, omwille van de vele miljoenenaanwezige witte microscopischedeeltjes, zouden de killers worden van een volgende massa mensen. Ondertussen werd het bloed van de zieke dikker, de bloedsomloop raakte verstoord alsook de nieren. De huid voelde koud aan, en de ogen kwamen diep in de kassen te liggen, terwijl de patiënt moeizaam en hees sprak. In die tijd bestonden er geen antibiotica. Er waren wel verschillende behandelingsmethodes. De ene geneesheer gaf een behandeling op basis van opium, de andere bestreed het met purgeermiddelen. Morfine gebruikte men ook. Dit laatste kon enkel de pijn verzachten maar had geen genezingseffect. De uitgemergelde zieke, ondergedektmet hete zandzakjes op de buik kon maar hopen op een goede afloop. De dood kon binnen de twaalf uren intreden.
Ondertussen vielen in de stad her ender slachtoffers. Een heel gezin ging van de ene dag op de andere dood. Andere bleven leven, alhoewel ze de zieken hadden aangeraakt en of hadden verzorgd. Mensen bleven water van de pompen drinken. Niet alle pompen waren besmet.Hoe meerbesmet lichaamswater er in de riolering terechtkwam hoe meer slachtoffers er vielen. De cholera woedde aldus verder altijd via het water, van rivier naar rivier, van beek naar waterput, doorheen kapotte leidingen naar pompen..De meeste doden vielen in de achterbuurten, daar waar de waterhuishouding slecht en gebrekkig was.Niet alleen hier heerste de cholera, maar in alle groteEuropese steden kwam de cholera voorbij. InLonden en Hamburg vielen de meeste doden. Gedurende heel de 19 eeuw kwam de epidemie regelmatig terug. Antwerpen telde 3000 doden veroorzaakt door de epidemie van 1866!
De wetenschap stond nergens. Ze had geen direct antwoord. Men dacht dat de ziekte wat te maken had met de stank die er overal heerste in de stad. Dat bracht mee dat al wat stonk aangepakt werd. Langzamerhand werd de waterhuishouding beter en werden door protest van socialisten de stegen en armenwoningen aangepakt. In 1893 vond Robert Koch in Egypte een vaccin tegen de cholera. Men had toen gevonden dat de bacterie zich via het water verplaatste.
Een hele eeuw zocht men in een verkeerde richting om de cholera degelijk aan te pakken. Meer armen dan rijken stierven aan de ziekte. De armen, omdat ze massaal in gebrekkige behuizing woonden, gepland in straatdelenwaar de ondergrondse riolering aan het rotten was of barstte doorovervloed. Het lot van de mens lag toen ook bij de pomp waarvan hij dronk.
Uit het Rijksarchief te Boom nog gevonden in het dossier gemeente Boom:
Uit een verslag van 1892 van de politiecommissaris van de gemeente Boom lezen we:“57 huizen zijn gedurende de ziekte door de politie ontsmet geweest en het beddegoed waar de zieken op gelegen hadden is in 37 huizen oogenblikkellijk verbrand geworden;bij de anderen is alles gekookt en gewasschen. 172 personen welke huizen bewoonden, waar gevallen van cholera bestadigd waren, zijn in het gasthuis gewasschen en ontsmet geworden, allen hebben zuivere kleederen ontvangen en de kledingtukken die zij aan het lijf droegen zijn hun twee dagen naderhand teruggegeven, nadat zij aldaar gereinigd waren.De personnen uit het gasthuis van de cholera gestorven, zijn oogenblikkellijk in de kist gelegd op het kerkhof in het doodenhuis gedragen en 24 uren naderhand aldaar begraven.” [6] Zoals gezegd zolang er geen structurele veranderingen kwamen om het lot van de armen te verbeteren en de waterhuishouding in de sloppen te verbeteren zou een cholera-epidemie duizenden doden blijven eisen. Volksvertegenwoordiger, socialist Terwagne protesteerde in 1892 zeer gedreven tegen de regerende burgerij die niets ondernam tegen de alsmaar terugkomende epidemieën. Een mooi stukje betoog gegoten in een pamflet en uitgehangen te Boom. Hierna enkele van zijn citaten, keihard en onmeedogenloos… “De Rupel voert met zich rottende afval en de weerzienswekkendste vuiligheid van drie steden Brussel, Mechelen en Lier.’t Is nog niet genoeg een leven te moeten leven dat geen leven is, slecht gevoed te zijn, slecht gehuisvest en slecht betaald, als eene plaag de menschen aantast, dat zijn de armsten, die er de slachtoffers van worden…Men vindt 300.000 franks om villa’s te bouwen aan de boorden van de middelandsche zee, ten behoeve van de heren die ziek terug van de Congo komen, maar geen cent om eene werkzame en moedige bevolking, die in een bestendig gebrek haar leven voortsleept en door haar arbeid de rijkdom in het land vergroot, te vrijwaren tegen besmettelijke ziekten. Daarvoor geeft het gouvernement geen cent, verzet het geen voet, steekt het geen hand uit. Werklieden die stenen bakken waarmee men optrekt machtige en prachtige huizen, wonen zelf in afzichtelijke en terugstootende krotten waar rijke en regeerende burgerij hare honden en paarden niet zou willen stallen[7].” Misschien waren deze woorden het begin van een kentering ? Inderdaad we moeten vaststellen dat de harde armoede verdween in de 20ste eeuw en ook de cholera. Enige nuancering gebiedt te zeggen dat in het jaar 1893 een vaccin werd ontwikkeld[8] dat de cholera kon bestrijden. Samen met de ontwikkeling van kwalitatieve rioleringssystemen en een betere sociale leefwereld werd de cholera naar de geschiedenisboekjes verwezen.
Bibliografie
Tuchmann B De Waanzinnige veertiende eeuw – De Arbeiderspers Amsterdam- Antwerpen (pest)
Kocken M; Gids voor oud en groot Mechelen, De vries – Brouwers BVBA, blz 32 (pest)
MC Neill W, Mensen en hun plagen
Van den Broeck J Promenade in de Pruikentijd; De Zuidelijke Nederlanden
Grote Winkler Prins 8ste druk. Onlangs is er een opmerkelijk boek uitgekomen. "Londen spookstad" van Steven Johnson, die op vertelwijze zeer bekwaam over de cholera schrijft en waar ik me voor een groot baseerde. In het Bellonneke nr 27 "De cholera in de 19e eeuw"op basis van archiefmateriaal.
Deze virus heeft eveneens voor heel wat doden gezorgd. Sommige virussen en bacteriën zijn vreselijke organismen. Zij vechten voor hun bestaan en vermenigvuldigen zich massaal van zodra zij een geschikte cultuur vinden. De pokken, de pest en de cholera aasden blijkbaar graag op de mens. Ze gedroegen zich mysterieus en het was niet altijd duidelijk waarom de ene mens de ziekte kreeg en de andere niet.
Het pokkenvirus heeft gedurende eeuwen bestaan maar is in de 18e eeuw absolute alleenheerser geweest en heeft het tientallen miljoenen mensen aangetast en laten sterven.
Het is de Brit Jenner die in 1796 de pokken heeft kunnen indijken door een gepast vaccin te vinden en ervoor zorgde dat wij tot op de dag van vandaag ook van deze ziekte gevrijwaard zijn.
Zowel jong als oud, rijk en arm liepen het risico op de pokken te krijgen. Lodewijck XV stierf er trouwens aan. Na de winter doken ze op en hielden lelijk thuis gedurende enkele maanden. Ongeveer 15 à 20 procent van de mensen gingen eraan dood. Diegenen die overleefden zouden heel hun leven getekend blijven door de ziekte.De infectie kwam er ofwel via het speeksel of via pokpuisten van een patiënt. Na twaalf dagen kreeg men hevige koorts tot 40°C. Blaasjes verschenen op de huid. Eerst op het gelaat daarna over gans het lichaam. In de heldere blaasjes zat het pokkenvirus met reeds kapotte huid. Aanraking met zulke zieken was erg besmettelijk. Het vocht droogde op en er ontstonden puisten die na 2 à 3weken afvielen en die op de pokplek een blijvend litteken achter lieten. Ongeveer de helft van de bevolking liep met een pokdalig gezicht rond. Het was misschien een troost met velen te zijn. Plastische chirurgie bestond niet. Gelukkig kon men de ziekte geen tweede maal krijgen. Voor de rest van hun leven was men immuun tegen de pokken. Medici van die tijd kwamen tot besef dat antistoffen in het lichaam ervoor zorgden de ziekte te weren. Daarom gingen ze over tot het toedienen van entstoffen genomen uit menselijke pokpuisten. In de arm en of het been brachten ze via een sneetje een kleine hoeveelheid smetstof aan. Deze handeling hield wel risico’s in gezien nog een aantal procent mensen besmetting opliepen en konden sterven.
Pas later ontdekte Jenner dat de boeren die in aanraking kwamen met pokpuisten van koeien immuun bleken te zijn voor de menselijke variant. Zijn vaccin hielp de pokken totaal verdwijnen. Sindsdien spreken de mensen over inenting tegen de koepokken.