Onze familie komt uit de vallei van Barcelonnette, gelegen in Frankrijk. Wij stammen af uit het nakomelingschap van Pascal Bellon, geboren te Fours c.a. 1710. In de tweede helft van de 18 de eeuw emigreerde Sebastiaen Bellon naar Vlaanderen. Hij huwde er in Wetteren op 10 november 1778 met Joanna Philippa Van der Linden. Hun afstammelingen vertakten zich voornamelijk in de Rupelstreek, de Denderstreek en Antwerpen.
In deze kolom
Inhoud blog. Familieschenking. Drie Stamvaders. Oog hebben voor... Fotos uit de streek van Barcelonnette. Wat afleiding. Het Bellonneke. Tips om te beleven. Over stambomen
In het jaar 1978 schonk onze familie een glasraam voor het kerkje te Fours ter vrome nagedachtenis aan Sebastiaen Bellon (1751-1825). Het is een werk van Ivo Bakelants uit Deurne en stelt de H.Sebastiaen voor. Links onder het wapenschild van het graafschap Vlaanderen, rechts onder dat van Barcelonnette.
Herdenkingspenning geschonken aan de gemeente Barcelonette. Op de achterkant stond te lezen:
Rika De Backer Minister van Nederlandse Cultuur aan de Heer Burgemeester van Barcelonnette t.g.v de reis van de familie Bellon 1978
De eer voor dit alles komt toe aan Frans Bellon uit Deurne. Jaren besteedde hij aan de opmaak van de stamboom, en ging daarvoor naar de vallei van Barcelonnette. Het resultaat was ernaar ! Hij gaf voor het eerst" Het Bellonneke" uit in mei 1976 en is de promotor van de familievereniging. Tot op de dag van vandaag graaft hij verder naar familie en verwanten. Reden waarom wij zijn werk, voor een groot stuk, in de kijker willen brengen .
Drie stamvaders
Tak Boom Willem Bellon Boom °7 november 1859 +30 maart 1937
Tak Antwerpen Pieter Frans Bellon ° te Boom 22 juni 1864 + 25 augustus 1930 Deurne
Tak Aalst Leopold Bellon ° Gent 6 december 1873 + Aalst24 oktober 1949.
Een mens behoeft eerst voeding wil hij aan zijn welvaart werken.
ex:cardio.nettools.be
Foto's uit de streek van Barcelonnette
Het kerkje te les Agneliers
Col d'Alos
De Saint Laurent te Fours
Op het kerkhof van Fours verschillende graven van Bellons. In het hartje de naan van enerzijds Appolonie en anderzijds deze van Adrien Bellon
Saint Louis, ooit de parochiekerk van les Bellons in Bayasse
Typische houten daken
Detail olieverfportret van Jean-Baptiste Bellon (ca 1835) in de kapel Notre -Dame- de-la- Lumière in het gehucht les Longs in Fours. Opmerking:De neus een erfelijk trekje bij de familie Bellon.
Zelfs wijn draagt onze naam ! Is bij ons niet te koop.
De rue Bellon te Barcelonnette
Ook in de Grote Oorlog sneuvelden enkele Bellons uit Barcelonnette
U mag een stevige brok geschiedenis verwachten, streekgebonden foto's, levenswijzen en harde realiteit. Van onze verre voorouders tot onze overgrootouders en grootouders.
Welkom
op onze
familiewebsite
Voor elk wat wils
Wij proberen het mooi en geschiedkundig voor te stellen, niet overhaast; eerder als 't past. Met wegwijzers naar familie gebonden histories en plaatsen Snuffelen in onze familiedoos, zoals ooit op de zolder, waar elkeen toch wat moet vinden.Hier vind je de inhouden van onze blogs en de geschiedenis van de oude generatie.
En altijd
bedankt voor uw bezoek!!
Voor de toekomst
Ook ere aan diegenen die de vereniging gestalte gaven. Een ruime terublik mag u verwachten. Dit alles voor de nieuwe generatie, omdat ze de herkomst niet zou vergeten !
title="ImageShack - Image And Video Hosting" href="http://img11.imageshack.us/i/aanwijzer.jpg/" target=_blank>
De Broederschap onder het bestuur van Albert Bellon
*Albert Bellon 1859 - 1963*
Albert Bellon volgde in 1937 zijn vader op als voorzitter. Volgens de familie denkt zou hij het doel hebben gehad de Broederschap canoniek te laten erkennen. Twee jaar later is dat een feit. Kardinaal E.J. Van Roey bevestigde de Broederschap en erkende ze als canoniek met ingang op 1 januari 1939. De oorlog stond voor de deur. De Duitsers betzetten ons land. Zomaar op bedevaart gaan ging toen niet. Men moest daarvoor een toelating verkrijgen van de Kriegsverwaltungsrat. Hieronder een dokument uit 1941, van de Verwaltungschef uit Antwerpen, die toelating gaf om met een honderttal personen en tien muzikanten op 20 juli 1941 naar Scherpenheuvel te gaan en ervan weer te keren op 21 juli van datzelfde jaar.
---------------------------------------------------------------------------------- Uit het Bellonneke nr 22 Bronnen: Ledenlijsten van de Broederschap van Scherpenheuvel. Jubileumuitgave 1984: 175 jaar Broederschap. peeters K.C., Eigen Aard, Antwerpen, De Vlijt, 1975
Na de oorlog deed de auto meer en meer zijn intrede. De hoeveelheid aan voertuigen kon men evenwel tijdens een korte rit gemakkelijk bijhouden. Ik herinner me nog de autorit met mijn grootvader van Katelijne- Waver naar Boom einde jaren vijftig. Over Vlaamse kinderkopkes bereikten we ons einddoel na amper enkele auto's te hebben tegengekomen. De auto kende toen een hoge kijkwaarde. De mensen bewonderden het voorbijrijdend ding en gaven alle mogelijke commentaren gaande van hels, gevaarlijk, sierlijk tot het wordend symbool van België's welvaart. Paarden en auto's hadden het niet met elkaar. Het paard was eeuwen beroemd omwille van zijn loopprestaties en zijn tekkracht. De motor van een auto overtrof hem tot drie tot vijf maal en meer in kracht.
Het is onder Alberts bestuur dat de aloude bedevaartsweg Boom, Rumst, Duffel, Koninkshooikt, Heist-op-den-Berg, Aarschot, Scherpenheuvel, werd opgegeven. Met pijn in het hart, want conform de stichtingakte hadden de bedevaarders anderhalve eeuw lang halt gehouden aan de kapel van Duffel, waar "naer het lesen van den roosenkrans Ene algemeyne gedagtenisse zal gehouden worden voor de afwesende, als ook voor de afgestorve broeders en zusters van onze Gemeynschap". Voortaan stapte men langs Rumst, Walem, Mechelen -Pasbrug, Bonheiden, Rijmenam, Tremelo, Aarschot. Ook aan de bedevaartdatum werd gesleuteld. Traditioneel vertrok men daags voor Sacramentsdag. Voortaan stond de datum niet meer vast.
In het jaar 1959 vierde de Scherpenheuvelgenootschap haar 150 ste verjaardag. Er waren toen 150 deelnemers. Het weer was kil.
Ter gelegenheid van dit jubileum beloonde kardinaal van Roey voorzitter Albert Bellon door hem met het "Gouden Sint-Romboutskruis" te vereren, een hoge kerkeklijke onderscheiding. Albert bleef voorzitter tot in 1958 of 1959. Hij stierf in 1963.
Niet gedateerde foto, rechts zien we Albert Bellon, uiterst links diens vader Bellon Willem, achter Desideer Bellon en midden Dhr. Mampay, toenmalig volksvertegenwoordiger.
Heel fier was ik toen mama mij kwam halen en ik naar haar toe ging met Jules.Ik zit nog maar net in de peuterklas en Jules mag al komen logeren.Vanavond ga ik ook logeren, bij meter en grootva.Natuurlijk mag Jules samen met mijn broertjes mee.Het zal een vrolijke en gezellige boel worden!We hebben nog leuk gespeeld samen en boterhammetjes gegeten.Moe maar tevreden gingen we samen slapen.
Zaterdag 31 januari 2009
Na lekkere pistoletjes werd er gepuzzeld en gespeeld met de autootjes.Ook hielpen we papa in de tuin.Na het lekkere middagmaal zegden we ‘dag’ aan meter en grootva.Zij vonden het ook een leuke ervaring om Jules eens op bezoek te hebben.
Verder gingen we supporteren voor mijn neefje Joppe die moest basketten.En, doordat Jules en ik hem zo goed aanmoedigden heeft zijn ploeg gewonnen!
Na het eten keek Jules toe hoe ik met mijn broer Sander in het bad speelde.Het was weer een drukke dag geweest dus vonden we het niet erg om op tijd te gaan slapen.
Zondag 1 februari 2009
Joepi, zondag krijg ik altijd chocomelk bij mijn koffiekoekjes!Jules, ik en m’n broer hebben lekker gesmuld.Na het ontbijt ging ik mee met mama Sander afzetten bij de ‘ballenspeeltuin’.Ik wilde graag blijven zodat ik ook een beetje met de bal kon spelen, maar… we waren Jules thuis vergeten.Mama zei dat papa wel even op hem kon letten, dus bleven we en amuseerden ik mij door te voetballen.Thuis speelde ik eerst een beetje met Jules en in de namiddag deden we gezellig samen een dutje.Na het vieruurtje speelden we nog Domino.Ik won wel twee keer!’s Avonds luisterden we nog vol spanning samen naar een verhaaltje van Hopla.
Het was een heel leuk weekend en ik was heel blij dat m’n vriendje Jules erbij was!
De Broederschap onder het bestuur van Willem Bellon
De Broederschap van Scherpenheuvel onder het bestuur van Willem Bellon
Willem Bellon kwam denkelijk in 1897 in het bestuur terecht. In dat jaar ondertekende hij voor het eerst een verslag van de Broederschap. " De rekening van het Broederschap van O.L.Vrouw van Scherpenheuvel voor het jaar 1897 bedraagt de som van 305,90. Blijft in kas op 3 Oktober 1897 de somme van 279,44. Gezien door de leden van het bestuur:
A.J.Janssens J.F. Verlinden W. Bellon F. Bal J.B. De Boeck "
Als bestuurslid had hij het niet altijd onder de markt. Tijdens de eerste wereldoorlog moest hij zich persoonlijk borg stellen bij de Duitse bezetter om de voetbedevaart te kunnen laten doorgaan. Het was trouwens niet de eerste keer dat het voortbestaan van de bedevaart in 't gedrang kwam, want al in 1907 hadden nieuwlichters een bedevaarttrein ingelegd van Boom naar Zichem. In 1917 bombardeerde men Willem tot voorzitter, een post die hij bekleedde tot aan zijn dood in 1937. Twintig jaar lang stapte hij dus aan het hoofd van de voetbedevaart Scherpenheuvel binnen en 's anderendaags Boom. Onder Willems voorzitterschap vierde Boom in 1934 het 125-jarig bestaan der Broederschap. Zelf werd hij toen ook gehuldigd omdat hij zijn 50ste voetbedevaart naar Scherpenheuvel achter de rug had. Toegetreden in 1889 ging hij ofwel reeds naar Scherpenheuvel voor dit jaar, ofwel deinsde hij er niet voor terug deze gezondheidswandeling meerder malen per jaar te ondernemen.
Beroemd waren de bezemwagens die achter de stoet bedevaarders volgden. Sommige leden betaalden in 1901- 1902 1,5 fr om de reis per koets te maken. Later reed nog maar één koets mee, getrokken door twee paarden. Tussen hooi en stro voor de paarden lag op de koets, onder de huif, de bagage van de bedevaarders. Binnenin konden een twingtal bedevaarders zittend of staand een poos uitrusten. Gebrek aan paarden noopten de Broederschap zich van de laatste en oudste omnibus te ontdoen. In het jaar 1972 vond deze koets definitief onderdak in de wagenstal van de enorme Polderschuur in Bokrijk, waar ook de breoemde huifkar staat die Stijn Streuvels ten grave droeg. Deze koets deed ooit dienst als postkoets en kwam terecht in handen van een Mechelse huurhouder. Twee dagen per jaar werd ze ter beschikking gesteld van de Broederschap. Bij de opkomst van de eerste vrachtwagens verkocht de Mechelaar de koets aan de Broederschap voor de som van 900 fr. De diligence had een dubbele dissel of raam en aldus voorbestemd om met "drie paardenkracht" te worden uitgerust, paarden die bovendien naast mekaar 110 km dienden af te werken. Wegens het opkomend verkeer ondervonden de trekpaarden meer en meer hinder en verdwenen uiteindelijk uit het straatbeeld.
Uit het Bellonneke nr 22 Frans Bellon -------------------------------------------------------------------------------------------------
Volksgeloofheeft altijd bestaan. Tot de dag van vandaag gaan nog velen op bedevaart. Voornamelijk naar plaatsen waar de H. Maagd zou zijn verschenen, of waar een miraculeus beeldje voor wonderen zorgde. Al verbood de Kerk de verering van beelden toch bleven de mensen geloven in de wonderlijke kracht ervan.
Zo is de cultus rond het bedevaartsoord Scherpenheuvel ontstaan. Daar stond alouds geleden een ferme eikenboom.De Germanen geloofden in de kracht van eikenschors. Bleek dat die schors helend werkte. Uit die schors werd later een Mariabeeldje gemaakt en in de eikenboom gehangen. Was er toch in het jaar 1514 een herder die zich het beeldje eigen wou maken. De hemelse Maagd greep in en liet die schalkse herder stokstijf staan met het beeld in zijn handen. Geen voet kon hijbewegen. De omwoners kregen hem blijkbaar ook niet meer aan het lopen tot iemand het Mariabeeldje uit de handen van de herder trok en terug in de eikenboom plaatste. De stijfheid bij de verbouwereerde schaapshoeder verslapte zodat hij opnieuw kon lopen. Of de herder zich bekeerde tot een beter leven weten we niet. Het wonder ging evenwel van mond tot mond, van huis tot huis,van mens tot mens totde eerste pelgrim verscheen aan de wonderbaarlijke boom. Wellicht door de godsdienstige onlusten in onze streken verdween het eerste beeldje op mysterieuze wijze. Een Zichemse schepen wist in Diest een soortgelijk exemplaar te bemachtigen. Het werd in een wegkapelletje geplaatst waarna de wonderen niet uitbleven. Grote figuren als Alva, de AartshertogenAlbrecht en Isabella kwamen het oord vereren en de laatst genoemden maakten van de plaats een waar bedevaartsoord. De heilige geschiedenis van Scherpenheuvel was begonnen en duurt tot de dag van vandaag nog voort.
Ook Boom geraakte in de ban van Scherpenheuvel. Wellicht eerst individuele bedevaarders; later, misschien tegen het einde van de 18e eeuw, kleine groepen. Zo ontstond stilaan de behoefte tot het vormen van een broederschap. Op 1 juni 1810 werd te Boom “de bedevaart of Pelgrimagie naar en ter ere van O.L.Vrouw van Scherpenheuvel” gesticht. De nieuwe broederschap maakte snel opgang. Het 600ste lid werd al in 1822 ingeschreven, het 800ste in 1825 en het 1000ste in 1828. In 1855 diende het stichtings- en ledenboek al overgeschreven.
Vandaag mag de vereniging nog prat gaan op haar aantal leden. Ze vierde onlangs haar 2ooste jaar van bestaan*. Deze jubileumviering is niet onopgemerkt voorbijgegaan. De ongeveer 75 moedige bedevaarders werden hartelijk ontvangen door de mensen van Scherpenheuvel alsook door de geestelijkheid van de Basiliek. In Boom ging een heus feest door rond de geschiedenis van deze Broederschap, die in tijden van secularisatie nog veel aandacht trok. Het moet de familie Bellon gunstig stemmen dat haar voorzitters niet zijn vergeten en we nu tevens allemaal weten dat de al oude bezemwagen, de koets der koetsen, een groene kleur had i.p.v bruin of witachtig zoals op verbruinde foto's te zien zijn. We verwijzen hier graag naar de talrijke foto's die de gemeenschap heeft weten te verzamelen rond dit jubileumfeest. Wij bevelen iedereen aan, die dit artikel leest, de website van de broederschap te doorsurfen.
De eerste Bellons die we in de registers van de Broederschap zien verschijnen zijn Mathilde Bellon, de zus van Willem Bellon. Zij trad toe in het jaar 1875, zij was toen 17 jaar. Willem Bellon volgde in het jaar 1889. Hij was toen reeds gehuwd met Maria Melanie Moens die zich tevens in dat jaar aansloot.
In de ledenlijst van 1910 verschijnen ook de namen van hun kinderen, Henri, ( 1887 – 1935), Frans ( 1889 – 1950), Albert ( 1891 -1963) en Desideer ‘( 1899 – 1964), mijn grootvader.
Enkele Bellons zouden een belangrijke rol gaan spelen in de organisatie. Willem Bellon en diens zoon Albert waren voorzitter van de Broederschap respectievelijk 20 en 21 jaar lang.
Hun verdienste willen we dan ook hier nogmaals onderlijnen en voor een stukje beschrijven.
volgend: De Broederschap onder Willems voorzitterschap.
Afbeelding: Wie de tekening heeft gemaakt is niet bekend. Er zijn enthousiaste familieleden die beweren dat Frans Bellon( 1889 - 1950), mijn andere grootvader, het zou hebben gemaakt. Hij was wel een kunstenaar. Ik citeer enkel. Indien iemand anders de vinger zou willen opsteken voor de creatie van deze prent dan zou ik dat graag willen weten. Auteursrechten namelijk. Op de tekening zien we Aartshertog Albrecht van Oostenrijk en Isabella. Albrecht zag heil in de boom gezien hij juist in Nieuwpoort op zijn donder had gekregen van Willem van Oranje, de protestant. Zijn echtgenote zal wel wat anders hebben gedacht. Oorlogen zijn niet te verteren in de hemel. Zij zag meer heil in een geestelijker Scherpenheuvel, los van alle macht. We zien links de kerk van Boom, rechts de Basiliek van Scherpenheuvel. In het midden, voor de boom de witte lelies, wijzend op de zuiverheid, en tevens het Mariabeeld hangend in de aloude eikenboom.
een website die je moet bezoeken.* De boekhouding van Scherpenheuvel telde reeds heel wat Boomse bedevaarders in 1809.
Je zou zeggen: “Een vreselijk verhaal lijkt me dat.” Dat is ook zo. Je moet echter weten dat die gebeurtenis teruggaat tot de eerste wereldoorlog 1914 -1918. Duitsland bezet ons land, de bevolking lijdt honger. Wij mensen weten niet meer wat honger is. Wij leven in een cultuur waar eten geen noodzaak meer is maar een hobby. Wij eten niet meer om te overleven, maarwe leven om te eten. Een hemelsgroot verschil. Een teken van onze welvaart. Honger is echter nog niet verbannen en kan bij ieder van ons terug keren. Hopelijk niet bij u en niet bij mij en mijn gezin.
De Nederlandse schrijfster met de naam Marita de Sterck schreef de roman rond het gekende verhaal van de hondenfretters in Boom. Ze brengt ons in een tijd waar haast geen erwt, geen brood, geen verse melk meer te vinden zijn. Vlees? Geen koebeest loop er nog rond, die behoren de vijand toe. Mensen zoeken naar ratten en muizen, maar die zijn schaars. Die dierenvinden zelf niets meer om op te peuzelen!Paarden moesten de militairen vergezellen naar het front. Daar worden zij net als vele soldaten aan flarden geschoten. Geen kat loopt er nog vrij, een konijn zou goudwaarde hebben gehad, en een kanariepiet zou geen kans meer hebben gekregen zijn vrolijk deuntjede lucht in te fluiten. Restte de hond, de trouwe metgezel van de mens. Die laatste verklaarde hem vogelvrij omwille van zijn vlees. Verkocht werd hij op de markten, geslacht werd hij in Boom om te worden verkocht aan de grote stad Antwerpen.
Het boek van Marita vertelt ons het verhaal van eenepileptische jongen die op dat moment op zoek gaat naar zijn hond Django , een Mechelse Scheper, die twee verschillende ogen heeft. De hond vergezelde hem steeds en kon zijn ziekelijke aanvallen voorspellen. Victor, zo noemt de jongen, is wereldvreemd en overbeschermd door zijn ouders. Hij verlaat stiekem de ouderlijke woning en stapt de wereld in zonder paspoort en beseft niet wat hem allemaal te wachten zal staan. In gedachten neemt hij zijn broer Nest mee die naar het front moest en een ware held voor hem is. Hij verlaat zijn geboortestad Mechelen, waar Victor de eerste hondengruwel op de armenmarkt te verwerken krijgt. Mensen wijzen hem de weg naar Boom waar honden zouden worden geslacht. Misschien is daar wel zijn trouwe metgezel te vinden tussen alle anderen die wachten op de executie. Hij ontmoet op zijn zoektocht verschillende figuren, bizarre, arme luizen, hoeren, verbitterde mensen. Hij hoort over slijkduivels en ziet een wereld die hij niet kent en tot dan toe nooit heeft beleefd. Geschokt en getekend zal hij worden als hij verneemt hoe mensen bedrog plegen met melk en hoe baby’s daaraan sterven. Zijn gedachtenwereld raakt overhoop enkrijgt meermaals aanvallen van epilepsie. Hij geeft niet op. Niemand zal bij het lezen van het boekVictor krediet geven dat hij zijn hond ooit zal terug vinden. Hij blijft er evenwel hardnekkig in geloven. Maar den Duits waakt en controleert.
Marita de Sterk boeit de lezer. Het verhaal speelt zich aflangs voor velen herkenbare of ooit bestaandeplaatsen langs de Dijleen de Rupel zoals het café het Zennegat en die van de Tien Billekens, de tolbrug naar Boom, het gasthuis van Boom, de hondenslachterij, de kerk van Hellegat.
Haar taal is soepel en gaat scherp met de episodes mee. Ze laat Victor naar de Rupel wandelen daar waar de Dijle de Nete kust en de Rupel geboren wordt. Zij geeft ons ruim kennis over de vallende ziekte en beschrijft de dingen zeer visueel. Je rilt als je leest hoe de honden in het slachthuis hingen: “klompen kaal, bloot vlees rond botten compleet ontmanteld, als een houten paard dat na een woeste hobbelpartij zijn nek gebroken had of een lievelingsbeer die bij het ravotten zijn buikvulling was kwijt geraakt.”
Kortom een boek om zo maar niet te laten liggen. Inderdaad een spijkerharde roman over de eerste wereldoorlog gevoerd op een klein stukje grond van Mechelen totBoom en Hellegat. En wanneer het toppunt van het verhaal is bereikt zal de spanning niet afnemen, integendeel. De terugweg naar Mechelen is even boeiend. Victor keert terug als een volwassen kerel, vol levenservaring en zeker van zichzelf.
Over de hondenfretters van Boom kan je eveneens heel wat vinden op de website Ten Boome, hierboven aanklikbaar. De verdienste van Marc Verlinden en de Geschiedkundige studiegroep die Boom door en door kennen waren ook de leveranciers voor de Boomse geschiedkundige gegevens aan Marita de Sterck. Trouwens verschillende lokale historici hebben dekleine geschiedenis via haar schrijftalent groot weten te maken.
Een boek dat goed kadert in het 700 jarig bestaan van Boom. Een boek dat thuis hoort ook op deze site.
De Sterck Maria; De Hondeneters. Em. Querido's Uitgeverij BV 2009. Isbn 9789045107714/NUR 285 Omslagontwerp Nanja Toebak Zie ook/
Sappig taaltje dat Booms. Iemand die in Boom geboren is en er blijft wonen noemen ze nen gestampte Boomenaar. Een plodde is een dronken man, terwijl een blaaskaak ze een rettepetét noemen. Soms kan iemand een vies gelaat trekken. Pas dan op want in Boom is dat iemand die nen toot heeft om leir(leer) op te slagen. Als ge niet vlot kunt spreken ben je in Boom nen broebeleir. Die plodde van daarjuist zal wellicht aan de poat spaven. Het is dan best dat ge roemmedoemrond of eivereksoem gaat. (ondertitteling: Die dronkaard zal wellicht aan de poort braken, het is dan best dat je een ommetje of rechtsomkeer maakt.) Van een zemelzeiker kan je tuureluut worden ma ge moet met zo'n mensen patience hebben. (Je wordt van iemand gek die spijkers op laag water zoekt, je moet evenwel met zo'n mensen geduld uitoefenen.) Nen tettereir(iemand die veel babbelt) is het tegenovergestelde van een ene broebeleir. Toch liever een tettereir dan nen tantefeir( iemand die zich met alles moeit), want zo iemand kun je wel een abbabel (een klap) geven. Op de met (markt) is er altijd wel een duurendans( die veel geld vraagt voor zijn koopwaar) Op die met kopen de gestampte Boomenaars ook hun bijval (charcuterie) zoals heps. Iemand die paddeknots in de Rupel gaat zwemmen kan blaat uitslaan, maar daar moet ge nen bietskoemmer voor zijn of ne floosevent.( Iemand die naakt in de Rupel gaat zwemmen kan blauw uitslaan, maar dan ben je wel een beetje een onnozelaar.)
Ik heb hier dus op den wilden boef (uit het vuistje)wat plat Booms neergeschreven Merci voor elle patience.
Familie is belangrijk. De familie maakt geschiedenis, ja zelfs wereldgeschiedenis. Op hetkerkhof zie je dat een beetje. Grote zerken laten vermoeden dat rijke families, die ooit aanzien hadden, het ook ruim en breed willen hebben eens ze dood zijn. Samen liggen ze te wachten op de wederopstanding. Zo moeten ze elkaar niet gaan zoeken eens dat zover is. Familie hoort bij elkaar. Ondertussen bewaakteen engelbewaarder hun graf.
Als de naam groot gebeiteld staat in de blauwe steen, hoe belangrijker hun leven geweest is in Staat en of Kerk. Ze zijn fier en trots en dat moet tot over de dood heen zo blijven.
Het beeld van een viool, een boek, een wenende vrouw, een kind, een geweer, een helm, vertelt iets van de man of vrouw die onder de zerk begraven ligt. De overgrote meerderheid echter ligt er onbekenden niets betekenend bij. Zij, of hun nabestaanden, hebben gekozen voor een kortstondige concessie. Al die duizenden mensen verdwijnen na enkele jaren definitief van het wereldtoneel. Geen katspreekt meer over hen. En toch hebben zij een geschiedenis gemaakt. “De kleine” geschiedenis”, zo waardevol en warm. Die vanbeminnende ouder, vol overgave voor kinderen en kleinkinderen. De man en of de vrouw die met volle overgave hun ziekte hebben moeten dragen. Mensen die hebben moeten wroeten om wat welstand te vergaren en toch geluk uitstraalden. Mensen die dienstbaar, gastvrij waren. De lach, de dans en de muziek die ze brachten, de moppen die ze vertelden. Zij die ons leerden lezen, schrijven en denken. Zij die mooi konden vertellen, schilderen en schrijven.Maar er is ook “Degeschiedenisvan het drama“. De jongeling die door een verwoest psychologisch leven omvergereden werd. Kindjes die het niet haalden bij de geboorte. Dodelijke kogels en mijnen, verwoestende kankers en harten die plots stilvielen. Kinderen verlaten en of verwekt zonder liefde. Hartverscheurende ruzies, onbegrepen, verstoten, onvervulde liefde, verkeerde liefde en de dood verkozen boven het leven. Sukkelaars die van de koude en de honger omkwamen. Les misérables. Zij zijn ook van deze tijden. Zij schrijven nog altijd hun geschiedenis, maar het wordt niet meer zo gelezen.
Al zijn die mensen er niet meer, je weet dat ze er zijn daar op het kerkhof. Ze willen nog zoveelvertellen en verrechtvaardigen. Het leven van een mens gaat zo vlug voorbij. Wie waren zij weer ? Wat hebben we van hen meegekregen?Vanwaar die kromme neus, die lange flaporen ? Vanwaar mijn talent, die lach, melancholie, die ziekelijke toestand?Waar zijn mijn voorouders nu ?Watmorgen met ons?
Waar brengt de dood ons heen? Zielen, opgegaan in het ijle, totaal ontdaan van hetaardse. Mogelijkis de weg lang om het punt van de schepping te bereiken, daar waar alles begon en misschien ook alles eindigt?
Het leven zal het mysterie van de dood niet verklappen.
Tenslotte kunnen we ons troosten dat doodgaan, vlug of later,het meestrechtvaardige is dat er bestaat: niemand ontsnapt eraan.
Het is in september 2004 en in mei 2005 dat Boom een verbindingsovereenkomst tekende met het Spaanse Ayamonte. De burgervaders van beide gemeenten droomden toen vanprojecten die zouden kunnen uitgewisseld worden om elkaar beter te leren kennen.
Er is voor de toenadering blijkbaar tot vandaag nog het één en het ander blijven steken. Veel verkeer tussen beide gemeenten is er nog niet. Wat nog niet is kan nog komen.Ayamonte vinden we helemaal in het puntje zuiden van Spanje aan de golf van Cadiz. Het ligt vlakbij de Rio Guadiana dat Spanje scheidt van Portugal. Dichter bij de kust liggen nog Vita Real de Santo- Antonio en de Playa de Isla Cristina. Misschien eens een bestemming om er een vakantie door te brengen. In ieder geval een gebied met veel water. De verbroedering heeft reeds wel wat interesse opgewekt. De Ayamontezen en de Boomenaars zijn mekaar al eens gaan opzoeken en heeft de Spaanse commune aan Boom en replica van de heilige maagd van El Rocio geschonken. Er zijn verder plannen dat de Spaanse kameraden zouden meehelpen aan het bouwen van de replica van het historische schip de Belgica. Hopelijk blijft het niet bij dromen.
Mogelijk het moment om wat Spaanse sfeeren kleuren in Boom te integreren.
Zuiders temperament brengt ons in beweging en laat ons genieten van hun smakelijke hapjes. Gezonder kan het niet!
Belgen houden van Spanje. We zijn jaloers op de Spaanse zon. Zij boeiden zich in onze cultuur. Die namen ze ooit mee vanhier. Hun zon is ons ietsje te warm om ze over te smokkelen.
Misschien zullen wenog eens samen wonen nu het wereldklimaat aardig wat doorheen aan het schudden is.
Met Bellon Guiliemus begint onze generatie. In de genealogie wordt hij bestempeld als de stamvader van de tak Boom. Op 7 november 1859 slaat de vroedvrouw hem op de prille bips. Hij groeit op en gaat een tijd tegemoet waarin veel staat te gebeuren. België is nog jong en verslijt tijdens zijn leven haar eerste koningen. Armoede is troef. De industriële revolutie met heel haar dramatiek evolueert traag maar zeker. Wallonië begreep de waarde van de stoommachines. In Vlaanderen heerst evenwel armoede. Daar bleef men aan het weefgetouw vastzitten. Priester Daens zal op de banken van het parlement zijn woede komen uitroepen en de armoede aanklagen. Tegelijkertijd komt het socialisme, dat elders in de wereld wortel schiet, hier opzetten en krijgt de kans te groeien. De liberalen worden de geschiedenis ingestuurd omwille van hun fel bevochten schoolstrijd met de katholieken. Ook de Nederlandse taal wringt zich eindelijk in het onderwijs en zal Leopold II Congo koloniseren. De Nouveau Art is iets voor de kleine groep rijken, de bourgeoisie genoemd. Veel vreugde is er niet voor de gewone mens. Even na de eeuwwisseling moet Albert I met zijn Belgische soldaten de ijzervlakte invluchten om aan de Duitse pinhelmen te kunnen weerstaan. Jan met de pet lijdt nog maar eens aan chronische honger en hebben, vele kinderen ernstige ziekten, zoals tuberculose en rachitis.Luxe, zoals wij die kennen, is er niet voor hen ook niet voor Willem. Hij zal die nooit kennen. Wanneer de economie in de goede richting blijkt te gaan breekt in de jaren dertig een crisis uitmet werkloosheid alom. Je weet wel Wall Street. Willem sterft in de prille lente op 30 maart 1937. Hij was toen in zijn 78ste levensjaar. En toch ondanks de vele perioden van kommer en kwel is er ook vreugde. Springen mensen voor elkaar in de bres. De Leon, een goedaardig man, zal velen in Boom weten te bekoren.
Speciaal citeren we hem onder verschillende voornamen. Officieel noemde hij Guiliemus, maar soms spreekt men overWillem dan eens over Leon. Zelfhandtekende hij al eens onder de naam Leon Bellon.
Onder welke omstandigheden Willem is geboren weten we niet. Gezien het een jongen was zal er wel vreugde geweest zijn in het ouderlijke huis, daar aan de Antwerpsestraat nr 22. Twee meisjes, Anna en Mathilde, waren hem voorafgegaan terwijl Pieter Frans hem enkele jaren later, in 1864, zalkomenvergezellen.
In het jaar 1866 brak er Cholera uit. Hij was toen zeven jaar. Volgens de Belgische kronieken was het de vijfde epidemiesinds de onafhankelijkheid van België en de ziekte had al 30.000 slachtoffers gemaakt. De eerste golf van de nieuwe cholera begon zowat in mei-juni 1865 aan de Zenne. Zoals gewoonlijk werden de arbeiderswijken aan de vervuilde kanalen en binnenwateren het ergst getroffen. In de maand februari, de 21ste van het jaar 1866 komtvader Désiré te overlijden. Ook zijnbroer, Josephus, die te Deurne woont, sterft in datzelfde jaar. Désiré Bellon, had een job als olieslagersgast, terwijl moederals dagloonster werkte. Kwestie de eindjes aan elkaar te kunnen rijgen. In die tijd verdiende een arbeider 1,50 frank per uur. Het jaarinkomen bedroegongeveer 450 fr. Gezien het wegvallen van vader deed men beroep op grootvader Adriaen Bellon, die toen 83 jaar oud was. Hij kwam er inwonen wellicht om op de kinderen te passen. Deze interessante figuur, zoon van Sebastiaen en Philippa van der Linden, zal heel wat verhalen hebben kunnen vertellen aan de kinderen.
De tragiek voor de kinderen hield echter niet op. Tot overmaat van ramp stierf ookmoeder, Johanna Maria in de lente van 1868. Anna, Mathilde, Willem en Albert werden toevertrouwd aan het Sint-Jan Baptist Godsgasthuis waar ze noodgedwongen het strenge en harde leven van een weeshuis moesten ondergaan. Tijdens hun verblijf brachten ze grootvader ziek binnen. Hij stierf daar enkele maanden later.
Even is er een vacuum voor ons. We weten niet waar de kinderen tijdelijk zijn opgevangen na hun ontslag uit het weeshuis. We weten niet bij wie en waar ze dan verbleven. Willem en zijn zussen zien we uiteindelijk terug in Mechelen waar, zoals elders in België politieke beroering heerste. “Elke reglementering van de arbeid is slavernij”zei de liberale minister Frère Orban, en de minimumleeftijd voor kinderarbeid bleef op 10 jaar. Volgens overlevering weten we dat Willem als jongeling terecht kwam bij een beenhouwer in de Katelijnestraat te Mechelen. Daar kon hij de stielleren, het mes hanteren en te weten komen hoe een varken en een koebeest er langs binnen uitzagen. Comfortabel had Willem het daar niet. Na het harde labeur kon hij terecht op de hooizolder, waar hij doodmoe vlug de slaap vond. De vermoeidheid was zo groot dat hij niet eens voelde datratten over hem liepen en al eens kwamen proeven van zijn oorlelletjes. Alsjongen kwam hij heel vlug in contact met andere meningen, ideologieën. Moreel werd hij gedwongen door zijn liberale beenhouwersbaas te gaan protesteren tegen het uitgaan van de Mechelse processie. Daarvoor kreeg hij een fluitje en kon hij voor deze actie twee frank verdienen. Zijn katholieke opvoeding leek sterk genoeg te zijn geweest om neen te durven zeggen tegen zijn baas. Deze kleine confrontatie met de liberalen zal voor Willem niet de laatste zijn. Hij huwt te Mechelenop 2 december 1886met een braaf meiske, Maria Melanie Moens een Boomse die hij leert kennen te Mechelen waar ze dienstmeid was. Ze wasde dochter van Johannes Fredericus,landbouwer te Boom en van Petronella De Keersmaecker, die reeds in 1866 enkele uren na de geboorte van haar derde kind overleed. Hij die vlees kon versnijden, zij die het poetsen in de handen had, een ideaal koppel om in de vleeshandel wat te gaan presteren. Ze wilden in 1892 een varkensslachterij beginnen in de Vrijheidsstraat nr 6 te Boom.Ze kregen het deksel op de neus van de bestendige deputatie van de Provincie Antwerpen omdat zulke inrichting voor de openbare gezondheid een bestendig gevaar zou betekenen. Wellicht durfde men geen toelating geven gezien er dat jaar één van de ergste cholera epidemieën woedde in en rond de provincie Antwerpen.Willem moest in beroep gaan tegen deze beslissing en kreeg op 24 april 1893 van de minister toestemming om zijn varkensslachterij op te richten mits enkele aanpassingen zouden gebeuren op vlak van hygiëne.
De koteletten, de varkenspoten, de alom gekende goede witte en zwarte pensen, de kip kap, de eps die drie dagen in het zout lag, nadien te drogen werd gehangen en vervolgens uitgebeend en toegenaaid, vlogen de winkel uit. De zaak floreerde. Den Bellon werd den Ballon. Hij werd bekend in het Boomse.
Hij was fier op zijn haardos. Hij kamde zijn krullen tot vier maal daags. Trots bezorgde hijhet vlees aan huis. In het gekende plunje van toen, met een hoofddeksel op, een sjaaltje rond de hals, witte schort en op klompen met de rieten mand om de arm ging hij van klant tot klant. Het meest opvallende was de snor, iets dat bijde toenmalige beenhouwer paste. Hij had ook een kraam op de markt. In de winkel kon het enorm druk zijn vooral de zondagen. Hij kende dan ook jan en alleman. Mie van achter den hoek, Sus met de lammen arm, verschillende notarissen en andere notabelen alsook mijnheer pastoor en zijn onderpastoors en zovele huisvrouwen. Rijke “dammekes” kwamen al eens hun echtelijke probleemjes vertellen. Hij stond hun graag met raad en daad bij. Willem kende de mensen en had voor hen een luisterend oor over. Hij was tevens, zoals velen van zijn tijdgenoten, een diepgelovig man. Elke jaar ging hij samen met zijn echtgenote op bedevaart naar Scherpenheuvel, een beeweg ingericht door de in die tijd vermaarde De Broederschap van Scherpenheuvel. Deze broederschap had een enorm succes. Het was steeds feest als de bedevaart uittrok en als ze terug thuiskwam. Heel Boom stond op de straat en van in de hele omtrek kwamen er mensen naartoe om naar die processie te kijken en de tocht mee te doen. In 1897 fungeerde hij reeds als bestuurslid van de broederschap en werd zelfs voorzitter in 1917 en bleef dat tot zijn dood.
Door al die belangstelling van en voor mensen werd hij ook politiek opgemerkt. De strijd met de liberalen mondde steeds uit in een spannende kiesstrijd. Ook toen zocht men naar sympathieke en sociale mensen die door het volk waren gekend. Alzo vroeg grote rivaal, de Katholieke partij van Boom, aan Willem of hij niet geïnteresseerd was om mee te doen in de gemeentepolitiek en mee te ijveren om de liberalen een hak te zetten.Het plaatselijk partijbestuur was er zeker van dat den Ballon stemmenwinst zou halen. Willem stemde toe en kwam zodoendeop de kieslijst voor de gemeentelijke verkiezingen van het jaar 1907. Bellon deed het verre van slecht. Hij behaalde 1.752 stemmen. Alleen architect Haesaerts en Vermant deden beter! Niemand van de liberalen haalden meer stemmen dan Willem.Genoeg bewijs om aan te tonen hoe hoog hij op de populariteitsmeter stond. Verkozen voor en periode van acht jaar zou hij mee de gemeentebelangen dienen. Boom telde in 1907, 16.857 inwoners. Het is echter de Eerste Wereldoorlog die voor een onderbreking in gemeentepolitiek zorgde. Bij de verkiezingen van 1921 kwam Willem niet meer op. Die Eerste wereldoorlog bracht bittere hongersnood voor de Boomenaars. Geen koe, geen paard, geen gans, geen eend, geen kat, geen hond...liep er nog rond. Nog altijd vertelt men in en om het Boomse het verhaal over de "hondenfretters".
Achter deze man stond een liefhebbende vrouw. Ze stond in de schaduw zoals vele vrouwen van toen. Maria Moens kende men als een oprechte vrouw die niemand kwaad zou doen. Ze was oneindig gedienstig. Zelf lepelde ze kinderen regelmatig in steeds met elkaar eensgezind, ootmoedig te zijn en bezorgd om wel te doen niet alleen voor God, maar ook voor de mensen. Ze zorgde met veel liefde voor haar man. Hij moest er steeds keurig uitzien zeker als er gemeenteraad op de agenda stond. Ook in de beenhouwerij gold de strenge regel van properheid. Alle dagen poetsten. Een varken slachten bracht heel wat vuiligheid met zich mee. De plaats waar het varken geslacht werd diende zorgvuldig gereinigd. Geen restje van het geslachte dier mocht nog rondslingeren op de grond of in het afvoerputje achterblijven. Alle potten en kannen, materiaal, de houtblok, de vloer, diende grondig proper en geschrobd te worden.
Komt daarbij de zorg voor de kinderen. Het gezin kreeg 4 kinderen, Hendrik Jozef Corneel, Frans Jan Willem, Albert Frans Mathilda en Desideer Pieter Robrecht. Drie van hen gingen in het onderwijs terwijl Albert zijn vader in de beenhouwerij zou opvolgen.
Maria Melanie Moens stierfop 18 november 1925 te Boom, ze was 63 geworden. Willem overleefde haar 15 jaar.
Rond deze figuur is nog heel wat te schrijven, als gemeenteraadslid en als voorzitter van de Broederschap. Door over hem te vertellen zullen we we tevens een glimp van het toenmalige Boom ontdekken.
Samenstelling uit de verschillende krantjes 'Het Bellonneke"
In azuur, een keper van goud, vergezeld in beide schildhoeken van een zilveren ster en in de schildvoet van een breedarmig kruisje van zilver, overtopt met een zilveren wassenaar.
Aangepast en in kleur gezet
Op basis schets J.B. Rietstap, Armorial Général, Tome I, Gouda, G.B. van Goor Zonen, 1884, blz158.
Werd geboren in Valenza ( Alessandria) in 1573 uit Luigi en Angela Rosa. Afstammeling van de oude en de adellijke familie van de graven Montu- Beccaria afkomstig van Pavia, die reeds vooraanstaande rechtsgeleerden en magistraten onder haar leden telde. Studeerde bij Francesco Cicerio, Flavio Torti en Giambattista Costa, en ontving zo een degelijke, zowel juridische als literaire opleiding.
Nadat hij in 1597 hoogleraar was geworden aan de universiteit van Pavia, bekleedde hij eerst de “lectura institutionum” en ging daarna in 1600 over naar de “lectura iuris canonici(1). In diezelfde periode, nog steeds te Pavia, maakte hij deel uit van de Academia degli Intenti”, onder de naam Inquieto, en was hij raadsman bij de rechtbank van het Heilig Officie ( de Inquisitie). Naderhand verliet hij in 1619 die stad en het onderwijs om zich met zijn echtgenote Aurelia Viscardi en zijn kinderen te vestigen in Milaan, waar hij tot senator benoemd was.
Nadat hij in 1621 ook voorzitter van de Milanese Senaat was geweest, werd hij praetor en nadien stadhouder van Cremona, van 1622 tot 1624;Belloni stierf in Milaan op 20 april 1625 en werd begraven in de San- Fedelelerk.
Onze digitale foto's vullen onze computers. We schieten er op los. Eéntje meer of minder het doet er niet toe. We zijn al in staat om met enkele drukken op de toetsen foto's te verbeteren, foutjes weg te werken, rode ogen om te toveren tot staal blauwe. Alleen weten we niet hoelang al die foto's geconserveerd zullen blijven. In de pionierstijd van de fotografie werden foto's zorgvuldig opgeborgen in een verkleurd familiealbum met koperen slot, of nonchalant weggemoffeld in een blikken koekjesdoos. Deze sepia - of chamoiskleurige kleinodiën weerstonden wonderwel aan de tand des tijds. De gewoonte zich te laten fotograferen vond algemeen ingang omstreeks 1880. Ruim een halve eeuw na het ontstaan van de eerste bekende foto door Nièpce* waren groot- of overgrootouders niet meer in te tomen. De fotoateliers rezen als paddestoelen uit de grond. Bekende studio's waren bijvoorbeeld in Antwerpen J.Beff (Klapdorp), Edward (Brederodestraat), Atelier Henry ( Sint Jacobs markt) en Prévot ( Offerandestraat). Het was een hele bedoening wou je een foto van jezelf of groep laten opnemen. Die ateliers konden decors opbouwen. Ze sleurden met witgekalkte of rieten stoelen, met piëdestals en plaasteren bloemschalen. Eens het decor in orde moesten de opgetutte dames en heren of kinderen de scène op en kon de regie beginnen. Of mevrouw haar waaier iets lager kon houden? En mijnheer zou u je rechterbeen iets voor de linker willen plaatsen? Dan hield ieder de adem in, niets mocht meer bewegen. De fotograaf kroop onder een zwarte doek waar zijn zware camera stond en zou vervolgens het vogeltje laten verschijnen.Dat beestje had het soms moeilijk om uit de lens te geraken. Dit sfeerbeeld om regelmatig enkele oude foto's te laten tonen. * verdere info over uit www fotografie.nl
August Bellon ( 1860 - 1945 ), zoon van Stephaan Bellon
Op de foto zittend -, tweede van rechts zien we August Bellon. De niet -gedateerde foto werd volgens ons omstreeks de eeuwwisseling genomen. Iets voor 1900? Het origineel (14,5 cm bij 19,5 cm) was op grijs karton gelijmd, dat bedrukt was met een kader, met bloemmotief in de hoeken. De achtergrond met bakstenen, de vloer, wijzen alleszins niet op een studioopname. August Bellon was onderwijzer, later schoolbestuurder. Werd de foto genomen tijdens een gewone onderwijzersreünie? Of ter gelegenheid van een conferentie? De waardigheid die de geportretteerden uitstralen, de zelfzekerheid waarmee ze naar de zware camera kijken, wijzen in die richting. Is het gezette heerschap in 't midden de schoolbestuurder? Of werd deze foto genomen na een jaarlijkse souper van één of andere vereniging? Een litterair groepje? Stephaan Bellon, vader van August, schreef immers gedichten. En dan krijgen boek en inktstel een betekenis. Of betreft het hier een politieke vergadering? We weten ondertussen dat August later gemeenteraadslid te Mortsel zou worden. In elk geval is het een mooie compositie, een pronkstuk waarop de fotograaf prat mocht gaan.
Tamelijk jong huwde August met Hortensia Theresia Josephina BREES ( 1860-1894), die hem volgende kinderen schonk: 1. Henricus Stephanus: geboren te Antwerpen op 3.11.1882 en er het jaar daarop overleed. 2. Stehania Joanna: geboren te Antwerpen op 25.7.1884 en in haar geboortestad overleden op 4.8.1906, Gustaaf gaston Van Snick, waarvan afstammelingen. 3. Augustina Hubertina: geboren te Antwerpen op 3.11.1892 en gestorven te Wilrijk op 24.4.1968. Onderwijzeres. Een eerste huwelijk in 1915 met leo martinus Mermans. Na diens overlijden hertrouwd . Afstammelingen uit het eerste huwelijk gekend.
Na de dood van Hortensia Brees, trad August bellon in 1896 opnieuw in het huwelijk, nl met Joanna- Charlotta Van Snick ( Foto ons terbeschikking gesteld door W. Van Snick- tekst uit het Bellonneke nr 19 Frans Bellon)
Het klinkt pretentieus. Een van de grootste omwentelingen in de Europese geschiedenis. Hij, M Bellon en M. Thuriot de la Roziére waren de vonk, de druppel die een lange bloedige periode zouden inluiden om te komen tot een heel andere maatschappijvisie. In verschillende geschriften worden hun namen geciteerd. Hun namen zijn verbonden met de Bastille, stevige burcht aan de oostelijke ingang van Parijs. Die Bastille werd afgebroken en haar stenen liggen over geheel Frankrijk, in elk departement, verspreid. Dat verklaarde Monsieur de Montgolfier du musée Carnavalet, geschiedkundig museum van Parijs, in een radiouitzending. Eén steen van dit historische monument is nog te bekijken in dit museum. Eén zonderlinge steen, zoals de namen van Thuriot de la Roziére en M Bellon. Meer weten we over hen niet te vertellen. Ziehier het artikel dat in het Bellonneke nr.10 in het jaar 1979 verscheen en we integraal via dit net publiceren.
De 14de juli 1789 wordt door alle Fransen gezien als het einde van het koninklijke despotisme, en als dusdanig ook gevierd. Geen enkele datum heeft gewichtiger gevolgen gehad voor Frankrijks geschiedenis. De bastille, in 1370 door koning karel V gebouwd als verdediging van de oostelijke ingang van parijs, werd later staatsgevangenis toen het strategisch belang ervan was weggevallen. Er waren echter in 1789 slechts 7 gevangenen, die door 4 bewakers, 7 stafleden en 120 militairen werden bewaakt. Het volk haatte de bastille omdat het volgens de wet mogelijk was iedereen gevangen te zetten die het ongenoegen van de koning hadden opgewekt. Dat gebeurde echter zelden of nooit en de enkele gevangenen die er zaten genoten er een prima verzorging ( er waren 5 gangen bij het diner en 3 bij het souper en dessert). Al de verhalen over folteringen waren pure fantasie. Nietemin bleef de bastille het symbool van het koninklijk despotisme.
Toen het ongenoegen zo groot was en het volk de 13de juli 1789 woedend op de straat betyoogde, liet gouverneur Launay buskruit en straatstenen op de muren van de Bastille klaarzetten. Nog versterkt met 32 man van de Zwitserse garde waren ze voldoende bewapend om de parijzenaars het hoofd te bieden.
Om dat te voorkomen besloot het permanente Comité van parijze kiezers een delegatie naar de Bastille te zenden. De afgezanten, aangevoerd door Bellon, een infanterieofficier, kregen van Launy de belofte dat er niet op de menigte zou geschoten worden. Om zijn goede wil te tonen nodigde de gouverneur de delegatie uit voor de lunch. Toen bellon niet meer te voorschijn kwam dacht het volk dat hij gevangen was genomen. DAT FEIT WAS DE OORZAAK VAN HET BEGIN VAN DE FRANSE REVOLUTIE! 7 of 8 man kropen over de buitenmuren en lieten de ophaalbrug omlaag en 300 man stroomden binnen. De Bastille werd veroverd omdat Launay zich overgaf zonder zijn woord te breken ( hij had zonder moeiete de aanvallers kunnen wegjagen).
Launay werd door het van woede verblinde gepeupel onmiddellijk gelynchd.
Wat ook de grondoorzaken waren van de val van de bastille, de overwinning was voor alles een overwinning op Lodewijk XVI. Een jaar voordat hij, op 21 januari 1793 naar de guillotine werd gebracht, schreef Lodewijk XVI : " Ik heb het juiste ogenblik laten voorbijgaan. Op de avond van de 14de juli had ik Frankrijk moeten verlaten." In 1880 werd deze datum tot nationale feestdag uitgeroepen.
-------------- samenvatting uit de De dag waarop de Bastille viel" door Jean- Marie Jarrou, in julinummer van "Het Beste uit Reader's Digest" links:1=wikipedia;2.= dwardmac.pitzer.edu/Anarchist_Archives/kropotkin/frenchrev/xii.html 3=www paris.fr
Het zou beter zijn hem met een "meulensteen om de hals in het diepste van de gracht te werpen...
Het gezin van Stephaan Bellon bewoonde geruime tijd het huis genaamd « De Speek », gelegen Steenweg naar Wiekevorst ( thans Dorpstraat), tussen de kerk en de Fonteinbrug over de Grote Nete. Deze woning komt voort op een prentkaart van omstreeks de eeuwwisseling. Boven de deur hing een bord met volgend opschrift: “ In de Speek – Herberg – Winkel”. Het huis was witgekalkt met onder aan een zwarte band.
( zie foto)
Stehaan Bellon, ook Etienne genoemd, moet een onderwijzer met charisma geweest zijn. Verschillende schriften bewijzen dat.
In het archief van de Heistse heemkring bestaat een document[1], een verslagboek over de jaren 1870 -1876 van de vergaderingen van de “Broederlijke Vereeniging der Onderwijzers van het kanton Heist- op - den – Berg. “ Deze vereniging luisterde naar de naam “Voorwaarts”.We lezen hierin dat Stephaan Bellonzich op 12 maart 1870 verenigde met twaalf andere onderwijzers. Dat gebeurdein het lokaal van de gemeentelijke jongensschool van Heist - op - den- Berg. Aldaar stichtten zij een onderwijzerskring en legden zij meteen een reglement vast. Verkozen tot voorzitter beveelt Stephaan “de leden aan ware broeders voor malkander te zijn, het zich tot plicht en eer rekende nooit misbruik te maken van de woorden, door één of ander lid, in des krings, zittingen uitgesproken.” Het doel van deze vereniging was: “ mee te werken aan de verbetering van het volksonderwijs en den toestand der onderwijzers; de werkzaamheden der drijmaandelijkse conferenciën te bespreken en punten van letterkundigen aard te behandelen. “Elk jaar moet Stephaan vier vergaderingen hebben voorgezeten en “in bijzondere omstandigheden” kon hij evenwel een buitengewone zitting samenroepen”. Tijdens die vergaderingen ontstonden soms “geanimeerde discussies over het al of niet invoeren van lichamelijke opvoeding, het nut van het Frans in de lagere school, het gebruik van bepaalde leermiddelen, de geschiktheid van sommige leerboeken. “Stephaan Bellon drong bij de leden aan om een algemeen stilzwijgen te behouden omtrent het besprokene omdat de overheid niet te weten zou komen wat er in de vergadering zoal aan de orde kwam. De vereniging kwam zover dat zij in het jaar 1875 kon beloven dat een zekere som zou uitbetaald worden aan de onderwijzer voor het reinigen, onderhouden en witten van de scholen.
Kwam toen de maatregel van de liberale regering Frère-Orban die een eerste pijnlijke schoolstrijd inzette.
Niet dat Stephaan het moeilijk had met die wet, wel met het feit dat het Belgisch episcopaat zich verzette tegen de wet, tot daar aan toe, maar vervolgens het gemeentelijk onderwijs als goddeloos gingbestempelen. Dat laatste maakte hem furieus. Hij die kwaliteit nastreefde en een hart had voor het volksonderwijs.
Hij zag tegenover zijn school een katholieke school uit de grond rijzen. Hij moest met bitterheid vaststellen hoe de meeste kinderen naar het vrije onderwijs overstapten. De banvloeken van de kerk hadden geholpen. Hijzelf behoorde nu tot het kamp van de geuzen, de onverbiddelijke zondaars die als ze hun leven niet zouden beteren in ongewijde grond zouden begraven worden. De hel stond hen te wachten! De Kempische volksschrijver Lodewijk Smits[2] schreef over deze schoolstrijd een novelle met als tittel
“ Nonnenkens op ons dorp”. Eén der hoofdfiguren uit dit verhaal is de “meester”. Uit betrouwbare bron[3]zou deze figuur Stephaan Bellon geweest zijn.
In deze novelle wordt verteld hoe de meester verscheidene malen op de pastorij werd geroepen en nadienal snikkend naar huis keerde en sedertdien “met de kop in den grond liep”. “ Die man had zijn geloof afgezworen, was een goddeloze. Maar hij zat daar in de kerk, op zijn gewone plaats, daar achter de banken, vanwaar hijde schooljeugd bewaakte. Hij durfde geen oog opslaan. De pastoor, ooit zijn goede vriend, bestempelde hem nu als een wolf in een schapenvacht. Het zou beter zijn hemmet een “meulensteen”om de hals in het diepste van gracht te werpen, zo verhaalt de novelle.
Het werd nog erger. Wanneer de katholieke partij in het jaar 1884 de verkiezingen met een volstrekte meerderheid veranderde zij de schoolwet van 1879 en revancheerde zich op de onwillige onderwijzers van het gemeentelijk onderwijs. Op 15 oktober 1884 steldede gemeenteraad van Itegem Stephaan Bellon in beschikbaarheid voor afschaffing van bediening. Met andere woorden, Stephaan mocht geen actieve meester meer zijn. De Gouverneur van de provincie bekrachtigde dit voorstel.
Gezien zijn leeftijd van 55 jaar, gezien zijn dertig jaar dienst, gezien zijn ouderdom de gezondheid aantastte en hij bijgevolg zijn ambt niet meer naar behoren zou kunnen uitoefenen werd Stephaan op gedwongen pensioen gesteld. Dat staat te lezen in de notulen van de gemeenteraad van 6 juli 1885.[4]
De politiek liet een gebroken man achter. Een idealist, een man eerlijk met zichzelf, met een enorme wilskracht, met inzicht en nobele ideeën. Hij verdiende beter.
Hijzelf scheef een gedicht in 12 verzen met als titel: ” ’T Heilig Kabinet”. Zijn aanklacht tegen de katholieke kerk was scherp. Zijn geschreven woorden klinkenbitter.
‘ Ons landje wordt bestuurd door klerikale krot!
Zij zuigen’t volkje uit en- lachen met hun lot;
Zij drukken ons ter neêr, zij houden ons op band,
Geboeid als eene slaaf is ’t arm vaderland. (vers2)
In de archieven van de abdij van Tongerloo heeft men een gedicht gevonden van een zekere Ernest van Meensel die “naar Ledeganck” een gedicht schreef, getitteld “ AAN ITEGEM”.
Het tiende vers verhaalt over het onderwijs in 1851; de nieuwe onderwijzer was Stephaan Bellon:
En ’t onderwijs,
Die geestesspijs,
Met d’ouden sluier nog omgeven, liet ja veel te wensen,
Tot eindelijk de man verscheen,
Die d’ ouden slenter ras verdween
Zijn leer gegrond op zielekund’ des mensen
En zijnd’ daarbij een man van echt talent,
Zo werd zijn school weldra, als een der puikst’ gekend.
Vanaf de negentiende eeuw komen we regelmatig Bellons tegen in het onderwijs.Eén van de eerste is Stephaan Bellon.Zijnlerarenloopbaan zou eerder een kwelling worden dan een zegen.
Hoe een politieke beslissing verstrekkende gevolgen kan hebben op mensen zoals u en ik.Hoe een ideologieverdeeldheid kan zaaien en de samenbundeling van goede ideeën, idealen en krachten tot heil van de mensen voor lang kan immobiliseren.’
In het jaar 1878 vormde Frère- Orban een liberale regering.Op 1 juli 1879 werd de nieuwe wet op het lager onderwijs van kracht.De wet bepaalde dat het godsdienstonderwijsvoortaan moet wordenovergelaten aan de zorgen van de gezinnenen van de bedienaars van de verschillende erediensten.Dus niet meer in de scholen.De bisschoppen reageerden furieustegen deze schoolpolitiek.Toen de wet gestemd was verbood zij de katholieken hun kinderen naar deze scholen zonder God te zenden en er les te gaan geven.Bij inbreuk zouden zij de sacramenten worden geweigerd![1]
‘In het dorpje Itegem was er ruzie binnen de fanfare omwille van de schoolstrijd, schrijft Cas Goossens.De schoolwet rukte, zoals elders, de mensen uiteen.Wie zijn kinderen naar de officiële school zond, was een Geus, naar de katholieke school gingen de kinderen van de Sussen.Hij stelde zich de vraag ofhet dispuut alleen over de schone ziel van het kind ging of er een machtsstrijd werd uitgevochten onder de notabelen van het dorp? Het ging zover dat helefamilies zich gingen scharen achter de dorpsfiguren.Er ontstonden clans van Geuzen en Sussenen dat bleef zo tot ver in de 20ste eeuw schrijft de gewezen directeur.InItegem kwam je dus op de wereld, als een Sus of een Geus, zelfs wanneer een katholieke regering nog binnen de 19e eeuw de wet van 1879 teniet had gedaan’[2]
‘ In de ‘Geschiedenis van Itegem’ lezen we dat het dorp toen ongeveer 2000 zielentelde[3] en gehoor gafaan de bisschoppen.De twee gemeentescholen telden een klein aantal leerlingen terwijl de meeste kinderende katholieke scholen bijwoonden.Een nieuwejongensschool werd gebouwd recht tegenover de gemeenteschool op vraag van het schoolcomité.Een gediplomeerde onderwijzer werdaangesteld[4].
In Zele werd op 10 december 1829 Stephaan Bellon geboren.Hij was het eerste kinduit het gezin Adriaen Sebastiaen- en Franciska De Waele.Vader was uurwerkmaker, moeder een herbergierster, later naaister.
Omstreeks 1840 vertrok Stephaan Bellon met het ouderlijk gezin van Zele naar Sint – Pauwels.Tijdens de zomer van 1851 verhuisden zij opnieuw, ditmaal naar Itegem waar Stephaan in de gemeenteschool hulponderwijzer of”ondermeester” was geworden.
Hij behaalde in 1850 het onderwijsdiploma aan de rijksnormaalschool van Lier.
Gewapend met deze kennis begon Stephaan de Itegemse jeugd op te voeden, onder het waakzaam oog van de benoemde onderwijzer, P.J Stuyk.‘De school stond op de grond van het armenbestuur, westwaarts van de hof der pastorij.In 1858 werd hij officieel als opvolger van Stuyck aangesteld.Tot in 1871 bestond er enkel een gemengde school, bijgewoond doormeisjes en jongens.
Interessant om weten is welke onderricht o.a.Stephaan had gekregen.
Het kreeg opleiding in de vakken godsdienst en zedenleer, de gewijde en de kerkelijke geschiedenis.Het lezen.Het schrijven en het boekhouden.De ‘Vlaamsche’ spraakleer.Aardrijkskunde en in het bijzonder de aardrijkskunde des lands.De geschiedenis en deze van het land.De volledige rekenkunde met toepassing op de handel,het wettelijk stelsel van maten en gewichten.De begrippen van natuurlijke wetenschappen toepasselijk op het noodzakelijk levensgebruik.De praktijk van de boomteelt en de hofbouw; enten en snoeien van bomen.De theorie inzake opvoeding.De opvoeding en de methodeleer.Gezondheidsleer voor kinderen en voor scholen.De grondbeginselen vanpraktische bestuurskunde.Verklaring der grondwet, de wetten, besluiten en algemene verordeningen, die betrekking hebben op het lager onderwijs.Het houden der registers van den burgerlijke stand.Het opstellen van verslagen.Formuleren van akten.Wetgeving aangaande de kerkfabrieken.Muziek en gewone kerkzang.Het tekenen en in het bijzonder lijntekenen[5].
Het moet dan toch waar zijn dat de meester van het dorp een wijs man was.
Stephaan Bellon huwde Pauline Van Den Bosch, een Itegemse, dochter van Jan Frans en van Maria Anna Marien die in 1844 overleed.Het huwelijk greep plaats in Itegem op 8 augustus 1855.Paulina stierf jong op 4 februari 1862 enkele weken na de geboorte van hun vierde kind eenzoon Ludovicus genaamd die zelf een paar maanden later overleed.Pauline was eerst vrouwenkorsetmaakster geweest, dan mutsenmaakster.
Suzanne Martin brengt op haar site “La Famille Bellon” het relaas van
Provençaalse Bellons die in Artigues (Var) gedurende zeven generaties als genezers bekend stonden. Dit ingevolge een profetie aan hun voorvader gedaan door een eremiet, later gekend als Saint-Benoît Joseph Labre.
(..)
Het jaar onzes Heren 1774. Op terugweg van een bedevaart naar Sint-Jacob in Compostela besloot de kluizenaar te overnachten in het Provençaalse dorp Artigues. Artigues dat nu ca 115 inwoners telt, ligt ongeveer 80 km ten noorden van Toulon en 5 km ten oosten van Rians. Het dorp rust aan de voet van een heuvel waarin een prehistorische grot werd ontdekt die al in 60.000 v.Chr. zou zijn bewoond. Benoît werd in Artigues zeer eenvoudig maar hartelijk ontvangen in de landelijke woning van een familie Bellon in het gehucht genaamd Hameau des Bellons. Geroerd door de gastvrijheid wilde de bedelaar-eremiet zijn erkentelijkheid betuigen en richtte zich als volgt tot een zekere Maistre Bellon : “In de naam van God zullen jij en je afstammelingen de gave verkrijgen om het lot van ongelukkigen te verzachten”. Verder wil de traditie dat dit vermogen om te genezen zou stoppen in de 7de generatie. Wie was nu die mysterieuze Benoît Joseph Labre ? Hij werd geboren als oudste van een kinderrijk gezin in 1748 te Amettes in het bisdom Atrecht. Vanaf zijn 12de werd hij opgevoed door een nonkel-pastoor die hem zou voorbereiden op het seminarie. Maar het priesterschap trok de jongeling niet aan. Wel probeerde hij toe te treden tot een kloosterorde. Geweigerd bij de Trappisten deed hij nog een poging bij de Kartuizers die hem een gebrek aan roeping verweten. Later gelooft hij dat God hem geroepen heeft tot een leven als pelgrim-bedelaar. Kortom hij zocht als vagebond Gods een weg naar de heiligheid. Gekleed in lompen, een rozenkrans in de hand en een andere om de hals, een kruis op de borst, de bedelnap in de andere hand … zo trok hij van bedevaartplaats naar bedevaartplaats. Wat hij kreeg deelde hij met de armen. Hij waste zich niet meer uit versterving. Hij stierf te Rome in 1783 ten huize van een beenhouwer die hem uitgeput had gevonden op de trappen van de kerk Santa Maria dei Monti. Heilig verklaard in 1881 is hij bij ons gekend als de Heilige Benedictus Jozef Labre, patroonheilige van vrijgezellen, bedelaars, pelgrims, daklozen en zwervers.
Rijst de vraag welke Bellon in 1774 de toekomstige heilige zo goed ontvangen heeft. Suzanne Martin, verwant aan de familie Bellon, veronderstelt dat de gave van genezing geschonken werd aan Sébastien Bellon (geb. Artigues 20.01.1718 en er overl. 24.10.1788) omdat er dan inderdaad zoals de traditie wil 7 generaties genezers waren tot in 1959, jaar van overlijden van de laatste genezer Etienne Louis Paul Bellon. Uiteraard konden wij geen familieverband vinden met onze stam. Verwantschap is echter niet uitgesloten. Want zowel Rians als Artigues liggen langs wegen die door herders van de Vallei van Fours jaarlijks werden gebruikt om met hun schapen naar de vlakte van de Crau te trekken. Dit gebeuren, transhumance genoemd, gaf regelmatig aanleiding tot trouwpartijen tussen gavots, inwoners van de Alpen, en bewoners van de Lage Provence.
(..)
Etienne Louis Paul BELLON, geb. Aix-en-Provence 29.10.1912 en er overl. 12.03.1959. Huwde in zijn geboortestad op 23.04.1938 Jeanne Charlotte Amélie DEFORET, geb. 17.03.1912 als dr van Paul en Aline Roubaud. Na succesvolle studies aan de faculteiten geneeskunde van Marseille en Parijs promoveerde Etienne tot dokter in de geneeskunde, gespecialiseerd in orthopedie en osteopathie. Hij woonde in Aix-en-Provence 24 boulevard de la République. Tot omstreeks 1950 had hij als 2de verblijfplaats la Bérarde in Rians, daarna Eguilles dichtbij Aix. Bekend médecin-rebouteux in de Provence. Met zijn dood nam Dr Etienne Bellon de uitzonderlijke gave mee in het graf, door Benoît Joseph Labre aan de familie verleend tot en met de 7de generatie. Ter gelegenheid van zijn afsterven verscheen volgend artikel in Ici Paris Hebdo : “ De laatste maandagen en vrijdagen was het op nummer 24 van de boulevard de la République maar stilletjes. De reden hiervoor kan men lezen op een papier bevestigd aan de voordeur : “Dr Bellon is overleden”. Hier woonde één der meest vermaarde geneesheren van de Midi. Weliswaar bezat hij een diploma afgeleverd door de faculteit geneeskunde van Parijs waar hij tot zijn 25ste zeer serieuze studies had gedaan. Maar wat Etienne Bellon daarnaast bezat was de gave van rebouteux 1. Voetballers en rugbyspelers, atleten en acrobaten zochten hem op als zij gekwetst of verongelukt waren. Zijn methode was empirisch maar handig. Zijn mysterieuze kwaliteiten vulde hij aan met zijn wetenschappelijke kennis, die hem voor fouten behoedde waaraan de eenvoudige beenzetter is blootgesteld. Hij was zo bekend dat hij de hele maandag moest wijden aan de gekwetste sportlui van ’s zondags. Vrijdag was de dag van de op donderdag verongelukte scholieren. De rij verongelukten strekte zich soms uit tot aan de boulevard. Nochtans was de geneesheer zeer vaardig. Vijf minuten volstonden om een ontwrichte ledemaat of een verstuikt gewricht op de juiste plaats te zetten. Het aantal verstuikingen, verzwikkingen, ontwrichte knieschijven, spitaanvallen, stijve nekken, gescheurde of gekneusde spieren dat hij met succes heeft behandeld is niet te tellen. (…) En nu nauwelijks 46 jaar wordt deze sterke energieke practicus, die nooit ziek is geweest, getroffen door een dodelijke hersenbloeding. De dag voordien verbleef Etienne Bellon nog in zijn buitenverblijf om er fruitbomen te planten. Hij hield van het buitenleven. En van de natuur op dezelfde manier als zijn voorouders, van wie hij de gave van beenzetter had geërfd. Met zijn plotse, onverwachte dood voltrok zich de merkwaardige profetie van Saint-Benoît Labre, waarvan de cultus, de persoonlijkheid en de legende vermaard zijn in de Provence ”.
Gene Bervoets is een Bask! Hij zou ook wat hebben van de Sioux, iets wat moederskant hem ongewild doorgaf. Uiteindelijk isook hij familie van Adam en Eva.
Zo’n 20 Antwerpenaren lieten zich via DNA traceren. OokRonny Mosuse, Annick Segal van Thuis en Peter Van Den Begin lieten hun herkomst onderzoeken.
Ja, de Gene Bervoets! Hij is ook overal bij waar er wat uit te testen valt. Zijn voornaam had nog moeten eindigen op een “n” om symbool te kunnen staan in het genealogisch pionieren naar de herkomst van ons allen. Hij heeft wat van Adam. Hij zou zeker in die appel gebeten hebben alleen al omna te kunnen gaan of hij die niet zou kunnen gebruiken in zijnwaterzooi. ’t Zou wat zijn;den eerste waterzooi in den hof vanEden, gemaakt door de Gene.’t Zit hem toch in zijn genen. Zijn zending om overalter wereld de smaak van het land dat hij bezoekt te laten integreren met de Gentse waterzooi. Goed idee jong, den tv vond dat een heerlijk hapje en heel Vlaanderen ook. De Gene als Bask. Die typische “bonnet” zou hem goed staan! Hij zou daar niet eens opvallen. Rond gezicht en blozende wangen door de friste van de bergen, al weten we vanwaar die blos ook kan komen, hé Gene! Hij als Sioux ? Zelfs met de felste en kleurrijkste pluimen op zijn kop is hij in de verte niet te vergelijken met die heftige en strijdlustige indianen. Misschien als hij van hun vuurwater zou mogen proeven zou hij roodaangeslagen die roodhuiden wat kunnen benaderen.
Tof om te vernemen hoe de wetenschap via DNA onderzoek kan blootleggen hoe elk van ons is terechtgekomen waar hij nu leeft.
“ Wij zijn allemaal Afrikanen van oorsprong. Daarmee heeft de wetenschap definitief komaf gemaakt met de idee dat er verschillende rassen zijn! Er is maar één menselijke soort, de homo sapiens,” zegt professor Ronny van de KULin de Standaard.
“ Zestig duizend jaar geleden waren we allemaal zwart”, meldt hij verder. “ Naarmate onze voorouders in streken kwamen met minder zonlicht werd de huid bleker om meer vitaminen D te kunnen aanmaken. Maar genetisch zijn we allemaal voor meer dan 99 procent gelijk.
Hoe beter het onderzoek, hoe verfijnder de stamboom. De geneticakan ook uitsluitsel geven of een Vlaming van de Euburonen of de Menapiërs afstamt of van de Kelten of Franken. We kunnen zelfs nagaan wat de invloed van een bezetting of migraties op een bevolking is geweest en welk aandeel van een volk werkelijk afstamt van de groep waarmee we ons identificeren”, zegt professor Decorte in vermelde krant. Straf hé!
Dit gegevenmoet onze honger wat aanscherpen vanwaar onze Bellons zoal komen, zowel langs vaderlijke als moederlijke kant. We willen het te weten komen. Misschien lopen we de Gene nog tegen het lijf bij de Sioux!
De auteurs Mertens en Torfs schrijven in hun vierde deel van hun boek over de Gechiedenisvan Antwerpen het volgende:
“ In het jaar 1529 heerste in Engeland een besmettelijke ziekte die tijdens de maand september Antwerpen bereikte. Twee voorname dokters uit die tijd, Dokter Joachim Roelants uit Mechelen en Jacob van den Kasteele uit Antwerpen beschouwden de kwaal als een soort van pest, waarbij het menselijk bloed en andere lichaamssappen besmet raakten.Men noemde ze de Engelse of Zweetziekte. De ziekte sloeg hard toe en diegenen die zekregen stierven bijna allen binnen de vierentwintig uur.
De ziekte bereikte haar toppunt wanneer het zweet stonk. Verschillende patiënten braakten zwart bloed en gal. Anderen waterden overvloedig. Die laatste soort zieken zouden veel kans hebben de kwaal te overleven. Volgens de geciteerde geneesheren zou de zweetziekte ontstaan zijn door de uitermate vochtige en warme zomer van dat jaar.
De epidemie in Antwerpen begon na een dikke en stinkende nevel! De eerste symptomen waren koude rillingen vergezeld vanhoofdpijn en duizelingen. Men voelde benauwdheid op de borst, ging het hart feller kloppen,werd men slap zodat men niet meer op de benen kon staan. Vervolgens zwol de keel op, kreeg men het heel warm en snakte men naar drinken. De beroering bracht de zieke in een ‘onweerstaenbare slaeplust” waarbij de handen zwollen enhet zweten ophield. Na enkele stuiptrekkingen overleed de man en of de vrouw.
De slachtoffers bleken meestal diklijvige en “kwaedvochtige” mensen te zijn.Zo stierven de burgemeester Aert van Lierde, Rutgeerd van der Weyden, deken van de Sint-Lucasgilde en de vermaarde schilder Quiten Metsys, die in het kartuizerklooster op het Kiel overleed. In drie dagen tijd begroef men hier meer dan vierhonderd burgers.
Geneesheren uit de stad en ook uit die van Gent werden gevraagd naar de oorspong van de ziekte en hoe ze te genezen.Er kwam geen antwoord, temeer de meeste dokters de stad verlieten om zichzelf en hun huisgezin te beschermen, anderen werden ziek en diegenen die overbleven konden zich niet vrijmaken gezien het aantal te behandelen patiënten.
Erasmus betoogde dat velen stierven door zich de ziekte in te beelden en alzo de kwaal op de hals te halen.
Temidden van de verslagenheid organiseerde de geestelijkheid een biddag en een processie opSint- Michielsdag, waarna, schrijven de auteurs, de ziekte eensklaps ophield.
uit de website: http://www.seghersonline.be/Hamme/Hageschiedenis.htm
De kinderen van Adrianus
Adriaen
Sebastiaen
°06/12/1805 Wetteren
+29/08/1886 Antwerpen
horlogiemaker
Anne
Christine
°07/10/1808 Hamme
+25/01/1830 Hamme
naaister
Benoite
Coleta
°11/02/1810 Hamme
+19/12/1887 Gent
Charles
Louis
02/07/1811 Hamme
+?
zeeldraaier
schipper
Hyppolyte
°27/05/1814 Hamme
+04/07/1819 Hamme
Désiré
°22/10/1815 Hamme
+21/02/1866 Boom
dagloner
Pilippe
Antoine
°17/02/1817 Hamme
+?
mijnwerker
Jean
Baptist
°07/06/1819 Hamme
+10/09/1819 Hamme
Casimirus
°30/7/1820 Hamme
+08/08/1820 Hamme
Josephus
°06/11/1821 Hamme
+?
Koopman
kleermaker
Augustus
°14/08/1824 Hamme
?/?/1825 Hamme
Adrianus- Sebastiaen huwde Francisca de Waele uit Waasmunster 17/07/1799.
Benoite Coleta huwde Joannes Antonius Lobel(of Lebel?)
Charles Louis trouwde met Maria Elisaberth Lauwers uit Boom 25/05/1807
Josephus huwde Ludovica Articuleer+ en een tweede maal met Coletta Suetens uit Koningshooikt op 02/01/1856 Antwerpen.
Uit dit rijtje kinderen zal het zesde kind, Désiré, stamvader wordenvan de takken Antwerpen, Boom en Mechelen. Hij werd geboren te Hamme op 22.10.1815 en zou overlijden te Boom op 21.02. 1866 toen er een hevige cholera-epidemie stond los te breken.
Voor zijn huwelijk verbleef hij enige tijd te Visé nabij Luik. Désiré trad in de zomer te Humbeek op 17/07/ 1855 in het huwelijkmet Johanna – MariaMees. Zij sterft op 29/04/1868 te Boom en laat vier wezen achter, Anna, Mathilda, Willem en Pieter Frans.
Uit de Burgerlijke stand van Hamme zou Adrianus met zijn gezin er op verschillende adressen gewoond hebben.Zo verbleven ze in de Hoogstraat, vanaf 1811 in de Kerkstraat en vanaf 1819 in de Dorpsstraat.
Nadat Charles Louis begin 1834 was getrouwd, en Désiré en Philippe Antoine het ouderlijk huis hadden verlaten om elders werk te zoeken, vestigden Adriaen en Maria Josepha zich in december 1834 met hun zoon Joseph te Boom. Eind oktober 1848 nam Désiré opnieuw zijn intrek bij zijn ouders, doch verliet hen andermaal in augustus 1850. Werd Adriaens gezin toen ook door ellende en hongersnood getroffen zoals vele huishoudens in Vlaanderen? Immers het einde van het tweede kwart van de 19e eeuw bracht in onze kontreien veel armoede en miserie, ja zelfs hongersnood als gevolg van verschillende misoogsten van graangewassen en aardappelen.
Op 14 september 1851 verloor Adriaan zijn levensgezellin. Maria Josepha stierf in de echtelijk woning te Boom gelegen Antwerpsesteenweg 22. Vanaf oktober 1854, maand waarin zoon Joseph in Antwerpen in het huwelijk trad, stond hij er alleen voor.. Maar in juli 1855 kwamen Désiré en diens bruid, Johanna –Maria Mees bij hem inwonenDaar in het huis in de Antwerpschestraat 22 werd op 6 juli 1856 uit dit kersverse huwelijk een eerste kind geboren: Anna Catharina. Boterde het niet tussen Adriaen en zijn schoondochter? Of kreeg hij heimwee naar zijn geboortestreek?In elk geval tijdens de zomer van 1857, hij was toen 74 jaar oud, installeerde hij zich terug in Wetteren. O.i. verbleef hij er een vijftal jaren. Verkeerde hij in staat van faillissement of liet hij om persoonlijke redenen zijn inboedel openbaar verkopen op 5 juli 1862?Een openbare verkoop die toch 492,30 fr. Opbracht, of ongeveer het jaarinkomen van een fabrieksarbeider.Deze “venditie van roerende voorwerpen” bestond uit 121 kavels, t.w.: acht broeken, 6 kazakken, 4 stellen glazen, 2 stellen telloren, een koperen ketel, lepels, een verzijp, blikken dozen, 7 sargies, beddengoed, 3 matrassen, een borstel, een wafelijzer, schoenen, spiegels, kandelaars, een lijfrok, fluwijnen, een kader, linnengoe, handdoeken, een hammelaken, een koffiekan, een onderbroek, neusdoeken, minstens 17 hemden, 7 lakens, een mand, 4 prenten, pannen, 2 horloges, 4 tafels, een koffiemolen, een moor, een peluw, drie akers, stoelen, een boek, 2 kuipen, een koffer, 2 togen, 2 bedstoelen, aardewerk, hout, ijzerwerk, een maat, een kastje, een stoof, een kas en kleine rommel.
Van 1862 tot 1866 woonde Adriaen vermoedelijk te Antwerpen. In dat laatste jaar, berucht voor zijn cholera-epidemie,verloor hij twee zonen, eerst Joseph en later Désiré. Na Désiré’s dood nam hij opnieuw zijn intrek bij zijn schoondochter Johanna-Maria Mees, die in Boom was achtergebleven met vier kleine peuters.
In het jaar 1869 verbleef Adrianus nog officieel in de Kerkhofstraat 135 te Boom. Wellicht moest hij verhuizen na de dood van Joanna Maria. Drie van haar kinderen werden in 1869 in het Godshuis Sint – Jan Baptist als wezen opgenomen. Waar Anna toen 12 jaar, verbleef is tot hiertoe niet geweten. Pieter - Frans enWillem waren respectievelijk 8 en 4 jaar toen ze werden opgenomen op 21 april 1869. Mathilde, 10 jaar, vervoegde haar twee broers op 28 april van dat zelfde jaar of juist één jaar na de dood van haar moeder. De wezen zouden daar hun grootvader terugzien die reedsals zieke sinds 3 april1869 was opgenomen. Op 11 december van datzelfde jaar, of 95 dagen na zijn opname, overleed hij. Hij werd 86 jaar!
Adriaen leefde in een zeer bewogen tijd. Hij zag het levenslicht onder de regering van de keizer –koster Jozef II, die in 1790 werd opgevolgd door zijn broer Leopold II. In 1792 – 93 zag hij de Franse revolutionaire legers komen engaan. Wanneer onze gewesten in 1794 bij Frankrijk ingelijfd werden leefde Adriaan achtereenvolgens onder de Conventie, het Directoire en het keizerrijk. Hij moet gehoord hebben over de Honderd dagen en de slag bij waterloo. Van 1815 tot 1830 was hij Nederlander. Toen hij in 1869 stierf werd België al geregeerd door zijn tweede vorst, Leopold II. Veel kans dat hijde stroomtrein heeft zien rijden. Link:ex www seghersonline.be Uit Het Bellonneke nummer 7/ Frans Bellon
Is de cholera een onrechtvaardige ziekte?Ze viseerde blijkbaaralleen de arme sukkels, de arme luizen, de mensen die in de stinkende steegjes woonden. Zij, wier vel niet meer proper te krijgen was. Het is Gods straf zei het volk! Daarmee was de kous af.
Was dat wel zo?
De 19e eeuw, de jaren 1800 scharnierjaren naar een nieuwe wereldorde, een nieuwe economie waar iedereen beter zou van worden. Het stoomtijdperk was begonnen, het moment dat de publieke uurwerkenin heel het land hetzelfde uur sloegen. De treinen moesten op tijd vertrekken en aankomen. Iedereen diende vanaf toen stipt op tijdop het werk te zijn. De westerse wereld begon een nieuw tijdperk. Een tijd van stiptheid, van orde en van tucht. Een nieuw woord kwam in onze woordenboeken. Stress zou de mensen in de ban gaan houden.
De landbouw gebruikte nieuwe meststoffen. De aarde gaf plotseling zoveel meer aan gewassen. Eten genoeg. Mensen zouden aan de arbeid kunnen in de talrijke fabrieken, aanvankelijk slecht betaald, zeker in Vlaanderen. De stoommachines moesten afbetaald worden, maar die drommelse banken wilden niet direct leningen op lange termijn geven. De fabriek zou beter betalen dan de arbeid op het land. De weefgetouwen brachten daar niets meer op. Cockerill; daar had men de mond van vol.De toekomst! Het staal en het glas, producten die het toen enorm goed deden gingen de wereld veroveren. Zelfs het vrijheidsstandbeeld in New York moet ergens de inkerving dragen”made byCockerill Belgium”.De toekomst oogde veelbelovend.Meer kindjes werden geboren. De mensen gingen massaal naar de stad om er werk te vinden. Men drumdeomonderdak te vinden. De steden barstten uit hun voegen. Ze zaten propvol mensen. In krotten, in schamele huisjes en kelders huisden verschillende grote families.Wc’s waren erniet genoeg, de riolering moest zorgen voor het verwijderen vanal de menselijke afval, nu dubbel zoveel. Rivieren werden openbare riolen. Beerputten konden niet tijdig meer geledigd worden, leidingen sprongen. De grond werd verzadigd door pis en stront. De pompen in de steden haalden geïnfecteerd water boven. Voor wie het zich kon permitteren kon van privaat watermaatschappijen proper water krijgen. Niets liet vermoeden dat ondergronds er zich een bodem aan het vormen was waar één bacterie zich goed zou gaan voelen, zich zodanig zou gaan vermenigvuldigen en de toenmalige primitieve geïndustrialiseerde wereld zou gaan teisteren. De cholerabacterie bestond al. Z e moest enkel een boot weten te vinden om vanuit Azië hier te arriveren. Op de boot had ze al een slachtoffer gevonden. Eens aan wal vonden de al vermenigvuldigde bacteriën door de vuiligheid hun weg naar niets vermoedende burgers.
Ze viseerden de darmen van de mens. Ze kondendie bereiken via water van uit de verschillende stadspompen.Eens binnengedrongen in het menselijk verteringsstelsel kon ze de darm bewerken en omzwachtelen. De darm die mechanismen bezit om de waterhuishouding van het lichaam op peil te houden werden door de indringers ontregeld. De man en of vrouw moest gaan braken kreegenorme buikloop en werd ernstig ziek. In niet minder dan enkele uren herkende men de patiënt niet meer. De diaree en het braken droogden het lichaam uit. Opvallend veel waterverlies dat door de niets vermoedende verzorgster in het rioleringssysteem werd gekieperd. Dat water, rijstwater genoemd, omwille van de vele miljoenenaanwezige witte microscopischedeeltjes, zouden de killers worden van een volgende massa mensen. Ondertussen werd het bloed van de zieke dikker, de bloedsomloop raakte verstoord alsook de nieren. De huid voelde koud aan, en de ogen kwamen diep in de kassen te liggen, terwijl de patiënt moeizaam en hees sprak. In die tijd bestonden er geen antibiotica. Er waren wel verschillende behandelingsmethodes. De ene geneesheer gaf een behandeling op basis van opium, de andere bestreed het met purgeermiddelen. Morfine gebruikte men ook. Dit laatste kon enkel de pijn verzachten maar had geen genezingseffect. De uitgemergelde zieke, ondergedektmet hete zandzakjes op de buik kon maar hopen op een goede afloop. De dood kon binnen de twaalf uren intreden.
Ondertussen vielen in de stad her ender slachtoffers. Een heel gezin ging van de ene dag op de andere dood. Andere bleven leven, alhoewel ze de zieken hadden aangeraakt en of hadden verzorgd. Mensen bleven water van de pompen drinken. Niet alle pompen waren besmet.Hoe meerbesmet lichaamswater er in de riolering terechtkwam hoe meer slachtoffers er vielen. De cholera woedde aldus verder altijd via het water, van rivier naar rivier, van beek naar waterput, doorheen kapotte leidingen naar pompen..De meeste doden vielen in de achterbuurten, daar waar de waterhuishouding slecht en gebrekkig was.Niet alleen hier heerste de cholera, maar in alle groteEuropese steden kwam de cholera voorbij. InLonden en Hamburg vielen de meeste doden. Gedurende heel de 19 eeuw kwam de epidemie regelmatig terug. Antwerpen telde 3000 doden veroorzaakt door de epidemie van 1866!
De wetenschap stond nergens. Ze had geen direct antwoord. Men dacht dat de ziekte wat te maken had met de stank die er overal heerste in de stad. Dat bracht mee dat al wat stonk aangepakt werd. Langzamerhand werd de waterhuishouding beter en werden door protest van socialisten de stegen en armenwoningen aangepakt. In 1893 vond Robert Koch in Egypte een vaccin tegen de cholera. Men had toen gevonden dat de bacterie zich via het water verplaatste.
Een hele eeuw zocht men in een verkeerde richting om de cholera degelijk aan te pakken. Meer armen dan rijken stierven aan de ziekte. De armen, omdat ze massaal in gebrekkige behuizing woonden, gepland in straatdelenwaar de ondergrondse riolering aan het rotten was of barstte doorovervloed. Het lot van de mens lag toen ook bij de pomp waarvan hij dronk.
Uit het Rijksarchief te Boom nog gevonden in het dossier gemeente Boom:
Uit een verslag van 1892 van de politiecommissaris van de gemeente Boom lezen we:“57 huizen zijn gedurende de ziekte door de politie ontsmet geweest en het beddegoed waar de zieken op gelegen hadden is in 37 huizen oogenblikkellijk verbrand geworden;bij de anderen is alles gekookt en gewasschen. 172 personen welke huizen bewoonden, waar gevallen van cholera bestadigd waren, zijn in het gasthuis gewasschen en ontsmet geworden, allen hebben zuivere kleederen ontvangen en de kledingtukken die zij aan het lijf droegen zijn hun twee dagen naderhand teruggegeven, nadat zij aldaar gereinigd waren.De personnen uit het gasthuis van de cholera gestorven, zijn oogenblikkellijk in de kist gelegd op het kerkhof in het doodenhuis gedragen en 24 uren naderhand aldaar begraven.” [6] Zoals gezegd zolang er geen structurele veranderingen kwamen om het lot van de armen te verbeteren en de waterhuishouding in de sloppen te verbeteren zou een cholera-epidemie duizenden doden blijven eisen. Volksvertegenwoordiger, socialist Terwagne protesteerde in 1892 zeer gedreven tegen de regerende burgerij die niets ondernam tegen de alsmaar terugkomende epidemieën. Een mooi stukje betoog gegoten in een pamflet en uitgehangen te Boom. Hierna enkele van zijn citaten, keihard en onmeedogenloos… “De Rupel voert met zich rottende afval en de weerzienswekkendste vuiligheid van drie steden Brussel, Mechelen en Lier.’t Is nog niet genoeg een leven te moeten leven dat geen leven is, slecht gevoed te zijn, slecht gehuisvest en slecht betaald, als eene plaag de menschen aantast, dat zijn de armsten, die er de slachtoffers van worden…Men vindt 300.000 franks om villa’s te bouwen aan de boorden van de middelandsche zee, ten behoeve van de heren die ziek terug van de Congo komen, maar geen cent om eene werkzame en moedige bevolking, die in een bestendig gebrek haar leven voortsleept en door haar arbeid de rijkdom in het land vergroot, te vrijwaren tegen besmettelijke ziekten. Daarvoor geeft het gouvernement geen cent, verzet het geen voet, steekt het geen hand uit. Werklieden die stenen bakken waarmee men optrekt machtige en prachtige huizen, wonen zelf in afzichtelijke en terugstootende krotten waar rijke en regeerende burgerij hare honden en paarden niet zou willen stallen[7].” Misschien waren deze woorden het begin van een kentering ? Inderdaad we moeten vaststellen dat de harde armoede verdween in de 20ste eeuw en ook de cholera. Enige nuancering gebiedt te zeggen dat in het jaar 1893 een vaccin werd ontwikkeld[8] dat de cholera kon bestrijden. Samen met de ontwikkeling van kwalitatieve rioleringssystemen en een betere sociale leefwereld werd de cholera naar de geschiedenisboekjes verwezen.
Bibliografie
Tuchmann B De Waanzinnige veertiende eeuw – De Arbeiderspers Amsterdam- Antwerpen (pest)
Kocken M; Gids voor oud en groot Mechelen, De vries – Brouwers BVBA, blz 32 (pest)
MC Neill W, Mensen en hun plagen
Van den Broeck J Promenade in de Pruikentijd; De Zuidelijke Nederlanden
Grote Winkler Prins 8ste druk. Onlangs is er een opmerkelijk boek uitgekomen. "Londen spookstad" van Steven Johnson, die op vertelwijze zeer bekwaam over de cholera schrijft en waar ik me voor een groot baseerde. In het Bellonneke nr 27 "De cholera in de 19e eeuw"op basis van archiefmateriaal.
Deze virus heeft eveneens voor heel wat doden gezorgd. Sommige virussen en bacteriën zijn vreselijke organismen. Zij vechten voor hun bestaan en vermenigvuldigen zich massaal van zodra zij een geschikte cultuur vinden. De pokken, de pest en de cholera aasden blijkbaar graag op de mens. Ze gedroegen zich mysterieus en het was niet altijd duidelijk waarom de ene mens de ziekte kreeg en de andere niet.
Het pokkenvirus heeft gedurende eeuwen bestaan maar is in de 18e eeuw absolute alleenheerser geweest en heeft het tientallen miljoenen mensen aangetast en laten sterven.
Het is de Brit Jenner die in 1796 de pokken heeft kunnen indijken door een gepast vaccin te vinden en ervoor zorgde dat wij tot op de dag van vandaag ook van deze ziekte gevrijwaard zijn.
Zowel jong als oud, rijk en arm liepen het risico op de pokken te krijgen. Lodewijck XV stierf er trouwens aan. Na de winter doken ze op en hielden lelijk thuis gedurende enkele maanden. Ongeveer 15 à 20 procent van de mensen gingen eraan dood. Diegenen die overleefden zouden heel hun leven getekend blijven door de ziekte.De infectie kwam er ofwel via het speeksel of via pokpuisten van een patiënt. Na twaalf dagen kreeg men hevige koorts tot 40°C. Blaasjes verschenen op de huid. Eerst op het gelaat daarna over gans het lichaam. In de heldere blaasjes zat het pokkenvirus met reeds kapotte huid. Aanraking met zulke zieken was erg besmettelijk. Het vocht droogde op en er ontstonden puisten die na 2 à 3weken afvielen en die op de pokplek een blijvend litteken achter lieten. Ongeveer de helft van de bevolking liep met een pokdalig gezicht rond. Het was misschien een troost met velen te zijn. Plastische chirurgie bestond niet. Gelukkig kon men de ziekte geen tweede maal krijgen. Voor de rest van hun leven was men immuun tegen de pokken. Medici van die tijd kwamen tot besef dat antistoffen in het lichaam ervoor zorgden de ziekte te weren. Daarom gingen ze over tot het toedienen van entstoffen genomen uit menselijke pokpuisten. In de arm en of het been brachten ze via een sneetje een kleine hoeveelheid smetstof aan. Deze handeling hield wel risico’s in gezien nog een aantal procent mensen besmetting opliepen en konden sterven.
Pas later ontdekte Jenner dat de boeren die in aanraking kwamen met pokpuisten van koeien immuun bleken te zijn voor de menselijke variant. Zijn vaccin hielp de pokken totaal verdwijnen. Sindsdien spreken de mensen over inenting tegen de koepokken.
Wij beseffen niet hoe veel beter we het hebben dan onze voorouders op gebied van gezondheid.
Sinds de middeleeuwen totbegin 20ste eeuw had je een leven van gemiddeld vijftig jaar. Nu komen honderdjarigen regelmatig in het nieuws. De wetenschap over de mens, de kennis over anatomie, de chemische explosie en het technisch vernuft maken dat elk jaar meer kaarsjes op de verjaardagstaart komen te staan, testamenten meer veranderd worden, levensverzekeraars hogere winstcijfers halen en het kopen op lijfrente niet zo aantrekkelijk meer is.
Waar is de tijd dat mensen veel hoop koesterden in het gebruik van een ajuin tegen koorts? Ging de koorts niet dalen stond de dood voor de deur. Of hoe zij geloofden in de kracht van een sleutel waarop je een ziekte kon overbrengen. Het openen van een deur kon de krankheid buiten brengen. Ze sluiten, de ziekte buiten houden.
Alhoewel. De mensheidworstelt blijkbaar regelmatig met ongeneeslijke ziekten. Hoe hebben wij geen angst voor kanker ondanks alle medische vorderingen?
De pest
Zo woedde de pest eeuwen en maaide deze vreselijke ziekte miljoenen mensen weg.
Het is pas in 1894 dat de pestbacterie gevonden werd en de epidemie kon worden verbannen uit de wereld.
Vooral de 14e eeuw staat bekend voor de weergaloze slachting die de pest aanrichtte, die¼ van de wereldbevolking doodde en die de economie totaal ontwrichtte. Nog in het jaar 1668 kwamen te Mechelen 14.993 burgers om op een totaal van 22.000 inwoners of 2/3 van de bevolking. De zeevaarders van het eerste uur, brachten wellicht de zwarte rat mee uit Azië. Het beest verspreidde zich over geheel het welvarende Europa, nestelden zich voornamelijk onder strooien daken, waardoor de pestbacil die deze soort rat als drager had uitgekozen, zomaar op de mens kon springen.
Het viel op, na de brand van Londen in 1666 waarbij een groot deel van Londen afbrandde, het aantal pestslachtoffers verminderde. De strooien daken werden vervangen door leien. De zwarte rat zocht elders haar onderkomen.
Raakte men besmet stond een afgrijselijke einde te wachten. Sint Rochus, de patroonheilige van de ziekte, kon niet overal tegelijk zijn. De lymfeklieren gingen zwellen. Onder de oksels of in de halsstreek ontstonden builen. De zieke doorstond heel wat miserie, niets dat zijn lijden kon verzachten. De koorts bleef hoog, het wit van de ogen was bloeddoorlopen. Binnen de builen stuwde de etter tot een eruptie volgde. Het was allemaal weerzinwekkend en afstotend. De pest kon de longen aantasten en veroorzaakte alzo nog een vluggere besmetting. Door de overdracht van speeksel stierf 50 tot 80% van de mensen aan deze aanverwante ziekte van de pest.
Deze blog kan niet zonder de figuur van Frans Bellon. Zijn inzet om onze familie- geschiedenis vanonder het stof te halen, zijn passie omtrent de geanologie, zijn onaflatende speurzucht naar de verst mogelijke aanverwant, bracht me ertoe hem in de schijnwerper te plaatsen. Frans, al door velen gekend, zit niet verlegen om altijd een helpende hand toe te steken in de toch niet al te simpele materie om verre aanverwanten op te sporen. Bovendien is hij erg kritisch voor zichzelf en zal hij niet vlug definitief conclusies trekken. Hij verdient alle aandacht. Het leek me dan ook interessant, omwille van de vele familievorsers, met hem een babbeltje te houden. MB
**** Exclusief interview ****
Binnen de familie, maar ook in je middens, zal je de eeuwigheid ingaan of het etiket blijven dragen van familiekundige. Vanwaar die microbe? Hield vader en of moeder zich veel bezig met de familie van toen ? Als kleine jongen zat ik in de winter vaak met mijn vader en zuster rond de “stoof”.Vader kon goed vertellen. Vooral de verhalen over zijn jeugd en over zijn belevenissen tijdens WO 2 wisten me te boeien. Hij vertelde honderduit over zijn broers, zusters, ouders, nonkels en tantes, neven en nichten. Meestal vertelde hij over de familie langs moederskant: Moens en De Keersmaecker. Minder over de Bellons. Hij had immers zijn grootouders langs vaderskant nooit gekend, want “Vader Bellon” was een wees. Mijn vader dacht dat onze familie uit de Elzas kwam. Waar deze mythe ontstond blijft me een raadsel. Of ligt de oorsprong bij een gebeurtenis uit zijn jeugd? Vaders oudste broer, m’n nonkel Nest was machinist bij de spoorwegen. Tijdens WO 1 werd hij opgeëist door de Duitsers om in Duitsland te gaan werken. In de “Middenstatie”moest hij zich voor een Duitse officier legitimeren. Toen hij de naam Bellon zag,haalde de Duitser zijn “ausweis” boven. Hij heette ook Bellon. En onze Nest mocht terug naar huis gaan.Toen in 1964 Désiré Bellon stierf mocht ik met vader mee naar de begrafenis.Tijdens de koffietafel kwam de afkomst van onze familie ter sprake. Ik kwam er te weten dat Désiré vroeger aan een stamboom had gewerkt. Het resultaat van zijn opzoekingen was een getikte schets van enkele generaties. Enkele dagen later kreeg ik hiervan een fotocopie van nonkel René. Toen wist ik dat ik afstamde van Adriaen Bellon geboren te Wetteren in 1783.
Wat waren de eerste vondsten?
M’n eerste vondst was de doopakte van Adriaen Bellon. Jammer genoeg kende ik geen Latijn. Dus liet ik de Latijnse tekst door onze parochiepastoor vertalen. Uit de vertaling bleek dat Sebastianus Bellon, vader van de dopeling, afkomstig was uit Barcelona. In de 18de eeuw sprak men van Barcelone i.p.v. Barcelonnette. Vandaar de foutieve interpretatie. Ik heb toen nog het adres van de Nationale Archieven van Spanje opgezocht. Maar ben er niet naar toe geweest. Want m’n Spaans was nog slechter dan m’n Latijn. Intussen had ik een onderofficier van de zeemacht leren kennen. Een kei op gebied van familiekunde. Adjudant Van Nerum had in 1964 al een eigen familietijdschrift. Hij leerde mij het verschil tussen een stamboom en een kwartierstaat. Hoe een staat van goed eruit zag en wat ik verder nog in een rijksarchief kon vinden. Omdat Spanje buiten m’n bereik lag concentreerde ik mij op het dichterbij gelegen Land van Waas. Daar kon ik mij uitleven in ‘t opsporen van de voorouders langs moederskant. Ondertussen was de VVF ofte Vlaamse Vereniging voor Familiekunde opgericht. Met als doel de familiekunde te democratiseren. Men mag niet vergeten dat genealogie vroeger slechts door de adel of sommige nonkelpastoors werd beoefend. Bij de VVF heb ik dan de stiel geleerd. Zodat ik vlug te weten kwam dat ik niet in Barcelona moest zoeken, maar wel in Barcelonnette.
Wanneer kroop je voor het eerst in een archief? Wat waren toen je eerste ervaringen tussen die stoffige en vergeelde papieren en dito archivaris ?
Blijkbaar heel anders dan de dag van vandaag, nu elke familiesnuffelaar er gemakkelijk terecht kan? Ik sprak al van mijn opzoekingen op het gemeentehuis van Wetteren, waar een norse archivaris-brandweercommandant (een duobaan?) de doopregisters door het loket stak. Ontmoedigend voor een beginneling. Zelfs het rijksarchief te Gent waar ik het volledige gezin van Sebastiaen samenstelde viel tegen. Misschien omdat het in het “Duivelssteen” is gevestigd? M’n draai vond ik in Haasdonk waar de gemeentesecretaris zei: “Hier staan de registers en als ge gedaan hebt breng me dan de sleutel terug”. Een feest, ja een genealogisch orgasme. Men kan dan zelfs snuffelen in de stukken die men normaliter niet mag inkijken. Het is immers niet toegelaten stukken jonger dan 100 jaar te raadplegen. Kwestie van privacy. Zelfde liedje in de archieven van de rechtbanken waar dubbels van de Burgerlijke Stand liggen: Antwerpen, Dendermonde, Gent, Oudenaarde, Mechelen ... In sommige gemeentehuizen mocht ik mee koffieklatsjen of genieten van een oude klare. Een echte afknapper was het Algemeen Rijksarchief te Brussel. Omdat ik vroeger een hekel had aan leesapparaten voor microfilms. Ook bleek mijn schoolfrans vatbaar voor verbetering. Daar heb ik later hard aan gewerkt. In Uvernet, Fours, Jausiers en Digne. In Uvernet vroeg ik aan de gemeentesecretaresse wat “la messe du prône” betekende. Ze bleef me het antwoord schuldig. Zo zie je maar dat zelfs een Française het Frans niet volledig beheerst. Fours was zalig. Madame Arnaud gaf me de sleutel van de kast waarin de oude parochieregisters lagen. Gezeten in het zonnetje langs de “chemin départemental” heb ik er in een paar dagen een samenvatting van alle gezinnen Bellon kunnen maken. Zalig!
Moet een familie haar roots kennen? Waarvoor is dat goed ? Waarom zou ons dat moeten interesseren?
Altijd heeft de mens willen weten van waar hij komt. En waarheen hij gaat. Zelfs met een glazen bol kunnen we niet in de toekomst kijken. Maar in het verleden lukt ons dat wel. Dank zij de archeologie, de architectuur, de schilderkunst, de literatuur, de volkskunst, de muziek … en uiteraard ook de geschiedenis. De genealogie, een hulpwetenschap van de geschiedenis, laat ons toe de geschiedenis van onze voorouders, t.t.z. van de kleine man, te schrijven. En ik denk dat ons dat meer zou moeten interesseren dan alle veldslagen samen waarmee we op school ons hoofd moesten volproppen. Wel en wee van een familie, kleinste cel van een maatschappij, bepalen mee het welzijn van een natie. In zijn cursus familiegeschiedenis schreef M.Mispelon, promotor van de VVF: “ De bestudering van zijn eigen familie, hoe nederig ook, kan en zal dan ook bijdragen tot familietrots en zelfrespect.”
Hoeveel jaar heb je nodig gehad om de geschiedenis van de Bellonnekes te kunnen reconstrueren ? Wat was je mooiste moment ? De grootste kik ?
Ik ga er geen jaren op plakken want de geschiedenis van de Bellonnekes is nog verre van volledig. Zij zal trouwens nooit af zijn. Altijd kan je verder in ‘t verleden grasduinen. En de dag van morgen is overmorgen al geschiedenis. Daarom mogen de hedendaagse gegevens niet verloren gaan. Denk aan foto’s, rouwbrieven, huwelijks- aankondigingen … Of aan de herinneringen van onze oudste familieleden. M’n mooiste moment? Moeilijk te zeggen. Maar wat me altijd zal bijblijven is onze familiereis naar Barcelonnette. Vooral het verblijf in Fours en de ontvangst op het stadhuis van Barcelonnette zijn onvergetelijk. Een echte kik heb ik tijdens mijn opzoekingen nog nooit ervaren. In ‘t archief krijg ik zeker geen adrenalinestoot. Maar bij het lezen van een testament van enkele eeuwen oud overvalt me soms toch een vreemd gevoel. De geur van het dikke papier, de uitgerafelde randen die tussen m’n vingers uiteenvallen bij het omdraaien van een blad, het eeuwenoud zand dat ritselt tussen de bladen, laten me wegdromen. Voor m’n ogen zie ik dan hoe de klerk met een ganzenveer de wilsbeschikking van m’n voorouder in sierlijke gotische letters of in een slordig humanistisch schrift aan het blad toevertrouwt en er dan witzand over strooit om de inkt te laten drogen.
Tevreden met de resultaten ? Een stuk droom verwezenlijkt ?
Uiteraard kan het altijd beter. In het archief van Digne is nog veel te vinden over onze voorzaten. Jammer genoeg ligt Digne te ver. Eigenlijk heb ik geen droom verwezenlijkt maar heb ik nog een droom. Vroeg of laat zullen de meeste archiefbescheiden gedigitaliseerd zijn en dan is het kinderspel om onze familiegeschiedenis aan te dikken. De toekomstige familiekundige zal ook dankbaar gebruik kunnen maken van DNA-onderzoeken. De voornamen van onze oudste Bellons zal hij niet te weten komen. Maar misschien wel dat zij ergens tot een Keltische stam behoorden in de Donauvlakte. Of tot nog een oudere volksstam in de Kaukasus of in de vlakte van Mesopotamië. Tenslotte zal het DNA-onderzoek mogelijk verwijzen naar een zwarte oer-Bellon ergens in de Hoorn van Afrika.
Nu ben je met de aangetrouwde kant bezig. Duizenden namen die met elkaar gelinkt worden. We zijn haast allemaal familie van elkaar. Niet ?
Inderdaad. Bij het opzoeken van moeders voorouders geraakte ik rond 1350. Het viel me op hoe vaak ik in het Waasland op dezelfde voorzaten stootte. In de genealogie spreekt men dan van “kwartierverlies”. Er wordt wel eens gezegd dat elke West-Europeaan een afstammeling zou zijn van Karel de Grote.
Je roept regelmatig over de vele fouten die momenteel in stambomen sluipen. Kun je dat wat nader verklaren ?
Vroeger zocht de familievorser vooral in het archief. Nu klikt hij met een muisknop op één of andere genealogische site. Het internet is voor de familiekundige een zegen maar ook een vloek. Hij kan er veel tijd uitsparen. Doch dient hij achteraf zijn vondst in het archief of de bibliotheek te checken. Veelal blijft het op internet bij graat- genealogie. Alleen namen en data. Vind je dan ergens een fout en vraag je dan de “auteur” welke bronnen bij de opzoekingen werden gebruikt, blijft deze meestal het antwoord schuldig. Er wordt zonder nadenken teveel gekopieerd. En dat geldt niet enkel voor stambomen vermits bv. Wikipedia, de vrije encyclopedie op internet, in hetzelfde bedje ziek is.
Nog verre plannen?
We worden stilaan een dagje ouder. Om te vermijden dat m’n opzoekingen in een stoffige kelder of zolder belanden of erger nog tussen het restafval, zou ik meer op papier moeten zetten. Ik denk dan aan een nieuwe “Familiegeschiedenis Bellon”. Ook die van Van Acker en Brys, m’n Wase stamouders langs moederszijde. Om het voorgeslacht van m’n vrouw, kinderen en kleinkinderen niet te vergeten: Calluy uit Niel. Misschien zend ik ooit mijn DNA naar een gespecialiseerd lab. Er rest dus niet veel tijd meer voor “Het Bellonneke” of m’n blog “Wase Geslachten”. Ik vraag me dikwijls af waar ik vroeger de tijd haalde om te gaan werken.
Erg bedankt voor je uitleg Frans. Fascinerend hoe toegangkelijk archieven zijn geworden. Hopelijk mogen vele bezoekers van deze blog uw wijze woorden lezen en hen aanzetten tot het gaan graven naar hun roots. Een leuke bezigheid alhoewel het opletten geblazen is naar de juiste gegevens op het internet. Archiefwerk, tussen vergeelde papieren, zal steeds het beste controlemiddel blijven en dan nog. Onze familie mag met Frans toch al geruster zijn wat onze afstamming betreft.
DR K. L. Bellon, MGR en Hoogleraar aan de R.K.Universiteit te Nijmegen.
****
°Oppuurs 30/11/1891
+ Nijmegen 13/09/1957
Opgegroeid in de Vlaamse cultuur was zijn middelbare schoolopleiding op het college van Boom daarentegen geheel Frans, zodat de jongeling aardrijkskunde, geschiedenis en zelfs de wiskunde uit franse leerboeken moest leren. De plattelandsjongen had daardoor eerst verscheidene moeilijkheden te overwinnen, maar doordat hij zich er met succes doorheen geworsteld heeft, bereikte hij in het Frans een taalvaardigheid, die verschillende van zijn collega's hem hebben benijd.
Zijn filosofische en theologische studies deed hij te Mechelen in de jaren 1908 tot 1914 in de aan de eerste wereldoorlog voorafgaande voorspoedige jaren. Midden in de strijd op 15 september 1915 werd hij priester gewijd, toen hij reeds bittere oorlogservaring had opgedaan, die hem later - met name in de tweede wereldoorlog - te stade zijn gekomen.
Tengevolge van de oorlog is zijn academische loopbaan en de afsluiting daarvan niet helemaal gewoon verlopen. Hij heeft echter aan de universiteit van Leuven theologie gestudeerd en er de doctorsgraad in dat vak verkregen. Studie en onderwijs waren intussen voor hem weggelegd en hij heeft daaraan verder zijn leven gewijd. Hij begon als surveillant aan het klein, seminarie te Mechelen en doceerde daar filosofie van 1920 tot 1928. Blijkens de publicaties van die jaren trokken theologische vragen van de dag of van algemene strekking zijn aandacht: de erfzonde, de Marialeer, de Bijbelkritiek, de persoon van de Verlosser; eerst na 1925 komen er godsdienst - filosofische en fenomenologische problemen aan de orde. Benoemd als hoogleraar te Nijmegen in de theologische faculteit om
onderwijs te geven in de godsdienst - wijsbegeerte en de vergelijkende godsdienstgeschiedenis, tevens belast met het onderwijs in de Griekse en Romeinse godsdiensten in de faculteit der letteren en wijsbegeerte inaugureerde hij aldaar op 25 januari 1928 met een rede over de methode of leerstelsel in de vergelijkende studie der godsdiensten. Hij kwam met kracht op voor de noodzakelijkheid van de metafysiek als aanvullende factor bij het interpreteren van het feitenmateriaal, dat etnologie en psychologie over het probleem godsdienst aan de hand deden. Blijkens zijn colleges en zijn publicaties bleven dergelijke methodische vragen hem bijzonder interesseren. Hij was meer filosoof en theoloog dan historicus en het is aan deze geesteshouding toe te schrijven, dat hij zich gaarne heeft belast met het onderricht in de wijsbegeerte der geschiedenis, toen dit vak aan de genoemde universiteit in 1946 kwam te vaceren. Aan deze tak van de wijsbegeerte heeft hij veel van zijn tijd in de laatste levensjaren besteed, en toen hij in 1956 was benoemd tot buitenlands lid van de Koninklijke Vlaamse Academie van Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten, bereidde hij zijn introductierede voor over een geschiedfilosofisch onderwerp: Over de zin der geschiedenis, welke rede hij wel op schrift heeft gesteld, maar de bijna plotselinge dood heeft hem verhinderd deze op de vastgestelde dag uit te spreken.
Al heeft Bellon weinig leerlingen kunnen vormen in de eigenlijke door hem
gedoceerde theologisch -filosofische vakken, toch was hij een gewaardeerd docent, en degenen, die hij tot de summi honores heeft geleid, gedenken zijn hulp en leiding met dankbaarheid. Bellon werd door Paus Pius XII geëerd met de onderscheiding van “geheim kamerheer’” waardoor hij de titel Monseigneur mocht dragen. De Koningin van Nederland maakte hem tot ridder in de Nederlandse Leeuw en de Koning van België tot ridder in de Leopoldsorde. De laatste jaren leed hij een weinig aan een niet zeer kwaadaardige kwaal, maar waarschijnlijk als gevolg daarvan is hij - na een zeer kortstondige ziekte - onverwachts overleden op donderdag 12september 1957 te Nijmegen en werd op 17 september d.o.v. op het r.k. kerkhof begraven.
Als de voornaamste werken van K.L. Bellon mogen de volgende hier vermeld
worden: 1928 Methode of leerstelsel in de vergelijkende studie der godsdiensten.
Nijmegen - Utrecht. 1932 Inleiding tot de vergelijkende godsdienstwetenschap. Brussel. (beleefde 3 uitgaven).
1934 Godsdienstwijsbegeerte. Antwerpen.
1935 Inleiding tot de godsdienstgeschiedenis. Antwerpen.
1950 Herziening van: J. Huby, Handboek voor de geschiedenis der godsdiensten. Utrecht.
1953 Wijsbegeerte der geschiedenis. Amsterdam - Antwerpen.
Vele artikelen in Ons Geloof, Collectanea Mechliniensia, Studia Catholica,
Anthropos,Tijdschrift voor Philosophie
1. 1Uit Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde,1958,p97.Er zou wat verwarring zijn omtrent de sterftedatum van KL Bellon
Tekst verschenen in het Bellonneke 33
Tegen de zijgevel van de kerk van Oppuurs hangt een gedenkplaat voor Mgr.Bellon waarop zijn beeltenis (zie detail foto) en volgende tekst:
HULDE AAN
MONSEIGNEUR
PROF. DR. K.L. BELLON
GEBOREN TE OPPUURS OP 30.11.1891
OUD-RECTOR
DER R.K.UNIVERSITEIT VAN NIJMEGEN
ALDAAR OVERLEDEN OP 11.09.1957
Volgens de overlijdensbrief is de sterftedatum 13/09/1957
Op 18 april 2007 mochten we te gast zijn op het verjaardagsfeestje van Leo Bellon.
Deze jonge man werd op die dag 85 jaar! Onvoorstelbaar, denk ik dan. Een leven van zovele jaren kan niet anders dan boeiend zijn.
Rond hem vele familieleden, zijn kinderen, kleinkinderen, zijn broer en zijnonafscheidelijke Denise. Als je dan denkt dat het feestje haast voorbij is, komt er nog een halve autobus reisvrienden binnengewandeld om Leoke een gelukkige verjaardag te wensen.
Leo ! Hij is gekend als ’n gestampte Boomenaar! Zo zeggen ze dat in Boom voor iemand die er geboren en getogen is. Den Ballon kennen ze daar heel goed. Ook zijn vader en diens grootvader bleven niet onbekend. De beenhouwerij daar aan de Vrijheidsstraat verkocht lekkere pensen, toen nog ambachtelijk gemaakt. Albert en Willem schraagden vele jaren, als voorzitters,de Broederschap van Scherpenheuvel. Hoeveel mensen hebben die vermaarde”beeweg” jaarlijks niet meegemaakt?
Leo zat tussen het vlees. Hij ook zou koteletten, dikbil, reuzel, kipkap, heps en andere bijval aan den toog verkopen. De huidige Boomenaars zullen hem beter kennen als de uitbater van het restaurant Bellon aan de Leopoldstraat. Daar kon hij de gasten op een heerlijke manier vertroetelen. De eters verlieten de gelagzaal, niet enkel met een smakelijk gevulde buik, maar ook met een toetje vol moppen gemarineerd in een pikante saus waarvan hij alleen het recept kende.
Albert Willem
Leo was in 1940 18 jaar toen hij de Duitsers zag komen. Hij kan uren vertellen over de oorlogsjaren te Boom. Zijn getuigenis daarover klonk al doorheen onze bekende radiozenders en weten we alzo, van een door hem gemaakte foto, dat er toen op de Grote Markt een heuse bunker stond.
De oorlog heeft zijn gemoed echter niet getemperd. Als epicurist ging hij verder door het leven. Genoot, samen met zijn Denise, waar er kon worden genoten. Reizen zat er bij hen in. Ontelbare dia’s belichten alle mooie hoekjes en kantjes van Europa en ook ver daarbuiten. Het reisje van de Bellons naar Barcelonnette in de zomer van 1978 staat op een bijzonder plaatsje gerangschikt binnen de grootse beeldcollectie. Spijtig van de zonen, zij moesten toen werken in de horecasector. Zij hadden de microbe van vader bij de geboorte meegekregen. Harde stiel hoor, maar heerlijk als ge ze de klanten ziet bedienen.
Binnen onze familie is Leo momenteel het oudste Bellonneke. Al is het niet direct een wereldtitel, het is toch iets om fier over te zijn. Bovendien weten we dat hij het nog lang als onze ouderdomsdeken zal kunnen uithouden. Denise laat hem niet los en vertroetelt hem alle dagen. De gelukzak!
In zilver, een keper van azuur, vergezeld van drie rozen van keel.
Uit JB Rietschap, Armorial Général
(zelf ingekleurd) uit Het Bellonnke nr 1
Een Bellon uit Parijs
In azuur, een keper van goud, overtopt met een zilveren wassenaar en in beide schildhoeken vergezeld van twee zilveren toegewende vogelhalzen. In de schildvoet vijf bergtoppen eveneens van zilver.
Andreas Vesalius was natuurlijk meer bekend. Hij zorgde voor spektakel door lijken open te snijden en er de anatomie van de mens uit te leren.
In de voetsporen van onze wereldvermaarde eerste chirurg doceerde in 1550 Belon Pierre aan de medische faculteit te Oxford de ontleedkunde. Daar sneed hij voor de ogen van de studenten de buikholte open van een baars en liet die studenten twee dagen later terug komen opdat ze zouden ontdekken dat het hart van die baars nog steeds klopte ! Ook een spektakel!
Wie was deze man?
Pierre Belon was als diplomaat in dienst van kardinaal François de Tournon. Onze naamgenoot zou afkomstig zijn uit Le Mans.
Zijn werkzaamheden boden hem de mogelijkheid om de fauna aan de kusten van de oostelijke Middelandse zeete bestuderen. Belon tekende heel wat vissen en waterdieren en bespak hun namen, de bouw, de verwantschap, het gedrag en de verspreiding van deze waterdieren.
Zijn bevindingen werden te boek gesteld in het jaar 1555 door Charles Estienne onder de titel “ La nature & diversité des poissons.” Het werk bevat ongeveer 190 houtsneden van vissen en andere waterdieren, gemaakt door Pierre Gaudet.
In het Amsterdams museum kunnen we dit werk bewonderen en kunnen weop blz. 155 een tekening zien van een zeeslang al ontdekt door Aristoteles en door Belon aanzien als de congeraal, een soort grote paling die buiten de Middelandse zee ook in de Atlatntische Oceaan en de Noordzee zou zijn voorgekomen. Dat viske kon een lengte hebben van 2,75 meter lang.
Pierre Belon staat geboekstaafd als een pionier in de vergelijkende ontleedkunde en als kenner van vissen of een ichtyoloog zoals ze dat wetenschappelijk noemen.
Deze renaissancefiguur werd eveneens vermaard omwille van zijn tekeningenvan het menselijk skelet en van vogels.
Toch wel een speciale nietwaar?
(uit Helmus LM, Vis –en stillevens van Hollandse enVlaamse meesters 1550 - 1700 )
Zo'n congeraal moet je beslist niet aan je tenen laten komen !
Uit de zeevisserij... Een gevecht met zo'n beest...
Niki Huybrechts, dochter van Leo en Tinne Bellon, kleindochter van Jan Bellon, als Rom Skipper naar het EK in Nederland. Wij wensen haar en haar team veel geluk toe. Volg hen en supportert mee!
Soms is het moeilijk om na te gaan wat onze voorouders deden om in hun dagelijks brood te voorzien. De parochieregisters vermelden slechts zelden een beroep. Hetzelfde voor de notariële akten. Vanaf 1795, wanneer de burgerlijke stand wordt ingevoerd, krijgen wij hierover precieze informatie.
Wat deden de Bellons om aan de kost te komen ? Pascal Bellon wordt door hen “travailleur” genoemd. Nochtans weten wij met zekerheid dat hij “seizoenleurhandelaar” was.
Over de Vlaamse Bellons hebben we meer gegevens. Wat ons vooral intrigeert is dat in de Vlaamse tak zoveel horlogemakers voorkomen.
Sebastiaen Bellon (geb.1751) was horlogemaker. Waar en wanneer hij dit ambacht heeft geleerd blijft ons een raadsel. In de vallei van Barcelonnette ? Op weg naar onze kontreien ? Of in de omgeving van Wetteren ?
Twee van Sebastiaen’s zonen, Adriaen en Alexis, kozen hetzelfde beroep. Vermoedelijk leerden zij de stiel bij hun vader.Daarmee is de kous niet af. Want waren de Bellon’s niet streekgebonden dan waren ze toch “beroepsgebonden”. Wij vonden niet minder dan vijf andere nazaten van Sebastiaen, die zich in het horlogemakers vak hebben bekwaamd. Zodat de we terecht van een familieberoep mogen spreken.
Vooraleer zich volwaardig horlogemaker te kunnen noemen moest men vroeger in de leer gaan bij een ervaren vakman en verschillende leerstadia doormaken. Zo weten we dat Adriaen Bellon (geb.1783) op 24 – jarige leeftijd “compagnon -horlogemaker “ was. Juliaan Bellon (geb.1833) was slechts uurwerkschoonmaker, hoewel hij toen reeds 27 was.
In onderstaande schema hebben we al onze horlogemakers netjes bijeengebracht. Zoals te bemerken is het vooral de tak Aalst (nazaten van Alexis-in het rood geschreven) die het horlogemakers bloed heeft meegekregen.
Sebastiaen Bellon (1751 - 1825)
Adriaen Bellon (1783 -1869)
Alexis Bellon ( 1792 -1860)
Adriaen - Sebastiaen Bellon (1805 - 1886)
Joannes - Baptista Bellon ( 1820 -1876)
Juliaan Bellon (1833 - 1871 ?)
Augustinus Bellon (1847 - ? )
Helaas het familieberoep verloor veel van zijn aantrekkingskracht tijdens de glorietijd van de industrialisatie. De Bellons zijn toen overgeschakeld op het onderwijs. Maar dat is een ander kapittel dat we in de nabije toekomst uit de doeken zullen doen.
Als ik enkele ontmoetingen kon verwezenlijken van mensen die in het verleden hebben geleefd, zou ik voorzeker deze man willen spreken. Niet alleen omdat de takken Boom, Antwerpen ervan afstammen, maar ook en vooral omdat hij een republiek, een keizerrijk en een koninkrijk overleefde.
Op 27 april 2007 is hij 224 jaar oud. In het aardse leven haalde hij de 86 jaar, wat in onze tijd al ferm boven het gemiddelde ligt. Althans wat de mannen betreft.
In het jaar des heren 1783, zo zei men dat vroeger, werd hij als vierde kind geboren in het gezin Sebastiaen Bellon – Joanna van der Linden te Wetteren. Zoals gebruikelijk werd de spruit nog dezelfde dag gedoopt om zeker niet de hemel te missen wanneer het kind plots door de dood zou worden overvallen.
De onderpastoor van Wetteren acteerde deze gebeurtenis: “Die vigesima septima aprilis baptisati Adrianum filium Sebastiani Bellon barcelonensis et Joannae Philippinae vander Linden ex hac parochia conjugum natum hodie hora prima nocturna. Susceperunt Adrianus Judocus Schoonjans ninoviensis et Catharina Bellon barcelonensis.[1]”
Het was hier dat Frans, onze familievorser, op een verkeerd spoor werd gebracht. Hij dacht het geslacht van de Bellons verder te moeten gaan zoeken in Barcelona, Spanje.
Een situatie dat hem altijd zal bijblijven. Enkele akten verder wist hijwel te ontdekken dat Adrianus vader niet uit Barcelona kwam, maar wel uit Barcelonnette. Tot eind 18de eeuw spraken de inwoners van deze laatste stad en zelfs de akten over Barcelone. Je moet het maar weten !
De jeugd van Adrianus Bellon, daar weten we niet zoveel van...
Vlaanderen kende al een lange periode van vrede onder Oostenrijks bewind. Het was geleden van 1748 dat ons “stukske” grond nog werd bezet. Het was hier redelijk goed. De landbouw gaf genoeg groenten en de aardappel zorgde ervoor dat quasi iedereen zijn honger kon stillen. Maria Theresia van Oostenrijk stierf in 1780. Zij was erg geliefd.
Jozef II was pas aan de macht en had juist zijn handtekening onder een edict gezet waarbij hij 168 kloosters” waar men een louter contemplatief leven leidt” afschafte. De goederen van deze congregaties zou hij in beslag nemen. De onrust zette zich in. De mensen geraakten verontwaardigd omdat nog meer harde maatregelen vanuit Wenen werden opgelegd. Iemand rond de kerk begraven mocht niet meer. Voor de keizer een maatregel van hygiëne. Voor de gewone gelovige mens van toen onbegrijpelijk. Men bleef bij het geloof dat zelfs na de dood de barmhartigheid van God nog voor redding kon zorgen wanneer men missen voor de overledenen las. Hoe dichter bij de kerk hoe meer kans je had op een plek in de hemel.Rijken hadden daar geen last van, die konden zich een “plaatske” in de kerk veroorloven.
Van het één kwam het ander. Enkele invloedrijke mensen kwamen in opstand en zoals dat gaat, jutten deze het gewone volk op. De opstand tegen Jozef II nam een grootse vorm aan. Adrianus was in zijn zevende jaar, toen hij op 10 december 1789 duizenden patriotten langs de boorden van de Schelde moet hebben zien marcheren richting Gent. Hier en daarwapperden de zwart -gele – rode Brabantse vlaggen[2]. Gent kwam onder vuur te liggen. De Vlamingen kwamen massaal in opstand. De Oostenrijkers moesten de biezen nemen[3]. Even was er vreugde om de nieuwe “Belgische Republiek” en het gevoel verlost te zijn van de Oostenrijkers.Maar, helaas die kwamen weer snel terug.
Gesprekstof was er genoeg in die dagen. Zeker in de taverne aan de vijfhoek in Wetteren. Vader Sebastiaen zal wel meer oog hebben gehad voor wat er zich in Frankrijk afspeelde. Daar rommelde het nog harder. Colporteurs of leurders die uit Frankrijk kwamen en hem een bezoek brachten, moeten wellichtde revolutie die zich in Parijs aan het afspelen was bevestigd hebben. Het beangstigende nieuws was wel de gevangenneming van de Lodewijck XVI en Maria Antoinette, het schavot dat hen wachtte en de oorlogsverklaring aan Oostenrijk. Het nieuws uit Frankrijk werd driester met de dag. Koppen rolden van de guillotine in de manden...zo’n 15000[4].
In Vlaanderen kleurden de uniformen van de verschillende Europese legers de landschappen. Het was menens. Eens temeer stond een clash met het Franse leger voor de deur.
Er zou een niet al te beste tijd aanbreken. Adrianus was toen 11 jaar. Een tijd van groeien en goede eetlust...
De tijd van de Revolutie 1794
Voor dit stukje baseer ik me op een boek ‘Overleven in de revolutietijd; een ooggetuige over het Franse bewind van Edward de Maeschalk, Davidsfonds. De moeite waard om lezen
Wij kunnen natuurlijk niet vertellen hoe het gezin van Sebastiaen Bellon reageerde op de woelige tijden die nu gaan aanbreken. Zagen zij de Fransen graag komen ? Hadden zij daarbij een zeker voordeel ? Zou vader Sebastiaenals “citoyen” worden behandeld , nu hij het vaderland had geruild voor Vlaanderen ? Misschien zouden zij hem wel politiek aan de tand voelen om na te gaan hoe hij tegenover het regime stond ? De kennis van de Franse taal zal hem wel van nut worden. Misschien zou Adriaan’s vader een beetje als spion moeten optreden ? Uit onze gegevens kunnen we toch opmaken dat het gezin Bellon –Van der Linden in Wetteren is gebleven. De oudste broer van Adriaen werd er schoenmaker, terwijl een andere broer, Jean Baptist er kleermaker werd.Op 20 juni 1795 gaf Sebastiaan Bellon te Wetteren nog de geboorte aan van een dochter, Maria.
Belangrijk in ons verhaal lijkt mij de figuur Joseph Bellon te worden, halfbroer van Adrianus’ vader. Joseph Bellon was colporteur, een beroep dat geld zou gaan opbrengen en die wellicht de familie heeft geholpen.
Ziehier wat er toen in onze streken allemaal gebeurde:
‘De vlam sloeg in het kruitvat in jaar 1794. De eerste veldslagen werden gewonnen door de geallieerden. In Frankrijk riep de directoire – een uitvoerend bewind van de eerste Franse Republiek - 1 miljoen manschappen op. Nooit eerder gezien en meegemaakt. De Fransen wilden een totale oorlog. Op dat moment kwam er onenigheid binnen de Europese troepen. Wat moest gebeuren gebeurde. In Fleurus behaalden de Fransen op 26 juni een klinkende overwinning. De geallieerden lagen uiteen en de Fransen kregen hier in de Zuidelijke Nederlanden vrijspel. Oostenrijk wou niet verder investeren in onze streken; wij lagente ver weg van Wenen, klonk het.In alle gemeenten en steden waar de tricolore wapperde, luidden onder Frans bevelde klokken als gebied na gebiedin Franse handen viel. Mensen werden soms wakker gehouden door het aanhoudende gelui. Kerken stonden hier genoeg.De Franse revolutionairen triomfeerden. De “Liberté, Egalité et Fraternité klonk in alle stadhuizen. De mensen warencontent omdat ze nu definitief verlost waren van die Oostenrijkers. Dat plezier duurde niet lang. Van “die Fraternité en die Liberté” was niet veel te bemerken. In tegendeel. Zoals altijd eiste de overwinnaar de buit op. In onze gewesten werd letterlijk alles opgeëist. Alles wat je maar kon indenken kwam inFranse handen terecht. Van ossen, haver, hooi, zout, karren paarden,bergen watten en windsels tot alle soorten voedsel, gemalen schors, roet, sulfer, schoppen, zagen en nagels. Beemden en weiden werden aangeslagen om al het gestolen vee op te laten grazen. “Pour l’armée!”:, zeiden de nieuwe citoyens. De rest van de overgebleven oogst was niet genoeg om alle monden te voeden. De armen die onder de Oostenrijkers nog eten konden vinden bij de Heilige Geesttafels en kloosters zagen tot hun verbazing hoe die geestelijkheid werd verdreven en hoe de inhoud van kerken en kloosters verkocht werd. Gouden tijden voor de leurders. Schoenmakers moesten voor het leger duizenden paar schoenen maken. De prijzen stegen, de zwarte markt floreerde. De hongersnood kwam opnieuw in het land.
“Il sont fous ces Français !”: zullen veel van onze mensen hebben gezegd en geroepen. Op slag veranderde ook het openbare leven. Gedaan met de klassieke katholieke kalender. Vanaf nu een andere jaartelling en kregen de maanden een andere naam. Het nieuwe jaar en de nieuwe jaartelling begonnen op 22 september 1792 of op 1 Vendémiaire van het jaar 1 van de Republiek. Vendémiaire was dus de eerste maand van het nieuwe jaar - brumaire – mist - en frimaire –vorst - waren de herftsmaanden. Ze werden gevolgd, door de wintermaanden nivôse,pluviôse en ventôse of sneeuw-, regen- en windmaanden.
De lentenamen noemden men germinal- kiemmaand – floreal – bloeimaanden prairial weidemaand. Het jaar eindigde met de zomer, messidor, thermidor en fructidor of
oogst, warmte en vruchtmaand. Een maand bestond uit dertig dagen maar een week telde tien dagen of een decade.
“Op de zevende dag zult gij voortaan moeten werken en op de tiende rusten!”: luidden de bevelschriften ! Ge kunt denken wat verwarring er ontstond. De katholieke mensen pikten het niet. “Rien d’ égalité !”: was de leuze van het Vlaamse volk. Als de marktdagen op een zondag vielen, kwamen de marktkramers niet opdagen! Decade of geen decade. En als het een gewone werkdag was op de Franse tiende dag, werd er wel markt gehouden en hadden de gendarmes de handen vol om het volkje te verdrijven. Voortaan waart ge ook gehouden geboortes, huwelijken en overledenen te laten registreren. De burgerlijke stand werd opgericht.Als ge geboren werd op 20 messidor van het jaar 6 dan was dat volgens onze kalender op 8 juli 1798. Begin maar te rekenen en te tellen. Tussen haakjes, nu nog verliezen genealogen hun haar wanneer ze in deze plezante periode familie moeten opsporen. Gelukkig maakte Napoleon in 1806 daar een einde aan.
Het ancien régime volledig van de kaart vegen lukte de Fransen niet. Ze konden de mensen niet van de kerk weg houden. Al waren kloosters, kapellen en kerken gevuld met materiaal en paarden, al waren alle kruisen, mariabeelden uit de straten en publieke gebouwen verdwenen, al moesten de priesters de haat aan het koningschap entrouw aan de Republiek zweren, in Vlaanderen dromden mensen op de trappen van de voornaamste kerken samen om er de rozenkrans te bidden. Ze werden verjaagd. Het volk bleef echter komen. Men trok naar het platte land. Ook daar worden ze achternagezeten door soldaten. De Kerk duikt onder tot Napoleon komt te regeren en rond 1800 er weer klokkengeluid te horen valt over de steden en de aangrenzende velden.
Ondertussen zorgde de invoering van het papierengeld tot veel faillissementen, tierde de fraude en namaak van dit geld tot geldelijke drama’s.
Families werden vervolgens nog meer met miserie opgezadeld wanneer jongeren tussen 20 en 25 jaar door de republiek worden opgeroepen om legerdienst te kloppen. Weinigen kwamen opdagen. Velen jongeren vluchtten weg. Ouders worden verantwoordelijk gesteld en gedwongen hun kinderen te verklikken. In het jaar 1799 voert men de loting in. Adrianus is dan 16 jaar. Nog te jong. Maar Napoleon heeft nog veel soldaten nodig...[5]’
Adrianus gaat trouwen zijn echtgenote, zijn kinderen... gegevens Frans Bellon;Het Bellonneke nr 15
De tijd van Napoleon
In 1805, loopt Adrianus met Maria Josepha aan de hand. Dat meiske was de dochter van een Wetterse barbier gekend onder de naam Ambrosius Venneman en van Petronelle de Vriese. Ondanks oorlog en geweld blijft de liefde in ieders hart. Op Sint- Nikklaasdag van dat jaar lag er in de schoen van Maria Josepha een zoon, gekerstend onder de naam van Adriaen - Sebastiaen Venneman. Waar was de kersverse vader ? Napoleon was aan de macht en die had soldaten nodig. Of hij geloot is geweest weten we nog niet. In ieder geval kwam er onder Napoleons gezag terug rust in onze gewesten en werd het merendeel vanwat de Directoire als regel had vooropgesteld afgeschaft. De mensen konden terug naar de kerk en werd de vervelende kalender afgeschaft. Op 27 mei 1807 is het groot feest bij de families Bellon -van der Linden en Venneman - de Vriese. Daar kwam de bruid aan de arm van Ambrosius. Zij was 27 jaar, terwijl Adrianus er net 24 was geworden. Bruid en bruidegom verklaarden in de akte van huwelijksvoltrekking dat er van hen in de burgelijke stand onder de naam Adriaen- Sebastiaen Venneman een kind was geboren, dat zij als hun wettelijk kind erkennen. Het trouwfeest achter de rug, vestigden de jonggehuwden zich te Hamme, aan de monding van de Durme, in de Hoogstraat. Hamme zal wel als woonplaats zijn uitgekozen in functie van Adriaens beroep. In Wetteren was immers geen plaats voor twee horlogiemakers, beroep dat Adriaen zeker bij zijn vader had geleerd, die als sinds 1778 in Wetteren als holrlogiemaker werd gevestigd. (Zie onze rubriek:"Trouw aan het voorvaderlijk beroep")
Hamme
Het kerkje van Hamme zoals Adrianus het moet hebben gekend.Dit kerkje werd in 1740 herbouwd, behalve de toren.
In het jaar 1801 telde de gemeente 7.240 inwoners, in 1910 was dit al 14.110.
Hamme was ondermeer gekend voor zijn rijke één van de zonen van Adrianus, Charles Louis oefende voor een tijdje dit beroep uit.
(uit De Seyn E. Geschied-en Aardrijkskundig woordenboek der Belgische gemeenten)
Einde eerste deel
[1] Vertaling” Op 27 april is Adrianus, het eerste uur van denacht geboren,gedoopt, zoon van Sebastiaan uit(van) Barcelone en van Joanna Philipna van der Linden gehuwd in deze parochie.Getuigen waren (peter en meter)Adrianus Judocus Schoonjans uit Ninove(ons niet bekend) en Catherina Bellon uit(van )Barcelone(een tante langs vaders kant)
[2] De Brabantse omwenteling. De drie kleuren in horizontale banden;
Op 14 juli 1934 publiceerde de “Journal Français de Mexique” een artikel met als titel “Deux Barcelonnettes fondadeurs du Crédit Lyonnais”, waarvan hierna de vertaling.
Verrassend maar waar één van die twee Barcelonnetes was Joseph Bellon. De andere noemde Henri Jaubert.
“Bellon was de zoon van Hyancinte Bellon, een draaier uit het gehucht la Conchette in Barcelonnette die uit zijn huwelijk met Anne – Marie Manuel vijf kinderen had. Joseph Eugène Bellon werd geboren te la Conchette op 18 juni 1839. Op jonge leeftijd trok hij naar Lyon, waar hij een belangrijke plaats bekleedde en één der stichters werd van de Crédit Lyonnais”, waarvan hij bij zijn dood vice-president was. Na zijn overlijden werd voor de beheerraad een lofrede uitgesproken door zijn vriend en collega, Henri Germain. Bellon was ook gemeenteraadslid in Lyon.”
“Hij was een intens goed mens. Onder het keizerrijk van Napoléon III was hij de hevigste en koppigste voorstander van de vrijhandel met Engeland. De regering luisterde tenslotte naar hem en sloot handelsakkoorden af volgens zijn advies. Met als gevolg een grote uitbreiding van de zijdehandel. Het ontbrak de toenmalige industriëlen aan kapitaal om hun productiemiddelen uit te breiden. Bellon zag in dat zij nood hadden aan een bank die grote kapitalen kon voorschieten. Hij nam een zekere H. Germain onder de arm en stichtte met hem de “Crédit Lyonnais”
“Henri Jaubert werd geboren te Barcelonnette op 17 maart1832. Hij studeerde te Gap. Later werd hij door zijn oom Joseph Bellon naar Lyon geroepen om hem bij te staan in zijn zijdehandel. Hierin verwierf hij spoedig een doorslaggevende positie. Onder Jaubert’s impuls begonnen zij zaken te doen op wereldvlak. Jaubert stichtte fabrieken in Pont-en –Royans en Vizille, wist de kracht verscholen in bergrivieren economisch te benutten en maakte van deze streek in de Dauphiné een machtig industrieel centrum. Toen zijn oom, Joseph Bellon zijn toch al bloeiende handelszaak aan hem overliet, wist Jaubert deze nog uit te breiden. In 1875 werd het astronomisch getal van 43 miljoen goudfrank, wat nu (in 1934)ongeveer 220 miljoen (Franse )frank zou bedragen. In de Verenigde Staten sprak men al van zaken doen “ à la Jaubert!”
“Jaubert werkte eveneens actief mee in de bank van zijn oom, zodat hij ook als één der grondleggers van de “Crédit Lyonnais” mag worden beschouwd. Hij stierf in 1901.”
Straffe jongens!
Uit “Het Bellonneke nr 12Frans Bellon
Een muzikaal fenomeen
Jean Francois Victor Bellon (1795-1869)
Meer en meer in de belangstelling !
Geboren te Lyon in Frankrijk op 30 mei 1795 voltooide hij zijn muzikale opleiding aan het Parijse conservatorium. Voor ingewijden was hij wellicht de leerling van Rodollphe Kreutzer( 1766 – 1831 ) voor viool en leerde hij het componeren van Anton Reicha (1770 -1836). Nadien dirigeerde hij verschillende Parijse orkesten. Zijn kamermuziek trok regelmatig de belangstelling van Franse muziektijdschriften envielen zijn 12 koper – ensembles erg in de smaak van het toenmalige publiek.Van Jean Bellon waren al enkele muziekstukken voor viool bekend en blijken er de laatste tijd meer en meer werken van zijn hand op te duiken.
Ed. Hébert (1812 -1890) vereeuwigde zijn portret en is het dankzij de Franse uitgever, Richault, we nu zijn beeld kunnen bewonderen.
Zijn naam komen we regelmatig tegen in de krant “De Standaard”, onder de katern Cultuur.
Vooral interviews met kunstenaars, en theater-, tentoonstelling- of romankritieken trekken de aandacht. Bij het ruime publiek heeft hij deze zomer misschien belangstelling gewekt met zijn bijdragen voor “De Standaard”-bijlage over het kunstevenement “Beaufort” aan de Belgische kust, waarin hij ondermeer een aantal hedendaagse kunstwerken besprak die op dat ogenblik in de Belgische badsteden te zien waren. Zoals de schildpad van Jan Fabre te Nieuwpoort, of de gezichtsloze babypoppen van David Cerny te Middelkerke.
Binnen het cultuurleven is hij inmiddels een gekend journalist. Zeker in en rond het Brusselse, want behalve “De Standaard” is ook “Brussel Deze Week” een afnemer van zijn artikels.
Onlangs haalde Michaël het nieuws door Emmanuel Lipp te ontmaskeren. Lipp was zogenaamd een schrijvende moordenaar, die vanuit zijn cel de roman Chinchilla Song had geschreven. Door fijn literair speurwerk wist onze Bellon te achterhalen dat achter het pseudoniem Emmanuel Lipp de gevestigde schrijver Oscar van den Boogaard zat. Michaël Bellon is dus niet alleen een cultuurjournalist maar ook de “Witse” van de literaire wereld. Reden om even bij hem halt te houdenen hem enkele vragen te stellen.
Deelfragment frontpagina Standaard-bijlage "Beaufort" met de baby's van David Cerny
De schildpad van jan Fabre te Nieuw- poort. (Eig foto)
Michaël, wat ging er in u om wanneer u de ontmaskering in de pers ging lanceren ?
Ik ben vooral journalist geworden om me beroepshalve met kunst, cultuur en het stadsleven te kunnen bezighouden en erover te kunnen schrijven. Van schrijvers en andere kunstenaars interesseert me vooral hun werk. Ik lig dus zeker niet op de loer om zogenaamde ‘scoops’ of primeurs te scoren. Anderzijds is het natuurlijk ook wat gek om ze te laten liggen. Ik kende het werk van Oscar van den Boogaard al vrij goed. Door een aantal uitlatingen van Lipp in andere kranten, kreeg ik al een flauw vermoeden. Op een dag ben ik dan toch maar eens een en ander gaan natrekken. Een dag later stond het resultaat van dat korte onderzoek al in de krant. Het was natuurlijk leuk om eens een beslissend artikel te schrijven in een ‘affaire’ waar een aantal media mee bezig waren, zeker omdat het op basis van een reeks inhoudelijke argumenten kon gebeuren.
Waarom doet een gevestigde schrijver zoiets ?
De aantrekkingskracht van fictie is dat het de bedenker ervan toelaat een domein te creëren waarin alles mogelijk is en waarin hij de baas is. De verleiding om het domein van de fictie en dat van de werkelijkheid door elkaar te laten lopen is dan ook vaak groot. Daarom creëren auteurs wel eens een fictief alter ego dat een eigen leven gaat leiden in de werkelijkheid. Bijna altijd bij gratie van de media trouwens, die blijkbaar graag verhalen vertellen die te mooi zijn om ook nog eens waar te zijn. In het geval van Emmanuel Lipp sloot het idee van een auteur die zijn roman vanuit de gevangenis schrijft mooi aan bij het onderwerp van het boek, dat om een moord draait. En bij een terugkerend thema in Van den Boogaards werk, namelijk het verlangen om als mens niet één, maar verschillende levens te leiden. Zo’n mediahype is meestal ook niet slecht voor de verkoopcijfers.
Als opgroeiende jongen had jij enkel belangstelling voor sport. Je kende zelfs de voetbalspelers uit tweede nationale. Welke microbe is oorzaak voor de ommezwaai naar de kunsten?
Er gaat nog altijd weinig boven een doelpunt scoren of gescoord zien worden door een Belgische ploeg op een belangrijk moment. Sport biedt echter nogal weinig mogelijkheden voor een goed verhaal, vandaar ook dat er zoveel gebakken lucht over wordt verkocht. Net als sport overstijgt kunst het louter functionele handelen van de mens. Waar sport appelleert aan het lichaam, groepsgevoelens, competitiegeest en overwinningsdrang, bespeelt kunst de zintuigen en ons verlangen naar esthetiek en betekenis of zingeving. Pas in de laatste twee jaren van de humaniora kwamen laatstgenoemde zaken bij mij pas echt aan de orde. Kunst biedt ons de mogelijkheid om even te vertoeven in een parallelle wereld die oneindig veel groter en rijker is dan de parallelle wereld van een voetbalveld. Toch kan een historische sportprestatie mij nog altijd evenzeer ontroeren als het werk van een geniaal kunstenaar. Voor wie niet zoveel verwachtingen koestert ten aanzien van de mens als individu en als soort, ligt de ontroering en de troost in het feit dat zo’n mens toch in staat kan zijn tot iets dat we dan graag ‘groots’ noemen.
Je geliefkoosde bezigheid is interviews afnemen van gekende auteurs. Is het via de sleutel De Standaard dat je er gemakkelijk bijkomt of moet je je zelf verkopen ? Ik kan me voorstellen dat zulke auteurs hun commentaar niet aan de eerste beste journalist kwijt willen ?
Mijn geliefkoosde beroepsbezigheid is op dit ogenblik waarschijnlijk toch recensies schrijven. Omdat je daarin echt tot de kern kan proberen door te dringen. De meeste artikels die ik gevraagd word te schrijven zijn echter bedoeld om krantenlezers ervan op de hoogte te brengen dat ze een bepaalde tentoonstelling kunnen gaan bekijken, of dat een theaterstuk of een concert eraan komt. In de (praatzieke) media is ‘het interview’ voor dergelijke aankondigingen een vaak gebruikte vorm. En de commentaar van de kunstenaar bij zijn werk kan ook zeer belangrijk of verhelderend zijn.
Omdat schrijvers beroepsvertellers zijn, is het dikwijls interessanter om met hen te praten dan met dansers ofbeeldende kunstenaars, die gewoon zijn om zich in een andere ‘taal’ uit te drukken.
Als freelance journalist schrijf je meestal in opdracht, en vraag je mensen niet om een deel van hun tijd aan jou te besteden als je niet de garantie hebt dat het interview ook ergens zal verschijnen.
Wie heeft op jou als (geïnterviewde) schrijver grote indruk gemaakt en waarom ?
Een hoogtepunt in 2006 was het interview met de Amerikaan Jonathan Franzen, omdat hij de auteur is van de (terechte) wereldwijde bestseller De Correcties. Voor het overige herinner ik me Jeroen Brouwers in zijn bos in het Limburgse Zutendaal, omdat hij op zijn hoogstpersoonlijke wijze invulling geeft aan verschillende schrijversclichés (moeilijk benaderbaar, laconiek, polemisch, welbespraakt, ijdel, …). Mijn allereerste schrijversinterview (en interview tout court) was er één met Paul Mennes, Ronald Giphart en een dronken Joost Zwagerman in een tapasbar in Amsterdam. De wilde ‘romantiek’ van die avond heb ik achteraf eigenlijk nooit meer meegemaakt.
Welk boek zouden we volgens jou allemaal moeten lezen ? Wellicht een boek dat een belangrijke boodschap inhoudt en die ook de jouwe is ?
Als ik er maar één mag kiezen, dan toch maar Het verdriet van België van Hugo Claus. Het boek heeft de naam een van de bestverkochte maar ook minst gelezen Belgische romans te zijn, en dat laatste is erg jammer. Wie zich afvraagt waarom iedereen het almaar over Hugo Claus blijft hebben, zal dat niet meer doen nadat hij dit meesterwerk gelezen heeft. Aandachtig lezen is de boodschap, en de eerste honderd bladzijden zijn niet zo gemakkelijk, maar daarna is het een absoluut feest. De belangrijkste boodschap van literatuur is wellicht dat we zoveel goede dingen te danken hebben aan de verbeelding, waarzonder de literatuur zelf niet zou bestaan.
Brussel hoofdstad van Europa. België een land dat in de buitenlandse politiek de stem verheft maar ook rode kaken oploopt zoals met Dutroux. Kunst en cultuur zijn altijd een waardemeter. Ondervind je veel belangstelling van buitenlandse kunstenaars, schrijvers, gezelschappen voor Brussel en ons land ?
Kunst en cultuur zijn er in Brussel en België niet beter of slechter aan toe dan elders, maar ik denk wel dat Brussel in België nog altijd onderschat wordt, zoals ook België in het buitenland wellicht minder aandacht krijgt dan het verdient. Onze beeldende kunstenaars (Fabre, Delvoye, Panamarenko, Tuymans, De Cock,… doen het goed in het buitenland. Onze dansgezelschappen (Rosas, Ultima Vez) ook. Sommige theatermakers (Luk Perceval, Jan Lauwers, Pascale Platel) doen het goed in Frankrijk, Duitsland en Nederland, sommige muzikanten (Hooverphonic, Arno, verschillende klassieke ensembles) ook. Michaël nog enkele vluggertjes.
Je moet uit de twee mogelijkheden kiezen tenzij het te gortig is voor jou.
Canvas of één?
Canvas
Laura Lynn of Eddy Wally?
Eddy Wally
dEUS of Tom Lanoye?
Tom Lanoye
Duvel of Trappist?
Trappist
New York of onden?
Londen
Een uitnodiging voor: naar Lokeren – Anderlecht om de eerste plaats, of naar Ronde van Frankrijk als een Belg gaat winnen ?
Lokeren – Anderlecht om de eerste plaats
Een aangenaam babbeltje.Wij zullen zeker nog over hem horen en lezen. Als je dus zijn naam ziet staan in de "Standaard" of in" Brussel deze week" dan weet je meteen wie hij is en waar hij thuis hoort ? De fiere vader !
Onze familievereniging moet in juli 1976 onder een goed gesternte van start zijn gegaan. Als we de balans opmaken mogen we verklarendat we ons niet hebben verveeld en samen heel wat hebben beleefd. Al was de reis in 1978 naar Barcelonnette het hoogtepunt, de andere activiteiten hadden hun aparteattractieve waarde, waarvan sommigen een lang leven gingen leiden.
De kracht van het familiegebeuren berustte bij enkele figuren. Deze mensen verdienen beslist een bijzondere plaats in de geschiedenis van de Bellons.
Mensen bijeenbrengen en boeien is niet zo’n gemakkelijke taak, zeker in onze tijden. Wie dat wel kon was onze feestleider, Jan Bellon. We willen die dan ook als eerste vernoemen en hem langs deze weg de nodige eer betuigen.
Jan Bellon uit Boom is de zoon van een gekende leraar uit het Boomse tijdens de jaren 1930. Henri Bellon, te vroeg gestorven, was vooral gekend als bezieler van Vlaamse kermissen ten voordele van de katholieke scholen. Hij leerde ook de toenmalige kinderen toneel spelen en liet hen beleven hoe ze zich op de planken als grootse acteurs moesten optreden. Henri Bellon heeft vele kinderen geamuseerd tijdens de niet schoolse uren.
Jan Bellon heeft beslist iets van zijn vader. Zelf is hij leraar geweest aan de Technische Provinciale school te Boom, is hij actief lid van het Davidsfonds en werd hij fervent feestleider van onze vereniging. Hij bracht onze familie regelmatig bijeen tijdens de keuvelavonden, die her en der plaatsgrepen. Op deze bijeenkomsten werd er duchtig gekletst over de dagelijkse dingen en werden er tevens plannen gesmeed om uitstapjes en reisjes te organiseren. Dank zij Jan groeiden jubileum - en gelegenheidsfeesten uit tot ware festijnen. De Boomse Bellons weten wat feesten is en tussen hen zitten koks die in een Michelingids niet zouden misstaan. Beroemd geworden is de “Bellonnekenswaterzooi”. We hebben van het tafelen genoten!
Jan was altijd en alom tegenwoordig en droeg het familieleven in hart en nieren.
Regelmatig schreef hij in het Bellonneke zijn commentaren rond gedane activiteiten. Beroemd werden zijn artikeltjes rond de vraag: “Wist U ?” Iedereen die had meegedaan had niet veel nodig om de situaties te verstaan. Een voorbeeldje, de reis naar Friesland:
“Wist u ?
-dat we van de reisleider zevenenveertig bladzijden documentatie kregen die tweehonderd twintiggram wogen ?
-dat we de eerste dag negentig minuten achterstand hadden op het uurschema ?
-dat we die achterstand nooit meer hebben kunnen inlopen ?
-dat we om en bij de 100.000 koeien gezien hebben?
Of na een feest
-dat er familieleden waren die tot de laatste snik bleven, ondanks het feit dat ze vijf uur later reeds op hun werk moesten zijn ?
-dat er vier werkvergaderingen plaats hadden om ons feest voor te bereiden ?
-dat er familieleden hun eigen prijs hebben gewonnen?
-dat de groepsfoto verscheen in “Het Volk” van 3 december ?
-dat de feestleider op zaterdagmorgen een telefoontje kreeg van een onbekende dame, die vroeg of zij ook uitgenodigd was op het feest ?
Deze vriendelijke goedlachse man was onmisbaar tijdens onze bijeenkomsten. Het was hij die de openingswoordjes deed en ook steeds een slotwoordje uitsprak en vond dat een feestleideraltijd een dankwoordje moest over hebben voor zijn publiek.
Het is nu onze beurt:
“Feestleider bedankt voor al die mooie en fijne momenten!!”
Wellicht weet u het nog dat wij vroegen wie ons meer kon vertellen over deze gemeente. L.Bellon wees ons de weg.Wanneer u onder Google "bellon" intypt ziet u een verzameling van sites Bellon's. Iets verder vindt u de webstek van de "Commune Bellon". Voor de gemakkelijkheid hebben wij in de kolom hiernaast een link gemaakt. Dit charmant dorpje oogt mooi en mag er wezen.Geschiedkundig biedt het ons weing informatie en gaan uit van het vermoeden dat dit gebied ooit een slagveld is geweest onder het Romeins imperium. Zoals u ziet blijven Bellons speuren en helpt "Google"mee. Over enkele andere Bellon sites zullen we het nog wel eens hebben. De Bellons staan alvast in het internetlandschap. Bedankt L. Bellon uit het magische verre Oosten.
Wij bekwamen een antwoord van de gemeente Hyères in verband met de herkomst van Soldaat Bellon...
« Bonjour, Suite à votre demande veuillez trouver ci-dessous les renseignements que nous avons trouvés: BELLON Antoine né à Hyères le 26/09/1874 marié avec GUIDO Félicie soldat au 113éme régiment d'infanterie territoriale mort pour la FRANCE le 25 Février 1917. En 1930 le maire de la ville décida de donner le nom à une rue afin d'honorer le sacrifice des poilus Hyèrois. Un tirage au sort désigna le soldat BELLON. Cordialement service des Archives de Hyères Les Palmiers »
Onze soldaat noemt Antoine geboren te Hyéres op 26/09/1874, was gehuwd met Guido Félicie, soldaat van het 113e infanterie regiment, gesneuveld voor Frankrijk op 25 februari 1917. In het jaar 1930 besloot de stad een straatnaam te geven ter ere van hun plaatselijke helden van de Grote Oorlog. Bij trekking viel de naam op Bellon Antoine (uit de archieven van Hyéres les Palmiers Soldaat Bellon vertegenwoordigt dus zijn makkers in de rue Soldat Bellon ! Wij dankten Hyéres voor hun opzoekingswerk.
Tijdens het reizen letten we op vele situaties. De chauffeur let voornamelijk op de weg, de echtgenote op het mooie landschap en kinderen, ja, die doen altijd iets apart. Zijt ge een paar honderd kilometer van "belgenland" vandaan dan horen we hen al eens roepen " daar nen Belg !" Precies of we zijn zo'n zeldzaam volk. Zeldzaam, zo dachten wij ook over onze familienaam. Die naam hoort ge toch niet zoveel hé ? Wanneer een Bellon aan de telefoon zijn naam zegt dan krijgt hij het gevoel dat hij niet goed articuleert of een spraakgebrek heeft, gezien aan de andere kant van de hoorn men dikwijls reageert " Ha, mijnheer Bellens", of "mevrouw Beton" of iets flatterender als "mijnheer Delon" of "Belhomme." Die frustratie leggen we van ons af. De Bellons zijn met velen, we komen de naam haast overal in de wereld tegen. Neem nu een reisje doorheen Frankrijk...
Vele reizigers kennen het stadje Senlis. Het is bij ons bekend geworden gezien we er langs rijden om de periferie van Parijs te mijden. Hier in Senlis vinden we een rue Bellon en een hotelletje "La Porte Bellon". Goed om weten als we Parijs willen bezoeken of indien we van een lange reis uit het zuiden terug keren. Het hotelletje oogt goed en niet duur.
Vierzon
Afmetingen zoals op de plaat weergegeven, situatie 1987:
Totale oppervlakte 109.381 m²/ Bouwperceel 570 à 850m²
Deze foto werd in 1987 genomen bij de stad Vierzon dat op de weg Orléans –Bourges ligt.
Al eens naar de afmetingen gezien van champ Bellon ?
Het lijkt onsde moeiteom hier eendag de tenten op te slaan. Op de route Bellon vinden we trouwens een camping municipal… even van nabij bekijken
De champ Bellon is een historische plek. Onze ouwe Vercingetorixheeft hier in de buurt Julius Caesar het leven zuur gemaakt. De Jules had Orléans veroverd, we zijn in het jaar 52 v.c, en trok met zijn legioen naar Bourges. Toen noemde die stad Avaricum, en lag een goeie dertig kilometer van Vierzon. Vercingetorix, gene gewone, had al serieus wat klop gekregen van de Romeinen en wou de strijd op een andere manier aanpakken. Nadat hij zijn zware moustache verschillende keren rond zijn vinger had gedraaid riep hij zijn mannen bijeen en ontvouwde zijn plan. Hij zou de Romeinen uithongeren door de toevoer van voedsel af te snijden. Daartoe moesten de dorpen in de onmiddellijke omgeving van het kamp afgebrand worden. Al het graan moest verzameld worden door de bondgenoten ergensopgeslagen worden zodat er eten was voor de Germanen zelf. De legioensoldaten, zo’n 5000 man, zouden honger gaan lijden, gaan morrengaan muiten, verzwakken. Het moment om toe te slaan. En zo staat geschreven in het boek “de Bello Gallico”:Dit voorstel kreeg algemene instemming en werd goedgekeurd. Op één dag werden meer dan twintig steden van de stam Bituriges in brand gestoken en hetzelfde gebeurde bij de andere stammen.
Aan alle kanten was brand te zien.Het was met pijn in het hart dat iedereen dit verdroeg, maar men troostte zich met de gedachte dat de overwinning zo goed als zeker was: ze zouden wat ze verloren hadden snel heroveren, daar vertrouwden ze op.” Toen begon de lange belegering van Bourges. Het plan lukte bijna. Julius Caesar en zijn soldaten hebben hier afgezien en ei zo na de strijd verloren. Van de veertig duizend Galliërs bleven er amper negenhonderd over, zo schrijft Julius in zijn boek. En Vercingetorix,taai en onvermurwbaar volgde Caesar verder op zijn veroveringstochten…Zoals gezegd, het was gene gewone!
Volgens de geschiedenis van de stad Vierzon was zij één van de twintig steden die platgebrand werd. Er herrees een versterkte Gallo -Romeinse stad. Nadien installeerden de Merovingerszich hier. Onder het bewind van de Normandiërs groeide de stad binnen haar stadsomwallingen. De Engelsen in het jaar 1196, onder het gezag van Richard Leeuwenhard en de latere Zwarte Prins, staken de stad in brand.De Guesclin kon in 1370 de Engelsen verdrijven en Vierzon opnieuw aan de Franse kroon schenken. Ook Jeanne d’Arc moet op deze “Champ” hebben gelopen gezien ze hieropslagplaatsen had voor de bevoorrading van haar legers.
Geen goesting om op deze grond eens te gaan overnachten ?
Deze schets schreef ik op basis van de gegeven geschiedenis van de stad Vierzon. Lees eens
"La ville en quelques lignes".
Bellon
Wellicht is deze foto van een andere datum. We vroegen ons wel af waar dit curiosum is gelegen. Zo’n wegwijzer laat ge niet links liggen. Op de Michelinkaart vonden we Bellon. Dit voorwaar landelijk stukje grond ligt op zo’n 46 km ten zuiden van Angoulème en dicht bij het stadje Aubeterre aan de rivier de Dronne . Wellicht is dit dorpje wat tegengevallen gezien de maker van deze foto geen commentaar gaf. Het scherpt wel onze nieuwsgierigheid te weten te komen hoe dit dorpje er uit ziet. Zelfs al bestaat het uit een kerkje, een boerderij, twee mesthopen en enkele koeien; hoe komt het aan onze naam ?
Wie iets meer zou weten laat het ons weten…
Fontvieille
De Provence, een stukje hemel op aarde. Tussen Les Beaux en Arles langs de D2, ligt Fontvieille. Hier ligt een poëtisch plekje. Een oude molen oogt mooi in het landschap,de krekels houden hun symfonie terwijl de hitte om je heen danst. Ooit schreef Alphonse Daudet hier zijn “ lettres de mon moulin” en “ les aventures de Maître Cornille ».
De molen die hier staat maakt deel uit van een groep Romeinse molens die sinds het jaar 1933 als Historisch Monument geklasseerd staan. Belangrijk evenwel is dat deze bloemmolen, Ribet genaamd, in het jaar 1923 in het bezit kwam van Hyacinthe Bellon en tot museum Alphonse Daudet werd ingericht. Tevens werd een vereniging opgericht, "Vrienden van de molen”, die het mogelijk maakten de molen te restaureren in het jaar 1933. Nu staathij er als weleer bij, terwijl de andere molens staan te vervallen. De wieken van de oude dame hebben regelmatig last van de hevige winden die in de streek voorkomen en moeten regelmatig gerestaureerd worden zoals in 2005 nog gebeurde.
Het museum over Alphonse Daudet is nu ondergebracht in de meelkelder, waar ooit de bloem moet gezeefd geweest zijn.
In Fontvieille zelf is er een straat genoemd naar de behoeder van de molen; de Cours Hyacinthe Bellon die u wel ergens op het stratenplan zal vinden in de website van de gemeente Fontvieille. Daar zal je ook de andere molens kunnen bekijken.
Hyeres
Hyeres, geschikt om uit te blazen. Een toeristische pleisterplaats nabij Toulon. In deze stad vinden we de rue Soldat Bellon. De maker van de foto meldt ons dat het om een niet onbelangrijke straat gaat en gelegen is in het commerciële centrum. In de website van Hyeres, komt de naam meerdere malen voor. Ons interesseert uiteraard wie die soldaat Bellon wel was en waarom hij een straatnaam kreeg. Wij lieten via het contactpunt van deze site een “ballonnetje “op en vroegen naar uitleg. Als ze iets laten weten, zal u het ook weten.
Als we de côte –d’Azur verder volgen en we bij Cannes de weg naar Grasse nemen bevinden we ons op de Route Napoléon. ViaDigne en het meer Serre Ponçon komen we in Barcelonette aan.
Barcelonnette
Over deze man, Jean André Bellon hebben we het al gehad. Hij was de zoon van Denis Bellon en Marguerite Grougnard. Met zijn schapen trok hij naar het zuiden en meer bepaald naar de vlakten van de Crau bij Arles. Hier komt hij ook te overlijden. Jean André liet bovendien een erfenis na, die in die tijd zeker niet te versmaden was. Een groot deel van zijn vermogen schonk hij aan het Hôtel – Dieu van Barcelonnette. Als één der grootse schenkers, aldaar “bienfaiteurs” genaamd, wordt er zijn portret als herinnering bewaard en staat zijn naam gebeiteld in de inkomhal.. Wat meer is, één der straten van de stad kreeg zijn naam: de rue Bellon.
Het kost ons geen moeite om in ons archiefinteressante naamgenoten op te dissen. Hun leven valt of viel immers op. Ze hebben of hadden wat te betekenen. Vandaar dat we ze in het daglicht plaatsen.
Er zijn familieleden en lezers van onze site, die her en derwat vinden over een Bellon en onsbeeldmateriaal en tekst hebben bezorgd, waarvoor dank..
Belon la folle
(Betreft een tekst overgenomen uit : J. Huizinga, Herfsttij der Middeleeuwen, Haarlem, 1952(8), H.D. Tjeenk Willink & Zn, blz 27)
“… Velasquez heeft ons de innigdroevige tronies bewaard van de’ dwerginnetjes’,die als zottinnen aan het Spaansche hof in zijn tijd nog in eere waren. Zij waren een gezocht voorwerp van vermaak aan de vorstenhoven der vijftiende eeuw. Bij de kunstige “entremets”( tussengerechten) der groote hoffeesten vertoonde zij haar kunsten en haar mismaaktheid. Madame d’Or, de goudblonde ‘dwergin’ van Philips van Bourgondië, was algemeen bekend. Men liet haar worstelen met den acrobaat Hans. Bij de huwelijksfeesten van Karel den Stoute met Margaretha van York in 1468 komt Madame de Beaugrant, “la(!) naine (dwerg)de Mademoiselle de Bourgogne, gedost als herderin, binnenrijden op een gouden leeuw, groter dan een paard. De leeuw kan den bek open en dicht doen en zingt een welkomstliedje; het herderinnetje wordt cadeau gedaan aan de jonge hertogin en op tafel gezet. Wij kennen geen klachten over het lot van die vrouwtjes, wel posten uit rekeningen die ons nog meer zeggen. Zij spreken ervan, hoe een hertogin zulk een dwergje liet halen uit haar ouderlijk huis, hoe de moeder of de vader haar kwamen brengen, hoe ze haar ook later af en toe kwam bezoeken en dan een fooi kregen: “ Au père de Belon la folle, qui estoit venu voir sa fille…”( aan de vader van Belon de gekke die zijn dochter is komen bezoeken)
Ging de vader verheugd en hoog vereerd over den hofdienst van zijn dochter naar huis ? In hetzelfde jaar leverde een slotemaker te Blois twee ijzeren halsbanden, één “ pour attacher Belon la folle et l’autre pour mettre au col(?) de la cingesse(?) de Madame la Duchesse”( om Belon de gekke vast te maken en de andere aan de hals van …de Hertogin te hangen (?))
( Laborde, III p 355,398. Le Moyen- âge XX,1907,p. 194-201)
Misschien vinden we nog wel het vervolg op dit stukje levensverhaal…
Artikel uit Het Bellonneke nr 4
ex/ perso.wanadoo.fr/bbcp/english/index.html
Bellon graaf van Carcasonne ( °ong 780 - +na 812)
Wellicht de oudste vermelding van een Bellon waarover we beschikken.
We zitten meteen in de tijd van de middeleeuwen toende Saracenen al werden verslagen door Karel Martel.
Deze Bellon heeft dus zeker Karel de Grote gekend en heeft misschien nog met hem aan de feesttafel gezeten naar aanleiding va zijn keizerlijke kroning.
Via dochterlief Emerganda zou hij ook de stamvader zijn van het geslacht Urgell-Besallu, graven van Barcelona.
Vermeldenswaard! Bellons, de Germanen ?! . Mogelijk hebben we nog hier en daar rechten in Barcelona en kunnen we gratis gaan slapen in de burcht van Carcassone ? Wie weet…
Over de burcht van Carcassonne is er een mooie website:
Hélène Bellon (1880-1950)
In 1909 schilderde Pierre Auguste Renoir (1841 -1919) Jeune fille assise, olieverf op doek, 55,5 cm op 65,6 cm Te bewonderen in het Musée d'Orsay in Parijs.
Model voor dit portret stond Hélène Bellon (1890- 1950), later Madame Garrache en nog later Madame Forestieri genoemd. Vermoedelijk woonde Hélène tijdens haar jeugd in de omgeving van Cagnes, of in cagnes zelf, waar Renoir sinds 1907 permanent verbleef. Cagnes ligt in de Provence aan de kust tussen Antibes en Nice.
Het duurste portret van een Bellon ?
(foto en tekst van Fr.Bellon)
Pastoor Bellon uit Wijgmaal
In de 'Annalen van Tildonk 1888-1901' lezen we het volgende over de meisjesschool van Wijgmaal: "A. Bellon, de ijverige pastoor van deze nieuwe parochie, wenste sedert geruime tijd een door kloosterlingen bestuurde meisjesschool. Daar hij niet over het nodige geld beschikte kwam de voorzienigheid hem ter hulp. Hij legde zijn verlangen bloot aan de heer Jan Van Bladel, pastoor van Herent. Nu was het zo dat deze over een niet onbelangrijk bedrag kon beschikken voor 'goede werken' en onmiddellijk besloot hij het aan te wenden voor die school, waarmee verscheidene families van zijn uitgestrekte parochie zouden gediend zijn. Hij liet tussen de twee dorpen, een mooi klein huis bouwen voor de zusters en enkele klaslokalen. De pastoor van Wijgmaal stelde zich dan in betrekking met het klooster van Tildonk om er de nodige meesteressen los te krijgen. Op 26 september 1893 werd de school geopend: meer dan honderd kinderen werden ingeschreven en enkele maanden later waren het er over de tweehonderd. Sindsdien groeide de instelling en er werd ook een bloeiend patronaat opgericht."
tekst via website www.wijgmaal.be/index.php/www/page/page2/historiek/23/d
Op 30.12. 1985 publiceerde de Standaard de lijst van onze landgenoten, ingeschreven voor de 8 ste Parijs – Dakar. Tussen de deelnemers in de categorie auto’s, een Pol Bellon… ’s Anderendaags in de Gazet van Antwerpen een foto van het team Johan Goossens –Paul Bellon.Paul Bellon was toen 46 jaar oud en een gekend figuur in Aalst. Johan Goossens, ook al bekend in de ajuinenstad, reed reeds de rally in 1984 met Van Lancker.Nu we nog een beetje in de sfeer zitten van de laatste Parijs Dakar willen wij hun verhaal in herinnering brengen.Dit stukje belevenis van een Bellon, in één van ’s werelds vermaarde rally’s, mag niet ontbreken in onze galerij over de familie Bellon. Ziehier een greep uit de meest avontuurlijke situaties, door Frans Bellon uit de kranten van toen bijgehouden:
“Voor België kwamen zij uit in de categorie auto’s. Het team Goossens –Bellon reed met een Mercedes 280 GE, benzine –motor.
Zondag 29 december
Gechronometreerde proloog in Cergy –Pontoise, een Parijse buitenwijk. Zeven uitgezochte kilometers: bulten putten, kuilen, modderpoelen… Volgens de inrichters een genot voor het oog. Het team Goossens – Bellon behaalt er de 162 ste plaats.
Nieuwjaarsdag
Vanaf 8 u. nemen achtereenvolgens de motoren, auto’s en vrachtwagens de start. Ongunstige weersvoorspellingen: koude, regen, ijzel en mist. Een tocht van ca. 1000 km via de N20 over Limoges, Brive, Cahors, Toulouse en Bésiers naar Sète, kleine haven aan de Middellandse Zee. Om de eerste dag al niet af te vallen, reed men, volgens Het Nieuwsblad “op eieren naar Sète”.
Zaterdag 4 januari Ghardaïa – El -Goléa
IJskoude nacht doorgebracht onder een tentje. ’s Morgens 165 km asfaltweg naar Ouargla, daarna van Ouargla een “speciale”, om en bij de 300 km, over hard gegolfd terrein met keien en sporadisch ook zandbanken. Door de Chaanba- woestijn naar de oase van El -Goléa. Paul Bellon heeft de gelegenheid ‘t eerst zijn navigatielessen in de praktijk te brengen. Goed resultaat, want het team eindigde als 118 de.
Maandag 6 januari: In Salah -Tamanrasset
Meer dan 700 km voor de boeg! Over het Mouydir-gebergte en als afronding een verbindingsrit tot Tamanrasset in het Hoggar- massief. In de stad van de Blauwe Mannen klasseerde het team Goossens- Bellon zich 115 de. Prachtig gereden ! Er waren veel uitvallers tijdens deze moordrit. Om 8 u. ’ s avonds waren nog maar 50 wagens binnengelopen.Het hele zware werk moet nog komen !
Donderdag 9 januari: Agadez – Agadem
Misschien wel de zwaarste rit. Door de Ténéré woestijn, vroeger de schrik van alle kameeldrijvers, nu een uitdaging voor mechanische paardenkracht. Er dienden 1000 km afgelegd in twee dagen. Een gebied met zandduinen, zo groot als ons land. Over stenen naar de zandduinen van de verschrikkelijke Erg du Ténéré, richting Bilma; 400 km niets dan zand…Vanaf Dirkou pal zuidwaarts: inrichter Sabine’s beruchte rupsbaan; duin op, duin af (60 tot 100 m hoog !!), met daartussen gangen van 400 m. Over 72 duinengalerijen, tegen de draad inrijden. Kortom een duivels plan. Komt er die dag nog een felle wind opsteken, de zichtbaarheid werd beperkt. Die dag noteerde men vele opgaves; velen wilden niet meer meedraaien in zo’n waanzinnige onderneming. Kortom Ténéré eiste haar tol: een ware slachtpartij !! Drama !?:Volgens het Nieuwsblad van 13 januari was men het team Goossens - Bellon kwijt ! Voordien had Goossens nog gezegd: “ Schrijf vlug nog een stukje over ons, want straks liggen we eruit.” Ook Paul Bellon was niet te spreken over Sabine’s collectief moordplan… In hetzelfde Nieuswsblad vertellen ze hun Ténéré - avontuur, onder de kop “Goossens –Bellon overnachten in de leegte”. In dit artikel schrijft de journalist vanuit Niamey, hoe de Ténéré een onvergetelijke indruk op hen naliet.” “ Het begon al tussen Agadez en Dirkou” aldus Paul Bellon.” Op weg naar Agadem – doorheen de fameuze 72 duinengalerijen – opnieuw hopen moeilijkheden. Muurvast in het zand soms. Gelukkig konden we rekenen op een vrachtwagen die ons tot drie keer uit de miserie hielp. Zomaar, onbaatzuchtig. Echt mooie gebaren worden hier gesteld, tussen kompleet vreemden. Tenslotte werd het donker, we zaten nog temidden de leegte. We besloten ter plekke te kamperen. Ik wist voorheen niet wat dat betekende: niets. Nu weet ik het wel. Geen enkel maar dan ook geen enkel spoor van leven in die buurt. Zelfs geen geraamte, geen gebleekte beenderen…”
Zaterdag 11 januari: Agadem – Zinder
Opnieuw door duinengalerijen en weer tegen de draad in, van noord naar zuid. Inrichter Sabine schreef in zijn reisschema: “Op kompas.” Geen levende ziel te bespeuren. Op verkenning zag ik alleen een kameeldrijver…die al een poos overleden was. Vreselijk !!! Sabine deed een concessie: hij liet merktekens langs het traject aanbrengen. Gelukkig, wie het haalt, ziet in Nguigmi het Tsaadmeer. Goossens – Bellon bereikten Zinder. Ze werden 111de, op meer dan 50 uren. Een fantastische prestatie.
Dinsdag 14 januari: Niamey – Gourma- Rharous
Wat een onvergetelijke dag had moeten worden zal voor Parijs – Dakar een zwarte dag in haar geschiedenis worden. Er moesten 800 km afgelegd worden. Eerst langs de linkeroever van de Niger tussen de loslopende geiten, schapen, kamelen…door het land der Sonraï naar Téra. Dan een tijdrit van 300 km langs een weg vol struikgewas en kleine bomen, recht naar Gao in Mali. Vervolgens een speciale rit doorheen prachtige roze duinen, maar daar hebben ze niet veel van gezien, een ware hel was het daar en dat tot Gourma – Rharous een onooglijk plaatsje langs de Niger op een boogscheut van het magische Tombouctou. Zandstormen links en rechts, al de hele dag door. Ergens in de lucht raakte een helikopter van de organisatie door een zandstorm in een noodsituatie. Het toestel vloog tegen een zandduin. Vijf doden, waaronder de inrichter Thierry Sabine. Algemene verslagenheid tussen de deelnemers en de sportwereld.
Woensdag 15 januari
Door het tragisch gebeuren trok het konvooi van de overblijvende deelnemers naar Bamako, waar de volgende dag opnieuw gestart zou worden. Het team Goossens – Bellon kon en mocht niet meer vertrekken wegens teveel behaalde strafpunten.
Ons team heeft de rally, buiten wedstrijd, uitgereden. Op woensdag 22 januari 1986 arriveerden zij in de Senegalese hoofdstad Dakar. Als familie zijn we uiteraard blij met de prestatie van die twee mannen. Ge moet het maar eens nadoen, zeggen we hier in Antwerpen. Reden waarom dit evenement vereeuwigd mag worden in de geschiedenis van de familie Bellon.
De vakantie staat voor de deur. Voor velen de meest aangename tijd. Misschien reist u dit jaar in de omgeveing van Briançon, Gap, Cannes, Nice, Castellane... Een bezoekje aan Barcelonnette is dan de moeite waard, zeker als je een Bellon bent. Barcelonnette en zijn rue de Bellon. De stad waar onze familie in 1978 hartelijk is ontvangen door de toenmalige gemeentelijke en departementele overheid. In het stadsmuseum zou nog ergens de penning moeten liggen (zie foto in de rand), geschonken door het Ministerie van Nederlandse Cultuur. Wat je zeker moet doen is even binnen lopen in het Godshuis, gelegen in de rue Bellon. De naam van Bellon André, een schaapsherder, staat daar tussen andere weldoeners op de muur ingebeiteld. Hij moet wel een hele som geld hebben gegeven, aangezien men van hem een waar schilderij heeft gemaakt. Vraag aan iemand ter-plaatse om het zien te krijgen. Zijn beeltenis hangt in een klein kamertje. Op een gedenkplaat ter ere van de oorlogsslachtoffers van 1914 - 1918 staan drie Bellons. Meer Bellons ga je ontdekken als je even tot in Fours wil rijden. Het is wel een smalle weg daar naar toe. Het baantje is niet geschikt om er snel te gaan rijden! De streek is er ruw en onherbergzaam. Adebenemd mooi.Hou halt aan het kerkje Saint Laurent. Dat staat er al van 1240.Om het te bezoeken moet je even binnen wippen bij Madame Arnaud, uitbaatster van het restaurant Le Pêcheur, recht tegenover de kerk. Bij het horen van de naam Bellon zal ze wel vol belangstelling vragen stellen hoe het is gesteld met de familie in Vlaanderen.Doe haar de groeten. In de kerk zie je rechts bij het binnenkomen het glasraam. Ter herinnering; Het is een werk van Ivo Bakelants uit Deurne. Het stelt de H. Sebastiaen voor, patroon van ons aller stamvader Sebastiaen Bellon (1751 -1825), die in Wetteren is komen trouwen met Philippa Vanderlinden in 1778. Links onder zie je het wapenschild van het graafschap Vlaanderen. Rechts onder het wapenschild van Barcelonnette. De tekst in het Latijn luidt (vertaald): "Vrome nagedachtenis aan Sebastiaen Bellon, geschonken door zijn afstammelingen uit Vlaanderen." Bedenk ook dat in dit kerkje op 17 januari 1711 Joseph Bellon werd gedoopt.Het mariabeeld links werd altijd getooid met het bruidskleed van de laats gehuwde.Misschien zit er nu wel de mot in. Even verder rijden of een stukje te voet lopen en je komt in het gehucht Les Bellons. Hier op het kerkhofje liggen vredig ingeslapen, verschillende Bellons. Op de flanken van de heuvels zijn nog enkele woningen te zien waar voorouders hebben geleefd. Als je nog even de tijd heb rij dan eens richting Pra Lou, een ski-centrum en neem de weg naar de Col D'Allos. Voor de klim zie je op een helling het zeer pitoreske kerkje van Les Angeliers. Op deze plek werd Sebastiaen geboren en misschien wel gedoopt in het kerkje. Sta hier even stil, sluit de ogen en adem eens diep in...Van hier kom je !
Dit artikeltje is speciaal geschreven voor de nieuwe generatie Bellons. Ik zou zeggen, een verplichting om er eens naar toe te reizen. Voor de oudere generatie zal het wellicht een gelegenheid zijn om een poosje in nostalgie te verwijlen. In verschillende Bellonnekes werd over deze streek heel wat geschreven. Mocht er iemand komen, ook van niet familieleden, schrijf eens een kaartje of laat ons iets weten achteraf. Aan allen een goede en welgemeende vakantie. MB
Boven: Zicht over de daken van Barcelonnette met rechts de Cardinalistoren. Midden links: het kerkje Saint - Laurent te Fours, vervolgens de hoofdkerk van Barcelonnette en rechts het kerkje te les Agneliers. Onder Barcelonnette in haar landschap
Over Bellons en waar ze woonden
Bellon André weldoener het gehucht les Gaudets
Bellons op het monument der les Girards waar Pascal zou zijn geboren gesneuvelden te Barcelonnette
In “Histoire, Géographie et Statistique du Département des Basses-Alpes” [1] van J.Féraud vonden we meer over Fours. Hoewel het vooral om geografische gegevens gaat, loont het toch de moeite Féraud’s tekst te vertalen.
Fours, in het Latijn Furnus, is de zetel van een douanekantoor en ligt in de gelijknamige vallei, 14 km ten zuiden van Barcelonnette en 98 km ten noord - oosten van Digne. Sommige naamkundigen beweren dat de naam Fours afkomstig is van een Romein, Furnus genaamd, die in deze streek werd verbannen en haar zijn naam gaf.
Door hun hoge gestalte, hun sterk gestel, hun in ’t algemeen aangenaam voorkomen roepen de inwoners van Fours het beeld op van de Oude Galliiërs. Vooral hun vrouwen staan bekend om hun fysieke kracht. Gebukt onder enorme lasten gaan ze langs diepe afgronden met een onbegrijpelijke vlugheid over de wegen, die hun vallei verbinden met deze van Barcelonnette
Voor de Revolutie maakte Fours deel uit van Barcelonnette. Er was geen consul[2] noch een ander gemeentelijk ambtenaar. Fours was slechts één der vele parochies van de Vallei van Barcelonnette.
De gemeente Fours heeft nu[3] een bevolking van 555 zielen, verspreid over 36 gehuchten. Kerkelijk wordt Fours verdeeld in drie parochies.
Parochie van Fours - Saint -Laurent
Zij bestaat uit acht gehuchten: Saint Laurent, le Villars, La Rousse, les Maurels, les Gaudets, saint –James, les Longs en les Girauds.
Bevolking 240 zielen. De parochiekerk, gelegen in de hoofdplaats Saint – Laurent, is toegewijd aan Sint –Laurentius, martelaar. Dit gebouw is tamelijk merkwaardig van constructie. Men kan ereen mooi schilderij bewonderen dat de Kruisafneming voorstelt. Onderaan leest men: “ Laurentius Gastaldus 1665”. In één der hoeken staat geschreven: ex voto Spiritus Leautaud”. Wat meteen de naam de schilder en van de schenker van het schilderij verklaart. Er is een lagere school.
Parochie van Fours –Saint-Louis.
Haar oprichting dateert van het jaar 1778. Zij ligt in de oostelijke uithoek van de vallei van Fours en bestaat uit acht gehuchten: Huix, Peyres -Juants,Cordiers,Bellons,Gaillards,Malboche, Juans, Ricauds en Doriers Haar bevolking bedraagt 135 zielen. Deze wijk van de gemeente Fours draagt de naam Bayasse. De parochiekerk werd gebouwd in 1778. Zij ligt evenals de pastorij, in het gehucht les bellons en draagt de naam van de H. Lodewijk, koning van Frankrijk. Er is een lagere school.
Parochie Villard – D’Abas.-
Deze parochie, ten westen van de voorgaande bestaat ook uit verspreide gehuchten en heeft een bevolking van 180 zielen. Zij werd ongeveer 40 jaar geleden opgericht. Er is ook een lagere school.
In de vallei van Fours heerst een uitermate koud klimaat. De helft van het jaar ligt er sneeuw, zodat dikwijls contact met de naburige gemeenten onmogelijk wordt. Alvorens de doden te begraven is men er soms verplicht hen maanden lang in huis te houden. Het is op een berg in de vallei van Fours dat men een grote rotsblok heeft gevonden, Pierre d’Annibal genaamd. Niet lang geleden vond een herder bij deze rotsblok een houten kist welke in de grond was verstopt. De kist bevatte een andere kist in ijzer waarin gouden vierkanten munten lagen zonder beeldenaar.
Tot hier Féraud. U moet er wel rekening mee houden dat inmiddels de bevolking aanzienlijk is afgenomen en de schrijfwijze der gehuchten niet altijd correct is.
De familienaam Bellon, van franse afkomst, ontstond vermoedelijk op verschillende plaatsen en kan ten vroegste erfelijk geworden zijn vanaf de 13 de eeuw. De naam kwam veelvuldig voor in de omgeving van Briançon ( Hautes Alpes) Barcelonnette en Clermont – Ferrand( Puy- de- Dôme ). Onze familie stamt wellicht af van Fours wat u elders wel al in ruime mate zal gelezen hebben.
Vanwaar die andere Bellons, zij die we vinden in Spanje, Mexico, Duitsland, Frankrijk, Italië, Amerika…?Ook bij ons zijn niet alle Bellons familieleden van elkaar…Er is tot hiertoegeen bewijs van enige verwantschap met hen .
Als kleine Vlaamse familie, afstammend uit de haute Provence, die enkel wisten hoe een uurwerk er uitzag en dat was al iets voor die tijd, hebben we oog voor onze naamgenoten al ofniet beroemd.
Ziehier enkele figuren uit ons archief:
Bellon Carlo en Claudio, wapensmeden uit Milaan, die rond 1490 aan het hof van Karel VII van Frankrijk in Bordeaux werkte.
Uit: Allgemeines Lexikon der Bildenden Künstler von der Antike bis zur gegenwart, 3 Band (Bassano-Bickham), leipzig, 1909,verlag van Wilhelm Engelmann, blz 269)(Het Bellonneke nr 1)
Bellon, Roger, Alexandre, Léandre: Beheerder van vennootschappen. Geboren te Suresnes (Seinte), 17 september 1905. Zoon van Paul Bellon, juridisch raadgever en van Mevr.Legrand. ten tweede maal gehuwd met Mej. Jacqueline Bondroit. Uit zijn eerste huwelijk heeft hij een dochter, Joell. Studeerde te Versailles aan het Lycée Hoche.Bezit een diploma van de Ecole des hautes études commerciales.
Hij stichtte achtereenvolgens het Laboratorium “ Roger Bellon” (1933), het laboratorium “Orga” (1937), de veeartsenijkundige laboratoria “Vet-Orga” (1943), de Algemene maatschappij van Antibiotica “Sogna” (1950), het Instituut voor toegepaste immunologie “Insima” (1952), vennootschappen die achteraf opgeslorpt werden door het laboratorium “Roger Bellon”De laatste fusie tussen Sogena en het laboratorium “Roger bellon” werd gerealiseerd in 1959. Beheerder van de “ Société française d’organo synthèse” en van de S.A. Allymer. Roger bellon is tevens uitvinder van talrijke farmaceutische produkten.
Onderscheidingen: Groot- officier in het Légion d’Honneur. Frans en Belgisch Oorlogskruis (1939-1945). Medaille van de weerstand. Officier van de “Santé publique.Medaille van de weggevoerden. Officier in de orde van Leopold II van België. Beoefende volgende sporten: Vliegen (ex-recordman snelheid), valschermspringen, ruitersport, jacht en golf…( het Bellonneke nr 2)
Bellon Louis
Zelfportret van Louis Bellon (1909-1998) groot 38 op 46 cm, links onder getekend en daterend van 1982. Deze schilder zet zowel figuratieve als niet figuratieve composities op het doek en heeft duidelijk karakteristieken van Cezanne. Louis Bellonis gekend en zijn werken werden tentoongesteld in Parijs,Dijon, Lyon, Grenoble, Marseille.
(via een familielid)
Bellon Elisa Albert
Elisa Albert Bellon, balletdanseres waarvan een lithographie daterend uit 1852 gemaakt door Eduard Kaiser (1820- 1895) een Oostenrijker. (via een familielid)
Het historisch archief bevindt zich in de Varkensstraat 6 Mechelen. Dat is dicht bij de Veemarkt. Voor de stoute denkers; de inplanting heeft hier niets mee te maken.
Het hedendaags archief is gevestigd op de Wollemarkt 15.
De poort van het historisch archief laat niets vermoeden over de grootsheid van dit complex.Dit gebouw herbergt niet alleen het archief en de bibliotheek maar is tevens een ontmoetingsplaats voor geestelijken en leken. Je kan er ook middagmalen. Via een paar gangen en het bestijgen van een majestueuze trap komt men in het eigenlijke archief. Bij het binnentreden valt onmiddellijk een groots schilderij op van een aartsbisschop die als het ware op jou staat te wachten. Je zit meteen in de juiste sfeer ! De ontvangstruimte en de leeszaal vallen wat klein uit. Op elke muur hangt evenwel een portret van, jawel, een Mechelse aartsbisschop.
Al wat het kerkelijk leven aangaat moet hier te vinden zijn. Brieven die de aartsbisschoppen hebben geschreven aan de bevolking, zoals bijvoorbeeld speciale verordeningen voor de vasten tijdens de cholera. Aanbevelingen voor de koetsiers en hun koetsen wanneer zijne eminentie naar Rome ging. Pastoors en priesters, kortom de gehele geestelijkheid die hun diensten hebben verricht in de talrijke parochies van het bisdom, hebben hier hun schriftelijke geschiedenis en liggen er over hen doodsberichten en – doodsprenten in de zeer talrijke archiefkasten. Boeken waarin duizenden namen staan genoteerd van diegenen die dispensatie hebben verkregen voor huwelijk of een of andere kerkelijke aangelegenheid. Als je wat moet weten over restauraties van een parochiekerk, je kan niet beter beginnen dan hier. Plannen, contracten, en rekeningen zijn er te bekijken en te bestuderen. Hier ook kan je nog een Status Animorium vinden.Dit is een soort rapport waarin de pastoor het kerkelijk en het geestelijk leven van een parochiaan noteerde. Buiten de samenstelling van het gezin wist hij ook nog welke krant en welke soort boekjes er gelezen werden. Ook tot welke politieke partij mijnheer behoorde en of er wel een kruisbeeld aan de muur hing. De kerk waakte over de staat van de ziel, zo was dat in die tijd. De duivel kreeg weinig ruimte en een wet over de privacy bestond toen niet. God kon blijkbaar rekenen op vele secretarissen. Wees echter niet te enthousiast, vele van deze staten zijn verloren gegaan of niet meer te vinden.
Kortom hier is nog heel wat onuitgegeven geschiedenis te vinden.Ook voor de genealoog. Om je maar melden waar we voor onze familiegeschiedenissen zoal terecht kunnen.
Deze foto werd genomen op de trappen van het stadhuis van Wetteren op 27 november 1976 waar liefst 87 Bellons, klein en groot, aanwezig waren. Het was de geschikte plaats om er een eerste bijeenkomst te organiseren gezien Sebastiaen Bellon er huwde met Philipa Van der Linden. Het was een groots feest waar het niet aan eten en drank ontbrak en er het toemalige oudste Bellonneke (80 jaar) werd gevierd. De Bellons konden verder genieten van de opgehangen stamboom en de menige foto's van verschillende voorouders.
De reacties waren niet overdonderend, maar dat hadden we verwacht. We zijn een braaf en wijs volk dat niet meteen in de kaarten laat kijken. Bovendien geven we niet graag persoonlijk commentaar als de wereld meeleest. We willen nu ook weer niet melden dat er weinig reacties waren. Totvoor kort kwamen ernog telefoontjes binnen van Bellons uit Middelkerke om ons te feliciteren met de opzet en of het niet mogelijk was het tijdschriftje“Het Bellonneke” ook richting kust te zenden.In Boom zijn er Bellons geweest die met Het Bellonneke zijn gaan rondlopen en navraag gingen doen bij andere familieleden of zij ook HetBellonneke hadden gekregen.Er waren er die op hun fiets zijn gesprongen om nog een “fotokopieke” bij te maken. Langs de e-mail kregen we superlatieven over de opzet Bedankt daarvoor. Ook een merci aan de tipgevers en aan diegenen die ons toevertrouwden niet in geschiedenis te zijn geïnteresseerd maar eerder uitkijken naar bijeenkomsten.
Alle begin is moeilijk.In de eerste plaats willen we via dit kanaal het Bellonneke promoten. Er zijn genoeg ideeën en faits divers, fotomateriaal om Het Bellonneke aantrekkelijker te maken. Papier geeft meer mogelijkhedenen het is plezanter’s morgens in de brievenbus een familieblad teontvangen.
Wij vinden wel dat de geschiedenis over onze voorouders publiekelijk mag gelezen worden. Onze site ligt goed in genealogische middens. Trouwens weet dat een copij van elk Bellonneke ,alvorens te worden gepubliceerd, naar de Vlaamse Vereniging voor Familiekunde wordt verzonden. Ook andere familie geschiedenis wordt via datasystemen veilig opgeslagen .Beschouw deze blog als een informatiepunt, een plek waar wat familiegeschiedenis te rapen valt en men via ingebouwdelinks naar andere familieblogs kan surfen. Om aan een intiemere communicatie tegemoet te komen hebben we in huidige blog een e -mailbox ingelast.
We hebben nog niet iedereen bereikt en hebbenwe nog mensen vergeten. Berichtons, geef ons uw e-mailadres, geef uw adres en vergeet niet te melden wie je bent.
Aan de vorm van de blog moet nog wat gewerkt worden. Reageer niet op de beoordelingen die altijd worden gevraagd. Wij zoekendat fenomeen te omzeilen. We zitten hier niet om “bloemekes” te ontvangen. Op radiofonisch gebied zullen we nog wat moeten zoeken om aangepaste muziek op onze artikeltjes te zetten.
Wij willen er dus wat van maken. De wil, de moed zijn er. Waarom niet streven naar een mooi Bellonneke, een mooie website en om met de grote familie eens bijeen te komen, de nieuwe generatie leren kennen.
Wij zoeken evenwel naar sponsors om ons initiatief te helpen verwezenlijken en zeker het Bellonneke mee te helpen lanceren.
Uw gift kan je kwijt op banknummer 750- 9090039-36 onder referentie Sponsor. De rekeningnummer draagt mijn naam.
Bedankt ! blog.seniorennet.be/foursafstamming zet hem in uw agenda of schrijf hem op uw zakdoek. Marc Bellon