|

Ik keek door het venster maar je was er niet. De kamer schijnt eensklaps te groot geworden met weggeschoven stoelen, lege borden. Je bril ligt in je boek, vergeet hem niet.
Van ergens dringt je stem tot mij door. Ik weet het al, je bent waarschijnlijk boven, ik zal het kraken van de treden horen, je woorden zijn je altijd even voor.
De deur staat op een kier, je komt terug je was alleen maar weg om iets te halen. Het duurt wel lang, mijn ogen staan vol tranen, een onverdacht verdriet achter je rug.
Anton van Wilderode
|