HET IS NIET ALTIJD DE BUTLER DIE HET GEDAAN HEEFT
Inhoud blog
  • Het Jaar 11
  • THE END
  • Grieveltje
  • Meatlife
  • Split
  • Eerwaarde
  • Zijn alle zwanen wit?
  • Geen genade
  • KLKN
  • Trio
  • Black Musk
  • Engel in Avelgem
  • Droomoord
  • Maar ...
  • Stok
  • Bakkes
  • Horen en zien
  • Kersteningstijd
  • R@T
  • Zoete wraak
  • Wild!
  • Winnetou
  • Kid Katanga
  • He-Man, Robocop, Skeletor
  • Sluis!
  • Van de kook
  • George, seriemoordenaar
  • Droomvrienden
  • Kranig
  • DT !!
  • Something red
  • IJsdood
  • Dode adder (tail)
  • Dode adder (36)
  • Dode adder (35)
  • Dode adder (34)
  • Dode adder (33)
  • Dode adder (32)
  • Dode adder (31)
  • Dode adder (30)
  • Dode adder (29)
  • Dode adder (28)
  • Dode adder (27)
  • Dode adder (26)
  • Dode adder (25)
  • Dode adder (24)
  • Dode adder (23)
  • Dode adder (22)
  • Dode adder (21)
  • Dode adder (20)
  • Dode adder (19)
  • Dode adder (18)
  • Dode adder (17)
  • Dode adder (16)
  • Dode adder (15)
  • Dode adder (14)
  • Dode adder (13)
  • Dode adder (12)
  • Dode adder (11)
  • Dode adder (10)
  • Dode adder (09)
  • Dode adder (08)
  • Dode adder (07)
  • Dode adder (06)
  • Dode adder (05)
  • Dode adder (04)
  • Dode adder (03)
  • Dode adder (02)
  • Dode adder (01)
  • Cafépraat
  • Percussie
  • Want van u is het koninkrijk
  • DRAMA
  • Tentoonstelling! (02)
  • Tentoonstelling! (01)
  • Grote kuis
  • Openbare vervoering
  • Mensenmepper/Krijtschrijver
  • Een photo
  • Kwantum (De Negende)
  • Onbewaakte ogenblikken
  • Robin Cruysse, (dr)enkeling
  • Gastronomie
  • Een kraai in Cadzand
  • Aan het brood ontsnapt
  • Lotto
  • De Varkenshazy's
  • OBLOMOW
  • Dә klakkәlozәn 1
  • Dә klakkәlozәn 2
  • 'Zij die het leger ontbindt'
  • Nog een zeer kort verhaal
  • Zeer kort verhaal
  • Grensgeval (slot)
  • Grensgeval (20)
  • Grensgeval (19)
  • Grensgeval (18)
  • Grensgeval (17)
  • Grensgeval (16)
  • Grensgeval (15)
  • Grensgeval (14)
  • Grensgeval (foto)
  • Grensgeval (13)
  • Grensgeval (12)
  • Grensgeval (foto)
  • Grensgeval (11)
  • Grensgeval (10)
  • Grensgeval (09)
  • Grensgeval (08)
  • Grensgeval (07)
  • Grensgeval (06)
  • Grensgeval (05)
  • Grensgeval (04)
  • Grensgeval (foto)
  • Grensgeval (03)
  • Grensgeval (foto)
  • Grensgeval (02)
  • Grensgeval (01)
  • De Avonden
  • Boeftie
  • De rode fontein (Bloeddorst)
  • Make love, not war
  • License to Drink (A Mockumentary)
  • Donderdagpapers (end)
  • Donderdagpapers (17)
  • Donderdagpapers (16)
  • Donderdagpapers (15)
  • Donderdagpapers (14)
  • Donderdagpapers (13)
  • Donderdagpapers (12)
  • Donderdagpapers (11)
  • Donderdagpapers (10)
  • Donderdagpapers (09)
  • Donderdagpapers (08)
  • Donderdagpapers (07)
  • Donderdagpapers (06)
  • Donderdagpapers (05)
  • Donderdagpapers (04)
  • Donderdagpapers (03)
  • Donderdagpapers (02)
  • Donderdagpapers (01)
  • Ogen gesperd dicht
  • Paaps of Turks
  • Tearoom Tilly
  • Liefdadigers
  • 'De handel waarvan gij slapte vreest'
  • Windy City
  • Epoque
  • Kop-en-schotel
  • Waarom god zwijgt
  • Curriculum Vitae
  • Smashing
  • You're in the Army Now
  • You're in the Army Now
  • You're in the Army Now
  • You're in the Army Now
  • Moord op Mama
  • Als het hert spreekt
  • Rolex
  • Raaf !
  • Braaf !
  • Horse Called Greenpeace 7
  • Horse Called Greenpeace 6
  • Horse Called Greenpeace 5
  • Horse Called Greenpeace 4
  • Horse Called Greenpeace 3
  • Horse Called Greenpeace 2
  • Horse Called Greenpeace 1
  • Au Relais @ Pietie's
  • Schaakmaat (07)
  • Schaakmaat (06)
  • Schaakmaat (05)
  • Schaakmaat (04)
  • Schaakmaat (03)
  • Schaakmaat (02)
  • Schaakmaat (01)
  • Charon
  • Levend begraven in Rhodesië
  • De horlogemaker
  • Bloed & Wonden
  • Ruis
  • Tweering
  • A Dog's Life
  • Encyclopaedia Britannica
  • The fly
  • Luchtgevecht
  • De vogel
  • Een dezer dagen
  • Kunst met peren
  • Etappes
  • Rach 3
  • Coupable
  • Q8
  • Suzannes herenhuis
  • De mystery shopper (m/v)
  • Rigor Fortis
  • Driekoningen
  • Darwin, geen leven
  • Het peperkoekenhuis
  • Wurgseks
    Zoeken in blog

    MOORD! (Geraldine Roslare)
    VERHALEN MET EEN VREESLIJKHEIDSGEHALTE
    19-12-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het Jaar 11
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

                                HET JAAR ELF                                                                                                         

                        GEMENGDE GEVOELENS

                              (Een journaalboek)                                                          

                                                        SJORS DNO
       

    INTRO


    Wordt het jaar elf een scharnierjaar in de eenentwintigste eeuw? Horen we het tandenknarsen van een nog jonge eeuw of zwaaien de poorten naar verandering gezwind en geolied open? Gemengde gevoelens overheersen: misschien vallen er lessen te trekken uit de Arabische Lente die een bloedhete zomer werd, de Japanse natuurramp die ook het menselijk falen evoceerde, de binnenlandse euforie (bij velen) van veranderend stemgedrag die in regeringloosheid verzandde, de yeswecanslogan die afgezwakt moest worden om de Verenigde Staten voor faillissement te behoeden.

    Het getal 11 is van oudsher ‘gekleurd’. Het wordt, zeker na 11 september 2001, ook als een bijzonder wrang getal gezien. Het is het eerste meestergetal binnen de Kabbala. Elf is in het dagelijkse spraakgebruik het gekkengetal. Elf overschrijdt het geheel van de tien geboden. Binnen de dertiendaagse scheppingscyclus van de Maya’s staat het getal elf voor tijdelijke dissonantie en chaos. Je zou daarbij kunnen denken aan de elfde september, toen de Twin Towers, die samen het cijfer elf vormden, tot verbijstering van velen instortten. Ook in de numerologie is 11 het eerste meestergetal. 11 heeft in zich de 1, maar ook de 2, omdat 1 + 1 = 2 is. Daarom wordt de 11 als een lastig, moeilijk getal gezien met tegengestelde tendenties in zich. Dat wijst op innerlijke strijd; 11 wordt dan ook als de strijder gezien.

    Dit is HET JAAR ELF geweest:

    Bijlagen:
    HET JAAR ELF.docx (564.2 KB)   


    25-07-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.THE END
    THE END

    Letterkundige teksten doen iets met een werkelijkheid.
    Proza windt er minder doekjes om dan poëzie.
    Verhalen schrijven is een fraai en nobel spel met woorden.
    Het is ook ernst.
    Maar een werkelijkheid overtreft soms fictie.
    Tot ons afgrijzen.
    Naar aanleiding van de gruwel in Oslo medio 2011 doe ik deze verhalenblog inslapen.
    Woorden moeten hier te kort schieten.

    The rest is reality.

    23-06-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Grieveltje

    GRIEVELTJE

    Een ruiker paasbloemen ontsierde de tafel. Door die bloemen konden ze mekaar niet goed zien zitten. Er was koffie en gebak. De kopjes en de schoteltjes, daar had een Boergondisch postorderbedrijf voor gezorgd. In een kast met in lood gevatte schuifraampjes stond een onvolledige Winkler Prins receptenverzameling en een dik boek van Walter Van Den Broeck, moederziel alleen daar tegenaan leunend.
    ‘Hij gaat nu nog springen ook,’ zei iemand.
    ‘Ja?’
    ‘Die cursus is al vier weken bezig en nu zaterdag al, eh … ja: zaterdag, springt ie voor de eerste keer.’
    ‘Amaai. Rina is daar zekers nie gelukkig mee?’
    ‘Ne vogel als vent, hihihi!’
    ‘’Kunt ge peinzen! Zoudt gij op uw gemak zijn?’
    ‘En dan moet ge hem eens horen vertellen over de vrije val! D’er is al een keer eentje gewoon te pletter gevallen, jaja: zo doodgewoon naar beneden gekukeld, dat vertelde hij erbij. Hij zat tot aan zijne kop in de grond.’
    ‘Jaja, daar is-‘t-ie sterk in.’
    ‘Tja … ieder zijn goesting hé. ’t Is zijn eerste en zijn laatste stoot nog niet hé.’
    ‘Neenee.’
    Een tijdlang hoorde men het getik van vorkjes op postorderschoteltjes.
    ‘’t Smaakt hoor.’
    ‘Ja.’
    ‘Met zoiets kunt ge nooit missen.’
    Een hand schoof de vaas met bloemen opzij om aan de suiker te kunnen.
    ‘Hebt ge dat gelezen?’
    Iemand knikte naar de boekensteun van Van Den Broeck.
    ‘Die brief naar onze koning?’
    ‘Ja.’
    ‘’k Ben d’er een keer in begonnen, maar ‘k heb te weinig tijd voor zo’n boek. Enfin, zo’n dikke brief … hihi.’
    ‘Wie is die Van Den Broeck eigenlijk?’
    ‘Een schrijver, op een echte eenzame hoogte,’ zei iemand die tot nu toe nog niet gesproken had.
    ‘Wat?’
    ‘Een schrijver. Hij heeft er al een grote prijs mee gewonnen.’
    ‘Gekaapt, dat zeggen ze ook.’
    ‘Ach ja.’
    ‘Is dat ook al een beroep?’
    ‘’t Komt van de boekenclub zekers?’
    ‘Ja. We hebben te laat onze kwartaalbon ingevuld en plotseling kregen we dat aan ons been.’
    ‘Nu, ’t is geen misser geweest.’
    ‘En ’t heeft een prijs gekregen, zegt ge?’
    ‘Ja. Maar welke juist, dat weet ik niet meer hoor. ’t Stond in al de kranten.’
    ‘’t Is nog nie lang geleden zekers?’
    ‘Nee.’
    ‘Die Van Den Broeck, of hoe is zijn naam juist, die zou dus ook eens zijn eigen postzegel kunnen krijgen.’
    ‘Haha.’
    ‘Als de tarieven voort zo opslaan, zullen ze d’er nog veel nieuwe moeten uitvinden. Subiet is 2 euro ook al nie genoeg meer om een simpele brief te versturen. Wat doen ze dan met al die oude zegels?’
    ‘Als die daar zijne dikke brief opstuurt, moet er zekers 100 euro op?’
    ‘Hahaha!’
    (Allen keken nu naar het moederziel alleenstaand boek van Walter Van Den Broeck, aanleunend tegen een onvolledige Winkler Prins receptenverzameling. Het gelach was niet van de lucht en het was Pasen.)
    ‘Misschien moet hij wel niets betalen daarvoor. ’t Is goeie reclame voor de koning hé!’
    ‘Jaja, haha!’
    Iemand stond op en schonk de liefhebbers nog eens in. Niemand legde een afwerend handje op zijn postorderkopje.
    ‘Dank je.’
    ‘Dat zal ergens deugd doen.’
    ‘Luister een keer naar dat weer! ’t Kan weer niet op.’
    ‘En dat voor april. Je zou er geen hond door jagen.’
    ‘Passeert de Ronde van Boergondië hier vandaag niet?’
    ‘Hei! Hei! ’t Is hier geen toneel van Claus hé! De Ronde van Boergondië passeert hier vandaag nié, begrepen?’
    ‘Ze passeert elders zekers? Hihihi!’
    ‘’En dan?’
    ‘Pff.’
    ‘Wel?’
    ‘Ze moet toch érgens passeren zekers?’
    ‘Jaja, gij gaat ’t wel zeggen. Dat is al twee weken geleden, slimmeke. Ge moest een andere koers uitgekozen hebben om mee te lachen. En gij woont toch ook in zo’n boerengat?’
    ‘Ik lach daar toch nie mee!?’
    ‘Nee zekers! ’t Scheelt toch nie veel. Ge zoudt nog de eerste zijn om naar buiten te lopen als ge een luidspreker zoudt horen.’
    ‘Allez allez: geen spel hier hé! Drinkt uw koffie op voordat hij koud wordt.’
    ‘Ik drink graag koude koffie.’
    Met een lichte klap viel plotseling het boek van Van Den Broeck in de kast om. De in lood gevatte schuifraampjes trilden even mee van de opwinding.
    ‘Oei. Kijk nu!’
    ‘D’er passeert weer zo’n groot getrek zekers?’
    ‘’t Is toch al maanden dat de straat hier doodloopt!? De barrière op ’t einde is ook voorgoed toe.’
    ‘Nee, d’er is bijna geen verkeer meer. Ze weten het nu wel. Wie nu nog doorrijdt, is een kieken.’
    ‘In ’t begin was ’t nogal een gemanoeuvreer zekers hier?’
    ‘Dat ziet ge van hier.’
    ‘Zeg: zet dat boek weer een keer recht. Subiet valt heel mijne winkler prins ook omver. Een appelflauwte, hihihi!’
    ‘Menuutje.’
    ‘Die recepten, hebt ge die allemaal gelezen?’
    ‘Da’s nie om te lezen hé.’
    ‘D’er wordt hier af en toe goed gesmikkeld zekers?’
    ‘Ge moest eens meer afkomen, dan zoudt ge dat zien. Dan zult ge ’t wel ondervinden. Met uw eigen ogen.’
    ‘Soepogen.’
    ‘Hihihi.’
    ‘’t Is maar een woord!’
    ‘De jongste in het gezelschap pierde een sigaretje. (We herkennen in deze figuur Repelsteel Van Der Weyden.) Hij morste geparfumeerde korrels op het hagelwitte tafellaken dat als een maagdelijke bruidsjapon etc … of als een sneeuwtapijt etc … ‘Zeg, ze groeien op uw rug zekers?’
    ‘Aha. Da’s dan dat wat ik de laatste tijd zo voelde jeuken!’
    ‘’Hè hè hè!’ (Geuit door een dichte verwant van de jongeling, zelf ook nog betrekkelijk jong, maar met vast werk.’
    ‘Hij zit nooit om een antwoord verlegen.’
    De jongste schraapte nu met zijn rechterhand de korrels bijeen en ving die in het plastic pakje op.
    ‘’t Is nog de goedkoopste niet dat ge smoort.’
    ‘O, dat scheelt allemaal nie veel.’
    ‘Het beste is nog van nié te smoren.’
    ‘Jaja, zeg dat maar tegen de muren. En kijkt eens naar mijn gordijnen!’
    Enkelen begonnen nu ook diverse dingen te roken of te laten roken: een Hollands sprietje, een gekochte Belga, een pijp, een serieuze sigaar. Eén vrouw rookte ook mee: een filter, Stuyvesant.
    ‘k Ga het raam een beetje openzetten.’
    ‘Ja, dan kan de luchtvervuiling binnenwaaien.’
    ‘Hela! Zit de wind wel goed? ’t Vettekot werkt in ’t weekend ook hoor!’
    ‘De wind komt nu van aan de draai ginder. ’t Is goed.’
    ‘Als ’t nu maar nie te koud wordt hier, met zo’n weer.’
    ‘Niet smoren, hé!’
    ‘Of je warmsmoren!’
    ‘Rrr!’
    ‘De bel gaat, luistert.’
    ‘k Ga een keer zien wie dat wel mag zijn.’
    Een vrouw begaf zich naar de smeedijzeren voordeur en sleurde die moeizaam met één hand open, want in de andere hield ze de filtersigaret als een maagdenkaarsje omhoog. Je merkte dat ze ’t niet gewend was.

    (Wie had aangebeld? Zeker geen pastoor in lange rokken, want dit is geen roman van Roobjee, Pjeeroo. Ook geen ex-gevangene met een Franse voornaam die veel in Vlaanderen voorkomt, want dan zitten we weer bij Claus, Hugo. Misschien was het Kilroy? Peeping Tom? Baekelandt? De Leprechaun? De Graaf van Monte Christo? Robin Hood? In dat verdomde nest hier is alles mogelijk.)

    Nee, nee: ’t was verdorie Grieveltje-uit-Ullegem!
    ‘Ah! Dag Grieveltje! En ’t is geen wekedag, jong!’
    ‘Neet madam, neet: ’t weet dat wel. Maar ‘k moest passeren en ’t is simpelweg om te komen zeggen dat ge morgen of vandeweek een keer weer bij Susa Nina zoudt moeten binnenlopen.’
    ‘O?’
    ‘Ze kan weer geen weg. En ‘k moest hier nu toch passeren, en ‘k dacht … ‘
    ‘’t Is al goed, Grieveltje. ’t Komt in orde.’
    ‘Bedankt madam. Als ge dat wilt doen.’
    ‘Allez: tot morgen misschiens hé.’
    ‘Ja madam. Nog een keer bedankt. Aan ’t feesten zekers?’
    ‘Bah ja, ge kent dat hé?’
    ‘Ha ja.’
    ‘Allez: goeiendag hé!’
    ‘Goeiendag madam.’
    De vrouw morste as in de gang toen ze de deur voor Grieveltjes neus weer dichtduwde. Ze hurkte en probeerde de vuiligheid met haar hand op te scheppen. Het askegeltje rolde echter steeds verder weg, tot tegen de muur, voortbewogen door een tocht die van onder de voordeur blies.
    ‘Godver.’
    Het kraakte in haar dikke knieën toen ze, als een eend maar zonder kwaken en zonder pluimen, één poot verder opzij zette;
    ‘Dààr, begot!’
    Met deze niet-provinciale vloek stampte ze ten slotte het kegeltje plat. INTUSSEN WAS ER ECHTER AL EEN TWEEDE ASKEGELTJE AAN HAAR SIGARET GEGROEID! Ze haastte zich weer naar het gezelschap.
    ‘Wie was ’t wel hé dat ge zo rood ziet!?’
    ‘Die vent van Susa Nina … pff … Ze kan weer geen weg. Grieveltje vroeg of ‘k morgen ga.’
    ‘Jaja, ’t is weer ’t zelfde liedje. Da komt nie meer goed.’
    ‘Grieveltje? ’t Is toch zo hé? Rare naam. Waar komt dat van.’
    ‘’t Is lijk een naam voor een spookske.’
    ‘Da komt van vroeger, van in ’t toneel. Grieveltje – verdraaid, ‘k moe moeite doen om op z’n echte naam te komen, zie je wel: ‘k weet het nu niet, ’t schiet me … – ewel, Grieveltje was in zijne glorietijd de penningmeester van ’t parochietoneel. En iedere keer als dat toneel iets speelde, maar Grieveltje zelf – tiens, hoe heet die nu eigenlijk – eh … Grieveltje speelde zelf nie mee, eh … iedere keer als ze iets speelden, moest Grieveltje vooraf op de scène komen en een woordje uitleg geven aan de mensen die kwamen kijken. En op ’t einde zei ie altijd dat ze niet mochten zitten grievelen met papiertjes van snoep en zo, want dat dat stoorde. En … ah ja, hij zei dat iedere keer hé en zo, op den duur begonnen de mensen mee te zeggen van dat grievelen en zo.’
    ‘Hij moest dat zeggen van de voorzitter misschiens.’
    ‘Ah ja.’
    ‘En zijn wuufke is nu weer niet te been. ’t Is toch wat.’
    ‘Is-t-ie al oud misschiens?’
    ‘Oud? Bah, ‘k zou het nie weten. Maar we gaan daar onze patatten halen hé.’
    ‘Ah ja.’
    ‘Een paar keers aan de klap geraakt. ‘k En kan geen mensen in de puree zien zitten, ik. Zij is al een beetje van ouderdom, ja.’
    ‘En alzo doet gij ook uw goed werk.’
    De meeste opgerookte dingen werden nu doodgeduwd in de krullerige asbak met het gouden blaadje eraan, waarop één sigaret even te rusten kon worden gelegd. Hierbij botsten de hand met de opgerookte Belga en de hand met het opgerookte Hollandse sprietje onzacht.
    ‘Au, godver … ‘
    ‘Ik was eerst, makker. Sigaren gaan voor.’
    ‘Noemt gij dat een sigaar?’
    ‘En ge moet uw nagels knippen.’
    ‘Tuttuttut!’
    De jongste stond nu op en stak een cassette in de radio.
    ‘Hei! Kan dat ook daarin?’
    ‘Da’s wel gemakkelijk hé!’
    ‘Wat is ’t dat ge oplegt?’
    ‘Oplegt, oplegt: d’erin schuift, bedoelt ge! Hihihi!’
    ‘Simon en Garfunkel.’
    ‘Karbonkel wie?’
    ‘Wat?’
    ‘Een concert in New York van twee zangers. In openlucht. Niet gezien op de tv?’
    ‘Nee.’
    De eerste tonen weerklonken.
    ‘Zeg, noemt gij dat een concert?! Ze beginnen al met te roepen en te tieren voordat ze … ‘
    ‘’t Is uw genre nie zekers.’
    ‘‘k Heb geen ene zanger die ik graag hoor. ’n Beetje muziek op de achtergrond, da’s al genoeg voor mij.’
    ‘Voor mij ook. Ge zoudt beter een keer luisteren.’
    ‘Jaja. En hoorndul worden zekers!’
    ‘Oei! (Een andere vrouw). ‘En ‘k had nu wel die jenever koel gezet! Wie moet er eentje?’
    ‘AH!’ (Drie mannenstemmen).
    ‘Ge moet ons nie forceren hé moeder. Allez.’
    Kleine unic-glaasjes werden op tafel getoverd. Weer verschoof iemand die vaas met bloemen.
    ‘Laat dat nu een keer staan. ’t Zijn zulke schone.’
    ‘Maar ‘k zie niks.’
    ‘Als ge ‘t maar hoort.’
    ‘’k Zou op den duur scheel beginnen kijken. ’t Is allemaal geel voor mijn ogen.’
    ‘Scheel en geel, da’s gezond. En ’t rijmt nog ook, haha.’
    ‘Wat zit gij daar nu zo in uzelf te lachen? Als ’t een klucht is, vertelt hem dan maar hé.’
    ‘’t Is met dat grievelen nog altijd.’
    ‘O, gij kunt gij wel tegen nie veel.’
    ‘Gij ook een druppel?’
    ‘Ja?’
    ‘Ja.’
    ‘Stuikt hem niet omver.’
    ‘‘k Zal hem wel in mijne mond omstuiken.’
    ‘Hoor dat een keer!’
    ‘Pff. Grievelaars!’
    ‘Haha! Grievelaars zegt hij! Goed gevonden hé?’
    ‘‘k Zei toch al dat-ie nooit om een antwoord verlegen zit?’
    ‘Allez jongens: santé!’
    ‘Ja. Santé. Op den zaligen hoogdag. Dat we er nog veel mogen beleven.’
    ‘En op Grieveltje-uit-Ullegem, hihi.’
    ‘Gij lachers!’


    22-05-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Meatlife

    MEATLIFE

    Hij noemde haar soms De Rode Ridder
    omdat haar kapsel er zo middeleeuws uitzag,
    soms Jeanne d’Arc
    omdat er naast haar huis onveranderlijk een stapel brandhout lag.

    Wanneer hij haar in haar aars nam, stootte hij ridderlijke kreten uit.

    < HO! HA! HOHA! >

    Wanneer hij haar voorste liefdesgrot bevolkte, uitte hij vurige klanken.

    < SSS …. (implosief) … AAA … AAA … >

    Ah, immortality!

    Dat alles gebeurde noodgedwongen in het ‘diepste’ geheim.

    Immers.

    Hij was schoonmaker in het abattoir Corneille-Staes.
    Zij was de dochter van de slachthuisbaas en studente lerarenopleiding.

    Les extrêmes se touchent. ( ! WANT DE UITEINDEN VOEDEN ELKAAR ! )

    How come?
    Listen.

    Er was het liefdadige kerstdiner van de firma Corneille-Staes. Hanentestikels en zwijnenkop op het menu. Je werkt op een slag/slachtveld of je werkt er niet …
    Liefdadige dochter Inez viel toen voor de schoonste schoonmaker Lutz, na een gesprek over kanonnenvlees uit de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog. Jonge gesneuvelden brachten levende lijven nader tot elkaar.


    Leraarschap en schoonmakerschap versmolten met elkaar tot ze elkaar ophieven. Inze en Lutz hielden vol, ondanks bloederigheid alom. Ze maakten kinderen en slachtten dieren. Tot wanhoop van de slachthuisbaas en diens wettelijk geregelde vrouw.

    De oude Corneille ging dood. Zijn vrouw kort daarna ook.

    De opvolging was verzekerd: Lutz en Inez beheerden abattoir Corneille-Staes.

    Ah, love & business!

    Maar zoals de dood met de vinger op zijn lippen door het leven sluipt, zo naderde haneschree na haneschree de economische crisis. Nieuwe loopgraven ontstonden. Lutz en Inez hadden er één flauw idee van. Er kwamen plotseling geen wagyu-orders meer binnen. Op een nacht braken zestig kostuumpjes op Lutz’ lijf het zweet uit. Hij ijlde. Een hond naderde, in de vorm van een hond. Wat nu geblazen? dacht Inez slapeloos. Een bankier dook in het donker.

    1929, 1987, 2001, 2008, 2013

    < draadloze diepzeegedachten vandaag zo’n dinsdag met regen in rome en zon in de kelder de beurs is beurs joelend gooit de sjamaan een handvol doodsprentjes in het portaal en vlucht als de wind weer henen het huis rammelt als een spaarpot oude centen en omhult ze als een sarcofaag >

    ER LIGT EEN DODE DIERENDODER OP DE LAATSTE LOPENDE BAND IN ABATTOIR CORNEILLE-STAES.

    Hij had er één flauw idee van.

    Rosbief voor Inez en diegenen die uitdrukkelijk uitgenodigd waren om de familie te volgen.

    Vleselijk.


    11-04-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Split

    SPLIT

    Op het ogenblik dat Erica Blankenbergh op vrijdagavond in sfeercafé De Woede der Noormannen een tomatensap aan het uitschenken was voor de schepen van Sport, begon de aarde in tweeën te splijten. De aarde, synoniemen: wereldbol, aardkloot, blauwe planeet, wereld, Moeder Aarde, het ondermaanse. Dat ging aanvankelijk gepaard met een onhoorbaar gekreun uit de diepste ingewanden van deze Moeder, dat alleen op de schaal van een dichter te registreren zou zijn. Die vrijdag vloeide ongemerkt over in een zaterdag, zoals dat al eeuwen het geval was geweest. Maar die zaterdag woei het overal ter wereld opvallend hard, ongeacht of het daar dag, nacht, zomer of regenseizoen was. Het was een teken aan de wand. Achtenveertig uur later liep er een totale breuklijn over de gehele aardkorst, van oost naar west, heen en terug de wereldbol omspannend. De breedte ervan bedroeg vijftien centimeter. Alsof de Grote Kaasmeester van het Heelal met Zijn kaasmes door de klont was gegaan en Noord- en Zuidkaas onherroepelijk van elkaar had gescheiden. De breuklijn liep zelfs dwars door Maagdenburg, of all places. IJlings werden peilingen uitgevoerd, en die wezen op het onvoorstelbare: de aardbol was inderdaad middendoor aan het splijten. Over een week zou men een polsstok nodig hebben om van de ene naar de andere helft te huppen. En weldra zou men aan beide kanten van een brede grand canyon naar elkaar staan schreeuwen. Reeds kolkte in bepaalde streken een kleine hoeveelheid magma naar boven. De aarde kookte inwendig hevig. Het eigenaardige was dat zeeën en oceanen als kokend water in de diepte verdwenen, hoe smal die breuklijn aanvankelijk ook was. Gigantische lege kommen bleven achter, althans: leeg van water, want ze waren voor een derde volgestouwd met menselijk afval van een paar eeuwen welstand. Ook die kommen vertoonden op hun bodems craquelé, tot ze uiteindelijk net zo goed in tweeën spleten en de aldus ontstane geul ( … in het verlengde van de aardgeul … ) geleidelijk alle afval opslokte die in die richting af gleed. Oceaanwater en eeuwen afval verdwenen voorgoed in de kosmos, losgelaten door de aarde, waarvan de beide droge helften zich steeds verder van elkaar verwijderden.

    ‘Zo, dat is dus het fameuze einde van de wereld,’ constateerde Erica Blankenbergh nuchter. Ze was een van de miljarden mensen op aarde die niet in god of ‘een’ god geloofden. De ovenwarme kloof van de aarde liep als een evenaar door De Woede der Noormannen. Erica hupte over de inmiddels dertig centimeter brede spleet, sigaret in de ene, glas rode wijn in de andere hand. Eigenaar Ernie zat mistroostig naar de scheuren in zijn muren te staren. Hij geloofde wel in de ene God van hemel en aarde.
    ‘Waarom moet uitgerekend De Woede der Noormannen getroffen worden?’ vroeg hij zich hardop af.
    ‘En zeggen dat die breuk ook door de Colruyt loopt,’ antwoordde Erica. ‘Uitgerekend hier door De Woede en door ‘mijn’ Colruyt verdorie.’
    ‘Zelfs door Maagdenburg, heb je het gelezen?’ zei Ernie droevig. ‘Dit is erg.’
    De wereldpers bivakkeerde natuurlijk overal ter wereld langsheen de breuklijn, aan beide kanten ervan. Elke extra centimeter opening werd nauwlettend geregistreerd en becommentarieerd, in alle denkbare meeteenheden van de wereld, nou: werelden. Mensen die langsheen of op de aardbreuk woonden of werkten, werden geïnterviewd. Vooral Maagdenburg kreeg de persmeute over zich heen. De halve bollen zaten nog onlosmakelijk in het collectieve geheugen.
    ‘De kloof wordt steeds groter,’ rapporteerde men wrang, een cliché opduikelend uit de non-profitsector, die het vaak had gehad over de welstandskloof tussen Noord en Zuid.
    Ook barmeid Erica Blankenbergh was al ondervraagd, in drie verschillende talen. Of zij voorheen in de omgeving van De Woede der Noormannen iets eigenaardigs opgemerkt had? Iets gehoord ondergronds? Een raar gevoel had gehad? Voorgevoel misschien?
    ‘Nee, no, nein,’ had Erica geschud. ‘Only the sudden wind on that Saturday, that global wind, you know. Es war so … ’
    ‘And you are a waitress?’
    ‘Yes I am.’
    ‘Do you think this is the end of the world?’
    ‘I think it’s the beginning of two worlds.’
    ‘May we have your full name for the records?’
    ‘Erica Blankenbergh.’
    ‘Thank you, Erica.’
    Sfeercafébaas Ernie werd met rust gelaten, want die beheerste alleen maar zijn dialect.

    Toen de breuklijn via de spleetfase echt een kloof van anderhalve meter breed was geworden, werd het verbijsterend duidelijk dat Moeder Aarde op een bestaan in twee werelden aan het afstevenen was. De Woede der Noormannen en de Colruyt een kilometer verder werden ongenadig in tweeën gesplitst en dienden onverwijld hun lucratieve werkzaamheden te staken. Dat gebeurde overal ter wereld in de concreet getroffen etablissementen en op openbare plaatsen: kerken, musea, scholen, parlementen, ziekenhuizen, kazernes, markten, sportterreinen, vliegvelden, … In Maagdenburg vergaderde ijlings een Wereldraad van Wetenschappelijke Wijzen; de afko WWW kreeg hier een andere dimensie. De helft van de geleerden werd er per vliegtuig aangeleverd. Die WWW had geen goed nieuws te melden. Doemdenkers voorspelden dat de aarde verder in kwartjes opgedeeld zou worden, zoals een sinaasappel. Vooralsnog echter bleven op de beide helften de consistentie en de zwaartekracht zich handhaven. Bijgelovigen gooiden munten in de spleet. Verzekeringsmaatschappijen van een ene helft richtten ijlings filialen op de andere helft op. Die geloofden ook nog in een god: die van het geld. Geologen gooiden trapladders naar beneden, maar werden op een bepaald dieptepunt gepocheerd, gebraden, gekookt of geroosterd. De kloof spuugde ze geradbraakt weer uit. Langsheen de hele breuklijn verrezen aan beide kanten hoge afrasteringen, want meer en meer hopelozen bestelden hun lijf ter diepte.

    Werd het tijd voor overbruggingen voor de beide werelden? Rekbare of rekkelijke bruggen in de hoop dat de kloof op een bepaald punt of ogenblik niet te breed werd, stagneerde, ja: zelfs weer minder zou worden? In Maagdenburg was dat een van de vele discussiethema’s onder ingenieurs, geologen, fysici en chemici, naast de panieksessies van de humaanwetenschappers. Misschien moesten de beide helften zelfs met grote middelen weer aaneengehecht worden, middels gigaharpoenen bijvoorbeeld, of reuzenenterhaken, of miljoenen kiepwagens ‘colle tout’.
    Erica Blankenbergh (ondertussen niet meer werkzaam in sfeercafé De Woede der Noormannen wegens noodgedwongen gesloten, nou: gespleten) dacht thuis na over een mogelijke redding van de werelden, die weer één bol moesten worden. Bestond er een ei van Columbus tegen deze vreselijke splitsing? Erica was niet zo kinderlijk dwaas om, zoals Albert Einstein, Gods gedachten te willen kennen. Diens zogenaamde schepping was immers gespleten. Van relativiteit gesproken.
    Uit Maagdenburg – nu gesitueerd op één welbepaalde wereldhelft – kwam nog altijd geen goed nieuws. Er kwam zelfs helemaal geen nieuws. De wereldbol was als een okkernoot netjes doormidden gekraakt en niemand leek daar iets aan te kunnen doen. Had de inhoud van deze beide helften genoeg van elkaar? Moest de remedie dan ook daar worden gezocht?

    Diezelfde avond – de kloof was al achtenveertig uur lang niet meer breder geworden – begon niet alleen Maagdenburg op zijn grondvesten te daveren. De hele werelden deden dat. Ook Erica’s borsten lilden eensklaps duchtig. De beide wereldhelften bleken plotseling voortdurend door elkaar aangetrokken en van elkaar afgestoten te worden. Zwitserse onderzoekers van CERN (Europees Centrum voor Nucleair Onderzoek) hadden namelijk in een uiterste wanhoopspoging een hoeveelheid zo moeizaam verkregen antimaterie in de kloof gegooid. Er bestond een waterkans dat een ontploffing energie vrij zou maken, waardoor helend wereldcement aangemaakt zou kunnen worden. Die antimaterie gedroeg zich echter helemaal niet zoals verhoopt. Er volgde geen ontploffing. Wel bonkten nu de werelddelen onophoudelijk tegen elkaar, tweemaal per seconde. Alsof een grappige god de twee helften van een okkernoot tegen elkaar klepperde. Dat was nefast voor alles en iedereen. Wat bonkt, maakt brokken. Erica Blankenbergh ging ten onder in vuur en vlam, samen met 6.886.266.753 aardbewoners.


    06-03-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Eerwaarde

    EERWAARDE


    Een kraai kraste op het land.
    Eerwaarde fladderde over de kerkwegel.
    Een misdienaar baande de weg voor hem met dwingend geklingel,
    dat in flarden over de velden wegwoei.
    Januari, vervloekte maand na giftige geschenken.
    Wind uit oude dagen beulde bomen af.
    Wind, overal wind: kruistocht.
    Er hing modder aan de schoenen van eerwaarde toen hij het erf betrad.
    Dat deerde hem niet echt.
    Hij trok ten strijde voor het Leger van God.
    Smeer van ça-va-seul en speeksel van Rosalie zouden die kleine erfzonde wissen.
    Een hond sloeg even aan en dimde klaaglijk weg.

    Dag meneer pastoor.
    Dag Madeleine, ik ben nog niet te laat, hoop ik.
    Hij asemt nog zwakjes, meneer pastoor.
    De Heilige Geest doet zijn werk. Vooruit, Lewie: de trap op. We gaan een ziel redden van het hellevuur.
    Ja meneer de pastoor.
    We sterken hem met de Sacramenten der Zieken. Hebt gij dat al op school geleerd, Lewie?
    Ja meneer de pastoor.
    Allez, linksaf, Lewie, daar is de slaapkamer. Eh … rechts is de logeerkamer.
    Ge weet hier goed de weg, meneer de pastoor.
    Zwijg Lewie, dat is een sacrament. Madeleine: volg je nog?
    Ja meneer pastoor. Ochheregodtoch, dat ik nu alleen val ...

    Lewie, ge moogt nu gerust beneden wachten. ’t Is hier bijna gedaan, maar ’t kan ook nog een tijdje duren.
    Ja meneer de pastoor. Mag de bel weer mee?
    De bel mag weer mee, jongen. Maar hou de klepel vast in je hand. Geen lawaai meer. Boer Hilaire is dood. Rust voor de doden.
    Ja meneer de pastoor.
    Wij houden hier nog een wake.
    Er staat een doos met koekjes op de keukentafel, jongen. Neemt en eet maar.
    Dank u madame Madeleine de boerin.

    Hij heeft niet veel geleden hé, eerwaarde.
    Nee Madeleine. En altijd hard gewerkt.
    Ziet eens hoe rustig hij daar nu ligt.
    Ja. Laten we hem even alleen voor zijn laatste reis naar het hiernamaals.
    Lewie! Vind je de koekjesdoos?
    Ja madame Madeleine de boerin!
    Goed Lewie.

    Ach Madeleine …
    Ik ga u voor, meneer pastoor … Eerwaarde Vader … zegen mij …

    Een hond sloeg aan op het erf.
    Wind rammelde met dakpannen.
    Eerwaarde ontknoopte zijn gewaden.
    Stijf van lust diende hij boerin het heilig oliesel toe.
    Het Leger van God groeide andermaal, uit putlucht.
    Modder, speeksel en smeer vermengden zich.

    Ah Madeleine.
    Eerwaarde Vader, zegen mij en al die na mij komen.
    Blijft ge ook eten?


    15-01-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Zijn alle zwanen wit?

    ZIJN ALLE ZWANEN WIT ?


    De auteur schreef deze eenakter na lectuur van diverse boeken van Nassim Nicholas Taleb, oud-beurshandelaar en professor in de toevalskunde. Die handelen over de rol van het toeval in de economie en in het leven. Bepaalde gebeurtenissen worden door hem ‘zwarte zwanen’ genoemd: toevallige gebeurtenissen met verstrekkende gevolgen. Het schrijven van een bestseller, het winnen van de lotto, een wereldramp of een gigantische aanslag zijn zwarte zwanen. Ook Wall Street kende zijn zwarte zwanen.

    In ZIJN ALLE ZWANEN WIT ? komt een raadselachtig pak pardoes uit de lucht te vallen, tussen twee mensen in. Wat steekt erin? Lode en Claude (of desgewenst Christa en Christine) – twee doorsnee vertegenwoordigers van het menselijk ras – krijgen ermee te maken.

    Een eenakter voor drie personen en een fles melk. Geen decor. Duur: vijfenveertig minuten.


    Claude – Dag Lode. (Christa)
    Lode – Dag Claude.
    (Christine)
    Claude – Hoe maak je het nog, Lode?
    Lode – Ewel Claude, dat verklap ik je niet.
    Claude – En waarom niet, Lode?
    Lode – Omdat je ’t dan zelf zou maken, Claude. Je imiteert me zo vaak!
    Claude – Je imiteert me zo vaak! En jij niet zeker?! Amai, je wikt je woorden nogal, zeg!
    Lode – Het wikken van woorden is als het wokken van groenten.
    Claude – Je vergat er ‘Claude’ aan toe te voegen.
    Lode – Claude.
    Claude – Ah, je maakt de groenten dus hard? Als je woorden?
    Lode – Maar nee: net zacht! Of halfzacht. Jij lijkt me ook geen keukenpiet.
    Claude – Ik kook al bij de gedachte.
    Lode – En wat zeg je dan?
    Claude – Lode.
    Lode – En voluit … wordt dat dan …
    Claude – Ik kook al bij de gedachte, Lode.
    Lode – Prima, Claude. Altijd met zeven woorden spreken. Je hoeft daarvoor toch niet zo’n klootzak te zijn hé?
    Claude – Nee hoor, Claude. Eh … ik bedoel: Lode.
    Lode – Bezoedel jezelf niet, Claude. Wok je woorden!
    Claude – Lode, iets anders: hoe oud ben je nu eigenlijk?
    Lode – Wel, Claude, ik ben nog nooit zo jong geweest als nu.
    Claude – Dat is verdomd goed nieuws.
    Lode – Ik had het graag voor mezelf gehouden.
    Claude – O, bang om een rondje te moeten geven, Ebenezer Scrooge?
    Lode – Zit toch niet zo op mijn vel!
    Claude – Weet je: elk jaar passeren we ook onze sterfdag.
    Lode – En een kapotte klok duidt ook tweemaal per etmaal het juiste uur aan.
    Claude – Jij bent niet voor één gat te vangen hé.
    Lode – Gelijk ik op een muis misschien?
    Claude – Dan imiteer ik je zeker nooit ofte nimmer.
    Lode – De muis dirigeerde nochtans een tijdlang de digitale wereld.
    Claude – Tja … zo gepiept hoor. Maar wil je er niet over praten?
    Lode – Waarover?
    Claude – Over je leeftijd.
    Lode – Nee.
    Claude – Godzijdank!
    Lode – … piepte de muis.
    Claude – Kunnen we … Kunnen we nu misschien de metafoor van de muis eh … in zijn holletje laten?
    Lode – Zijn holletje!? Is dat misschien een … een petofoor?
    Claude – Zeg … we zijn ver heen hé.
    Lode – Ja … in een godverlaten gat van de wereld …
    Claude – Je kunt het echt niet laten hé.
    Lode – Maar jij bent begonnen hé, Claude!
    Claude – Allez, vooruit: we gooien het over een andere …

    ER KOMT IETS GROOTS UIT DE LUCHT VALLEN; DAT KUKELT MET EEN ENORME BONS OP DE BEGANE GROND TUSSEN LODE EN CLAUDE IN. ZE SCHRIKKEN ZICH EEN AAP. HET DING IS IN ZEILDOEK VERPAKT. ONDEFINIEERBARE VORM.

    Lode – EEKK!!!
    Claude – AAAHH!!!
    Lode – … boeg?
    Claude – Hé?
    Lode – … andere … boeg?
    Claude – Duidelijk!

    (Ze bekijken het ding een poos en controleren ook het luchtruim).

    Lode – Als je ’t mij vraagt: hier is iets niet pluis.
    Claude – Ewel, Lode: ik val eerlijk gezegd ook uit de lucht.
    Lode – Uitkijken met metaforen hé, Claude.
    Claude – Maar wat is dat eigenlijk?
    Lode – Het gewicht van de wereld?
    Claude – Tachtig kilogram Newton?
    Lode – Een ontsnapte para… chute?
    Claude – Een gevallen engel?
    Lode – Eh … een … eh … deus ex machina misschien?
    Claude – Wat voor machien?
    Lode – O … iets met lucht. En in ’t Latijn.
    Claude – Iets dat dus wel pluis is?

    (Claude beroert met een voet omzichtig het ding).

    Lode – Tja … In ’t Latijn is ’t gewoonlijk goed hé.
    Claude – Dat is Latijn voor mij.
    Lode – Ja, ik zwijg al, Claudius. (Christina)

    (Ze ‘besnuffelen’ nieuwsgierig het pak).

    Lode – Riek jij iets?
    Claude – Rieken of ruiken?
    Lode – Laten we het hier maar op rieken houden.
    Claude – Mijn neus vertelt me niets.
    Lode – Je gaat nochtans prat op je neus voor zaken.
    Claude – Dat zou hier best wel eens een onwelriekend zaakje kunnen zijn.

    (Maakt aanstalten om het ding aan te raken).

    Lode – Sstt … ! Niet doen! Aankomen is kopen!
    Claude – Verdomd, je doet me meer schrikken dan dat pardoesding hier!
    Lode – Dat wàt?
    Claude – Pardoesding.
    Lode – Wat is dat voor rariteit?
    Claude – Wel: iets dat pardoes uit de lucht komt te vallen.
    Lode – Ja, maar we weten nu nog altijd niet wat erin steekt hé. Alleen de … pardoeserigheid kennen we.
    Claude – Zouden we het niet openmaken? Openknopen? Openritsen?
    Lode – Ik kom daar niet aan!
    Claude – Allez … schijtlijster: ’t is Toetanchamon niet, hoor.
    Lode – Mocht het de Toet zijn, dan waren we hier aan het stofzuigen.
    Claude – Die hier ziet er inderdaad wat properder uit.
    Lode – Maar wie zegt dat het een mens is?
    Claude – Geef het eens een duwtje.
    Lode – Ik kom daar niet aan bis!
    Claude – Tja … We zitten hier duidelijk met een probleem.
    Lode – Als we er niet naar kijken, hebben we dat probleem niet, Claude.
    Claude – Misschien heb jij ook liever dat ik jou niet aankijk, Lode?
    Lode – Ik zal dat maar als een retorische oprisping beschouwen.
    Claude – Er komt ook geen geluid uit.
    Lode – Tja … na zo’n doodssmak … hoe zou je zelf zijn.
    Claude – Voor eeuwig en altijd … stil.

    (Even stilte. Lode en Claude – of Christa en Christine – lopen wat kringetjes om het ding heen. Ze verwijderen er zich even van, handen op de heupen, peinzend toekijkend. Dat mag eventueel symmetrisch gebeuren. Plotseling is er minimale beweging merkbaar in het pak, even maar. Lode en Claude reageren daar echter helemaal niet op. Mocht het publiek nu al daarop reageren, dan negeren de beide personages dat).

    Lode – Hopelijk ontploft dat ding niet plotseling.
    Claude – De meeste ontploffingen gebeuren nogal plotsklaps, hé.
    Lode – Taalterrorist.
    Claude – Het is misschien aan het gisten; god weet wat we ontdekken als we de verpakking …
    Lode – Kom er niet aan, hé!
    Claude – Kijken mag toch, hé.
    Lode – Zeg: heb jij daarnet eigenlijk een vliegtuig horen passeren?
    Claude – Eh … nee. Wie let er daar nu op. Het is wel vaker spitsuur in de lucht.
    Horen en zien vergaat je soms.
    Lode – Zou het kunnen dat een vliegtuig een stuk van zijn vracht heeft verloren?
    Claude – Of het kan ook een afrekening zijn. Die verpakking ziet er eh … vakkundig uit. Professioneel werk. Precies een eh … delivery van de maffia. Kant-en-klaar aan huis geleverd.
    Lode – Die delivery valt dan wel pardoes ons leven binnen. Net zo goed was het op onze kop. Nou: een van onze koppen.
    Claude – Misschien was het een aanslag?
    Lode – We vormen wel heel kleine doelwitjes.
    Claude – Waar twee of meer samenzijn … daar ben Ik in hun midden.
    Lode – Waw … Bijbelvast, ja? God komt uit Zijn hemel te vallen?

    (Hier is er andermaal wat beweging onder het zeildoek te bespeuren, ietwat duidelijker dan daarnet. De beide personages reageren nog altijd niet. Ze negeren ook eventuele reacties uit het publiek).

    Claude – Zeg, Lode: en als we nu eens het grotere geheel bekeken?
    Lode – Ja … je kunt gelijk hebben. The big picture, hé …
    Claude – Dat werpt misschien wat licht op de zaak.
    Lode – We zijn inderdaad te veel op dat ding hier gefocust. Tijd voor een stapje achteruit.
    Claude – Of vooruit. Het grotere geheel dus …

    (Ze komen naar voren, wenden zich naar de zaal en buigend turend over de hoofden heen naar de verte).

    Lode – The sky is the limit.
    Claude – Dat ziet er hier nogal chic uit. Is it sky or is it leather?

    (Ondertussen beweegt het pak ten derden male even, achter ze. Ze merken dat natuurlijk niet).

    Claude – Iets opvallends te signaleren, Lode?
    Lode – Niets opvallends te signaleren, Claude.
    Claude – Het is één groot zwart gat hé.
    Lode – Een oneindige duisternis inderdaad. Ik word er bijna rustig van.
    Claude – Ben je veranderd van medicatie misschien?
    Lode – We zijn allebei nachtblind. Zoals iedereen.
    Claude – Waw, dat is nog eens een filosofie zeg! Heb je misschien ook een broer aan de universiteit in bokaal nummer 7?
    Lode – Ja, en als doctor in de filosofie zou ik je toch ook een blauw pilletje voorschrijven, grote verpakking. Twee voorschriften in één keer.

    (Even stilte. Ze turen nog wat in de onbestemde verte en keren dan terug naar hun posities, ieder een paar meter verwijderd van het pak).

    Lode – Gewoonlijk wordt iets dat verpakt is, een cadeau genoemd.
    Claude – En iets dat uit de lucht komt te vallen … een verrassing.
    Lode – Of een regenbui.
    Claude – Openmaken dan maar?
    Lode – Hoe groter het cadeau, hoe groter de ontgoocheling. Laten we de spanning nog even …

    (Nu rolt het ding zich plotseling in één beweging op zijn andere zijde. L en C reageren verbijsterd en springen opzij).

    Claude – Shit man!
    Lode – Godver in de hoge hemel!

    (Ze staren een minuut lang beweging- en sprakeloos naar het ding, dat verder niet meer lijkt te bewegen. L en C communiceren een poos pantomimisch en mimisch).

    Claude – Maar daar kom ik niet aan, hoor!
    Lode – En ik nog veel minder!

    (Claude mikt nu een van de grond geplukt steentje naar het pak).

    Lode – Hij is weer in slaap gevallen.
    Claude – Hij? Het? Zij?

    (Lode gooit nu ook een van de grond geplukt steentje naar het pak).

    Claude – Kijk wie er nu wie imiteert!
    Lode – Zeg … lichtgeraakt persoontje! (Gooit nog een steentje naar het ding.) Van die hier kun je dat niet zeggen …
    Claude – Als dat ding nog één keer beweegt, dan …
    (vluchtgebaar).
    Lode – … Ik ook!
    (idem)
    Claude – We zitten hier toch wel met een rare bevalling.
    Lode – One way ticket … recht van God de Vader. Gewoonlijk is het omgekeerd: reizen Hiernamaals.
    Claude – Zeg, moeten we niet ergens naartoe bellen?
    Lode – Ja, maar naar wie? Wat? De dienst Gevallen Voorwerpen?

    (Het pak wentelt zich nu weer op zijn andere zij. Lode en Claude deinzen geschrokken achteruit).

    Claude – … of de dienst Levende Zielen!
    Lode – Nu heb ik er genoeg van.
    Claude – Ofwel …
    Lode – Ofwel …
    BEIDEN – Ofwel …

    (Ze beschrijven steeds kleiner wordende cirkels om het pak heen).

    Lode – Zeg Claude, wist je dat de Russen hun frambozen pletten in spierwitte melk?
    Claude – Maar Lode, wat zeg jij nu!? Wat heeft dat godverongelukt met dat ding hier te maken!?
    Lode – Je weet nooit dat er een Rus in zit.
    Claude – Ja, met een fles melk in zijn hand zeker. Jij bent ver heen, hij is ver heen. Flauwe plezanterik.

    (Totaal onverwacht staat het ding nu op. Razendsnelle ‘ontmanteling’. Komt tevoorschijn: een kerel in ‘legerstockplunje’ met een fles melk in zijn hand. Hij steekt die omhoog en toast Lode, Claude en vervolgens de zaal toe: NAZDROVJE !!)

    Lode (triomfantelijk) – Voila, en nu jij!!
    Claude (berustend, verslagen) – De moraal? We zullen inderdaad nooit te weten komen of alle zwanen wit zijn.
    Lode – Ik ben blij dat je het zelf zegt, Claude. Deze apparatsjik kan nu veilig uit dit stuk verwijderd worden.

    DOEK


    02-12-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Geen genade

    GEEN GENADE


    (‘Door hem, met hem en in hem’)


    ‘Als ik mijn baard een paar dagen laat staan, voel ik me vuil,’ zei Daniël E. Veelbetekenend monsterde hij mijn tronie. Meer dan dertig jaar later zou ik me laten ontdopen. Daniël E. was toen al dood, maar hij zat er toch voor iets tussen, zonder dat hij dat ooit had durven of kunnen hopen, geloven of zelfs maar beseffen.


    Als een gevangene hield ik streepjes bij in een notitieboekje. Eigenlijk doorstreepte ik streepjes. De voldoening was groter. Het leek op schrappen. Van de 22 moest ik er nog 5 schrappen. Ietwat voorbarig deed ik dat met het laatste maandagstreepje. Ik stopte boekje en potloodje weg en vroeg:
    ‘Baard?’
    De maandagtrein wiegde ons richting Brugge.
    Daniëls dubbelhartige opmerking vatte ik eigenlijk als een compliment op. Ik was een laatbloeiende jobstudent van 20 met een onweerstaanbare drang om een baard te hebben, wat maar dunnetjes lukte. Twee weken al had ik me niet geschoren. Het werd dus blijkbaar al iets.
    ‘Ach, de jeugd,’ meesmuilde Daniël E.. Hij begon droevig uit het raam te staren, weg van mijn kingewas, naar niets, naar het niets dat hij al decennialang voorbij zag glijden, op weg naar Brugge-de-Dode, het Venetië van het Noorden.
    ‘Che Guevara!’ lachte ik. Geknars van wisselsporen smoorde mijn woorden. Daniëls grijsblonde lok hupte geschrokken op zijn voorhoofd toen hij even naar mij keek.
    Op perron 9 van Brugge splitsten zich onze wegen elke ochtend klokslag 07:45. We mompelden wat en spoedden ons heen. Hij haastte zich met gebogen rug te voet naar een kantorencomplex waar het waanzinnige woord ‘kadaster’ heilig was. Aan zijn rechterhand zwiepte een kleine tas heen en weer: de pendel van de administratieve underdog. Ikzelf holde zo de sissende muil van een stadsbus in, die me naar een muffe kantorenverdieping in de Clarastraat bracht. Wat ze daar in hemelsnaam uitvraten, heb ik nooit goed geweten. Ik werd er in de zolderarchieven ondergebracht en sleet er een maand lang de dodelijkste uren van mijn leven. Daar leerde ik mijn heilige woord van die zomer: ‘compensatiekas’. Van al het roemrijks dat Brugge eeuwenlang was overkomen, ontwaarde ik alleen maar welgeteld 46 dakpannen, tenminste als ik al op de tippen van mijn tenen stond. Voor de rest staken honderden ladekasten om de haverklap hun tong naar mij uit, telkens als een bediende naar boven kwam om een dossier op te halen of weer af te leveren. Een praatje kon er zelden af, want op elke verdieping hokten kapo’s, gewapend met polshorloges.

    ‘Welk lot is treingezel Daniël E. beschoren, al die jaren al? Is dat het bestaan op aarde, leven genoemd?’ dacht ik soms, wanneer de gruwel van stofsneeuw in namiddagzon en een secondewijzer in slow motion midscheeps toesloeg.
    'Wat doet hij daar om den brode op die kadasterdiensten? Waarom wil deze oude vrijgezel op die manier zijn geld verdienen? Ik heb er hier omwille van de centen een maand opzitten en sterf bijna ter plekke.’
    De laatste drie werkdagen van augustus diende zich een bloedmooie vervangster voor mij aan. Ik kreeg instructies om haar in te wijden in de geheimen van het zolderarchief. Ze zou daar de maand september doorbrengen, want ze was een vooralsnog werkloze pas afgestudeerde politicologe, wier pa iets beduidends betekende ter hoogte van het begrip ‘compensatiekas’. Ze had geld nodig voor een grote reis. Plotseling wemelde mijn zolder van mannelijk ongedierte.

    ‘Twee-, drieëntwintig, schat ik,’ deelde ik Daniël E. op mijn voorlaatste werkdag mee, als antwoord op zijn vraag naar de leeftijd van mijn vervangster. ‘Een politicologe zonder werk. Blond.’
    Ik keek hem onderzoekend aan, om te controleren welk effect dat laatste woord bij hem sorteerde, maar hij deed weerkaatsend krek hetzelfde, zodat we geen van beiden een spier vertrokken.
    ‘Ja, het is moeilijk om werk te vinden heden ten dage,’ zei Daniël dan zuchtend. ‘Ook voor vrouwen, zelfs met een diploma.’
    Hij wendde zich naar het raam teneinde er weer eindeloos droevig doorheen te staren. Of monsterde hij stiekem zijn eigen weerkaatsing? Zoals ik dat vaak deed? Kon Daniël E. op zijn leeftijd nog op ijdelheid worden betrapt?

    En de zomer denderde voorbij ‘als een trein geurend naar hout en teer’. Ik scheidde van mijn studentenwerkplek en van de werkloze politicologe als een hond van zijn drol. Op de allerlaatste heenreis met bestemming Brugge drukte ik op perron 9 Daniël E. de hand ten afscheid. 22 augustusochtenden hadden we tegenover elkaar in de trein gezeten. Ondanks het verschil in leeftijd en een totaal andere leefwereld hadden we het best wel met elkaar kunnen vinden, al bespeurde ik af en toe wat wrevel bij hem. Tot mijn eigen verbazing deed het me wat toen ik zijn gebogen rug en grijsblonde hoofd dobberend op de pendelaarszee zag verdwijnen. Vanavond zou hij net zo gebogen terugkeren, op weg naar zijn thuis: een kamer in het huis van zijn zus, die drie kinderen had en een man met een druk beroep.
    Bij mij thuis kenden ze Daniël E. ook. Mijn ma had ooit nog met die zus van hem in een naaiatelier gewerkt. Ze waren vriendinnen gebleven. Het publieke geheim van Daniël betrof het feit dat hij ooit voor priester had ‘gestudeerd’, maar dat er zich onderweg een ernstige kink in de kabel had voorgedaan, zodat hij de studies verbroken had. Wat die carrièreknobbel juist inhield, kwam ik niet te weten. Zijn zus kwam nog geregeld bij ons aan huis: een supernerveuze vrouw die razendsnel sprak en schichtig bewoog. Haar broer daarentegen had ik leren kennen als de kalmte zelve.

    Door het aanbreken van het nieuwe academisch jaar verdween Daniël E. al vlug uit mijn gedachten. Ik associeerde hem immers vooral met een saaie eindeloze maand studentenwerk. Er lagen leukere dingen in het verschiet. Ik begon aan een actief leven met alle bekende ingrediënten. Beroepshalve kwam ik nog in mijn geboortestadje, maar wonen deed ik er niet meer.

    Enkele decennia later las ik Daniëls overlijdensbericht bij mijn bejaarde ouders thuis. Het was een wereldlijke kennisgeving, waarop elk spoor van een kruis ontbrak. Ik woonde in naam van mijn ouders de afscheidsdienst in het crematorium bij. Ze keken opgelucht toen ik het ze voorstelde, want een teraardebestelling moest volgens hen eerst een kerk passeren. Ook met verassing hadden ze problemen.

    De reeds fel door de tijd getekende zus van Daniël deelde gedachtenisprentjes uit. Op de foto was Daniëls grijsblonde lok niet meer zo uitdrukkelijk aanwezig. Toen iedereen de keerzijde van het prentje begon te lezen, golfden er schokken van ontzetting door het kleine gezelschap. Gelijk begon de zus hartverscheurend te wenen; ze werd onmiddellijk door haar zoon naar de auto geleid. We bleven met een twintigtal nabestaanden als aan de grond genageld achter.

    Daniël E. had in een zelfgeschreven summiere tekst de Kerk en zijn dienaars met enkele pijnlijke welgemikte slagen aan het kruis genageld. Hij kende geen genade voor de rukkende biechtafnemers, kwijlende huichelaars, zwartgerokte verkrachters en met bloed en zaad bevlekte soutanedragers die de mensen verplichtten op de mooiste ogenblikken van de week naar hun kille kerken te komen om boete te doen en die op de topmomenten van zovele mensenlevens met hun geile poten de zaak meenden te moeten bekruisen in de naam van een vage god. Hij besloot met de publieke ‘bekentenis’ dat herhaalde verkrachting door een zwartrokdocent aan het seminarie er de oorzaak van geweest was dat hij ooit zelf de priesterstudies gestaakt had. In naam van de mensheid en de menselijkheid walgde hij van het beroep van eredienaar van de heer, waarbij hij geen heilige hoofdletters gebruikte.

    Daniël E. had zijn daad gesteld toen er nog geen sprake was van de misdaden die de kerk met vals zalvende bezweringen en mantels van huichelarij en vergoelijking en vergetelheid en ontkenning en verjaring toedekte.

    Elk jaar bezocht ik het nieuwe kerkhof in mijn geboortestadje. Het lag vier kilometer buiten het centrum, op weg naar de kust. Honderden identieke witte grafstenen stonden er in een streng gelid, als het gesneuvelde leger van god. Ik had de gewoonte mijn doden eens per jaar te gaan groeten. Toen ik de zomer na de verassing van Daniël E. op weg naar de kust weer even halt hield ter hoogte van de stedelijke begraafplaats, stond ik andermaal voor een verrassing. Op zijn gedenkplaat in een van de vele zuilen prijkte in duidelijke hoofdletters die tegen weer en wind bestand waren: GEEN GENADE.
    ‘Goed zo, Daniël,’ mompelde ik, en ik wreef grinnikend over mijn stoppelbaard.

    Enkele jaren later liet ik me ontdopen. Ik deserteerde met volle verstand en bewustzijn uit dat ridicule leger van god met zijn dubbelzinnige metaforen, hautaine retoriek, valse nederigheid en gelijkhebberige voorschriften. Het was in de tijd van algehele ontreddering. De golf van seksueel kindermisbruik door priesters deed de samenleving gruwen en rillen tot op het bot. De minister van Justitie kwam maanden te laat met maatregelen, het land was politiek uiteen aan het vallen (waar zat ‘mijn’ politicologe om dat te verklaren?), de kardinaal slaagde er niet eens in volmondig openbaar mea culpa te slaan en de bisschop van Brugge (of all places, Daniël!) was ver weg gevlucht ‘in het verborgene om zich te bezinnen over zijn leven en toekomst’, want de zaken waren verjaard. Onkunde, pretentie, valse nederigheid: hoog wapperden ze in de nationale tricolore.

    België stevende ijlings op ontbinding af. Het druilerige driehoekje met zijn zovele regerinkjes van paljassen en charlatans werd onregeerbaar, terwijl het in het buitenland vooral bekend stond voor zijn zedenschandalen. Het werd een leeuwenkuil, waarin mensen als Daniël levenslang aan het sterven waren, een bestaan op later en dood uitzittend.

    Voor mezelf staat het vast: na het ontdopen volgt het emigreren.


    01-11-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.KLKN

    KLKN


    Alleloeja was misschien wel niet thuis. Maar het was toch vrijdag? Jezebel belde nog eenmaal aan, zette twee passen achteruit en tuurde naar boven. Geen beweging, geen geroep, geen sleutelbos die pijlsnel naar beneden daalde. Het leeuwenkopje linksboven in de deur, van wie de tong de beldienst uitmaakte, leek haar spottend aan te kijken. Jezebel plukte de kauwgum van tussen haar tanden en plakte die op de tong van de koning der dieren. Daardoor ging de bel andermaal over, maar Jezebel keek niet eens meer om toen ze zich terug naar haar Skoda haastte. Op de voicemail van Alleloeja’s mobieltje weerklonk zoals gewoonlijk de mededeling ‘Ik ben er geweest. Spreek uw boodschap in na de bieptoon.’ Zuchtend gaf Jezebel het op.
    ‘Godverdomse bidsprinkhaan! Zeker weten dat je thuis bent!’
    Met een vinnige beweging mikte ze haar gsm in de boodschappentas. Verstrooid en verstoord gaf ze gas.
    Veilig verscholen achter de overgordijnen volgde Alleloeja met pretoogjes haar aftocht, tot haar auto goed en wel uit het zicht verdwenen was. Daarna controleerde hij proefondervindelijk of die kalkoen wel in zijn oven kon. Dat lukte. Hij pakte zijn mobieltje en sms’te een blijde boodschap.

    Op het ogenblik dat Takkenaas ter hoogte van speelgoedwinkel Tjoek-Tjoek de Trekvogelstraat overstak, kreeg hij een aanval van doodsangst. Die kwam er andermaal door plotse gedachten aan zijn leeftijd (57), aan hoelang hij nog maar te leven had (?) en aan de sluipmoord van sigaretten. Daarenboven constateerde hij elke dag dat zijn gezicht meer en meer op dat van zijn opa op diens laatste foto begon te gelijken. Dergelijke aanvallen kreeg Takkenaas de laatste tijd wel vaker. Hij knipte zijn peuk weg en hoestte kort. Er golfde een rilling over zijn ruggengraat, alsof iemand onaangekondigd over zijn graf liep.

    De Skoda probeerde bruusk af te remmen. Het snerpte door merg en been. Geschrokken keek Takkenaas opzij, naar het verbijsterde vrouwengezicht achter de voorruit, dat hij onmiddellijk thuiswijzen kon. Even stolde en stremde het verkeer in dit segment van de straat. Alles en iedereen versteende een seconde. Door de naweeën van de vaart gleed de auto als een dronken robot door, schepte Takkenaas op, vermaalde die met splinters en scherven, gooide hem in de lucht en ving hem dan weer met een doffe bons op het dak van het monster op, waar hij als een kapotte ledenpop bleef liggen. Pas daarna kwam de Skoda tot stilstand. Even verder lag een zieltogende sigarettenpeuk te roken. Gesmoord gegil weerklonk nu in de auto.

    Terwijl Takkenaas door de lucht buitelde en zijn laatste seconde op deze aarde beleefde, ontving zijn mobieltje een sms. Het ding kletterde op straat. Een tegenwoordige van geest raapte het op en constateerde craquelé op het schermpje. Collateral damage. Een nabestaande van het slachtoffer zou later het bericht claimen. Het zag er als volgt uit: thnx4KLKNcupw

    De gebeurtenis in de Trekvogelstraat kreeg nog een extra dramatische toets, want eensklaps begon hevige regen neer te sauzen, totaal onaangekondigd. Bakken hemelwater kletterden in een oorverdovende percussie uiteen. Niemand had dat zien aankomen, want er was niet eens een alarmerende wolkenkudde aan voorafgegaan. Het was nochtans eind december.

    Blauw zwieplicht kleurde de waterval van regen. Paraplu’s groeiden als paddenstoelen uit de grond. Oranje politielinten wapperden als serpentines om de plaats des onheils. Ter hoogte van de speelgoedwinkel Tjoek-Tjoek in de Trekvogelstraat had zich een stadsinfarct voorgedaan.

    Jezebel had haar eigen broer doodgereden. Nonkel Alleloeja droeg de begrafenismis op. De rouwmaaltijd bestond uit kalkoenrollade met kroketten.
    ‘Had jij maar de deur opengedaan, moordenaar!’ brieste Jezebel na haar tweede bel cognac.


    18-09-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Trio

    TRIO


    Ik vulde een bescheiden reistas, harkte de overgebleven haren op mijn hoofd naar achteren en vertrok op bedevaart naar de meest zondige stad die ik kon bedenken: Hamburg. In de auto belde ik Lotte op: dat ik effectief vertrokken was. Het woei stevig en ook ik gaf gas. In mijn aanloop naar het netwerk der autostrada sneuvelde een bermkip onder de wielen van mijn inktzwarte Saab; haar veren warrelden als een sneeuwbui in mijn achteruitkijkspiegel. Op tien kilometer van de zondige havenmetropool kon ik nog net een egel ontwijken, dacht ik, maar in een flits merkte ik dat hij al doodgereden was. Ik was over lijken gegaan en bereikte eindelijk Hamburg, havenstad en ook deelstaat op zich aan de Elbe, met meer water dan Amsterdam of Venetië.

    Het toekomen op een vreemde bestemming vervult mensen gewoonlijk met vreugde. Samen met de walm van samengeperst mensenvlees kolkt bij het openschuiven van trein- en vliegtuig- en busdeuren ook blijde verwachting naar buiten. Men knippert tegen het licht, haalt diep adem en ledigt de blaas teneinde zich vlot te kunnen verplaatsen in de stad of het land dat men gaat bevolken. Ikzelf echter legde bij aankomst in Hamburg mijn moede hoofd op mijn stuurwiel, ten prooi aan parkeerwanhoop. Ik had al acht rondjes gedraaid in iets waarvan ik vermoedde dat het een vicieuze verkeerscirkel was en hoopte keer op keer dat de verkeerslichten op rood zouden huppen zodat ik enkele minuten respijt en rust zou krijgen. Dat komt ervan als je onvoorbereid reist.

    In mijn beste combinatie van Neder- en Hoogduits vroeg ik uiteindelijk via opengedraaide autoramen hulp aan een Skoda vol met Turken. Ik hield er nekkramp en een straatlegende aan over, waardoor ik via een ontsnappingsroute uit dit spinnenweb toch een parkeergarage ontdekte niet ver van de wijk Altona.

    En zie, voorwaar: drie kwartier later was ik op vrije voeten. Ontdaan van mijn Saab en mijn reistas en gründlig ingecheckt in hotel Columbus, struinde ik door de havenstad. Het duurde geen halfuur of ik had alweer dubbelgangers van diverse kennissen van mij tegen het lijf gelopen. Af en toe diende ik zelfs mijn blijken van herkenning te bevriezen en onderweg een onvoorbereid neutraal afleidingsmanoeuvre uit te voeren, teneinde niet als een straatidioot beschouwd te worden, zo treffend was soms de gelijkenis. Er waren op deze wereld blijkbaar geen verse modellen meer beschikbaar. Ook niet in het land van de Lebensborn Vereniging.

    Hamburg … waarom was ik hier? Vertrokken op een donderdag, terugkerend op een dinsdag? De reden voor mijn reis lag niet voor de hand. Hij was negatief: ik ontvluchtte met voorbedachten rade de nationale politieke zondagsverkiezingen in mijn vaderland. Helaas zouden de rechtse nationalisten die met verve winnen. Ze zonden asjeblief eenentwintig verse nieuwbakken parlementairen naar de hoofdstad. Mijn schuld. Was ik maar in eigen land gebleven. Of niet?

    Niet. Mijn buitenlandse ‘zakenreis’ vrijwaarde me ervan de Vlaamse leeuw in de schorre keel te moeten kijken. Stemmen hoefde niet, want ik was (zelfs voorbehoedend al) gewapend met bewijsmateriaal in verband met mijn alibi: ik diende ergens anders te zijn. Daarenboven betekende ik een weldaad voor mijn land (binnenkort deelstaat?) omdat ik een ‘businesstrip’ over de grenzen heen ondernam. Af dus, flaminganten! Laat de stemloze met rust!

    Gezellig dolend door welstellend, vrijzinnig, liberaal Hamburg belandde ik in Pakhuisstad in het vermaarde Specerijenmuseum. Die ervaring kende wat mij betreft zijn gelijke met enkele bewustzijnsverruimende fuiven die ik in de beginjaren zeventig meegemaakt had. Mijn zintuigen lagen namelijk aangenaam overhoop toen ik weer buiten stond.

    Het was een goede wereld met bovenstebeste mensen in.

    Ik inhaleerde de koopmanslucht diep en vervolgde mijn tocht. Ook hier woei het hard. De wind harkte de haren op de koppen steil achterover. Ik was ook best tevreden over mezelf. Immers: bij mijn vertrek had ik maar eenmaal mijn handen gewassen en slechts driemaal via gemorrel gecontroleerd of de voordeur wel degelijk dicht was. Ik had mijn kastdeuren niet meer open en dicht gedaan. Ik was niet tot driemaal toe weer de trap opgerend. Amper één keer extra had ik de sleutel in het slot van de achterdeur een zwik gegeven om te voelen of die rotdeur echt wel gesloten was. De huisschildpad in haar afgebakende territorium had ik maar twee keer aangeraakt, geen drie keer. Toch zou ze blijven leven. Wel had ik onderweg een zevental keren gecheckt of mijn handrem zich wel degelijk in de neutrale stand bevond. Ook van de aircoknop kon ik moeilijk afblijven, hoewel die niet geactiveerd diende te worden.

    Ik was dus genezen, bevrijd en opgelucht, in een land dan nog wel dat ooit mijn eigen land bezet had. Dat verdiende een Gorbatsjov-wodka. Dus dook ik de Thomas Read in, een veilige drankzekere pubhaven waar ook ter wereld. Na anderhalf uur al stond ik er bekend als de kerel die zijn papiergeld in vieren vouwde en dit nauwgezet in de compartimentjes van zijn portefeuille schoof. Het geld echter dat ik verbraste, hoefde ik niet langer op te vouwen. Een goede Duitse ziel wees me daar op. Zo kwam het dat ik luttele uren na mijn aankomst in havenstad Hamburg onder invloed van specerijen en alcohol mijn herhalingsdrang kon botvieren door een dozijn wodka’s na elkaar in de krochten van mijn keel te kapseizen. Ik was boos omdat er verkiezingen waren en blij omdat ik die ontvlucht was. Dus werd er geleidelijk aan om mij heen door de valavondmensen dapper gedronken, het vaakst op mijn kosten. Mijn Nederlands grensde meer en meer aan het Neder- en Hoogduits. Vouwen deed ik ook al minder en minder. Plooien zou ik misschien weldra doen, maar vooralsnog maakte de G-wodka van mij een wereldleider die in vele talen sprak. Vooraleer echter de fases van dazen en wazigheid aanbraken, doemde de mooiste vrouw aller tijden in mijn gezichtsveld op. Ze zat amper tien meter van mij verwijderd op een barstoel aan de toog, met niemand ertussenin. Ik had haar niet eens binnen zien komen, en klaarblijkelijk had ook niemand er aandacht aan besteed. Hoe kon dat nu. Het zijzicht was adembenemend. Abrupt sloot ik mijn klep voor de duur van een paar minuten. Mooie vrouwen maken van mijn mond een eindstreep waar mijn woorden halt houden, sneuvelen, neerzijgen. Zinsverduistering, kortom.
    ‘Wie is dat daar?’ vezelde ik dan in een of andere taal tegen de barman.
    Het antwoord kwam fluks: ‘Dat is Vanessa Bradt, stadsdetective, bijgenaamd Blonde Arendsoog. Bradt, dt. Ze beheerst zes verdedigingssporten en vier talen. Zonder haar is Hamburg reddeloos verloren. Samenhokkend met een baanrenner. Goeie coureur. Geen coureur locale, nee.’
    Ik keek de kerel diep in de ogen om sporen van sprookjes of ironie te detecteren, maar hij zwierde bloedernstig zijn handdoek over zijn linkerschouder en ging alweer vlug aan de slag.
    ‘Braadworst,’ mompelde ik plompverloren en stil genoeg om niet gehoord te worden.
    En dan, iets harder: ‘Mag ze wel drinken tijdens de diensturen?’
    ‘Wie zegt dat ze nu dienst klopt?’
    ‘De valavondshift misschien.’

    Dit betrof mijn laatste conversatie met het klantenbestand waar ik tot nu toe over beschikt had, want ze vertrokken plotseling allen naar huis (‘Is er een avondklok ingesteld?’ riep ik ze nog na) en daarenboven was ik van plan me tot de bloedmooie stadsarend van Hamburg te wenden. De Thomas Read bevatte momenteel dus alleen ons beiden plus een barman.

    Ik spoelde even mijn Duits en mijn ouderwetse naamvallen om in enkele grondige slokken wodka, oefende mijn arendsblik op de spiegel voor mij en keek dan uitdrukkelijk opzij, met de bedoeling een conversatie op te starten. Ook zij keek nu opzij.
    Even werd mijn adem afgesneden en bijgevolg bleef mijn woordenklep andermaal gesloten: de hoofdvogel van Hamburg keek bij nader inzien een behoorlijk stukje scheel weg. Maar dat kleine gebrek aan perfectie trok me – zoals gewoonlijk vooral bij vrouwen – heel erg aan. Het vakwoord is strabisme, als ik me niet vergis: voor mijn part een lekker bekkend woord voor iets leuks als
    bedroomeyes.
    Was ze misschien undercover?
    Ik voelde dat de barman me van in de verte in de mot hield. Ontwaarde ik nu een zweem van een grijnslach op zijn gezicht? Ik besloot hem in de zeer nabije toekomst compleet te negeren. De klant was immers koning. Toen ik weer van hem wegkeek, ontdekte ik hoe het kwam dat Blonde Arendsoog daarnet ook opzij geblikt had, en tegelijkertijd kukelde ik van verbazing zowat van mijn stoel: eensklaps waren twee identiek gelijke schepsels in de bar verschenen. Mijn verbazing betrof niet alleen hun onderlinge gelijkenis, maar ook en bovenal hun gelijkenis met de vrouw aan de toog. Alle drie keken ze lichtjes scheel. Een drieling? Er was geen enkel verschil tussen de drie, tenzij de kleren. Mochten hun kleren niet verschillend zijn, dan was dit waanzin. Waanzin die ik misschien aan de wodka wijten kon. Maar nee. Deze identieke drievuldigheid deed zich wel degelijk hedenavond in de Thomas Read in Hamburg voor. Ze stapten op de vrouw aan de toog toe en er werden wat zoenen gewisseld.
    Drie, godgenageld!
    Ik nam een diepe duik in mijn wodka en gebaarde naar de barman om nog eentje. Die stond duidelijk te triomferen.
    ‘Hebt u mij iets wijsgemaakt daarnet?’ vroeg ik scherp, maar toch bij voorbaat vergoelijkend.
    ‘Dat is dus Vanessa Bradt met haar zussen,’ verduidelijkte de man.
    ‘Ja, dat merk ik,’ probeerde ik cynisch te antwoorden. ‘Een heel arendsnest. Hebben ze ook een naam, deze fotokopieën?’
    ‘Manon en Melisje.’
    ‘Uw wodka, meneer. Wellicht de laatste? U hield een dapper tempo aan. Bent u met de auto?’
    Godverse
    gründlichkeit.
    ‘Geef de drievuldigheid eentje van mij,’ gebood ik gul. De wodka had inmiddels alle dijken in mij gesloopt; ik was bereid zelfs met een hondje met een hoedje op te communiceren. De man keek even bedenkelijk in de richting van de mooie dwarskijkers.
    ‘Zou je dat wel doen?’
    ‘Hoe geraak ik anders in gesprek?’
    ‘Ze drinken peperduur.’
    ‘Geeft niet; ik kom net van het pepermuseum, haha.’
    ‘Vooruit dan maar. Wodka nummer elf voor jou?’
    ‘Uitkiepen die handel.’
    ‘Ik vraag het nu even aan de Bradt-zusjes hé. Zeker weten, meneer?’
    ‘Zeker weten, andere meneer.’
    Zeven seconden later keken de drie gratiën me eensklaps in zesvoud aan. Er lag – hoe zal ik het vertolken – belangstelling in hun blikken. Dat meende ik althans te ontwaren. Daarna onderhandelden ze even kort met de barman, wellicht in verband met de keuze van hun drankje dat ik ze aangeboden had.

    Wenkten ze?
    Ze wenkten!

    Ik griste wodka nummer elf van de toog, ontrafelde me van mijn barkruk en begaf me gezwind naar de zussen.
    ‘Dag meisjes … vrouwen … dames … Hoe mag ik jullie … (Dat verdomde Duits ook. Heissen? Was dat noemen? Heten? Verhitten?) Ik ben Bregwin. Eh … hoe … jullie?’
    ‘Melisje, Vanessa, Manon,’ klonk het. ‘Bradt. Driemaal Bradt.’
    Ze antwoordden door elkaar heen, zodat ik niet wist wie wie was, want de zus die daarnet alleen aan de toog gezeten had, had al plaats geruild met … tja: met wie?
    ‘Bregwin dus. Drinken jullie wat van mij?’
    ‘Dat komt eraan hoor,’ antwoordde wie van de drie.
    ‘Eh … wie van de drie is nu Manon?’
    ‘Ik.’
    ‘En wie is Melisje?’
    ‘Ik.’
    ‘Dus jij bent Vanessa?’
    Blonde Arendsoog, nu rechtopstaand op benen die niet leken te eindigen, knikte: ‘Tenzij we onderling weer vlug van plaats verwisselen.’
    ‘Haha.’
    Even had ik het gevoel in een spiegeltent terechtgekomen te zijn, waar niets nog was wat het scheen of leek te zijn. De blikken van de zusjes Bradt zeilden alle kanten uit. Drie dure totaal verschillende cocktails rukten nu aan, begeleid door een brede grijns van de barman.
    ‘Zo, meneer, dat schrijf ik er dus even bij? Alstublieft, dames.’
    ‘Waw,’ deed ik, eerder door het visioen van het grote gat in mijn portefeuille dan door de aanblik van de potsierlijke glazen apezuur.
    ‘Bent u een Hamburger?’ informeerde wie van de drie in alle ernst.
    ‘Eh … nee.’
    Even aarzelde ik in verband met een voor de hand liggende grap betreffende fastfood.
    ‘Geen Hamburger. En ook geen Habsburger. Gewoon Bregwin, uit België.’
    ‘Ah! Justine! Kim!’
    ‘Eh … ja. En jullie? Hamburgerinnen?’
    ‘Alleen Vanessa hier,’ knikte een van de drie, die dus blijkbaar een van de M&M’s moest zijn. Wat keken ze toch alle drie op goddelijke wijze een beetje scheel! Ze toostten me nu toe en nipten van hun kleurrijke parapludranken.
    ‘En jullie?’
    Ik bestreek met mijn blikken ieder van de drie in vlugge volgordes en keek ook een ietsepietsie dwars, om te verbergen dat ik niet goed wist tot wie me te richten.
    ‘Wij wonen in Australië,’ antwoordde M. ‘Onze vrienden rijden hier de Zesdaagse.’
    ‘Vrienden?’
    ‘Liefjes, mannen, lovers.’
    ‘Ah ja. Eh … allebei? Of … ’
    Ik herinnerde me dat de barman me gezegd had dat ook Blonde Arendsoog met een baanrenner hokte. Hoe zat dat hier?
    ‘Alle drie. De drieling Tuelson: Graeme, Bradley en Quinty. Alle drie bekende Australische baanrenners. Ook een drieling. Toeval hé?’
    ‘Maar … ‘
    Ik inspecteerde weer even de barman, die van aan het uiteinde van de toog op het spektakel toekeek. Wat was dat nou? Tuinde ik ergens in? Was dit een numeriek complot? Betrof dit een gigagrap? Speelde de Gorbatsjov-wodka me parten?
    ‘Dus … ‘ vervolgde ik, ‘dus … jullie zijn een drieling, en jullie vrienden zijn een drieling, en die … die draaien rondjes hier in de Zesdaagse van Hamburg?’
    ‘Klopt.’
    ‘Zo is het.’
    ‘Australië?’
    ‘Wij wonen in Canberra,’ beaamden M&M, ‘We zijn onze mannen gevolgd. Maar we zijn geboren in Hamburg hoor. Alleen Vanessa is hier gebleven. Met Graeme. Die zelf hier achtergebleven is na een eerste Zesdaagse met zijn broers. Ze is chef van de stadswachten. Nietwaar, zusje?’
    Het Europees gebleven zusje glimlachte stralend. Dat was dus Blonde Arendsoog.
    ‘Waw. Een drieling plus een drieling. Intercontinentaal. Zijn het goeie renners?’
    ‘De Tuelson-broers zijn eh … de subtop, laten we zeggen.’
    Ik knikte en vond na een vlugge scan in mijn geheugencompartiment nergens een aanwijzing dat ik ooit over het flitsende aussie-driespan had gehoord of gelezen.
    ‘Koersen ze dan samen?’
    ‘Gedrieën? Zelden. Meestal rijden ze in aparte wedstrijden.’
    ‘Maar soms ook eens tegen elkaar, als het zo uitkomt.’
    ‘In ploeg zijn ze te duchten.’
    ‘Dat zal wel.’
    De barman kwam nu een kasticket over de toog in mijn richting schuiven.
    ‘Op hotel, Bregwin uit België?’ informeerde wie van de drie.
    Ik knikte niet ontkennend: ‘Een korte citytrip. Tot na het weekend. Zo ontloop ik de verkiezingen in mijn land. Businesstrip, weet je wel.’
    ‘Foei foei.’
    Ik stond vooralsnog op mijn beide benen, maar toch bood een onopvallende handgreep aan de toogrand me een veilig houvast.
    ‘Zeg, ooit had je in Zweden de vier gebroeders Pettersson, ook renners,’ doceerde ik met een luie r.
    ‘O, was er eentje van gay?’
    ‘Waarom?’
    ‘Voor het geval dat ze een drieling zouden ontmoeten.’
    ‘Haha. Eentje op overschot. Haha. Gelijken de Tuelson-broers ook zo goed op elkaar? Zoals jullie?’
    Mijn vraag werd met driewerf ja-geknik beantwoord.
    ‘Zorgt dat dan niet voor verwarring?’
    (Bijtijds censureerde ik het woord kloon; onder geen beding kon dit woord hier in stelling gebracht worden).
    De zusjes begonnen nu wat te deinen in mijn blikveld, en soms kantelde er eentje uit mijn vizier weg: de wodka deed zijn werk in mijn lichaam als een kathedraal.
    ‘Je praat funny Duits, Belg,’ merkte Melisje, Manon of Vanessa op. Alleszins een Bradt, dt.
    ‘Dat is … ‘ wedervoer ik, maar een plotse dwingende aandrang ter hoogte van mijn geslachtelijk feit joeg me ijlings naar de toiletten, die ik het afgelopen anderhalf uur al drie keer bezocht had. Ik voelde zes divergerende stralenbundels in mijn rug convergeren.

    Na omstandige lozing van wodka-afgeleiden verscheen ik weer in volle glorie in de gelagzaal van de Thomas Read. Wederom sloeg verbazing toe: de perfecte mannelijke drieling in glanzende maatpakken draaide zich als één man naar mij toe.
    De Tuelson-kloons!
    Tweemaal drie identieke mombakkesen, dat was te veel voor mijn perceptie. Iets in mij knapte. Ik kon het niet indijken: ik barstte in een onbedaarlijke lachbui uit. Het panorama op het zestal werd nog stripmatig doorflitst met wapperende tekstserpentines, en gecombineerd met de golfslag van wodka in mijn lijf werd het allemaal nog erger: THE DALTONBROTHERS ARE BACK! HAVE MERCY ON THE ANDREWSISTERS! ZESLING GEBOREN TE BLANKENBERGE! Had ik me daarnet niet ontlast van giftige overtollige liquide, dan zou ik nu wis en waarachtig …

    Ik had godverdomme het harige mormeltje in de vuurlijn tussen bar en sanitaire vertrekken niet zien zitten.

    Toen ik na duisternis, wazigheid en wegebbende ruis weer bij mijn positieven kwam, opzittend als een hondje dat een koekje is beloofd, bleek dat ik over dat pietepeuterige kefmormel gekukeld was. Het was godgenageld zo groot als een mier. Het ding zat een paar meter verder de schok te verwerken.
    ‘Gaat het weer, meneer?’
    De barman trok me recht aan mijn uitgestoken hand, zoals voetballers plegen te doen na een aanslag.
    ‘Gaat wel.’
    Ik voelde vooralsnog niks. Het duurde wel even voor mijn blik weer bijgesteld was.
      ‘Mijn hondje heeft de slechte gewoonte hier in de weg te liggen. Ik kan het haar niet afleren.’
    ‘Niet gezien.’
    Ik glimlachte schaapachtig naar Vanessa Bradt, die aan de toog … verdorie.
    ‘Waar zijn … ?’ begon ik, om de aandacht van mijn tuimelpartij af te leiden.
    ‘Pardon?’
    ‘Maar … eh … ‘
    ‘Nog wat dizzy, Bregwin?’ informeerde Vanessa bekommerd. Ze maakte een gebaar in de richting van mijn voorhoofd, maar dat gebaar verstarde en haar hand keerde onverrichter zake terug naar af. Ik zeilde met mijn blikken het interieur van de Thomas Read af. Twee oudere mannen zaten op een bank in een hoek, en aan het verste uiteinde van de toog hing een jong koppel. Diepe peilingen van mijnentwege in de ogen van zowel Vanessa als de barman leverden geen informatie op. De drieling en twee derde van de andere drieling bleken foetsie te zijn. Hoewel mijn verbazing groeide, liet ik verder niets meer blijken.
    ‘Een wodka van het huis?’ bood de barman aan. ‘Maar eh … Vanessa hier wil wel dat dit je allerlaatste is.’
    ‘Oké,’ knikte ik. ‘Hier stopt het.’
    ‘Hier moet het stoppen,’ beaamde Vanessa. ‘Echt geen pijn gedaan? Het leek zo … zo echt.’

    Terug in hotel Columbus hadden Lotte en ik het grootste plezier.
    ‘Als dat geen rollenspel was hé!’
    ‘Onverbeterlijke zuiplap die je bent. En … Bregwin! Waar haal je dat in godsnaam vandaan! Maar dat verrekte hondje! Dat was toch niet voorzien of inbegrepen bij die 20 euro die ik de barman had gegeven!’
    ‘Het realiteitsgehalte was toen bijzonder hoog. Als twee honden vechten om een been … Ik was even te enthousiast.’
    ‘Maar … een drieling!?’
    ‘Wie droomt er niet van een drieling … twee drielingen.’
    ‘O, triootjes? En dan nog baancoureurs, potverdorie! Ik had gewoon verbale seks verwacht.’
    ‘Surprise, darling, surprise. Toch een stukje meer fun dan één op één hé. Maar je speelde er prima op in.’
    ‘Waw, dat was echt de max.’
    ‘Vlotte treinreis gehad?’
    ‘Viel mee.’
    ‘En het bijzitterschap? Niet bang voor een boete?’
    ‘Een buitenlandse zakenreis valt makkelijk te bewijzen. Bewijskrachtige documenten in overvloed.’
    ‘Nou: een nummertje?’
    ‘Met al die wodka in je lijf, Pieter?’
    ‘Wie zegt dat de barman wodka schonk?’
    ‘O, dubbel spel? Die kerel moeten we morgenavond zeker nog een bezoekje brengen, om hem te danken voor zijn medewerking.’
    ‘Dat zal niet op de agenda ontbreken, Blonde Arendsoog. Kom hier met je tweeling. Of zie ik dubbel?‘


    15-08-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Black Musk

    BLACK MUSK


    Er moest toch iemand de boekhouding van deze dwaze wereld bijhouden?
    Dat kon niemand anders zijn dan Edwin Boens. Immers: van jongs af werd zijn schedel door zuinige haargroei getooid. Bijna engelachtig. Tevens torste hij een haakneus, aan weerskanten waarvan een kraaloogje als een blinkend muntje de wereld in de gaten hield. Zo iemand moest wel accountant worden.
    Ik had Edwin Boens lange jaren geleden, decennia geleden zelfs, gekend. We speelden ooit in dezelfde volleybalploeg. We studeerden aan dezelfde universiteit, zij het aan totaal andere faculteiten. We verlieten allebei ons geboortestadje, om definitief ergens anders te gaan wonen. Of bleef hij honkvast haperen? Eigenlijk wist ik dat niet. Ik was plotseling zijn spoor bijster.

    Soms groeit de behoefte iemand van lang geleden weer te zien of er ten minste wat informatie over te verzamelen. Vaak echter heeft dat geen zin. Zelfs op collectieve gedenkdagen van een generatie veertig-, vijftig- of zestigjarigen voel je het ongemak. Te veel verschillende levens zijn ondertussen harde feiten geworden, waardoor herinneringen weggedrukt zijn. Het is zelfs zinloos om, gewapend met een goed geheugen, dingen uit het verre verleden op te vissen, want de meerderheid van de betrokkenen staart je aan alsof je staat te liegen dat je zwart ziet. Ze zijn een en ander compleet vergeten.

    Toen ik op een dag op het grote etalageraam van een fraai kantoorgebouw aan de kust Accountancy Decock, Maes & Boens zag staan, met daaronder Edwin Boens nog eens apart vermeld, toen wist ik dat ik beet had. Ik had me namelijk al die jaren diverse keren afgevraagd: waar is Edwin Boens? Wat doet hij? Is hij rijk geworden? Heeft dat engelenhaar op zijn hoofd de kans gekregen grijs te worden of is het door beurscrashes pijlsnel uitgevallen? Zijn die kraaloogjes van hem gunstig geconverteerd in de Europese munteenheid? Houdt hij ook nog andere boeken bij dan die met getallen en kolommen? Ik schreef haastig straat en huisnummer op en reed door, op zoek naar een boetiek waar ze black musk verkochten: nog iets uit mijn jeugdjaren waar ik naar verlangde. Die oude gevaarlijke geur, weet je wel. Ik wou dat straffe goedje weer eens met mijn vingertoppen achter mijn oorlelletjes aanbrengen, zodat ik het roerige verleden weer op kon snuiven. Ik rook namelijk graag lekker. De kust telde wel een paar van die exotische boetiekjes waar je dergelijke dingen kon vinden.
    Thuis googelde ik Edwin Boens. Een en ander werd bevestigd door amper één zuinig item. Hij was het.

    Ik besloot een truc te gebruiken om niet alleen Edwin Boens, maar ook een deel van de vroegere reutemeteut uit mijn geboortestadje weer te kunnen zien, zonder zelf verdacht te zijn. Via de werkgroepen die de generaties na veertig,vijftig en zestig jaar leven op deze aardbol ter herdenking op reünies weer samengebracht hadden, verwierf ik diverse adressen. Dat van de hr. Boens zat er niet tussen. Hij was ook nooit op zo’n reüniefeest verschenen. Daarom ook had ik die namiddag aan de kust dat accountancyadres vlug neergekrabbeld.

    De volgende stap betrof een oude gekke droom van mij. Ik had die al een paar keer in mijn hoofd geconcipieerd. Nu maakte ik er werk van. Ik zond pakweg vijftig ouwe bekenden ieder een aparte brief. De inhoud en reden van mijn schrijven varieerde naargelang van hun beroep, interesse, leven … en was ondertekend door telkens aan ander pseudoniem. Er ging een uitnodiging mee gepaard, om te verzamelen op een welbepaalde plek op een welbepaald tijdstip. Het betrof telkens een individuele uitnodiging met een welbepaalde reden, plek en tijd. Maar ieder individu kreeg dezelfde plaats en tijdstip van afspraak … zodat ik een samenscholing for old times’ sake kon veroorzaken. Ikzelf zou daar ook zijn, opgaand in de groep, tevens ‘uitgenodigd’. Ook Edwin Boens zou opgaan in de massa. Ik zou hem onverdacht kunnen observeren. Niemand zou in de gaten hebben dat het allemaal voorwendsels betrof. Ik zou mezelf niet verraden. En ik zou me ook na een halfuur mee met de verontruste groep afvragen: ‘Maar wat doen wij hier eigenlijk? Wie is X, Y of Z? Wat gebeurt er hier nog? Is dit misschien voor een programma? Worden we gefilmd? Een immense grap? Toon eens uw brief? De mijne vertelt iets anders. Het is toch hier hé dat we moesten zijn? Of zijn we gemist van dag?’ En ik zou toch enkele kornuiten uit een ver verleden teruggezien hebben, waaronder de heer accountant Edwin Boens. Dat laatste vormde de hoofdreden voor mijn eigenaardige campagne: ik wou per se zien hoe de tand des tijds Edwin Boens, voorheen schooljongen en student, thans accountant, toegetakeld had.
    Twee dagen lang typte, vouwde en likte ik. De voorpret kon niet op.

    Hem lokte ik met geldgedoe.

    En hij daagde op.

    Zesenveertig van de vijftig door mij opgeroepenen, incluis Edwin Boens, verschenen die dag omstreeks of klokslag 19 u op het Lindenplein in de middelgrote stad K., ieder gelokt met een aparte brief. Ikzelf arriveerde ook netjes op tijd.

    Waar ik echter niet op gerekend had: enkelen hielden onmiddellijk al mijn brief in de hand. Verbazing en onbegrip haalden immers al vlug de bovenhand. De samenscholing vond zichzelf blijkbaar verdacht van in den beginne. Als een epidemie verspreidde het zich: meer en meer genodigden haalden de brief boven. Om niet op te vallen deed ik dat dus ook maar, want ook naar mezelf had ik een uitnodiging gezonden. Ik merkte nu hoe sommigen aan hun brief roken. En hoe enkelen hun brieven uitwisselden om er op hun beurt ook aan te ruiken. Ook de chique meneer Edwin Boens stak zijn haakneus in zijn envelop.

    Hoewel elke brief neutraal geprint was en zoals gezegd undercover voorzien van pseudogegevens, werd ik na vijftien minuten al door de meute als de dader aangewezen en ontmaskerd. Mijn plezier was van korte duur. Ik werd ter plekke besnoven door mevrouw Liliane Deurynck van parfumerie XxX, tevens door mij onder vals voorwendsel uitgenodigd. Toen die bevestigend knikte, begonnen nog anderen aan hun brief en aan mij te ruiken. Ik werd ondervraagd, afgezonderd, beschimpt, door woedende middenstanders gestompt en geslagen en beduusd op mijn zitvlees op de designkasseitjes van het Lindenplein achtergelaten, op een bed van geurige witte rozen: de tot proppen gebalde brieven van de ontgoochelden. Ik meende in een flits nog Edwin Boens de heksenkring te zien naderen, maar zeker was ik daar niet van. Dat betekende het einde van mijn gigantische practical joke, die ik alleen maar opgezet had om de heer Edwin Boens, voorheen klasgenoot en student, thans accountant, uit zijn tent te lokken.

    De black musk had me verraden.


    03-07-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Engel in Avelgem

    ENGEL IN AVELGEM


    Avelgem … net-niet navel, net-niet parel, maar wel voorportaal tot de Vlaamse Ardennen. Laatste West-Vlaamse vesting van betekenis vooraleer je voet zet op Oost-Vlaamse of Waalse bodem. Kluisberg, Schelde, vlakte: Avelgem heeft het. Vriendelijk volk, dat ook.


    De grote nieuwe wereld (echter niet met zijn oubollige bigbrothertoestand, die veel te vroeg en totaal verkeerd voorspeld werd) heeft al enkele jonge generaties naar de knoppen geholpen, en ook het stille, eerder afgelegen Avelgem zal daar niet aan ontsnappen zeker? Of aan de ergste economische crisis annex werkloosheid sedert de Tweede Wereldoorlog? Chillen en samplen en copy-pasten de netizens hier ook volop? Verdampen hun in de afgelopen decennia opgestapelde winsten ook zienderogen?


    (Noot van de auteur. Eind jaren tachtig probeerde de lokale politicus Serge V. met zijn ovenwarme partij MEGALEV (een anagram van Avelgem) de streek nieuw leven in te blazen. MEer GAan LEven leek echter te veel op die Andere Partij).


    En toch … en toch … Altijd weer krijg ik in Avelgem iets van ‘oudbakken’. Komt dat misschien door Avelgems bekendste inwoner, borstelsnorremans Stijn Streuvels, de bakker die ook schreef? De schrijver die niet meer bakte? Nou, hij bakte er wel wat van. Hij kon zelfs Noors lezen, de stugge kerel. Dit terzijde.


    Het marktje in Avelgem lijkt eerder op een (weliswaar korte) landingsbaan. Het is een strook tussen de kerk en de hoofdstraat en vice versa, met aan weerszijden vooral winkels en horeca. Ideaal als landingsplaats voor een vliegende schotel.


    Anno 2010 landde er daar inderdaad iets.
    Het was geen vliegende schotel. Het was een vrouw. Ze kwam zo uit de lucht gevallen. Vanuit het oosten. Op de negende juli. Nou, vallen. Ze diende niet van straat geschraapt te worden, zoals het cliché dan luidt. Haar nederdaling werd gebroken door de luifel van eethuis De Vlaschaard, die uit heel sterk weerbestendig zeildoek bestond. De gevallen engele (Babbe zou ze blijken te heten) veerde met een dwaze buiteling nog een keer op, landde ten tweeden male, gleed dan van de luifel af en hupte lenig als een turnster op het trottoir.


    Geen levende ziel had deze teraardebestelling gezien. Alleen Patrick van De Vlaschaard had een doffe klap gehoord.
    ‘Het gaat donderen,’ had hij geconstateerd. ‘Het gaat het niet houden, dat weer.’
    Niemand luisterde, knikte of beaamde, want hij was alleen in de bijkeuken. Het betrof overigens een draak van een mededeling, verpakt in een cliché als een kathedraal met duivenstront op: het kleinste Vlaams-Ardens kind voelde dit donderweer zo aankomen.
    Voorwaar: diezelfde avond nog brak inderdaad een onweer los, dat de vergelijking met het tempeest in ‘De Vlaschaard’ van Streuvels kon weerstaan. Maar toen was engele Babbe al in soesland, ergens te velde, in een moestuin onder reuzengrote rabarberbladeren.

    Hupsake!

    Babbe vormde met beide handen een kommetje om haar neus en schudde zich even als een natte hond. Daarna zeilden haar blikken over de verlaten straat. De stoelen op de terrassen stonden al voorovergebogen tegen hun tafels geleund. Hier en daar flikkerde een tv-scherm even op. In de verte klonk wat gerommel. Het halfduister achter de vitrine van café Retro herbergde nog drie onroerende gasten, als vraagtekens gebogen aan de toog, een vrouw en twee mannen – een ware Hopper in Avelgem.


    Door wie (Wie?) was deze engele gezonden?
    Betrof dit een waarachtige Godsgezant?
    Of was dit (letterlijk) een gevallen engele?
    En ik vraag u: waarom Avelgem?


    Die laatste vraag is de moeilijkste, maar alvast dit. Een verklaring kan soms eenvoudig zijn: engele Babbe was simpelweg door een gat in de ozonlaag getuimeld en zo op de aardkloot gedonderd. Een hemelachtige voorzienigheid had haar veilig en wel, maar toch met een himmelhoche snelheid door een glijschacht geleid en heelhuids, nou: heelengels, ter aarde besteld. Er was alleen ter hoogte van haar neus wat ijsvorming, die alras ontdooide.


    Engele Babbe mocht zich gelukkig prijzen dat ze op openbaar grondbezit terecht was gekomen – weliswaar via het afstapje van een privéluifel. Immers: in een andere novelle van dezelfde schrijver dezes landt een keramische astronaut (door de beeldend kunstenaar José Vermeersch vervaardigd en t.g.v. diens 65e gedenkdag aan twee grote frambozenrode trossen ballonnen ieder tellende 65 zulke opgeblazen feestartikelen het zwerk in gestuurd op zoek naar een random gelukkige bestemmeling) pardoes en met de beide beentjes schrijlings op de scheidingshaag tussen twee Vlaamse tuinen van twee aanpalende Vlaamse kemphaantjes. Hommeles!
    ‘Voor hetzelfde geld’ zoals ze hier zeggen, werd engele Babbe op zo’n privéterritoriumpje ter aarde besteld, waar de eigenaar haar fluks tewerk kon stellen als engel-van-plezier. Het draaide dus anders uit. Haar malse kontje daalde uit duifgrijze luchten te openbaar Avelgem neder, en ongezien.
    Hoe dan ook: Babbe ventileerde zichzelf nu op hielhoogte door het pre-onweerachtige Avelgem. (Valt u niet over dat ‘ventileren’: ik vind geen ander woord dat het vooruitschrijden van een engele correct weergeeft).


    Niemand zag haar. Dat kon ook niet: wereldlijken konden deze angelieke verschijning niet zintuiglijk waarnemen. Alleen een bewegend of verplaatst voorwerp waar ze eventueel tegenaan botste, kon haar aanwezigheid verraden. Maar wanneer zoiets gebeurde, schreven de wereldlijke mensen dat toe aan de wind, verstandsverbijstering of dronkenschap van henzelf. Mochten ze het sappige wezen in het aangelaat kunnen aanschouwen, dan zouden ze wis en zeker uitroepen: ‘Maar is dat Vicky Leandros niet?!’ En ze zouden dan doelen op de jonge Vicky Leandros die in de vorige eeuw zulke mooie liedjes zong. Deze Vicky, Griekse halfgodin met ook nog iets Duits erbij, had toen voor talloze goede huisvaders de bijtgare natte droom betekend.

    Ter zake.


    Engele Babbe gaf eerst acte de présence in de kerk. Ze ventileerde zichzelf door de gesloten toegangsdeur, stevende op het hoofdaltaar af, mompelde in quick motion een engelse groetenis en bekruistekende zichzelf Vlaams-orthodox, waarbij het laatste klopje ook links eindigt, ter hoogte van het hart. De man-an-de-lat was namelijk een verkeerde lieveheer; hij neigde naar links.
    ‘Het riekt hier naar een lang afgesloten slaapkamer,’ constateerde ze hardop. Even wapperde ze met de onderste regionen van haar tuniekjurkje, als wou ze kwade geuren verdrijven.
    'We are not amused!’ klonk het dof en pijnlijk van op de grote crucifix.
    ‘Inbeelding,’ dacht Babbe, maar toch keek ze even op naar de Gekruisigde. De Kerel gaf geen krimp. Ze detecteerde spinrag tussen kin en rechtertepel.
    Met elf donkere slagen dicteerde de torenklok het aanbreken van het drieëntwintigste uur van het etmaal. Babbe telde inwendig mee, ondertussen aan haar kutje krabbend. Even kwam er beweging in het geslacht van de Allerhoogste Mensenzoon. Een purperen rimpelinkje trok doorheen de beide ballen. Het daarbij horende lulletje leek zich te willen manifesteren als het vogeltje van een zwartewoudkoekoeksklok, maar alras verschrompelde het goddelijke lid weer tot de eeuwenoude stand van zaken, in zichzelf verzonken en gerimpeld. De Gekruisigde had niet echt een krimp gegeven.


    Men (‘men’ zijnde de mensheid gedeeld door de mens) is in de waan (synoniem: men denkt) dat toeval bestaat. Neen. Het onbestaat. Het bestaat het niet te bestaan. Zo was engele Babbe niet toevallig ter aarde besteld. Ook al tuimelde ze zogezegd etc … etc …


    Nee: Babbe ondernam een queeste naar het verloren gegane Boek der boeken. Ze was uitgezonden door Bengele Tengele, de opperengel uit de zesde hemel.


    Het etherische wezen wervelde nu naar de galerij van de veertien statiën in de sacristie. De grote verkeerde lieveheer aan het kruis (een met het hoofd naar links neigende Gekruisigde dus, die vooral aandacht heeft voor de slechte moordenaar aan zijn linkerkant, het begin van de rechtspraak en de bevrijdingstheologie) had haar met een onmerkbare knik van zijn hoofd de weg gewezen.
    ‘Statie 6 en statie 7 verdienen nauwgezet onderzoek,’ had Bengele Tengele gezegd. ‘De statie van de vera icon en vlak daarna die van de tweede epileptische aanval van de man die op de Knekelheuvel toe stapt.’
    Engele Babbe boog zich voorover om de doornenkroon op het hoofd van de koning der Joden nauwkeuriger te bekijken.
    ‘Een encefalogram,’ mompelde ze. ‘Goedenavond Meneer, u neemt het me niet kwalijk dat ik U en mezelf in één adem twee gevallen noem?’
    Met in haar linkeroog de zesde statie en in haar rechteroog de zevende statie staarde ze daarna net zo lang tot er beweging in de taferelen kwam. Al vlug voelde ze zich samenvallen met de gebeurtenissen pakweg twee millennia geleden. Ze ontdeed zich van haar sluierdoek, stapte onbevreesd op de bloedende man toe en depte met de doek zijn aanschijn. De soldaten maanden haar tot spoed aan. Terwijl dat gebeurde, siste de veroordeelde door de doek heen:
    ‘Hier, vlug, voor ik weer val: mijn testament. Pas op: het is nieuw. Het vervangt het oude. Verstop het op je lijf; niemand mag het zien.’
    Terzelfder tijd toverde hij (ietwat beschermd door de sluierdoek) met de ene hand een opgerold vel uit zijn verscheurde gewaad. Veronica aarzelde geen seconde, moffelde het razendsnel in haar doek en maakte zich weer uit de voeten. Blijkbaar had niemand de overdracht in de gaten gehad. Ze klemde de doek stevig tegen haar borst, waar haar hart hamerde hoog in de versnelling. Toen ze nog eens omkeek, zag ze hoe de man voor de tweede keer bezweek onder zijn balk-met-dwarshout. De Romeinen ranselden er vloekend op los.


    Veronica engele Babbe haastte zich nu ongesluierd tegen de mensenstroom in naar huis. Iedereen leek ondertussen naar de hoofdweg gestuwd te worden, waar dead men walking in een vreselijke geselstoet vooruit sjokten, hun knekeldom tegemoet. Er waren niet minder dan dertien groepen, die telkens een veroordeelde in hun midden hadden. Aan de kruisheuvels zelf troepten inmiddels al honderden rampnieuwsgierigen samen. Sommigen hadden ook al het begin van de stoet gezien en waren dan ijlings via een omtrekkende beweging naar de plaatsen van de terechtstellingen gelopen. De duifgrijze lucht verschoot nog een tint of twee donkerder. De eerste bliksemserpentines wapperden boven de stad. Het was bloedheet, maar het zweet van de mensen voelde koud aan. Het was de temperatuur van een laffe stad die het in stilte uitschreeuwde.


    Die tweede val was er te veel aan. De soldaten plukten willekeurig een mannelijke toeschouwer uit de dikke rijen ramptoeristen en verplichtten die de doodsbalk een eind op zijn schouders mee te zeulen, in plaats van de veroordeelde.
    ‘Een koning mag toch niet sterven als een hond op straat!’ spotte een van de soldaten.
    Na enig protest van de man en dreigementen plus zweepslagen van de escorte zette de stoet zich weer in beweging. Van die gelegenheid maakte de man met de doornenkroon gebruik. Hij naderde strompelend de opgevorderde drager en fluisterde hem toe zonder hem aan te kijken:
    ‘Rep je naar het huis van de vrouw die daarnet mijn gezicht depte en breng samen met haar mijn testament in veiligheid. Ze heet Veronica. Zoek haar. Hoe heet jij?’
    Even gluurde de man verbaasd opzij, in het bebloede gelaat van de veroordeelde.
    ‘Testament?’ vezelde hij tussen zijn tanden. Daar had hij wel oren naar.
    ‘Ja, ik smokkelde het daarnet met haar mee. Vind haar. Hoe heet je?’
    ‘Simon. Simon van Cyrene.’
    ‘Doe het, Simon. Straks is het weer mijn beurt. Maak je daarna onmiddellijk uit de voeten,’ fluisterde de veroordeelde met aandrang. ‘Het is belangrijk!’
    ‘Maar waar woont die Veronica?’
    ‘Langs de Habadweg. Doe het, Simon!’
    ‘Wat lopen jullie daar te konkelfoezen?!’ riep plotseling de escorteleider. ‘Voortmaken!’
    Ongerust tuurde hij naar het donkergrijze zwerk, terwijl hij blindelings de drager enkele zweepslagen toediende. Uit de immer bewegende onrustige mensenhagen stegen kreten van verontwaardiging en afkeuring op.
    ‘Voortmaken!’ brulde de decurion weer. Hij rekte zich even uit en ging op de tippen van zijn tenen staan om voor en achter poolshoogte te nemen hoe het eraan toe ging bij de andere ploegen met hun veroordeelde. Hij voelde aan dat hij zelf met zijn eigen decuria de zaken niet echt onder controle had. Er ging te veel dreiging uit van de opeengepakte nieuwsgierigen, waarboven die zware loden luchten gedrapeerd waren. Zijn soldaten waren dronken, alle acht. De sfeer was broeierig en leek met de minuut verhitter te worden. Hij proefde bloed, zweet, stank, zout. En er zat een verdomde houtsplinter in zijn duim, die hij er maar niet uit kreeg. Andermaal probeerde hij …


    Toen gebeurde alles razendsnel.


    Ter hoogte van de Oostelijke Weg weken de mensenrijen aan weerskanten plotseling uiteen. Gejoel en gebrul zwollen aan. Vijftien, twintig onherkenbaar gemaakte mannen verrasten de decuria totaal. In groepjes van twee, drie tegelijk en geholpen door omstanders vloerden ze ieder een soldaat, smakten die tegen de grond, ontnamen hem zijn speer en voeren daarna de veroordeelde mee in een dreigend terugdeinzende falanxorde, waarbij de mensenrijen aan de oostelijke kant zich vlot openden en weer sloten. Alles gebeurde in een handomdraai. De decurion had amper de tijd gekregen om op te kijken vooraleer hij met een mokerslag tegen de lever op de grond gekwakt en even overmeesterd werd. Simon van Cyrene, doodsbang voor het vooruitzicht dat ze misschien ook hem op een van de knekelheuvels zouden kruisigen – met die Romeinse dronkenlappen wist je maar nooit – keek pas na de coup ontzet om zich heen. Hij zag zijn escorte overeind krabbelen, beroofd van hun speren, grijpend naar hun hoofd, ballen, voorovergebogen, beduusd, duizelig, dronken en sommigen onder het bloed. Maar waar was … !?


    Het werd Simon zwart voor de ogen. Hij viel op zijn beurt met de kruisbalken ter aarde neer.


    De decurion had het meest tijd nodig om weer bij zijn positieven te komen. Hij braakte tot tweemaal toe en spoog een tand uit. De meeste van zijn mannen bleven versuft op de grond zitten.
    ‘Overeind!’ brulde hij dan. ‘Overeind!’
    Hij sprong op, gevolgd door de anderen, terwijl het spottende gejoel alsmaar aanhield.
    ‘Opzij! Opzij!’
    Niemand week. Van de kapers was ondertussen geen spoor meer te bekennen. De decurion koos eieren voor zijn geld. Hij vreesde verborgen dolken en messen onder de Joden. En hijzelf en zijn decuria waren van hun speren beroofd.
    ‘Vooruit!’ brulde hij dan, terwijl hij met zijn zweep Simon van Cyrene rechtop ranselde. ‘Vooruit! Naar de kruisheuvels! Vergelding!’
    Hij merkte dat de groep voor hem al een dertigtal meter voorsprong had, en achter hem botste een andere groep al bijna tegen ze op. De decurion van die groep riep hem spottend toe: ‘Eentje kwijtgespeeld?’
    De hoofdman haalde gekrenkt zijn schouders op. Hij ranselde vloekend en brakend op de weeklagende Simon en op zijn eigen soldaten in.


    Drie kwartier later hing de genaamde Simon van Cyrene, door de Romeinse escorte opgevorderd uit de toeschouwers na de tweede val van de man met de doornenkroon, gekruld als een vraagteken van schroeiende pijn aan het kruis dat bedoeld was voor de met geweld gekaapte Jezus de Nazarener.


    Bliksems scheurden de hemelen aan flarden en donders roerden de doodstrommen voor dertien kermende veroordeelden verspreid over de knekelheuvels op het grondgebied van Jozef van Arimathea. Eén knekelheuvel zou later Golgotha worden genoemd, of Calvarieberg, of Kruisberg. Het graf dat de grondeigenaar er toch al liggen had, zou met toelating van Pontius Pilatus gebruikt worden als laatste rustplaats voor de aflijvige Simon van Cyrene, die echter luttele tijd later ergens anders ondergebracht zou worden door dezelfde militie die de Nazarener uit de doodsstoet weggekaapt en ontvoerd had.


    Ondertussen was Veronica engele Babbe buiten adem thuisgekomen. Verscheidene keren had ze achterom gekeken, uit angst voor mogelijke achtervolgers. Nog voor het onweer echt losbarstte, bereikte ze haar woning aan de Habadweg. Haar borst ging snel op en neer. Minutenlang nog bleef ze met het in haar sluier gewikkelde testament tegen haar hart geklemd zitten, niet één keer met haar oogleden knipperend. Daardoor was haar grote omslagdoek op borsthoogte rood geworden, net als haar sluier zelf.


    Was de veroordeelde Nazarener tegen zijn wil in door de bende ontvoerd? Wellicht niet. Niemand verlangde ernaar om aan gekruiste balken genageld en met een speer doorboord te worden. Stak er meer achter de opvordering van een willekeurige toeschouwer? Was Simon van Cyrene betrokken? Wellicht niet. Het testament waarover de te kruisigen man hem informatie toefluisterde, zal hem waarschijnlijk meer geïnteresseerd hebben dan een bloederige dood aan balken.
    De actie was voor rekening van de zogenaamde ‘stokheren’, een militante Joodse organisatie van elkesaieten. Twaalf van ze hadden bij het laatste avondmaal aangezeten. Zij hadden het decuria dat voor de Nazarener verantwoordelijk was, omgekocht met klinkende munt. Zij hadden ze ook dronken gevoerd, via tussenpersonen, enkele uren voor de kruisoptocht begon. Het was de leider van de elkesaïtische stokheren die de decurion had gevraagd om onderweg iemand willekeurig op te vorderen die even de plaats van de Nazarener in zou nemen. Dat diende te gebeuren voor de stoet de Oostelijke Weg zou dwarsen. Meer uitleg kregen de Romeinse soldaten niet; ze legden zich daarbij neer na een extra handvol smeergeld en knikten dat ze akkoord gingen.


    De drie laatste gasten in café Retro hoorden en zagen het onweer naderen.
    ‘Het is weer te geweldig geweest,’ merkte patron Robert op, met een nijdige knik naar buiten.
    ‘Ik verhuis naar Thailand,’ besliste Simon.
    ‘En ik naar de Carabijnen, of hoe heten die hoelahoepeilanden ginder ook weer,’ zei Jozef. Hij graaide zijn rookspullen bijeen en stond op.
    ‘Hihi, voor die paar druppeltjes?’ sneerde Veronique. Ze kon haar r-klanken niet meer de baas. ‘Wat voor mannen zijn jullie toch?’
    ‘Subiet regent het oude wijven,’ articuleerde Simon, uitdrukkelijk in haar gezicht kijkend. Toch moest hij weer van haar wegkijken, want zijn mededeling werd gevolgd door een enorme hik. Hij greep naar zijn borst om de pijn te bezweren.
    ‘Een doodshik,’ constateerde Veronique met lijzige stem. Ze stak haar zesentwintigste sigaret op.
    ‘Nu, ik moet toch stilaan sluiten,’ zei Robert. Met brede strijkbewegingen begon hij het toogblad schoon te wrijven.
    'Yes, let’s call it a day,’ sprak Jozef anderstalig.
    Onwillig schuifelden ze het café uit. Het zag er menens uit met dat onweer, dat hun drinkplannen een uur te vroeg in de war stuurde.
    ‘Recht naar huis hé, gasten,’ riep Robert ze zoals gewoonlijk na.
    ‘Waar anders?’ antwoordde alleen Veronique, ook zoals gewoonlijk.


    Met onvaste stappen gingen ze huns weegs. Ze zetten er wat spoed achter, want het gerommel naderde nu zienderogen.
    ‘Ik voel al een paar druppels.’
    ‘Godverdomme.’
    Een felle bliksemschicht verlichtte de Vlaamse Ardennen. Simon wrikte zijn sleutel in het slot en mompelde wat tegen zijn drinkkompanen. Hij was het eerst thuis. Veronique en Jozef mompelden wat terug en staken er nog wat meer vaart in. Vlak nadat de deur dicht was geklapt, werd Simon andermaal door zo’n worgende hik overvallen. Een pijnbom deed zijn borst ontploffen. Hij greep naar zijn keel en zeeg neer.


    ‘Komaan schatje,’ zei Jozef.
    Veronique gooide haar sigaret weg en nam zijn uitgestoken hand vast.
    ‘Een spurtje tot bij mij thuis?’
    ‘Your place or your place? Hihihi!’
    Het hoekje om en twee straten verder ploften ze in de sofa neer.
    ‘We zijn eraan ontsnapt.’
    ‘Zeg dat wel. Straks breekt de hel los. Een Duvel?’
    ‘Merci, graag. Anders zaten we toch nog bij Robert.’
    Veronique en Jozef nestelden zich met enkele Duvels tegen elkaar aan, terwijl de eerste waaiwinden die een onweer voorafgaan de Avelgemse boomkruinen en struikgewassen beroerden. Het geknetter werd menens.
    Ze frunnikten wat met kleren, bepotelden elkaar af en toe en wisselden zatte moppen.
    ‘Ik moet dringend plassen,’ deelde Jozef na twee-en-een-halve Duvel mee.
    ‘Niet te lang wegzitten, liefke.’
    ‘Neenee … ‘ antwoordde hij dwaas. Hij pootte zijn kelk op het salontafeltje neer en stapte onzeker naar de wasplaats achter de keuken. Toen ze door de openstaande deuren het geklater van zijn water hoorde, net niet overstemd door het vochtige geruis van het onweer, kreeg ze opeens ook een felle aandrang. Niet te doen. Het water kwam haar zelfs in de mond. Maar dit huis had godgenageld maar één wc. Ze haastte zich naar buiten, de diepe duistere tuin in, waar grote droppen hemelwater op het gebladerte pletsten. Verdorie, ze was zatter dan ze dacht. En alles was ook natter dan ze dacht. Ze gleed voortdurend uit. Over het smalle tuinpad laverend, bereikte ze de grote rabarberstruiken achter in Jozefs tuin.
    ‘Au! Au au au!’
    Het laatste stuk van dat verrekte tuinpad was met lege in de grond geschroefde flessen afgezoomd. Een van die flessen was gebroken. Veronique was er met haar volle gewicht en haar zomersandaaltje op gaan staan, zich voorover buigend om enkele rabarberbladen opzij te duwen teneinde er een ongezien plasplekje te improviseren. Schroeiende glasstekels doorboorden haar voetzool; de pijn snerpte tot in haar borst. Ze schrok zich rot en kukelde kermend in de rabarberstruik. Gulpen bloed welden uit haar sandaaltje op. Ze eyeballde ontzet tegen de bliksemschichten in, heftig met haar armen wiekend, op zoek naar een houvast in deze vochtige kosmos. Hierbij mepte ze met haar rechterpols ook nog eens op de schervenfles die daarnet haar voet had doorboord. Fluks knapten haar aders. Ze zonk met een zucht achterover in de rabarberweelde, waarvan de twee bovenste van elkaar wegbuigende bladeren langzaam rood kleurden. Haar bloed vermengde zich met de lauwe juliregen en biggelde tappelings en sappelings van de bladeren af. De beide sappen verzamelden zich nog even in de grote gleuf van het onderste blad vooraleer ze de aarde bereikten, drup na drup na drup.
    ‘Bab … bab … bab … ‘ klonk het.


    Nadat Jozef zijn dronken lulletje had afgeschud en (zijns inziens) voorlopig weggeborgen, constateerde hij het verdwijnen van Veronique.
    ‘Godvers retrowijf.’
    Hij haalde zijn schouders op, stak nog een sigaret op en pakte zijn Duvel weer vast. Het was niet de eerste keer. Drank deed sommige mensen wel vaker verwarren tussen beslissingen en opwellingen. Ze had hem zelfs al eens een blauw oog geslagen zonder dat ze wist waarom. Morgen misschien. Of overmorgen. Hij moest ook eens thuis kunnen blijven, verdomme. Die verrekte tuin vroeg aandacht. Hij goot haar bier bij het zijne en dronk rechtopstaand alles in één keer op.


    Voorzichtig ontsluierde Veronica engele Babbe het testament.
    De bloedsporen op de rol en op haar sluier waren al bruin aan het worden. Vooraleer ze de vellen (blijkbaar waren er meerdere) open streek, viel haar blik op de sluier. Het smartelijke gelaat van de Nazarener stond er vrijwel geheel op afgedrukt. Gebiologeerd staarde ze naar de doek. Daarna boog ze zich over het bovenste vel, dat zich onwillig voortdurend weer opkrulde.


    Had de Nazarener door de onverwachte wending van zaken spijt gekregen van zijn gift aan een van zijn vriendinnen?
    Nadat zijn ergste wonden wat verzorgd waren – de hele militie zat ondertussen weer veilig en wel verschanst in de quasi-onbereikbare grotten van een rotsformatie ten oosten van Jeruzalem – , overlegde hij met zijn kompanen.
    ‘Was ik op de hoogte geweest van jullie plan, dan had ik natuurlijk de rol niet weggegeven,’ zei hij fel. ‘Waarom gaven jullie me geen informatie?’
    ‘Te riskant,’ repliceerde Judas. ‘We dienden te vaak een beroep te doen op tussenpersonen. Niemand is nog te vertrouwen heden ten dage. Hoe minder iedereen weet, hoe beter. De Romeinen hebben ook hun luistervinken. Zelfs onder ons. Eh … we wilden wat jou betreft ook het voordeel van de verrassing. Sorry. Eh … de rol?’
    ‘Ja … de rol,’ papegaaide de Nazarener nijdig. ‘Mijn testament. Het is nu in handen van die Veronica. Een vrouw. En … ‘
    ‘Dat is toch een goede vriendin van je?’
    ‘Ja. Jaja. Maar mijn geschriften zijn nu niet bepaald vrouwvriendelijk.’
    ‘Tja … ‘
    ‘Vrouwen weren we toch uit onze militie? We hebben er van in het begin al over gestemd … ‘
    De Nazarener inspecteerde nu met pijnlijke grimassen en gesis tussen zijn tanden enkele wonden.
    ‘Verdomd … dat snijdt door merg en been … au … au … ‘
    ‘Dan moeten we daar iets aan doen,’ kwam Petrus tussenbeide.
    ‘Gezien de onverwachte ontwikkelingen en in het belang van onze zaak zullen de beide spitsen van onze militie helaas een bezoek aan Veronica in de Habadweg moeten brengen. Het zit er dik in dat ze mijn testament nu al gelezen heeft. Aangezien ik toch nog in leven ben en aangezien ik van mening ben dat een man een woord is en een vrouw een woordenboek, zullen we moeten ingrijpen.’
    Judas en Petrus stonden prompt op. Het woord van de leider was wet.
    ‘Oordeel naargelang van de situatie,’ verordende de Nazarener nog, terwijl hij zelf bijna ononderbroken sissend en lucht inhalerend zijn talrijke wonden verder depte.
    ‘Gebruik geen nodeloos geweld. Pols de vrouw Veronica eerst. Ondervinden jullie dat ze een en ander gelezen heeft, handel dan. Jullie weten wat je dan te doen staat. Collateral damage, jammer genoeg. Altijd te betreuren. Deze wending had ik echter nooit kunnen voorzien. Ik strompelde een zekere dood tegemoet, en die vrouw betekende toen mijn laatste hoop om vooralsnog het testament in veiligheid te brengen. Anders was het in handen van de Romeinse vijand gekomen.’
    ‘Ze zouden het inderdaad op de Schedelberg ontdekt hebben,’ bevestigde Johannes, die in opdracht van Petrus de stoet gevolgd was tot op de terechtstellingsheuvels. ‘Ze hebben die Simon van Cyrene volledig ontkleed. Niets bleef verborgen. Ze dobbelden zelfs voor zijn mantel.’
    ‘Het ware goed dat die man onmiddellijk vlakbij begraven kon worden; ga ook eerst even langs bij Jozef van Arimathea, maar kijk goed uit of jullie niet gevolgd worden. Jozef heeft er een graf dat reeds af is. Betaal hem voor de bewezen dienst. Johannes: ga ook maar mee. O, en vraag of Jozef voor enkele druppels bloed van die Simon kan zorgen. Hij verdient het mijn bloedbroeder te worden, al is het dan postuum. Hij is jezusfactorpositief.’
    ‘Ja heer.’
    ‘Waarom heb je die rol niet vooraf aan iemand van ons toevertrouwd?’ wou Judas nog weten.
    ‘Alles gebeurde te vlug. Voor ik het wist, was ik overgeleverd aan de vijand. Die avondwandeling … ’
    ‘Welja, precies: en donderdagavond dan? We zaten dan toch samen aan tafel?’
    ‘Maar toen kon ik nog niet weten … ‘
    De Nazarener zweeg abrupt en bleef Judas met een onbestemde blik in de ogen aankijken. De echo’s van de onweersdonders leken zich nu te verwijderen. Het geruis van hevige regen – een zeldzaam verschijnsel in deze streken – had eensklaps opgehouden. Een verfrissende bries met een aangename geur woei de grotten in.
    ‘Ga nu maar,’ zei hij dan met een korte hoofdknik. ‘Au … au … !’


    In het diepste geheim ontving Jozef van Arimathea, de eigenaar van de grond waarop zich de knekelheuvels bevonden, een kleine delegatie van de elkesaïtische stokheren. Jozef, lid van het sanhedrin, dat zelf geen doodstraffen kon uitspreken (tenzij in geval van tempelschennis), was het allang oneens met de handelwijze van Pilatus betreffende de Nazarener. Hij onderhield geheime contacten met diverse oppositiegroepen. Jozef had voor zichzelf ook al een graftombe voorzien in zijn uitgestrekte tuin, niet ver van de knekelheuvels die hij aan de Romeinse bezetters verhuurde. Als laatste eerbetoon aan de opgevorderde die de plaats van hun militante Nazarener had ingenomen, stelde de delegatie voor (mits een afkoopsom) Simon van Cyrene na de kruisafneming in dat graf te begraven. Jozef van Arimathea ging na enig aandringen akkoord. Hij zou zelf de klus klaren. Hij ontving het geld in dank, maar verbond nog een voorwaarde aan de overeenkomst: hij wilde het sluierdoek van Veronica. Hij had namelijk de gebeurtenissen van de laatste uren van zeer nabij gevolgd. Het signalement dat van de Nazarener op die doek van Veronica was achtergebleven, had hem gebiologeerd. De stokherendelegatie beloofde er werk van te maken. En zo geschiedde. Terwijl Jozef de allerlaatste druppels bloed van Simon van Cyrene bij de afneming in een beker opving, zoals gevraagd door de elkesaïtische delegatie, overmeesterden in de woning aan de Habadweg drie onherkenbaar gemaakte mannen Veronica. Ze waren niet alleen uit op het testament; ook de sluierdoek namen ze mee. Veronica verzette zich hevig; ze verweerde zich als een duivelin. Petrus verloor uiteindelijk zijn zelfbeheersing en met hetzelfde zwaard als waarmee hij tijdens de rustpauze op die avondwandeling de hogepriesterknecht Malchus het rechteroor afgehouwen had, stak hij Veronica in het hart.


    Het lichaam van Simon van Cyrene werd dus in de Arimathea-graftombe ondergebracht. Deze loco-gekruisigde vertoefde daar echter niet lang. Korte tijd daarna werd hij uit zijn graf weggehaald. Men wist niet door wie, maar het deed de ronde dat hij niet echt gestorven was aan het kruis. Hij zou als wandelende Jood voor eeuwig op aarde rondzwerven, op zoek naar het hem toegefluisterde testament.
    De militie van de Nazarener dook maandenlang onder in de grotten ten oosten van de stad, tot de gemoederen ietwat bedaard waren, hoewel daar in die roerige tijden weinig sprake van kon zijn. Misschien verzorgden ze ondertussen ook de vreselijke wonden van de ondode Simon van Cyrene, die zij zelf zogezegd begraven hadden en even later weer in het diepste geheim ontvoerden?
    De zwaardmoord op de vrouw aan de Habadweg werd toegeschreven aan de Romeinen: die zouden wraak genomen hebben op de onbekende ontvoerders van de Nazarener door de behulpzame Veronica te doden. Ze dachten op die manier de militie te treffen.


    De zon streelde al vroeg een flank van de Kluisberg.
    Boven de velden dreven statige nevelsluiers. Avelgem ontwaakte, gereinigd door het onweer. Jozef, die al tweemaal kort na elkaar in de vroege ochtend zijn bed uit gejaagd werd wegens hevige plasdrang – die verdomde bellen duivels bier ook – besloot dan toch maar op te blijven. Hij stak zijn eerste van een lange serie sigaretten op, hulde zich in zijn kamerjas en stapte het tuinpad op om een frisse neus te halen. Er was gezondheid blijven hangen na het late onweer van gisteravond. Iets wat een eeuwig leven zou kunnen doen verhopen.


    Kuchend, gedachteloos en met lodderige ochtendogen slenterde Jozef tot bij de glorieuze rabarberformatie achter in zijn tuin. Toen viel zijn blik op dat ene rabarberblad. Samen met het tegenoverliggende blad leek het een grote kelk te vormen. Hij stokte even in zijn bewegingen. In het ochtendlicht had het blad een roze weerschijn, maar bovenal toonde het onmiskenbaar de fotokopie van het gezicht van Veronique. De nerven vielen exact samen met haar gelaatstrekken. Of was het inbeelding? Speelden de Duvels hem nog parten? Wat beschutte het dak van rabarberbladen nog meer in de vroege ochtend van de tiende juli in Avelgem, voorportaal tot de Vlaamse Ardennen?
    ‘Verdoeme … ‘ deed Jozef.
    Hij gooide zijn sigaret weg, bukte zich ontzet voor de struik en duwde de twee grootste bladeren opzij. Daardoor golfden er krampen over het gelaat. Terzelfder tijd leek een nevelsluier in de vorm van een gedaante in een lijkwade zich uit de struik los te maken en op te stijgen. Jozef merkte het niet. Met open mond en gesperde ogen staarde hij naar de afdruk van een tuniekjurkje in de vochtige aarde, zoals Veronique er gisteravond eentje gedragen had en waar hij nog aan had zitten frunniken. Het leek op de imprint van een gebroken ledenpop, hard ter aarde gesmakt, waarvan alleen de linkerarm een natuurlijke houding aannam.
    Was hier de bliksem ingeslagen en had die van Veronique een schroeiplek gemaakt? Was dit het watermerk van een gevallen engel na een duchtig onweer? Amper zichtbaar, maar toch duidelijk aanwezig, zoals engelen zelf ook alleen bestaan en spreken via luisteren en fluisteren?


    Jozef hapte naar adem. Er vlamde een pijnscheut door zijn borst, gevolgd door een splinterbom van honderden door merg en been snerpende partikeltjes. Hij probeerde op te staan, maar dat lukte niet. Naar omhoog kijken lukte evenmin. Zijn blikken zeilden amper één keer over de oostflank van de Kluisberg vooraleer hij met een diepe zucht opzij kantelde en door de reuzengrote rabarberstruik omarmd werd.


    07-06-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Droomoord

    DROOMOORD

    01

    Het huis rust stevig op zijn heupen. Het lijkt niet uit zijn evenwicht te brengen. Aan de ene kant zit wat ook aan de andere kant zit. Het is drie verdiepingen hoog. Het huis steekt zijn tong uit via een spookachtig mooie voortuin. Je kan rechts en links ook om het huis heen. In de grote achtertuin staat een reusachtige boom. In de zomer roert hij schuimig zijn kruin. In de winter betast hij de hemel met zijn tentakels.

    Er ligt een rugbystadion achter het huis. Van op de bovenste verdieping kan men in stukken en brokken de thuiswedstrijden van RC Daring Barbarians in de hoogste klasse volgen. De gedeeltelijke overkapping van het stadion hindert wel, in combinatie met felle zon, lees: schaduw. Van eender waar in het huis kan men ook de scores min of meer bijhouden, afgaand op de decibels die uit het stadion opstijgen.

    De tuin, de boom, de struiken bieden troost voor de bewoner binnenin. Hij verlaat het huis niet, dat van buiten gezien symmetrisch oogt, maar dat van binnen niet is: A roept B niet op, links weerspiegelt rechts niet, boven herhaalt onder niet. De bewoner, Skix genaamd, is honkvast.

    Het huis is een statement, gestut door een gigantische boom.

    De bewoner zelf heeft ook maar één zekerheid: zijn naam. De naam is de enige zekerheid van de bewoner.

    Omheen het huis is momenteel alles ziedend in beweging. Takken ranselen elkaar en zichzelf; bladeren verliezen zich in dat gehakketak en niets behoudt eenzelfde plaats als voorheen. In het huis is ook deining merkbaar. Het water in de toiletpotten op de gelijkvloerse verdieping en één hoog ondergaat een bescheiden golfslagje.

    Nadert het huis en houdt er halt: Otto: nadert het huis en houdt er halt. Gewapend met zekerheden stapt hij op de voordeur af. De druk op de belknop veroorzaakt het zilveren gerucht van windklokken.

    Grapparg schrikt op. Quasi lodderig heft hij zijn kop. Toch is hij een en al concentratie. Daarna kijkt hij even vragend naar Skix, die languit in de sofa ligt. Diens hoofd is bedekt door een boek in spreidstand: Oblomov van Gontsjarov. Een tweede keer zeilen klokkengeluidjes door de hal en de living. Skix schrikt wakker. Hij plukt het boek van zijn hoofd en veert langzaam op, zich afvragend of de geluiden zich in zijn hoofd afspeelden dan wel ergens anders. Op het ogenblik dat hij het boek op de ronde salontafel legt, wil leggen, golft er een elektrische ola door zijn hersenen. Die hersenstorm veroorzaakt een steekvlam in zijn bewustzijn, dat daardoor even uitgeschakeld wordt. Hij valt tussen schip en wal, zijn rug onzacht tegen meubilair bonkend. Zijn ogen sluiten zich wijd open en activeren schermbeveiliging: het noorderlicht? Flitsen? Sterren? Einders en vlaktes? Om zijn mond stolt een grimas die een minuut lang zijn gezicht als een masker in bedwang houdt. Zijn vingers, handen en armen zijn even niet langer van hem. Ook hier lijkt hij in een klemvaste houdgreep te zitten. Als een gekweld vraagteken ligt Skix zo’n drie minuten lang op de grond.

    Grapparg vlijt zich languit naast Skix. Zijn ene oor is klaar om een derde belsignaal te interpreteren, maar dat komt er niet. Zijn andere oor leest het lichte gekreun dat met kleine tussenhalen uit de mensenmond ontsnapt. Hij reageert niet op de zachte plof van vallend drukwerk in de voorhal.
    Otto belt geen derde keer aan. Hij is zeker van zijn stuk. Zijn gebaar naar de bel toe beschrijft een afwijkende beweging en verandert in een krabgebaar boven op zijn hoofd. Dan keert hij het huis de rug toe en stapt naar zijn volgende huisnummer, zonder nog om te zien. Wanneer ook dat nummer zijn businhoud ontvangen heeft, plukt hij zijn mobieltje uit zijn zak.

    Skix komt weer tot bewustzijn in eenzelfde andere wereld. De steekvlam heeft een portie van zijn energie verschroeid. Hij blijft nog even liggen en hijst zich dan weer via zijn ellebogen in de sofa. Zijn rug doet concreet pijn; die is midscheeps getroffen door een aanvaring met meubilair. Daar groeit waarschijnlijk nu al een blauwe plek. Meubilaire rondingen zijn wel veiliger dan hoekige kanten, maar kunnen ook hard aankomen. Lezen zal voor later zijn: er zijn nabevingen. Oblomov ligt volumineus dichtgeslagen op de rand van de salontafel. Die valt net niet. Na verloop van seconden komt er een vage glimlach om Skix’ mond zweven. Grapparg vlijt zijn kop nu helemaal in rust op zijn voorpoten. Alles is weer een tijdlang in onzekere balans.

    De bouwvakkers-gsm van Skix, bestand tegen vallen en stoten, zoemt. Omdat ook de trilfunctie geactiveerd is, draait hij een kwartrondje om zijn eigen as op de salontafel.
    ‘Skix.’
    ‘Otto hier. Alles kits?’
    ‘Alles kits. Even horizontaal, dat wel. Weinig schade. Belde je?’
    ‘Ik bel nu wel.’
    ‘Grapjas. Ik bedoel de deurbel. Daarnet.’
    ‘Ja, daarnet. Alleen reclame. Geen facturen.’
    ‘Dat dacht ik al. Ik … ‘
    ‘Even onbereikbaar geweest?’
    ‘Ja.’
    ‘Ik hoorde Grapparg niet blaffen. Tweemaal gebeld.’
    ‘Nee.’
    ‘Oké dan. Hij weet het best hé.’
    ‘Zeker weten. Nu moet ik nog even uitblazen, Otto.’
    ‘Tot binnenkort, Skix. Hou je haaks.’
    ‘Tja … haaks. Bye.’
    ‘Bye.’

    London (Richmond) – Tijdens de match RC Daring Barbarians - White Sharks van jl. zaterdag deed zich vlak na de tweede scrum al een felle botsing voor tussen thuisspeler Skix en tegenstander Wodan Pretzlov. Beide robuuste heren knalden dermate op elkaar in, dat zij op berries van het veld gedragen dienden te worden. Pretzlov was even out, maar kon de strijd hervatten. Skix bleef definitief aan de zijlijn, klagend over duizeligheid. Hij zag er dan ook zwaar gehavend uit. Hij ging niet meer het veld op. Op weg naar de kleedkamers diende hij zelfs aan weerszijden geschraagd te worden. Uit goede bron is verder vernomen dat Skix nadere onderzoeken moet ondergaan in de gespecialiseerde vleugel van het Aloysius-ziekenhuis. Het is afwachten geblazen nopens de afloop van deze zaak. Duimen maar, want de Barbarians hebben Skix momenteel broodnodig … (UDL in Daily Courier, 12 november 1992)

    02

    De storm heeft het weer ondersteboven gekarnd. De volgende dag zit de lucht blauw als wintermelk. Bomen en struiken bewaren de stilte. Alles lijkt in verstarde stilstand gestold.
    Jezebel S. versnippert de briefwisseling van de voorbije maand. Dat betreft geen noodzaak; ze vindt het vermalende gezoem van de snippermachine aangenaam om naar te luisteren. Zoals elke maand, jarenlang al, steekt er een kaart tussen van Skix. Daarop staat immer dezelfde tekst: waarom? Zo’n kaart brengt postbode Otto ongeveer elke tiende dag van de maand. (Hij bedient op zijn ronde zowel de straat van Skix als die van Wodan/Jezebel in de buitenwijk). Het betreft kaarten die gratis in de draairekken in postpunten te plukken zijn, met telkens andere afbeeldingen op. Alleen de handgeschreven tekst blijft altijd dezelfde. Skix neemt nooit de moeite zijn mededeling in een enveloppe te verpakken. Wodan reageert er schouderophalend op. Het kan hem niet meer verdommen wat Skix uitspookt. Jezebel is nu van hem.

    Werktuiglijk stopt Jezebel de kaart in de snippergleuf en kijkt ondertussen naar buiten. Wodan is aan het werk in de tuin.
    ‘Hij is mijn snipperman voor de tuin,’ denkt ze glimlachend.
    De oud-rugbyer werkt traag. Hij harkt met langzame halen en streken bijeen wat de storm gisteren bloemleesde en op de begane grond gooide. In een verdomhoekje van de tuin groeit gestaag een berg oude bladeren.
    ‘Daarom dus,’ mompelt ze.
    Ze mompelt elke maand wel een daarom, dat op diverse zaken betrekking kan hebben.
    De hoeveelste waaromkaart is het nu al?

    Het grootste waarom/daarom echter deed zich voor twee jaar na Skix’ frontale botsing met Wodan Pretzlov. Skix raakte maar niet van zijn frequente epileptische aanvallen af (die begonnen waren twee weken na de fameuze match). Vrijgezel Wodan Pretzlov was toen al iets te uitdrukkelijk hulpverlenend in diens huis aanwezig, van in den beginne eigenlijk. Het leek op een aflossing van schuld, terwijl de frontale botsing in november 1992 alleen maar van sportieve aard was geweest, eigen aan rugby. Wodan achtte zich echter voor een stuk heel erg betrokken en frequenteerde het huis van Skix viermaal per week. Maar het leven van Jezebel en Skix werd grondig en totaal omgekarnd. Opnames en onderzoeken volgden elkaar in een snel tempo op. Allerlei dure en ingewikkelde ingrepen bleken noodzakelijk. De trap werd met een lift toegerust. Badkamer, slaapvertrek en living werden aangepast. Zachtheid alom. Veiligheid. Maar ook: adieu sport, vaarwel sociaal leven, goodbye ongedwongen sex. Van potige rugbyer tot onderdanig slachtoffer van de zwaartekracht.
    Na een hoogoplopende ruzie annex stuipaanval met veel materiële schade hield Jezebel S. het voor bekeken in de honk van haar Skix. Een maand later verkaste ze op een avond naar Wodan in een aanpalende buitenwijk, met achterlating van afgeronde meubels, diverse handgrepen, alarmknoppen, een hulphond en een ontredderde ex-rugbyspeler met een stootbestendige bouwvakkers-gsm en een aanstormende whiskyverslaving. En toen begonnen de kaarten te komen: waarom?

    Otto onderhoudt al enkele jaren de tuin van Skix: de voortuin en de achtertuin. Hij doet dat na zijn dagelijkse postronde. Nationale besparingen in crisistijd hebben hem tot parttime-kracht ‘gesaneerd’. Het postbedrijf (ooit moeders mooiste van Vadertje Staat) moest ‘gezond’ blijven, dus sneuvelden er mensen en jobs. Otto werkt nog vier driekwartdagen van de werkweek. Of zoiets. Tuinieren is zijn hobby. En zijn leven, zegt hij. Skix betaalt er hem voor. Zelf kan die het niet meer: zijn lichaam is te moe geworden van te veel aanvallen. Er zijn grenzen aan weerstand en incasseringsvermogen. Sport is hem quasi fataal geworden.

    En plotseling steekt weer de wind op, enkele dagen later. Feller dan voorheen zelfs. Waarschuwingen doen de ronde. In de achtertuin van Skix sneuvelt een mythe: onder al dat stormgeweld vangt de kruin een te grote hoeveelheid lucht, wordt leenroerig, hapt naar adem en dondert naargeestig krakend om. Gelukkig kiest hij niet de richting van het woonhuis. Otto kan niet meer aan het gevaarte ontsnappen. Hij wordt vermorzeld, verpulverd, gehakt, geschuurd, gevild, gegeseld.

    In zijn tas, die zoals gewoonlijk op de veranda staat, en waarin hij koffie en broodjes bewaart, treft men een twintigtal gereed geschreven waaromkaarten aan. Op elke kaart is reeds de bestemmeling ingevuld. Skix valt uit de lucht. Hij heeft nooit weet gehad van de kaarten.

    Jezebel S. en Wodan P. krijgen bezoek. Een andere postbeambte, met een hogere functie wellicht. Een soort postpolitie. De kaarten op tafel.
    ‘Godverdomme,’ zegt Wodan. ‘Waarom? Waarom hij?’
    En hij kijkt naar Jezebel.
    Die ook ‘ja, waarom?’ vezelt.
    ‘Die Otto had liever dat je bij Skix gebleven was hé? De Skix die om de haverklap van zijn stokje gaat hé? Wiens tuin hij onderhield hé?!’
    ‘Maar … ‘
    ‘Onderhield … onderhoudt hij ook jouw tuin?? Ja hé!?
    ‘Maar Wodan … ‘
    ‘Godverdomse Otto! Dat is het hé! Hé Jezebel?! Ik ben hier al jaren de hoorndrager hé? Is ’t niet waar? Het is de W van waarom en de W van Wodan hé? Waarom die Wodan hé!? Je ziet hem in ’t geniep hé! Maar dat is niet genoeg voor die zak, die postzak! Godverdomme! Waarom? Hier! Daarom! Met de W van woest!!’


    Voor de postpolitie ook maar iets kan doen, vliegt rugby-Wodan op haar af. Haar halsje knapt als een rietje.

    En aldus blijft er niet veel over. Otto dood. Jezebel vermoord. Wodan weggeborgen. Skix …


    05-05-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Maar ...

    MAAR …

    Killmouski wandelde onopvallend over het zonovergoten Dennisplein.

    ‘Wat!? Wat is dat!? Hoe kan dat nu: onopvallend wandelen?? Doe dat eens voor, ja? Vooruit! En zonovergoten graag, dat we het allemaal onopvallend heel goed zien!’ tierde de docent Creatief Schrijven.
    ‘En nog iets … ‘ brieste hij door. ‘Wie … wie … o boeiende wie mag er dan wel op dat zonnige Dennisplein wonen hé?! Hé, schrijvelaar? Meneer Tennis misschien? In bed met mevrouw Ace? Is het van dat, ja? Laat me niet stikken van het lachen hé! Noem jij dat schrijven??’
    ‘Maar … ‘
    ‘En Killmouski? Killmouski!? Is dat een undercovernaam misschien? Ik noem dat een woordspeling met snorharen. Hoe bestaat het!’
    ‘Maar … ‘
    ‘Vooruit: opnieuw. Iets anders. Schone lei. Proper doekje. Verse luier. Nieuwe braakbal. Of zijn dat te moeilijke metaforen voor je?’

    Vera verft haar teennagels rood. Negen maanden later wordt haar zoontje Brad geboren.

    ‘Maar waarom in hemelsnaam toch altijd weer van die filmsternamen, verdomme! Het was eeuwenlang Jan en Jantje geblazen, en heden ten dage is ’t van Bent en Brent en Jack en Puck en Suck en Brad en … godgenageld Bad Pritt allemaal!’ oreerde de docent Creatief Schrijven.
    ‘Maar … ‘
    ‘Te veel tv gekeken, ja? En waarom die ellendige tegenwoordige tijd gebruiken? Is er iets mis met de onvoltooid verleden tijd misschien? Een slechte jeugd gehad, ja? Ooit een schoothondje uit je kopje melk zien likken en nooit meer klaargekomen met de middeleeuwen uit je leven? Is het van dat?’
    ‘Maar … ‘
    ‘En rood … rood! Wie verft nu nog haar nagels rood! Bang voor blauw, pennenridder?’

    Toen hij de slaapkamer binnenkwam, rezen zijn haren te berge.

    ‘Zijn haren!? Zijn haren godgenageld!? Moet er in een slaapkamer godverongelukt niet iets anders te berge rijzen? Wat voor Ikea-gedoe is dat nu weer?’ raasde de docent Creatief Schrijven.
    ‘Maar … ‘
    ‘Is dat die Killmouski met zijn snorharen weer misschien? Of ligt er een wijf in bed met baard en snor en zes tenen aan elke poot? Zeven pillen prozac heb ik nodig om dat proza onbeschadigd te doorstaan!’
    ‘Maar … ‘
    ‘Te veel Bouquetreeksboekjes verslonden? Is het dat? Gecontamineerd met pulp, ja? Is dat de trend? Een nieuwe Hemingway ben je niet hé vriend. Hoeveel woorden moet ik er nog aan vuilmaken? Zou je je niet beter concentreren op een ander aspect van de papierindustrie? Behangrollen verkopen bijvoorbeeld?’

    Ter plekke afgestapt, merkten we dat de wagen met de nummerplaat CEH921 wel degelijk een purperen streep vertoonde.

    ‘Nu nog beter!’ brulde de docent Creatief Schrijven. ‘Afstappen!? Ter plekke dan nog wel?? Waar zou jij anders wel afstappen, hé?’
    ‘Maar … ‘
    ‘En dan die verrekte nummerplaat!’ fulmineerde hij door. ’Een cliché als een kathedraal met duivenstront op! De auto met nummerplaat peut-peut-peut-peut-peut-peut wordt ervan verwittigd dat zijn schroothoop verkeerd geparkeerd is en ter plekke in de weg staat! Getverdegetverdegetver!’
    ‘Maar … ‘
    ‘En dat purper dan, godgenageld! Moet je bij de paus op audiëntie misschien? Trek dan alvast maar een bruin remspoor in je onderbroek. En naar het autokerkhof met dat lelijk wrak! Wegslepen die handel! Gezakt voor de keuring. Opnieuw!’

    ‘Maar ik wil niet opnieuw!’
    ‘Eh?’
    ‘Ik wil niet opnieuw. Ik zit … ‘
    ‘Zeg: je betaalt toch om bij te leren hé!’
    ‘Maar nee! Mijn … ‘
    ‘Wil je schrijven of wil je niet schrijven?’
    ‘Maar ja!’
    ‘Ewel dan?’
    ‘Politioneel schrijven.’
    ‘Eh? Come again?’
    ‘Mijn directie schreef me in voor een cursus Politioneel Notities Nemen.’
    ‘Maar … ‘
    ‘Jaja … Vandaar die nummerplaat hé. En die slaapkamer. De rest was training. Flikkenproza hé.’
    ‘Sodeju … sodeju … ‘
    ‘In welk lokaal gaat dat door? Als ik vragen mag?’
    ‘Godverdegodverdegodver … ‘
    ‘Niet vloeken, of ik schrijf een proces-verbaal. Dat heb ik intussen wel al onder de knie. En in de vingers. En het is geen fictie! Ik ben in functie!’
    ‘Maar … ‘ stamelde de docent Creatief Schrijven verbouwereerd.


    02-04-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Stok

    STOK

    EEN PUNTIG VERHAAL

    Ik had zelfs niet eens laveloos gezopen toen ik die zomeravond begin juli van een barkruk kukelde en mijn rechterbeen op twee plaatsen brak. Ook die verdomde trottoirband vlakbij deed me geen deugd. (We zaten immers buiten aan De Woede der Noormannen, onze stamkroeg).

    Ik slaagde er nog in mijn auto te bereiken even verderop en naar huis te rijden. Een mens in nood is tot mirakels in staat. Zelfs thuis de trap op naar mijn bedstee kon nog, maar dan wel als een baviaan. Enkele uren onrustige woelslaap stelden het verdict uit. Ik werd wakker met diverse beperkingen.

    De rest van mijn dagen zie ik de wereld ietwat meer in beweging dan voorheen. Het is echter niet de wereld die meer beweegt. Ik ben het. Ik mank. En ik lijk te blijven manken, na lange fases van gips, krukken en een stok. Ik vrees dat ik als gewoon loper afgedaan heb. Ik voeg me bij het leger der mensen met een beperking. Mijn kinderen noemen me soms ‘puntkomma’. Ik laat dit aan uw taalkundig-ritmische verbeelding over.

    Stokoud.
    Een stok wordt dus met ouderdom geassocieerd.

    Toen ik een tijdlang een stok gebruikte om te stappen, merkte ik dat vooral kinderen me anders bekeken. Ikzelf was er vroeger ook bang voor, toen ik nog een uk was: voor die combinatie van grote mens plus stok. Driebenigen straalden dreiging uit. Die stok wees niet alleen op hun gebrek (god weet wat ze hadden uitgespookt om dat gebrek te verwerven!), maar ze konden met dat ding ook uithalen en slaan. Die ouwe Gusta uit het Visstraatje bijvoorbeeld plantte bij elke vermaledijde stap die ze op deze planeet zette de punt van haar stok pal voor haar scheve rechterpoot. Die trefzekerheid was op zich al verdacht en bedreigend. Daarenboven staken haar voeten altijd in pantoffels. Ook buiten. Misschien was ze een seriemoordenares.

    Stokheer.
    Een woord van troost voor de verstokten.

    Een stok kan ook hoge cultuur betekenen en wijzen op een flamboyante levensstijl. De agrarische schrijver Stijn Streuvels was lid van de Avelgemse stokheren: een zootje dat van zichzelf vond dat ze de betere middenstand waren. En beschikte de Vlaamse oud-beroepsmilitair/dichter Hugues C. Pernath ook niet over een wandelstok uit diens fraaien kop hij middels een schroefdop op tijd en stond een neutje nuttigde?

    Halfstok.

    Een mens die zich noodgedwongen met behulp van een stok voortbeweegt, hangt halfstok. Hoe dan ook valt een zekere droefenis niet te ontkennen, hoe sympa en schrijverig zo’n stok er ook uit mag zien.

    Stokvis? Geen geleuter.

    Eierstokken. Vaak meervoud. Zoals kinderen en hoenderen.

    House M.D.? Het bekende stokpersonage uit de zoveelste gelijknamige ziekenhuisserie? Laten we de tv maar voor wat hij is.

    Ik had Johan & cie (zijnde zijn tweede gezin: verse vrouw annex grote kinderen aan ook andere lendenen dan de zijne ontsproten) al een tijdlang niet meer gezien. Hij was na zijn scheiding verhuisd naar een middelgrote binnenlandse stad en frequenteerde daardoor minder dan vroeger De Woede der Noormannen, van oudsher onze stamkroeg in Ҫeule-sur-Heulbecq, randgemeente van Kwatricq. Ons wederzijds enthousiasme bolde die zomeravond begin juli dus wat extra op. Vroeger hadden we wel al eens verbonden gesloten: we bekokstoofden samen openbare fratsen (de zogenaamde ‘stoten’) ter gelegenheid van het jaarlijkse dorpsfeest en we leukten lange tijd elke donderdagavond (zegge en schrijve: nacht) onze stamkroeg op. We publiceerden zelfs een hilarisch boek over onze biotoop en de Ҫeulenaars: ik leverde de hoogst onnozele teksten, hij tekende voor holbewonerachtige illustraties.

    Een blij weerzien dus. Maar ik hield er een dubbele beenbreuk en een waggelgangetje aan over. Ik kukelde pardoes van die kruk. Mijn rechterbeen werd een hefboom, maar die kon mijn vege lijf niet kon torsen in deze houding. Bijna iedereen was toen weer aan de toog gaan plakken. Alleen Jean-Pierre kon me helpen, een vaste klant van De Woede der Noormannen, die sedert de betutteling van politiekers buiten op het trottoir moest gaan roken. Hij hielp me op een gewone stoel op het trottoir en bezwoer me niet zelf meer naar huis te rijden. Toen hij even ging plassen, deed ik dat toch, want niet de drank had me overmand. Ik had een eenmalige aanval van epilepsie gehad.

    Terwijl ik juli en augustus horizontaal en strak ingegipst thuis doorbracht, ontsproten aan mijn brein en laptop twee avondvullende toneelstukken. Een over bloeddoping in de wielrennerij en het reilen en zeilen in een hotel, een over teambuilding en slecht leiderschap.
    ‘Puur winst uit je verlies,’ dacht ik. ‘Vergeet de vakantielanden en de stranden en ga thuis aan de slag, comfortabel liggend voor een scherm met vele zenders, mocht het al aan inspiratie ontbreken.’
    Aldus geschiedde.

    Het werd voorwaar nog een mooie zomer. Ik verlangde zelfs niet eens naar bezoek, tenzij men chocolade of whisky mee zou brengen. Ik leerde mijn krukken voor veel andere doeleinden gebruiken. Ik opende en sloot er de overgordijnen mee. Ik sloeg er eind augustus de druiven mee af die welig langsheen de muur maar net buiten mijn lichamelijke reikwijdte tierden. Ik bediende er de knoppen mee van de afstandsbediening die onveranderlijk buiten mijn onmiddellijke bereik rondslingerde. Ik hengelde ermee naar allerlei voorwerpen. Kortom: die hulpstukken betekenden een echte hulp.

    Medio juli liet ik me door een van mijn dochters in de auto naar een kruidenierszaak brengen, waar ze twee repen chocolade kocht die ik stante pede in de auto verorberde. Medio augustus kwam een bevriend koppel me een peperdure fles whisky toeleveren in ruil voor een boek over de wereldbekende wielrenner Merckx, dat ik in opdracht van de uitgeverij geredigeerd had. Het waren twee hoogtepunten in mijn gipszomer, en ik kon er voldoende tevredenheid uit putten. Mijn beide theaterstukken werden ook prompt geregistreerd en uitgegeven door mijn theaterbureau en literair agent in de grote stad Antwork. Winst! Winst! Break a leg!

    En zie. Voorwaar.
    Begin september kon ik mijn krukken weer inleveren. Een stok zou alsnog volstaan. Ik vloog zelfs even later met mijn vrouw en zoon naar Turkije, voor een week vakantie tussen de Russische toeristen. De stok bood me overal voorrang in het poepchique hotel Rixos. Ik las er voor de derde keer een biografie over Dylan Thomas, schreef er een verhaal over Dylan Thomas en dronk er een aardig stukje weg in de richting van Dylan Thomas.

    Terug thuis kon ik zonder noemenswaardige hindernissen mijn taken opnemen, hoewel de stok een noodzaak bleef. Ik veroverde een privéparkeerplaats vlak bij de toegang tot de hogeschool waar ik letterkunde en taal doceerde. Ik gebruikte uitsluitend de lift. Ik kon hinkend te vroeg of te laat ergens toekomen. Ondertussen ondervond ik ook de beperkingen die mensen met een beperking in openbare gebouwen ondervinden. Zij worden daardoor dubbel beperkt. Veel gebouwen werken niet echt mee in dat verband.

    Begin november liet ik meestal mijn stok in de auto achter. Ik had van de specialistische traumatoloog een dubieus verdict gekregen. Goed en slecht nieuws, dat eender luidde: je hoeft niet geopereerd te worden/een operatie in fases ware misschien wel aangewezen/de slaagkans is gezien uw leeftijd een vraagteken/ik zal dus niet opereren//

    De herfst kwam dus in het teken van kinesitherapie en steunzolen te staan. Terwijl het gebladerte der ouwe soldaten over straten en pleinen warrelde, krulde ik om de twee avonden als een vraagteken van pijn op de tafel bij Claude M., een kneder met de handen van een dokwerker ten tijde van de Boelwerf.

    Nadat de nepfeesten van Halloween, Sint-Maarten en Sint-Niklaas achter de rug waren, en er geen verse mirakels gebeurd waren, en we een halfjaar verder op de kalender waren, informeerden steeds minder mensen naar de stand van manke zaken. Ik was dus zoetjesaan ingelijfd in het leger der mankepoten. En ik kon ook naar believen met mijn stok jongleren, zonder dat daar nog breukgedachten aan verbonden werden.

    (Ik had er me altijd al over verwonderd hoe snel nieuws slijt en hoe slecht het geheugen van veel mensen werkt. In die tijd bijvoorbeeld verhuisde zesvoudige moordenaar Freddy Horion van gevangenis: hij verruilde Brugge voor Hasselt. In de berichtgeving was het van ‘meneer’ Horion. Godverdomme: ook na jaren verdient zo’n sujet toch dat ‘meneer’ niet? Analoge en andere voorbeelden legio!)

    Ik had me ondertussen een hulpstok eerste categorie aangeschaft voor de ronde som van € 150. De ‘oude’ stok verhuisde naar de afdeling ‘Noodlottigheden’.
    Hoe het nieuwe ding er niet uitzag?
    Vurige vlammen die eromheen likten. (Te veel House M.D., zie televisie)
    Een slang die zich kronkelend een weg naar de handgreep baande. (Ook alweer een te medicinaal cliché).
    Een leeuwenkop als handgreep. (Te voorspelbaar).

    Hoe dan wel?

    Mijn steun en toeverlaat in manke dagen was vervaardigd uit azobéhout, oorspronkelijk chocoladebruin, maar ‘à la vintage’ aan het vergrijzen. De handgreep was een purperrood gekleurde bescheiden berenklauw. Ik had het gevoel hand in hand met een beer te lopen. In die handgreep zat een kokertje waarin ik mijn dagelijkse portie pastilles mee kon nemen: om hooikoorts voor te zijn, om mijn bloed te zuiveren, om gezond en rustig te blijven. Het uiteinde van dit hulpstuk zag er niet ziekelijk uit. Wel sportief. Hij kon wedijveren met bergstokken en de poles die bij nordic walking worden gebruikt.

    Het Rattenkasteel was een mooie gastronomische biotoop net aan de periferie van randgemeente Ҫeule-sur-Heulbecq. Zelfs in het nabijgelegen chique Kwatricq hadden ze zoiets niet. Het Rattenkasteel was omwald en bebost. Het lag op een boogschot van het dorpscentrum, met zijn bloeiende cafés, warenhuisjes en pitazaken.
    In de herfst en de winter afficheerde Het Rattenkasteel een zestal palingfestivals op vrijdagavond. Reserveren gewenst.

    Op een avond in De Woede der Noormannen kregen Anje, Heloïse (twee vrouwelijke stamgasten) en ikzelf een palingdroom. We zouden ons gedrieën inschrijven voor zo’n vrijdagavond, eind november. Aldus geschiedde.

    Die bewuste avond had ik eerst nog een afspraak bij kinesist Claude. Om de pijn van de behandeling te verbijten, dronk ik alvast bij voorbaat twee volwassen glazen whisky. Gesterkt door die hemelse nectar en het palingvooruitzicht strekte ik me op de marteltafel uit. Ik had geluk: Claude moest die avond nog uitrukken voor een patiënt. De foltering duurde iets korter dan gewoonlijk. In een opperbeste stemming verliet ik de kneed- en masseercatacomben van Claude M. Ik ging me thuis wat opfrissen, trok verse kousen aan en dronk nog een whisky om wat open te bloeien: ik vermoedde dat er veel volk op het palingfestival zou arriveren en wapende me daarom nog even met wat babbelwater. Ik was namelijk geen kampioen in begroetingen en wiewedaarhebben’s. Vervolgens reed ik, vergezeld van mijn nieuwe stok, naar Het Rattenkasteel. Daar had ik met Anje en Heloïse afgesproken om kwart voor acht in de bar.
    Het was guur maar gezellig weer. De laatste lichting bladeren verliet in okeren sneeuwbuien de boomkruinen. Omdat ik niet al te stipt wou arriveren en me wou oefenen in het beleefde te laat komen, stuurde ik mijn auto via een ommetje eerst nog even naar café De Raaf. Op tien minuten zou het niet aankomen. Mijn nieuwe stok liet ik in de auto; een vorige versie had de laatste tijd al genoeg het gespreksonderwerp bepaald.
    Ondertussen was de wind tot storm aangewakkerd. Het autoportier werd er bijna afgerukt toen ik het met mijn goede been verder open stompte teneinde me uit de auto te hijsen. Mijn rechterbeen functioneerde nog verre van normaal.

    Freddy en vriend (een zachte jongen uit Bulgarije) verwelkomden me hartelijk en blij. Er waren drie vroege avondklanten. Het waren de laatste weken van café De Raaf.
    ‘Je houdt het binnenkort voor bekeken?’
    Freddy knikte: ‘36 jaar jaar, maar nu is het sop de kolen niet meer waard. Een nuloperatie. We kochten een ‘gesloten’ burgerhuis in het centrum van Ҫeule-sur-Heulebecq. We hebben ook nog een appartementje in Bulgarije. Ik ga nog wat kleren voor de mensen ontwerpen.’

    Ik dronk twee glazen bier hoog in de versnelling, terwijl iedereen het alweer over dat rookverbod in de cafés had. We rookten alle vijf om ter hardst; alleen patron Freddy was niet nicotineverslaafd. Gezelligheid sloeg op korte tijd zo stevig toe dat ik het bijna jammer vond dat ik in een zee van volk paling zou gaan verorberen. Ongetwijfeld zou Het Rattenkasteel barsten van de fijnproevers. Zoals gewoonlijk werd ik alweer door volksvrees beslopen, die groeide naarmate het tijdstip der afspraak naderde. Een kwiek afscheidsglas aangeboden door Freddy zelf kon ik natuurlijk niet afslaan. Misschien hielp dat. En wie weet was dit mijn laatste visite aan De Raaf.

    Terug in de auto en onderweg naar het palingfestival schrok ik me in de eerste bocht die ik nam een bult door een hevige dreun vlakbij. Ik gooide mijn voet op de rem, verbeet de pijn en kwam slingerend tot stilstand. Het was die vermaledijde stok, godbetert. Hij was van de passagiersplaats gegleden en had met de handgreep een flinke klop tegen het portier veroorzaakt. Beeldde ik me in dat ik hierbij wat fluitend gesis hoorde? Vloekend zette ik me weer in beweging, me gelukkig prijzend dat er geen achter- of tegenliggers waren.

    Tussen de bomen langsheen de omwalling en rond Het Rattenkasteel flonkerden lampen en lichten. Ze zwiepten dronken in de stormwind. Een festival van paling verdient voorwaar ook zijn festijn van licht.
    Ik griste mijn bewusteloze stok van tussen de zetel en het portier en haastte me naar binnen, een halfuur te laat. Alomtegenwoordig geroezemoes wolkte me tegemoet. Ik las van de gezichten van Anje en Heloïse af dat ze mijn verlate entree niet fijn vonden. Ze zaten namelijk niet aan de bar (die blijkbaar niet in gebruik was), maar aan het meest centrale tafeltje in de zaak. De lege zitplaats leek te schateren en ieders aandacht te trekken.
    ‘Sorry … kinesist … ‘ mompelde ik, wat luchtkussen wisselend. Gelukkig werd hun aandacht wat afgeleid door mijn azobéhouten stok, die ze wel mooi vonden. Ik ging naast Anje zitten, waar bestek gereed lag. Heloïse zat tegenover haar.
    ‘Echt schrijverachtig,’ klonk het leukste oordeel.
    ‘En waar is de oude?’
    ‘In het haardvuur. Hij heeft zwetend en sissend de geest gegeven.’
    ‘Is dat een klauwtje? Hoe aardig! Mag ik es voelen?’
    ‘Een berenklauwtje, ja. Misschien slijp ik er onderaan nog een punt aan, om mee te schrijven, of om scampi’s en gamba’s aan te prikken op recepties. Geef beer es een handje.’
    Ik jongleerde wat met mijn chocoladebruine vergrijzende aanwinst.
    ‘Haha.’
    ‘Opzitten en pootje geven. Straks komt de vis.’
    ‘Allez: tijd voor paling.’
    Die chique stok wou echter helemaal niet tegen de tafel geleund blijven staan en kletterde voortdurend om. Negen belendende palingeters voerden daardoor gelijktijdig identieke hoofdbewegingen uit. Ik legde het stugge ding na vier keer dan maar onder de tafel. Pas daarna verkende ik glurend de omgeving. Gelukkig bestond Het Rattenkasteel uit diverse niveaus, zaaltjes, hoeken en kanten. Wijzelf zaten dicht bij de inkomhal en toiletten. Iedereen moest ons dus wel voortdurend passeren, maar we zaten niet echt in het vizier van de grotere ruimtes. Opgelucht nipte ik van mijn ‘maison’.

    De landmeter, zijn vrouw en diens gezelschap, familie van de uitbaters, troonden op een voutenverdiepinkje. Ze deinden ietwat op en neer in mijn vizier toen ik ze gezamenlijk wat toewuifde ten teken van groet en herkenning. In de verte zag ik ook Mick en Pia zitten, die een bloeiende groenten-en-fruitzaak dreven in het centrum van Ҫeule-sur-Heulbecq. Hoe meer ik om me heen keek, hoe meer bekende dorpsgezichten ik ontwaarde in hoeken en kanten. Er was naast het palingfestival nog een ander feest aan de gang. Het Rattenkasteel was er groot genoeg voor.

    Eerst was er bouillabaisse. Een goede zet.
    Ik duwde met mijn goede voet mijn stok wat opzij, waardoor Heloïse even opkeek.
    ‘Sorry.’
    ‘Ik dacht: wat voel ik daar nu?’
    Anje keek me even onderzoekend aan. Toen knikte ze begrijpend: ‘Ah, de berenstok. Ligt hij niet in de weg?’
    ‘Het is een zaak te gronde,’ sprak ik. ‘Hij ligt daar goed.’
    ‘Oh!’ deed Anje dan.
    ‘Ah!’ bevestigde Heloïse.
    ‘Anders moet ik er voortdurend uitleg bij geven. Het halve dorp heeft me de afgelopen weken al zien hinken.’

    De heer en mevrouw dokter Brandt kwamen eraan, toch een opvallend uurtje te laat. Langzaam evolueerden ze door het complex, zegezeker op weg naar hun gereserveerde plaatsen. Opzij, opzij: paling voor de medicijnman!
    ‘Hij heeft nog consultaties gehad, zeker?’
    ‘Ja, een docteur is nooit … ‘
    Er volgde nog een derde persoon als een aanhangwagentje. Die had zijn halflange grijze haar in een krulstaartje en groette veel minzamer dan dokter Jef Brandt zelf, die zich al lang geoefend had in een passeergrijns die als begroeting door kon gaan. Log bewogen ze doorheen mijn kijkveld.
    ‘Ze komen ook paling eten.’
    ‘Dat, Heloïse, is een volstrekt overbodige mededeling,’ wees ik haar streng terecht. ‘Je bête idolatrie voor het beroep van huisarts ofte geneesheer moet gegispt worden!’
    ‘O, krijg ik van de stok?’
    ‘Pas maar op voor the claw!’
    ‘Kijk, die klaploper is er ook weer bij, die Luc.’
    ‘Ja, een vriend des huizes. De dokter heeft graag een hielenlikker in zijn zog.’
    ‘Het schijnt dat die daar elk weekend zit.’
    ‘Of heeft hij niet genoeg aan zijn madame misschien?’
    ‘Oei oei oei … ‘
    ‘Hihihi … ‘
    Ik vermoedde dat Anje naar Heloïse benen probeerde te schoppen, want ik hoorde mijn stok verschuiven.
    Ondertussen begon ik aan mijn tweede portie bouillabaisse; mijn beide tafeldames wimpelden de kelnerin af. Een verse kelnerin kwam er alras aan.
    ‘Het wemelt hier van de kelnerinnen,’ glimlachte ik.
    De drie dames keken me even verbaasd aan.
    ‘Wat drinken jullie bij de paling? Er is gebakken paling, à la provençale en in ’t groen. Met frietjes.’
    ‘Zullen we dan maar voor wit gaan?’ stelde ik voor. ‘Wit is altijd schoon.’
    ‘Witte wijn? In orde.’
    ‘Voor mij bubbels, niet plat,’ zei Anje.
    ‘In orde, mevrouw.’
    Ik lepelde mijn bouillabaisse verder op. Even later deponeerde men een goedgevuld glas witte wijn voor mij neer. Mijn gezichtsveld begon kleiner te worden; ik gluurde al minder om mij heen en zag ook niet langer diverse kelnerinnen komen aanrukken.

    Er verstreek weinig tijd tussen de gangen door. Plotseling werden drie dampende potten paling op onze tafel neergepoot: gebakken, in ’t groen, provençaals. De frites volgden onmiddellijk daarop.
    ‘Hier zit voorwaar tempo in,’ zei ik.
    ‘Ja, ze zijn hier rap.’
    Een minuut lang hevelden we diverse potten naar elkaar over. Toen de carrousel stilviel, vielen we op de waterlekkernij aan.
    Ondertussen hield ik met mijn voet af en toe even contact met mijn stok op de grond. Anje en Heloïse waren wel vaker te vinden voor een frats of een grap. Je wist maar nooit met ze. Het was ook het openbare debuutoptreden van mijn hulpstuk. Alles moest naar wens verlopen.
    ‘Ik vind dat ik mijn nagelnieuwe stok onheus bejegen,’ zei ik. ‘Door hem zomaar onder tafel op de grond te deponeren.’
    ‘Ja, hij verdient meer.’
    De small talk werd verder vooral bepaald door de palingvariëteiten en de heen en weer passerende mensen op weg naar de toiletten of het rokersafdakje. Ik luisterde verstrooid naar de vrouwenpraat van Anje en Heloïse en genoot ervan. Misschien moest ik me nog meer oefenen in het spreken via automatische piloot.
    Het tempo van de bediening bleef hoog. We kregen al heel vlug een tweede voer paling voorgeschoteld en zeer geregeld kwam men ook naar de stand van de wijn informeren. Ondertussen was ook Anje op de witte wijn overgeschakeld.

    Mijn volksvrees nam zienderogen af. Ik had al een keer ‘Wie we daar hebben’ gezegd en minstens twee vijanden uitbundig begroet. De wereld was goed; de mensen een zegen: het moest altijd vrijdagavond zijn, tot in der eeuwigheid.

    Omstreeks halftien vernauwden Heloïses ogen zich voor de eerste keer tot spleetjes. Ze begon op een tijgerin te gelijken. Hoe het met Anje gesteld was, kon ik minder goed detecteren, want die zat naast mij. We keken tien seconden later allebei tegelijkertijd verbaasd op, want we hadden duidelijk gehoord dat Heloïse even kreunde.

    ‘Gaat het, Loïs?’ informeerde Anje.
    Heloïse sperde even haar ogen, glimlachte als in trance en knikte: ‘Ja hoor. Een opstootje van geluk. Lekkere wijn, gladde paling, de juiste mensen.’
    ‘Santé.’
    Even had ik een kort visioen van een berenklauwtje dat zich een weg baande tussen de billen van Heloïse.
    We klonken voor de zoveelste keer. Het geroezemoes om ons heen vertoonde her en der al scherpe uithalen en onverwachte pieken. Wijn begon de gemoederen te beroeren en te flamberen. Lachbuien dansten af en toe door de ruimtes. Er was ook drukker sanitair verkeer.
    ‘Wat zou iedereen nu aan elkaar vertellen?’
    ‘De helft ervan is ondertussen al niet meer waar.’
    ‘Met diezelfde mond eten ze paling.’
    ‘Ze zeven hun woorden met alcohol.’
    ‘Nee: spoelen.’
    ‘Look who’s talking.’
    ‘Gladde paling!’
    ‘Santé!’
    ‘Santé mijn ratje!’
    ‘Kijk, Andrea gaat nu al voor de derde keer haar neus poederen.’
    ‘Haar neus?’
    ‘Hihihi.’
    ‘Zie ze lopen; ze is aalvlug.’
    Even haperde mijn blik aan een vochtvlek tussen zoldering en wand niet ver van mij vandaan. De vlek leek aanvankelijk de vorm van een vlinder te hebben, maar dat veranderde zienderogen en gaandeweg werd het een gedeukt gezicht. Ik hoorde Heloïse nu hardop neuriën. Ik stootte Anje aan, een beetje harder dan ik gepland had.
    ‘Steuntje nodig?’ vroeg ze.
    ‘Sorry. Te heftig. Kijk: zie jij dat ook? Net een … ‘
    Ik knikte in de richting van de vlek.
    ‘Hm … een teken aan de wand. Ze is al zat hé?’
    Dat laatste stukje siste Anje tussen haar tanden recht in mijn gezicht. Ik knikte van ja, weer in de richting van de die vlek. Belendende palingeters begonnen ook nieuwsgierig naar boven te kijken.
    ‘Frank De Winne zien passeren misschien?’ hoorde ik olijk opperen.

    Ondertussen dook de beweeglijke heerlijke Heloïse even opzij, onder de tafel. Ze graaide naar mijn stok en zwierde er even wild mee heen en weer, als een majorette het ding in het midden vasthoudend. Op dat ogenblik zeilde de vrouw van dokter Brandt voorbij. De berenklauw trof haar midscheeps, ergens tussen lever en rechternier.
    ‘Ai! Ver … ! Au!’
    De stok die mij rechtop hield, vouwde Mevrouw Brandt dubbel. Geschrokken dirigeerde Heloïse mijn stok weer richting grond, maar daarbij maaide ze onze wijnglazen van tafel. Alle drie. Die kukelden splinterend aan gruzelementen. De hele wereld keek om.
    Onze biotoop stond nu in rep en roer.
    Palingeters van aanpalende tafels sprongen op. Er strekten zich ettelijke handen en armen uit om de onfortuinlijke mevrouw Brandt naar de toiletten te loodsen. Kelnerinnen snelden toe en organiseerden omleidingen opdat niemand in de glasscherven zou trappen of over de witte wijn uit zou glijden.
    Heloïse deponeerde mijn stok weer onder tafel en leek onder de vernietigende blikken ineen te schrompelen op haar stoel. Anje en ikzelf – medeplichtigen, zo leek het – pareerden de over en weer vliegende opmerkingen met spijtige ‘ja’’s, vergoelijkende ‘dat gebeurt’’s en machteloos schouderophalen. We leken wel alle verzamelde aandacht uit het hele Rattenkasteel naar ons toe te zuigen.

    ‘Wat was dat daar zo plotseling?’
    ‘Een robbertje schermen?’
    ‘Wiens ding is dat?’
    ‘Best dat er niet veel meer in was.’
    ‘De stukken vlogen tot hier!’
    ‘Beetje onder de olie, de madam, ja?’
    ‘Wie begint er nu zo in ’t wilde weg te … ‘

    Dokter Brandt kwam nu ook poolshoogte nemen.
    ‘Ah! Er is een dokter in de zaal!’ riep een olijke palingeter.

    Ik probeerde de hele reutemeteut en hun onnozele reacties te abstraheren door mijn aandacht weer op de vochtvlek te richten. Twee kelnerinnen dweilden ondertussen de vloer op dit ondermaanse.
    De vochtvlek grijnsde me toe als een geest die door de wanden heen Ebenezer Scrooge op komt zoeken. Ik hoorde hoe Anje zich over Heloïse ontfermde. Die was in iets losgebarsten dat het midden hield tussen een slappe lach en een dronkenmanshuilbui.
    De paling werd koud in de kommen. De charme van de aalvlugge lekkernij was verdwenen. De mensen speelden plotseling weer de hoofdrol. Dat wil zeggen: ze draaiden hun koppen weer, keken sporadisch nog eens om, en vezelden er verder duchtig op los. Onze tafel bleef een tijdlang het hoofdonderwerp van de gesprekken. We kregen verse glazen witte wijn.
    ‘Voor mevrouw ook?’ vroeg een van de kelnerinnen vinnig aan Heloïse.
    ‘Had ik maar mijn been niet gebroken, hé Heloïse?’ zei ik.
    Ze glimlachte treurig en nipte van haar wijn.
    ‘Ik wou gewoon even de maat slaan van een geslaagde avond,’ zei ze. De invloed van de alcohol op haar articulatie kon niet worden ontkend.

    De orde in Het Rattenkasteel was hersteld.

    Plotseling hoorden we een eigenaardig fluitend gesis. Het kwam van onder onze tafel. Heloïse en Anje bewogen niet. Ze leken betoverd en wiegden bijna onmerkbaar heen en weer. Verbaasd sloeg ik het tafelkleed om en gluurde naar beneden. Mijn stok bleek als een cobra heen en weer te wiegen voor de benen van mijn tafelgenotes. Uit het berenklauwtje kwamen panfluitachtige tonen.
    Met een kop als een biet dook ik weer boven water. Heloïse glimlachte verleidelijk naar me. Anje zat haar beaat aan te kijken.
    ‘Mijn gekreun van daarnet … ‘
    Ik knikte begrijpend.
    ‘En dat dolle gezwaai met mijn stok daarna?’ wou ik nog weten.
    ‘Dat was om te vieren. Het is nog nooit zo lekker geweest.’
    ‘Ja, paling hé,’ glimlachte ik.


    02-03-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Bakkes

    BAKKES

    Ik hou van maandagen. Dat is altijd zo geweest. Dan voel ik extra energie. Elke week opnieuw komt dat terug, met de regelmaat van een boeddha. Hiermee sta ik waarschijnlijk haaks op zowat iedereen. Net zoals ik echt wel van ‘slecht weer’ hou: regen, wind, storm, boze buien.

    Het was zo’n maandagavond met gezellig herfstweer. Het woei zichtbaar en hoorbaar. Fijn zo. Ik had drie dagen in Friesland en Nederland achter de rug, in het kader van een project met dichters en beeldend kunstenaars. Leeuwarden, Harlingen en Rotterdam waren meegevallen. Weidsheid van landschappen; grenzeloosheid van hotelkamers; wind toe. Als het hier in Harlingen stormt, liggen de toeristen te schudden in hun pensionbedden.
    Dat werd dus weer even ontwennen. Gelukkig was het een maandag. En avond. Er was wat te doen.

    Mijn glas wijn smaakt beter als ik het in mijn rechterhand hou.

    Waarom ben ik in hemelsnaam ooit beginnen drinken?

    ‘Dit is mijn laatste dochter,’ zei Karel.
    Even werden we door iets treurigs overmand, want we hadden samen iets gelijkaardigs gestudeerd, vele jaren geleden in de stad met de aloude universiteit. We waren alumni.
    Zou zijn saus naar bloem smaken nu hij niet meer kookte?
    We schuifelden weer naar binnen om de resultaten van de spelwedstrijd te aanhoren.

    Het aulaperspectief. Hoe hoger je zit, hoe minder je blokt, hoe dieper je kijkt. Neerkijken op de ruggen van de uitslovers op de eerste rijen. De docerende prof een profje als een popje: als Mick Jagger op een te ver en te groot podium.

    Ouwe studiereus K. en nazate Hinde kon ik nergens in mijn vizier ontwaren. Ik had halfweg de aulahelling plaatsgenomen, zoals ooit, altijd, vroeger, nu.

    Correct opschrijven is niet zo’n kunst als schrijven.

    Zelfs spreken. Neem nou de uitspraak: ‘Dit is mijn laatste dochter.’ Of betrof dat een verspreking? Mislukte humor?

    Ik eindigde in de eerste vijf (klinkt beter dan ‘de vierde’), met een last van zes spelfouten. Bij de prijsuitreiking vooraan ontwaarde ik Karel helemaal bovenaan in de aula. Hij was rechtop blijven staan. Zijn Hinde zat glimlachend op de derde rij vooraan.

    De oude competitiegedachte. Ik stam uit tijden waar testen nog ‘ombesten’ werden genoemd, of ‘proefwerken’. Heerlijke vreselijke woorden.

    De laureaat stak ongevraagd een euforische speech af, waarbij zijn stem voortdurend oversloeg. Een kind zo blij als een kwetterende vogel op een tak.
    Mijn prijs bestond uit een belachelijk kleine radio en een lelijk boek. De laatste dochter en haar vader waren inmiddels spoorloos. Jammer, want er was weer wijn. En nog meer van dat sterk fraais, toegeleverd door de organiserende provinciale televisiezender. En ik had ietwat geëxcelleerd. Een vierde plaats was erg, onbeduidend en gedoemd om vergeten te worden, maar ook egostrelend, hartverwarmend en onverdacht. Tel uit je winst.
    Toen pas viel het me in dat Karel niet zo lang geleden weduwnaar was geworden.

    Sommige versprekingen zijn dus geen versprekingen. Hoe vreemd ze ook klinken.

    Zeg nooit nooit.

    Ik heb het zelf druk gehad de laatste decennia: oorlogen, overstromingen, revoluties. Maar Karels vrouw is dood.

    Tijdens de tweede receptie slaagde ik er in de radio en het boek ergens onbeheerd achter te laten, zodat ik die niet mee naar huis hoefde te nemen. Het was mijn offer aan Hinde, de moederloze. Zij zou die lelijke prullaria echter niet aantreffen en meenemen: ze was ondertussen immers al afwezig.

    Aflijvigheid en afwezigheid.

    Is correct spellen belangrijk?

    Hoogtepunten kunnen dieptepunten betekenen. Een cliché als een kathedraal met duivenstront op: waar zijn we mee bezig?

    Bloedrood was de vlag van de Russische revolutie. De felbevochten vrijheid bleek net zo vreselijk te zijn als de vorige onvrijheid.

    We bleven met enkele prijswinnaars en verslagenen op de receptie hangen, die georganiseerd was door het provinciale televisiestation. Zoals vaak gebeurt, gedroegen de verslagenen zich als winnaars. Woorden kregen accenten; zinnen uitroeptekens. Interpunctie was tijdens het wedstrijddictee nochtans onbelangrijk geweest.

    Oog om oog, tand om tand: blinde, tandeloze wereld.

    Wat waren we hier eigenlijk godgenageld aan het vieren?

    (hippopotomonstrosesquippedaliofobie? tourettesyndroom? ideeëloos? przewalskipaard? Boerenkoolstronkeradeel? ditjes-en-datjes? Belgenmop?)

    Waarom stonden we hier alcoholhoudende dranken tegen onze ruggengraat te kletsen?

    Sommigen hadden wekenlang voorbereid, gestudeerd, lijsten aangelegd. Anderen geen seconde. De winnaars kwamen uit de categorie van de secondelozen. We vierden dus aanleg en talent, niet arbeid en ijver.

    ‘Het is nog maar mijn eerste keer.’ (Lode)
    ‘Een drukke job hé; belet een en ander. En dan dat kind nog.’ (Claude)
    ‘Maar twee dagen gestudeerd. Nou: een weekend, pakweg. En dan nog.’ (Lode)
    ‘Ik heb het nochtans altijd anders geleerd.’ (Claude)
    ‘Wanneer is dat nu weer veranderd!?’ (Lode)
    ‘Dat klopt toch niet?!’ (Claude)
    ‘Het Groene Boekje zegt het anders.’ (Lode)
    ‘Het Witte … ‘ (Claude)
    ‘De Dikke … ‘ (Lode)

    Ik was een top 5’er en kon dus onbeschroomd van groep naar groep fladderen. Zo ontdekte ik dat de laureaat van de provinciale spelwedstrijd aan het tourettesyndroom leed.

    Perfectie is saai. Steven Hawking heeft 24 uur per dag lijfelijke verzorging nodig. Esopus had een bochel en werd de vader van het fabeldicht. Homerus was blind en schiep een formidabele wereld. Erasmus leed aan jicht en hield de kamer om zijn Lof der Zotheid te kunnen schrijven. Ronsard was doof en werd de recordhouder van de welluidendheid in de Franse bellettrie. Andersen was lelijk, wou de toneelbühne op, maar schreef uiteindelijk sprookjes. ‘Zo is de mens gebouwd, dat zijn ellendigste gebreken vaak de voorwaarden worden tot zijn schitterendste heerlijkheid.’

    Dat laatste citaat is van Anton van Duinkerken, uit ‘De menschen hebben hun gebreken’. Who the fuck is Anton van D.? Dat essay, of een flard eruit, prijkte in een van onze leerboeken van het laatste jaar middelbare school, ook wel ‘de retorica’ genoemd. Dergelijke ouwelullenkoek werd toen nog door de strot van zeventienjarigen geramd, in de jaren dat de verbeelding aan de macht gekomen was. De timing zat verkeerd. Thans ben ik vergevingsgezind … geworden.

    Tourette dus, en hij dronk gvd nog whisky ook. De regionale zender had zelfs voor sterkedrank gezorgd vanavond. Waren ze er misschien op de hoogte van dat de spelkampioen – die niet aan zijn proefstuk toe was wat ereplaatsen betrof – ook een notoir whiskyslurper was? Hadden ze sterke vermoedens gehad dat hij hier het hoogste schavot zou halen? Ik zag dat Lode en Claude ook de wijn ingeruild hadden voor een gouden godendrankje.

    ‘QUICK – OP JE BAKKES!’

    Alles stokte even, een fractie van een seconde maar. Ik merkte dat de meesten op de hoogte waren van het schone gebrek van de spellingkampioen. Die stond nog immer glunderend en naglimmend met een stevige Jameson in de hand, die hij ten hemel hief als een gewijde kaars. Ik keek naar zijn bakkes – dat verdomde kingewas ontsierde het gelaat van vele intellectuelen, nog altijd, jaren na Castro, Che, Cat Stevens en andere pedagogen.

    ‘Mijn eerstgeborene is ook een prima speller,’ zei ik, terwijl ik ook een whisky van het aangereikte blad plukte. Ik breide er onmiddellijk een vraag aan, richting Jean-Luc, de laureaat: ‘Heb je stevig voorbereid? Gestudeerd?’
    ‘Is deze eerstgeborene hier aanwezig?’ informeerde Jean-Luc. Hij richtte zich in zijn volle lengte op.

    Die boer saai. God maai. Maar waar skuil die papegaai?

    ‘POTEN EN KLOTEN!’

    Enkelen draaiden hun gezicht weg om het even kort uit te kunnen proesten of op z’n minst onbevangen te glimlachen.
    ‘Nee,’ schudde ik met opeengeklemde kaken.
    ‘Ware het niet van dat domme streepje in New York, ik had maar twee fouten.’
    ‘Een streep door je rekening, Jean-Luc, haha.’
    ‘God zit in het detail, hé.’
    ‘Als Hij in het detail zit, dan mag je vitten.’
    ‘Een stom streepje te veel, gvd.’
    Ik had wat moeite om er na de wijnvloed ook de Jameson doorheen te sluizen. Mijn lijf protesteerde tegen deze vurige aanval. De whisky zocht zich weerspannig een weg naar mijn maag. Ik huiverde.
    ‘Drie dagen,’ zei Jean-Luc, terwijl hij te dicht met zijn gezicht het mijne naderde.
    ‘Maar voorheen allicht jaren?’ veronderstelde ik.
    De spelkampioen glimlachte bevestigend. Hoeveel keer was hij niet tweede en derde geworden? Hoe vaak niet had hij het onderspit moeten delven tegen de grijze meneer Dhaenens, die ook op nationaal vlak excelleerde en diverse keren het ereschavot mocht beklimmen?

    Eindelijk bereikten de deugddoende nevelen van de whisky mijn brein, waar zich ook al wijnaroma’s hadden genesteld.

    Erasmus schreef aan het eind van zijn Lof der Zotheid enkele zinnen die gingen over tijdens het drinken iets zeggen en gelukkig zijn dat je dat later weer vergeten kunt, of zoiets, zijn exacte woorden ontsnappen me momenteel, althans in de goede volgorde. Ik ben ze vergeten. Ik ben gelukkig.

    Jean-Luc maakte plotseling slagzij, struikelend over een van de fauteuils die in de hal stonden. Als een dronken ledenpop kantelde hij weg uit ons vizier. Lode en Claude zeulden zijn grote lichaam weer rechtop. Zijn glas diende bijgevuld te worden; de inhoud (zo die er al was geweest) bleek ofwel verdampt ofwel verspild. Ook ik verleende enige houterige medewerking, ondertussen zelf een gulp whisky op zijn jas morsend, want ik had mijn glas in mijn hand.

    Hebben ze in Amerika dan iets tegen liggende streepjes?
    New Orleans. San Francisko. Saint Louis.

    Er heerste weldra geen onderscheid meer tussen winnaars en overwonnenen. We vormden één gezellige spellingbende, min de afwezigen die ongelijk gehad hadden naar huis te gaan. Die wijn, die whisky: die hadden we verdiend, verdomme.
    Jean-Luc bewaakte angstvallig zijn hoofdprijs, die op de fauteuil lag waaroverheen hij daarnet gekukeld was: de dikke Van Dale. Hij week niet van diens zijde en wenkte zelf de hostess om verse scheuten heildronk. Hij verzette geen voet meer na zijn val.
    Drie fotografen hadden zijn gelaat vereeuwigd. Ook de tweede en de derde prijs mochten op diverse foto’s. Mijn vierde plaats volstond niet voor de eeuwigheid. Ik was nochtans in de eerste vijf. Er kon wel even een groepsfoto af, die ze achter onze rug toch zouden deleten.

    Buiten klemde de duisternis het gebouw in. Wind gierde en loeide over landerijen en door steden. Het alfabet sluimerde in bibliotheken, scholen, huizen en dorpen. Hier was het alsnog springlevend.

    Bestaat er zoiets als een dronken alfabet? Scheve letters? Kan het fonetisch schrift nevelen en vredig-vlezige articulatie weergeven? Een teveel aan welbevinden en roesmiddelen? Lijzigheid, slordigheid, overhaasting? Gestruikel en gestamel?

    ‘BAKKES!’

    Johan Hendrik van Dale was een schriel mannetje dat elke ochtend vroeg opstond. Vooraleer hij aan zijn beroemde Dikke begon, was er al veel werk verricht. En na zijn dood gingen de werkzaamheden onverdroten verder, door zijn leerling Jan Manhave. De magere Johan Hendrik werd de naamgever van de bekende Dikke.

    ‘Ben je al eens in Sluis geweest, Jean-Luc?’
    ‘Eh … ja.’
    ‘Voor een eerbetoon aan de Dikke, hé.’
    ‘De Groene is heel wat dunner hé, haha.’
    ‘Ik zou … ‘
    Met een onverwachte houterige tolbeweging draaide Jean-Luc Versingel om zijn eigen as (we dachten even dat hij andermaal wou vallen) en laveerde tussen de diehards door naar de toiletten, hier en daar mensen aanstotend, als een balletje in een flipperkast. Hij had zijn glas meegenomen. Zijn Dikke Woordenboek bleef nu onbeheerd achter.
    ‘Wauw: die laat er geen gras over groeien, zeg!’
    ‘Nee, alleen schaamhaar.’
    ‘Hihihi.’

    In deze poel van ellende werd ik plotseling overmand door een grenzeloos gevoel. Ik verlangde eensklaps grondig naar een herontmoeting met Liesbeth van G. uit Rotterdam en Gea K. uit Leeuwarden, beiden beeldend kunstenares.
    Waren het de Friese landschappen van Gea?
    Waren het de Rott’damse hotelkamers van Liesbeth?
    Was het de oneindige droefenis van Vlaanderen op een maandagavond die reeds te ver gevorderd was?

    Ik tolde op mijn beurt ook om mijn eigen as en verdween zonder boe, bah, dubbelpunt of uitroepteken in de avond. Boomkruinen ziedden; struikgewas schuimde. Ik plaste in het wilde weg en kroop juichend achter het stuur van mijn Saab.

    Van de klakkeloze letteren en de woede der leestekens, verlos mij, o Heer.
    Een beeld zegt meer dan … blablabla …

    Ik moest mezelf dwingen het station links te laten liggen en de neus van mijn auto richting thuis te volgen, waar ik terstond mijn e-mailverkeer activeerde. Rotjeknor en Leeuwarden ontvingen avondpost.

    ‘De vierde plaats,’ deelde ik mijn vrouw mee. ‘In de eerste vijf.’
    ‘Dat ruik ik,’ zei ze.

    Regen tokkelde met een vast percussiepatroon op het dak. Het was acht uur. De telefoon zoemde. De net-nietwinnaar van de spelwedstrijd gisteravond belde.
    ‘Heb je het al gehoord?’
    ‘Wat zou ik al gehoord moeten hebben? Het is pas … ‘
    ‘Jean-Luc is dood.’
    ‘He?’
    ‘Jean-Luc heeft zich in zijn eigen tuin opgeknoopt.’
    ‘Dat meen je … ‘
    ‘Jaja: vanochtend vroeg. Ik werd opgebeld door de politie. Zijn vrouw … De politie … ‘
    ‘Maar potverdorie toch … Hoe kan dat nu?’
    ‘Aan een boomtak.’
    ‘Ik bedoel … ‘
    ‘De tak van een boom.’
    ‘Jaja.’
    ‘Ze zullen jou ook nog bellen.’
    ‘Wie?’
    ‘Ewel: de politie.’
    ‘Mij??’
    ‘Jij was toch vierde?’
    ‘Ja … maar …‘
    ‘Wij waren toch de laatste getuigen van zijn leven op aarde?’
    ‘Maar hoe is dat nu zo plots … ‘
    ‘Jaja … ‘
    ‘De tak van een boom?’
    ‘Een boomtak.’

    Zoals bleek, enkele uren en gesprekken later: spellaureaat Jean-Luc Versingel had zich met behulp van een stoel, een touw en een boomtak ’s ochtends vroeg het leven benomen, in zijn eigen tuin.
    Zoals bleek, enkele dagen en vele gesprekken later: hij was die ochtend vroeg opgestaan, nadat hij de avond ervoor laat thuisgekomen was. Zijn vrouw dacht dat hij eruit moest om te plassen. Dat bleef duren. Na een halfuur was hij nog niet terug. Toen ging ze naar beneden en keek ze door het venster.

    De regionale zender had er een kluif aan. Zij hadden het wedstrijddictee georganiseerd.

    Uit ‘goede bron’: hij leek in bidhouding tegen de boom te leunen.
    Uit ‘goede bron’: het touw lag al geruime tijd gereed.
    Uit ‘goede bron’: hij zou ooit gezegd hebben: er zal veel volk zijn op mijn vijftigste verjaardag.

    Jean-Luc Versingel werd op zijn vijftigste gecremeerd, na een begrafenis waar vooral onbegrip heerste. Zijn doodsprentje werd verdorie nog ontsierd door een spelfout, maar alleen de specialisten zagen dat. Er ontbrak een liggend streepje in zijn voornaam.
    ‘Jean-Luc, met streepje,’ dacht ik, terwijl ik zijn gedachtenisprentje vooraan ging ophalen, een muntstuk in de schaal legde, in het voorbijgaan even zijn kist aanraakte en me dan met poten en kloten weer de Aloysiuskerk uit spoedde.
    Ik had mijn blikken niet over de stoelenrijen laten zwenken op zoek naar spellingspecialisten.
    Ik had zijn vrouw niet gezocht of gevolgd, ook niet toen zij naar voren werd geleid.
    Ik had met mijn bakkes afwisselend naar een oneindige verte en naar de grond gestaard.

    In de latere namiddag hoorde ik het PING! van binnenkomende mails.

    Liesbeth had wellicht uren aan haar laptop doorgebracht. Ze zond me een overzicht van haar leven de laatste vijf jaar. Daarin speelde een mythomane man/minnaar de hoofdrol. Momenteel lag hij stervende in een Belgisch ziekenhuis, als slachtoffer van een criminele overval of afrekening, maar dat was niet eens zeker. Er waren zoveel leugens in zijn leven als er haren op zijn kop stonden. Haar verhaal was een nachtmerrie bij klaarlichte dag.

    Gea bleek onlangs door een galerijhouder in Amsterdam financieel geplunderd te zijn. Ook de lokale kunststichting waar ze tot dan toe mee samenwerkte, had haar via kleine lettertjes en door slechte afspraken een som geld afhandig gemaakt. Ze wou als troost een week lang door de stad zwerven, allerlei slechte oude gewoontes weer oppikkend. En of ik zin had om daarbij te zijn.

    Sommigen moesten eens goed op hun bakkes krijgen, van iemand met stevige poten en kloten aan zijn lijf.

    Meer heb ik niet te zeggen: de tirette van mijn mond is dicht. Het is de eindstreep van alle woorden.


    09-02-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Horen en zien

    HOREN EN ZIEN


    Loredana Van Eyck zat tussen de tientallen zomerkleuren in de tuin van haar ma. Ze hoorde de bloemen. Het blauw overheerste momenteel, in vele schakeringen. Ma had blijkbaar een blauwe periode. Het oranje, altijd ietwat vreemd of onverwacht in de natuur, hield zich op twee plekken bescheiden op de achtergrond. Een enkele felgele bloem (één volstond) schaterde uitbundig naar het perk waar al dat blauw in rood overging. Het water in de vijver was bedekt met groene bladeren, waarin reeds de allereerste okersporen van verval zichtbaar waren, en waaronder goudkleurige vissen voorbijgleden.

    Loredana Van Eyck was blind.

    De combinatie van een witte en een bruine vlinder, zoals die momenteel samen door de tuin dansten, zou een feest voor haar ogen geweest kunnen zijn. Maar Loredana Van Eyck was blind. Ze rook wel de kleuren. Ze droomde er ook van een concerto voor bloemen en planten te componeren.

    Spreeuwen (in een herfstzwerm bijvoorbeeld) reageerden dertienmaal sneller dan mensen; vandaar de magnifieke patronen in die zwermen: puur communisme, pakweg in oktober boven Rome. Geen enkele vogel die de collectieve zwierigheid van het duizendtal verstoorde.

    Zo snel was ook Loredana, maar dan moederziel alleen. Blinden vertoeven zelden in zwermen. Zo zag en voelde ook zij veel vlugger dan ziende stervelingen de dingen aankomen. Dat was natuurlijk het bekende verhaal. Ze zat bijvoorbeeld al weer veilig binnen toen het begon te regenen. Even later beluisterde ze glimlachend de percussie van de droppen op het dak van de veranda.

    Loredana Van Eyck was bang voor haar gedachten omdat die vaak even later ook werkelijkheid werden. Neem nou de krant. Een zelfverklaarde kwaliteitskrant dan nog wel. Daarin stond het bericht (op de voorpagina; het was echt wel komkommertijd) ‘Concerto voor wortel, hoefblad en prei’ : een Brussels kunstenaar had een cd uitgebracht met muziek van planten en groenten. Voorheen bleek hij ook windschilderijen te hebben gemaakt. En onlangs nog had Loredana – voor de hoeveelste keer? – over zo’n concerto gefantaseerd.
    Twee dagen later verscheen in diezelfde krant nog eens iets over de kunstenaar Panamarenko, over zijn volgehouden pensioen met name. Had Loredana daar niet pakweg twaalf uren geleden ook aan gedacht, zomaar, zonder aanleiding?
    Ze repte daar met geen woord over tegen haar moeder, die haar elke dag de gesproken krant bezorgde, of er soms de hoofdberichten uit voorlas. Ze vond het op zich al onmogelijk zoiets aan anderen mee te delen.

    En er deden zich nog vreemdere zaken voor. Mama veroorzaakte bij het voorlezen van de krant een chocoladesmaak in Loredana’s mond. Neerstrijkende of wegvliegende vogels deden haar rillen en het koud krijgen. Kamerplanten begonnen soms hardop te … nou, wat was dat? Hoe kon je dat noemen? Spreken? Roepen? Schreeuwen? Er zou een ander werkwoord voor moeten bestaan: voor het storende lawaai dat Loredana hoorde wanneer kamerplanten dorst hadden, te lang alleen gelaten werden of in te donkere hoeken moesten staan. Wolken waren watten om te voelen, te plukken en op te eten. Ze waste zich geregeld met maanlicht. Regenkabaal smaakte naar vanille; chocolade rook als een requiem. De nacht geurde elk uur weer anders. Alles kwam samen. Loredana werd er tureluurs van. Mochten de luiken voor haar ogen niet gesloten zijn, om zo te zeggen, dan hadden de mensen soms de chaos of toch minstens de overweldiging in haar ogenschijnlijk dode ogen kunnen zien.

    Het lag dus in de lijn van de verwachtingen dat Loredana’s lijf en ziel daar werk van maakten. Ze begon extra ledematen te ontwikkelen. Ze kreeg alles dubbel, zodat ze uiteindelijk over vier armen en vier benen beschikte. Omdat Loredana Van Eyck daarbij al op voorhand de problemen voorzien had, had ze haar moeder een sluimerinjectie toegediend vooraleer de metamorfose duidelijk zichtbaar begon te worden. Zwijgen werd aldus het zesde zintuig van haar moeder. Met verstomming geslagen takelde ze op drie dagen tijd al heel vlug af. Weldra bevond ze zich in het rijk van de zielen. Op de derde dag wikkelde Loredana haar in suikerspinrag en at haar op. Ze smaakte naar oude westenwind. Hierbij maakte Loredana gebruik van haar vier nieuwe ledematen, die ook op een paar dagen tijd reeds flink ontwikkeld waren.

    Zoals mama al vlug minder en minder was geworden, zo had Loredana zich al snel ontpopt tot een volwaardige achtpotige meid. Ze was nu een stuk minder blind geworden. Tevens had ze nu een beter overzicht dan voorheen gekregen. Elke poot aan haar lijf (in gedachten gebruikte ze het te korte woord ‘arm’ niet meer) vertegenwoordigde immers een zintuig: horen, zien, voelen, proeven, ruiken, gewaarworden, voorspellen en zwijgen.

    In haar hoedanigheid van spinvrouw maakte Loredana Van Eyck onmiddellijk werk van een all-in website. De combinatie frambozenmassage – champagnerosé – fijnevleeswarenfantasie – topless passievruchtentherapie lokte weldra klanten-aan-huis, die Loredana stuk voor stuk murw masseerde, injecteerde, inpakte en leegzoog, bij hoge nood: opat. De verdorde en uitgedroogde restanten verbrandde ze achter in de bloementuin, die nu inmiddels al andere tinten vertoonde, want de heksen van de herfst waren al druk met hun bezems in de weer. Elk vuur was een knapperig concerto.

    De frequentie van de rookkolommen en de reuk ervan trokken de aandacht van omwonenden en milieu-ijveraars. Een man, afgelopen zomer nog verkozen tot wijkburgemeester, beweerde zelfs gekerm en gehuil in de opstijgende rookzuilen gehoord te hebben. Loredana, die deze gevaarlijke bewering met haar zesde poot gewaarwerd, staakte even de vuren. In plaats daarvan wachtte ze het goede moment af om de kerel een bezoek te brengen en zijn bloed voorgoed te doen stollen. Dat gebeurde op een maanloze nacht, terwijl de wijkburgemeester naast zijn wettelijk geregelde vrouw te slapen lag. De vrouw hoorde of voelde niets, want ook zij kreeg van Loredana preventief een lichte injectie, die haar tot tegen de middag door liet slapen. De jeu-de-boulesclub waar ze lid van waren, maakte de vrouw met dwingend belgerinkel wakker. Ze stonden omstreeks halftwaalf met z’n zessen klaar voor een fietstochtje annex picknick. Toen ontdekten ze dat de man dood was.

    De doodsoorzaak werd bepaald op hartstilstand. Niemand merkte de minutieuze prikgaatjes in de kwabachtige delen van het lichaam van het slachtoffer. Loredana had zich beperkt tot minuscule maar efficiënte prikken, om geen argwaan te wekken.

    Op de dag van de begrafenis van de wijkburgemeester – er woei een zoete wind – kringelde er weer rook omhoog uit de tuin van Loredana Van Eyck. Omstreeks halftwaalf stak een steviger wind op. Toen de stoet in een aangrenzende straat passeerde, omwille van het milde weer te voet op weg naar de begraafplaats, werden de rouwende familieleden, vrienden en kennissen onaangenaam geprikkeld door de rook die hun richting uit gedreven werd en uitgerekend op hun neersloeg. Een bepaalde rooksliert omhulde de lijkwagen als een lijkwade. Dof gemor en opstandig tandengeknars stegen uit de rouwstoet op. Ze zou ervan lusten. Ze zouden haar eens. Wat dacht ze wel. Een bijzonder onkies moment. Had je dat nu nog geweten.

    Ook Loredana hief haar hoofd en snoof diep, want ze werd gewaar dat de dode kerel in zijn kist op weg was naar zijn laatste rustplaats, niet ver hiervandaan. Grijnslachend dirigeerde ze de rookpluimen ook die richting uit.
    ‘Beetje feestelijke wierook,’ mompelde ze. ‘Rook in vrede, amen.’
    Kauwend op de zoete wind dacht ze: ‘Waarom verbranden ze dat omhulsel toch niet?’
    Ze pookte het vuur nog eens op.
    ‘Sommigen doen voorwaar tot na hun dood nog aan grondbezit. Typisch menselijk. IJdelheid. Hebberigheid. Al die verloren ruimte … ‘

    Toen brak plotseling een helse paniek uit in de rouwgelederen. Dat begon in de lijkwagen zelf. Hard geklop weerklonk in de doodskist, onophoudelijk, dwingend, vergezeld van gesmoord gebrul. De mannen en de vrouw van de begrafenisonderneming sprongen ontzet en met grauwe gezichten uit de auto. De stoet stokte. Mensen gilden en vielen flauw. De weduwe krijste dat horen en zien haar vergingen en zakte bewusteloos in elkaar.
    Voorbijgangers bleven met gesperde ogen en open mond verbijsterd toekijken. Twee mannen klapten nu omzichtig het achterportier van de doodswagen open.

    Het kabaal bereikte ook Loredana.
    ‘Shit!’ zei ze. ‘Ik heb hem niet grondig genoeg geïnjecteerd. Mijn prikken waren blijkbaar niet sterk genoeg op langere termijn. En ik had hem verdorie toch beter helemaal genuttigd. Nu herkent hij ongetwijfeld de rook die hem prikkelt!’
    IJlings werd nu de doodskist uit de wagen geschoven, terwijl dat geklop en gebrul maar aanhielden. Ondertussen had een van de bediendes van de begrafenisonderneming het breekijzer opgeduikeld dat altijd in de lijkwagen aanwezig was voor het geval dat …

    Zo’n miraculeus geval dus …

    De kist van de aflijvige wijkburgemeester was immers hermetisch dichtgemaakt.
    ‘Je weet maar nooit,’ had begrafenisondernemer sr. vijfendertig jaar geleden gezegd, nadat hij gehoord had over een Mexicaanse dode die in zijn kist ontwaakt was, nog tijdens de plechtige afscheidsviering.
    Ondanks opperste nieuwsgierigheid en verstomming (met uitzondering van de inmiddels vijf bewustelozen, die zich ineengedoken zittend of liggend op straat bevonden) deinsde bijna iedereen tien meter achteruit toen de bediende het deksel van de kist open wrikte en het wanhopige geklop en gebrul eindelijk ophielden. Op die vreemde onnatuurlijke geluiden tijdens de teraardebestelling van haar echtgenoot hief de weduwe haar hoofd weer.

    Met bloedende kneukels en in zijn paasbeste pak richtte zich de ondode man op, naar adem happend, huilend en schreeuwend als een bezetene. Zelfs de bediendes deinsden nu een paar meter achteruit. Na een twintigtal seconden kon de verrezene zich weer verstaanbaar maken.
    ‘José!!’ gilde hij hoestend, terwijl hij met verwilderde blik zijn ex-weduwe aanwees, die andermaal terstond flauwviel, ‘José!! Verdomde rook!! Wa … Water, godverdomme!!!’

    Toen kwam met loeiende sirene en blauw zwieplicht een ambulance van de Mobiele Urgentie Groep eraan. Iemand had in de eerste golf van paniek de spoeddiensten gealarmeerd. Nadat de ambulance zich met krijsende remmen en ware doodsverachting als een wig tussen de staande, zittende en liggende mensen tot bij de lijkwagen had gemanoeuvreerd, begaf het hart van de wijkburgemeester het voor de tweede keer. Nog altijd zat hij rechtop in zijn kist, als een baby in een bad. Nu zakte hij echter plots als een lamme ledenpop opzij, net op het ogenblik dat eindelijk een vermetele het aangedurfd had met een flesje water te naderen.

    De mannen van de MUG keken ontzet naar elkaar, naar de kist, de lijkwagen, de bewusten en bewustelozen op straat.
    ‘Hij is weer dood!!’ gilde de weduwe, die andermaal weer even bij bewustzijn was. ‘Weer dood!!’
    ‘Opzij!’ brulde een witjas dan.
    ‘Achteruit!’ blafte een andere witjas.
    Ondanks allerlei gymnastische en technische ingrepen bleef de man (die inmiddels languit op straat lag, uitgespreid in lengte door de hulpdiensten) beweging- en levenloos. De mannen van de Mobiele Urgentie Groep gaven het op, misnoegd over hun nederlaag tegen de dood.
    ‘Opzij! Achteruit!’ blaften ze weer. Waarna ze, andermaal in opperste verbazing, vroegen: ‘Wat is hier in hemelsnaam eigenlijk allemaal gebeurd?’
    Terwijl de begrafenisondernemer het onwaarschijnlijke verhaal deed, deponeerden de MUG’ers met behoedzame bewegingen het lijk weer in de kist. Ze waren op het ergste voorbereid. Op het trottoir zakte de kersverse weduwe ten derden male in elkaar.

    Toen besloot Loredana in te grijpen. Als Mohammeds doodskist tussen aarde en hemel zweven kon, dan was dat ook in dit geval mogelijk. In een mum van tijd breide ze een groot web boven de vuurput in haar tuin, voorzien van een lange ankerdraad. Het web dreef mee met de aangewakkerde zoete wind en de rookslierten, tot het zich boven de rouwstoet bevond. Dan was er geen houden meer aan. Het net zakte vliegensvlug, pakte met zijn kleverige draden man en kist in en steeg snel weer met de buit op. De collectieve ontzetting was zo verpletterend, dat bij iedereen alle zintuigen stokten.
    Loredana dirigeerde met de ankerdraad het gevaarte richting bloementuin. Boven de vuurput liet ze los. Man en kist ploften met een doffe smak in de kuil, as van voorheen afgestorvenen opwolkend. De vlammen waren blij met hun verse voedsel.

    Niemand van de getuigen heeft de gebeurtenissen kunnen navertellen. Alle zintuigen waren voorgoed uitgeschakeld.

    Loredana Van Eyck leefde nog lang, blind en gelukkig. Ze kreeg vele bezoekers op haar website.


    19-01-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Kersteningstijd

    KERSTENINGSTIJD & KAPITALISME 

    Ma bukte zich onderworpen voor me neer om mijn winterkou­sen tot vlak onder mijn knieschijven op te sjorren. O, wat haatte ik dat. Die kousen kriebelden, lelijk en grijs, en haar koude handen kietelden onprettig. Een wit elastiek moest die dingen ophouden, en de rand van de kousen werd eroverheen geslagen. Als je liep, moest je keer op keer nakijken of alles nog op de goeie plaats zat. Dunne benen had je beter niet. Na een paar dagen gebruik was dat witte elastiekje vuilwit geworden, een week later zo grijs als de kousen zelf.

    Erg, heel erg: de winter en de dooi en alles, alles wat daar­bij kwam kijken. Auto's die je met bruine kledder besproeiden. Het gorgelen en rochelen in afvoerpijpen en rioleringen. De vale zon met haar valse licht en toch moest je een muts op je kop en een sjaal rond je nek. Wanten met een duim erin. Ook hier weer een elastiekje dat pijnlijk in het vel van je pols beet en lang daarna nog een rode cirkel op je huid achterliet. In die tijd was ik vrijwel geheel uit elastiekjes opgetrokken.

    Met haar twee vingers onder mijn kin hief ze nu mijn hoofd naar het licht.
    'Je ogen zien weer rood.'
    Ik ontweek haar blik. Ze bevochtigde haar zakdoek met speeksel en wreef daarmee in mijn ooghoeken.
    'Au!'
    Van in mijn ooghoek over mijn kaakbeen, onder mijn oog voor­bij, tot bijna tegen mijn oor. Het gloeide. Andere ooghoek, zelfde marteling, in tegengestelde richting. Dat deed ze zo tot driemaal toe.
    'Au!'
    'Moet dat nu? Je overdrijft.'
    Ze stond op. Het kraakte in haar knieën.
    'Zo. God toch, die ogen van je! Je bent net een konijn. Slaap je wel genoeg? Knoop je je jas dicht op straat?'

    'Hihi, je hebt vannacht weer hardop gedroomd.'
    Belinda deed ook haar duit in het zakje. Ze lag met haar ellebogen over de ontbijttafel uitgesmeerd. De kop warme melk stond dampend voor haar neus.
    'Dee, deedee.'
    Ik kon me nooit goed verweren tegen haar.
    'En hoe kun jij dat weten als je niet eens in dezelfde kamer maft.'
    'Slaapt, bedoel je,' zei ma. Ze verdween naar de keuken.
    'Hihihi: deedee, dada. Jaja, ik hoorde het wel. Je moest huilen.'
    'Diet waar, snotmeid! En zwijg maar, aan jou hadden we vroeger geblèt genoeg.'
    Belinda slurpte het bovenste laagje van de melk af. Ma kwam door de accordeondeur weer naar binnen.
    'Schieten jullie op? Schooltijd nadert.'
    'Ja, ba.'
    'Hé, 't is niet waar dat je alweer echt verkouden bent! Waar haal je het toch telkens vandaan.'
    'Diét verkouden!' protesteerde ik. 'Alleen een verstobde deus. Heus!'
    Haar ogen gloeiden weer. Ze werd erg kwaad als je niet toegaf dat je ziek was.
    'Je sluit het venster toch als je boven zit?'
    'Ja.' Mijn ogen prikten.
    'En jas dicht op de speelplaats! Niet de stoere spelen, hé!'
    Ging ze nu maar weg.
    'Men zag je al vaker op straat met vliegende vanen.'

    Men!
    Verdomde onmens men!

    Mijn neus zat weer vol. Zakdoek. Goed voor één minuut. Het loste niet veel op. Begreep ze nou toch dat ik andere zorgen had.
    'Je trekt de helft weer op, bah, veel zin heeft het niet.'
    'Hmmppff.'
    Ik werd rood. Belinda, melk op de bovenlip, fluisterde op de air van het schoollied: 'Snot, snot, snot.'
    'Trut. Maak dat je wegkomt. Ga ergens anders blèren.'
    Plop. Er viel een krant. Ma verdween naar het halletje.
    'Snotjong.'
    ' - - - '

    Twee minuten later stond ik voor de spiegel in het halletje. Mijn ogen waren rood aangelopen. De voorraad zakdoeken in het bergkastje was vlug aan het slinken. Dan maar weer van die vervelende papieren dingen genomen. In de klas kreukte de plastic verpakking. En wat moest je dan doen met die natte proppen?

    Belinda en ik stapten zij aan zij op het trottoir. In onze ruggen prikten ma's alziende ogen, van achter het erkerraam. Aan de eerste straat die we in moesten slaan, holde ik voor­uit.
    'Twaalf uur vijf!' riep Belinda me na.
    'Jaja!'
    De garagepoort van het schoenenmagazijn stond weer open.
    Daar, op een binnenplaatsje met hangende planten en rode klompen aan de muur, lag die grote hond. Hij kwam grommend recht toen ik hem alleen maar bekeek.
    'Boebeest! Boebeest!'

    Ik liep vlug door, in één ruk tot aan de oranje bol. De klaar­over was al druk in de weer, zwaaiend met een spiegelei. Voor de schoolpoort bukte ik me en sjorde mijn winterkousen omhoog. Opspattende modderdroppen van snel passerende fietsen. Plassen op de strook tussen de fietsenstallingen. Sommigen kwamen van tien kilometer ver. De collectieve wanklank van de speel­plaats, acht uur vijfentwintig, wat waren we allen beweeglijk en gelukkig! Ik liet me ook opslorpen. Er waren er nog met van die winterkousen. Eentje had dat elastiek opzichtig dichtge­knoopt: je zag de bobbel onder zijn knieschijf duidelijk. Midden die zee van mensenkinderen haalde ik een papieren zakdoek boven. Aan elk van de drie muren die de speelplaats begrensden, hing een vuilnisbak. Ik gooide het keihard samen­geknepen balletje snotpapier bij de broodresten, de plastic verpakkingen van schoolwafels, bruine klokhuizen.

    Op het sein van de bel, niemand had al ooit ontdekt waar dat pijnlijke geluid vandaan kwam, stond iedereen stokstijf. Halfnegen: van nu af was de tijd bevroren. Dik ingepakte onderwijzers kwamen in trosjes van drie of vier naar buiten. Ze gingen ieder voor een wit afgebakende strook postvatten.

    1A 1B 2A 2B 2C 3A 3B 3C 4A 4B 4C 4D 5A 5B 6A 6B 6C 7

    De onderwijzer met toezicht blies nu tweemaal op een fluitje. Allen kozen hun vaste plaats. Ik ging naar strook 5B, handen in de zakken, het hoofd zoals gewoonlijk een beetje schuin, de schouders opstekend tegen een windvlaag die van over de sportvelden via de toegangspoort tot de speelplaats pal aan kwam bollen.

    In het klaslokaal scheurde de aangeduide jongen een blaadje van de kalender.

    ALSTUBLIEFT. DANK U WEL. VERONTSCHULDIG ME. ZONDER DANK, MIJNHEER.

    Het burgerlijk jaar. Het kerkelijk-liturgisch jaar. De seizoe­nenkrans. Romeinse tijd. Kersteningstijd. Een iguanodon.

    De onderwijzer klapte een tuimelraam dicht. Hij wreef zich in de handen.
    'Zo, jongens.'

    De lampen waren de hele dag blijven branden. Na de middag werd het al vlug donker. Naast het klaslokaal bevond zich een rij hoge populieren. Vaak nestelde ik mijn ogen in hun takken. Ik deinde mee op de wiegende bewegingen die de wind in de kruinen veroorzaakte. De vierde boom in de rij helde iets naar voren. Misschien, na verloop van jaren, moest die koppigaard het wel opgeven: met een allerlaatste buiging zou hij de reeks verlaten. Dan zou ik al verdwenen zijn, via opeenvolgen­de klassen en speelplaatsen. Verder lieten de ramen in de klas weinig zicht toe: die bomen, de bovenste verdiepingen van het internaat bij de grote school en vier langwerpige brandglasra­men uiterst rechts, waar een kapel zou zijn.

    HAND VERBRAND: WATER OP JE HAND. OOK BIJ PRET OPGELET.

    Bij het begin van de lente zouden we op schoolreis gaan naar de nationale luchthaven Zaventem. Er hing al een kaart met de reisroute erop aan de wand. Elke vrijdag was er een halfuur voorzien om daarover te praten. Op de terugweg stopten we aan een groot pretpark. Tijdens de reis moesten we aandacht hebben voor alles en nog wat en dat opschrijven.

    'Als je elke dag met van die rode ogen je bed uit komt, kun je natuurlijk niet op schoolreis mee, weet je. Ik maak volgende week een afspraak voor je met de dokter. Woensdagmiddag, dan zit je toch thuis te niksen.'
    'Ja, ma.'
    Lap! De vrije middag eraan. Maar ik wou voor geen geld ter wereld die reis missen. 'Kijk: ik ga vanavond nog bij de buren telefoneren. Dat moet nu maar eens afgelopen zijn. Altijd dat snotteren en die waterige ogen! Straks krijg je nog een dikke kop.'
    'Ik wil best ook wel zo'n lange broek.'
    Ma antwoordde daar niet op.

    Die volgende woensdag ging ik naar de dokter, alleen. Het had hard gevroren en mijn voeten leken de koude uit de grond op te zuigen. Die kroop langs mijn benen omhoog tot aan mijn schouders en mijn oren. Alleen de strook tussen mijn knie­schijven en mijn enkels had het nog niet koud. Ik kromp ineen toen ik de deur in de poort openduwde. Ik belandde in een gangetje met veel deuren. Naast één ervan hingen drukknoppen.
    Een andere stond open: het wachtkamertje. Er zat niemand. Ik ging zitten en stond onmiddellijk weer op. Ik haalde ma's gesloten enveloppe met het geheime briefje erin boven en ademde diep in en uit. Het deed pijn in mijn neus.
    Ik klopte op de deur met de drukknoppen naast. Geen antwoord.

    ('Verkeerde lieveheer', vertelde de onderwijzer eens. 'Je loopt altijd met je hoofd naar links gebogen. Dat is niet goed voor je lichaam. Je moet je houding verzorgen.'
    ' - - - '
    Ik glimlachte even, maar wist niet wat ik daarop moest ant­woorden.
    'Wist je dat de meeste lieveheren aan het kruis het hoofd naar rechts buigen? Nee, hé? Ze luisteren naar de goede moordenaar. Je moet er eens speciaal op letten. Kijk, straks als we in de klas zijn ... ')

    Ik klopte opnieuw aan en wachtte gespannen. Niets te horen.

    ('JE KON DE STILTE SNIJDEN'. Dat is een pracht van een zin, Marius! Dié moet op het bord komen. Kijkt allen maar eens heel goed!'
    Marius was een kei in het schrijven van opstellen. En tekenen kon hij ook al. De onderwijzer schreef in mooi, rond schrift de zin op het bord en onderstreepte die dubbel.
    'Even verder lezen, jongens. Het is nog niet gedaan! Luister goed')

    Ik klopte nu twee keer kort na elkaar met veel aandrang op die deur. Ondertussen overwoog ik het om op een van die knoppen te drukken. Het bleef muisstil.

    (Op zekere dag had de onderwijzer zijn fototoestel meege­bracht.
    'Kijk,' zei hij, 'daar zal ik jullie allen op de luchthaven voor eeuwig mee vastleggen. Men zegt wel eens: iets vereeuwi­gen.'
    'Hé, krijgen we dat kiekje dan ook, meester?'
    'Hé, jàà!'
    'Sstt! Sstt! Dat komt allemaal in orde. Natuurlijk, wat dach­ten jullie wel! Ik laat er achtentwintig van ontwikkelen. Goed? Dan moet ik daar wel een klein bedrag voor vragen, niet? Dat begrijpen jullie wel. De foto komt ook achteraan op het prikbord. Zoals jullie zien, hangen er al enkele foto's van vroegere schoolreizen. Allemaal stoere binken geworden, die kerels!'
    'Hahaha')

    Plotseling floepte een lampje boven de andere deur aan. Ik hoorde gestommel als van iemand die een trap af kwam. Die deur werd geopend. In het donkere gat verscheen een gezicht. Ik toonde de enveloppe. Een zee van licht gulpte nu door het gangetje.

    (In de lente de hotsebots van de knikkers. Het stuiteren. In die hotsebots herkende je het toeval dat de kinderen parten speelde. Wie werd arm? Rijk? Eenheid: de knikker. De woede. Dat stuiterende tikketakke was het metrum van onze gezindheid. Winnen of verliezen kon je, en verlies was écht verlies. Je kon dat proberen te verwerken of razend worden. Verhoudingen kwamen tijdens de lentemaanden door de schuld van die knikkers overhoop te liggen. Ik bezat een plastic zakje met tien blauwe knikkers in waarmee ik tot op de allerlaatste dag voor de zomervakantie angstvallig over de speelplaats laveerde. Ik nam geen deel aan de ruilverkaveling die de grote speelruimte in haastig met krijt afgebakende partjes opsplitste en aan de reinaardij van de haantje-de-voorsten die dagelijks de mooiste exemplaren onder elkaar versjacherden. Ik had te doen met de eeuwige verliezers wier duim en wijsvinger net niet dat ene gelukzalige stootje op konden brengen. Ik, bezit­ter van tien blauwe knikkers, werd vrijwel dagelijks uitge­sliept door generatiegenoten die in mij een potentieel verlie­zer zagen. Ik ...

    In de winter, omstreeks vier uur al, werd het gezellig donker. Lichtbellen haperden aan de gevels, om de twintig meter. De lampen, bevestigd aan telefoonpalen, gooiden een fletse plas licht naar beneden. Ze veroorzaakten onduidelijke schaduwen. Pas wanneer het echt goed donker werd, was je van hun nut overtuigd. De kortste afstand tussen twee palen be­droeg ongeveer dertig stappen. Bij de vijftiende bevond je je in quasi-volslagen duisternis. Er rustte een stolp van stilte op mijn doodlopende straat. Alleen de kinderen met de klokslagen van acht en twaalf en vier zorgden voor wat rumoer. Eén van hen was ik, lange jaren: krullenjongen met de varkensharen. Een stolp: toen mijn straat dood moest lopen en de slagbomen aan de overweg tot in der eeuwigheid werden neergelaten. Het talmende gezuig en gedreun van de pompen bij de watervloed in godweet­welk najaar van een jaartal dat nooit meer terugkwam. Soms een vrouw met achter op haar hoofd een beheerste knot. Gerinkel van glas in een boodschappentas.
    'Hm, daar gaat Lydia weer.'
    Hoofden achter stille vensters. Die dachten:
    'Morgen nog een weekje vooruit geschoven.'

    O straat van mijn jeugd, trechter waarin alles met mondjesmaat verkleuren moest. Tijd bracht onraad voor mij, schrikkelkind. Mijn Belle Epoque nam ik door een gasmasker waar. Nog gehoord van de Zevensprong. Hoe de koning uit stelen ging. 's Ochtends bang wakker worden omdat die dag op school een vers op bevel gedeclameerd moest worden. Die gillende stoom­fluit van de trein onder een vriezemaan met achter de bewasem­de ramen te vroeg uit hun slaap gerukte gezichten. Soms kon ik huilen.)

    ‘Hm', gromde de dokter.

    Op een dag, de wind joelde als een dolleman rond de schoolgebouwen, maar er hing al lente in de lucht, vormden we met 5A en 5B een grote rij. Er waren nog geen anderen op de speelplaats, want het was nog vroeg op de ochtend. De direc­teur zei iets en smeekte bescherming af voor de verre reis. Zijn woorden gingen in de wind verloren. Omdat er achteraan gemompel was, maakte hij zich onmiddellijk daarna hartstikke kwaad. Even mocht Geert niet mee de bus in, maar als aller­laatste leidde de directeur hem uiteindelijk toch aan het linkeroor de speelplaats over richting bus. De onderwijzers van 5 controleerden of niemand het toegelaten bedrag aan zakgeld overschreed.

    Met hun knieën op de zachte kussens gezeten, kinderlijk ver­blijd de bus in kijkend, verklapten sommigen hoeveel centen ze meegekregen hadden en waar zich nog een stiekem sommetje bevond. Daarbij verhuisde hun kauwgummetje voortdurend heen en weer in hun mond.

    De nationale luchthaven Zaventem. Niet de vliegmachines en de wilde verhalen trokken me aan. Niet het eindeloze van de startbanen of het weidse van de grasvelden.

    Alles werd ons getoond. Er waren jongens die ijverig noteer­den. 's Middags openden we in de ruime hall onze lunchpakket­ten. Sommigen gingen in de cafetaria iets drinken, dat mocht. Ik zat met een vijftal klasgenoten op een cirkelvormige bank in de grote hall. Middenin stond een enorme plant. We zaten er met onze ruggen naartoe gekeerd. We jongleerden met muntstuk­jes. Er werd gewikt en gewogen hoeveel nog kon worden besteed, waaraan, hoe, wanneer. Ik hield een blinkende munt veilig in de warme holte van mijn broekzak verborgen. Die kon het begin van een onmetelijk fortuin worden. Daar kon ik dan een groot huis mee bouwen waar op het dak de heli's zouden opstijgen en landen. Tijdens de lunchpauze verkocht ik nog een pakje kauw­gum. Ik vroeg er een lagere prijs dan ik er zelf voor betaald had. De opbrengst liet ik ook in mijn broekzak glijden. Het was een prettig en nieuw besef: ik had nog nooit over zo veel geld beschikt.

    De rest van de dag schoof daarom op de achtergrond voorbij. Wazig voltrokken zich de gebeurtenissen waarover ik later in een opstelletje met veel tekenende woorden zo mooi schrijven zou, tot grote nijd van Marius. Rond drie uur in de middag nam de onderwijzer de beloofde klasfoto. De wind rukte aan onze haren. Iedereen was lelijk. Het duurde en duurde tot allen eindelijk dicht genoeg opeengepakt stonden om op het kiekje te kunnen. We hielden onze hoofden schuin als verkeerde lieveheren, tegen de suizende wind. Ik bevond me uiterst rechts. Secondelang perste ik de verplichte glimlach eruit en goochelde ondertussen met de warme munten in de diepte van mijn broekzak. In het pretpark, later op de dag, hield ik me afzijdig. Ik voerde op de par­keerplaats tussen de bussen diepzinnige financiële gesprekken met Geert en Bruno.

    Tijdens de terugreis, toen de regen de ramen martelde en elk zicht belette, deed Paul de ronde met de pet van de busgelei­der. Geert, Bruno en ikzelf, samenhokkend op de achterste bank, weigerden een bijdrage. Van toen af geloofde ik dat er een doem op mij rustte. Trouwens, de dag daarop trapte ik thuis in een spijker. Ma gaf me nog een extra labberdoedas omdat ik keihard gevloekt had.

    Dit, en nog vele andere dingen, was een nauwkeurig uitgekiende straf, bewerkstelligd door De Grote Bouwheer, De Meester Van Het Heelal, De Oneindige Edelman, De Onmetelijk-Zwijgzame Uurwerkmaker, voor het weigeren een fooi aan de geleider te geven, het katapulteren van kiezeltjes naar wiedsters, het rokjetillen, het piemeltjevillen, het maken van Geheime Ge­dichten, het Weten van Allerhande Geheimen en nog vele, vele zonden.

    Ach, het was een straatje zonder einde.


    06-01-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.R@T

    R@T

    Rough: Rattenkop !

    Tough: Schijtlijster !

    Rough: Dooievisjesvreter !

    Tough: Ossenmelker !

    Rough: Kloothommel !

    Tough: Melkmuil !

    Rough: Angsthaas !

    Tough: Pezewever !

    Rough: Zeurpiet !

    Tough: Pottenkijker !

    Rough: Schreeuwlelijkerd !

    Tough: Gebraden haan !

    Rough: Slijmjurk !

    Tough: Mierenneuker !

    Rough: Slapjanus !

    Tough: Lamstraal !

    Rough: Stoethaspel !

    Tough: Muggenzifter !

    Rough: Dikdoener !

    Tough: Veelvraat !

    Rough: Die je zelf bent !

    Tough: Jij ook !

    (Rough neemt een vismes en fileert Tough. Tough rukt ondertussen diens hart eruit. Beiden gaan dood.)


    22-12-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Zoete wraak

    ZOETE WRAAK

    'Each man kills the thing he loves'

    Leopold Tavernier arriveerde midden in het schooljaar als een vreemde eend in de bijt in onze klas. Hij had een dure slobberpull, een Franse r en potloden waar ongelofelijk mooie tekeningen uit vloeiden. Het magische woord dat hem vergezel­de, was 'Congo'. In de krant hadden we al foto's gezien van negers met afgehakte handen. Uit dat wrede Congo was Leopold Tavernier met zijn ouders halsoverkop weer naar België ge­vlucht. Daarom wou iedereen hem wel naast zich in de bank. Meester Gilbert velde een gemakkelijk salomonsoordeel: Leopold werd elke dag bij iemand anders geparkeerd.

    'Zeg, zijn de negers overal zwart?'
    'Heb je ginder maniok geproefd?'
    'Wat doen ze daar eigenlijk met al dat zilverpapier?'
    'Jongens, jongens!', zei meester Gilbert. 'Laat Leopold nu eens een beetje met rust, hé! Eh ... het zijn drukke dagen geweest voor hem, nietwaar Leopold? Als hij er zin in heeft, mag hij op het einde van het schooljaar een spreekbeurt houden over eh ... over het zwarte continent. Alles op zijn tijd.'
    'Hij kan mooi tekenen, hé meester?'
    'Ja, hoor. De rest werken we wel bij.'

    Maar Leopold Tavernier, oud-koloniaaltje, moest helemaal niet 'bijgewerkt' worden. Met Pasen al bleek hij de kersverse primus van de klas te zijn; de zoontjes van de notaris en de dokter hadden het nakijken.
    Er was nog iets om jaloers op te zijn. Leopold kreeg elke dag tien Belgische frank zakgeld mee naar school. Dat was een kolossaal bedrag. In onze financiële dromen rekenden we alle­maal in eenheden van halve en hele Belgische franken, sommigen zelfs in centiemen. Er waren nog van die belachelijk grote munten in omloop met een gaatje in het midden, net mini-cd's. De grootte van die munten was gelijk aan het formaat van onze armoede. Het gaatje middenin was een spottende vingerwijzing van de Mammon.

    Leopold: 10 BEF X 7 = 70 BEF/week. En misschien incasseerde hij speciaal tarief op zondagen! Om van te duizelen. Iedereen verlangde naar de dag waarop Leopold buurjongen in zijn bank werd. Iedereen hield zijn afgunstige klep.

    Toen al was ik een verwoed fi-la-te-list. Bijna elke dag bewasemde ik met open mond het winkelraam van Verduyn in de Breydel­straat: prullaria, schoolgerei, snoep, wenskaarten, maar vooral: postzegels! Die zaten verpakt in plastic mapjes: driehoekige Kaapse, langwerpige Chinese, smalle Togolese, minuscule uit Mauretanië. Kostprijs: 10 BEF voor zo'n mapje.
    Daar moest ik eeuwen voor sparen.

    Op school brak mijn Leopold-dag aan. Smekend keek ik hem in zijn koloniale ogen, die al zo veel wreeds en afgehakts hadden aanschouwd.
    'Zeg, Leopold?'
    'Ja?'
    'Zo'n mapje postzegels bij Verduyn kost 10 frank.'
    'Ja.'
    'Ik spaar postzegels.'
    'Ja?'
    'Maar ik heb geen 10 frank.'
    'Krijg je dan geen zakgeld?'
    ‘Pff ... '
    'Heb je er al veel?'
    'Wat?'
    'Postzegels natuurlijk.'
    'Ik wil die van bij Verduyn. Straks koopt iemand anders ze.'
    Leopold zweeg.
    'Tien frank, da's één dag zakgeld voor jou.'
    'Jaja.'
    'Allez!'
    'Wat krijg ik in de plaats?'
    Razendsnel dacht ik na. Wat voor waardevols bezat ik waar ik Leopold een plezier mee kon doen? Kon ik mijn zus verkopen?
    'Mijn zuster vind je leuk.'
    'Je zuster?!'
    'Jaja.'
    Toen kwam meester Gilbert roet in het eten gooien. Ik belandde voor een paar dagen in de schemerzone tussen eeuwige armoede en verhoopte kapitaalkracht.

    'Leopold?'
    'Ja?'
    'Mijn zuster vind je echt wel leuk, hoor. Ik heb er over gepraat.'
    'Waarover?'
    'Over jou natuurlijk.'
    'Hier.'
    Totaal onverwacht hevelde Leopold vanuit de rijke diepten van zijn kontzak twee stukken van vijf frank naar mijn gretige handpalm over.
    'Voor mij?!' deed ik verrast.
    'Voor die postzegels.'
    Ik plette de muntstukken zowat in mijn vuist.
    'Hei, merci zeg! Je bent mijn beste vriend!'
    Leopold glimlachte. Misschien was hij het vroeger gewend allerlei blinkends aan arme zwartjes uit te delen.
    'Ik doe vanavond heel veel groeten aan mijn zuster.'
    'Ja. Morgen om tien over acht sta ik aan de oranje knipperbol bij de schoolpoort.'
    'Ik zal het haar zeggen. Joepie!'

    Na het oorverdovende, bevrijdende gerinkel van de vier­uurbel holde ik regelrecht naar Verduyn: prullaria, pietlut­tigheden, tierlantijnen, dingsigheidjes, maar bovenal postze­gels. Het kersverse kapitaal dat koloniaal Leopold Tavernier in mijn firma had gepompt, gloeide ovenwarm in mijn handpalm. De transactie nam amper tien seconden in beslag. Verduyn verhoogde zijn middelen met BEF 10-; ikzelf werd de trotse bezit­ter van een vijftiental nagelnieuwe, exotische postzegels. Wat er voor Leopold, mijn sponsor, was weggelegd, zou de toekomst nog wel uitwijzen.

    Die avond verschanste ik me met popelend hart op de kamer die ik met mijn twee broers deelde. Vol verwachting verscheurde ik de plastic verpakking, om tot mijn ontzetting te constateren dat alle zegels op een stuk karton vastgekleefd zaten. Ik kreeg al spijt van mijn aankoop. Met dat enorme kapitaal had ik honderden andere hebbedingetjes kunnen verwerven. Zenuwach­tig begon ik aan een hoek van de Kaapse postzegel te pulken. Lap, daar had je het al: hij scheurde.
    'Godver!!'
    China onderging hetzelfde lot. Togo volgde. Mauretanië, de hele reutemeteut. Mistroostig staarde ik naar het zootje. Voor losweken met stoom had ik het geduld niet opgebracht. Dit was mijn straf.
    'Verduivelde Verduyn,' dacht ik nijdig. 'Dit is bedrog. Postzegels klééf je niet stomweg op karton vast.'
    Wraaklustig verfrommelde ik mijn total-losscollectie en mikte die in de papiermand. Verduyn zou nog van mij horen! Ik schar­relde in mijn verzameling Vermoedelijk Belangrijke en/of Geheimzinnige Dingen en koos er een oude huissleutel uit. Die had ik enkele maanden geleden op straat gevonden. Mijn wraak zou zoet zijn, zonder dat het me ook maar één frank zou kos­ten.

    Zoals in een overvalfilm: timing was belangrijk. Elke seconde was een fractie en een eeuwigheid. Het duurde gewoonlijk acht à tien seconden vooraleer Verduyn, een rijzige vijftiger in stofjas, in zijn winkel verscheen, als een djinn uit het halfduister opduikend. De opstelling van zijn laden, kasten, snoepkommen en rekken kende ik vanbuiten.

    Ik sloeg ongenadig toe, de volgende dag al. Ik wachtte tot de kust veilig was. Er mocht niemand anders in de winkel zijn. Razendsnel ging ik naar binnen, graaide met bonzend hart zoveel repen chocola weg als ik met één handgreep pakken kon en propte de buit in mijn jaszak. Daarna bleef ik met ingehouden adem onbeweeglijk staan. In mijn linkerhand hield ik de oude huissleutel gereed. Verduyn deed er langer over dan gewoon­lijk. Zou ik nog eens ... ? Het bleef maar duren verdorie. Ik had nog rustig ...

    'Ja, jongen?'
    Met een ruk draaide ik me om. Hij kwam verdomme uit die zijdeur, waar hij anders nooit ofte nimmer ...
    Ik liep bloedrood aan.
    'Ja?'
    Hij ging met zijn groot lichaam vlak voor mij postvatten.
    'Eh ... die sleutel hier ... ' hakkelde ik. Ik toonde hem het ding.
    'Wat is er van die sleutel?' vroeg hij. O djiezes, wat een dreigende klank in die stem!
    'Eh ... hij lag hier op straat, vlak voor uw winkel. Ik dacht dat u hem misschien verloren had ... '
    Verduyn kneep zijn ogen halfdicht en monsterde me van kop tot teen, terwijl hij bijna onmerkbaar ja knikte. Had hij het door? Het zweet brak me uit. De wraak was al niet zoet meer.
    'Geef hier.'
    Hij rukte het ding zowat uit mijn hand.
    'Gevonden, hé?'
    'Ja.'
    'Hij ziet er zo oud uit.'
    'Ja.'
    'Op straat, hé?'
    'Ja, meneer.'
    'Mensen lopen toch niet op straat? Daar rijden de auto's. Mensen lopen op het trottoir. Als ze een sleutel verliezen, doen ze dat op het trottoir. En ze horen die dan vallen. Dan kunnen ze ... ‘
    Ik luisterde al niet meer. In mijn hoofd bonkten gevangenis­deuren dicht en rinkelden sleutelbossen.
    ' ... je vader hiervan? Ken ik jouw vader? Ja hé? Je kon toch ... '
    Help.

    Toen werd in mijn hoofd eensklaps een besluit genomen waar ik zelf weinig mee te maken had: ik vluchtte. Halsoverkop vlucht­te ik Verduyn, prullaria, postzegels en snoep, uit. Ik holde enkele straten door en hield pas halt bij het Heilig-Hart­standbeeld, dat me met open armen op het Consciencepleintje verwelkomde. Ontredderd zeeg ik op een bank neer. Wat een ellendig, onnozel, stom leven leidde ik toch! Waarom was ik niet in Elisabethstad geboren en kreeg ik niet elke dag tien frank zakgeld? Waarom stond ik niet op foto's met een aapje op mijn schouder? Leopoldstad?

    Leopold ... verdomme. Wat moest ik Leopold vertellen? En straks ... thuis: zou Verduyn weten waar ik woonde? Kende hij mijn vader echt? Ik betastte de repen chocolade. Ik kon de buit alleszins niet mee naar huis nemen. Voorzichtig dropte ik een na een de repen achter me in het gras. Dat betekende mijn totale nederlaag. Maar ook, een heel klein beetje: opluchting. Daarna stapte ik doodsbang naar huis. De koorts van schuld en wroeging deed mijn wangen gloeien. Mijn hart stuiterde voor me uit op het trottoir. Iedereen keek me bestraffend en afkeurend aan. Ik had zwaar gezondigd. Weldra zouden op de voorpagina's van de kranten foto's van me verschijnen, waarop ik met gebo­gen hoofd en afgehakte rechterhand te zien zou zijn. Men zou me niet eens geboeid naar mijn cel kunnen leiden.

    Dagenlang liep ik op hete kolen. Niks gebeurde. Ik strafte alleen mezelf. Wat de fi-la-te-lie betreft: ik beschreef elke dag een omtrekkende beweging, zoals in de cowboyboeken, om Verduyn in het Breydelstraatje heen, met mijn muts tot diep over mijn oren getrokken. Ik kon de con­frontatie met mijn bron van ellende niet meer aan. En ik was er als de dood voor dat Verduyn me bij de lurven zou grijpen.

    'Hei, heb je die postzegels al gekocht?'
    Leopold keek me met grote, vragende ogen aan.
    'Jaja.'
    'En?'
    'Mooi hoor.'
    'Je zus zei dat ... '
    'Mijn zus is een liegbeest.'
    Oud-koloniaaltje Leopold Tavernier zweeg verbluft.
    Over en out. De hele Leopold-dag zat ik ongemakkelijk in mijn bank te wiebelen. We wisselden geen woord meer. Leopold werd met de minuut slimmer. Het leven was onrechtvaardig. De rijken werden steeds rijker. De armen armer. In mijn kwartje zat nog altijd een gaatje.

    'Hei, psstt!'
    'Ja?'
    'Als je zus me niet meer moet hebben, betaal je me die tien frank terug, hé?'
    'Hm.'
    Lap. Voilà. Dat was de voetnoot bij mijn Leopold-dag. Nu was ik ook al handelaar in blanke vrouwen. De Congo: postzegels, slachtpartijen, uitbuiting. Mijn volgende spreekbeurt zou niet over fi-la-te-lie gaan. Dat stond vast. Het zou een apologie worden: over hoe een eenvoudige, arme Vlaamse jongen door de passie voor zijn leerrijke hobby in de criminaliteit verzeilde.


    04-12-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Wild!

    WILD!

    In het land waar het op dinsdag altijd regent, was het woensdag. De chef-kok van restaurant PAPILLO was slechtgemutst. De regen sausde die dag namelijk ook onverdroten naar beneden.
    ‘Ik lust je rauw, groentje!’ snauwde hij naar de kersverse dessertkok. Die had net per ongeluk (leek het) een klodder chocolade in een van de frituurmanden gekatapulteerd. Toch een fraai staaltje van culinaire ballistiek, voorwaar; het was van dezelfde orde als het omhoog gooien van pannenkoeken of het zwierige jongleren met pizza’s. De werkplek van Tore was immers ettelijke stokbroodlengtes verwijderd van de brand- en sishaard van chef-kok Rudy.
    ‘Slay no more,’ mompelde de polyglotte Meredith, een duvelinnetje-doet-al dat alle kook-, look- en rookproblemen in het keukenvagevuur van restaurant PAPILLO diende op te lossen en dit wonder boven wonder ook vaak deed. Ze trad ook als wrevelagente op tussen veeleisende gasten en overspannen keukenpersoneel. En bovenal slaagde ze er meestal ook in dat heethoofd van een Rudy te sussen.
    ‘Godverse keukenclown!’ foeterde Rudy. ‘Dat is hier nog maar een week en … ‘
    ‘Maar het was per ongeluk, chef!’ zei Tore.
    ‘Taarteklaai.’

    Het was het wildseizoen van de pechvogels. Mensen wilden angsthazen en hoenderachtige bos- en veldbewoners opeten, geflankeerd door flonkerende wijnen waarin de okeren en paarse herfst zich weerspiegelde. Chef-koks zweetten zich een vetlaag minder; hun personeel moest het vaak ontgelden.

    Het was in deze constellatie van leenroerige tijden voor afgeknald wild en likkebaardende mensen dat meneer Cyriel aan tafel 12 in het alom geprezen PAPILLO zich tegen zijn vriendin Amber liet ontvallen:
    ‘Tiens, al eens op gelet? De meeste chef-koks zijn mannen. Dieren koken en kindjes kopen … dat is te veel gebraad en gebroed ineens hé … hihihi … Vrouwen kunnen dat niveau blijkbaar … ‘

    Verder was zaakvoerder Cyriel Deforche van de firma ClothPlus niet gekomen. Directiesecretaresse Amber had niet geaarzeld tussen het glas water of het glas rode wijn. Van het aangelaat van meneer Cyriel – een gesperde ster van verbijstering – biggelde nu een soortement bleek bloed. Overgeleverd aan een gamma van gevoelens keek hij schuldbewust naar het geultje tussen haar borsten, waar zich ook een riviertje rood een weg zocht. Ondertussen voelde hij vele ogen branden in hun richting.

    Blijkbaar, Cyriel, blijkbaar ??!!’
    Meneer Cyriel zweeg als vermoord, bang voor een tweede waterval, nou: wijndouche.
    ‘Heeft zo’n chef-lul als es een kind uit die lul geperst? Zijn buik opengereten met een van zijn keukenmessen om er een klein chefje uit te sleuren? En dan zeventien jaar lang voor dat bloederige ding gezorgd? Hé Cyriel? Heb je daar ooit al es aan gedacht?’
    ‘ … ‘
    Meneer Cyriel reageerde nog steeds niet. Hij begon nu met langzame bewegingen de rode zee over zijn gezicht en kleren in te dijken en te deppen, terwijl Bach nu even manifester weerklonk: ergens had iemand ijlings aan een volumeknopje gedraaid. Amber negeerde het riviertje Bordeaux tussen haar tieten.

    En toen zwierden de keukendeuren open en dicht, en kwamen de patrijzen eraan, terwijl chef-kok Rudy de ober even in de gaten hield door een patrijspoortje.

    ‘Amber … potverdorie toch … ‘ mompelde Cyriel, terwijl hij vanuit zijn ooghoeken de collateral damage in het restaurant probeerde op te nemen. Dat viel tegen: zowat iedereen zat ze aan te gapen. Gelukkig kwamen de gebraden vogels eraan. De ober negeerde het slagveldje volkomen en lichtte vrolijk de stolpen van boven de borden.
    ‘Alstublieft, mevrouw, meneer. Smakelijk.’
    ‘Hm.’
    ‘Dank u.’
    Gedempt gepraat nam weer een aanvang, maar het was duidelijk dat het her en der nog over de overval met rode wijn ging.

    ‘Wat bezielt je toch … ‘
    ‘Besef je eigenlijk wat je gezegd hebt?’
    Cyriel Deforche van ClothPlus verfrommelde zijn met wijn doordrenkt soepservet tot een bloederig propje.
    ‘’t Was maar om te lachen, Amber.’
    ‘’t Was inderdaad maar om te lachen, Cyriel, om zuur en groen te lachen. Zie ze nu loeren allemaal. Bah, ik heb helemaal geen trek meer.’
    ‘Ze kijken, Amber … ‘
    ‘Pff … ClothPlus is toch niet beursgenoteerd hé. Dàt ze kijken …’
    ‘Maar zie mij hier nu zitten!’
    ‘Jaja … de bevlekte ontvangenis hé. Eigen schuld, dikke bult.’
    ‘Kon je je dan niet beheersen? We zijn hier wel in de PAPILLO hé.’
    ‘Beheersen?! Bij zo’n godgeklaagde opmerking? Dat kon ik niet over mij laten gaan hé! Het is niet omdat … ’
    ‘Was dat nu zo erg, Amber?’
    ‘Stop maar dat ge-Amber; je wint er niets mee.’
    ‘Eet je niet?’
    ‘Nee.’
    Amber bleef met starre laserblik de patrijs op het bord van haar werkgever doorboren. En de oneindige Vlaamse regen biggelde in naarstige straaltjes van de ramen van restaurant PAPILLO.

    Meneer Cyriel haalde zijn schouders op. Hij knoopte zijn vest dicht om de ergste wijnvlekken aan het zicht te onttrekken en greep naar zijn bestek.
    ‘Ga je je zelfs niet excuseren?’
    ‘Hé?’
    Mes en vork stokten in hun beweging; ze wezen falanxmatig schuin omhoog in de richting van het kreng dat nu nog een verontschuldiging eiste ook.
    ‘Maar wat zeg je nu toch?!’
    Amber bleef gevaarlijk roerloos; alleen haar ogen vernauwden zich even tot spleetjes. Cyriel D. keek even naar het lege wijnglas en het volle glas water voor haar. Er was nog niemand opgedaagd om haar wijnglas bij te vullen. Zijn eigen wijnglas was halfvol en aan zijn glas water had hij nog niet genipt.
    ‘God-verrr-domme,‘ deed hij dan langzaam, hij nam er zijn tijd voor, de r rollend als een ingehouden brul, de tanden op elkaar geklemd, het kwam als een braakbal uit de diepten van zijn buik, hij leek het kapot te kauwen en in haar gezicht uit te spuwen. Vlak daarna zetten zijn mes en vork zich in beweging, in de richting die hij daarnet al verbouwereerd had uitgestippeld.

    Niet de dode patrijs, maar de beide wangen van directiesecretaresse Amber waren de vleselijke porties waarin meneer Cyriel met onbedwingbare woede zijn mes en vork plofte. Hij schrok van zijn onbesuisde daad, sprong op, maar Amber was met een gruwelijke gil nog vlugger opgeveerd. In haar rechterwang stak een vork, in haar linker een mes.

    Andermaal kleurde een en ander rood.

    Verbijsterd keek iedereen toe hoe Amber met een robotachtige tolbeweging op de grond kukelde. Kreten van afgrijzen weerklonken alom. Toen kwam Meredith toegesneld, gevolgd door Rudy en Tore. Ze ging schrijlings op Ambers buik zitten, spreidde haar armen, zette er dan haar knieën op en trok vervolgens met één snelle beweging het bestek uit de beide kanten van het hoofd van het slachtoffer.

    Ondertussen had ook een dappere gastronoom zich op meneer Cyriel gegooid. Ze lagen nu naast elkaar op de grond, terwijl de man Cyriels armen achter diens rug in bedwang hield.

    Met bloedende konen werd het bestekslachtoffer door Meredith naar de keuken afgevoerd. Dat was niet naar de zin van enkele gasten, die verontwaardigd hun borden van zich afschoven en aanstalten maakten om de PAPILLO te verlaten. Uit die keuken viel immers niks goeds meer te verwachten.

    Meneer Cyriel werd nu door de koks rechtop gezeuld en ook gevankelijk weggeleid.

    Toen braken de stemmen los in het restaurant.

    ‘Die menseneter …! Heb je dat gezien? Die verdient de doodstraf.’
    ‘Zij is wel begonnen hé!’
    ‘Ja, maar moet ze daarom als een steak behandeld worden?’
    ‘Die zal heel lang niet gekust kunnen worden.’
    ‘Wat gaan ze er nu mee doen?’

    Toen kwam plotseling meneer Cyriel weer tevoorschijn. Stilte alom.
    ‘Er is … er is toevallig geen dokter in de zaal hier?’
    Enkelen schudden van nee. Cyriel Deforche verdween weer.

    ‘En de politie? Moet de politie hier niet zijn?’
    ‘Of de 100. Moeten wij de 100 niet bellen?’
    'Misschien wel best ... '

    Toen verscheen wrevelagente Meredith.
    ‘Storm in een glas water, nou: wijn,’ zei ze tegen iedereen in het algemeen. ‘Een eh … een woordenwisseling. De dokter is gebeld. Geniet u rustig verder, dames en heren. Met excuses vanwege chef-kok Rudy en het personeel. Het zal niet meer gebeu … ‘

    In de keuken weerklonk een ijselijke gil.

    De inderhaast gealarmeerde bevoegde diensten konden alleen nog maar de gastronomische dood van dessertkok Tore constateren. Chef-kok Rudy had diens hoofd secondelang in een van de grote borrelende sissende frituurmanden ondergedompeld. Regen biggelde tappelings van de keukenramen, waarachter zich een weergaloos panorama ontvouwde.


    08-11-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Winnetou

    WINNETOU

    Winnetou Degrande was noodgedwongen een navelstaarder. Hij zat al jaren in een rolstoel en keek dus nillens willens recht in de buiken en navels van de ‘lopers’, zoals hij de tweebenigen noemde. Vaak zeilden de blikken van die lopers zelf over hem heen. Dat hield twee mogelijkheden in.

    1. Hij had net zo goed iets doods onder hun voeten kunnen zijn.

    2. Ze probeerden luchtig om te gaan met zijn beperking en vooral niet naar zijn wielen te kijken die zijn lamme benen vervingen.

    Om hem van een dezer mogelijkheden te vergewissen, diende Winnetou Degrande zelf beaat zijn hoofd te heffen en hen ogenschijnlijk onderdanig aan te kijken, als een hondje dat een koekje is beloofd als het eens gaat opzitten.

    Aan de beperking van Winnetou was een ongelofelijk verhaal verbonden, niet zozeer omwille van het verhaal dan wel omwille van zijn naam. Zijn naam was er namelijk eerder dan zijn lot. Een pijl had Winnetou’s onderste ledematen definitief verlamd. Dat gebeurde toen hij elf jaar was. Elf jaar lang heette hij al Winnetou, Degrande. Nou, zo’n jongen met zo’n naam kon het in de jeugdjaren toch niet aan pijl-en-boog ontbreken?

    De daders die hem zijn naam hadden berokkend (de vrouwelijke en de mannelijke verwekker, een Karl-Mayfan) kochten hem voor zijn tiende verjaardag een set van boog-en-pijlen waarop een klant- en kindvriendelijk embleem prijkte. Winnetou en zijn maten werden bedreven in de speelgoedversie van de schutterssport. Zo bedreven dat ze meer wensten. Dus begonnen ze ‘echte’ pijlen te snijden en te kerven in het gemeentepark. Zo’n echte pijl trof de inmiddels elfjarige Winnetou Degrande vol in de rug. Na vele hopeloze maanden in ziekenhuizen kreeg Winnetou dan maar wielen voorgeschreven. Van dan af leidde hij een zittend bestaan.

    Op twintigjarige leeftijd werd hij dartskampioen op de Paralympics in Seoel. Hij mocht bij de koning op de koffie. Omdat precisie zijn vak leek te zijn, werd hij ook gevraagd voor het nationale rolstoelbasketbalteam. Dat hield hij even in beraad. Hij hield niet van opspattend zweet en lijfgeuren in volle actie.

    Winnetou Degrande had een grondige hekel aan het etaleren van tatoeages. Niet aan tatoeages op zich. Hoewel. Sommige waren best wel te pruimen als een soort van (hoeveelste inmiddels? tiende?) kunst. Maar het ongevraagde showen van persoonlijke iconen op de huid van vooral armen, benen, ruggen en borsten vond hij een inbreuk op de intimiteit zijn. Als je je op pakweg twintig centimeter van zo’n blote heldhaftige bovenarm of beschilderde kuit bevond, was het net alsof je verplicht werd deel te nemen aan een intimiteit die je zelf helemaal niet wenste. Zo’n tatoeage hoestte je recht in je gezicht toe. Om nog maar te zwijgen over de kijkvervuiling in de meeste gevallen: onbeduidende, niet ter zake doende Japanse kronkels, afzichtelijke draken, belachelijk gevederde indianenkoppen en in het ergste geval de vrouwennamen en de doorpijlde harten.

    Dat en het gedwongen navelstaren waren Winnetou doornen in het oog. Hij kreeg er een combinatie van voorgeschoteld op een dartstoernooi in Bournemouth: laaghangende bierbuiken en bovenarmse tatoeages.
    ‘Hoe komen die linksrijdende eilandbewoners toch aan die gigantische bovenarmen?’ vroeg hij zich herhaalde malen hardop af. ‘Vanwaar die grote vleesoppervlakken, waarop ze hun wansmakelijke gedrochten laten schilderen?’
    ‘Beer and biology hé,’ grinnikte Freek, een teamgenoot.
    ‘En jij bent ook niet van de smalste, na al die jaren karren,’ merkte Jill op, terwijl ze een gespierd gebaar maakte. Zij was de lopende mascotte van dartsvereniging Pickery Club, in de volksmond: de pik erin. De eigenaar van hun stamcafé heette namelijk Ivan Pickery. Hij had het af en toe met recht en reden over ‘mijn PC’, die hij sponsorde middels een tweedehands busje om gooitoernooien mee af te dweilen. Zowel zijn café als het busje waren voorzien op lopers en tweewieligen ofte navelstaarders. Van deze laatste categorie telde de Pickery Club er vier; een mooi staaltje voorwaar van diversiteit en flexibiliteit, de intellectuele modewoorden van de laatste jaren.

    Bournemouth beloofde een mooi driedaags uitje te worden. Door veel spaghetti te eten, was ook de kas van de PC gespijsd. Jill had daarbovenop nog asjeblief 300 € gewonnen met een openbare partij strippoker, voor het goede doel. Er kwam zelfs wat subsidiegeld van overheidswege – a posteriori natuurlijk, na het indienen van een dossiertje – omdat het een schoolvoorbeeld betrof van gemixte sportbeoefening en internationalisering. De PC had daar door het vallen en opstaan van alsmaar oude en weer verse regeringen en excellenties handig gebruik van weten te maken.

    Mastodonten van mannen en gevaartes van vrouwen namen aan het gooitoernooi deel. Alleen de Bulls uit Exeter telden ook een rolstoelgebruiker in hun rangen, een eenarmige dan nog wel. Zelfs zittend leek hij nog de afmetingen van een reus te hebben.
    ‘Dat is alvast één getatoeëerde arm minder,’ grinnikte Winnetou tegen Ivan.
    ‘Ja, maar wij bleekscheten vallen hier wel op door ons blanco velletje hé.’
    ‘Die Engelsen dragen permanent de oorlogskleuren.’
    Winnetou keek strijdlustig om zich heen. In de Pickery Club werd hard op hem gerekend. Hij was immers sedert de Paralympics in Seoel hun kampioen. Na urenlang getok van de pijltjes op de dartborden prijkte PC op de vijfde plaats. Niet mis voor een ploegje van het vasteland, maar het kon beter. Jill wreef Winnetou’s rechterarm en die van de anderen in met een geheime mengeling waarvan ze alleen de ingrediënten ossengal en brollèrt (een Hongaars plantenextract) prijsgaf.

    Winnetou kreeg het echter stilaan op de heupen in dit bos van tatoeages op blote basten. Bijna iedereen op dit eiland leek geprikt of geperforeerd. Zowel vrouwen als mannen sjokten met heelder fresco’s op hun vel rond.

    Op de derde en laatste dag struikelde zo’n vleselijk gevaarte bij het achteruitstappen over Winnetou en zijn tweewielige vehikel: een kolos met zo’n potsierlijke indiaan in zijn bovenarm gekerfd.
    ‘Bloody … !!’
    ‘Godverdomme … schildersezel!’ riep Winnetou kwaad. Het was even zoeken naar de juiste bewoordingen. De Nederlandstalige omstanders barstten in lachen uit.
    Schildersezel!?
    Maar het Engelstalige gevaarte – dat langzaam uit zijn bedenkelijke positie weer oprees; hij had even beduusd als een reuzenbaby op Winnetou’s schoot gezeten – gaf geen blijken van goodwill. Hij vatte de schaterbui kennelijk als een belediging op.
    ‘What did you say, wheelman?’
    ‘ … ‘
    ‘Eh?’
    Er viel een geladen stilte. De oeros stond nu op drie meter afstand van Winnetou.
    ‘Come on, man … ‘ probeerde Freek in zijn beste Engels te sussen.
    ‘You watch your steps, sir,’ voegde Jill hem toe.
    ‘Fuckin’ wheels … Do we shoot sitting ducks here or what?’

    Winnetou’s ogen veranderden in gevaarlijke spleetjes, zoals ze er de fractie voor elke worp uitzagen. Hij kneep hard in zijn bundeltje pijltjes. Ze gloeiden in zijn hand.
    ‘Bull’s eye!’ riep hij plotseling. Zijn hand rees en hij mikte met volle kracht zijn drie pijltjes tegelijk in de bovenarm van de kerel.
    ‘Roos!’
    De pijltjes boorden zich gezamenlijk in het ene oog op het zijprofiel van de foeilelijke indiaan.
    ‘Ten points for Belgium!’
    Verbouwereerd keek het slachtoffer naar de pijltjes in zijn bovenarm; aanvankelijk vergat hij het uit te schreeuwen.
    ‘Bastard! Stupid Belgian bastard!!’


    Toen waren alle rapen gaar.
    De eindfase van het dartstoernooi in Bournemouth ontaardde in wat men iets later in de Engelse kranten de DARTS CLASH is gaan noemen. Eén Vlaamse krant bracht het bericht op bladzijde twee, getiteld OP JE VOGELPIK GETRAPT. De volgende dag namen alle andere kranten het bericht over. Er werd duchtig met het woord ‘pik’ gejongleerd. Winnetou Degrande prijkte plotseling op enkele voorpagina’s.

    De minister trok prompt de beloofde subsidie in. De Pickery Club was geen voorbeeldig ambassadeur in het buitenland geweest, vond zij.
    Gevraagd naar een reactie hierop, antwoordde Winnetou:
    ‘Van een pijlsnelle reflex gesproken.’
    Hiermee (en met de hele zaak) scoorde hij bij de bevolking, die hem vijf dagen lang als een Bekende Vlaming beschouwde.


    23-10-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Kid Katanga

    KID KATANGA

    De moord op thrillerauteur Rick Syracuse was natuurlijk gloeiend heet nieuws. De man had immers zelf een aantal papieren moorden op zijn geweten. Zijn kerfstok was zijn schrijfstok. Het was bekend dat Rick Syracuse zijn moordverhalen in ouderwetse inkt drenkte en koppig weigerde zijn manuscripten digitaal of zelfs maar getypt bij zijn uitgeverij in te leveren. Men leerde ermee leven bij uitgeverij PlotPlus, want de moorden van Syracuse betekenden kassa.

    Nou, in levenden lijve was hij nu dus zelf vermoord.
    De eeuwenoude vragen luidden: wie, hoe, waarom?

    Rick Syracuse had 49 jaren, 6 misdaadromans, 2 huwelijken en 3 zonen op zijn naam staan. Zijn schaapjes waren op het droge en zijn huis bevond zich op de buiten. In zijn laatste boek liet hij een bokser om allerlei extrasportieve redenen naar de andere wereld helpen.

    Boksbeugel noch kogel hadden de auteur het tijdelijke met het eeuwige doen wisselen. Nee: hij was ten huize van zichzelf met een ingenieus lussensysteem van sporttape (merk Artihand) blijkbaar eerst overrompeld, daarna ingetapet en vervolgens gewurgd. Zijn Cross-vulpen stak tussen zijn dodelijke halsband en had als wurgdommekracht gefungeerd. Donkerblauwe inkt kleurde de achterkant van de halsband. Het was net alsof een spin haar slachtoffer had ingewikkeld en daarna geïnjecteerd met verlammend gif. Het leek ook een beetje op een boek met een wikkel rond …

    Sid Maranga: ik hoorde minstens twee van zijn ribben kraken toen mijn rechter vol op zijn karkas inbeukte. In mijn gedachten schoot mijn vuist zo door zijn vlees heen, een zwart gat met rode sliertwanden veroorzakend. Beeldde ik het me in of wolkte er stof uit zijn vege lijf? Of was het een zwerm van zweetdruppels, zoals je wel eens vertraagd in een boksfilm ziet? Zijn ene nog niet dichtgetimmerde oog lichtte verbaasd even op. Ik voelde de weerslag van mijn aanval tot in mijn schouder en nek. Elke uithaal sloopte ook mijn lichaam. Verbazing werd razernij bij mijn tegenstander, maar vooraleer Sid Maranga daar gebruik van kon maken om me op zijn beurt een pandoering te geven, vertrok zijn gezicht zich in een pijngrimas. Hij reikte met zijn beide boksstompen tegelijk naar zijn kaduke ribbenkast en zakte vervolgens onder luid gejoel door de knieën.
    Even later pakte de scheidsrechter mijn rechterarm en stak die omhoog: ik had mijn vijfde kamp gewonnen, op punten. Sid Maranga zat me in zijn hoek met zijn ene oog te vermorzelen. Het zag geel van haat en nijd. Ik grijnsde naar hem en stapte dan malende met mijn armen de ring rond. De ebony-ivory-trofee in de middengewichtklasse was dit jaar voor mij, Moe d’Arta.

    ‘Proficiat, meneer Moe d’Arta. Excuus dat ik zo kort na de kamp binnen kom vallen.’
    ‘Geen probleem,’ glimlachte ik. ‘We hadden afgesproken hé. De pers is al weer weg en het feest begint pas over anderhalf uur. Mijn manager, Marcus, bracht me op de hoogte. Dit hier is Marcus Camberledge.’
    Auteur Rick Syracuse drukte ons de hand. Ik merkte dat de toppen van zijn rechterduim en –wijsvinger donkerblauw waren.
    ‘Mooie kamp,’ zei hij. ‘Echt van genoten.’
    ‘Ja hé? Champagne?’ zei Marcus.
    ‘Graag.’
    ‘Gaat u zitten, meneer Syracuse.’
    ‘Zeg maar Rick.’
    Terwijl ik de laatste hand aan mijn toilet legde, en Marcus een fles ontkurkte, bekeek ik de misdaadschrijver in de spiegel. Waarom kwam deze grijze midlifer naar ons toe? Situeerde hij ons, boksmensen, misschien per definitie in de wereld van de misdaad?
    Ik glimlachte even toen zijn spiegelbeeld me betrapte.
    ‘Vlug opgeknapt, meneer d’Arta!’
    ‘Zeg maar Moe.’
    ‘Moe.’
    ‘Ja, ik recupereer vlug.’
    ‘Is Sid Maranga nog in de omgeving?’ informeerde Rick Syracuse.
    ‘Nee, die is onmiddellijk na de kamp naar St.-Aloysius gebracht, voor een check-up,’ antwoordde Marcus met enig leedvermaak.
    ‘Ach zo.’


    ‘Oké, nu, ter zake: wat schuift dat, meneer Syracuse?’
    Mijn manager wond er nooit doekjes om.
    ‘U valt wel met de deur in huis, meneer Camberledge.’
    ‘Dit is de wereld van het boksen hé. We bevinden ons in de ring. Hebben we het over vier of over vijf nullen? Hoeveel rondes?’
    ‘Aha.’ Rich Syracuse wreef zijn donkerblauwe duim- en vingertop over elkaar: het strijkorkestje van de kassa. ‘Mijn uitgever voorziet 3 000 euro als aanbetaling voor drie sessies van ongeveer een uur. Ik mag alles tapen en gebruiken. Ik neem ook notities met mijn beste vriend hier … mijn peperdure Cross-vulpen … (Syracuse toonde hen even het kleinood waaruit al vijf boeken waren gevloeid) … en wanneer het boek verschijnt, volgt nog eens 4 000 euro. Dat is, al zeg ik het zelf, goed betaald.’
    ‘Hm.’
    Marcus Camberledge verkende even vluchtig mijn gezicht, terwijl hij de flûtes vulde. Ik was per slot van rekening de echte kostwinner, en dat besefte hij goed.
    ‘Prosit!’
    ‘Op de overwinning. Gezondheid.’
    ’7 000 dus hé? Eh … in een witte enveloppe telkens?’
    ‘Dat kan ik maken.’
    ‘Moe?’
    ‘Akkoord,’ deed ik, mijn glas in hun richting heffend. ‘Als niemand maar te weten komt wie … en hoe en zo … enfin … je weet wel … Het is geen biografie hé. Ik wil niet in een boekje terechtkomen. En zeker al niet in een misdaadboekje. Mijn leven is … Ik geef alleen info.‘
    ‘Nee nee: puur fictie,’ haastte Rick zich te zeggen. ‘Ik gebruik alleen de informatie uit het wereldje om alles echt en aanvaardbaar te maken. Research, hé. Kwestie van geloofwaardigheid.’
    ‘Frictie?’ echode Marcus verkeerdelijk.
    ‘Nee: fictie. Fantasie. Een onbestaande wereld.’
    Ik ontdekte een zweem van minachting en spot om de lippen van Syracuse.
    ‘Ah ja … papier hé.’
    ‘Precies. Papier is gewillig. Ik schep een onbestaande, maar geloofwaardige wereld. Ik documenteer me daartoe ter plekke. De beste schrijvers doen het zo. Professioneel. En dat mag wat kosten.’
    ‘Hm. We hebben een deal, nietwaar Moe?’
    ‘Ja,’ knikte ik. ‘7 000.’

    Auteur Rick Syracuse had vervolgens, gespreid over twee weken, drie gesprekken met mij. Over ‘het wereldje’. Ik was immers Moe d’Arta, de jonge beloftevolle blanke bokser die nu eens niks te maken had met achterbuurten, gevangenissen of schemerzones. Ik was de zoon van een jeugdboekenillustratrice en een tandarts. In en buiten de ring noemde men mij daarom Best Bite, wat de vrouwen natuurlijk vertaalden als Lekkere Brok. De pers nam dat graag over; het scheelde weer twee woorden in hun kolommen: Moe ‘Best Bite’ d’Arta. Het klonk wel aardig, zelfs met een mondstuk in.

    In de interviews met Rick Syracuse vertelde ik honderduit. Eén van de hamkwesties was natuurlijk ook: waarom kiest iemand voor de bokssport? Een blanke buitenwijker dan nog wel? Zoals wel vaker in dergelijke gevallen – ik ben een doodgewone jongen – kwam ik bij een van mijn oude scholen terecht. De twee jaren terreur van Bully hadden bij mezelf en mijn afstuderende klasgenoten sporen nagelaten. Bully: een combinatie van (in deze milde volgorde) studieopzichter, leraar rooms-katholieke godsdienst, priester, passief sportfanaat (‘een gezonde geest …’ etc.), vopo, kapo, gestapo en volgens hardnekkige geruchten ooit legionair bij het vreemdelingenlegioen. Bully’s mond spuwde grote gevaarlijke woorden: discipline, orde, tucht, opvoeding, geloof, gezin. Zijn r’en rolden daarenboven gebrekkig en veroorzaakten waaiers van speeksel. Zijn handen en sleutelbossen zwierden los in het rond; hij had het vaak op de oren van de scholieren gemunt.
    Twee jaar lang was hij onze tiran. Twee jaar lang teisterde hij onze afstudeergeneratie. Tijdens het allerlaatste trimester spookten we dan toch van alles uit: we reden met moto’s in het trappenhuis van de school rond, we vermaalden ijs in de rekenmachine van de schoolbar, we gooiden lampen en ramen aan diggelen, we spoelden Bully’s regenjas door het toilet, we trokken zijn dwaze posters van de studiezaalmuren en verscheurden die of we gingen in grote groepen in zitstaking tijdens de verplichte studie-uren, onder het kwelen of fluiten van protestsongs.

    Zou hij mijn keuze in de hand hebben gewerkt? Ik incasseerde meerdere keren een loeiharde draai om mijn oren van hem. Hij was ook een niet-pratikerend sportfanaat. Het deed de ronde dat hij stiekem trainde, in zijn rooms-katholieke ondergoed. Waarschijnlijk belette (verbood?) zijn officiële priesterplunje hem aan openbare blote sporten deel te nemen. In mijn toenmalige gedachten zag ik hem altijd als een worstelaar, judoka of … bokser. Die vlezige nek … Die worstenvingers … Van gevechtssporten had hij echter (alweer omwille van dat geloof?) geen hoge pet op.

    Toch kregen we toen af en toe boksles. Dat gebeurde door Piet Miel, een piepjonge gymleraar van amper anderhalve meter. Die voelde zich opperbest in de vierkante ring. Piet Miel was in die jaren ook nationaal kampioen aan de turnringen, wat hem bij ons de bijnaam Lord of the Rings opleverde. Die Piet zat zelf ook onder de knoet van Bully, zoals de meeste jongere leraren toen. Tijdens een van die bokslessen liep ik een bloedstorting in mijn voet op. Te enthousiast ‘gedanst’, weet je wel, à la Cassius Clay. Misschien dat daar ook …
    ‘Kan ik dat gegeven gebruiken in mijn boek?’ onderbrak Rick me.
    ‘Eh … ja. Die Bully moet het maar weten.’
    ‘Dat is ook al een tijdje geleden hé. En er passeerden zoveel leerlingen door eh … door zijn handen.’
    ‘Ja,’ beaamde ik, ondertussen proberend met het huidige gezicht van Bully voor te stellen, een decennium later. Dat lukte niet; ik kwam telkens op een dodenmasker uit. Wellicht een wensdroom.
    ‘Zolang als je mij dus maar buiten schot laat.’
    ‘Je hoeft je geen zorgen te maken, Moe. Je zult onherkenbaar zijn, als ik je al nodig zou hebben.’
    ‘Misschien is Bully al dood, wie weet.’
    ‘Misschien. Hoe dan ook: hij krijgt een andere naam in mijn verhaal, mocht hij al opduiken natuurlijk.’
    ‘Natuurlijk.’
    En daarmee was het lot van Bully bezegeld. Bully, van wie ik me niet eens meer de echte naam herinnerde.
    ‘Dat je vader tandarts is … ‘
    ‘Ja … Vreemd hé?’
    ‘Stond … Staat hij achter je keuze?’
    ‘Ik ben eerst diëtist geworden. Om hem gerust te stellen. ‘Iets achter de hand’, ken je wel. Daarna ben ik mijn gang gegaan. Mama vormde geen partij; die zat en zit met haar neus in de prentenboeken.’
    ‘Zit het misschien al van vroeger in de familie?’
    ‘Mijn voorvaderen waren voermannen en landbouwers. Een betovergrootmoeder vermoordde haar eerste man, Bernard. Dat was in Amerika. Het is nooit bewezen en ze werd nooit veroordeeld, maar het is wel een publiek geheim.’
    ‘Aha, dus toch … ‘
    ‘Haha.’
    ‘Je ziet, Moe: het werkelijke leven is soms eh … intenser dan het in de boekjes wordt beschreven hé.’
    ‘Frictie,’ zei ik, met een gemene grijns naar Marcus kijkend, die tijdens de sessies met de misdaadauteur geen seconde van mijn zijde week.
    ‘Ik heb ooit een echte priester-bokser gekend,’ vertelde Marcus, mijn opmerking negerend. ‘Hij reed ook op de moto. Kwam ’s zondags pardoes zo zijn kerk binnengetuft. Organiseerde bokstrainingen voor probleemjongeren. Hij is al dood.’
    Dat laatste zinnetje kwam er zeer vreemd uit, haaks op de vorige mededelingen.
    ‘Priesters zouden prima sporters zijn,’ zei Rick.
    ‘Ja? Waarom?’
    ‘Geen vrouwen omtrent.’
    ‘Meestal toch hé.’
    ‘En kinderen dan, godverdomme,’ mompelde Marcus, maar daar luidde de bel al. Deze ronde was afgelopen. Einde interview II. Nog één te gaan, overmorgen.

    Na het derde gesprek, dat absoluut geen diepte-interview meer was, of een hengelen naar informatie en verhalen, maar meer een gezellig onderonsje met alweer champagne, namen we voorgoed afscheid van Rick Syracuse. We waren het erover eens dat verder contact overbodig was: in het belang van de boeken, in het belang van het boksen. Per slot van rekening had Rick niet de bedoeling een boek over de bokswereld te publiceren. En wij waren tevreden met de centen en de rust. Hij beloofde dat hij ons het boek zou laten zenden. Een titel wou hij liever nog niet kwijt, maar volgens Marcus had hij nog helemaal geen titel.

    Misdaadroman nr. 6 van Rick Syracuse was een uppercut vanjewelste … die vol uiteenspatte in mijn gezicht en in dat van mijn manager Marcus Camberledge.
    Het leek erop alsof de schrijver letterlijk uit de biecht en uit de school klapte, waarbij hij inderdaad – zoals hij gestipuleerd had – fictie gebruikte. Die namen alleen al, godverongelukt!

    Zo werd er ene Giel Mylle ten tonele gevoerd, een pedofiele gymleraar die ene Lou Harpa tijdens diens scholierenjaren zonder succes benaderd zou hebben, waarna hij hem uit wraak enkele rake klappen tijdens het jiujitsu verkocht zou hebben, met o.a. een blauw oog als gevolg.
    Ene Sully, priester-studieopzichter in dezelfde school, bleek Lou Harpa ook al gemolesteerd te hebben, nadat hij een soort biecht van hem had afgenomen over de praktijken van Giel Mylle.
    Het hield niet op. De grootvader van Lou zou in de cel zitten wegens doodslag op een boekhouder. Klap op de vuurpijl: de manager van de beloftevolle blanke middengewichtbokser Lou Harpa zou tegenstander Kid Katanga hebben omgekocht om in de vijfde ronde van de nationale titelstrijd neer te gaan. Uiteindelijk zou deze Kid Katanga nog omgebracht worden.

    Ik las KID KATANGA, misdaadroman nr. 6 van Rick Syracuse met kolkend bloed. Nog nooit had ik zo vlug een boek uitgelezen. Diezelfde avond belde ik Marcus op.
    ‘Alles opzij en eraan beginnen!’ gebood ik hem.
    Rond middernacht belde hij me op.
    ‘Vreselijk … ‘ zei hij. Hij klonk gevaarlijk kalm. ‘Dat kan niet door de beugel.’
    ‘Maar wat doen we eraan?’
    ‘Nachtje over slapen?’
    ‘Dat wordt dan een onrustig nachtje. Verdomme: heb je dat nu nog meegemaakt? Die … die hypocriete pennenlikker!’

    Anderhalve maand later werd Rick Syracuse dus ten huize van zichzelf netjes ingetapet en weggewurgd uit dit leven op aarde, deze misdadige planeet, onder andere met behulp van zijn dure vulpen, die hem uiteindelijk van alle zin voor realiteit afsnoerde.

    De misdaadauteur werd door een van zijn eigen lezers vermoord. Aanvankelijk had men dat personage over het hoofd gezien. Een lichtgewicht, zogezegd. Maar eigenlijk was de ring de schrijver fataal geworden.


    04-10-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.He-Man, Robocop, Skeletor

    HE-MAN, ROBOCOP & SKELETOR

    Het druivenpitje bleef even aarzelend zweven aan het wateroppervlak vooraleer het pijlsnel zonk. Het was daarnet met kracht uit de mond van JF gemikt, eigenaar van een niervormig vijvertje en een druivelaar. Medio september waren de druiven goed en zoet. Merels hadden er zich vrijwel de hele mooie zomer te goed aan gedaan. Zuur, zoet, klein, groot, groen of blauw: ze smikkelden het zonder onderscheid naar binnen. Witte vlekken op de bladeren signaleerden hun aanwezigheid. Er schoten gelukkig nog genoeg trossen over voor de mens, genaamd JF, eigenaar van dit stadstuintje.

    Het druivenpitje zonk neer naast een robotje dat meer dan twintig jaar geleden ook al in de diepte was beland: Robocop. Even verderop op de bodem bevonden zich nog lijken: die van He-Man en Skeletor. Relicten uit heldhaftige dagen, toen de druivelaar nog bescheiden reikwijdte en draagkracht had: in de dagen van olim, toen JF junior nog de tuin onveilig maakte.

    JF dronk Beyerskloof, een Suid-Afrikaanse rode wijn, toen het gebeurde.

    De spreeuwen vielen in een grote zwerm aan. Als één grote kogel bestaande uit 101 vogels vuurden ze zichzelf op de druivelaar van JF af. Enkelen misten hun doel en schoten als een kamikaze pijlsnel het vijvertje in. Ze troffen He-Man, Robocop en Skeletor midscheeps. José Feliciano zelf werd driemaal getroffen. In elk oog en in zijn hart boorde zich een spreeuw met pijlsnelheid. Zijn wijn walste wild uit het glas en belandde in het water en op de druivelaar. Het glas splinterde uiteen op de stenen rand van het vijvertje. Dit vogelperspectief betekende onmiddellijk de dood van José Feliciano.

    De drie verdwaalde vogels in het water hadden echter He-Man, Robocop en Skeletor weer tot actie gewekt. Met krachtige slagjes zwom het drietal naar de oppervlakte, hapte voor de allereerste keer naar eenentwintigste-eeuwse lucht en knikte even in verstandhouding naar elkaar. Toen hupten ze fluks de druivelaar in en beten een na een de nietsvermoedende gulzige vogels de kop af. Het donkerblauwe en paarse sap van de druiven vermengde zich met het bloed van de vogels en biggelde tappelings uit de struik op de grond en op de aflijvige JF, waar het de mooiste doodskleuren veroorzaakte.


    19-09-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Sluis!

    SLUIS!

    ‘Verzaken aan je plicht kan een held van je maken. We zeggen en schrijven 1606, tijdens de kermisdagen in Sluis. Jantje van Sluis, de klokkenluider, was dronken geweest. Hij versliep zich die volgende ochtend. Zo vergat hij de klokken te luiden. Bij dat eerste klokgelui wilden de Spanjaarden ten aanval trekken. (Sluis was hun voorheen weer ontfutseld door de Hollanders. Ze wilden het terug). Dat bleef dus maar uit. Zo redde Jantje Sluis. Als dank mocht hij voor altijd de klokken in het Belfort van Sluis bespelen.’

    Ik hield van water en wind. Daarom zocht ik vaak plaatsen op waar deze combinatie zich voordeed. Toen ik ontdekte dat er in deze woestenij ook aardige mensen woonden, frequenteerde ik meer en meer Nederland. Dit geschiedde bijvoorbeeld in Alkmaar, Amsterdam, Utrecht, Volendam, Leiden, Rotterdam, Dordrecht, Zwolle, Vlissingen en het vaakst Sluis: we woonden immers een tijdlang in het nabije Brugse Vrije.

    Andermaal was ik in Sluis, het immer drukbeklante voorportaaltje tot Zeeuwse landschappen. Ik zat vanuit drankhuis Jopie naar het stadswater van Sluis te staren. Een man in oranje werkplunje dompelde middels een touw twee emmers in dat water, haalde die op en verdween ermee in een straatje waar vroeger sex-shops waren. Werkte zijn voorbeeld aanstekelijk? Ik vroeg onmiddellijk hierna mijn derde whisky. Omdat ik gedachteloos wenste te blijven, stelde ik me ook geen vragen over de zin van zijn bezigheden. Misschien waren zijn hersenen zo groot als die van een kip, en kaderde hij in een sociaal rampenplan van het stadje Sluis. Misschien had ik een visioen dat zich medio jaren zestig in de vorige eeuw afspeelde, toen mijn ouders nog maandelijks naar Albert Heijn in Sluis trokken om proviand in te slaan. Misschien betrof het een spookbeeld van een Spaanse krijgsgevangene, die ooit mee het kanaal had moeten graven.

    Er passeerden twee vreselijk mooie schoolmeisjes. Het was bladervakantie. Ik duwde mijn gedachteloosheid weg en bestudeerde de deernen tot ze uit mijn zicht verdwenen waren. Een appeltjes- en een peertjesfiguur. Dat had ik onthouden uit een modegrillig programma op de zender Vitaya. Die sjablonen waren best bruikbaar. Trek je van kleren maar niks aan, schat.

    Dode bladeren waaiden over de straat weg en mijn gedachten sloegen evenzeer een hoekje om. Het stadswater rimpelde; mijn verse whisky knisperde. Op een flink boogschot van hier stond het gedenkbeeld van de ‘Dikke van Dale’, in levenden lijve een ziekelijke, schriele man (Johan Hendrik) die in oude tijden elke ochtend veel te vroeg opstond en ondanks diverse aanbiedingen zijn Sluis niet wou verlaten. Ik zou om hem te eren gaan tafelen in viersterrenrestaurant De Dikke Van Dale, net buiten het centrum gelegen. Maar gezeten in het alleraardigst drankhuis Jopie kreeg ik veel meer zin om onder te duiken in een van de vele kleinere mosselrestaurantjes. In Sluis woekerden ze met ruimte. Er kon er nog altijd wel eentje bij, ongeacht de reservaties.

    Aldus geschiedde. Ik veroverde een plaats aan het venster in A tot Z , waarbij ik enkele ouden van dagen te vlug de pas af was. Mijn vergelijkende studie van de vigerende mosselprijzen in de Sluisse horeca (de wet toepassend die oppervlakte per klant, aantal klanten, gezelligheid, kwaliteit en prijs combineerde, kwaliteit (Jumbo?) echter vooralsnog onbekend) deed me kiezen voor de 15,50 € per 1 ½ kilogram Zeeuws ziltig schelplekkers in A tot Z. Ik had her en der goedkopere mogelijkheden gezien, en ooit had ik hier in Zeeland ook nog 22€ per kilogram neergeteld. Alles was mogelijk. Heden echter verkoos ik rust en ruimte om de gegeerde zeevruchten naar binnen te werken. A tot Z leek me die te bieden, ten belope van 15,50 € voor het vaste voedsel. Mijn bereidheid strekte tot 20 € per kilogram, maar dit jaar konden de mosselboeren de prijzen blijkbaar binnen de perken houden. Misschien had het spookbeeld van Belgische mosselen hier een hand in. Of het succes van de kleine Franse mosselen (bouchots) in het nabije Auchan, Roncq.

    Eerst zette ik dapper mijn whisky-cruise verder. Ik was immers zeer tevreden over mijn keuze en besluitkracht. Was ik niet doelgericht op deze plaats afgestevend? Alles liep gesmeerd. Ook al zat het restaurant eivol ouwelui die van alles wilden, niet hadden of te kort kwamen. Het verwonderde me niet dat er – naast bejaardentehuizen – op gezette tijdstippen restaurants in de fik vlogen. En dat koks vroeg stierven. Naarmate mijn ogen meer en meer wenden aan het interieure duister, ontwaarde ik meer en meer ouden van dagen, alle hoeken en kanten van A tot Z bevolkend. Ze doemden naast me op als djinns uit flessen en kruiken. Enkelen hadden zich al achter bekers dessertijs verschanst.

    Voor een keer – o goed gevoel, o welbevinden – voelde ik me niet opgenaaid omdat kelners/obers/garçons (how do you call these people?) me voortdurend voorbij liepen, links lieten zitten of al helemaal niet opdaagden. Ik hoefde alleen maar wat met de overgebleven ijsschotsjes in mijn glas te rinkinken (die kregen niet echt de tijd om geheel te smelten) en de hele ouwe reutemeteut keek op, waardoor één dier kelners/obers/garçons niet anders kon dan toesnellen en bijvullen. Aldus hevelde ik vlotjes nog eens drie gouden zuiltjes geluk naar mijn inwendige mens over en verordende dan een portie mosselen.
    ‘Daar zijn we net van uit,’ deelde een ober me droogweg mee. ‘Maar er zijn nog sliptongetjes, en … ‘
    Hij keek met gefronste wenkbrauwen naar een wandklok, waarna zijn bedenkelijke blik over de ouwelui-desserten zwiepte.
    ‘Gevorderd uur, meneer,’ vulde hij verder aan.
    Ik zei niks. Ontzetting was mijn deel. Ik had de Sluisse horeca middels zes whisky’s welvarender gemaakt en nu dit. Een bittere, nuchtere vaststelling.
    ‘Daarnet nog zag ik een kerel mosselen uit het kanaal vissen,’ merkte ik op. ‘Hoe kan dat nu dat … ‘
    ‘Pardon?’
    ‘Ja: een man in oranje. En in Zeeland … ‘
    ‘Meneer: ik kan u de sliptongetjes aanbevelen. Zo klaar, hoor.’
    ‘Twee volle emmers. Met twee volle emmers verdween hij. Volgens mij … ‘
    ‘Maar ik volg u niet, meneer,’ onderbrak de ober kregelig. ‘De mosselen zijn op. Op is op. Toch?’
    Woede welde in mij op.
    ‘Ik wil A tot Z zelf spreken.’
    ‘Wat?!’
    De ober schoot in een lach (hoorde ik intussen niet ergens vlakbij Die kokkelkop is ver heen mompelen?) en wenkte zijn twee kompanen.
    ‘Bent u een stand-upcomedian? Is er misschien een candid camera in de buurt? U bent Belg, nietwaar? Is het niet?’
    ‘Dat zijn veel vragen ineens, Jantje. En woon je misschien in Leiden? O, je hebt je pinguïnmaten erbij gehaald, zie ik. Versterking. Sterkte. Dikke maatjes, hé? Staan jullie al in De Dikke?’
    ‘Ik heet niet Jantje, meneer.’
    De andere twee bekeken me met medische belangstelling.
    ‘Jawel, en je zag pruimen hangen.’
    ‘Zou u niet beter … ‘
    ‘Ik ben geen lustobject. Ik wil zeevruchten afwerpen.’
    Ik merkte plotseling dat ik een hele zaal toeschouwers had, die me met open gebitten aanstaarden.
    ‘Getverderrie!’ deed ik. ‘Kom ik van zover en krijg ik … ‘
    ‘Meneer … ‘
    A tot Z: mijn voeten. Jullie wilden allicht het haantje-de-voorste in het alfabet zijn, hé? Waarom niet Van A tot Z? Hé?’
    ‘Meneer … ‘
    ‘Of Coq-au-Vin? Vol-au-Vent? De Wind Vanachter? Een nederig plaatsje achter in de Vette Van Dale?’

    Flitsherinnering aan zachte dwang grenzend aan hardhandigheid manu militari. Ik trof mezelf even later op straat aan, die zich om mij heen bewoog als een darmkanaal. Alles deinde, zette uit, kromp. Het gedenkbeeld van De Schriele Dikke op het Walplein in de verte bood me een houvast.

    ‘Kies een vast punt in de verte als je optreedt, boven de hoofden heen.’ (Een of andere betweter uit mijn verleden.)

    Ik hield de workaholic op het Walplein star in mijn vizier en stapte aldus geleid op onvaste benen naar de parkeergelegenheid à 2 €/dag … alwaar ik opgewacht werd door de Koninklijke Marechaussee. Dat betekende mijn redding.

    ‘Dikke, red mij!’ mompelde ik nog, terwijl ik – alweer met zachte hardhandigheid – in een voertuig werd gestopt.

    Redding, jawel. Het lot van alcomobilist werd mij bespaard.
    Ik werd gespaard van een auto-ongeval dat welhaast aan zekerheid grensde.
    Ik werd daarenboven gespaard van de collectieve voedselvergiftiging die op die dag bij de mosseleters in restaurant A tot Z toegeslagen had. Niet minder dan drie ouwelui verwisselden daardoor het tijdelijke met het eeuwige, de rest hield dagenlang het bed in diverse ziekenhuizen in de Zeeuws-Vlaamse grensstreek.

    Ik gedenk uit boetedoening Johan Hendrik van Dale in mijn toekomstige tafelgebeden.
    Ik drink tevens op de gezondheid van Jantje van Sluis. Immers: ook ik werd van vreselijke dingen gered door drankmisbruik en het overslaan van een middagmaal.


    12-08-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Van de kook

    VAN DE KOOK

    De dag dat ik Gordon Lawson googelde, rees de zon al vroeg uit haar nachtpan: bakkend, schroeiend, blakerend. Het had al anderhalve maand haaientanden gesausd. In die periode lag ik met een gecompliceerde rechterbeenbreuk thuis, mijn buikvlees ondertussen als een vergiet geperforeerd door dagelijkse injecties. Om de tijd te doden en bij gebrek aan goeie films of docu’s bekeek ik op tv alle kookprogramma’s die ik maar binnengezapt kon krijgen. Misschien leerde ik nog wat bij. Koken zat in de lift. Op de jaarlijkse nationale boekenbeurs waren de grote mannen (tiens: de vrouwen? Tijdsgebrek?) de koks geweest: duizenden mensen hadden hun boeken gekocht. Literaire auteurs verdwenen erdoor in het niet. Thrillerschrijvers flambeerden wanhopig hun whodunits met recepten, drankzucht of gastronomie. Het leek wel alsof de hele wereld aan de kook was. Koks waren de nieuwe rockstars.

    Nu monsterde ik die chef-koks en hun scheikunde op het scherm. Na enkele weken van pollepelkromtaal en overspannen keukendramatiek googelde ik Gordon Lawson: de bekende eenhandige én eenkleurige kok, zoals hij zich noemde. De kerel bestond het per dag maar één kleur aan zijn gerechten te geven, elke dag een andere. Zijn rechterhand was hij kwijtgespeeld na een bloederige keukenruzie in de jaren tachtig in Venezuela. Hij kon zich echter bijzonder goed behelpen. Hij had zelfs een tijdlang nog basket gespeeld met zijn lange lijf en zijn ene goeie poot, voor diverse goede doelen van de Wereldvoedselbank.

    Met een kussen in mijn rug en mijn kapotte rechterbeen in witte geneesverpakking voor mij uitgestrekt op een verhoogde voetbank, besurfte ik de webstek van Gordon Lawson. Alleen al door met mijn vinger het touchpad van mijn laptop te beroeren, zweette ik als een das. Vreselijke bijgedachte: druppelde er wel eens kokszweet in gerechten? Om van andere lichaamssappen nog maar te zwijgen. Met mijn domotica-knoppenbakje ritste ik tussendoor ook de linkerhelft van het overgordijn dicht, wegens te fel zonlicht.

    Gordon Lawson had voor vandaag 31 juli 20XX in zijn restaurant ‘De Kokskeerkring’ aan de periferie van Plymouth een purperen dag aangekondigd. Met één hand, uiteraard: zelfs zijn embleem vertoonde zijn handicap. Zijn gasten zouden donkergekleurde borden voorgeschoteld krijgen: paaps paars, rauw rouwend purper …

    Plotseling werd mijn aandacht afgeleid door een hevig gezoem – opstandig en agressief. Een kwade wesp in geel-zwarte voetbalkleuren kroop tegen de daarnet dichtgeritste gordijnhelft op. Instinctmatig greep ik naar mijn bordje met appelcake op, dat mijn vrouw net voor haar vertrek naar haar namiddagshift binnen mijn bereik klaar had gezet. Bedrieglijk traag duikend en zwenkend als een helikoptertje stortte de wesp zich nu op mijn linkerhand. IJlings trok ik die terug; het bordje kletterde op de grond aan scherven. De boze wesp belandde daardoor pardoes op mijn halve voet die het gips nog vrijliet. Ik greep snel naar een van mijn krukken, maar het was al te laat: het beest had zich via de onderkant van mijn grote teen in de gleuf tussen gips en mensenvlees naar binnen gewroet. Een halve seconde later incasseerde ik de pijnlijkste injectie van de afgelopen anderhalve maand. Alles behalve mijn ingegipste been krulde van de pijn. Ik gilde het uit, moederziel alleen, wapperde met mijn handen, probeerde het uiteinde van mijn witte been te bereiken, forceerde en rekte mijn heupen en lendenen, gooide me op mijn rug, vertrok mijn gezicht in een munchschreeuw.

    Toen de wesp weer tevoorschijn kwam, plette ik ze in haar zomerse streepjestruitje tussen mijn gezonde linkerhiel en mijn gipsen rechterwreef. De pijn gloeide ondertussen op, op een donkere plek onder aan mijn voet, onbereikbaar. Ik had het gevoel zelf versmacht te worden.

    ‘De stekels, de haren en de schubben eraf,’ beval Gordon. ‘Vooruit!’
    Ik rukte gedwee voornoemd oneetbaars van en uit het lijf. Het was niet anders dan het pellen van een garnaal.
    ‘Sstt … niet weggooien!’ riep hij, toen hij merkte hoe ik naar de mond van het afvaltonnetje mikte. ‘Dat koken we nu. Daar trekken we een lekkere bouillon van.’
    Vervolgens opende hij vakkundig het wespenlijf en peuterde er de darmkanaaltjes en dergelijke uit. Terwijl ik de schubben aan de kook bracht, perste Gordon een rodekool uit. Dat sap werd bij het kookvocht in het pannetje gevoegd. Vlak na het kookpunt gooiden we het wespenlijf erin. De vrolijke geel-zwarte strepen verdwenen onmiddellijk; in de plaats kwam een smakelijk sereen purper.
    ‘O … en de angel, Gordon?!’ vroeg ik. Het schoot me pas nu te binnen.
    ‘De angel? Maar die zit in je voet, kerel!’ glimlachte de eenkleurige kok. Hij pakte zijn vildersbijltje en hakte er in twee bewegingen mijn linkervoet mee af.
    ‘Maar het is mijn rechtervoet!’ schreeuwde ik. ‘Nu kan ik helemaal niet meer … ‘
    ‘Links smaakt beter!’, riep Gordon gezwind, en hij gooide van op minstens vijf meter afstand mijn linkerpoot – plop! – bij de wesp in de bouillon, die ook al vlug intens purper kleurde. De bekende kok was onmiskenbaar een goed basketspeler geweest.


    07-07-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.George, seriemoordenaar

    GEORGE, SERIEMOORDENAAR

    George (neem die vreemde Engelse linkse bocht in de mond bij het uitspreken van de klinker in de naam) was een ongewone seriemoordenaar. Zijn serie betrof namelijk alle series van al zijn collega’s. Dat zat zo: George nam van elke serie zelf één moord voor zijn rekening. In hoogsteigen persoon. Als kameleon en copycat had hij daar het talent voor. Alle seriemoordenaars kregen dus eigenlijk een moord te veel op hun kerfstok gegrift, zo ze al gevat werden en alles bekend hadden. En zodoende bleef George buiten schot, want het kon een seriemoordenaar helemaal niet schelen hoeveel hij er vermoord had. En als het hem wel kon schelen, dan was hij zelfs fier op het grote aantal. Daardoor kon George lang op de arbeidsmarkt actief blijven. Hij bezat als het ware een geheim monopolie. Wat dat betrof: geen recessie voor de kerel. Toch deed één bepaalde moord hem de das om.

    Die vlinder was er te veel aan.

    Hij kwam ook niet reeksgewijs het leven van George binnenfladderen, zoals die dat gewend was van de mensen. Hij hoefde bij het mensdom maar te plukken uit een serie. Die vlinder echter was een zeldzaam eenmalig unicum. Totaal onverwacht danste hij het bestaan van de menselijke seriemoordenaar binnen. De Vanessa Atalanta Recessionista was de enige bekende volledig zwarte vlinder. Zijn vleugels vertoonden niet het minste teken van kleur of design. Zijn poeder scheen zeer gegeerd te zijn door miniatuurschilders, anesthesisten, modeontwerpers en farmaceutische specialisten. Vooral tijdens periodes van schemering en deemstering, de crisistijden van elke dag, kwam de inktzwarte vlinder tevoorschijn. Toch kon hij ook totaal onverwacht overdag opduiken, gewoonlijk als voorbode op een onweer. Het was een geheimzinnig beestje, waarover nog vele onopgeloste vragen bestonden, net zoals over motten, nacht- en monarchvlinders. Sommige onderzoekers opperden dat de zwarte vlinder een dwaalgast was. Maar waar kwam hij dan vandaan? De maan?

    George had de wondere wereld der mooie tuinen ontdekt. Zuid-Engeland, Picardië, Normandië, Vlaanderen: hij bereisde het allemaal. Mooie tuinen trokken mooie vrouwen aan, en vlinders. En George, ex-fotograaf, ex-taxichauffeur, pril in ruste. Nou, rust.

    Onrust dreef George naar die parels van flora. In deze biotopen werd het kabbelen van zijn bloed een kolken. Het kon zich voordoen dat wie daar (letterlijk) zijn pad kruiste, in de nabije toekomst een onaangenaam lot beschoren was. De tuinbezoeken van George betroffen studierondes annex rustige achtervolgingsscènes. Wee de goedbewaarde of mooigeweeste vrouw die een dezer lusthoven betrad: zij waagde haar leven in een dodelijk lottospel.

    Op een dinsdagnamiddag zat George very English te zijn op een bank bij de Lime Walk in Sissinghurst Castle Garden. Het was eind juni. Bloemkoolbewolking bolde tegen een strakblauwe lucht op. George knabbelde van een gezond granenkoekje. Een twintigtal mensen, vooral oudere koppels, kuierden her en der over de uitgestippelde paden. Plotseling bevroor George halfweg een voedergebaar. Zijn blikken zeilden hongerig over de gazons, paadjes en perkjes. Voelde hij wat? Rook hij wat?
    Hij stopte de rest van het koekje in zijn mond en verliet de bank.

    De vrouw die hij plotseling in het vizier kreeg, deed de adem in zijn keel stokken. Een lange zwarte jurk kon niet verhullen dat ze over een lichaam als een kathedraal beschikte. Waarom, in hemelsnaam, koos zo iemand voor zo’n verpakking? Bovenal viel ter hoogte van haar blanke borstpartij – een omgekeerde witte driehoek midden een zwarte zee van haren en textiel – de donkere vlek op. Bij het naderen (George: opzettelijk; zij: onopzettelijk) doemden geleidelijk aan de contouren van een zwarte vlinder op. Hij was volstrekt symmetrisch getatoeëerd op haar borstbeen, vlak boven haar beloftevolle verborgen broden en onder het wurgkuiltje bij haar keel, daar waar bij vele vrouwen vaak iets edelmetaalachtigs bungelt.

    Om geen argwaan te wekken, sloeg seriemoordenaar George een zijpaadje in, vlak voor ze elkaar zouden kruisen. De zwarte schubvleugelige had hem van zijn stuk gebracht en bleef op zijn netvlies gebrand. Hij inhaleerde de warme lucht zo diep dat het pijn deed. Toen hij even stil bleef staan en de ogen sloot, warrelde de vlinder doorheen de donkere kamer van zijn hoofd. No design; only painted black. Hij telde 21, 22, 23 en keerde op zijn stappen terug. Ze was nog maar een tiental meter op de Lime Walk gevorderd. Haar rug vertoonde ook een grote blanke V, vlinderloos.

    Toen sperde George zijn ogen in opperste verbazing: een inktzwarte vlinder bleef fladderend even boven het hoofdpad hangen, danste wat om het hoofd van de vrouw (die niks leek te merken) en streek dan op haar blanke V neer, waar hij met gespreide vleugels bleef zitten.
    ‘Soort zoekt soort?’ mompelde George dan half hardop, terwijl hij zijn ogen wat dichtkneep en tot op enkele meters de poedervleugelige vrouw naderde. Visioen van twee schouderbladen waarvan het vlees verwijderd was.

    Visioen van twee schubvleugels op de rug van een vrouw.
    Visioen van vlindervrouw met gespreide vleugels op een bord geprikt.

    Volgens de indianen mocht je een wens doen wanneer je met je rechterhand een vlinder kon grijpen en die weer losliet.
    Vlinders waren ook mensenzielen: er was het bekende verhaal van de Engelse regisseur die na zijn dood af en toe zijn schouwburg en zijn toneelgezelschap opnieuw bezocht in de gedaante van een vlinder.

    George liet niet meer los. De zwarte vlinder evenmin. Lime Walk. Elizabethan Tower. Moat Walk. Cottage Garden. Rose Garden. White Garden. Priest’s House. The Orchard. Nog es Lime Walk. Had de vrouw ogen op haar rug gehad, dan had zij haar moordenaar gezien: een schriel kereltje dat al twintig jaar geleden oud geworden was, herodesbaardje zuinig over kin en kaakbeen verdeeld, dunne lippen, vogelkopje, grijs, opzij geharkt haar met hitlerscheiding, likkebaardende oogjes, des winters wellicht halflange regenjas met ceintuur in een knoop.

    Het was nog een poos stappen naar het parkeerterrein in Jockey Lane, Cranbrook. Toen de bloemkoolwolken van kleur veranderden en dreigende gezichten begonnen te trekken, zochten dagjesmensen en seriemoordenaars de parkeerplaatsen weer op.

    George begon aan het moeilijkste deel: de achtervolging. Hij verliet de broeierigheid van het parkeerterrein in het zog van de donkergroene Vauxhall met de twee X’en in de nummerplaat – makkelijk herkenbaar. Het spitsuur was inmiddels in volle gang. Kent, The Garden of England, wemelde van de auto’s. High Street. Biddenden Road. A28. Chart Road. Ashford. Van de vele oponthouden en bumper-bumperfases maakte George gebruik om zijn bovenlijf in politieplunje te wurmen en zijn namaaklegitimatie klaar te leggen. Flishinghurst. Glassenbury. So far, so good. Blackbush Wood. Waar woonde die vlindervrouw? George laveerde zijn ouwe Primavera achter de X-factor aan, handig slalommend. Een zonnige dag was ongemerkt en vrijwel naadloos in een bewolkte valavond overgevloeid; boven Kent hing een grijs gedrapeerd dat onweer kon betekenen.

    Hopelijk reed ze niet richting Dover … de boot op … alhoewel … kosten noch moeite spaarde George zich … maar met dit halve fake-uniform … verdorie … misschien moest hij er zich straks weer uit wurmen …

    Waar reed dat mens verdorie naartoe? Het werd blijkbaar noch Dover, noch binnenland. Wanneer ze goed en wel richting zuiden gelanceerd was, en George haar van op een afstand moeiteloos kon volgen, verliet ze plotseling de snelweg en koos ze weer voor de richting van waaruit ze gekomen was. Op de snelweg had George haar ook vreemde bewegingen zien maken, duidelijk zichtbaar in het tegenlicht van de zakkende zon. Wuifde ze naar iemand? Danste ze mee op radiomuziek? Zat er een bij in haar auto?

    Weer Blackbush Wood. Verdorie. George kreeg het op zijn heupen. Had ze misschien iets vergeten in de Castle Garden tuinen? Hier was de omgeving ideaal om … Dat had hij drie kwartier geleden al gemerkt, in omgekeerde richting.
    In een opwelling deed George diverse keren na elkaar zijn lichten flikkeren, in combinatie met stevig kleven. Zijn hart bonkte; hij hapte naar extra adem en kreeg weer dat vlindergevoel in zijn buik. De Vauxhall vertraagde. Hij zag hoe de vrouw even een hand opstak. Ze had het begrepen. Even later pinkoogde ze naar links en hield stil op een uitwijk- en pechzone. George zette zijn auto vlak achter de hare. Hij klemde zijn legitimatie zo stevig in zijn handpalm dat die een snijwondje veroorzaakte. Vooraleer hij het portier weer dichtsloeg, veegde hij het bloed op het pasje aan zijn broek af en likte hij zijn hand schoon. Er kwam nog een auto oprijden. Die hield zo’n vijftig meter verder halt. George temporiseerde even. Een vrouw wandelde met een prul naar een vuilnisbak. Daarna vouwde ze op de motorkap een kaart open. George zette zich in beweging.

    Alexandra keek bedenkelijk naar de lucht en besloot de Castle Garden te verlaten. Het briesje dat haar rug even aaide, kon net zo goed het verkennertje zijn van een Engels junionweer op z’n best. Zijkijkend merkte ze dat ze de Kameleon nog altijd in haar zog had; hij struinde nu ook weer voor de tweede keer over de Lime Walk. Het hele circuit was hij haar gevolgd. Ze voelde zijn ogen zwarte gaten branden in haar rug. Dat zag er oké uit.

    In de auto zorgde ze ervoor dat hij haar niet kwijtspeelde. Ter hoogte van Blackbush Wood belde ze de collega’s in hun auto op: DCS Clarke en DI’s Patton en Leary en DS Brooke. Niet de kleinste jongens. Op de snelweg wrong ze zich niet zonder moeite uit haar jurk. Een broek had ze al de hele namiddag aan; de rest volgde: het uniform van de vrouwelijke DSI.
    ‘De Kameleon krijgt een koekje van eigen deeg,’ flitste het bij dit manoeuvre door haar hoofd. ‘Hij zal vreemd opkijken.’
    Ze beschreef de lus terug; hij volgde trouw en begon opvallend te kleven ter hoogte van Blackbush Wood. Toen knipperde hij met zijn lichten.

    Achteruitkijkspiegels vormden nu de ogen op haar rug. Ze merkte dat de Kameleon even weifelde. Haar collega’s waren net de uitwijk- en pechzone opgereden. DS Brooke (in burger) ging zoals afgesproken iets in de vuilnisbak gooien en spreidde vervolgens een kaart op de kap open. De Kameleon leek geen onraad te bespeuren. Hij maakte nu aanstalten om op haar auto toe te stappen. Met bonzend hart en haar rechterhand op haar Automag V in de shoppingbag wachtte ze hem op. Ze opende het portier.

    Zoals een oude stoomlocomotief een diepe zucht slaakte en een pluimwolk ejaculeerde, zo ontsnapte met een hevig geruis een grote klad inktzwarte vlinders uit de Vauxhall – eerst noodgedwongen langgerekt, dan als van nature samenhangend als een atoom. De turbulente compacte wolk kwam snel op George toegefladderd.
    ‘Een minitornado!’ flitste het door diens hoofd. ‘Toch bijen?!’
    Verbijsterd zag hij de razende bol naderen. Vlak voor die bij hem arriveerde, nam het ding de vorm aan van een reusachtige vlinder met gespreide vleugels. George’s horizon werd inktzwart. Voor hij van de verbazing was bekomen, ontfermde de vlinderwolk zich over zijn vege lijf. Hij werd letterlijk ingepakt. Zijn keel werd dichtgesnoerd. Hij voelde geen pijn, alleen poeder, alom donker poeder. Van onder tot boven werd hij overpoederd. Zijn huid staakte het ademen; zijn hart werd zwart; zijn hersenen ontploften en hij suisde in alle richtingen de kosmos in.

    Duizend zwarte zielen hadden wraak genomen op seriemoordenaar George.

    Alexandra en haar collega’s constateerden eensklaps hevig vuur. Vlammen zo groot als populierenkruinen dansten verzengend om de Primavera en de man heen. Ze sprongen uit hun auto’s, maar de hitte hield ze op een afstand. Alles leek vuurvleugels gekregen te hebben. Materie steeg ten hemel op en liet vormloosheid op aarde achter. Alles gebeurde pijlsnel. De man richtte zich als een grote vuurvlinder nog eenmaal op. Toen, voorafgegaan door een steekvlam en een doffe knal, ontplofte de hele zaak.


    16-06-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Droomvrienden

    DROOMVRIENDEN

    Ulrich kwam eraan, in die oude grote onmogelijk gele wagen van ‘m, met zachtzinnig gesnor en lieftallig gepruttel, zwoegend met een stug stuurwiel. Van hieruit leek het althans op zwoegen, want zijn tong hing uit zijn mond. Aan kop en staart van dit opvallende voertuig hing een Russische merknaam. Boven dat gele Oostblokvehikel was de blauwe oktoberlucht gedrapeerd, met daarin de witte remsporen van een fraaie nazomer. Een weertje om spionnen uit te wisselen, een benefietgebeuren bij te wonen of aan zondagswetenschappen te doen. Wat ook vandaag de datum wezen mocht: dit waren omstandigheden om naar te fluiten.

    Ulrich manoeuvreerde zich in een makkelijk gat (meeval van de zondagochtend) en reikte al naar de contactsleutel toen hij plotseling de garagepoort met het verbodsteken zag. Shit. Krosbie glimlachte lang en breed, bijna gemeen, achter de lichte regen van het transparante gordijn in zijn werkkamer. Ulrich was namelijk het hardwerkende type dat niet aarzelt je van op de eerste verdieping (durfnieten bevinden zich bij voorkeur op eerste verdiepingen) een emmertje vocht in je nek te kappen. De grote wagen verliet de rij weer, reed tot vlak voor Krosbies venster, gleed twintig meter achteruit en vulde een open ruimte in die van hieruit niet meer zichtbaar was. In ten minste twee onderdelen van zijn lijf kreeg Krosbie de kramp. Hij had welhaast anderhalve minuut in een weinig voorkomende houding doorgebracht: de schuld van de opstelling van de vele voorwerpen in zijn kamer.

    Ulrich was ongeveer de dubbelganger van een bekend kunstschilder die in de jaren vijftig van de vorige eeuw zo’n beetje het mooie weer had gemaakt voor allerlei experimenten en hun aanhangers. De gelijkenis ging nu niet meer op, omdat de bekende schilder inmiddels drie decennia ouder was geworden.

    Krosbie wijzigde de normale loop der gebeurtenissen en vatte post aan de deur voor Ulrich erin slaagde aan te bellen.
    ‘Morgen.’
    Morning after. Of je meegaat bij Demis de werken afhaken?’
    ‘Mm … eh … de anderen?’
    ‘Miauw gaat ook. Staatssecretaris is onvindbaar. Kijk: Miauw komt er ook net aan.’
    De zon ketste op een scheef geparkeerde auto af. Krosbie wuifde naar Miauw en zei gelijk tegen Ulrich dat hij er wel zin in had. Miauw bukte zich al om zijn lange lijf in die gele wagen te wurmen.
    ‘Twee seconden.’
    ‘Oké, schiet op, we wachten even.’
    Krosbie ging weer naar binnen, drukte op enkele knoppen en vulde zijn koker met zelfgerolde sigaretten op. Als hij maar een broodkruimel op de rok van het universum was, dan kon hij nu net zo goed zijn kunstmaten Ulrich en Miauw vergezellen. ’s Zondags beschikte hij over een grotere weerstand tegen de dingen: tegen tijdverlies, tegen veel roken en meer drinken, tegen de mensen en wat die articuleerden.

    Ze zouden dus de expositie (waar hij alleen helpend voorbereider van was geweest, zijn enige talenten betroffen schrijven en drukwerken maken) eindelijk opdoeken. Goed. Een gepaste ingreep, een tentoonstelling waardig. Met z’n drieën dus in die onmogelijk gele auto plaatsgenomen, auto waarvan het reservewiel nog op ouwerwetse wijze achterop het ‘koetswerk’ was bevestigd.

    Demis was niet thuis of gaf niet thuis, want zijn handlanger Long Drink stond, heel toevallig maar niet onverwacht, op het trottoir van nee en van niet en van nergens te gebaren. Ulrich parkeerde zijn omslachtige voertuig ten derden male vandaag.
    ‘Verdomme.’
    ‘Tja … ‘
    ‘En volgende week kan ik niet.’
    Ze stapten uit.
    ‘En?’
    ‘Niet thuis, die kerel. Of ergens binnen verschanst. Kom.’
    ‘De sleutel?’
    ‘Heb ik ook niet.’
    Ze stevenden af op het café van de vereniging Krijt Op Tijd. Van daaruit hadden ze min of meer een panorama op Demis’ eventuele thuiskomst of uitbraak.

    Demis werd die zondag wakker met een huizenhoge kater plus daarbovenop of daartegenaan het onaangename besef dat er die nacht, enkele uren geleden nog, iets ingrijpends, ja: iets onherstelbaars was gebeurd. Hij gebood zijn bovenlichaam overeind te komen van tussen de vetplooien, maar het bleef weigerend liggen, zwemmend in het water van de slaap. Ofschoon hij duchtig zweette, kroop de kilte langs zijn ruggengraat omhoog en greep hem bij het nekvel, ‘een stalagmiet’ dacht hij, vergat hij weer terstond. Die lastige cadans in zijn kop ging in een hevig geklop over, heide spijkers in de achterkant van zijn ziel en krammen in de voorkant van zijn geweten, mondde uit op dat verpletterende besef:

    ‘Duizend goden! Baard van Merlijn! Duizend dromen! Heilig Toledo! Jongens, jongens, jongens: die schilderijen! Die mooie schilderijen!’

    Psychosomatiek!
    Paniek!

    Demis kreunde nu waarachtig en gemeend. Alles, alles: alle katers en houten koppen ter wereld, ja, maar niet dit. Niet dit! Dit niet!

    De film van wat er die nacht was gebeurd, speelde zichzelf in verkeerd geordende sequenties voor zijn verbijsterde ogen af. Daartussen flitsten en ploften dringende tekstballonnen met aanmaningen:

    - dat hij op moest staan omdat het zondag was, de dag des Heren
    - dat hij ergens verwacht werd, maar waar ergens?
    - en nog ergens anders
    - dat er – wie ook weer? – op bezoek zou komen om …
    - … om wat te doen?

    ‘O nee!’

    Korte visioenen ook van De Nachtwacht in een Hollands bewaarcentrum.

    < Het tafereel dient niet bij nacht gesitueerd te worden. Dat is een koppig misverstand. Het was op klaarlichte … >

    ‘Gelukkig hebben ze er niet in gekerfd. Misschien valt de schade nog te herstellen. Ah nee. O … !‘

    Mecenas-parlementslid Demis weigerde het bed te verlaten. Beneden wachtte hem de still van een uit de hand gelopen feest. Een wrang tableau vivant. Iemand had, enkele uren geleden nog, die stomme spuitbus ontdekt. Long Drink had die hier rond laten slingeren. Een zware fout. Afgestraft. Demis had ze nog willen ‘uitkopen’, flapje van 50 euro, no harm done, twee, drie flapjes, maar de dader was te dronken om daarop in te gaan. Iemand (wie ook weer van die fijne vrienden?) had enkele schilderijen in de expositieruimte van het ruime huis ‘een beurt gegeven’; Ja: een beurt geven, Demis hoorde het hem nu weer zeggen. Die Jonathan was een varken.

    Was de toegangsdeur wel op slot? De poort? Mijn god! Wat nu gezongen. Mooi orgelpunt voor een expositie alwaar jong talent uit eigen streek. Het zat er in dat hij, indien hij nu uit bed stapte en dat opake gordijn wegschoof, Long Drink beneden in de straat zag staan. Het zat er in. Demis bleef in bed. Jezus.

    ‘Ik vergoed alles,’ dacht volksvertegenwoordiger Demis plotseling. ‘Ja: ik betaal alles. En ik schotel dat stinkdier van een federale Jonathan een kosmische rekening voor. Kan hij op zijn beurt even duizelen. Een gastronomisch bedrag, zeg maar, want vrat zich hier ook te pletter gisteren. Dit kan niet zijn. Wat heb ik toch gedaan? Niet gedaan? Laten gebeuren? Zijn we dan toch extremisten?’

    Demis reikte naar zijn greige ochtendjas op de grond. Demis zag in de spiegel dat Demis naar zijn greige ochtendjas reikte die op de grond lag.
    ‘Gefeliciteerd mecenas. Je hebt het verkorven.’
    ‘Electoraal fataal.’

    Ulrich, Miauw, Krosbie en Staatssecretaris, of nee, die niet, ze zaten nu vast al op de uitkijk in het café aan de overkant. En Long Drink … Vandaag zouden ze ‘afhaken’. Zo was het afgesproken. Hoe laat was het, overigens? Demis bleef een volle minuut roerloos op de rand van zijn bed zitten. In dat grote lichaam legde het bloed onwillig zijn rondes af. Toen daalde hij de trap af, met een bonkende kop op een defensief lichaam, maakte een afhaakgebaar waar een sleutel hangen moest maar die hing er niet, slofte het gangetje door en trof die sleutel aan op de poort van de zijvleugel. Hel licht, hel Belgisch primitief licht kantelde naar binnen en doorstreepte de wanden. Het deed hem pijn aan de ogen, maar op dat ogenblik wenste hij door eeuwige blindheid geslagen te worden, want links van hem hingen drie door een razende spuitbus geïllustreerde schilderijen, waarvan één, god ja, ook nog waar, overmaat van ramp, een kans maakte om door W. de L. aangekocht te worden. Ramp! Onfeiten!

    Het was Miauw die de kier ontdekte. Die zag ook altijd alles. Hij stootte zijn gezellen aan: ‘Sesam!’ Ze bukten zich wat of zetten stapjes opzij en tuurden.
    ‘Tiens tiens. Ik dacht dat hij ergens aperitiefvlinders aan het vangen was. Hij moest toch … ‘ (Long Drink, een Verboden Vrucht in de hand).
    ‘Eindelijk.’ (Ulrich)
    Ze detecteerden een hand op heuphoogte en een hand op ooghoogte op het linkergedeelte van die grote poort; naarmate dat stuk verder binnenwaarts keerde, werd de matineuze verschijning van Demis meer zichtbaar.
    ‘Hij komt pas uit bed, jongens.’ (Miauw)
    ‘Goud in de mond.’ (Krosbie)
    ‘Pijn & Smart, voel het aan mijn eigen hart.’ (Weer Krosbie)

    Demis wrikte nu de rechterhelft van de poort met een grendel in de grond vast. Daarna bleef hij even wennen aan de mystieke lichtinval die op zondag zoveel sterker was, de handen achter op de nieren rustend, een houding die zijn corpulentie een zeker aanzien gaf, gelijk de luchtwegen vrijer spel bezorgde. Want was er het moeilijke bloed, dan ook de moeizame lucht!

    ‘De expositie is toch afgelopen? Dat weet hij toch onderhand wel? Amen en uit?’
    ‘Zal zijn auto in de straat parkeren. Hij weet dat we komen afhaken, was zo afgesproken.’ (Rechterhand Long Drink, een kwakje morsend wegens begeleidend gebaar).

    Demis, ook advocaat, was al inwendig zijn apologie aan het voorbereiden: … buiten mijn wil om … de drankduvel … weet hoe dat gaat … Long Drink … die spuitbus … had maar … vergevorderd uur …
    Hij vermeed het in de richting van het café te kijken, draaide zijn lichaam om, manoeuvreerde het tussen de auto en de muur door en ging in de keuken anderhalve liter inktzwarte troost laten druppen. Naar die misdadige fresco’s wenste hij niet meer te kijken.

    Vijf over elven al. Het werd weer warm. Wat werd het weer warm! Hij plantte een vijftal koppen op de tafel, want komen zouden ze, onvermijdelijk. Nog voor twaalven moest hij deze beker zien te ledigen. Tja: eigenlijk zat hij er compleet machteloos tegen aan te hikken. Hij kon dat federale varken van een Jonathan wel de nek omwringen. Ongetwijfeld zou Long Drink straks als eerste op het appel verschijnen, met die dwaze alcoholhoudende glimlach om de lippen. Ook zIJn nek …

    Miauw en Ulrich kwamen hun onverkochte werkjes afhaken. Staatssecretaris zou dat morgen in de valavond doen. Krosbie zou allicht ook …
    In een opwelling veerde Demis op om die poort weer te gaan sluiten. ‘k Heb niks te verbergen! Zijn stoel bonkte tegen de koelkast waarop vannacht een van die separatistische feestneuzen nog een zelfklever had aangebracht. Binnenin lag een huilende camembert met haar op. Niemand had er willen van proeven. Demis ging niet terug naar de zijvleugel, maar begon de klever eraf te pulken, terwijl zijn lippen wel bewogen hoewel aan dat geprevel geen verstaanbare praatballon ontsnapte. Er stond een schoon, bloot Belgisch sympa-wijfje op.
    Het hoefde verder geen zondag te zijn om diep na te denken, waarbij het bewustzijn zo versmalt en weer verbreedt dat alle andere daden en dingen de mist in gaan:

    Inbraak.
    Schelmenstreek? (Picaro plus metgezel, kijk uit voor metgezellen!).
    Nalatigheid annex vandalisme? (Sleutelvraag).
    Vergeldingsmaatregel. (Politiek. De politiek).
    Feest gebouwd dat eigen oncontroleerbaar monsterfeestje heeft gebaard, maar wat ’n miskraam!

    De koffie drupte gestaag door.

    Blauw en groen was deze dag in oktober. En er was de stem van hij die drie weken geleden zeide, de stem die op vrijdagavond, o maagdelijke vrijdagavond, dit kunstgebeuren hier ‘vernisseerde’, ‘insprak’:

    ‘ … een opvallende afwezigheid van realia en verwijzingen naar de realiteit in deze doeken, daar waar bij de andere kunstenaar dit opgevangen wordt door een zekere speelsheid in de abstractie en de keuze van het coloriet. Kijk: bij het bekijken van de eerste waande ik me in zuiderse sferen. Ja, een zekere vrolijkheid, zal ik zeggen: geamuseerdheid, valt hier niet te ontkennen. Ik zou zelfs … ‘

    ‘Nu is die geamuseerdheid zwart geworden,’ dacht Demis. ‘Red ons.’
    Nu moest hij straks maar zien te vernisseren. Dat beloofde. Hij wenste even buiten deze verdomde realiteit te vertoeven, lang genoeg om Ulrich en Miauw van hun ontzetting? gruwel? gramschap? gequetstheid? te laten bekomen. Het had nu geen zin Jonathan, dat varken, telefonisch de huid vol te schelden. Te oordelen naar de toestand waarin die vannacht dit huis verlaten had, leek dit absoluut geen zin te hebben, nee. Nee. Of toch?

    (De telefoon rinkelde één hoog, maar terwijl de hele residentiële wijk Romero al druk in de weer was met niksen, verroerde in dat grote huis niemand een vin. Niemand: Jonathan niet, nog op de bodem van zijn roes dromend dat hij al lang wakker was, zijn vrouw niet, in de andere kamer wegens tranquillizers ongewoon zwaar doorslapend, Beauregard niet, want die snuffelde de straat af op zoek naar zakken met broodjes erin die op zondag door de bakker wel eens foutief neder worden gezet).

    Demis ging vloekend terug naar de keuken en gooide een bruistablet in een glas. De koffie was bijna klaar. Zijn hart sloeg een paar keer over toen hij het glas aan zijn mond zette, want in de zijvleugel van het huis weerklonken plotseling stemmen. De bekende stemmen, het bekende gemurmel van individuen onder elkaar, op weg, in zijn huis, naar hem. Met hem, en door hem, en in hem. Amen. Zweet. Besef van zweet. Iemand klopte even op het dak van de auto. Nu gingen ze het trapje op. Nee??

    In één machtige hink-stap-slok kapseisde Demis de inhoud van het glas in zijn keelholte. Zijn lichaam, daarna, sidderde even.

    ‘Zo, jongens,’ zei Demis met waterige oogjes, terwijl hij met een harde klap een net geledigd glas op het tafelblad pootte.
    ‘Hallo. Goedemorgen. Of middag.’
    Ze lieten altijd eerst Long Drink aan het woord, omdat die al van veel vroeger in Demis’ omgevingen vertoefde.
    ‘Haha.’
    Demis noodde hun aan de keukentafel.
    ‘Eh … mm … even kijken. Koffie, wellicht?’
    Hij gebaarde naar een apparaat dat rochelend op het aanrecht stond.
    ‘Graag.’
    ‘Ja.’
    ‘Jullie komen afhaken?’
    Glimlachend beaamden ze deze woordspeling. Miauw streek een lucifer aan en zocht daarna een sigaret. Goeie truc, want ‘hier’ zei Demis,
    ‘maar ik doe nog niet mee, te vroeg.’
    ‘Vijf minuutjes labeur,’ sprak Long Drink. ‘We zijn hier al een poos, maar de poort was op slot … ‘ ‘Tja … lang op geweest vannacht. Paar feestvierders gehad, weetwel, die van … ‘
    ‘ … eentje hier in ’t café wezen drinken … ‘
    ‘Hm.’
    Op de radio articuleerde iemand iets over ‘Atlantische regengebieden’. Demis draaide aan een knop en vond een onschadelijk concert.
    ‘Jongens … ‘ begon hij dan.
    ‘ … mijn kop gestoten tegen een troep hangende ajuinentrossen in de garage, hihihi … ‘
    ‘Jongens … ik heb daarstraks met veel tegenzin die baarmoeder van een bed verlaten (god zegene haar, zo helpe mij mijn geloof in god!), en met nog veel meer tegenzin die muil van een poort open gezet (de duivel hale al dat kerngezonde impressionisme van op straat!). Eh … ‘

    Zelfs de prozaïsche gemeentepolitiek die hij ooit bedreef, had bij Demis nimmer de beeldspraak kunnen smoren. Hij rukte nu een sigaret uit het pakje dat Ulrich hem toestak en inhaleerde bij het aanreiken der vuren meteen erg diep, alsof hij zeker wou zijn van de schade die de rook in zijn longen, o tere inborst, aanrichtte. Ze keken hem aan. Niemand zag de geïnhaleerde rook weer tevoorschijn komen. Een grapje deed daarover de ronde, in verband met Demis’ corpulentie en zo, ja: massiviteit. En politiek natuurlijk.

    ‘Kijk, jongens, ik kan het niet meteen zo … zo correct onder woorden brengen. D’er is iets … ‘

    Plotseling bracht Long Drink zijn grote hoofd naar voren, signalerend dat hij iets gehoord had.
    ‘Telefoon.’
    Krosbie meende te merken dat Demis schrok.
    ‘Zal ik?’
    ‘Ja.’
    Long Drink verdween naar de werkkamer aan de straatkant. Ze hoorden hem enkele seconden later zijn a’s, e’s en o’s articuleren. Kreten van verwondering? Stilte daarna. Demis trommelde enkele versvoeten in nerveus metrum op het tafelblad (Bezette Stad? Sakkerse Oostakkerse?) en besliste plotseling dat ze nog recht op koffie hadden.
    ‘Met dat hoofd als een onderzeeër … verdraaid … ik … ‘
    Net boven Krosbie’s kopje verstarde hij in zijn gietgebaar, want Long Drink kwam weer binnen, zeggend dat hij er niets van begreep.
    ‘Wie was het?’
    ‘Willy de Lille. Met een hele litanie. Tja, ’t is ook zondag hé. Enfin: dat hij niet het werk koopt wat hij wel had willen kopen. Of zoiets. Is er dan iets verkocht? Ik weet van niks.’
    Demis zuchtte diep en goot Krosbies kopje oeverloos vol.
    ‘Bijna, ja. Willy hé? Jammer voor jou, Ul. ’t Heeft er even in gezeten. Maar eh … ‘
    ‘Eigenlijk wil ik niks van wat hier hangt, verkopen,’ antwoordde Ulrich.
    ‘O?’ (Demis)
    ‘O nee?’ (Long Drink)
    Krosbie kende Ul net lang genoeg om dat te kunnen aannemen.
    ‘Daar beslis jij natuurlijk over. Maar eh … ‘
    Demis slurpte de bovenste laag van zijn dampende koffie af. De middagzon had nu zijn kopje als focus gekozen; Hiroshima-stofnesten sloegen over de rand ervan heen, onder het nasale geweld. Hij begon nog verschrikkelijker te zweten.
    ‘ … Hm … Er is een ernstig probleem gerezen sinds gisteravond, enfin: vannacht. Laten we correct zijn in onze informatie, Majesteit.’
    ‘O?’ (Miauw, sigaret weer uitduwend, hoest inslikkend).
    Demis stond op.
    Stond op, Demis.
    ‘Kom mee.’ (Waren zij dan blind geweest? Niet gezien dat … ??)
    ‘?’
    ‘Allemaal. Kom mee.’ (Zwakke imperatief als zwakke apologie).

    Hij leidde hen naar de zijvleugel, waar allen reeds gepasseerd waren, waar Ulrich, Miauw en de afwezige Staatssecretaris, o jonge talenten uit Eigen Streek, hun ‘werken’ hangen hadden. Zei nog stilletjes ‘godver’ omdat hij immer in ochtendjas aan het opereren was. Constateerde hij.

    De werkelijkheid omheen Demis, advocaat bovenste plank en volksvertegenwoordiger in de vrije uren, stortte toen op Bijbelse en Babelse wijze ineen. Pudding! Psychosomatiek deel 2! Diepzeegedachten! In alle straten van zijn hersenen ongeïdentificeerde tanks met inhoud!

    Ja: binnenkantelend oktoberlicht, kerkgangers of aperitievelingen die de openstaande poort passeerden, zijn eigen echte auto met het BP van Belgisch Parlement erop, ja, dit alles, wel degelijk: maar niet de ongecontroleerde pre-Cobra inktzwarte cirkels en zonnen en bollen en strepen en vlekken op de werken van Ulrich en Miauw! Niet niet niet !!

    Geen baldadigheden.
    De doeken hingen er zoals ze er drie weken lang hadden gehangen.
    Jonathan? Vannacht?
    Wit varken?
    Demis hoorde iemand informeren naar wààr hem het probleem zich nu eigenlijk voordeed.
    ‘Vochtigheid,’ hoorde hij zijn advocatenstem zeggen.
    Cruise control.
    ‘Ja, de herfst nadert. Kijk maar.’
    ‘Wablief?’ (Een stem).
    ‘Vochtigheid,’ zei het weer, in hem, aan hem, door hem. ‘Ja: vochtigheid. Je … je doet er goed aan vandaag nog af te haken. Ja. Eh … komen jullie straks nog iets drinken? Ik ga luchtjes scheppen. Veel luchtjes.’

    Demis ging onder de jamaïcablauwe oktoberlucht staan en wenste een Atlantisch regengebied helemaal voor zich alleen, het uitproestend boven dat nu tureluurs draaiende hoofd van hem. Zijn grote patriciërswoning was een Waddeneiland, zijn hoofd een dobber daarnaast zwalpend. Iets of iemand rukte eraan. Duizend boeken, duizend dromen! Wie, wat, waar, hoe?! Hij hoorde die jongelingen even gezamenlijk lachen. Inside joke. Zoals in vele verhalen kneep Demis zich in de wang. Demis kneep zich in de westelijke wang en gevoelde iets.
    Er stak wat wind op en geelachtige stofwolkjes verlieten af en toe de kruin van de grote den midden in de tuin. Een mooi seizoen, voorwaar. Toen steeg dankbaarheid als een vlugge koortskromme in hem omhoog, zich in aangename lianen om zijn ruggengraat slingerend. Hij plantte beide handjes op zijn nieren, stapte zo het gazon over en riep al van onder de plataan:

    ‘JONGENS! NIET AFHAKE … !! BRENG DIE STOELEN MAAR WEER WEG! IK KOOP ALLES ZELF! IK KOOP ALLES!’

    Bijna struikelde hij over een spuitbus die sinds de gemeenteraadsverkiezingen van vorige maand nog altijd op de onmogelijkste plaatsen rondslingerde.

    ‘ALLES?’ vroeg Krosbie in opperste verbazing.
    ‘Alles!’ bevestigde Demis grimmig.
    Ulrich en Miauw bleven in hun afbraak- en afhaakhoudingen steken. Long Drink vergat met zijn oogleden te knipperen.
    ‘Aan tafel voor de onderhandelingen,’ gebood Demis gul. ‘Long Drink: u wacht een grootse taak: rol de aperitiefwagens naar binnen, de falanx der dranken! Krosbie: noteer. We gaan zaken doen, de vzw zetelt, en wel nu.’


    ‘Dromen … mijn beste, dromen … ‘ zei Y. van B. tot zijn generatiegenoot Demis. ‘Dromen, beste kerel, daar moet je opgevoed voor zijn. En dat … ‘
    ‘Hé?’
    ‘ … dat ontbreekt in onze samenleving totaal. To-tààl. Ik kan je het voorbeeld geven van een ver volkje, de naam ervan ontgaat me nu, de plaats ook overigens, enfin, eh … een volkje dus, dat dag en nacht met de dromencultuur bezig is. De kinderen worden bijvoorbeeld verplicht bij het ontwaken hun dromen aan elkaar toe te vertrouwen, fluisterend dan nog wel, meen ik gelezen te hebben. Er bestaan dus ook zogenaamde droomvrienden: instanties die je, via droomopvoeding, achter de hand kunt leren houden. Want elke droom waarin JIJ het slachtoffer bent, wel, Demis: zo’n droom, die kan jij zelf ten goede wenden. Krijg je bijvoorbeeld tijdens een droom een mes in je rug (wat een nachtmerrie kan betekenen), dan zul je je pas van die droom kunnen bevrijden (en hij KOMT terug, wees daar maar van overtuigd!) door zelf dat mes eruit te trekken. En bij het ontwaken zullen al je rugklachten verdwenen zijn. Enfin, begrijp me goed: ik lever misschien een te concreet, te mooi staaltje van het ingrijpen van zo’n droomvriend. Tja, van die schilderijen … kijk: ik heb de voorgeschiedenis van je droom dus niet meegemaakt. Eh … weet je bijvoorbeeld wel zeker dat je die expositie in je huis zelf werkelijk wou?’
    Demis knikte niet overtuigend.
    ‘Enfin: alles zelf opkopen zou het probleem best wel eens op kunnen lossen. Ik geloof niet … ‘
    ‘Die spuitbus, godverdomme,’ zei Demis.
    Y. van B. dacht enkele seconden na.
    ‘We hebben die spuitbus sinds de verkiezingscampagne uiteraard niet meer gebruikt. Ik had Long Drink gevraagd die te doen verdwijnen, maar we zijn er intussen allebei al ten minste vijf keer over gestruikeld.’
    ‘Tja … ‘ aarzelde Y. van B. ‘Tja … misschien ligt daar de knoop wel.’
    ‘Ja? Pardon?’
    ‘Het hangt er van af wat jullie ooit met dat ding hebben uitgespookt.’
    Toen begon het ten oosten van Demis plotseling te dagen.
    ‘Ja,’ knikte hij, een krekel in zijn stem wurgend. ‘Ja ja … Je zult gelijk halen. Ja. Ho ho ho!’
    Het sluimerende beest van durfal-durfniet werd weer in hem wakker; het dier dat hem goede parten speelde bij campagnes. Deze massieve kwajongen van vijftig-plus …
    ‘Ho ho ho !!’ riep hij weer, langgerekt, uitmondend op een ouderwetse Stuyvesant-hoest, maar in zijn matineuze oogjes glom de pret van weleer nog eens op.

    Mooie kluif voor Y. van B., droomanalist op vrije dagen.
    Mooie kluif aan de man die zichzelf in zijn bloedeigen droom zo genadeloos had afgestraft.

    Zielenheil!
    Tabula rasa!


    26-05-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Kranig

    KRANIG

    Het korte droevige verhaal van de man wiens haar nooit nat werd, zelfs nadat hij in het water was gedoken. Deze man woonde bij een vrouw met mooi halflang haar, dat het ene ogenblik aan de westelijke kant, het ogenblik daarop aan de oostelijke kant van haar hoofd hing. Zo kreeg men altijd verrassende beelden en was men eigenlijk ook vaak afgeleid van het aan de gang zijnde gesprek. Maar het gaat niet over haar.

    Het gaat over de droge man. De eigenschap die hij niet bezat, namelijk dat zijn haren in het water nat werden, zoals die van de anderen, bezorgde hem achter zijn rug om de bijnaam droogkloot. Het betrof een zeer belangrijk man die hoog in aanzien stond. Als aannemer had hij de stad bevolkt met fraaie gebouwen. Noch kappers, noch dokters, noch kruidenverkoopsters, noch psychiaters konden hem echter helpen. Ze vleiden of troostten hem met opgewekte vaagheden, valse voorspellingen of niet ter zake doende verzuchtingen. Er was niets aan te doen.

    Hij was zo kaal als een kei. Altijd geweest.

    Hij werd daar gaandeweg zo treurig door, dat hij zichzelf een lange nagel zonder kop door de schedel sloeg en zich van een hoge kraan te pletter liet vallen. De smak was zo hevig dat er terstond één dodelijk geschrokken grijs haar uit zijn schedel priemde. Het was zijn eerste en enige haar. Het regende die dag ook treurig.

    Het was niet lang zoeken naar de doodsoorzaak van de droge man. Men sloeg de nagel op de kop.


    02-05-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DT !!

    DE VERBORGEN GESCHIEDENIS VAN DT

    (Afrekening met personages)

    De informatica was al zo specialistisch en oververhit geworden, dat de Secret Service terug wenste te grijpen naar het ouderwetse geheimschrift op papier. Walerik Decadt werd daarvoor aangesproken. Hij was namelijk de perfecte incarnatie van de stille, die ook de helft van zijn leven besteedde aan lezen. Hij vormde een combinatie van stugge NIMBY (Not In My Backyard), verstrooide WILF? (What Was I Looking For?), metroseksuele huismus die tot ‘s middags in kamerjassen rond baggerde, bedenkelijke vrijgezel met gealcoholiseerde levenswandel, kortom: de doctorandus die wel eens in een rondborstig huwelijk verzeilen en verzanden kon – alle ideale dekmantels. Dit alles deed zich namelijk voor in de perceptie van Gestudeerde Jan en Housecooking Sally.

    Want veruit niets van dat alles was minder waar (: een zin als een geheimschrift op zichzelf). Walerik Decadt (die in gesprekken met toogfilosofen zichzelf een religeus noemde) zat totaal anders ineen. Maar dat wist bijna niemand. Dat mocht ook niemand weten. W.D. was een perfecte kameleon.

    Hij kreeg van de SS (kunnen we ook niet helpen) drie dagen om het cryptisch schrift op poten te zetten. Walerik draalde niet en koos na enig prakkiseren voor een beproefd procedé. Iets dat pakweg het komende decennium altijd beschikbaar zou blijven, maar anderzijds toch niet meer de gillende tophitlijsten aanvoerde. Een boek. Een longseller, uiteraard. In elke bieb beschikbaar, zeker weten. In het Nederlands verkrijgbaar, dat stugge taaltje van de Lage Landen. Maar dat hoefde niet. Het speelde geen rol. Engels kon ook. Pakweg Duits. Dat boek was wereldwijd in een twintigtal vertalingen vlot verkrijgbaar. Boeken verzachtten de zeden van de harde spionagewereld. In de goede oude traditie van The Russia House en Connery/Barley.

    Geheimagent W.D., codenaam Anaconda, was na vijfendertig koppen koffie tevreden over zijn keuze. Vooral de lengte (in de ogen van slechte lezers: dikte) en het onderwerp vielen mee. Alleen de titel van het boek stond hem tegen. Die klonk eigenlijk te geheimedienstachtig. Maar anderzijds betrof het dan ook weer geen idioot opgeschreven detectiveboek met een simpel op te lossen moord, door de auteur van achteren naar voren geschreven, bulkend van de bladvullende dialogen en onnodige omwegjes, God beware hem. Bij nader inzien werkte de titel ook wel symbolisch. Anaconda en zijn collega’s konden er al hun geheime boodschappen in kwijt. Op de lettervoorraad in het boek konden honderden systemen en codes geënt of gerasterd worden, ongeacht de taal waarin de fictie bedreven en beschreven was.

    Walerik Decadt bedacht ook enkele scenario’s om medespionnen in te lichten:

    · U hebt een DT-probleem ( … en dat sloeg ook ietwat op DecaDT … )

    · Ga naar de boekhouder

    · Het nieuwe pak is gearriveerd

    · De duif valt

    Dat was het sein voor betrokkene om op zoek te gaan naar het boek. Dat kon zich in een bibliotheek bevinden, waar Anaconda of een andere handlanger het in de leeszaal reeds had bewerkt. Hier speelde uiteraard altijd het risico van ‘vreemde’ ontlening. Gelukkig beschikten de grotere biebs over twee à drie exemplaren, omdat het verhaal zo’n succes had gekend. Het kon ook zijn dat het boek ergens gereed lag, eventueel rechtstreeks aan de bestemmeling gericht. Of het werd via de post verzonden – simpel als een duif. Er werd altijd voor een back-upexemplaar gezorgd in de gerechtelijke gebouwen, enfin: in het huis er vlak naast.

    Heidi Hertekamp dwaalde rond in de randgemeentelijke bibliotheek Coyghem. Ze had nog exact één maand de tijd om zich de vernieuwde spelling eigen te maken. Die deadline was er omdat ze zich ingeschreven had voor de provinciale preselecties van wedstrijddictees, als aanloop tot een nationaal dictee in het parlement dat door de televisie zou worden uitgezonden. Heidi Hertekamp, fulltime jonge vrijster, was sterk voor spelling.
    Nergens anders trof je meer spellingfouten aan dan in zo’n bieb: 99 % van de boeken was immers in een voorgaande of een van de oudere spellingen geschreven. Alleen de recentste boeken probeerden up-to-date te zijn, als de schrijver/uitgever zich tenminste al hadden bekeerd tot de nieuwste spelling. Het was dus een gevaarlijke omgeving voor Heidi Hertekamp. Ze kon gecontamineerd raken door foutieve woordbeelden. Toch was ze op zoek naar ontspannende lectuur: de waanzin van het spellingblokken had haar in zijn greep. Tijd voor ontsnapping, zoals kleurenschilders even in zwartgeverfde spiegels plachten te staren.

    Ze fronste dan ook hoogst verbaasd haar wenkbrauwen toen ze in een bekende, lijvige turf hier en daar letters en woorden met potlood onderstreept zag die helemaal niet foutief waren. Zelfs nu niet, anno 09. Was hier een idiote kommaneuker aan het werk geweest? Benieuwd naar deze waanzin nam Heidi het boek mee naar huis.
    Ze geraakte echter nooit thuis.

    ‘Getverderrie,’ mompelde X. Hij zat met een DT-probleem. Toen hij de bieb binnenkwam en via de boekenruggen C-D (en T natuurlijk) op het leeszaaltje in boekerij Coyghem afstevende, merkte hij dat hét boek (en enige exemplaar) reeds door iemand anders uit de rekken was gehaald. De vrouw bladerde vrij lang en nieuwsgierig door de bladzijden. X zag het onheil naderen: ze stapte godverongelukt met het boek naar de uitleenbalie. Er zat niets anders op dan haar te volgen.

    Walerik Decadt maakte in ’t Laurentiushuis zijn zesde Rodenbach soldaat. Omdat het begon te regenen en hij daarenboven in zijn jaszak nog muntgeld aantrof, dronk hij nog een zevende godendrankje. ‘Laat maar zitten,’ gebaarde patron Lionel. Dat werden er dus even later acht.

    Een inktzwarte Saab naderde de randgemeente Kooigem met grote snelheid. Hij rondde de bocht even voor het dorp en vlamde rechtdoor, voorbij de kerk. Daar stak net een kerel eerder moeizaam de straat over, komende uit ‘t Laurentiushuis. Een vrouw met een boek onder de arm keek om van boven haar net geopende autoportier. Een tweede man op het trottoir aan de overkant wiekte afwerend met zijn armen. De inktzwarte Saab verslond ze alle drie: eerst de overstekende kerel, dan de vrouw met het boek, daarna de man op het trottoir.

    Ikzelf, schrijver dezes, was de dader. Ik zag mijn personages namelijk niet meer zitten en reed ze daarom egwoonwge in de vreneilnig. Het is verder aan de lezer om et rdaen nara ed ttile avn eht bkoe. Het kan ook zijn adt idt allse ni odpratch egbuedre avn ed Screet Srevcie. Nseit si nmaleijk awt eth ljkit.


    17-04-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Something red

    SOMETHING RED, SOMETHING YELLOW

    Zoals gewoonlijk sijpelden ze ’s ochtends met z’n tachtigen het grote gebouw van productiehuis ?CAKEJE? binnen vanuit diverse invalshoeken. Daardoor merkten ze het eerst niet van elkaar. Pas toen zoals elke dag groepjes en groepen ontstonden en de eerste noodgedwongen samenscholingen (‘vergaderingen’) zich voordeden, begon het ze op te vallen. En dat zorgde voor onuitgesproken verbijstering. Nochtans betrof het geen ‘speciale’ dag, pakweg Valentijnsdag of Secretaressedag.

    Veel vrouwen droegen die dag iets roods, zes vrouwen droegen iets opvallend geels en een paar uitzonderingen liepen er doodgewoon bij. Nog een andere uitzondering betrof Loredana, die uitdrukkelijk zowel iets roods als iets geels droeg, maar helemaal niks met Spanje of een furie te maken had. Alleen Michèle was natuurlijk weer met saai blauw omhuld.

    Er heerste dus duidelijk verbijstering. Dat kon je vooral aflezen aan de katachtige blikken waarmee de roden naar de gelen loerden en de gelen naar de roden. Het hele gamma van felle gevoelens kwam stilzwijgend aan bod: spot, meewarigheid, misprijzen, verwondering, haat, nieuwsgierigheid, woede, leedvermaak, jaloersheid, onrust. Loredana vertoonde een zweempje van triomfantelijkheid. Maar (en dat was bekend) die kon goed acteren. Er werd echter vooral gezwegen over kleren en kleuren.

    De mannen constateerden dat kleurgedoe natuurlijk ook. Maar omdat ze een vrouwelijk complot vermoedden (waarbij de vrouwen zelfs in twee kampen opgesplitst leken te zijn), durfde niemand van ze hardop te interpelleren. Je wist maar nooit dat het hier oorlogskleuren betrof, waarvan de niet-vrouwen het slachtoffer konden worden. Of een gigantisch-gedurfde weddenschap. Daarenboven was er vanavond een receptie gepland. Alleen redacteur Jahweh durfde het aan even bij researcher Sheree te informeren of er vandaag misschien iets in Tibet stond te gebeuren. Ze keek hem schuldig aan en schudde van nee.

    Alle roden, gelen, rood-gelen en neutralen droegen echter eenzelfde iets op zich of met zich mee. Het was een brief. In het hemelsblauw uitgeprint.

    Lieveling

    Ik hoop dat ik je zo aan mag spreken. Vergeef me deze te korte brief waarin ik zoveel zou willen zeggen. Reeds lang verlang ik naar jou. (Vergeef me ook de herhaling). De wanhoop nabij schrijf ik je deze brief. Schrik niet; oordeel niet. Ik heb het beste met je voor. Het zit zo: ik ben een gezonde kerel met een goede smaak. Dat meen ik te mogen stellen. Die goede smaak is er de oorzaak van dat ik mijn oog op jou heb laten vallen en daar niet meer van af raak. Ik zie je bijna elke dag op het werk. Het is geen droom; je bent echt. Maak mijn dromen ’s nachts ook waar. Ik gooi het eruit: ik zie je graag. Wil je met mij naar bed? Draag nu donderdag iets opvallend geels als je dat wil. Een duidelijk rood signaal betekent nee. In het eerste geval maak ik me diezelfde dag nog kenbaar bij jou. Je zult het je niet beklagen. In het andere geval blijf ik een van jouw vele stille aanbidders hier in de firma en loop ik mijn verdere leven met een donkerrood bloedend hart rond. Je bent immers de Vrouw van mijn Leven. Ik hoop op geel!

    Een hopeloos verliefde collega X

    De hele verdere dag verliep onder hoogspanning. Er was immers ook een avondreceptie op til: redacteur Camiel verliet ?CAKEJE? voor een televisiezender. Hij zou met drank en hapjes uitgewuifd worden. Diverse ploegen en researchers trokken eropuit, maar keerden ook zo vlug mogelijk naar de uitvalsbasis van ?CAKEJE? terug. Arendsogen alom.

    In de kantine zat Jahweh omstreeks het derde middaguur met chirurgische aandacht in zijn koffie te roeren. Hij had de indruk dat er in diverse kleinere kliekjes al verstolen over het kleurrijke thema gedebatteerd was. Périnne bijvoorbeeld was vanmiddag roodgloeiend van woede (?) de refter uit gestoven. Loredana werd wenend in de toiletten aangetroffen. Vandaag vielen ook de puur mannelijke samenscholingen op, weshalve er ook puur vrouwelijke ontstonden. Verder dan ‘De vrouwen zijn weer bezig’ was men echter niet gekomen.

    De saaiblauwe Michèle kwam ook een takefiveje nemen. Er trok weer bewolking over het gezicht van koffiemadam Machteld toen Michèle zoals gewoonlijk een cappuccino vroeg.
    ‘Dat is het ontbijt voor de Italianen, de echte,’ merkte ze voor de tiende keer vinnig op. ‘Het is verdorie drie uur in de namiddag.’
    ‘We zijn hier in België, en ik kan dat woord nog correct schrijven ook,’ repliceerde Michèle, uitdrukkelijk naar de gelamineerde prijslijst wijzend.
    ‘Seut,’ dacht Machteld, maar ze slikte dat in en boog zich over de scheikunde van een cafetariacappuccino.
    ‘Ha, Michèle,’ deed Jahweh. ‘Niet in het rood? Niet in het geel? Weet jij wat er gaande is vandaag? Mis ik iets? Of is dat allemaal voor de receptie van Camiel?’
    ‘Niet morsen op je mooie jurkje,’ mompelde Machteld daartussendoor.
    Even liet Michèle haar blikken over haar eigen saaie blauwe outfitje glijden. In scholen of kloosters zou ze helemaal niet opgevallen zijn.
    ‘Dat moet lukken hé, Jahweh, dat iedereen vandaag zo van diezelfde kleuren draagt … allez, de meesten toch.’
    ‘Ja … eigenaardig. Jij niet? Weet jij van niks?’
    ‘Niemand heeft wat gezegd. Eh … ‘ Michèle onderbrak zichzelf om haar cappuccino van de toog te gaan plukken. Ze ging tegenover Jahweh zitten.
    ‘Ja?’
    ‘Misschien vertel ik het toch beter niet.’
    ‘Eh … wat? Ik eh … ik kan zwijgen hoor. Is er iets aan de hand? Het is een weddenschap hé? Heb ik gelijk?’
    Michèle roerde de smurrie door haar koffie en glimlachte wrang.
    ‘Of heb je zwijgplicht? Sarah heeft je verboden er iets over te zeggen zeker? Is het zo?’
    ‘O, nee … ‘
    Toen haalde Michèle in een opwelling de brief boven. Die zat zo klein mogelijk gevouwen in een van de geheime plooien van haar outfit. Van achter haar horecaverschansing spiedde Machteld als een roofvogel mee; ze had natuurlijk alles gehoord.
    ‘Lees maar.’
    Michèle streek het ding wat glad en gaf het aan Jahweh.
    ‘Waw,’ deed Jahweh na lectuur.

    Het bleef wel een halve minuut lang stil. Machteld was gestold in haar laatste gebaar. Michèle keek naar niets, naar buiten, haar blikken zwevend over een saai gazon. Jahweh, die zelfs bij de aanschaf van een notenkraker rekening hield met de wetten van de fysica, dacht er niet aan haar te laten gaan vooraleer hij het fijne van de zaak wist. Bedachtzaam stak hij haar de brief opnieuw toe, terwijl Machteld honderd foto’s ontwikkelde in de doka van haar hoofd.
    ‘Eh … er heerst hier vandaag een oorverdovende stilte,’ poneerde hij dan. ‘Men zwijgt hardop. Veel vrouwen hebben blijkbaar eenzelfde anonieme brief gekregen. Gebeurde dat met de post? Waar is … ?’
    ‘Ja. De enveloppe ligt thuis.’
    ‘Geen afzender natuurlijk? Nee. Zal wel niet. En de poststempel?’
    ‘Hier in de stad verzonden. Gisteren.’
    ‘Tja … wat denk jij zelf, Michèle?’
    ‘Ik … Ik doe daar niet aan mee. Zoals je ziet.’
    ‘Zoals ik zie,’ beaamde Jahweh.
    (En hij dacht erbij: Knoop jezelf in hemelsnaam eens op een andere manier op, Michèle, blauw is zo … zo blauwkousachtig. En dat voor een productiehuis!)
    ‘Het is nog ver van 1 april hé.’
    ‘Nee. Ja. Heeft iemand je vandaag er al over aangesproken? Soms is een dader … eh, ik zal het anders stellen:
    wie met veel gesnuif naar de dader informeert, heeft zelf de scheet gelaten.
    ‘Maar ze lopen zelf allemaal op eieren! Meer dan de helft kleurt verdorie rood of geel! Er loopt zelfs een rood-geel kieken tussen!’
    ‘Maar rood betekent toch … eh … heb je er geen opmerkingen over gekregen? Jij hebt immers helemaal niks roods aan hé. Vrijwel de enige … ‘
    ‘Wie zegt dat mijn tanga niet rood is?’ sneerde Michèle totaal onverwacht. Daar had Jahweh even niet van terug. Hij vermeed angstvallig zijn blikken tot op bedoelde hoogte (nou: laagte) te laten zakken. Het bleef even stil.
    ‘Ik denk toch dat Camiel er voor iets tussen zit,’ zei Jahweh dan.
    ‘We zullen het misschien rap te weten komen, hé,’ antwoordde Michèle. ‘Ik moet er weer vandoor nu.’
    In een ijltempo slurpte ze haar cappuccino halfleeg en verdween als de wiedeweerga.

    Het feestelijke uur der gouden zuiltjes geluk was aangebroken, ter gelegenheid van het vertrek van redacteur Camiel. Het atrium in ?CAKEJE? liep omstreeks 17 u 30 al vlug vol: niemand had zich na de officiële werkuren nog naar huis gespoed in verband met andere kleren. Het atrium kleurde dan ook intens rood en geel.

    Zou er nu nog iets kleurrijks gaan gebeuren?
    Was een dader(es) zich nu grondig aan het verkneukelen?
    Was er misschien candid camera in het spel?
    Zou iemand plotseling op een stoel klauteren en verkondigen dat hij/zij een leuke weddenschap had gewonnen?

    Men hield feestvarken Camiel in de gaten, maar van die kant kon het blijkbaar niet komen. De man werd geheel in beslag genomen door afscheidnemende vrienden en vijanden die schouderklopjes uitdeelden en toespraakjes hielden en door interpellaties over de televisiezender waar hij voor zou gaan werken.
    De receptie verliep zoals de aard van het receptiebeestje was, met name: de mens. De toegepaste meetkunde van de sociogramwetenschap (een apocriefe afdeling van de betweterkunde ofte betuttelanis) draaide weldra vierkant in het rond. Natuurlijk zorgde de liquide daarvoor: een aanvaardbaar en betaalbaar afgeleide van echte champagne, want het waren oliecrisistijden. Minkukeltjes probeerden te zeggen waar het op stond tegen hun onmiddellijke chefs. Omhooggevallen hoofddrollen lieten zich bediening door hun pluimstrijkers en slijmjurken welgevallen. Onafhankelijke vrijbuiters fladderden van groep tot groep in de waan dat ze populair waren. Maar de spanning bleef voelbaar. Ook de grote bazen bleken geen vat te hebben op het kleurengedoe.

    Jahweh Desimpel, lid van de exclusieve en geheime weddenschapclub IDYOM (I Dare You Owe Me) keek op zijn horloge. Omstreeks 19 uur zouden de clubleden Herman Cappoen en Akkemay Vandecasteele arriveren om poolshoogte te nemen van het percentage roodgeelheid. Ze waren hier nog nooit geweest. Hij grinnikte: zijn 500 euro waren binnen. En Akkemay zou dus ook als stripteaseuse moeten optreden. Ter plekke. Het beloofde nog een leuke avond te worden.

    Tussen de ruggen door wadend, zijn glas als een splijtzwammetje voor zich uit torsend, zocht Jahweh de saaiblauwe Michèle weer even op. Toen hij bij haar groepje aanmeerde, vroeg ze:
    ‘Scheet gelaten, Jahweh?’


    25-03-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.IJsdood

    IJSDOOD

    Mevrouw Jezebel Gheysens had een bijzonder eigenaardig karaktertrekje. Ze veroorzaakte graag wanorde in de wereld, zodat haar eigen puinhoopje thuis minder op zou vallen. Zo schiep ze er een waar genoegen in stiekem warenhuizen overhoop te halen. Per bezoek verhuisde ze diverse producten van hun ene vaste naar een compleet andere plaats. Rolmops zette ze tussen schoolboeken. Broccoli deponeerde ze tussen whiskyflessen. Schoensmeer parkeerde ze broederlijk naast het ijs in de vrieskasten. Ravioli trof zichzelf volgens zijn eigen verbazing tussen de parfums aan. Op een van haar baldadige uitstapjes (mevrouw Jezebel Gheysens frequenteerde diverse warenhuizen in een wijde omtrek) werd ze echter zelf getroffen door een moleculair misverstand en zwaartekrachtig onheil. Met dodelijke afloop. Na hevige regen die anderhalve dag had geduurd, had het twee opeenvolgende dagen en nachten beenhard gevroren. Op het zeil van de vrachtwagen die voor haar reed, lieten grote, messcherpe ijsschotsen los. Regenwater had zich in het zeil opgehoopt en was later bevroren. Een van die bevrorenregenprojectielen belandde tegen hoge snelheid op haar gezinswagen. De voorruit werd verbrijzeld. Vervolgens werd Jezebel onthoofd door dat grote ijsmes. Misschien was het de wraak van duizenden ontevreden klanten, die hun weg niet meer vonden in de vertrouwde rangorde van de warenhuisrekken. Of was het de wraak van de voorwerpen: regen die een andere vorm aannam en onder deze vermomming een moordaanslag pleegde op de warenhuisdaderes? Het ongeval gebeurde op een verlaten weg. De vrachtwagenchauffeur had niks gemerkt en was doorgereden. Toen men de kaduke auto en de onthoofde mevrouw erin ontdekte, was het ijs al voor een flink stuk gesmolten. Men stond voor een raadsel.


    16-03-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dode adder (tail)

    -Ik richtte niet minder dan zeventien firma's op.
    -Allemaal opslag en overslag?
    -Nee. Ik ga prat op een waaier van activiteiten.
    -Zoals daar zijn? Met permissie.
    -Eh . . . tapijten. Vreemde dieren. Vleeswarenmachines. Textiel.
    (-Kaas! Oude kaas!
    -Nee, Eliott, nee)
    -Containergewijs?
    -Niet altijd. Dat groeide gestaag.
    -Topmanagers willen graag in de politiek.
    -Ik heb een andere roeping.
    -Dat merk ik.
    -Ik voel me naast manager ook headhunter.
    -Jaagt u regelmatig?
    -Ik wil de beste krachten op de beste plaatsen in mijn bedrijven.
    -Wordt er soms op u gejaagd?
    -Ik ben af en toe opgejaagd, haha.
    -Mag ik u feliciteren met uw werkwijze?
    -U bedoelt?
    -Dat spervuur van vragen. Ik voel me zowat een röntgenfoto.
    -Hahaha.
    -Vooral als detective in dienst van de stad.
    -Even andersom is ook best leuk.
    -O?
    -Vraagt u maar door. Het ontspant me. Ik vind het leuk dat de rollen nu omgekeerd zijn.
    -Voelt u zich een mecenas?
    -In zekere zin.
    -Dewelke?
    -Ik verschaf werk. Toegegeven: soms al eens zwart.
    -Hebt u vijanden?
    -Hoge bomen vragen veel lucht. Eh . . . wind.
    -Baart het milieu u zorgen?
    -Wie met oudjaar 'gezondheid' zegt, moet het gelag willen betalen.
    -Dat hebt u proper geformuleerd. Vindt u politiek belangrijk?
    -Ik lees drie kranten per dag.
    -De opiniebladzijden, neem ik aan?
    -Ook die. Plus de krantenpraat.
    -Beursnoteringen?
    -Mijn boekhouders hebben daar aparte brilletjes voor.
    -Leuk voor ze.
    -Vooral voor mij.
    -Voelde u zich nooit geroepen iets anders te ondernemen?
    -Apotheker, ballonvaarder, astronaut, even zelfs priester.
    -Dat ligt al zo ver uiteen als Martina Navratilova en paus Johannes XXIII.
    -Ook u formuleert wonderbaarlijk.
    -Hebt u lijfwachten?
    -Nee.
    -Worden we afgeluisterd?
    -Nee.
    -Weet iemand dat ik hier ben?
    -Niet echt.
    -Ook uw schoonzoon niet?
    -Alleszins niet. Bij god: nee.
    -Zult u de andere sollicitanten nog opbellen?
    -Misschien.
    -Ik zou u van het bestaan van een tovenares kunnen overtuigen.
    -Ik ben alweer een en al nieuwsgierigheid.
    -Mag ik nog es dat spel kaarten?
    -Alstublieft.
    -Kiest u een willekeurige kaart uit het pakje.
    -Hierzo.
    -Toon ze me. U mag ook kijken.
    -Het is de hartendame.
    -Ja. Nu belt u de tovenares.
    -Haha. Ik ken het nummer niet.
    -Ik dicteer het je. Oké. We zijn zover. Geef me nu uw gsm.
    -Alstublieft.
    -Is de tovenares thuis?
    - . . .
    -Ik wil de tovenares spreken.
    - . . .
    -Dat klopt.
    - . . .
    -Nu geef ik u de telefoon. Luistert u goed.
    -Hartendame - hartendame - hartendame - hartendame . . .
    - . . .
    -U zegt niets? U ziet plotseling zo bleek.
    -Het was een vrouwenstem.
    -U bent de sigaar, hé?
    -Eh . . .
    -U kent toch die stem?
    - . . .
    -En nu ter zake.
    -Ter zake?
    -U weet dat ik het weet?
    -Eh . . . wat bedoelt u?
    -Van u en mijn vrouw.
    (-Serpent! Serpent!
    -Serpent! Serpent!)
    -Eh . . . kwam u daarvoor . . .
    -Denkt u dat ik een oen ben?
    -Maar ik wou u . . .
    -Blaaskaak.
    -Zij heeft zelf . . .
    -Adderengebroed.
    -Ik wil echt wel . . .
    -U herkende toch de stem van de tovenares wel? U belde haar zelf zo vaak op.
    -Ik eh . . .
    -Legedozendirecteurtje van mijn kloten.
    -Denkt u even goed na vooraleer u . . .
    -Wilt u een hoorndrager van me maken?
    -Maar ik . . . zij . . .
    -Ik ben stadsdetective, sukkel, remember. Dringt dat nu tot u door?
    -U wou toch heel graag . . .
    - . . . heel graag wou ik u de verrassing van uw miserabel leven bezorgen, ja. Een verwittigd man was er twee waard.
    -Ik heb het nooit zo gewild!
    -Had u vroeger moeten bedenken.
    -Kan ik iets voor u . . . Kunnen we iets . . . !?
    (-Kaasje! Haasje-repje!
    -Kop dicht, ongedierte)
    -Laat ik uw taal spreken, stukje onbenul: de vogel is verdronken.
    -Maar u gaat toch niet . . . Ik smeek u . . .
    -Nog een laatste whisky, mijn beste?
    -Dat kunt u niet maken!
    -Zie: ik maak alles nieuw.
    -Kunnen we niet tot een schikking komen?
    -Een laatste wilsbeschikking, ja. Geldt ook voor die stomme vogel.
    -Wat gaat u met me doen?!
    -Iets wat u nooit na zult kunnen vertellen. U zult het geheim goed bewaren.
    -Bij god, u bent goed gek.
    -Mijn vrouw is op de hoogte; ik nam haar mee naar de Ardennen. Daarna naar de afdeling Universitaire Proefdieren.
    -U kunt mij ook vergeven! Ik wil alles in het werk stellen om . . . U krijgt de job! Nu!
    -Stop die in je reet, breedsmoelkikker.
    -Maar . . .
    -Erwtensoep, hé? Hahaha. Thuis is het bouillabaisse. Anderhalve seconde, hé? Hahaha. Nu zal het ietwat langer duren.
    -Doet u dat niet!
    -O jawel. De plicht roept. Die ene daad in een mensenleven, weet u wel. Kamikaze. Anarchist.
    -Alstublieft!
    -Bang voor een dode adder? Wat zullen ze opkijken in de afdeling Universitaire Proefdieren! Vergeet de diepgevroren schapenbout, het minispuitje of de nagel zonder kop. Een gulle gift vanwege een oudgediende. Beetje gif ook, nietwaar?
    -Dat kunt u niet menen!
    -De taxidermist wacht al op mij.
    -Doe geen dingen waar je . . .
    -O jawel. Zeer zeker. Ziet u mijn containertje staan? Rechtstreekse import uit de donkere Ardennen.
    -U bent niet meer bij uw zinnen!
    -De dood komt als een dief in de namiddag.
    -Maar . . .
    -Uw eigen woorden.
    (-Kra! Kra!
    -Kra! Kra!)
    -Laat me alles uitleggen!!
    -Uw tijd is om.
    -Speelt u nu een spel of . . .
    -Ik ben bloedstollend ernstig. Nu is het mijn beurt om headhunter te spelen. En u bent een zeer slechte detective.
    -Ik smeek je . . .
    -Zo, dat was het.

    De sollicitant legt zijn aktetas op tafel, klapt die open en haalt er een dode adder uit. Eliott de raaf vliegt krijsend weg. De sollicitant springt op en wurgt de headhunter met de dode adder.

                                                                                                  EINDE


    03-03-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dode adder (36)

    -Noemt u dat dan een held?
    -Nee, oorlogsmisdadiger. Hij werd dan ook door de goden gestraft met tien jaar verbanning annex beproevingen.
    -De Joden?
    -Nee: de goden.
    -Weet u wel zeker dat u voor onze firma wil komen werken?
    -Een functie in uw managementkader ambieer ik al lang.
    -De firma is een oud huis van vertrouwen.
    -Niet alle containers worden op hun inhoud gecontroleerd.
    -Dat is normaal. Een deel van de handelspraktijken gebeurt in vertrouwen en via documenten.
    -Koopt u dan soms een container waarvan de inhoud u niet bekend is?
    -Dat gebeurt.
    -Frequent?
    -Vaker is de inhoud wel bekend: kleren, bananen, olie. We openen die niet, maar drijven er handel mee.
    -Koopt u dan nooit eens een kat in een zak?
    -Het is zoals zakdoekje-leggen of iene-miene-mutte: bij wie aangetikt of aangeklopt wordt, die moet opendoen.
    (-Tiercelijn! Tiercelijn!
    -Tiercelijn! Tiercelijn!)
    -Tiercelijn was toch de raaf in Reinaert de Vos?
    -Ja, de boodschapper.
    -Eliott kent zijn geschiedenis, voorwaar. Oké. Kat in zak. En dan?
    -Die kan pech hebben.
    -Concreet?
    -De container kan een dubbele wand hebben.
    - . . . of een compleet ingerichte keuken met wassalon.
    -Haha. U drijft het wel ver.
    -Kwaad opzet valt toch moeilijk te onderscheiden van pechtoeval?
    -Het rad der fortuin kan inderdaad ook een marteltuig zijn.
    -Alles is omkeerbaar?
    -Laat ik u een wedervraag stellen: is het Heilig Land ook een veilig land?
    -Ik pas. Maar ik heb een wederwedervraag.
    -Doet u maar. Of is het een vraag met een strik rond?
    -Zo u wil. Alle Russische immigranten die in Israël van het vliegtuig stappen, zijn musici.
    -Ja?
    -Eh . . . Ze hebben hun instrument bij zich: viool, fluit, accordeon, hobo, . . .
    -Ja.
    -Maar wie heeft niets bij zich?
    -Eh . . .
    -Denkt u aan uw containers.
    -Eh . . . u kaatst de bal terug, hé? Ik zou het niet weten.
    -Pianisten.
    -O. Juist. Ja.
    -Ik wil nu niet op pianisten schieten.
    -U zou een prima manager van een luchthaven zijn.
    -Toch maar liever van Elvis Presley. Hij is een ietsje beweeglijker dan een luchthaven.
    -Elvis has left the building.
    -Helaas voor mij speelt hij nu harp in plaats van gitaar.
    -Ja, jammer.
    -Was u zelf ooit sollicitant?
    -In zekere zin.
    -Wanneer, als ik vragen mag?
    -Eerder examinandus. Examens, weet u wel. Ik solliciteerde naar punten.
    -Met goed gevolg?
    -De professoren waren op voldoende wijze tevreden.
    -Aha. En daarna . . .
    -Daarna de economie in, nietwaar.
    -Ook met goed gevolg?


    13-02-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dode adder (35)

    -Toekijken kan ik niet; ik wil of in de coulissen of op de planken.
    -We eindigen allemaal tùssen planken.
    -Of in een urne. Life's but a walking shadow.
    -Pardon, u zegt?
    -You never walk alone. Een evergreen uit de voetbaltribunes.
    -O, Dickens?
    -Nee, Shakespeare.
    -O, die. Saaie apostel. Gek taaltje kraamde die uit.
    -Theater is nou niet per se mijn kopje thee.
    -Rijdt u te paard? Speelt u golf?
    -Die genoegens gaan alsnog aan mijn neus voorbij.
    -Bent u sterk in improviseren?
    -Ik wil het proberen.
    -Doet u het?
    -Als ik langer dan anderhalve seconde aan het woord mag zijn.
    -Dicht u eens iets voor de vuist weg.
     
    -Mijn vader had een paard en lang haar.
      -Typisch voor die tijd, tenzij dat paard.
      -Nu is hij een geknipte zestiger.
      -Ook mama speelt soms nog gitaar.
      -Maar haar paardenstaart is van de kaart.
      -Mijn broer kan dit alles bevestigen.
    -Indrukwekkend. Wil u nu een kommetje erwtensoep?
    -Echt niet, dank u. Ik hou het bij de whisky.
    -Idem dito.
    -A whisky a day . . .
    -Het mag voor u ook best een graadje meer hebben, hé?
    -Middelmaat is niet boeiend. Middle-of-the-road is dodelijk.
    -Nee. Ja.
    -De uitersten op de koortsmeetsysteemstrook zijn dat wel.
    -Pas op: struikel niet.
    -Pardon? Waarover?
    -Struikel niet over dat lange woord.
    -Ah, onmogelijk. Is men in deze firma misschien verknocht aan erwtensoep?
    -Ja. Het is een traditie gegroeid met de jaren.
    -Pauze is gelijk aan erwtensoep?
    -Ja. We bestellen er elk jaar vier containers van.
    -Misschien drong u daarom op erwtensoep aan?
    -Ik wou u letterlijk van de firma laten proeven.
    -O.
    -Het is ook beleefdheid. Of gewoontevorming. Blij dat u voor whisky koos.
    -Er is wat aan de hand met containers de laatste tijd.
    -Om de haverklap. Zeg dat wel.
    -Vooral die uit Midden-Amerika, vindt u niet?
    -Eh . . . ja.
    -Vaak weet men niet wat er te voorschijn komt: heroïne, illegalen, dodelijke virussen, afhaal- en meeneem-Chinezen, . . .
    -Opslag en overslag van goederen is onze specialiteit.
    -Via containers?
    -Vooral.
    -Het is prettig als een firma gespecialiseerd is in opslag.
    -Haha.
    -Containers zijn de moderne paarden van Troje.
    -O?
    -Odysseus vulde het paard eigenlijk met door pest besmette soldaten. Meestal dode. Binnen de stad Troje was men niet op de hoogte van de pestepidemie die het invasieleger van Agamemnon getroffen had.
    -En zo . . .
    -En zo viel Troje natuurlijk. Odysseus paste als allereerste biologische oorlogsvoering
    toe.


    31-01-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dode adder (34)

    -O? Lust hij dat?
    -Nee, maar hij vreet alles na vervaldatum.
    -Dat is erg handig.
    -Schenk ik u nog wat bij?
    -Ach . . .
    -Hierzo. Geneer u niet. Ikzelf . . .
    -Dank u.
    -Weet u: sommige sollicitanten sneuvelen door overdreven beleefdheid. Kruiperigheid, welhaast.
    -Men houdt zich dan wel bij voorkeur op de vlakte.
    -Maar een oordeel vellen over zo'n grijze muis is dan wel een karwei. Je weet niet wie je voor je hebt.
    -Dat kan ik me levendig voorstellen.
    -Zo. Lekker, dat. Waarover hebben we het nu nog niet gehad?
    -De Boerenkrijg. De Beeldenstorm. De Stomme van Portici. Het Marshall-plan.
    -Haha, u maakt een grapje.
    -Ik hou de moed er altijd in. Grapje.
    -Mooie aktentas hebt u daar. Wat steekt erin, als ik vragen mag?
    -Een dode adder.
    -Dat meent u niet.
    -Jawel.
    -Wat gaat u daarmee doen?
    -Ik heb vandaag nog een afspraak met de taxidermist.
    -O. Een hobby?
    -Wat mij betreft wel.
    -Ik zal u maar niet vragen uw aktentas te openen.
    -Geen gevaar: de adder is echt dood, hoor.
    -Heeft u nog andere dieren die u . . .
    - . . . laat volproppen met het eeuwige leven? Nee. Het is een eenmalig geval.
    -Zijn eeuwige jachtvelden situeren zich dus bij u thuis.
    -Ja. Maar hij was al groggy voor ik hem vond.
    -O?
    -Hij kronkelde halfbewusteloos over een Ardens weggetje toen ik hem niet meer ontwijken kon. Auto plus adder is gelijk aan dode adder.
    -En u bracht hem naar onze platte palingstreek mee?
    -Ja. Een souvenir.
    -Nou, geef mij dan maar een opgezette vogel. Eh . . .
    (-Serpent! Serpent!
    -Jij niet, Eliott!)
    -Hahaha. Een pechvogel.
    -Was u in de Ardennen onlangs?
    -Ja. Een werkbezoek. U weet dat onze stad verbroederd is met een Ardense zusterstad.
    -O ja.
    -Ik sprak er de gemeenteraad toe over mijn huidige job.
    -U kon er het nuttige met het aangename paren.
    -Ach, ik ben niet zo'n bostoerist.
    -Wat vindt u van dit kantoor?
    -Ik merk dat u van kunst houdt.
    -O? Daar is toch niets van te zien hier?
    -Dat is het nu net: kiezen is verliezen. Als iets hier hangt of staat, is een ander iets er niet. Geniaal. Ik volg u ook helemaal.
    -Als u me nu vleit, dan gebeurt dat magistraal.
    -Ik smeer u geen stroop aan de baard.
    -U moest advocaat geworden zijn.
    -Heden ten dage kan men de straten plaveien met advocaten.
    -Of, beter nog: pleitbezorger.
    -Ik hou liever zelf toespraken dan dat ik ze voor iemand anders schrijf.
    -U treedt graag voor het voetlicht?


    14-01-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dode adder (33)

    -Oké. Wat verwacht u van een boek?
    -Boek?
    -Eh . . . verhaal, roman.
    -Een veelbelovende openingszin. Ooit collectioneerde ik die.
    -U lijdt aan verzamelwoede.
    -De meesten verzamelen geld en vrije tijd. Of proberen dat toch.
    -Herinnert u zich nog goeie openingszinnen?
    -Als de dag van gisteren. Zal ik . . . ?
    -Graag. Ik ben een en al oor.
    -'Van de woede der Noormannen, verlos ons, o Heer'.
    -Mm.
    -Een historisch verhaal uiteraard.
    -Uiteraard.
    -'Imagine a cold, windy night'.
    -U houdt echt van slecht weer, hé?
    -Slecht weer is goed weer voor mij.
    -Als u dat vaak hardop denkt, loopt u kans op een pak rammel.
    -Dat besef ik.
    -Waarover ging dat boek?
    -Een perfecte moord.
    -O, dat onderwerp sneden we al aan.
    -Ja.
    -Welk boek heeft uw leven beïnvloed?
    -Geen enkel. Maar ik ben gefascineerd door een onvoltooid verhaal.
    -?
    -De schrijver stierf halfweg bladzijde 205, woensdagmiddag 8 juni 1870. Een beroerte.
    -O?
    -The Mystery of Edwin Drood, een misdaadverhaal van Charles Dickens.
    -De dood komt als een dief in de nacht.
    -Of de dag. Het gebeurde in de late namiddag.
    -Eh . . . ja.
    -Eigenlijk heeft Dickens met zijn totale schrijverij mijn leven beïnvloed, bij nader inzien.
    -Hoezo?
    -Nadat ik zowat alles van hem gelezen had, hield ik zelf op met dagboeken bij te houden.
    -Waarom? Kon hij het beter? Haha.
    -Een schrijver die zo veel opschrijft, elke dag, werkt ontmoedigend. Ik zag het niet meer zitten. Al die lettertjes en petites histoires.
    -Welwel. Ga door.
    -Sommige schrijvers probeerden later nog een vervolg en een slot aan The Mystery of Edwin Drood te breien. Zonder succes.
    -U ook?
    -O nee.
    -Hanteert u momenteel nog de pen?
    -Nee, de pc.
    -Ja. Wat schrijft u?
    -Ik pleeg in mijn vrije tijd wel eens een gedicht of een kort verhaal.
    -Heeft u al gepubliceerd?
    -Met mate.
    -Tiens, ik heb nog niets van u gelezen.
    -Het gebeurt sporadisch en op kleine schaal.
    -Waarom vermeldt u dat niet op uw cv?
    -Het voegt niets toe aan het profiel dat u voor ogen hebt.
    -Maar het kan een extra argument betekenen.
    -Voor sommige werkgevers betekent het vooral 'tijdverlies'. Of 'gebrek aan inzet en concentratie'. Dichters zijn niet zo gegeerd op de arbeidsmarkt.
    -Nou, ik hou van kunst. Dat kan ik u meegeven.
    -Dat verheugt me.
    -Poëzie vind ik wel moeilijker.
    -Dat is de aard der zaak.
    -Maar een gedicht fietst er bij mij wel in.
    -O.
    -En een kunstwerk aan de muur geeft cachet.
    -Dat is zo.
    -In de familie hebben we . . . (gsm-signaal. Air: 'London Bridge is falling down, falling down'). Een ogenblikje.
    - . . .
    -Ja? . . . Mm . . . Mm . . . Nee . . . Mm . . . Mm . . . Misschien . . . Oké ...
    -Sorry. Een vennoot.
    -Alvast geen slapende vennoot.
    -Gelukkig niet. Waar waren we ook alweer gebleven?
    -Eh . . . staatssubsidies voor kunstenaars.
    -O ja? Moeten die voor u?
    -Helemaal niet. Kunst moet vrij blijven.
    -Soms moet men vrijheid kopen. Met geld kan dat toch?
    -Staatscenten voor kunst zie ik niet zo zitten.
    -Waarom niet?
    -Als het experimentele kunst is, merkt iedereen op: moet daar ons belastinggeld tegenaan gegooid worden? Die rommel. Dat kan ik ook.
    -En . . . ?
    -En als het meerderheidskunst is, bevestigend en veilig dus, speelt dat dan weer in de kaart van Vadertje Staat. Overbodige fotokopieën van een behoudsgezind bestel.
    -Mm . . .
    -Denk aan het Russische sociaalrealisme of de nazikunst uit het Derde Rijk.
    -De kunstenaar moet het dus zelf zien te rooien?
    -Privégiften hoeft hij om den brode niet te weigeren.
    -Een zienswijze. Hebt u ook een kunstcollectie?
    -Elk boek is een kunstwerk; ik beschik over een ruime bibliotheek thuis.
    -Goed zo. 'Toon mij uw boeken en ik zal u zeggen wie gij zijt'.
    -Dat heb ik nog gehoord. Nee: gelezen.
    -Nou, iets anders nu.
    (-Oude kaas! Oude kaas!
    -Eliott toch!)
    -De raaf heeft blijkbaar honger.
    -Aldoor. Vanavond krijgt hij een portie olijven.


    27-12-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dode adder (32)

    -Business as usual?
    -Boter bij de vis; boter op het hoofd.
    -Ik volg u helemaal. Gunt u een concurrent zijn overwinning?
    -Zo ik niet mee in de competitie zat: ja.
    -En anders?
    -Anders is het even blazen geblazen. Desnoods blozen.
    -Een gezonde reactie. Geeft u de verliezer nog een natrap?
    -Niemand heeft al ooit geklaagd over mijn traptechniek.
    -Kunt u medelijden aan de dag leggen voor pechvogels?
    -De bal is rond voor iedereen. Helaas, soms, helaas.
    -Bent u van het type 'Een goede daad per dag'?
    -Dat type is eerder des jeugdbewegings. Ik ben ietwat gezegender in leeftijd.
    -U beschouwt dat als een voordeel?
    -Wijn, violen en mannen worden beter naarmate ze ouder worden.
    -Dank u. Het seksmuseum of het Stedelijk Museum?
    -Eerst een hotel zoeken; daarna zien we wel.
    -Wat hoopt u na dit gesprek?
    -Dat het vandaag geen blauwe maandag is. Was.
    -Na zo'n kruisverhoor zult u zich voorzeker wel even ontspannen?
    -De bourgogne staat alweer klaar. Jawel.
    -O, en de vrouw . . . ?
    -De vrouw is uit winkelen. Oeps!
    -O?
    -Het is niet wat u denkt, haha.
    -Hahaha. Wat zijn we even stout.
    (-Kaasje-oud! Kaasje-oud!
    -Straks, Eliott, geduld)
    -U hebt toch nog wat tijd?
    -Time is on my side.
    -U citeert?
    -Een klassieker uit ver bevlogen tijden.
    -I see. Ziet u een missie naar het buitenland zitten?
    -Ik rij vlot links en spreek probleemloos Duits aan de rechterkant van mijn mond. Mijn thuis is waar mijn hoofd naar staat, bis. Excuus voor de herhaling.
    -Uw goed recht. Hebt u een strafblad?
    -Ja.
    -Mag ik daar meer over weten?
    -Ja. Er staat niets meer op.
    -Prima. Eh . . . : niets 'meer'?
    -De jeugdzonden zijn geschrapt.
    -Eigenlijk ben ik toch benieuwd.
    -Ik plaste ooit tegen de muur van een kathedraal en werd betrapt.
    -Ja, en?
    -Toen kreeg ik Smaad en Weerspannigheid aan mijn been.
    -Waarom?
    -Ik verzette me tegen de aantijging Openbare Zedenschennis.
    -Twee vliegen in een klap, dus?
    -Precies.
    -Dat waren uw wilde jaren, neem ik aan?
    -Dat betrof vooral de weerspannigheid der blaze.
    -Eh . . . een kathedraal?
    -Ja. Vlak bij een bistrootje. Ik was toen net benoemd als Hoofd Afdeling Universitaire Proefdieren, begrijpt u.
    -Alle begrip. Proefdieren. Eh . . . Was u lang bij die proefdieren?
    -Drie jaar.
    -En daarna . . .
    -Tot nader order: wie momenteel voor u zit.
    -Wel, dat kunnen we geen vlakke carrière noemen, hé?
    -Men wil hogerop. Meer is in ons.
    -Even een totaal onder ander . . . verdorie, ander onderwerp: junkfood.
    -Oude kleren en oud papier werden in hamburgers verwerkt.
    -U valt met de deur in huis.
    -Ik ontdekte dat als stadsdetective.
    -Proefdieren?
    -Even vreesde ik ervoor.
    -En?
    -Kleren en papier worden sedert mijn optreden apart gesorteerd.
    -U mag zich nu zelf wederom graag tot het nuttigen van een hamburger laten verleiden?
    -Ja, maar liever pluk ik friet uit een puntzakje, na eerst kopje-onder gegaan te zijn in de mayonaise. Ik bedoel de friet.
    -Aha.
    -Gun het cliché zijn bestaan: de donut staat tot de politieagent zoals de hamburger staat tot de stille. Of de friet dus.
    -De stille, zegt u?
    -Jargon voor de uniformloze.
    -U kickt niet op uniformen?
    -Men kan me alleen herkennen aan mijn zwarte schoenen. The rest is silence.
    -Houdt u een dagboek bij?
    -Eind 1999 hield ik dat voor bekeken.
    -Tijdgebrek?
    -Tabula rasa. Schone lei.-Hield u dat lang vol?
    -Sedert een bootreis in 1969.
    -Dertig jaar lang dus.
    -De behoefte om alles op te schrijven, is niet zo dwingend meer.
    -Het leven is zo al kort genoeg, nietwaar?
    -Een dagboek kan ook een bezwarend document vormen. Alles wat u schrijft, kan tegen u gebruikt worden.
    -Als het eerlijk is ten minste. En was dat zo?
    -Ik beperkte me tot de naakte feiten.
    -Hebt u iets met boten?
    -Ja, maar vraag me niet wat.


    10-12-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dode adder (31)

    -Hoe is het om in een kooi te wonen? En blijft de buitenwereld permanent gestreept als je uit de kooi bent, zoals nu?
    (-Mooi! Mooi!
    -Mooi! Mooi!)
    -Voilà: nu weet u het.
    -Voor de helft, ja. Krijgt hij nu een blokje oude kaas?
    -Straks. Op twee vragen tegelijk antwoorden kan Eliott niet.
    -Zoals de meeste mensen.
    -Bent u een feestneus?
    -Niet in de klassieke zin van het woord.
    -Geen carnaval voor u?
    -Ik laat me nog liever administratief aanhouden.
    -Oudjaar?
    -Geen confetti in mijn kruin of aan mijn krent.
    -Hebt u bij uzelf al eens racistische gevoelens geconstateerd?
    -Ik praat ongaarne met dronken Duitsers. Voetbalgeweldenaars vind ik een minderwaardig zootje ongeregeld. Een lage levensvorm.
    -Of, nog gevaarlijker: geregeld.
    -Ja, ergens loopt er een spoor van hersenen door, helemaal onderaan.
    -De gekleurde medemens roept anders geen wrevel bij u op?
    -U zegt het zelf: medemens.
    -Goed. Hebt u een stopwoord?
    -Ik hoop van niet.
    -Genoot u een strenge opvoeding?
    -Genieten is hier niet zozeer van toepassing.
    -Voedde u uw eigen kinderen gezagsvriendelijk op?
    -Bedoelt u: antiautoritair?
    -Allebei.
    -Nou: ik voedde ze, en liet ze vooral gerust. Ze werden alsmaar groter.
    -Zijn ze uws inziens goed beland?
    -Jazeker. Na de onvermijdelijke buiklandingen, eigen aan bepaalde leeftijden.
    -Voelde u zich goed in uw vel als stadsdetective?
    -Ja hoor. Nog altijd.
    -O?
    -Tot nader order ben ik dat nog altijd. Dit is een sollicitatiegesprek.
    -Precies.
    -En er zijn nog andere kandidaten voor deze job, eh . . . functie.
    -Precies. Hoe schat u uw eigen kansen in?
    -Op de klassieke arbeidsmarkt ben ik gezien mijn leeftijd afgeschreven. Hier liggen de zaken even anders, naar ik mag hopen.
    -Het door ons vooropgestelde profiel gewaagde inderdaad niet van een leeftijdsbeperking.
    -Gelukkig voor mij.
    -Over fitheid hebt u niet te klagen?
    -Ik zie elke dag blij tegemoet. Dat geldt tevens voor de ledematen en de heupen.
    -Offert u weekends op voor uw werk?
    -Wee de tunnelmens die zich van de ene zaterdag naar de volgende zondag sleept.
    (-Rep je! Rep je!
    -Klep dicht, Eliott!)
    -De vogel is wel gevat, moet ik zeggen.
    -Welke vraag zou u als stadsdetective nooit aan een verdachte stellen?
    -Waar was u de nacht van vrijdag op zondag?
    -Haha. Laten we de rollen even omdraaien en . . .
    -Nam u ooit een modderbad?
    -Eh . . . wablieft?
    -Nam u ooit een modderbad?
    -Wat bedoelt u? O, ik snap . . .
    -Dat is de meest onverwachte vraag die u nooit aan mij zou stellen.
    -Inderdaad. Heb ik dus ook niet . . . Ach, ter zake. Kunt u een geheim bewaren?
    -Desnoods levenslang.
    -Dat is prima. Bent u nieuwsgierig van aard?
    -Alleen beroepshalve.
    -Volgt u de actualiteit?
    -De actualiteit volgt mij.
    -Wat is momenteel een doorn in uw oog?
    -Het neertellen van miljarden voor een beroepsvoetballer.
    -O. Hoe heet die kerel?
    -Figo. Morgen kan hij zich dodelijk verslikken in een visgraat.
    -Nou en?
    -Een deel van de wereldbevolking kan zich niet eens vis veroorloven, bijgod.


    25-11-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dode adder (30)

    -Zeer bizar. Daar moet je in Indië voor zijn.
    -Het was een marteling voor knieën, ellebogen en schouders.
    -En werd hij heilig daardoor?
    -Het volk wil brood en spelen. Hij leefde ook zes maanden op gras.
    -Is er nog van dat fraais?
    -Hij bleef twee en een half jaar rechtop staan, geleund op het plankje van een schommel.
    -O. Ziet u er een personage voor een film of een boek in?
    -Nee. Een karikatuur. Of bezienswaardigheid.
    -Is de Heilige Maagd Maria daadwerkelijk aan kinderen verschenen?
    -Zij is vooral verdwenen. Een kenmerk van heiligheid.
    -Houdt u van graffiti?
    -De betere in hun soort. En op de juiste plaats.
    -Citeert u er twee, a.u.b.
    -Eén: Kilroy was here. Twee:
    Wij hebben toch gezegd dat wij op de muren zouden schrijven!
    -Is de paus echt onfeilbaar volgens u?
    -De paus is een merlijnfiguur: hij draait de klok terug naar toen de wereld nog zo plat als een vijg was. -O?
    -Van een platte wereld kun je makkelijk afvalligen stoten.
    -Komt hij dan ook uit de toekomst?
    -Hij ziet er alleszins altijd vreselijk oud uit.
    -Wil u hem ontmoeten?
    -Nee. Mijn agenda staat al bol van de audiënties.
    -Hebt u last van zenuwen?
    -Ik ben nog nooit veroordeeld voor zenuwfeiten.
    -Kunt u begrip aan de dag leggen voor de seriemoordenaar?
    -Een zekere regelmaat valt niet te ontkennen. Het opeten van andermans organen roept wel vragen op.
    -Welk beroep wil u hoegenaamd niet uitoefenen?
    -Tandarts, deurwaarder, lijkschouwer, wetsdokter.
    -Wat dan wel?
    -Manager voor Maria Callas of Elvis Presley.
    -Hebt u momenteel een diepe gedachte?
    -Ja. Over anonimiteit.
    -Spreek op.
    -Anonimiteit kan een dekmantel voor onbenul zijn of een bewust gekozen levenswijze. Soms ben ik razend nieuwsgierig daarnaar.
    -Welwel.
    -Ja. Soms vraag ik me af waarom iemand een pseudoniem kiest. Vooral bij schrijvers heb je dat.
    -Je zult bijvoorbeeld maar als Jantje Verdomme of Erwin Scheet geboren zijn.
    -Ja. Of als Mietje Achternicht.
    -Overwoog u zelf nooit een schuilnaam?
    -Ik strijd met open vizier.
    -Dat is toe te juichen. Geeft u toe aan leedvermaak?
    -Alleen als er weer eens een mythe sneuvelt of een heilig huisje ineenstuikt.
    -Een voorbeeld?
    -Mag dat stom zijn?
    -Ik sta open voor alles. Sla me met verstomming.
    -De leeuw is niet de koning der dieren. De leeuw valt zijn of haar prooi in groep aan. De leeuw is een lafaard en een luiaard.
    -Zoekt u het nu niet te ver?
    -Ik geef liever geen voorbeeld uit de mensenwereld.
    -Op de vlag van de Vlamingen prijkt een leeuw.
    -En ook op een heuvel in Waterloo.
    -Wat is uw probleem daarmee?
    -Leeuwen tref je hier niet aan.
    -Is dat dan de pretentie van een klein land?
    -Dat heb ik niet zelf gezegd. Ik wil geen tweede Salman Rushdie worden.
    -Een haan dan als symbool? Een lelie?
    -Voor mijn part een kiwi.
    (-Raaf! Raaf!
    -O ja, Eliott, o ja)
    -We dwalen af.
    -Omwegen kunnen verheldering brengen.
    -Kunt u een zinvolle vraag bedenken voor mijn raaf Eliott hier?
    -Ja.
    -Ga je gang. Eliott, luister.


    06-11-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dode adder (29)

    -Hebt u gerevolteerd op school?
    -In de toiletten floot ik 'We shall overcome'.
    -O?
    -Ik kon niet zingen.
    -Een verlegen baasje?
    -Bij de apostelen was ik Johannes geweest; bij de voetbalploeg een verre verdediger; op de speelplaats pendelde ik tussen de cowboys en de indianen.
    -Wat werd het dan?
    -Gewoonlijk afvallige cowboy of dissidente indiaan.
    -O, toch al een kopje toen? Stijfkopje?
    (-Koppie-koppie!
    -Jij niet, Eliott!)
    -De rol van dolende ridder of geheimzinnige schim in het struikgewas lag me beter.
    -Misschien had u toch beter voor het acteren gekozen.
    -Ik schrijf liever zelf de wetten dan dat ik ze uitvoeren moet.
    -Wie heeft uw denkbeelden beïnvloed?
    -De schrijvers en de dichters, denk ik.
    -In deze volgorde?
    -Vooral de dichters.
    -Ofschoon die dus ook schrijver zijn.
    -Woorden schieten altijd te kort.
    -Wat trekt u in de dichters aan?
    -Van sommigen: hun poëzie.
    -En daarin?
    -De verhevigde taal. De verdichte vorm. Verhaaltjes op zich boeien me niet.
    -O nee?
    -Er is niets nieuws onder de zon.
    -Ballet? Opera?
    -Ik zeg niet nee.
    -Fotografie?
    -Binnen het kader van een eeuwigheid: ja. Het hoofd van de mens is een doka. Laat ons ontwikkelen.
    -Wat vindt u van experimenten in de kunst?
    -Kunst moet altijd experimenteel zijn.
    -We hadden het daar al een beetje over.
    -Een beetje, ja.
    -Alle gegevens zijn belangrijk in dit sollicitatiegesprek.
    -Daar ben ik me terdege van bewust.
    -Hebt u ergens verschrikkelijk spijt van?
    -Dat ik ooit met roken ben begonnen.
    -O?
    -Ja, dat speelt een rol in leven, liefde en dood.
    -U kunt er elke dag mee kappen.
    -Ja.
    -U doet het niet?
    -Vooralsnog niet. Achillespees. Het is dom en pretentieus van mij. Alsof ik het eeuwige leven heb.
    -Tja.
    -Ik hoop elke dag: dit is de dag.
    -Ja?
    -Ooit komt de dag. Misschien morgen. Morgen misschien.
    -In welke gevallen neemt u een blad voor de mond?
    -Als ik voel dat men meer weet.
    -Welke is de meest menselijke manier van executie?
    -De guillotine, als het toestel perfect werkt.
    -En de vreselijkste?
    -Ophanging en brandstapel. Ik verdraag geen touw om mijn hals.
    -De middeleeuwen spreken u niet erg aan?
    -Tandpijn moet verschrikkelijk geweest zijn. Eten met de handen is dan wel weer fijn.
    -Wat beschouwt u als bizar?
    -Slangenmensen. Recordpogers. Degenslikkers. De Indische Rolling Saint.
    -Pardon?
    -Heeft niets met The Rolling Stones te zien.
    -Verhelder even.
    -De Rolling Saint wentelde zich duizenden kilometers ver om zijn eigen as op weg naar een of ander heiligdom boven op een berg.
    -Doorheen alles?
    -Over, tussen en doorheen alles. Het bleef maar duren.


    19-10-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dode adder (28)

    -Contaminaties. Bloedserieuze uitspraken van mensen die niet weten waar Abraham het zout haalt.
    -Een voorbeeld, graag?
    -Haha.
    -Nee? U lacht.
    -Vooruit dan maar, andermaal: jagen is een kluifje naar mijn hond.
    -Hànd, hé?
    -Eh . . . u bent . . .
    -Hahaha. Hebbes. Wel grappig.
    (-Vos! Vos!
    -Shut up, Eliott!)
    -Mag men van u het onmogelijke verwachten?
    -Voor zover dit mogelijk is: ja.
    -Waar krijgt u het heel erg op de heupen van?
    -Jodelen.
    -Geen hoedje met een veer op voor u?
    -Nog liever een pukkel op mijn pief.
    -Pief?
    -Neus.
    -O, maar u hoeft dat hoedje niet te dragen, hoor.
    -Dan ook de piefpukkel niet.
    -Haha. Een contaminatie?
    -Alweer niet.
    (-Wrattenpad! Wrattenpad!
    -Ha, die Eliott!)
    -Wat voor dier wil u in uw wapenschild voeren?
    -De eenhoorn.
    -O, waarom?
    -Hij bestaat net zo min als mijn wapenschild.
    -Voelt u zich goed in een massa?
    -Ik voel me dan eigenlijk vooral massaal.
    -Zou u graag beroemd willen zijn?
    -Vooral erkend. Niet zo zeer herkend.
    -Dat scheelt een slok op een borrel.
    -Nu u het zegt . . .
    -Alstublieft.
    -Dank u. Prosit.
    -Proost. Wat gaat de tijd vlug, vindt u niet?
    -Inderdaad, zowel voor de slak als voor de hst.
    -Heeft het leven nog geheimen voor u?
    -Drie.
    -Die zijn?
    -Leven, liefde en dood.
    -Grote thema's, voorwaar.
    -Ja, maar zeer concreet.
    -Was u . . . Is u goed voor wiskunde?
    -Getallen en cijfers zijn ook woorden. Vooral woorden.
    -Worstelde u nooit daarmee?
    -Er was een leeftijd waarop ik dacht dat achtentachtig meer was dan honderd.
    -Waarom?
    -Het klonk langer, indrukwekkender.
    -Pure logica.
    -Ja, hé? Maar ik had buiten de waard gerekend.
    -Haha. Waren er nog van die dingen?
    -Een brik halfvolle melk is bij aankoop niet halfvol.
    -Om je te bescheuren.
    -En er is nog iets.
    -Vertel op.
    -Mijn vrouw is jarig op 20 december.
    -Ja, en?
    -Dat is helemaal op het einde van het jaar.
    -Dat klopt.
    -Daardoor dacht ze vroeger dat ze uit de solden kwam. Een overgeschoten kindje dat niemand moest hebben en maar liggen bleef.
    -Hahaha. En dat met kerst en nieuwjaar voor de deur!
    -Ja, maar twee weken daarvoor was de goede man al langs geweest.
    -Ook nog waar. Ach, kinderen, hé? Hebt u een gelukkige jeugd gehad?
    -Wastobbes, kasseien, fletse straatlampen, elastieken kousenophouders, soldatenradio, vellen op de melk.
    -Broers? Zussen?
    -Voor zo ver het oog reiken kon. Twee vrouwelijke en twee mannelijke fotokopieën van mezelf.
    -Was u de oudste?
    -Nog altijd.


    02-10-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dode adder (27)

    -De zeestorm in Zorba de Griek, de Ierse kuststorm in Ryan's Daughter; doorheen diverse westerns wervelt ook een knot ragebolachtig prairiegras voorbij als voorspel op een revolverduel. Beregezellig desolaat!
    -U moest filmregisseur worden.
    -Liever producent.
    -Whatever. Of was u toch graag acteur geweest?
    -Het nabauwen van andermans teksten lijkt me niet echt bevredigend. Papegaaienwerk.
    -Een klassiek toneelspeler misschien?
    -Evenmin.
    (-Eliott! Eliott!
    -Hou je waffel, Eliott)
    -Bent u bijgelovig?
    -Nee.
    -Rituelen? Slaapt u bijvoorbeeld met uw navel naar de aarde gericht?
    -Dat weet ik niet, want dan slaap ik.
    -Op welk ander zintuig dan ogen en oren doet u het meest een beroep?
    -Ik ruik. Ik bedoel . . .
    -Haha. Ja. Welke geur hebt u het liefst?
    -Benzine. Een pas aangestreken lucifer. Niet in deze combinatie, welteverstaan.
    -Gaat u soms een weddenschap aan?
    -Alleen als ik kan winnen.
    -Kunt u me verbazen?
    -Ik meen van wel.
    -Hoezo?
    -Ik zou u van het bestaan van de tovenaar kunnen overtuigen.
    -Ik ben een en al nieuwsgierigheid.
    -Mag ik een spel kaarten van u? En straks gebruik ik ook even uw telefoontoestel, met permissie.
    -Ga uw gang. Alstublieft.
    -Kiest u een willekeurige kaart uit het pakje.
    -Hierzo.
    -Toon ze me. U mag ze ook zien.
    -Schoppen vier.
    -Ja. Nu bel ik de tovenaar.
    -Haha.
    -Is de tovenaar thuis?
    - . . .
    -Ik wil de tovenaar spreken.
    -. . . . . . . . .
    -Dat klopt.
    -. . . . . . . . . . . .
    -Nu overhandig ik u de telefoon. Luistert u goed.
    -Schoppen vier - schoppen vier - schoppen vier - schoppen vier . . .
    -Dat is formidabel. Kunt u me de truc verklaren?
    -Die staat beschreven in de autobiografische roman 'Het spinsel van de eenzaamheid' van
    Paul Auster.
    -Ken ik niet.
    -Nu wel.
    -Daar neem ik notitie van. Ik wil er het fijne van weten.
    -Blij u even verbaasd te hebben.
    -Hebt u soms plankenkoorts?
    -Ik maak pijlen van mijn plankenkoorts.
    -Koestert u sympathie voor de dynastie? Het koningshuis?
    -Het moet erg zijn als een hondje af en toe uitgelaten te worden.
    -Het zijn toch de anderen die opzitten en pootjes geven?
    -Dat is maar schijn.
    -O?
    -Ja. Zoals in het dolfinarium de zeehond de oppasser goed heeft getraind. Telkens hij met de speelbal jongleert op zijn snoet, gooit de man met een vis. Het publiek applaudisseert voor de oppasser.
    -Het is een zienswijze. Tiens.
    -Zeker weten.
    -Kan een leger de vrede bewaren?
    -Nog zo'n slapende hond.
    -Waar moet u hard om lachen?


    18-09-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dode adder (26)

    -Verwondering gegarandeerd.
    -Zijn er dingen of zaken die tot uw grote spijt aan het verdwijnen zijn?
    -Vlinders, sproeten en kroontjesvulpennen.
    -Hebt u vliegangst?
    (-Haastje-repje! Serpent!
    -Zo is 't genoeg, Eliott!)
    -De claustrofobie is op dat moment groter.
    -Viert u Kerstmis?
    -Met mate. De weekheid der dagen kan een valstrik zijn.
    -Ja?
    -Voor toegevingen. Slechte beslissingen.
    -Bestaat de perfecte moord?
    -Lucht in de halsslagader spuiten. Of met een minispuitje insuline tussen de tenen. Echt wel een minispuitje, dat beklemtoon ik.
    -Dus niet de diepgevroren schapenbout of de nagel zonder kop door de schedel gedreven?
    -O nee: te literair.
    -Niet perfect, dus.
    -Helemaal niet.
    -Is er leven na de dood?
    -Er is alleszins leven voor de dood. Ik zou het echt niet weten.
    -Maakt u dat onrustig?
    -Ik lig er soms wakker van.
    -Houdt u van Mozart?
    -Dat hangt van het tijdstip af.
    -. . . antwoordde de mens diplomatisch.
    -Bach bijvoorbeeld is een bad voor de hersenen.
    -Welke categorie van mensen haat u zonder meer?
    -De tappers van moppen, de buigers en neerbuigenden, opscheppers.
    -Zowat de hele mensheid dus.
    -Het scheelt niet veel.
    -Oosten, westen, zuiden, noorden?
    -Westen en noorden.
    -Aarde, lucht, water, vuur?
    -Water en lucht.
    -Hoe kanaliseert u uw agressie?
    -Schaken, volleybal, woorden.
    -Woorden?
    -Scheldwoorden.
    -Wat is uw belangrijkste wapen?
    -Humor.
    -Bent u eerder een zondagskind dan wel een schrikkelkind?
    -Mocht 29 februari op een zondag vallen, dan zou ik geboren worden.
    -Wat mist u het meest in uw leven?
    -Een tweelingzus.
    -Gelooft u in de zin van dit bestaan op deze aarde?
    -De beroemdste vrouw ter wereld is een schilderij.
    -Vindt u zichzelf intelligent?
    -Ik weet wat ik niet weet.
    -Wat weet u dan niet?
    -Wat ik graag zou weten.
    -Wat heeft onze samenleving te kort volgens u?
    -Gebrek aan haast. Het gaat te traag.
    -In welk landschap zou u wel willen wonen?
    -Een stadslandschap.
    -En daarbuiten?
    -Friese platheid, laaghangende wolken, wadden, slikken, schorren, kusten, eilanden als Shetland.
    -Verzamelt u vreemde voorwerpen?
    -Verkeerde lieveheren. Daar hebben we het al over gehad.
    -Nog iets?
    -Beroemde stormscènes uit films.
    -Hoe gaat dat in zijn werk?
    -Ik leg die vast op dvd's.
    -Kunt u daar een korte bloemlezing van geven?


    02-09-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dode adder (25)

    -Daar is iets voor te zeggen. Andere vraag: waartegen kan u zich absoluut niet verweren?
    -Ik kan me geen houding geven bij mannen die wenen.
    -Mannen mogen toch wenen?
    -Dat heb ik niet beweerd.
    -Inderdaad. Daar hebt u dus moeite mee?
    -Ja. Een man die weent, is heel ver heen, mag men aannemen.
    -En?
    -It's sometimes the lager weeping.
    -O?
    -Kinderen en dronkaards vertellen de waarheid.
    -U hebt het over dronken mannen dus, als ik het goed begrijp?
    -Mannen wenen alleen openbaar als ze zat zijn. De rest is verborgen.
    -Is u dat zelf ooit overkomen?
    -Ja.
    -Wil u dat vertellen?
    -Nee.
    -Ook goed. Wenst u zelf nog een bepaald onderwerp aan te snijden?
    -Ja: knoflook.
    -Knoflook, verdorie!?
    (-Zeventien! Zeventien!
    -Verdomme, zwijg toch eens, pluimvee!)
    -Sorry. Knoflook!?
    -Precies. A la recherche du temps perdu.
    -Nou, eh . . . vertel het maar.
    -Een Franse schrijver opende tantes koekjesdoos. Dat was de aanzet tot een literair oeuvre van wereldformaat.
    -Hm . . .
    -Geuren zijn belangrijk. Onthoudt u dat.
    -Ruikt u nu knoflook?
    -Nee: ik proef het woord.
    -Hoe komt u daar nu plotseling op?
    -Ik wil u confronteren met iets onverwachts. U stelde me zelf de vraag.
    -Inderdaad, eigen schuld. Tiens: knoflook.
    -Net zo goed was het rabarber.
    -U hebt me liggen, hé?
    -Dat lag niet in mijn bedoeling. Laten we wel wezen.
    -U wil echt niet even pauzeren?
    -Nee, hoor. Ik neem alvast nog een slokje.
    -O, ja. Alstublieft.
    -Dank u. Gezondheid.
    -Santé, andermaal.
    -Als ik u vragen mag: sloeg u ooit een modderfiguur?
    -Niet dat ik weet.
    -Gaat u a.u.b. heel ver terug in uw verleden.
    -Misschien op school.
    -Shoot!
    -De leraar aardrijkskunde vroeg een plaatsnaam die met een Z begint.
    -Waarom?
    -Om breedtegraden te leren. Hij situeerde landen op breedtegraden.
    -Wat antwoordde u?
    -Zürich.
    -Nou, en?
    -Hij wou natuurlijk 'Zwitserland' horen.
    -Ah, zo. Natuurlijk. Makkelijker te situeren, hé?
    -Het stonk ook altijd in dat klaslokaal.
    -Hoezo?
    -Er hing een vreemde geur. Iets van opgeslotenheid. De stank van . . . aardbol.
    -Tja. De wereld ons dorp, hé. De shit moet je erbij nemen.
    -Het was een muffe geur, nee: reuk, die claustrofobie veroorzaakte.
    -En dat in een geografievaklokaal, of all places.
    -Ja. Brr.
    -Kat of hond?
    -Poes.
    -Waarom?
    -Katten blaffen niet.
    -Londen of Parijs?
    -Herfst in Londen; lente in Parijs.
    -Op welke plaatsen wenst u liever niet gezien te worden?
    -Kermissen, abattoirs, Blankenberge, pretparken, alle biotopen voor onderbroekenlol, Benidorm.
    -Zegt een adellijke titel u iets?
    -Ik koester wel eens een luchtkasteel.
    -Hoe reageert u op een domme vraag?
    -Wist u dat de Russen hun frambozen pletten in spierwitte melk?
    -O, met een wedervraag dus?


    15-08-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dode adder (24)

    -Ach, hij beschikt over zeventien woorden.
    -Zoals de wolf zijn staart in zeventien standen kan tonen.
    -Is dat zo?
    -Dat meen ik te weten.
    -Nou. Wolven.
    -U herkent ze aan hun schapenvachten.
    -Haha. U bent nu halfweg uw leven. Wat wil u nog verwezenlijken?
    -Ik wil deze job.
    -Die zit. En daarbuiten?
    -Als een mens geen dromen meer heeft, kan hij het wel schudden. Ik wil een boek schrijven, een boom planten, een film maken en de wereld rondreizen in een zeppelin op zoek naar een onontdekt eiland.
    -Hoe luidt uw grafschrift?
    -Zo, dat was het. Geen gotische letter aub.
    -Is dat alles?
    -Ja. Vier woorden, twee leestekens. Goedkoop voor wie achterblijft. Een samenvatting voor de goede verstaander.
    -Wil u niet liever in een urne belanden?
    -Alleszins. Zekerheid voor alles. Maar met dezelfde inscriptie. Men heeft vat op een urne, nietwaar.
    -Onze firma doet ook aan nazorg bij een eventueel overlijden.
    -Dat is bijzonder leuk om te horen. Maar een overlijden is nooit eventueel.
    -Inderdaad niet. Aan weerskanten van het gelijk hebt u gelijk, om even uzelf te citeren. Ik hoop dat u me niet te cynisch vindt?
    -Was de kat een koe geweest, je kon ze melken bij de kachel. Een afleidingsmanoeuver. Het genoegen is geheel aan mijn kant.
    -Gelooft u in het bestaan van engelen?
    -Ik vraag me af welk geslacht ze hebben. Wellicht geen.
    -O?
    -Onbelangrijk. Engelen kunnen de ziel van iemand ontsluieren alleen door te luisteren.
    -Dat is mooi gezegd.
    -Het komt niet van mezelf.
    -Van wie dan wel?
    -Ene Swedenborg.
    -Ken ik niet.
    -Nu wel.
    -Ik hoef u niet te vragen of u van kunst houdt?
    -Nee.
    -Wat trekt u daarin aan?
    -De schok der verandering.
    -U bedoelt?
    -Interessante kunst verwondert of choqueert. Al de rest is kopie, ambacht, vernuft, talent of esthetica, zeg maar: virtuositeit.
    -Is kunst nuttig?
    -In de mate dat ze de meerderheid en de veiligheid verontrust: ja. Kunst moet niet bevestigen. De categorieën 'mooi' of 'lelijk' en 'goed' of 'kwaad' kunnen hier niet van toepassing zijn.
    -Anderhalve seconde. Oké. Nipt.
    -It's a matter of the heart.
    -Ga door.
    -Een hart mag evenmin beoordeeld worden op 'rechts' of 'links', 'goed' of 'kwaad'. Er moesten andere woorden voor zijn.
    -Dewelke?
    -Vooralsnog onbekend, dus ongebruikt.
    -U bent wel zeer abstract bezig nu.
    -Ja: kunst en hart, ziel en liefde.
    -Waar zit de ziel van de mens?
    -Schrik niet: in de linkeroorlel.
    -Hahaha!
    -Dat schiereilandje kippenvel. Wie aan zijn linkeroorlel frunnikt, raadpleegt zijn ziel. Een vaak onontdekt eiland.
    -Waar ergert u zich bovenal aan?
    -Dom hoor: aan domheid.
    -Ja?
    -Omdat domheid zichzelf niet herkent.
    -Hoe herkent u die dan?
    -Ik ben niet dom: aan hoogdravendheid en onwetendheid.
    -Vindt u dat zo erg?
    -Het is een compartiment van de hel. Maak het maar mee.
    -Sommigen zijn nu eenmaal minder bedeeld dan de anderen.
    -Maar ik heb het over domheid bij mensen van wie je het niet verwacht.
    -Nam u dan zelf nooit eens de verkeerde beslissingen?
    -Wie zijn kop niet uitsteekt, krijgt geen slaag. Brààf!


    27-07-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dode adder (23)

    -Zeker weten?
    -Ik wil mijn toegangsticket helemaal opgebruiken.
    -Haha. U bent een man met . . .
    -. . . ballen? Sorry.
    -Sorry?
    -Niks speciaals. Ik zei iets lulligs.
    -Dat zal ik dan maar officieel ontkennen. Droeg u ooit een baard?
    -Gezichtsbeharing was schering en inslag medio jaren zeventig.
    -Koestert u sympathie voor nationalistisch gedachtegoed?
    -Amper sympathie: de wereld is een dorp met vele buren.
    -U bedoelt?
    -Sommigen zien groen van nijd, anderen dan weer blauw van de kou.
    -U loopt niet achter vlaggen aan?
    -Of ik zou me van stoet moeten hebben vergist.
    -Stel: de regering recruteert geheimagenten. Gaat u in op een dergelijke sollicitatiemogelijkheid?
    -Nee.
    -Waarom niet?
    -Omdat men eigenlijk maskers vraagt die zichzelf wensen te ontmaskeren.
    -Ontmaskeren?
    -Ja: ten opzichte van de regering.
    -U denkt aan Sidney Reilly nu?
    -Bijvoorbeeld. Hij vond zijn einde in Finland. Mooi land, maar ietwat doods.
    -Wat is volgens u een held/heldin?
    -Iemand die ongezien een bovenmenselijke daad stelt.
    -Wat vindt u bovenmenselijk?
    -Je eigen persoon wegcijferen, ontkennen of verbazen.
    -De anarchist?
    -In laatste instantie.
    -En in eerste?
    -Bijvoorbeeld de getalenteerde die zich voor de ongetalenteerde opoffert. De gezonde voor de zieke. -De kamikaze?
    -Zo u wil, want de keizer was ziek. Maar hier waren de weduwen de heldinnen. Vrouwen zijn krachtiger dan mannen.
    -Gaat u verder op dat laatste in.
    -Ze praten er niet over. Verstolen verwezenlijkingen dwingen respect af.
    -De slagvelden werden door mannen bevolkt, hé?
    -En worden. Ja.
    -Waar waren, eh . . . zijn de vrouwen dan?
    -Onbemand maakt onbemind.
    -Iets in mij zegt me dat u ook een ladiesman bent.
    -Lady's man of ladiesman?
    -Pardon?
    -Pardaf. Enkelvoud of meervoud?
    -Eh . . . vallen de vrouwen voor u?
    -Niet op een slagveld.
    -U antwoordt diplomatisch.
    -Toegegeven: ik win tijd.
    -Wel? Als vrouwen meer stelen dan mannen: bent u al eens door een vrouw gestolen?
    -Sommige vrouwen zijn nieuwsgierig.
    -Komaan, iedere man heeft toch in zijn leven . . .
    -This is strictly business, sir. Sir!
    -Oh yes. Nothing personal.
    (-Serpent! Serpent!
    -Och zwijg toch, ongedierte!)
    -Sorry, hoor. Een vogel is ook maar een vogel.
    -Hij lijkt mij wel degelijk het gesprek te volgen.


    11-07-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dode adder (22)

    -Door kwaad te worden op de pretentieuze mensen die alsmaar plannen voor de toekomst smeden. Ze kunnen verdorie zo doodvallen!
    -Men moet toch altijd vooruitkijken in het leven?
    -Niemand doet meer aan termijndenken dan ik. Vandaar mijn opstoten van doodsangst.
    -Aha. I see.
    (-Boompje groot, baasje dood!
    -Shut up, Eliott)
    -De tijdscapsule brengt u bij voorkeur naar welke periode terug?
    -Ik twijfel tussen bronstijdperk en Italiaanse renaissance.
    -De apenplaneet of de Sixtijnse Kapel dus, haha.
    -U zegt het.
    -Hebt u begrip voor kamikazepiloten?
    -Volkomen.
    -Waarom?
    -Al hun weduwen gaven hen gelijk. De geest is sterker dan het lichaam.
    -Zou u dat zelf doen?
    -In al zijn zinloosheid is het zinvol. Een eenmalige anarchistische daad om een totalitair bestel in stand te houden.
    -Toch vreemd, op de keper beschouwd.
    -Zelfmoord als wapen?
    -Nee. Wat u daarnet opmerkte.
    -Paradoxen zijn interessant.
    -Wat denkt u over de grote, kleine Napoleon?
    -Dat handje in zijn jasje ter hoogte van de borststreek rustte wellicht op zijn portefeuille.
    -Hihi, of op zijn tabaksbuidel. We springen van de hak op de tak, hé?
    -Het is een deugddoende geestesoefening.
    -Als ik zeg 'rabarber', wat associeert u daar dan op? Vlug!
    -Meer rabarber.
    -U bent van geen kleintje vervaard, hé?
    -Alle kleintjes maken een groot.
    -Houdt u van verrassingen?
    -Alleen aangename. Overigens:
    ik heb nog een verrassing voor u.
    -O?
    -Laat het een verrassing blijven.
    -Daar kan ik inkomen. Ik ben benieuwd. Hebt u nog wat tijd?
    -Ik heb alle tijd van de wereld.
    -Ik niet. Maar het schiet goed op. Gebruikt u vaak scheldwoorden?
    -Verrassende vraag. Soms. Ik ken mijn Bijbel.
    -Een voorbeeldje, graag.
    -Adderengebroed.
    -Hoe weert of wapent u zich tegen valselijke aantijgingen?
    -Wat je zegt, ben je zelf. Men projecteert heel vaak zichzelf.
    -Zei ik 'valselijke'?
    -Ja.
    -Moest het niet zijn 'valse'? 'Valselijke' klinkt zo ouderwets.
    -Of zo Bijbels, toegegeven. 'Valselijk beschuldigd' kan wel.
    -Oké. Dit is de Dreyfusaffaire niet.
    -'Valselijk geuite aantijgingen' ware beter geweest.
    -Het zij zo. Ook een headhunter maakt al eens een fout.
    -Het weze u vergeven.
    -Dank u. Wil u niet even pauze nemen?
    -Hoegenaamd niet: ik zit de hele match uit.


    29-06-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dode adder (21)

    -Ha, Neil Young, ken ik.
    -O ja?
    -Mijn schoonzoon . . . ach. Speelt u muziek? Een instrument?
    -Mijn vrouwelijke ouder speelde viool. Haar vader deed aan toneel. Ik dank de liefde voor de letteren aan hen.
    -O, de muziek van het woord dus?
    -Dat hebt u goed begrepen.
    -Waarmee kan men u een groot plezier doen?
    -Een schouderklop, een knipoog, een bemoedigende duim.
    -Al vaak meegemaakt?
    -Ja, maar niet bij de mensen waarvan ik het had verwacht.
    -Bent u een familyman?
    -Mijn gezin is mijn kerk, mijn sauna, mijn eiland en mijn firma.
    -Maar u bent niet vaak thuis?
    -Thuis is waar mijn hoofd naar staat. De wereld is rond: ik kom altijd terug.
    -Zegt u 'ja' tegen een vrouw die ook 'ja' zegt?
    -Dat heb ik dan als eerste gezegd.
    -Gaat u wel eens stevig uit de bol?
    -Hoe groter geest, hoe groter beest.
    -Waar kan u echt onder lijden?
    -Heimwee en nostalgie.
    -Naar . . . ?
    -Algemeen. Weltschmerz. Spleen. Wereldsmart.
    -O, romanticus?
    -Ja, maar niet in een bos of op een berg. Geef mij maar de stad.
    -U had het ook al over woestijnen.
    -De stad is vaak een woestenij van eenzame zielen.
    -Wat moet er dan gebeuren?
    -Zielsverwanten hopen te ontmoeten.
    -Vormen die dan geen bedreiging voor uw gezin?
    -Mijn gezin is een oase van begrip.
    -Weet u dat zeker?
    -Daar hebben mijn vrouw en ik voor gezorgd.
    -Hebt u een vriendin?
    -Als synoniem met 'tweede bedgenoot': nee. Vriendinnen? Zestien.
    -Bent u bij uzelf al geconfronteerd met zelfdodingsneigingen?
    -Nee. Wel met doodsangst.
    -Ja?
    -Vrijwel elke dag.
    -O?
    -Ja. Het besef: het kan plotseling gedaan zijn.
    -Hoe is dat dan?
    -Extreme nederigheid doet zich dan voor. Soms moet ik dan de neiging onderdrukken naar een kerk te hollen.
    - . . . waar u de kans loopt het bewustzijn te verliezen.
    -Ook dat nog.
    -Hoe lost u dat op?


    09-06-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dode adder (20)

    -O?
    -Nog anderen blazen er boze geesten of kwelduivels weg.
    -Eliott is maar een doodgewone raaf, hoor.
    -Akkoord. Maar de aanwezigheid van een vogel hier vond ik aanvankelijk . . . eigenaardig.
    -Toch liet u niets blijken.
    -Een goede headhunter komt onverwacht uit de hoek. Ik was voorbereid. En het went ondertussen wel.
    -U vleit me.
    (-Kaasje-repje!
    -Ja, het ging even over jou, vogel)
    -Aandacht voor onverwachte attractoren?
    -. . . en incalculeren dat ze eender waar eender wanneer opduiken kunnen.
    -Ooit was het hier eens omgekeerd: ik kreeg een sollicitant met blauw haar over de vloer. Stel je voor. Blauwe hoofdharen, bedoel ik.
    -O. Als ik zo vrij mag zijn: hoe ging u daarmee om?
    -Ik raadde hem groen aan.
    -Haha.
    -Uit sympathie voor de kwetsbare eenzaat. Eenling.
    -Heeft u hem aan een job kunnen helpen?
    -Een functie bedoelt u. Ja. Hij is ondertussen mijn schoonzoon geworden.
    -Heilig Toledo!
    -Maar genoeg daarover: this is strictly business.
    -Nothing personal.
    -Voelt u zich op de rooster gelegd?
    -Nee. Ik kijk wel uit.
    -Eh?
    -Als ik dat gevoel zou hebben, zou het betekenen dat ik schuldig ben.
    -Hoe voelt u zich dan momenteel?
    -Ik voel me doorgelicht. Maar daarvoor ben ik hier ook.
    -Bent u goed verzekerd?
    -De enige verzekering die ik nog niet heb, is een verzekering tegen verzekeringen.
    -Haha. Dat moet ik onthouden. Hoe reageert u op een slechte theatervoorstelling?
    -Met duimapplaus.
    -U zit het stuk volledig uit?
    -Tot mijn toegangsticket volledig is opgebruikt.
    -Welke vraag zou u aan God willen stellen?
    -Zo Hij bestaat, zou ik Hem vragen: houdt U van Mozart?
    -Wat zou Hij daar volgens u op antwoorden?
    -Hij zou zich diplomatisch opstellen en zeggen: Voorwaar, vaak op vrijdag.
    -Welke oneliner vergeet u nooit?
    -Het verzameld oeuvre van Oscar Wilde, een eersteklassendief.
    -En nu ernstig?
    -Een kwade Neil Young, weglopend van een meute persmuskieten na een snertinterview: 'Eat a peach'.


    21-05-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dode adder (19)

    -U houdt ook van storm en regen, naar ik vernomen heb?
    -Dat is een aspect van positieve onrust.
    -Dat geeft u extra energie?
    -Herfstigheid en wind en hemelwater geven me ideeën en inspiratie.
    -Dat zullen velen niet graag horen.
    -Ik ben al vaker in gedachten gelyncht.
    -Aan een zonnig zuiden heeft u dus geen boodschap?
    -Ooit speel ik wel eens petanque met kokosnoten.
    (-Kaasje! Kaasje!
    -Straks, Eliott)
    -Shall I make you an offer you can't refuse?
    -No sir, I don't want to sleep with the fishes.
    -Haha. Gelooft u in het bestaan van samenzweringen en complotten?
    -Sommigen willen wel tot een clubje behoren.
    -U niet?
    -Ik heb daar geen behoefte aan.
    -Waar bent u beducht voor?
    -Voor de politieke politie, voor geruchten en voor dwepers.
    -Denkt u dat u afgeluisterd wordt?
    -Dat is zo zeker als twee plus twee vier is.
    -Hoezo?
    -Internet.
    -Wie doet dat?
    -De politieke politie.
    -Welke gedachten hebt u daarbij?
    -Ha: het paard van Troje.
    -Geen gevoelens van protest?
    -Ach.
    -Hoe luidt uw motto?
    -We never sleep.
    -Het majesteitsmeervoud dus?
    -Oog, ogen: twee vooraan, een derde dat nooit gesloten is, nog enkele op de rug.
    -Hm, geen fraai zicht, dat. Maar wel doeltreffend. Handelt u impulsief?
    -Men kan alles van veel kanten tegelijk bekijken.
    -Verklaar dat even in het licht van mijn vraag.
    -Wat de ene impulsief noemt, is voor een ander energiek, of snel.
    -En?
    -Snelheid kan een zinvol manoeuvre zijn.
    -Traagheid dan ook?
    -Laat ik het 'bedachtzaamheid' noemen.
    -Vindt u het niet vreemd dat Eliott op mijn schouder zit?
    -De zitplaats is niet vreemd, nee. Eerder . . . bekend.
    -U bedoelt?
    -De linkerschouder is de poort naar de andere wereld.
    -Dat klinkt opmerkelijk.
    -Sommigen gooien centen over die schouder het water in.


    27-04-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dode adder (18)

    -De logica was me telkens te vlug af.
    -Wat kan u vertederen?
    -De charmes van dagelijksheid. De geur van zeep op vrijdag. Herfst in de tuin. Het zondagspak van Meat Pie Johny en het feestkapsel van Housecooking Sally.
    -Is dat de biedermeier in u?
    -Nee: de welwillende. Vredigheid kan zalf zijn voor de ziel. Even adem happen in de vaart der volken. Dit kan samengaan met een killersmentaliteit.
    -Haha. Ruik ik hier poëzie?
    -Zolang u me maar geen 'poëet' noemt.
    -O nee?
    -Dat is een scheldnaam.
    -'Dichter' dan?
    -Desgewenst.
    -Goed. Onder ander . . . Ander onderwerp, bedoel ik. Hebt u voeling met de jeugd?
    -Ik meen van wel.
    -Ook buiten uw eigen kinderen om?
    -Ja.
    -Hoezo?
    -Ik sta open voor hun cultuur en oordeel niet. Ik gun ze de tijd om ouder te worden.
    -Is dat alles?
    -Meer kan ik niet doen.
    -Hm . . . inderdaad . . . eh . . .
    -U kunt me in dit verband het voordeel van de twijfel geven.
    -Dat is niet nodig. U klinkt voldoende overtuigend.
    -Liever zo, dan plechtig te verkondigen: 'Ik ben zo jong als ik me voel'.
    -Daar hebt u gelijk in. Een cliché als een bouwvallige kathedraal met duivenstront op.
    -En daar zou u ook niks mee weten. Ik bedoel . . .
    -Inderdaad niet. Waar kijkt u eerst naar bij een vrouw?
    -Is dat een strikvraag?
    -Ja.
    -Hebt u die vraag al niet eerder gesteld?
    -Daarom is het ook een strikvraag.
    -De onderste lip.
    -En bij een man?
    -Ik zou het niet weten. Eh . . . wellicht de schoenen.
    -Dat was geen strikvraag.
    -Daarom antwoordde ik ook eerlijk.
    -Wat benijdt u bij door u bewonderde mensen?
    -Hun talent om uren met elkaar te praten.
    -Kunt u dat zelf niet?
    -Als een paar glazen me een kontje geven: ja.
    -Nu ook?
    -De whisky smaakt voortreffelijk. Hij helpt zowel u als mij.
    -Is alcohol ooit een probleem voor u geweest?
    -Ik vormde eerder zijn probleem.
    -Uw huis gaat in vlammen op. U mag één voorwerp redden . . .
    -Mijn agenda.
    -Wie van alle dode mensen wil u nog eens spreken?
    -De vader van mijn moeder.
    -Waarom?
    -Ik leid een moderne, nee: hedendaagse versie van zijn leven.
    -Wat moet ik me daarbij voorstellen?
    -Turbulent, intens, gevarieerd.
    -Is hij gelukkig gestorven?
    -In een handomdraai kwam men hem halen; hij was al hoogbejaard.
    -Hebt u hem goed gekend?
    -Als mezelf.
    -Bent u overal en altijd te vertrouwen?
    -Dat hangt af van wie de tegenpartij uitmaakt.
    -Hoe staat u zelf bij anderen aangeschreven?
    -Als onrustig.
    -Speelt dat in uw kaart?
    -Vaak wel. Onrust is ook energie.


    13-04-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dode adder (17)

    (-Koppie-koppie!
    -Groot gelijk, Eliott)
    -Zou u een moord begaan voor een heilig doel?
    -Ik voel geen roeping als kruisvaarder.
    -Is ascese aan u besteed?
    -Bijwijlen. Overdaad aan ascese schaadt. Regelmaat is goed. Drink regelmatig.
    -Een voorbeeld?
    -Rustig thuis, flesje wijn, drie kinderen, een vrouw, een teeveefeuilleton: dat noem ik ascese. Ideaal voor een nationale feestdag bijvoorbeeld. Of andere doem- of gedenkdagen.
    -O ja?
    -Daarbuiten bruisen of bruisten New York en Berlijn, de roaring twenty's en de rock-'n-rollende sixties.
    -Het kluizenaarsbestaan trekt u niet aan?
    -Kluizenaars zijn verborgen luiaards of boetedoeners. Soms zijn ze heel beroemd, heel rijk of heel slecht geweest.
    -Kunt u voorbeelden geven?
    -Charles de Foucauld in de woestijn; de ABBA-zangeres Anni-Frid in een voorstad van Stockholm; Cat Stevens in moslimgewaden; Cassius Clay-Mohammed Ali gegijzeld door Parkinson.
    -U lijkt wel een encyclopedie.
    -In mijn hoofd is het zo rustig als in een bibliotheek.
    -Droomt u ervan ooit naar de maan te reizen?
    -Dat wil ik graag een droom laten blijven.
    -Kunt u de twintigste eeuw samenvatten?
    -Harttransplantaties, neergekogelde presidenten, maanlandingen, oorlogen, af en toe wat vrede, zuinigjes verkaveld over de wereld.
    -We komen er niet goed uit, hé?
    -Het panorama is boeiend, maar verontrustend.
    -Is er hoop? Troost?
    -Men kan maar op één plaats tegelijk pijn hebben.
    -Welke ministerpost zou u best wel willen bekleden?
    -Die van eerste minister, maar ik val in herhaling.
    -O ja? Dat herinner ik me niet.
    -Toch wel, toen ik antwoordde: 'Ik versta de kunst van het delegeren.'
    -Ah, op die manier. Geen specifieke portefeuille dus?
    -Economie interesseert me in hoge mate.
    -Ja. Dat poneerde u voorheen al.
    -Met permissie: u lokt het ook uit.
    -Dit is een test, hé. U scoort bij de vleet. Hebt u honger?
    -Honger is een gevoel dat opzij gezet kan worden.
    -Anders laat ik iets aanrukken.
    -Ik neem des avonds mijn hoofdmaaltijd; een dag is al kort genoeg.
    -Dat klinkt goed.
    -Maar ik wil u niet naar de mond praten ... over honger gesproken.
    -Hebt u zelf al een vraag tussendoor?
    -Zeker. Toen u het over 'scoren' had, bedoelde u dat ook negatief?
    -Ik gebruikte de term neutraal.
    -Ik kan ook minpunten scoren.
    -Zo is het. Gelooft u in uzelf?
    -Aan weerskanten van het gelijk zit een gelovige. Ik geloof mijn eigen oren en ogen.
    -Uw denkbeelden omtrent anarchie?
    -Alleen de anarchist bestaat, bij gratie van de maatschappij.
    -Zoals geweldloosheid alleen ten opzichte van geweld bestaat?
    -Zoiets, ja. De anarchist stelt één grote daad in zijn leven. Daarbij is hij doodsbang.
    -Een roemloos einde dus?
    -Inderdaad. Zoals elk passieverhaal.
    -Gelooft u in hypnose?
    -Ik probeerde het af en toe zelf toe te passen.
    -En?


    24-03-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dode adder (16)

    -Dus: sympathie?
    -Ik beschouw ze als casestudy's, zeg maar: personages.
    -U zei: 'Zij'?
    -Vrouwen stelen meer. Herinner u die actrice ...
    -Hoe komt dat?
    -Het zijn de vrouwen die uit winkelen gaan. Ze hebben ook een extra holte. Vroeger gingen de mannen uit jagen, nu zwaaien zij alleen nog met messen en vorken aan barbecuestellen.
    -Het is nog altijd een mannenwereld, hé?
    -Kijk naar ons: twee mannen en een raaf.
    (-Kaasje! Repje! Kaasje! Haastje!
    -Kop dicht, Eliott!)
    -Grijpen de vrouwen binnenkort de macht?
    -Die hebben ze al.
    -Hoezo?
    -Onzichtbaar. Sluipend. Geduldig.
    -Daar heb ik nog niet veel van gemerkt.
    -Luister naar ze. Vrij niet met ze.
    -Willen ze dan niet . . .
    -Ze willen alleen een interessant nageslacht. Als het kan, zonder man. Ze hebben maar enkele kansen, die ze definitief willen benutten. Hun nageslacht kan maar klein in aantal zijn. De rest is nieuwsgierigheid. De mannen noemen het: seks.
    -Maar de man . . .
    -De man schiet er altijd op los: met kruit, kogels, kanonballen, pijlen, granaten, raketten en zaad. Zijn nageslacht is bij wijze van spreken duizendvoudig.
    -Dat klinkt Freudiaans.
    -Ik zou zeggen: gregoriaans
    -Hoor ik daar de haan driemaal kraaien? Uw analyses benemen me de adem.
    -U gunt me dan ook maar anderhalve seconde per antwoord.
    -U houdt vol als een pitbull.
    -Ik herhaal: ik ga voor goud.
    -Zal ik nog maar even bijschenken?
    -Over goud gesproken: graag.
    -Misschien had u liever bourgogne, zoals gisteravond?
    -Wijn laat zich niet paaien ante meridiem.
    -Wat is het gekste wat u ooit hebt meegemaakt?
    -In het restaurant barstte een vrouw in snikken uit omdat er krabbetjes in haar mosselen zaten.
    -En het walgelijkste?
    -Een hoogbejaarde, blinde overbuur die een vioolkist als spuugbak gebruikte.
    -Was hij dan violist geweest?
    -Nee, dat was het erge: zijn dochter.
    -Het bekende verhaal van de gesmoorde carrière, dus.
    -Ja. Hij was een door pisnijd gefnuikte fluimer. Het meisje ging dan maar uit werken.
    -Hebt u zich al bedrogen gevoeld in uw leven?
    -Ik liet het nooit zo ver komen en zette altijd zelf de eerste stap.
    -Bedroog u dan zelf?
    -Nee: ik belette mezelf dat ik bedrog moest verdringen.
    -En zette dat zoden aan de dijk?
    -Soms niet. Dan verloor ik een goede vriend.
    -Van je vrienden moet je 't hebben, nietwaar.
    -Niet is minder waar.
    -U rekende dus preventief af?
    -Ja. En soms voorbarig. Het was wel eens hommeles geblazen.
    -U houdt de zaken graag zelf in de hand?
    -Men benijdt me mijn agenda. En ik voeder zelf de goudvissen thuis.
    -En uw verborgen agenda?
    -Daar wens ik off the record op te antwoorden.
    -Niet nodig, hoor. We beginnen elkaar te kennen.


    01-03-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dode adder (15)

    -O?
    -De eeuwigheid zit vervat in elk nu-moment. Dat kan een hel zijn of een hemel.
    -En het vagevuur dan?
    -De optelsom van alle brandhaarden ter wereld plus concrete ellende in huis, tuin, keuken en bed.
    -U zinspeelt weer op die grote, blauwe plek in het heelal?
    -Precies: onze Moeder Aarde.
    -Stel: u bent jarig en u mag . . .
    -Excuus dat ik u onderbreek: verjaardagen zijn doemgedenkdagen. Tussen geboorteschreeuw en doodsreutel staan we maar even rechtop. Gedenk een trauma niet.
    -Viert u uw verjaardag dan niet?
    -Alleen misdaden verjaren.
    -Dat meent u niet.
    -Ik vier amper, en verstolen. Elk jaar passeert elk mens de dag waarop hij zal sterven. Dat kan men in beter in gedachten houden.
    -Vanwaar dat harde standpunt?
    -Het is een oefening in nederigheid.
    -Daar is iets voor te zeggen.
    -Dat is namelijk wat de mens is: hersens, vlees, bloed, merg, been, kak en pis. Een steak pretentie, dus. Alleen het blozen onderscheidt hem van de dieren.
    -Haha, u praat als een chef-kok.
    -Integendeel: als filosoof. De mens is zo pretentieus dat hij zelfs de tijd aan banden houdt om zijn pols en aan zijn muren.
    -Wilt u dan nooit weten hoe laat het is?
    -Het is altijd vijf voor twaalf.
    -U klinkt erg erudiet.
    -Ach, ik las en leerde. Ronsard was doof. Homeros was blind. Erasmus had jicht. Villon was een gangster. Defoe en Cervantes zaten in de gevangenis. Baudelaire was verslaafd, Rimbaud een wapenhandelaar, Hemingway een macho.
    -Wie las u dan het liefst?
    -James Joyce. Het systeem in de waanzin. Brilletje en witte schrijfjas, om wat extra licht over zijn papieren te laten schijnen, want hij was ook halfblind. Witte wijn.
    -Witte wijn?
    -Elke schrijver heeft een maîtresse: de literatuur. Hij viert dat met de drank. Ze bedriegen elkaar alle drie constant.
    -U maakt het me moeilijk.
    -Het is een klassieke driehoeksverhouding. Meer niet.
    -Gaat u vreemd?
    -De gedachten zijn vrij.
    -Schrijvers permitteren zich wel veel.
    -Ze zijn vogelvrij en kogelvrij. Ze heersen over een wereld die ze zelf hebben geschapen.
    -Een fictieve.
    -Nee: een fictionele. De literatuur is geen laboratorium voor leugens.
    -Er worden moorden gepleegd in boeken. Keurt u dat goed?
    -Daardoor leren we de menselijke ziel beter kennen: motieven, daden, behandelingen.
    -Bent u voor de doodstraf en zo ja: in welke vorm?
    -Nee. Laat zware criminelen de keuze tussen zelfdoding of levenslange dwangarbeid in bijvoorbeeld zout- of tinmijnen.
    -Wat doet u dan in geval van gerechtelijke dwaling?
    -Bitter wenen om de beperktheid van de menselijke soort.
    -Perfectie was toch niet zo boeiend, beweerde u?
    -Dat geldt voor kunstwerken, niet voor oordeelkunde.
    -Kan een dief op begrip rekenen bij u?
    -Zij verplaatst voorwerpen van een ene naar een andere plaats. Idem dito voor de leugenaar en de gifmengster.


    16-02-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dode adder (14)

    -Inderdaad. Eh . . .
    -Mag ik u zélf eens een vraag stellen?
    -Ga uw gang.
    -Hoe worden mijn antwoorden op uw vragen geregistreerd?
    -Wil u dat echt weten?
    -U schrijft niks op; er is geen zichtbare opname-apparatuur.
    -Inderdaad. Ik gebruik alleen hersenatletiek.
    -O. Ik ben zelf ook alles aan het registreren. Maakt u bezwaar?
    -Nee, dat mag. Waarom?
    -Alles wat ik zeg, kan tegen mij gebruikt worden.
    -En dan?
    -Ik wil zekerheid. Geen gehannes achteraf.
    -Moet u binnenkort uw bandje niet terugspoelen of omdraaien?
    -Helemaal niet. Ik sla ook alles in mijn hoofd op. Hersenschaken, weet u wel.
    -Touché! Ook blindschaker?
    -U was gewaarschuwd.
    -Duikt hier de mol weer op?
    -Zo u wil. Hebt u nog vragen?
    -Ja. Laten we de draad weer opnemen. Zit u nog altijd goed?
    -Als gebeiteld.
    -Ik schenk u even bij.
    -Graag. Dank u.
    -Wat is uw mening over zenboeddhisme?
    -Geef mij maar zontoerisme, ofschoon zentoerisme ook bestaat.
    -Nepal? Tibet?
    -Je bent jong en je wil hogerop.
    -Wat vindt u het toppunt van decadentie?
    -Liposuctie, facelifting, injecties met lammetjesbloed.
    -In deze volgorde?
    -Nee wat de eerste twee betreft.
    -Of de twee eerste dus.
    -Als God in het detail zit, mag u vitten.
    -Over God gesproken: hoofdletter bij u?
    -Soms wel, soms niet.
    -Wanneer niet?
    -Als puber nam ik wraak op god door hem met een kleine letter te spellen.
    -U gunde Hem Zijn Hoofdletter niet?
    -Toen niet, nee.
    -Nu wel?
    -Hij is ook maar een Mens.
    -Is dat dezelfde man die op zijn kruis naar links keek?
    -Dat was Zijn Zoon. Golgotha was een molshoop waarop neurosen bloeiden. De vadermoord ging niet door; de zoon moest eraan geloven.
    -Kunt u dat even uitleggen?
    -Het was allemaal des mensen. Laat ik u daar nog een ander staaltje van geven.
    -Ga uw gang.
    -'Ik ben het niet waard te sterven als mijn meester', zei Petrus. 'Komt in orde', zeiden de Romeinen. En ze kruisigden hem ondersteboven, met zijn hoofd naar omlaag.
    -De dood trad daardoor misschien vlugger in?
    -Wellicht.
    -Dat was dus weer des mensen. Menselijker, bedoel ik.
    -Gruwelijker, inderdaad, maar sneller.
    -En de vrouwen?
    -Als Jezus Christus borsten had gehad, zag de wereld er nu anders uit.
    -Hoe anders?
    -Ingrijpend, denk ik. Maar ik ben een man: een niet-vrouw volgens de erfelijkheidsleer.
    -Een interessante visie. De meeste chef-koks zijn niet-vrouwen.
    -O ja: fysiek en mentaal is het een harde job. Men sterft ook jong. Maar meestal staan kinderen in de weg.
    -Maria? Martha? Maria Magdalena?
    -Treurende zwarte vogels aan de voet van Golgotha. Het hadden wereldleiders kunnen zijn.
    -Wat belette hen?
    -Smart. Smart als moeder, zuster, minnares.
    -Gelooft u in mirakels?
    -Het toeval is de kortste weg naar het geluk. Geluk is een paard dat zonder zijn ruiter halthoudt voor de hemelpoort.
    -Bent u echt orthodox?
    -Alweer met kleine letter: ik ken mijn testamenten vanbuiten, zowel het oude als het nieuwe. Ik hou van rituelen.
    -Gaat u kerken binnen?
    -Alleen op reis.
    -Anders niet?
    -Nee, want dan verlies ik het bewustzijn. Mijn bewustzijn.
    -Is er een hiernamaals? Een hemel?
    -Men kijkt te vaak omhoog.


    04-02-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dode adder (13)

    -Geweldloosheid bestaat alleen oog in oog met geweld. Anders is het lethargie en luiheid.
    -Anderen voor u hebben dat ook al geponeerd.
    -Dat verwondert me geen haar: er is niets nieuws onder de zon.
    -Met andere woorden?
    -Alle clichés hebben altijd gelijk.
    -Hoe brengt u uw avonden door?
    -Nieuwsgaring, computer, lezen, schrijven, orde op zaken.
    -Nachtbraken is u vreemd?
    -Soms gedraag ik me als een Japans zakenman.
    -U wil daar mee zeggen?
    -Neen, geen karaoke.
    -Wat dan wel?
    -Het leven op zijn rauwst, nadat de zonne ter kimme neeg.
    -O, ik begrijp u goed. Haha.
    -De nacht brengt soms raad.
    -Hebt u veel relaties?
    -Ik kan op een netwerk van informanten bogen.
    -Luistert u naar roddel?
    -Noodgedwongen.
    -Zou u undercover kunnen werken?
    -Zeer zeker. De meerderheid werkt undercover; 's avonds pas vallen de maskers.
    -Leest u kranten?
    -Een aantal.
    -Wat is uw oordeel over onze kwaliteitskranten?
    -Goed nieuws betekent een dagelijkse portie zielenzalf, maar het is uitkijken voor sensatie.
    -En slecht nieuws?
    -Doublechecken. Vaak paniekvoetbal.
    -Mag men des mensen kwaad en onheil etaleren in de bladen?
    -Precies dan verwerft men kennis van de ziel.
    -Wat beschouwt u zelf als uw belangrijkste wapen?
    -Wàpens, meervoud: kennis van de ziel, plus talent voor het onvoorspelbare. Annex koelbloedigheid. Daar hou ik het bij.
    -Zeggen graancirkels of graanglieven u iets?
    -Ja dus! We moeten wennen aan onaardse intelligentie. Zie ook: ufo.
    -U wil wat meer kwijt in dit verband?
    -Er is ook de sneeuw- en bietenmeetkunde.
    -Was u al in Stonehenge?
    -Een must, één keer in een mensenleven.
    -Wat was uw grootste opdracht als stadsdetective?
    -Een witteboordenzaak.
    -Geslaagd?
    -Ik kon me als een mol in een Kafkaïaans dossier ingraven, met succes.
    -Maar een mol is blind.
    -Niet in de termen van de Koude Oorlog.


    20-01-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dode adder (12)

    -Graag. Dank u.
    -Waarom rookt u?
    -Ik wil niet verslaafd zijn.
    -Toch rookt u.
    -Pas als ik niet rook, voel ik ontbering, dus verslaving.
    -Interessante analyse, kort en bondig.
    -Roken betekent niet altijd werkverlet.
    -O nee?
    -Een rookgordijn kan functioneel zijn.
    -Hm, toegegeven. U draagt geen horloge, merk ik?
    -Neen. Mijn pols klopt vanzelf.
    -Wil u nooit eens weten hoe laat het is?
    -Tijd laat zich niet binden.
    -U raadpleegt toch wel stationsklokken en kerktorens?
    -De zon is er ook nog, ook al verbergt die zich achter bankgebouwen.
    -Dit is de 23e verdieping. Hebt u hoogtevrees?
    -Zoals eenieder. Maar vooral bij het bekijken van films.
    -Niet nu? In dit gebouw?
    -De trap biedt zekerheid. Hij verbindt me met de begane grond.
    -Wat vindt u van de whisky?
    -Hel en hemel, zoals alles wat goudkleurig is.
    -De sigaret?
    -Gaat zienderogen in rook op. Ietwat schraal.
    -U had misschien een sigaar verwacht?
    -Dat verplichte symbool zou een ontgoocheling voor mij betekend hebben.
    -Wat zegt u het woord 'Varkensbaai'?
    -Gratis geneeskunde, gratis onderwijs, gezonde sportprestaties, straathoertjes, oldtimers.
    -Heeft of had u linkse sympathieën?
    -Aan het kruis had Christus beter naar links gekeken.
    -Waarom?
    -Om het alibi van de slechte moordenaar te aanhoren.
    -En dan?
    -Het ware het begin van de rechtspraak geweest.
    -Dat is een interessante theologie. Nam u deel aan betogingen?
    -Ja, als student.
    -Wat waren uw drijfveren?
    -Leven in de brouwerij brengen.
    -Zou u dat nu nog doen?
    -Als einzelgänger kan je meer bereiken.
    -U bedoelt?
    -De groep is het harnas van de kwetsbare eenling.
    -Ja, en?
    -De publieke opinie valt voor de kwetsbare eenling.
    -Is dat zo?
    -. . . en voelt zich bedreigd door andersoortige groepen.
    -Gelooft u in geweldloosheid?


    04-01-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dode adder (11)

    -Is gastronomie aan u besteed?
    -In het gezelschap van vrouw of vriend: zeer zeker.
    -Liever een verre beste vriend of een dichte goede buur?
    -Het eigen hoofd en hart moeten voldoende boeiend zijn.
    -Mag ik . . .
    (-Koppie-koppie!
    -Onderbreek me niet!)
    -Eh . . . mag ik wat uitleg daaromtrent?
    -Het is een kunst alleen te kunnen zijn.
    -Voelt u zich gevangen?
    -We zitten met z'n allen levenslang uit, vaak om den brode.
    -U wint een poolreis: noord of zuid?
    -Noordpool.
    -Reden?
    -Op Antarctica is de stank van pinguïnuitwerpselen ondraaglijk. Er zijn daar ook geen ijsberen.
    -Vreest u haaruitval?
    -De wilde haren zijn vervangen door blijvertjes. It's all in the mind.
    -Bevond u zich ooit in een benarde situatie?
    -Een confrontatie met de dubbelgangster van mijn vrouw.
    -Hoe redde u zich daaruit?
    -Ze redde zichzelf.
    -O, vrouwen en kinderen eerst, hé?
    -Een cliché als een kathedraal met duivenstront op, maar het zij zo.
    -Waar denkt u momenteel aan?
    -Lemmingen.
    -Waarom?
    -Elke dag denk ik aan lemmingen, op onbewaakte ogenblikken.
    -Dit ogenblik is bewaakt. Hoe komt dat, van die lemmingen?
    -Door het lezen van een vreemd verhaal.
    -Vertel op, maar maak het kort.
    -Wetenschapper interviewt sprekende lemming.
    -Jaja . . . : sprekende dieren, hé? En?
    -'Hoe komt het dat jullie massaal zelfmoord plegen?'
    -En het antwoord?
    -'Het gekke is dat wij, lemmingen, niet begrijpen waarom jullie, mensen, dat ook niet doen'.
    -Hihi. Voelt u zich lemming?
    -Dat hangt af van hoe ik hier buiten stap.
    -Weer via de trap?
    -Een lift kan blokkeren; een trap ben je de baas.
    -Precies. Die belangwekkende uitvinding, nietwaar?
    -Wat u zegt.
    -Beschrijf de perfecte moord.
    (-Haastje-repje!
    -Kop dicht!)
    -Sigarettenreclame.
    -O, de sluipmoord, hé. Sigaret?


    30-12-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dode adder (10)

    -Vrouwen: geduld. Jongeren: blind geweld. Holebi's: kunst.
    -Hoe kan dat vermeden worden?
    -Hersenonderzoek annex verdraagzaamheid ten opzichte van verscheidenheid.
    -Wat hebben hersenen daarmee te zien?
    -De hersenen van hogervermelde opstandelingen steken anders in elkaar dan die van ouderen, mannen en hetero's.
    -Kunt u dat hard maken?
    -Kunst bedreven door holebi's is altijd beter.
    -Bent u nu positief aan het discrimineren?
    -Wellicht wel. Het is wachten op de hersenwetenschappen.
    -Nieuwe inzichten?
    -Zo nieuw als na het inzicht dat de aarde niet zo plat is als een vijg.
    -Verontrustend?
    -U zegt het. Vergeet evenmin de verkenning van het heelal.
    -Interessant.
    -Ja hé.
    -Zullen we rekening moeten houden met de door u voorspelde eh . . . omwenteling?
    -Sta me toe met een wedervraag te antwoorden: hoe veel jongeren, vrouwen en holebi's heeft uw bedrijf in dienst?
    -Tja . . . wij respecteren de privésfeer van onze werknemers.
    -Jong zijn is geen privéaangelegenheid.
    -Nee, hé?
    -Vrouwen zijn meestal ook zeer herkenbaar.
    -Ja, hé? Enne . . . holebi's?
    -Het verschil maakt soms de eigenheid uit.
    -Spitsvondig.
    -Reclamejongens hameren erop.
    -Welk tafereel vergeet u nooit ofte nimmer nog?
    -Abstract: de Golgothascène.
    -En concreet?
    -De eerste epileptische aanval van onze hond.
    -Koestert u sympathie voor handlezen? Astrologie?
    -Het blijft bij sympathie.
    -Wil u oud worden?
    -Ouder.
    -Tot hoe ver gaat u daarin?
    -Ik wil mijn kinderen en vrienden om me heen niet zien sneuvelen.
    -Associeert u even op het woord 'vulkaankonijn'.
    -U zegt?
    -Vulkaankonijn.
    -Leverzwijn, hoolifant, spelbederf, milieubelasting.
    -U proeft de woorden als een kenner, hé?
    -Ik hou niet van afko's.
    -Pardon?
    -Afkortingen. Hou ik niet van.
    -Zoals daar zijn?
    -De ETA en het IRA.
    -Hoe staat u tegenover vakbonden?
    -Ik sta er echt wel tegenover.


    17-12-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dode adder (09)

    -Wanneer?
    -In een herfst.
    -Wil u commentaar geven over uw politiek stemgedrag?
    -Ik speelde met gedachten omtrent verkiesbaarheid van mezelf.
    -O, toch de barricades dan?
    -Liever hoofdrolspeler dan grijze meerderheidsmuis of underdog.
    -U zei: speelde.
    -Inderdaad. Dit gesprek staat mijn politieke ambitie in de weg.
    -Klinkt dat nu negatief?
    -Nee: hoopvol. Ik ambieer deze job boven een politieke carrière.
    -Op welke partijlijst had u dan graag gestaan?
    -Ik zou zelf een verse partij hebben opgericht.
    -Wat was dan uw thema geweest?
    -Economie is de motor van alles: armoede en rijkdom.
    -O, en cultuur? Kunst? Sport? Milieu? Mobiliteit?
    -Dat zijn de luxethema's van een welvaartsstaat.
    -Bent u dan ontevreden met het huidige economische bestel?
    -Alles kan beter.
    -Daarnet zat u toch op de kop van de politiek?
    -Inderdaad. De uitersten raken elkaar. Soms is een paradox gezond.
    -Bewondert u een bepaalde historische figuur?
    -De onbekende spion Sidney Reilly: Rus, jood, bastaard, Engelsman.
    -Waarom?
    -Hij stond op het punt de geschiedenis een zetje te geven.
    -Waar? Wanneer?
    -Voor de poorten van het Kremlin, begin twintigste eeuw.
    -Wat lette hem?
    -Vrouwen, drank, geld, goklust, toeval.
    -Dit rijtje is erg vrouwonvriendelijk.
    -Maar de man was hetero.
    -Wat was zijn grootste fout?
    -Hij speelde dubbel spel.
    -Zijn grootste gave?
    -Hij speelde dubbel spel.
    -En dus . . . ?
    -Gefusilleerd en onbekend. Doofpot van Engeland en Rusland.
    -Uw visie op bekende historische figuren?
    -Massamoordenaars: Nero, Alexander, Napoleon, Hitler, Stalin, Pol Pot.
    -Komt er nog een oorlog?
    -Zolang de voorraad vrede strekt, niet.
    -U ontwijkt mijn vraag.
    -Ja, want ik voorzie nog strijd.
    -O?
    -Laat ik het revolutie noemen, of omwenteling.
    -Op welk vlak? Waar?
    -Jong tegen oud. Vrouw tegen man. Holebi tegen hetero.
    -Maatschappelijk dus?
    -Ja, zeer ingrijpend. In het hoofd en op grote schaal.
    -Welke wapens worden daarbij gebruikt?


    08-12-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dode adder (08)

    -Zou u zichzelf als 'gehaaid' omschrijven?
    -In geen geval.
    -Waarom niet?
    -Zowel haaien als zakenmensen staan bol van de clichés.
    -O?
    -Maar de haai kan het niet helpen.
    -Haha.
    (-Koppie-koppie!
    -Snavel dicht.)
    -Pardon. Hij heet Eliott.
    -Aangename kennismaking.
    -Eliott is een raaf.
    -Zijn soort is zeldzaam, meen ik te weten.
    -Inderdaad. Eliott woont zowat op mijn linkerschouder.
    -Vormt de raaf een factor in dit sollicitatiegesprek?
    -Dat bepaalt u zelf.
    -Hij houdt niet van oogcontact, heb ik al gemerkt.
    -Ach, hij is eenkennig. Hoe zit dat bij u?
    -Eenzelvigheid ware erger.
    -Verklaar u nader.
    -Een gezond low profile werkt aanvankelijk beter . . .
    - . . . dan expansieve extravertie, nietwaar?
    -U neemt me de woorden uit de mond.
    -Uw raaf, Eliott, vraagt kaas.
    -Ja. Een klassiekertje, hé?
    -Ben ik dan de vos in dit geval?
    -Hahaha!
    -Eliott is anders wel een prachtige naam voor een raaf.
    -Een naam om op te kauwen, hé? Huisdieren?
    -Ach, de kinderen . . . eh: goudvissen, een hond.
    -Stemt 's lands regering u tot tevredenheid?
    -Gedachten aan burgerlijke ongehoorzaamheid zijn veraf.
    -Stond u ooit op barricades?
    -Je bent jong en je wil vooral niks van al het oude.
    -Was u een leidersfiguur?
    -Ik verstond de kunst van het delegeren.
    -Rookt u?
    -Momenteel niet. Ik stop voortdurend.
    -Hoe staat u tegenover bewustzijnsverruimende middelen?
    -Vaak vernauwen die het bewustzijn.
    -Alcohol, nicotine, nederwiet, rooie libanon, red rum?
    -Snelheid is mijn drug. Red rum = murder.
    -Zijn uw ouders nog in leven?
    -De Oedipus in mij berust in hun bestaan.
    -U bedoelt?
    -Ik zie verwonderd en begrijpend toe hoe ze ouder worden.
    -Niet verbijsterd?
    -Nee: herfst van het leven, oude dag. Er heerst begrip.
    -Houdt u van verandering?
    -Dat is de reden waarom ik hier zit.
    -Hoe hebt u zich voorbereid op dit gesprek?
    -Gisteravond een fles oude bourgogne . . .
    -Ja . . . ?
    -. . . en een spervuur van vragen tot mezelf gericht.
    -Hoe ging dat in zijn werk?
    -Hardop. Tot op het bot.
    -Was u een tevreden man?
    -We waren aan elkaar gewaagd.
    -O. Een korte bloemlezing misschien?
    -Gaat u over lijken? Wil u geld of macht? Allebei? Bent u te koop? Is 1 plus 1 altijd 2? Kan een varken vliegen? Sigaret?
    -En?
    (-Kaasje! Kaasje!
    -Straks, Eliott.)
    -Sorry. En?
    -Ik kwam er behoorlijk goed uit. In de bourgogne school de hemel.
    -Wat is voor u de mooiste plaats om te sterven?
    -In een zeppelin.


    28-11-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dode adder (07)

    -Bent u een perfectionist?
    -Een percentage ruigheid of onafheid is boeiender dan glans of symmetrie.
    -Een voorbeeld graag?
    -Een klassiek werk laat altijd iets te wensen over.
    -Dat had ik zelf niet beter kunnen formuleren. Drinkt u nu iets?
    -Het is nu 11:20. Een whisky fietst er momenteel wel in.
    -Alstublieft.
    -Dank u.
    - ...
    -Moet Eliott niet wat kaas?
    -Straks krijgt hij twee blokjes oude kaas.
    (-Haastje-repje!
    -Je valt in herhaling!)
    -Welk boek zou u graag nog schrijven?
    -De wereldgeschiedenis vanuit Indisch oogpunt.
    -Waarom?
    -We komen van ginds. Bijna niemand ter wereld bleef ter plaatse.
    -O ja: het schaakspel, hé?
    -Bijvoorbeeld.
    -Reist u graag?
    -In mijn hoofd. Ik bezocht ook Hongarije twee keer. En Engelse badplaatsjes.
    -Hongarije?
    -Ja. Ei zo na een eiland. Heel apart. Weinig verwantschappen met andere volken.
    -O nee?
    -Als een koekoeksei in het westelijk nest: de taal, het volk.
    -Spreekt u vreemde talen?
    -Engels, Frans, Duits, Esperanto, Frengels, dialect.
    -Hoe verhoudt u zich tot de computer?
    -Als een paard tot zijn stal.
    -Wat is uw hoofdverwachting van het leven op aarde?
    -Kwaliteit. De aarde is een blauwe plek in het heelal. Het blijft knokken.
    -Tevreden?
    -Velen kunnen het schudden. Jammer.
    -Wie bepaalt kwaliteit?
    -Ikzelf, geld, de mensen om me heen, cultuur.
    -Geld dus ook?
    -Cultuur kost centen. Tijd ook.
    -Hoe kan iemand rijk worden?
    -Door geboorte, escalatie van winst of door het lot.
    -Door erfenis?
    -Dat is het noodlot.
    -Haha, begrepen. Gezondheid.
    -Gezondheid.


    18-11-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dode adder (06)

    -Wat trekt u bij vrouwen speciaal aan?
    -De onderste lip verraadt altijd veel.
    -Speelt u op de toto?
    -De duivel zit in het detail.
    -Hebt u een bepaalde filosofie?
    -Twijfel is het begin van elke filosofie. Ik twijfel, met mate.
    -Drinkt u?
    -Een zekere regelmaat valt niet te ontkennen.
    -Hoe brengt u uw laatste dag op aarde door?
    (-Haastje-repje!
    -Shut up!)
    -Zeer dronken het einde verbeidend. Nieuwsgierig.
    -Waarom was de Ronde Tafel rond?
    -Er was geen gehassebas mogelijk over ereplaatsen.
    -Wie is de bewaker van de bewaker?
    -De gevangene.
    -Voor welke misdaden koestert u sympathie?
    -Valsemunterij, treinroof. Smokkelen is een hobby.
    -U schrijft soms?
    -Ja, ik heb inkt in mijn bloed.
    -Ambities op dat vlak?
    -Niet in deze eeuw. Ooit maak ik wel een bekende inktvlek.
    -U bent al aan uw derde beroep toe?
    -Toeval. Misschien invloed van The American Dream.
    -Of midlife-crisis, haha!
    -No way, sir!
    -Uw c.v. vermeldt Hoofd Universitaire Proefdieren en Stadsdetective.
    -Beide waren dekmantels.
    -Toen al?
    -Gaandeweg meer en meer: om geld te verdienen.
    -Hoe gebeurde uw aanwerving als stadsdetective?
    -De een z'n dood was ook in mijn geval de ander z'n brood.
    -U kunt goed geheimen bewaren?
    -Het zwijgen staat me nader dan het lachen.
    -Wat doet u voor de gezondheid?
    -Een denksport. Zie hoger.
    -Eh . . .
    -Schaken.
    -Voelt u zich goed tussen twee eeuwen en millennia in?
    -Decadentie gaat in maatpakken gekleed.
    -Ja of nee?
    -Het is tevens een millenniumeinde: ja.
    -Vreest u niks?
    -Toch. Mijn kinderen zijn mij een zorg.
    -Uw opinie over criminaliteit?
    -Iemands kinderjaren zijn een goudmijn of een zoutmijn.
    -Ik meen uw metaforen te begrijpen.
    -Soms ziet men nooit het daglicht meer, levenslang.
    -Inderdaad.
    -Vat dit niet als een omweg op.
    -U bedoelt?
    -Metaforen vormen de kortste afstand tussen vraag en antwoord.
    -Wanneer is iemand slim?
    -Als hij zwijgt (of zij).
    -Wanneer is iemand intelligent?
    -Als hij of zij stilzwijgen niet met slimheid verwart.
    -Praat u graag?
    -Indien nodig, maar bondig.
    -Aha: de meester toont zich in de beperking, hé?
    -U bedoelt: beknoptheid.
    -Hm.
    -Ook God zit in het detail, zo u wil.


    09-11-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dode adder (05)

    -Hoe oordeelt u over verkrachting?
    -Concrete ellende, abstracte heerschappij, levenslang.
    -Kleur?
    -Blauw als wintermelk. Leve Dalton.
    -Dier?
    -Twijfel tussen vos of ijsbeer. Misschien Tasmaanse wolf.
    -Bloem?
    -Geen idee. Vleesetend?
    -Acht u het mogelijk dat u iemand vermoordt?
    -Ja, in een context.
    -Waarvan?
    -Oorlog.
    -Hoe ziet uw galgenmaal voor uw executie er uit?
    -Oesters. Nee: vissoep, Hongaarse bij voorkeur.
    -Vindt u dat u erfelijk bepaald bent?
    -Ik ben kleurenblind en gematigd hooikoortsig.
    -En dat blauw dan?
    -Mijn afwijking zit 'm in de perceptie van kleuren: ik zie mijn blauw het liefst.
    -Wie belt des avonds om 23 uur nog bij u aan?
    -De telegramdienst.
    -Wat staat op dat telegram?
    -Proficiat met uw nieuwe job.
    -Haha, die zit. U houdt vol, nietwaar?
    -Ik ben een Kreeft.
    -Wat moeten we ons daar bij voorstellen?
    -Trouw. Vasthoudend.
    -De sterren vertellen u veel?
    -Vrijwel niets. Alleen handig bij het navigeren.
    -Kinderen?
    -Drie.
    -Gewild?
    -Uit de zovelen: ja.
    (-Kaasje! Kaasje!
    -Bek dicht, pluimvee.)
    -Hoe erg vindt u verliezen?
    -Het ligt op enkele minuten van het afgrijzen.
    -Neemt u risico's?
    -Ik offer bij het schaken.
    -Waar voelt u zich het lekkerst in uw vel?
    -Woestijnen, zeeën, steden.
    -Wat mag de NASA van uw persoonlijke bezittingen naar de maan schieten?
    -Mijn geheim recept voor Catalaanse vissoep.
    -Waarom?
    -Ik ken het vanbuiten.
    -Waarom niet de Hongaarse vissoep?
    -Gemeengoed.
    -Wat neemt u zelf mee naar het klassieke onbewoonde eiland?
    -Het Grote Bouw-zelf-uw-eigen-hutboek.
    -Welke politicus bewondert u?
    -Politici zijn geheel uit ellebogen en speeksel opgetrokken. Geen dus.
    -Verklaar u nader.
    -Politiek is geen beroep, geen kunst, geen wetenschap. Het is navigeren op compromissen, slalommen naar gelang van de windrichting, taxiën tussen kuddes witte en zwarte schapen.
    -U moet blijkbaar niet naar woorden zoeken hieromtrent.
    -Een stoofpotje, vaak doofpotje. Egotripperij onder het mom van dienstbetoon.


    01-11-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dode adder (04)

    -Uw verzuchting na overdadig alcoholgebruik?
    -'To boldly go where no man has gone before.'
    -Uw achillespees?
    -Jaloersheid. De moeder van alle misdaden.
    -Hoe lost u problemen op?
    -Door de zaak van drie kanten te bekijken.
    -Dewelke?
    -De mijne, die van mijn vrouw, die van het slachtoffer of tegenpartij.
    -Interessant.
    -Mijn vrouw heeft mensenkennis.
    -U niet?
    -Voldoende om te beseffen dat ikzelf slachtoffer of tegenpartij kan zijn.
    -Bent u uw vrouw trouw?
    -Strictly personal: yes.
    -Business?
    -Rekkelijkheid is het interessantste liberale principe. Ik spring omzichtig om met het woord 'libertijns'.
    -Is dat het enige?
    -De markt moet inderdaad ook vrij blijven.
    -Vindt u uw uiterlijk belangrijk?
    -Na de jaren '60 vervelde ik als een slang.
    -Neemt u geneesmiddelen?
    -Alleen preventief.
    -Kan ik hier verder op ingaan?
    -Pilletjes tegen hooikoorts, alleen in augustus.
    -Vindt u dit gesprek moeilijk?
    -Ik ben een schaakspeler.
    -Stel dat een onbekende meeluistert?
    -U neemt ons gesprek op. Ik heb daar niets op tegen: het is voor u een thuismatch.
    -Zag u de andere sollicitanten?
    -Ik nam de trap. Nee.
    -Hebt u een geheim?
    -Zoals eenieder.
    -Welke vindt u de belangwekkendste uitvindingen?
    -Het wiel, de trap en de ladder, god, de chip.


    20-10-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dode adder (03)

    -Het zijn hersenspinsels van de auteur.
    -Uw opinie over de doodstraf?
    -We zitten met z'n allen levenslang uit. Dead men walking. Voor enkelen mag het wat mij betreft wat vlugger gaan.
    -En . . . ?
    -De lengte van dagen wordt bepaald door de passies van de nacht.
    -U praat als een dichter.
    -Dicht is dicht, of wat dacht u.
    -Het moordwapen dat uw voorkeur geniet?
    -Een dode adder.
    -O. Wat voert u daar mee uit?
    -Ik wurg er iemand mee. In gedachten.
    -Zag u daarstraks die blinde man?
    -Nee, want die was er niet.
    -Haha. Hoe zag uw jongste vreselijke droom er uit?
    -Dat al mijn tanden uitvielen.
    -Wat dacht u over de Golfoorlog?
    -Een CNN-veldslag. Ongelijke strijd.
    -U bedoelt?
    -Er werd vooral met camera's geschoten.
    -Carrièreplanning?
    -Dat ook. De heren generaals ambieerden het Witte Huis.
    -Dat draagt uw goedkeuring weg?
    -Soms biedt het leger een oplossing.
    -Bent u bang om te sterven?
    -Men is niet 46, men wordt het.
    -Is er een god? God?
    -Er is een wetenschap die nog niet werkt, maar wel is.
    -Hoe kunnen we die ontdekken?
    -Door hersenonderzoek en heelalverkenning.
    -Meent u dat?
    -De rest is materie, fysiek en natuur.
    -Gelooft u in voorbestemming?
    -Niet totdat ik alle onvoorspelbare attractoren heb doorgrond.
    -Zult u daar in slagen?
    -Ik hoop van niet.
    -Hecht u belang aan dromen?
    -Helemaal niet. Een simpele volle maag des avonds genereert dromen.
    -O?
    -De werkelijkheid zet graag eens een masker op.
    -Conclusie?
    -Ze moeten zich op een àndere manier aan ons manifesteren; nu vormen ze een aanfluiting voor de menselijke intelligentie.
    -Waarom?
    -Omdat ze zich aan ons voordoen terwijl we slapen, verdorie.
    -Verklaar u nader.
    (-Haastje-repje!
    -Bek dicht!)
    -Zolang dromen alleen maar het dagjesleven samenballen in belachelijke kortfilmpjes betekenen ze niks.


    06-10-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dode adder (02)

    -Een gezonde houding. Schulden?
    -Neen.
    -Religieus?
    -Orthodox met een x.
    -De x van x-file, hé?
    -Nee. De x van alsnog onbekende.
    -Waar gelooft u nog in?
    -Straatwijsheid.
    -En helemaal niét?
    -Konijnenpootgeluk.
    -De bepàlende periode uit uw leven?
    -De o zo jaren zestig, met leedvermaak.
    -Wat wenst u uzelf toe?
    -Een gebit als een fort.
    -Is dat een metafoor?
    -La plupart des occasions des troubles du monde . . .
    - . . . sont grammairiennes, I know. Waar bent u bang voor?
    -Voor iemand die méér weet.
    -Waar kunt u niet tegen?
    -Hotemetoterigheid.
    -Pardon?
    -Magnetisme, windhanen en onbenulligheid.
    -Wat doet u daar aan?
    -Wegblijven uit kerken, wegkijken van commerciële televisie, aandacht voor onverwachte attractoren.
    -O, belangstelling voor de chaostheorie?
    -Met mate. Ik lees ook financiële magazines.
    -Hoe ziet u uw eigen dood?
    -Make it look like an accident.
    -Wat zou u tegen James Bond zeggen?
    -I'm warning you: my patience is not inexhaustible.
    -Wat bent u momenteel aan het lezen?
    -Uw gedachten.
    -En daarbuiten?
    -Gewoon, een boek.
    -Coördinaten?
    -Lettre à moi-même, Françoise Mallet-Joris, prix Fémina 1958.
    -Waarom?
    -Ik lees graag Frans in de zomer. Een vrouw.
    -U kent uw klassiekers?
    -Ja. Verleden week las ik Het Strand van Oostende.
    -Mij onbekend.
    -Speelt zich af in Westende, want ik las het dààr.
    -Aha. Humor. Uw visie op tijd?
    -Tijd is een spiraal. Tijd is geld. Alles keert weer.
    -Dat zint me wel. Gokt u?
    -Mijn lot ligt in eigen handen.
    -Voelt u zich een overwinnaar?
    -De dag waarop ik een bootlening toegewezen kreeg, wel.
    (-Haastje-repje!
    -Bek dicht!)
    -Dit was niet tegen u. Bent u eerlijk?
    -Eerlijkheid is de mantel der brave zielen.
    -Brengen die het ver daardoor?
    -Niet verder dan romanpersonage.
    -Wat bedoelt u daar mee?


    29-09-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dode adder (01)

    DODE ADDER

    Bekroond met de Nestor de Tière Toneelprijs 00 – 02 van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 02 en de Eerste Premie West-Vlaamse Theaterschrijfprijs 06

    DODE ADDER is een dialoog waarin een headhunter een sollicitant ondervraagt. Geleidelijk aan worden de rollen omgekeerd. Het eindigt op een moord.

    Spelers: een sollicitant, een headhunter, Eliott de raaf (op diens linkerschouder), een dode adder

    Rekwisieten: opgezette raaf, gsm met London Bridge-tune, aktetas met dode adder, kaartspel, whisky, sigaretten

    Ruimte, decor: kantoor

    -Ik moet mijn partner verontschuldigen. Persconferentie.
    -Geen probleem met iemand buiten beeld.
    -Let u vooral niet op de vogel.
    -Hij lijkt niet erg uitgestorven.
    -Zo is dat.
    -Erger ware een verdwaalde kogel.
    -O?
    -Daar kan men niet op letten.
    -O, op die manier. Erwtensoep?
    -Graag even uitstellen. Het is nog vroeg.
    -U weet waar u aan begint?
    -Zeer zeker. Het zittend beroep van wielrenner spreekt me niet aan.
    -Haha. Die zit.
    (-Kaasje! Kaasje!
    -Bek dicht, ongedierte.)
    -Kalm weertje vandaag.
    -Te beamen. Gisteren was het ruiger.
    -Dit is 'strictly business', zoals u weet.
    -Ja. 'Nothing personal'.
    -Welaan dan. Zit u goed?
    -Als gebeiteld.
    -Ik vraag u telkens binnen de anderhalve seconde een antwoord te geven.
    -Niet anders zal het zijn.
    -Vindt u dat niet vervelend?
    -Ik ga voor goud.


    12-09-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Cafépraat

    CAFEPRAAT

    (Featuring het gezin Van Baemel)

    Serpentine en Nicotine zaten samen in een tbc-café. De predementionele patron Eddy stond mopperend en mombakkend aan zijn rochelende koffiestroelmachine te rukken.
    ‘Godver, als ’t er nu nog ene koffie vraagt … !’
    ‘Ik wil wel nog een pint,’ mekkerde Serpentine.
    ‘Eerst nicotine,’ snauwde Eddy terug, en hij zoog zich uitdagend traag te sappel aan een sigaret.
    ‘Zijt ge homo misschien?’
    Het hele tbc-café lachte zich hoestend en proestend te pletter. Die Serpentine toch! Nicotine zelf plooide hoofdschuddend zijn mondhoeken in een meewarige grijns.
    ‘Pas op voor rukwinden, Eddy,’ kraste hij dan, maar niemand begreep waar dat op sloeg. Misschien ook had niemand dat gekras gehoord.
    In de parallelle wereld zaten ze ondertussen in het holst van een kwakkelzomer. Klokslag 15 augustus was Yves Leterme nog altijd formateur – en dat bleef zo maar duren. Dit gegeven werd enkele dagen later overschaduwd door de dood van Elvis, dertig jaar geleden. Maar Leterme had not yet left the building. Hij zag er niet goed uit, ondanks ingrepen ter hoogte van zijn ogen: zijn haar leek bij een koude kapper geknipt en zijn anderhalftalige mededelingen klonken stug, stoffig en verstikt. De teevee toonde dat allemaal in de hoge linkerbovenhoek van café Romy in de Rokershoeststraat. (We gebruiken een pseudonieme straatnaam om de privacy van tbc-café Romy te beschermen – een gerechtelijke afspraak).

    Annelieselotte zwaaide breed met haar sigaret boven haar hoofd: ‘Kijk naar die vissenkop! Zoudt ge dat geen stamp in zijn … ‘
    De as warrelde over haar eigen zout-en-peperkop. Elk woord van haar leek met een kraan uit het diepste van haar ingewanden opgegraven en uitgespuwd. Die haalde zeker het volgende decennium niet meer.
    ‘Annelieselotte!’ onderbrak Eddy scherp. Hij knikte naar de halfronde zitbank onder de teevee, waar het nieuw samengestelde gezin Van Baemel met het tienjarige kind Antrassity zat.
    ‘O,’ deed Annelieselotte. Ze sloeg haar hand voor mond en vergat onmiddellijk daarna dat ze dat gedaan had toen ze met haar andere hand aan haar sigaret wou trekken.
    ‘Getver, ik kom handen te kort.’
    ‘Ge moogt er wel een paar van mij lenen,’ grapte Smalle Geboorte. Hij zat aan de kalme kant van de toog, met zijn gat naar de deur die toegang verschafte tot de pis- en persruimte voor de testikelhorde en de gleuvenbrigade.
    ‘Houdt gij uw handen maar thuis, we weten wel waarom dat gij altijd de wacht houdt bij de deur naar ’t schetenkot,’ zei Annelieselotte. ‘’t Is daar smal passeren hé, Smalle Geboorte? En uw gat intrekken zoudt gij nooit doen hé?’
    ‘Annelieselotte!’ onderbrak Eddy opnieuw scherp, weer knikkend naar het halfronde gezin Van Baemel. Antrassity, zijn ogen groter dan zijn buik, stak juist een voltallige snicker in zijn waffel. De vrouw en de kerel zaten gehuld in rook voor zich uit te staren. Eerstgenoemde wachtte op haar koffie, laatstgenoemde op een verse pint. De kat Karos van café Romy krulde naast hen op de bank. Boven hun bracht de teevee de actualiteit in huis.
    ‘Ge kunt u kwetsen aan zijn staartebeen,’ grinnikte Serpentine.
    ‘ … of er in verwachting van geraken,’ vulde Nicotine grijnzend aan.
    Smalle Geboorte knikte triomfantelijk, maar wist niet wat hij daarop moest zeggen.
    ‘Hier: uw pint.’ Eddy pootte het glas voor Serpentine neer.
    ‘En mijne vent dan?’ reclameerde Serpentine. ‘Moet ik hier alleen zitten drinken misschien?’
    ‘Maar gij vroeg toch nog een pint? En hij niet?’
    ‘Nee, ik ga een duvel drinken,’ zei Nicotine dapper. Hij legde zijn armen op de toog en mikte zijn hoofd er midden op.
    ‘O: kijk naar meneer!’
    ‘Nog een duvel,’ herhaalde Eddy. Hij slofte terug naar zijn tapkranen en zijn koelkasten.
    ‘Groeien ze plotseling op uw rug misschien?’ siste Serpentine tegen haar vrijer.
    ‘Ik heb een keer goesting in iets goeds,’ mompelde Nicotine van tussen zijn ellebogen.
    ‘Ge gaat vanavond dan weer niet weten van welke parochie ge zijt.’
    ‘Duvel smaakt gelijk engeltjesmelk.’
    ‘Ge spreekt van nu al met een dubbele tong, gij.’
    ‘Hihihi,’ deed Annelieselotte.
    ‘Wat zit gij daar zo dwaas te lachen?’
    ‘’t Is Rita daar die muilen zit te trekken.’
    ‘Niet waar!’ loog de aangesproken Rita. Ze sleurde de rook uit haar sigaret en inhaleerde tot in de toppen van haar tenen. Iedereen keek toe, wachtend tot de rook weer uit een of ander gat zou komen, maar dat gebeurde niet. Weer niet: Rita stond ervoor bekend dat zij haar rook spoorloos in kon slikken. Ze beweerde dat ze alzo het milieu spaarde.
    ‘Rita, ge hebt weer uw rook opgegeten,’ constateerde Smalle Geboorte.
    ‘Ik spaar voor een dag mist, Smalle. Dan kunt ge met uw scherp gat en uw brede smoel tegen een kudde overstekende koeien aan knallen.’
    ‘O la la, al die k’s!’ riep Nicotine.
    ‘K3,’ gniffelde Annelieselotte.
    Het hele tbc-café moest wederom lachen. Eddy draafde nu heen en weer met achtereenvolgens een koffie, een pint, een cola en een duvel. Het gezin Van Baemel ontving de gevraagde geneugten geluidloos. Het in een vorig huwelijk verwekt kind Antrassity goot nu grote hink-stap-slokken cola achter zijn snicker aan. De banden om zijn buik bewezen dat hij een goede eter was. Ook bloosde hij wat. Het nieuw samengestelde gezin Van Baemel zou hard mogen werken om alle voedertijden van deze jonge snaak te kunnen bekostigen.

    ‘Er zit weer wat gereed in de lucht,’ deelde Eddy mee, terugkomend van het trottoirterrasje.
    ‘Zie maar dat het niet op uw kop valt,’ grinnikte Serpentine.
    ‘Ja: een metoriet,’ lachte Smalle Geboorte.
    ‘Meteoriet, stommeling,’ verbeterde Rita hem.
    ‘Als het maar tiet is, hahaha, stalagtiet, hottentot, hottentiet, eh … hietentiet … hahaha!‘
    Smalle Geboorte lachte als enige met overslaand stemgeluid om zijn eigen humor. Deze lachbui versmoorde zichzelf in een rochelhoest. Nicotine en Serpentine keken hem met vernietigende blikken aan, tot de hoestbui helemaal verdwenen was. Toen staken ze ieder een sigaret op, grabbelend uit hun eigen pakje: een marlboro en een richmond.
    ‘Godver, Smalle: ik dacht dat ge d’erin ging blijven. Alzo bassen!’
    ‘Ja … ‘ deed Smalle Geboorte met een dun stemmetje.
    ‘Zoudt ge niet veranderen van merk?’
    ‘Automerk?’
    ‘Nee, van sigarettenmerk, onnozelaar.’
    ‘Ah ja. Bah, ‘k voel mij goed met mijn gedraaide sigaretten. Ze zijn veel gezonder dan die gemaakte brol.’
    ‘Ge peinst dat, maar ze draaien u juist gelijk de gemaakte de kist in.’
    ‘Jaja, we moeten van iets dood.’
    ‘Wij gaan graag van iets anders dood hé, Serpentine?’ lachte Nicotine, en hij kletste uitbundig op haar bil.
    Serpentine haalde haar schouders op: ‘Ik zou niet weten waarvan.’
    Met een lange zucht blies ze de rook uit.

    Op de teevee begon na het journaal een lange reeks klotefeuilletons waar half Vlaanderen elke dag met holle ogen naar staarde, soms tweemaal na elkaar als ze over de nodige machinerie daartoe beschikten. Het leek alsof het gezin Van Baemel op dat signaal had zitten wachten. Ze schoven, onevenredig, ieder een stuk op de halfronde bank op en begonnen met open mond en geheven hoofd naar omhoog te staren, naar de treurbuis hoog boven hun verheven. In het rechterbovenhoekje van deze grote rechthoek bedreef een inzetdame de begeleidende gebarentaal bij de dialogen.

    Toen gebeurde er iets wat gewoonlijk alleen maar in verhalen gebeurt. En toch gebeurde het in het echt, in tbc-café Romy in de Rokershoeststraat.
    We zeggen en schrijven klokslag 17:08, valavond. Het trottoirterrasje was al leeg, de zakkende zon kleurde het interieur als een oude foto. Serpentine, Nicotine, Rita, Annelieselotte en Smalle Geboorte waren al geruime tijd onder de olie.

    WAT HAD HET NIEUW SAMENGESTELDE GEZIN VAN BAEMEL DAN WEL UITGESPOOKT DAT HET ZO ONVERBIDDELIJK AAN ZIJN EINDE MOEST KOMEN? WIE GAAT HET ZEGGEN? HE??

    ‘Ewel ja: ’t was een oude teevee!’ jammerde Eddy. ‘De meesten hebben toch nog een oude teevee in huis? Wie had dat nu gedacht … ‘
    ‘Houtmoeheid: bestaat dat?’ gromde een klant die sedert anderhalf uur vers toegekomen was bij de buren. ‘Als je ’t mij vraagt: ja, houtmoeheid bestaat.’
    ‘Maar we zitten wel met drie doden’, zei Smalle Geboorte.
    Hij was, net als de anderen, op slag nuchter geworden nadat met donderend geraas die stomme teevee met plank en bijbehoren en nog een groot stuk van de muur omstreeks het derde uur in de middag naar beneden was gekukeld en met dodelijk effect op het driehoofdige gezin neer was gekomen. Het nieuw samengestelde gezin Van Baemel werd zowat ogenblikkelijk verpulverd. De ravage, vermengd met bloed, was niet om aan te zien. Iedereen, Eddy incluis, was door politie en hulpdiensten het café uitgedreven en had zijn toevlucht gezocht tot de belendende horecazaak getiteld Neptunus, gedreven door Martine V. Deze aanpalende patrones ving iedereen goed op met jenevers en bieren. De schok was groot geweest. Af en toe kwam een vrouw in blauw en oranje met PSYCH op haar rug even poolshoogte nemen. Ook in Neptunus speelde de teevee hoog in een hoek, maar uit piëteit durfde niemand ernaar te kijken. Geen blik gunden ze die moordenaar. Er werd om ter hardst gerookt en dapper gedronken, op weg naar de tweede of derde dronkenschap van die dag.

    ‘Ze zeiden zij gelijk nooit niks,’ merkte Smalle Geboorte plotseling op.
    ‘Wie?’
    ‘Awel: die drie. Die nu dood zijn.’
    ‘Natuurlijk niet,’ zei Eddy. ‘Ze waren doofstom. Heb jij dat dan nooit in de mot gehad, stommeling? Ze zaten de laatste maanden iedere week in mijn café.’
    ‘Maar … ‘ deed Smalle Geboorte. Zijn mond viel letterlijk open.
    ‘En gij waart vooral aan het woord hé, er kon niemand tussen komen,’ zei Serpentine.
    ‘Nooit van liplezen gehoord, Smalle? Gebarentaal?’ vroeg Rita smalend.
    ‘Zij gaan het alleszins nooit navertellen,’ kraste Nicotine.
    En daarmee was de kous ongeveer af. De rest was voor de verzekeringen.


    29-08-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Percussie

    PERCUSSIE

    Perikles Vandewoestijne gooide de kap over de haag, ging ’s avonds deeltijds lesgeven aan volwassenen die vroeger op hun schoolbanken nooit goed hadden opgelet (eufemismen dienaangaande: Avondonderwijs, Open Universiteit, Tweedekansonderwijs, Tweede-Levensschool, Levenslang Leren, van dat gesubsidieerd verbaal fraais) en huurde een sociale woning op het woonerf Koornbloem, waar hij een van de ongeveer 300 randstedelingen werd, voldoende onbekend, voldoende bekend, zoals het een bewoner van zo’n woonerf betaamt. Een nieuwe auto veroorzaakte in zo’n biotoop even een rimpeling van nieuwsgierigheid; een nieuwe bewoner sorteerde eenzelfde effect: een rimpel, wat gemompel, een gordijn dat even bewoog. Voor de rest betekende een bestaan op de Koornbloem een leven op later en dood. Je had er altijd het gevoel een beetje levend begraven te zijn, in een massagraf wel te verstaan: de Koornbloem was vooral een slaapwijk aan de rand van veel drukte. Veel piepjonge gezinnen (twee ex-kinderen, twee ukken) hokten er niet. De Koornbloem leek eerder voorbestemd om onderdak te bieden aan nieuw-samengestelde gezinnen met oudere weekendkinderen, veertigers en vijftigers in de wacht gezet op het komende grootouderschap, failliete yuppies met een ‘lange arm’ bij stad en bouwmaatschappij en een aantal partnerloze pechvogels. Een seriemoordenares, een spijtoptant in een beschermingsprogramma of een kroongetuige from out there zouden er een perfect anoniem leven kunnen leiden.

    Ex-priester-leraar Perikles Vandewoestijne was op zoek naar zo’n leven: rustig, gelijkmoedig, dicht genoeg bij een stad (apotheker, bieb, wassalon, tearoom), op schootsafstand van de boezem van moeder natuur (wandelingetje, stilte, maïs, leeuweriken). Hij wou zich oefenen in anonimiteit, grijsheid, veiligheid, doorsnee, onbekendheid, na het verzaken aan de roep des Heren en aan het haken van scholieren naar kennis van Frans en Latijn. Perikles Vandewoestijne wou boeken lezen, een aperitiefdrank brouwen en later misschien zelf een boek schrijven.
    Hij had echter buiten de vijftienjarige Yuroslav Vanwijnsberghe gerekend, die zich ook wou oefenen: in lawaai op ritme, percussie met name. Onder de inwoners van de Koornbloem gezegd en niet gezwegen: drums. Die woorden alleen al! Percussie perforeerde je trommelvliezen; drums deed iets met je grondvesten.
    Uitzondering op de Koornbloem-regel: Yuroslav was levendig lid van een kroostrijk eenoudergezin. Het vijfkoppige stammetje werd geleid door een moeder: een veertigjarige ‘goedbewaarde’ vrouw wier man jaren geleden in de Eerste Golfoorlog verdwenen was. Deze moeder torste nog altijd lange, ravenzwarte haren en twee prachtige vooruitzichten.

    Elke dag, op vakantiedagen tot twee-, driemaal toe, weerklonk omliggend het geroffel, gebonk en gedreun in de beste traditie van vele drummers ter wereld: die van eeuwigdurende egostrelende zelfbevlekkende solo’s. De jongen wist van geen ophouden. En het ging crescendo, samenvallend met het opdagen van een moedervrijer in het huis. Blijkbaar nam Yuroslav ook lessen: geleidelijk verfijnde zich zijn geklop. Keerzijde van de medaille: de sessies verlegden zich nu naar de ochtenden en de avonden.

    Toen leek er plotseling een kentering te komen. De middelste juliweken verliepen geluidloos, althans wat deze vorm van muziek betrof. Perikles Vandewoestijne, en met hem een aantal wijkbewoners, haalden opgelucht adem. Deze opluchting was echter kortademig: tijdens de ochtenden en de avonden van deze rustige midzomerweken werd de buurt, althans de binnencirkel omheen het dekselse drumhuis, vergast op een partituur van gekreun, geschreeuw, gehijg en somtijds gegil. Waar dit nodig was, lokten de mensen hun kinderen weer naar binnen, want ze hadden al vlug door dat het hier de nagelnieuwe minnaar betrof die tekeer ging met zijn kersverse buit. Beiden onderschatten blijkbaar de kwaliteit van de isolatiematerialen op de wijk Koornbloem.

    ‘Of net niet,’ weidde een dichte buur verder op dit thema uit. ‘Omdat ze weten dat iedereen hier altijd alles hoort. Ze kunnen zich gewoon niet inhouden tot de jongen terug van zomerkamp is. Die werd verplicht om drumlessen te nemen en elke ochtend en avond van bil te gaan op zijn trommelvellen. Valt het jullie niet op dat dat geklop begon met de intrede van dat nieuw lief van haar? Enfin: harder geklop toch. Uit goede bron (mijn stiefdochter volgt fagot in de academie hier) weet ik zelfs dat hij maar 55% haalde voor zijn boenke-boenke examen. Maar hij moet ermee doorgaan van de moeder en haar nieuwe vent, en wel op deze tijden van de dag, want ze kennen de bedenkelijke kwaliteit van de isolatie op de Koornbloem, en ze weten allebei ook dat ze zich onmogelijk … ‘

    Voor een keer schaterde een buurtkliekje het uit, Perikles Vandewoestijne (die ook voor de eerste keer naar buiten was gekomen) inbegrepen, midden in de zomer, midden in het verhaal van de dichte buur, terwijl ze op het binnenpleintje genoten van de avondzon. Voor een keer barstte geschater los op de Koornbloem, en geen geklop of gedreun of gebons. Daarna werd het weer stil en spitste iedereen de oren met een brede glimlach om de mond, ex-priester-leraar Perikles Vandewoestijne inbegrepen.
    ‘Wanneer komt de jongen terug uit vakantiekamp?’ vroeg hij dan, om het ijs te breken.


    14-08-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Want van u is het koninkrijk

    Want van u is het koninkrijk

    ‘Samen kennen wij de mosselman, de mosselman’

    Sjors DNO was er zich van bewust dat sterren reeds lang waren uitgedoofd op het ogenblik dat hij ze nog kon zien. Hij keek bij nacht daarom niet met minder vertedering naar boven.
    Sjors DNO was er zich van bewust dat wind slechts tijdelijke luchtverplaatsing betrof. Dat belette hem niet in tijden van bries of tempeest zich gelukkiger te voelen dan anders.
    Sterren, wind: twee onbetrouwbare grilligheden. Sjors DNO kon ermee om.
    Een doorsnee mens zou opmerken: Sjors DNO heeft het allemaal voor mekaar. Niets was minder waar. Doorsnee mensen waren immers stomweg gelukkig met doorsnee geluk. Stom geluk dus. Dat kleurde hun oordeel over anderen zwart of wit.

    Echter! Evenmin was Sjors DNO nog langer aan het worstelen met De Grote Vragen des Levens, Filosofische Kwesties of Prangende Onvolkomenheden op ’s Mensen Pad. We zouden kunnen stellen: niets raakte hem nog, tenzij hij zichzelf erdoor liet raken. En dat moest de moeite lonen. Nou, moeite. Veel dingen dienden zich klakkeloos aan. Je hoefde er zelfs niet eens moeite voor te doen.

    Neem nou Gezondheid (vaak vertaald in) (en) Levensduur; Heil (vaak implicerend) (en) Onheil; Veel (vaak uitmondend in) (en) Overschot; Toeval (vaak vermomd als) (en) Lot; Zwart (vaak een mooiere kleur dan) (en) Wit. Voor dat alles toonde Sjors DNO alleen nog geveinsde belangstelling. Genoeg geschaakt, checkmate.

    Waar woonde DNO, S.? Zijn verwekkers waren afkomstig uit een streek die weinigen kenden. Oltenië, met name, in Walachije. Ze vluchtten in de jaren ‘50 van de vorige eeuw voor armoede en dictatuur. Hun enige zoon Sjors (Georgiu werd ergens eind jaren ’50 geboren) vertoefde heden in de ouderlijke woning te Moen, Vlaanderen. Zijn pa kwam om in een Waals mijnongeval, op de laatste dag dat er kolen uit de dieptes van ellende werden geschraapt. Zijn ma wisselde een tijd later krijsend het tijdelijke met het eeuwige in een ouderwetse laughing academy ergens in de Vlaamse Ardennen. Eigenlijk verslikte ze zich in een Driekoningenboon die in een taart zat verstopt.

    (Tot de week vlak voor het mijnongeval hield deze enige zoon op regelmatige basis zijn beide verwekkers in de gaten, teneinde de voortschrijdende rimpeling van de ouderlijke huid nauwgezet bij te houden. Op de plaatsen waar zich deze verouderingen het eerst, het snelst en het ergst voordeden (bij de beide ouders dus), smeerde hij zichzelf meermaals per dag zorgvuldig in. Hielp dit? Dat kon alleen op onbewaakte ogenblikken door eventueel nageslacht of door het eigen voorgeslacht worden geconstateerd. Het was dus uitkijken geblazen naar complimentjes dienaangaande. Was dat smeermiddel doeltreffend? Of betrof het een zoveelste geval van ‘placebo’? Eigen familie was ook verdacht – je mocht die nooit geloven, want als ze het over jou hadden, waren ze eigenlijk over zichzelf bezig, in de mooiste bewoordingen. Soms durfde zelfs het woord ‘genen’ te vallen. Welke familie, overigens, vond van zichzelf niet dat zij ‘the chosen one’ was? Toen deed zich onverwacht de oplossing voor: de beide ouders stierven.)

    Het grote voorbeeld van Sjors DNO was Winston Churchill, de man die reeds voor het ontbijt een borrel dronk en, gevraagd naar de lengte van zijn aardse jaren, antwoordde: ‘No sport’.

    Sjors DNO was een verkeersslachtoffer en daardoor reeds jaren werkloos. Hij werd namelijk als bediende ontslagen in een grote Brusselse fabriek waar Duitse auto’s werden geassembleerd. Nog even kon hij aan de slag in het gemeentehuis van hoofdgemeente Zwevegem, maar door politieke verschuivingen kwam ook daar een einde aan. Daarna wijdde Sjors zich aan zijn collectie Churchilliana, in het stille ouderlijke huis dat nu geheel van hem was. Een maandelijkse dotatie vanwege de staat belette hem in een kartonnen doos te gaan leven. Soms dronk hij zich lam in café De Ster in Zwevegem, op een boogschot van Moen, bij ontstentenis van vrouw in zijn leven.

    Ter zake. Men neme een aantal stille bij wijlen kronkelende secundaire wegen in het opperste zuiden van westelijk Vlaanderen om tot de biotoop Moen (inhabitants: 2 749) te komen. Moen bevindt zich langsheen het kanaal Bossuit-Kortrijk, dat de Schelde met de Leie verbindt. Een waarschuwing bij voorbaat: oudere mensen uit de streek zullen u vergasten op de West-Vlaamse anderhalfliner ‘Moen, waar dat d’ oude meet’n broên’. Vrij vertaald: ‘Moen, waar de oude oma’s leven (broeden)’. Dat slaat natuurlijk nergens op, zo’n rijmdwanggeval. Het is om te lachen. Gedenk daarenboven ook even de duivel Moen uit Mariken van Nieumeghen. Maar wie kent die nog. En dat is niet om te lachen.

    Sjors DNO, van de regen in de drop. Van Oltenië, Walachije naar Moen, Vlaanderen met name.

    In de schaduw van de kerk (als het al eens niet regende) stond een smakelijke hoektand. Hij bewaakte een plein met parkeermogelijkheid en een basisschool. Die hoektand heette Bij Gerarda en je kon er de lekkerste mosselen van West-Europa eten, min of meer à volonté. Die waren zo lekker dat er heuse wachtlijsten bestonden van gegadigden die de Moense mosselen wilden proeven. Bij al dat vreemde gastronomische volk voelde menig Moenenaar zich somtijds achteruitgestoken. Is mijn geld dan minder waard misschien? Van dat. De rangschikking op die lijsten zette wel eens kwaad bloed. Notabelen, weet je wel. Of van die onnozel kwekkende BV’s, Beroerde Vlamingen die kwamen schnabbelen in de streek. Ook Sjors DNO had goesting in Moense mosselen. Zijn frustratie hieromtrent groeide elk jaar, niet alleen in de maanden met een r, want het woord maand, zo verkondigde hij af en toe in De Ster, had verdomme geen r.
    Moen lag verre van de zee. Pakweg zeventig kilometer, met de nodige verkeerstrammelant onderweg. Toch waren zijn mosselen gegeerd. In Bij Gerarda betrof het grootste keukengeheim de herkomst van die zeevruchten. Langs Vlaamse wegen trof je immers honderden mosselhonken, met wisselend succes qua verhoudingen smaak/prijs/cholesterol. Hoe slaagde godgenageld een Moense herberg in deze hemelse roeping? Diverse horecaspionnen bleven in het duister tasten. Zeevruchtendetectives stootten op een omertà. Geldleveringen aan banken en warenhuizen hadden verdorie minder mysteries.

    Bestond er een verband tussen Sjors DNO en deze lekkernij te Moen geserveerd? Ja en nee.
    Ja: Sjors at graag mosselen, die rijkeluilekkernij die vroeger armemensenvoer was.
    Nee: Sjors had nog nooit Bij Gerarda van de binnenkant gezien.
    Tijd dus dat Sjors uit zijn schulp kwam.
    Het begon met een gedicht. Sjors DNO had een mosselgebed geschreven.

    GEBED BIJ HET ETEN VAN MOSSELEN

    O mossel,
    gij die geen vlees zijt,
    en eigenlijk geen vis,
    gij die alleen bestaat
    uit weekheid en pis,
    gij die in uw schulp kruipt
    en nooit eerste hulp krijgt
    terwijl het frietvet druipt:
    in uw geest willen wij leven.
    Als gij te vreten zijt,
    dan zijn wij tevreden.
    Al hebben we dan een lookprobleem.
    Ons gehemelte is uw zevende hemel,
    uw hel en uw eeuwig jachtveld.
    Uw dagen zijn geteld.
    De onze ook.
    Gelukkig zijn er nog de nachten.
    Die kunnen ook tellen.
    O mossel,
    ons koninkrijk voor uw zoute gedachten!
    Amen (samen).

    In het stille ouderlijke huis vijlde Sjors dagenlang aan zijn mosselgedicht. Een van zijn grootste problemen betrof het al dan niet voeren van een schuilnaam. Bepalend hierbij was natuurlijk de vraag: ‘Wat vang ik met mijn gedicht aan?’
    Net als vele mensen te Moen was Sjors DNO ooit doodgewoon ontsproten uit een zaadcel die een eicel besprong. Dat mocht dan wel ver van hier gebeurd zijn (afstand vormt vaak een criterium voor bekendheid), Sjors was met zijn sociaal-realistische driehoekige Oostblokhoofd verre van een beroemdheid te Moen en omstreken. Men kende hem amper. Hij leidde dan ook een hoofdzakelijk ontslagen leven, op weg naar de herfst van datzelfde leven.

    Op 6 juli A.D. 2008 schreef hij onder zijn mosselgedicht:

    S.J.S. DONOR

    Uit tevredenheid met die pennaam zocht hij die nacht straalbezopen zijn bed op. Moen was een mosselman rijker. En een auteur.

    Kon het zeevruchtengedicht van S.J.S. DONOR een vrijgeleide betekenen voor toegang tot de Tempel der Mosselen? Bij gebrek aan een minnares of een vrouw die hij desnoods als een aanhangwagentje met zich meevoeren kon, diende Sjors DNO zich met andere middelen te behelpen. (Veel mannen worden gedoogd omwille van hun vrouw: uit medelijden, soms gecombineerd met schoonheid.) Julidagen lang (de verse mosselen waren nog peperduur, en er waren ondertussen ook al Belgische mosselen op de markt – daar hadden de kooplui uit Holland niet van terug, de zoutwaterkaaskoppen!) tobde Sjors over de bestemming van zijn tekst. Zijn doel betrof niet minder dan een eretafel in Bij Gerarda.

    11 juli A.D. 2008 klokslag 00:06 postte hij het mosselgebed een beetje wanhopig op zoveel mogelijk internet poëziesites. Dat bluste al een beetje de brand. Bovendien maakte hij een ouderwetse papieren zending klaar met daarin de handgeschreven versie van zijn gedicht, ook onder pseudoniem. Hij likte de kont van de koning, plakte die in de rechterbovenhoek van de envelop en deed diezelfde nacht nog als een geheimzinnige schim de zending op de bus in het slapende Moen. Bestemming: de eenmansredactie van De Toren, het blad over en onder de kerktoren, tweewekelijks gebust bij elke parochiaan, ook bij die intellectuele postmoderne betwetende elitaire heidenen boven wier postgleuf de waarschuwing prijkte KLEP DICHT VOOR RECLAME- EN ADVERTENTIEBLADEN. Bij nacht en ontij (het sausde natuurlijk weer oude wijven, en een woeste rukwind kamde de boomkruinen tegendraads, balorige Belgische zomers) spoedde Sjors zich grijnzend huiswaarts. Er was gelukkig geen levende mossel te bespeuren.

    ‘Verdomme, wat is dat?’ vroeg de eenmansredactie, zijnde de pastoor, zich af. ‘En hier in Moen afgestempeld? Is dat om te lachen? Gebed? Mossel? Wie is Donor?’
    Hij raakte er niet uit, hoe diep hij ook nadacht door zijn hoofd schuin omhoog richting hiernamaals te houden en zijn blik op oneindig te focussen.
    ‘Moet ik dat in De Toren zetten? Omdat het woord gebed erin staat? Ik moet opletten daarmee. Het is misschien een weddenschap. Of een truc van een oversekste …’
    ‘Cut!’ riep het in zijn katholieke hoofd, en hij las het ding nog eens helemaal door.
    ‘Er zitten veel Bijbelse woorden in, dat wel. Koninkrijk, bijvoorbeeld. Want van U is het Koninkrijk. Maar … mossels, bij God!’

    Het was de Quatorze in Frankrijk. De helft van Moen zat in buitenlanden zoals daar zijn Spanje, Turkije en het bijna aanpalende Frankrijk. De andere helft zat thuis te kniezen omwille van de boze buien van de Belgische zomer. De rest zat die avond in Bij Gerarda, zich verkneukelend in het feit dat de Franse mosselen veel kleiner waren dan de Moense. OOK SJORS DNO BEVOND ZICH DIE GEDENKWAARDIGE AVOND ALDAAR. Hij had zijn stoute schoenen aangetrokken en zich telefonisch tot Gerarda gewend in verband met de reservatie voor één persoon op 14/07. Een of andere toogpipo had hem eerst proberen af te schepen. Sjors, reeds wennend aan een schrijverspseudoniem, had beweerd dat hij de burgemeester van Kortrijk was. O, had u dat direct … Zo verkreeg hij onmiddellijk verbinding met mosselpatrones Gerarda haarzelf. Neen, hij was niet echt de burgemeester, maar hij had er veel mee te maken, ze zou dat wel zien, en hij zou een heel fijn cadeau voor haar meebrengen, en ze zou het ook interessant vinden hem te leren kennen, de andere gasten waarschijnlijk ook, maar hij zou haar tijd niet in beslag nemen, één persoon dus, op naam van Donor.
    ‘Donor?’ klonk het verbaasd, gevolgd door een rokershoest.
    ‘Ja, ik kan dat ook niet helpen.’
    ‘Van Moen? Van hier?’
    ‘Ja.’
    ‘Allez dan … ik heb nog één tafelke naast de toog. Vanaf acht ure.’
    ‘Dank u wel!’ juichte de heer Donor.
    ‘Ge weet dat ge hier niet meer moogt smoren hé. Allez: nergens nog. De rook stoort het cliënteel. Natuurlijk wel buiten op het trottoir of op het koertje hier, dat wel. ’
    ‘Ik rook niet!’ juichte de heer Donor.
    ‘Allez dan,’ besloot de mosselvrouw, en ze plofte zuchtend de hoorn op het toestel.

    En nu zat hij daar. Donor. Van kwart voor acht al. Een boerenuur. Ge moest te laat komen wilde ge indruk maken. Niet zo vroeg. Gerarda stond hem van achter het spievenstertje in de keukendeur gade te slaan. Cadeau? Had hij precies niet bij zich. Hij had zich bij het binnenkomen gewoon gemeld. Hij was gaan zitten en had een dubbele wodka besteld. Kende ze hem? Nee. Had iemand van het personeel hem hier al gezien? Mm. Men verdrong zich even aan de deur. Het driehoekige hoofd veroorzaakte geen herkenning. Hij was verdorie wel de allereerste. En alle plaatsen, 43 in totaal, waren vanavond bezet.
    ‘Het ziet er een seriemoordenaar uit,’ zei een van de zaalmeisjes.
    ‘Donor. Heet hij echt Donor? Met zo’n naam … ‘
    ‘Hij woont hier al lang, maar ik geloof dat hij in Brussel werkte,’ zei de kok. ‘Langs de baan naar St.-Denijs. Hij zat ook op het gemeentehuis in Zwevegem.’
    ‘Ik denk ook dat ik hem al eens op de fiets heb gezien hier.’
    ‘Het ziet er mij een eenzaat uit.’
    ‘Hij zei verdomme eerst dat hij de burgemeester van Kortrijk was.’
    ‘Ge moest bij hem zijn om een reispas aan te vragen.’
    ‘Hij zit soms in De Ster in Zwevegem.’
    ‘Welke verrassing zou hij voor u mee hebben?’
    ‘Ik weet het niet; hij heeft nog van niks gebaard.’
    ‘Frederika: ’t is uw tafelke hé.’
    ‘Ja, ge krijgt hier van alles over de vloer,’ zei Gerarda besluitend, en ze kletste haar keukenhanddoek als een flagellant over haar schouder. Ze gluurde een laatste keer naar de gelagzaal.
    ‘Ah: daar is de pastoor met zijn maten. Tafel zes, Frederika. Ik ga buiten nog een laatste opsteken. Het wordt een lange avond.’
    ‘Ja madame.’

    Sjors DNO zat ietwat grimmig voor zich uit te staren. Aan niets mocht het hem ontbreken. Ook Churchill werd overal waar hij kwam in de watten gelegd. En die schreef ook. Sjors tastte even naar het in vieren gevouwen DINA4-blad in zijn jaszak waarop hij zijn mosselgedicht had gekalligrafeerd. Nu alleen nog het goede moment afwachten.
    ‘Kan ik nog een dubbele wodka?’ riep hij halfluid naar een ijlings passerend meisje in wit-en-zwart. Zijn woorden waaiden onverrichter zake weg.
    ‘Meneer pastoor, hartelijk welkom. En heren. Tafel zes is gereserveerd, hoor. Een rustig hoekje.’
    ‘Een dubbele wodka hé,’ knarsetandde Sjors, toen ze alweer razendsnel zijn eenmanstafeltje voorbij vlinderde, een walmpje van Chanel N° 5 achter latend.
    Het kelnerinnetje haperde even in haar vlucht: ‘Hé?’
    ‘Wodka,’ blafte Sjors. ‘Dubbel.’ Bij wijze van proefondervindelijkheid hield hij zijn lege glas omhoog en wapperde er even mee.
    ‘O, ja,’ knikte het meisje.
    ‘Geen ijs. Not on the … ‘
    ‘Jaja,’ onderbrak ze.
    Ze was alweer verdwenen in de nevelen van de mosselkeuken vooraleer hij de kans gekregen had zich op te winden op een manier alsof hij elke dag in de horeca vertoefde. Boos keek hij naar de pastoor en diens gezelschap van twee mannen. Ook pastoors? Heden ten dage kon je die religieuze lui niet meer van de stervelingen onderscheiden.
    Een rustig hoekje.
    Sjors DNO, die ’s nachts naar de sterren keek en zich gelukkiger voelde als de adem van de wind de bomen tegendraads kamde, had zich de laatste decennia niet meer bezondigd aan kerkbezoek. Het enige religieuze feit in die periode betrof een pisbeurt tegen de sacristiedeur, na een eenmalig avondje eenzaam hijsen in Zwevegem na zijn ontslag omwille van politieke verschuivingen.
    De zaak zat nu bijna vol. Men knikte het eenmanstafeltje minzaam toe: het knikje tot de onbekende, waarover men later aan een disgenoot fluisterend en opzij gebogen achter een servet zou vragen: ‘Maar wie is dat daar?’

    Die tweede wodka, tot de rand gevuld, werd door patrones Gerarda in hoogsteigen persoon op een schaaltje afgeleverd.
    ‘Alstublieft meneer Donor. Zonder ijs hé.’
    Ze speurde ondertussen nieuwsgierig zijn kleren, handen en gezicht af, op zoek naar een verrassend teken.
    ‘Dat ik voor u toch nog een tafeltje kon versieren, hé!’
    ‘Ja, merci daarvoor,’ knikte Sjors plechtig.
    ‘Van Moen?’
    ‘Van Moen.’
    ‘Tiens, ik ken hier geen eh … Donoren … Donors.’
    ‘Eh … we zijn niet echt van de streek.’
    ‘Ah ja, zo. Allez … ‘
    ‘Zijn de mosselen goed?’
    ‘Prima en … à volonté. Enne … gij hebt iets in petto? Voor vanavond? Een surprise? Aan de telefoon … ’
    Sjors DNO lachte geheimzinnig. Even keek hij om zich heen. De gelagzaal was volgelopen.
    ‘O … mijne tuinman en compagnie!’ riep Gerarda plotseling uit. ‘Ik kom subiet nog een keer langs, meneer Donor. Mijne tuinman … ‘
    Sjors knikte kwaad (zijn hoofd eerst met een ruk naar omhoog en pas dan naar omlaag, niet omgekeerd) en zette morsend zijn tanden in zijn tweede dubbele wodka.

    Ergens op het grote parkeerplein naast de mosseltaverne van Gerarda, waar de gemeente Moen het beproefde visgraatsysteem toepaste, begon nu een auto paniekerig te loeien, met korte tussenpozen. Alle fijnproevers in Bij Gerarda zaten elkaar vragend aan te kijken. Herkende dan niemand de noodkreten van zijn eigen vehikel? Waren ze dan allen te voet of op de fiets gekomen?
    Het personeel, handdoeken aan heupen of over schouders bungelend, kwam nieuwsgierig aan de vensters van de verbruikzaal postvatten.
    ‘Ziet gij iets?’
    ‘Neen-ik.’
    ‘Maar allez, dat er nu niemand … ‘
    ‘Die gaan ze nooit van z’n leven pakken, die auto bedoel ik, niet de inbreker.’
    Het parkeerplein stond vol; het was niet mogelijk van hieruit een protesterende auto te detecteren.
    Gerarda draaide zich nu autoritair om, naar de mosselgelederen in haar kaffaat:
    ‘IS DIE SIRENE VAN IEMAND VAN HIER? DIE HIER ZIT?’
    Kort gelach verspreidde zich over de tafeltjes. Er keken er een paar naar die eenzaat aan de toog. Sjors DNO walste lichtjes zijn tweede wodka en reisde met zijn blikken over alle gezichten die hij kon waarnemen. Ondertussen schudde hij lichtjes van nee, zodat duidelijkheid omtrent zijn vervoermiddel heerste.Plotseling zweeg het opstandige voertuig als vermoord. Iedereen hees zich weer in zijn rol. Stemmen gingen over in collectief geroezemoes en het personeel haastte zich hoofdschuddend naar Het Land van Kokanje in de ingewanden van Bij Gerarda, waar ettelijke kilo’s mosselen een wrede kookdood aan het sterven waren, à 22 € per persoon, 2 glazen Muscadet inbegrepen.

    Nog tweemaal ging het voertuig hardop aan het protesteren.
    Betrof dit een waarschuwing vanwege de goden? Wraak vanwege generaties mosselen?
    Had men te Moen tussen Leie en Schelde beter op zijn hoede moeten zijn?

    Later zou een overlevende getuige van De Hel van Moen het hebben over een alarmsirene die tot driemaal toe weerklonken had, tweemaal gevolgd door een stilte voor de storm. De derde alarmsirene had heel dichtbij geklonken. Toen was die hel losgebarsten: net op het ogenblik dat die onbekende eenzaat aan het toogtafeltje met een verdacht gebaar naar zijn jaszak had gegrepen.
    Dat vehikel had zich plotseling om een onbekende reden uit zijn parkeerplaats losgeweekt en was door de lichte hellingsgraad van het terrein naar beneden gehobbeld, schuin afwijkend, nog wat schuiner afwijkend naarmate het verder hobbelde, tot het uiteindelijk tot stilstand kwam en het voorportaaltje met de voordeur (de enige toegang tot Bij Gerarda) blokkeerde. Dat had niemand van de zeevruchtenlekkerbekken gemerkt. Ze zouden het wel subiet gaan horen.

    Zaalmeisje Frederika naderde het toogtafeltje met de dampende mosselpot. Toen gebeurde alles tegelijk. Dat verdomde vehikel buiten begon aan zijn derde tirade, vlakbij en veel harder, iedereen schrok zich een kriek, alle hoofden bewogen zich met een ruk zijwaarts, Sjors DNO stootte zijn wodka om toen hij te haastig naar zijn zak tastte om zijn mosselgebed eruit te halen toen hij zijn lekkernij zag naderen, Frederika (geschrokken door die autosirene?) dacht dat de kerel (een seriemoordenaar? Donor!) naar zijn mes of revolver greep, struikelde over haar eigen voeten zodat het deksel van de mosselpot middelpuntvliedend weg zeilde vol in het gezicht van een aanpalende klant en de inhoud (nog net onder het kookpunt) vervolgens over het hoofd van Sjors DNO uitgebaggerd werd.
    Er veranderden prompt nog dingen en mensen van uitzicht en plaats, begeleid door het loeien en snerpen van dat ellendige autoalarm, dat telkens weer uithaalde als een woedend kind, en dat herhaalde aanvallen op de deur leek te ondernemen. Een achtarmig brandend kaarsenstel was door een brullende Sjors aan zijn onderkleedje van de toog gesleurd en weldra likten de vlammen van deze vurige inktvis gretig aan de wodka, zich vermenigvuldigend via servetten en tafelkleden en mensenharen. Sjors DNO zag vurige sterren en hoorde het woeden van wind. De aanpalende man die het deksel midscheeps zijn gezicht had gekregen, vatte vrijwel onmiddellijk vuur. Onhandige bluspogingen met o.a. alcoholische dranken zorgden alleen maar voor snelle uitbreiding van het vlammenzeetje. Ook het feestelijke textiel van zijn drie tafelgenotes stond nu in de fik. Frederika liep met brandend voorschootje gillend de keuken in, waar ze tegen allerlei vuuronbestendigs aan botste. Het keukenpersoneel vatte vuur. De kok stond zelf ook al onmiddellijk in lichterlaaie: hij werd van drie kanten aan zijn mouwen getrokken door helden op zoek naar natte handdoeken, dweilen, emmers met water. Lopende vuurtjes alom: in de gelagzaal, in de keuken. Binnen de twee minuten was De Hel van Moen een feit.

    ‘Uw dagen zijn geteld.’

    Dit vers kon nog worden ontcijferd op het verkoolde stuk papier dat op het geblakerde lichaam van Sjors DNO werd aangetroffen. Daardoor vermoedde men dat de onbekende wraakzuchtige eenzaat aan het eenmanstafeltje de brand uitgelokt en aangestoken had. Vooral Gerarda zelf, die ook het inferno overleefd had, was daarvan overtuigd.
    ‘Hij zei eerst dat hij de burgemeester van Kortrijk was, en dan dat hij Donor heette. Frederika, God hebbe haar ziel, vond ook al dat hij er als een seriemoordenaar uitzag. Volgens mij was hij gestoord: hij gebruikte zelfs zijn wodka als brandversneller.’
    Ook de eenmansredactie van De Toren, zijnde de pastoor, zat met een probleem. Deze heilige man was natuurlijk (beschermd door de katholieke God?) de vurige dans ontsprongen, zij het met tweedegraads brandwonden. Toen hij het nieuws van het vers vernam en de naam Donor hoorde vallen, greep hij andermaal naar het vreemde gedicht dat zich bij hem in de gedaante van een gebed had gematerialiseerd.
    ‘Wie de ziel heeft van een dichter, heeft ook die van een moordenaar,’ mompelde hij. ‘Misschien leefde de duivel echt hier te Moen. Ik ga op eigen kosten zeven extra mosselmissen opdragen, die elf begrafenisplechtigheden niet meegerekend.’
    De pastoor verbrandde diezelfde dag nog het mosselgebed van S.J.S. Donor in de doopvont van de Sint-Eligiuskerk. Op dat ogenblik dreef reeds enkele uren het stoffelijk overschot van de dove gepensioneerde schooljuffrouw Gisela in de dode Scheldearm nabij Outrijve. Zij was de eigenares van het vehikel dat die helse avond de voordeur van Bij Gerarda geblokkeerd had.

    Bij Gerarda, de gastronomische hoektand van Moen (inhabitants inmiddels 2 738 – 11 inwoners lieten het leven in De Hel van Moen), werd nooit heropgebouwd. Nadat de stank van verbrande mosselen en verschroeid mensenvlees verdwenen was, gebeurde er het saaiste wat ermee gebeuren kon. De hoektand werd getrokken. Nu staat er een spuuglelijk 21ste-eeuws gebouw waar aan elk raam de slogan hangt: UW GELD TELT.

    Maar de prijs die de onfortuinlijke lekkerbekken in de avond van 14 juli voor een royale portie mosselen betaalden, was gastronomisch hoog.
    Hun behoort nu het Koninkrijk.


    10-08-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DRAMA

    DRAMATISCH NIEUWS

    Ik neem de vrijheid u en uw gezelschap enkele van mijn theaterstukken onder uw welwillende aandacht te brengen. Zowel Toneelfonds J. Janssens (Borgerhout) als Theaterburo Almo (Antwerpen) als Vink, Alkmaar (NL) publiceerden mijn dramatisch werk. Mocht u eventueel interesse hebben i.v.m. opvoering, dan moeten de scripten bij deze literaire agenten opgevraagd worden.

    EEN EENHOORN IN JE TUIN (J. Janssens, 1996): jeugdtheater voor kinderen, door kinderen en desgewenst volwassenen. Meerdere rollen mogelijk, o.a. een hele klas. Thema: fantasie. Avondvullend.

    THUIS HEBBEN WE GEEN TREIN (J. Janssens, 1998): avondvullende monoloog. Aan het woord is een geprepensioneerde treinconducteur. Thema: station, treinen, reizen. Meerkeuzemogelijkheden voor het slot. Genre: hilarische komedie.

    DODE ADDER (Almo, 2000): bekroond met de Nestor de Tière Toneelprijs van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde Gent en met de Premie Theaterschrijfprijs Provincie West-Vlaanderen. Avondvullende dialoog voor 2 mannen of vrouwen en een zwarte vogel (raaf). Een ironisch sollicitatiespel dat uitmondt in rolomkering en moord. Genre: wrang-ironische komedie.

    HIEP HIEP HYPO! (J. Janssens, 2002): eenakter voor een 10-tal personages. Een man koestert zelfmoordplannen en gaat daarom een laatste keer shoppen in het warenhuis. Hij ontmoet er overledenen die hem tot andere gedachten proberen te brengen. Thema: zwaarmoedigheid. Genre: komedie.

    DE BIERKAAI (Almo, 2002): avondvullend volksstuk in 14 staties met een ‘catering’-einde, zich afspelend in een randstedelijk stamcafé. Een 20-tal rollen, verwisselbaar (m/v). Graag ook een hond. Diverse thema’s. Genre: komedie.

    DRIE MINIMONOLOGEN (J. Janssens, 2003 & Vink, Nl, 2009): duur van elke monoloog is een halfuur. ALS HET HERT SPREEKT: een jachttrofee-met-gewei aan een cafémuur lucht zijn hart. MAMA: een zoon lucht zijn hart over zijn vrouwelijke ouder. ROLEX: een bedrogen minnares lucht haar hart over haar ex-geliefde.

    ZEG, LUISTER JE NOG? (Almo, 2004): een veertigtal korte sketches in dialoogvorm. Genre: absurd, laconiek, ironisch.

    ’T PARADIJS, EEN GRENSGEVAL (Almo, 2007/08): een volksstuk in opdracht, geschreven voor de bewoners van de grenswijk ’t Paradijs/Rekkem, waarin de typische grensproblematiek wordt geëvoceerd, o.a. de smokkel. In 2008 wordt dit volksstuk opgevoerd ter plekke.

    DAMIAAN, MIJN DING (2007/08): een jeugdtheaterstuk in opdracht van Damiaanactie en Revinzeschool Torhout. Eerste opvoering juni 08.

    HOTEL DE STERVENDE OLIFANT (Almo, 2009): een avondvullende theaterthriller met bloeddoping in de wielrennerij als thema. 15-tal rollen; 3 decors.

    ZZOEF!! (IBVA Alkmaar, Vink, NL, 2009): eenakter in 12 taferelen over de snelheid van het leven. Combinatie ernst & humor. Verwisselbare rollen (5 à 6 duo's).

    VEE (Almo, 2009): komisch stuk over teambuilding, groepsdynamiek en zwak leiderschap. 11-tal rollen; 3 decors. Duur: 80 min.

    APPELEN (2010): een kijk- en hoorspel dat door actrice Bianca Vanhaverbeke geïnterpreteerd wordt om door kinderen gespeeld te worden.

    ZIJN ALLE ZWANEN WIT? (J.Janssens, 2010): absurde eenakter van drie kwartier met twee rollen. Thema: toeval en geluk.

    MEERVOUD (M/V) (Vink, Alkmaar, 2010): spektakelstuk voor twee rollen (desgewenst zes) op en rond een dubbele schommel, waarin Fred & Ginger, Julius & Cleo en Dolf & Eva op hun leven op aarde reflecteren. Duur: anderhalf uur. Dans- en zangscènes mogelijk.

    Hopelijk eens tot in de zaal of op de planken (en niet ertussen):

    JORIS DENOO

    www.jorisdenoo.be


    29-07-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Tentoonstelling! (02)

    Eindelijk besteeg Bruce Penning het spreekschavot. Hij zag wat bleek, alsof hij op de galg toestapte.
    'Dat is de echte oker', zei de kunstenaar William Sweetheart zeer beslist tegen Puk. 'Oker is de kleur van zijn jasje.'
    'Er moet wat craquelé in,' oordeelde Puk. 'Zou 'm veel beter staan, de joker.'
    Terwijl iedereen de man op het schavot met zijn of haar ogen opat, keek sprekerd zelve naar iedereen en naar niemand. Het was een goede tactiek.
    'En ik moet vooral blijven beseffen', dacht een zwetende Penning, 'dat een publiek uit vele eenlingen bestaat. Ze zullen me niet opeten. En ze dragen allemaal slipjes en onderbroeken.'
    Toen viel zijn blik op Walerik. ‘Die van AHA!' flitste het door zijn hoofd. 'De schuinschrijver.'
    In tijden van hoge nood en hete vuren flitsten de gekste gedachten door zijn hoofd. Thuis, voor de spiegel in de roze badkamer, had hij de laatste mee-eter uitgeperst en zijn speech twee keer opgezegd. Dat Algemeen Beschaafd Vlaams zou hem wel lukken: kwinkslag hier, kwinkslag daar. Enkele stiekeme glazen gin hadden hem al op vernissagetemperatuur gebracht.
    Het lawaai dijde in groter wordende cirkels uit. Penning was een steen in een poel die steeds stiller werd. Reeds zwegen vele aanwezigen. Ze plaatsten zich met hun blote aangelaat naar de sprekerd toe. O wat haatte die op dat ogenblik al die witte vlekken en die grote roze oorschelpen! Hier en daar hoorde je nog wat opmerkingen na vervaldatum en enig beleefd geginnegap in mineur. Sweetheart luisterde naar vermeende krekels buiten op het gazon. Vandenberghe probeerde zonder lawaai te maken een handvol chips naar zijn gezicht over te hevelen. Klaas Houtersen schraapte de mist in zijn keel weg, alsof hij het zelf wou zeggen. V2 hield hem in de gaten. Ze kreeg een visioen. De plexikunstenares Verduyn, pruilend als een barbiepop, keek naar marmeren Vandenberghe die chips morste. Tweeënzestig anderen kruisten de armen voor de borst. Het begon. Pennings blad trilde als een belastingformulier. Het woord zou vlees worden.

    Walerik toverde een pilletje tevoorschijn, slikte het door, haakte zijn duimen achter zijn broeksriem vast en wachtte op wat komen moest. Zijn fototoestel bleef koppig op zijn buik bungelen. Rozemarijke, in de gaten gehouden door mevrouw Penning, bestudeerde de licht- en schaduweffecten van De Smedt. Aldus vermeed ze visueel contact met haar geliefde spreker-dichter, want dat hij zich verspreken zou, stond als een paal boven water. Ze leed mee. Dan nam Bruce Penning, na driewerf geklop op de microfoon, het woord, brak het en deelde het mee aan de genodigden. Rozemarijke haalde opgelucht adem. Pottenbakker Puk ging plassen. Walerik slikte en keek naar de fel articulerende lippen van Penning. Mevrouw Penning keek door haar echtgenoot heen. Akkemaaike stond te dromen. Puk kwam terug. Zijn schoenen waren besproeid. Zijn lange haren stroomden van onder zijn rood pausmutsje neer tot ze overvloeiden in een al net zo lange baard. Mercurius keek opzij; zijn staart zwierde mee. Dat deed hij opzettelijk.

    En toen keek bijna iedereen om. Kunstcriticus Dick Lunet, bekend van de regionale radio, kwam stilletjes maar zeer zichtbaar binnen. Hush! Hush! Hij voerde een vrouw als een aanhangwagentje met zich mee. Ze bestond, van onderen te beginnen, uit lieslaarzen, billen, een gordel die wat Vlaams textiel samenhield en daar helemaal bovenop voorwaar nog een hoofd met oranje achterovergeharkt haar. Lunet zelf was gehuld in de verplichte witte sjaal. De samenscholing schoof eerbiedig open. Lunet en het wezen tipteenden glimlachend naar voren. Daar drapeerde de kunstcriticus zijn jas los om zijn schouders en klopte met een gauloise op de snuifdoos van zijn hand. Aan de lijn ... klaar ... start.

    Waleriks blik dwaalde af en haperde aan een vochtplek boven een venster. Met enige verbeelding kon je er de klassieke contour van Napoleon in herkennen. Zijn blik zakte tot op de vensterbank. Daar zat, zwaar vermoeid, met wallen onder de ogen waar hij zo in kon stappen, apotheker Vondel. De catalogus 'SCHIMMEN & SCHADUWEN - ONGRIJPBARE BEELDEN' stak slordig uit zijn jaszak. Onophoudelijk klopte hij assenkegeltjes af, steevast naar het craquelé in de vloertegels turend. Wilfried Vondel bezat een collectie werken van Klaas Houtersen: slangen die naar tijgers beten en tijgers die lange slangenstaarten hadden. Maar Vondel was vanavond ietwat verdwaald, ook al was er veel licht: Houtersen was hier niet met werk vertegenwoordigd. Iets slangachtigs ontdekte hij alleen in de koeienstaartemblemen van de Cowboys Service Ring, waar hij zelf ook lid van was.

    Mercurius' rechtervoet sliep. Walerik moest dringend plassen. Houtersen schoof al naar de cocktailbar op. Zes vrouwenogen reisden onzichtbaar met hem mee. Akkemaaike onderdrukte een geeuw. Vandenabeele bestudeerde Debeule. En toen kwam de aap uit de mouw.

    Er kwam beweging in de gelederen. Professor Gewijde Paelinck slaapwandelde naar voren en beklom struikelend het spreekschavot. Bruce Penning, omringd door enkele geheel uit ellebogen opgetrokken politici en leden van de Cowboys Service Ring, overhandigde de Trofee 1302 voor Kunst- en Cultuurverdienste aan Paelinck. Die keek zeer ernstig. Enkele fototoestellen bliksemden. Walerik verroerde geen vin. Akkemaaike stuurde hem boze blikken toe. De aanwezigen applaudisseerden. Maar niemand wist echt goed wie die rare oude kwiet was. Of wat voor verhevens hij gedaan had. Schouder aan schouder stonden ook Tjeef Vanleeuwe van 'Ons Zwervend Deel' en het Europarlementslid handjes te klappen.
    'En dan geef ik nu graag het woord aan professor Paelinck,' articuleerde Penning in de microfoon. De oude prof bekeek de micro vijandig. Hij liet zijn blikken over het volk glijden. Het werd stil. Zelfs apotheker Vondel keek even op, een oude zeehond.
    Een spiekblad? Geen blad. De professor zou geen blad voor de mond nemen! Onmiddellijk al veroverde hij daardoor de bête bewondering van vele aanwezigen. Hij kende alles van buiten!

    Aap, mouw.
    Want zo sprak hij, de oude gestudeerde gestoorde kwiet:
    'NEE, dames en heren, waarde genodigden, in deze kunst-tempel als het ware spreek ik recht uit het hart tot U, zonder een blad voor de mond te houden. U, de cultuurdragers en -verspreiders van ons Vlaamse Volk, dat weleer van Noordkaap tot Kaap De Goede Hoop ...'
    'Grote God!' dacht Walerik.
    'Oei,' dacht Tjeef Vanleeuwe. Hij loerde stiekem naar de Europarlementariër. De verzamelde Schimmen en Schaduwen keken gebiologeerd toe. Professor Gewijde Paelinck projecteerde een schaduw die de gehele zaal plotseling leek te verduisteren.
    ' ... het ontaarden van waarachtige Vlaamse kunst in te dijken ... respect voor ons rijke verleden ... hand in hand ... blik op de toekomst gericht ...'
    'Dit is je reinste gewauwel,' flitste het door het hoofd van de Euroman. 'Ik moet iets doen. Ik moet hier een daad stellen. De pers is aanwezig. Dit kan toch niet!?' Hij loerde stiekem naar cultuurdrager Tjeef Vanleeuwe. Die moest toch ook ...
    ' ... nu al pasjes uitdelen aan anti-racisten ... zover moet komen ... onze schoolpoorten wagenwijd open ... wat komt er in de plaats? ... Ik vraag het U, cultuurdragers van ons Vlaanderen ... dulden wij nog langer dat ... mogen wij nog onszelf zijn ... ongestoord en veilig in Brussel ... ons Brussel ... dat ze ons aan het afpakken zijn ...'
    'Ik ga weg,' besloot de Europoliticus, toen hij merkte dat zelfs Tjeef Vanleeuwe niet bougeerde.
    'God laat dit niet lang duren,' bad Vanleeuwe. Ook hij had voor Paelinck als trofeewinnaar gestemd, als prominent lid van de Cowboys Service Ring.
    'Maar allez,' dacht Walerik. Hij ving de blikken op van Klaas Houtersen, die bedenkelijk keek en tegen zijn voorhoofd tikte. Walerik knikte. De plastische kunstenaars stonden roerloos de redevoering te ondergaan.
    'Ik vertrek’, besloot de arme man. 'Nu!'
    'Hé!' deed Tjeef Vanleeuwe geschrokken. Hij trok de Europarlementariër bij de mouw en belette hem te vertrekken.
    'Dit kun je niet maken!' fluisterde hij hem toe. 'Die man is eh ...' Hij wou ook tegen zijn voorhoofd tikken, maar hij stond vlak in het vizier van
    Paelinck.
    Verdammt! Verdammt!
    'Maar allez!' protesteerde het parlementslid. 'Dit is pure propaganda voor het
    Vlaams Belang!'
    Het speeksel van Paelinck waaierde over de eerste rijen uit. Niemand legde de man stil. Allen zwegen en luisterden. En iedereen had gezien hoe de kritische geest en cultuurverspreider Vanleeuwe de gezonde reflex van het Europarlementslid had belet. Walerik ging kwaad plassen. Paelinck kakelde en orakelde door, intussen bewijzend dat de mens van de kip afstamt. Het paard van Troje hadden ze hier binnengesleept. Houtersen was al aan de bar beland. Tjeef Vanleeuwe werd bijna onwel. In het hoofd van het Eurolid stapelden de vragen zich op. Hoe zat dat hier? Waarom reageerde die zogenaamde rebel van een Vanleeuwe niet?
    '... ons eigen volk ... cultuur ... 't is toch niet waar zeker ... erfenis van onze Dietse groten ... spoor ... opkomen voor onze eigen zaak ... onze taal ...godsdienst.'
    De Trofee 1302 winnaar, sectie Kunst & Cultuur van de Cowboys Service Ring (regio zuidelijk West-Vlaanderen), ejaculeerde onverdroten zijn speeksel. Daartussen deden zich woorden voor: bacillen, virussen en bacteriën. Het volk morde niet. Het diet zweeg. Talloos waren de taallozen.

    Na gedane sanitaire zaken inspecteerde Walerik zijn hoofd in de wastafelspiegel. Die schaduw onder zijn linkeroog wou maar niet verdwijnen. Vooral van op wat afstand viel die op. Hij zette een stap achteruit en wreef zijn handen nauwkeurig droog.
    ‘Die klootzak daar op het podium verdient een dreun in zijn Vlaamse ballen,' mompelde hij.
    Er klonk gedempt applaus. Paelinck had gezegd. Vlak daarna was er geroezemoes van bevrijde stemmen. De lach van een vrouw parelde daar even boven uit.
    'Grote gribus, wat nu?' articuleerde Walerik voor de spiegel. Hij controleerde zijn gulp. Enkele mensen zochten de toiletten op.
    'In Amsterdam dansen ze op je motorkap tot je honderd gulden uit het raam gooit,' zei Klaas Houtersen tegen een medeplasser. Aan het heen- en weerzwiepende toiletdeurtje verscheen nu een vrouwspersoon.
    'Kom je, Klaas?'
    'Ja,' knikte die verstrooid.
    'Hoi, Walerik, alles goed?'
    'Heb je dat kwaakdier daar gehoord?' vroeg Walerik.
    'Ze moesten hem opblazen met een rietje,' vond Klaas. 'Nou, tot straks?'
    'Yes,' knikte Walerik anderstalig. Kwaad keek hij naar het kutwijf, dat een zwiepend deurhalfje tegen haar kont kreeg.

    Achter het venster waarboven hij de vochtplek had ontdekt, glom nu blauw schijnsel. De kunstenaar Sweetheart had zijn assemblage op het gazon van 't Omvaartpand van licht voorzien. Geen kat ging kijken. Professor Gewijde Paelinck, cultuurdrager Tjeef Vanleeuwe en de Europoliticus waren spoorloos. Waar waren Akkemaaike? Puk? Steffie? Walerik nam nu plaats op een cirkelvormige bank met middenin een reusachtige gatenplant.
    'Hoe zou het zijn,' dacht hij, zijn ogen even sluitend, 'levend te ontwaken in een met zorg en liefde toegedekt graf? Ik wil verbrand worden als ik doodga.'
    'Misschien heeft hij tandpijn,' opperde Mercurius in de verte, maar Akkemaaike luisterde niet. Maria-Magda-Lena en Jerry brachten Walerik weer onder de levenden.
    'Hei, dromer. Wakker worden. Wat vond je van die Haerinck?'
    'Paelinck. Het is Paelinck. Aan zulke seniele fossielen ontlenen de straatvechters van 't Vlaams Belang hun domme slogans.'
    'Je moet je niet opwinden. Nam je foto's?'
    'Nee. Godverdomme nee. Heb je die Vanleeuwe zien staan? De windhaan! De receptiekuif! Die parlementair wou het echt aftrappen, hoor!'
    'Dat hebben we ook gezien.'
    'Amai Kunstkring. Amai Penning. Amai Cowboys.'
    'Laat Penning nou maar.'
    Oranje hostessen brachten helgekleurde dranken rond. Iemand zat rustig rokend op een lichtgevend marmeren voorwerp van Vandenberghe. Zij besefte niet dat ze op een kunstwerk zat. Een eind daarvandaan stond de kunstcriticus Dick Lunet. Rond hem klitten kuchend en hummend mensen samen: kunstkippen, olieververs, conceptuele kliekjesgasten, nieuwe wilden met Lennon-brilletjes, abstracten met copywriters-stoppelbaarden, derderangsfilosofen.
    'Godverdomme,' mompelde de eenzame Vandenberghe. Hij stond niet bij het groepje, maar keek naar de vrouw die op zijn kunstwerk zat. Vrouwen hielden niet van marmer. Ze zaten erop. De marmerkunstenaar genoot pas erkenning als hij zelf onder koel marmer lag.

    Hoe later het werd, hoe schimmiger en schaduwrijker de figuren werden. Lunet glimlachte breed en dronken met zijn door de Noordzeezon gebruinde gezicht toen hij, uren te laat, Angelica introduceerde, de vrouw die hij heden ten dage overal met zich meevoerde. Daarna vertelde hij voor de omstanders een mop over zijn reis met zijn ex naar Marokko.
    'Dat zou professor Paelinck, hij is al weg, zie ik, dat zou Paelinck niet graag horen, denk ik,' gniffelde hij. 'Ex! Marokko!'
    Na de mop en het daaropvolgende geschater grijnsde Mercurius breed. Hij bevond zich ook onder de luisteraars en had zicht op één tepel van Angelica. Akkemaaike en Maria-Magda-Lena stonden even verderop in drank verzonken. Walerik probeerde een gesprek met de kunstenaar Desmet gaande te houden. Klaas Houtersen was alweer door V2 getroffen. Vandenberghe beschreef nu elliptische banen om de drankentafel.
    En toen kwam Akkemaaike zeggen dat ze naar huis ging.
    'Ik moet nog een foto nemen,' zei Walerik. 'Kom ik later dan nog?'
    'Je hebt gezopen. Je bent zat. Ik hield je in de gaten. Ga maar naar je souterrain.'
    'Heb je die klootzak van een Paelinck bezig gehoord? Hoe Penning zoiets...'
    'Die foto die je nog gaat nemen, wordt zeker een bewegend beeld? Primeur voor AHA!'
    'Ik ben nog nuchter hoor,' protesteerde Walerik. 'Komaan!'
    'Waar zijn Jerry? Bruce Penning? Maria-Magda-Lena?' Waleriks beeld vertroebelde.
    'Zeg, ga jij straks maar te voet hé. En pas op jezelf.'
    'Maak je geen zorgen, mijn poezewoeveke.'
    Akkemaaike vertrok.
    'Zo,' dacht Walerik. Hij spiedde de zaal af op zoek naar koppen die moesten rollen. Hij wou eigenlijk die ossendienende poëet van een Penning wel eens flink de waarheid zeggen.

    Mercurius wou met zijn zeemstem de bloedmooie Angelica nog een wisecrack toevertrouwen, maar die luisterde liever naar de corpulente, gezellige William Sweetheart. Dat wandelende darmkanaal hield haar in de ban.
    'Mijn in zicht,' mompelde Walerik. Hij was op Angelica en Sweetheart aan het afstevenen, maar veranderde van koers toen hij de gestraalde cursiefjesschrijver ontwaarde.
    Er was al veel volk naar huis. Alleen de kunstenaars en hun getrouwen waren er nog. De leden van de Cowboys Service Ring waren ook al richting horecasector verdwenen, want het was vrijdag. Sommigen zaten lelijk met die Paelinck in hun maag gesplitst. Enkelen zelfs met Vanleeuwe. En de man van het Europarlement. Dichter-bediende Bruce Penning spelde namens de organisatoren een cheque uit voor de jazzformatie 'De Purperen Heidenen'. Klokke twaalf struikelde apotheker Wilfried Vondel over een opkrullend vloerkleed. Mercurius en Penning kalefaterden hem in het keukentje. Walerik van AHA! kwam nog wat ruziën, maar die struikelde zowel over zijn woorden als over zijn gedachten.
    'Het gaat wel,' mompelde Vondel. Hij zocht houvast aan een glas. Mercurius zette een deur open. Frisse Vlaamse Omvaart-lucht stroomde naar binnen. Penning zei dat hij en zijn vrouw maar eens opstapten.
    'Ja, maak er een mooie wettelijke stoet van,' zei Walerik zuur. Nog anderen verdwenen in nacht en nevel in het duistere Omvaart-dal: schimmen, schaduwen.

    Voor de hanen in de regio hun gregoriaanse toonladders uit hun strot persten, braakte Angelica met veel overgave de wastafel in de York Arms vol, alsook de rug van een tochthond die een scheur onder de deur bewaakte. Ze giechelde troebel tegen haar spiegelbeeld. De kunstenaar Debeule kwam in het passeren even haar zijige dijen kneden. Hij liet een kattebelletje in één van haar lieslaarzen glijden.
    'Er zit iets in je linkerlaarsje,' fluisterde hij erotisch in haar nek, en keerde naar het gezelschap terug.
    De geblokte vloer van de York Arms schommelde als een zwevend schaakberd voor Waleriks ogen. Vandenberghe imiteerde professor Paelinck en stootte daarbij een beeldje omver. Het was een afgodje uit het oosten. De Aziatische ober lachte en huilde. Vandenberghe probeerde hem te sussen door hem op een stuk papier te portretteren. Hij signeerde met 'Gladde Paelinck'.
    Apotheker Vondel bracht nog een stuk van de nacht in zijn eigen portiek door. Hij hield vijf kunstmapjes, incl. de Penning-gedichten, onder zijn rechterarm geklemd. Met zijn linkerarm rookte hij. Toen hij voor de zoveelste keer zijn zakken wou aftasten op zoek naar die onvindbare sleutel, ontdekte hij dat hij in elke hand een brandende sigaret had. In de verte raasde de ochtendtrein van 04.38 voorbij. De overwegbellen rinkinkten onwerelds. Een nieuwe dag brak aan; een haan besteeg een rokende mestvaalt.
    In de York probeerde criticus Lunet aan Rozemarijke uit te leggen waar zijn achternaam vandaan kwam. Het kind was echter met haar gedachten bij de afwezige Penning, die nu misschien verplicht werd de linkerborst van zijn wettelijk geregelde echtgenote te strelen. De plexikunstenares Verduyn kreeg omtrent Lunet bloederige visioenen. Lunet had er namelijk schuld aan dat het Provinciaal Museum voor Moderne Kunst haar plexizeemeerminnen weigerde aan te kopen. Nee, ze investeerden liever in boomwortels en TL-buizen, waarmee bijvoorbeeld die wandelende strontmachine van een Sweetheart zijn gedrochten ineenknutselde. Desmet zat te vloeken. Vandenberghe zei leuke dingen tegen Angelica. Walerik legde zijn moede hoofd ter tafel. Hij droomde dat hij, omringd door kunstenaars, zijn hoofd ter tafel legde.

    De conciërge van 't Omvaartpand stapte met knerpende zolen door de zaal. Hij had pas nieuwe schoenen gekocht. Hier en daar dronk hij het grondsop uit een fles. Hij knipte de lichten uit.
    'Foetsie, kunst,' fluisterde hij. Daarna floot hij twee keer. Kwispelstaartend kwam zijn hond Bagger eraan. Hij hief een poot tegen een Kunst-installatie van de bekende Plastische Kunstenaar Vandenabeele. Goedkeurend knikte de conciërge.
    'Braaf!'
    Dan verlieten beide schimmen het pand.
    De tentoonstelling was gedaan.


    16-07-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Tentoonstelling! (01)

    TENTOONSTELLING!

    Op de Omvaart dreef een zwarte hoed. Walerik schrok en remde. Nog meer mensen hadden het drijvende hoofddeksel opgemerkt. Ze bleven op de Broeikasbrug en de visgraatparkeerplaatsen langs de Omvaart samentroepen. Walerik manoeuvreerde zijn auto aan de kant, stapte uit en spiedde het grijze water af. Er kwam wat beweging in de toeschouwers toen nog een hoed passeerde: het volstrekt grijze hoofddeksel van een doorsneemens. En toen een derde hoed voorbijdreef, zo'n akelig groen ding met een veer erop, was Walerik gerustgesteld. Ook bij de andere toeschouwers verdween de sensatiezucht toen nog twee dameshoeden, een baskenmuts, een matrozenpet, een bonte baret, drie werkmanspetten, nog drie zwarte hoge hoeden, een koksmuts, een rood kapje, een beestenbontje en zeven puntmutsen defileerden.
    Eén hoed op het water kittelt de sensatiezucht. Veel hoeden op het water veroorzaakt schouderophalen: pff ... kunst in het spel. De wateroptocht werd besloten door een onbemand bootje met reclamepanelen.
    Daarop stond :
    SCHIMMEN & SCHADUWEN. EXPOSITIE 'T OMVAARTPAND.
    Iedereen droop ontgoocheld af. De twijfel was verdwenen: géén zelfmoord, géén grappenmaker. Wel weer zo'n artiest, die het eerder in de gekte dan in de diepte zocht. Gerustgesteld reed Walerik naar zijn hoofdkwartier. Niemand onder de geliefden was verdronken. Ook Steffie niet, die aardige stoot die af en toe onder zo'n zwarte hoed woonde.

    'Er dreven hoeden en hoedjes van allerlei slag op de Omvaart,' zei hij tegen Maria-Magda-Lena, nadat hij met haar de verplichte kus had uitgewisseld.
    'Ik schrok me een bult, want de eerste die passeerde, was net zo'n zwarte hoed als ... '
    'Je schrok je een hoedje?'
    'Ha ha.'
    'Draagt je pa misschien een hoed?'
    'Nee, zelden.'
    'Dacht je dat het om een concept van Jan Hoet ging?
    Afvaart en Uitvaart van Hoofddeksels Kortrijk - Gent?'
    'Hé, weet jij er meer over?'
    'Ja. Het is een stunt van Bruce Penning en consorten, dagelijks voor herhaling vatbaar. Kijk: dit bericht liep hier binnen.'
    Maria-Magda-Lena overhandigde hem een slecht gefotokopieerd persbericht. Het leek meer op een rouwbericht; er zaten zwarte randen omheen.

    Onderwerp: ‘Een expositie - thema: Schimmen & Schaduwen - in het Cultureel Centrum 't Omvaartpand te Kortrijk. Medewerking van diverse beeldende kunstenaars. Inleiding door Bruce Penning, kunst-resencent, te 2O h. Vernissage en receptie aangeboden door de Cowboys Service Ring. Enkele stunts in de stad preluderen op dit Kunstgebeuren. Tevens uitreiking van de Trofee 1302 voor Kunst- en Cultuurverdienste door de Cowboys Service Ring aan professor Gewijde Paelinck.’

    Welwel.

    'Kunstrecensent is verkeerd gespeld,' merkte Walerik op.
    'Hm, ja.'
    'Pre-lu-de-ren,' prevelde Walerik. 'Kunst-ge-beu-ren. Amen.'
    'Wablief?'
    'Alles kits met Jerry?'
    'Pico bello'
    'Hoe schrijf je dat? Prima woordje voor het Groot Dictee van de Nederlandse Taal.'
    'Geen idee. Maar het gaat goed. Met hem.'
    'Schimmen & Schaduwen!?' Walerik fronste de wenkbrauwen.
    'Het schijnt een tentoonstelling te zijn waar het niet om de objecten gaat, maar wel om de schaduwen die ze afgooien. Plaatsen we het persbericht?'
    'Projectie dus. Allemaal projectie. Ja. Gebruik er Mercurius' cursiefjesruimte maar voor. Die speelt niet meer mee. Ik heb hem schriftelijk bedankt.'
    'Oké. De volledige tekst?'
    'Ja, maar zonder fouten. En verander het uur waarop Penning de inleiding doet. Maak er 21 van. Hij moet het maar weten.'
    Walerik keek even naar het etalageraam van advertentieblad AHA!, waarop Bruce Penning ooit een kwak speeksel had gemikt.
    'Wat voor stunts in de stad zijn er nog voorzien?'
    'Die worden niet aangekondigd.'
    'Dat van die hoeden is flauw. Het jaagt de mensen de stuipen op het lijf. Penning zoekt het weer te ver.'
    Walerik keek weer naar het venster. Het etalageraam trilde vervaarlijk toen een vrachtwagen in de straat passeerde. Links op de voorruit stond RUDY O+, rechts CHANTAL A+.
    'Bah.'
    'Puk de pottenbakker doet ook mee met Schimmen & Schaduwen.'
    ‘Ha ha, met een doofpot zeker?’
    'Wanneer is het ook weer?'
    'Volgende vrijdag.'
    'Dan verschijnt AHA! nog op tijd.'
    Bruce Penning: een virus.'
    'Nou, nemen we de week maar eens door?’ stelde Walerik de advertentieman voor.
    'Ja,' knikte het opmaakmeisje Maria-Magda-Lena.

    'Wat deden al die bloemenruikers in het souterrain?', vroeg Akkemaaike. Ze betraden 't Omvaartpand. 'Je was toch niet jarig?'
    'Nee nee', antwoordde Walerik te hard. 'Het is een bloemenabonnement. Ik heb het gewonnen in een tombola van de Hooikoortsliga. Tja, bloemen: het geeft wel een kleurtje hé.'
    'Vreemde prijs voor een hooikoortsvereniging. Moet je nu niet nog méér niezen? Al die blosjes in huis! Van waar komen ze?'
    'Wie?'
    'De bloemen natuurlijk.'
    'O... een of andere winkel in Kortrijk. Weet ik veel.'
    'De winkel die de advertentie op de voorpagina van AHA! heeft?'
    'Godverdomme,' dacht Walerik.
    'Ja.'
    'De pers is machtig,' zei Akkemaaike. ‘Zelfs jouw pers, hi hi.’

    De zon zonk als een bloedrode hostie in de gapende muil van het West-Vlaamse avondland. Cultureel Centrum 't Omvaartpand zag er zoals alle CC's in Vlaanderen uit: eerst en vooral 'polyvalent', en niet te vergeten ook volstrekt smakeloos afschuwelijk ongeïnspireerd lelijk. Polyvalent: men moest er toneel spelen, voor dode konijnen kaarten, mosselen eten en op klompen hossen. Lelijk: afwezigheid van zowel goede als slechte smaak, zeg dus maar aanwezigheid van doodgewoon onsmaak, vertaalde zich in een ellendige symmetrie van avondrode bakstenen muren, de verplichte koepel en de onvermijdelijke glazen toegangsdeuren. Dit geheel was luisterrijk omgeven door de alom gekende boomsoort der coniferen, op hun beurt beschermd door afrasteringsdraad van een bekende firma. Zoals alle Culturele Centra bevond ook 't Omvaartpand zich ergens lukraak aan de rand van een 'bebouwde kom', een plek dus waar veel mensen tegelijk in de soep zaten, vrolijk, ludiek, gedurfd, haaks op alle andere architectuur, afgescheiden als een drol door zijn hond. Ha, Jan Modaal wou Modern? Jan Modaal zou Modern krijgen! En een architect met ringbaard en lang haar schraapte een gebouw bijeen.
    Kokhalzend betrad Walerik dit cenakel van kunst en cultuur. Op zijn buik bengelde een fotoapparaat. Hij was van plan dit boeiende Kunst-gebeuren voor het nageslacht te vereeuwigen. En AHA! kon daar als lokaal blad ook niet omheen.
    'Heb jij nog een tweede stunt gezien na dat hoedengedoe?' vroeg hij aan Akkemaaike. Het was de langste zin die hij tot haar richtte sedert ze weer in zijn leven opgedoken was.
    'Nee,' schudde ze. Ze was met haar gedachten nog altijd bij die ruikers. Weldra bevonden ze zich onder het roezemoezende volk dat op 'Schimmen & Schaduwen' was afgekomen. Het was de Cowboys Service Ring, sectie West-Vlaanderen, die dit unieke gebeuren mogelijk maakte. Daar kon niemand naast kijken: op alle mogelijke plaatsen prijkte hun embleem. Het betrof een lasso die eigenlijk een koeienstaart was. Statische elektriciteit hing in de lucht.
    Professor-prijswinnaar Gewijde Paelinck torende reeds zeer tevreden boven een schare bewonderaars uit. Hij naderde de 75, de kranige Paelinck, en naar het scheen moest hij nog niet tegen zichzelf in bescherming worden genomen. De Kortrijkse vrijdagavond-avantgarde was present.

    De Omvaart, ooit Golden River, thans verontreinigd traankanaal, figureerde niet langer in het plastisch werk van de kunstenaars uit de streek. De goedgeklede kunstjongens waren op andere treinen gesprongen: geen geschilder meer, geen geklieder, geen abstract, geen wild gedoe. Wat dan wel? Wat schoot er dan nog over om op te vallen in deze pikorde van haantjes en hennetjes?
    Properheid.
    Cleanheid.
    Schimmen en Schaduwen.
    Rein vernunft.
    Dat schoot nog over. Benodigdheden: licht.
    Zuinig licht.
    De Kunstkring, financieel aangepord door de Cowboys Service Ring, had het aangedurfd de eerste immateriële expositie uit de geschiedenis op te zetten. Een 'wereldprimeur', zo deed het plaatselijk de ronde.
    Aan het gezicht van de oude Vlaamse professor Paelinck, winnaar van de Trofee 1302 voor Kunst- en Cultuurverdienste, kon je merken wat hij er van dacht: niets. Hij bekéék niet eens iets.
    'Wat er dan te koop was?' informeerden enkelen bij Bruce Penning, voorzitter van de Kunstkring.
    'O, maar elke installatie apart is te koop,' antwoordde deze. 'De belichting en de voorwerpen die er eventueel nodig voor zijn. De schimmen en de schaduwen komen er dan vanzelf bij.'
    Journalist Gerd Lutters knikte wijs en noteerde 'instalatie' in zijn opschrijfboekje.
    'Godverdomme,' dacht Walerik, terwijl hij een overbodige foto nam, 'en Paul Delvaux heeft nog zo indringend op zijn fluitje geblazen! Met zijn kepie gezwaaid! Geseind hoe laat het was! Wat is dat hier allemaal voor geklungel?'
    Akkemaaike en Walerik baanden zich een weg tussen hobbelpaarden met lampen op hun kop, fel beschenen kapstokken met en zonder kleren, een transparante Mercurius-figuur (symbool van handel en diefstal, bevond zich ook boven op het Kortrijkse Halletorentje), lichtdoorstraalde etalagepoppen, projectiedoeken, een aquarium met kaarsen in en nog veel meer van al dat fraais.
    Het was snoeiheet in de zaal. Er liepen schimmen en schaduwen rond die vroeger op school nooit goed hadden opgelet. Toch hadden ze in de loop der jaren een smak geld verdiend. Nu haalden ze hun achterstand in door expo's af te schuimen, deel te nemen aan Kunst-gebeurens en naar prijzen te informeren. De chique catalogus SCHIMMEN/SCHADUWEN (incl. 5 gedichten van de dichter Bruce Penning) hielden ze klemvast tegen hun ribbenkast gekneld. Een eensluidend verklaard afschrift van aanwezigheid. Met hun andere arm trokken ze een vrouw met zich mee, waartegen ze spraken:
    'Die katteloog neem ik thuis wel eens door.'
    'Ja', knikte de bedgenote. 'Er staat op : ONGRIJPBARE BEELDEN. Goed gevonden hé?'
    'Ja. Ah: daar is Cyriel ook.'
    Eenheid in verscheidenheid! Wie wou daar niet bij zijn!
    'Onbegrijpelijke beelden, mijn reet,' mompelde Walerik kwaadaardig. 'Welke schaduwen projecteert mijn drol?'
    'Wablief?' vroeg Akkemaaike.
    'Niets. Kijk: die gezwellen op de muur, dat zijn onze hoofden die schaduwen ...'
    'Zeveraar.'
    Hij verkende de vrouwen in de zaal en ontkleedde er enkele van. Van lang geleden herinnerde hij zich het puberbos: de parka's en de rolkragen en de geblokte houthakkershemden die de borsten goed verborgen hielden en die voortbewogen op jeans als bleke berkenstammetjes. Nu verschenen de jonge oude cowboys in gedurfde pakken: grijs, grijzer en grijst. Als je aan Kunst deed: zwart.

    Walerik
    herkende Tjeef Vanleeuwe van het cultuurblad Ons Zwervend Deel. De man pendelde van receptie naar receptie. Zijn haar zat weer goed en zijn pak was weer grijs, veilig grijs. Acht op de tien, om het in zijn eigen jargon te zeggen. Ginds flaneerde ook Mercurius, gesjeesde cursiefjesschrijver met de verplichte staart in het haar. Hij deed alsof hij Walerik niet zag. Die deed krek hetzelfde.
    Hoe laat was het al?

    Daar drupte nog volk naar binnen. Zelfs een Europarlementslid. Cultuurfilosoof Tjeef Vanleeuwe verliet zeer onbeleefd zijn praatgroepje en haastte zich naar dat lid. Walerik en Akkemaaike schudden nu enkele handen.
    'Dag Puk. Dag Steffie.'
    'De zaal hier werd pas verleden week officieel toegezegd,' zei Bruce Penning. Een volstrekt overbodige mededeling, waar niemand naar luisterde. Volk stroomde nu toe. Wellicht waren de laatste winkels pas dichtgegaan. Waleriks fototoestel bleef werkeloos op zijn buik bungelen. Uit deze diepten van ellende zwaaide een onbehouwen Klaas Houtersen goeiedag en gebaarde ‘tot straks bij een glas.’ Walerik knikte dat hij het begrepen had. Het was maanden geleden dat hij die nerveuze rattenkop van een Houtersen nog had ontmoet. Hij koesterde veel sympathie voor die kettingrokende zenuwpees, wiens kleurrijke doeken bevolkt werden door slangen en tijgers. Maar niet vandaag.

    Algemene eclips plotseling; Akkemaaike en Walerik werden in een baan om de aarde geduwd.
    'Godver,' deed hij hardop.
    'Sst.'
    Een vrouw als een wolk verscheen. Het was Rozemarijke, die overal was en niets betekende. Wel scheen het dat ze geld kon schijten. Ze kreeg een glas vernissage-apezuur. Bruce Penning, lachend als een breedsmoelkikker, verwelkomde het mens Rozemarijke. Zijn trouwring flikkerde weer vervaarlijk. Op de achtergrond stond zijn wettelijke echtgenote boze schimmen en grimmige schaduwen af te gooien. Een zoen. Bijna tong. De Penning-vrouw rukte in gedachten de Rozemarijke-tong uit en veegde er haar kont mee schoon.
    'We blijven niet lang,' zei Walerik plotseling tegen Akkemaaike.
    'Misschien wordt het een mooie avond,' antwoordde die. Walerik dronk zijn vloeistof in één teug op. Alleluja. Gezwind plukte hij een vers glas tegengif van een dienblad. Ze keken hier op geen euro, de Cowboys. Kijk: een kers in het glas van die bloedmooie vrouw daar.
    'Origineel hé, schimmen en schaduwen?' klonk het plotseling achter hem. Walerik keek om. Jerry. Hij wou een hand geven, maar zijn glas en zijn sigaret zaten in de weg.
    'Dag Jerry! Maria-Magda-Lena!' zei hij blij. Hij zette zijn glas weg en klopte op Jerry's schouder, zodat de askegel van zijn sigaret afbrak.
    'Akkemaaike. Dag. Walerik. Ook dag.'
    'Hoe gaat het met jullie? Niet te drinken hé, dat spul hier.'
    'We mogen niet klagen.'
    'Ook eens afgekomen?'
    'Bah ja, ondertussen zijn we van de straat weg hé.’
    Walerik pakte zijn glas weer en tuurde erin. Akkemaaike keek naar een passerende schim.
    'De toespraak moet nog komen,' zei Maria-Magda-Lena.
    'Ze komen nog niet te vlug rond hé, met drank.'
    Walerik keek van zijn glas op en spiedde in het rond. Hij zag Klaas Houtersen staan, in een kolom van sigarettenrook, omringd door vrouwen van het andere geslacht.
    'Tot straks misschien? Ik zoek even een glas,' zei Walerik, het gesprek saboterend. Jerry en Maria-Magda-Lena knikten.
    'Maar je hébt een glas,' zei Akkemaaike, toen ze weer alleen waren. 'En ik wou wel even kennismaken. Het is pas de tweede keer dat ik ze samen zie.'
    'Van mij ook. En ik bedoelde een vergrootglas,' meesmuilde Walerik. 'Om naar talent te zoeken.'
    'Pff.'
    Hij had nog steeds geen andere foto's genomen, ondanks diverse schitterende belichtingen. Hij zocht Steffie en Puk even op. Akkemaaike ging kwaad kunst kijken.

    Klaas Houtersen, ofschoon hier niet met werk vertegenwoordigd, stond gevangen in een heksenkring van belangwekkende en verblindende vrouwen. Ze zagen wellicht wat in dat kleurrijke slangen- en tijgergedoe van hem. Walerik walste de vloeistof in zijn glas. Terwijl Akkemaaike in gesprek was met een Vlaams-culturele apotheker met een oorlogsverleden had hij andermaal bijgetankt. Hij luisterde naar het drukke gebabbel van die troep bavianen. Ze beschikten over de gave van de taal en sleepten bij het lopen niet langer hun knokkels over de grond. Schimmen- & Schaduwenvolk, maar niemand kéék echt naar de Schimmen & Schaduwen, waarvoor diverse bekende Vlaamse kunstenaars 'tekenden' : Debeule, Deneckere, Desmet, De Smedt, Sweetheart, Vandenberghe, Vandenbroecke, Van Den Brouck, Vandenabeele, Verduyn, Verleye, Verleyen.
    'Goedenavond, meneer Sotheby, hoeveel gaat een Van Den Brouck heden ten dage?'
    'Ach meneer, even Tokio faxen. Mag het in symbooldollars?'

    Jazzformatie 'De Purperen Heidenen' begon nu op te treden. De muzikanten bevonden zich op een podium dat ook druk bevolkt was door gatenplanten en conifeertjes die uit het stadhuis waren aangesleept. Die gasten zag je vaak op vernissages. Nog geen eigen cd in zicht, nee.
    Akkemaaike dreef verder van Walerik af, die geen moeite deed dit te beletten. Iedereen begon een beetje ritmisch mee te bewegen. Toen stootte plotseling een jonge niet-geselecteerde kunstenaar een Berlijnsblauwe asbak om. Die kukelde splinterend op de vloer. Onderdelen hupten een eind gek weg. Rond de plaats des onheils vormden zich AAH- en OOH-groepjes. Walerik naderde en vernam het treurige nieuws dat de betreurde asbak eigenlijk een pronkstuk van 't Omvaartpand was. Geweest was.
    'Er moet hier maar niét gerookt worden verdorie!' zei een gezonde groene geest in een gezond groen lichaam ferm. Het Europarlementslid knikte instemmend.
    'Ja,' beaamde ook de gezonde kleivlaming Tjeef Vanleeuwe. Walerik vloekte stilletjes omdat een kalende oude dame hem op de tenen trapte. De kunstenaar Vandenberghe, die gewoonlijk met marmer werkte, onderzocht de brokstukken en schudde dan treurig het grijsgelokte hoofd.
    'Niks meer aan te doen, jongens. Niet meer te lijmen.'
    'Wie zal dat betalen?'
    Een olijke japneus verzocht de muzikanten van 'De Purperen Heidenen' om een treurmars.
    'Noem het Stof en As! ‘riep hij schalks. Op het muziekschavot schudde de leider glimlachend zijn kale kop. De contrabassist begon de snaren van zijn instrument wellustig te plukken, alsof het luizen waren in zestienjarig meisjeshaar.
    'Zo klonk de band in de bar van de zinkende Titanic,' riep de olijkerd. Die moest in de gaten gehouden worden.

    Klaas Houtersen verdween nu zowat tussen vleselijke vrouwen met blote V's in hun rug en hun haren in een wrong. Telkens hij een sigaret wou rollen, en dat gebeurde om de haverklap, moesten, V1, V2 of V3 zijn glas even vasthouden.
    'Goed gespeeld, rattenkop,' dacht Walerik. 'En er hangt of staat hier geeneens werk van je. Prima.'
    De tijd begon te dringen; de mensen ook. Het zou gaan gebeuren.


    01-07-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Grote kuis

    Grote kuis

    Nathalie Portugal snoot luidruchtig haar neus. Dat gebeurde zo hard dat de reiger die buiten op het tuinmuurtje begerig naar het vijvertje zat te staren, geschrokken het zwerk weer in zeilde. Daarbij dropte hij een schrikkwak op de kop van de kabouter in de belendende tuin. Nathalie Portugal scoorde van op vijf meter afstand met het snotpropje een driepunter in de papiermand. Daar was ze bijzonder tevreden over, want ze was bijgelovig.
    NicoTine schudde op hetzelfde ogenblik heur haren hevig door elkaar, om die vlak daarna nog heviger te kammen, tot haar hoofdhuid echt pijn deed, eerst met diep gebogen hoofd, daarna omgekeerd. Ze geloofde dat ook haren eerst wakker moeten worden vooraleer ze kunnen functioneren, net zoals een voet die slaapt evenmin zijn functie kan vervullen.

    Nathalie Portugal was de buurvrouw van taaldokter Otto Sananas, die met de stenen tuinkabouter de enige bewoner was van het huis. NicoTine kwam tot tweemaal toe per week met de bus van gene zijde van de stad om bij dokter O.S. schoon te maken. Ook kookte NicoTine op diezelfde dagen voor Otto. Eerst schuimde ze koopwoedend de winkels af op zoek naar allerlei heerlijk eetbaarsch, daarna bewoog ze zich kookwoedend tusschen de fornuizen en de ovens in de keuken des taaldokters. Haar noenmalen mochten er zijn; de dokter was er vol lof over.

    Nathalie Portugal hield dit alles immer nauwgezet in de gaten. Zij deelde op haar beurt een belangrijke plek met taaldokter Sananas: zijn bed, met name. Hoe hard NicoTine ook schuurde, schrobde, kookte of bakte: deze liefde bleef enkel en alleen door de maag gaan. Het was Nathalie Portugal die soms tot tweemaal toe per week gepenetreerd werd (met excuus voor deze gekloofde zin).

    De taaldokter deed zowel visites als consultaties. Daarom was het huis vaak onrein. Niet alleen van taal, maar ook van stof, modder en ander vreemd voetzoolvuil. Taaldokter Otto Sananas behandelde professioneel tante-Betje-stijl, contaminaties, verbalisme, foutieve syllogismen, hoogdravendheid, verkeerde woordvolgordes, spellingbokken, slechte beeldspraak, overladen zinnen, adjectiviteit, tusschentaal, fouten aangaande Hoofdlettergebruik, schuinsmarcherende betrekkelijke voornaamwoorden, valse klemtonen, populistische oneliners, de kwaal van de lachmerries (verplicht te aanhoren moppen), bekakte taal en kommakoorts. Intussen poetste NicoTine zowat door zijn ramen heen en molk Nathalie Portugal hem elke week te gronde. Ook dat betrof grote kuis.

    Mocht de stenen tuinkabouter over de gave van de taal beschikken, dan zou hij

    ° wis en zeker behoorlijk Algemene Taal hanteren;
    ° in niet mis te verstane bewoordingen de stiekeme relatie tussen Otto Sananas en Nathalie

      Portugal
    in diezelfde AT uit de doeken doen (hij keek al zo lang naar die schutting...).

    Nathalie Portugal snoot dus haar neus en NicoTine schudde dus heur haren. Voor een van hun beiden zou het de laatste dag op deze aarde worden.
    Die ochtend ontving taaldokter Otto Sananas tot 10 ure een vijftal patiënten: een vrouw die raad kwam vragen over het opstellen ener brief aan de gasmaatschappij, een politicus die een toespraak kwam kopen, twee mannen die de avond ervoor aan de toog een weddenschap hadden aangegaan betreff. de schrijfwijze van het woord faliekant, een dyslecticus voor zijn wekelijksch oefenkwartiertje. NicoTine gaf intusschen de keuken een grondige beurt terwijl ze gelijk coq-au-vin toebereidde met eigenhandig geschilde frietjes. Wat ze niet vermoedde: boven was Nathalie Portugal met schele hoofdpijn in het bed van Otto blijven liggen. Ze kon het helle daglicht niet aan, verklaarde ze. De dokter had geknikt dat het oké was om ter plekke wat uit te blijven zieken. Pas toen NicoTine omstreeks het derde voormiddaguur de kokhalzende geluiden hoorde die gepaard gaan met het zg. ‘overgeven’, snelde ze, gewapend met een zwabber, de trappen op. Het was intusschen al over tienen; de dokter was zijns weegs gegaan teneinde zijn dagelijksche taalronde te ondernemen. Ze trof er een halfnaakte, brakende bijslaap aan, half uit het bed des dokters hangend boven een teil. Woede jegens deze bevoorrechte buurvrouw welde eensklaps in haar op; gramstorigheid nam ras bezit van haar. Toen Nathalie P. zich weder oprichtte, propte NicoTine terstond de zwabber in de geopende mond van de overspelige! Dit deed zij zolang, tot de ongelukkige rochelend nederzeeg en stikte in braaksel, vuil en zwabberlappen. NicoTine bleef doordouwen, zoals zij het gewend was met aandrang borstels in wc-potten te proppen. Toen Nathalie Portugal de geest had gegeven, ademde NicoTine diep in. Haar hart bonsde als een klok in haar borst. Toch golfde er een ola van genoegdoening over haar ruggengraat.

    De dokter zou zeker niet voor de middag opdagen. Hij was immers verslaafd aan de porto van diverse herbergen in de stad. Van deze tijd maakte NicoTine gebruik om de heengegane buurvrouw naar de kelder te slepen (eigenlijk duwde ze de stoffelijke resten gewoon van de trappen), haar vakkundig in bloederige hompen te verkavelen en deze onder te brengen in diverse diepvriescompartimenten. De niet-lichamelijke onderdelen (zoals daar zijn: kleren, juwelen) begroef ze in de omgeving van de tuinkabouter. Na gedane zaken zwabberde NicoTine het hele huis ondersteboven, tot het weder geheel zuiver was. Daarna stak zij tevreden een cigarette op.

    De dokter stond schaakmat. Hij kon niemand interpelleren omtrent de verdwijning van zijn belendende minnares. Zijn naam en zijn praktijk stonden op het spel. Hij diende zelfs uit te kijken voor verdachtmakingen die zijn kant uit konden gaan. Voor NicoTine begon zich een mooiere toekomst af te tekenen. Reeds droomde zij zich een verdieping hoger ten huize Sananas. Om de dokter alvast wat te troosten, bereidde zij de daaropvolgende weken enkele adembenemende stoofpotjes.

    Mocht de tuinkabouter echter over de gave van de taal beschikken …


    14-06-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Openbare vervoering

    Openbare vervoering

    Er klinkt iets radeloos door in de grondige dreun van stadsbussen die alsmaar meer en sneller en voller en nog meer menselijke lijven van hot naar her en terug openbaar vervoeren, het is een aardse treurnis die van geen ophouden weet en steeds zichzelf herhaalt, en elk uur van elke dag weer doorzindert.
    Men wordt daardoor niet per se overmand door aanvallen van gezelligheid.
    Evenmin wordt men er duizelig van gezondheid door.
    En toch … zoals de junizon kan spetteren op dit algehele gebeuren … Of desgewenst … zoals de novemberregen dit alles kan bevochtigen … Men legge begrip aan de dag.

    Er zit een vrouw in de bus die van de overheid een boete heeft gekregen omdat haar kat te dik is. Wat huisdierenzorg betreft, is de wet de laatste tijd plotseling beenhard geworden. Zelfs overbezorgde huisdierenhoudsters kunnen tegen de lamp lopen.
    De vrouw is al enkele maanden bijzonder kwaad omdat er niet meer gerookt mag worden in cafés en restaurants. Nu moeien ze zich ook nog eens met de omvang van haar kat. Deze vrouw zit dus bijzonder balsturig op de achterbank van een stadsbus. Ze weigert bijvoorbeeld permanent om op te schuiven en wat plaats te ruimen voor verse passagiers. Ze wil evenmin antwoorden op vragen of aanmerkingen daaromtrent, zelfs niet op een goedbedoelde opmerking in verband met het weer. In zijn achteruitkijkspiegel houdt de chauffeur deze tijdbom nauwlettend in de gaten. Telkens kaatst de vrouw zijn blikken opstandig terug.

    Frieda Vandenbroucke is bijzonder boos.
    Op de overheid.
    Op de mensen.
    Op de mensheid.
    Op de stadsbus die te laat is en hier hemeltergend lang aan de starthalte blijft staan.
    Frieda Vandenbroucke zal zich haasten op weg naar genoegdoening.

    Wanneer ze haar rittenkaart laat vallen en zich bukt om die op te rapen, merkt ze tot haar verbijstering dat ze haar roze schildpadpantoffels nog aan heeft. Het is een belachelijk zicht. IJlings komt ze weer overeind. Iedereen zit star voor zich uit te staren. Zweeft er een glimlach om hun mond? Is dat een grijnslach daar in die achteruitkijkspiegel? Heeft iedereen al gegrinnikt toen zij het zelf nog niet doorhad? Is hier een samenzwering tegen haar aan de hand? Kan ze de bus weer uit stappen en … ? Durft ze dat wel? En dan?
    Verse woede borrelt in Frieda Vandenbroucke op. Wanneer ze niks opvallends kan detecteren, begint ze hevig te knarsetanden, terwijl ze gelijk haar vuisten balt, waardoor haar rittenkaart tot een minimum wordt herleid. Bij deze geluiden kijkt de helft van de businhoud verbaasd om. Daardoor duikt ook de chauffeur andermaal in de diepte van zijn achteruitkijkspiegel.

    De vrouw op de achterste zitbank begint op een opgeblazen kat te gelijken. De blikken van de mensen vallen op haar roze schildpadvoeten. De bus schiet nu in de lach, er zijn nieuwe passagiers opgestapt, de chauffeur kijkt met spleetogen in de spiegel en begint nu ook geamuseerd te grinniken.

    ‘Ik zie nu waarom er niemand meer op de achterbank van u mocht, madamke!'
    ‘Ge gaat er alzo niet te rap geraken, hé!’
    ‘Dat komt soms in mijn droom voor.’
    ‘Ik mag het ook niet gedroomd hebben!'
    ‘Ja … een mens is gehaast … ‘
    ‘Gelukkig zijn ze met twee, hé!’
    ‘Moet gij ergens dringend zijn, mevrouw?’
    ‘Ge krijgt zeker voorrang op het zebrapad, haha!’

    Een ziedende Frieda Vandenbroucke aanhoort en ondergaat al dat commentaar met een rooie kop en roze voeten. Met een doffe dreun, eindelijk, start plotseling de bus. Een bekend conservenmerk heeft deze stadsbus van kop tot staart in felgroene erwten laten zetten. Het is een knullig zicht. Ieder weldenkend intelligent mens zou pertinent moeten weigeren op zo’n idiote bus te stappen. Een conservenbus. Een blikbus.

    Frieda Vandenbroucke, een broodkruimel op de rok van het universum, een piepkleine erwt in een groot wereldbestel, is met het openbaar vervoer op weg naar een lokale overheid in verband met haar volslanke kat Pinard. Hun is onrecht aangedaan: 250 € boete en een dieet. Diëten zijn duur. Diëten zijn uitgevonden door dure dikkenekken die vroeger zelf met tafelrestjes werden gevoederd. 'Godverdomme,’ vloekt Frieda tussen haar tandvullingen, meer keren dan er bushaltes zijn. De op- en uitstappers kijken niet zo uitdrukkelijk meer naar de achterbank, die Frieda V. breeduit in beslag heeft genomen. Iedereen is te druk met zichzelf bezig. Niemand vertoont ook de neiging naar die achterbank toe te waggelen: het geheel ziet er te imposant en te dreigend uit. Deze bank is duidelijk vol-zet. Een vrouw op schildpadvoeten moet je niet uitdagen.

    Frieda Vandenbroucke zal vandaag niet tot bij de lokale overheid geraken.

    Wat een ravage in dierenspeciaalzaak Fluffy!
    Zo’n dierenspeciaalzaak krijgt dan ook niet elke dag het onaangekondigde bezoek van een stadsbus.
    De bus (nu een vreselijk verwrongen en gescheurd conservenblik met geschramde en gedeukte mensenlijven in) staat in schril contrast met de groene jonge frisse erwten erop.
    Alsof een woedende reus hier heeft huisgehouden, met een koppige stugge blikopener.
    De winkel (die zo diep is dat hij in de andere straat uitgeeft) is totaal vernield.
    De bus is er dwars doorheen gecrasht.
    Het splinterend lawaai was onbeschrijfelijk.
    Dat werd begeleid door gegil van binnen en van buiten de bus.
    Op zo’n doodgewone werkdag was zo’n partituur ondenkbaar.
    Openbare vervoer? Mijn kloten! roept een verschrikkelijk boze man in openbare vervoering. Zijn hondje is door de bus verpletterd.
    Maar hoe komt dat nu toch? schreeuwt de zaakvoerder elf keer na elkaar uit.

    Het plafond van dierenspeciaalzaak Fluffy was te laag voor de bus. Daardoor zijn zowel de hooggezeten chauffeur als Frieda Vandenbroucke, ingezetene op de hoge achterbank, onthoofd. De andere passagiers zijn op diverse manieren gewond, gebuild, geblutst. Ook een aantal dieren gaven de geest.
    De zwarte doos kan maar één iets niet verklappen: in welke mate de chauffeur verstrooid was door te lang en te diep in de achteruitkijkspiegel te gluren – en waarom dat gebeurde.
    Een te dikke kat is eigenlijk de oorzaak van dit vreselijke ongeval.
    Godinnen en hun wraak: uitkijken geblazen.


    30-05-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Mensenmepper/Krijtschrijver

    MENSENMEPPER/KRIJTSCHRIJVER

    Reuzendrager … Indommelaarster … Beul … Het moet nu eenmaal gedaan worden. Niemand echter had een vreemder beroep dan Rigo Leslie Caersman. (Om de een of andere reden stond hij erop dat zijn tweede naam altijd vermeld werd). R.L.Caersman combineerde de beroepen van krijtschrijver en mensenmepper van in het vroege voorjaar tot pakweg begin herfst. Voor de rest van het jaar kluste hij wat rond.
    Rigo Leslie was twee keer niet geslaagd voor iets, telkens in zijn eerste examenseries. Een keer niet voor onderwijzer en een keer niet voor rijkswachter. Omdat hij altijd op wielerkoersen rondhing, breide hij na verloop van tijd een stevig netwerk van wielermensen. Zodoende werd hij, na nog een streepje voorspraak en een kontje hier en daar, krijtschrijver / mensenmepper in de grote voorjaarsklassiekers en in de Rondes van enkele Europese landen. Hij was, gezeten op de duozitting van een moto, gewapend met een bord, een doosje krijt en een mensenmepper. Zijn bord bracht de ontsnapte of achtervolgende renners op de hoogte van hun voorsprong of achterstand. Daartoe gebruikte Rigo Leslie Caersman de tekens ‘ en ‘’, de eenheidjes van tijd. Zijn mepper (een soort plastic kingsize vliegenmepper met kleine waarschuwende rinkelbelletjes aan de zijkanten bezet) ranselde opdringerige supporters weer naar de kant van de weg of in de berm. Vooral in de Ronde van Vlaanderen, Parijs – Roubaix en de bergetappes van de grote Rondes diende Rigo Leslie van zijn mensenmepper gebruik te maken. (Het is ook een van die beroepen waarbij het voorwerp samenvalt met zijn mens: de mepper! Wie is de mepper? Wat is de mepper? De mepper hanteert de mepper!) Ooit moest dat eens faliekant aflopen voor deze krijtschrijver/mensenmepper. Want het moet gezegd: sedert de renners oortjes en moderne communicatieapparatuur gebruikten, was het krijtbord ietwat overbodig geworden. Dus besteedde Rigo Leslie meer aandacht aan zijn mepperschap. De renners vielen veel vaker dan vroeger, en de mensen werden steeds driester. De zenuwachtige, mobiele generatie, zeg maar.

    Anno 2007, in het holst van de lente, op een warmterecorddag, was het zover. Sedert de aanvang van de weermetingen had men het op 15 april nog nooit zo warm gemeten en geweten. De Hel van het Noorden was één stofwolk die zondag. Er viel geen spetter te bespeuren, tenzij het bloed, het zweet, de tranen en de urine van de stielrenners. En het bier natuurlijk, in de geluksstroken. De opwarming van de aarde … de verwoestijning van Europa … het plaatje klopte. Echt beslijkte woelrenners werden de laatste jaren zeldzaam. Nu vraten ze stof.

    Zondag 15 april 2007, een week nadat een gretige Leif Hoste in de Ronde van Vlaanderen zo jammerlijk het onderspit had moeten delven. Ter hoogte van Secteur 10 (het einde naderde) stoof de moto onder andere bevattende Rigo Leslie Caersman tussen een ware mensenzee door. Het vehikel spleet deze vleeszee als vanzelf door zijn indrukwekkende breedte. Een dertigtal meter achter ze kwam een achtervolgend groepje renners aangestoven. Rigo Leslie wapperde professioneel met zijn rinkelbellende mensenmepper. Hier en daar haalde hij even uit. Soms deelde hij echt een tik uit. Zat de onverwachte hitte er voor iets tussen? Al vlug incasseerde hij zelf meer meppen dan hij er uitdelen kon. Ook zijn kompaan voorop deelde in de klappen. Uiteindelijk werd de regen van slagen zo erg dat de motorrijder in een plotse opwelling gas gaf. Het volgende ogenblik echter kukelde een onfortuinlijke Leif Hoste met zijn jagende groepje van drie tegen de accelererende moto aan. De renners hadden namelijk ook plotseling besloten gas te geven, om van het zog van de motor te profiteren. Onmiddellijk werd Secteur 10 herschapen in een fietsenkerkhofje. Ook de moto ging onderuit. De machine gleed majestueus tussen ontzet opzij springende gillende toeschouwers de beek in. De twee opzittenden gleden gestaag mee, terwijl de mensenmepper gek over de hoofden heen weg zeilde, het Noord-Franse weiland in. Een indrukwekkend volslanke toeschouwer zette pijlsnel zijn zware voet op de borstkas van Rigo Leslie Caersman, alzo de vaart van de mepper op de kasseien stuitend.

    Ondertussen ploegde Stuart O’Grady (Stuey for the friends), rechtstreeks afstammeling van de Australische Robin-Hoodfiguur Ned Kelly, gezwind en verbeten naar de eindstreep in de velodroom te Robaais.

    Een groot deel van de toeschouwers in de geluksstrook (nou, voor R.L.C.: pechstrook) langsheen Secteur 10 stortte zich nietsontziend op de mensenmeppende vetzak die van de duozitting was gekukeld. De renners, die ondertussen beduusd overeind gekrabbeld waren en ook hun tweewielers weer rechtop zeulden, keken verbijsterd toe hoe Rigo Leslie Caersman, bij leven en welzijn krijtschrijver/mensenmepper, naar de eeuwige jachtvelden in Noord-Frankrijk werd gemept. Zijn motorrijder liep brullend de weiden in, zijn helm weggooiend, niet meer omziend naar zijn zieltogende maat en zijn gestrande vehikel.

    Toen enkele minuten later het ontzielde lichaam van Rigo Leslie Caersman ook in de beek werd gedumpt, konden Leif Hoste en zijn rivalen weer de fiets op in de achtervolging. Helaas nog te laat om iets hevigs te betekenen in de 105e
    Parijs – Robaais.

    ‘Collateral damage’
    blokletterde de volgende ochtend een krant. Het incident met de mensenmepper werd beschouwd als een onvermijdelijk voorval in de slipstream van een gigantenkoers. Hiermee was gelijk het lot bezegeld van wie het ooit in zijn hoofd mocht halen te ‘leren’ voor mensenmepper/krijtschrijver. Zelfs een voetballer krijgt minder klappen.


    06-05-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Een photo

    EEN PHOTO

    Interrogatum est: Inveniamne?
    Responsum est: Invenies.
    Fiamne dives? Fies.
    Vivamne invidendus? Vives.
    Moriarne in lecto meo? Ita.

    Er is gevraagd: Zal ik het vinden?
    Het antwoord is: Dat zult gij.
    Zal ik rijk worden? Ja, dat zult gij.
    Zal ik tijdens mijn leven benijd worden? Dat zult gij.
    Zal ik in mijn bed sterven? Zo zal het zijn.

    Dat zijn de vragen die de hoog dichtgeknoopte vrouw op de oude foto aan de zwaar bebakkebaarde man naast haar onuitgesproken stelt. Zij kijkt hem daarbij niet aan. Zij kijkt, zoals haar ooit gevraagd werd, in de lens. De vrouw zit in een kleine sofa; de hand van de man rust op de leuning van de sofa. Hijzelf staat half achter het ontroerende zitmeubeltje. Hij denkt: ‘Ik heb een goede vrouw. Tijd om met haar weer eens vereeuwigd te worden.’

    De vrouw is aan de fles, maar de man weet dat niet. Hij zit vele malen eenvoudiger in elkaar dan zijn eegade. Zijzelf is een hoogbegaafde huisvrouw – een van de allereerste, omdat er sinds die tijden geen geld meer is voor een huishoudster, butler, kokkin en stalknecht. Nochtans heeft zij ooit Latijn, Grieks en algebra geleerd. Daar kan zij geen gezin mee beredderen (en op photo’s ook niet doen alsof) dat zes kinderen telt, telde: vier in leven. Omdat het leven uit haar werd weggezogen, giet zij het stiekem weer vol met alcohol. Geestrijke dranken verdoven ietwat haar geest. Of dat waar vele anderen noch de woorden noch het bevattingsvermogen voor hebben. Zij bezweren ietwat het gevaar, maar net zo goed doen zij dat harder oplaaien.

    Het is de laatste photo genomen van de vrouw.

    Was deze intelligente vrouw misschien na een stuitend misverstand met haar wettelijk geregelde wederhelft domweg over een po gestruikeld, ondertussen door die ongelukkige val de geest gevend, en was zij daarna inderdaad in haar (eigen) bed getuimeld? De schedelpan gespleten door de kracht van een snel geheven en weer neerdalende kandelaar? (O geliefd moordvoorwerp!) Of gewurgd door een stel vertrouwde mannenhanden die … nou: zichzelf plotseling niet langer in de hand hadden? Of … was er een andere teelballendrager in het spel? In diezelfde slaapkamer? Vrouw, misschien? Is er met gif gewerkt? Naalden, priemen? Een diepgevroren schapenbout? Is deze hoog dichtgeknoopte persoon van vrouwelijke kunne onwel geworden door een uiterst naar bericht en was er niemand in de onmiddellijke omgeving om Hare Hoogdichtgeknooptheid te ontknopen? Zag ze overal hardheid en hindernissen, schoot ze zich daarom voor het hoofd en viel ze daarna in een laatste sentimentele wanhoopskramp van troost op haar eigen bedhelft neer? Een horizontaal sanctuary? Nooit meer slapen, nooit meer opstaan?

    We zullen het nooit te weten komen als we alleen maar naar deze veelzeggende photo staren. Feit is dat dit de laatste photo betreft van de vrouw in levenden lijve. We zullen forensische wetenschappen nodig hebben om deze boeiende photografie met andere ogen te bekijken.


    18-04-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Kwantum (De Negende)

    KWANTUM

    (De Negende)

    Ik werd vermoord op de hoek van de Negende en de Vijftiende Straat op de eerste avond van de Week van de Huilende Maan. Met ambachtelijke snelheid en precisie ramde iemand met een hamer een stormnagel door het weekste deel van mijn schedel. Het was een aanval in de rug. Ik had mijn moordena(a)r(es) niet horen aankomen. Pas na lang zoeken ontdekte men de roestvlek in mijn haar. En dus mijn doodsoorzaak.

    Op de eerste dag van de Week van de Huilende Maan, die ook de laatste week van mijn leven op dit ondermaanse zou worden, liet ik me tatoeëren bij Geraldine aan de kust. Terwijl ze met mij bezig was, las ik een boekje over kwantumtheorie. Geraldine deed daar niet verbaasd over (ze had beroemdheden van over de hele wereld getatoeëerd en behandelde iedereen op gelijke voet) en concentreerde zich op mijn rechterbovenarm, the place to paint. Ik verdiepte me in de kwantumwetenschap dat we nog niet veel weten of het op een andere manier beweren te weten. Drie uur later verliet ik, kostbaarder dan ik gekomen was, het tatoepand, weliswaar nog gezalfd en ingewikkeld en gloeiend.
    Het was een koperkleurige eindseptembervalavond. De stad lag aan mijn voeten. Omdat een mens maar op één plaats tegelijk pijn kan hebben, voelde ik me bijzonder goed. Eender welke voorbijganger wou ik de hand schudden en feliciteren met zijn of haar bestaan op deze aarde, maar gelukkig deed mijn arm pijn, en belette hij me deze expressionistische uitspattingen. Mijn zintuigen werkten ook op hun scherpst. Wanneer ik een vrouw voorbijstak, of wanneer zo iemand mij tegenliggend tegemoet stapte, inhaleerde ik diep en deugddoend. Ook mannen op mijn pad gedoogde ik welwillend. Ik wierp blikken op de avondlucht, gaf gehoor aan meeuwen en proefde van de avondbries. Moet men wat pijn hebben om zich goed te voelen? De gelijktijdigheid van pijn en niet-pijn: een kwantumgedachte?

    Ik kocht in De Kombuis te veel en te grote hoeveelheden vette happen. Slechts één derde van al dat lekkers kon mijn maag aan. Intussen voerde ik een olijke conversatie met de twee door frietvet transparant geworden vrouwen achter de toog. Kwinkslagen vlogen over en weer, maar ik kreeg mijn kartonnen bordjes niet uit. Ze deden daar quasi-minachtend over, mijn twee gastvrouwen, tot er verse eters opdaagden en ik hun aandacht verloor. Net op tijd, want ik speelde al met de gedachte mijn ovenwarme tatoeëring te ontbloten. Gelukkig deed deze arm echt wel pijn, nog geïntensifieerd door het gesis van het frietvet. Ik dronk in deze friettempel vervolgens twee bieren kort na elkaar, recht uit de fles in mijn slikgat. Terwijl de vrouwen met de nieuwe klanten bezig waren, kieperde ik een grote hoeveelheid vast voedsel terug in de muil van de vuilnisbak: een mens heeft altijd meer overschot dan de hoeveelheid waarmee hij begonnen is. Vreemd. Ik baande me een weg tussen de nieuwkomers om te betalen, stootte driemaal mijn tatoeage tegen vreemde lijven en dook daarna de avond en de stad in. De zon was verdwenen. Om exact 19 uur 30 schoof een perfect volle maan weg achter wolken. De alomtegenwoordige koperkleur werd opgeslokt door het donker.
    Ik vond het jammer dat de schemering achter de rug was. Daarom dook ik de horeca in, op zoek naar vervangkleuren, naar verdere goud- en koperglans. Na drie rappe whisky’s in De Watergeus inspecteerde ik in de piscinen aldaar even mijn in cellofaan verpakte tatoeage. Alles stond er nog, gloednieuw. Het schroeide als een … nou: als een schroeivlek. Omdat ik kwantummatig nooit lang op eenzelfde plek wenste te vertoeven, trof ik mezelf even later in de Shakespeare aan. Daar was het opvallend rustig (ondanks het ruige karakter van de kroeg), want een dichter was er aan het voorlezen uit Eigen Meesterwerk. Ik verschanste me vlug in een rijtje van vijf aan de toog, articuleerde ‘J&B’, gebaarde ‘zonder ijs’ en luisterde noodgedwongen.

    Alzo sprak de dichter:
    ‘Geniaal gestoord schreed hij langzaam voort’
    (Iemand kuchte of lachte kort, dat viel niet op te maken uit het geluid).
    ‘Al kon hij nog geen vismes van een kromzwaard onderscheiden.’
    (Er viel een stilte. Betrof dit humor?)

    Om te beletten dat mijn J&B zou verdampen, dronk ik die in twee slokken uit. Kortstondig voelde ik aldus twee schroeivlekken: in mijn keel en op mijn rechterbovenarm. Simultaan (ik kan ook twee dingen tegelijk doen, al ben ik dan een man) keek ik naar de vrouw achter de toog en vroeg me af of en waar ze een tatoeage had. Een roos op de kont? Een draak op de linkertiet? Bij het neerpoten van mijn lege glas (te hard, te opstandig, iedereen keek verstoord om, vijandigheid alom) bezwoer ik mezelf daarenboven daar niét naar te informeren, ook niet na twaalf whisky’s. Alles gebeurt eigenlijk overal en altijd, alle mogelijkheden doen zich permanent voor, hier en ergens anders en nu en later. Als niet-vrouw zou ik daar dus niet naar informeren en tevens zou ik wel en niet luisteren naar die poëet op dat schavotje. (Het is ook altijd uitkijken met podia: op zo’n verhoog kan je het eeuwige leven verwerven of abrupt je leven beëindigd zien, dit even terzijde van het podium). Aldus voortdurend belaagd door kwantumtheoretische gedachten (wie ter wereld had die nu ook?) zag ik mezelf plotseling weerkaatst in de onvermijdelijke gigantische spiegel(s) die vaak in horecazaken onzichtbaar hangen te zijn, vaak tegenover elkaar om diepte te suggereren. Ik draaide me een kwartslag teneinde mijn Geheime Arm in zo’n spiegel stiekem en ten volle te bewonderen. Na tien dagen, had Geraldine me gezegd, en na vele zalfbeurten pas, mocht ik mijn stigma ontbloten en aan de openbaarheid prijsgeven. Het mooiste echter, had Geraldine me toevertrouwd, was daar nooit ostentatief mee ‘bloot’ te lopen, maar te opteren voor een kledingstuk dat alleen maar een uitloper van de tatoeage liet zien. Dan kon een nieuwsgierige desgewenst … etc …
    Ik gebaarde nog eens hetzelfde, want het was mijn feestavondje en ik zou in deze kuststad overnachten in hotel Celtic. Intussen murmelde de dichter verder over en uit zijn Eigen Meesterwerk. Ik telde dertien klanten die tot luisteraar veroordeeld waren. Kluisteraars. Enkelen ervan keken moeilijk. De anderen, zo te zien ruigrockers, keken wanhopig verlangend, en hun wanhoop en verlangen betrof het einde van die godgenagelde spreekbeurt.
    Toen brak eindelijk bevrijdend geroezemoes los, de dichter struikelde levend en wel van zijn schavotje en de waardin sloeg strijdvaardig een keukenhanddoek over haar linkerschouder: het volle leven nam weer een aanvang.

    ‘Wat vond ge d’ervan, hé?’
    Ik werd onbevangen aangesproken door een kolos met een hangsnor, waartussen ik een gerolde peuk ontwaarde.
    ‘Niet mis voor een zwaardvis.’
    Ik kapte mijn inmiddels volgende whisky achterover.
    ‘Zijt ge nu aan ’t lachen?’ informeerde de kerel donker.
    ‘Wat?’
    ‘Lacht ge nu?’ (Een klemtoontje dreigender)
    ‘Bah neen. Ik … ‘ (Ik ontwaarde plotseling enige gelijkenis tussen deze grote man en de dichter: ze waren beiden ros van haren en beiden bereikten een zekere lengte, maar de dichter was mager gebleven).
    ‘Ge moet het maar zeggen, hé.’
    Hij plukte de peuk van tussen zijn snorharen, blies de rook in mijn gezicht en bood me vervolgens een claustrofobisch panorama op zijn rug. Ik eyeballde even gespeeld-verbaasd de waardin, die me een kille, vernietigende blik gaf. Toch kreeg ik op mijn wenken een volgende zuiltje gouden geluk.

    Even later schaarde Snorremans zich met enkele kompanen rond een boomtronk, waar ze om de beurt met een hamer nagels in dreven. Het betrof een geheimzinnig spel, dat ik nooit goed begrepen had. Af en toe incasseerde ik dreigende blikken vanuit die hoek. Ik had de indruk dat die boomtronk mijn kop verbeelden moest. De dichter had inmiddels het pand al verlaten, na door niemand aangesproken te zijn.
    Werd het geen tijd voor mij om weer eens te verkassen? Die tijd begon vloeibaar door elkaar te lopen. Ik hoorde de geluiden dikker worden. Ook mijn ruimte nam bij wijlen al eens andere meetkundige vormen aan – met name mijn velden begonnen te variëren en te fluctueren. Net toen ik besloot op te stappen, werd ik eensklaps ingepalmd door de expressionistische gedachte deel te nemen aan dat geheimzinnige hamer- en nagelspel. Ik kon immers beide realiseren: terwijl ik opstapte, even deelnemen, of, andersom, eerst deelnemen en daarna opstappen. Dat betrof een prima gedachte. Ik besloot het sjabloon waarop deze gedachte steunde voor toekomstig gebruik te bewaren.

    De Snor viel zowat achterover van verbazing toen ik hem om zijn hamer verzocht
    – ‘Geef een keer hier dat ding’ –
    en tot mijn eigen verbazing bevond ik me inderdaad tussen drie ruige kustkerels rond de boomtronk.
    ‘Wàt?’
    ‘Geef een keer dat ding.’
    Verbazing tackelde woede: ze waren zo overdonderd dat ze me de hamer overhandigden.
    ‘Kent ge de regels?’
    ‘Ik klop er niet naast. En ik leef tussen de regels.’
    ‘Jaja, daar gaat het niet over, zwaardvis.’
    ‘Er hangt plastiek uit uw mouw.’
    Ik propte het cellofaan weer onder mijn T-shirt en besefte plotseling dat ik al geruime tijd geen schroeipijn meer voelde.
    ‘Hang je-gij met plastiek samen misschien?’
    Zeemansgebulder rond de tronk. Van achter de toog de schelle lach van de vrouw.
    Ik hief de hamer en tegelijkertijd flitste het door mijn hoofd dat ik mijn boekje over kwantumtheorie bij Geraldine laten liggen had.
    ‘Godverdomme,’ mompelde ik.
    Tot driemaal toe zwierde ik de hamer in een baan om mijn hoofd, wetende dat een zwaarder voorwerp zijn eigen tijd en ruimte veroorzaakte. In deze gloednieuwe kortstondige eeuwige ruimtetijd deed zich een visioen aan mij voor waarin een draak op een kont en een roos op een tiet figureerden, terwijl die helle lach versterkt opflakkerde. Dit heelal bezorgde me een opstoot van kracht en energie. In één klap zag ik het hele interieur verdwijnen, boedel en gasten inbegrepen: mijn hamer had zoveel kracht ontwikkeld dat hij reeds de grote muurspiegel achter de toog versplinterde terwijl ik nog dacht dat ik hem in mijn hand had en de tegenliggende muurspiegel aan de achterwand simultaan deze vernietiging weerkaatste. Postnucleaire stilte gevuld met gesuizel van daarnet neervallende spiegelsneeuw daalde één lange seconde neer in café Shakespeare.

    Een flits van luciditeit vertrekkend vanuit het ene hersenspoortje dat nog niet met whisky gecontamineerd was, bood me deze accolade:
    * onbekend in deze stad
    * onzichtbare tatoeage
    * verrassing

    RUN

    Ik sneeuwde pijlsnel het pand uit.
    Pijlsnel sneeuwde ik het pand uit.
    Werd ik achterna gezeten? Waren ze te verrast? Was ik te snel? Ik kwam terecht in een nieuw veld van stadsdreun, duisternis, lichtorgels, geruis van water en ondanks het klonterige gevoel in mijn benen evolueerde ik immer voorwaarts gestuwd als was ik de haas van Baron von Münchhausen die zich op zijn vlucht plotseling op zijn rug draaide en over vier extra poten bleek te beschikken. Maar toen ik uiteindelijk geen snelheid genoeg meer ontwikkelde, werd ik vermoord op de hoek van de Negende en de Vijftiende Straat op de eerste avond van de Week van de Huilende Maan.

    Ik bleef ook perplex staan.
    Perplex bleef ik ook staan.
    Maar het volgende ogenblik lag ik te gronde. In deze totaal wanordelijke en pijnlijke constellatie dook die rosse borstelsnor als constante op. Ik werd een schroeivlek op deze aarde, het voorwerp van gewelddadige aandacht, en toch, en toch, het vege lijf kan maar op één plek tegelijk pijn hebben. Verdomde pijn: ik belandde in een duister veld, een dreigend stratenplan dat ik niet herkende, het regende gloeiende sintels, en ondanks dat bereikte ik een troostende straat-zonder-einde die de Negende heette, de slagen en verwonderingen ten spijt. Maar toen ik toch helemaal op het einde kwam, werd ik vermoord op de hoek van de Negende en de Vijftiende Straat op de eerste avond van de Week van de Huilende Maan.

    Kwantum !


    06-04-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Onbewaakte ogenblikken

    ONBEWAAKTE OGENBLIKKEN

    01

    Het was in de tijden dat men bij gebrek aan inspiratie doodgewone typetjes in alledaagse situaties op affiches van culturele manifestaties zette (en iedereen dat na-aapte), dat men bij gebrek aan inspiratie het haar tot dicht tegen de schedel afroetsjte teneinde via deze concentratiekamp-look kaalheid te verhullen en tot het leger der gelijkgeschakelden toe te treden (en iedereen dat na-aapte), dat men bij gebrek aan inspiratie alom de slogan Wij maken het verschil zag opdoemen maar niemand echt dat verschil maakte (en iedereen dat na-aapte), dat men bij gebrek aan inspiratie ging coveren, playbacken, samplen en kopiëren alom (en iedereen dat na-aapte), dat men bij gebrek aan inspiratie zielloze e-mails de wereld inzond en zelden zelf reageerde op geschreven berichten (en iedereen dat na-aapte), dat men bij gebrek aan inspiratie de televisie en hun tateraars als bron en evangelie en autoriteit ging beschouwen en de bête slogan Gezien op tv voor onvoorwaardelijk juist en goed en waar aannam (en iedereen dat na-aapte), het was in die droevige tijden zonder inspiratie dat wie een vondst deed, verdacht was, en voor aap stond.

    Op een valavond in die tijden sloot Rapunza haar boetiek Plena Luna op het Watermolenpleintje omstreeks halfzeven af, maar liet voldoende kieren en spiedluikjes open. Ze hield bovenal van het uur van de dag waarop ze kon sluiten. Vanavond zou ze van een extra vertoning buiten op het plein kunnen genieten. Op drie verschillende plaatsen in haar winkel/woning, beneden en boven, bracht ze evenveel fotoapparaten in gereedheid.

    Op een valavond in die tijden ontmoette ik Stefanie, Dienke, Arthur Venus (in gedachten) en Griet toevallig op het Watermolenfeest eind augustus. Griet en Dienke waren boezemvriendinnen; Stefanie was een hartenkind; Arthur Venus was een accordeon.

    Op vrijdagavond zou een fototentoonstelling worden geopend. Dat heuglijke feit was ik vergeten, tot een uur voor de gebeurtenis. Ik repte er me haastig langzaam heen, per auto en een stuk te voet op smalle paadjes tussen eindezomergewassen. Het had drie weken onverdroten geregend. Nu scheen de avondzon, zakkend achter de tralies van hoge populieren. Ik verkende de ruimtes waar de foto’s werden getoond en ging daarna aan een tafeltje op het pleintje van de Watermolenwijk zitten, wachtend op wat komen zou. Wie ik daar niét per toeval ontmoette, waren de politici. Er waren immers gemeenteraadsverkiezingen op til. Zij klopten mensen op de schouders, staken hun handen vooruit, gooiden hun armen in de lucht. Ook ik werd stevig aangepakt.

    Al die tijd al werden we vanuit boetiek Plena Luna in het oog gehouden door Rapunza.

    Eerst merkte ik Stefanie op. Later kwam haar moeder erbij zitten. Dat was Griet. Nog even later kwam Dienke eraan. Zij kenden mij ietwat omdat ik een openbaar leven leidde in de culturele sector; ikzelf kende tot dan toe alleen Stefanie oppervlakkig: zij had ooit bij mij een serie poëziesessies gevolgd, samen met een vijftiental jongeren. Hier op het Watermolenfeest stelde ze twee van haar foto’s tentoon. Over Arthur Venus werd die avond alleen even gesproken. Hij was niet zelf aanwezig.
    Al vlug was ik in drukke gesprekken met het drietal gewikkeld, afgewisseld met periodes van luisterbereidheid ten opzichte van een muzikaal duo dat onder een paar grote paraplu’s evergreens uit de 20e eeuw coverde. Griet bleek zich (inter)nationaal het lot aan te trekken van jonge hartpatiënten; de werkloze herbariste Dienke was een fervent bomenmens, tekende naaktportretten op verzoek en trad geregeld op met haar accordeon Arthur Venus, waarbij het instrument Arthur heette en zijzelf Venus. Stefanie, het meisje met het hart dat te vlug moe werd, viel met haar twee foto’s net niet in de prijzen, vernamen we tussendoor van de voorzitster van de jury.

    Al die tijd al werden we vanuit boetiek Plena Luna in het oog gehouden door Rapunza.

    Het avondlicht van augustus werd door het duister uitgevlakt. Straat- en kermisverlichting namen deze taak over. Iedereen bleef keuvelen, staand aan ronde receptietafels of zittend aan feesttafeltjes op het plein. Dat gekeuvel werd gebabbel, steeds harder, en ging hier en daar in een onverwachte groepsbrul over. Ook wij, inmiddels staande lichamen aan zo’n hoge receptietafel, gingen luider praten en breder gesticuleren. Dienke verdedigde met woedende stem en harde r-klanken alle bomen in de stad; Griet legde met vuur en vlam uit waarom ze ondanks een geschikt diploma al die jaren uit het onderwijs was gebleven. Stefanie bracht beiden op gezette tijdstippen tot bezinning. Ik luisterde, knikte en vond het best gezellig. Ik informeerde naar Arthur Venus en naar de Hartenkinderenstichting. De laatste uren van de vrijdag, het slothoofdstuk van de week, geurend naar zeep, gleden glad voorbij. Rond halftwaalf bracht Griet haar dochter naar huis. Ze zou wel nog terugkeren, en bezwoer ons niet te verdwijnen. Intussen ging ik met Dienke op het Watermolenbrugje de brede beek bekijken. Het water stroomde snel ruisend onder ons door. Ik vertelde haar ook over de paden en kerkwegels tussen de velden in de onmiddellijke omgeving. Dienke was verrast door al dat fraais zo vlakbij en besloot dat ze hier binnenkort zou komen fietsen. Flarden doffe muziek waaiden ons vanuit de jongerenfeesttent aan. We zochten het pleintje weer op en troffen Griet weer op onze weg aan. Ze moest zich gehaast hebben.

    Al die tijd al werden we vanuit boetiek Plena Luna in het oog gehouden door Rapunza.

    We vervingen de brave witte receptiewijn door stevige glazen bier; bleek dat geen van ons drieën echt compatibel was met dat feestspul. Waarover praten mensen urenlang? Geen idee. Toen we even later om ons heen keken, zagen we vrijwel niemand meer. We stonden aan het ene tafeltje dat overgebleven was, reeds tot dicht tegen de gevel van een huis geparkeerd, om passage toe te laten. Dat kon niet blijven duren, hoewel ik het een interessante vorm van eeuwigheid begon te vinden. De beide vriendinnen blijkbaar ook. De onvermijdelijke Man-die-Sluit kwam echter opdagen, de Klaas Vaak Der Grote Mensen, op strenge kousenvoeten.
    Of wij binnenkort zouden kunnen …
    We knikten begrijpend en kozen voor de korte pijn.
    ‘Is er hier ergens nog iets open?’
    Ik keek in vier verwachtingsvolle ogen, na deze klassieker onder de nachtelijke vragen. En ik liet mijn kersverse vriendinnen niet lang in het ongewisse. Het werd natuurlijk De Zwarte Duif, mijn stamtaverne vlakbij.
    ‘Tiens, ik denk al de hele avond af en toe een bliksemflits gezien te hebben. Daarnet weer.’
    ‘Hé: ik ook! Ik dacht, dat kan niet, maar blijkbaar … Hebben we zoveel gedronken?‘
    ‘Haha.’
    Op hetzelfde ogenblik werd het laatste overgordijn in boetiek Plena Luna dichtgeschoven.

    02

    Niet lang daarna, in de Week van de Dode Katten, ontmoette ik de gekke schilderes Jurka. Ze exposeerde haar schilderijen in mijn stamtaverne De Zwarte Duif. Op elk schilderij bespeelde iemand een instrument. Toen ze voor de eerste keer grondig openbaar dronken werd aldaar (ze kwam voortdurend poolshoogte nemen), beschreef ze het schilderij dat iedereen wel eens wou zien: hoe ze bij zichzelf de liefdessappen losvingerde en de genotsgolven liet komen, – maal twee: ook in de spiegel. De liefdesschilderes bekeek zichzelf terwijl ze zich schilderde. Het water kwam ons in de mond. Jurka beschikte over het fraaiste stel benen ter wereld. Die onthulde ze pas dagen na de ophanging van haar schilderijen. Eerst moest ze nog wennen aan ons. Toen ze haar verlegenheid ontwend was, kreeg iedereen een gulle, gekke inkijk bij haar. En daardoor keek iedereen ook wel eens af en toe naar haar schilderijen. Die zouden twee maanden lang in De Zwarte Duif blijven hangen.
    Sappige gekke Jurka bleek sterk doorleefd te zijn – gemarineerd en gekookt in de woedende weeën van het leven. Dat merkte je ook aan haar. Prachtig verval. Op twee adembenemende zuilen. Maar wat heet gek? Je bent maar zo gek als de mensen je toedichten. Na haar dronken spiegelopenbaring noemden sommige mannen haar: Jurka-Doe-Het-Zelf. Waar ze in haar een makkelijke prooi vermoedden, daar sloegen ze echter de bal volledig mis. Jurka flirtte alleen met alcohol, nicotine en verf.

    En zo zat ik op een van de laatste expositie-avonden samen met vier vrouwen aan een tafeltje in De Zwarte Duif: Jurka, Griet, Stefanie, Dienke. En bovenal … met Arthur Venus. Ik had namelijk Dienke kunnen overhalen als levend schilderij met kleur en klank aanwezig te zijn en het spiegelbeeld te evoceren van Jurka’s doeken. We waren teruggekomen naar de plek waar we ons goed gevoeld hadden. Iedereen kon het prima met elkaar stellen. We dronken, vonden het jammer dat Jurka met haar doeken weer zou verdwijnen en af en toe ontlokte Dienke weemoed en passie aan haar accordeon. Stefanie nam voortdurend foto’s.
    Zouden we Jurka nog wel eens weerzien wanneer haar schilderijen hier ontbraken? (Er was er maar één van verkocht, de saxofonist, aan tavernebaas Otto, dat spoor bleef dus alvast). Deze onuitgesproken gedachte vatte vlam telkens Arthur Venus in beweging kwam. Accordeons kunnen vreselijk tergen, maar anderzijds ook diep in je ziel kerven. Het hangt er van af wat je er aan ontlokt, en hoe, en wanneer, en door wie dat gebeurt, en voor wie, of waarom. De adem van de accordeon kan een wee zijn, een zucht of een bries. Hij kan je doen wenen, hij kan je doen zwijgen, hij kan je doen dansen.

    Rapunza – in De Zwarte Duif niet onbekend: ze kwam ’s middags wel eens om een dagsoepje – spreidde voor Otto haar portfolio op de toog open. Hij ‘had vijf minuten’, luisterde welwillend en plukte intussen frieten uit een gekarteld bakje.
    ‘ … zoals op het pleintje einde zomer hé … ‘ knikte hij, terwijl hij de collectie foto’s monsterde.
    ‘Recent werk,’ legde Rapunza uit. ‘Ik moet ze natuurlijk wel nog inkaderen.’
    ‘Een vijftiental?’ opperde Otto, terwijl zijn blik even over de muren scheerde.
    ‘Dat ware prima. Ik zou mijn tentoonstelling noemen: Onbewaakte Ogenblikken.’
    ‘Ja. Jaja. Ik hang hier zoals je merkt wel eens een kunstenaar op, ik bedoel: werk van hem. Haar.’
    ‘Ja, dat weet ik. Die schilderijen … Daarom … en door die tentoonstelling op het pleintje dacht ik zo … ‘
    ‘Mooi hé?’
    Rapunza knikte, maar wist niet of Otto op haar foto’s dan wel op de schilderijen aan zijn muren doelde. Hij bladerde door haar mensenfoto’s.
    ‘Mooi gedaan. Die wisten waarschijnlijk niet dat ze gefotografeerd werden?’
    ‘Helemaal niet. Onbewaakte ogenblikken, hé.’
    ‘Dat zijn de beste.’
    ‘Anders krijg je derderangsacteurs.’
    ‘Grimassen, gesloten ogen, vreselijk lachende gebitten.’
    ‘Haha.’
    ‘Wel, oké hoor,’ besloot Otto dan. ‘Wanneer kom je de dingen ophangen? De schilderes daar komt zaterdag haar werken wegnemen. Van mij mag er best wel eens iets anders in de plaats. Het wordt hier nog een kunstkroeg, haha.’
    Plotseling boog hij zich wat dieper over een foto.
    ‘Hé … ‘
    Hij keek naar het tafeltje met de vier vrouwen, waar Dienke alweer een deuntje had ingezet.
    ‘Maar dat zijn zij!’ wees hij, met zijn ene wijsvinger boven een foto haperend, met zijn andere in de richting van het tafeltje wijzend. Rapunza keek om en herkende onmiddellijk de vier gezichten die ze enkele weken geleden stiekem gestolen had. Ze had er bij het binnenkomen helemaal niet op gelet; het was druk in
    De Zwarte Duif.
    ‘O … ‘ deed ze. Ze sloeg haar hand voor haar mond.
    ‘En dat is de schilderes daar, hé,’ zei Otto.
    ‘Maar … ‘ zei Rapunza verbijsterd.

    Ik keek verbaasd naar de prachtige vrouw aan de toog. Ze leek zo weggelopen uit de jaren zeventig van de vorige eeuw. Ze vertoonde tekenen van herkenning.

    De avond was gezapig en weemoedig begonnen, maar eindigde in alcoholische chaos omdat Jurka en Rapunza iets gedeeld hadden waar wij niet van op de hoogte waren: een man. De beide kunstenaressen hadden zich een tijd geleden over dezelfde kerel ontfermd, Jurka eerst, want ze was er toen mee getrouwd, daarna Jurka half en Rapunza heel, dan Rapunza totaal, en toch Jurka weer even, daarna geen van beiden meer. En bij geen van beiden had hij nageslacht nagelaten. We kwamen dat te weten en we zouden het geweten hebben.

    Jij steelt muziek voor je doeken!

    Jij steelt gezichten voor je prenten!

    Dit waren de blikopeners geweest voor een vrouwelijk oorlogje in De Zwarte Duif, na een aanvankelijk ingehouden maar toch verbazend en onheilspellend voorspel dat anderhalf uur in beslag nam en steeds maar crescendo ging qua vinnigheid. De drank had de gevoelens plotseling geflambeerd. De fotoportfolio van Rapunza lag gevaarlijk beschikbaar op het tavernetafeltje. We hadden er al in gebladerd. Nee, we vonden het niet erg dat we verstolen waren vereeuwigd, samen met nog andere groepjes mensen tijdens de Watermolen-vernissage.
    Maar toen kwam vanwege de schilderes de opmerking: Jij steelt gezichten!
    Waarop de fotografe repliceerde:
    Jij steelt muziek!
    Ze bedoelden allebei:
    Jij hebt mijn man gestolen!
    De smalende toevoegingen doeken en prenten even later waren er te veel aan. Plotseling vlogen ze elkaar in de haren. Arthur Venus schrok zich een felle ademstoot. Griet sprong op, graaide naar Stefanie’s hand en verdween ijlings.

    03

    Terwijl ik me dagenlang kan opwinden over een onnozel detail, en er zelfs door in slapeloosheid verzeilen kan, ben ik nooit erg verbaasd of ondersteboven wanneer zich iets ongewoons of ergs voordoet. Ik hou van onverwachte attractoren (om het woord attracties niet te hoeven gebruiken).

    Ik keek aanvankelijk onbewogen naar de vechtpartij, als naar een feit. Fotografe versus schilderes. Nul-nul. Ook een tiental stamgasten deden zich te goed aan het partijtje worstelen vrije stijl, reeds voorafgegaan door het klassieke gegooi met bier. Enkelen moedigden Jurka aan, omdat ze haar al wat kenden. De modder ontbrak, maar Jurka had een adembenemend rokje aan en Rapunza was op z’n magisch-boetieks gekleed. Ik merkte dat Dienke ijlings Arthur Venus instopte en de cocon vervolgens in veiligheid bracht, vertrekkensklaar postvattend bij de deur. Gaandeweg (het bleef maar duren) begon ik het gebeuren als een kunstwerk te bekijken.

    Maar hoe kwam het godgenageld dat ik plotseling wel letterlijk ondersteboven lag, gesandwiched tussen die twee kroegtijgerinnen? Ik zweer het: ik wist het niet, ik weet het nu nog niet, ik zal het nooit weten. Want in één klap was de hele taverne in beweging gekomen, Arthur Venus incluis: in een opwelling had Dienke haar accordeon weer uit de cocon gehaald en begeleidde ze het tafereel met snerpende uithalen en lange zuchten. Simultaan was ik deelnemer aan en observator van de collectieve schermutseling. Voortdurend flitsten filmische beelden van Ierse pub-vechtpartijen door mijn hoofd (o.a. uit Un taxi mauve). Ik zag mezelf bloeden en geblutst worden, maar vreemd genoeg was van pijn geen sprake. Mannen en vrouwen sprongen en duwden en klauwden en vielen om mij heen. Ik hoorde kleren scheuren, kootjes kraken, glazen breken, stoelen en tafels met snerpende geluiden verschuiven. Bier en bloed doorweekten textiel. Mensenfoto’s fladderden door de lucht en belandden in de smurrie op de grond. Schilderijen werden met halfvolle glazen bekogeld. Bij dit alles bleef patron Otto lange tijd als aan de grond genageld toekijken, met open mond. Hij geloofde niet wat hij zag. Ground Zero in De Zwarte Duif. Daarna greep hij naar zijn gsm, terwijl hij intussen een panoramisch zicht op Jurka’s billen kreeg, wat hem nog even deed twijfelen betreffende zijn communicatie. Midden dat kluwen kwam ik in de armen van Dienke terecht. En zij in de mijne. Dienke! Ze had Arthur Venus in de steek gelaten en mengde zich vol overgave onder de genodigden, op zoek naar mij. Ik heb haar later niet meer ontmoet, maar soms welt de vraag in mij op: had ze me plotseling lief of wou ze me wurgen?

    Even later viel het blauw van op straat in De Zwarte Duif binnen. Iedereen werd van iedereen gescheiden. Er werden vreemde, sussende gesprekken gevoerd. Het bloed werd gestelpt, de schade opgenomen. Enkele bezems harkten de gruzelementen in een hoek. We gingen zowaar met z’n allen weer naar onze vaste stek in de taverne terug, Otto om nog een laatste glas verzoekend, terwijl we middels het duim/wijsvinger-strijkgebaar signaleerden dat we dubbel en dik zouden betalen. Otto combineerde begrip, gelatenheid en woekerprijzen. Jurka, Rapunza en Dienke zagen er heerlijk smerig uit. Arthur Venus rustte op een barkruk, met zijn hele gebit open en bloot grijnslachend. Ik denk dat Rapunza nog haar arm om Jurka’s schouder geslagen heeft. Ik denk dat ik Dienke nog vol gezoend heb. Ik denk dat Griet nog teruggekeerd is. Ik denk dat Arthur Venus plotseling vanzelf begon te spelen. Ik denk dat Otto nog een langdurige aanval van slappe lach kreeg.

    04

    Later zou men mij vertellen dat we met z’n allen stevig dronken waren geweest. Maar ja: het was dan ook in de tijden dat men bij gebrek aan inspiratie … etc … etc … en iedereen dat na-aapte!
    De jaren daarna heb ik niemand van de vrouwen nog teruggezien, hoe vaak ik ook De Zwarte Duif frequenteerde. Ik begon te geloven dat ze niet echt bestonden. Als het een droom was geweest, dan betrof het een mooie droom. Tavernepatron Otto kon of wou na de tumultueuze avond geen commentaar meer kwijt betreffende de vrouwen. Zo zat de kerel in elkaar. Er was ook geen fototentoonstelling meer gekomen. En het schilderij dat hij had gekocht, de saxofonist, bleek spoorloos verdwenen.

    Af en toe vertrok er wel nog eens een flits vanuit de boetiek Plena Luna op het Watermolenpleintje, maar dat gebeurde uitsluitend op onbewaakte ogenblikken …
    Men schreef het toe aan de bliksem.


    25-03-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Robin Cruysse, (dr)enkeling

    ROBIN CRUYSSE, ENKELING, DRENKELING

    De lucht zat duifgrijs, met een blauwe ondertoon als van wintermelk. Robin Cruysse stapte vloekend van zijn fiets. Was dàt zijn beloning voor het stoppen met roken en het dagelijkse vermalen van dieetvoer? Zat gezondheid zo in elkaar? Een godverongelukte kettingbreuk midden de godverongelukte modderbaden van Laag-Vlaanderen? Wat waren de goden dan wel van plan met hem?!
    Balorig keek Robin om zich heen, zoekend naar iets om tegen te schoppen, maar er was alleen zijn kaduke fiets. Aldus geschiedde. Hierbij brak Robin zijn kleine rechterteen. Een pijnscheut bliksemde door zijn schoen. Vloekend en tierend hinkte hij naar de berm. Natuurlijk dat het een halve minuut later oude wijven begon te regenen. In geen velden of wegen was een kapelletje of een beschuttend onderdakje te bespeuren. Net als je die dingen nodig had, waren die ondingen er niet.

    Even later stoof er een bestelwagentje voorbij: Pommes de Rosa. Verbijsterd keek Robin Cruysse het na. Hij had gedacht dat het vanzelf zou stoppen om hulp te bieden, en dat hij niet eens een teken hoefde te geven. Hij had zich al verwachtingsvol half opgericht. In plaats daarvan kreeg hij het nakijken op twee geheven middelvingers aan weerszijden van het autootje en incasseerde hij nog een extra portie waaierend hemelwater. Het scheelde ook geen haar of Pommes de Rosa had puree van zijn fiets gemaakt.
    ‘Verdoeme, verdoeme! Apenland! Hufters!’
    Overal om hem heen was er het oorverdovende gedruis van de regen. Na enkele minuten al was hij badnat. Van heel lang geleden herinnerde hij zich een flard van een kinderversje:

    … maak jij maar beenen voor mijn part/het regent ginder even hard …

    Robin Cruysse snakte naar een sigaret en een pak friet. Hij bleef een tijdlang roerloos maar rillend staan, zeulde zijn fiets rechtop, huiverde bij de aanraking met koud metaal, gooide die rammelkast weer neer, wreef de druppels uit zijn ogen en keek tegen een steeds grijzer om zich heen grijpende opaakheid aan. De regen leek zich als donkere mist te vermommen. Hoe laat was het? Hij knipperde het waas van voor zijn ogen en boog zich naar zijn linkerpols. Daarna bukte hij zich om zijn rechterschoen los te knopen. Het duurde lang voor hij er in slaagde de doorweekte veter los te peuteren. Hij deed omzichtig de schoen uit en draaide zich om, even op één been huppend. Het was op dat ogenblik dat alles hem zwart voor de ogen werd, en niet meer donkergrijs, en dat er een andere ruis zijn oren binnendrong, en niet een regenruis. Er was ook een flits van scherpe pijn, die niet langer uit zijn rechterschoen opsteeg.

    ‘Daar staat iemand aan de kant … als mijn ogen me niet bedriegen.’
    ‘Ja, ik zie het nu ook. Hij is precies aan ’t overgeven … zou ik zeggen.’
    ‘Zou HIJ het kunnen zijn?’
    ‘Dan moeten we geweldig oppassen met die kerel.’
    ‘Er ligt ook iets op de kasseien … ‘
    ‘Godver … een slachtoffer?’
    ‘Hij kuist misschien zijn mes af in de graskant.’
    ‘ … beschermd door de regen … ‘
    ‘Zouden we niet stoppen?’
    ‘Een goed gedacht. Het regent toch haaientanden.’
    ‘Zo’n rood autootje zie je al van ver komen.’
    ‘Hopelijk werkt het niet als een rode lap op een stier.’
    De postauto hield halt. Twee mannen tuurden ingespannen door de voorruit, waar steeds meer en groter wordende druppels over biggelden.
    ‘Zou dat nu serieus die ontsnapte kunnen zijn?’
    ‘We mogen geen risico nemen. Hij is gesignaleerd.’
    ‘Wat doen we?’
    ‘Bellen?’
    ‘Mijn batterij is plat.’
    ‘En mijne gsm ligt thuis.’
    Een van de mannen graaide in de ruimte van de laadbak.
    ‘Hier: de krik.’
    ‘Amai … meent ge dat nu?’
    ‘We zijn nu met drie, hé.’
    ‘Stappen we uit misschien?’
    ‘Ik vind dat we dat moeten doen, ja.’
    ‘Allez dan … maar ’t is toch geen weer om een hond door te jagen hé.’
    ‘Juist daarom: wij hebben het voordeel van de verrassing. En we zijn met twee. Eh … drie.’
    ‘Ge spreekt zoals in de boeken, jong!’

    De geheimzinnige gedaante sprong op en draaide zich om, zwaaiend met een handwapen. De grootste van de twee mannen aarzelde niet en sloeg onmiddellijk hard toe met de krik. De kerel zakte brullend in elkaar, terwijl …
    ‘Een schoen! Het is een schoen!’ riep de andere man met overslaande stem, wijzend naar het vermeende wapen, dat nu naast de gevelde in de grasberm lag. Hij deinsde achteruit en struikelde over de fiets. De man met de krik verstarde. Regen mengde zich met bloed in het gras; bloed droop van de krik.

    Een uur later werd op de verlaten kasseiweg in de velden van Laag-Vlaanderen de verongelukte fietser ontdekt. Hij moest, vermoedelijk na kettingbreuk, een dodelijke val op de kasseien gemaakt hebben. Zijn hoofd vertoonde een gapende wonde en zijn rechterschoen lag naast hem. Een combinatie van kasseien en regen was hem fataal geworden.

    Toen de postmannen weer in paniek naar hun dienstautootje holden, merkten ze tot hun verbijstering dat hun rode vlek zich steeds verder van hen verwijderde. Er zat een vreemde achter het stuur. Hij reed vol gas achteruit, met de huilende motor hoog in de versnelling. De mannen vloekten, zwaaiden, renden, hielden weer halt, schreeuwden, wisten niet of ze moesten doorgaan of stoppen en constateerden uiteindelijk hoe hun wagentje na een snel manoeuvre in een uitwijkzone langs de weg rechtsomkeer maakte en door het regengordijn werd opgeslokt. Woedend en machteloos gooide de ene postman er nog de krik achter aan; ze hoorden die ergens in de grijsheid op de kasseien neerkletteren.


    10-03-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Gastronomie

    GASTRONOMIE

    ‘Inderdaad: gastronomische bedragen,’ herhaalde Faye Abernattie gnuivend en nadrukkelijk. Iedereen schoot in de lach. Deze week nog had een rechter een misnoegde restaurantklant gelijk gegeven. De vrouw had restaurant Kokkerel aangeklaagd wegens te duur in verhouding tot het product. Maurice Dujardin van de Kokkerel kreeg eindelijk wat hij verdiende. Abernattie, aanpalend restaurateur in het iets nederiger Sea & Shells, kon haar tevredenheid niet op. Gerechtigheid was geschied. De Kokkerel zou gas terug moeten nemen wat de prijslijsten betrof. Snobs en blasés zouden ergens anders hun toevlucht moeten zoeken. Of zich verwaardigen de Sea & Shells binnen te treden, de echte wereld van het eerlijke voedsel.

    ‘Misschien,’ flitste het op een onbewaakt ogenblik door Faye’s hoofd, ‘misschien is het ogenblik aangebroken voor wat nieuwe gerechten. Een tegenzet? Nee: de doodsteek’, terwijl ze zelf nog naglunderend in verband met haar oneliner het gezelschap in taverne Modest haar intelligentste glimlach schonk. Op datzelfde ogenblik betrapte patron Carl van de Modest (leunend op zijn tapkranen) haar op een grimlach. ‘Vrouwen!’ schoot het door diens hoofd. Hij zwierde zijn keukenhanddoek over zijn linkerschouder als een flagellant. De Modest werd vooral gefrequenteerd door horecanen op hun eigen sluitingsdagen. Bij de meesten was dat de dinsdag. De Modest bleef dus op dinsdagavonden tot in de late uren the place to be voor chefs, kelners, obers, geranten, koks, sommeliers en fijnproevers van divers pluimage. Er werd zelden of nooit over voedsel en drank gesproken. Meestal ging het over geld, en werd er duchtig gedronken en gerookt.

    Joppe Meivink was in deze biotoop een gedeisd toeschouwer. Hij had drie faillissementen als restauranthouder achter de rug (Bistrot Français, Grill Suzy Q en Mushroom). In de pikorde van de huidige horecaantjes stond hij dus vrijwel achteraan. Zijn gezicht vertoonde een permanent misprijzen voor de mensheid. Het was een publiek geheim dat hij tegen betaling stiekem ging koken bij de rijken – stiekem, want ‘de fiscus’ zat permanent achter zijn vodden. Joppe Meivink was een genie met heilbot, tong en rog. Helaas was hij ook herhaalde malen iets te creatief geweest met boekhouden. Tot op heden beklaagde Joppe het zich bitter dat hij zich niet tot de kookboeken had beperkt.

    Elke dinsdag rond elf uur in de avond betrad Maurice Dujardin (‘zwezerik’ voor de vijandelijke intimi) het pand van Carl & Cie. Zo ook nu, op deze stormachtige dinsdag, – zijn eerste entree na de rechterlijke uitspraak. Servetten en bierviltjes werden van de tafels geblazen. Maurice kwam onbevangen binnen, met in zijn zog zijn chef-kok, een keukenhulp en een wijnkelnerin, die door de wind bijna weer naar buiten werd gezogen. Moedig glimlachend passeerde de manager van de Kokkerel het Sea & Shells-groepje, dat zich eensgezind en iets nadrukkelijker dan gewoonlijk had omgedraaid toen hij binnenkwam.
    ‘Ha, Faye! Alles kits in de kitchen van de zee, meiske?’
    ‘Wie het eerst het woord neemt, staat gewoonlijk sterker’, dacht Maurice.
    ‘Jaja Maurice: boter bij de vis, hé!’
    Dat was dus duidelijk buiten de waardin gerekend.
    ‘Verdomd serpent.’ (Weer een gedachte)
    Gelach alom. Carl veerde verheugd van zijn tapkranen op: leven in de brouwerij. Joppe Meivink schaterde zo hard dat hij nooit ofte nimmer nog moest rekenen op een job in de keuken van de Kokkerel. Maurice probeerde de donkere blikken uit zijn ogen weg te knipperen, maar kreeg geen controle over zijn mondhoeken. Hij palmde met zijn gezelschap de overgebleven plaatsen aan de toog in en knikte naar Nand Dagschotel van de Patria, die andermaal door een overdaad aan Duvels niet goed meer wist ‘van welke parochie hij was’, zoals ze hier zeggen.
    ‘Nand! Hoe is het? Reeds een beetje onder de olie?’
    Nand reageerde alleen met afwerende lichaamstaal en pulkte zijn veertigste sigaret uit een pakje.
    ‘Binnenkort is ’t gedaan hé met peuken in het restaurant?!’
    Het kwam er voor de Kokkerelbaas vanavond op aan de aandacht vooral op anderen te vestigen. Die feeks van een Faye zou hem wel de hele avond …
    Zwezerik … ‘ ving hij op. Zie je wel. Niet reageren.
    ‘Carl!’
    ‘Meneer Dujardin. En goed en ook schoon gezelschap. Wat mag dat zijn vanavond?’

    Af en toe keek iedereen gezamenlijk verontrust naar buiten, waar een februaristorm door de straat gierde en met diverse uithangborden en panelen aan het rammelen was. Het misprijzende mombakkes van Joppe Meivink klaarde bij elke windstoot even op: hij hoopte wellicht op een allesvernietigende tornado, die vooral de welstellende horecazaken in deze stad en hun pompeuze chefs treffen zou. De storm bolde zijn wangen en blies warrelende serpentines stuifsneeuw voor zich uit. Af en toe bogen de grote ramen van de Modest vervaarlijk.

    Faye Abernattie daalde na een plasintermezzo de trappen af en stevende recht op het Kokkerelgroepje af.
    ‘En, Maurice: al een beetje bekomen van de prijzenslag?’
    Maurice Dujardin probeerde kunstmatig in een lach te schieten, maar dat lukte niet echt, het werd een mislukte auditie van een grimlach. Zijn personeel spreidde eenzelfde mimische wrangheid tentoon.
    ‘Ik verzuur tenminste de markt niet hé, Faye. Nooit werk ik onder de prijs.’
    ‘Gaan madame Porsche en meneer Corvette nu nog willen komen met zulke zotte prijzen in de Kokkerel?’
    ‘Gij rijdt toch ook met zo’n Cabriotoestand?’
    ‘Ja: een Cabrio Bouillabaisse,’ gnuifde de wijnkelnerin van de Kokkerel samenzweerderig.
    Faye Abernattie, leeuwin, richtte zich nu uitdrukkelijk tot haar: ‘De Kokkerel wordt een dumpzaak hé. Wat ga je die goedkope klanten nu inschenken? Zure wijn? Azijn? Rechtstreeks van de zuidflanken van den Aldi?’
    ‘Da’s nog altijd beter dan die viswijn … eh … piswijn van bij jullie, viswijf,’ beet de vrouw haar toe. ‘Daar heb jij niet eens een sommelier voor nodig.’
    Bij deze goedkope woorden ontplooide Maurice Dujardin zijn breedste glimlach. Faye Abernattie schudde meewarig haar hoofd en droop weer af. Achter haar weerklonk overwinnaarsgelach.

    Omstreeks kwart voor middernacht dook traiteur John nog handenblazend de Modest binnen, in voorspelbaar ornaat: een haastig van de kapstok geplukte overjas met opstaande kraag boven zijn horecaplunje (: wit, streepjes, blauw). Niet zelden vertoonde deze outfit sporen van voedsel, maar men verdacht John ervan deze opzettelijk aan te brengen. Hard labeur tot laat in de nacht, weet je wel. Zichtbare arbeid. Hij evolueerde van iedereen naar iedereen, en slaagde erin voor de derde opeenvolgende week zijn leatherman te showen, die hij van de horecavereniging MEALS ON WHEELS cadeau had gekregen voor diverse verdiensten. Zijn leatherman, een glanzende luxe-uitvoering van het klassieke Zwitsers mes, maar dan wel met maar liefst negentien mogelijkheden, was zijn trots. Alleen de fine fleur van het traiteurdom kreeg er zo een van MEALS ON WHEELS.
    ‘Altijd handig, overal. Ik grijp er, ik ga niet overdrijven, tien tot twintig keer per dag naar, ik zweer het u!’
    Het ingebouwde knipmes zag er het vervaarlijkst uit.
    ‘Waarom zitten er negentien eh … dingen in?’ informeerde Joppe Meivink. ‘En geen twintig bijvoorbeeld?’ (John was niet te beroerd ook bij deze verloren kerel zijn opwachting te maken – kwestie van aandacht; Joppe voelde zich daardoor weer even bij de mensheid betrokken, tot de geweldige John dan weer naar een ander groepje verdween).
    ‘Twintig zou te symbolisch zijn,’ poneerde de traiteur met grote stelligheid.
    ‘Moogt gij daar zomaar mee rondlopen?’
    ‘Ik loop er wel niet mee te zwaaien hé, Joppe. Ziet ge dat mes? Ziet ge mijn handpalm? Vergelijk die eens? Ik … ‘ (John was dertig jaar geleden dienstplichtig para geweest bij de Belgische strijdkrachten. Hij beweerde dat hij een mens binnen de vijf seconden kon doden met zijn blote handen. Daarbij bediende hij zich graag van het woord charcuterie.)
    ‘Er zit ook een getande zaag in, kijk.’
    John toverde na enkele ingrepen een haaiachtig instrument uit zijn leatherman tevoorschijn.
    ‘Amai,’ deed Joppe, maar dat meende hij niet.
    Op dat ogenblik tuimelde Nand Dagschotel wederom van zijn barkruk. Wederom, want dat gebeurde wel vaker. Daarom keek niet iedereen opzij: men verdacht Nand ook van opzettelijkheid in dat verband. Nand krabbelde dus uiteindelijk weer recht. Intussen rukte de storm de laatste staande plant van op het trottoir voor de Modest weg. Carl had geen tijd gehad zijn voorraadje siergroen binnen te slepen. De potplant kukelde midden op straat, maar hinderde hierbij niemand, gezien het late uur en de ligging van de Modest. Het ding tolde, bevolen door de wind, nog even heen en weer en brak ten slotte tegen de trottoirband in stukken, waardoor een deel van de potgrond als zwarte sneeuw door de straat stoof.

    Voortekenen worden door de mensen ofwel niet gezien ofwel niet geïnterpreteerd. Die zwarte sneeuw stoof onbewaakt en ongezien verder door de stad, de witte slangen stuifsneeuw achterna. Dat westernachtig stofwolkje was de voorbode van naderend onheil. Een halfuur later wapperden bliksemserpentines boven de stad, terwijl een vreemde februaridonder ergens in de onmiddellijke verte aan het grollen sloeg. Intussen wakkerde ook de storm nog aan. Het was een ongeziene en ongehoorde combinatie.

    (Ergens in een groot huis op de tweede verdieping stond een slapeloos nachtkind door het venster te kijken naar het tempeest. ‘God schroeit met zijn lastoestel de ozongaten weer dicht,’ dacht het. ‘Hij is boos op de mensen omdat ze gaten in zijn hemel hebben gemaakt. Maar morgen ruikt het weer lekker in de stad, zoals na elk onweer.’)

    De verzamelde horecanen in de Modest keken ontzet opzij, alsof iemand op hetzelfde ogenblik hevig aan hun hoofden rukte. Simultaan klapten de deuren naar het sanitaire compartiment en de dubbele voordeur open. Een kolk van stof en straatvuil wervelde vanuit onverwachte hoek naar binnen en door de hoofdingang weer naar buiten, onmiddellijk gevolgd door een stampede van tientallen dolle wolken die wervelden en kolkten.
    'Gastronomisch,’ flitste het weer door Faye Abernattie’s brein, maar tijd om daarover na te denken had ze niet. Met een dreigend, sonoor gebulder, aangepord door gerinkel van scherven en oudtestamentisch gefluit van wind, passeerde iets machtigs, iets naamloos, ijlings door de Modest, door de hele straat, door diverse horecazaken, en het kwam van ver, en het ging nog ver door, en het liet een spoor van vernieling achter, terwijl mensen opzij sprongen, ineen doken, elkaar vastgrepen, knielden, naar hun hoofd grepen of op de grond vielen.

    Hoelang het geduurd had?
    Eeuwenlange seconden, zestien minuten lang.

    Lang genoeg om de prijslijsten en menu’s van de restaurants en bistro’s door elkaar te hutselen, aartsrivalen Faye Abernattie en Maurice Dujardin in een dodelijke omhelzing te dwingen, traiteur John met het getande zaagje van zijn leatherman door zijn linkeroog zieltogend naar de Spoed van het UZ te doen transporteren, patron Carl tegen zijn geaardheid in bovenop een inmiddels dode wijnkelnerin aan te treffen en menig ander stedeling uit de onmiddellijke omgeving gewond of gestorven te betreuren.
    Nand Dagschotel, kampioen van het vallen, overleefde de ravage.
    Joppe Meivink, pechvogel, werd buiten westen geknokt door een zwevende kapstok, bood van dan af nergens meer weerstand tegen en vrijwaarde aldus zijn lijf van overlijden, omdat hij per toeval onder een beschermende tafel met een marmeren blad was beland.

    Zeven dagen later zat de H. Horekerk op het Thomas van Aquinoplein stampvol.

    Anderhalf jaar later werd door het straatnamencomité de bewuste straat herdoopt tot de Nicolaas van Myrastraat. Voorheen was het de Dollemanstraat geweest.


    25-02-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Een kraai in Cadzand

    EEN KRAAI IN CADZAND

    Er stond een harde krokuswind boven op de wandeldijk in Cadzand. Op het strand zelf bevonden zich bij dat grijze weer slechts enkele mensen: twee vissers, een stel vers-verliefden en een dapper gezondheidsgezinnetje. Op het hoge wandelpad viel omzeggens niemand te bespeuren. Heel af en toe passeerde iemand: de haren steil achterovergeharkt tegen de strakke wind in wadend, of vooruitgestuwd door rugwind gekke passen nemend. Alleen boven strandrestaurant De Piraat kringelde wat rook, onmiddellijk weer neergeslagen en weggeblazen door de wind. De andere strandpaviljoenen waren gesloten. Sprokkelmaand op het strand van Cadzand: vierkante kilometers eenzaamheid gegarandeerd. Zielenzalf!

    Echter!

    Vanuit westelijke richting (rugwind) naderden een vrouw en een kind. Vanuit oostelijke richting (tegenwind) naderde een man. Verscholen in het struikgewas keek een kraai toe op het onvermijdelijke. De vrouw en het kind konden heel erg bang worden voor de immer groter wordende gedaante. De man kon ongestoord zijn duistere gang gaan, onttrokken aan het zicht door het struikgewas, beschermd door afstand en het barre weer. De kraalogen van de kraai volgden de drie personages uit dat vreselijke verhaal. Nog twintig meter scheidden de vrouw en het kind (een meisje, merkte de kraai nu) en de man van de fatale ontmoeting. De kraai hield zich roerloos. Hij voelde perfect aan wat er zou gebeuren. De grijswaarde van de lucht kreeg een Golgotha-dimensie. Er zou zich een gruwzaam voldongen feit voordoen boven op de wandeldijk in Cadzand, en de hele wereld (mensen, meeuwen) zou het eerst uitschreeuwen en zou vervolgens in diepe rouw gedompeld worden.

    En aldus geschiedde.

    De kraai vloog op en verspreidde vliegensvlug het nieuws: hoe de vrouw zo bang was geworden dat zij ter hoogte van de man haar mes had getrokken en dat kort na elkaar tot driemaal toe heftig in zijn rug had geploft, het mes in de struiken had gegooid (vlak naast de geschrokken kraai), het kind bij de hand had genomen en het op een lopen had gezet.


    15-02-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Aan het brood ontsnapt

    AAN HET BROOD ONTSNAPT

    met dank aan Anton Tsjechov

    Enkele dagen geleden bracht ik een bezoek aan mijn vriend de journalist Everhart De Bruyn. Ik vond dat hij fel vermagerd was. Hij bood me een kopje thee aan, want hij had net een vers kannetje staan. Dat sloeg ik niet af.
    ‘En mag ik er een broodje bij?’ vroeg ik. ‘Ik heb al geruime tijd niets meer achter de kiezen gehad.’
    ‘O nee,’ antwoordde Everhart. ‘Nee, nee. Ik bied wel mijn vijanden brood aan, maar zeker nooit mijn vrienden.’
    ‘Tiens, dat is vreemd,’ zei ik. ‘Waarom dan? Waarom dan niet?’
    ‘Waarom? Kom eens mee!’
    Everhart troonde me mee naar de salontafel, spreidde er zijn krant op uit en trok de lade open.
    ‘Kijk,’ wees hij.
    Ik keek in de lade, maar ontdekte hoegenaamd niks interessants of opvallends.
    ‘Maar ik zie niks,’ zei ik. ‘Ja … alleen wat prullen … zoals je wel vaker in een lade aantreft: … een vodje … een punaise … een lucifer … een spijker … eh … ‘
    ‘Inderdaad,’ knikte Everhart. ‘Zeer juist. En dat is het precies wat ik je vraag even te bekijken. Tien jaar heb ik gedaan over mijn collectie. Het is een merkwaardige verzameling geworden van vodjes, nagels, beentjes, dode dieren, graten, prullen, eh … soms onherkenbare onderdeeltjes van iets groters.’
    Hij graaide de inhoud van de lade bijeen en liet die op de opengespreide krant vallen. Toen stak hij van wal.
    ‘Zie je die half opgebrande lucifer? Dat is een interessant voorwerpje. Hij kon mijn dood betekend hebben. Verleden jaar zat dat ding in een gebakje van patisserie Lizzy. Wat het daar deed? Dat was en is een groot raadsel. Gelukkig was mijn vrouw thuis, om me op mijn rug te kloppen. Het luciferstokje zat namelijk dwars in mijn keel. Ik werd op het nippertje door haar gered. Zie je die teennagel hier? Dat halvemaantje? Ja, natuurlijk: hij is groot genoeg, hé. Drie jaar geleden bevond die zich in een klaaskoek van de bakkerij An & Geert. Ja, die klaaskoek had armen en benen, maar nagels hoefden er voor mij niet aan, hoor. Ik slikte het ding net niet door. Vervolgens: dat stukje vod hier. Dat stak vijf jaar geleden in een stuk worst van de bekendste fijnevleeswarenzaak in Brussel. Op de valreep belandde het niet in mijn inwendige mens. Omstreeks dezelfde tijd ontdekte ik in een potje yoghurt én een mensenhaar én een punaise. Gelukkig was ik toen al min of meer een gewaarschuwd man: ik lepelde alles heel traag en bedachtzaam uit. En ik ga door. Ik merk dat je geboeid luistert. Dat zakdoekje hier zwom in de kervelsoep die ik in het stationsbuffet aan het eten was. Deze spijker bevond zich in het broodje-gehakt dat ik in een ander station had gekocht, want ik vertrouwde de catering in dat eerste station niet langer. Deze rattenstaart hier – intussen gelijkt hij op een aardig stukje leer, nietwaar – komt uit een flesje bier. Ik zette er mijn mond aan en … je kunt je mijn afgrijzen wel voorstellen. Dit sardientje – althans: je ziet er alleen nog dit ruggengraatje van – ontdekten mijn vrouw en ik in een verjaardagstaart voor onze zoon. Deze harige duizendpoot baadde in mijn pint in de Ierse pub hier vlakbij. En ik was ook 1 cm verwijderd van het inslikken van deze schapenkeutel, die verzeild was geraakt in leverpastei die we van de kerstmarkt meebrachten. Enzovoort … enzovoort … Intussen weegt mijn merkwaardige verzameling anderhalve kilogram. Dat is 1 ½ kg die ik alvast zelf niet hoef te torsen. Maar wie weet wat ik wél al allemaal heb ingeslikt. Gelukkig, maar het betekent een ietwat schrale troost: deze collectie hier heb ik dus net niét ingeslikt. Wil je nu een broodje bij je thee?’
    ‘Nee,’ schudde ik beslist.


    02-02-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Lotto

    LOTTO

    01

    Op het ogenblik dat de U.S. of A. 300 miljoen inwoners telde, werd op het huisnummer 79/2B in de Donkerstraat van de provinciehoofdplaats Kerel Gheeraerdijn wakker uit een middags hazenslaapje, waarin hij het bezoek had gekregen van met tomahawks zwaaiende indianen die zijn vlees en bloed en huid en haar wilden.
    Ugh ugh, net echt,’ mompelde hij. ‘Hoe is dat mogelijk en waar komt dat godverongelukt vandaan?’
    Op de radio, die Kerel dag en nacht liet spelen, deelde de nieuwslezer mee dat in die U.S. of A. om de 11 seconden een nieuwe mens werd geboren. Ook behoorde 1/3 van de inwoners tot een minderheid, waarvan de hispanics met 13 % de grootste groep vormden. Rekening houdend met sterftecijfer, emigratie, immigratie en geboortecijfer was dus het ronde getal van 300 000 000 bereikt.
    ‘Van harte gelukgewenst, U.S. of A.’ zei Kerel. Hij knipperde de slaap uit zijn ogen, joeg de indianen weg uit zijn hoofd en keek op zijn horloge.
    ‘Intussen alweer 2,8 kinderen erbij,’ dacht hij. ‘Ik zit er voor niks tussen. Aan deze explosie van kinderen heb ik geen schuld. Althans: niet op dat continent.’

    Kerel Gheeraerdijn, 32, was een tijd geleden ontslagen als begeleider van Nationale Loterijwinnaars. Dit was zijn eerste echt werkloze week, in zijn nieuwe maar goedkopere appartement. Eerder een onderduikadres. Hij ging postvatten aan het venster, geeuwde, duwde een gordijn opzij en staarde naar de Donkerstraat in de diepte. Druilregen veroorzaakte haast bij de mensen. Kerel huiverde in hun plaats.

    Toen viel zijn blik op …


    02

    Birde probeerde door de braadpantruc te onthouden wat ze allemaal mee moest brengen: een rozijnenbrood, een bosje radijzen, een zak aardappelen, een blikje ansjovis, een tros druiven, een pak paneermeel, een kilogram andijvie en een halve kilogram walnoten. Het zou misschien net allemaal in haar eigen winkeltas kunnen. Anders zou ze een plastic warenhuiszak extra kopen.
    Ze sloeg de Donkerstraat in. Af en toe diende ze een paraplu te ontwijken. Die ondingen konden je de ogen uit prikken. Vooral voor gewapende kleine mensen was het uitkijken. Hun paraplu bevond zich op ooghoogte van de grotere medemensen, en sommige van die onderdeurse parapludragertjes stapten blindelings door, zich nietsontziend een weg banend door onbeschermd reuzenvlees.
    ‘Afschaffen die parapluhandel,’ mompelde Birde boos. ‘Koop in de plaats condooms om te beletten dat jullie jezelf gaan voortplanten. Betere voorbehoeding tegen het mensdom! Leve de regen!’
    Een grote regendruppel pletste pardoes op haar voorhoofd en zocht zich via haar rechterneusvleugel snel een weg tot in haar hals.
    ‘Bwèèh.’ Ze keek naar boven, van waar die waterkogel vandaan kon komen.

    Toen viel haar blik op …


    03

    … Kerel trok zich ijlings terug. In één ruk werd hij weer geconfronteerd met zijn ontslag. Had ze hem gezien? Natuurlijk had ze hem gezien. Signalement: mannenhoofd aan appartementvenster om 14:35 op een dinsdagmiddag. Dat kon niet onopgemerkt blijven. Het was gezien. In zijn hoofd ontrolde zich razendsnel de film van de afgelopen maanden. Geratel van de balletjes in de loterijcarrousel. De lucky numbers. Contact met winnares B. Huisbezoek. Euforie, natuurlijk: hemelsbrede euforie. Kerel was dat gewend. Hij kon daar mee om. Hij was getraind. Opeenvolgende huisbezoeken, geheimhouding. En dan gebeurde het. Schending van een der belangrijkste geboden, zoniet het allerbelangrijkste: Gij zult u op generlei wijze binden aan of verbinden met een hoofdwinnaar/-ares, ook niet in de toekomst.

    B. had zich aan K. gegeven, tot driemaal toe. K. had B. genomen, tot driemaal toe. En K., krap bij kas zijnde, had daarenboven gretig een aanvankelijke gulle gift aanvaard. Euforie alom, double blinded by love & money.
    Het had welgeteld 11 dagen geduurd vooraleer de Huisgeheime Dienst van Interne Loterijzaken ingreep – in de figuur van een tot dan toe ‘beste’ vriend en collega van Kerel. Alles was gezien; niets bleef onopgemerkt. Het leven was een lotto. Die werd gewonnen en verloren door …


    04

    … Birde was niet alleen bezwangerd met centen. Er zat een kind aan te komen. Een puur gelukskind. Een Kerelskind. Na de val van Kerel Gheeraerdijn hadden ze elkaar nog tweemaal gezien, met een tussenpoos van een maand. Het was telkenmale op een dronken ruzie uitgedraaid. Wie was begonnen? Wiens schuld was het? Wat met dat kind? Het liefdesgeld dat Birde aanvankelijk aan Kerel had willen schenken – een aardige som, het kon er van af – bleef ergens vlotten tussen 2, 3 rekeningnummers, noodgedwongen: een extra ingreep van de loterijdetectives. Het kind, daarentegen, groeide. Birde werd ochtendmisselijk; Kerel werd constant misselijk. Hoe kon hij zo stom geweest zijn. Ze ontmoetten elkaar niet langer. Een breuk.

    Die hatelijke kop tweehoog had Birde in een flits herkend. Zeker weten dat hij het was. De snelheid waarmee hij zich teruggetrokken had … Aha, daar hokte hij dus. Ze stak de straat over, liep 100 meter door, keerde op haar stappen terug en controleerde de namen onder de parlofoon- en belknoppen van het appartement 79. Onder 2B stond: FRIEDLAND. Alle andere waren gewone mensennamen. Birde wist dat FRIEDLAND een merknaam van deurbellen was. Hier verborg hij zich dus echt, die Kerel. Ze belde eenmaal hard aan en haastte zich dan weer de straat op, richting warenhuis. Hopelijk zou die hufter van een …


    05

    … Kerel schrok zich rot. Die bel snerpte door zijn hoofd, zijn hart, zijn ruggenmerg. Hij bleef stokstijf staan en hield – tweehoog – zelfs de adem in, alsof dat zou helpen, maar waartegen, godverdomme? Hij hield zijn hoofd nu schuin, gereed om een tweede vreselijk schelgeluid te incasseren. Dat kwam niet. Naar het raam durfde hij niet terug. Hij week er nog enkele stappen verder vandaan. Misschien stond ze aan de overkant van de straat, met dodelijke ogen te wachten tot hij weer … Hij hoorde stappen op de trappen, maar die stierven benedenwaarts uit. De schrik sloeg hem om het hart bij de gedachte dat ze ook elk moment aan kon kloppen. Want ze had hem hoogstwaarschijnlijk herkend. Hij sloop naar het muziekmeubel en schakelde de radio uit. Het bleef verder akelig stil in het appartementsgebouw, terwijl buiten het woeden van de wereld zijn gang ging. Het boze keffertje van taverne ’t Paleisje hapte naar de kuiten van voorbijgangers en werd uiteindelijk door de waardin druipnat naar binnen gedraineerd, druilauto’s passeerden in een trage karavaan op druilbanden door de druilstraat, en op de trottoirs weerklonk gedempt gevloek, en in de auto’s weerklonk bevrijdend gevloek, en iemand kreeg de balein van een paraplu onzacht tegen zijn voorhoofd, en iemand kreeg een gulp hemelwater tegen zich gesproeid doordat zo’n druilauto te dicht tegen de trottoirband reed, en terwijl Kerel minutenlang als een wassen beeld met gespitste oren bleef staan luisteren naar niets en alles en terwijl de wereld alsmaar doorwoedde en terwijl …


    06

    … Birde dook het warenhuis C&P in. Braadpan. Braadpan. Braadpan. Hoewel ze een miljoenenwinnares van de Nationale Loterij was, zou ze zoals voorheen de eurogetalletjes en de percentjes in C&P scherp in de gaten houden. Het ‘grote geld’ was voor een vuurtoren in Frankrijk, een diamant in elke tand en natuurlijk een weeshuis in India. En met het restitutiegeld dat ze nog van de loterij tegoed had, de som namelijk die die hufter van een Kerel Gheeraerdijn haar in den beginne afgetroggeld had, zou ze uiteraard om de wereld reizen, in pakweg 80 dagen. Birde glimlachte en boog zich over de vrieskasten met de voorverpakte lekkernijen. Intussen werd ze bezocht door diverse visioenen. Ze bleef glimlachen.

    Visioen 1. Elke letter van braadpan stond voor een ingrediënt waarvan de totale mix een bom opleverde die Kerel Gheeraerdijn in vele mootjes naar de andere wereld zou helpen. Alle ingrediënten waren hier in C&P te koop.

    Visioen 2. Elke letter van braadpan voegde toe aan een heerlijk gerecht, dat ze hedenavond met liefde voor Kerel Gheeraerdijn toebereiden zou, en dat ze dan samen in een groot verzoeningsritueel zouden nuttigen. Bah.

    Visioen 3. Ik sla hem de schedel in met die braadpan.

    Visioen 4. In die braadpan ontdooide Birde voor haarzelf en het kind de diepgevroren schapenbout uit C&P waarmee ze Kerel Gheeraerdijn deze week de kop had ingeslagen.

    Visioen 5. Monologue intérieure. Baalkop. Rukker. Aasvreter. Azijnpisser. Droplul. Patjakker. Addergebroed. Nageboorte.

    Cut visioenen. Terug naar de werkelijkheid.

    Even later liep Birde het warenhuis door, alsmaar het woord Vegas mompelend. Achtereenvolgens plukte ze vanillestokjes, eieren, gelei van rode bessen, geitenmelk, arrowroot en suiker uit de rekken. Thuis prikte ze het aankoopticket op haar keukenbord. Diezelfde avond ging ze stiekem een hoeveelheid korte bladeren afknippen van de geometrisch gesnoeide Taxus baccata-haag op de begraafplaats Spes Nostra. Het leven was een lotto; de wereld een Vegas.


    07

    … Kerel wreef zich letterlijk de ogen uit toen hij Birde’s invitatie las. Droomde hij? Het adres klopte volledig. Ze moest hem dus wel degelijk gezien hebben, die regennamiddag aan het venster. En die bel moest van haar gekomen zijn. Het was een teken geweest. Of misschien wou ze toen echt wel bij hem aanlopen! Waarom was hij toen in ’s hemelsnaam niet onmiddellijk naar beneden gestormd!? Het zweet brak Kerel uit, terwijl gelijk zijn hart van blijdschap harder begon te kloppen. Nu had ze hem geschreven. Etentje. En of dat bij hem kon; haar moeder zou bij haar maar wijsneuzig en storend in de weg zitten. Zij zou zelf koken, hier bij hem op het appartement. Lekker gezellig samen. Ook wel even praten hoor. For old times’ sake. Kerel Gheeraerdijn graaide haastig naar zijn mobieltje.


    08

    … Birde bracht ½ l geitenmelk met 1 vanillestokje en 100 gram suiker aan de kook. Ze klopte 4 hele eieren los met de arrowroot en nog eens 100 gram suiker. De losgeklopte eieren voegde ze roerend bij de kokende melk. Ze liet het goedje 2 minuten koken, immer roerend, en voegde er onmiddellijk ook haar geheime ingrediënt aan toe. Daarna goot ze het in enkele vormpjes over, niet helemaal tot aan de bovenrand. Het geheime ingrediënt viste ze er voorzichtig weer uit, pas nadat de pudding was afgekoeld en opgesteven. Ze smolt vervolgens de rodebessengelei, goot die op de pudding en liet alles opstijven in de koelkast.


    09

    … Kerel Gheeraerdijn slikte op het ogenblik dat de U.S. of A. 300 078 932 inwoners telde zijn vierde berehap pudding-van-geitenmelk-met-gelei-van-rode-bessen door. Birde keek geboeid toe op deze lekkerbekkenij. Toen haar gastheer stilaan buiten westen verzeilde, prikte ze het aankoopticket uit C&P op zijn memory-bord boven de kitchenette. Vervolgens deed ze de vaat voor één persoon. Rustig maakte ze zich daarna uit de voeten. Niemand had haar zien toekomen of weggaan.


    16-01-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Varkenshazy's

    DE VARKENSHAZY’S

    Een oud opaards geslacht. Edellijk van delen. Wroetend met de toet. Woonachtig in Truffalgar Squeeze (population: 28 769 inwoners en een paardenkop), een splinter hertogelijke steppe in leenroerig Midden-Europa. Eigen munteenheid: de knőrint. Op de stukken van 20 KNT staat de zwond afgebeeld: de typische Truffalgarkruising tussen het gevlekte Balkanvarken en de Magyaarse waterhond. Een belangrijke bron van inkomsten voor dit ministaatje betreft nou net deze zwonden: zij zijn wereldvermaard als truffelvinders. In Truffalgar Squeeze wordt sterven beschouwd als een enkele ruimtereis. Overigens geloven de Varkenshazy’s niet in een Oerknal of een Einde der Tijden, maar wel in Permanente Gelijktijdigheid en een Oneindige Ruimte die het begrip ‘tijd’ opheft. Zij zijn van oordeel dat ‘tijd’ is uitgevonden door de mensen, opdat niet alles tegelijk zou gebeuren. Een horloge aan de pols of aan de muur beschouwen zij als hoogst pretentieus: men kan volgens hen niet eerst ‘tijd’ uitvinden en die daarna vastbinden of ophangen.

    Er is een legende in Truffalgar Squeeze.
    Ongeveer zevenhonderd ruimtes ver waren de Varkenshazy’s de mooiste mensen in Europa. Daarom werd de hertogelijke steppe, hoe klein ook, bij herhaling vereerd met het gewapende bezoek van buitenlandse mogendheden. Vooral de Horecanen konden maar niet met hun fikken van Truffalgar Squeeze afblijven.
    Op zekere keer in een benauwde ruimte verzuchtte hertog Varkenshazy XIV hardop:
    ‘Had mijn volk maar iets afstotelijks, zodat die vreemde invasies stoppen!’
    En zie, nog waren zijn woorden niet koud of zijn wens werd warm: iedere Varkenshazy kreeg terstond een joekel van een neus in de vorm van een truffel. Ze begonnen wonderwel op hun zwonden te gelijken. Van dan af bleven wapengekletter en gevloek in vreemde talen er achterwege. Truffalgar Squeeze kon weer rustig ademen, zij het dan door truffelvormige snoeten. De bruid van de hertog, dame Suzepens, werd gespaard van zo’n truffeltoet. Haar was echter als enige inwoner een ander lot beschoren: zij kreeg baard en snor toebedeeld. Volgens hertog Varkenshazy XIV betrof dit een miskleun van de afgodinnen. Daarom liet hij dame Suzepens met touwen aan een kruis vastbinden (een beetje in navolging van de Here Jeezes Kristus vele mistige ruimtes verder) en in een diepe vergeetput zakken. Aangezien ‘tijd’ geen rol speelde op de hertogelijke steppe, werd deze beperkende ruimte gekozen om haar dood te veroorzaken. Vervolgens huwde hij een andere lieve truffelsnoet in de persoon van Magenta Pigmenta, een operadiva. Daarmee had hij meteen heel ander vlees in de kuip.

    Bent u op (door)reis in Truffalgar Squeeze, vergeet dan niet de Suzepensput te bezoeken: een put in de vorm van een truffel, waarin op een podiumpje het kruis staat waar het beeld van de bebaarde en besnorde Suzepens aan hangt. Wie een scheermesje in de put gooit, mag een negatieve wens doen: een verzuchting opdat iets niet gebeure. Het schijnt dat veel van die wensen inderdaad werkelijkheid worden. Gezwond hé, vindt u ook niet?


    14-01-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.OBLOMOW

    OBLOMOW IN HANDZAME

    De nieuwe gedichtenbundel van Joris Denoo, uitgegeven door Poëziecentrum, Vrijdagmarkt 36, 9000 Gent.   <  info@poeziecentrum.be  > 

    Oblomow, of burgerlijke tevredenheid kamerbreed uitgestrekt: het blijft een boek met open einder, reikhalzend in tijd en ruimte. Deelname of innige deelneming. Reizen of blijven. Schrijven of beschrijven. Als de Vent de Vorm van zijn leven vindt, schrijft hij geschiedenis: als oblomow, biedermeier, pionier, soldaat, kamikaze of getroffene. Hij vindt voortdurend zichzelf weer uit.

    Voltooid Verwarmde Tijd (1992, Manteau)) beschreef persoonlijke geschiedenis.
    Linkerhart (2000, Poëziecentrum) omschreef een welbepaalde ruimte. Deze bundel werd in manuscriptvorm bekroond met de 5-jaarlijkse Guido Gezelle Poëzieprijs Brugge 1999.
    Oblomow in Handzame doet beide en maakt de accolade naast het binnenverblijf van de dichter en de buitenwereld. De hoge, waaiende bomen in het vlakke Handzame-landschap (West-Vlaanderen) en herhaalde, landerige lectuur van Oblomow (Gontsjarow) inspireerden Joris Denoo tot deze bundel, zes jaar na het bekroonde Linkerhart.

    Voorpublicaties

    De cyclus Oblomow in Handzame werd onderscheiden door SNS-Lux Nijmegen & verscheen ook in Poëziekrant.
    Het gedicht Winkeldochter (uit de cyclus Eltsenien) werd bekroond met de Dunya Prijs Rotterdam. In de laureatenbundel Het Dolpension van de Hemel verscheen ook de cyclus Schrijven naar Zweden.
    Het gedicht Mannen, Tibet werd bekroond met de Poëzieprijs Culturele Centrale Boontje Sint-Niklaas.
    De cyclus Inpakken en wegwezen verscheen in
    DW&B.
    De cyclus Biedermeier verscheen in
    Digther.
    De cyclus Arctic verscheen in
    De Brakke Hond.
    Vlaamse koppen was het openingsgedicht van het themanummer van Yang, 04, dec. 01: Flanders Language Valley Revisited/Over de Vlaamse literatuur zoals zij was, is en ooit nog zal zijn.
    Vrouwen, Seattle verscheen in Ballustrada (Nl).
    De cyclus Vier brieven aan mijn zoon verscheen op NV Poëzie, De Gekooide Roos (Nl), Tortuca (Nl), Poëziekrant en figureerde ook t.g.v. ’90 jaar later’ (mei 2005, In Flanders Fields, Ieper).


    30-12-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dә klakkәlozәn 1

    (TEGӘN) DӘ KLAKKӘLOZӘN

    I: Kroniek van dә lopәndә gәbeurtәnissәn

    Bovәn әt gәrechtsgәbouw wiektә әn reigәr met әn mensәnpink in zәn snavәl.

    Feit. Soms leek Judas van dә aardbodәm vәrdwenәn.
    Fout. Dan zat hij ergәns met әn probleem.
    Feit. Hij was dә mensәn en hun mensheid evәn beu.
    Fout. Hij hersteldә van enkәlә vәrslavingәn.
    Feit. En hun klakkәloosheid.
    Fout. Of van әn depressie.

    Judas, zo leek hәt, was әn kampioen in afwezәgheid, ontbrekәn, ontstentәnis. Hij dook dan weer wel op waar hij helәmaal niet werd vәrwacht. Zәn vriendәn Kathaleen, Ovәrlord en Pops warәn dat gәwend van hem. Met zәn vierәn haddәn zә op әn zattә avәnd ook een denktank opgәricht.

    Hun programmapuntәn pro:

    1. Defusionering van dә stedәn en gәmeentәn.
    2. Әn andәr schrifttekәn voor dә alomtegәnwoordәgә maar zeer vәrschillәnd gәschrevәn en daarom vәrwarrәndә doffә ә in hәt Nedәrlands.
    3. Hәt rechtop bәgravәn van dә dodәn, zo dezәn niet voor vәrassing haddәn gәkozәn.
    4. Hәt eigәndomsrecht van dә burgәr over dә luchtzuil bovәn zijn grond & woning, zo hij dezә had aangәkocht.

    Hun enәgә programmapunt anti:

    Klakkәloosheid

    Pro (1): tәrug naar dә gәplogәnhedәn en gәbruikәn van voor 1977.

    Pro (2): hulp en steun voor kindәrәn en buitәnlandәrs bij hәt aanvankәlәkә lerәn lezәn en schrijvәn van onzә taal. Voorstel: ә. Dә druk bәzettә e dus evәn op zәn kop zettәn.

    Pro (3): zuinәg omspringәn met dә ruimtә op dezә aardә.

    Pro (4): om zo bәvoorbeeld bombardәmentsvliegtuigәn hәt overstekәn bovәn dә eigәn territorialә lucht tә bәlettәn. Grip op dә ovәrheid.

    Anti : tegәn dә vәrkleutәring, popularisering, gәlijkmaking, clichévorming, idolatrie, nabootsing en vooral dә klakkәloosheid waarmee dit allәs hedәn tәn dagә gәbeurt.

    Abstraheringәn:

    1: promotie van dә middәlpuntvliedәndә zwaartәkracht

    2: dә stommә zwaartәkracht op zәn kop

    3: ondәrgrondsә verticaliteit als protest tegәn zwaartәkracht

    4: ontsnapping aan dә grootstә dommәkracht tәr werәld: dә zwaartәkracht

    Anti: platheid, horizontaliteit, vәrvlakking

    Judas, Kathaleen, Ovәrlord of Pops haddәn ondәrling altijd wel een of andәrә vәrrassing voor elkaar, na bәvoorbeeld әn periodә van stiltә, rust of onzichtbaarheid. Zә warәn dat min of meer aan hun eigәn programma vәrplicht.
    Zo kon Judas (bijna-kettingrokәr) van dә enә op dә andәrә week dә nicotinә afzwerәn.
    Kathaleen kon totaal onaangәkondәgd compleet gekkә dingәn met heur haartooi uitspokәn.
    Overlord had zich onlangs bәkeerd tot hәt Russisch-orthodoxә gәloof, ‘alleen maar voor әt Russischә aspect’. Hij manktә wat (hәt gәvolg van әn auto-ongәval annex klungәlәndә traumachirurg) en daarom had hij hәt zelf soms over zәn Russisch-orthopedischә ovәrtuiging. Mocht hierom dan wordәn gәlachәn?
    Pops wou soms maandәnlang geen enkәlә roodgәkleurdә materie of vloeistof etәn of drinkәn.

    Zo hieldәn zә elkaar scherp.
    Indien mogәlәk: scherp in dә gatәn.

    Hun gәmeenschappәlәkә held was dә Nedәrlands-Amerikaansә valkunstәnaar Basjan Adәr. Nou, ‘held’. Hәt viertal wenstә geen heldәn tә hebbәn. Zә bәwondәrdәn zәn oeuvrә annex levәnswijzә.

    [ Hәt leek әrop alsof Adәr bij voorbaat wou mislukkәn.
    Adәr liet zich uit әn stoel op dә nok van әn dak vallәn.
    Adәr las әn vәrhaal uit Readәr’s Digest voor waarin mensәn zich in tonnәn van dә Niagara Falls lietәn dondәrәn. Bij elkә rustpauzә in dә tekst nam hij әn slok van zәn glas watәr. Hәt voorleesvәrhaal eindәgdә met zәn laatstә slok.
    'Dә stiltә bij enkәlә van dezә opnamәs wijst әrop dat әr toen geen toehoordәrs in dә galәrij zatәn.’
    Adәr fietstә әn Hollandsә gracht in.
    Adәr tuimәldә om in әn Mondriaan-omgeving.
    Adәr viel ondәrbrokәn omver.
    Adәr demonstreerdә dә vәrnietәgәndә zwaartәkracht met zwarә en lichtә voorwerpәn.
    ‘Kunstәnaar spoorloos op Atlantischә Oceaan.’ (Nieuwsblad van hәt Noordәn, 1 decembәr 1975)
    Adәr probeerdә vast tә houdәn wat hij losgәlatәn had.
    1/10 sәcondә tussәn loslatәn en vallәn; dә oceaan op in әn bootjә van 3,5 metәr.
    Basjan Adәr, Groningәr, Amerikaan, pәrformәncәkunstәnaar lang voor hәt woord werd gәlanceerd. ]

    Judas, Kathaleen, Ovәrlord en Pops vielәn wel mee.

    Pops liep vrijwel naakt op dә werәld rond, weer of geen weer. Minimәl dresscodә volstond voor haar. Omdat zә vaak zo vәrrassәnd halfbloot opdook, werd zә al vlug Pop-up gәnoemd, voor dә intimi lieflәk afgәkort tot Pops, maar eigәnlәk heettә zә Emmәlin. Zә gәnas al jarәnlang van әn ovәrdadәg appәtijtәlәkә vәrhouding met әn veel oudәrә man.

    Ovәrlord, ooit gәtrouwd gәweest met әn meisjә dat Vlindәr heettә, no kids, had әn platonischә relatie met haar, want Pops hield niet langәr van aanrakingәn, penetratie, hugging en gәzoen. Ovәrlord doceerdә Duits aan әn hogәschool waar tolkәn en vәrtalәrs werdәn opgәleid. Hij was dә bәdenkәr/ontwerpәr van hәt doffә-ә-plan. Pops werktә als personeelsbәdiendә bij әn firma die met indrukwekkәndә machinerie diep in dә grond kon borәn. Zij bәdacht hәt verticalә bәgraafplan.

    Kathaleen en Judas haddәn әn zakәlәkә rәlatie. Zә leiddәn samәn әn kleinә firma (8 man) die dә mailing vәrzorgdә voor allәrlei organisaties. Zә deeldәn әn loftachtәg huis in dә stad. Soms schovәn zә vrijblijvәnd in elkaar, maar Kathaleen viel eigәnlәk meer op Pops met heur vlammәnd-rodә haar. Judas had hәt defusioneringsplan gәoppәrd; van Kathaleen kwam hәt idee van dә territorialә luchtzuil. Sommәgә weekends en vakantiedagәn ontfermdәn zә zich ovәr Caitlin, dochtәr van Kathaleen uit әn vorәgә relatie. Caitlin pendәldә tussәn hәt stedәlәkә lofthuis en hәt landschappәlәkә hippieboerdәrijtjә van haar pa annex versә vriendin plus twee pagaddәrs. Omwillә van haar naam had zә niet zo’n bestә vәrstandhouding met haar ma. Ook dә naam ‘Judas’ baardә haar zorgәn. Maar hәt loftgәvoel haaldә telkәns weer dә bovәnhand.

    Dә ideeәn voor dә denktank en dә programmapuntәn-pro warәn әr gәkomәn door dә ongәveer tweewekәlәksә freewheelsessies van hәt viertal in hәt randstedәlәkә kaffaat Botchka. Men nemә vier gәlijkgәzindәn, әn gәzellәgә biotoop, dә acceleratie door dә alcohol, en dә ideeәn borrәlәn vanzelf op: lucidә, haalbaar, heldәr, geniaal uppoppәnd. Bij әn overdosis deed zich gәwoonlәk nog әn tegәnbәtoging van әn idee-anti voor. Hier bәtrof dat dus dә gәzamәnlәkә afschuw voor klakkәloosheid. Hәt was Ovәrlord die in әn vlaag van wodka hәt woord had gәlanceerd. (Kaffaat Botchka stond bәkend voor zәn ruimә keuzә aan wodka; hәt merk Gorbatsjov alleen al bәstond bәvoorbeeld uit vier ondәrafdelingәn, waarondәr Gorbatsjeef en Zorbatsjov dә populairstә warәn). Althans: zo deed hәt dә rondә onder hun vierәn. Waarschijnlәk had Ovәrlord, әn gәtalenteerdә taalschat, dat zo gәformuleerd, net voor zә met zәn vierәn zowat van hun barkruk kukәldәn, tәrwijl dә nabijә torәnklok met әn paar donkәrә slagәn dicteerdә dat hәt hoog tijd werd om naar huis te wadәn – closing timә at Botchka’s.

    Әr stond ook әn ton in Botchka what’s in ә namә –, waarin men onder hәt brallәn van vәrmeendә Russischә wensәn en vәrwensingәn әn glas stuk kon gooiәn, na voorafgaandә bәtaling van vorm plus inhoud. Dat gәbeurdә af en toe met zattә groepjәs: teambuilding. Dә anti-klakkәlozәn haddәn tot nu toe nog niet aan zo’n uitspatting toegәgevәn. Zә warәn әr wel al diversә kerәn gәtuigә van gәweest. Vooral op vrijdagavәnd sloeg hәt tongәvoel wel eens toe. Gәstresstә werknemәrs met әn dissidentә ploegbaas of bureauchef op kop gooidәn dan hun frustraties aan gruzәlәmentәn, tәrwijl thuis hәt weekend gaaptә als әn zwart gat, gәvuld met 1,8 kindәrәn.

    Op әn mistәgә vrijdagvoormiddag deed patron Francis әn lugubәrә ontdekking, nadat hij van zәn rijwoning naar dә Botchka was gәstapt om әr hәt puin van dә vorәgә avәnd tә ruimәn. Әr lag әn wijsvingәr in dә wenston. Hij wou әr net zәn halfopgerooktә sigaret in mikkәn. Negәn, tien keer boog hij zich ovәr dә ton, zәn adәm inhoudәnd, maar hәt leed geen twijfәl: hәt was әn mensәnvingәr. Gәslacht: hoogstwaarschijnlәk mannәlәk. Francis inhaleerdә diep dә vәrschaaldә lucht toen hij voor dә zoveelstә keer weer van dә ton wegkeek. Wat stond hem tә doen? Wie had hier zәn vingәr achtәrgәlatәn? Hij stak әn versә sigaret op en keek vol afschuw naar dә ton.
    ‘Naz-da-ro-vjee!’
    Hәt was druk gәweest dә avәnd әrvoor. Op dondәrdagәn vondәn namәlәk ook dә hoogstudentәn dә weg naar Botchka, naast dә gәwonә trouwә klantәn. Wie was hier gistәrәn allәmaal dә rәvue gәpasseerd? Francis probeerdә zich dә gәzichtәn tә herinnәrәn, uur na uur, hәt opәn- en dichtgaan van deurәn, bәgroetingәn, opmerkingәn, kwinkslagәn, bәstellingәn. Әr was niks opmerkәlәks aan dә hand gәweest; dә dondәrdagdronkәnschappәn haddәn zich als vanouds ontwikkәld en warәn als vanouds weer gәblust. Hәt gәbral en gәbrul haddәn zich zoals dә meestә dondәrdagәn voltrokkәn zondәr dat dә aardkloot ook maar één millisәcondә rappәr draaidә. Hәt laatstә groepjә was rond 02 uur 30 vәrtrokkәn, met medәneming en ondәrsteuning van dә bәkendә eenzamә tooghangәr B. die over dә wallәn ondәr zәn ogәn struikәldә toen hij van zәn kruk opstond.
    Onwillәkeurәg schoot Francis әn gigantisch ondәrwijzәrscliché tә binnәn.
    ‘Wiens vingәr heb ik vandaag nog niet gәzien?’
    Hij moest әr zowaar om glimlachәn.
    Tussәn dә glasschervәn in dә wenston bәlanddәn әr wel әns vakәr onvoorzienә of ongәwenstә voorwerpәn. Francis paktә dә noodzaklamp van ondәr dә toog en lichttә bij in dә ton. Met әn dubbәlgәvouwәn zuigriet schoof hij dә vingәr heen en weer tussәn dә schervәn, met medisch-anatomischә aandacht. Waar hәt lid was afgәrukt, of afgәzaagd, vәrtoondә dә vingәr rafәlәgheid. Bloedәrәg zag hәt ding әr niet uit; eerdәr … nou: kil, echt wel dood. Әr zat geen ring aan, en әr was evәnmin әn ring tә bәspeurәn ergәns tussәn dә schervәn.
    Bәtrof hәt hier әn pәrfect nagәbootst
    gadget?
    Was hәt әn stunt van die tweewekәlәksә Botchkabendә?
    Of bәtrof hәt әn ziekәlәkә grap van әn student gәneeskundә?
    Francis durfdә hәt ding niet aan tә rakәn of vast tә pakkәn. Hәt zicht alleen al deed hem bijna kokhalzәn. Hij haaldә zәn schoudәrs op, sloot dә Botchka weer af en spoeddә zich tәrug naar huis om bij zәn levәnsgәzel tә radә tә gaan.

    In dә aanloop naar dә gәmeentәraadvәrkiezingәn druktәn en vәrzondәn dә ledәn van dә denktank (Tegәn) Dә Klakkәlozәn via dә firma van Kathaleen en Judas op grotә schaal әn pamflet met hun denkbeeldәn op, inclusief dә toegәpastә ә. Bovәnaan links prijktә hun embleem: әn gәhevәn, waarschuwәndә wijsvingәr. Әrondәr stond dә slogan: WE NEVӘR SLEEP. Die haddәn zә gәjat van dә Pinkәrtons, dә eerstә professionelә bolhoeddetectivәs uit Amerika. Die schoolmeestәrachtәgә vingәr had wat discussie ondәr hәt viertal vәroorzaakt. Toen hij echtәr na enkәlә verdәrә ingrepәn van Pops meer op әn middәlvingәr bәgon tә lijkәn, en gәcombineerd werd met hәt motto (op әn oudәrwets wappәrәndә serpentinә zoals die vroegәr door engәlәn op kerstkaartәn werd gәdragәn) ging iedәreen dan toch akkoord met hәt embleem. Op hәt pamflet haddәn zә dә EPS-peoplә voor hәt hoofd gәstotәn: diegenәn wier bәstaan op dezә aardkloot alleen bәstaat uit Etәn, Parәn en Slapәn. Die bәschouwdәn zә als dә klakkәlozәn. Enkәlә dagәn na vәrspreiding van hәt pamflet bәlanddә әn bloedәrәgә nepvingәr in dә bus van dә mailfirma van Judas en Kathaleen.

    Hәt viertal, opgәtrommәld door Francis, keek diezelfdә vrijdagvooravәnd nog met afgrijzәn naar dә vingәr op dә schaal die dә Botchkapatron hun voorhield. Hij strektә die zo ver mogәlәk voor zich uit, met opeengәperstә lippәn en opgәtrokkәn mondhoekәn. Hij zorgdә әr ook voor dat dә drie andәrә klantәn niet kondәn meekijkәn.
    ‘Dat was mijn breakfast at Botchka’s vanmorgәn,’ zei hij. ‘Uit dә ton gәvist.’
    ‘Ben jә әr zekәr van dat hәt geen nepvingәr is, zoals dә onzә? Ik bәdoel: die in onzә bus?’ vroeg Judas.
    Francis kniktә: ‘Doktәr Mahaut is hier vanavәnd al langs gәweest. Әr is geen twijfәl mogәlәk.’
    Nadat zә ietwat van hun vәrbazing bәkomәn warәn, vroeg Pops:
    ‘Waarom ben jә niet naar dә politie gәstapt?’
    ‘Hans – mәn vriend – raadde dat af. Hәt zou niet goed zijn voor dә zaak hier.’
    ‘En waarom toon jә ons dat әh … dat ding dan?’ merktә Kathaleen op.
    ‘Nogal wiedәs,’ antwoorddә Ovәrlord in Francis’ plaats. ‘Met die vingәr op ons pamflet en dә nepvingәr in jullie mailbus … Zie jә wel dat әr narәgheid van komt. Jә mag nooit wijzәn met jә vingәr. Wә lijkәn wel bәtrokkәn partij hé.’
    ‘Juist,’ kniktә Francis, die reeds van allәs op dә hoogtә was.
    ‘Wat zoudәn jullie doen in mijn plaats?’
    Hij keek zә een na een in dә ogәn, vorsәnd, want hij was әr nog altijd niet zekәr van of hәt een of andәrә stunt van hәt viertal bәtrof. Hij kendә hun dronkәnschappәn en euforischә bәvlogәnhedәn. Judas haaldә zәn schoudәrs op en zei spottәnd-meewarәg:
    ‘Ik zou maar uitkijkәn als ik jou was, Francis. Stel dat men nog andәrә lichaamsdelәn vindt, afkomstәg van hәtzelfdә lichaam, vәrspreid ovәr dә stad … dan zou dat bәtekәnәn dat dә moordәnaar hier is gәweest … potvәrdorie, nu bәgin ik hәt nog tә menәn ook … !’
    Hij bәkeek dә vingәr met nog wat meer afschuw dan daarnet en simuleerdә kokhalzәn.
    ‘Daar zeg jә zowat,’ kniktә Francis. ‘Jә bent әn fantastischә hulp, bәdankt. Wat doe ik met dә vingәr, damәs, herәn? Help. Help mә.’
    ‘Maar heeft dokter Mahaut dan niks gәzegd of ondәrnomәn?’
    ‘Nee. Hij heeft alleen әt vingәrәgә feit gәconstateerd. Әt is allәszins әn wijsvingәr, zei hij. Maar hij was ondanks әt vroegә uur alweer bәnevәld. Ik denk zelfs dat әt niet echt tot hem doordrong. Dә vingәr leek geen vәrwondәring bij hem tә wekkәn.’
    ‘Ra ra ra, van wie is dә vingәr?’ dacht Kathaleen hardop.
    ‘En wie zond ons әn nepvingәr?’ vuldә Judas aan.
    ‘Vindәn jullie niet dat die vingәr op әn penis gәlijkt?’ merktә Pops plotsәling op. Zә kneep haar ogәn halfdicht en nam әt ding wat scherpәr in haar vizier.
    Iedәreen zou әt antwoord op dezә vraag schuldәg blijvәn, want op әtzelfdә ogәnblik kwam vriend Hans haastәg binnәn met nieuws heet-van-dә-naald. Ook dә drie klantәn aan dә toog spitstәn nu hun orәn. Die haddәn intussәn dә vingәr in dә gatәn, en zә twijfәldәn tussәn әn nieuwә Botchkahapklarә bierworst en әn cafégadget.
    ‘Әr is әn lijk vәrspreid over dә stad,’ zei Hans opgәwondәn, ‘en wij … ‘ – hij kniktә naar әt ding op dә schaal die Francis nog altijd als әn relikwie voor zich uit hield – ‘… wij hier hebbәn әr ook әn stukjә van!’
    ‘Vәrspreid?’
    ‘Welja … әh … jә weet wel.’
    ‘Ja maar … ‘
    ‘Әr zijn dus nog ondәrdelәn gәvondәn?’
    ‘Wat? Waar?’
    ‘Ook vingәrs?’
    ‘Of dә p … ‘ wou Pop-up zeggәn, maar net op tijd bәdacht zә dat әt net zo goed … Zie jә wel: ‘Әt gaat om әn vrouwәnlichaam,’ zei Hans. ‘Әt kwam daarnet in әt journaal.’
    Dә drie andәrә klantәn nadәrdәn nu nieuwsgierәg en schaardәn zich vol afgrijzәn rond dә schaal.
    ‘Vrouwәntongәn in әn pot in әn café … ja … maar әn vrouwәnvingәr op әn schaal … fuck off, zeg!’ zei әr een.
    Francis keek dә kerәl vәrnietәgәnd aan.
    ‘Jammәr dat Mahaut hier niet meer is,’ zei diens kompaan.
    ‘Kennәn jullie dan Mahaut?’
    ‘Die doktәr.’
    ‘Jaja: die doktәr.’
    ‘Wie kent die zuipschuit niet … ‘
    Doktәr Mahaut, әn noodgәdwongәn singlә malә met zowel әn missie als әn vәrslaving, uitvindәr van onwaarschijnlәkә vәrhalәn waarin hijzelf dә hoofdrol vәrtolktә, vastә klant in o.a. dә Botchka, solliciteerdә op gәzettә tijdәn via lichaamstaal, oogcontact en aanwezәgheidspolitiek naar әt lidmaatschap van dә Unie tegәn dә Klakkәlozәn, maar әt denktankviertal ketstә dezә kandidatuur telkәnmalә af door uitdrukkәlәkә ruggәspraak.
    ‘Ik ben niet veel wijzәr gәwordәn door Mahaut,’ zei Francis. ‘Әt is әn vingәr, zei hij, әn wijsvingәr.’
    ‘Schittәrәndә diagnosә. Wat nu?’
    ‘Bij dә barbier vroegәr vәrloor wel әns iemand zijn neus ondәr әt scherәn,’ zei Judas spottәnd.
    'Maar laat Hans toch әns uitsprekәn!’ riep Kathaleen.
    Tәrwijl Francis, nog altijd niet gәheel ovәrtuigd, dә vreemdә trofee op dә schaal als әn enigmatischә graal omhoog stak, en zәn vriend Hans eindәlәk weer aan әt woord kwam, wiektә әn reigәr bovәn әt gәrechtsgәbouw in dә stad met әn mensәnpink in zәn snavәl. Hij had die uit әn ondiep tuinvijvәrtjә gәvist. Әn beetjә vәrbaasd ovәr әt gәbrek aan gәspartәl en tegәnstand had hij dә pink nog niet doorgәslikt. Nu transporteerdә hij dә vreemdә buit naar zәn nest langsheen әt kanaal, waar die ongәtwijfәld met forensischә nauwkeurәgheid zou wordәn ontleed.

    Botchka mocht әr vanvorәn en vanbinnәn dan bәhoorlәk uitzien, aan dә achtәrkant (die op әn smal achtәrafstraatjә uitkeek) was әt әn puinzooi. Men stond om zo tә zeggәn op straat tә zeikәn: dә mannәlәkә pisgeulәn hingәn opәn en bloot aan әn muur op әn schots en scheef bәtegәld koertjә. Dә vrouwәn dedәn hun gәvoeg in twee erbarmәlәkә hokkәn in әn hoek van datzelfdә opәn biotoopjә. Niet zeldәn ook maaktәn voorbijgangәrs gәbruik van dit sanitair.
    Judas ging plassәn.
    (Zoals gәwoonlәk stond hij op, zei niks en vәrdween.)
    Judas bleef lang weg.
    Judas kwam vәrdorie niet tәrug.

    Tәrwijl Judas drie dingәn tәgәlijk deed 1. zich rustәg leeg latәn lopәn – hoofd afgәwend omwillә van opstijgәndә pislucht 2. toch evәn tәrloops zijn lid vәrgәlijkәnd bәstuderәnd 3. zich intussәn vәrwondәrәnd ovәr әt feit dat hij dә laatstә dagәn 12? 15? autonummәrplatәn (via toevallәgә oogopslagәn) gәdetecteerd had die bәgonnәn met dә lettәrcombinatie VIK – hij was wel gәneigd enәgә kracht toe tә schrijvәn aan numәrologie, voor zover die met lettәrs tә makәn had, stoptә ook achter hem in әt straatjә әn wijnrodә astra met gәblindeerdә zij- en achtәrruitәn waaruit twee mannәn popten die Judas in әn mum van tijd bәnaderdәn, vastgrepәn, achtәruit sleurdәn en in dә auto proptәn. VIK921 stoof daarna әt straatjә uit. Op әt koertje lag әn spoor van pisdruppәls dat al was opgәdroogd toen Kathaleen uitriep:
    ‘Maar hij is hier ook niet!’
    Dә gәdachtә dat dә moordәna(a)r(es) die dondәrdagavәnd in dә Botchka moest zijn gәweest, deed Francis en Hans әr plotsәling toe bәsluitәn op vrijdagavәnd om elf uur al dә klantәn naar buitәn tә werkәn. Stel jә voor dat hij … zij … hier weer …Daarna beldәn zә dә politie.
    Әt denktankdrietal bleef nog wat op әt trottoir treuzәlәn. Geen spoor van Judas.
    ‘Hij moet daar nu toch әns mee ophoudәn.’
    ‘Ik presenteer hem morgәn nog wel dә rekәning.’
    ‘Als hij denkt dat hij leuk is … ‘

    Әt dodә vrouwәnlichaam kon min of meer weer wordәn gәreconstrueerd, na ontdekking van diversә ondәrdelәn in enkәlә cafés, telefooncellәn en kerkәn. Әt (onherkenbaar gәmaaktә) hoofd en dә romp bәvoorbeeld kregәn iedәr apart sanctuary in әn vәrschillәndә kerk, tәrwijl dә bәlangrijkstә ledәmatәn in telefoonhokkәn opdokәn. Dә horeca kreeg dan weer dә kleinәrә kluifjәs, zoals vingәrs en orәn. Wel ontbrak әn pink. Әt was duidәlәk dat dә dadәr(es) әn opzettәlәkә puzzәl voor ogәn had. Hier werd enәrzijds aandacht gәvraagd, andәrzijds ook vәrknipt en onherkenbaar gәmaakt. Op aanradәn van Ovәrlord en Pops ging Kathaleen әn etmaal latәr dә vәrdwijning van Judas aangevәn. Wie zondәr boodschap vierәntwintig uur lang niet op zәn werk vәrscheen, was onrustwekkәnd aan әt vәrdwijnәn.
    ‘Әt was toch әn vrouwәnvingәr,’ deeldә Francis doktәr Mahaut mee.
    ‘Әn wijsvingәr was әt zekәr,’ kniktә Mahaut. ‘En ik vәrneem dat әr hier nog әn helә kerәl ineens vәrdwenәn is ook, dә avәnd daarna?’
    ‘Nou … hier … ‘ reageerdә Francis gәïrriteerd, ‘ hij is gәwoon vәrdwenәn door dә achtәrdeur hé.’
    ‘O, met nalatәnschap van rekәning?’
    ‘Nee, conditietraining. Doet hij wel vakәr, schijnt әt.’
    ‘Controleer әn volgәndә keer zәn vingers. Of hij zә nog allәmaal heeft.’
    ‘Әn vәrsnedәn lijk en binnәnkort gәmeentәraadsvәrkiezingәn … ‘ oppәrdә Francis hardop, eerdәr voor hem hemzelf dan voor doktәr Mahaut, die zich alweer stevәg aan әt bәcognaccәn was.
    ‘Әh? Vәrband?’
    ‘Wel … veilәgheid, hé. Zә hamәrәn әr al jarәn op: veilәgheid. En hier zittәn wә momenteel met әn mensәlәke macedoinә plus әn vәrdwijning.’
    ‘Jә bәdoelt әn mensәlәkә hachee. Macedoinә bәstaat uit groentә en fruit. In gәlijkә blokjәs. Als patron van dezә bistrot hoor jә dat toch tә wetәn.’
    ‘Hachee is ook in gәlijkә blokjәs, hoor,’ grijnsdә Francis bәschaamd.
    ‘Ons lijk dus duidәlәk niet. Slechtә vәrgәlijking. Noch macedoinә, noch hachee.’
    Ons lijk?’
    ‘Nou: dat lijk. Als gәneesheer bәschouw ik ook allә niet-levәndә lichamәn zo’n beetjә als dә mijnә.’
    ‘En dә vәrdwenәn lichamәn?’
    ‘Zorg әr maar әns voor dat zә hier achtәraan niet kunnәn vәrdwijnәn zondәr tә bәtalәn. Is dat nog nooit gәbeurd?’
    ‘Jaja … ‘
    ‘Hopәlәk is Judas niet zelf gәdefusioneerd,’ dacht Ovәrlord, maar hij durfdә dit uitәraard niet hardop tә zeggәn in әt gәzelschap van Kathaleen en Pops. Ook in tijdәn van kommәr en kwel werd hij door taalschattәgә ingevingәn bәzocht.
    ‘Dә eerstә urәn na әn vәrdwijning zijn dә bәlangrijkstә om sporәn tә vindәn,’ zei Kathaleen. Dat had zә van dә teeveefeuillәtons.
    ‘Hij is nu al drie dagәn weg. Heb jә al әn foto aan dә politie bәzorgd?’
    ‘Morgәn.’
    Evәn zwegәn zә. Voor dә zoveelstә keer dacht iedәr van dә drie tәrug aan әt laatstә gәsprek waar Judas nog bij zat – was әr әn detail gәweest dat wees op әn nakәnd vәrdwijnәn? En als әr al iets gәweest zou zijn: kondәn zә dat dan met zәn drieәn tәgәlijk ovәr әt hoofd zien?

    ‘Ik … ‘
    ‘Gәwoonlәk … ‘
    ‘Vindәn jullie … ‘
    Zә bәgonnәn plotsәling weer simultaan door elkaar tә pratәn.
    ‘Ik vind әt әh … ik vind әt autistisch van hem.’
    ‘Ja, dat moet hij echt wel aflerәn.’
    ‘Әt is wel lugubәr dat hij wacht om әt nog әns tә doen tot әr hier әn afgәsnedәn vingәr opduikt. Dә timing … ‘
    Over één zaak warәn zә әt eens: zә warәn boos op Judas – zijn gekkә neiging om zomaar ergәns tә vәrdwijnәn, zat hen dwars.
    ‘Zou onzә weigәring om dә Vlaams-Bәlangmailings voor dә vәrkiezingәn tә doen hier voor iets tussәn zittәn?’ oppәrdә Kathaleen plotsәling.
    ‘Maar dan ga jә әr van uit dat Judas niet vanzelf vәrdwenәn is?’
    ‘Zoiets, ja … Wә weigerden tweemaal gәmeentәlәk VB-drukwerk tә vәrspreidәn.‘
    Zoiets zou natuurlәk әn compleet andәrә wending aan dә zaak kunnәn gevәn.
    ‘Amai.’
    Weer zwegәn zә evәn, wat langәr dan daarnet. Misschien moestәn zә helәmaal niet boos zijn op Judas.
    ‘Werkәn jullie gәwoon door?’
    ‘Ja, maar dә sfeer is … raar.’
    ‘Dat zal wel.’
    ‘Heb jә dat ook aan dә politie vәrteld?’
    ‘Әh … nog niet. Dә Bәlangәrs zittәn ovәral met hun bәlangәn, hé. Vooral in әn biotoop van uniformәn.’
    Zә kniktәn en kekәn nog bәdruktәr dan daarnet.

    Әn moordәnaar-slagәr die duidәlәk hengәldә naar aandacht voor zijn slachtwerk hield dә provinciestad in dә ban. Slotәnmakәrs en firma’s die alarmsystemәn produceerdәn, werktәn dә klok rond. Ook dә vәrdwijning van mailingman Judas werd voorpaginanieuws. Әr werd naar vәrbandәn gәzocht.

    Met namә dә vingәrs levәrdәn speculaties op (hoe erg әt ook was әn vәrminkt vrouwәnhoofd in dә enә kerk en dә bijpassәndә romp in әn andәrә (Russisch-Orthodoxә) kerk aan tә treffәn):

    1. dә afgәsnedәn (afgәruktә?) wijsvingәr in dә ton van dә Botchka (en allә andәrә, her en der vәrspreid, tәnzij әn spoorloze pink)
    2. dә wijsvingәr op әt pamflet van dә Unie tegәn dә Klakkәlozәn

    Die unie werd ijlings weer ontbondәn, afgәzworәn en afgәdaan als ‘әn vrijblijvәndә intellectuelә oefәning van әn tijdәlәkә denktank’ – dixit Ovәrlord, die zich in dezә kwadә dagәn opwierp als dә woordvoerdәr van әt groepjә. Zo kwam әt ook in dә krantәn – regionaal, nationaal. Ovәrlord en consortәn kondәn niet bәlettәn dat hun pamflet opәn en bloot in dә pers vәrscheen: әt was immәrs voor dә feitәn al ruim vәrspreid.

    Gerrit Huizәn van dә recherchә, bәkend undәrcovәrspottәr in voetbal- en aanvәrwantә biotopәn, hield zich met dә beidә dossiers bezәg. Hij was twee maandәn gәledәn gәpromoveerd en had zich tot nu toe dә updating van dә Internә Kwaliteits Zorg bij dә recherchә aangәtrokkәn. Әt spottәn en dә kwaliteitspapierәn liet hij momenteel aan andәrәn. Van hem werdәn nu stevәgә vingәroefәningәn vәrwacht.
    Dә provinciestad was zo’n escalatie van gәbeurtәnissәn niet echt gәwend. Dertәg jaar gәledәn al was әt dat dә bәvolking werd opgәschrikt door dә moord op әn jong meisjә. Nu leek dә zaak nog ergәr:

    – Әn vingәr bleek maar әn pars pro toto tә zijn van nog velә andәrә ondәrdelәn, zoals hoofd en romp, elk apart met grotә vәrbetәnheid afgәzaagd, -gәsnedәn of –gәrukt. Dә gruwәl.

    – Waar was dә afwezәgә pink? Әt raadsәl.

    – Әn man vәrdween door dә achtәrdeur van әn horecazaak en bleef spoorloos. Әt mysterie.

    Әn week vәrstreek. Nog andәrhalvә maand en dә gәmeentәraadsvәrkiezingәn zoudәn plaatsvindәn. Pops wou nooit van haar levәn nog iets roods drinkәn of etәn en meed dә groep. Kathaleen kocht Caitlin әn kindәrmobieltjә en beldә haar om әt uur op. Dә mailingfirma draaidә op halvә kracht, ondanks vәrkiezingsdruktә – Judas ontbrak. Ovәrlord, intussәn bezәg met dә tweedә zittijd aan zәn hogәschool, bracht ook velә urәn met Gerrit Huizәn door aan dә toog van dә Botchka – әn nieuw denktankjә was ontstaan.

    ‘Brothәr-in-arms,’ zeidәn zә eens tegәn elkaar, na әn zoveelstә dranksessie, want әt kliktә tussәn dezә controlәdrinkәrs/socialistәn. Zә blevәn elkaar zo bәgroetәn: ‘Brothәr-in-arms’, half ernstәg, half schertsәnd. En zә blevәn denkәn en drinkәn in dezә crime-scene, deel van әn grotәr crimineel gәheel.

    Doktәr Mahaut (hijzelf gәbruiktә әt statәgә woord gәneesheer) frequenteerdә meer dan ooit dә Botchka, vaak tussәn dә middag, na zәn visitәs, en nog vakәr na halftien ’s avәnds, na zәn consultaties. Na enkәlә sessies, noodgәdwongәn dan maar met zәn drieәn, waarbij әt soms twee, drie uur in dә nacht werd, moest Ovәrlord әt intellect en dә luciditeit van Eric Mahaut erkennәn. Hij begon zelfs van dat gәzondә wrak tә houdәn. Intussәn kreeg hij maar niet echt hoogtә van Gerrit Huizәn, ondanks әt brothәr-in-armsgәdoe. Dә man kon plotsәling vәrstarrәn in zәn rechercheursrol, en als әt warә doen blijkәn dat hij voor die keer voldoendә opgәraapt en gәleerd had voor zәn verdәr ondәrzoek, dat hoe dan ook gәheel gәheim bleef, ook voor Ovәrlord en Eric Mahaut, en dat әt, kortom, wellәtjәs was gәweest. Op zulkә ogәnblikkәn voeldә dә schoolsә intellectueel Ovәrlord zich gәpakt.
    ‘Mәsschien heb ik tә veel gәlezәn,’ dacht hij dan. ‘Laat ik in әt vәrvolg maar mәn snatәr houdәn. Andәrzijds: Judas was vәrdommә toch mijn vriend!’
    Maar telkәns opnieuw ebdә zәn ongәnoegәn weer weg – wodka vәrdundә dә gәvoelәns aanvankәlәk.

    ‘Warә әt niet van dә rәcentә perikәlәn, ik zou jullie allәbei tot dә Unie tegәn dә Klakkәlozәn uitnodәgәn,’ raaskaldә hij op әn dondәrdagnacht in dә Botchka. ‘Gij: Eric en Gerrit, bij onzә Unie.
    ‘Gij spreekt nu ferm Bijbәls,’ merktә Mahaut op.
    ‘Die unie is toch formeel opgәdoekt?’ zei Gerrit. ‘Ennә … perikәlәn??’
    En andәrmaal kreeg Ovәrlord әt gәvoel dat Gerrit met әn ondәrzoek bezәg was – aan dә toog. Sterkәr nog: hij had plotsәling dә indruk dat Mahaut hier in әn apart complot zat met die Huizәn. In zәn dronkәn gәdachtәn bәgon hij Huizәn en Mahaut tә zeggәn. Әn slecht tekәn. Voorheen was әt wel altijd Mahaut gәweest – evәn: Eric. En Gerrit. Nu weer: Huizәn.

    ‘Zeg: ik word toch niet vәrdacht hé?’ riep hij, dәs nachts om 02:37 op әt trottoir aan dә urinoirә achtәrkant van dә Botchka. Francis had net afgәslotәn en wallәnkoning B. aan dә voorkant buitәn gәstokәn. Gerrit en Eric kekәn elkaar әn sәcondә aan, beidәn aan әn pisgeul. Ovәrlord stond zә vanop twee metәr tә bәkijkәn. Әt waaidә stevәg.
    ‘Maar neen!’ zei Gerrit.
    ‘Vәrdommә, mәn bestә broek!’ riep Eric. Zәn dronkәnschap en dә wind waaiәrdәn zәn pis uiteen; hij had zich tә vroeg omgәdraaid. Gәworstәl met sigaret, zakdoek, pis en as vәrlegdәn dә dronkәn aandacht weer naar concretә zakәn. Huizәn kloptә dә gәneesheer tә hard op dә schoudәr, gaf Ovәrlord әn pishandjә en vәrdween in әt straatjә.
    ‘Mәsschien is әr nog iets opәn,’ steldә Mahaut voor. Ovәrlord probeerdә op zәn horlogә tә kijkәn.
    ‘Dә avәnd is nog jong,’ kniktә hij, wat volstrekt onjuist was, maar zelfs dә intellectueel Ovәrlord koestәrdә nog wat achting voor әt aloudә bәroep van tovәnaar-medicijnman.
    ‘Dә Jacobijnәnkeldәr dan maar.’
    ‘Dә Jacobijnәnkeldәr.
    ‘Immәr gәradә aus, met dә nodәgә bochtәn.’
    Tweederdә denktank bәgaf zich op pad, op zoek naar veldәn van vәrgetәlheid en luciditeit.

    Hәt vәrbaasdә Ovәrlord niet dat Pops daar zat, en vreemd gәnoeg vәrbaasdә әt hem evәnmin dat evәn latәr Gerrit Huizәn әr ook oppoptә. Murdәr as usuәl.

    Bij een van dә volgәndә ontmoetingәn bracht Ovәrlord dә valkunstәnaar Basjan Adәr tәr sprakә. Pops was әr ook bij. Huizen had nog nooit ovәr dә vreemdә kunstәnaar gәhoord. Mahaut bәweerdә dat Adәr nog weer opgәdokәn was in Indiә, en dat hij hem daar zelfs zәn lief afgәsnoept had. Hij was әrmee gәtrouwd, maar zә was intussәn vәrongәlukt.
    ‘Eerdәr әn vәrdwijn- en vәrschijnkunstәnaar, uiteindәlәk,’ bәsloot Eric Mahaut.
    Niemand gәloofdә hem.
    ‘Eerdәr әn ‘backout’ van jou, zou ik zeggәn,’ zei Ovәrlord spottәnd.
    ‘Hm … ‘ deed Gerrit Huizәn. ‘Was Judas ook zo’n typә volgәns jullie? Is Judas … bәdoel ik.‘
    ‘Әh … ‘ aarzәldә Pops, ‘әh … ’t is tә zeggәn: hij had … hij heeft dә narә gәwoontә soms zomaar op tә stappәn, tә vәrdwijnәn, niet meer tәrug tә komәn … ‘
    ‘ … of zeer onvәrwacht ergәns op tә duikәn,’ vuldә Ovәrlord aan.
    ‘Hm … ‘ deed Gerrit weer. Hij staardә in zәn Zorbatsjov.
    ‘Wat denk jә, doc?’ vroeg hij dan aan Eric. Die sleurdә aan zәn sigaret alsof zәn levәn әr van afhing. Zәn bәwegingәn warәn onzekәr toen hij naar zәn glas reiktә.
    ‘Әn raar profiel, als jә ’t mij vraagt,’ antwoorddә hij intussәn. ‘Voer voor әn tweedaags colloquium. Latәn wә vasthoudәn wat wә losgәlatәn hebbәn, latәn wә loslatәn wat wә vasthaddәn.’
    ‘Zou hij in staat zijn zәn … әh … zәn idool na tә apәn? Na tә bootsәn, bәdoel ik?’ oppәrdә Gerrit.
    ‘Die Adәr? Nou, Judas – en wij trouwәns ook allәmaal, allә vier – had geen … әh … idool is veel tә sterk uitgәdrukt … nee … nee … ‘
    Ook Pops schuddә haar rodә harәn ontkennәnd.
    ‘Judas was … is tә vәrstandәg om tә kopiërәn.’
    ‘Die unie van jullie … ‘ deed Mahaut, ietwat schampәr, hij zwaaidә nu zo breed uit dat hij bijna met zәn sigaret in dә vurәgә haardos van Pops tәrechtkwam, ‘ … die Unie van dә Klakkәlozen …‘

    ‘Tégәn dә Klakkәlozәn,’
    corrigeerdә Ovәrlord gәprikkәld, ‘tégәn, heer doctoor. En zә is afgәschaft.’
    ‘Wie is afgәschaft?’
    ‘Onzә … ach.’ Ovәrlord haaldә zәn schoudәrs op. Dә doktәr was reeds duidәlәk op wegәn bәland die bochtәn vәrtoondәn. Dә rechercheur zat nu plotsәling tә grinnәkәn. Pops en Ovәrlord kekәn hem vragәnd aan.
    ‘Klakkәlozen … dat woord!’ zei hij.
    ‘Intelluelәn,’ zei Mahaut, ‘typisch voor intellu … voor intello’s.’
    ‘Moet u nog opererәn vannacht, doktәr?’ informeerdә Pops giftәg. ‘Of bәvallәn?’
    ‘Jij bәvalt mә wel. Ik blijf zittәn.’
    Dә medicijnman was niet op zәn smoeltjә gәvallәn. Pops controleerdә vlug Ovәrlords gәzicht.

    ‘Stand-by at thә liquor storә,’
    mompәlde die. Hij kaptә zәn Gorbatsjeef achtәrovәr.
    ‘Wә zittәn met әn vәrsnippәrd lijk en әn vәrdwenәn lichaam,’ oreerdә dә doktәr verdәr, tәrwijl hij Francis wenktә voor vәrversingәn. ‘Dә mensәlәkә ziel leert men әt best kennәn via dә misdaad. Op bladzijdә 10 dus. Ha, ha. Waarom wordәn әr andәrs zoveel thrillәrs gәlezәn? Dә whodunits fietsәn әrin als zoetә koek. Wijsheidstantә leest zә, regәlneefjә leest zә. Iedәreen wil wel әns iemand vәrmoordәn. Vriend Gerrit: heb jij favorietәn? Sherlock Holmәs? Morsә, pәrhaps? Ja: Morsә!
    Get in thә car, Lewis!’
    ‘Ik heb al gәnoeg aan mәn dagәlәksә papierwerk,’ bromdә die. Zә schovәn hun glas naar zich toe tәrwijl Mahaut wat geld uit zәn borstzakjә peutәrdә.
    ‘Santé.’
    ‘Gәzondheid. Әt zijn medicinalә hoeveelhedәn. Hou regәlmaat.’
    Dә doktәr tiktә zә toe en vәrzanddә daarna ziendәrogәn in dronkәn plechtstatәgheid en
    slow motion.
    ‘Ik beval hem,’ fluistәrdә Pops plagәrәg tegәn Ovәrlord.
    ‘Hij kent nog әt vәrschil niet tussәn әn wijsvingәr en әn penis,’ vezәldә die tәrug. ‘Koop daar әns әn kind mee!’
    Dә klok op dә nabijә Sint-Medardtorәn dicteerdә alweer әn gәvordәrd uur.
    Mahaut richttә zich evәn weer op: ‘Hoort! Telt dat ook voor Russisch-Orthodoxәn?’
    Niemand lachtә.
    ‘Als die vingәr op jullie pamflet een of andәrә weirdo op ideeәn heeft gәbracht … ‘ zei Gerrit Huizәn plotsәling.
    ‘Ja zeg … !’
    Plotsәling was dә pret әr af. Zә bәvondәn zich in dә pechstrook van dә avәnd, bijna nacht, in әn kleinә linie doordrinkәrs aan dә toog. Dә gәzetәnәn aan dә tafәltjәs warәn al әn tijdlang vәrdwenәn.
    ‘Hoe wordt men eigәnlәk rechercheur?’ vroeg Ovәrlord zich dan hardop af. Әr stak әn vinnәg toontjә in zәn vraag, die niet direct tot Gerrit was gәricht, ook omwillә van dat men. Әn gәdachtә als әn zwart ballonnәtjә in әt ijlә.
    Men is әn
    minkukәl.
    Men is әn onnozәl voornaamwoord.
    ‘Waarom leert MEN Duits?’ pareerdә Huizәn. Dat kapitalә MEN klonk overduidәlәk.
    ‘Grondәgheid,’ zei Pops, bliksәmsnel, totaal onvәrwacht. Zә kekәn haar vәrbaasd aan.
    ‘Ja: grondәgheid,’ herhaaldә zә, tәrwijl zә naar dә glimmәndә, kaalgәschorәn schedәl van Gerrit staardә. Geen van dә drie vroeg nadәrә uitleg. Pops gaf die ook niet.
    Toen bәseftәn zә dat zә dronkәn warәn of aan әt wordәn warәn. Op afwezәgә zakәn wordt altijd méér gәdronkәn dan op aanwezәgә: dә koning, gәzondheid, nieuwjaar, afgәstorvәnәn, ontbrekәndәn. Dә wenston in dә Botchka was ook al gәruimә tijd niet meer gәbruikt. Dә vingәr had zәn werk gәdaan.

    Francis leundә ovәr zәn battәrij tapkranәn en sloeg әt viertal gadә. Hij hield wat die bendә bәtrof (ofschoon әr hier momenteel dus twee ontbrakәn) nog altijd әn element Spielәrei in petto. Hij hoordә dat Pops aan Gerrit Huizәn vroeg of dә vrouw vәrkracht was en zag dә rechercheur ja knikkәn of nee schuddәn – әt kon allәbei zijn, hij wou әt niet kwijt. Daarna dwaaldәn dә blikkәn van dә Botchkapatron peinzәnd naar dә fameuzә ton af. Ovәrlord manktә naar dә toilettәn en streek in әt passerәn zәn duim ovәr zәn wijsvingәr. Hoewel Francis dat gәbaar in zәn carrièrә al hondәrdәn kerәn had gәzien, riep әt nu bij hem heel andәrә associaties op.

    Nog voor hij ook maar әn glimp van әn gәzicht kon zien, werd әr әn zak ovәr Judas’ hoofd gәtrokkәn. Hij kreeg onmiddәllәk daarop әn rakә klap, door dә bәperktә ruimtә niet raak gәnoeg om hem tә vәrdovәn. Hij voeldә dә accәlәrerәndә snelheid van dә auto, spartәldә wat tegәn, bonktә met zәn rug op dә bochәl op dә bodәm, snaktә naar adәm. Toen kneep әn stevәgә hand hem rechts in zәn hals en hij vәrloor әt bәwustzijn. VIK921 stoof met zәn buit әt straatjә uit.

    Judas kwam weer bij bәwustzijn in volslagәn duistәrnis. Alleen links van hem gloordә әn vlekjә blauwachtәg licht. Dә zak was weer van zәn hoofd vәrwijdәrd, maar nu was hij met handәn en voetәn op en aan әn gammәlә stoel gәbondәn. Zәn hoofd en nek dedәn pijn. Hij bәgon luidkeels om hulp tә roepәn, met intәrvallәn van enkәlә minutәn. Net bovәn hem hoordә hij dә grillәgә percussie van zwiepәndә takkәn op әn dak. Dat en әt vollә gәruis van gәbladәrtә ovәrstemdәn voor әn flink stuk zәn gәroep. Ovәrәgәns had hij na әn halfuur al door dat roepәn geen zin had, andәrs haddәn zә (wie?) zәn mond wel gәsnoerd. Wellicht ook bәvond hij zich ver weg van dә bәwoondә werәld. Dә pijn hamәrdә nu in zәn hoofd. Met bonzәnd hart en gәspitstә orәn bracht hij dә rest van dә nacht door, af en toe nog roepәnd. Toen әt eerstә ochtәndlicht door әn piepklein venstәrtjә naar binnәn viel, werd voor hem aan dә wand әn wittә contour zichtbaar. Judas huptә dә stoel dichtәrbij. Aan әn spijker was әt fameuzә pamflet van dә Unie tegәn dә Klakkәlozәn gәprikt. Dwars door dә tekst heen stond in grotә zwartә lettәrs:

    MET DӘ GROETӘN VAN JAN MET DӘ PET

    Judas voeldә zich eerdәr opgәlucht toen hij әt ding zag. Instinctmatәg had hij namәlәk al zәn vingәrs gәteld. Hij keek om zich heen en constateerdә dat hij zich in әn klein vәrlatәn kippәnhok bәvond. In әn hoek stondәn nog enkәlә opeengәstapәldә legkastәn – allә ruim en dik met kippәndrek vol gәpoept. Zittәnd dansәnd op dә bәschetәn gammәlә stoel – in zәn hoofd bonktә daarbij әn voorhamәr onvәrdrotәn – probeerdә hij dә deur tә bәreikәn. Ampәr әn metәr ondәrweg bәgaf dә stoel әt; Judas zaktә na kort naargeestәg gәkraak in әn kluwәn van touwәn en splintәrs opzij en kukәldә op dә grond. Her en der drongәn splintәrs in zәn lichaam. Dat hij niet naar zәn hoofd kon grijpәn, vond hij al evәn erg. Zәn schedәl stond op barstәn. Hij bleef minutәnlang in dәzelfdә pijnlәkә houding liggәn in әn poging dә puzzәl tә reconstruerәn. Daarna bәgon hij aan urәnlang peutәrwerk – hij moest van die stoel af zien tә rakәn – intussәn af en toe met әn been tegәn dә deur stompәnd. Die bleek echtәr van buitәn afgәgrendәld, en әn zwakkә schakәl in әt houtwerk was nergәns tә bәspeurәn. Tussәn әt gәwriemәl en gәwurm door bәsloot Judas dat zәn ontsnappingsroutә zich via dә legkastәn en әt golfplatәn dak zou voltrekkәn. Hier en daar was әn barst tә bәspeurәn. Dә deur bleek tә stevәg en әt venstәr was veel tә klein.

    Әt was geen fraai zicht, ettәlәkә dagәn en nachtәn latәr. Әn leidәr van әn jeugdbәweging ontdektә hem, op әn zatәrdagmiddag. Judas moest al gәruimә tijd in dә boom gәhangәn hebbәn. Dә kruin van dә notәnboom hing als әn dak bovәn әt legә kippәnhok van dә vәrlatәn boerdәrij. Ondәraan sleeptәn dә zwaarstә takkәn ovәr dә golfplatәn dakbәdekking. Eén golfplatәn element was middәndoor gәbrokәn; әt enә luik әrvan lag op әt dak zelf aan gruzәlәmentәn. Door dat gat bleek dә onfortuinlәkә ontsnapt, via enkәlә op elkaar gәstapәldә legkastәn. Dә snoerәn rond zәn polsәn en enkәls had hij niet kunnәn vәrwijdәrәn. Wat әr daarna gәbeurd was, kon maar gәgist wordәn, al was әt vrij duidәlәk. Waarschijnlәk had Judas in dә boomkruin dә controlә ovәr zәn actie vәrlorәn. Hij hing ondәrstәbovәn in әt gәbintә van dә kruin, dwars door zәn buik op әn kortә scherpә tak gәspietst. Op diversә plaatsәn in zәn lichaam stakәn ook witgәverfdә houtsplintәrs. Dә zwaartәkracht was Judas fataal gәwordәn.

    Gerrit Huizәn ontgrendәldә dә crimә-scenә; zәn blik viel onmiddәllәk op dә verrә oorzaak van Judas’ dood: әt pamflet.
    ‘Jan-met-dә-pet, Jan-met-dә-klak,’ mompәldә hij. ‘Judas, what’s in ә namә? Stom kiekәn.’
    Hij trof әr ook dә touwәn aan waarvan әt slachtoffәr zich wel had wetәn te ontdoen en dә ineengәzaktә stoel – voldoendә matәriaal om moord uit tә sluiten: Judas was op әn onfortuinlәkә manier aan zәn eindә gәkomәn. Dә halvә opәning in әt golfplatәn dak had niet dә uitweg naar zәn vrijheid bәtekәnd, en dә snoerәn rond zәn polsәn en enkәls haddәn hem partәn gәspeeld: hem wachttә әn boom die hem in әn dodәlәkә greep zou houdәn.

    Autopsie wees uit dat Judas al meer dan әn week dood was. Waarschijnlәk haddәn zәn ontvoerdәrs bәpaaldә plannәn met hem gәhad; mәsschien warәn zә dә dag na zәn ontvoering tәr plaatsә gәweest en haddәn zә tot hun ontzetting dә dodәlәkә afloop van zәn ontsnappingspoging gәconstateerd. Waarom wordt iemand op әn stoel vastgәbondәn in әn afgәgrendәld kippәnhok op әn vәrlatәn boerdәrij ver van dә bәwoondә werәld? Met achtәrlating van әn boodschap?

    Van Jan-met-dә-pet of zielsvәrwantәn vond men geen spoor. Judas werd niet rechtop bәgravәn. Hij werd gәcremeerd. Dә drie ovәrgәblevәn gәzworәn anti-klakkәlozәn haddәn, naast hun vәrdriet, gәmengdә gәvoelәns van schaamtә en woedә. Jә zult maar opgәslotәn wordәn in әn kiekәnkot en doodgaan ondәrstәbovәn in әn notәlaar, dit allәs tәn gәvolgә van әn dom pamflet met әn vingәr op en dә pretentieuzә slogan WE NEVӘR SLEEP. Die vingәr had zich tegәn hen gәkeerd. Zә zwoerәn wraak op dә ontvoerdәrs, ongәtwijfәld EPS-peoplә, maar zә wistәn niet prәcies op wie. Iedәreen kwam in aanmerking. Na dә crematie gingәn zә rond dә ton in dә Botchka staan. Dat was hun eerstә keer. Door dә dood van Judas kwam әr әn soort tongәvoel ovәr hen heen. Niemand van dә drie echtәr wist әn zinnәg woord uit tә brengәn. Zә dronk|


    29-12-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dә klakkәlozәn 2

    Dә krantәn haddәn әr natuurlәk ook weer әn kluif aan. Ovәrlord dook zoveel mogәlәk ondәr. Hij wou niet langәr dә woordvoerdәr spelәn van ‘әn onbәstaandә kluit per ongәluk met vәrstand bәdachtә bavianәn’, zoals hij eens in әn dronkәn bui braldә. Hij kwam alleen nog buitәn als hij in zәn hogәschool vәrwacht werd of om Gerrit Huizәn op dә hielәn tә zittәn in vәrband met әt ondәrzoek naar Judas’ ontvoering en dood. Pops en Kathaleen zochtәn elkaar vakәr op. Daar kwam vurәgheid van – waarschijnlәk ondәr invloed van dә rouwomstandәghedәn – , tot verbijstәring van Ovәrlord, die wat dat bәtrof sprakәloos bleef. Als hij al әns dә straat op trok, manktә hij meer dan ooit.



    II: Encyclopaedia Assassinatum

    Mahaut, Eric – (° Rixensart, 1951). Een van dә tweelingzoons (andәrә zoon Aldo) van әn Brussәlsә geestәlәke, ook professor in dә statistiek, tevәns notoir alcoholicus, en әn niet nadәr bәkendә Bulgaarsә reisleidstәr. Dә tweeling zou dә moedәr nooit tә zien krijgәn: zij vәrdween zes wekәn na hun tәraardәbәstelling spoorloos. Gәzien dә omstandәghedәn wordәn dә broers Mahaut vroeg onafhankәlәk. Eind jarәn ’60 scheidәn hun wegәn: Eric gaat met әn beurs gәneeskundә studerәn in Montpellier en Aldo raakt vәrwikkәld in onduidәlәkә zakәn (grondspeculatie, bouwmaffia, afrekәningәn) in dә Fransә Ardennәn. Aldo wordt latәr bij vәrstek vәroordeeld, duikt nog evәn op in Sardiniә, maar vәrdwijnt spoorloos. Eric vestәgt zich na zәn studies in Genval en drijft әr әn praktijk als huisarts. Evәn ovәrweegt hij әn groepspraktijk op tә startәn, maar dә kamәradәn van weleer die hij daarvoor aanspreekt, hakәn af wegәns enkәlә kapitalistischә vәrslavәndә gәwoontәs van Eric Mahaut. Drank dicteert meer en meer zәn agenda, ofschoon dә huisartspraktijk әn redәlәk succes kent. Rond zәn dertәgstә trouwt hij met Julie-Annә Vәrmoerә, dochtәr van әn bәkendә jockey en trainәr van dierәn die in films acterәn. Hij leert haar kennәn op әn filmset in Jaipur, Indiә. Daar is ook Basjan Adәr aan әt werk. Hij is weer opgәdokәn na zәn vәrdwijning op dә Atlantischә Oceaan eind 1975, noemt zich nu Ikaar Schots en komt op Indischә filmsets aan dә kost als valstuntman. Eric snoept dә oudәre Basjan diens jongә lief Julie-Annә af en vәrtrekt әrmee naar Europa. Әr komәn geen kindәrәn, want ampәr andәrhalf jaar latәr wordt Julie-Annә in Sri Lanka door әn olifant-in-acteeropleiding vәrtrappәld. Dә jarәn vәrstrijkәn; Eric Mahaut went aan әt alleen-zijn.
    Anno 2006 komt dә Bulgaarsә vluchtәlingә Stefka B. bij Eric aanbellәn. Zә blijkt әn dochtәr te zijn van Erics onbәkendә moedәr, en is dus zәn halfzus. Hij biedt haar ondәrdak en huiswerk, maar weldra deelt zә ook әt bed met hem. Wel eist hij dat zә onzichtbaar voor dә omgeving blijft; әn paar zeldzamә kerәn doet zә zich voor als әn ver familielid dat evәn op bәzoek is. Nog datzelfdә jaar komt әn totaal onvәrwachtә gast opdagәn in dә pәrsoon van Aldo. Die is voortvluchtәg en zit volledәg aan dә grond. Eric neemt ook hem in huis op, tәrwijl Stefka zich op bәvel van Eric van dan af voordoet als zәn huishoudstәr. Aldo, die na enәgә tijd wel een en andәr vәrmoedt, vәrkracht Stefka tәrwijl Eric andәrmaal ergәns aan dә toog hangt. Huizә Mahaut wordt daarna әn oord van drank, seks en gәweld. Eric vәrtelt Aldo wie zәn huishoudstәr in werkәlәkheid is. Dat zweept Aldo alleen maar op. Wanneer dan blijkt dat Stefka zwangәr is, doet Eric tegәn haar wil en ondәr dwang dә nodәgә ingrepәn, bijgәstaan door Aldo. Stefka zweert hardop wraak tә zullәn nemәn door allәs opәnbaar tә makәn en haar halfbroers van slavәrnij tә bәtichtәn. Daarop vәrdwijnt Aldo weer definitief.

    III: Factiәn/Fictiәn

    Niet lang daarna wordt әn vrouwәlәkә wijsvingәr in de Botchkaton ontdekt. Әt pretentieuzә pamflet van dә Unie tegәn dә Klakkәlozәn is әr dә onmiddәllәkә aanleiding toe. Mahaut haat namәlәk әt denktankjә uit dә Botchka als dә ziektә. Hij bәschouwt dә vier samәnzweerdәrs als ovәrjarәgә studentәn en salonsocialistәn. Zә gәlovәn ovәrәgәns ook geen fluit van zәn vәrhaal ovәr Basjan Adәr in Indiә, en schrijvәn dat toe aan dronkәnschap. Әn ‘backout’ noemt Ovәrlord zәn vәrhaal spottәnd. Mahaut is gәkrenkt, maar vәrbergt zich achtәr rook en in alcohol.
    Twee kerkәn krijgәn dә hoofdbrokkәn (o.a. әt Russisch-Orthodoxә kerkjә waar Ovәrlord pleegt tә bәzinnәn), en horecabәdrijvәn waar dә huisarts wel vakәr komt, wordәn ook met әn stuk of әn stukjә bәdacht. Bәdoeling van dezә vәrspreiding is dә identiteit van әt slachtoffәr volslagәn onbәkend tә latәn blijvәn. Bij levәn is zә ovәrәgәns al zo goed als onzichtbaar, tot dә tweelingbroer opdaagt. Tevәns wordt toch wat aandacht gәvraagd: dә dadәr vәroorzaakt әn puzzәl waarvan dә vingәr in dә Botchka als pars pro toto әn luguber ‘gәbaar’ vormt.
    Әt horecaspoor zal Eric Mahaut echtәr fataal wordәn: rechercheur Gerrit Huizәn ontdekt ‘dә rodә draad’ in dә vindplaatsәn in dә figuur van dә gәneesheer, die net op die vәrschillәndә plaatsәn vastә klant is. Ook dә tweelingbroer moet hier en daar opgәdokәn zijn, zich voordoend als doktәr Mahaut.

    Feit: volslagәn vәrspreiding leidt tot duidәlәkә samәnvatting.
    Fout: vәrwarring bәtekәnt bәscherming.
    Feit: vәrwarring vәroorzaakt herkenning.
    Fout: frequentie bәtekәnt vәrtrouwәn.
    Feit: frequentie wordt fataal.
    Fout: vәrspreiding vәroorzaakt identiteitsvәrlies.
    Feit: vәrspreiding leidt tot eenheid.

    Dә identiteit van әt slachtoffәr wordt uit dә echtә doktәr losgәweekt. Tot op dә dag van hedәn blijft Eric Mahaut bәwerәn dat dә vәrkrachting en dә moord en dә vәrsnijdәnis әt werk zijn van zәn spoorloos vәrdwenәn tweelingbroer Aldo. Dә wijsvingәr van zәn halfzus Stefka in dә ton van dә Botchka bәtekәnt echtәr әn vingәrwijzing. Nog voor dә gәmeentәraadsvәrkiezingәn plaatsvindәn, is dә gәneesheer uit әt opәnbarә levәn weggәsnedәn.

    Twee jaar latәr wordt dә stad opgәschrikt door drie brandәn, die kort na elkaar woedәn. Dezә vurәgә rodә draad doet zich met tussәnpozәn van әn week voor. Achtәreenvolgәns wordәn әn hogәschool, әn mailingzaak en әn firma die grondboringәn vәrricht volledәg in dә as gәlegd.


    19-12-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.'Zij die het leger ontbindt'

    ‘ZIJ DIE DE LEGERMACHT ONTBINDT’

    … en Hij hield Zijn leerlingen de volgende gelijkenis voor …

    ‘Hoe hoger men gaat, hoe lager men valt. Zo was er eens een mooie vrouw, die bekend raakte als De Doodmaakster, toen de feiten die daaraan voorafgingen het daglicht hadden gezien. Zij betrok bijna geheel alleen de woontoren Ra’s Qasr aan de rand van de Nizmennost-woestijn op een steenworp van de zoute zee gekend onder de naam Sabkhat. Twaalf-hoog, met uitzicht op de wandeldijk en de zee, woonde er wel nog één appartemens. Hij kwam nooit ofte nimmer naar beneden of naar buiten, maar zat ononderbroken aan het venster. Iedereen die er passeerde (en de wandeldijk kende behoorlijk veel passage) was vertrouwd met het beeld van het bovenlijf plus hoofd twaalf-hoog, dat de klok rond de wandeldijk beneden gadesloeg. Ze noemden hem Vensterman. Om twaalf uur en om zes uur bracht de vrouw van beneden hem zijn dagelijkse kost. Op het gelijkvloerse terras, waar de vrouw woonde, stonden enkele palmboompjes in grote potten. Voor de rest was de appartementtoren onbewoond. Achteraan was, beschermd door een hoge betonnen omheining tegen het woestijnzand, een afgesloten ruimte, geplaveid met magentakleurige steen uit de Nizmennost-woestijn. Daar landden wel eens enkele harpijgieren, die zich dan te goed deden aan het lekkers dat de vrouw daar af en toe deponeerde. Links en rechts van Ra’s Qasr stonden nog enkele woonblokken en –torens, telkens gescheiden door een grote zanderige opening waar de woestijnwind vrij spel in had. Ra’s Qasr paalde dus nergens aan.

    Op een dag voer de satan in Lizie Verstraete – want zo was de naam van de vrouw, die later bekend zou worden als De Doodmaakster.

    Op zeer geregelde tijdstippen ging zij als een spin in haar web postvatten. Zij hield van het gefluit van de woestijnwind om de woontoren. Soms hief zij even het hoofd, alsof zij in contact stond met de halve Vensterman twaalf-hoog. Zij hield er ook van de wandelaars of toevallige voorbijgangers op de dijk met haar verrekijker te bekijken. De zoute zee Sabkhat mocht dan geen toeristische trekpleister zijn (de woestijnwinden speelden hier een bepalende rol in), toch kende de streek enige drukte. Elke dag waren er op de dijk wel joggers of dagjesmensen te bespeuren. De verrekijkster op het palmboompjesterras pikte er de mannen uit.
    Soms wenkte Lizie Verstraete er eentje.
    Soms ging Lizie Verstraete zelf naar de dijk toe.
    En dat was nou net het werk van de satan. Aldus ging zij te werk.

    ‘Jongeheer? Meneer?’
    ‘ … ?’
    ‘Mag ik uw hand lezen, jongeheer, meneer?’
    ‘Eh … ‘
    ‘Het kost u niks hoor, helemaal niks. Ik geef er u nog een kopje thee bij, ginds, op mijn terras.’
    ‘Wablief? Nou ja … Gratis, zegt u?‘
    (Variant 1: ‘Eh … ja … ‘) (Variant 2: ‘Eh … even maar, hé.’) (Variant 3: ‘Tja …ik … ‘) (Variant 4: ‘Nee!’)
    ‘U wilt toch weten… ‘
    ‘Ik geloof daar … ‘
    ‘Maar zéker dat u daar in gelooft!’
    ‘Maar … ‘
    ‘U zult versteld staan. Kom maar even mee. Het is lekker koel op mijn terras.’
    (Variant: ‘Het is lekker warm op mijn benedenverdieping.’)

    En zij nam zo’n kerel fluks bij de hand en leidde hem gevankelijk mee. De mooie Lizie Verstraete, die bij zulke gelegenheden minstens de helft van haar lichaam blootgaf, had weinig moeite om mannen te strikken.

    ‘U hebt echt mooie handen. Hebt u ook een naam?’
    ‘Zegt u maar Pjotr (Charles, Robin, Ferenc, Brahim, Brian, Marc, Edwin, John, Peter, Jared). En u heet … ?’
    ‘Mooie naam ook. Het zijn vooral jonge handen,
    Pjotr. Lizie.’
    ‘Lizie. Mooie naam.’
    ‘Hou je van de zee?’
    ‘O ja.’
    ‘Hou je van de woestijn?’
    ‘O ja.’
    ‘Waarom verwondert me dat niet? Beetje wilde natuur hé? Dacht ik al. Als u een vrouw of minnares hebt, dan mag deze van geluk spreken. Ik zie … Ik zie … ‘

    Lizie zag helemaal niks in de stomme handlijnen, stekeblind was ze voor magie, maar vice versa verzopen de ogen van Pjotr tussen de beweeglijke gouden duinen van de waarzegster, terwijl nu eens zijn ene dan eens zijn andere hand gestreeld en gekneed werden. Van thee was geen sprake meer. Weldra belandde zo’n hand tussen de knieën van Lizie Verstraete, de dijen, op de topjes van haar duinen.

    ‘Wil je niet even mee naar binnen in de koelte?’
    ‘Ja … ‘ deed Pjotr verloren. (Charles, Robin, Ferenc, Brahim, Brian, Marc, Edwin, John, Peter, Jared).

    De mooie Lizie Verstraete gaf zich dan onmiddellijk en geheel bloot. Nadat zij het mannelijke zaad eruit had geperst en opgeslagen had ergens in haar lichaam, vroeg ze dan:
    ‘Hebt u de man zien zitten aan het venster op de twaalfde verdieping?’
    Soms knikte de uitgetelde kerel bevestigend, soms schudde hij verbaasd van nee, soms antwoordde hij niet door uitputting, want Lizie placht wel eens het onderste uit de kan te halen.
    ‘Doe me een plezier: trek je kleren weer aan en ga even mee naar boven om mijn man te groeten. Dat zal hij ten zeerste waarderen. De lift is vlakbij.’
    ‘Je man?! Maar waarom … ’
    ‘Ja. Hij is verlamd aan de benen en brengt zijn dagen op panoramische hoogte door. Af en toe heeft hij wel behoefte aan een kort gesprekje. Dan breng ik eens iemand mee tot op het twaalfde. Is-ie weer tevreden.’
    ‘Ah … ‘
    ‘Vooruit: voor wat, hoort wat!’
    ‘Oké dan.’

    Eenmaal boven maakte de kerel kort kennis met de mindervalide echtgenoot van de waarzegster. In de cederhouten armleuning van zijn rolwagen kerfde die dan met een keukenmes een streepje bij de rest. Terwijl de bezoeker ietwat verbaasd toekeek daarop, nodigde Lizie hem uit om de rolwagen van haar man tot op het achterste balkon te duwen.
    ‘Dan heeft mijn man eens een zicht over de woestijn. Dat wil hij elke dag wel een keer. Maar dat ding is zo stug te bewegen, hier komen zo weinig bezoekers, ik heb niet genoeg kracht in mijn armen … en voel me uitgeput ook,’ zei ze samenzweerderig, terwijl ze veelbetekenend in de ogen keek van hij waarmee ze daarnet de liefde bedreven had. De bezoeker, onmiddellijk bereid tot deze kleine goede daad, reed het wagentje tot op het balkon, gevolgd door de vrouw, die intussen het keukenmes van haar man overgenomen had.

    ‘Prachtig … ! ‘ hadden Pjotr, Charles, Robin, Ferenc, Brahim, Brian, Marc, Edwin, John, Peter, Jared uitgeroepen.

    Daarop plofte Lizie Verstraete hun het mes in de rug, wrikte het er met de hulp van de rechterhand van haar man enkele keren in heen en weer en opnieuw uit, en gaf de bezoeker dan een stevige duw, alweer met de hulp van haar man. Het slachtoffer kukelde over de lage balustrade van het balkon en stortte beneden te pletter op de restanten van zijn voorgangers. Het duurde telkens niet lang voor de harpijgieren hun weg naar het magentakleurige achterplaatsje vonden.

    ‘Zo,’ zei Vensterman dan.
    ‘Zo,’ zei De Doodmaakster dan.

    Zij reed haar echtgenoot terug naar het venster aan de voorkant, waste het mes af en legde het weer binnen zijn handbereik.

    ‘Nog iets nodig?’
    ‘Nee schat.’
    ‘Ik breng je straks wat te eten. Chili con carne, is dat goed?’
    ‘Dat is goed, schat.’

    Toen de verdenkingen tegen Lizie Verstraete zich begonnen op te stapelen, zoals ook de lijken zich op het binnenplaatsje opstapelden, duwde zij op een avond eerst haar man over de balustrade van het achterbalkon en vervolgens sprong zij zelf. Zij landde zacht, maar dodelijk. Zij viel op Pjotr, Charles, Robin, Ferenc, Brahim, Brian, Marc, Edwin, John, Peter en Jared. Of wat daar nog voor doorging. Dit geschiedde op de Dertiende Avond van de Fluitende Woestijnwind. Zo zie je maar: hoe hoger men gaat, hoe lager men valt,’

    … besloot Hij Zijn gelijkenis. En allen gingen tevreden heen …


    12-12-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Nog een zeer kort verhaal

    NOG EEN ZEER KORT VERHAAL

    Jezebel Onheil keek staalhard naar haar eigen spiegelbeeld, alsof het een andere persoon betrof. Een permanente tegenligger. Wie won het van wie?
    Intussen trok ze haar nethandschoenen uit en wrikte ze zich uit haar schoenen. Het was een fijne begrafenis geweest. Van de dode niks dan goeds. Ze mikte de handschoenen in de badkuip, waar de krant van maandag (met het overlijdensbericht erin) zich gretig door de vlammen liet likken en verzwinden. De fijne rechter- en linkerniemendalletjes verdwenen ook in een mum van tijd, alsof ze nooit hadden bestaan. Jezebel Onheil opende het dakraam in de wijdste gaapstand en ontdeed zich verder van haar bovenkleding. Ze hield stuk per stuk in de vlam, tot het volledig vuur had gevat. De lingerie kostte minder moeite of tijd. Weldra was Jezebel geheel naakt. Verder afpellen was onmogelijk. Uit de badkuip steeg een schroeistank op. Niet alle textiel gaf zich zomaar prijs aan het vuur. Zelfs een stuk van de krant krulde protesterend op.
    'Van de dode niks dan goeds,’ mompelde Jezebel. Daarna overgoot ze zich met benzine die ze in enkele flessen klaargezet had. Ze keek staalhard naar haar eigen spiegelbeeld, alsof het een andere persoon betrof. No pain. Jezebel Onheil stapte dan in bad.


    03-12-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Zeer kort verhaal

    ZEER KORT VERHAAL

    Ikabot Huiver legde zijn hoofd voor zich op tafel en knikte zichzelf toe:
    ‘Je bent een kraan, Ikabot, je hebt het allemaal voor mekaar.’
    Met beide handen vormde hij een kommetje, ving het bloed op dat even uit zijn hals spoot en hevelde dat naar zijn half geopende mond op tafel over. Vervolgens leunde hij tevreden achterover, zich gelijk van zijn bebloede handen bevrijdend, die hij links en rechts van zijn hoofd deponeerde. Ikabot Huiver kon best wel zonder die hinderlijke dingen.
    ‘Zalig mijn armen van geest,’ sprak zijn hoofd een wijle later. Ikabot begreep de wenk. Hij schroefde zijn linkerarm los en legde die op de grond. Daarna schudde hij zijn rechterarm af. Aan weerskanten ving hij het bloed dat daarbij vrij kwam in een gereedstaande kom op.
    Even kwam Ikabot Huiver tot rust (waaiende bomen die zonlicht filterden, geruis van zee), tot hij het weer op de heupen kreeg. Hij schopte zijn schoenen uit en wrikte met zijn rechtervoet zijn linker los. Hierbij kwam onmiddellijk ook zijn hele linkerbeen mee. Hij schopte die overbodige ledematen ver van zich weg. Hierdoor was echter jeuk ontstaan aan zijn rechterkant, vooral onder aan zijn voetzool. Trillend, huiverend en schuddend zwiepte hij uiteindelijk ook deze onderdelen van zich weg.
    ‘Het vlees is zwak,’ mompelde het hoofd op de tafel. Ikabot Huiver knikte niet. Alleen: hij hupte met zijn romp van de stoel en rolde zichzelf in de richting van het haardvuur. Een zwervend been als dommekracht gebruikend, hees hij zichzelf in het vuur. Toen schoot er vrijwel niks meer over van
    Ikabot Huiver.
    En hij zei: ‘Je bent een kraan, Ikabot, je hebt het allemaal voor mekaar.’


    28-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Grensgeval (slot)

    Rook

    Zo’n 40 jaar later worden in Noord-Frankrijk door gewapende en gemaskerde mannen 2 vrachtwagens gekaapt die sigaretten vervoeren. En in het West-Vlaamse dorp Ledegem, niet ver van de grens met Frankrijk, wordt een groothandel in sigaretten overvallen en beroofd. The show must go on. Het zijn alweer Frans-Belgische affaires, waarbij vooral het helen centraal staat: het doorverkopen van gestolen waar. De folklore van het ouderwetse smokkelen is er niet meer bij: de nachtelijke overtochten, de smokkelbretellen, de achtervolgingen. Het miljoenenproces van Duinkerke begin jaren ’50 is een stukje steentijdperk geworden, want de grenzen in Europa vervagen.
    'Generaal’ ofte ‘Napoleon’ J. is ten tijde van deze reportage (jaren ’90) een tachtiger. Hij heeft sneeuwwitte haren en pretlichtjes in de ogen. Hij ziet er prima uit, zoals alles en iedereen rondom hem in het grote huis niet ver van de Noordzee, aan de Vlaamse westkust.
    ‘Het weer zal veranderen’, zegt hij, wijzend naar een zwaluw die op ooghoogte over het gazon scheert. ‘Sigaretje?’
    Ik heb J. andermaal voor een lang gesprek opgezocht. Telkens hij aan het vertellen slaat, hoor ik gekraak van tolbarelen, gevloek van nachtelijke schimmen, schoten.
    ‘Sigaretje?’
    Ik denk: ‘Alles is in rook opgegaan.’


    22-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Grensgeval (20)

    Een tragikomisch volkje

    De handlangers beantwoorden de vragen van de voorzitter van de rechtbank zenuwachtig, jonglerend met de hoed of de pet in de handen. Soms lijken het kinderen die in de klas naar voren worden geroepen om een gedicht voor te dragen. Soms lijkt het wel cabaret.
    'Niet waar, meneer de voorzitter, niet waar. Dat heb ik nooit gezegd! Dat heb ik niet gedaan!’

    ‘Ik heb vier kinderen, waarvan er nog zes in leven zijn.’
    ‘Meneer, ik heb anderhalf kind, en dat moet toch ook eten!’
    ‘Het regende, meneer de voorzitter, het regende oude wijven en wat kon ik anders doen dan die mensen onderdak geven in mijn schuur? Hebt u nog van de Barmhartige Samaritaan gehoord?’
    ‘Alles werd nat. Ik moést het wel naar binnen brengen, in veiligheid.’
    ‘Ik weet van niks, meneer.’
    ‘Ik kreeg verdorie amper 3 000 francs.’
    ‘Ik vreesde represailles … hoe zou u zelf zijn. Er zijn hier alleszins ook veel mensen die het na dit proces op uw huid gemunt zullen hebben … ‘
    ‘Nee, nee, nee: daar ben ik nooit van mijn leven geweest. Waar is dat, zegt u?’
    ‘Ik heb eerder al bekend omdat de douane beloofd had dat ze me met rust zouden laten.’
    Arme mevrouw B. uit Marquise! Op een bepaald ogenblik valt de douane bij haar binnen. Mevrouw B. voelt zich plotseling zeer onwel en valt tegen de kelderdeur aan … waarvan het binnenslot prompt in de knip valt.
    Voorzitter:
    ‘En u beweerde daarnet toch dat u wegens flauwte op uw bed lag?’
    Mevrouw B.:
    ‘O … excuseer … dan moet ik van daaruit tegen de kelderdeur gevallen zijn.’
    Sommige ondervraagden worden plotseling geteisterd door geheugenzwakte. Anderen worden door doofheid bezocht. In de rechtszaal spoken geheimzinnige plagen en epidemieën rond.
    ‘Hij is doof, meneer de voorzitter, hij hoort al meer dan vijf jaar niet goed.’
    ‘Gendarme: vraag aan die man hoe het zit. U staat er het dichtst bij.’
    ‘Wel: bent u vroeger al eens wegens slagen en verwondingen met de dood als gevolg tot tien jaar dwangarbeid veroordeeld?’
    ‘Nee! Nee! Niet ter dood, meneer de gendarm, in godsnaam, voorzitter!’
    En de beschuldigde P. speelt saxofoon op volksbals. Hij is de onschuld zelve. Zijn dat misdadigers? Nee toch? Wat een pittoresk, mistig, tragi-komisch volkje, die smokkelaars die daar op een kluitje bijeenzitten.

    Bij dit alles blijft de grote garnaal ‘Napoleon’ J. afwezig. Hij mag zijn Vlaamse land niet uit. Hij blijft buiten schot. Deze mysterieuze leverancier-generaal heeft van de rechtbank in Veurne 20 maanden cel gekregen. Die zit hij echter nooit uit: ook toen al hadden de grote heren veel macht en invloed.
    En de goedgeklede Franse generaal S.? Die herinnert zich soms haarscherp de details, en soms is zijn geheugen een waar vergiet. Af en toe presenteert hij een staaltje van zijn wervelende welsprekendheid. Die kerel zou een prima advocaat zijn.
    'Un fraudeur, ce n’est tout de même pas un gangster!
    Ik zweer u, meneer de voorzitter: ik weet het niet. Het ontsnapt me. Ik herinner het me niet. Het is best mogelijk … ach, als u het zegt, zal het wel waar zijn. Het zij zo, meneer de voorzitter.’
    Als een chef-gentleman beschermt hij zijn troepen-op-terugtocht en organiseert hij de verdediging om de schade te beperken. Enkele miljoenen aan directe belastingen aan Vadertje Staat ontfutselen, wordt in Frankrijk namelijk niet als een echt zware misdaad beschouwd. Vooral niet bij de frontaliers, de grensbewoners. Daar rekent baas S. wel een beetje op. Hij hoopt dat de rechter begrip aan de dag zal leggen. De beroepschauffeurs die S. her en der ronselde, gedragen zich het sportiefst in de rechtszaal van Duinkerke. Die bekennen wat ze niet durven te ontkennen. Meestal zijn ze ook vroeger al in aanvaring met het gerecht gekomen. Het zijn oude bekenden.
    ‘Voor de oorlog was ik een echte smokkelaar. Nu ben ik maar een simpele handlanger meer, een lampist.’
    ‘Hoe kon ik in ’s hemelsnaam weten wat er in de laadbak van mijn vrachtwagen lag?’
    ‘Het was zo donker, meneer de voorzitter.’
    De jonge ‘sergeant’ L.S., krijgshaftige zwarte haardos, is een boeiend verteller. Hij maakt als performer een grote indruk op de verslaggevers.
    ‘Moet IK eens een synthese maken, meneer de voorzitter? Pardon, hallo: luistert u nog wel? Het is tegen u dat ik spreek! Natuurlijk kocht ik ooit wel eens tabak … om een sigaretje te rollen namelijk … ‘
    De jonge, gelaarsde sergeant zet zijn woorden kracht bij door gebaren, gesis en gefluit.
    ‘Wij, wij zijn de kleintjes. Wij zijn de spelden in de hooiberg (!). Spelden, meneer de voorzitter, die u moet zoeken! Ikzelf zal u alles vertellen, want anders zult u het me toch zelf vragen. En ik zal geen blad voor de mond nemen!’
    Sergeant L.S. vertolkt het algemeen gevoel van de kleine garnalen: wat hebben wij eigenlijk mispeuterd? Wat is fraude dan wel? Hij steelt meteen ook de show.


    19-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Grensgeval (19)

    Getallen, plaatsen, mensen

    De ‘passeurs’ of de ‘stille overlopers op kousenvoeten’, geronseld door de luitenants D. en B., blijven buiten schot. Gelukkig voor deze simpele zielen, de bretellendragers. Hun identiteit is zelfs voor het gerecht onbekend, want ze zijn niet komen opdagen in het gerechtsgebouw van Duinkerke. Kleine garnalen dus. Het schijnt dat die overlopers om ‘kloek’ te staan voor de overtocht en lang te kunnen stappen af en toe gemalen havikshart eten, zoals de indianen.
    De depothouders van de Eerste Linie, zone grens – Duinkerke, zijn de grotere kanonnen. In hun boerderijen of cafés in Hondschoote, Les Moëres en Uxem gaven ze onderdak aan 300, 1 000 (2 x), 2 000 en 7 450 kg tabak. Dat is geen klein bier. De Franse chef S. (hij woont ergens tussen Cassel en Renescure, maar hij is ook herbergier in Longuenesse) deed verder ook een beroep op professionele chauffeurs. Het ging immers niet om transporten van enkele kilootjes, maar van tonnen tegelijk.
    De tussenstationnetjes van de Tweede Linie, in de streek van Pas-de-Calais, waren talrijk. Ze bevonden zich in Clarques, Quelmes, Rely, Tetinghem, Bayenghem, Houlle, Racquinghem, Auchel en Wardrecques. Boerderijen, cafés en zandgroeves kwamen in aanmerking. Soms werd de smokkelwaar ergens verborgen zonder dat de bewoners het zelf wisten. Dat ondervonden bijvoorbeeld een herbergierster uit Wardrecques en een veehandelaar uit Auchel. Voor het gerecht kunnen ze echter een geldig alibi formuleren. Het gebeurde ook wel eens dat generaal S. zijn toevlucht nam tot dergelijke praktijken omdat hij wraak wou nemen op iemand, omdat die bijvoorbeeld geweigerd had zijn medewerking te verlenen aan de smokkelbende. Op die manier probeerde hij bepaalde koppigaards, die op het rechte pad wilden blijven, erin te doen tuinen.
    Er waren een tiental directe kopers. Een bepaalde handelaar uit Auchel kocht 1 600 kg tabak tegen 800 francs het kilogram. Hij verkocht zelf door tegen 1 000 francs. Het was door deze doorverkoop-methode dat er op hun beurt nieuwe smokkelgroepjes groeiden: deze illegale handel verspreidde zich als een olievlek op het water. In de omgeving van Marquise bijvoorbeeld was er een ‘leider’ van zo’n groep, een directe koper die zelf ook verder kopers zocht en organiseerde. Zo ook in de streek van Coyecques.
    Soms kwam de Franse smokkelgeneraal S. tabak te kort: zijn Vlaamse spitsbroeder-leverancier had te weinig geleverd, of de smokkelwaar bleef onderweg haperen, en de vraag was ook groter dan het aanbod. Dus trok S. er soms zelf op uit, met twee kornuiten. Hij betrok de tabak eigenhandig uit de Eerste Linie. Zo was de affaire-Ryveld gegroeid: een smokkelzaak in de streek van Steenvoorde, die in Hazebrouck voor het gerecht kwam. In die zaak speelde zich een onvervalste achtervolging af, zoals in de films. De smokkelaars werden door de douaniers achterna gezeten. Het was ‘kemphaantje’ L. die de beambten de verkeerde weg opstuurde. Maar toch liep het verder nog mis: de in Wizernes verborgen balen werden later per toeval ontdekt door een wegenarbeider. Prompt verkocht die de goederen door, de gelukzak.

    Tijdens het proces in Duinkerke zijn er in de zaal meer smokkelaars dan alle juristen, reporters en toeschouwers samen. Het is een vreemde collectie van exemplaren van de menselijke soort. Meester-smokkelaar S., gezeten in het midden, op een stoel met leer bekleed, draagt een marineblauwe jas met martingale. Als peetvader is hij een stijlvolle verschijning. Ook in kwade dagen houdt de chef de teugels strak in handen. Alle details zijn verzorgd. De betrokkenen zitten in een bepaalde rangorde op de banken, die in een halve cirkel een soort erehaag vormen rond de leider. Het zijn vervoerders, kopers, doorverkopers, depothouders, lampisten ofte kleine handlangers … Er zit zelfs een gemeenteraadslid tussen, en een functionaris van een burgemeester. Allen zijn ze heel sterk overtuigd van de kwaliteit van de Veurnse tabak. Ze beseffen misschien niet dat roken de gezondheid ernstige schade kan berokkenen. Ze zitten er onwennig bij: ze komen recht van het land, van het café, in piekfijne maar slechtzittende zondagspakken. Hun gezichten zijn gerimpeld, verweerd, rood aangelopen, bedremmeld en eerlijk als goud, o ja. Dat zijn de woorden waarmee de krantenjongens anno 1953 de smokkelaars en hun medeplichtigen beschrijven. Het is een allegaartje van hardwerkende, goedmenende landmensen, voor wie een frank een frank is, en een gram een gram. Jammer genoeg voor hen is voor het gerecht een gram ook een gram.
    In de coulissen van dit theater waart zelfs de dood rond: na een eerste verhoor door de gerechtelijke politie pleegt een boer uit Quelmes zelfmoord. En het raadsel van de geheimzinnige dood van de douanier in de smalle put blijft onopgelost.


    12-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Grensgeval (18)

    Donderpreken

    De pleidooien van vrijdag 16 januari 1953 duren van 09 tot 16 uur. Door de stormwind opgezweepte regendruppels biggelen van de ramen van het gerechtshof in Duinkerke. De advocaten trekken alle registers van de welsprekendheid open: onstuimige watervallen van woorden, rookgordijnen, donderpreken, vernuftige argumentaties, verrassende vergelijkingen. Zo schilderachtig als het smokkelvolkje is, zo pittoresk zijn hun verdedigers. Advocaat 1 zorgt voor een schrikwekkend tafereel. De ramen van het kantongerecht trillen bijna zichtbaar tijdens zijn verschroeiende pleidooi. Tegenover de vijanden van zijn kliënten toont hij zich bijzonder opgewonden. En dat is nog mild geformuleerd, als je de kleur van zijn gezicht bekijkt. Als zijn woorden kogels zouden zijn, dan was de helft van de rechtszaal in een mum van tijd gedood. Advocaat 2 legt het anders aan boord. Op vernuftige wijze maakt hij de tegenpartij belachelijk. Natuurlijk kiest het publiek de kant van de smokkelaars. Vadertje Staat kan nooit op veel sympathie van de man-in-de-straat rekenen. Nog drie andere advocaten komen met stevige, weldoordachte argumenten ter verdediging aandragen.

    Een kleine bloemlezing uit de steeds weerkerende thema’s:

    ‘Het overbrengen van goederen (die in ons land goedkoper zijn dan in het buitenland) over de landsgrenzen en daarbij vergeten invoerrechten te betalen, kan iedereen overkomen. Het is een ongevaarlijk en niet-gewelddadig tijdverdrijf, dat zelfs de douane welgelegen komt, in alle opzichten. Het gaat over simpele mensen van bij ons, en die zwemmen niet in het geld. De douane heeft zelfs onlangs ook pogingen ondernomen tot omkoperij! Ze vroegen 50 000 à 150 000 francs en ze zouden de mensen daarna met rust laten! Verdorie: menseneters zijn het! En wat dacht u van de Amerikaanse sigaretten dan, die hier Europa komen overspoelen? En de goudsmokkel in Indochina? Verlies uw kostbare tijd toch niet, heren van het gerecht, met kleine smokkel in de Frans-Vlaamse polders. De carrière van de baas van de Gang du Tabac is nu al gebroken; slacht hem niet verder af en geef hem een kans.’

    Het verdict valt: een totale boete van 195 miljoen francs en 3 jaar cel voor de kopstukken van de bende.


    07-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Grensgeval (17)

    250 miljoen

    Hoe gigantisch groot de zaak ook is, de debatten zelf zullen nog geen 3 dagen in beslag nemen, januari 1953. Verscheidene kranten blokletteren dit opmerkelijke feit. Genieten de spitsbroeders van de smokkel bescherming van hogerhand? Wordt een en ander door de vingers gezien? Het Openbaar Ministerie houdt op donderdagavond al het rekwisitoor (pleidooi waarin een straf wordt geëist). Dat is uitzonderlijk vroeg. De procureur van de Franse Republiek heeft het vooral op de afwezige Vlaamse smokkelgeneraal J. gemunt: een geval van chauvinisme? Hij legt de nadruk op diens hoogst verdachte keten van activiteiten en zijn wel zeer opvallende ondernemingslust. Hij rakelt ook de mysterieuze fabrieksbrand in Veurne weer op, die uitbrak nadat het Belgische ministerie van Landsverdediging een voorraad tabak voor de Belgische soldaten in Duitsland afgewezen had. De procureur is duidelijk uit op het vel van de Vlaamse veldheer J., die echter buiten schot blijft. Of is de procureur jaloers op de eretitel ‘Napoleon’ voor J.? Misschien is dat chauvinisme er de oorzaak van dat het proces nogal vlug afgehaspeld wordt.
    De pleidooien van de advocaten worden diezelfde vrijdag al gehouden. De Franse douane mildert inmiddels haar boete-eis van 800 tot 250 miljoen francs. De dans der getallen! Misschien is 800 miljoen te veel eer voor de Gang du Tabac?


    01-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Grensgeval (16)

    God met ons

    De ondervraging van de depothouders van de Eerste Linie levert weinig sensationeel nieuws op. Die blijken namelijk ieder 3 000 francs premie ontvangen te hebben. Veel? Weinig? Het hangt ervan af, zoals altijd. Hun verdediging zal later aanvoeren dat ze vreesden dat hun boerderijen in vlammen op zouden gaan als ze hun medewerking weigerden. Het gaat hier duidelijk over represailles vanwege de Gang du Tabac zelf, die hen verplicht deze premie te aanvaarden. Medeplichtigheid wordt dus onder zachte dwang afgekocht.
    Sommige ondervraagden spelen
    ‘le petit fou’.
    ‘Mijn naam is haas, meneer de voorzitter, ik weet van niks! Wat doe ik hier eigenlijk?’
    Dat is het geval voor een zekere G., depothouder van de Eerste Linie, boer-herbergier, en oom van een van de luitenants van J.: hij ontkent zelfs alle vroeger afgelegde verklaringen. Over zijn neef zegt G. bij een van de allereerste verhoren:
    ‘Hij smokkelt al van sedert zijn geboorte.’
    Zelfs die bewering, totaal onbelangrijk en belachelijk, zal G. herroepen. Maar G. is een kerel die duidelijk een glas lust. Hij verschijnt dronken bij de grensconfrontatie in de loop van de verhoren, en ook tijdens het proces in Duinkerke staat hij onvast op zijn benen. Pikant detail: op de gesp van zijn broeksriem staat te lezen Gott mit uns. Heeft hij tijdens de oorlog al zaakjes met de Duitsers gedaan?
    In de loop van de debatten blijft smokkelgeneraal S. zijn bevelen naar zijn manschappen doorstralen. Dat doet hij door bijvoorbeeld scherpe blikken te wisselen met handlangers die misschien door hem te weinig werden betaald. De taal van de ogen spreekt boekdelen, vooral bij de frontaliers. Ook in moeilijke omstandigheden blijft chef S. de baas. Terwijl de mattenklopper, de herbergier, de dagloner en de landbouwer water en bloed zweten, voert S. op listige wijze zijn eenmansoorlog. Het is duidelijk dat hier iemand staat die reeds vele watertjes doorzwommen heeft. Het scheelt weinig of sommige kranten maken er een held van: een soort Robin Hood die eigenlijk alleen maar Vadertje Staat heeft opgelicht. En Vrouwe Justitia zelf heeft veel moeite met zo’n geslepen vos, ook al weet iedereen dat hij liegt dat hij zwart ziet.


    22-10-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Grensgeval (15)

    Het proces

    De eerste zitting in Duinkerke is op donderdag 15 januari 1953 om 9 uur. Het is druk in de zaal: er zijn 46 betrokkenen present. Grote afwezigen zijn de Vlaamse smokkelbaas J. en zijn twee luitenants D. en B. Die verkiezen niet te verschijnen. Ze kunnen dat ook niet, omdat de Veurnse rechtbank hun verboden heeft het land te verlaten. Op papier verkeren ze dus in de onmogelijkheid het proces bij te wonen.
    De verdachten zitten in een grote halve cirkel, op twee banken, net als in de Kamer der Volksvertegenwoordigers. De rangorde van de troepen-te-velde wordt ook hier gerespecteerd. Generaal S., de grote chef, neemt plaats op een stoel met leren zitting, in het midden, los van de anderen. Hij is de eregast. S. is een stijlvolle verschijning van voor in de 30: smaakvol gekleed, donkerbruin verzorgd kapsel. Hij is zelfzeker en wendbaar als een paling. Hij heeft ook flair, en beantwoordt volledig aan het beeld van de ‘chef’: hij heeft het duidelijk voor het zeggen. Volgens sommige kranten uit die tijd ziet hij er niet erg betrouwbaar uit. 'Men krijgt de indruk dat die man geen normaal leven leidt,’ schrijft een verslaggever. 'Hij strooit zand in de ogen en trekt rookgordijnen op. De kleren maken de man niet.’ Iemand anders vindt hem zowel sympathiek als antipathiek. De meningen zijn duidelijk verdeeld. Dat S. een gladde jongen is, goedgekleed of niet, sympa of anti, zal wel als een paal boven water staan. Het verdedigingssysteem van de grote patron bestaat hieruit: toegeven als iets bewezen wordt, ontkennen als er twijfel is. En in deze zaak valt bitter weinig te ‘bewijzen’, wel veel te veronderstellen. Zo stijlvol als zijn verschijning en optreden zijn, zo ruiterlijk heeft hij het ook over zijn ‘medewerkers’, zeg maar: handlangers. Zijn Vlaamse spitsbroeder J. bijvoorbeeld (die er niet is) probeert hij van elke verdenking wit te wassen. Wel prijst hij het strategische talent van de Vlaamse smokkelbaas; dat doet hij vernuftig, tussen de regels, als een … nou: als een woordensmokkelaar.

    Bij een bepaald transport naar de hoeve V. is die fameuze J. heel uitzonderlijk in hoogsteigen persoon aanwezig. Vreemd genoeg, merkt de voorzitter van de rechtbank op, herinnert S. zich precies van deze transactie helemaal niks: het is duidelijk dat de generaals elkaar beschermen. Dat is ook de enige actie die S. echt ontkent: die waarin J. opduikt. Ook stelt S. zijn eigen vrouw M.-R. buiten de zaak. Volgens hem heeft zij er niks mee te zien. De vrouw zelf zit tijdens de verhoren erg in verlegenheid. Mevrouw S., bevallig gekleed, volgens de toenmalige kranten ‘niet mooi, niet lelijk’, vertoont ook plotseling opvallende geheugenzwakte. Toch blijkt ze de Belgische smokkelgeneraal J. heel goed te kennen: wanneer het over hem gaat, heeft ze het over ‘mon petit J.’
    In een notendop, schrijven de kranten, kunnen we stellen dat M.-R. onwaarschijnlijkheden vertelt, zichzelf tegenspreekt, de stenen uit de straat liegt, vele uitspraken herroept, de papegaai van haar man S. is en diens Vlaamse spitsbroeder mee in bescherming neemt.
    Pech voor de generaals: een zekere T., een van de belangrijkste chauffeurs in de Bende van de Tabak, is veel eerlijker. Hij ontkent de rol niet die de Belgische industrieel J. speelt. Ook geeft hij toe dat de J. waarvan sprake is wel degelijk hetzelfde individu J. van de fameuze grensconfrontatie is.




    Blog als favoriet !

    Zielsverwante links
  • Webstek auteur Joris Denoo
  • Een blauwe plek & Jong dichter (Joris Denoo)
  • Deze kant boven / Schuine teksten (Bjarne Donderdag)
  • (M/V): Meester in de Vakken (Eric Otonne)
  • De ongecomponeerde noot (Erica Wrangel)
  • Romaneske boeken (Bärbel Urquhart)
  • Satisfiction (Joris Denoo)
  • Vreeslijke verhalen (Sjors DNO)
  • Miljarden flarden

    Foto

    Foto

    Foto

    Archief per maand
  • 12-2011
  • 07-2011
  • 06-2011
  • 05-2011
  • 04-2011
  • 03-2011
  • 01-2011
  • 12-2010
  • 11-2010
  • 09-2010
  • 08-2010
  • 07-2010
  • 06-2010
  • 05-2010
  • 04-2010
  • 03-2010
  • 02-2010
  • 01-2010
  • 12-2009
  • 11-2009
  • 10-2009
  • 09-2009
  • 08-2009
  • 07-2009
  • 06-2009
  • 05-2009
  • 04-2009
  • 03-2009
  • 02-2009
  • 01-2009
  • 12-2008
  • 11-2008
  • 10-2008
  • 09-2008
  • 08-2008
  • 07-2008
  • 06-2008
  • 05-2008
  • 04-2008
  • 03-2008
  • 02-2008
  • 01-2008
  • 12-2007
  • 11-2007
  • 10-2007
  • 09-2007
  • 08-2007
  • 07-2007
  • 06-2007
  • 05-2007
  • 04-2007
  • 03-2007
  • 02-2007
  • 01-2007
  • 12-2006
  • 11-2006
  • 10-2006
  • 09-2006
  • 08-2006
  • 07-2006
  • 06-2006
  • 05-2006
  • 04-2006
  • 03-2006
  • 02-2006
  • 01-2006
  • 12-2005
  • 11-2005
  • 10-2005
  • 09-2005
  • 08-2005
  • 07-2005
  • 06-2005

                                                 COPYRIGHT JORIS DENOO
    Foto

    Foto


    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!