NIEUW: Blog reclamevrij maken?
Op zoek naar een bepaalde info ? Geef dan hieronder een trefwoord in...
Zoeken in blog

Foto
Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom !
Foto
Gastenboek
  • bchmxqsaauitny
  • lssczyoguhmnah
  • kkxqgdanswynrhu
  • aqofljzfkwfajo
  • sdbwdvotxavaqqs

    Druk oponderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek

    Foto
    Raadpleeg steeds je arts !
    Foto
    Laatste commentaren
  • jadaj (serdgwsg)
        op Even geduld...
  • Xxx Movies Indians. (Kqdtj988e)
        op Vluchten in het werk
  • Kerala wife nude. (Jkaob268h)
        op Vluchten in het werk
  • Ria rodriguez sex videos. (Taqcb107p)
        op Vluchten in het werk
  • Jg emperor praised Kevin Durant was thunder of sorrow King Fried combination far four giant + no team (Bobbykic)
        op Fibromyalgie in het kort
  • Kevin Durant # 51 playoff blocks to history (Bobbykic)
        op Fibromyalgie in het kort
  • Dirty Bbw Xxx. (fytop)
        op Vluchten in het werk
  • auto insurance york pa (NatashaAboge)
        op Vluchten in het werk
  • Cute Cam Tube. (aitux)
        op Vluchten in het werk
  • Bestporn Tube. (lqdvc)
        op Vluchten in het werk
  • Foto
    Blog als favoriet !
    Foto
    Willekeurig SeniorenNet Blogs
    jozef1950
    blog.seniorennet.be/jozef19
    Willekeurig SeniorenNet Blogs
    willy_dekindt
    blog.seniorennet.be/willy_d
    Willekeurig SeniorenNet Blogs
    mailgroephuisdieren
    blog.seniorennet.be/mailgro
    Willekeurig SeniorenNet Blogs
    brabbes
    blog.seniorennet.be/brabbes
    Willekeurig SeniorenNet Blogs
    la_douce_france
    blog.seniorennet.be/la_douc
    Foto
    Mijn favorieten
  • Kennis=macht=gezondheid - Pillie Willie
  • Vlaamse Liga voor Fibromyalgie PatiŽnten
  • Lotgenoten Fibromyalgie Nederland
  • APS-Therapie
  • Alles over fibromyalgie
  • Fibromyalgie-Online
  • Leven met CVS / Leven met Fibromyalgie
  • Gezondheidspein.nl
  • TopSiteGuide.BelgischeTop100
  • Fibromyalgie PR-site
    Foto
    Fibromyalgie
    Strijd om erkenning
    25-02-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Chronische Vermoeidheid (Liberty Healthcare)
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

        
    Chronische Vermoeidheid

         Liberty Healthcare


         Na een zware geestelijke of lichamelijke inspanning voelt iedereen zich uitgeput. Meestal verdwijnt die vermoeidheid na een periode van veel rust en slaap. In zo`n geval is vermoeidheid van tijdelijke aard, maar er zijn duizenden mensen die zich jaar in jaar uit zo moe voelen, dat er van een `normaal dagelijks bestaan` nauwelijks sprake is. Zij hebben te maken met chronische vermoeidheid of ME, de afkorting voor de medische term Myalgische Encephalomyelitis. Het heeft een poosje moeten duren voordat de medische wereld de klacht chronische vermoeidheid serieus wilde nemen. Lange tijd werd het beschouwd als aandachttrekkerij en in Amerika werd het zelfs afgedaan als een manier van jonge, hardwerkende zakenlieden om even aan de dagelijkse werkdruk te ontsnappen. Van laatdunkende omschrijvingen als `Yuppie-flu (yuppengriep)` en `huisvrouwenkwaal` is chronische vermoeidheid uiteindelijk terecht gekomen op de lijst van zenuwziekten, opgesteld door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). Hiermee werd het als ziekte erkend.

    Alle leeftijdsgroepen
    Chronische vermoeidheid is een fenomeen waar alleen in ons land al zo'n 30.000 mensen mee te kampen hebben. Het laat zich niet binden aan leeftijd of een manier van leven. In feite kunnen mensen uit alle leeftijdsgroepen (dus ook zeer jonge kinderen en oude mensen) en uit alle sociale groepen, last krijgen van chronische vermoeidheid. Over het algemeen schijnen er meer vrouwen dan mannen last van te hebben.

    Klachten
    De term Myalgische Encephalomyelitis (ME) geeft twee belangrijke soorten klachten aan. Myalgisch staat voor spieren, terwijl Enchephalomyelitis duidt op symptomen die te maken hebben met de hersenen. Naast zware vermoeidheid zijn veelvoorkomende klachten namelijk ernstige spierpijn, krampen, vermoeide spieren, hoofdpijn, duizeligheid en concentratiestoornissen. Men spreekt van het chronische vermoeidheidssyndroom als deze klachten zich minstens zes maanden onverminderd voordoen. Over de oorzaak van chronische vermoeidheid is helaas nog weinig bekend. Vaak openbaart het zich na een doodgewone virusinfectie als griep, waterpokken of zelfs een onschuldige verkoudheid. In sommige gevallen gaat er geen duidelijke virusinfectie aan vooraf en ontwikkelt de ziekte zich geleidelijk aan over een periode van maanden of zelfs jaren. Vooral bij oudere mensen schijnt het chronische vermoeidheidssyndroom op deze wijze te ontstaan.

    Onderzoek
    Het chronische vermoeidheidssyndroom kan niet via laboratoriumonderzoek worden vastgesteld. Daarvoor zijn er te weinig constante bevindingen, terwijl ook over de samenhang van de symptomen onduidelijkheid bestaat. Het is zelfs zo dat medische wetenschappers niet weten of er wel ťťn oorzaak is. Chronische vermoeidheid zou namelijk ook een eindtoestand met verschillende oorzaken kunnen zijn.

    Behandeling
    Volgens medici moet de behandeling niet gekoppeld worden aan tijd of de mate van vermoeidheid. Het moet vooral gericht zijn op het steun geven aan de patiŽnt. Reguliere medicijnen worden hierbij niet aanbevolen. Vooral antibiotica kunnen een ernstige terugval veroorzaken. Geadviseerd wordt om goed op leef- en eetgewoonten te letten. Zorg voor voldoende ontspanning, een regelmatige dagindeling en vooral gezonde voeding. Extra vitaminen (met name de B-vitaminen) en mineralen zorgen hierbij voor de juiste ondersteuning.


    Cfr. : http://www.liberty.nl/index.php?cms[categoryID]=350
    Cfr. ook :

    25-02-2006 om 09:46 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vrouwen en arbeidsongeschiktheid - De 14 meest gestelde vragen
    Klik op de afbeelding om de link te volgen  

        Vrouwen en arbeidsongeschiktheid
        De 14 meest gestelde vragen

        B. Cuelenaere
        Stichting FNV Pers, Amsterdam, maart 2003
        Extra info : FNV-Servicelijn 0900 3300300 :
    sznet@siswo.uva.nl


        Werkende vrouwen hebben een grotere kans dan werkende mannen om arbeidsongeschikt te raken en in de WAO te komen. Verschillende factoren in het werk, in de begeleiding en in het privť-leven van vrouwen kunnen daarbij een rol spelen. Het FNV Vrouwensecretariaat heeft AStri gevraagd een brochure te schrijven voor vrouwen die langdurig ziek of arbeidsongeschikt zijn. Op basis van eerder onderzoek is er bij AStri veel kennis over de problemen en de vragen waar vrouwen tegen aanlopen.


    Voor vrouwen is de kans om arbeidsongeschikt te raken groter dan voor mannen. Als u als vrouw hiermee te maken krijgt, is het goed te weten waarop u moet letten, wat u zelf kunt doen en waar u hulp kunt krijgen.

    Misschien bent u al een tijdje niet aan het werk omdat u ziek bent of heeft u een arbeids-ongeschiktheidsuitkering (WAO) Dan is het goed te weten waarop u moet letten, wat u zelf kunt doen en waar u hulp kunt krijgen. In deze brochure beantwoorden we de meest gestelde vragen over vrouwen en arbeidsongeschiktheid.


    1. - Ik ben nu een tijd ziek. Mijn baas wil graag dat ik terugkom, maar vraagt zich af of het niet beter is als ik minder uren ga werken. Wat zijn de financiele consequenties voor mij als ik minder ga werken ?

    Als u nog niet voldoende hersteld bent om weer volledig te gaan werken, is het niet aan te raden om vrijwillig minder uren te gaan werken en uw contract (arbeids-overeenkomst) daarop aan te passen. Een contract voor minder uren betekent immers minder salaris en ook een lagere uitkering wanneer u onverhoopt weer (volledig) ziek wordt. U moet hier alert op zijn.
    Laat u vooral niet aanpraten dat u het werk beter aankunt als u minder uren gaat werken. Neem de tijd om te herstellen voordat u besluit om eventueel minder te gaan werken. De reden om minder te willen werken, moet een andere zijn dan uw ziekte. Het kan verstandig zijn om na een periode van volledige afwezigheid wegens ziekte weer stap voor stap te beginnen en niet meteen volledig aan het werk te gaan. Zelfs als u nog niet helemaal bent hersteld, kunt u wellicht al een deel van uw uren gaan werken. Soms heeft dit zelfs een positief effect op het herstel. Deze manier van weer gaan werken, wordt 'therapeutische werkhervatting' genoemd. Op papier blijft u ziek, terwijl u in de praktijk weer gedeeltelijk of geheel (maar dan met een ander pakket) aan het werk bent.


    2. - Ik heb een oproep gekregen van een verzekeringsarts bij het UWV voor een keuring. Wat mag de verzekeringsarts eigenlijk vragen en mag hij ook naar mijn prive-situatie informeren ?

    Voor de beoordeling van uw arbeidsgeschiktheid mag de verzekeringsarts nagaan welke dagelijkse activiteiten u kunt verrichten. Dus voor zover het nodig is om uw geschiktheid voor werk te beoordelen, mag de verzekeringsarts inderdaad naar uw prive-situatie vragen. De arts mag daarbij niet uitgebreid doorvragen naar de zorg voor kinderen en wat uw partner wel of niet in huis doet. Bij het beantwoorden van de vragen over wat u dagelijks zoal doet, is het belangrijk om aan te geven hoe het dan met u gaat. Oftewel, hoeveel energie het u kost om een bepaalde activiteit te doen.
    Een goede stelregel is : "Als u zegt wat u kunt, zeg dan ook wat het u kost."
    Het is bijvoorbeeld een groot verschil of u meteen na het doen van de boodschappen nog in staat bent een aantal andere klussen te doen of eerst een uur moet uitrusten.


    3. - Ik zit al langere tijd in de WAO en ik kan mijn eigen werk niet meer doen. Maar ik vind het erg moeilijk om te bepalen wat ik nog wel kan. Wie kan daarbij helpen ?

    Om te beginnen kunt u de arbeidsdeskundige met wie u bij het UWV contact hebt, vragen om een gesprek over mogelijkheden voor ondersteuning. U kunt dan worden doorverwezen naar een re=integratiebedrijf. Vaak zal het reintegratiebedrijf goed kunnen helpen bij het zoeken naar de mogelijkhedendie u met uw gezondheidsbeperkingen nog hebt. Een reintegratie-bedrijf kan bijvoorbeeld een orientatiecursus aanbieden. Meestal krijgt u eerst een intakegesprek waarin uw sterke en zwakke punten worden geanalyseerd en waarin de mogelijkheden op een rij worden gezet. U kunt ook zelf op zoek gaan naar clubs die zouden kunnen helpen bij de vraag wat u dan wel zou kunnen doen. Er zijn diverse organisaties die een aanbod op dit terrein hebben. Denk hierbij aan orientatiecursussen. Informeer bij uw vakbond of een WAO-belangenorganisatie bij u in de buurt wat de mogelijkheden zijn.
    Het is belangrijk om in de gaten te houden dat u recht heeft op begeleiding en ondersteuning. Als u gedeeltelijk arbeidsongeschikt bent verklaard, krijgt u automatisch een doorverwijzing naar een reintegratiebedrijf.
    U hebt ook recht op zo'n doorverwijzing als u volledig arbeidsongeschikt bent.
    U moet dus zelf duidelijk aangeven dat u ondersteuning wilt hebben.


    4. - Wat moet ik doen als ik na mijn zwangerschaps-en bevallingsverlof nog niet (geheel) kan gaan werken ?

    Als u na uw verlof nog niet zover hersteld bent dat u weer kunt werken, meldt u zich ziek bij uw werkgever. U hebt dan nog steeds recht op een uitkering van 100 procent van uw loon via de Ziektewet. Vanaf de dag na uw officiele bevallingsverlof begint de ' wachttijd' voor de WAO te tellen. De verlofperiode telt dus niet mee. Om voor de WAO in aanmerking te komen, moet u dus na het verlof nog een jaar niet in staat zijn om te werken. Uw werkgever geeft uw ziekmelding door aan de Arbo-dienst. De bedrijfsarts kan u oproepen voor verzuim-begeleiding. Maar het is gebleken dat vrouwen die aansluitend aan hun verlof arbeidsongeschikt blijven, niet altijd opgeroepen en begeleid worden. Het is dan ook van belang dat u zelf aan de bel trekt wanneer u niet door de Arbo-dienst wordt opgeroepen. Ook als u zich weer in staat voelt om te werken, al is het maar gedeeltelijk, zult u meestal zelf het initiatief moeten nemen.
    Houdt daarom gedurende de ziekteperiode contact met uw werk en uw werkgever. Vanuit het goedbedoelde idee om deze groep 'met rust te laten', krijgen vrouwen die na hun bevallingsverlof arbeidsongeschikt blijven, soms heel weinig ondersteuning. U hebt recht op begeleiding en ondersteuning, dus let er zelf op dat u dat ook krijgt !


    5. - De WAO vind ik geen aantrekkelijk perspectief. Mijn man verdient genoeg, heeft het voor mij dan wel zin om een WAO-uitkering aan te vragen ?

    Als u er recht op hebt, is er geen reden om van een WAO-uitkering af te zien. Een WAO-uitkering is een individuele uitkering die gebaseerd is op uw eigen salaris. Uw werkgever hebt WAO-premie voor u betaald en dus hebt u errecht op. De hoogte van uw WAO-uitkering is niet afhankelijk van de inkomsten van uw partner. Een WAO-uitkering betekent voor u een financiele basis. De WAO brengt wel verplichtingen met zich mee, zoals het geven van informatie over veranderingen in uw gezondheid. Maar u hebt ook rechten. Het belangrijkste is het recht op een uitkering. Daarnaast hebt u ook recht op begeleiding bij het vinden van werk. De arbeids-ongeschiktheid kan in de loop van de tijd natuurlijk afnemen. Dan is het heel prettig als u alsnog begeleiding naar scholing of werk kunt krijgen.


    6. - Ik heb een Hbo-opleiding en ik ben langdurig ziek. Kan ik straks na de WAO-keuring verplicht worden om werk onder mijn niveau aan te nemen ?

    Hoewel vrouwen met een middelbare of lagere opleiding meer kans hebben om in de WAO terecht te komen, komen in vergelijking met mannen toch ook veel vrouwen met een hogere opleiding in de WAO. Voor de bepaling van het arbeidsongeschiktheidspercentage wordt gezocht naar functies die u in theorie nog zou kunnen uitvoeren. Die functies worden in een computerprogramma opgezocht, op basis van de gegevens over uw belastbaarheid en het salarisniveau van uw huidige baan. De functies mogen geen hogere opleiding vereisen dan de opleiding die u hebt, maar wel een lagere. De lijst van functies krijgt u van de arbeidsdeskundige. Vaak denken mensen dat ze ook op deze functies moeten solliciteren. Dat is niet waar. De lijst is alleen bedoeld om na te gaan welk loon u in theorie nog zou kunnen verdienen in de genoemde functies. Wanneer u volledig arbeidsongeschikt verklaard wordt, hebt u geen sollicitatieverplichting.
    Wordt u gedeeltelijk arbeidsongeschikt, dan hebt u recht op een deel WAO en een deel WW-uitkering.
    Voor de uren dat u WW ontvangt, hebt u sollicitatieplicht en moet u solliciteren naar 'passend werk'. In de eerste zes maanden wordt met passend werk een baan bedoeld die ook bij uw niveau past. Hoe langer u (gedeeltelijk ) werkloos bent, hoe ruimer het begrip 'passend werk' wordt ingevuld. De kans dat u ook op banen onder uw opleidingsniveau moet solliciteren, wordt dan steeds groter. Maar ook hier geldt weer : u hebt recht op begeleiding naar passend werk.
    Neem daarvoor initiatief en zorg dat u krijgt waar u recht op hebt.


    7. - Ik ben nu ruim een half jaar ziek. In het begin liet mijn leidinggevende nog wel eens wat van zich horen, maar nu belt ze nooit meer. Zelf durf ik niet meer zo goed te bellen. Wat zou mijn werkgever eigenlijk moeten doen ?

    Bij langdurige afwezigheid wegens ziekte, moet de werkgever de werknemer begeleiden en onderzoeken of (gedeeltelijke) werkhervatting mogelijk is. Daarbij moet de werkgever zich laten bijstaan door een Arbo-dienst. Dit betekent in de meeste gevallen dat de zieke werknemer met enige regelmaat contact hebt met de bedrijfsarts van de Arbo-dienst. Maar het betekent niet dat de Arbo-dienst al het werk van de werkgever overneemt. De werkgever moet zelf ook contact onderhouden met de werknemer. Het is gebleken dat de kans op terugkeer naar het werk groter is wanneer de werkgever en de werknemer gedurende het verzuim contact houden. Als uw werkgever niet meer belt, kunt u natuurlijk zelf het initiatief nemen en contact opnemen. U kunt ook de bedrijfsarts vragen om bij de werkgever aan te kaarten dat u contact met de werkgever erg op prijs stelt. Overigens gelden vanaf 1 april 2002 meer specifieke regels waaraan werkgever en werknemer moeten voldoen in het kader van de wet Verbetering Poortwachter (zie vraag 9).


    8. - Ik heb een WAO-uitkering en wil graag weer gaan werken, maar ik weet natuurlijk niet of ik het volhoud. Hoe kan ik voorkomen dat ik het risico loop om er financieel op achteruit te gaan als ik ga werken ?

    Wanneer een WAO'er na een periode van arbeidsongeschiktheid weer aan het werk gaat, zijn er twee mogelijkheden. De eerste mogelijkheid is dat uw salaris gelijk is aan uw uitkering of hoger is. Dan gaat u er bij de overgang van WAO naar werk financieel niet op achteruit. Als het niet zeker is of u het werk volhoudt met uw bestaande klachten en beperkingen, kunt via het UWV regelen dat u zo nodig kunt terugvallen op uw oude uitkering.
    U moet dan via de arbeidsdeskundige regelen dat uw WAO-uitkering op papier blijft bestaan, maar niet wordt uitgekeerd omdat u voldoende inkomen hebt. U doet dan een beroep op artikel 44 van de WAO. Dit kan maximaal voor een periode van 4 jaar gelden. Als u het werk door dezelfde klachten en beperkingen toch niet volhoudt, kunt u terugvallen op uw oude WAO-uitkering.
    Tegelijkertijd bouwt u in uw nieuwe baan nieuwe rechten op. Als u dan met andere, nieuwe klachten uitvalt, kunt een beroep doen op uw nieuwe WAO-rechten. De tweede mogelijkheid is dat uw salaris lager is dan uw WAO-uitkering. In dat geval kunt u bij het UWV een verzoek indienen om 'loonsuppletie'. Dit is een aanvulling op uw inkomen die maximaal drie jaar wordt uitgekeerd. Als u weer aan de slag gaat, hebt u in het algemeen meer kans om er financieel op vooruit te gaan, dan om erop achteruit te gaan.
    Zelfs als het verschil tussen salaris en uitkering niet zo groot is, moet u bedenken dat u met een salaris ook weer meedeelt in salarisverhogingen en extra's zoals een eindejaarsuitkering of een bonus.


    9. - Wat moet ik zelf doen als ik langdurig ziek ben en welke gegevens moet ik zelf bijhouden ? En moet ik meewerken aan ieder voorstel van mijn werkgever om weer aan het werk te gaan ?

    Op 1 april 2002 is de Wet Verbetering Poortwachter in werking getreden. Onder deze wet krijgen werkgever en werknemer een actievere rol en een grotere eigen verantwoordelijkheid in het reintegratieproces. De werkgever moet bij de WAO-aanvraag kunnen aantonen dat hij zich voldoende hebt ingespannen voor werkhervatting. Dit betekent dat de werkgever ook kan wijzen op nalatigheid van de werknemer als reden waarom werkhervatting niet is gelukt. Na acht weken verzuim moet een plan van aanpak worden gemaakt. In dit plan staan de afspraken tussen u als werknemer en uw leidinggevende over de voortgang van de reintegratie. Voor uzelf is het belangrijk om vanaf het begin van uw verzuim goede aantekeningen te maken. Maak notities van de gesprekken die u met de bedrijfsarts en de leidinggevende voert en van de afspraken die u met hen maakt. De FNV hebt hiervoor een soort logboek ontwikkeld, waarin u alles wat er gebeurt makkelijk kunt bijhouden. Dit logboek heet : "Wie schrijft die blijft" en is te bestellen bij de afdeling FNV Publieksvoorlichting (0900-3 300 300, 0,10 cent p. m.).

    Wie schrijft die blijft
    Door de invoering van de Wet Poortwachter zijn er veel dingen veranderd in de regelgeving rond arbeidsongeschiktheid. Werknemers en werkgevers hebben allerlei verplichtingen gekregen die ervoor moeten zorgen dat de zieke werknemer weer zo snel mogelijk het werk kan oppakken. Veel meer verantwoordelijkheden dus voor beide partijen. Het boekje ĎWie schrijft die blijftí, uitgegeven door het FNV, vertelt welke rechten de zieke werknemer heeft en aan welke zaken hij of zij moet voldoen.
    Door gebruik van dit boekje is goed bij te houden wat er allemaal gebeurt in de ziekteperiode; een logboek voor de werknemer die langdurig ziek is of arbeidsongeschikt dreigt te worden. Natuurlijk moet je ook weten wat er in de wet geschreven staat over deze onderwerpen. "Wie schrijft die blijft" informeert dan ook over al je rechten en plichten en geeft praktische tips.
    Het boekje is het te bestellen bij de FNV Publieksservice via telefoonnummer: 0900 -3300300 (Ä 0,10 per minuut).
    Het boekje kost voor niet-leden Ä 3,40 en voor leden Ä 2,40.
    Cfr. :
    http://www.arbobondgenoten.nl/arbothem/verzuim/wieschrijft.pdf

    Nog meer dan voorheen wordt van werknemers gevraagd actief mee te werken aan hun reintegratie. Dat betekent dat u in principe moet meewerken aan voorstellen voor aangepast werk, ander werk, aangepaste uren et cetera, wanneer de Arbo-dienst hebt vastgesteld dat u dat kunt doen. Als u het hiermee niet eens bent, moet u dat aan de bedrijfsarts kenbaar maken. Wanneer de bedrijfsarts toch aandringt op gedeeltelijke hervatting, is het verstandig om tenminste uit te proberen wat u wel aankunt. Als medische redenen zich hiertegen verzetten, kunt u het beste de bedrijfsarts verzoeken en machtigen om bij uw behandelend arts de betreffende gegevens op te vragen. In het algemeen is het aan te raden om mee te werken aan pogingen tot werkhervatting om zo in de praktijk na te gaan wat wel en niet mogelijk is. Wanneer u nog onvoldoende hersteld bent voor dit aangepaste werk, moet u zich opnieuw volledig ziek melden. Het is belangrijk dat dit correct in het reintegratiedossier komt te staan. Controleer of dat ook is gebeurd.


    10. - Ik ben ziek geworden door een conflict op mijn werk. De Arbo-dienst zegt dat een conflict geen ziekte is. Loop ik nu kans mijn recht op WAO kwijt te raken ?

    Nee. Een arbeidsconflict op zich is geen ziekte, maar arbeidsconflicten kunnen leiden tot reele psychische en lichamelijke klachten. Deze klachten kunnen leiden tot arbeidsongeschiktheid en in dat geval hebt u recht op WAO. Het is wel zaak om te voorkomen dat een arbeids-conflict zulke vergaande gevolgen heeft. Wanneer u ziek bent vanwege een conflict, is het belangrijk met de bedrijfsarts te overleggen over mogelijkheden om het conflict op te lossen. Dit kan bijvoorbeeld door het inroepen van bemiddeling. Er zijn bedrijven die zich specialiseren in conflictbemiddeling. Als er geen zicht is op een bevredigende oplossing van het conflict, kunt u beter zo snel mogelijk op zoek gaan naar ander werk. Bij dit traject kunt u ondersteuning vragen bij de Arbo-dienst. Ook kunt u onderzoeken of u financiele ondersteuning van uw oude werkgever kunt krijgen. Uw oude werkgever hebt er immers ook (financieel) belang bij dat u elders aan het werk gaat.


    11. - Ik heb last van het chronisch vermoeidheidssyndroom. Ik heb gehoord dat die ziekte niet erkend is en dus niet verzekerd is voor de WAO. Klopt dat ?

    Nee, dat klopt niet. De WAO verzekert het inkomensverlies dat iemand heeft door (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid. De WAO verzekert geen ziektes. Waar het om gaat, is dat u beperkingen ondervindt ten gevolge van ziekte of gebrek. Die beperkingen moeten worden vastgesteld door een arts. Wanneer beperkingen zijn vastgesteld, wordt vervolgens nagegaan of die beperkingen een inkomensverlies opleveren. Als dat zo is, dan kunt u (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt verklaard worden (note L. : zo eenvoudig is het niet...).


    12 - Ik ben nu iets meer dan een jaar ziek en heb een WAO-uitkering. Mijn werkgever laat weinig meer van zich horen maar volgens mij ben ik nog niet officieel ontslagen. Hoe zit dat ?

    Iemand die langdurig ziek en arbeidsongeschikt is, geniet minimaal twee jaar ontslagbescherming. Dat betekent dat de werkgever u pas twee jaar na de eerste ziektedag kan ontslaan op grond van het feit dat u ziek bent. Tot die tijd bent u dus in dienst bij uw werkgever. De werkgever betaalt uw salaris een jaar door. Aansluitend hebt u recht op een WAO-uitkering. In veel gevallen vult de werkgever deze uitkering nog aan. Heel belangrijk is, dat u de werkgever kunt aanspreken op mogelijkheden om werk te hervatten. Zolang u in dienst bent, is de werkgever verplicht passend werk voor u te zoeken.
    Overleg daarover met personeelszaken en maak gebruik van het feit dat u nog niet ontslagen bent, ook al hebt u een WAO-uitkering.


    13.- Ik heb jarenlang voor uitzendbureaus gewerkt en ben nu ziek geworden. Heb ik wel recht op WAO en bij wie kan ik terecht met vragen ?

    Werknemers met tijdelijke contracten, uitzendkrachten en flexwerkers zijn ook verzekerd voor de ziektewet en voor de WAO. Een zieke uitzendkracht heeft recht op een ziektewetuitkering van 70 procent van het laatste loon. Het UWV betaalt deze uitkering. Het UWV moet lang-durige zieke werknemers met tijdelijke contracten ook begeleiden in het eerste ziektejaar. In de praktijk komt vaak weinig van die begeleiding terecht. Trek aan de bel bij het UWV of neem contact op met uw vakbond om te zorgen dat mensen samen met u kijken welk werk u nog kunt doen en welke ondersteuning u daarbij nodig hebt.


    14. - Ik werk in deeltijd en ik heb aanpassingen op mijn werkplek nodig om mijn werk te kunnen blijven doen. Ik heb namelijk ernstige rugklachten. Mijn baas zegt dat het niet loont om voor een deeltijder voorzieningen aan te vragen. Klopt dat ?

    Of het loont, doet niet ter zake. Volgens de Wet (re)integratie arbeidsgehandicapten (REA) kan voor iedere arbeidsgehandicapte werknemer voorzieningen voor het werk worden aangevraagd. De hoogte van de vergoeding voor die voorzieningen is voor voltijders en deeltijders gelijk. Om in aanmerking te komen, moet de bedrijfsarts van de Arbo-dienst de werknemer arbeidsgehandicapt verklaren. Vervolgens moet de bedrijfsarts bij het UWV een vergoeding voor de voorziening aanvragen. Het enige verschil in REA-vergoedingen voor voltijders en deeltijders, is de premiekorting die de werkgever krijgt bij het in dienst nemen of houden van een arbeidsgehandicapte werknemer. Die korting is namelijk afhankelijk van hetsalaris van de werknemer.



    Nuttige adressen

    • FNV-Vakcentrale
      Postadres : Postbus 8456, 1005 AL Amsterdam / Bezoekadres : Naritaweg 10, 1043 BX Amsterdam - FNV-Servicelijn : 0900 - 3 300 300 (0,10 p. m.) - E-mail :
      publieksinfo@vc.fnv.nl Ė Website : www.fnv.nl

    • FNV Vrouwensecretariaat
      Postadres : Postbus 8456, 1005 AL Aídam - Tel. : 020- 581 65 02 / Fax : 020- 684 45 41 - E-mail :
      vrouwensecretariaat@vc.fnv.nl Ė Website : www.fnv.nl/vrouwen

    • Landelijk Overleg Vrouwen en Arbeidsongeschiktheid
      Postadres : Keetwaltje 1, 8921 EV Leeuwarden - Tel.: 058 - 212 81 29 Ė E-mail :
      landelijkoverlegvr@hetnet.nl

    • Platform Vrouwen en Arbeidsongeschiktheid / Secretariaat : Vrouwenalliantie
      Postadres : Janskerkhof 1, 3512 BK Utrecht Ė Tel. : 030 - 233 26 69 / Fax : 030 - 236 88 98 Ė E-mail :
      info@vrouwenalliantie.nl Ė Website : www.vrouwenalliantie.nl

    • Stichting WAHO - Belangenbehartiging voor jonge, hoger opgeleide vrouwen in de WAO
      E-mail :
      info@waho.nl Ė Website : www.waho.nl

    • Stichting GAOS
      Postadres : Swaalingestraat 31, 4374 BV Zoutelande, tel. 0118-566 031 - Website :
      www.stichtinggaos.nl


    Cfr. :
    http://home.fnv.nl/van-cms/docs/vrouwen/Brochure-WAO-en-Vrouwen.pdf

    25-02-2006 om 09:37 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Moeheid en het chronische vermoeidheidssyndroom : literatuurstudie - Deel I
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

       
    Moeheid 
        en het chronische vermoeidheidssyndroom
        Literatuurstudie

        Deel I


    NIVEL/ME-Overleg, 2 april 1997 - ISBN 90-6905-308-X
    Nederlands Instituut voor Onderzoek van de Gezondheidszorg (NIVEL), Drieharingenstraat 6, 3511 BJ Utrecht (Postbus 1568, 3500 BN Utrecht) - Tel.: 030-2319946 Ė Fax : 030-2319290

    Het ME-Overleg bestond uit de onderstaande groepen/leden

    1. -
    Nederlands Huisartsen Genootschap - Dr. S. Thomas (2), Mw. R.J. Hinloopen (2)
    2. - Nijmeegse ME groep KUN Ė Prof. Dr. J.W.M. van der Meer (1), Dr. G. Bleijenberg (1), Dr. J.M.D. Galama (1), Prof. Dr. C. van Weel (1)
    3. -
    NIVEL Ė Prof. Dr. J.M. Bensing (voorzitter) (3), Dr. P.M. Rijken (3), Dr. J. Dekker (3), J. van der Velden (3).

    (1) - Katholieke Universiteit Nijmegen, Postbus 9101, 6500 HB Nijmegen
    (2) - Nederlands Huisartsen Genootschap. Postbus 3231, 3502 GE Utrecht
    (3) - NIVEL Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg, Postbus 1568, 3500 BN Utrecht

    E-mail (Rijksuniversiteit Utrecht) :
    J.Bensing@fsw.ruu.nl

    Electronische versie
    : Marc Fluks, Daniel Jacobs en Sjaak Smeenk (voor het maken van de electronische versie van de rapporten is toestemming van het NIVEL verkregen. Verspreiding van deze tekst is toegestaan, mits de bron ervan vermeld wordt).

    Dankwoord
    : De auteurs danken mevrouw Drs. A.E. de Rijk voor de onderzoeksgegevens, die zij ter beschikking heeft gesteld voor dit rapport en voor haar deskundige commentaar en adviezen op een concept-versie van dit rapport. Wij zijn eveneens dank verschuldigd aan de (andere) deelnemers aan het overleg Prof.Dr. J.W.M. van der Meer, Dr. G. Bleijenberg, Dr. J.M.D. Galama, Prof.Dr. C. van Weel, Dr. S. Thomas en mevrouw R.J. Hinloopen, huisarts. Zij hebben waardevolle suggesties gedaan voor de te gebruiken literatuur. Tevens hebben zij een eerdere versie van dit rapport van commentaar voorzien.


    Inhoud

    1. - Inleiding

    2. - De klacht 'moeheid' in de huisartsenpraktijk
    2.1 - Wat is moeheid ?
    2.2 - Epidemiologische gegevens over moeheid
    2.3 - Hoe vaak wordt de huisarts met moeheid geconfronteerd ?
    2.4 - Kenmerken van patienten met de klacht moeheid

    3. - Hoe wordt door de huisarts omgegaan met de klacht 'moeheid' ?
    3.1 - Het stellen van een diagnose bij de klacht moeheid
    3.2 - Diagnostische en therapeutische interventies bij moeheid
    3.3 - Moeheid in de NHG-standaarden

    4. - Het chronische vermoeidheidssyndroom (CVS)
    4.1 - Definiering van CVS
    4.2 - Epidemiologische gegevens over CVS
    4.3 - Hoe vaak words de huisarts met CVS geconfronteerd ?
    4.4 - Kenmerken van patienten met CVS
    4.5 - Pathogenese van CVS

    5. - Diagnosestelling, begeleiding en behandeling van (pariŽnten met) CVS : de stand van zaken
    5.1 - Het stellen van de diagnose CVS
    5.2 - Therapeutische interventies bij CVS

    6. - Problematiek en hulpvraag van CVS-patiŽnten
    6.1 - Het verrichten van werkzaambeden
    6.2 - Sociale activiteiten en relaties
    6.3 - Behoefte aan sociale steun

    7 . - Samenvatting

    Literatuur


    1. - Inleiding

    1.1 Ė Achtergrond
    Patienten met myalgische encephalomyelitis (ME) voelen zich door artsen in een aantal gevallen onvoldoende serieus genomen. Zij geven aan vaak geconfronteerd te worden met artsen die zeggen de diagnose niet te kunnen stellen of zelfs zeggen dat de ziekte niet bestaat. Hierover heeft een aantal patienten brieven geschreven aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Als reactie hierop heeft de Minister aangedrongen op overleg tussen huisartsen en specialisten over de diagnosestelling, begeleiding en behandeling van (patienten met) ME (noot : in het vervolg van deze tekst wordt de term 'chronische vermoeidheidssyndroom' (CVS) gebruikt in plaats van 'myalgische encephalomyelitis' (ME). De keuze voor de eerste term is gebaseerd op de (inter)nationale wetenschappelijke literatuur waarin men de voorkeur uitspreekt voor de term 'chronic fatigue syndrome' (Fukuda, Straus, Hickie et al., 1994). Overigens wordt dit in het Nederlands ook wel vertaald als 'chronische moeheidssyndroom' (CMS)). Het NIVEL is gevraagd om dit overleg te ondersteunen. Als voorbereiding op dit overleg is een literatuurstudie uitgevoerd, waarin de huidige stand van wetenschappelijke kennis over moeheid en het chronische vermoeidheidssyndroom en het huidige beleid van huisartsen inzake moeheidsklachten is nagegaan. In dit rapport worden de resultaten van de literatuurstudie beschreven. Deze tekst is als achtergronddocument bij het overleg gebruikt.


    1.2 - Probleemstelling en vraagstellingen
    Het feit dat men zichzelf als ME-patient beschouwt impliceert dat men de overtuiging heeft te lijden aan een ziekte veroorzaakt door somatische afwijkingen. Artsen en onderzoekers delen deze overtuiging niet (volledig), omdat hiervoor tot nu toe onvoldoende wetenschappelijk bewijs bestaat. Zij spreken daarom liever van het chronische vermoeidheidssyndroom (CVS).
    De diagnose CVS kan slechts worden gesteld indien het ziektebeeld van de patient voldoet aan de criteria die hiervoor door onderzoekers zijn opgesteld. Het feit dat voor de diagnose CVS geldt dat de moeheidsklachten tenminste zes maanden aanwezig moeten zijn en dat andere ziekten die de klachten zouden kunnen veroorzaken moeten worden uitgesloten brengt met zich mee dat het stellen van de diagnose veel tijd kost. Een bijkomend probleem is dat de door onderzoekers opgestelde criteria onvoldoende houvast bieden voor het diagnostisch proces in de klinische praktijk. Bovendien is sprake van een divers ziektebeeld bij patienten, waardoor veel patienten niet aan de (stringente) criteria voldoen.
    Sommige patienten vinden dat zij door hun (huis)arts in de steek worden gelaten, omdat hij/zij volgens hen de ziekte niet serieus neemt. Deze patienten zijn geneigd zich tot andere artsen te wenden om bij hen gehoor te winden voor hun problemen. De overtuiging dat er wel degelijk lichamelijk iets mis is en het gevoel niet serieus genomen te worden door de (huis)arts leiden ertoe dat patienten gaan 'shoppen' in het medisch circuit. Dit brengt onnodig hoge kosten voor de gezondheidszorg en herhaaldelijke teleurstellingen voor de patient met zich mee.
    De reguliere gezondheidszorg heeft de chronisch vermoeide patient weinig te bieden; er is nog geen effectieve behandeling voor CVS gevonden. Wel lijkt het mogelijk om verbetering bij de patient te bereiken door deze te leren beter met de ziekte om te gaan. Bij patienten kan weerstand bestaan tegen een dergelijke psychologische benadering, omdat men ervan overtuigd is 'lichamelijk' ziek te zijn. Uit onvrede met de reguliere gezondheidszorg komen deze patienten soms in het alternatieve circuit terecht.
    Op basis van de bovenstaande problematiek kan de volgende probleemstelling worden geformuleerd :

    Wat is het meest adequate beleid voor (huis)artsen inzake de diagnosestelling, behandeling en begeleiding van patienten met langdurige lichamelijk onverklaarde moeheidsklachten, gegeven de huidige stand van wetenschappelijke kennis ?

    Om deze probleemstelling te kunnen beantwoorden wordt in deze tekst ingegaan op de huidige praktijk en wetenschappelijke kennis met betrekking tot moeheid en CVS. Deze informatie vormt het uitgangspunt voor het bepalen van het meest adequate beleid voor artsen inzake de diagnosestelling, behandeling en begeleiding van patienten met langdurige moeheidsklachten.
    Bij deze studie is van de volgende vraagstellingen uitgegaan :

    1. in welke mate komen patienten met moeheidsklachten voor in de huisartspraktijk en wat zijn de kenmerken van deze patienten ?

    2. welke diagnostische en therapeutische interventies worden door de huisarts toegepast bij patienten met moeheidsklachten en welke diagnoses worden gesteld ?
    3. welke aanknopingspunten bieden de standaarden opgesteld door het Nederlands Huisartsen Genootschap voor het omgaan met de klacht moeheid door de huisarts ?
    4. hoe wordt het chronische vermoeidheidssyndroom (CVS) gedefinieerd, wat zijn de kenmerken van patienten met CVS en in welke mate komt het voor ?

    5. welke diagnostische en therapeutische interventies kunnen bij CVS worden toegepast en wat is hiervan het resultaat ?

    6. welke problemen ervaren patienten met CVS en in welke mate doen zij een beroep op de zorgsector ?

    1.3 - Methode van onderzoek
    Ten behoeve van deze studie heeft een inventarisatie plaatsgevonden van Nederlandstalig en engelstalig onderzoek met betrekking tot moeheid en CVS. Hiervoor is gebruik gemaakt van het Medline-bestand (tot februari 1996) en zijn enkele onderzoekers die zelf onderzoek op het terrein van moeheid en CVS verrichten geraadpleegd. Tevens zijn alle standaarden (tot februari 1996), die door het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) gepubliceerd zijn, bestudeerd. Geinventariseerd is of en op welke wijze de term moeheid/vermoeidheid in deze standaarden voorkomt. Tenslotte hebben de deelnemers aan het overleg aanvullingen op de gebruikte literatuur gegeven. Bovendien hebben zij de concept versie van deze tekst van commentaar voorzien.

    1.4 - Opbouw van de tekst
    Bij de opbouw van de tekst is uitgegaan van het gegeven dat veel patienten met moeheidsklachten bij de huisarts komen. Een relatief klein deel van deze groep patienten heeft symptomen die na verloop van tijd kunnen duiden op CVS. De huisarts wordt dus in eerste instantie geconfronteerd met moeheid en niet met CVS. In het eerste deel van de tekst wordt daarom ingegaan op de klacht moeheid; het tweede deel is specifiek gewijd aan CVS.
    In hoofdstuk 2 wordt het begrip moeheid omschreven en wordt beschreven hoe vaak en bij wie moeheid voorkomt.
    In hoofdstuk 3 wordt beschreven welke diagnostische en therapeutische interventies de huisarts uitvoert bij patienten met moeheidsklachten. Tevens wordt in dit hoofdstuk nagegaan wat in de NHG-standaarden over moeheid wordt vermeld.
    In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de definitie van CVS. Daarnaast worden enkele gegevens gepresenteerd over de prevalentie van CVS, kenmerken van patienten met CVS en over de pathogenese van CVS.
    In hoofdstuk 5 wordt beschreven welke diagnostische en therapeutische interventies op dit moment worden toegepast, zowel door de huisarts als door andere hulpverleners.
    In hoofdstuk 6 wordt de problematiek vanuit het perspectief van de patient belicht.
    Tenslotte worden in hoofdstuk 7 de belangrijkste bevindingen samengevat.

    2. - De klacht 'moeheidĒ in de huisartspraktijk

    In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de klacht moeheid in de huisartspraktijk. Allereerst wordt beschreven wat moeheid is en in welke mate de huisarts geconfronteerd wordt met patienten met moeheidsklachten. Vervolgens worden enkele kenmerken van deze patienten beschreven. Hiervoor is met name gebruik gemaakt van gegevens uit de Nationale studie naar ziekten en verrichtingen in de huisartspraktijk (NIVEL) en van gegevens uit het Transitieproject (Vakgroep Huisartsgeneeskunde, UvA).
    In de Nationale studie zijn in 1987/88 door middel van een registratie gedurende vier perioden van drie maanden gegevens verzameld over alle patientcontacten van 161 huisartsen gevestigd in Nederland. De huisartsen vormden een 2,5%-steekproef van de Nederlandse huisartspopulatie. Daarnaast hebben 32 niet-gevestigde artsen (huisarts-assistenten, waarnemers en huisartsen-in-opleiding) eveneens hun contacten met patienten geregistreerd. In totaal zijn 387.250 contacten geregistreerd. Kenmerken van het consult, klachten van de patient, diagnose en interventies werden geregistreerd door middel van een standaard registratieformulier.
    Als aanvulling op de patientcontacten zijn bovendien interviews gehouden met 4681 mannen en 4698 vrouwen in de leeftijd van 15-64 jaar ingeschreven bij de deelnemende huisartspraktijken (Foets & Van der Velden, 1990).
    In het Transitieproject zijn vanaf 1985 de gegevens geregistreerd van alle patient-contacten gedurende tenminste een jaar van 38 huisartsen. In totaal zijn van ruim 120.000 contacten de gegevens beschikbaar. Daarbij gaat het telkens om drie aspecten van het consult: de contactreden van de patient, de diagnose en de interventies (Lamberts, 1994).

    2.1 - Wat is moeheid ?
    Moeheid is een algemeen bekend, maar moeilijk te definieren verschijnsel. Enerzijds kan het worden beschouwd als een normale fysiologische reactie op lichamelijke of geestelijke inspanning, anderzijds kan het worden beschouwd als een (omvangrijk) gezondheidsprobleem (Bensing & Schreurs, 1995). Vanuit een arbeidspsychologisch perspectief werd vermoeidheid traditioneel opgevat als een afname van prestatie als gevolg van aanhoudende lichamelijke of geestelijke activiteit. In meer recente benaderingen wordt moeheid eerder gezien als een uiting van een subjectief, door motivatie beinvloed oordeel over de eigen toestand (Meijman, 1991). De betekenis van moeheid kan sterk varieren; het kan een symptoom zijn van een onschuldige verkoudheid, maar het kan ook - al den niet een symptoom van een chronische ziekte - dusdanig invaliderend zijn dat het de kwaliteit van leven ernstig aantast.
    Er is nog geen sprake van een algemeen geaccepteerde definitie van moeheid. Wel bestaat overeenstemming over het multidimensionele karakter van de klacht, waarbij vaak een algemene beleving, lichamelijke sensaties en cognitieve verschijnselen kunnen worden onderscheiden (Smets, Garssen, Bonke et al., 1995).

    2.2 - Epidemiologische gegevens over moeheid
    Cijfers over de omvang van de klacht moeheid verschillen sterk afhankelijk van de wijze waarop moeheid gedefinieerd en gemeten is. Uit de overzichtsstudie van Lewis en Wessely (1992) blijkt dat prevalentiecijfers varieren van 7% tot 45% in de algemene bevolking. Voor Nederland zijn er gegevens bekend uit de Nationale studie. In interviews met 4681 mannen en 4698 vrouwen in de leeftijd van 15-64 jaar ingeschreven bij een huisartspraktijk deelnemend aan de Nationale studie geeft 24% van de mannen en 38% van de vrouwen aan de afgelopen twee weken last te hebben gehad van moeheid (Bensing & Schreurs, 1995). Moeheid is daarmee -samen met hoofdpijn- de meest gerapporteerde gezondheidsklacht in bevolkinsonderzoek (Foets & Sixma, 1991).

    2.3 - Hoe vaak wordt de huisarts met moeheid geconfronteerd ?
    Het grootste deel van de mensen die last hebben van moeheid gaat niet met deze 'klacht'naar de huisarts. De huisarts ziet slechts 'het topje van de ijsberg'. Niettemin is moeheid een veel voorkomende klacht in de huisartspraktijk.
    Patienten die hun huisarts consulteren, rapporteren meer en ernstiger moeheidsklachten dan respondenten in bevolkingsonderzoek (Ingham & Miller, 1979).
    Uit het Transitieproject blijkt dat jaarlijks 63 nieuwe episoden (noot : een episode is een ziekte of probleem vanaf de eerste presentatie aan de huisarts tot het moment dat de ziekte genezen is, het probleem is opgelost of geen geneeskundige hulp meer wordt gevraagd) 1 per 1000 patienten beginnen met de contactreden moeheid. Dit betekent dat 3% van alle episoden bij de huisarts begint met de contactreden moeheid. Daarnaast kan het gebeuren dat niet in het eerste contact, maar pas bij een vervolgcontact de contactreden moeheid is. Dit is in 29 episoden per 1000 patienten per jaar het geval. Daarmee is moeheid in 1% van alle vervolgcontacten de contactreden (Lamberts, 1994).
    In de Nationale studie werd in 1,2% van alle consulten (N=387.250) de klacht moeheid door de huisarts geregistreerd (De Rijk, Schreurs & Bensing, 1996a). Dit percentage is mogelijk een onderschatting van het voorkomen van de klacht moeheid in de huisartspraktijk, omdat niet altijd de door de patient gepresenteerde klacht moeheid ook door de huisarts werd geregistreerd.
    Uit het registratiebestand van de Nationale studie is een selectie gemaakt van alle eerste consulten en visites, waarbij door de huisarts de klacht moeheid (ICPC-code 'algehele malaise'(A04)) werd geregistreerd. Het gaat om 3239 eerste consulten (noot : het betreft zowel eerste consulten in de huisartspraktijk, als eerste visites door de huisarts bij de patient thuis gebracht. Ten behoeve van de leesbaarheid wordt in het vervolg van deze tekst over 'eerste consulten' gesproken) bij patienten van 18 jaar en ouder. Tabel 2.1 laat zien hoeveel vervolgconsulten met de klacht moeheid volgen op het eerste consult. De tabel laat zien dat slechts in een kwart (812) van de 3239 gevallen waarin moeheid als klacht in het eerste consult wordt gepresenteerd, een tweede consult volgt waarin wederom de klacht moeheid wordt geregistreerd. Dit betekent dat het in het overgrote deel van de gevallen bij een consult blijft (De Rijk, niet gepubliceerde gegevens).

    Tabel 2.1 - Aantal vervolgconsulten waarin moeheid opnieuw als klacht wordt gepresenteerd (N=3239)

                                   Aantal    % vh totale aantal
                                                       1e consulten

    1e consult                  3.239           100
    2e consult                     812             25
    3e consult                     307               9
    4e consult                     125               4
    5e consult                       56               2
    6e consult                       35               1
    7e consult                       19               1
    8 consult                         11               0
    9e consult                       10               0
    10e consult en verder      22               1

    Bron : De Rijk, niet gepubliceerde gegevens.

    2.4 - Kenmerken van patienten met de klacht moeheid
    In tabel 2.2 staan enkele sociaal-demografische kenmerken vermeld van patienten bij wie de ICPC-code 'algehele malaise' (A04) bij een eerste consult met de huisarts werd geregistreerd (De Rijk, Schreurs & Bensing, 1996a). Deze gegevens worden vergeleken met die van de totale groep patienten met een eerste consult bij de huisarts.

    Tabel 2.2 - Sociaal-demografische kenmerken van patienten bij wie de klacht moeheid in een eerste consult door de huisarts is geregistreerd (N=3239) en van de totale groep patienten met een eerste consult (N=81.846)

    Vermoeide    Totale groep
                               
    patiŽnten

    Leeftijd (jaren)
        Gemiddelde                         44,1                43,5
        St. dev.                                19,8                18,5

    Geslacht
        Man                                    34,0                41,2
        Vrouw                                 66,0                58,8

    Burgerlijke staat
        Ongehuwd                           21,5                 20,2
        Gehuwd                               51,4                 55,3
        Gescheiden                            4,5                    3,6
        Weduwe/weduwnaar             8,7                    7,0
        Onbekend                            13,9                 13,9

    Opleiding
        (Nog) geen                             0,0                   1,1
        Lagere school                       22,4                 22,9
        Voortgezet en middelbaar 
            beroepsonderwijs             47,7                 48,6
        Hoger onderwijs                     8,8                   7,6
        Onbekend                            21,1                 19,9

    Werksituatie
        Student                                   4,6                   4,4
        Huisvrouw                            16,0                 16,9
        Baan                                     38,8                 38,1
        Werkloos                                2,2                   2,8
        Arbeidsongeschikt                   3,0                   3,5
        Gepensioneerd                      21,1                 18,2
        Onbekend                             14,3                 16,0

    Verzekeringsvorm
        Ziekenfonds                           65,5                 65,8
        Particulier                               25,9                 25,2
        Geen                                       0,2                   0,1
        Onbekend                               8,4                   8,9

    Bron : De Rijk, Schreurs & Bensing, 1996a.

    De gemiddelde leeftijd van de patienten met moeheidsklachten is 44 jaar; de standaarddeviatie van bijna 20 jaar geeft aan dat de leeftijdsspreiding vrij groot is. Opgemerkt moet worden dat het hier alleen patienten van 18 jaar en ouder betreft; moeheid kan echter ook bij kinderen voorkomen. Voorkomen. Tweederde van de vermoeide patienten is vrouw. Ruim de helft van deze patienten is gehuwd; 35% is alleenstaand. Omdat de gegevens over de burgerlijke staat van 14% van de patienten ontbreken, zou hier sprake kunnen zijn van een vertekening van de daadwerkelijke percentages gehuwde en alleenstaande patienten. Dit geldt ook voor de variabelen opleiding, werksituatie en verzekeringsvorm, waarbij van respectievelijk 21%, 14% en 8% van de patienten de gegevens ontbreken. Bijna 50% van de patienten met moeheidsklachten heeft een opleiding op middelbaar niveau; minder dan een kwart heeft alleen de lagere school afgemaakt. De variabele werksituatie laat zien dat moeheid in alle categorieen voorkomt, bij studenten, huisvrouwen, mensen met een baan en gepensioneerden. Bijna tweederde van de patienten met moeheidsklachten is ziekenfondsverzekerd.
    In vergelijking tot de totale groep patienten met een eerste consult bij de huisarts zijn de patienten met moeheidsklachten vaker van het vrouwelijk geslacht. De patienten met moeheidsklachten verschillen niet van de totale groep patienten met betrekking tot leeftijd, burgerlijke staat, opleiding, werksituatie en verzekeringsvorm.
    Naast deze sociaal-demografische kenmerken zijn in de Nationale studie ook gegevens verzameld over de wijze waarop de patient de klacht presenteert. In 33% van de gevallen is moeheid een op zichzelf staande klacht. In 67% van de gevallen gaat de moeheid samen met somatische of psychosociale klachten. In dit laatste geval kan dus sprake zijn van moeheid als comorbiditeit, bijvoorbeeld bij een chronische ziekte. In die gevallen waarin naast moeheid andere bijbehorende klachten zijn geregistreerd betreft het meestal uitsluitend somatische klachten (82% van de gevallen); in 19% van de gevallen wordt tenminste een bijbehorende psychosociale klacht geregistreerd (De Rijk, Schreurs & Bensing, 1996b).

    3. - Hoe wordt door de huisarts omgegaan met de klacht 'moeheid' ?
    Kenmerkend voor het werk van de huisarts is de algemene toegankelijkheid; iedereen kan zich tot een huisarts wenden met elk denkbaar probleem. Hoe de huisarts het probleem van de patient benoemt - bijvoorbeeld een gezondheidsprobleem, een leefprobleem, een probleem waarvoor de huisarts geen hulp kan bieden - bepaalt wat er vervolgens gebeurt.
    Vaak stelt een huisarts in een eerste consult alleen een symptoom-diagnose. Soms blijft het daarbij, ook in eventuele vervolgcontacten, soms ook kan later wel een 'echte' ziekte worden gediagnostiseerd. Bij nosologische diagnosen is de etiologie onbekend; er is evenmin sprake van een kenmerkend patholoog-anatomisch of pathofysiologisch substraat. Nosologische diagnosen berusten op consensus tussen artsen: van een bepaalde combinatie van symptomen en waarnemingen (een 'syndroom') is men overeengekomen die als ziekte te definieren. Nosologische diagnosen nemen daarmee een tussenpositie in; op het moment dat meer bekend is over etiologie en pathologie worden ze bij de 'echte' ziekten ingedeeld., CVS is een typisch voorbeeld van een nosologische diagnose (Hofmans-Okkes, Meyboom-De Jong, Lamberts & Van Weel, 1994).
    Nosologische diagnosen zijn voor de huisarts soms weinig aantrekkelijk; het stellen van een nosologische diagnose biedt geen voordeel boven de symptoomdiagnose, zolang het beleid er niet anders door wordt. De huisarts hanteert wel een nosologische diagnose in die gevallen waarbij de diagnose aanleiding geeft tot een specifiek daaraan gekoppeld beleid (Lamberts, 1994).
    In dit hoofdstuk wordt beschreven welke diagnosen worden gesteld bij moeheidsklachten, welke diagnostische en therapeutische interventies door de huisarts worden toegepast bij de klacht (of diagnose) moeheid en welke aangrijpingspunten de NHG-standaarden bieden voor het omgaan met de klacht moeheid.

    3.1 - Het stellen van een diagnose bij de klacht moeheid
    Uit onderzoek van De Rijk en collega's blijkt dat huisartsen zich bij het beoordelen van de somatische dan wel psychosociale aard van de moeheidsklachten vooral laten leiden door het karakter van de bijkomende klachten. Van de 3239 eerste consulten waarin de klacht moeheid wordt gepresenteerd, wordt in 65% van de gevallen door de huisarts geen onderliggende ziekte vermoed. In 8% van de gevallen wordt door de huisarts gedacht aan relatie- of gezinsmoeilijkheden en in 5% van de gevallen wordt aan werk- of studieproblemen gedacht. Chronische ziekten, zoals CARA, hypertensie, diabetes of chronisch hartlijden, worden minder vaak bij een eerste consult met de klacht moeheid vermoed (allemaal in 2% van de gevallen) (De Rijk, niet gepubliceerde gegevens).
    Uit het Transitieproject komt naar voren dat van alle episoden die beginnen met de contactreden moeheid, in 29% van de gevallen de einddiagnose van de huisarts de symptoomdiagnose 'moe, niet lekker' is. In 19% van de gevallen wordt een ziektenkundige diagnose gesteld : virusinfectie, hoge-iuchtweginfectie, acute bronchitis en anemie. In 4% van de gevallen verkiaart de huisarts de moeheid van de patient uit een psychisch of sociaal probleem. In 4% van de gevallen ziet de huisarts geen aanleiding een diagnose te stellen; de huisarts benoemt deze als 'geen ziekte'. Andere dan de hierboven genoemde diagnosen worden in minder dan 1% van de gevallen door de huisarts gesteld. De diagnose CVS (of ME) werd in het Transitieproject niet geregistreerd (Lamberts, 1994).

    Tabel 3.1 - Door de huisarts gestelde einddiagnosen van de episoden die beginnen met de contactreden 'moeheid'

    Einddiagnose           Percentage

    Moe, ziektegevoel              29
    Virusziekte                           9
    Hoge-luchtweginfectie          5
    Geen ziekte                          4
    Acute bronchitis                   3
    Anemie                                2
    Stress-situatie                       2
    Werkproblemen                   2
    Overig                                44

    Bron : Lamberts, 1994.

    De in tabel 3.1 vermelde percentages geven in feite de prior-kansen op deze diagnosen weer, dat wil zeggen de kans op het stellen van de betreffende diagnose bij aanvang van een episode.
    De kans op het stellen van een bepaalde diagnose verschuift, wanneer bij een vervolgcontact de contactreden moeheid is. Dit blijkt uit tabel 3.2. In feite geeft deze tabel de posterior-kansen weer. Uit tabel 3.2 blijkt dat de kans op een ernstige ziekte groter wordt naarmate klachten langer bestaan en tot vervolgcontacten leiden, ook al is de prior-kans op de betreffende ziekte klein.

    Tabel 3.2 - Door de huisarts gestelde einddiagnosen bij de contactreden moeheid in een vervolgcontact

    Diagnose                  Percentage

    Moe, ziektegevoel             19
    Depressie                            5
    Diabetes                              3
    Virusziekte                           3
    Decompensatio cordis          3
    Overig                               67

    Het behoeft overigens niet zo te zijn dat de patienten die in een vervolgcontact komen met de contactreden moeheid ook de episode met de contactreden moeheid geopend hebben.
    Bron : Lamberts, 1994.
    De episoden met de 'moe, ziektegevoel' hebben de volgende kenmerken. In 27% van de gevallen blijft de huisarts onzeker over de juistheid van de diagnose. 86% van de episoden is binnen vier weken afgesloten; in 3% van de gevallen gaat het om moeheid die langer dan zes maanden aanhoudt.
    Patienten bij wie de einddiagnose 'moe, ziektegevoel' wordt gesteld, komen voor 5,8 andere episoden per jaar bij de huisarts. Dit is aanzienlijk hoger dan het gemiddelde van 2,7 episoden per patient per jaar (Lamberts, 1994). Tabel 3.3 laat de gestelde diagnosen zien.
    Bij een vrij grote groep patienten worden eveneens psychische of sociale problemen vastgesteld. Bij ruim een kwart van de patienten is sprake van een chronische ziekte. Ook acute aandoeningen, zoals een hoge-luchtweginfectie en acute bronchitis, komen bij patienten met moeheidsklachten frequent voor. Veertien procent komt met een contactreden waarbij de huisarts 'geen ziekte' diagnostiseert.

    Tabel 3.3 - Diagnosen van andere episoden (comorbiditeit)

    Diagnose                        Percentage

    Probleemgedrag-diagnose        41
    Chronische ziekte                    26
    Hoge-luchtweginfectie              17
    'Geen ziekte'                            14
    Hypertensie                             12
    Anticonceptiepil                       11
    Acute bronchitis                         9

    Omdat meerdere diagnosen kunnen worden gesteld, telt het geheel op tot meer dan 100%.
    Bron : Lamberts, 1994.


    3.2 - Diagnostische en therapeutische interventies bij moeheid
    Tabel 3.4 bevat enkele kenmerken van eerste consulten bij de huisarts waarin de klacht moeheid wordt gepresenteerd. De huisarts verricht normaliter diverse interventies; deze kunnen zowel diagnostisch als therapeutisch van aard zijn.
    Bij patienten die in een eerste consult de klacht moeheid presenteren wordt in 78% van de gevallen diagnostisch onderzoek door de huisarts verricht. Meestal betreft het lichamelijk onderzoek. Bij 17% van de patienten vindt bloedonderzoek plaats, terwijl de urine bij 7% wordt onderzocht. Extern diagnostisch onderzoek vindt naar aanleiding van ruim een kwart van de consulten plaats (De Rijk, Schreurs & Bensing, 1996a). Deze gegevens moeten met de nodige voorzichtigheid worden geinterpreteerd. Omdat naast de klacht moeheid ook andere klachten in het consult kunnen zijn gepresenteerd, kan niet worden gesteld dat deze diagnostische interventies uitsluitend naar aanleiding van de klacht moeheid worden uitgevoerd.

    Tabel 3.4 - Diagnostische interventies bij eerste consulten waarin de klacht moeheid wordt gepresenteerd (N=3239)

    Consulten                       %

    Interne diagnostiek       77,7
    - lichamelijk onderzoek    70,0
    - bloedonderzoek            16,7
    - urine-onderzoek              6,8

    Externe diagnostiek      27,9

    Bron : De Rijk, Schreurs & Bensing, 1996a.

    Wat de therapeutische interventies betreft (tabel 3.5) wordt bij meer dan de helft van de patienten met moeheidsklachten in het eerste consult gezondheidsvoorlichting gegeven. Met een derde van de patienten wordt een therapeutisch gesprek gevoerd. Andere behandelvormen die in het eerste consult aan de orde komen zijn de patient adviseren om even af te wachten hoe de klacht zich ontwikkelt, de patient rust adviseren en instrumentele behandeling. In 40% van de eerste consulten waarin de klacht moeheid wordt gepresenteerd wordt medicatie voorgeschreven (De Rijk, Schreurs & Bensing 1996a). Echter, ook hier geldt weer dat eventuele bijkomende klachten de aanleiding kunnen zijn voor de therapeutische interventie of de voorgeschreven medicatie.

    Tabel 3.5 - Therapeutische interventies bij eerste consulten waarin de klacht moeheid wordt gepresenteerd (N=3239)

    Consulten                        %

    Therapeutisch gesprek       32,5
    Gezondheidsvoorlichting    58,2
    Advies 'even aankijken'     10,5
    Advies '(bed)rust'                4,8
    Instrumentele behandeling    5,1
    Medicatievoorschrift          39,6

    Bron : De Rijk, Schreurs & Bensing, 1996a.

    Naast deze gegevens over diagnostische en therapeutische interventies gedurende het eerste consult zijn eveneens enkele gegevens bekend over de interventies van de huisarts bij episoden met de 'moe, ziektegevoel'. Het gaat hier dus niet om de klacht moeheid die door de patient wordt gepresenteerd, maar om de door de huisarts (of specialist) gestelde einddiagnose.
    Wat de diagnostische interventies betreft, is in meer dan de helft van de episoden met de einddiagnose moeheid door de huisarts lichamelijk onderzoek (58%) en bloedonderzoek (53%) verricht. In 1% van de episoden heeft rontgendiagnostiek plaatsgevonden (Lamberts, 1994).
    In de episoden met de 'moe, ziektegevoel' is het geven van advies de meest voorkomende therapeutische interventie van de huisarts (35% van de episoden). In 14% van deze episoden is medicatie voorgeschreven. Een therapeutisch gesprek is in 5% van de episoden gevoerd. Verwijzingen naar andere hulpverleners in de eerste lijn komen bij moeheidsepisoden vrijwel niet voor en ook verwijzingen naar specialisten zijn zeldzaam (3% van de episoden) (Lamberts, 1994).

    3.3 - Moeheid in de NHG-standaarden
    Het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) stelt richtlijnen op over specifiek huisartsgeneeskundige onderwerpen; deze worden als NHG-standaarden gepubliceerd. Met de NHG-standaarden wordt meer eenheid in diagnostiek en behandeling nagestreefd. Er is tot op heden geen NHG-standaard verschenen over moeheid. Wel wordt in diverse andere NHG-standaarden aandacht besteed aan moeheid. Geinventariseerd is of en op welke wijze de term moeheidlvermoeidheid in de tot nu toe verschenen NHG-standaarden (t/m februari 1996) voorkomt.
    De term moeheid (of vermoeidheid) wordt in de volgende NHG-standaarden gebruikt :

    1. bloedonderzoek

    2. bloedonderzoek bij verdenking op leveraandoeningen

    3. CARA bij volwassenen: diagnostiek

    4. depressie

    5. functiestoornissen van de schildklier

    6. hartfalen

    7. migraine

    8. problematisch alcoholgebruik

    9. slapeloosheid en slaapmiddelen

    10. zwangerschap en kraambed

    Moeheid wordt in vrijwel al deze NHG-standaarden beschouwd als klacht of symptoom van een ziekte of aandoening. De NHG-standaard Migraine vormt een uitzondering : hierin wordt moeheid genoemd als mogelijke oorzaak voor het ontstaan van migraine. Omdat we geinteresseerd zijn in moeheid als klacht en diagnose wordt de NHG-standaard Migraine verder buiten beschouwing gelaten.
    De meeste aanwijzingen over het omgaan met de klacht moeheid zijn beschreven in de NHG-standaard bloedonderzoek (Dinant, Van Wijk, Janssens et al., 1994). Hierin wordt met name ingegaan op moeheid als 'vage klacht', dat wil zeggen: waarbij de huisarts na een adequate anamnese en lichamelijk onderzoek en rekening houdend met de psychosociale context geen specifieke diagnose kan stellen. Uit een enquete van De Haan (1982) blijkt dat de klacht moeheid zowel door patienten als door huisartsen het meest frequent vaag wordt geacht. Een belangrijk deel van het bloedonderzoek van de huisarts wordt naar aanleiding van vage klachten verricht. Huisartsen blijken vaker bloedonderzoek aan te vragen naarmate ze de klacht minder goed weten te duiden. Het uitsluiten van bepaalde aandoeningen is het belangrijkste doel van het bloedonderzoek bij vage klachten.
    Hierover wordt in de NHG-standaard Bloedonderzoek het volgende gesteld :

    3.3.1 - Uitsluiten van een aandoening - Indien de huisarts een onwaarschijnlijke aandoening met behulp van bloedonderzoek nog onwaarschijnlijker wil maken, bijvoorbeeld omdat de aandoening zodanig ernstig is dat hij deze zeker niet wil missen, is hij vooral geinteresseerd in een hoge voorspellende waarde van een negatieve testuitslag. Deze situatie komt in de huisartspraktijk het meest voor. De voorspellende waarde van een negatieve testuitslag is, behalve van de prior kans, vooral afhankelijk van de sensitiviteit van deze test voor de aandoening in kwestie. Een test met een hoge sensitiviteit voorkomt zoveel mogelijk dat de patient ondanks een geruststellende uitslag toch die ene onwaarschijnlijke ziekte heeft. De winst aan zekerheid omtrent de afwezigheid van een aandoening moet in deze gevallen echter opwegen tegen de kans dat niet-zieken ten onrechte als ziek geclassificeerd worden. Dit wordt, behalve door de prior kans, bepaald door de specificiteit van een test.

    3.3.2 - Bloedonderzoek bij vage klachten - Laatstgenoemde afweging is aan de orde bij het overwegen van bloedonderzoek bij vage klachten. Bij deze klachten wordt met bloedonderzoek vrijwel nooit een ernstige aandoening opgespoord. Beredeneerd kan worden dat bij dergelijk lage prevalenties van ernstige ziekten het aandeel van de fout-positieve uitslagen belangrijk groter wordt dan het aantal terecht positieve uitslagen. Een en ander resulteert in de volgende aanbevelingen :

    • Indien de huisarts na vraagverheldering, anamnese en lichamelijk onderzoek niet tot een duidelijke conclusie komt ten aanzien van de medische achtergrond van de klacht (de klacht blijft in de ogen van de arts vaag), dan is het in de regel verstandig het spontane beloop gedurende een maand af te wachten. In deze periode wordt, zeker bij de wat jongere patienten, bij voorkeur geen bloedonderzoek verricht. Bij ouderen kan in individuele gevallen vervroeging van bloedonderzoek zinvol zijn, omdat bij hen de prior kans op ziekte groter is.

    • Indien de patient dat wenst, wordt deze ingelicht over de achtergronden van de terughoudendheid. De huisarts vertelt de patient dan dat bloedonderzoek in zijn geval geen zin heeft. Dat bloedonderzoek leidt tot zekerheid is een misvatting. Dokters hebben daar in het verleden ook weleens verkeerde veronderstellingen over gehad. Hij brengt verder naar voren dat ernstige ziektes lang niet altijd met bloedonderzoek aangetoond kunnen worden. Daarnaast leert de ervaring dat bij klachten als die van de patient de kans op een ernstige ziekte zo klein is, dat zelfs een afwijkende uitslag meestal niets te betekenen heeft. Een goede uitslag levert vooral valse geruststelling op, terwijl een afwijkende uitslag leidt tot onnodige ongerustheid. Dat de oorzaak van de klachten in eerste instantie onbekend blijft, is niet erg. Klachten als deze hebben vrijwel altijd een onschuldige oorzaak en verdwijnen in de meeste gevallen binnen enkele weken vanzelf. Pas als ze na een maand niet verdwenen zijn, wordt de kans op een lichamelijke ziekte zo groot dat het zinnig wordt om bloedonderzoek te overwegen. Bij deze klachten is het daarom beter eerst een maand te wachten met bloedonderzoek om te zien of ze niet vanzelf overgaan. Tot slot laat de huisarts de patient weten dat het wenselijk is eerder contact op te nemen als de klachten in de tussentijd van karakter veranderen. Er is dan sprake van een veranderende situatie die herbeoordeling vereist.

    • Indien de klachten een maand na het eerste consult - dus niet na het begin van de klachten - niet spontaan verdwenen zijn, is de prior kans op een lichamelijke oorzaak groter. De huisarts herhaalt dan de vraagverheldering, de anamnese en het lichamelijk onderzoek. In een aantal gevallen zal blijken dat de klachten zodanig veranderd zijn dat er aanwijzingen zijn om te denken aan een specifieke aandoening. Indien er nog steeds sprake is van een vage klacht, wordt beperkt laboratoriumonderzoek naar de aanwezigheid van anemie, infectieziekten, suikerziekte en schildklierfunctiestoornissen verricht. De huisarts bepaalt het Hb, de BSE, de glucosespiegel en het TSH en, indien het laatste afwijkend is, het vrij-T4.

    Uit deze NHG-standaard kan worden geconcludeerd dat het verrichten van bloedonderzoek bij vage klachten, zoals moeheid, vanwege de geringe diagnostische waarde wordt afgeraden, tenzij de klachten een maand na het eerste consult van de patient nog aanwezig zijn. In dat geval is de kans op de aanwezigheid van een aantoonbare ziekte groter en wordt derhalve een beperkt bloedonderzoek geadviseerd dat door de huisarts zelf goed kan worden uitgevoerd.
    Ook in de NHG-standaard bloedonderzoek bij verdenking op leveraandoeningen komt de klacht moeheid ter sprake. Vermeld wordt dat leverfunctietests vaak plaatsvinden bij patienten met moeheidsklachten. Omdat de klacht moeheid echter zelden verband houdt met de aanwezigheid van een leveraandoening, is het onderscheidend vermogen van leverfunctietests bij deze klacht gering. Daarom wordt het aanvragen van leverfunctietests afgeraden, indien er geen andere aanwijzingen zijn voor een leveraandoening.
    Uit de NHG-standaard CARA bij volwassenen: diagnostiek blijkt dat minder specifieke klachten, zoals moeheid of conditievermindering, in bepaalde gevallen op CARA kunnen wijzen. Vermeld wordt dat de huisarts CARA moet overwegen als de klachten zich periodiek herhalen enlof de klachten een geprotraheerd (langdurig) verloop hebben.
    Moeheid wordt ook vermeld in de NHG-standaard Depressie. Het wordt genoemd als een van de symptomen van een depressie. Om de nosologische diagnose depressie te kunnen stellen moet de patient gedurende tenminste twee weken in elk geval last hebben van een sombere stemming of verlies van interesse of plezier. Moeheid op zich is dus onvoldoende om van een depressie te kunnen spreken. Wel wordt gesteld dat een depressieve patient vaak met andere klachten bij de huisarts komt. Wanneer sprake is van aanhoudende moeheid zonder dat een lichamelijke oorzaak kan worden gevonden, kan de huisarts een depressie overwegen. Dit moet dan in een anamnese waarin gerichte vragen over mogelijke symptomen worden gesteld door de huisarts worden nagegaan.
    Ook in de NHG-standaard Functiestoornissen van de schildklier wordt moeheid als een symptoom (van hypothyroidie) genoemd. Gesteld wordt echter dat de voorspellende waarde van een klacht voor een schildklier-functiestoornis gering is. Naast moeheid moeten er dus andere klachten of symptomen zijn om een schildklierfunctiestoornis waarschijnlijk te maken.
    Moeheid wordt in de NHG-standaard Hartfalen genoemd in de omschrijving van hartfalen. Bij de richtlijnen voor de diagnostiek wordt vermeld dat de huisarts rekening moet houden met hartfalen bij patienten met klachten zoals dyspnoe (benauwdheid), moeheid of perifeer oedeem. Voor het stellen van de diagnose hartfalen moet er sprake zijn van specifieke afwijkende bevindingen (bij anamnese, lichamelijk of aanvullend onderzoek) naast moeheid.
    In de NHG-standaard Problematisch alcoholgebruik wordt moeheid vermeld als een van de kenmerken die tot het vermoeden van problematisch alcoholgebruik kunnen leiden.
    In de NHG-standaard Slapeloosheid en Slaapmiddelen is de term moeheid terug te vinden in de definitie van het begrip slapeloosheid.
    Tenslotte wordt moeheid in de NHG-standaard Zwangerschap en kraambed genoemd onder de voorlichting die de huisarts kan geven met betrekking tot werk. Gesteld wordt dat veel vrouwen in de loop van hun zwangerschap moeheidsklachten krijgen en dat deze klachten aanpassingen in de werksituatie vereisen.
    Geconcludeerd kan worden dat moeheid een symptoom kan zijn van veel verschillende ziekten of stoornissen. Om een bepaalde ziekte of stoornis te overwegen dienen in de meeste gevallen echter ook andere klachten of symptomen bij de patient aanwezig te zijn. Geadviseerd wordt om terughoudend te zijn met het (doen) verrichten van bloedonderzoek bij de klacht moeheid. Alleen indien (andere) symptomen aanwezig zijn die de aanwezigheid van een bepaalde ziekte of stoornis waarschijnlijk maken of de moeheidsklachten langdurig aanhouden is bloedonderzoek zinvol.

    Lees verder Ė Deel II

    Cfr. :  http://www.me-net.dds.nl/meweb/ned14.txt

    25-02-2006 om 09:30 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Moeheid en het chronische vermoeidheidssyndroom - Literatuurstudie - Deel II
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

        Moeheid 
        en het chronische vermoeidheidssyndroom
        Literatuurstudie


        Deel II


        4. - Het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS)


    CVS wordt gekenmerkt door een combinatie van aspecifieke symptomen, waarbij geen objectief fysieke of laboratorische afwijkingen worden gevonden (Swanink, Galama, Vercoulen et al., 1993). Het belangrijkste symptoom is langdurige of recidiverende moeheid. Deze moeheid kan zo invaliderend zijn dat het verrichten van arbeid of het onderhouden van sociale contacten ernstig wordt bemoeilijkt. Naast moeheid kunnen allerlei andere symptomen aanwezig zijn. Uit een onderzoek onder patienten met langdurige (> een jaar), lichamelijk onverklaarde moeheid waarin de patienten gevraagd werd om de klachten te beschrijven komen de volgende symptomen naar voren (Vercoulen, Swanink, Fennis et al., 1994). Bijna driekwart van de patienten rapporteert myalgie. Circa de helft van de patienten heeft last van concentratieproblemen, maag-darmklachten, hoofdpijn, duizeligheid en slaapproblemen. Bij ongeveer een derde van de patienten komen geheugenproblemen en spierzwakte voor. Een kwart van de patienten heeft last van terugkerende infecties en prikkelbaarheid. Door circa 20% worden depressiviteit, veranderingen in lichaamstemperatuur, spraakstoornissen en visuele stoornissen gerapporteerd. Deze symptomen komen dus niet bij alle CVS-patienten (in dezelfde mate) voor. Bovendien vormt het aantal symptomen geen indicatie voor de ernst van de ziekte. Er is sprake van een syndroom, dat wil zeggen een geheel van samenhangende symptomen, waarvan moeheid de belangrijkste is.

    In de populaire en wetenschappelijke literatuur wordt het chronische vermoeidheidssyndroom met een groot aantal namen aangeduid. Voorbeelden hiervan zijn: akureyri disease, chronic fatigue and immune dysfunction syndrome, chronisch Epstein-Barr virussyndroom, chronische mononucleosis, Iceland disease, myalgische encephalomyelitis (ME), neuromyasthenie, posturaal syndroom, Royal Free disease en yuppie flu (Swanink, Galama, Vercoulen et al., 1993). Omdat de oorzaken nog onbekend zijn, lijkt het beter om geen namen te gebruiken die verwijzen naar een lichamelijke oorzaak, zoals bijvoorbeeld myalgische encephalomyelitis of Epstein-Barr virussyndroom.


    4.1 - Definiering van CVS

    In de Verenigde Staten heeft men getracht een definitie van het chronische vermoeidheidssyndroom te ontwikkelen. De Centers for Disease Control and Prevention van de Division of Viral Diseases, Atlanta heeft in samenwerking met verschillende andere institutes een werkdefinitie opgesteld (Holmes, Kaplan, Gantz et al., 1988). Ook in Australie (Lloyd, Hickie, Boughton et al., 1990) en Groot-Brittannie (Sharpe, Archard, Banatvala et al., 1991) hebben deskundigen gewerkt aan diagnostische criteria voor het onderzoek naar CVS. Het verschil tussen deze werkdefinities is dat de Australische en Engelse deskundigen een bredere definitie (minder symptoomcriteria) voorstaan dan de Amerikaanse wetenschappers.

    De belangrijkste bezwaren tegen de Amerikaanse definitie waren dat een aantal criteria moeilijk interpreteerbaar was of dat hieraan moeilijk kon worden voldaan en dat het uitsluiten van alle personen met psychiatrische stoornissen onterecht zou zijn. Bepaalde psychiatrische stoornissen, zoals angststoornissen en milde vormen van depressie, komen veel voor bij personen met chronische vermoeidheid. Door deze personen uit te sluiten zou men onderzoek naar de rol die deze psychiatrische stoornissen mogelijk spelen bemoeilijken. Dit heeft geleid tot een herziening van de Amerikaanse definitie door de International Chronic Fatigue Syndrome Study Group (Fukuda, Straus, Hickie et al., 1994).

    Deze internationale groep deskundigen heeft een conceptueel raamwerk opgesteld voor de ontwikkeling van studies die relevant zijn voor CVS. Hierin worden personen met chronische vermoeidheid (> 6 maanden) opgevat als een subset van de populatie personen met aanhoudende vermoeidheidsklachten (> 1 maand), die bovendien moeten worden vergeleken met populates die worden gedefinieerd met overlappende stoornissen, zoals depressie en fibromyalgie. Binnen de groep personen met chronische vermoeidheidsklachten onderscheidt men personen met CVS (deze voldoen aan de criteria voor CVS) en personen met idiopathische chronische vermoeidheid (deze voldoen niet aan de criteria voor CVS). Op deze wijze hoopt men meer homogene groepen te verkrijgen voor vergelijkende studies waarin de specificiteit van CVS-gerelateerde afwijkingen kan worden vastgesteld.

    4.1.1 - Definitie van aanhoudende vermoeidheid - Aanhoudende vermoeidheid wordt gedefinieerd als door de persoon zelf gerapporteerde persisterende vermoeidheid die tenminste een maand aanwezig is (Fukuda, Straus, Hickie et al., 1994).

    4.1.2 - Definitie van chronische vermoeidheid - Chronische vermoeidheid wordt gedefinieerd als door de persoon zelf gerapporteerde persisterende of recidiverende vermoeidheid die tenminste zes maanden aanwezig is (Fukuda, Straus, Hickie et al., 1994).
    De aanwezigheid van aanhoudende of chronische vermoeidheid vereist een klinische evaluatie om factoren die hieraan ten grondslag liggen of bijdragen op te sporen. Een klinische evaluatie dient te bestaan uit :

    1. afname van een grondige anamnese : medische en psychosociale omstandigheden bij aanvang van de moeheid; depressie of andere psychiatrische stoornissen; episoden van medisch onverklaarde symptomen; alcohol- of ander substantie misbruik; huidig gebruik van voorgeschreven en vrij verkrijgbare medicatie en voedingssupplementen.

    2. onderzoek naar mentale gezondheidstoestand om afwijkingen in stemming, intellectuele functie, geheugen en persoonlijkheid te identificeren : speciale aandacht dient men te besteden aan aanwezige symptomen van depressie of angst, zelfdestructieve gedachten en waarneembare signalen zoals psychomotorische traagheid. Voor het vaststellen van een psychiatrische of neurologische stoornis dient aanvullend psychiatrisch, psychologisch of neurologisch onderzoek te worden gedaan.

    3. grondig lichamelijk onderzoek.

    4. beperkt laboratoriumonderzoek : volledig bloedbeeld met differentiatie leucocyten, bezinkingssnelheid erythrocytes, alanine aminotransferase in serum, totaal eiwit, albumine, globuline, alkalische fosfatase, calcium, fosfaat, glucose, ureum, elektrolyten, en creatinine; TSH; en urine-analyse. Verder laboratoriumonderzoek alleen op individuele basis om andere diagnose te bevestigen of uit te sluiten.

    Bij CVS gaat het om onverklaarde chronische vermoeidheid. Daarom is een aantal exclusiecriteria opgesteld. Het betreft :

    1. elke actieve medische conditie die de chronische vermoeidheid zou kunnen verklaren.

    2. elke eerder gediagnostiseerde medische conditie waarvan niet geheel zeker is dat deze volledig genezen of onder controle is en die de chronische vermoeidheid zou kunnen verklaren.

    3. elke vroegere of huidige diagnose van een depressie in engere zin met psychotische of melangolische kenmerken, bipolaire affectieve stoornissen, schizofrenie, waanstoornissen, dementie, anorexia nervosa, boulimia nervosa.

    4. alcohol- of ander substantie misbruik minder dan twee jaar voor het begin van de chronische vermoeidheid.

    5. zeer ernstig overgewicht (Quetelet-index > 45).

    De volgende condities sluiten CVS niet uit :

    1. elke conditie die primair wordt gedefinieerd door symptomen en niet kan worden aangetoond door laboratoriumonderzoek, inclusief fibromyalgie, angststoornissen, somatoforme stoornissen, niet-psychotische of niet-melancholische depressie, neurasthenie en multiple chemical sensitivity disorder.

    2. elke conditie onder behandeling, waarbij de behandeling voldoende is om de symptomen weg te nemen (de adequaatheid van de behandeling dient te zijn beschreven).

    3. elke conditie die afdoende is behandeld voor het begin van de chronische vermoeidheid.

    4. elk op zich zelf staand afwijkend testresultaat dat niet voldoende is om een conditie zoals genoemd bij de exclusiecriteria te overwegen (Fukuda, Straus, Hickie et al., 1994)

    4.1.3 - Definitie van CVS - CVS wordt gedefinieerd als zelfgerapporteerde, klinisch geevalueerde, lichamelijk onverklaarde aanhoudende of terugkerende chronische vermoeidheid (> 6 maanden), die :

    • niet het resultaat is van voortdurende inspanning,

    • een nieuw of duidelijk begin heeft,

    • niet aanzienlijk verbetert door rust,

    • heeft geleid tot forse afname van vroegere niveaus van beroepsmatig, sociaal of persoonlijk functioneren;

    ťn gekarakteriseerd wordt door tenminste vier van de volgende symptomen (> 6 maanden) :

    • zelfgerapporteerde beperkingen in korte termijn-geheugen of concentratieproblemen,

    • keelpijn,

    • gevoelige hals- of okselklieren,

    • spierpijn of gewrichtspijn zonder zwelling of roodheid,

    • hoofdpijn,

    • slaapklachten,

    • malaiseklachten na inspanning die langer dan 24 uur duren. (Fukuda, Straus, Hickie et al., 1994)

    4.1.4 - Definitie van idiopathische chronische vermoeidheid - Idiopathische chronische vermoeidheid wordt gedefinieerd als zelfgerapporteerde, klinisch geevalueerde, lichamelijk onverklaarde chronische vermoeidheid die niet aan de criteria voor CVS voldoet (Fukuda, Straus, Hickie et al., 1994).

    Nadrukkelijk moet worden opgemerkt dat deze criteria bedoeld zijn voor wetenschappelijk onderzoek naar CVS; de criteria zijn niet geschikt voor diagnostiek in de medische praktijk. Door diverse onderzoekers worden bovendien vraagtekens geplaatst bij de relevantie van het onderscheid tussen CVS en idiopathische chronische vermoeidheid.


    4.2 - Epidemiologische gegevens over CVS

    Uit een representatief Engels onderzoek onder huisartsen (Ho-Yen & McNamara, 1991) komt een prevalentie van 1,3 per 1000 personen ingeschreven bij een huisarts naar voren. De spreiding is echter aanzienlijk: 0,3 tot 2,7 per 1000 personen. In andere onderzoeken worden soms hogere en soms lagere prevalentiecijfers gevonden. Dit hangt samen met de verschillende wijzen waarop CVS tot nu toe werd gedefinieerd.

    Bazelmans en collega's schatten de prevalentie van CVS in Nederland eveneens op minimaai 1,3 per 1000 personen. Deze schatting is gebaseerd op de rapportage van 4027 huisartsen over het aantal CVS-patienten in hun praktijk (Bazelmans, Vercoulen, Swanink et al., 1996).


    4.3 - Hoe vaak wordt de huisarts met CVS geconfronteerd ?

    In het bovengenoemde onderzoek van Bazelmans en collega's (1996) werd aan alle huisartsen in Nederland middels een schriftelijke enquete gevraagd een schatting te maken van het aantal CVS-patienten in hun praktijk. Het responspercentage bedroeg 60% (N=4027 huisartsen). Tabel 4.1 geeft de schatting van de huisartsen weer. Ruim een kwart van de huisartsen schat dat zij geen CVS-patienten in hun praktijk hebben. Daarentegen schat dertig procent dat zij drie of meer CVS-patienten in hun praktijkbestand hebben.


    Tabel 4.1 - Geschatte aantal CVS-patienten per huisarts (N=4027)

    Aantal CVS-patienten    % huisartsen

    Geen                                           27
    Eťn                                             23
    Twee                                          21
    Drie of meer                                30

    Bron : Bazelmans et al., 1996.


    4.4 - Kenmerken van patienten met CVS

    Het voorkomen van CVS is niet gelijk verdeeld over de bevolking; met name vrouwen tussen 20 en 50 jaar uit de hogere sociaal-economische klassen lijden vaker aan CVS (Swanink, Galama, Vercoulen et al., 1993). Dit betekent niet dat CVS zich ook tot deze categorie beperkt. Tabel 4.2 is gebaseerd op een Engels onderzoek (Ho-Yen & McNamara, 1991) en geeft de sociaal-demografische kenmerken van CVS-patienten weer (volgens de Engelse werkdefinitie). Uit tabel 4.2 blijkt dat bijna tweederde van de CVS-patienten van het vrouwelijk geslacht is. Niettemin geeft dit aan dat CVS geen typische 'vrouwenziekte' is. Bovendien komt CVS in alle leeftijdscategorieen voor, dus ook bij kinderen en 65-plussers. Bij vrouwen zijn er twee pieken in de leeftijdsverdeling te onderscheiden, namelijk 25-29 jaar en 40-44 jaar. Bij vrouwen in deze leeftijdscategorieen komt CVS dus het meest voor. Bij mannen is een piek in de prevalentie waarneembaar bij 35-39 jarigen (Ho-Yen & McNamara, 1991). Op basis van gegevens uit een Nederlands onderzoek (Vercoulen, Swanink, Fennis et al., 1994) wordt de gemiddelde leeftijd waarop de ziekte zich manifesteert geschat op circa 33 jaar.


    Tabel 4.2 - Sociaal-demografische kenmerken van CVS-patienten (N=289)

    Patienten

    Geslacht                                               (%)
    Vrouw                                                    65
    Man                                                        35

    Leeftijd (jaren)
    Vrouwen (N=187) gemiddelde (s.d.)      38,2  (13,4)
    Mannen (N=102) gemiddelde (s.d.)        40,8  (12,5)

    Beroepsstatus
    Student/docent                                        22
    Gepensioneerd                                        16
    Huisvrouw                                              13
    Dienstensector (winkels, hotels, banken)  11
    Administratief                                            9
    Geschoolde arbeid                                    9
    Ongeschoolde arbeid                                8
    Gezondheidszorg                                      7
    Professie (advocaat, ambtenaar)                5

    Bron : Ho-Yen & McNamara, 1991.


    4.5 - Pathogenese van CVS

    Het is niet bekend hoe CVS ontstaat. In de literatuur wordt een aantal 'theorieen' beschreven, maar voor geen van deze theorieen bestaat voldoende empirisch bewijs. De hypotheses omtrent de pathogenese van CVS worden hier summier weergegeven.

    4.5.1 - Somatische factoren - Bij vrij veel patienten is een duidelijk begin van de klachten aanwijsbaar, bijvoorbeeld een acute infectieziekte, een zwangerschap of operatie. Ter verklaring van het aanhouden van de klachten is gedacht aan een persisterende infectie, waarbij sprake is van een abnormale reactie van het immuunsvsteem. De micro-organismen die genoemd worden als mogelijke verwekkers van CVS zijn: Epstein-Barr virus, enterovirussen, herpesvirus hominis-6, retrovirussen, varicelia-zoster virus, cytomegalovirus, Borrelia burgdorferi, Toxoplasma gondii, Yersinia enterocolitica en Candida albicans. In verschillende onderzoeken zijn afwijkende serologische patronen gevonden. Het betrof hier echter retrospectief onderzoek, waarbij bij CVS- patienten bloedsamples werden genomen of waarbij de patienten gevraagd werd naar eerdere virale infecties. Uit ervaring blijkt dat in dergelijk retrospectief onderzoek altijd wel een serologische afwijking wordt gevonden, die dan bij herhaling niet kan worden bevestigd. Meer recent zijn enkele prospectieve studies uitgevoerd naar de betekenis van virale infecties voor het ontstaan van CVS (Cope, David, Pelosi et al., 1994; Wessely, Chalder, Hirsch et al., 1995). In deze studies werden patienten bij wie een virale infectie werd vastgesteld (of vermoed) gedurende langere tijd gevolgd teneinde de ontwikkeling van moeheidsklachten vast te stellen. In de studie van Cope en collega's (1994) werd een iets grotere proportie chronisch vermoeiden (17,5%) aangetroffen onder geinfecteerde huisarts-patienten dan in een eerdere studie onder huisartsbezoekers. Bij dit onderzoek ontbrak echter een controlegroep. In het onderzoek van Wessely en collega's (1995) werd wel een controlegroep gebruikt. Uit dit onderzoek komt naar voren dat chronische vermoeidheid niet vaker optreedt bij huisartspatienten met veel voorkomende symptomatische virale infecties dan bij huisartspatienten zonder symptomatische infecties. Opgemerkt wordt dat infecties die minder vaak voorkomen in de huisartspraktijk (bijvoorbeeld infecties veroorzaakt door EBV, toxoplasma of cytomegalovirus) misschien wel een rol zouden kunnen spelen bij het ontstaan van CVS, evenals zeldzame complicaties van veel voorkomende infecties. Swanink en collega's onderzochten de rol van persisterende infecties met enterovirussen, EBV en Yersinia enterocolitica. Het betrof een aantal retrospectieve studies met een gematchte controlegroep. Met betrekking tot enterovirussen konden geen serologische verschillen tussen CVS-patienten en controlepersonen worden aangetoond in enterovirale antistoffen en VP-1 antigeen (een eiwit dat specifiek zou zijn voor enterovirussen). In de ontlasting werden evenmin sporen gevonden van persisterende enterovirussen (Swanink, Melchers, Van der Meer et al., 1994). Bij een selectie van CVS-patienten met hoge antistof titers tegen EBV en gezonde controlepersonen konden geen verschillen worden aangetoond (in virus load en immunologische regressie) die duiden op een belangrijke rol van EBV in het ontstaan van CVS (Swanink, Van der Meer, Vercoulen et al., 1995). Aanwijzingen dat een persisterende infectie van Yersinia enterocolitica een rol speelt bij CVS werden evenmin gevonden (Swanink, 1996). Een en ander betekent dat voor geen van de genoemde micro-organismen geldt dat de relatie met CVS ondubbelzinnig is aangetoond.
    Immunologische bevindingen bij CVS zijn soms tegenstrijdig. De meest consistente bevinding lijkt het verminderd cytotoxisch vermogen van 'natural killer'- (NK-)cellen. Bij patienten met CVS is niet altijd het aantal NK-cellen afwijkend, maar wel zou de functie van deze cellen zijn afgenomen. Swanink en collega's rapporteren eveneens resultaten die een verminderd immuunfunctioneren bij CVS suggereren (Swanink, Vercoulen, Galama et al., 1996). Zij tekenen echter aan dat in hun studie een grote overlap bestond in de resultaten van de immunologische testen tussen patienten en controlepersonen. Bovendien komt ook uit dit onderzoek naar voren dat er geen duidelijk verband bestaat tussen de gevonden immunologische afwijkingen en de ernst van het klinisch beeld (vermoeidheid, psychologisch welbevinden of functionele beperkingen). Bij CVS-patienten zijn eveneens afwijkingen in de spieren en in het centrale zenuwstelsel aangetoond. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen wat de betekenis hiervan is (Swanink, Galama, Vercoulen et al., 1991).

    4.5.2 - Psychiatrische factoren - Het is nog niet duidelijk of CVS-patienten een specifiek persoonlijkheidsprofiel hebben dat hen onderscheidt of predisponeert tot het ontwikkelen van CVS. Uit retrospectief onderzoek komen wel bepaalde persoonlijkheidskenmerken naar voren, maar deze kunnen ook het gevolg zijn zijn van de langdurige klachten.
    Bij 60 tot 80% van de CVS-patienten wordt een psychiatrische diagnose gesteld : somatisatiestoornis, angststoornissen en stemmingsstoornissen, met name depressie. Overlappende symptomen kunnen de hoge prevalentie van somatisatiestoornissen en depressies bij CVS-patienten mogelijk deels verklaren. Bovendien worden dezelfde prevalentiecijfers soms ook gevonden in andere patientengroepen (somatisatiestoornis) of bij gezonde personen (angststoornissen) (Vercoulen, Swanink, Galama et al., 1991). Het meest frequent wordt CVS in verband gebracht met depressie. In twee studies onder chronisch vermoeide patienten bleek een kwart tot een derde van de patienten symptomen te hebben die voldoen aan de criteria voor een depressie (Harari & Glas, 1993). Ter verklaring van het verband tussen CVS en depressie worden drie modellen geschetst (Harari & Glas, 1993). In het eerste model is CVS een onbekende atypische vorm van depressie. In het tweede model wordt CVS beschouwd als een gevolg van depressie. Dit model is gebaseerd op vroege studies naar het herstel van infectieziekten, waarin personen met een (eerder vastgestelde) 'depressive propensity' eerder met depressieve symptomen reageerden op acute infecties dan anderen. Harari en Glas (1993) stellen dat CVS in dit model in feite een variant is van de gemaskeerde depressie. In het derde model is CVS juist een oorzaak van depressie. Hiervoor worden twee mogelijkheden genoemd. De eerste mogelijkheid is dat CVS-patienten aan depressies lijden, omdat zij de ziekte moeilijk kunnen verwerken en CVS vaak een invaliderend karakter heeft. De tweede mogelijkheid is dat indien CVS door een bepaald micro-organisme wordt veroorzaakt dit eventueel ook depressie als organisch psychosyndroom zou kunnen veroorzaken.
    Voor het verband tussen CVS en depressie zijn dus meerdere verklaringen mogelijk, waarbij over de causaliteit niets te zeggen valt. Daarnaast hebben lang niet alle CVS-patienten depressieve symptomen. Bovendien zijn er aanwijzingen gevonden in een recent onderzoek dat depressiviteit bij CVS-patienten van een andere aard is dan bij patienten met een depressie in engere zin; bij depressieve en niet-depressieve CVS-patienten blijkt fluoxetine (een populair anti-depressivum) geen effect te hebben op de mate van depressiviteit of de ernst van de moeheidsklachten (Vercoulen, Swanink, Zitman et al., 1996).

    4.5.3 - Psychologische factoren - Stress wordt genoemd als een factor die een rol kan spelen in het ontstaan van CVS. CVS-patienten zouden meer stress hebben ervaren voor het optreden van de moeheidsklachten dan gezonde personen. Daarnaast heeft stress (en ook depressie) een negatief effect op het immuunfunctioneren, zodat de afweer tegen infecties verminderd is. Het is echter niet duidelijk waarom juist CVS, en niet een andere ziekte, zou ontstaan na stress (Vercoulen, Swanink, Galama et al., 1991). De geconstateerde pre-morbide hyperactiviteit van CVS-patienten wordt ook genoemd als mogelijke factor bij het ontstaan van de ziekte. Chronische moeheid zou het gevolg kunnen zijn van overbelasting.
    Gebaseerd op psychologische theorieen wordt een aantal factoren genoemd die CVS niet zozeer zouden veroorzaken als wel instandhouden. Wessely (1989) beschrijft een vicieuze cirkel waarin moeheid en andere symptomen door de patient worden geinterpreteerd als gevolgen van inspanning. Ter voorkoming van deze symptomen gaat de patient inspanning vermijden. Dit leidt tot een conditieverslechtering, waardoor de patient steeds minder inspanning aankan en steeds sneller moe wordt.
    Ook attributies van patienten over de oorzaken van CVS spelen mogelijk een rol bij het instandhouden van de klachten. CVS-patienten zijn veelal geneigd hun klachten toe te schrijven aan lichamelijke oorzaken. Omdat lichamelijke oorzaken niet gevonden worden, versterken deze 'lichaamsattributies' een gevoel van machteloosheid en depressiviteit. Bovendien bemoeilijken ze de eigen mogelijkheden om met de klachten te leren omgaan vanwege negatieve 'self-efficacy' verwachtingen (verwachtingen ten aanzien van de invloed die men zelf op de klachten kan uitoefenen). Uit een onderzoek van Vercoulen en collega's blijkt dat lichaamsattributies en lage 'self-efficacy' verwachtingen een negatief voorspellende waarde hebben ten aanzien van de kans op herstel of vermindering van de klachten (Vercoulen, Swanink, Fennis et al., 1996).



    5. - Diagnosestelling, begeleiding en behandeling van (patiŽnten met) CVS


    In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de diagnostische en therapeutische interventies die bij CVS-patienten zijn toegepast. Daarbij wordt beschreven welke resultaten deze interventies tot nu toe hebben opgeleverd.


    5.1 - Het stellen van de diagnose CVS

    Empirische gegevens over welke diagnostische interventies bij CVS-patienten zijn toegepast alvorens bij hen de diagnose CVS wordt gesteld ontbreken. De definitie van CVS, die door de International Chronic Fatigue Syndrome Study Group is opgesteld voor onderzoeksdoeleinden, is geen geschikt diagnostisch instrument voor artsen. Het biedt praktiserend artsen te weinig aanknopingspunten voor de wijze waarop de symptomen moeten worden vastgesteld en beoordeeld (welke criteria) en bovendien ontbreken indicaties over de tijdstippen waarop de verschillende onderdelen van de klinische evaluatie moeten worden uitgevoerd.

    Swanink en collega's concluderen dat laboratoriumtesten niet kunnen worden gebruikt als diagnostische instrumenten voor CVS. De studies waarin laboratoriumtesten zijn gebruikt geven vaak inconsistente resultaten, waarbij het nog de vraag is of de ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek geteste patienten representatief zijn voor de CVS-patienten in de klinische praktijk. Bovendien benadrukken Swanink en collega's dat men op basis van toeval altijd wel afwijkende resultaten vindt wanneer men veel laboratoriumtesten uitvoert (Swanink, 1996).


    5.2 - Therapeutische interventies bij CVS

    Er is nog geen effectieve causale behandeling voor CVS gevonden. Wel wordt in de literatuur een aantal therapeutische interventies genoemd. Deze interventies richten zich op de symptomen van CVS of het leren omgaan met CVS (verbetering van de kwaliteit van leven). Het onderzoek naar de effectiviteit van deze behandelingsmethoden bevindt zich in verschillende stadia. Er is wel een aantal gecontroleerde studies uitgevoerd, maar methodologische tekortkomingen en kleine of heterogene onderzoeksgroepen bemoeilijken vooralsnog het trekken van conclusies.

    Deze paragraaf is een weergave van de in de literatuur beschreven interventies. Hiervoor is met name gebruik gemaakt van de overzichtsstudie van Wilson, Hickie, Lloyd et al. (1994).

    5.2.1 - Farmacologische behandelingen - Bij CVS-patienten met een depressieve stoornis worden soms antidepressiva voorgeschreven. In niet-gecontroleerde studies zou bij 70 tot 80% van de CVS-patienten verbetering zijn vastgesteld. In een gecontroleerde studie bij fibromyalgie-patienten werd de werkzaamheid van een lage dosering van een tricyclisch antidepressivum aangetoond in vergelijking tot een placebo en NSAID's (non-steroid anti-inflammatory drugs). Gesteld wordt dat fibromyalgie veel overeenkomsten vertoont met CVS (Swanink, Galama, Vercoulen et al., 1991). Een bezwaar tegen het gebruik van tricyclische antidepressiva is de gebleken geringe tolerantie van CVS-patienten voor de bijwerkingen. Andere soorten antidepressiva, de selectieve serotonine-heropname remmers (SSRI's) of de reversibele monoamine oxidase(MAO)-remmers, zouden beter worden verdragen (Wilson et al., 1994). Hiertoe is door Vercoulen en collega's een gerandomiseerde gecontroleerde studie uitgevoerd naar de werkzaamheid van fluoxetine (SSRI; 20 mg per dag) ten opzichte van een placebo bij depressieve en niet-depressieve CVS-patienten (Vercoulen, Swanink, Zitman et al., 1996). Uit deze studie komt naar voren dat fluoxetine geen effect heeft op de mate van vermoeidheid, depressiviteit, functionele beperkingen, slaapproblemen, neuropsychologisch functioneren, cognities en fysieke activiteit. De bevinding dat dit antidepressivum geen verbetering in de mate van depressiviteit bij CVS-patienten bewerkstelligt, geeft aanleiding om te veronderstellen dat aan depressieve symptomen bij CVS-patienten een ander causaal proces ten grondslag ligt dan bij patienten met een depressie in engere zin.
    Acyclovir (anti-virale therapie) geeft hetzelfde resultaat als een placebo bij CVS-patienten met een afwijkend EBV-serologisch patroon. Amerikaanse onderzoekers meldden een geringe verbetering in fysiek functioneren en kwaliteit van leven door een specifiek geconfigureerd RNA-preparaat, maar de onderzoeksgroep betrof hier uitsluitend CVS-patienten met aanzienlijke beperkingen (Wilson et al., 1994).
    Ook de effectiviteit van immunologische therapie is nog onduideijjk. In twee studies is het effect van hoge doses intraveneus toegediende immunogiobuline onderzocht. Uit het eerste onderzoek komt een verbetering in immuunfunctioneren naar voren bij 43% van de CVS-patienten in de experimentele groep tegenover 12% in de placebo-groep. In de tweede studie kon echter geen significant effect worden aangetoond (Wilson et al., 1994). Aan intramuscular toegediende immunoglobuline is ook een gunstig effect toegeschreven, maar hierbij is voorzichtigheid geboden vanwege de matige methodologische kwaliteit van de betreffende studie. Ook de effectiviteit van interferon bij CVS wordt onderzocht. Tot nu toe zijn echter geen methodologisch adequate studies verricht.
    Tenslotte kan worden genoemd dat een gecontroleerde studie is uitgevoerd naar het effect van hoge doses essentiele vetzuren bij CVS-patienten (Behan et al., 1990). Vijfentachtig procent van de experimentele groep rapporteerde verbetering in symptomen tegenover 17% in de controlegroep (placebo).

    5.2.2 - Psychologische behandelingen - De revalidatiestrategieen die zijn ontworpen bestaan uit combinaties van van gedoseerde conditietraining, gedragstherapie en/of cognitieve therapie (Harari & Glas, 1994). De eerder genoemde inactiviteitshypothese, waarbij inspanning gemeden wordt en de conditie van CVS-patienten steeds verder verslechterd, vormt een van de uitgangspunten. Door middel van gedoseerde conditietraining, cognitieve therapie en gedragstherapie wordt geprobeerd om deze vicieuze cirkel te doorbreken. Belangrijke elementen in de cognitieve gedragstherapie zijn: het stellen van doelen (meer fysieke en sociale activiteit), voorlichting over de ziekte, relaxatietraining, blootstelling aan activiteiten die vermeden worden, cognitieve herstructurering met betrekking tot beliefs en interpretable van gebeurtenissen en het evalueren van sociale of persoonijjke factoren die beperking bekrachtigen.
    In verschillende studies is de effectiviteit van cognitieve gedragstherapie onderzocht. In een niet-gecontroleerde studie werd een aanzienlijke verbetering in activiteitenniveau en een reductie in vermoeidheid vastgesteld bij 70% van de CVS-patienten (Butler, Chalder, Ron et al., 1991). De non-respons en uitval was in dit onderzoek echter groot. In een onderzoek met een niet-gerandomiseerde controlegroep bleken depressieve CVS-patienten baat te hebben bij cognitieve gedragstherapie; bij niet-depressieve CVS-patienten werden geen significante verbeteringen in depressiviteit, stress-gerelateerde symptomen en de mate van moeheid waargenomen (Friedberg & Krupp, 1994). In een andere studie kon de meerwaarde van cognitieve gedragstherapie tegenover de gebruikeijjke klinische zorg niet worden vastgesteld (Lloyd, Hickie, Brockman et al., 1993). Uit een recent gecontroleerd onderzoek van Sharpe, Hawton, Simkin et al. (1996) komt wel naar voren dat cognitieve gedragstherapie een duidelijke meerwaarde heeft ten opzichte van de gebruikelijke medische zorg. Poliklinische CVS-patienten die gedurende vier maanden cognitieve gedragstherapie kregen (16 sessies) hadden een jaar later minder ongewenste ziektebeliefs, minder ongewenst coping-gedrag (vermijden van activiteit), minder ernstige moeheid en een beter fysiek functioneren.
    In Nederland heeft men in het Academisch Ziekenhuis Nijmegen een psychologisch behandelprotocol ontwikkeld (Bleijenberg, Vercoulen & Bazelmans, 1996). Het uitgangspunt is dat niet bekend is waardoor CVS ontstaat, maar dat er wel bepaalde psychologische factoren zijn die de klachten instandhouden. Naast het vermijden van inspanning worden als instandhoudende factoren genoemd: negatieve verwachtingen ten aanzien van de persoonlijke effectiviteit (de veronderstelling dat men zelf geen invloed kan uitoefenen op de klachten) en lichaamsattributies. De psychologische behandeling is gericht op verandering van de instandhoudende factoren:. het herstel van de activiteitenbalans, het verhogen van de 'self-efficacy' verwachtingen en het doorbreken van lichaamsattributies. Het doel van deze psychologische behandeling is het verminderen en beter hanteerbaar maken van de moeheidsklachten. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen voor welke CVS-patienten deze behandelmethode geschikt is.
    Tot slot kan worden opgemerkt dat meerdere auteurs pleiten voor een meer geintegreerde benadering van CVS. Diverse medische disciplines voeren elk vanuit hun eigen visie onderzoek en behandeling op het gebied van CVS uit. Omdat bij het ontstaan en instandhouden van CVS mogelijk verschillende factoren interacteren lijkt multidisciplinaire samenwerking bij onderzoek en behandeling van CVS noodzakeljjk.



    Lees verder : Deel III


    Cfr. : http://www.me-net.dds.nl/meweb/ned14.txt 

    25-02-2006 om 09:13 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Moeheid en het chronische vermoeidheidssyndroom - Literatuurstudie - Deel III
    Klik op de afbeelding om de link te volgen
        Moeheid 
        en het chronische vermoeidheidssyndroom
        Literatuurstudie

        Deel III



        6. - Problematiek en hulpvraag van CVS-patiŽnten


    Om inzicht te krijgen in de problematiek en hulpvraag van CVS-patienten is ondermeer gebruik gemaakt van het onderzoek van De Bruijn (1994). Het betreft hier een enquete die in 1993 is afgenomen bij donateurs van de ME-stichting in de regio Amsterdam. In dit hoofdstuk beperken we ons tot de onderzoeksgegevens van de respondenten die aan de (hoofd)criteria voor CVS voldoen (gebaseerd op zelfrapportage van symptomen). De gegevens zijn afkomstig van 104 CVS-patienten; dat is 65% van de totale groep zieke, respondenten. Het betreft 90 vrouwen en 14 mannen. Bij de hier gepresenteerde gegevens moet rekening worden gehouden met het feit dat de CVS-patienten in dit onderzoek (leden van de ME-stichting woonachtig in Amsterdam en omstreken) niet representatief zijn voor de totale groep CVS-patienten. Het is bekend dat leden van een patientenorganisatie vaak langduriger en ernstiger ziek zijn dan niet-leden (Sharpe, Hawton, Seagroatt et al., 1992).


    6.1 - Het verrichten van werkzaamheden

    In tabel 6.1 wordt een overzicht gegeven van de door de patienten zelf ingeschatte capaciteit tot het verrichten van allerlei werkzaamheden. Het gaat hier om relatieve gegevens; de percentages geven aan hoeveel men denkt nog te kunnen ten opzichte van de periode voordat men ziek werd. Uit de tabel blijkt dat meer dan 90% van de patienten aangeeft ten hoogste 50% te kunnen van de werkzaamheden die men voorheen verrichtte met betrekking tot betaald werk, zwaar huishoudelijk werk, klussen in en om het huis en de verzorging van jonge kinderen. Alleen met betrekking tot licht huishoudelijk werk geeft een groter percentage patienten (22%) aan dat zij nog tenminste 50% kunnen van wat zij voor aanvang van de klachten deden (De Bruijn, 1994).


    Tabel 6.1 - Ingeschatte capaciteit tot het verrichten van werkzaamheden

    Percentage (1) Betaald werk Lichthuis-  Zwaar huis-  Klussen Kinderen
                                                     houdelijk   houdelijk 

                             (N=86) (2)      (N=94) (3)  (N=34) (4) 

           0%              60%                  2%           35%              56%       68%

      1-25%               17%                31%           52%              38%        14%

    26-50%               16%                45%           13%                5%        15%

    51-80%                 2%                17%             0%                1%        0%

       >80%                5%                  5%             0%                0%        3%

    ---------------------------------------------------------------------------

    (1) - De percentages geven aan de ingeschatte capaciteit ten opzichte van de capaciteit voor aanvang van de ziekte.
    (2) - Het betreft hier alleen de patienten die voor aanvang van de ziekte betaald werk verrichtten.
    (3) - Het betreft hier alleen de patienten die voor aanvang van de ziekte klussen in en om het huis verrichtten
    (4) - Het betreft hier alleen de patienten die voor aanvang van de ziekte jonge kinderen verzorgden.

    Bron : De Bruijn, 1994.

    Het onderzoek van De Bruijn (1994) laat eveneens zien hoe de arbeidssituatie is van de CVS-patienten die voorheen betaald werk verrichten. Ruim de helft van deze patienten is volledig arbeidsongeschikt verklaard. Nog eens 14% is gedeeltelijk arbeidsongeschikt verklaard. Een kwart van deze gedeeltelijk arbeidsongeschikten is bovendien werkloos geworden voor het deel waarvoor zij geacht worden te kunnen werken, omdat zij zichzelf niet in staat achten nog te kunnen werken. Acht procent bevindt zich in een arbeidsongeschiktheidsprocedure; deze patienten zijn bijna een jaar ziek en ontvangen een uitkering volgens de Ziektewet of zij zijn verwikkeld in een beroepsprocedure omtrent een arbeids(on)geschiktheidsverklaring. Twintig procent van de patienten is werkloos of minder gaan werken. Deze patienten beschikken niet over een arbeidsongeschiktheidsverklaring. Voor 1% van de patienten geldt dat zij inmiddels pensioengerechtigd zijn of onder een wachtgeldregeling vallen. Slechts 2% van de patienten is nog in staat om evenveel te werken als vroeger. Het verrichten van betaalde arbeid gaat in die gevallen wel ten koste van andere werkzaamheden of activiteiten; men kan niet ook nog andere werkzaamheden verrichten of andere activiteiten uitvoeren.


    Tabel 6.2 - Huidige arbeidssituatie van CVS-patienten die voor aanvang van de klachten betaald werk verrichtten (N=88)

                                                  %-patiŽnten

    Volledig arbeidsongeschikt                              55
    Gedeeltelijk arbeidsongeschikt                        14
    In een arbeidsongeschiktheidsprocedure            8
    Volledig werkloos
        (zonder a.o.-verklaring)                               11
    Minder gaan werken
        (zonder gedeeltelijke AO-verklaring)             9
    Inmiddels AOW, VUT of wachtgeldregeling      1
    Werkt (inmiddels weer) evenveel als vroeger     2

    Bron : De Bruijn, 1994.

    Wat de arbeidsongeschiktheid betreft dient te worden opgemerkt dat de enquete werd afgenomen vier maanden na het van kracht worden van de nieuwe WAO-regeling (1 augustus 1993). Sinds het van kracht worden van de nieuwe WAO-regeling is het verkrijgen van een uitkering krachtens de ZW of de WAO volgens de ME-stichting voor veel patienten een probleem. Dit houdt verband met het medisch arbeidsongeschiktheidscriterium, dat toen gewijzigd werd. Tot augustus 1993 luidde het medische deel van het arbeidsongeschiktheidscriterium dat arbeidsongeschiktheid een gevolg moest zijn van ziekte of gebrek. In de nieuwe bepaling werd dit aangescherpt; arbeidsongeschiktheid diende 'een rechtstreeks en medisch objectief vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek' te zijn. Volgens het College van Toezicht Sociale Verzekeringen (1995a; 1995b) legt een deel van de verzekeringsartsen het begrip 'objectief zo uit dat alleen ongeschiktheid als gevolg van ziekte wordt aangehomen, indien lichamelijk afwijkingen aangetoond zijn. Recentelijk is door het Tijdelijk instituut voor coordinatie en afstemming (Tica) een richtijjn opgesteld, waarin het medisch arbeidsongeschiktheids-criterium wordt toegelicht (Tica, 1996). In de richtlijn wordt benadrukt dat het stellen van een diagnose geen voorwaarde is en op zichzelf geen recht geeft op een uitkering. De verzekeringsarts moet 'objectief' vaststellen of arbeidsongeschiktheid het rechtstreekse gevolg van ziekte of gebrek is. Dit houdt in dat de verzekeringsarts moet vaststellen of er stoornissen, beperkingen en handicaps (in arbeid) zijn en of die een consistent geheel vormen. Deze richtijjn biedt verzekeringsartsen een handvat om ook bij CVS-patienten de mate van medische arbeids(on-)geschiktheid vast te stellen.


    6.2 - Sociale activiteiten en relaties

    De helft van de CVS-patienten geeft aan ten hoogste 25% te kunnen op het gebied van lopen en fietsen ten opzichte van wat zij voor aanvang van de klachten deden. Slechts 2% geeft aan nog tenminste 80% te kunnen in vergelijking tot vroeger. Alle patienten zijn eveneens beperkt in hun recreatieve activiteiten (bijvoorbeeld wandelen, de stad ingaan); 78% geeft aan ten hoogste 25% te kunnen op dit gebied in vergelijking tot voor de klachten, 21% is in staat een kwart tot de helft van de recreatieve activiteiten die men voorheen deed nog te doen en 1% is in staat nog 50 tot 80% te doen.

    Veel patienten blijken eveneens moeite te hebben om sociale contacten te onderhouden; de helft van de patienten geeft aan ten hoogste 25% op dit gebied aan te kunnen in vergelijking tot vroeger. Bijna de helft van de CVS-patienten (49%) geeft aan minder vrienden en kennissen te hebben dan voorheen. Bij 32% is dit gelijk gebieven, terwijl 19% van de patienten meer vrienden en kennissen heeft gekregen sinds het begin van de ziekte. Niet alleen de fysieke moeheid, maar ook andere factoren kunnen een negatieve rol spelen bij het aangaan en onderhouden van sociale relaties, bijvoorbeeld emotionele labiliteit, angst, depressiviteit of schaamte. Uit citaten in het rapport van De Bruijn blijkt dat meerdere patienten hun ziekte niet bespreken met mensen uit hun sociale omgeving. Gesteld wordt dat met name de bejegening door artsen hierbij een rol speelt. Het stellen van de diagnose ME zou deze schaamtegevoelens verminderen; de klachten van de patient zijn dan legitiem bevonden (De Bruijn, 1994).

    Uit een ander Nederlands onderzoek, waarin ondermeer gebruik werd gemaakt van de Sickness Impact Profile om de invloed van CVS op het dagelijks functioneren vast te stellen, blijkt dat de meeste problemen voor CVS-patienten liggen op het gebied van neuropsychologisch functioneren, werk, vrijetijdsbesteding, slapenlrusten, huishoudelijke taken en sociale interactie (Vercoulen, Swanink, Fennis et al., 1994).


    6.3 - Behoefte aan sociale steun

    Uit het onderzoek van De Bruijn (1994) komt naar voren dat 63% van de zieke (noot : het betreft hier zowel de respondenten die voldoen aan de CVS-criteria als de (zieke) respondenten die niet aan deze criteria voldoen) respondenten aangeeft behoefte te hebben aan extra ondersteuning. Dertig procent heeft vooral behoefte aan emotionele steun en 51% vooral aan instrumentele steun, terwijl 20% behoefte heeft aan beide vormen van sociale steun. Van de patienten die voldoen aan de CVS-criteria heeft 71% behoefte aan extra sociale steun.

    Ruim de helft van de zieke respondenten (54%) geeft aan onvoldoende emotionele of instrumentele steun vanuit de sociale omgeving (partner, familie, vrienden, kennissen en buren) te ontvangen en 32% geeft aan zowel onvoldoende emotionele als onvoldoende instrumentele steun te ontvangen. Vrouwen ervaren vaker onvoldoende sociale steun vanuit hun omgeving dan mannen. Alleenstaanden geven eveneens aan vaker steun vanuit hun omgeving te ontberen dan mensen met een partner.

    Van alle zieke respondenten heeft bijna een kwart (23%) een beroep gedaan op de gezinsverzorging in verband met de klachten. Ouderen (>48 jaar), alleenstaanden en mensen die tenminste zeven jaar ziek zijn doen vaker een beroep op de gezinsverzorging dan jongeren (<38 jaar), mensen met een partner en mensen die niet langer dan drie jaar ziek zijn. Mensen die naast chronische vermoeidheid ook andere ernstige gezondheidsklachten rapporteren krijgen even vaak hulp als mensen die alleen vanwege hun vermoeidheidsklachten de thuiszorgorganisaties hebben benaderd. Bijna de helft van de zieke respondenten die gezinshulp krijgen vindt de verstrekte hulp onvoldoende. Daarnaast vinden sommigen dat het hulpaanbod niet aansluit bij hun behoeften, bijvoorbeeld de tijdstippen waarop hulp nodig is. Deze klachten worden ook door andere chronisch zieken die gebruik maken van de gezinsverzorging genoemd.

    Voor het verkrijgen van emotionele steun heeft 13% van de zieke respondenten 'professionals' ingeschakeld. Daarnaast neemt 13% van de zieke respondenten deel aan de door de ME-stichting georganiseerde praatgroepen.

    Het aantal CVS-patienten dat een beroep doet op de alternatieve gezondheidszorg wordt hoog ingeschat. Uit een recent Nederlands onderzoek, waarin CVS-patiŽnten 18 maanden werden gevolgd, blijkt dat 45% in die periode een alternatief geneeskundige heeft bezocht (Vercoulen, Swanink, Fennis et al.,1996).



    7. - Samenvatting


    Deze tekst is bedoeld als achtergrondinformatie voor het overleg tussen huisartsen en specialisten over de diagnosestelling, begeleiding en behandeling van (patienten met) CVS.

    Veel patienten komen bij de huisarts met moeheidsklachten : 3% van alle episoden bij de huisarts begint met de klacht 'moeheid'. Moeheid is een klacht die vaker door vrouwen dan door mannen wordt gepresenteerd. Moeheidsklachten worden door zowel jonge als oudere mensen bij de huisarts naar voren gebracht en komen voor bij mensen met en zonder baan.

    In een derde van de gevallen gaat het om een op zichzelf staande klacht; bij tweederde worden naast moeheid andere (meestal somatische) klachten genoemd. Het vermoeden van de huisarts dat een bepaald probleem of een bepaalde ziekte aan de klachten ten grondslag ligt wordt meer geleid door de eventuele bijkomende klachten dan door de moeheidsklachten.

    Van alle episoden die beginnen met de klacht 'moeheid', wordt in 29% van de gevallen de einddiagnose 'moe, ziektegevoel' gesteld. Andere einddiagnosen die worden gesteld zijn : virusziekte (9%), hoge-luchtweginfectie (5%), geen ziekte (4%), acute bronchitis (3%), anemie (2%), stress (2%), en werkproblemen (2%).

    Zesentachtig procent van de episoden met een einddiagnose 'moe, ziektegevoel' is binnen vier weken beeindigd. In 3% van de episoden gaat het om moeheid die langer dan zes maanden aanhoudt. Patienten bij wie de einddiagnose 'moe, ziektegevoel' wordt gesteld komen vaker dan andere patienten bij de huisarts met andere ziekten of problemen. Bij 41% van de patienten met de einddiagnose 'moe, ziektegevoel' worden eveneens psychische of sociale problemen vastgesteld; bij 26% wordt eveneens een chronische ziekte gediagnostiseerd.

    De huisarts kan verschillende diagnostische interventies toepassen. Bij 78% van de patienten die in een eerste consult de klacht moeheid presenteren wordt door de huisarts zelf diagnostisch onderzoek (meestal lichamelijk onderzoek) verricht. In ruim een kwart van de gevallen wordt de patient voor extern onderzoek verwezen. Omdat in deze consulten ook andere klachten, naast moeheid, kunnen zijn gepresenteerd, is het niet duidelijk of deze diagnostische interventies naar aanleiding van de moeheidsklachten dan wel naar aanleiding van de eventuele bijkomende klachten worden uitgevoerd. Hetzelfde geldt voor de therapeutische interventies, waarbij met name het hoge percentage patienten (40%) dat medicatie krijgt voorgeschreven opvalt. Wanneer gekeken wordt welke therapeutische interventies bij patienten bij wie de einddiagnose 'moe, ziektegevoel' wordt gesteld zijn toegepast, blijkt dat bij 14% medicatie is voorgeschreven. De meest voorkomende interventie is het geven van advies (in 35% van de episoden). In 3% van de episoden met een einddiagnose 'moe, ziektegevoel' heeft de huisarts de patient verwezen naar een andere hulpveriener in de eerste lijn of naar een medisch specialist.

    In de NHG-standaarden wordt moeheid als een symptoom van veel verschillende ziekten en stoornissen genoemd. Moeheid als op zichzelf staande klacht is weinig richtinggevend voor het stellen van een diagnose. Geadviseerd wordt om terughoudend te zijn met het (doen) verrichten van bloedonderzoek. Alleen indien andere symptomen aanwezig zijn die de aanwezigheid van een bepaalde ziekte of stoornis waarschijnlijk maken of indien de moeheidsklachten langdurig aanhouden kan bloedonderzoek diagnostische waarde hebben.

    Het chronische vermoeidheidssyndroom (CVS) wordt gekenmerkt door een combinatie van aspecifieke symptomen, waarbij geen objectief fysieke of laboratorische afwijkingen warden gevonden. Langdurige of recidiverende moeheid is het belangrijkste symptoom, maar meestal komen andere symptomen eveneens voor. De patienten vertonen een divers klinisch beeld.

    CVS is een nosologische diagnose, dat wil zeggen dat de diagnose berust op consensus tussen wetenschappers over welke combinatie van symptomen en waarnemingen CVS wordt genoemd. Voor onderzoeksdoeleinden zijn diverse definities opgesteld, waarvan op dit moment de definitie van de International Chronic Fatigue Syndrome Study Group de meest gangbare is. Volgens deze definitie dient sprake te zijn van zelfgerapporteerde, klinisch geigvalueerde, lichamelijk onverklaarde aanhoudende of recidiverende moeheid (> zes maanden), die leidt tot aanzienlijke beperkingen in beroepsmatig, sociaal of persoonlijk functioneren en waarbij tenminste vier andere symptomen eveneens minimaal zes maanden aanwezig zijn (zoals beperkingen in korte termijn-geheugen of concentratieproblemen, keelpijn, gevoelige hals- of okselklieren, spierpijn of gewrichtspijn zonder zwelling of roodheid, hoofdpijn, slaapklachten, en malaiseklachten na inspanning die langer dan 24 uur duren).

    De prevalentie van CVS in Nederland wordt geschat op minimaal 1,3 per 1000 personen, Driekwart van de responderende Nederlandse huisartsen kent tenminste een CVS-patient onder hun patienten. Evenals de klacht moeheid, komt ook CVS meer voor bij vrouwen dan bij mannen. De gemiddelde leeftijd waarop de ziekte zich manifesteert wordt geschat op circa 33 jaar. Echter, ook bij kinderen en 65-plussers komt CVS voor.

    Over de pathogenese van CVS is weinig bekend. Meer onderzoek naar de invloed van somatische, psychiatrische en psychologische factoren is noodzakelijk. Een aantal factoren zou CVS niet zozeer veroorzaken als wel instandhouden. Het betreft: het vermijden van lichamelijke activiteit, attributies aan lichamelijke oorzaken en negatieve verwachtingen ten aanzien van de invloed die men zelf op de klachten kan uitoefenen. De behandeling van CVS-patienten richt zich tot nu toe vooral op het verminderen van de symptomen van CVS of het leren omgaan met de ziekte. Er zijn verschillende farmacologische behandelingen bij CVS-patienten uitgetest, vooral antidepressiva en immunologische therapie. In incidentele studies zijn bij patienten verbeteringen waargenomen. Veel studies hebben echter methodologische tekortkomingen (geen controlegroep, kleine groepen patienten of specifieke subgroepen, van patienten). De resultaten van studies die methodologisch wel adequaat zijn, zijn meestal teleurstellend. Daarnaast heeft men psychologische behandelingen gebaseerd op cognitieve gedragstherapie bij CVS-patienten toegepast. Deze vorm van behandeling is gericht op het veranderen van de eerder genoemde instandhoudende factoren. Onderzoek naar de effectiviteit van deze therapie geeft geen eenduidig beeld.

    CVS-patienten ervaren problemen bij het verrichten van werkzaamheden, sociale activiteiten en sociale relaties. Uit een onderzoek onder de leden van de ME-stichting in Amsterdam en omstreken die voldoen aan de criteria voor CVS blijkt dat slechts 5% in staat is om op dezelfde wijze betaald werk te verrichten als men voor de klachten gewend was; 60% van de patienten die voorheen een betaalde baan hadden geeft aan evenveel als vroeger. Onlangs heeft het Tica een richtlijn opgesteld voor de interpretatie van het medisch arbeidsongeschiktheidscriterium door verzekeringsartsen. In de richtlijn wordt benadrukt dat niet de ziekte, maar de gevolgen van ziekte (in termen van stoornissen, beperkingen en handicaps) doorslaggevend zijn voor het bepalen van de mate van medische arbeidsongeschiktheid. De richtlijn biedt verzekeringsartsen een handvat om ook bij CVS-patienten de mate van arbeids(on)geschiktheid vast te stellen. Het verzorgen van jonge kinderen wordt als een groot probleem ervaren : tweederde van de patienten die voorheen deze taak uitvoerden geeft aan dit geheel niet meer te kunnen. CVS blijkt bovendien een negatief effect te hebben op de sociale activiteiten van de patient : 78% geeft aan ten hoogste 25% op dit gebied te kunnen in vergelijking tot vroeger. Veel patienten blijken eveneens moeite te hebben om sociale contacten te onderhouden. Niet alleen de fysieke moeheid speelt hierbij een rol, maar ook psychologische factoren (depressiviteit, schaamte) kunnen het onderhouden van sociale contacten bemoeilijken.

    De sociale steun die men vanuit de omgeving ontvangt wordt vaak als onvoldoende ervaren. Daarom doet bijna een kwart van de leden met vermoeidheidsklachten een beroep op de gezinsverzorging en zoekt een kleine groep eveneens emotionele ondersteuning bij 'professionals'. Het aantal CVS-patiŽnten dat onder behandeling is in het alternatieve circuit is niet precies bekend, maar wordt hoog ingeschat.



    Tenslotte


    In deze tekst is met name aandacht besteed aan moeheid en CVS in de huisartspraktijk. Dit betekent niet dat huisartsen alle CVS-patienten zien. Waarschijnlijk bevindt eveneens een deel van de groep patienten die voldoen aan de criteria voor CVS zich in de tweede lijn, bijvoorbeeld in verband met de behandeling van een andere aandoening. Ook voor medisch specialisten geldt dus dat zij te maken kunnen hebben met CVS.

     

    Literatuur


    1. Bazelmans, E., Vercoulen, J.H.H.M., Swanink, C.M.A. et al. (1996) - Prevalentie van het Chronisch Vermoeidheidssyndroom en het Primair Fibromyalgie syndroom in Nederland - Nederlands Tijdschrift voor de Geneeskunde (geaccepteerd).

    2. Behan, , P.O. et al. (1990) - Effect of high doses of essential fatty acids on the Postviral Fatigue Syndrome - Acta Neurologica Scandinavica, 82: 209-216.

    3. Bensing, J.M. & Schreurs, K. (1995) - Sekseverschillen bij moeheid - Huisarts en Wetenschap, 38: 412-421.

    4. Bleijenberg, G., Vercoulen, J. & Bazelmans, E. (1996) - Chronische vermoeidheid Ė In : Handboek Klinische Psychologie.

    5. Bruijn, G. de (1994) - Uitgeteld. Cijfers omtrent de gezondheidsbeleving, sociale situatie en hulpbehoefte van donateurs van de Myalgische Encephalomyelitis Stichting in de regio Amsterdam.

    6. Butler, S., Chalder, T., Ron, M. et al. (1991) - Cognitive behaviour therapy in chronic fatigue syndrome - Journal of Neurology, Neurosurgery and Psychiatry, 54: 153-158.

    7. College van Toezicht Sociale Verzekeringen (1995a) - Nadere rapportage over het arbeidsongeschiktheidscriterium (pp. 42-43) Ė Zoetermeer : Ctsv.

    8. College van Toezicht Sociale Verzekeringen (1995b) - Toegang tot de WAO - Onderzoek naar de toepassing van het gewijzigde arbeidsongeschiktheidscriterium (pp. 70-71) Ė Zoetermeer : Ctsv.

    9. Cope, H., David, A.,-Pelosi, A. et al. (1994) - Predictors of chronic "postviral" fatigue - The Lancet, 344: 864-868.

    10. Dinant, G.J., Wijk, M.A.M. van, Janssens, H.J.E.M. et al. (1994) - NHG-Standaard Bloedonderzoek : algemene principes en uitvoering in eigen beheer. Huisarts en Wetenschap, 37: 202-211.

    11. Foets, M. & Sixma, H. (1991) - Een Nationale studie van ziekten en verrichtingen in de huisartspraktijk - Basisrapport gezondheid en gezondheidsgedrag in de praktijkpopulatie Ė Utrecht : NIVEL.

    12. Foets, M., Vaiden, J. van der (1990) - Een Nationale studie van ziekten en verrichtingen in de huisartspraktijk. Basisrapport meetinstrumenten en procedures Ė Utrecht : NIVEL.

    13. Friedberg, F. & Krupp, L.B. (1994) - A comparison of cognitive behavioral treatment for chronic fatigue syndrome and primary depression - Clinical Infectious Diseases, 18 (Suppl. I): S105-S110.

    14. Fukuda, K., Straus, S.E., Hickie, 1. et al. (1994) - The chronic fatigue syndrome : A comprehensive approach to its definition and study - Annals of Internal Medicine, 121: 953-959.

    15. Haan, M. de (1982) - Vage klachten : wat verstaan patienten en huisartsen er onder ? - Huisarts en Wetenschap, 25: 190-195.

    16. Harari, D. & Glas, G. (1993) - Chronische moeheid, testcase voor de geneeskunde - Tijdschrift voor Psychiatrie, 35(10): 51-63.

    17. Hawton, K.E. & Hengeveld, M.W. (1991) - Het chronische-moeheidssyndroom : psychiatrische aspecten - Nederlands Tijdschrift voor de Geneeskunde, 135: 2014-2017.

    18. Hofmans-Okkes, I.M., Meyboom-De Jong, B., Lamberts, H. & Weel, C. van (1994) - Chronisch zieken met zeldzame ziekten in de huisartspraktijk - Zoetermeer: Nationale Commissie Chronisch Zieken.

    19. Holmes, G.P., Kaplan, J.E., Gantz, N.M. et al. (1988) - Chronic fatigue syndrome : A working case definition - Annals of Internal Medicine, 108: 387-389.

    20. Ho-Yen, D.O. & McNamara, 1. (1991) - General practitioners' experience of the chronic fatigue syndrome - British Journal of General Practice, 41: 324-326.

    21. Ingham, J. & Miller, P. (1979) - Symptom prevalence and severity in a general practice population - Journal of Epidemiology and Community Health, 33: 191-198.

    22. Lamberts, H. (1994) - In het huis van de huisarts - Verslag van het Transitieproject (tweede druk) Ė Lelystad : MediTekst.

    23. Lewis, G. & Wessely, S. (1992) - The epidemiology of fatigue : more questions than answers - Journal of Epidemiology Community Health, 33: 191-198.

    24. Lloyd, A.R., Hickie, I., Boughton, C.R. et al. (1990) - Prevalence of chronic fatigue syndrome in an Australian population - Medical Journal of Australia, 153: 522-528.

    25. Lloyd, A.R., Hickie, I., Brockman, A. et al. (1993) - Immunologic and psychologic therapy for patients with chronic fatigue syndrome : a double-blind placebo-controlled trial - American Journal of Medicine, 94: 197-203.

    26. Meijman, T.F. (1991) - Over vermoeidheid Ė Amsterdam : Studiecentrum Arbeid en Gezondheid/Coronel Laboratorium, Universiteit van Amsterdam.

    27. Rijk, A.E. de, Schreurs, K. & Bensing, J. (1996a) - De invloed van patientkenmerken op de beoordeling van moeheid door de huisarts - Gedrag & Gezondheid, 24: 173-180.

    28. Rijk, A.E. de, Schreurs, K.M.G. & Bensing, J.M. (1996b) - General practice consultations on fatigue : between somatization and psychologization Ė (aangeboden)

    29. Sharpe, M.C., Archard, L.C., Banatvala, J.E. et al. (1991) - A report - chronic fatigue syndrome : guidelines for research - Journal of the Royal Society of Medicine, 84: 118-121.

    30. Sharpe, M., Hawton, K., Seagroatt, V. & Pasvol, G. (1992) - Follow up of patients presenting with fatigue to an infectious diseases clinic - British Medical Journal, 305: 147-152.

    31. Sharpe, M., Hawton, K., Simkin, S. et al. (1996) - Cognitive behaviour therapy for the chronic fatigue syndrome : a randomised controlled trial - British Medical Journal, 312: 22-26.

    32. Smets, E.M.A., Garssen, B., Bonke, B. et al. (1995) - The Multidimensional Fatigue Inventory (MFI). Psychometric qualities of an instrument to assess fatigue - Journal of Psychosomatic Research, 39: 315-325.

    33. Surawy, Ch., Hackmann, Hawton et al. (1995) - Chronic fatigue syndrome : A cognitive approach - Behavioral Research and Therapy, 33: 535-544.

    34. Swanink, C.M.A., Galama, J.M.D., Vercoulen, J.H.M.M. et al. (1991) - Het chronische-moeheidssyndroom. - 1. - Somatologische hypotheses - Nederlands Tijdschrift voor de Geneeskunde, 135: 2005-2009.

    35. Swanink, C.M.A., Melchers, W.J.G., Meer, J.W.M. van der et al. (1994) - Enteroviruses and the chronic fatigue syndrome - Clinical Infectious Diseases, 19: 860-864.

    36. Swanink, C.M.A., Meer, J.W.M. van der, Vercoulen, J.H.M.M. et al. (1995) - Epstein-Barr virus and the chronic fatigue syndrome : normal virus load in blood and normal immunological reactivity in the EBV-regression assay - Clinical Infectious Diseases, 20: 1390-1392.

    37. Swanink, C.M.A. (1996) - Chronic fatigue syndrome : clinical, microbiological and immunological aspects Ė Nijmegen : Katholieke Universiteit Nijmegen (dissertatie).

    38. Swanink, C.M.A., Vercoulen, J.H.M.M., Galama, J.M.D. et al. (1996) - Lymphocyte subsets, apoptosis and cytokines in patients with chronic fatigue syndrome - Journal of Infectious Diseases, 173 (in druk).

    39. Tijdelijk instituut voor coordinatie en afstemming (1996) - 'Medisch arbeidsongeschiktheidscriterium' Ė Richtlijn Ė Amsterdam : Tica.

    40. Vercoulen, J.H.M.M., Swanink, C.M.A., Galama, J.M.D. et al. (1991) - Het chronische-moeheidssyndroom Ė 11. - Psychosociale hypotheses - Nederlands Tijdschrift voor de Geneeskunde, 135: 2010-2014.

    41. Vercoulen, J.H.M,M., Swanink, C.M.A., Fennis, J.F.M. et al. (1994) - Dimensional assessment of chronic Fatigue Syndrome - Journal of Psychosomatic Research, 38: 383- 392.

    42. Vercoulen, J.H.M.M., Swanink, C.M.A., Fennis, J'.F.M. et al. (1996) - Prognosis in chronic fatigue syndrome : a prospective study on the natural course - Journal of Neurology, Neurosurgery and Psychiatry, 60: 489-494.

    43. Vercoulen, J.H.M.M., Swanink, C.M.A., Zitmati, F.G. et Ed. (1996) - Randomised, double-blind, placebo-controlled study of fluoxetine in chronic fatigue syndrome - The Lancet, 347: 858-861.

    44. Wessely, S. (1989) - Management of chronic (postviral) fatigue syndrome - Journal of the Royal College of General Practitioners, 39: 26-29.

    45. Wessely, S., Chalder, T., Hirsch, S. et al. (1995) - Postinfectious fatigue : prospective cohort study in primary care - The Lancet, 345 1333-1338.

    46. Wilson, A., Hickie, I., Lloyd, A. et al. (1994) - The treatment of chronic fatigue syndrome : Science and speculation - American Journal of Medicine, 96: 544-550.


    Cfr. : http://www.me-net.dds.nl/meweb/ned14.txt

    Cfr. ook 'Langdurige lichamelijk onverklaarde moeheidsklachten : samenvatting, conclusies en aanbevelingen voor het beleid van de medicus practicus' : http://www.me-net.dds.nl/meweb/ned15.txt 

    25-02-2006 om 09:10 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Hospicevoorzieningen - Een goede plek om te sterven - Palliatieve zorg in Nederland
    Klik op de afbeelding om de link te volgen
         Sint-Maarten ('Sinterklaas')
         http://www.ond.vlaanderen.be/edison/Archief/Wat/Evenementen/Feestdagen/Sint/Sint.htm



         Hospicevoorzieningen

         Bron : Rob Bruntink
         'Een goede plek om te sterven - Palliatieve zorg in Nederland'
         Uitgeverij Plataan, Zutphen. 2002 
         cfr. :
    http://www.dood.nl/showit.php3?cid=127 
         Nederlandse Hospice Beweging (NHB) 
         cfr. :
    http://www.zorgwelzijn.nl/artikelen/pietersluis.htm 
         Contactpersoon : Andre de la Porte : 053-5305672
         Jaarverslag 2004 Ė cfr. :
    http://www.vhnederland.nl/


         1. - Historie

    Op deze pagina`s vindt u korte historische beschrijvingen van de opkomst van hospicezorg en palliatieve zorg. Er wordt eerst aandacht besteed aan de Nederlandse historie. Daarna volgt de internationale blik.


    1.1 - Geschiedenis van de hospices Ė Nationaal

    De eerste voortekenen van wat later de Nederlandse hospicebeweging werd, zijn te traceren in het begin van de jaren tachtig. Enkele pioniers hadden kennis gemaakt met hospices in Groot-BrittanniŽ. Onder die pioniers zaten relatief veel verpleegkundigen, een enkele (verpleeghuis)arts en betrokkenen uit de christelijke zuil van de gezondheidszorg en de patiŽntenverenigingen. Eťn van deze pioniers, Pieter Sluis, destijds huisarts in Nieuwkoop, nam in 1984 het initiatief tot de oprichting van de Stichting Elisabeth KŁbler-Ross Nederland Ė cfr. : http://www.kubler-ross.nl/ -. Deze stichting wilde haar ideeŽn over bewust sterven en rouwverwerking in Nederland bekend maken. Ook priester Rob van Hellenberg Hubar zette zijn ervaringen in Groot-BrittanniŽ om in concrete daden. Hij richtte in 1987 de Stichting Elckerlijck Ė cfr. : http://www.elckerlijck.nl/ - op, een Ďstichting voor bewustwording rond sterven en levení.

    Beide organisaties hadden in eerste instantie als doel de hospicegedachte te verspreiden of Ė als onderdeel daarvan Ė een bewustwording op gang te brengen rondom het denken over leven en dood. Een folder van Elckerlijck hierover : ĎHet enige wat nog telt als het sterven nabij is, is de kostbare, resterende tijd goed en rustig samen door te brengen, om elkaar te troosten. Om op een goede manier afscheid van elkaar te nemen. Maar vaak schiet dat er in onze jachtige samenleving bij iní.
    Eveneens essentieel voor de visie van beide stichtingen was dat zij het sterven als proces van innerlijke groei (voor zowel de patiŽnt als voor diens naaste omgeving) zagen. ĎOnze laatste dagení, zo meldde een brochure van Elckerlijck, Ďzouden tot de meest waardevolle van ons leven kunnen behoren. Ze bieden ons de laatste kans om kennis over te dragen, afscheid te nemen, onverwerkte zaken af te maken, herinneringen na te laten, te genieten van het levení.

    Met de oprichting van deze stichtingen ontstonden podia voor mensen die zich stoorden aan de medisch-technische dominantie in de zorg voor ongeneeslijk zieke patiŽnten. Er ontstond een cultuur waarin sterven niet als het ultieme falen van de gezondheidszorg werd gezien, maar als een normale, bij het leven horende fase.

    Kort na de oprichting van de Stichting Elisabeth KŁbler-Ross startte Sluis in 1988 met enkele tientallen vrijwilligers het eerste hospice in Nederland: het bijna-thuis-huis in Nieuwkoop. Hij richtte ook een koepelorganisatie op : de Nederlandse Hospice Beweging (NHB) - cfr. : http://www.palliatievezorg.nl/?s_page_id=811 - . De NHB is in 2001 opgevolgd door de vereniging Vrijwilligers Hospicezorg Nederland (VHN) Ė cfr. : http://www.vhnederland.nl/ -, die in 2005 fuseerde met de Stichting Vrijwilligers Terminale Zorg en nu Vrijwilligers Palliatieve Terminale Zorg heet.
    Priester Van Hellenberg Hubar bewandelde andere wegen, maar ook zijn inzet, samen met die van het Leger des Heils Ė cfr. : http://www.legerdesheils.nl/website/basicsite.nsf//wwwVwContent/l1home.htm -, leidde in 1994 tot de oprichting van een nieuw hospice : Rozenheuvel in Rozendaal Ė cfr. : http://www.rozenheuvel.nl/ .
    De geschiedenis van de Nederlandse hospicebeweging is niet volledig als niet ook naar twee andere hospices wordt verwezen : hospice Kuria in Amsterdam Ė cfr. : http://home.hetnet.nl/~s.holsappel/2003/kuria.html - en het Johannes Hospitium in Vleuten Ė cfr. : http://www.johanneshospitium.nl/index.html -. Beide hospices zijn in 1992 vanuit religieuze betrokkenheid ontstaan. Het initiatief voor het Amsterdamse hospice kwam van een aantal hervormde en gereformeerde kerken. Het hospice in Vleuten is opgericht met steun vanuit de Maltezer Ė cfr. : http://www.maltezerorde.nl/ - en Johanniter Orde Ė cfr. : http://www.johanniterorde.nl/orde/jorde.html -.

    In 1984 werd de Stichting Landelijke Samenwerking Terminale Zorg opgericht, de voorloper van de Stichting Vrijwilligers Terminale Zorg (VTZ). VTZ-organisaties, die patiŽnten en naasten thuis ondersteunen, merkten in de praktijk dat er soms behoefte was aan een vervangend thuis, omdat er weinig mantelzorg was of omdat de mantelzorgers oververmoeid raakten. Zo ontstond een aantal VTZ-organisaties met een hospice of bijna-thuis-huis erbij.

    In 1996 werd het Netwerk Palliatieve Zorg voor Terminale PatiŽnten Nederland (NPTN) Ė cfr. : http://www.palliatief.nl/nationaal/palliatiefcontent.html?pid=2333 - opgericht. Het gros van de hospices en bijna-thuis-huizen dat in de pioniersfase was ontstaan, werd lid van deze vereniging. Sinds midden jaren í90 van de vorige eeuw kwam een ware hausse aan nieuwe hospices en bijna-thuis-huizen op gang. Ook in of bij verpleeg- en verzorgingshuizen werden speciale Ďhospice-afdelingení of Ďpalliatieve unitsí opgericht. Daarmee is hospicezorg geÔntegreerd geraakt in de reguliere gezondheidszorg.


    1.2 - Geschiedenis van de hospices Ė Internationaal

    De allereerste hospices stammen uit de vierde eeuw. Het waren rusthuizen voor vermoeide pelgrimsreizigers. Na verloop van tijd legden deze huizen zich steeds meer toe op de fysieke verzorging van de vaak zwaar gehavende pelgrims. Ook omwonenden van het hospice konden er voor verzorging terecht. De gastvrije huizen verdwenen pas na de middeleeuwen, toen ze werden overgenomen door artsen die er ziekenhuizen van maakten.

    In het midden van de negentiende eeuw werd de traditie van deze hospices nieuw leven ingeblazen door de FranÁaise Jeanne Garnier Ė cfr. : http://www.pallianet.org/206.0.html - en de Ierse Sisters of Charity Ė cfr. : http://www.sistersofcharityofjesusandmary.zvl.org/lifetodayNl.html -. Garnier richtte LíAssociation des Dames du Calvaire Ė cfr. : http://www.ips-communication.com/mmjg/pages/dames_calvaire/presentation.htm - op en startte in 1843 het eerste hospice voor ongeneeslijk zieken in Lyon. Daarna volgden hospices in onder meer Parijs, St. Etienne en Marseille. In het Ierse Dublin werd in 1879 het eerste hospice van de Sisters of Charity opgericht : Our Ladyís Hospice for the Dying Ė cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/entrez/query.fcgi?cmd=Retrieve&db=pubmed&dopt=Abstract&list_uids=10320877&query_hl=2&itool=pubmed_docsum -. Daarna volgden hospices in AustraliŽ (Sacred Heart Hospice in Sydney Ė cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/entrez/query.fcgi?cmd=Retrieve&db=pubmed&dopt=Abstract&list_uids=8520872&query_hl=3&itool=pubmed_docsum -) in 1890) en Engeland (St. Josephís in Londen Ė cfr. : http://www.sjhc.london.on.ca/corp/about/history/stjoes.htm - in 1905).

    De palliatieve zorg zoals we die nu kennen, dankt haar bestaan aan een Engelse verpleegkundige en arts : Dame Cicely Saunders Ė cfr. : http://www.palliatievezorg.nl/?s_page_id=850&id=1160 & http://www.ikonrtv.nl/pastoraat/column.asp?oId=176&oItem=32 Ė (je kunt haar stem horen als je naar http://www.cicelysaundersfoundation.org/index.php/about/keyindividuals/damecicely/inconversation?PHPSESSID=40450164092a663b31ede08a41d2ff96 gaat). Zij richtte in Zuid-Londen een speciale locatie op voor mensen die in het ziekenhuis opgegeven waren en die thuis niet konden sterven : het St. Christopherís Hospice Ė cfr. : http://www.stchristophers.org.uk/ & http://www.ncbi.nlm.nih.gov/entrez/query.fcgi?cmd=Retrieve&db=pubmed&dopt=Abstract&list_uids=11596547&query_hl=7&itool=pubmed_docsum -. Volgens haar kon de gezondheidszorg nog heel veel voor deze patiŽnten en hun naasten betekenen. Met adequate pijnbestrijding bijvoorbeeld en bestrijding van andere symptomen die zich in de laatste levensfase kunnen voordoen. Hulpverleners zouden aandacht kunnen besteden aan de niet-lichamelijke problemen, bijvoorbeeld op psychosociaal en spiritueel gebied. Deze zorg zou uitbehandelde patiŽnten moeten worden aangeboden in hun eigen omgeving en, als het niet anders kon, in een vervangende omgeving die zoveel mogelijk op thuis leek. Het zou een kleinschalige, rustige omgeving moeten zijn, met ruimte voor warmte en medemenselijkheid. En waar de naasten van de patiŽnt nadrukkelijk bij de verzorging betrokken werden. Kortom: een totale begeleiding naar een waardige dood, dŠt viel aan patiŽnten en naasten nog te bieden als genezing niet meer mogelijk was.

    Vijf jaar na de start van St. Christopherís Hospice was er een internationale hospicebeweging : wereldwijd kreeg Saundersí initiatief navolging. Eerst elders in Groot-BrittanniŽ, later in de jaren zeventig ook in de Verenigde Staten, AustraliŽ en Canada. De Europese landen volgden wat later. In Duitsland werd bijvoorbeeld in 1983 het eerste hospice geopend, en in Spanje in 1984. In 1988 werd het eerste hospice in Nederland opgericht (een Ďbijna-thuis-huisí in Nieuwkoop Ė cfr. : http://www.hospiceliemeernieuwkoop.nl/ -).

    Toen Saunders in 1967 haar hospice in Zuid-Londen opende, was er dus feitelijk sprake van het begin van een derde golf van hospices. Professionaliteit kenmerkte deze laatste golf; in St. Christopherís Hospice werd de meest recente kennis over pijn- en symptoombestrijding ingezet. Ook werd wetenschappelijk onderzoek onder patiŽnten uitgevoerd. Hospice-medewerkers droegen hun kennis uit door onderwijs te geven aan hulpverleners die elders in de zorg werkten. Ook werd een consultatiedienst voor artsen opgezet. De vele hospices die Saundersí voorbeeld volgden, zorgden ervoor dat palliatieve zorg in de jaren zeventig en tachtig steeds meer voet aan de grond kreeg in de Britse geneeskunde. In 1987 werd palliatieve geneeskunde hier een erkend specialisme, vergelijkbaar met de status van interne geneeskunde of oncologie. Groot-BrittanniŽ telt inmiddels meer dan tweehonderd hospices (voor BelgiŽ Ė cfr. : http://www.palliatief.be/ -).

    Van groot belang voor de ontwikkeling van hospicezorg in de jaren zeventig zijn de publicaties van de Zwitsers-Amerikaanse psychiater Elisabeth KŁbler-Ross Ė cfr. : http://www.kubler-ross.nl/ & http://users.belgacom.net/bn481228/ -. Zij wordt Ė samen met Cicely Saunders Ė gezien als grondlegger van de wereldwijde hospicebeweging. In 1969 publiceerde zij haar boek 'Lessen voor levenden - Gesprekken met stervenden' Ė cfr. : http://www.nnbh.com/showtitel.cgi?isbn=9026316739&prijs=12.50&titel=Elisabeth%20K%26uuml%3Bbler-Ross%2C%20Lessen%20voor%20levenden(reserveren)&nur=740&genre=&bestellen=reserveren -, waarin voor het eerst aandacht werd besteed aan de emoties van stervenden en naasten. Met deze en daaropvolgende publicaties heeft KŁbler-Ross baanbrekend werk verricht op het gebied van rouwverwerking en de acceptatie van de dood. Haar boeken zorgden ervoor dat de vraag Ďhoe gaan we om met de stervenden ?í op de maatschappelijke agenda kwam te staan.

    Het begrip 'palliative care' wordt in 1973 geÔntroduceerd door de Canadese arts Balfour Mount Ė cfr. : http://www.cmaj.ca/cgi/content/abstract/153/3/334 -. In datzelfde jaar gebruikt men dit begrip, als neologisme, ook voor het eerst in de Nederlandse medische literatuur. De meest gebruikelijke uitleg van het begrip verwijst naar het Latijnse woord 'pallium', dat 'mantel' betekent. De mantel wordt als metafoor gezien voor de zorg die palliatieve hulpverleners aan ongeneeslijk zieken geven. De functie van de mantel voert terug op een anekdote over de Heilige Martinus Ė cfr. : http://nl.wikipedia.org/wiki/Martinus_van_Tours -, die bij een stadspoort een bedelaar tegenkwam en hem de helft van zijn wollen mantel gaf, onder het motto : ĎIk kan je niet van je (geld)problemen afhelpen, maar ik kan er wel voor zorgen dat je je wat beter voelt.í Hulpverleners in de palliatieve zorg geven eenzelfde soort boodschap af : ĎIk kan je niet meer genezen, maar ik kan er wel voor zorgen dat je lijden zoveel mogelijk beperkt wordt.í
    Er bestaat ook een tweede, verwante uitleg van het begrip 'palliative care'. De term zou niet verwijzen naar 'pallium', maar naar 'palliare', dat 'bemantelen' of 'toedekken' betekent. Een palliativum werd vroeger in de geneeskunde beschouwd als een lapmiddel dat weliswaar symptomen toedekte, maar geen enkele geneeskrachtige werking had. En inderdaad : een middel dat vanuit een op genezing gerichte benadering een lapmiddel is, kan vanuit een palliatieve zorgvisie een remedie zijn waarmee doeltreffend symptomen kunnen worden verlicht.



    2. - Soorten hospicevoorzieningen

    Palliatieve zorg wordt verleend daar waar de patiŽnt ongeneeslijk ziek en/of stervende is. Dat kan dus thuis zijn, maar ook in een zorginstelling. Er zijn enkele honderden instellingen die zich gespecialiseerd hebben in palliatieve zorg. Deze hospicevoorzieningen zijn bedoeld voor mensen die in hun laatste levensfase om wat voor een reden dan ook niet in het ziekenhuis of thuis kunnen/willen verblijven.

    De gespecialiseerde hospicevoorzieningen in Nederland staan bekend onder verschillende namen. Er worden vijf typen onderscheiden :

    • Hospices en bijna-thuis-huizen (low care hospice & (high care hospice) - De zich bijna-thuis-huis noemende locaties hebben geen medisch of verpleegkundig personeel in dienst. Er werken hoofdzakelijk vrijwilligers.
      Een bijna-thuis-huis is Ďthuisverplaatste zorgí. De huisarts van de opgenomen gast of bewoner Ė men spreekt hier zelden over patiŽnten Ė houdt de medische verantwoordelijkheid; verpleegkundige hulp komt van de (reguliere) thuiszorg. Bijna-thuis-huizen bieden zogeheten laag-complexe zorg (daarom ook wel low care-hospices genoemd). Dat wil zeggen dat in deze huizen alleen mensen kunnen wonen bij wie geen ingewikkelde, medische problematiek speelt.
      Anders dan in de door vrijwilligers gedreven bijna-thuis-huizen, werkt in de (high care-)hospices een veelheid aan beroepsgroepen. Dat varieert van een arts tot een psycholoog of geestelijk verzorger, van verpleegkundigen tot vrijwilligers. In dit opzicht zijn deze locaties de wat meer professionele hospices. Ook mensen bij wie een gecompliceerde medische situatie bestaat, kunnen hier terecht.
      Omdat zowel de high- als low-care hospices (waaronder de bijna-thuis-huizen) de naam Ďhospiceí gebruiken, kan er verwarring ontstaan over de beschikbare zorg. Van de buitenkant is er geen verschil te zien tussen een high care-hospice en een bijna-thuis-huis. Het zijn veelal gewone huizen (rijtjeshuizen, twee-onder-ťťn-kap woningen, vrijstaande huizen) in gewone straten.

    • Afdeling in het verpleeghuis - Er worden in Nederland verschillende benamingen gebruikt voor de gespecialiseerde afdelingen in verpleeghuizen waar mensen in hun laatste levensfase worden opgenomen. Bij het ene verpleeghuis heet het Ďde palliatieve unití, bij de andere Ďhospice-afdelingí. De afdelingen zijn over het algemeen klein : gemiddeld 4-6 bedden. Iedere bewoner heeft een eigen kamer, die hij met eigen spullen mag inrichten.
      De afdelingen zijn voornamelijk bedoeld voor mensen Ďvan buiten de instellingí : mensen die thuis of in het ziekenhuis verblijven en daar niet willen of kunnen blijven. De zorg wordt verleend door het reguliere personeel van het verpleeghuis of door gespecialiseerde verpleegkundigen en verzorgenden. Een verpleeghuisarts is doorgaans verantwoordelijk voor de medische zorg. Indien nodig, kunnen andere zorgverleners Ė geestelijk verzorgers, diŽtisten, fysiotherapeuten Ė worden ingeschakeld. Soms werken er ook vrijwilligers op de afdeling.

    • Afdeling in het verzorgingshuis - Er worden in Nederland verschillende benamingen gebruikt voor de gespecialiseerde afdelingen in verzorgingshuizen waar mensen in hun laatste levensfase worden opgenomen. Bij het ene verzorgingshuis heet het Ďde palliatieve unití, bij de andere Ďhospice-afdelingí. De afdelingen zijn over het algemeen klein: gemiddeld 2-3 bedden. Iedere bewoner heeft een eigen kamer, die hij met eigen spullen mag inrichten.
      De afdelingen zijn voornamelijk bedoeld voor mensen Ďvan buiten de instellingí: mensen die thuis of in het ziekenhuis verblijven en daar niet willen of kunnen blijven. De zorg wordt verleend door het reguliere personeel van het verzorgingshuis, of door gespecialiseerde verpleegkundigen en verzorgenden. Soms zijn vrijwilligers bij de zorg betrokken. De huisarts blijft verantwoordelijk voor de medische zorg.

    • Afdeling in het ziekenhuis - Het aantal ziekenhuizen met een aparte afdeling voor palliatieve zorgverlening is beperkt.
      De `palliatieve unit` van het Daniel den Hoed Kliniek (Erasmus Medisch Centrum) Ė cfr. : http://www.familiehuis.nl/ - in Rotterdam is de meeste bekende. Er worden hoofdzakelijk mensen vanuit het eigen ziekenhuis of thuis opgenomen. De zorg wordt verleend door gespecialiseerde verpleegkundigen en artsen. Er werken geen vrijwilligers. Daarnaast zijn er units in onder meer Amersfoort Ė cfr. : http://www.hospicedome.nl/ - en Dordrecht Ė cfr. : http://www.vriendenvandepatio.nl/index.html -.

    Informatie over de dagelijkse gang van zaken en de sfeer in hospicevoorzieningen vindt u hier. Ook wordt een overzicht gegeven van de dorpen en steden waar gespecialiseerde hospicevoorzieningen te vinden zijn.



    3. - Kenmerken en sfeer

    Hoewel er uiteraard verschillen bestaan tussen de ene afdeling en het andere hospice, zijn er toch enkele overeenkomstige kenmerken van gespecialiseerde zorgvoorzieningen te geven :

    • Bij voorbeeld over de kamer.
      De bewoners krijgen nadrukkelijk de ruimte een eigen accent aan de kamer te geven. De standaard-inrichting bestaat doorgaans uit een bed, een kast, een tafel en een stoel. Bewoners kunnen hier een klok, een schilderij, een wandkleed of snuisterijen van zichzelf aan toevoegen. Meestal zijn kleine huisdieren, zoals vogels, honden en katten, toegestaan.

    • Er zijn geen vaste tijden voor opstaan, wassen of eten.
      Wannťťr dat gebeurt, is zoveel mogelijk afhankelijk van de wens van de patiŽnt. Naasten kunnen daar ook gewoon bij betrokken blijven als dat gewenst wordt. De meeste voorzieningen kennen geen vaste bezoekuren. Naasten kunnen dus de hele dag in en uit lopen en kunnen ook zelf in de keuken koffie en thee zetten. Voor partner en/of familie zijn er bijna altijd logeermogelijkheden. Naasten kunnen gebruik maken van aparte logeerkamers, maar in de praktijk wordt vaak een extra bed in de kamer gezet.

    • De sfeer in een hospice of op een afdeling voor palliatieve zorg is, in tegenstelling tot de verwachtingen die bij velen leven, allerminst zwaar. Het idee bestaat dat het er in het hospice alleen maar triest en zielig aan toegaat en dat alles in het teken van de dood staat. Natuurlijk wordt dit niet kunstmatig naar de achtergrond verdrongen. Maar een hospice of afdeling is ook huis vol leven, waar gekookt en gewassen moet worden, waar gelachen kan worden en waar het zelfs gezellig kan zijn.
      Ook patiŽnten kunnen opzien tegen de sfeer die ze in de hospicevoorziening verwachten aan te treffen. Tekenend hiervoor is bij voorbeeld de uitspraak : ďNu kom ik in het mortuarium terechtĒ. Een begrijpelijke constatering, want hoe je het ook wendt of keert: een opname in een hospicevoorziening is een stapje dichter bij de dood. Maar een week later zei hij Ė vol verbazing Ė dat dat mortuarium een aards paradijs bleek te zijn.
      Ook naasten ervaren geen sfeer van zwaarmoedigheid of triestigheid in een hospice of op een afdeling palliatieve zorg. Integendeel. Naasten zijn vrijwel zonder uitzondering positief over de sfeer. Dat betekent echter niet dat naasten het niet moeilijk kunnen hebben met een opname. Daarover kunt u hier verder lezen.



    4. - Opname regelen


    4.1 Ė Opnamecriteria

    Er kan onderscheid worden gemaakt tussen medische en sociale opnamecriteria :

    • een medisch opnamecriterium dat bijna overal gehanteerd wordt, is dat de patiŽnt een levensverwachting heeft van maximaal drie maand. Een arts Ė huisarts of specialist Ė moet dat op ťťn of andere wijze hebben aangegeven. Dat betekent niet dat de patiŽnt ook daadwerkelijk binnen die tijd moet overlijden; het verblijf kan gerust oplopen tot een veel langere tijd.
      De aanwezigheid van psychiatrische stoornissen (persoonlijkheidsstoornissen bij voorbeeld) wordt veelal als contra-indicatie gezien. De hospicevoorzieningen beschouwen zichzelf niet als ideaal voor deze groep patiŽnten.

    • hospicevoorzieningen hanteren naast medische criteria ook sociale opnamecriteria. Mensen kunnen worden opgenomen in een hospicevoorziening als er bij voorbeeld weinig of geen mantelzorg beschikbaar is of als het huis waarin de patiŽnt woont te klein is.


    4.2 Ė Intakegesprek

    Tijdens een intake-gesprek beoordeelt de coŲrdinator van de hospicevoorziening of de patiŽnt baat kan hebben bij opname.
    Er wordt informatie gegeven over het reilen en zeilen van de hospicevoorziening. Ook wordt over de financiering gesproken. Soms wordt dit gesprek met de patiŽnt gevoerd, soms met de naasten, soms met patiŽnt Ťn naasten. Tijdens het gesprek moet voor de coŲrdinator duidelijk worden dat de patiŽnt voldoet aan de opnamecriteria die door de voorziening gehanteerd worden. In de regel kan een opname plaatsvinden binnen enkele dagen na het intake-gesprek.


    4.3 - Perspectief van naasten

    Intensieve zorg valt voor mantelzorgers hooguit enkele weken vol te houden. Daarna zitten ze op de bodem. Het verzorgen van een ongeneeslijk zieke partner, ouder of kind is zwaar. Een opname in een hospicevoorziening is echter niet altijd een opluchting.

    Sterker nog : gevoelsmatig wordt de ellende soms alleen maar groter. ĎVoor mantelzorgers kan de opname het moment zijn waarop het falen benadrukt wordtí, zegt verpleegkundige Renťe Boogers van een hospicevoorziening in Roermond. ĎZe konden het immers niet aan, luidt het zelfverwijt. Soms hebben ze letterlijk beloofd dat hun vader of moeder thuis zou sterven, dat ze het tot het eind zouden volhouden. Het feit dat ze hun belofte niet kunnen nakomen, doet hen erg zeer. Familieleden kunnen zich in het begin dan ook erg opstandig opstellen. Ze hebben de zorg toch uit handen moeten geven. Ik kan me dat nare gevoel goed voorstellen. Ik zou mijn ouders ook het liefst tot aan het eind thuis willen verzorgen. Als dat dan niet meer lukt, ondanks de eigen inzet, ondanks de hulp van thuiszorg en huisarts, dan moet dat verschrikkelijk moeilijk zijn.í

    De ervaring wijst uit dat er na die eerste moeilijke fase vrij snel een volgende fase aantreedt, waarin positief op de opname wordt gereageerd. ĎEr vallen opeens heel wat zorgen van de naasten afí, zegt Renťe Boogers. ĎIk zeg altijd tegen de familie: ĎDe energie die u eerst moest steken in huishoudelijke of verzorgende taken zoals de was doen, boodschappen halen, koken enzovoorts kan nu gestoken worden in de leuke dingen, zoals bij uw geliefde zijn, voorlezen, dat soort zaken. Het contact kan daardoor waardevoller worden. Zo ervaren ze dat zelf ook

    Het eventueel aanwezige schuldgevoel kan ook verdwijnen doordat naasten inzien dat hun dierbare in goede handen is : ĎIk kon het niet opbrengen om mijn vader thuis te verzorgen toen hij uit het ziekenhuis ontslagen werd. Omdat ik me daar schuldig over voelde, was ik juist zo blij dat mijn vader in het hospice maximale begeleiding kreeg, en zich erg op zijn gemak voelde.í

    De opnamecriteria spelen een rol in het intake-gesprek.



    5. - Wat kost het ?


    De palliatieve zorg die de gespecialiseerde instellingen of afdelingen verlenen, wordt vergoed door de AWBZ (de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten). Eventueel benodigde medicijnen en hulpmiddelen worden meestal geheel vergoed door de zorgverzekering.

    Toch wordt daarnaast om een eigen bijdrage van de bewoners gevraagd. Deze kan per dag variŽren van een paar tot enkele tientallen euroís. Voor de hospices en bijna-thuis-huizen geldt dat zij, meer dan de palliatieve afdelingen die onderdeel zijn van een verpleeg- of verzorgingshuis, voor een gezonde financiŽle exploitatie niet genoeg hebben aan de AWBZ-inkomsten. Zij moeten dus extra inkomsten genereren om huisvesting, kantoorkosten of opleidingen van vrijwilligers te financieren. Inkomsten uit eigen bijdragen van bewoners zijn dan ook, naast inkomsten uit fondsenwerving of sponsoring (135), van essentieel belang voor een hospice of bijna-thuis-huis.

    Fondsenwerving en sponsoring - Om te kunnen blijven bestaan, moeten hospices en bijna-thuis-huizen eigen financiŽle middelen verwerven. Die middelen kunnen het resultaat van sponsor- of fondsenwerfacties zijn, maar kunnen ook bestaan uit schenkingen (zoals erfenissen en legaten) van patiŽnten of giften van naasten die op deze manier het hospicewerk willen steunen. Soms komt de financiŽle steun zelfs in de overlijdensadvertentie tot uitdrukking : ĎIn plaats van bloemen, graag een donatie op rekeningnummer 123456789 van hospice X te Y.í


    Cfr. : http://www.palliatievezorg.nl/?s_page_id=811

    25-02-2006 om 08:56 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het wonder van vergeven
    Klik op de afbeelding om de link te volgen


        Willem Glaudemans




       
    Het wonder van vergeven

        Willem Glaudemans
        Ankh-Hermes, Deventer, 2002 - ISBN 90 202 8271 9


        Dit boek van Willem Glaudemans mag met zijn 359 blz. wel een standaard werk worden genoemd. Hij noemt het zelf terecht een werkboek. Nou dat is het ook, je leest het bepaald niet in ťťn keer uit !

    De indeling is overzichtelijk verdeeld in drie delen :

    • Deel 1 - Wat is vergeven ?

    • Deel 2 - Zeven ingangen tot vergeving.

    • Deel 3 - Vergeven en begeleiden.

    Hoe laat je diep bij jezelf naar binnen kijken ?
    De schrijver laat je weinig kans om omtrekkende bewegingen te maken. Hij drukt je als het ware steeds weer op de feiten. We worden sterk geconfronteerd met ons ego : íWanneer we niet naar het ego kijken, is dat de beste garantie dat het oude pijn-verhaal blijft bestaan. Dan verdringen we het voor de zoveelste keer en blijven we geloven in het oppervlakte-verhaal van de schuld van de dader...' en verder : ĎHet gekwetste ik, voelt pijn, haat, verdriet en kwaadheid. Hoe kan het dan vergeven, hoe kan het boven zichzelf uitstijgen en vergeven ? ...'

    Deel 1 - Deze kant van vergeven wordt uitvoerig behandeld in deel 1. Wat uiteindelijk de leidraad is : vergeven is een wilsbesluit.
              
    Deel 2 (de hoofdmoot met 188 blz.) gaat erover hoe we moeten afzien van wraak, vergelding, haat, wrok, slachtofferschap, beschuldigingen, ongelijkwaardigheid, superioriteitsgevoel en valse zelfbeelden. En hij eindigt met : ĎHoe kun je jezelf vergeven ?í
    Dit deel is, met zijn vele praktijkvoorbeelden en oefeningen aan het eind van ieder hoofdstuk, een grondig college.
           
    Deel 3 - De begeleiding van het vergevingsproces met zeven ingangen, is een handreiking voor hulpverleners. Het geheel wordt Ďluchtigerí door vele korte uitspraken en spreuken.

    Een waardevol boek !


    Cfr. : http://www.internetboekhandel.nl/nurpage.cgi?nur=720&sort=alfa&find=9020282719#9020282719

    25-02-2006 om 08:49 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Chronisch zieke patiŽnt moet bewegen
    Klik op de afbeelding om de link te volgen




             Chronisch zieke patiŽnt 
             moet bewegen

             © 2005 Medisch Contact
             Laatst gewijzigd : 22-04-2005


    Het spiermassaverlies bij chronische patiŽnten is niet alleen slecht voor de conditie, er is ook een negatief effect op de kwaliteit van leven en het sterfterisico neemt toe. Daarom is het van belang om deze patiŽnten weer zo veel mogelijk in beweging te krijgen, stelde prof. dr. Annemarie Schols vandaag in haar oratie 'In beweging door verbinding' - cfr. ook 'Nutritional depletion and physical impairments in patients with chronic obstructive pulmonary disease - Implications for therapy' : http://www.pul.unimaas.nl/persons/index.htm?schols.htm -.
    De nieuwe hoogleraar ĎVoeding en metabolisme bij chronische ziektení gaat in Maastricht onderzoek doen naar de processen achter de vermindering van spiermassa.

    ďZieke dieren stoppen met eten en verstoppen zich omdat ze onvoldoende kracht hebben en een gemakkelijke prooi zijn voor hun vijandĒ, vertelde Schols vanmiddag tijdens het uitspreken van haar oratie ĎIn beweging door verbindingí. Ook bij mensen komt dergelijk gedrag voor. Gebrekkige voedselinname bij ziekte is voor de mens echter geen oplossing, maar een probleem, vervolgde Schols : ďVoeding is niet alleen een basisbehoefte, maar kan ook een cruciale rol spelen in de behandeling van ziekte.Ē

    De relatie tussen voeding en ziekte is al lang duidelijk maar wordt pas sinds kort op waarde geschat, aldus de nieuwe hoogleraar. Al in de jaren zestig werd aangetoond dat gewichtsverlies het sterfterisico bij longpatiŽnten sterk verhoogt. Destijds nam men echter aan dat een verminderd metabolisme een logisch gevolg was van de afname van de longfunctie. Onderzoek van Schols eind jaren tachtig heeft deze aanname omver geworpen. Met gevoelige meetapparatuur werd toen aangetoond dat het metabolisme vaak juist verhoogd is bij patiŽnten met longemfyseem.
    ďDit verklaart ook waarom sommige patiŽnten afvallen, ondanks een ogenschijnlijk normale voedselinname. De bevinding dat gewichtsverlies niet alleen het sterfterisico verhoogt, maar dat gewichtstoename na een periode van energierijke voeding zelfs leidde tot een verbetering van de overleving van patiŽnten met chronische longziekten, illustreert het therapeutisch belang van voedingĒ, aldus Schols.

    Veel chronische patiŽnten kampen met een geleidelijke verslechtering van hun fysieke conditie. Gezien hun lichamelijke beperkingen, lijkt dit vanzelfsprekend, maar dit is het niet. Bij chronische patiŽnten met duidelijke beperkingen bestaat er geen relatie tussen de ernst van de orgaanfunctiestoornis en het conditieverlies.
    Annemarie Schols : ďDe klachten blijven zelfs bestaan na optimale behandeling met medicijnen gericht tegen de orgaanstoornis en zelfs na radicalere interventies zoals chirurgie of transplantatie. Zo bleek uit een recent onderzoek in samenwerking met de afdeling Nierziekten van het AZM, dat zelfs na een succesvolle niertransplantatie, de lichamelijke conditie van veel patiŽnten in dezelfde mate was verminderd als van nierdialysepatiŽnten op de wachtlijst voor transplantatie.Ē

    Schols hoopt dat bij de groeiende groep chronisch patiŽnten gezondheidswinst kan worden geboekt door de spierkracht te verbeteren. Het uithoudingsvermogen wordt vooral bepaald door de samenstelling en het metabolisme van de spier. Spiergerichte therapieŽn dienen dan ook gericht te zijn op het normaliseren van spierkracht en uithoudingsvermogen. Door onderzoek te doen naar de verstoorde regulatie van het metabolisme wil Schols zo veel mogelijk chronische patiŽnten weer in beweging krijgen. (TvV)


    Cfr. : http://medischcontact.artsennet.nl/content/resources//AMGATE_6059_138_TICH_R1507621114475388// 

    25-02-2006 om 08:44 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (4 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Arbeid als therapie - Bedrijfsarts kan iatrogene invaliditeit helpen voorkomen
    Klik op de afbeelding om de link te volgen
    Arbeid als therapie

    Bedrijfsarts kan iatrogene invaliditeit helpen voorkomen

    A.T.M. Besamusca-Ekelschot, psychiater, lid Raad van Bestuur van Mesos Medisch Centrum te Utrecht
    Medisch Contact 13 april 2001 - 56 - nr. 13
    Laatste wijziging op : 12/22/2005
    Bron : ARBO-advies
    © ARBO-advies.nl

    Noot : 'iatrogene invaliditeit' = invaliditeit die ontstaan is door de (medische) behandeling


    Werknemers die met psychische klachten aan de kant zitten, moeten zo snel mogelijk weer aan het werk. De bedrijfsarts kan hen daarbij helpen. Openheid en helderheid zijn essentieel.


    1. - Samenvatting

    Bij ziekteverzuim door psychische problemen is zelden sprake van psychiatrische problematiek in strikte zin. Als duidelijk is wat er dan wel aan de hand is, kunnen in vele gevallen de werkzaamheden direct worden hervat, waardoor bovendien medicalisering van problemen wordt voorkomen. Bedrijfsartsen moeten het beoordelen, begeleiden en coŲrdineren goed van elkaar onderscheiden en een open houding aannemen tegenover medewerkers die zich vanwege psychische problemen hebben ziek gemeld.

    Terugdringen van het ziekteverzuim is een vast punt in veel beleidsplannen. Het beleid dat hierop wordt ingezet, levert echter weinig resultaten op. De vraag is hoe dit komt. De overheid heeft de verantwoordelijkheden voor het begeleiden en beoordelen van ziekteverzuim sterk gespreid. Dit is legitiem waar het gaat om het onafhankelijk beoordelen van de uitvoering van de sociale wetgeving. Het is echter niet verantwoord als de gescheiden verantwoordelijkheden ertoe leiden dat de oplossing van het stijgende ziekteverzuim steeds verder uit beeld raakt. En dit lijkt helaas het geval. Alle reden dus om in te grijpen.


    2. - Contraproductief

    Bij ziekteverzuim vanwege psychische klachten (circa 30 procent) zitten bedrijfsartsen, huisartsen en verzekeringsartsen met de handen in het haar. Als reguliere begeleiding, die wordt gefinancierd uit het eerste compartiment, niet of niet snel tot de mogelijkheden behoort, wordt in het gunstigste geval tegen een hoge vergoeding uit het derde compartiment psychische begeleiding afgesproken bij een bedrijvenpoli. Het ziekteverzuim neemt hierdoor nog niet aantoonbaar af. In andere gevallen, de meeste, verlopen begeleiding, beoordeling en beinvloeding van de betrokkene langs verschillende wegen, die hem of haar gemakkelijk op een dwaalspoor brengen en bovendien geen rekening houden met of zelfs contraproductief zijn aan elkaar.

    Het is merkwaardig dat de zorgsector die terecht op zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid wordt gewezen, meer energie besteedt aan het vaststellen van te onderscheiden verantwoordelijkheden dan aan het realiseren van een gezamenlijk doel, namelijk dat de betrokken medewerker weer aan het werk gaat. Er wordt veel energie gespendeerd aan het onderscheid tussen arbeidsrechtelijke en medische arbeidsbeperkingen. Maar daar krijg je iemand niet mee aan het werk. Zelfs in geval van secundaire ziektewinst of situationeel verzuim wenst ook de betrokkene om gewoon aan het werk te kunnen. (Als onze tienerzoon wordt gevraagd : "Wat wil je later worden ?", antwoordt hij steevast "Gelukkig !" Niemand zal zo'n vraag in beginsel beantwoorden met 'arbeidsongeschikt', terwijl we het met zijn allen toch vaak laten gebeuren).

    Mijn stelling is dat arbeidsongeschiktheid vanwege psychische klachten vaak is te voorkomen en dat arbeidsverzuim op grond van psychische klachten daartoe steeds zo snel mogelijk moet worden aangepakt. Sterker nog, te laat ingrijpen maakt iemand ziek. De veelal therapeutische werking van arbeid wordt genegeerd. Een formeel ziekteverzuimtraject is ziekmakend en kan zelfs leiden tot ongewenste maatschappelijke effecten en sociaal isolement. Zo zijn de ingrediŽnten voor iatrogene invaliditeit, gevolg dus van medicalisering van nietmedische problemen, bijeengebracht.


    3. - Snelle werkhervatting

    Als aan enkele voorwaarden wordt voldaan, hoeven psychische klachten niet te leiden tot ziekteverzuim. Voordat een begeleidingstraject wordt gekozen, dienen huisarts en bedrijfsarts met elkaar te overleggen en in voorkomende gevallen met de in consult gevraagde psychiater. En nadrukkelijk ook met degene over wie het gaat. De begeleiding beoogt het ontstane probleem op te lossen en niet de werkhervatting zo lang mogelijk uit te stellen. Er zijn maar twee situaties waarin werkhervatting niet direct is aan te raden. Allereerst als er sprake is van een psychiatrisch ziektebeeld in engere zin waarbij de patiŽnt het contact met de werkelijkheid kwijt is of zo ernstig depressief is dat hij of zij feitelijk wordt gehinderd in de uitvoering van het werk. De spaarzame keren dat dit in de Arbo-zorg voorkomt, is het aanleiding voor psychiatrische behandeling.

    De tweede situatie betreft een psychisch probleem dat voortvloeit uit het werk, zonder dat er sprake is van een psychiatrisch ziektebeeld in engere zin. Hierbij valt te denken aan problematische arbeidsverhoudingen, interactionele problematiek, een te zware werklast of een traumatische gebeurtenis. Een dergelijk probleem moet zo snel mogelijk binnen de arbeidssituatie worden opgelost, waarna de betrokkene eventueel nog kan worden begeleid door een maatschappelijk werker of psycholoog. Snel weer aan het werk gaan, al dan niet aangepast of ander werk, voorkomt een ongewenste kentering, waarbij het probleem een loopje neemt met de persoon in kwestie en een sociaal probleem of een sociologisch gegeven wordt opgepakt als ziektebeeld. En word dan nog maar eens beter !

    Ook als boosheid op de werkgever wordt geprojecteerd, zoals nogal eens gebeurt bij een psychisch probleem of als er een werkelijke krenking door de werkgever of leidinggevende heeft plaatsgevonden, is directe verheldering in combinatie met werkhervatting aan te raden, eventueel op een andere plaats of in een andere of tijdelijke functie. Alle andere categorieŽn van psychische problemen vragen om een gerichte benadering door de bedrijfsarts in overleg met de huisarts.

    De basis van handelen is dat de betrokkene met een als ziekte vertaalde klacht een uitweg zoekt uit een probleem en hierbij moet worden geholpen. Ook bij ziektesymptomen die formele behandeling in enige vorm rechtvaardigen, heeft de betrokkene er meestal baat bij zo weinig mogelijk als patiŽnt door het leven te gaan en de dag zo normaal mogelijk door te brengen. Van ziektegedrag wordt men immers niet beter. Bij een situationeel bepaald psychisch probleem - denk aan ernstige ziekte van een verwant - heeft het de voorkeur om zorgverlof toe te kennen in plaats van ziekteverlof te accepteren. Dit veronderstelt ook afstemming tussen de bedrijfsarts en de leidinggevende. Deze afstemming zou moeten worden gerealiseerd in besprekingen die in een gunstig geval zeswekelijks plaatsvinden onder de naam 'sociaal-medisch team'. In de praktijk dienen deze besprekingen echter geen ander doel dan vaststellen hoe het ermee staat. Na zes weken is het belangrijkste kwaad al gedaan. Bovendien wordt de betrokkene er zelf niet dringend bij uitgenodigd, hetgeen ongunstig is voor de noodzakelijke verstandhouding. Als er sprake is van psychische problematiek, kunnen sociaal-medische teams op deze basis worden afgeschaft.


    4. - Rol bedrijfsarts

    Wat moet er dan wel gebeuren ? Uit het voorgaande zal duidelijk zijn dat de oplossing is te vinden in openheid en helderheid. Naast de al genoemde afstemmingstaak zal de bedrijfsarts zich meer als arts en minder als verzuimlegitimeringsbron moeten opstellen. Hij of zij zal zichzelf voor het proces van het psychische probleem moeten openstellen, de situatie moeten verhelderen en actief herstelgedrag moeten bevorderen. Daarnaast kan hij in ingewikkelde kwesties verwijzen naar huisarts, maatschappelijk werker of psycholoog.

    In een aantal gevallen betekent dit dus interventie door de bedrijfsarts zelf. Bedrijfsartsen worden echter geacht niet te behandelen. Maar niet elke interventie is een behandeling, zeker als er geen sprake in van een ziektebeeld in engere zin. De commissie-Donner, geÔnstalleerd om preventie, verzuimbegeleiding, behandeling en reÔntegratie bij elk ziekteverzuim te stroomlijnen, zal hier zeker ook op uitkomen.In geval van psychische problematiek is reÔntegratie een ongewenst, te laat en passief fenomeen. Hier past alleen actieve werkhervatting, bij voorkeur nog voordat het probleem waar het verzuim mee begon, is opgelost.

    Dan nog dit: als iemand bij een psychisch probleem werkelijke lijdensdruk ervaart en gemotiveerd is tot zelfwerkzaamheid, is het een kunstfout als een (bedrijfs)arts het contact verbreekt, tenzij elders een begeleidingstraject is gestart. Ook hierbij is natuurlijk discussie mogelijk over de vraag of de behandeling gelegitimeerd is. Deze discussie is echter zinloos, zolang het niet gaat om het bewerkstellingen van een oplossing.


    5. - Vervolgcontacten

    Bij het eerste contact met een medewerker met een psychisch probleem geldt voor een bedrijfsarts exact hetzelfde als voor een huisarts. Eerst moet de betrokkene op zijn of haar gemak worden gesteld om een optimale situatie voor een diepgaand gesprek te creŽren. Naast de psychiatrische diagnostiek gaat het om het beoordelen van sociaal gedrag, interactie en potentieel van de betrokkene. Op basis hiervan kan de bedrijfsarts afspraken maken over aard en doelstelling van de vervolgcontacten en over eventuele betrokkenheid van andere begeleiders. Voor de psychiatrische diagnostiek zijn inmiddels valide en eenduidig te interpreteren vragenlijsten beschikbaar. Voor het interactionele deel moet de arts zichzelf openstellen, omdat het anders niet lukt om de problematiek voor de betrokkene te verhelderen. Voor sommige bedrijfsartsen is dit wellicht beangstigend, maar het kan wel degelijk van de bedrijfsarts worden gevraagd.

    Een bedrijfsarts verenigt personeelszaken en medische kennis in zich. Personeelsbeheer vraagt ook om optimale helderheid. Als deze helderheid leidt tot de conclusie dat de psychische klacht slechts als arbeidsrechtelijk geschil valt te zien, kan de consequentie zijn dat betrokkene gaat uitzien naar een functie elders. Bij een gerichte en doelgerichte begeleiding zal blijken dat dit zelden aan de orde is.


    6. - Referenties

    1. Hoevers J - Kijken en ingrijpen houdt mensen uit de WAO - Medisch Contact 2000; 55 (15): 540-2.
    2. Jonghe F de - Een psychiater mag niet buiten zijn boekje gaan - De Psychiater 2000; 1: 4-5.
    3. Brink JC van den, Putters K - Zakelijkheid bedreigt autonomie - Medisch Contact 2000; 55 (25): 950-2.
    4. NRC Handelsblad 15 februari 2001 p.14 - Wie vervuilt de WAO ?
    5. Bolt A - Intentieverklaring tussen bedrijfsarts en psychiater - De Psychiater 2000; 6: 11.
    6. Knepper S - Burn-out is een gevaarlijk etiket - PSY 2000; 11: 26©7.
    7. Hagenouw RGP - De bedrijfsarts in doktersland - Medisch Contact 2000; 55 (23): 865-6.
    8. Dammers JWHH - Medische armoede - Medisch Contact 2000; 55 (46): 1650-1.
    9. Nauta AP, Grumbkow J von - Samenwerking huisartsen en bedrijfsartsen : sociaal-psychologische factoren - Public Health Congres 23 maart 2000. TSG 2000; 78 (2).
    10. Hoedeman R - Bedrijfsarts, huisarts en somatisatie - Medisch Contact 2000; 55 (38): 1335-7 Ė Cfr. 'Aanpak psychische arbeidsongeschiktheid' - Medisch Contact 2000; 55 (7): 263.
    11. Algra AF, Baartman GJ e.a. - Handelen van de bedrijfsarts bij werknemers met psychische klachten - Geautoriseerde richtlijn 28 januari 2000. NVAB.


    Cfr. : file:///E:/Jules/CFS-FMS/Arbo-advies_nl%20-%20Werken%20als%20therapie.htm# 

    25-02-2006 om 08:36 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    22-02-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Borstvoeding : hoe werkt het ?
    Klik op de afbeelding om de link te volgen
    Borstvoeding : hoe werkt het ?

    © Vereniging Borstvoeding Natuurlijk : http://www.vbn.borstvoeding.nl/


    Achter in de borst zie je een soort trosjes.
    Dat is het melkklierweefsel. Daar wordt de melk gemaakt. De "kanaaltjes" die vanuit de melkklieren naar de tepel lopen en waarin de melk wordt vervoerd, worden de melkkanaaltjes genoemd. Vlak achter de tepel bevinden zich de voorraadholtes. In de voorraadholtes heeft zich een deel van de melk verzameld, zodat de baby zodra het begint te drinken melk tot zijn beschikking heeft. Deze voormelk bevat veel water waarmee de baby zijn dorst kan lessen. Een baby die goed is aangelegd - cfr. : http://www.borstvoeding.nl/vbn/aanleg.html - heeft een groot stuk van de tepelhof in zijn mond. Door met zijn kaakjes te bewegen, worden de melkholtes die vlak achter de tepel liggen leeggemolken.

    Zodra de baby begint te zuigen, komen er twee hormonen in het lichaam vrij : prolactine en oxytocine.

    • Prolactine is een hormoon dat de melkklieren stimuleert tijdens de zwangerschap.
      Soms hebben pasgeboren babies een melkachtige afscheiding bij de tepels (heksenmelk). Dit wordt veroorzaakt door de prolactine die zij vlak voor de geboorte van de moeder hebben meegekregen.Hoe meer een baby uit de borst drinkt, hoe meer melk er zal worden aangemaakt. En als de baby minder gaat drinken, dan zal er minder melk worden aangemaakt. Dit wordt ook wel het vraag-aanbod-principe van borstvoeding genoemd : het aanbod wordt afgestemd op de vraag.

    • De oxytocine die vrijkomt als de baby aan de borst gaat zuigen, zorgt ervoor dat de melkkliertjes zich samentrekken.
      Hierdoor komt de melk die in de loop der tijd in de borst is aangemaakt en in de melkklieren ligt opgeslagen, vrij en wordt naar voren gestuwd. Deze zogenoemde achtermelk heeft een hoger vetgehalte dan de voormelk (de melk die zich al eerder in de voorraadholtes achter de tepelhof had verzameld), en zorgt ervoor dat de baby verzadigd is na de voeding.
      Deze reflexmatige reactie wordt ook wel de toeschietreflex genoemd. Veel vrouwen voelen de toeschietreflex als een tintelend of licht stekend gevoel in hun tepel Ė cfr. ook : http://www.homepages.hetnet.nl/~b1beukema/oxytocine.html

    De toeschietreflex - veroorzaakt door het vrijkomen van oxytocine - is niet alleen afhankelijk van het zuigen aan de borst.
    Ook de gemoedstoestand van de moeder heeft hier invloed op. Als ze pijn heeft of erg gespannen is, kan het gebeuren dat de toeschietreflex op zich laat wachten of helemaal niet optreedt. In de meeste gevallen helpt het al als de moeder zich even bewust ontspant door ontspannen te gaan zitten, de schouders te laten hangen en een paar keer diep in te ademen. Als de moeder pijn heeft, bijvoorbeeld door naweeŽn of door hechtingen, kan een pijnstiller soms ook helpen. Verdere trucjes om de toeschietreflex op te wekken zijn warmte, massage van de borst, een warme douche, iets warms drinken.
    In uitzonderlijke gevallen zal bovenstaande niet helpen en blijft de toeschietreflex iedere keer uit.
    Dit zal met name af en toe op kunnen treden bij vrouwen die hun melk afkolven. Deze vrouwen zouden gebaat kunnen zijn met syntocinon, een neusspray dat (synthetisch) oxytocine bevat en de toeschietreflex opwekt Ė cfr. : http://www.ziekenhuis.nl/static/medicijngids/syntocinon.pdf -. Vaak is een paar keer al genoeg om het lichaam aan te leren om zelf de toeschietreflex op te wekken.


    Cfr. :
    http://www.borstvoeding.nl/vbn/werking.html 

    Voor alle vragen over borstvoeding cfr. 
    http://www.borstvoedingbrabant.nl/html_files/vragen.html

    22-02-2006 om 01:17 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (6 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De informatiemoleculen in ons lichaam
    Klik op de afbeelding om de link te volgen








    De informatiemoleculen
    in ons lichaam


    Bomi-1
    Lichaam en geest zijn ťťn - Lichaam en geest = 1 - Body + Mind =
    1
    http://www.bomi-1-gezondheid.com/index.htm


    Er staan reeds honderden informatiemoleculen zoals serotonine, dopamide, adrenaline enz...in ons lichaam bekend en er worden er steeds nieuwe ontdekt, vooral peptiden. Het hiernavolgende overzicht is dan ook slechts een beginpunt.

    Ontwikkelingen in het geneeskundig wetenschappelijk wereldbeeld
    .../... 3.5. Neuropeptiden - Een belangrijke doorbraak welke de laatste jaren zichtbaar is geworden in het geneeskundig denken, is het besef dat het lichaam niet een kunstzinnige machine blijkt te zijn dat heeft leren denken, maar dat men eerder kan spreken van een complexiteit van intelligente gedachten, dat een lichaam heeft gecreŽerd. Wetenschappelijk is namelijk inmiddels bewezen dat er een subtiele wisselwerking bestaat tussen geest en materie door middel van neuropeptiden. Dit zijn eiwitachtige stoffen, die door de cellen worden aangemaakt, die als boodschapperstoffen in de bloedbaan door het lichaam heen getransporteerd worden, of tussen de verbinding van de zenuwcellen voor de communicatie zorgen. Onder invloed van lichaamsfuncties, emoties of gedachten worden talloze waterstof-, koolstof-, zuurstofatomen en andere deeltjes in beweging gebracht en door middel van de intelligentie van de DNA in de celkernen tot neuropeptiden gevormd. Eccles noemt dit een vorm van psychokinese, een transformatieproces tussen gedachte en materie. De cellen beschikken op deze wijze over een vocabulaire van duizenden chemische informatiemoleculen, die op de juiste momenten worden geproduceerd en geÔnterpreteerd om de lichaamsfuncties te besturen. De mens is in feite een levende gedachte, welke een lichaam creŽert door de uitwerkingen van de neuropeptiden, ontstaan door de voortdurende stroom van gebeurtenissen, op de hormonenhuishouding en daarmee op de stofwisseling en allerlei andere belangrijke lichaamsfuncties. Tot diep in onze cellen toe blijkt ons lichaam het historisch archief te zijn van ons leven. Uit het bovenstaande blijkt dus duidelijk dat er een complexe wisselwerking bestaat tussen geest en lichaam. Voortdurende geestelijke druk zoals stress veroorzaakt neuropeptiden patronen, welke de lichaamsfuncties geheel kunnen ontregelen. Ziekten die hiervan het gevolg zijn, zouden echter weer genezen kunnen worden door een juiste geestelijke behandeling. De lichaamsintelligentie zorgt dan zelf via de neuropeptiden voor de aanmaak van het perfecte medicijn. Wanneer men de patiŽnt echter van buitenaf medicijn toedient, waarbij men hem niet de juiste geestelijke begeleiding geeft, kan dit het lichaam uit evenwicht brengen, waardoor er ongewenste bijwerkingen zouden kunnen ontstaan :
    http://home.planet.nl/~bramjans/genez3.htm


    1. - Acetylcholine
    Acetylcholine is een neurotransmitter die in vele delen van de hersenen en het lichaam actief is Ė cfr. 'De werking van onze hersencellen (neuronen) en andere zenuwcellen' op :
    http://www.bomi-1-gezondheid.com/Lichaam_en_geest/electro_biochemie_gevoel.htm -. O.a. in de neuronen van de basale voorhersenen is het bijzonder aktief en dat is het deel van de hersenen dat beschadigd is bij de ziekte van Alzheimer. In het centrale zenuwstelsel is acetylcholine belangrijk voor de geheugen- en intellectuele functies. Acetylcholine speelt een belangrijke rol bij het stimuleren van de interactie tussen neuronen. Nicotine bereikt eenzelfde effekt, waardoor roken de concentratie kan bevorderen, ook via dopamine Ė cfr. 'Roken en nicotine' op : http://www.bomi-1-gezondheid.com/Lichaam_en_geest/roken_nicotine_kalmeermiddelen.htm -. Acetylcholine beÔnvloedt ook het hart en de controle over de willekeurige sceletspieren. Acetylcholine was de eerste neurotransmitter die werd ontdekt. Ze wordt ondermeer geproduceerd in de dunne darm. Stoffen zoals Atropine Ė cfr. : http://www.unitydrugs.nl/drugsdb_atropine.html - kunnen de werking van de neurotransmitter blokkeren. Zenuwgassen en pesticiden Ė cfr. 'Pesticiden in je hoofd ?' op : http://www.bomi-1-gezondheid.com/Voeding_en_geest/pesticiden%20_in_je_hoofd_biovoeding_biologisch.htm - die organofosfaten bevatten blokkeren het enzym acetylcholinesterase - cfr. : http://nl.wikipedia.org/wiki/Acetylcholinesterase -, zodat er een overmaat aan acetylcholine Ė cfr. : http://nl.wikipedia.org/wiki/Acetylcholine - in de synapsen Ė cfr. : http://nl.wikipedia.org/wiki/Synaps - ontstaat, die er een moleculaire inactiviteit veroorzaakt Ė Cfr. ook : http://nl.wikipedia.org/wiki/Acetylcholine -.

    2. - Adrenaline (Epinephrine)
    Adrenaline is zowel een hormoon als een neurotransmitter Ė cfr. 'De werking van onze hersencellen (neuronen) en andere zenuwcellen' op :
    http://www.bomi-1-gezondheid.com/Lichaam_en_geest/electro_biochemie_gevoel.htm -. Het behoort tot de vecht/vlucht-reflex. Het versterkt de ademhalingssnelheid, verwijdt de pupillen en verhoogt het hartritme. Een sterke dosis brengt het lichaam in de hoogste staat van paraatheid. Adrenaline speelt ook een belangrijke rol bij het enthousiast reageren op een uitdaging, bijvoorbeeld in de werksfeer. Maar een teveel aan adrenaline in het normale leven leidt vooral tot onrust en paranoia Ė cfr. : http://nl.wikipedia.org/wiki/Paranoia Ė Cfr. ook : http://nl.wikipedia.org/wiki/Adrenaline -.

    3. - CRF (Cortical Releasing Factor)
    CRF is een stof die de bijnierschors via de hypofyse stimuleert tot het afgeven van cortisol. Door het toedienen van CRF wordt de klier 'expres' aangezet tot het tijdelijk afgeven van extra cortisol. De arts kan met dit onderzoek ontdekken of de hypofyse en de bijnier voldoende actief zijn. De hoeveelheid cortisol kunnen we meten in het bloed.
    CRF wordt wel de depressiepeptide genoemd, omdat hersenanalyses bij zelfmoordenaars aantonen dat de concentraties aan CRF tot tienmaal hoger liggen. Een hoge concentratie aan CRF verhoogt de hoeveelheid steroiden in het bloed, die stress veroorzaken.

    4. - CCK (Cholyocystokinine)
    CCK ('verzadigingshormoon' van de darm) is een peptide Ė cfr. : 'Amide' op
    http://nl.wikipedia.org/wiki/Peptide - die wordt geproduceerd door de pancreas (wordt tijdens een maaltijd geleidelijk wordt afgescheiden uit de wand van de dunne darm in het bloed). Het reguleert de uitscheiding van verteringssappen en veroorzaakt een gevoel van verzadiging, m.a.w. het geeft ons het signaal dat we er na zekere tijd goed aan doen te stoppen met eten.
    Fenylalanine Ė cfr. :
    http://nl.wikipedia.org/wiki/Fenylalanine - en tryptofaan Ė cfr. : http://nl.wikipedia.org/wiki/Tryptofaan - stimuleren de productie van CCK. Wanneer men CCK artificiŽel toedient zal de proefpersoon niet willen eten, hoe lang de laatste maaltijd ook voorbij is. Gebruik van deze stoffen bij mensen met overgewicht is evenwel verboden omwille van risicovolle neveneffekten Ė cfr. ook 'Onderzoek naar de mechanismen van verzadiging en eetlustremming' op : http://www.kulak.ac.be/nl/Onderzoek/OnderzoekPerSubfaculteit/IRC/topic1/ -.

    5. - Dopamine
    Dopamine speelt een rol bij het bewegen, bij shizofrenie, bij de ziekte van Parkinson en wordt ook aangetroffen in het oog en in het neuronennetwerk vanuit de neus. Daarnaast is het een belangrijke neurotransmitter tussen de hersenen en de hypofyse, een klier ter grootte van een erwt die aan een steeltje onderaan de hersenen hangt. De hypofyse produceert dan weer hormonen die belangrijk zijn voor de groei, de sexuele ontwikkeling en andere lichaamsfuncties. Bij angst worden grote hoeveelheden dopamine afgescheiden die zorgen voor een fixatie op de bron van de vrees en het klaarmaken van de spieren voor een snelle reactie. In die zin reguleert dopamine de wildere effekten van andere stimulerende peptiden zoals adrenaline en noradrenaline, door alertheid met concentratie te verbinden. Vitamine B6 en magnesium zijn essentiŽel voor de aanmaak van dopamine. Het zoetmiddel Aspartaam zou de concentraties dopamine verlagen, roken zou de concentraties verhogen Ė cfr. 'Roken en nicotine' op :
    http://www.bomi-1-gezondheid.com/Lichaam_en_geest/roken_nicotine_kalmeermiddelen.htm - Cfr. ook : http://nl.wikipedia.org/wiki/Dopamine -.

    6. - Endorfine (Encephaline)
    Endorfines zijn lichaamseigen morfines Ė cfr. 'Opium, heroÔne, morfine en methadon' op :
    http://www.bomi-1-gezondheid.com/Lichaam_en_geest/opium_heroine_morfine.htm -, die als neurotransmitter fungeren. Ze werken in de eerste plaats pijn-onderdrukkend, maar zorgen ook voor een gevoel van geluk of euforie. Bij een orgasme wordt het lichaam overspoelt met endorfines. Ook de roesachtige toestand die kan ontstaan na een sterke fysieke inspanning wordt gedeeltelijk veroorzaakt door het vrijkomen van endorfine. Opium en heroÔne werken op dezelfde receptoren in als endorfine. De smaakervaring bij suikers Ė 'Chokolade Ė Family van prozac en extacy ?' op : http://www.bomi-1-gezondheid.com/Voeding_en_geest/chokolade_suikers_prozac_extacy_ecstacy.htm -, vetten en ook chokolade produceert endorfinen in het lichaam. Ook liefde tussen mensen verhoogt de hoeveelheid endorfines Ė Cfr. ook : http://nl.wikipedia.org/wiki/Endorfine -.

    7. - Fenylethylamine
    Fenylethylamine wordt ook wel de liefdespeptide genoemd, omdat we er grote hoeveelheden van produceren wanneer we verliefd zijn. Het maakt ons een beetje vrolijk tot euforisch. Fenylethylamine hoort bij verliefdheid zoals endorfine bij liefde hoort. Het zou ook een bestanddeel vormen van chokolade, kaas en rode wijn. In te hoge concentraties leidt het tot zenuwachtigheid en paranoia, zoals deze overigens ook bij verliefden voorkomen : zwetende handpalmen, snelle ademhaling, hartkloppingen,... Fenylethylamine is famillie van amfetamine. Een gebrek aan fenylethylamine vormt een belangrijke factor bij depressie Ė Cfr. ook :
    http://nl.wikipedia.org/wiki/Categorie:Fenylethylamine -.

    8. - Gamma-Aminoboterzuur (GABA)
    Gaba fungeert vooral als remmende neurotransmitter. Zowel epilepsie als rusteloosheid kunnen worden behandeld met GABA. Valium Ė cfr. : 'Roken, nicotine en kalmeermiddelen' op :
    http://www.bomi-1-gezondheid.com/Lichaam_en_geest/roken_nicotine_kalmeermiddelen.htm - verandert de verbinding van GABA zodat de remmende werking wordt versterkt Ė Cfr. ook : http://nl.wikipedia.org/wiki/Gamma-aminoboterzuur -.

    9. - Glycine
    Glycine is een neurotransmitter die de spieren relaxeert Ė Cfr. ook : http://nl.wikipedia.org/wiki/Glycine
    -.

    10. - Insuline
    Insuline is een hormoon dat bloedglucose Ė cfr. 'Glucose' op : http://nl.wikipedia.org/wiki/Glucose - helpt tot bij de cellen te komen waar het kan worden verbrand. Een te sterke suikerdosis kan ook een te sterke insulineproductie tot gevolg hebben, zodat uiteindelijk het glucosegehalte in het bloed te laag wordt Ė Cfr. ook : http://nl.wikipedia.org/wiki/Insuline -.

    11. - Noradrenaline (nordepinefrine)
    Noradrenaline heeft een sterk opwekkende werking en in vergelijk tot adrenaline leidt het eerder tot agressie dan tot angst. Drugs als amfetamine en cocaÔne Ė cfr. :
    http://www.bomi-1-gezondheid.com/Lichaam_en_geest/cocaine_caffeine_taurine.htm - verhogen de hoeveelheid noradrenaline, de eerste door het stimuleren van de productie ervan, de tweede door het belemmeren van de afbraak. Ze veroorzaken daarmee een alerte, hyperactieve toestand. Noradrenaline speelt ook een rol bij het omgaan met pijn en bij sexueel gedrag. Noradrenaline wordt gevormd door de stof dopamine, die zelf ook een neurotransmitter is. CaffeÔne uit koffie Ė cfr. 'Hyperactieve kinderen aan de cola ?' op : http://www.bomi-1-gezondheid.com/Voeding_en_geest/caffeine_coca_cola_red_bull_koffie.htm, theobromine uit cacao, theophylline uit thee behoren allen tot de famillie van de methylxanthines, die de receptoren voor noradrenaline versterken en aldus een opwekkend effekt teweeg brengen. Depressieve mensen hebben te weinig noradrenaline, euforische mensen een teveel. Reboxetine, adrafinil en modafinil zijn allen geneesmiddelen die de heropname van noradrenaline bij depressieve mensen verlagen. Een normaal niveau aan noradrenaline geeft een normaal opgewekt, alert gevoel, net als bij dopamine Ė Cfr. ook : http://nl.wikipedia.org/wiki/Noradrenaline Ė en 'Rustig op uw rug denkt u het best ' op m/blog dd. 23.11.05.

    12. - Oxytoxine
    Oxytoxine wordt tijdens het liefdesspel gesecreteerd en zorgt achteraf voor gevoelens van voldaanheid en binding. "Knuffelbeesten" of mensen met een sterke nood aan lichamelijk kontakt, hebben dikwijls een laag oxytoxine-niveau.
    Dit hormoon zorgt voor de afgifte van melk, het zorgt ervoor dat de spier dorsaal van de tepel contracteert zodat de melkzakjes geleegd worden.
    Oxytoxine is een zeer krachtig hormoon. Het ruikt naar ozon. Tijdens de bevalling kunt u het drie keer ruiken als u goed oplet. Vooral de laatste dosis kan erg heftig zijn en is om de borstvoeding op gang de brengen Ė Cfr. ook :
    http://www.woc.science.ru.nl/cgi-bin/view?oxytoxine -.

    13. - Progesteron
    Progesteron is het "moederhormoon" dat gevoelens van rust, liefde en bescherming produceert. Zowel de ovulatie, de zwangerschap als de borstvoeding stimuleren in hoge mate de produktie van dit hormoon. Als medicijn zou het ook vrouwen in de menopauze kunnen helpen. Het verhoogt ook de hoeveelheid dopamine Ė cfr. : http://nl.wikipedia.org/wiki/Dopamine - en fenylethylamine Ė cfr. bv. 'Chocamine / Theobroma cacao extract' op : http://www.creanite.com/DaviWB/Pagina41.html - Cfr. ook : http://nl.wikipedia.org/wiki/Progesteron
    -.

    14. - Serotonine
    Serotonine beÔnvloedt zeer vele gebieden in lichaam en geest. Via de hypothalamus heeft het te maken met seks, temperatuur, honger en dorst. Via de amygdala beÔnvloedt serotonine in belangrijke mate onze emoties. Onder invloed van een serotonine-onderdrukkende stof voelen we pijn bijzonder hevig. Omgekeerd wordt pijn door injectie van serotonine in het ruggemerg sterk onderdrukt. De werking van het antidepressivum Prozac - cfr. 'Prozac, LSD en extasy' op :
    http://www.bomi-1-gezondheid.com/Lichaam_en_geest/prozac_lsd_extacy_ecstacy_xtc.htm & 'Prozac : wat de dokter je niet vertelt' op m/blog dd. 29-09-05 -,berust op een verhoging van de hoeveelheid beschikbare serotonine door het afremmen van de reabsorptie. Het geeft een ontspannen gevoel en kan als dusdanig ook slaapverwekkend zijn. Hetzelfde geldt voor de drug Extacy dat een explosieve seotonineafgifte veroorzaakt. LSD verbindt zich met een receptor die bedoeld is voor serotonine en verhindert zo het effect ervan. Het lichaam heeft de essentiŽle voedingsstof tryoptofaan nodig om serotonine aan te maken, zodat te weinig eten kan leiden tot depressiviteit als gevolg van een serotoninegebrek. Serotonine is ook verbonden aan migraine. Aspartaam, het zoetmiddel gebruikt in Diet Coke en vele andere laag-calorische producten, zou de productie van serotonine verminderen en aldus tot depressie leiden. Te hoge concentraties aan serotonine kan tot rusteloosheid en concentratieproblemen leiden Ė Cfr. ook : http://nl.wikipedia.org/wiki/Serotonine & 'Serotonine - 5-hydroxytryptamine (5-HT)' op m/blog dd. 29-09-05 -.


    Cfr. :
    http://www.bomi-1-gezondheid.com/Lichaam_en_geest/serotonine_peptiden_dopamine_adrenaline.htm 

    22-02-2006 om 00:00 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (7 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    21-02-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Hersenvliesontsteking - Nationaal Kompas Volksgezondheid
    Klik op de afbeelding om de link te volgen
    Hersenvliesontsteking


    Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 3.4 - 15 december 2005
    © RIVM, Bilthoven


    1. - Kort en bondig - Hersenvliesontsteking samengevat

    1.1 - In 2003 stierven 87 personen aan hersenvliesontsteking
    De meeste gevallen van hersenvliesontsteking (meningitis) worden veroorzaakt door bacteriŽn of virussen, een klein aantal door schimmels. Over bacteriŽle infecties is in Nederland het meest bekend. De belangrijkste bacteriŽle verwekkers van meningitis zijn de meningokok, de pneumokok en de Hib-bacterie (Haemophilus influenzae type b). Het aantal gevallen van meningokokkenmeningitis (hersenvliesontsteking veroorzaakt door meningokokken) in 2003 wordt geschat op 124 mannen en 99 vrouwen (gecorrigeerd voor 20% onderrapportage). Het aantal gevallen van hersenvliesontsteking door andere bacteriŽle verwekkers wordt geschat op 241 mannen en 226 vrouwen (gecorrigeerd voor 25% onderrapportage). In het jaar 2003 stierven 41 mannen en 46 vrouwen aan hersenvliesontsteking. Het merendeel hiervan waren kinderen onder de vijf jaar.

    1.2 - Afname aantal gevallen meningokokkenmeningitis
    Vaccinatie tegen serogroep C-meningokokken is sinds september 2002 opgenomen in het Rijksvaccinatieprogramma. Hierdoor is het aantal nieuwe gevallen van hersenvliesontsteking en sepsis veroorzaakt door meningokokken gedaald. Het aantal nieuwe gevallen van hersenvliesontsteking veroorzaakt door andere verwekkers is in de periode 1998-2003 nagenoeg gelijk gebleven. In 2003 is de sterfte als gevolg van zowel hersenvliesontsteking als sepsis gedaald (respectievelijk met 17 en 53% ten opzichte van 2002).

    1.3 - Vaccinatie tegen Haemophilus influenzae type b
    Sinds juli 1993 worden kinderen ingeŽnt met een vaccin tegen Haemophilus influenzae type b (Hib). Vanaf de introductie is het jaarlijks aantal gevallen met Hib-meningitis gedaald van ruim 200 rond 1990 tot 11 in 2003. Er zijn jaarlijks nog slechts enkele gevallen van Hib-meningitis bij kinderen onder de vijf jaar.

    1.4 - Vooral vaccinatie van invloed op toekomstige trends
    Vaccinatie is de belangrijkste factor die van invloed is op de trends in hersenvliesontsteking. Voorlopig echter zullen alleen vaccins beschikbaar zijn tegen serogroep C-meningokokken en tegen een deel van de pneumokokken, maar niet tegen de meest voorkomende verwekker van hersenvliesontsteking, serogroep B-meningokokken. Voor hersenvliesontsteking die veroorzaakt wordt door andere verwekkers dan meningokokken blijft het aantal nieuwe gevallen en de sterfte naar verwachting gelijk.


    2. - De ziekte, de determinanten en de zorg voor de patiŽnt

    2.1 - Wat is hersenvliesontsteking en wat is het beloop ?
    2.1.1 - Ziektebeeld
    2.1.1.1 - Hersenvliesontsteking wordt veroorzaakt door bacteriŽn, virussen of schimmels
    Hersenvliesontsteking (meningitis) is een ontsteking van de vliezen (meningen) die hersenen en ruggenmerg omgeven. De onderverdeling van hersenvliesontsteking volgens de
    ICD-9 en ICD-10 is weergegeven in tabel 1. De meeste gevallen van hersenvliesontsteking worden veroorzaakt door bacteriŽn of virussen, een klein aantal door schimmels. Het is belangrijk te weten of een hersenvliesontsteking bacterieel is of viraal. Er zijn namelijk verschillen in symptomatologie, behandeling en beloop.
    2.1.1.2 - BacteriŽle hersenvliesontsteking
    De belangrijkste bacteriŽle verwekkers van meningitis zijn de meningokok (Neisseria meningitidis), de pneumokok (Streptococcus pneumoniae) en de Hib-bacterie (Haemophilus influenzae type b). Tot 1994 veroorzaakten deze drie bacteriŽn zo'n 85% van de gevallen van bacteriŽle hersenvliesontsteking. De meningokok was daarbij verantwoordelijk voor 44% van de gevallen (Dankert et al., 2001), de Hib-bacterie voor 26% (Van Alphen et al., 1997) en de pneumokok voor 15%. In de eerste levensmaanden worden Escherichia coli en Streptococcus agalactiae (groep B streptokokken) het meest geÔsoleerd (Mulder, 1984). Bij infectie met de bacterie Neisseria meningitidis, de meningokok, is sprake van een meningokokkeninfectie. Deze infectie (ook meningokokkenziekte genoemd) kan leiden tot meningitis of tot sepsis (cfr. ook : meningokokken C).
    2.1.1.3 - Meningokokkemie leidt tot hersenvliesontsteking of sepsis
    De meningokok (Neisseria meningitidis) komt bij veel mensen voor als een onschuldige keelbacterie. Bij een enkeling kan de meningokok door het slijmvlies van de keel de bloedbaan bereiken. Dit heet meningokokkemie. Meningokokkemie kan leiden tot meningokokkensepsis. De ziekteverschijnselen zijn te vergelijken met de ziekteverschijnselen die horen bij sepsis veroorzaakt door andere bacteriŽn (zie ook sepsis). In de meeste gevallen bereikt de meningokok via de bloedbaan de hersenvliezen. Er ontstaat dan hersenvliesontsteking oftewel meningitis. Bij een deel van de patiŽnten, 10 ŗ 30%, ontstaan kort na het begin van de meningokokkemie zeer ernstige ziekteverschijnselen. De patiŽnt is slecht aanspreekbaar en op de huid zijn bloedinkjes zichtbaar in de vorm van kleine vlekjes. Bij deze ziekte kan de functie van diverse organen in korte tijd verslechteren, hetgeen in ernstige gevallen binnen een dag de dood tot gevolg kan hebben. Men spreekt dan van fulminante meningokokkensepsis of het syndroom van Waterhouse-Friderichsen. Opvallend is dat bij patiŽnten met meningokokkensepsis vaak geen hersenvliesontsteking optreedt. Ondanks veel onderzoek is nog niet duidelijk welke factoren bepalen dat meningokokkemie bij de meeste patiŽnten leidt tot hersenvliesontsteking en bij een klein deel tot fulminante meningokokkensepsis.
    2.1.1.4 - Symptomen afhankelijk van verwekker en van leeftijd patiŽnt
    De symptomen van hersenvliesontsteking zijn afhankelijk van de verwekker en van de leeftijd van de patiŽnt. De belangrijkste symptomen zijn hoofdpijn, koorts en verschijnselen van prikkeling van de hersenvliezen, bijvoorbeeld nekstijfheid. Misselijkheid en braken komen veel voor, stuipen en een verlaagd bewustzijn niet zo vaak. Bij jonge kinderen en ouderen ontbreken vaak de typische verschijnselen zoals nekstijfheid. Bij babyís kan de fontanel uitpuilen door de verhoogde druk. Bij een infectie door meningokokken ontstaan vaak puntvormige huidbloedinkjes.
    2.1.2 - Beloop
    2.1.2.1 - BacteriŽle hersenvliesontsteking leidt meestal tot ziekenhuisopname
    De ontstaanstijd van bacteriŽle hersenvliesontsteking varieert van enkele uren tot enkele dagen. PatiŽnten met een bacteriŽle hersenvliesontsteking moeten over het algemeen in het ziekenhuis worden opgenomen, een tot vijf dagen na het begin van de ziekte. Hun toestand is eerst vaak matig tot slecht. Een meningokokkeninfectie kan gepaard gaan met erg veel zich delende bacteriŽn in het bloed (sepsis). Deze sepsis kan zo heftig zijn dat de patiŽnt binnen 12 uur na het begin van de ziekte sterft door zeer snel verergerende, onbehandelbare shock (syndroom van Waterhouse-Friderichsen). Sommige patiŽnten krijgen, soms blijvende, neurologische complicaties, bijvoorbeeld: gehoorstoornis, stuipen, hersenzenuwuitval of een waterhoofd (hydrocephalus). Virale hersenvliesontsteking verloopt milder. Niet alle patiŽnten hoeven in het ziekenhuis te worden opgenomen en de prognose is goed.
    2.1.2.2 - Sterftekans bij hersenvliesontsteking afhankelijk van de verwekker
    Sterfte bij meningitis is afhankelijk van de verwekker. De sterftekans is lager bij virale hersenvliesontsteking dan bij bacteriŽle hersenvliesontsteking. Voor patiŽnten met bacteriŽle hersenvliesontsteking is de prognose het slechtst wanneer deze wordt veroorzaakt door pneumokokken. De sterftekans bij bacteriŽle hersenvliesontsteking door Haemophilus influenzae is kleiner. Circa 25% van de patiŽnten met bacteriŽle hersenvliesontsteking houdt er blijvende restverschijnselen aan over (meestal een gehoorstoornis).
    2.1.2.3 - Beloop sterk verbeterd door introductie van antibiotica
    Zonder behandeling is bacteriŽle meningitis in zeker 80% van de gevallen letaal. De introductie van anti-microbiŽle middelen kort na de Tweede Wereldoorlog betekende dan ook een enorme vooruitgang. Daarna is de sterfte niet verder gedaald. Dit komt niet zozeer door onvoldoende werkzaamheid van de beschikbare antibiotica, maar doordat bacteriŽle hersenvliesontsteking vaak voorkomt bij kwetsbare populaties zoals babyís, ouderen en mensen met een verminderde weerstand. Daarnaast lijken de afweerprocessen die zich binnen de patiŽnt afspelen een grote rol te spelen bij het bepalen van de uiteindelijke afloop. Deze processen zijn grotendeels onafhankelijk van het toegediende antibioticum (cfr. verder : Welke factoren beÔnvloeden de kans op hersenvliesontsteking ? -).
    2.1.2.4 - Geen veranderingen in beloop van hersenvliesontsteking verwacht
    In de ziektestadia en het beloop van hersenvliesontsteking zijn geen veranderingen opgetreden in de laatste jaren. Veranderingen daarin worden ook niet verwacht.

    2.2 - Welke factoren beÔnvloeden de kans op hersenvliesontsteking ?      
    2.2.1 - Overdracht van bacteriŽn via de lucht
    De verwekkers van bacteriŽle hersenvliesontsteking bevinden zich bij dragers Ė niet zieke personen Ė vaak in de neus-keelholte. Zo draagt bijvoorbeeld 10% van de bevolking de meningokok met zich mee. De bacteriŽn worden via de lucht van mens op mens overgedragen door praten, hoesten, kussen en dergelijke. Soms komen de bacteriŽn in de bloedbaan terecht. Ze kunnen dan
    sepsis veroorzaken. Bereiken de bacteriŽn via de bloedbaan de hersenvliezen, dan ontstaat hersenvliesontsteking.
    2.2.2 - Gastheerfactoren bepalen mede of ziekte ontstaat
    Of de bacteriŽn onschuldige keelbewoners blijven, dan wel sepsis of hersenvliesontsteking veroorzaken, hangt af van tal van factoren. Ten eerste zijn er de determinanten die samenhangen met de gastheer, zoals lage of hoge leeftijd, en situaties waarbij de afweer verminderd is. Dit kan aangeboren zijn of veroorzaakt door ziekte of medische behandeling. Ook kan de verwekker in bepaalde situaties direct de hersenvliezen bereiken en hersenvliesontsteking veroorzaken. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een schedelbasisfractuur, ernstige oorontsteking en na een operatie.
    2.2.3 - Vaccinatie tegen hersenvliesontsteking
    Sinds 1 juli 1993 worden kinderen ingeŽnt met een vaccin gericht tegen Haemophilus influenzae type b (Hib). Het vaccin is opgenomen in het Rijksvaccinatieprogramma. Het beschermt tegen hersenvliesontsteking en andere ziekten door Hib, zoals sepsis, epiglottitis (infecties van strottenklepje), cellulitis (huidinfecties), pneumonie (longontsteking) en artritis (ontsteking van gewrichten). Vanaf de introductie van het Hib-vaccin in 1993 is de incidentie van hersenvliesontsteking veroorzaakt door Hib gestaag gedaald. Tussen 1988 en 1992 varieerde het jaarlijks aantal patiŽnten met hersenvliesontsteking veroorzaakt door Hib tussen 200 en 240. Het aantal patiŽnten bedroeg 39 in 1995 en 11 in 2003 (Van Alphen et al., 1997; AMC/RIVM, 2004).
    Sinds 2001 zijn ook vaccins beschikbaar tegen serogroep C-meningokokken en tegen een deel van de pneumokokken. Tegen de meest voorkomende verwekker van meningitis, serogroep B-meningokokken is nog geen vaccin beschikbaar. Sinds september 2002 is vaccinatie tegen serogroep C-meningokokken onderdeel van het Rijksvaccinatieprogramma. Alle peuters worden eenmalig ingeŽnt op de leeftijd van 14 maanden (zie ook: Rijksvaccinatieprogramma). Daarnaast is medio 2002 een eenmalige landelijke vaccinatiecampagne uitgevoerd om kinderen tussen 1-18 jaar te vaccineren tegen meningokokken C. Vanaf de introductie van het vaccin tegen serogroep C-meningokokken in 2002 is een sterke daling waarneembaar in het aantal gevallen van hersenvliesontsteking veroorzaakt door meningokokken (zie ook : Neemt het aantal mensen met hersenvliesontsteking toe of af ?).

    2.3 - Wat zijn de mogelijkheden voor diagnostiek en behandeling ?        
    2.3.1 - Diagnose gesteld met behulp van ruggenprik
    Wanneer op basis van de symptomen sterke aanwijzingen aanwezig zijn voor hersenvliesontsteking, is een ruggenprik een geschikt middel voor het stellen van de diagnose. Hierbij wordt met een naald vloeistof afgetapt uit het ruggenmergkanaal. Troebele ruggenmergvloeistof duidt op een infectie. Door middel van kleuring, bacteriekweek en virologisch en biochemisch onderzoek kan de definitieve diagnose worden gesteld.
    2.3.2 - Behandeling in het ziekenhuis
    In de meeste gevallen worden patiŽnten met hersenvliesontsteking in het ziekenhuis opgenomen, al dan niet via de huisarts. Vaak zijn kinderartsen de behandelaars. Soms worden patiŽnten behandeld door internisten of neurologen.
    2.3.3 - BacteriŽle hersenvliesontsteking behandeld met antibiotica
    Zonder behandeling is bacteriŽle hersenvliesontsteking in zeker 80% van de gevallen letaal. Voor patiŽnten met (vermoede) bacteriŽle hersenvliesontsteking worden antibiotica gekozen op grond van epidemiologische gegevens, kweek en gevoeligheidsbepaling (zie ook: richtlijnen meningitis
    CBO). Meestal is een penicilline-preparaat voldoende: penicilline G bij meningokokken of pneumokokken, en amoxicilline bij Haemophilus influenzae. In Nederland kwam ongevoeligheid van Haemophilus influenzae voor amoxicilline bij 7% van de gevallen in 2003 voor. Van de meningokokken was 2% verminderd gevoelig voor penicilline en van de pneumokokken 1% (Bron : RBM).
    2.3.4 - Behandeling met aanvullende of andere middelen
    Zolang de aard van de verwekker nog niet bekend is, wordt ťťn van de hiervoor genoemde middelen gegeven, of wordt als enig antibioticum ťťn van de nieuwere cefalosporines gegeven (
    Van de Beek et al., 2002). Bij pasgeborenen wordt vaak een combinatie gegeven van amoxicilline en een derde generatie cefalosporine. Bij complicaties zoals stuipen, shock of hydrocephalus (waterhoofd) kan respectievelijk additionele medicatie, verpleging op een afdeling voor intensive care of een neurochirurgische ingreep nodig zijn.
    2.3.5 - Virale meningitis verloopt meestal mild
    Niet alle patiŽnten met een virale hersenvliesontsteking hoeven in het ziekenhuis te worden opgenomen. Vaak geneest deze vorm van hersenvliesontsteking spontaan. In sommige gevallen kan behandeling met anti-virale middelen worden gegeven.


    3. - Omvang van het probleem

    3.1 - Hoe vaak komt het voor en hoeveel mensen sterven eraan ?
    3.1.1 - Hersenvliesontsteking in tweederde van de gevallen niet veroorzaakt door meningokokken
    In 2003 werden 186 gevallen van hersenvliesontsteking veroorzaakt door meningokokken gerapporteerd: 101 mannen en 81 vrouwen. Voor 4 gerapporteerde gevallen was het geslacht onbekend (Bron : RBM).
    In 2003 werden 374 gevallen van hersenvliesontsteking gerapporteerd die veroorzaakt werden door andere bacteriŽle verwekkers dan meningokokken: 189 mannen en 178 vrouwen. Voor 7 gerapporteerde gevallen was het geslacht onbekend (Bron :
    RBM).
    3.1.2 - Incidentie het hoogst bij kinderen onder de vijf jaar
    Hersenvliesontsteking komt met name voor bij kinderen onder de vijf jaar. In 2003 was 47% van de nieuwe patiŽnten met meningokokkenmeningitis jonger dan vijf jaar. Voor hersenvliesonsteking veroorzaakt door andere bacteriŽle verwekkers bedroeg dit percentage 39% (Bron : RBM).
    3.1.3 - In 2003 stierven 87 personen aan hersenvliesontsteking
    In 2003 stierven 41 mannen en 46 vrouwen ten gevolge van hersenvliesontsteking (0,51 per 100.000 mannen en 0,56 per 100.000 vrouwen; Bron : CBS Doodsoorzakenstatistiek). Bovendien overleden nog eens 11 mannen en 3 vrouwen aan de gevolgen van een infectie van het bloed met meningokokken (sepsis).
    3.1.4 - Gegevensbronnen en kanttekening bij de cijfers
    Het Nederlands Referentielaboratorium voor BacteriŽle Meningitis (RBM) ontvangt op vrijwillige basis van bacteriologische laboratoria uit heel Nederland bacteriestammen die van patiŽnten met hersenvliesontsteking afkomstig zijn. Deze worden nader getypeerd. De registratie is niet volledig, maar geeft een onderschatting, die waarschijnlijk wel door de tijd heen constant is. Als gecorrigeerd wordt voor onderrapportage moet de incidentie van hersenvliesontsteking veroorzaakt door meningokokken met 20% opgehoogd worden, de incidentie van hersenvliesontsteking door andere bacteriŽn met 25%.
    Na correctie voor de onderrapportage (plus 20%) wordt het aantal nieuwe gevallen (incidentie) van hersenvliesontsteking veroorzaakt door meningokokken in 2003 geschat op 1,55 per 100.000 mannen (absoluut 124) en 1,21 per 100.000 vrouwen (absoluut 99).
    De incidentie van hersenvliesontsteking veroorzaakt door andere bacteriŽle verwekkers wordt in 2003, na correctie voor de onderrapportage (plus 25%), geschat op 3,01 per 100.000 mannen (absoluut 241) en 2,76 per 100.000 vrouwen (absoluut 226) Ė cfr. :
    Incidentie en sterfte naar leeftijd en geslacht

    3.2 - Neemt het aantal mensen met hersenvliesontsteking toe of af ?
    3.2.1 - Afname aantal gevallen hersenvliesontsteking door meningokokken
    De incidentie van hersenvliesontsteking veroorzaakt door meningokokken is in de periode 1980-1990 flink toegenomen. Hierbij is niet gestandaardiseerd voor het aantal mensen per leeftijdsgroep. De vastgestelde toename is echter niet te verklaren door toename van het aantal kinderen in de leeftijdscategorie van 0 tot 5 jaar in deze periode. In de periode 1990-2001 fluctueerde het aantal gevallen van hersenvliesontsteking in lichte mate (zie figuur 1). Vanaf 2002 is een sterke daling waarneembaar in het aantal gevallen van hersenvliesontsteking door meningokokken. Dit is met name toe te schrijven aan een daling in meningokokkenmeningitis en sepsis veroorzaakt door serogroep C-meningokokken. In 2001 bedroeg dit aantal nog 276 en in 2003 was dit aantal teruggelopen tot 42. De incidentie van hersenvliesontsteking door andere verwekkers dan meningokokken is in de periode 1989-1998 gedaald en in de daaropvolgende periode (1998-2003) nagenoeg gelijk gebleven (zie figuur 1).
    3.2.2 - Ook daling van sterfte aan hersenvliesontsteking
    In de jaren tachtig is de sterfte aan hersenvliesontsteking licht gestegen, maar daarna is er tot 2002 geen duidelijke trend zichtbaar (zie figuur 2). In 2003 is de sterfte als gevolg van hersenvliesontsteking met 17% afgenomen ten opzichte van 2002. De sterfte als gevolg van infectie van bloed met de meningokokken (sepsis) is tot 2002 ongeveer gelijk gebleven. In 2003 is de sterfte als gevolg van sepsis met 53% gedaald ten opzichte van 2002.
    3.2.3 - Vaccinatie verantwoordelijk voor daling incidentie en sterfte
    Sinds juli 1993 worden zuigelingen ingeŽnt met een vaccin gericht tegen Haemophilus influenzae type b (Hib). Deze vaccinatie heeft geleid tot een afname van het aantal gevallen van hersenvliesontsteking door andere verwekkers dan meningokokken.
    Sinds september 2002 is vaccinatie tegen serogroep C-meningokokken opgenomen in het
    Rijksvaccinatieprogramma. Bij deze vaccinatie worden alle peuters eenmalig ingeŽnt op de leeftijd van 14 maanden. Daarnaast is medio 2002 een eenmalige landelijke vaccinatiecampagne uitgevoerd om kinderen tussen 1-18 jaar te vaccineren tegen meningokokken C. Als gevolg van vaccinatie is het aantal gevallen van hersenvliesontsteking veroorzaakt door meningokokken vanaf 2002 afgenomen. (zie ook : Welke factoren beÔnvloeden de kans op hersenvliesontsteking ?).


    4. - Geografische verschillen - Zijn er internationale verschillen ?

    4.1 - Nederland heeft relatief hoge incidentie meningokokkeninfectie
    Nederland heeft een relatief hoge incidentie van meningokokkeninfectie (
    ICD-10 A39) (zie figuur 1). Het is echter moeilijk om de incidentiecijfers tussen de verschillende Europese landen te vergelijken. Dat komt doordat de rapportage van meningokokkeninfectie binnen Europa in ongelijke mate en op verschillende wijze plaatsvindt. Figuur 1 dient dus slechts als globale indicatie van de verschillen. Europese cijfers van hersenvliesontsteking (meningitis) door meningokokken (ICD-10 A39.0) zijn niet verkrijgbaar.

    Figuur 1 - Incidentie van meningokokkeninfectie in Europa per 100.000 inwoners, 1999/2000. (bron : Noah & Henderson, 2001)

    4.2 - Nederland relatief hoge sterfte meningokokkeninfectie
    Door de relatief hoge incidentie, is ook de sterfte aan meningokokkeninfectie in Nederland hoog in vergelijking met andere Europese landen (figuur 2a). Ook de sterfte aan hersenvliesontsteking door een andere oorzaak dan meningokokken is in Nederland relatief hoog (figuur 2b).

    Figuur 2a - Gestandaardiseerde sterfte meningokokkeninfectie* in Europa, 2000. ( New Cronos, 2005)
    Figuur 2b - Gestandaardiseerde sterfte hersenvliesontsteking anders dan door meningokokken* in Europa, 2000. (
    New Cronos, 2005)

    4.3 - Sterfte aan hersenvliesontsteking komt het vaakst voor bij jonge kinderen
    In Europa komt sterfte aan hersenvliesontsteking door zowel meningokokken als door andere oorzaken het vaakst voor bij kinderen van 0 tot 5 jaar (figuur 3). Hierin wijkt Nederland niet af van de andere landen van de EU-25. In figuur 3 lijkt er voor de jongste leeftijdsgroep een verschil in sterfte te zijn tussen Nederland en de EU-25. Dit verschil is echter niet significant.

    Figuur 3 - Sterftecijfer per leeftijdscategorie door meningokokkeninfectie* in Nederland en de EU-25, 2000. (New Cronos, 2005)

    4.4 - Afname meningokokkenmeningitis door vaccinatie
    Na een toename in Nederland en BelgiŽ in het aandeel zieken veroorzaakt door meningokokken van serogroep C in 1999 en 2001, is nu een afname zichtbaar. Deze afname is het gevolg van serogroep C-vaccinatieprogramma's die in 2002 geÔntroduceerd zijn (cfr. ook : Rijksvaccinatieprogramma). Spanje, Engeland & Wales en Ierland kenden in 2000 al een afname van het aandeel serogroep C-gevallen, als gevolg van invoering van serogroep C-vaccinatiecampagnes in 1999. Het aandeel van de gevallen die veroorzaakt zijn door serogroep C is erg variabel. In Europa komen serogroep B-meningokokken het vaakst voor als oorzaak van meningokokkeninfectie, gevolgd door serogroep C.

    Cfr. :
    http://www.rivm.nl/vtv/object_document/o2003n16935.html

    Lees ook :

    21-02-2006 om 23:34 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Veerle François (42) stortte van de ene dag op de andere in
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

        Veerle FranÁois (42) 
        stortte 
        van de ene dag op de andere 
        in

        Het Nieuwsblad, 20/02/2006

    ,,Ik ben van de ene dag op de andere in elkaar gestortíí, zegt Veerle FranÁois (42).
    ,,Eigenlijk had ik het kunnen zien aankomen. Ik sleepte me van vakantie naar vakantie. Maar er even bij stilstaan dat iets niet klopte, kwam niet in me op. Voor de buitenwereld Ė en mezelf Ė had ik ogenschijnlijk alles om gelukkig te zijn.íí

    Steeds meer mensen krijgen een depressie.
    Vandaag al bijna ťťn op de vijf. Het kan ons allemaal overkomen. Het is geen zwakte. Toch blijven we het angstvallig verzwijgen. ,,Praat eroveríí is het eensluidende advies van de mannen en vrouwen die in deze reeks van vijf afleveringen het taboe doorbreken terwijl wetenschappers uitleggen wat een depressie is.


    Vandaag deel ťťn : de dubbele kwetsbaarheid van vrouwen.

    Steeds meer mensen krijgen een depressie.
    Vandaag wordt al vijftien procent van de Belgen er in zijn leven mee geconfronteerd: tien procent van de mannen en twintig procent van de vrouwen. Binnen het jaar krijgt vijf procent een depressie. De Wereldgezondheidsorganisatie waarschuwt dat depressie dť ziekte van de eenentwintigste eeuw wordt.
    Een depressie, zo denkt de goegemeente, is een teken van zwakte.
    Zodra je depressie hebt gehad, blijf je labiel. Dergelijke fabeltjes voeden het taboe en het stigma. Deze artikelenreeks zal ze ontkrachten. Correcte informatie is de beste preventie en remedie.
    ,,Zolang je je schaamt over je depressie en het niet uitlegt, moet je niet verbaasd zijn dat anderen het niet begrijpeníí, zegt Veerle FranÁois (42). ,,Het is wel moeilijk in woorden te vatten. Een depressie, wat is dat ? Leegte. Je kiest daar niet voor. Het overkomt je.íí

    Waar ligt het verschil tussen een voorbijgaand dipje en een ,,klinischeíí depressie die om behandeling vraagt ?
    De diagnose van een depressie gebeurt meestal op basis van de zogeheten DSM IV-schaal die u elders op deze paginaís aantreft. DSM staat voor 'Diagnostic and Statistic Manual of Mental Disorders' Ė cfr. : http://nl.wikipedia.org/wiki/Diagnostic_and_Statistical_Manual_of_Mental_Disorders -.

    Wie minstens vijf van de negen symptomen van de DSM-schaal heeft en dat gedurende zeker twee weken, heeft in medische termen een depressie.
    De eerste twee symptomen, depressieve gevoelens en verlies van interesse en plezier, můeten aanwezig zijn.
    Bij vijf tot zes symptomen heb je een lichte depressie, bij zeven een matige en bij acht tot negen symptomen een ernstige depressie.
    ,,Je komt snel aan vijf criteria van de DSM-schaalíí, zegt professor in de psychiatrie, Koen Demyttenaere van de KU Leuven ,,maar een patiŽnt die zich zwaar depressief voelt op zijn werk maar nog van een voetbalmatch kan genieten, heeft geen depressie in de enge medische betekenis. Een echte depressie slaat op het hele leven en heeft een ernstige impact op je sociaal ťn familiaal ťn professioneel functioneren.íí
    Veerle : ,,Toen ik voor de derde keer met maagklachten bij mijn huisarts aanklopte, wou die een gastroscopie Ė cfr. : http://www.gezondheid.be/index.cfm?fuseaction=art&art_id=1768 - laten doen. Daar was ik als de dood voor. Het was een vrijdag. ís Morgens ben ik gewoon gaan werken. Ik kwam toe, ben beginnen wenen en ben niet meer gestopt.íí
    ,,Eigenlijk had ik het kunnen zien aankomen. Ik was al een jaar om de haverklap ziek. Sleepte me van vakantie naar vakantie. Soms kon ik niet inslapen of ik werd midden in de nacht wakker en kon de slaap niet meer vatten. Twee jaar na de geboorte van mijn jongste dochter Lies Ė ze was vier toen ik instortte Ė was ik op twee jaar 20, 25 kilo bijgekomen.íí

    Veerle is mama van drie kinderen, was getrouwd en werkte negentig procent.
    Ze was beleggingsadviseur in een bank. ,,Ik heb een diploma Germaanse filologie. Het liefst wou ik lesgeven maar toen ik afstudeerde kon je de straten plaveien met Germanisten. Geleidelijk aan werd duidelijk dat de job van bankadviseur met mijn gezin combineren niet evident zou zijn.íí
    ,,Nadat ik was ingestort, heb ik heel het weekend geslapen. Jij hebt een ernstige depressie, zei de huisarts. Een depressie ?! Ik, Veerle, die zů dynamisch was, sportte, hard werkte, drie kinderen opvoedde, op woensdagnamiddag naar hot en her rende om de kinderen naar hun hobbyís te rijden en ook nog toneel speelde ? Komaan !íí
    ,,Voor de buitenwereld- ťn in mijn ogen, had ik alles om gelukkig te zijn. Gezonde kinderen, een eigen huis, leuke baan, een begripvolle man, een actief sociaal levenÖ Toch voelde ik me niet lekker maar ik duwde het weg.íí
    Wordt de diagnose 'depressie' gesteld, dan duurt het vaak nog een hele poos voor de patiŽnt dat wil aanvaarden.
    ,,Ik had het ŗllemaal onder controleíí, zegt Veerle. ,,Dacht ik. Ik můest het gevoel hebben greep te hebben op de dingen, was zeer perfectionistisch. Kon niets uit handen geven, ook niet op mijn werk. Ging ik ís avonds sporten, dan vertrok ik niet voor het huis er piekfijn uitzag. Alles lag klaar voor de kinderen : de papfles, de pyjamaís...íí
    ,,Na mijn studies had ik met mezelf afgesproken dat ik zolang de kinderen klein waren thuis zou blijven om voor hen te zorgen. Maar dat kon financieel niet want wij waren aan het bouwen. Zoals zoveel vrouwen, zat ik geprangd tussen werk en gezin.íí

    Dubbel zoveel vrouwen als mannen krijgen een depressie.
    Vrouwen verinnerlijken hun problemen, mannen veruitwendigen ze en worden agressief of krijgen een alcoholprobleem. Ook zoeken vrouwen sneller hulp.
    Vrouwen worden dan wel ziek, mannen gaan dood.
    Slechts half zoveel mannen als vrouwen krijgen een depressie maar ze plegen wel twee keer zoveel zelfmoord. De dubbele dagtaak maakt vrouwen extra kwetsbaar voor depressies. Het is nog altijd doorgaans de vrouw die het meeste in het huishouden doet, ook als beide partners voltijds werken. ,,Niet zelden willen vrouwen dat zelfíí, zegt socioloog Piet Bracke van de Universiteit Gent. ,,Dan zijn ze tenminste thuis heer en meester. Want de werkvloer is nog altijd een mannenwereld die beheerst wordt door de logica van rivaliteit en competitie. Mannen hebben van kinds af geleerd daar mee om te gaan en voelen zich daar goed bij. Vrouwen willen geen strijd.íí

    Veerle heeft van in het begin antidepressiva genomen.
    Enkele weken later, toen de medicijnen begonnen te werken, is ze in therapie gegaan. ďIk wou op zoek naar het waarom en besefte dat ik er alleen niet zou uitgeraken.íí
    ,,Het is goed te kunnen praten met iemand die zich onpartijdig opstelt. In therapie gaan, is wel intensief werken en hťťl confronterend. Mijn psychologe zei : ďTrek langzaam alle schuifjes open, beslis wat je wil overhouden en wat je kwijt wil. Grote schoonmaak houdenĒ. Ik heb hťťl veel veranderd in mijn leven. Vandaag heb ik een andere job.Ē

    Mijn man en ik zijn aan het scheiden

    ,,Ja, ik durf best stellen dat ik uit die depressie veel geleerd heb. Tegen heel wat zaken ben ik anders gaan aan kijken. Voor mezelf leren zorgen, dat was het belangrijkste en het moeilijkste. Minder hoge eisen stellen aan mezelf. Patronen van jŗren en jŗren leren loslaten. Zelf bepalen hoe ik leef en wanneer en hoe ik mijn huishouden run.íí
    ,,Drie jaar heb ik erover gedaan om er bovenop te geraken. Tegen de pijn van een depressie bestaat geen medicijn. Onze maatschappij heeft het zeer moeilijk met emotionele pijn. Dat mag je niet voelen of minstens niet tonen. Leren wij onze kinderen wel goed met emoties omgaan, conflicten oplossen ?
    íí

    ,,Een depressie is een signaal dat je op een manier aan het leven bent waarmee je op de lange termijn niet kunt doorgaaníí, zegt psychologe en therapeute Marleen Van Cutsem. ,,Het neemt al je energie weg, legt je lam. Het is vaak een gevolg van veel te sterk zijn. Ze hebben het al zůlang volgehouden en plots gaat het niet meer. Om het spoor van het leven te blijven, moet je nu en dan verstillen. Een depressie noopt je daartoe.íí

    Piet Bracke bracht als eerste de evolutie van de depressieve gevoelens van de Belgen in kaart.
    Dat deed hij op basis van het Huishoudpanel. In acht jaar Ė wat een zeer korte tijd is Ė is het aantal klachten van depressiviteit beduidend toegenomen. Dat bevestigt de theorie dat het aantal depressies wel degelijk is gestegen en dat er naast psychologische en biologische ook maatschappelijke verklaringen zijn.
    Daarom pleit Bracke voor een bredere kijk op depressies.
    ,,Psychiaters kijken enkel naar de ergste gevallen. Maar er leeft bij de Belgen een brede waaier van gevoelens van onlust Ė gaande van een dipje tot een klinische depressie Ėwaar we niet achteloos mogen aan voorbijgaan want ze maken ook ziek.íí

    Met andere woorden: we hebben allemaal de blues.

    De economische kost van klinische depressies door afwezigheid op het werk en een onvoldoende adequate behandeling wordt in ons land op ongeveer 1,03 miljard euro per jaar geraamd.
    ďHet economische prijskaartje van de latente, onderhuidse malaise van de Belgen moet nog vťťl hoger liggenĒ, zegt Bracke. ďBovendien zijn angst en depressiviteit belangrijke voorspellers van echte klinische depressies.Ē
    Walen en Brusselaars zijn meer depressief dan Vlamingen.
    De onlustgevoelens stijgen tot de leeftijd van 35 tot 50 jaar, gevolgd door een daling.
    Depressie in de medische betekenis neemt toe tot 45, 50 jaar.

    Zowel mannen als vrouwen voelen zich erg down na een echtscheiding maar ze zijn opvallend minder ongelukkig dan acht jaar geleden.
    Hoe meer mensen in je omgeving uit elkaar gaan, hoe minder erg je het vindt.
    Een nieuwe partner na een breuk maakt vooral mannen gelukkig. Een nieuwe relatie stelt vrouwen niet in staat de gevolgen van een echtscheiding voor het psychisch welbevinden volledig uit te wissen. Opmerkelijk : samenwonende vrouwen worden beduidend meer met angst en depressiviteit geconfronteerd dan gehuwde en alleenstaande vrouwen.
    Mannen met hiŽrarchisch hoge functies voelen zich goed.
    Tenminste, zolang ze zich niet bedreigd voelen.
    Vrouwen genieten minder van status en bewegingsvrijheid op de werkvloer.
    Vooral wanneer ze niet op de steun van een partner kunnen rekenen.
    Gescheiden moeders met een voltijdse baan, werklozen, geÔsoleerde mannen en studenten zijn belangrijke risicogroepen.

    Wie niet zo blij door het leven stapt Ė en dan hoef je nog geen depressie te krijgen Ė sterft vroeger.
    Twintig jaar lang werden in Finland dezelfde twintigduizend gezonde mensen gevolgd. Bleek dat mannelijke brompotten twee keer meer kans hebben om vroeger te sterven. Drinken ze daarenboven alcohol, dan hebben ze bijna vier keer meer kans om niet lang te leven. Vrouwelijke kniesoren hebben ,,slechtsíí 1,08 keer meer kans om vroeger te sterven. Tja, vrouwen zagen misschien veel maar dat lucht op.

    ,,Omdat ik mezelf onoverwinnelijk achtte, heb ik een flinke knauw gekregeníí, zegt Veerle. ,,Ik ben mijn grens tegengekomen en iťdereen heeft een grens. Ze ligt voor elk van ons elders maar wie blijft voorthollen stoot er op een dag tegen aan.íí


    Cfr. :
    http://www.nieuwsblad.be/Article/Detail.aspx?ArticleID=DMA20022006_007 

    21-02-2006 om 22:27 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Depressie - NHG-Standaard : M44
    Klik op de afbeelding om de link te volgen  






















    Depressie

         
    NHG-Standaard : M44


    Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG)
    http://nhg.artsennet.nl/content/resources/AMGATE_6059_104_TIC
    H_L640165325/AMGATE_6059_104_TICH_R135741355633623//



    1. - Begrippen

    Depressieve stoornis : gedurende ten minste twee weken bijna dagelijks optreden van vijf of meer van de volgende symptomen, waarvan ten minste ťťn van de twee eerste symptomen obligaat is :

    • depressieve stemming gedurende het grootste deel van de dag;

    • duidelijke vermindering van interesse of plezier in bijna alle activiteiten;

    • duidelijke gewichtsvermindering of gewichtstoename;

    • slapeloosheid of overmatig slapen;

    • psychomotorische agitatie of remming;

    • moeheid of verlies van energie;

    • gevoelens van waardeloosheid of buitensporige of onterechte schuldgevoelens;

    • concentratieproblemen of besluiteloosheid;

    • gedachten aan de dood, suÔcidegedachten of -plannen.


    2. - Richtlijnen diagnostiek

    Neem voldoende tijd voor de anamnese, accepteer stiltes, let op gedrag en psychomotoriek.

    Denk aan een depressieve stoornis bij :

    • sombere stemming of sombere indruk door weinig oogcontact, monotone spraak en trage motoriek;

    • frequent spreekuurbezoek en wisselende klachten;

    • aanhoudende moeheid of klachten zonder lichamelijke oorzaak;

    • chronische pijnklachten;

    • klachten van nervositeit, slapeloosheid, verzoek om slaapmiddelen of kalmerende middelen.

    Risicogroepen zijn patiŽnten met een depressieve stoornis of suÔcidepogingen in het verleden of met (eerstegraads) familieleden met een depressieve stoornis of suÔcidepogingen, patiŽnten met een ernstige lichamelijke ziekte, alcohol- of drugsproblemen of angst- en paniekstoornissen.

    2.1 Ė Anamnese
    Vraag naar/beoordeel :

    • sombere stemming, depressieve gevoelens of zwaar op de hand zijn;

    • interesseverlies, niet meer kunnen genieten.

    Vraag bij een bevestigend antwoord op ťťn van deze vragen door naar :

    • besluiteloosheid, concentratieproblemen;

    • gevoelens van waardeloosheid, schuldgevoelens;

    • agitatie, prikkelbaarheid, rusteloosheid;

    • remming, alsof alles trager verloopt;

    • moeheid, energieverlies, slaapproblemen;

    • verandering van eetlust of gewicht;

    • gedachten aan de dood, suÔcidegedachten.

    Vervolgens :

    • beoordeel bij gedachten aan de dood het suÔciderisico door het nagaan van doodswens, dwingende suÔcidegedachten, uitgewerkt suÔcideplan, eerdere suÔcidepogingen, suÔcidepogingen in de familie.

    • ga na of er in het verleden ingrijpende gebeurtenissen zijn voorgevallen;

    • informeer naar levens- en werkomstandigheden en eventuele problemen daarin;

    • ga na of er hallucinaties of wanen of manische episoden zijn;

    • ga na of er sprake is van angst of paniek, alcohol- of drugsproblemen;

    • sluit door een gerichte anamnese lichamelijke aandoeningen uit, in het bijzonder hypothyreoÔde, dementie of ziekte van Parkinson.

    2.2 - Lichamelijk en aanvullend onderzoek
    Dergelijk onderzoek is alleen nodig bij aanwijzingen in de anamnese voor andere aandoeningen.

    2.3 - Evaluatie
    Stel de diagnose depressieve stoornis als wordt voldaan aan de criteria genoemd onder begrippen en maak een inschatting van de lijdensdruk en van de mate van dysfunctioneren. Let op een combinatie met angststoornis en alcohol- of drugsproblemen; zie de NHG-Standaard Angststoornissen en Problematisch alcoholgebruik.


    3. - Richtlijnen beleid

    Kies in overleg met de patiŽnt uit behandeling door de huisarts (zie onder), psychologische interventie in de eerste lijn, psychotherapie of multidisciplinaire behandeling in een GGZ-instelling of PAAZ. Voorwaarde voor eventuele gecombineerde zorg is een goede afstemming tussen de behandelaars.

    3.1 Ė Voorlichting

    • depressieve stoornis komt frequent voor. De stoornis kan beschouwd worden als ziekte en is geen persoonlijke zwakte of karakterafwijking.

    • het beloop is redelijk gunstig, de helft van de patiŽnten herstelt in drie tot vier maanden.

    • stel niet te veel eisen aan jezelf, richt de blik vooral op het heden, zorg voor structuur in de dag, voldoende lichaamsbeweging, voldoende sociale contacten, blijf eventueel werken en vermijd overmatig alcoholgebruik.

    3.2 Ė Begeleiding

    • in het begin (twee)wekelijkse contacten, later geleidelijk minder frequent. Evalueer steeds het beloop.

    • raad aan sleutelfiguren in de omgeving in te lichten.

    • besteed aandacht aan teleurstelling, verdriet, krenking of woede en uitlokkende factoren.

    • stel haalbare dagelijkse doelen en moedig aan te doen waar men nog wťl plezier in heeft.

    3.3 - Medicamenteuze behandeling
    Kies voor toevoeging van medicijnen afhankelijk van lijdensdruk, dysfunctioneren en voorkeur van de patiŽnt. Leg uit dat het effect op de stemming pas na twee tot vier weken merkbaar is en dat in het begin bijwerkingen kunnen optreden. Bij de keuze voor een TCA of SSRI spelen naast contra-indicaties de potentiŽle bijwerkingen en eerdere ervaringen een rol :

    • TCA's (hebben de voorkeur bij extrapiramidale verschijnselen, bij NSAID- of antipsychoticagebruik) : amitriptyline, imipramine of nortriptyline 75 mg voor het slapen, in twee weken geleidelijk verhogen tot 150 mg; bij ouderen starten met 25 mg, verhogen tot 75 mg. Bij alle patiŽntencategorieŽn: bij onvoldoende effect na vier tot zes weken de dosis verhogen met 25 mg per twee tot drie dagen tot effect optreedt; maximale dosis 300 mg.
      Bijwerkingen : duizeligheid, obstipatie, droge mond, wazig zien en transpireren.

    • SSRI's (hebben de voorkeur bij recent hartinfarct, hartfalen, hartritmestoornissen, bemoeilijkte mictie, onbehandeld glaucoom) : fluvoxamine 100 mg 's avonds, paroxetine 20 mg 's morgens of sertraline 50 mg ťťnmaal daags. Bij onvoldoende effect na vier tot zes weken de dosis verdubbelen; maximale dosering respectievelijk 300, 60 en 200 mg per dag.
      Bijwerkingen : misselijkheid, diarree, angst, agitatie, nervositeit, slapeloosheid, hoofdpijn.

    • bij geen respons of onacceptabele bijwerkingen de medicatie vervolgens uitsluipen en eventueel een antidepressivum uit de andere groep proberen.

    • behandel tot zes maanden na het verdwijnen van de depressie; daarna uitsluipen in vier weken.

    • bij angst of agitatie zo nodig benzodiazepinen voorschrijven, maximaal twee tot zes weken.

    • bij recidiverende of chronische depressie: overweeg een onderhoudsbehandeling.

    3.4 Ė Verwijzing
    Verwijs voor psychologische interventie of psychotherapie :

    • als in overleg met de patiŽnt primair voor deze behandeling wordt gekozen;

    • bij onvoldoende effect van begeleiding en behandeling door de huisarts;

    • bij onacceptabele bijwerkingen van antidepressiva;

    • bij ernstige psychosociale problemen;

    • bij persoonlijkheidsstoornissen die het herstel belemmeren.

    Verwijs naar een psychiater :

    • bij ernstig sociaal dysfunctioneren, ondanks begeleiding en ingestelde behandeling;

    • bij een sterk verhoogd suÔciderisico;

    • bij een bipolaire of psychotische depressie.


    Cfr. :
    http://nhg.artsennet.nl/upload/104/standaarden/M44/svk.htm 

    21-02-2006 om 14:49 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De mist
    Klik op de afbeelding om de link te volgen
















    De mist 

     

    De mist omsluiert 't vergezicht,

    als in een waas verbergt hij 't ochtendlicht.

    De dag begint heel treurig, triest,

    wat rillig door de grijze mist :

    't is nat en koud daarbuiten.

    't Vocht sijpelt langs de matte ruiten

    als tranen in een droevig lied : 
    de wereld heeft verdriet !


    Jules

    21-02-2006 om 13:41 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (14 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.ME-CVS & Fibromyalgie en miskramen door tekort melatonine en progesteron
    Klik op de afbeelding om de link te volgen  


    ME-CVS & Fibromyalgie
    en
    miskramen
    door tekort melatonine en progesteron



    Jan Kraak
    20 December 2003


    Tekorten

    Mij is gevraagd hoe het komt dat vrouwen met ME of Fibromyalgie vaker miskramen krijgen. Voordat ME of Fibromyalgie aanwezig was, zijn er tekorten opgetreden, o.a. aan eiwit en de vitamines E, B6 en B12, is de hormoonhuishouding verstoord, net als de energie van de nieren, lever en milt.
    Dat zet zich tijdens ME door.
    De milt is o.a. verantwoordelijk voor de kwaliteit van het bloed, het aanmaken van afweercellen en is verbonden met het lymfeklierstelsel.
    De lever is een bloedrijk orgaan en is tevens verbonden met de spieren en pezen. De lever slaat bloed op en transporteert dit behulp van het hart. De lever maakt gal aan, filtert en zorgt voor de verspreiding van glucose.
    Gezien de lever en milt energetisch verstoord is heeft dit ook invloed op het verloop van de menstruatie. Bij een verstoorde miltenergie is er meestal sprake van een overvloedig bloedverlies of bloedingen van de baarmoeder. Er is sprake van een uitstotingsproces. Vrouwen met ME of FM moeten dit zich dus goed realiseren en hun instelling veranderen.



    Hormoonstof melatonine

    Tijdens de zwangerschap speelt melatonine een zeer belangrijke rol en gaat de productie daarvan met wel 300 procent omhoog, dit om de hormoonstof progesteron vrij te maken om te voorkomen dat de vrucht als indringer wordt gezien. Is de afgifte van melatonine en dus ook progesteron verstoord dan wordt de vrucht afgestoten en is er sprake van een miskraam.

    Melatonine
    Melatonine is een
    hormoon.
    OfficiŽle naam : N-Acetyl-5-methoxytryptamine
    Molecuulformule : C13H16N2O2
    Melatonine wordt bij mensen geproduceerd uit
    serotonine in de pijnappelklier en het netvlies, en in een met de tijd van de dag variŽrende hoeveelheid aan het bloed en het hersenvocht afgegeven. Het is bij vele dieren van invloed op het waak-slaapritme en het voortplantingsritme. Bij mensen ontbreken nog harde bewijzen voor zowel het ťťn als het ander grotendeels. Het wordt in sommige landen als middel verkocht voor gebruik bij jetlag en andere slaapstoornissen. Het gebruik bij jetlag blijkt zeer effectief, en wordt aanbevolen bij mensen die tenminste vijf tijdzones overbruggen (d.w.z. vijf uur tijdsverschil). Bij vluchten naar het oosten is het effectiever dan naar het westen : http://nl.wikipedia.org/wiki/Melatonine

    Progesteron
    Progesteron is een vrouwelijk geslachts
    hormoon dat door het corpus luteum (gele lichaam in de eierstok) in de tweede fase van de menstruatiecyclus en in grotere hoeveelheden tijdens de zwangerschap door de placenta wordt geproduceerd. Er worden ook nog geringe hoeveelheden progesteron door de bijnierschors bij vrouwen ťn bij mannen geproduceerd.
    Andere namen voor dit hormoon zijn zwangerschapshormoon en corpus-luteumhormoon.
    Beschrijving - Progesteron (CAS-Nummer 57-83-0) heeft als synoniemen pregn-4-en-3,20-dion en heeft als bruto formule C21H30 O2. Het molecuul is een steroÔde en bestaat dan ook uit 4 verbonden koolstofringen. Het bevat
    keton en aldehyde-componenten alsook 2 methylgroepen. Het molecuul is hydrofoob (waterafstotend) doordat het geen sterk polaire functionele groepen heeft.
    Synthese - Progesteron wordt gevormd uit
    pregnenolon, dat een afgeleide is van cholesterol. De 3-hydroxyl-groep wordt omgevormd tot een ketongroep in een eerste stap. In een tweede stap wordt de dubbele binding van het C5 naar het C4- atoom verplaatst.
    Progesteron is de precursor van alle steroÔde hormonen, zoals
    cortisol, aldosteron, testosteron, estron en estradiol. Het wordt dan ook op grote schaal als eindproduct en halfproduct industrieel geproduceerd.
    Progesteron wordt door metabolisatie omgezet in
    pregnandiol en wordt uiteindelijk met de urine uitgescheiden.
    Werking - Progesteron zorgt voor een toestand waarin de
    eicel bevrucht kan worden en het de beste mogelijkheden heeft om zich te ontwikkelen tot een baby.
    Het bereidt het baarmoederslijmvlies voor voor de innesteling van de tot de eerste stadium van het
    embryo ontwikkelde bevruchte eicel. Progesteron zorgt ervoor dat in de menstruele cyclus het proliferatiestadium overgaat in het secretiestadium. In het secretiestadium beÔnvloedt progesteron ook de eventueel aanwezige zaadcellen op hun reis naar de eicel door de baarmoeder en maakt hen geschikt om de eicel binnen te dringen.
    Progesteron zorgt er ook voor dat het slijm in de baarmoedermond zo wordt veranderd dat zaadcellen eraan worden gehinderd de baarmoeder te betreden. Dit gebeurt zowel met als zonder bevruchting van de eicel. Het remt ook via de
    hypothalamus en via de hypofyse de ovulatie door blokkering van de afgifte van luteÔniserend hormoon (LH) en voorkomt daardoor de mogelijkheid van een late bevruchting van een eventueel tweede ei. Beide functies zijn erop gericht dat de kans op meerlinggeboorten kleiner wordt.
    Progesteron vermindert ook de prikkeling van de spieren rondom de baarmoeder, zodat een afstotingsreactie tegen het Ąvreemdeď embryo wordt onderdrukt.
    Tijdens de zwangerschap bevordert progesteron samen met oestrogene hormonen,
    prolactine, cortisol, insuline en schildklierhormoon de vergroting van de melkklieren (borsten bij vrouwen).
    Het embryo stoot een speciale stof uit :
    choriongonadotropine dat ervoor zorgt dat het gele lichaam progesteron blijft produceren, totdat het baarmoederslijmvlies deze functie kan overnemen.
    Progesteron als voorbehoedmiddel - Progesteron veroorzaakt een geringe verhoging van de temperatuur (0,3 tot 0,9 įC). De
    temperatuurmethode en de sympto-thermale methode als voorbehoedmethodes zijn hierop gebaseerd.
    Progesteron is veelal opgenomen in de
    pil; hierbij is de werkzaamheid gericht op het verstoren van de menstruele cyclus.
    Progesteron en kanker - Progesteron schijnt te werken tegen borstkanker en baarmoederkanker.
    Cfr. ook :
    Progestativum : http://nl.wikipedia.org/wiki/Progesteron

    Dat wil niet zeggen dat je dan melatonine-supplementen moet nemen, dat kun je beter niet doen.

    In de plaats daarvan moet je de tekorten wegwerken met meer eiwitrijk voedsel, E, B6, B12 met ondersteuning van C.
    Als er daarbij ook nog sprake is van bloedarmoede mag je geen staaltabletten nemen omdat dit de productie van melatonine tegenwerkt.
    De genoemde vitaminen moet je wel innemen en E in 300 internationale eenheden per dag.
    Verder moet je, als er sprake is van ME of fibromyalgie, geen verdere energie verspillen door inspanning maar moet je de energetische oefeningen uit Tai Chi Tao uitvoeren zoals de vijf elementenoefeningen om de harmonie van de nieren, lever en milt te versterken, hetgeen ook een gunstige invloed heeft op de 13 chakra's, aura en de hormoonhuishouding.

    Tai Chi Tao
    De kracht van eenvoud - Kosmos betekent in feite 'eenvoud'. Alles in het universum is een veelvoud van eenvoud. Alles in de natuur is eveneens een veelvoud van eenvoud. Alles wat groot en compact is bestaat in feite uit kleine deeltjes.
    De kosmos lijkt ingewikkeld, maar is het in feite niet. Dit principe hanteren we in Tai Chi Tao.
    Elk klein deeltje is weer opgebouwd uit meerdere kleine deeltjes. Neem je de natuur als voorbeeld dan kan ťťn handeling ook opgedeeld worden in meer mogelijkheden. Alles bestaat uit energie (chi), alles, tot in de kleinste onderdeeltjes. In iets simpel schuilt heel veel kracht, vooral voor je gezondheid.
    Om aan je conditie te werken heb je geen inspanning en kracht nodig : je hebt genoeg aan chi, aan balans, harmonie en doorstroming. Dat kun je bereiken met simpele handelingen uit Tai Chi Tao.
    Mensen met beperkte mogelijkheden, zwakheid, slechte conditie kunnen hun conditie verbeteren zonder inspanning en met simpele onderdelen. Daarmee kun je je longen en spieren verbeteren. In de reguliere kringen zal men zeggen dat dit niet kan omdat ze niet weten wat chi is en kan doen.
    Een goed voorbeeld is een baby. Een baby heeft chi-kracht. Als een baby je vinger met zijn vuistje vasthoudt, dan krijg je die vinger moeilijk weer los. Je voelt een niet aangespannen kracht. De baby heeft nog geen goed ontwikkelde spieren en heeft nog nooit met gewichten gewerkt. Waar komt die stevige maar zachte kracht dan vandaan ? Van de kosmische krachten, de chi. Bij het groter worden van het kind wordt de chi tenietgedaan door conditionering, vervreemding en rationaliteit.
    Je kunt de chi weer terug krijgen.
    Het is een beperkte zienswijze om te denken dat gezondheid en welzijn alleen maar kan worden bereikt door middel van inspanning, loopband, hometrainer en gewichten. We moeten inzien dat het lichaam uit meer bestaat dan alleen maar longen en spieren.
    Levensvlam - Als je als voorbeeld een kaarsvlam neemt, dan brandt die met een goede vlam. Zet je over de brandende kaars een glazen stolp dan wordt de vlam steeds kleiner naarmate het zuurstof door verbranding op raakt. Zo kan een mens zichzelf ook opbranden. Til je de stolp weer iets op dan komt er weer een vleugje zuurstof binnen en laait de vlam weer iets op.
    Als je elke keer de stolp maar een klein beetje op kan tillen dan voeg je steeds zuurstof toe. Op een gegeven moment til je de stolp hoger op en krijg je nog meer chi. Op een gegeven moment haal je de stolp helemaal weg. De levensvlam is niet meer gevangen en kan zich nu beter ontplooien.
    Zo werkt het ook met de kleine, zachte, vriendelijke, rustige, niet forcerende oefeningen uit Tai Chi Tao. Er komt dan een omslag : alles begint beter door te stromen, blokkades verdwijnen en de lege reservetank begint ook weer vol te lopen. Dan gaat ook weer het zelfgenezend vermogen werken.
    Zuurstof is jouw brandstof. Het is energie. De lucht om je heen bestaat uit electrisch geladen deeltjes. Je zwemt eigenlijk in een zee van energie. Maar als je door stress gespannen bent dan adem je niet goed. Je krijgt dan onvoldoende energie. Als je ademhaling niet goed functioneert, dan krijg je onvoldoende energie. Als je pijn hebt dan kost dat energie. Er ontstaan blokkades en de circulatie van bloed en energie verloopt niet goed meer. Alles in je lichaam wordt onvoldoende voorzien van zuurstof.
    Een vuur wordt kleiner als de brandstof opraakt. Als het vuur bijna uit is en nog smeult kun je dat weer aanwakkeren door er in te blazen. Of door er lucht naar toe te waaieren. Je kunt ook het voorbeeld noemen van een barbecue. Is het vuur niet meer voldoende dan doe je schuif open van de barbecue en er kan weer meer lucht bij. De open schuif zorgt dan voor een betere doorstroming. De lucht kan dan weer beter bij het houtskool.
    Zo is het ook bij mensen. Door de zachte oefeningen hoe klein en kort ook worden de kanalen weer geopend. Je voorziet je levensvlam dan van chi (brandstof).
    In Tai Chi Tao leer je tegelijkertijd je te bezinnen anders tegen de dingen aan te kijken, zodat je niet weer in dezelfde valkuilen trapt waardoor je ziek bent geworden. Prestatie- en werkdruk, stress, je laten leven door normen en waarden die je opgelegd krijgt gooi je van je af, want je kunt ook iets bereiken op een andere wijze.
    Biljartspel - De kleine energetische oefeningen helpen daarbij. Je moet het niet robuust aanpakken maar heel teder. Deze aanpak sorteert een speciaal effect. En daarbij gebruik je kleine zachte aanpasbare kalme bewegingen, chi-ademoefeningen en vijf elementenoefeningen.
    Het is net als met het biljartspel. Je kunt tegen de bal stoten om hem te laten rollen, maar dat is niet genoeg om hem de goede kant op te laten gaan. Het is de kunst de bal een speciaal effect te geven. Je raakt de bal net even anders dan met een recht toe recht aan stoot.
    Met Tai Chi Tao bereik je ook het goede effect.
    Mensen die er erg aan toe zijn, bijvoorbeeld met fibromyalgie, ME of burnout, hebben vaak niet de puf om iets te doen. Ze denken dat er toch niets aan te doen is. Bij ME, Fibromyalgie (FM), burnout, is er energie weggelekt en de energiereserve-tank volkomen leeg. De bijkomende klachten vreten ook energie.
    Kortom de levensvlam is een klein waakvlammetje geworden. De fut is er uit. Er wordt vrijwel geen energie meer opgenomen. Het lichaam in zijn totaliteit krijgt onvoldoende zuurstof.
    Dat kun je niet verbeteren met inspanning en het opvoeren van de prestatie. Het zijn juist de kleine dingen die het hem doen om het lichaam weer vitaliteit te geven zonder inspanning. En dat alles kan je tot op hoge leeftijd blijven volhouden. Je gaat andere normen en waarden aanleggen. Normen en waarden die van jezelf zijn.
    Je gaat er niet meer van uit dat je hard voor je zelf moet zijn. Als je van vriendelijkheid voor jezelf uitgaat, dan stop je ook met het steeds vechten tegen jezelf. Als je dat niet doet blijf je een vijand van jezelf. Je bent dan niet bezig met 'leven' maar steeds met het 'overleven'.
    Alleen is dat voor sommige mensen in het begin moeilijk te begrijpen. Dat komt vooral door de fitnesscultus, rationaliteit en het denken in sporttermen. Men zit daarin dan gevangen.
    Maar er zijn andere wegen en dat merken mensen op de Tai Chi Tao-cursussen. Het gaat om het natuurlijke proces van yin en yang, de chi, de vijf elementen, aura, 13 chakra's, de Tao, ongedwongen bezig zijn, zachtheid en vriendelijkheid. Dat geeft tegelijk een innerlijke rust en harmonie. Het vergroot je zelfkennis, zelfontplooiing en intuÔtie. En dat alles door de kracht van eenvoud.
    In Tai Chi Tao zijn er hele kleine 30 seconden- en 1 minuut-oefeningetjes. Je gebruikt ťťn tot drie van deze simpele handelingen om spanning te ontladen en nieuwe energie op te doen.
    Je leert deze techniekjes over de hele dag en ook in je werk te integreren. Je kunt dan niet meer de uitvlucht gebruiken dat je geen tijd had om te oefenen.
    Als je er aan begint en je neemt het geduld, dan gaat er een nieuwe wereld voor je open :
    http://www.kimbervie.nl/divers/chi.htm

    De hormonen kunnen verstoord raken door stress, najagen van bepaalde dingen waardoor er teveel druk op alles in je lichaam komt, tekorten aan mineralen en vitamines, verstoring in de vijf elementen energieŽn.
    Is dit niet het geval dan verloopt de zwangerschap natuurlijker. Tegen de bevalling komt er weer een hormoon om de hoek kijken, namelijk oxytocine. Dit hormoon zorgt dat de baby naar buitren komt. Oxytocine wordt ook wel het hechtings-hormoon genoemd omdat dit hormoon een vertederend gevoel geeft.

    Oxytocine
    Inleiding
    - Oxytocine (Gene map locus 20p13) of ocytocine (v. Gr. oxus = scherp, ook: snel, tokos = geboorte), een hormoon dat contracties van gladde spieren kan veroorzaken, in het bijzonder van die van de baarmoeder kort vůůr, tijdens en na de baring (weeŽn).
    Oxytocine ( Brutoformule : C43H66N12O12S2) is een klein cyclisch polypeptide (molecuulgewicht 1007), dat is opgebouwd uit slechts negen aminozuren: tyrosine, isoleucine, glutamine, asparagine, proline, leucine, glycine en twee moleculen cystine. Het kan sinds 1953 synthetisch vervaardigd worden (Vincent du Vigneaud ontving in 1955 mede voor deze eerste synthese van een peptide-hormoon de Nobelprijs).
    Synthese - De hormonen arginine vasopressine (AVP; 192340 ook wel : Antidiuretisch hormoon; ADH) en oxitocine (OXT; 167050) worden gesynthetiseerd in de nucleus supra-opticus: vooral vasopressine en de nucleus paraventricularis: vooral oxytocine, van de hypothalamus, samen met hun respectievelijke 'carrier' proteÔnen de neurofysinen. Vasopressine en oxytocine worden geproduceerd door separate populaties van magnocellulaire neuronen in beide nuclei.
    Samen met de neurofysinen worden ze verpakt in neurosecretorische vesikels (blaasjes) (lichaampjes van Herring) en axonaal getransporteerd naar de zenuweinden in de neurohypofyse, waar zij of worden opgeslagen of worden uitgescheiden in de bloedstroom.
    De enige rol van de neurohypofyse is de osmolaliteit binnenin de vesikels te verlagen. Na depolarisatie van de neuronen worden de neurohormonen met hun respectievelijke neurofysinen door exocytose gesecreteerd, waarna ze zich doorheen de sterk permeabele wand van de aangrenzende capillairen (gefenestreerd endotheel) verplaatsen en in de bloedbaan terechtkomen. Hier hebben de neurofysinen geen verdere functie meer te vervullen, terwijl de neurohormonen de specifieke receptoren op de plasmamembraan van de targetcellen opzoeken : ADH bindt op de V2-receptoren van niercellen of op de V1-receptoren van gladde spiercellen t.h.v. de wand van melkklieralveolen of t.h.v. de uterus.
    De synthese van ADH en OXT t.h.v. de hypothalamus vertoont een circadisch ritme terwijl de hormoonconcentraties in het perifere bloed deze schommelingen niet weerspiegelen : zo varieert de perifere ADH-concentratie enkel in respons op stress, bloedvolumeveranderingen en osmolaliteitsveranderingen van het plasma (en dus niet in respons op wisselende synthesesnelheid t.h.v. de hypothalamus).
    Elk neurohormoon en zijn neurofysine wordt gesynthetiseerd als prohormoon (pro-pressofysine en pro-oxyfysine): deze complexen worden in membraanvesikels via de axonen naar de neurohypofyse getransporteerd en hier opgeslagen. Tijdens het axonaal transport gebeurt de omzetting van prohormoon in definitief hormoon.
    OXT wordt vrijgesteld na prikkeling (distentie, aanraking) van mechanoreceptoren gelegen in de voortplantingstractus (vagina, cervix, uterus) en in de melkklieren (tepels) : de bio-electrische signalen passeren via de tractus spinothalamicus, de hersenstam en de middenhersenen vooraleer ze de paraventriculaire kernen bereiken.
    De term "Ferguson's neurohumorale reflex" verwijst naar de stimulatie van de mechanoreceptoren van vagina, cervix en uterus bij mechanische distentie : de OXT-respons kan zorgen voor uteruscontractie of melkejectie (door contractie van de myoepitheliale cellen in de melkklieralveolen). De distentie stimuleert de synthese van OXT door de hypothalamus en tegelijk ook de cholinerge natrium- en calciumafhankelijke release van het OXT dat reeds in de zenuwuiteinden ligt opgeslagen.
    Catecholaminen verhinderen de vrijstelling van OXT en inhiberen de werking van reeds vrijgesteld OXT.
    OXT circuleert ongebonden in het bloedplasma en wordt afgebroken in lever- en niercellen (halfwaardetijd slechts een kleine vijf minuten)
    Werking - Oxytocine kan, via receptoren, contracties van gladde spieren veroorzaken door verlaging van de membraanpotentiaal van de spiervezels. Tijdens de zwangerschap wordt de baarmoeder door het in grote hoeveelheden geproduceerde hormoon progesteron ongevoelig voor oxytocine; bovendien neemt de productie van een enzym dat oxytocine afbreekt, nl. oxytocinase, toe.
    Bij het op gang brengen van de baring speelt oxytocine een rol. Tijdens het zogen worden door oxytocine spiertjes in de borst geprikkeld, zodat de melk wordt uitgeperst (cfr. 'Lactatie'), dit is wellicht de belangrijkste fysiologische werking van oxytocine. In de eerste dagen na de geboorte reageert dan tevens de nog vergrote baarmoeder met samentrekkingen (weeŽn), hetgeen de afvloed van bloed en weefselresten (lochia) bevordert.
    Reflexmatige uitstorting van oxytocine door de achterkwab van de hypofyse kan ook plaatsvinden door mechanische prikkeling van schede en baarmoederhals, bijv. tijdens de baring en voorts door de coÔtus (orgasme), waarbij dan baarmoedercontracties het transport van zaadcellen bevorderen.
    Oxytocine en ook brokstukken van dit molecuul beÔnvloeden het effect van morfine en van endorfine en zo het geheugen; dit werd ontdekt door de Nederlander David de Wied en medewerkers (1974 vv.).
    Toepassing - Synthetische oxytocine wordt in de geneeskunde vnl. toegepast bij de inleiding en bij de leiding van de baring om de weeŽn op te wekken of aan te zetten, alsmede voor en na een keizersnede. Het bevorderen van het toeschieten van de melk wordt veel meer in de dier- dan in de mensgeneeskunde toegepast :
    http://www.homepages.hetnet.nl/~b1beukema/oxytocine.html

    Met het hormoon fenyl-ethylamine wordt dan gezorgd voor een geluksgevoel.

    Fenylethylamine
    Fenylethylamine is zoiets als amfetamine, waarvan naam en eigenschappen vertrouwder in onze oren klinken. Onderzoekers nemen aan dat ons lichaam fenylethylamine vrijgeeft als we een bepaalde prikkel ervaren en dat die stof de licht geŽxalteerde stemming veroorzaakt die we met "verliefd zijn" associŽren. Fenylethylamine wordt daarom ook wel de liefdespeptide genoemd, omdat we er grote hoeveelheden van produceren wanneer we verliefd zijn. Het maakt ons een beetje vrolijk tot euforisch. Fenylethylamine hoort bij verliefdheid zoals endorfine bij liefde hoort. Het zou ook een bestanddeel vormen van
    chokolade, kaas en rode wijn. In te hoge concentraties leidt het tot zenuwachtigheid en paranoia, zoals deze overigens ook bij verliefden voorkomen : zwetende handpalmen, snelle ademhaling, hartkloppingen,... Fenylethylamine is famillie van amfetamine. Een gebrek aan fenylethylamine vormt een belangrijke factor bij depressie : http://www.bomi-1-gezondheid.com/Voeding_en_geest/chokolade_suikers_prozac_extacy_ecstacy.htm
    Lees ook 'Fenylethylamine (FEA), het antidepressivum van de sporters' op :
    http://www.e-gezondheid.be/magazine/article.asp?idArticle=4211&idRubrique=322


    Cfr. :
    http://www.jankraak-taichitao.nl/content/website.php?hoofdpagina_id=1090 

    Lees ook :

    21-02-2006 om 00:00 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    20-02-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Zal ik de dokter bellen ? Medische gids voor het hele gezin - Spreekuur met dr. Michiel Callens
    Klik op de afbeelding om de link te volgen





        
    Zal ik de dokter bellen ?
     
         Medische gids voor het hele gezin
         Spreekuur met dr. Michiel Callens


         Michiel Callens
         Michiel Callens is arts. Hij was een tijdlang kabinetsmedewerker van de minister van volksgezondheid in de Vlaamse regering. Momenteel maakt hij als adviserend geneesheer deel uit van de medische directie van de Christelijke Mutualiteit. Dit boek is gegroeid uit de rubriek 'Spreekuur', die al vele jaren razend populair is bij anderhalf miljoen lezers van Visie en Straal Ė cfr. : http://www.lannoo.com/Content/lannoo/fondsen/studieberoep/gezondheidszorg/1/index.jsp?auteurcode=5514

    Lannoo, 12-10-2004 - ISBN : 90-209-5867-4


    Het is een handige, alfabetisch geordende medische gids voor alledaagse kwaaltjes en ernstiger aandoeningen (van acnť en griep tot hartinfarct en dementie) die objectieve en duidelijke informatie geeft : hij bevat tientallen zoektermen, een heldere omschrijving van ieder probleem, een juiste diagnose en de beste remedie met het oog op zelfzorg en preventie. De gids is ontstaan in nauwe samenwerking met de Christelijke Mutualiteiten.

    Beschrijving
    Ieder van ons krijgt wel eens met een gezondheidsprobleem te maken. VariŽrend van een lichte kwaal tot een meer ernstige aandoening. Wat kan de oorzaak zijn van ons probleem ? Moeten we meteen naar de dokter rennen of kunnen we zelf al iets ondernemen ? Wat doen we in dit geval het best en wat beter niet ? Kunnen we het probleem voorkomen en hoe ? Op de momenten dat deze vragen zich stellen, is het goed om dit boek bij de hand te hebben.
    In deze handige, alfabetisch geordende medische gids geeft dokter Michiel Callens een antwoord op de vragen die verband houden met de meest voorkomende kleine en grote kwalen. Het boek staat boordevol objectieve en duidelijke informatie. Het register met tientallen zoektermen, de heldere omschrijving van ieder probleem, zorgen ervoor dat je meteen tot een juiste diagnose komt en zetten je op het spoor van de juiste remedie.

    U kunt het boek bestellen op
    : http://www.cm.be/nl/108/app_test/publ_overzicht.jsp?ComponentId=437&SourcePageId=6571

    Meer informatie : Neem een kijkje in onze  gezondheidsbib op : http://www.cm.be/nl/108/uwgezondheid/gezondheidsbib/index.jsp?ComponentId=6674&SourcePageId=6571


    Cfr. : 
    http://www.lannoo.com/Content/lannoo/fondsen/studieberoep/gezondheidszorg/1/index.jsp?titelcode=8001

    20-02-2006 om 03:07 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het vestibulair functielaboratorium - Evenwichtskliniek
    Klik op de afbeelding om de link te volgen



        Het vestibulair
    functielaboratorium
        Evenwichtskliniek
        N.K.O. & hoofd- halsheelkunde
        Universitair Ziekenhuis Antwerpen


        Voor dit vestibulair functielaboratorium kreeg Prof. dr. sc. Floris Wuyts
    Ė cfr. :
    http://www.ua.ac.be/main.aspx?c=floris.wuyts -,
    Prof dr. Van de Heyning
    Ė cfr. :
    http://www.ua.ac.be/main.aspx?c=paul.vandeheyning - en Prof Dr. Dirk Van Dyck
    Ė cfr. :
    http://www.rug.nl/fwn/nieuws/pr/zernike50/dijckcv - in 1999 de FTI-Technolandprijs voor onderzoek en onderwijs. De videobril werd in samenwerking met de universiteiten van Rotterdam en Maastricht ontwikkeld. De stoel is het eindresultaat van een studie van de enkele bestaande stoelen in de wereld.

    Inleidend
    Het vestibulair functielaboratorium van de dienst NKO van het Universitair Ziekenhuis Antwerpen - het Ďevenwichtslabí - beschikt sinds kort over een draaistoel en videobril en is uitzonderlijk in de wereld. Deze combinatie van draaistoel en videobril laat toe op een fel verbeterde manier klinisch wetenschappelijk onderzoek te doen naar evenwichtsstoornissen. Een kleiner model van de draaistoel wordt bij de NASA gebruikt om het evenwichtsorgaan van astronauten te testen.
    De stoel, die een krachtigere versie is van de (zeldzaam) bestaande stoelen en de videobril, werden door Prof. dr. Floris Wuyts, die als fysicus verbonden is aan de dienst NKO van het UZA, op punt gesteld. Het UZA is voorlopig het enige ziekenhuis in de wereld waar dergelijke stoel en bril in combinatie aangewend worden voor onderzoek naar evenwichtsstoornissen.
    Het bijzondere aan de draaistoel is zijn zeer krachtige motor, die mogelijk maakt dat de stoel kan ronddraaien met een snelheid van 400 graden per seconde en daarenboven kan hij versnellen tot 1.000į /sec. Dit is tienmaal sneller dan de meeste klassieke stoelen die gebruikt worden voor evenwichtsonderzoek.
    De nieuwe stoel van het evenwichtslab in het UZA heeft een aantal elementen voor op de klassieke draaistoelen. Niet alleen de snelheid, zoals eerder aangehaald, maar eveneens de bewegingsmogelijkheden. De stoel staat op een slede die naast draai- ook heen- en weerbewegingen mogelijk maken.
    Dankzij de combinatie van de snelle stoel met de videobril, is het mogelijk vier van de vijf delen van het evenwichtsorgaan te testen op defecten en tevens kan uitgemaakt worden of het om het linker of het rechter evenwichtsorgaan gaat. Met klassieke onderzoeken kan slechts ťťn vijfde van het evenwichtsstelsel onderzocht worden, waardoor voor 30% van de patiŽnten met evenwichtsstoornissen de oorzaak van hun klachten onbekend blijft. Door beter te kunnen stimuleren (stoel) en beter te kunnen registreren (videobril) hoopt de dienst NKO die 30% sterk te kunnen reduceren. Nu blijft enkel de sacculus voor de wetenschap nog onbereikbaar om te testen.

    De patiŽnt met evenwichtsstoornissen
    Drie tot 5% van de bevolking heeft geregeld last van duizeligheid. Dit is niet levensbedreigend maar het vermindert aanzienlijk de levenskwaliteit. Sommige vormen van duizeligheid komen plots op, zijn zeer intens en duren enkele uren om nadien terug te verdwijnen. Dit leidt ertoe dat sommige patiŽnten niet meer durven uit huis gaan, met de auto rijden of gaan winkelen. Bij bejaarde mensen kunnen evenwichtsproblemen leiden tot een ernstige val waardoor bijvoorbeeld een heup gebroken wordt. Dit is vaak het begin van een lange lijdensweg. Het is echter zo dat er verschillende oorzaken mogelijk zijn voor duizeligheid.

    Waarvoor dient het evenwichtsstelsel ?
    Het evenwichtscentrum in de hersenen wordt gevoed door drie informatiestromen: afkomstig van de ogen, van de spieren en van de evenwichtsorganen in het binnenoor. Van de ogen krijgen de hersenen een idee over hoe het lichaam zich situeert t.o.v. zijn omgeving en dit is een zeer sterke prikkel, die in pretparken gretig aangewend wordt om de oriŽntatie te misleiden.
    De spanning in de spieren geeft informatie over hoe het lichaam beweegt of in welke houding het staat. En de evenwichtsorganen registreren elke beweging die het hoofd maakt.
    Een correcte verwerking van deze informatiestromen zorgt ervoor dat we steeds een stabiele blik hebben, zelfs tijdens het stappen of lopen en dat we "evenwichtig" bewegen zonder te vallen. De blikstabilisatie wordt gerealiseerd door de zogenaamde vestibulo-oculaire reflex, verder oogreflex genoemd. Deze oogreflex ontstaat wanneer de evenwichtsorganen een beweging detecteren. De hersenen reageren en geven een bevel aan de oogspieren, zodat de ogen onmiddellijk en met de juiste snelheid ook bewegen, maar in tegengestelde richting. Ze compenseren zo de hoofdbewegingen.
    Wanneer dus een patiŽnt in de stoel met een welbepaalde snelheid naar rechts wordt gedraaid, dan moeten de pupillen in de ogen op hetzelfde ogenblik naar links bewegen. Eenmaal in de linkse ooghoek aangekomen, verspringt de pupil weer even snel naar rechts.
    Gaat er ergens iets fout, dan gaan de ogen niet de verwachte compenserende oogbewegingen uitvoeren en is men duizelig. Aangezien onderzoekers niet rechtstreeks het evenwichtsorgaan kunnen bestuderen (zoals wel het geval is bij het gehoor d.m.v. een gehoortest), bestuderen ze deze oogreflex en daarvoor is de videobril een zeer relevant instrument.
    Onze dagdagelijkse bewegingen met het hoofd (ja- en neeknikken, met het hoofd meebewegen met het lichaam) gebeuren tegen een frequentie van 3 tot 5 hertz. Met de klassieke draaistoel kan men in het algemeen slechts bewegingen genereren tot 0,05 hertz; de nieuwe stoel maakt het mogelijk tot voorbij 3 hertz te gaan, bijna 100 keer meer dus, wat een aanzienlijke verbetering betekent.
    Daar waar de stoel de bewegingen simuleert die we met het hoofd dagdagelijks maken, registreert de videobril de bewegingen van de ogen.

    De videobril kijkt beter
    De videobril, die bij de stoel gebruikt wordt, registreert nauwgezet de bewegingen van de pupil. Op die manier kan men aan de hand van de opnames onderzoeken of het evenwichtsorgaan behoorlijk functioneert of niet. Wanneer het orgaan niet naar behoren functioneert, door bv. een infectie, slechte doorbloeding of een breuk dan leidt dit tot duizeligheid. Die duizeligheid kan vaak verholpen worden hetzij met medicamenten, hetzij met operaties of fysiotherapie. Voor deze laatste is het echter wel belangrijk dat men weet waar het defect zit. Het evenwichtsorgaan bestaat immers uit vijf verschillende delen, die elk een andere beweging registreren.
    De driedimensionale videobril met daarachter het oog zoals waargenomen wordt door de cameras op de bril. 
    De drie cirkelvormige kanalen registreren alle draaibewegingen :

    • het horizontaal halfcirkelvormig kanaal detecteert de horizontale bewegingen zoals nee-schudden
    • het voorste en achterste kanaal detecteert de verticale bewegingen (ja-knikken) en kantelen.

    De twee andere delen (utriculus en sacculus) meten de lineaire versnelling, waarbij de utriculus vnl. de zwaartekracht en versnellingen in het horizontale vlak (voor-achter, links-rechts) meet, de sacculus vnl.de op- en neerwaartse versnellingen.
    Het nagaan waar de oorzaak van de duizeligheid te vinden is, is cruciaal voor de behandeling van de patiŽnt. Doch niet alle vormen van ongewone duizeligheid zijn te wijten aan een defect in het evenwichtsorgaan. De hersenen vangen immers ook info op vanuit de ogen en de skeletspieren, die al dan niet opgespannen zijn (voor beweging). Er kan dus evengoed iets misgaan bij de verwerking van de informatie in de hersenen.
    Bij het uitvoeren van evenwichttest moet de arts telkens een antwoord zien te vinden op de oorzaak van de stoornissen; indien dit onderzoek effectief een defect aantoont in het evenwichtsorgaan, dan kan er een passende behandeling gezocht worden, al moet dan nog wel nagegaan worden of het om het linker evenwichtsorgaan gaat of om het rechter en in welk van de vijf delen het defect zit. Zit de fout echter in de hersenen, dan moet men anders gaan behandelen.

    Verloop van een evenwichtstest
    De patiŽnt met evenwichtsstoornissen neemt plaats in de draaistoel, wordt stevig vastgesnoerd en krijgt een speciale videobril op zijn neus. De ruimte wordt volledig verdonkerd. De videobril is een verbetering van de vroeger gebruikte elektroden die op de slapen nabij elk oog werden geplakt. De elektroden waren enkel in staat horizontale bewegingen van het oog te registreren en niet de verticale of torsiebewegingen. De videobril met zijn twee infraroodcameraís filmt ťlke pupilbeweging. De computer berekent rechtstreeks hieruit de oogbewegingen en zet deze om in grafieken.
    De patiŽnt wordt rondgedraaid aan 400 graden per seconde en tijdens de test afwisselend enkele cm naar rechts en enkele cm links van de centrale as verschoven over de slede. Ondanks deze kleine verschuiving geeft het de patiŽnt het gevoel alsof hij schuin georiŽnteerde bewegingen maakt; in feite is het slechts de as van de rotatie die naar de as van het linkeroor verschuift, de linker utriculus neemt dan op de zwaartekracht na, geen versnelling waar. De rechter utriculus daarentegen ondervindt een middelpuntvliedende kracht; dit orgaantje detecteert een schijnbare zwaartekracht schuin naar rechts. Wijken de oogbewegingen af van verwachte patronen, dan kan men conclusies trekken over de "verminderde" werking van deze utriculi.

    PatiŽnt staat centraal
    Er wordt sterk op gelet om bij deze testen de patiŽnten niet nog duizeliger te maken dan zij reeds zijn. Hiervoor worden alle testen in het volledige duister gedaan en het ronddraaien van de stoel wordt zeer langzaam opgebouwd. Hierdoor wordt de patiŽnt nauwelijks iets gewaar. Ook het uitbollen gebeurt uiterst langzaam. Uiteindelijk staat de patiŽnt centraal.
    De sterkte van dit functielaboratorium is onder meer dat het is ingebed in een klinische dienst NKO, onder leiding van Prof Van de Heyning. Hierdoor kunnen patiŽnten zelfs in acute situaties getest worden. Dit komt zowel de patiŽnt als het wetenschappelijk onderzoek ten goede.
    Het functielaboratorium zit in de opstartfase en stelt momenteel nieuwe referentienormen op. Er zijn immers geen vergelijkbare gegevens in de wetenschappelijke literatuur.
    Aan het begin van de twintigste eeuw bedacht Robert Barany een eenzijdige test (de calorische test waarbij afwisselend warm en koud water in de oren wordt gespoten) voor het horizontale halfcirkelvormige kanaal. Hiervoor kreeg hij in 1915 de Nobelprijs. Met de nieuwe draaistoel kan men voor het eerst in bijna 100 jaar een eenzijdige test uitvoeren voor de utriculus. En het is nu net dit orgaan dat ook de astronauten zo misselijk maakt wanneer ze in de ruimte zijn (vandaar de link naar Dirk Frimout).
    Tijdens het ronddraaien wordt de stoel alternerend 3.5 cm naar links en naar rechts verschoven zodat telkens de as van rotatie door elke utriculus loopt. Op die wijze wordt enkel de tegenover liggende utriculus gestimuleerd. Dit is de essentie van de eenzijdige utriculustest.


    Cfr. : http://www.nko.uza.be/patient/nko/evenwichtskliniek.html

    20-02-2006 om 02:37 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De klok gelijkzetten - Melatoninepoli helpt bij slaap-waakstoornissen
    Klik op de afbeelding om de link te volgen


    De klok gelijkzetten
    Melatoninepoli helpt bij slaap-waakstoornissen

    Drs. I.M. van Geijlswijk, ziekenhuisapotheker,
    Drs. B.C.G. Dujardin, klinisch chemicus, Klinisch Chemisch en Hematologisch Laboratorium,
    Dr. M.G. Smits, neuroloog, Polikliniek voor Slaap-Waakstoornissen en Chronobiologie
    Ziekenhuis Gelderse Vallei Ede
    Correspondentieadres :
    smitsm@zgv.nl
    Medisch Contact, Nr. 31/32 - 5 augustus 2005 - Pagina : 1259-1261
    © 2006 Medisch Contact

    Melatonine, wat is het en wat kan het doen ?
    Iedereen heeft net achter de ogen een hersenkern zitten die als biologische klok functioneert.
    Zo weet ons lichaam als het ware hoe laat het is. Deze klok stuurt allerlei lichamelijke processen zoals het aanmaken van groeihormonen aan. Iemand met een slaapprobleem of vermoeidheidsklachten kan een verstoorde biologische klok hebben. Bepaalde stofjes kunnen dat probleem veroorzaken. Een van deze stofjes is melatonine. De hoeveelheid melatonine is 's nachts veel hoger dan overdag.
    Bij sommige mensen die slecht slapen of vermoeid zijn, is de melatoninehuishouding verstoord .
    Er komt bijvoorbeeld te vroeg melatonine vrij : dat veroorzaakt slaperigheid. Of de melatonine wordt te laat aangemaakt in de hersenen waardoor iemand moeite krijgt met inslapen.

    Wetenschappers zijn tegenwoordig in staat om zo'n lichaamseigen stof als melatonine na te maken.
    Zo kan een eventueel verstoorde melatoninehuishouding met tabletten weer hersteld worden : de biologische klok wordt als het ware weer gelijk gezet.
    Uit onderzoek is gebleken dat een dosering tussen de 0,1 en 3 mg een goede nachtrust kan bevorderen.
    Voordat iemand melatonine neemt, is het belangrijk dat eerst goed de oorzaken van het probleem worden nagegeaan. Iemand moet dus niet zomaar melatonine gaan slikken. Bijvoorbeeld 3 mg melatonine is ongeveer 200 keer zoveel als de normale hoeveelheid melatonine in de hersenen. Op dit moment weten wetenschappers nog niet helemaal exact wat melatonine nog meer doet in de hersenen. Zomaar proberen van melatonine is daarom ten sterkste af te raden : https://www.somnio.nl/nieuws.php?id=1

    Verstoring van de biologische klok is een belangrijke oorzaak van slaapproblemen.
    Melatonine toedienen kan een effectieve therapie zijn, maar dan moet dat wel op een verantwoorde wijze gebeuren. Ziekenhuis Gelderse Vallei heeft er een speciale polikliniek voor opgezet.
    Bij de diagnostiek en behandeling van stoornissen van de biologische klok, een belangrijke oorzaak van onder andere slaap-waakstoornissen (1) speelt het tijdstip waarop de endogene melatonineproductie op gang komt een cruciale rol en is (2) melatonine is een effectieve behandeling voor de meest voorkomende biologische-klokstoornissen, mits toegediend op het juiste tijdstip en in de juiste dosis.
    Dit chronobioticum is echter in Nederland niet geregistreerd als geneesmiddel.
    Ook zijn geen er gegevens bekend over de gevolgen van langdurig melatoninegebruik. Het middel dient dan ook alleen voorgeschreven te worden in het kader van een goed opgezet wetenschappelijk onderzoek. Onbekendheid met de mogelijkheid om melatonineconcentraties te meten, leidt nogal eens tot onoordeelkundige behandeling. Bovendien is het wenselijk de gevolgen van langdurig gebruik systematisch te registreren.
    De melatoninepolikliniek van Ziekenhuis Gelderse Vallei in Ede is een landelijk referentiecentrum voor onderzoek en behandeling van mensen met een ontregelde biologische klok.


    Oorzaak
    Stoornis van de biologische klok kan worden veroorzaakt door klokgendefecten (3 & 4) beschadiging van de neuronale verbindingsbanen tussen retina en pijnappelklier door infectie of trauma (5 & 6) en door een onregelmatige leefwijze, bijvoorbeeld door ploegendiensten of frequente vliegreizen waarbij meerdere tijdzones worden gepasseerd (zie overzicht).
    Recente onderzoeken suggereren dat de biologische klok een belangrijke rol speelt bij een aantal ziekten waarvan de oorzaak van de symptomatologie nog onduidelijk is, zoals het chronisch whiplashsyndroom, (7) het chronisch vermoeidheidssyndroom, (8) en chronische idiopathische inslaapstoornissen bij kinderen met ADHD. (9)
    De basisbehandeling van biologische-klokstoornissen bestaat uit het aanbrengen van regelmaat in de leefwijze overdag en in het slaap-waakritme.  Een andere mogelijkheid is het op het juiste tijdstip toedienen van licht (meer dan 3000 lux) en/of melatonine. Dan is er nog de chronotherapie; hierbij gaat de patiŽnt iedere dag later naar bed en staat de volgende dag later op totdat het gewenste tijdstip van inslapen en wakker worden is bereikt.


    Melatonineritme
    Synchronisatie van het slaap-waakritme en het rust-activiteitritme met de licht-donkercyclus is essentieel voor een goede mentale en fysieke gezondheid.(10)
    Het in de pijnappelklier geproduceerde melatonine speelt hierbij een cruciale rol.(11) Het melatonineritme volgt een circadiaan (circa = ongeveer, dia = dag)ritme van iets meer dan 24 uur. Licht/donker en zogenoemde Zeit-gebers (op vaste tijden naar bed gaan en opstaan, maaltijden, rust en activiteit op vaste tijdstippen) synchroniseren het melatonineritme tot een 24-uursritme. Slaap-waak-, temperatuur- en cortisolritmen lopen parallel aan het melatonineritme.
    De melatonineproductie komt bij volwassenen met een normale circadiane ritmiek op gang tussen 20.00 uur en 21.30 uur.  De hoogste waarde wordt bereikt rond 2.00 uur, de basiswaarde weer rond 8.00 uur. Te vroeg of te laat op gang komende melatonineproductie is een belangrijke aanwijzing voor een stoornis van de circadiane ritmiek.
    Niet alleen voor de diagnostiek, maar ook voor de behandeling van circadiane ritmestoornissen is het van belang te weten op welk tijdstip de melatonineproductie op gang komt.
    Het melatonineritme en daarmee andere circadiane ritmen, kan naar voren of naar achter worden verschoven met behulp van licht en met behulp van melatonine zelf. De richting waarin het ritme wordt verschoven, is afhankelijk van het tijdstip waarop licht of melatonine wordt toegediend; dit tijdstip is gerelateerd aan het tijdstip waarop de melatonineproductie op gang komt. Door het toedienen van licht tijdens de stijgende fase van de melatoninecurve, verschuift deze curve naar een later tijdstip. De curve wordt (bij volwassenen) het krachtigst naar voren geschoven door inname van melatonine vijf uur voordat de melatonineproductie begint.
    Het tijdstip waarop de endogene melatonineproductie op gang komt (Dim Light Melatonin Onset, DLMO) is niet alleen belangrijk voor de diagnostiek van biologische-klokstoornissen en de timing van de behandeling, (2) maar ook bij het voorspellen van het effect van de behandeling.  Hoe later de DLMO, des te sterker is het effect van de melatonine-behandeling.(12)
    Melatonine kan gemakkelijk worden gemeten in het speeksel door middel van een radio immuno assay (RIA)-bepaling.(13) Deze methode is zeer nauwkeurig, maar heeft als nadeel dat de dure radioactieve grondstof slechts korte tijd bruikbaar is. Om kosteneffectief te kunnen werken, moeten in die korte periode zoveel mogelijk monsters per serie worden bepaald. 


    Werkwijze poli
    Als het mensen niet lukt - al of niet met behulp van de huisarts - hun biologische klok in het gareel te houden, kunnen ze worden verwezen naar de melatonine-poli van Ziekenhuis Gelderse Vallei.  Omdat de capaciteit beperkt is, streeft deze poli naar een zo efficiŽnt mogelijke infrastructuur met een zo hoog mogelijke kwaliteit. Een elektronisch patiŽntendossier (EPD) dat zoveel mogelijk door de patiŽnt zelf wordt bijgehouden, speelt hierbij een essentiŽle rol.
    Gestoorde slaap is ťťn van de opvallendste kernsymptomen van een stoornis van de biologische klok.  PatiŽnten met een mogelijk ontregelde biologische klok wordt dan ook door hun behandelaar gevraagd via internet Ė cfr. 'MEDSYS Slaapstoornissen' op : https://www.medsys.nl/federatie/slaapstoornissen/index.html - een zelftest slaapstoornissen in te vullen (figuur).  De patiŽnt krijgt behandelingsadviezen die hij zelf kan uitvoeren of met zijn huisarts bespreken. Als er aanwijzingen zijn voor een stoornis van de biologische klok en als de behandelingen die de patiŽnt zelf kan uitvoeren geen succes hebben gehad, kan de huisarts de door de patiŽnt ingevulde vragenlijst, die voorzien is van een unieke code, samen met een verwijsbrief en personalia van de patiŽnt sturen naar de melatoninepoli.  Een slaapverpleegkundige beoordeelt vervolgens de ingevulde vragenlijst.
    Als er aanwijzingen zijn voor een biologische-klokstoornis, krijgt de patiŽnt salivettes (kauwwatjes) thuis opgestuurd; hiermee wordt het tijdstip bepaald waarop de melatonineproductie op gang komt. Hij moet op ťťn avond gedurende vijf uur ieder uur speeksel ver-zamelen door ťťn of twee minuten op een watje te kauwen. De tijdstippen waarop het speeksel wordt verzameld, hangen af van het type slaapstoornis en de leeftijd van de patiŽnt.  De patiŽnt stuurt vervolgens de salivettes per post naar het laboratorium van ons ziekenhuis. Tevens wordt de patiŽnt verzocht via internet een aanvullende Ďslaap-vragenlijstí in te vullen.
    Ongeveer drie weken nadat de salivettes in het laboratorium zijn aangekomen, komt de patiŽnt op de melatoninepoli, waar de slaapverpleegkundige een aanvullende anamnese afneemt. Aansluitend bespreekt ťťn van de neurologen de uitslag van de melatonine-bepalingen en de consequenties daarvan met de patiŽnt. Slaapverpleegkundige en neuroloog noteren hun bevindingen in het EPD, dat reeds de door de patiŽnt ingevulde vragenlijsten bevat.
    Als er inderdaad tekenen zijn van een stoornis van de biologische klok, dan worden de verschillende behandelingsmogelijkheden besproken.  Kiest de patiŽnt voor een behandeling, dan krijgt hij een toegangscode voor zijn EPD, dat voor hem toegankelijk is via internet. Vlak vůůr het volgende contact (telefonisch, per e-mail of op de poli) met de neuroloog vult hij in zijn EPD een effectmetingvragenlijst in. Dit doet hij bij ieder volgend contact.
    De verwijzer krijgt van de neuroloog na ieder polibezoek van de patiŽnt een kort briefje met essentiŽle gegevens. Meer informatie vindt hij in het EPD.
    De gestructureerde database maakt het mogelijk de activiteiten van de melatoninepoli gemakkelijk te evalueren. Groot voordeel is dat de onderzoeker zelf nauwelijks data hoeft in te voeren; dit heeft de patiŽnt zelf immers al grotendeels gedaan.
    De privacy van de patiŽnt is gewaarborgd omdat het EPD geen personalia bevat. De patiŽnt zelf heeft via zijn code toegang tot alle gegevens die over hem in de database zijn opgeslagen. Het EPD voldoet zo dan ook aan de normen voor informatiebeveiliging NEN 7510.
    PatiŽnten die niet van internet kunnen gebruikmaken, worden verwezen naar de Ďgewoneí polikliniek voor slaapstoornissen en chronobiologie.


    Effectief
    De melatoninepoli blijkt efficiŽnt en patiŽntvriendelijk stoornissen van de biologische klok te kunnen diagnosticeren en behandelingsresultaten te kunnen evalueren. 
    Bij 46 van de eerste 50 patiŽnten die zich melden bij de melatoninepoli vonden we een stoornis van de biologische klok. Allen, 16 kinderen (7 jongens en 9 meisjes, gemiddelde leeftijd : 11,6 jaar) en 30 volwassenen (10 mannen, 20 vrouwen, gemiddelde leeftijd 46,7 jaar) werden behandeld met melatonine. Drie maanden na de start van de behandeling waren 32 patiŽnten (70%), tevreden tot zeer tevreden over het resultaat, 5 (11%) waren niet ontevreden, maar ook niet tevreden en 5 (11%) waren ontevreden tot zeer ontevreden.
    Het hoge percentage patiŽnten dat tevreden is over het effect van de behandeling suggereert dat de toegepaste behandelingstrategie, gebaseerd op het tijdstip waarop de melatonineproductie op gang komt, effectief is.
    Het invullen van het EPD door patiŽnten zelf leverde geen problemen op. Waarschijnlijk mede doordat patiŽnten telefonisch of per e-mail konden overleggen met de slaapverpleegkundige. Het EPD blijkt een belangrijke hulp te zijn bij het plannen van aanvullende onderzoeken en speelt een belangrijke rol bij de communicatie tussen de patiŽnt en de bij de diagnostiek en behandeling betrokken professionals, evenals bij de communicatie tussen de professionals onderling. Doordat het EPD Ďautomatischí behandelingsresultaten registreert, zal de kennis over diagnostiek en behandeling van biologische-klokstoornissen snel toenemen.



    Samenvatting

    • De melatoninepoli van Ziekenhuis Gelderse Vallei is een speciale poli-kliniek waar patiŽnten met een stoornis van de biologische klok worden onderzocht en behandeld. Het tijdstip waarop de melatonineproductie op gang komt speelt hierbij een sleutelrol.

    • PatiŽnten die verwezen zijn naar de melatoninepoli, vullen alvorens zij zich daar daadwerkelijk vervoegen via internet een vragenlijst in. Indien de antwoorden wijzen op een mogelijke stoornis van de biologische klok, wordt voorafgaand aan het eerste polibezoek een speekseltest gedaan. Hiermee wordt het tijdstip bepaald waarop de melatonineproductie op gang komt.

    • De effecten van de behandeling worden systematisch geregistreerd met behulp van een elektronisch patiŽntendossier, dat de patiŽnt grotendeels zelf bijhoudt via internet.

    • Drie maanden na de start van het programma zijn de resultaten zeer gunstig te noemen.


    Literatuur

    • 1. - Handboek slaap en slaapstoornissen - A.L. van Bemmel, D.G.M. Beersma, J.H.M. de Groen, W.F. Hofman Ė Elsevier, 2001 - ISBN : 90 352 2410 8 Ė © Reed Business Information - Hoewel we eenderde van ons leven slapen, lijkt dit zo vanzelfsprekend dat de meeste mensen zelden stilstaan bij de betekenis van slaap. Pas wanneer de slaap verstoord raakt, dringt hij zich aan de aandacht op. In het Handboek slaap en slaapstoornissen kan zowel de behandelaar als de slechte slaper gerichte informatie vinden voor een beter begrip van de gestoorde slaap. De schrijvers van dit boek, waaronder goede ťn slechte slapers, zijn zowel persoonlijk als beroepsmatig sterk betrokken bij het verschijnsel slaap. Ze hebben gepubliceerd over de normale slaap, de wisselwerking tussen slapen en waken en over de vele facetten van de gestoorde slaap en de diverse behandelingsmogelijkheden. Allen zijn lid van de Nederlandse Vereniging voor Slaap-Waak Onderzoek (NSWO), die het initiatief tot het schrijven van dit boek nam. De prevalentie van slaap-waakstoornissen is in onze moderne westerse maatschappij aan het toenemen, omdat de organisatie van het dagelijks leven en werken (24-uurs economie) zich weinig lijkt aan te trekken van natuurlijke factoren die zorgen voor een ongestoord slaap/waak ritme. Wanneer deze factoren, zoals de wisseling van dag en nacht, worden genegeerd, zorgt dat voor een verstoring van de biologische klok, het zogenaamde endogene ritme. Bij de meeste mensen is de slaap kortdurend en bij een minderheid langdurig gestoord. In de praktijk van de gezondheidszorg krijgen slaapstoornissen echter nog te weinig aandacht. Hierdoor wordt bij slaapklachten niet altijd de juiste diagnose gesteld en vindt er geen of onvoldoende behandeling plaats. Het Handboek slaap en slaapstoornissen gaat allereerst in op de normale slaap. In dit eerste deel komen gedrag en fysiologie, chronobiologie en cognitieve activiteit tijdens de slaap aan de orde. Vervolgens gaat het handboek uitgebreid in op slaap-waakstoornissen. Zo komen bijvoorbeeld stoornissen van het circadiane ritme (ritme van de biologische klok) aan de orde en gaan de auteurs in op slaapstoornissen als gevolg van andere aandoeningen. Ook geeft dit boek inzicht in slaapstoornissen bij ouderen en kinderen en de behandeling van slaapproblemen met medicijnen. Voor behandelaars zijn bovendien de aanbevelingen voor het verwijzen naar slaap specialistische centra van belang. Het Handboek slaap en slaapstoornissen richt zich zowel op studenten (geneeskunde en klinische psychologie) als op artsen, klinisch psychologen en neurologen : http://www.elseviergezondheidszorg.nl/boekinhoud.asp?ID=4893

    • 2. - Exogenous melatonin's phase-shifting effects on the endogenous melatonin profile in sighted humans : a brief review and critique of the literature - Lewy AJ, Sack RL, Department of Psychiatry, School of Medicine, Oregon Health Sciences University, Portland 97201-3098, USA - J Biol Rhythms. 1997 Dec;12(6):588-94 - PMID: 9406034 - Melatonin's phase-shifting effects in humans are thought by some investigators to be subtle, particularly in comparison to those achieved with appropriately timed bright light exposure. The initial study in sighted people was only intermittently successful in phase advancing the endogenous melatonin profile. The study of free-running blind people showed statistically significant phase advances the day after melatonin administration. When holding the light-dark cycle constant, consistent phase advances the day after melatonin administration in sighted people were first shown in the course of describing the melatonin phase response curve (PRC), which also provided the first evidence that melatonin could cause phase delays. More recent studies have replicated the PRC and shown that phase shifts can occur in response to physiological doses within 1 day. This article reviews this literature and attempts to reconcile some of the results from differing studies. If the timing of melatonin administration is optimized according to the melatonin PRC, then consistent phase advances and delays can be achieved. If a reliable and sensitive circadian phase marker (e.g., the highly resolved dim light melatonin onset) is used, then phase shifts can be demonstrated consistently--even a small shift the day after a single physiological dose. The present authors predict that in the near future, melatonin administration will become as useful as bright light exposure in the treatment of circadian phase disorders : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/entrez/query.fcgi?cmd=retrieve&db=pubmed&list_uids=9406034&dopt=Abstract

    • 3. - A length polymorphism in the circadian clock gene Per3 is linked to delayed sleep phase syndrome and extreme diurnal preference - Archer SN, Robilliard DL, Skene DJ, Smits M, Williams A, Arendt J, von Schantz M, Centre for Chronobiology, School of Biomedical and Life Science, University of Surrey, Guildford GU2 7XH, UK - Sleep. 2003 Jun 15;26(4):413-5 - Comment in : Sleep. 2003 Jun 15;26(4):411 - PMID: 12841365 - STUDY OBJECTIVES : To investigate the link between extreme diurnal preference, delayed sleep phase syndrome, and a length polymorphism in Per3. DESIGN : Subjects were genotyped using polymerase chain reaction. PATIENTS OR PARTICIPANTS : Subjects with defined diurnal preference as determined by the Horne-Ostberg questionnaire and patients with delayed sleep phase syndrome. MEASUREMENTS AND RESULTS : The Per3 polymorphism correlated significantly with extreme diurnal preference, the longer allele associating with morningness and the shorter allele with eveningness. The shorter allele was strongly associated with the delayed sleep phase syndrome patients, 75% of whom were homozygous. CONCLUSION : The length of the Per3 repeat region identifies a potential genetic marker for extreme diurnal preference : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/entrez/query.fcgi?cmd=Retrieve&db=pubmed&dopt=Abstract&list_uids=12841365&query_hl=2&itool=pubmed_docsum

    • 4. - An hPer2 phosphorylation site mutation in familial advanced sleep phase syndrome - Toh KL, Jones CR, He Y, Eide EJ, Hinz WA, Virshup DM, Ptacek LJ, Fu YH, Department of Human Genetics, University of Utah, Salt Lake City, UT 84112, USA - Science. 2001 Feb 9;291(5506):1040-3 - PMID: 11232563 - Familial advanced sleep phase syndrome (FASPS) is an autosomal dominant circadian rhythm variant; affected individuals are "morning larks" with a 4-hour advance of the sleep, temperature, and melatonin rhythms. Here we report localization of the FASPS gene near the telomere of chromosome 2q. A strong candidate gene (hPer2), a human homolog of the period gene in Drosophila, maps to the same locus. Affected individuals have a serine to glycine mutation within the casein kinase Iepsilon (CKIepsilon) binding region of hPER2, which causes hypophosphorylation by CKIepsilon in vitro. Thus, a variant in human sleep behavior can be attributed to a missense mutation in a clock component, hPER2, which alters the circadian period : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/entrez/query.fcgi?cmd=Retrieve&db=pubmed&dopt=Abstract&list_uids=11232563&query_hl=4&itool=pubmed_docsum

    • 5. - Traumatic brain injury-associated delayed sleep phase syndrome - Nagtegaal JE, Kerkhof GA, Smits MG, Swart AC, van der Meer YG, Department of Clinical Pharmacy, Hospital de Gelderse Vallei, Bennekom, The Netherlands - Funct Neurol. 1997 Nov-Dec;12(6):345-8 - PMID: 9503198 - A 15-year-old girl developed a prominent delayed sleep phase syndrome (DSPS) following traumatic brain injury. Several physiological markers of the sleep-wake rhythm: plasma melatonin, body temperature, wrist activity and sleep architecture (EEG) were delayed almost half a day, returning to normal after treatment with 5 mg melatonin. This report suggests an association between traumatic brain injury and DSPS. Awareness of this phenomenon may result in better possibilities for treatment of patients with brain injury : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/entrez/query.fcgi?cmd=Retrieve&db=pubmed&dopt=Abstract&list_uids=9503198&query_hl=6&itool=pubmed_docsum

    • 6. - Influence of melatonin on quality of life in patients with chronic fatigue and late melatonin onset - Smits MG, Rooy R van, Nagtegaal JE - JCFS 2002; 10: 25-36 : http://www.cfids-cab.org/cfs-inform/Melatonin/smits.etal02.pdf

    • 7. - Whiplash injury may deregulate the biological clock - Smits MG - J Neurol Neurosurg Psychiatry. 2005 Aug;76(8):1044 - Comment on : J Neurol Neurosurg Psychiatry. 2005 Aug;76(8):1178-80 - PMID: 16024875 : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/entrez/query.fcgi?cmd=Retrieve&db=pubmed&dopt=Abstract&list_uids=16024875&query_hl=9&itool=pubmed_docsum

    • 8. - Influence of melatonin on fatigue severity in patients with chronic fatigue syndrome and late melatonin secretion - van Heukelom RO, Prins JB, Smits MG, Bleijenberg G, Department of Neurology, Sleep-Wake Disorders and Chronobiology, Hospital De Gelderse Vallei, Ede, and Department of Medical Psychology, Radbound University Medical Centre, Nijmegen, The Netherlands Ė Correspondence : M. G. Smits, Hospital 'Gelderse Vallei', Box 9025, 6710 HN Ede, The Netherlands (tel. : ++31 318 435016; fax : ++31 318435025; e-mail : smitsm@zgv.nl -) - Eur J Neurol. 2006 Jan;13(1):55-60 - PMID: 16420393 - The effect of melatonin, a chronobiotic drug, was explored in 29 patients with chronic fatigue syndrome (CFS) and Dim Light Melatonin onset (DLMO) later than 21.30 hours, reflective of delayed circadian rhythmicity. The patients took 5 mg of melatonin orally, 5 h before DLMO during 3 months. Their responses to the checklist individual strength (CIS), a reliable questionnaire measuring the severity of personally experienced fatigue, were assessed twice with a 6-week interval immediately before the treatment and once after 3 months treatment. In the pre-treatment period the fatigue sub-score improved significantly. After treatment, the total CIS score and the sub-scores for fatigue, concentration, motivation and activity improved significantly. The sub-score fatigue normalized in two of the 29 patients in the pre-treatment period and in eight of 27 patients during treatment. This change was significant. In the patients with DLMO later than 22.00 hours (n=21) the total CIS score and the sub-scores for fatigue, concentration and activity improved significantly more than in the patients (n=8) with DLMO earlier than 22.00 hours. Melatonin may be an effective treatment for patients with CFS and late DLMO, especially in those with DLMO later than 22.00 hours : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/entrez/query.fcgi?cmd=Retrieve&db=pubmed&dopt=Abstract&list_uids=16420393&query_hl=12&itool=pubmed_docsum & http://www.blackwell-synergy.com/doi/abs/10.1111/j.1468-1331.2006.01132.x

    • 9. - Idiopathic chronic sleep onset insomnia in attention-deficit/hyperactivity disorder : a circadian rhythm sleep disorder - Van der Heijden KB, Smits MG, Van Someren EJ, Gunning WB, Department of Child and Adolescent Psychiatry, University of Amsterdam, Amsterdam, The Netherlands - Chronobiol Int. 2005;22(3):559-70 - PMID: 16076654 - To investigate whether ADHD-related sleep-onset insomnia (SOI) is a circadian rhythm disorder, we compared actigraphic sleep estimates, the circadian rest-activity rhythm, and dim light melatonin onset (DLMO) in ADHD children having chronic idiopathic SOI with that in ADHD children without sleep problems. Participants were 87 psychotropic-medication-naive children, aged 6 to 12 yrs, with rigorously diagnosed ADHD and SOI (ADHD-SOI) and 33 children with ADHD without SOI (ADHD-noSOI) referred from community mental health institutions and pediatric departments of non-academic hospitals in The Netherlands. Measurements were 1 wk, 24 h actigraphy recordings and salivary DLMO. The mean (+/-SD) sleep onset time was 21:38 +/- 0:54 h in ADHD-SOI, which was significantly (p < 0.001) later than that of 20:49 +/- 0:49 h in ADHD-noSOI. DLMO was significantly later in ADHD-SOI (20:32 +/- 0:55 h), compared with ADHD-noSOI (19:47 +/- 0:49 h; p < 0.001). Wake-up time in ADHD-SOI was later than in ADHD-noSOI (p = 0.002). There were no significant between-group differences in sleep maintenance, as estimated by number of wake bouts and activity level in the least active 5 h period, or inter- and intradaily rhythm variability. We conclude that children with ADHD and chronic idiopathic sleep-onset insomnia show a delayed sleep phase and delayed DLMO, compared with ADHD children without SOI : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/entrez/query.fcgi?cmd=Retrieve&db=pubmed&dopt=Abstract&list_uids=16076654&query_hl=14&itool=pubmed_docsum

    • 10. - The relevance of melatonin to sports medicine and science - Atkinson G, Drust B, Reilly T, Waterhouse J, School of Sport and Exercise Sciences, Loughborough University, Loughborough, Leicestershire, UK : G.Atkinson2@lboro.ac.uk - Sports Med. 2003;33(11):809-31 - PMID: 12959621 - The pineal hormone, melatonin, has widespread effects on the body. The aim of this review is to consider the specific interactions between melatonin and human physiological functions associated with sport and exercise medicine. Separate researchers have reported that melatonin concentrations increase, decrease and remain unaffected by bouts of exercise. Such conflicting findings may be explained by inter-study differences in lighting conditions and the time of day the study participants have exercised. Age and fitness status have also been identified as intervening factors in exercise-mediated changes in melatonin concentration. The administration of exogenous melatonin leads to hypnotic and hypothermic responses in humans, which can be linked to immediate reductions in short-term mental and physical performance. Depending on the dose of melatonin, these effects may still be apparent 3-5 hours after administration for some types of cognitive performance, but effects on physical performance seem more short-lived. The hypothesis that the hypothermic effects of melatonin lead to improved endurance performance in hot environments is not supported by evidence from studies involving military recruits who exercised at relatively low intensities. Nevertheless, no research group has examined such a hypothesis with athletes as study participants and with the associated more intense levels of exercise. The fact that melatonin has also been found to preserve muscle and liver glycogen in exercised rats adds weight to the notion that melatonin might affect endurance exercise in humans. Melatonin has been successfully used to alleviate jet lag symptoms of travellers and there is also a smaller amount of evidence that the hormone helps shiftworkers adjust to nocturnal regimens. Nevertheless, the symptoms of jet lag and shiftwork problems have primarily included sleep characteristics rather than performance variables. The few studies that have involved athletes and performance-related symptoms have produced equivocal results. Melatonin has also been found to be useful for treating some sleeping disorders, but interactions between sleep, melatonin and exercise have not been studied extensively with trained study participants. It is unknown whether melatonin plays a role in some exercise training-related problems such as amenorrhoea and over-training syndrome : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/entrez/query.fcgi?cmd=Retrieve&db=pubmed&dopt=Abstract&list_uids=12959621&query_hl=16&itool=pubmed_docsum

    • 11. - Importance and relevance of melatonin to human biological rhythms - Arendt J, Centre for Chronobiology, Neuroendocrinology Group, School of Biomedical and Life Sciences, University of Surrey, Guildford, Surrey GU2 7XH, UK : j.arendt@surrey.ac.uk - J Neuroendocrinol. 2003 Apr;15(4):427-31 - PMID: 12622845 - The pineal hormone melatonin is a remarkable molecule, with a conserved time-keeping function across species. It is extensively used as a self-administered remedy for sleep disturbance in countries where it is freely available, and to some extent when it is available on prescription, as in the UK. In some circumstances, notably free-running sleep disorder of the blind, it is the treatment of choice. It is also the marker rhythm of choice for the determination of circadian phase and period. This review outlines the current state of knowledge within a physiological perspective with emphasis on human biological rhythms : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/entrez/query.fcgi?cmd=Retrieve&db=pubmed&dopt=Abstract&list_uids=12622845&query_hl=18&itool=pubmed_docsum

    • Prediction of melatonin efficacy by pretreatment dim light melatonin onset in children with idiopathic chronic sleep onset insomnia - van der Heijden KB, Smits MG, van Someren EJ, Boudewijn Gunning W, Department of Child and Adolescent Psychiatry, University of Amsterdam, Amsterdam, The Netherlands : k.b.vanderheijden@amc.uva.nl - J Sleep Res. 2005 Jun;14(2):187-94 - Comment in : J Sleep Res. 2005 Jun;14(2):195-7; discussion 197-9 - PMID: 15910516 - Research has shown efficacy of melatonin treatment to advance sleep-wake rhythms in insomnia. In healthy adults, direction and magnitude of the phase shift depends on the timing of administration relative to the phase position of the circadian system. Therefore, in the present study we investigated whether in children with chronic sleep onset insomnia (SOI) efficacy of melatonin treatment in the early evening could be predicted from dim light melatonin onset (DLMO), a phase marker of the circadian system. We combined data of two previously published double blind, randomized, placebo-controlled trials in 110 participants, aged 6-12 years. Sleep was actigraphically estimated, and saliva collected, at baseline and in the third week of a 4-week treatment period with 5 mg melatonin or placebo at 18:00 or 19:00 hours. Primary outcome measures were pre- to post-treatment changes in dim light melatonin onset (DeltaDLMO), sleep onset (DeltaSO), sleep latency (DeltaSL), and total sleep duration (DeltaTSD). Melatonin advanced DLMO with +1:12 h (P < 0.001), SO with +0:42 h (P = 0.004), SL decreased with 25 min (P = 0.019), and TSD did not change significantly, as compared with placebo. In the melatonin-treated group, but not in the placebo-treated group, pretreatment DLMO was significantly related to DeltaDLMO [F(1, 29) = 7.28, P = 0.012] and DeltaSO [F(1, 25) = 7.72, P = 0.010]. The time interval between treatment administration and pretreatment DLMO (INT) was only significantly related to DeltaSO [F(1,26) = 5.40, P = 0.028]. The results suggest that in children with SOI, the efficacy of early evening melatonin to advance sleep onset and endogenous melatonin onset increases the later the pretreatment DLMO is : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/entrez/query.fcgi?cmd=Retrieve&db=pubmed&dopt=Abstract&list_uids=15910516&itool=pubmed_Abstract

    • 13. - Correlation between concentrations of melatonin in saliva and serum in patients with delayed sleep phase syndrome - Nagtegaal E, Peeters T, Swart W, Smits M, Kerkhof G, van der Meer G, Hospital De Gelderse Vallei, Ede/Bennekom, Department of Clinical Pharmacy, Bennekom, The Netherlands - Ther Drug Monit. 1998 Apr;20(2):181-3 - PMID: 9558132 - Exogenous melatonin, which can be used to treat certain circadian rhythm disorders, maximally advances delayed rhythms when administered 5 hours before the endogenous melatonin starts to increase. The time of the start of the endogenously melatonin is defined as Dim Light Melatonin Onset (DLMO). The DLMO concentration has been defined in serum to be 10 pg/ml. Because of the greater practicability of frequent saliva sampling over blood sampling, we have validated radioimmunoassay (RIA) measurements of melatonin in saliva in patients diagnosed as suffering from a typical circadian rhythm disorder: Delayed Sleep Phase Syndrome (DSPS). Based on these results we have defined the equivalent salivary DLMO concentration to be 4 pg/ml : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/entrez/query.fcgi?cmd=Retrieve&db=pubmed&dopt=Abstract&list_uids=9558132&query_hl=23&itool=pubmed_docsum

    Cfr. : http://medischcontact.artsennet.nl/content/dossiers/42923031/313154699/AMGATE_6059_138_TICH_R157096559269481/


    Lees ook :

    • Sleep-wake schedule disorder disability : a ligelong untreatable pathology of het circadian time structure - Yaron Dagan A1 A1 and Judith Abadi A1, A1 Institute for Fatigue and Sleep Medicine, ďShebaĒ Medical Center, 52621, Tel-Hashomer, Israel - Chronobiology International, 18(6), 1019Ė1027, 2001 - Certain sleep-wake schedule disorders (SWSDs) cannot be successfully managed clinically using conventional methods of sleep therapy. We describe two cases of SWSD, the first following head trauma and the second originating during childhood, that had been misdiagnosed by physicians for many years. After conventional treatment for SWSD with light therapy and melatonin failed to bring about substantial improvement, it was determined that they were suffering from an incurable disability. Hence, we propose new medical terminology for such casesóSWSD disability. SWSD disability is an untreatable pathology of the circadian time structure. Patients suffering from SWSD disability should be encouraged to accept the fact that they suffer from a permanent disability, and that their quality of life can only be improved if they are willing to undergo rehabilitation. It is imperative that physicians recognize the medical condition of SWSD disability in their patients and bring it to the notice of the public institutions responsible for vocational and social rehabilitation : http://taylorandfrancis.metapress.com/(0wlfez55mzynyn551t1sdn2u)/app/home/contribution.asp?referrer=parent&backto=issue,8,10;journal,24,35;linkingpublicationresults,1:104478,1

    • The relationship between melatonin and cortisol rhythms : clinical implications of melatonin therapy - N. Zisapel 1 2 3 *, R. Tarrasch 1 2 3, M. Laudon 1 2 3 1Department of Neurobiochemistry, Faculty of Life Sciences, Tel-Aviv University, Tel-Aviv, Israel - 2Neurim Pharmaceuticals, Tel Aviv, Israel - 3Department of Psychology, Faculty of Social Sciences, Tel-Aviv University, Tel-Aviv, Israel Ė E-mail : N. Zisapel : navazis@post.tau.ac.il - Correspondence to N. Zisapel, Department of Neurobiochemistry, The George S. Wise Faculty of Life Sciences, Tel Aviv University, Tel Aviv 69978, Israel - Drug Dev. Res. 65:119-125, 2005. © 2005 Wiley-Liss, Inc. - Neruim Pharmaceuticals Ltd. - Disturbances in circadian rhythm have been linked to chronic diseases such as insomnia, hypertension, diabetes, and depression. Here we review recent studies on the age-related changes in cortisol and melatonin rhythms and then present descriptive statistics on our preliminary findings on the rectification of the cortisol rhythms by melatonin therapy in elderly patients with insomnia. In adults, the melatonin onset typically occurs during low cortisol secretion. Administration of exogenous melatonin around dusk will shift the phase of the human circadian clock to earlier hours (advance phase shift) leading to phase advances in circadian rhythms (e.g., sleep, endogenous melatonin, cortisol). With aging, the production of melatonin declines and is shifted to later hours while the production of cortisol increases and its peak occurs earlier in the night. In a randomized placebo-controlled crossover study with 8 patients with insomnia aged 55 years and older, a group characterized by low and delayed melatonin production, administration of prolonged-release melatonin in the evening was able to rectify the early onset cortisol production. This delay in nocturnal cortisol onset may explain in part the improvement in sleep quality in elderly patients with insomnia, in schizophrenics, and in depressed patients. Support of circadian pacemaker function by melatonin may provide a new strategy in the treatment of disorders related to impairments in the internal temporal order. The clinical benefit from a decrease in cortisol during the early part of the night may lie beyond the improvement of sleep into a better control of blood pressure, metabolism and mood : http://www3.interscience.wiley.com/cgi-bin/abstract/112149978/ABSTRACT?CRETRY=1&SRETRY=0

    • When sleep is the enemy : http://www.npi.ucla.edu/sleepresearch/Hypersomnia.pdf 

    20-02-2006 om 00:00 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    19-02-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Duizeligheid
    Klik op de afbeelding om de link te volgen
         Duizeligheid


    © 2006 Nederlandse Vereniging voor Keel-Neus-Oorheelkunde en Heelkunde van het Hoofd-Halsgebied (met dank aan Mardeno Medical Support B.V. voor het beeldmateriaal)

         Deze pagina heeft tot doel u informatie te geven over duizeligheid en daarbij behorende klachten. Als u recent voor deze klacht bij een keel-, neus- en oorarts (kno-arts) bent geweest, dan kunt u op deze plaats daarover meer gegevens lezen. Hebt u er nog nooit mee te maken gehad, maar wilt u er wat meer over weten, dan geldt hetzelfde.


    Wat is duizeligheid ?
    Iedereen is wel eens duizelig geweest. Toch is het moeilijk het begrip duizeligheid te omschrijven.
    In het algemeen wordt onder duizeligheid verstaan het gevoel dat beleefd wordt als de relatie tot de ruimtelijke omgeving verstoord is. Normaal gesproken krijgt ieder mens voortdurend informatie over de ruimte om zich heen en over de positie die het lichaam daarbinnen inneemt.
    Die informatie is afkomstig van de volgende systemen :

    • de evenwichtsorganen - Het evenwichtsorgaan is gelegen in het rotsbeen en vormt met het binnenoor het slakkenhuis. Het evenwichtsorgaan is gevoelig voor de stand van het hoofd en voor veranderingen van de snelheid van het hoofd.

    • het tweede belangrijke zintuig, dat onze oriŽntatie beÔnvloedt, zijn de ogen. Dit weet iedereen uit eigen ervaring: als men de ogen sluit, is lopen of stilstaan moeilijker.

    • tenslotte beschikken wij over het zogenaamde diepe gevoel in spieren en pezen. Vooral de signalen uit de benen en de nek geven informatie over de stand van het lichaam, en van het hoofd ten opzichte van het lichaam.

    Al deze informatie, van de evenwichtsorganen, de ogen en het diepe gevoel, wordt verwerkt in de hersenstam en de kleine hersenen. Van daaruit gaan prikkels naar de spieren van het lichaam, zodat wij houding en evenwicht kunnen aanpassen en bewaren.
    Er gaan ook signalen met informatie naar de grote hersenen waar het bewustzijn zetelt. Indien daar verkeerde of nog niet bekende signalen binnenkomen, ontstaat het gevoel van duizeligheid. Duizeligheid is dus de ervaring van een gevoel, dat op zichzelf - net zoals pijn - niet gemeten kan worden. Van pijn echter weten we vaak waar het vandaan komt, van duizeligheid meestal niet en dat maakt het zoeken naar de oorzaak van de klacht soms erg lastig.


    Verschijnselen van duizeligheid
    De meeste mensen klagen bij duizeligheid over draaierigheid, een licht gevoel in het hoofd, het gevoel alsof de wereld om hen heen draait of dat zijzelf rondtollen. Als u dit gevoel heeft, kunt u gedesoriŽnteerd zijn en moeite hebben met het bewaren van uw evenwicht. Dit onaangename gevoel kan gepaard gaan met allerlei andere klachten zoals angst, transpireren, geeuwen, zuchten, misselijkheid en braken. Klassieke voorbeelden van bovengenoemd ziektebeeld zijn wagen- en zeeziekte.


    Oorzaken van duizeligheid
    Elke stoornis op een van de plaatsen in het hele systeem kan duizeligheid en/of evenwichtsklachten veroorzaken :

    1. - Vooral een acute aandoening van ťťn evenwichtsorgaan leidt tot heftige duizeligheid met misselijkheid en braken. Vaak ziet men de omgeving draaien. Soms heeft men ook het gevoel alsof men opzij geduwd wordt of in een put valt. De klachten kunnen van enkele seconden tot weken duren, waarna spontaan herstel optreedt. Bij dit laatste speelt het centrale zenuwstelsel een belangrijke rol.
    De meest bekende oorzaken van een stoornis van het evenwichtsorgaan zijn :

    • een ongeval met hoofdletsel (scheur door het rotsbeen; hierin liggen het binnenoor en evenwichtsorgaan).

    • ontstekingen (griep, middenoorontsteking).

    • ziekte van MťniŤre (zie de betreffende pagina).

    • doorbloedingsstoornissen van evenwichtsorganen en/of hersenen.

    • een goedaardige tumor op de evenwichtszenuw.

    2. - Ook kunnen aandoeningen van het gezichtsvermogen en vooral van de oogspieren aanleiding geven tot duizeligheid. Dit treedt bijvoorbeeld op bij het in gebruik nemen van een (nieuwe) bril of bij oogspierverlammingen.

    3. - Het diepe gevoel kan gestoord raken bij aandoeningen van het zenuwstelsel in de benen, bijvoorbeeld bij suikerziekte. Een andere bekende oorzaak is de beschadiging van de nek, optredend bij autobotsingen (whiplash-trauma).

    4. - Duizeligheid ontstaat ook bij stoornissen van de regelcentra in de hersenstam en de kleine hersenen, bijvoorbeeld :

    • doorbloedingsstoornissen, zoals bij hartritmestoornissen en veranderingen in de bloeddruk.

    • stofwisselingsstoornissen, zoals een laag bloedsuikergehalte bij een ontregeling van suikerziekte.

    • vergiftigingen, vooral door alcohol of medicijngebruik.

    5. - Ook de grote hersenen zijn gevoelig voor de boven genoemde stoornissen. Daarenboven kunnen psychische toestanden als stress en spanningen via een indirecte weg ook tot duizeligheid leiden.

    6. - Tot slot kunnen stoornissen in de zenuwen en de spieren, die houding en evenwicht bewaren, "omgekeerd" het gevoel van duizeligheid veroorzaken.

    Kortom, een lange reeks van klachten en vele oorzaken die het de patiŽnt en de dokter niet gemakkelijk maken om met de klacht duizeligheid om te gaan.


    Onderzoek
    Verreweg het belangrijkste deel van het onderzoek is uw eigen verhaal! Op grond daarvan kan vaak al vermoed worden wat de oorzaak van de duizeligheid (geweest) is en welk onderzoek verricht zal moeten worden.
    In uw verhaal wordt gelet op de volgende vier aspecten :

    • om wat voor een soort duizeligheid gaat het ?
        - voelt men bewegingen in het hoofd of van het hele lichaam ?
        - draait de omgeving ?
        - bestaat er valneiging of het gevoel te vallen ?
        - is men licht in het hoofd ?
        - schommelen of wiebelen
        - etc. ... ?

    • het verloop in de tijd
        - ontstonden de klachten geleidelijk of acuut ?
        - hoe lang heeft de duizeligheid bestaan ?
        - is de duizeligheid continu aanwezig ?

    • zijn er bepaalde omstandigheden waaronder de klachten optreden of verergeren ?
        - afhankelijk van hoofdbewegingen ?
        - optredend in bed, bij rechtop gaan staan of tijdens lopen, in drukke winkels of op het werk ?

    • zijn er andere verschijnselen, zoals
        - oorsymptomen (verminderd gehoor, ťťnzijdig of tweezijdig, oorsuizen, pijn of vol gevoel in het oor),
        - misselijkheid,
        - braken,
        - hoofdpijn,
        - het gevoel flauw te vallen of weg te raken,
        - hartkloppingen,
        - transpireren,
        - moeite met praten of slikken,
        - dubbelzien of uitval van een gezichtsveld,
        - benauwdheid,
        - angst
        - etc. .... ?

    Verder zal nog gevraagd worden naar het bestaan van andere ziektes, terwijl ook het medicijngebruik nauwkeurig bekend moet zijn !
    U begrijpt, dat het verhaal erg lang kan zijn en dat bij het eerste bezoek aan de kno-arts niet alles ter sprake kan komen.
    Vaak komt er later nog een gelegenheid, bijvoorbeeld tijdens het aanvullend onderzoek.
    Zoals al gezegd is, kan het gevoel van duizeligheid zelf niet gemeten worden, maar de orgaansystemen die een bijdrage leveren aan het handhaven van oriŽntatie, houding en evenwicht kunnen wťl nader onder de loep genomen worden.
    Het meer algemene onderzoek, dat mogelijk al door de huisarts is verricht, kan bestaan uit het meten van hartslag en bloeddruk, een algemeen bloedonderzoek, inspectie van de oren, beoordelen van oogbewegingen, houding en evenwicht en meten van gevoel en reflexen.
    Zonodig kan het algemene onderzoek gevolgd worden door een meer specialistisch gehoor- en evenwichtsonderzoek en in uitzonderingsgevallen door een scan (CT of MRI).
    Aan de hand van uw verhaal en de resultaten van het aanvullende onderzoek lukt het meestal stapje voor stapje de oorzaak van de duizeligheid op te sporen.


    Behandeling
    Uw dokter is vooral geÔnteresseerd in de oorzaak van uw klachten om een zo goed mogelijke behandeling te kunnen instellen : als men weet waar "de fout" zit, dan is er misschien ter plaatse ook iets aan te doen. Voor de klacht duizeligheid zelf bestaat geen medicijn !
    Grofweg kan de behandeling als volgt worden onderverdeeld :

    • aanpak van de oorzaak : een aandoening van een evenwichtsorgaan kan door de kno-arts vaak goed behandeld worden. Algemene ziekten, van hart en bloedvaten, suikerziekte, bloedarmoede en aandoeningen van het zenuwstelsel kunnen behandeld worden door de huisarts of andere specialisten.

    • aanpak van de gevolgen : gelukkig is het centrale zenuwstelsel meestal in staat de beschadiging van een deel van het evenwichtssysteem te compenseren. Bij het aanleren hiervan kan hulp geboden worden, bijvoorbeeld door een fysiotherapeut.


    Slotwoord
    Het is niet mogelijk om op deze voorlichtingspagina alle details voor elke situatie te beschrijven. Het kan zijn dat u ondanks de uitleg van uw arts nog vragen heeft of dat u meer informatie wilt. Aarzel dan niet contact op te nemen met uw kno-arts en om nadere uitleg te vragen. Aan dat verzoek zal graag worden voldaan.

    Cfr. : http://www.kno.nl/voorlichting/duizeligheid.php

    19-02-2006 om 23:58 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (16 Stemmen)
    >> Reageer (0)


    Blog als favoriet !

    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Foto

    Raadpleeg steeds je arts !
    Inhoud blog
  • Tijd om afscheid te nemen...
  • Fibromyalgie in het kort
  • Leden ME/CVS Vereniging unaniem tegen CBO-voorstel
  • Blood donation, XMRV & chronic fatigue syndrome
  • Illness duration and coping style in chronic fatigue syndrome
  • Review confirms PTSD in Gulf vets - Panel finds many reports of multisymptom illnesses
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel I
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel II
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel III
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel IV
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel V
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel VI
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel VII
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel VIII
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel IX
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel X
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel XI
  • When do symptoms become a disease ?
  • Burnout
  • Gepest ? - Zet de juiste stappen
  • Voldoet jouw werkplek aan de ARBO-normen ?
  • Chiropractie - Vrijspraak voor Simon Singh in smaadzaak
  • ME/CVS ? - Werk mee aan onderzoek naar tegemoetkoming chronisch zieken !
  • Magical Medicine - How to make a disease disappear
  • A new hypothesis of chronic fatigue syndrome - Co-conditioning theory
  • A light in the darkness - Good news ahead for XMRV ?
  • Zomertijd - Help je biologische klok
  • Beter van de bedrijfsarts
  • De invloed van economisering op het werk van artsen
  • Chronisch Vermoeidheidssyndroom (IOCOB)
  • Gezond brein, gezonde darmen
  • A retrospective review of the sleep characteristics in patients with chronic fatigue syndrome and fibromyalgia
  • Opdracht voor het volgende kabinet : afschaffing van het UWV
  • Test maakt validering pijn bij ME/CVS patienten mogelijk
  • Surprise discovery that HIV retrovirus hides in bone marrow offers new hope for eradication
  • A doctor's roadmap for dealing with the problems of ME/CFS
  • De Terug Plezant Club
  • Het retrovirus XMRV - Waar of niet waar ?
  • Being homebound with chronic fatigue syndrome - A multidimensional comparison with outpatients
  • Oplaaiende symptomen ME patient verraden ontstekingsreactie
  • UWV : 'ME/CVS is ziekte in zin van arbeidsongeschiktheid'
  • Een succesverhaal met Vistide in de strijd tegen ME/CVS - Een verhaal over herstel
  • Depressie
  • Hoe stressvol is je leven ?
  • Making the diagnosis of CFS/ME in primary care - A qualitative study
  • A new system of evaluating fibromyalgia and chronic fatigue
  • Nijmeegs onderzoek haalt CVS-doorbraak onderuit
  • Psychotherapie bij depressie overschat
  • Secrets of novel retrovirus unfolding
  • XMRV : 'missing link' bij ME/CVS ?
  • Reeves, hoofd van CDC CVS onderzoeksprogramma, gaat weg
  • Constant agony of an ME sufferer
  • Canon van de geneeskunde in Nederland
  • Dr. Frank dieet
  • Defeatism is undermining evidence that chronic fatigue syndrome can be treated
  • Cellular and molecular mechanisms of interaction between the neuroendocrine and immune systems under chronic fatigue syndrome in experiment
  • Zo zorg je voor weerstand - Houd je lichaam in optimale conditie
  • Fibromyalgie Vlaanderen Nederland - Dr. Bauer
  • Bussemaker komt terug op erkenning CVS
  • Postexertional malaise in women with chronic fatigue syndrome - Laboratioriumonderzoek bevestigt inspanningsintolerantie bij ME/CVS
  • Ze vertelden stervende dochter dat ze een leugenaar was - Interview met ME moeder Criona Wilson
  • Bijwerkingen antidepressiva erger dan gedacht
  • Bereken je BMI
  • Host range and cellular tropism of the human exogenous gammaretrovirus XMRV
  • The Brain Boosting B-12 - Hydroxocobalamin
  • Vertaling Canadese criteria ME/CVS
  • Slapeloosheid & osteopathie
  • Het Advies- en meldpunt ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid
  • Association between serum ferritin [stored iron] level and fibromyalgia syndrome
  • Dr. Mikovits XMRV Seminar (videos)
  • Zorgen voor een ander (2010) - Antwoorden op veelgestelde vragen
  • Herwin je veerkracht - Omgaan met chronische vermoeidheid en pijn
  • Je eten bepaalt je slaap
  • Dierenleed
  • ME/CVS erkend als chronische ziekte
  • Understanding fibromyalgia pain
  • Hyperalgesia in chronic fatigue syndrome
  • Wegwijzer psychische problemen
  • Positieve psychologie
  • Fietsen in de sneeuw...
  • Tips tegen de koude
  • Failure to detect the novel retrovirus XMRV in chronic fatigue syndrome
  • Nieuwe behandeling VermoeidheidCentrum zeer effectief
  • Een Zalig Kerstfeest en een gezond en voorspoedig 2010 !
  • Taming stressful thoughts
  • Burn-out - Werken tot je erbij neervalt - Deel I
  • Burn-out - Werken tot je erbij neervalt - Deel II
  • Canadese kriteria voor kinderen ook geschikt om onderscheid te maken tussen "milde" en "ernstige" gevallen
  • Stop met piekeren
  • Gedumpt, wat nu ? - Deel I
  • Gedumpt, wat nu ? - Deel II
  • Making a Difference in ME/CFS (Chronic Fatigue Syndrome) and FM
  • Psychotherapie - Van theorie tot praktijk
  • Fibromyalgie, waardevolle dagbesteding en werk - Deel I
  • Fibromyalgie, waardevolle dagbesteding en werk - Deel II
  • Fibromyalgie
  • Europees instrument spoort fibromyalgie op
  • Gezinsgeluk heeft positieve invloed op werk
  • Cognitieve gedragstherapie bij depressie
  • Nooit meer hetzelfde...
  • Rugklachten en RSI beroepsziekten nummer 1
  • SOS ! Hulp voor ouders
  • Dr. Nancy Klimas opens new Chronic Fatigue Center
  • The dramatic story of microbiologist Elaine DeFreitas' discovery
  • Fibromyalgie - Genezing is mogelijk - Gratis boek !
  • Verdedig je tegen wintervirussen
  • 7 geheimen die vrouwen verzwijgen
  • Eťn op de twee Belgen krijgt ooit last van reuma
  • Wie langdurig ziek wordt heeft nood aan informatie
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel I
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel II
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel III
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel IV
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel V
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel VI
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel VII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel VIII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel IX
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel X
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XI
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XIII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XIV
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XV
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XVI
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XVII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XVIII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XIX
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XX
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXI
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXIII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXIV
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXV
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXVI
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXVII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXVIII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXIX
  • Doe een wens... - Make a wish...
  • 7 geheimen die mannen verzwijgen
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXX
  • Fibromyalgie - Genezing is mogelijk - GRATIS !
  • Af en toe een geheim is juist gezond
  • FM/CVS en verzekeringen - Info voor thesis
  • Mogelijke doorbraak MS-behandeling
  • Wees een winterdepressie voor
  • Vitamine B12-tekort - Een mogelijke oorzaak van Chronische vermoeidheid ? - Deel I
  • Vitamine B12-tekort - Een mogelijke oorzaak van Chronische vermoeidheid ? - Deel II
  • The Guaifenesin Story
  • A virus linked to chronic fatigue syndrome - Dr. Nancy Klimas interviews
  • Don't wait for a cure to appear
  • Gezonde chocoladeletters van Sinterklaas
  • Oorzaken van puisten
  • Sporten beter dan pauzeren bij RSI
  • Alles voor het goeie doel !!
  • Gewoon gelukkig zijn...
  • Chronic Fatigue Syndrome - La b√™te noire of the Belgian Health Care System
  • Persoonlijkheidstests
  • Vaccinatie risicogroepen H1N1
  • Geopereerd Prof. Johann Bauer - Een update (Greta)
  • Weersfactoren oorzaak van hoofdpijn
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part I
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part II
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part III
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part IV
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part V
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part VI
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part VII
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part VIII
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part IX
  • Challenges to conventional thinking about mind and body
  • What is CFS and what is ME ?
  • CVS-Referentiecentra - Opheffing en sluiting
  • Heb ik voldoende ontspanning ?
  • 7 tips tegen een overactieve blaas
  • Wallen en kringen onder de ogen
  • Recovered CFS/ME Patient Goes to Washington, D.C.
  • Chronische vermoeidheid zit niet tussen de oren
  • Dr. Bauer heeft mijn leven gered
  • Has your marriage been damaged by fibromyalgia or chronic fatigue syndrome ?
  • Vijf grootste bedreigingen gezondheid
  • Onbegrepen lage rugpijn beter te behandelen
  • Je beste antistresstip
  • Sufferers of chronic fatigue see life as a balancing act
  • Te hard gewerkt...
  • Prof. Dr. Johann Brauer op mijn blog
  • Geopereerd Prof. Johann Bauer
  • Is de griepprik gevaarlijk ?
  • Griep en verkoudheid - Deel I
  • Griep en verkoudheid - Deel II
  • Support the 500 Professionals of the IACFS/ME
  • Slanker met je hartritme
  • Enzym veroorzaakt gevolgen slaaptekort
  • Now we can get down to business
  • XMRV and chronic fatigue syndrome
  • Verslaving is een behandelbare hersenziekte
  • Kopstukken filosofie - Oktober 2009
  • Gek op je werk
  • Fikse schadevergoeding om antidepressivum
  • ME/CFS patients have retrovirus (XMRV) on YouTube

    Foto

    Archief per week
  • 12/04-18/04 2010
  • 05/04-11/04 2010
  • 29/03-04/04 2010
  • 22/03-28/03 2010
  • 15/03-21/03 2010
  • 08/03-14/03 2010
  • 01/03-07/03 2010
  • 22/02-28/02 2010
  • 15/02-21/02 2010
  • 08/02-14/02 2010
  • 01/02-07/02 2010
  • 25/01-31/01 2010
  • 18/01-24/01 2010
  • 04/01-10/01 2010
  • 28/12-03/01 2010
  • 21/12-27/12 2009
  • 14/12-20/12 2009
  • 07/12-13/12 2009
  • 30/11-06/12 2009
  • 23/11-29/11 2009
  • 16/11-22/11 2009
  • 09/11-15/11 2009
  • 02/11-08/11 2009
  • 19/10-25/10 2009
  • 12/10-18/10 2009
  • 05/10-11/10 2009
  • 28/09-04/10 2009
  • 21/09-27/09 2009
  • 14/09-20/09 2009
  • 07/09-13/09 2009
  • 31/08-06/09 2009
  • 10/08-16/08 2009
  • 27/07-02/08 2009
  • 20/07-26/07 2009
  • 06/07-12/07 2009
  • 22/06-28/06 2009
  • 15/06-21/06 2009
  • 08/06-14/06 2009
  • 01/06-07/06 2009
  • 25/05-31/05 2009
  • 18/05-24/05 2009
  • 11/05-17/05 2009
  • 04/05-10/05 2009
  • 27/04-03/05 2009
  • 20/04-26/04 2009
  • 13/04-19/04 2009
  • 30/03-05/04 2009
  • 23/03-29/03 2009
  • 16/03-22/03 2009
  • 09/03-15/03 2009
  • 02/03-08/03 2009
  • 23/02-01/03 2009
  • 16/02-22/02 2009
  • 09/02-15/02 2009
  • 02/02-08/02 2009
  • 26/01-01/02 2009
  • 19/01-25/01 2009
  • 12/01-18/01 2009
  • 05/01-11/01 2009
  • 22/12-28/12 2008
  • 15/12-21/12 2008
  • 08/12-14/12 2008
  • 01/12-07/12 2008
  • 24/11-30/11 2008
  • 17/11-23/11 2008
  • 10/11-16/11 2008
  • 03/11-09/11 2008
  • 27/10-02/11 2008
  • 20/10-26/10 2008
  • 13/10-19/10 2008
  • 06/10-12/10 2008
  • 29/09-05/10 2008
  • 22/09-28/09 2008
  • 15/09-21/09 2008
  • 08/09-14/09 2008
  • 01/09-07/09 2008
  • 25/08-31/08 2008
  • 18/08-24/08 2008
  • 11/08-17/08 2008
  • 04/08-10/08 2008
  • 28/07-03/08 2008
  • 21/07-27/07 2008
  • 14/07-20/07 2008
  • 30/06-06/07 2008
  • 23/06-29/06 2008
  • 16/06-22/06 2008
  • 09/06-15/06 2008
  • 02/06-08/06 2008
  • 26/05-01/06 2008
  • 19/05-25/05 2008
  • 12/05-18/05 2008
  • 05/05-11/05 2008
  • 28/04-04/05 2008
  • 21/04-27/04 2008
  • 14/04-20/04 2008
  • 07/04-13/04 2008
  • 31/03-06/04 2008
  • 24/03-30/03 2008
  • 17/03-23/03 2008
  • 10/03-16/03 2008
  • 03/03-09/03 2008
  • 25/02-02/03 2008
  • 18/02-24/02 2008
  • 11/02-17/02 2008
  • 04/02-10/02 2008
  • 28/01-03/02 2008
  • 21/01-27/01 2008
  • 14/01-20/01 2008
  • 07/01-13/01 2008
  • 31/12-06/01 2008
  • 24/12-30/12 2007
  • 17/12-23/12 2007
  • 10/12-16/12 2007
  • 03/12-09/12 2007
  • 26/11-02/12 2007
  • 19/11-25/11 2007
  • 12/11-18/11 2007
  • 05/11-11/11 2007
  • 29/10-04/11 2007
  • 22/10-28/10 2007
  • 15/10-21/10 2007
  • 08/10-14/10 2007
  • 01/10-07/10 2007
  • 24/09-30/09 2007
  • 17/09-23/09 2007
  • 10/09-16/09 2007
  • 03/09-09/09 2007
  • 27/08-02/09 2007
  • 20/08-26/08 2007
  • 13/08-19/08 2007
  • 06/08-12/08 2007
  • 30/07-05/08 2007
  • 23/07-29/07 2007
  • 16/07-22/07 2007
  • 09/07-15/07 2007
  • 18/06-24/06 2007
  • 11/06-17/06 2007
  • 04/06-10/06 2007
  • 28/05-03/06 2007
  • 21/05-27/05 2007
  • 14/05-20/05 2007
  • 07/05-13/05 2007
  • 30/04-06/05 2007
  • 23/04-29/04 2007
  • 16/04-22/04 2007
  • 09/04-15/04 2007
  • 02/04-08/04 2007
  • 26/03-01/04 2007
  • 19/03-25/03 2007
  • 12/03-18/03 2007
  • 05/03-11/03 2007
  • 26/02-04/03 2007
  • 19/02-25/02 2007
  • 12/02-18/02 2007
  • 05/02-11/02 2007
  • 29/01-04/02 2007
  • 22/01-28/01 2007
  • 15/01-21/01 2007
  • 08/01-14/01 2007
  • 18/12-24/12 2006
  • 11/12-17/12 2006
  • 04/12-10/12 2006
  • 27/11-03/12 2006
  • 20/11-26/11 2006
  • 13/11-19/11 2006
  • 06/11-12/11 2006
  • 30/10-05/11 2006
  • 23/10-29/10 2006
  • 16/10-22/10 2006
  • 09/10-15/10 2006
  • 02/10-08/10 2006
  • 25/09-01/10 2006
  • 18/09-24/09 2006
  • 11/09-17/09 2006
  • 04/09-10/09 2006
  • 28/08-03/09 2006
  • 07/08-13/08 2006
  • 31/07-06/08 2006
  • 24/07-30/07 2006
  • 03/07-09/07 2006
  • 26/06-02/07 2006
  • 19/06-25/06 2006
  • 12/06-18/06 2006
  • 29/05-04/06 2006
  • 22/05-28/05 2006
  • 15/05-21/05 2006
  • 08/05-14/05 2006
  • 01/05-07/05 2006
  • 24/04-30/04 2006
  • 17/04-23/04 2006
  • 10/04-16/04 2006
  • 27/03-02/04 2006
  • 20/03-26/03 2006
  • 13/03-19/03 2006
  • 06/03-12/03 2006
  • 27/02-05/03 2006
  • 20/02-26/02 2006
  • 13/02-19/02 2006
  • 06/02-12/02 2006
  • 30/01-05/02 2006
  • 23/01-29/01 2006
  • 16/01-22/01 2006
  • 09/01-15/01 2006
  • 26/12-01/01 2006
  • 19/12-25/12 2005
  • 12/12-18/12 2005
  • 05/12-11/12 2005
  • 28/11-04/12 2005
  • 21/11-27/11 2005
  • 14/11-20/11 2005
  • 07/11-13/11 2005
  • 24/10-30/10 2005
  • 17/10-23/10 2005
  • 10/10-16/10 2005
  • 03/10-09/10 2005
  • 26/09-02/10 2005
  • 19/09-25/09 2005
  • 12/09-18/09 2005
  • 05/09-11/09 2005
  • 29/08-04/09 2005
  • 22/08-28/08 2005
  • 15/08-21/08 2005
  • 08/08-14/08 2005
  • 01/08-07/08 2005
  • 25/07-31/07 2005
  • 04/07-10/07 2005
  • 27/06-03/07 2005
  • 20/06-26/06 2005
  • 13/06-19/06 2005
  • 06/06-12/06 2005
  • 30/05-05/06 2005
  • 23/05-29/05 2005
  • 16/05-22/05 2005
  • 09/05-15/05 2005
  • 02/05-08/05 2005
  • 25/04-01/05 2005
  • 18/04-24/04 2005
  • 11/04-17/04 2005
  • 29/11-05/12 1999
  • 29/12-04/01 1970

    Foto

  • 12/04-18/04 2010
  • 05/04-11/04 2010
  • 29/03-04/04 2010
  • 22/03-28/03 2010
  • 15/03-21/03 2010
  • 08/03-14/03 2010
  • 01/03-07/03 2010
  • 22/02-28/02 2010
  • 15/02-21/02 2010
  • 08/02-14/02 2010
  • 01/02-07/02 2010
  • 25/01-31/01 2010
  • 18/01-24/01 2010
  • 04/01-10/01 2010
  • 28/12-03/01 2010
  • 21/12-27/12 2009
  • 14/12-20/12 2009
  • 07/12-13/12 2009
  • 30/11-06/12 2009
  • 23/11-29/11 2009
  • 16/11-22/11 2009
  • 09/11-15/11 2009
  • 02/11-08/11 2009
  • 19/10-25/10 2009
  • 12/10-18/10 2009
  • 05/10-11/10 2009
  • 28/09-04/10 2009
  • 21/09-27/09 2009
  • 14/09-20/09 2009
  • 07/09-13/09 2009
  • 31/08-06/09 2009
  • 10/08-16/08 2009
  • 27/07-02/08 2009
  • 20/07-26/07 2009
  • 06/07-12/07 2009
  • 22/06-28/06 2009
  • 15/06-21/06 2009
  • 08/06-14/06 2009
  • 01/06-07/06 2009
  • 25/05-31/05 2009
  • 18/05-24/05 2009
  • 11/05-17/05 2009
  • 04/05-10/05 2009
  • 27/04-03/05 2009
  • 20/04-26/04 2009
  • 13/04-19/04 2009
  • 30/03-05/04 2009
  • 23/03-29/03 2009
  • 16/03-22/03 2009
  • 09/03-15/03 2009
  • 02/03-08/03 2009
  • 23/02-01/03 2009
  • 16/02-22/02 2009
  • 09/02-15/02 2009
  • 02/02-08/02 2009
  • 26/01-01/02 2009
  • 19/01-25/01 2009
  • 12/01-18/01 2009
  • 05/01-11/01 2009
  • 22/12-28/12 2008
  • 15/12-21/12 2008
  • 08/12-14/12 2008
  • 01/12-07/12 2008
  • 24/11-30/11 2008
  • 17/11-23/11 2008
  • 10/11-16/11 2008
  • 03/11-09/11 2008
  • 27/10-02/11 2008
  • 20/10-26/10 2008
  • 13/10-19/10 2008
  • 06/10-12/10 2008
  • 29/09-05/10 2008
  • 22/09-28/09 2008
  • 15/09-21/09 2008
  • 08/09-14/09 2008
  • 01/09-07/09 2008
  • 25/08-31/08 2008
  • 18/08-24/08 2008
  • 11/08-17/08 2008
  • 04/08-10/08 2008
  • 28/07-03/08 2008
  • 21/07-27/07 2008
  • 14/07-20/07 2008
  • 30/06-06/07 2008
  • 23/06-29/06 2008
  • 16/06-22/06 2008
  • 09/06-15/06 2008
  • 02/06-08/06 2008
  • 26/05-01/06 2008
  • 19/05-25/05 2008
  • 12/05-18/05 2008
  • 05/05-11/05 2008
  • 28/04-04/05 2008
  • 21/04-27/04 2008
  • 14/04-20/04 2008
  • 07/04-13/04 2008
  • 31/03-06/04 2008
  • 24/03-30/03 2008
  • 17/03-23/03 2008
  • 10/03-16/03 2008
  • 03/03-09/03 2008
  • 25/02-02/03 2008
  • 18/02-24/02 2008
  • 11/02-17/02 2008
  • 04/02-10/02 2008
  • 28/01-03/02 2008
  • 21/01-27/01 2008
  • 14/01-20/01 2008
  • 07/01-13/01 2008
  • 31/12-06/01 2008
  • 24/12-30/12 2007
  • 17/12-23/12 2007
  • 10/12-16/12 2007
  • 03/12-09/12 2007
  • 26/11-02/12 2007
  • 19/11-25/11 2007
  • 12/11-18/11 2007
  • 05/11-11/11 2007
  • 29/10-04/11 2007
  • 22/10-28/10 2007
  • 15/10-21/10 2007
  • 08/10-14/10 2007
  • 01/10-07/10 2007
  • 24/09-30/09 2007
  • 17/09-23/09 2007
  • 10/09-16/09 2007
  • 03/09-09/09 2007
  • 27/08-02/09 2007
  • 20/08-26/08 2007
  • 13/08-19/08 2007
  • 06/08-12/08 2007
  • 30/07-05/08 2007
  • 23/07-29/07 2007
  • 16/07-22/07 2007
  • 09/07-15/07 2007
  • 18/06-24/06 2007
  • 11/06-17/06 2007
  • 04/06-10/06 2007
  • 28/05-03/06 2007
  • 21/05-27/05 2007
  • 14/05-20/05 2007
  • 07/05-13/05 2007
  • 30/04-06/05 2007
  • 23/04-29/04 2007
  • 16/04-22/04 2007
  • 09/04-15/04 2007
  • 02/04-08/04 2007
  • 26/03-01/04 2007
  • 19/03-25/03 2007
  • 12/03-18/03 2007
  • 05/03-11/03 2007
  • 26/02-04/03 2007
  • 19/02-25/02 2007
  • 12/02-18/02 2007
  • 05/02-11/02 2007
  • 29/01-04/02 2007
  • 22/01-28/01 2007
  • 15/01-21/01 2007
  • 08/01-14/01 2007
  • 18/12-24/12 2006
  • 11/12-17/12 2006
  • 04/12-10/12 2006
  • 27/11-03/12 2006
  • 20/11-26/11 2006
  • 13/11-19/11 2006
  • 06/11-12/11 2006
  • 30/10-05/11 2006
  • 23/10-29/10 2006
  • 16/10-22/10 2006
  • 09/10-15/10 2006
  • 02/10-08/10 2006
  • 25/09-01/10 2006
  • 18/09-24/09 2006
  • 11/09-17/09 2006
  • 04/09-10/09 2006
  • 28/08-03/09 2006
  • 07/08-13/08 2006
  • 31/07-06/08 2006
  • 24/07-30/07 2006
  • 03/07-09/07 2006
  • 26/06-02/07 2006
  • 19/06-25/06 2006
  • 12/06-18/06 2006
  • 29/05-04/06 2006
  • 22/05-28/05 2006
  • 15/05-21/05 2006
  • 08/05-14/05 2006
  • 01/05-07/05 2006
  • 24/04-30/04 2006
  • 17/04-23/04 2006
  • 10/04-16/04 2006
  • 27/03-02/04 2006
  • 20/03-26/03 2006
  • 13/03-19/03 2006
  • 06/03-12/03 2006
  • 27/02-05/03 2006
  • 20/02-26/02 2006
  • 13/02-19/02 2006
  • 06/02-12/02 2006
  • 30/01-05/02 2006
  • 23/01-29/01 2006
  • 16/01-22/01 2006
  • 09/01-15/01 2006
  • 26/12-01/01 2006
  • 19/12-25/12 2005
  • 12/12-18/12 2005
  • 05/12-11/12 2005
  • 28/11-04/12 2005
  • 21/11-27/11 2005
  • 14/11-20/11 2005
  • 07/11-13/11 2005
  • 24/10-30/10 2005
  • 17/10-23/10 2005
  • 10/10-16/10 2005
  • 03/10-09/10 2005
  • 26/09-02/10 2005
  • 19/09-25/09 2005
  • 12/09-18/09 2005
  • 05/09-11/09 2005
  • 29/08-04/09 2005
  • 22/08-28/08 2005
  • 15/08-21/08 2005
  • 08/08-14/08 2005
  • 01/08-07/08 2005
  • 25/07-31/07 2005
  • 04/07-10/07 2005
  • 27/06-03/07 2005
  • 20/06-26/06 2005
  • 13/06-19/06 2005
  • 06/06-12/06 2005
  • 30/05-05/06 2005
  • 23/05-29/05 2005
  • 16/05-22/05 2005
  • 09/05-15/05 2005
  • 02/05-08/05 2005
  • 25/04-01/05 2005
  • 18/04-24/04 2005
  • 11/04-17/04 2005
  • 29/11-05/12 1999
  • 29/12-04/01 1970

    Foto

    Willekeurig SeniorenNet Blogs
    krewinkel
    blog.seniorennet.be/krewink
    Foto


    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!