NIEUW: Blog reclamevrij maken?
Op zoek naar een bepaalde info ? Geef dan hieronder een trefwoord in...
Zoeken in blog

Foto
Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom !
Foto
Gastenboek
  • h9fkct
  • 9kbkq9
  • 47r5xw
  • h5hbr9
  • a4svek

    Druk oponderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek

    Foto
    Raadpleeg steeds je arts !
    Foto
    Laatste commentaren
  • cialis costco cost (TramHoF)
        op Vluchten in het werk
  • cialis gym (TramHoF)
        op Vluchten in het werk
  • cialis bankeinzug (TramHoF)
        op Vluchten in het werk
  • cialis generique doctissimo (TramHoF)
        op Vluchten in het werk
  • cialis jelly vente (TramHoF)
        op Vluchten in het werk
  • link for you uk cialis sales (TramHoF)
        op Vluchten in het werk
  • venta de cialis en chile (TramHoF)
        op Vluchten in het werk
  • look there cialis sales online (VindoHoF)
        op Vluchten in het werk
  • cialis sellers (VindoHoF)
        op Vluchten in het werk
  • cialis delivered switzerland (VindoHoF)
        op Vluchten in het werk
  • Foto
    Blog als favoriet !
    Foto
    Willekeurig SeniorenNet Blogs
    luckruisstraat
    blog.seniorennet.be/luckrui
    Willekeurig SeniorenNet Blogs
    ake
    blog.seniorennet.be/ake
    Willekeurig SeniorenNet Blogs
    leopoldsburg
    blog.seniorennet.be/leopold
    Willekeurig SeniorenNet Blogs
    kilowatt
    blog.seniorennet.be/kilowat
    Willekeurig SeniorenNet Blogs
    lancia1
    blog.seniorennet.be/lancia1
    Foto
    Mijn favorieten
  • Kennis=macht=gezondheid - Pillie Willie
  • Vlaamse Liga voor Fibromyalgie Patiënten
  • Lotgenoten Fibromyalgie Nederland
  • APS-Therapie
  • Alles over fibromyalgie
  • Fibromyalgie-Online
  • Leven met CVS / Leven met Fibromyalgie
  • Gezondheidspein.nl
  • TopSiteGuide.BelgischeTop100
  • Fibromyalgie PR-site
    Foto
    Fibromyalgie
    Strijd om erkenning
    28-04-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Eindelijk duidelijkheid ! - Deel I
    Klik op de afbeelding om de link te volgen
















    Eindelijk duidelijkheid !

    Deel I



    'Objectiviteit'
    heeft in principe niets te maken met meetbaarheid,
    maar alles met
    validiteit en betrouwbaarheid van de vaststellingen


    Prof. Dr. Boudewijn Van Houdenhove schrijft in zijn boek (15-11-2007) :

    "Stress, het lijf en het brein - Ziekten op de grens tussen psyche en soma"

    Verzekeringsartsen manipuleren met de term 'objectief want als we deze wetenschapstheoretische reflecties serieus nemen, moeten we tot de conclusie komen dat verzekeringsinstellingen die 'niet-meetbare' aandoeningen (zoals CVS en fibromyalgie) via de 'kleine lettertjes' van hun polissen uitsluiten als 'niet-objectief', een ontoelaatbare denkfout begaan.
    Dat je een ziekte als CVS niet met een laboratoriumtest kunt vaststellen, is immers geen bewijs van afwezigheid van de ziekte.
    Onpartijdige observatie van een patiënt met "medisch onverklaarde klachten" kan heel goed leiden tot een betrouwbare en valide diagnose (ook bij andere ziektebeelden immers, een "depressie" bijvoorbeeld, wordt op deze wijze de diagnose gesteld, maar depressies krijgen echter nooit het etiket "niet-objectiveerbaar", waarom CVS en fibromyalgie dan wel ?




    Eindelijk duidelijkheid !


    Inhoud :

    • Functional Somatic Disorders - From Neuroscience to Clinical Practice (international symposium)
      (Symposium over functionele somatische syndromen) (internationaal symposium)
      30 november 2007

    • Prof. Dr. Boudewijn Van Houdenhove : "Verzekeringsartsen manipuleren met de term 'objectief'"

    • Stress, het lijf en het brein - Ziekten op de grens tussen psyche en soma

    • Moe in tijden van stress - Luisteren naar chronische vermoeidheid

    • In wankel evenwicht - Over stress, levensstijl en welvaartsziekten

    • Een ontregeld stresssysteem kan ons psychisch én lichamelijk ondermijnen

    • Stress te lijf

    • Chronisch vermoeldheidssyndroom - Een ziekte, meerdere oorzaken ?

    • Speech van Marc van Impe - CVS Dag 12 Mei 2000

    • L'aide aux patients qui souffrent du syndrome de fatigue chronique (SFC)
      Sénat de Belgique – Annales - Demande d'explications de M. Johan Malcorps au ministre des Affaires sociales et des Pensions d.d. 14-11-2002

    • De erkenning van centra voor de behandeling van het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS)
      Belgische Senaat – Handelingen - Vraag om uitleg van de heer Jacques Germeaux aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid d.d. 18-03-2004

    • Het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS)
      Belgische Senaat - Vragen en Antwoorden - Vraag van mevrouw Hermans aan de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid Volksgezondheid d.d. 25-02-2005

    • Verzoekschrift over de behandeling van CVS-patiënten - Uiteenzetting door de heer Marc van Impe & Vragen van de leden en antwoorden van de heer Marc van Impe en dr. Anne Marie Uyttersprot
      Zitting, 03-03-2005 - Verslag namens de Commissie voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin uitgebracht door de dames Vera Jans en Greet Van Linter

    • Myalgische encephalomyelitis (ME) — Chronische vermoeidheidssyndroom (CVS) – Terugbetalingsregels
      Belgische Senaat - Vragen en Antwoorden - Vraag van mevrouw Thijs d.d. 24-11-2006

    • Werelddag ME-Fibromyalgie - 12 mei 2006
      met reacties van Fientje Moerman, Frank Vandenbroucke & Inge Vervotte

    • Cfr. ook :

    1. A 37-kDa 2-5A binding protein as a potential biochemical marker for chronic fatigue syndrome

    2. Chronische vermoeidheid is geen spookziekte - Psychiaters moeten inbinden

    3. Criteria voor CVS en ME

    4. De strandstoel in mijn keuken – Een intervieuw met Yoke Boon

    5. Een openhartig gesprek met Prof. dr. Kenny de Meirleir

    6. Evaluatierapport over de referentiecentra

    7. Evaluation of precision performance of clinical chemistry devices - Approved guideline - NCCLS document EP5-A

    8. Indexlijst van Nederlandstalige artikelen uit 1987

    9. Indexlijst van Nederlandstalige artikelen uit 1988

    10. Indexlijst van Nederlandstalige artikelen uit 1989

    11. Indexlijst van Nederlandstalige artikelen uit 1990

    12. Indexlijst van Nederlandstalige artikelen uit 1991

    13. Indexlijst van Nederlandstalige artikelen uit 1992

    14. Indexlijst van Nederlandstalige artikelen uit 1993

    15. Indexlijst van Nederlandstalige artikelen uit 2004

    16. Indexlijst van Nederlandstalige artikelen uit 2005

    17. Maximum factuur voor medische kosten

    18. ME in Nederlandstalige dagbladen en tijdschriften 1998 - ...

    19. Persmap - ME Protestdag 13 mei 2006

    20. Persmap - ME Protestdag 13 mei 2008

    21. Ribonuclease L proteolysis in peripheral blood mononuclear cells of chronic fatigue syndrome patients

    22. RNase L levels in peripheral blood mononuclear cells - 37-kilodalton/83-kilodalton isoform ratio is a potential test for chronic fatigue syndrome

    23. The 2-5A pathway and signal transduction - A possible link to immune dysregulation and fatigue

    24. Variability of the RNase L isoform ratio (37 kilodaltons/83 kilodaltons) in diagnosis of chronic fatigue syndrome




    Functional Somatic Disorders
    - From Neuroscience to Clinical Practice -
    (international symposium)

    (Symposium over functionele somatische syndromen)
    (internationaal symposium)

    30 november 2007, Provinciehuis Leuven


    Organisatie

    Dienst Psychiatrie / Faculteit Psychol. & Pedag. Wet., K.U.Leuven.

    Programma

    - voormiddag : vier internationale sprekers (in het Engels)
    - namiddag : interactieve workshops (in het Nederlands)
    - aansluitend : voorstelling van het boek ‘Stress, het Lijf en het Brein - Ziekten op de grens tussen psyche en soma’ (B. Van Houdenhove, red.).

    Info : rita.vancalster@uzleuven.be


    Opening van het Symposium

    Prof. Bernard Himpens
    Decaan van de faculteit Geneeskunde, K.U. Leuven


    Inleiding

    Prof. Koen Demyttenaere
    Diensthoofd psychiatrie, Campus Gastenberg
    E-mail :
    Koen.Demyttenaere@med.kuleuven.be


    Buitenlandse sprekers

    - Functional somatic disorders - An update
    Prof. Francis Creed
    Psychiatrist and Professor of Psychological Medicine at the School of Psychiatry & Behavioural Sciences at the University of Manchester (UK) and editor of The Journal of Psychosomatic Research
    E-mail :
    francis.creed@manchester.ac.uk

    - Consultations about unexplained symptoms - Contest or collaboration ?
    Peter Salmon
    Professor of Clinical Psychology and Honorary Consultant Clinical Psychologist at the University of Liverpool (UK)
    E-mail :
    psalmon@liverpool.ac.uk

    - Psyche, soma or both ? The case of chronic fatigue syndrome
    Prof. Paul White
    Ppsychiatrist and Professor of Psychological Medicine at St Bartholomew’s Hospital and the London, Queen Mary’s School of Medicine and Dentistry (UK)
    E-mail :
    p.d.white@qmul.ac.uk
    Web site :
    http://www.sheffield.ac.uk/geography/staff/white_paul/index.html

    - Childhood trauma and risk for functional somatic disorders
    Christine Heim
    Psychologist and Assistant Professor in the Department of Psychiatry and Behavioral Sciences at Emory University School of Medicine in Atlanta (USA)
    E-mail :
    cmheim@emory.edu
    Web site :
    http://prod-med.emory.edu/faculty/profile_bio.cfm?id=2618


    Drie interactieve workshops

    - Chronische pijn- en uitputtingssyndromen - Een vaak miskend medisch en maatschappelijk probleem
    O.l.v. Prof. B. Van Houdenhove, m.m.v. Prof. D. Blockmans, Prof. P. Luyten en Dr. F. Van Den Eede

    - Het brein en de buik - Waarom functionele maagdarmklachten multidisciplinair behandelen ?
    O.l.v. Dr. L. Van Oudenhove, m.m.v. Dr. Ph. Persoons en Prof. J. Tack

    - Hartziekte en depressie - Is deze dodelijke combinatie te voorkomen ?
    O.l.v. Dr. J. Vandenberghe, m.m.v. Prof. F. Dobbels en Prof. J. Van Cleemput

    - Voorstelling van het boek 'Stress, het lijf en het brein - Ziekten op de grens tussen psyche en soma'
    Prof. Dr . Boudewijn Van Houdenhove - Terra - Lannoo, Uitgeverij, 15-11-2007
    Cfr. :
    http://www.lannoo.com/Content/Lannoo/wbnl/listview/1/index.jsp?titelcode=13523&fondsid=8


    Cfr. :
    -
    http://www.cvs-online.nl/modules.php?op=modload&name=News&file=article&sid=558&mode=mode=thread&order=0&thold=0
    -
    www.jules.be - 'Symposium : Functional somatic disorders - From neuroscience to clinical practice' (dd. 15-11-2007)


    1. - Psyche en soma...

    De geneeskunde worstelt al eeuwen met het begrijpen en behandelen van ziekten die zich in het ‘grensgebied’ tussen psyche en soma bevinden.
    Vooral aandoeningen zonder duidelijke lichamelijke verklaring, zoals prikkelbaredarmsyndroom, fibromyalgie en chronische vermoeidheidssyndroom – tegenwoordig ‘functionele somatische syndromen’ genoemd – zijn voor veel artsen en andere hulpverleners ‘een doorn in het oog’.

    De betrokken patiënten, van hun kant, voelen zich niet zelden onbegrepen.

    In dit symposium willen we een overzicht geven van de nieuwste wetenschappelijke inzichten en therapeutische mogelijkheden op dit domein.
    Hierbij zullen zowel de spectaculaire vooruitgang van de neurobiologie als de concrete klinische praktijk aan bod komen.
    Naast vier plenaire lezingen door internationaal gerenommeerde sprekers, zullen in drie workshops – met vertegenwoordigers van medische én psychologische disciplines – aan de deelnemers volop interactiemogelijkheden worden geboden.

    Het symposium vormt bovendien de aanloop naar de voorstelling van een boek dat geschreven werd door een groep enthousiaste Leuvense psychiaters en psychologen die allen wetenschappelijk en/of klinisch actief zijn op dit domein.
    Zowel het symposium als het boek richten zich naar artsen (huisartsen, psychiaters en andere medische specialisten), evenals psychologen en paramedici die geboeid zijn door de fascinerende grens tussen psyche en soma.

    Cfr. : http://www.uzleuven.be/uzroot/files/webeditor/GHB_uitn%20symp.pdf


    2. - Onverklaard ? - Uitleggen is de kunst

    Katrien Steyaert

    Chronischevermoeidheidssyndroom, fibromyalgie, prikkelbaredarmsyndroom…
    Heelwat aandoeningen flirten met de grens tussen lichaam en geest.
    De Britse psycholoog Peter Salmon wil in dit verband sleutels aanreiken voor een vruchtbare communicatie tussen arts en patiënt.
    Of hoe een juiste uitleg wonderen kan doen.

    Op 30 november 2007 organiseren de UZ Leuven en de K.U.Leuven een symposium over functionele somatische syndromen — aandoeningen waarbij geen lichamelijke verklaring wordt gevonden.
    Het symposium wil de nieuwste inzichten en therapieën onder de aandacht brengen.
    Zowel de neurobiologie van stress — die bij deze aandoeningen een belangrijke rol speelt — als de klinische praktijk komen hierbij aan bod.
    Ongeveer 20 procent van de patiënten die consulteren bij de huisarts en zelfs tot 50 procent bij sommige specialisten heeft lichamelijke klachten zonder aanwijsbare oorzaak”, stelt Peter Salmon, klinisch psycholoog en hoogleraar aan de universiteit van Liverpool en een van de sprekers op het symposium.
    Wat doe je als arts in zo’n geval ?
    Een symptoombehandeling starten omdat de patiënt er op aandringt of omdat die het best binnen je medisch denkkader past ?
    Salmon : “Zulke behandelingen helpen vaak niet veel, verspillen de middelen van de gezondheidszorg en kunnen patiënten schaden door ze de hulp te onthouden die ze echt nodig hebben. Een alternatief is een beroep doen op het concept ‘somatisatie’. In dat geval gaat de arts ervan uit dat de klachten berusten op een onderliggende psychische oorzaak waarvoor een psychiatrische behandeling nodig is. Maar deze interpretatie stuit bij veel patiënten op weerstand, want ‘het zit toch niet tussen de oren’!
    En dan is er nog de mogelijkheid om de patiënt naar een psycholoog te sturen voor cognitieve gedragstherapie. Die heeft als doel patiënten beter te leren omgaan met hun klachten en beperkingen. Maar gezien de grote aantallen patiënten zullen er nooit genoeg gespecialiseerde therapeuten zijn. Artsen zouden dus manieren moeten vinden om tijdens hun eigen raadplegingen deze patiënten zo goed mogelijk te helpen of ze minstens op het goede spoor te zetten.

    Twistgesprek

    Salmon analyseerde ruim 400 consultatiegesprekken met de bedoeling te achterhalen wat de huisarts ertoe brengt om patiënten met onverklaarde lichamelijke klachten door te verwijzen naar een specialist.
    Doorverwijzing leek in veel gevallen het resultaat te zijn van communicatieproblemen met de patiënt, eerder dan een weloverwogen reactie van de arts op wat de patiënt aanbracht. We stelden vast dat deze patiënten met hun huisarts vaak een soort twistgesprek (‘contest’) voeren. De patiënt probeert uit alle macht serieus genomen te worden en begrip en erkenning van de arts te krijgen, terwijl de arts dat nauwelijks oppikt, er blijft op hameren ‘dat er niets te vinden is’ of uiteindelijk toch maar verdere specialistische onderzoeken voorstelt ‘om ervan af te zijn’. In zo’n geval begint voor de patiënt niet zelden een lange lijdensweg doorheen de doolhof van de geneeskunde. We zijn bezig met de studie van elementen uit de consultatie die kunnen voorspellen wat er later precies met zo’n patiënt gebeurt.
    Er zijn volgens Salmon ook veel artsen die, wanneer ze een patiënt met functionele klachten over de vloer krijgen, aarzelen om zich in het gesprek te engageren, bijvoorbeeld door geen verdere vragen te stellen over psychosociale thema’s die sommige patiënten wel degelijk aanbrengen.
    Artsen zeggen nogal eens dat dit komt omdat ze het te druk hebben of vermoeid zijn. Maar er zijn wellicht nog andere redenen : misschien willen ze zichzelf emotioneel beschermen of zijn ze bang de patiënt afhankelijk van hen te maken. Recente onderzoeksresultaten wijzen alvast in de richting van de tweede veronderstelling.



    Technologie van de uitleg

    Van één zaak is Salmon heilig overtuigd: artsen zouden zich meer bewust moeten zijn van het belang van een adequate uitleg aan patiënten : “De technologie van de uitleg moet worden opgenomen in het medisch curriculum. Als de arts in staat is uit te leggen wat er met de patiënt aan de hand is, creëert hij een gemeenschappelijke basis, een ‘common ground’ voor een vruchtbare samenwerkingsrelatie. In plaats van een twistgesprek kan dan een samenwerking ontstaan, die een springplank vormt naar de behandeling.
    Dat gebeurt nog veel te weinig,” vindt Salmon, “hoewel er voor functionele klachten plausibele verklaringsmodellen voorhanden zijn, die verstaanbaar zijn voor de meeste patiënten en berusten op een mix van actuele biomedische kennis en culturele metaforen. Zulke verklaringen kunnen bovendien handvatten bieden voor pragmatische hulp. Bijvoorbeeld, bij patiënten met fibromyalgie, die pijn hebben in alle spieren en gewrichten, kan de arts spreken over ‘overgevoelige pijnmechanismen in de hersenen’ waarop ontspanningsoefeningen en voorzichtige conditietraining een gunstige invloed kunnen uitoefenen.
    Een goede uitleg informeert niet alleen, maar leidt ook tot empowerment van de patiënt”, besluit Salmon : “Symptomen worden in een begrijpelijk kader geplaatst, de echtheid ervan wordt bevestigd én de patiënt krijgt meer grip op wat hem of haar overkomt.
    Medewerkers van Salmon probeerden de inzichten uit zijn onderzoek ook al te toetsen in de klinische praktijk.
    Zo leerden ze artsen meer in te gaan op psychosociale hints van patiënten en deze eventueel in verband te brengen met hun symptomen.
    Niet alle patiënten waren echter even enthousiast. Ze hielden er blijkbaar niet van dat hun arts doorging op onderwerpen als ‘stress’, mogelijk uit angst voor een psychisch etiket of verminderde aandacht voor de fysieke aspecten van hun kwaal. We denken dus wel te weten wat er moet veranderen in de communicatie tussen arts en patiënt, maar we zijn er nog niet helemaal uit hoe we dat in de praktijk moeten brengen.


    Cfr. : http://www.kuleuven.be/ck/2007_08/03/ck19-03-somatische.php




    Boudewijn Van Houdenhove

    Prof. Dr. Boudewijn Van Houdenhove is psychiater en hoogleraar medische en gezondheidspsychologie aan de K.U. Leuven.
    Hij is een pionier op het gebied van het onderzoek naar het verband tussen lichamelijke en psychosociale aspecten van ziek zijn.
    Hij publiceerde diverse erg succesvolle boeken over o.m. chronische pijn en chronische vermoeidheid.

    Cfr. : http://cwisdb.kuleuven.be/persdb-bin/persdb?lang=N&oproep=persoon&fnaam=u0013007&ingelogd=




    Prof. Dr. Boudewijn Van Houdenhove : "Verzekeringsartsen manipuleren met de term 'objectief'"

    ME/CVS-Stichting Nederland
    Citaat (p. 19-20) uit :
    '
    Stress, het lijf, en het brein - Ziekten op de grens tussen psyche en soma
     
    Prof. Dr . Boudewijn Van Houdenhove - Terra - Lannoo, Uitgeverij – ISBN : 9789020973327 – ISBN10 : 9020973320


    Verzekeringsartsen manipuleren het begrip "
    objectiviteit" bij de beoordeling van "medisch onverklaarde klachten", meent Boudewijn van Houdenhove, de Belgische CVS-expert.
    Dat je een ziekte als CVS niet met een laboratoriumtest kunt vaststellen, is geen bewijs van afwezigheid van de ziekte.

    Onpartijdige observatie van een patiënt met "medisch onverklaarde klachten" kan volgens hem heel goed leiden tot een betrouwbare en valide diagnose.
    Ook bij andere ziektebeelden immers, een "
    depressie
    " bijvoorbeeld, wordt op deze wijze de diagnose gesteld.
    Depressies krijgen echter nooit het etiket "
    niet-objectiveerbaar", waarom CVS en fibromyalgie dan wel ?

    Het is een opvallende paragraaf in het nieuwe Leuvense boek over "ziekten op de grens tussen psyche en soma" onder redactie van Boudewijn van Houdenhove.
    Op 30 november 2007 werd het ten doop gehouden na afloop van een eendaags congres.


    "
    Een ontoelaatbare denkfout"


    Verkeerd begrijpen van objectiviteit

    Eén van de meest verbreide conceptuele misverstanden in de psychosomatiek is de gelijkstelling van 'somatisch onverklaard' met 'niet-objectief'.

    Bij nader inzien berust deze gelijkstelling op een derde factor, namelijk 'niet-meetbaarheid'.
    Bij psychosomatische aandoeningen valt er inderdaad niets meetbaars vast te stellen, noch in lichaamsvochten (bloed, urine, ruggenmergvocht), noch via technische onderzoeken (ECG, radiografieën en andere medische beeldvorming), dus zijn ze niet objectief - zo luidt de redenering.

    Maar ook deze redenering is krom.
    Het ongerijmde gebruik van de term '
    objectief
    ' in deze context wordt snel duidelijk als we het voorbeeld nemen van depressie.
    Niemand zal beweren dat depressie meetbaar is (ook al kunnen er bij verfijnd biochemisch onderzoek wel afwijkende hormoonwaarden, bijvoorbeeld van cortisol, worden vastgesteld).
    Toch twijfelt niemand aan de objectiviteit van het klinisch vaststelbare ziektebeeld depressie.
    De term '
    objectief' moet dus andere ladingen dekken dan die er vaak aan worden toegeschreven.


    Een wetenschapstheoretisch perspectief kan hier veel verhelderen

    Etymologisch verwijst de term 'objectief' - en zijn tegenhanger 'subjectief' - naar het al dan niet 'op afstand plaatsen' van het geobserveerde of bestudeerde object.
    Objectieve observatie houdt in dat men niet met het object samenvalt, met andere woorden, zijn eigen subjectiviteit (met alles wat die impliceert aan individuele attitudes en interpretaties) tot op zekere hoogte kan uitschakelen.
    Dit heeft op zijn beurt twee belangrijke gevolgen :

    • het geobserveerde zal zoveel als mogelijk beantwoorden aan de werkelijkheid (dit wordt 'validiteit' van de observatie genoemd) en

    • andere observatoren zullen in gelijkaardige omstandigheden grotendeels tot dezelfde vaststellingen komen (dit wordt 'betrouwbaarheid' van de observatie genoemd).

    Kortom, 'objectiviteit' heeft in principe niets te maken met meetbaarheid, maar alles met validiteit en betrouwbaarheid van de vaststellingen.

    Let wel
    Dit is geen academische spielerei : als we deze wetenschapstheoretische reflecties serieus nemen, moeten we tot de conclusie komen dat verzekeringsinstellingen die '
    niet-meetbare' aandoeningen (zoals CVS en fibromyalgie) via de 'kleine lettertjes' van hun polissen uitsluiten als 'niet-objectief', een ontoelaatbare denkfout begaan.


    Cfr. :
    http://www.me-cvs-stichting.nl/Objectiveerbaar.htm




    Stress, het lijf en het brein - Ziekten op de grens tussen psyche en soma

    Prof. Dr . Boudewijn Van Houdenhove
    Terra - Lannoo, Uitgeverij, 15-11-2007 – ISBN : 9789020973327 – ISBN10 : 9020973320


    De geneeskunde worstelt al eeuwen met het begrijpen en adequaat behandelen van ziekten die zich in het grensgebied tussen psyche en soma bevinden.
    Vooral aandoeningen zonder duidelijke lichamelijke verklaring - tegenwoordig '
    functionele somatische syndromen
    ' genoemd - zijn voor veel artsen en andere hulpverleners een doorn in het oog.
    Voorbeelden zijn : prikkelbaredarmsyndroom, chronische vermoeidheidssyndroom, fibromyalgie...

    De laatste jaren stapelen de bewijzen zich op dat het stresssysteem - de neurobiologische draaischijf tussen ons lichaam en ons brein - in deze ziekten een cruciale rol speelt.

    Dit boek geeft een up-to-date overzicht van deze nieuwe ontwikkelingen.
    Het is geschreven door een groep Leuvense psychiaters en psychologen, die allen klinisch en wetenschappelijk actief zijn op dit terrein.

    Naast verschillende stressgebonden ziektebeelden, komen ook meer algemene topics aan bod, zoals de rol van vroegkinderlijk trauma, het onderzoek naar prenatale stress, de link tussen stress, emoties en pijn en de methodologische valkuilen van het stressonderzoek.
    De auteurs van dit boek hebben getracht deze complexe materie toegankelijk te maken voor een niet-gespecialiseerde lezer.
    Het boek is bedoeld voor artsen, psychologen en eenieder die geboeid is door de fascinerende vooruitgang van de moderne neurowetenschappen.


    Cfr. :
    http://www.bruna.nl/boeken/9789020973327 




    Moe in tijden van stress - Luisteren naar chronische vermoeidheid

    Boudewijn Van Houdenhove - Uitgeverij Lannoo, 20-02-2001 - ISBN : 978-90-209-4323-8


    Chronische vermoeidheid lijkt op weg om dé kwaal te worden van deze tijd.
    Bij wie eraan lijdt, wordt meestal geen lichamelijke verklaring gevonden.
    Uiteindelijk krijgt hij of zij - vaak na lang "
    shoppen" in de geneeskunde - het etiket "chronisch vermoeid
    " opgeplakt.
    Wat is er met deze mensen aan de hand ?
    Zijn ze ten prooi gevallen aan een nieuw virus, aan een moeilijk opspoorbare bacterie ?
    Of... zit het misschien tussen de oren ?
    Prof. Van Houdenhove wordt algemeen erkend als een autoriteit op het vlak van CVS.
    Hij publiceert hierover in internationale vaktijdschriften.
    Maar bovenal luistert hij naar het verhaal van de patiënten.
    Hij is ervan overtuigd dat daar de sleutel zit om hun klachten én hun ernstige lijden te begrijpen.
    In '
    Moe in tijden van stress
    ' schrijft hij zijn ervaringen neer.
    Hij beschrijft het verband tussen CVS en onze drukke tijden en breekt een lans voor een brede kijk op deze moderne kwaal,
    waardoor de onvruchtbare discussie over "somatische" versus "psychische" oorzaken overbodig wordt.


    Cfr. :
    http://www.lannoo.com/Content/Lannoo/wbnl/listview/1/index.jsp?titelcode=1798&fondsid=6




    In wankel evenwicht - Over stress, levensstijl en welvaartsziekten

    Boudewijn Van Houdenhove - Lannoo, Tielt, 21-02-2005 – ISBN : 978-90-209-6020-4


    Ons stresssysteem heeft een essentiële, beschermende functie.
    Door een ingenieus samenspel van hormonen en andere stoffen zorgt het ervoor dat ons organisme elke vorm van fysieke of emotionele belasting de baas kan.
    Maar het systeem kan uit balans raken, vooral als de druk te hoog wordt of nooit ophoudt.
    Onze stresshormonen slaan dan op hol of zijn juist te weinig actief.
    In dat geval beschermen ze ons niet meer, maar ondermijnen ze ons psychisch en lichamelijk.
    In dit baanbrekende boek leidt Boudewijn van Houdenhove ons binnen in de fascinerende wereld van het moderne stressonderzoek.
    Hij laat zien hoe een ontregeld stresssysteem een ingrijpende impact kan hebben op onze gezondheid en een rol kan spelen in diverse '
    welvaartsziekten
    ' : depressie, hart- en vaatziekten, obesitas, diabetes, fibromyalgie, chronischevermoeidheidssydroom...
    De auteur maakt ons duidelijk dat, om ons stresssysteem in evenwicht te houden, een gezonde levensstijl van het allergrootste belang is.
    We kunnen er dus maar beter meteen aan gaan werken.
    Dit boek vormt daartoe de perfecte eerste stap.


    Cfr. : http://www.lannoo.com/content/lannoo/wbnl/listview/1/index.jsp?titelcode=11132&fondsid=6




    Een ontregeld stresssysteem kan ons psychisch én lichamelijk ondermijnen

    Tim Vuylsteke – Campuskrant - KULeuven
    Bron : ‘
    In wankel evenwicht - Over stress, levensstijl en welvaartsziekten
    '
    Boudewijn Van Houdenhove - Lannoo, Tielt, 21-02-2005 – ISBN : 978-90-209-6020-4


    Stress.
    Een halve eeuw geleden wist niemand wat het was, tegenwoordig heeft iedereen er last van.
    Van de overwerkte topmanager tot de hongerige baby en de gekooide kanarievogel, allemaal lijden ze aan stress.
    Maar hoe werkt stress eigenlijk, wetenschappelijk gezien ?
    En is stress wel altijd negatief ?
    Professor Boudewijn Van Houdenhove
    van de Dienst Liaisonpsychiatrie van de UZ heeft er een boek over geschreven.
    Dat boek helemaal uitlezen voor de deadline van deze Campuskrant, zou voor ondergetekende net iets te stresserend zijn geweest.
    Vandaar dat hij bij de auteur aanklopte voor een mondelinge versie.


    'In wankel evenwicht - Over stress, levensstijl en welvaartsziekten' is het zoveelste boek over stress.
    Zaten de mensen daar op te wachten ?

    Van Houdenhove : “Het concept ‘stress' wordt vaak gebanaliseerd, zelfs door professionals, terwijl het eigenlijk om iets fundamenteels gaat. Stress kan het best gedefinieerd worden als een aantal biologische en psychologische mechanismen die op gang komen naar aanleiding van een reële of vermeende bedreiging van ons lichamelijk of psychisch evenwicht. Die ‘bedreiging' moet overigens heel ruim worden bekeken : de wekker horen aflopen, bijvoorbeeld, valt er ook onder (lacht).”
    Om ons evenwicht te bewaren of zonodig te herstellen, zorgt ons ‘stresssysteem' voor de productie van adrenaline, noradrenaline en cortisol. Die hormonen zetten een reeks processen in werking, die de laatste jaren worden samengevat met de term ‘allostasis' — letterlijk te vertalen als : ‘stabiel blijven doorheen verandering'.

    Als je ‘s morgens opstaat, versnellen stresshormonen je hartritme, ze doen je bloeddruk stijgen en maken glucose vrij uit je lever — allemaal noodzakelijk om op te kunnen staan en niet weer in bed te belanden.
    Ons stresssysteem heeft dus een essentiële beschermende functie. Het zorgt ervoor dat we fysieke of emotionele druk of belasting de baas kunnen. Maar onder bepaalde omstandigheden kan het systeem uit balans raken. Dat is vooral het geval als de belasting te hoog wordt of nooit ophoudt. Het is niet de bedoeling dat je constant rondloopt met een bonzend hart of een verhoogde bloeddruk of suikerspiegel. Maar als je elke dag opnieuw geconfronteerd wordt met een collega of partner die je het bloed van onder de nagels haalt, is de kans daarop behoorlijk groot. Dan is er geen sprake meer van ‘allostasis', maar van ‘allostatic load' : in plaats van je evenwicht te bewaren gaan de stresshormonen je dan psychisch en lichamelijk ondermijnen.

    Bij sommige mensen werkt het ‘stopmechanisme' van het stresssysteem — dat ervoor zorgt dat het lichaam weer normaal gaat functioneren als de dreiging geweken is — niet zoals het hoort: na een onschuldige discussie op het werk, bijvoorbeeld, liggen ze urenlang wakker met een opgejut gevoel. Bij anderen is het stresssysteem dan weer te weinig actief — vermoedelijk ligt dat aan de basis van het chronische vermoeidheidssyndroom, waarbij fysieke en mentale inspanningen niet goed meer worden verwerkt en ook het immuunsysteem — dat gedeeltelijk door stresshormonen wordt geregeld — het noorden kwijtraakt.


    Angstige aapjes

    Een stresssysteem dat uit balans is, kan een hele resem psychische en lichamelijke stoornissen veroorzaken.
    Eén van de belangrijkste is depressie. Dat er een link bestaat tussen stress en depressie is al langer bekend. Nieuw is echter dat op hol geslagen stresshormonen nu worden beschouwd als het primum movens van de ziekte, waardoor op den duur stemmingsregulerende neurotransmitters, zoals serotonine, van slag raken.

    Deze hormonale ontregeling kan trouwens nog heel wat andere verwikkelingen met zich meebrengen. Zo kan depressie het risico verhogen op hartinfarct, diabetes en osteoporose en ook tot ernstige geheugenstoornissen leiden. Als je lange tijd overspoeld wordt door stresshormonen, gaan je aders vlugger dichtslibben, sla je meer buikvet op, komt je suikerhuishouding onder toenemende druk te staan, laat je beenderopbouw het afweten en wordt je hippocampus — een hersenstructuur die een cruciale rol speelt in het geheugen — een maatje kleiner.

    Om die reden kan je depressie terecht beschouwen als een systeemziekte. Daarbij komt nog dat depressie vaak gepaard gaat met ongezonde leefgewoonten waardoor een vicieuze cirkel tot stand komt en het stresssysteem steeds verder ontregeld raakt.
    Het feit dat sommige mensen gevoeliger zijn voor depressie dan anderen, past perfect in dit plaatje, want de kwetsbaarheid van het stresssysteem is bij iedereen verschillend. Dat is gedeeltelijk genetisch te verklaren, maar recent onderzoek wijst erop dat ontwikkelingsfactoren minstens even belangrijk zijn. Een Canadees neurowetenschapper vond bijvoorbeeld dat ratjes die veel door hun moeder gelikt werden, efficiënter werkende cortisolreceptoren hadden. Gelijkaardige bevindingen werden gedaan bij genetisch angstige apenjongen die werden grootgebracht door een niet angstige ‘adoptiemoeder'. Omgevingsfactoren — zoals de kwaliteit van de vroege moeder-kindrelatie — spelen een cruciale rol in de expressie van onze genetische aanleg.


    Optimistische nonnen

    Stress- en levensstijlgebonden aandoeningen als depressie, obesitas, hart- en vaatziekten, diabetes en chronische vermoeidheid lijken in onze westerse maatschappij stilaan epidemische proporties aan te nemen.
    Is dat de prijs die we voor onze welvaart moeten betalen ?

    Van Houdenhove : “Daar is vanuit sociologisch perspectief wel wat voor te zeggen. Maar uiteraard spelen nog andere factoren een rol. Zo lopen we meer kans op allerlei ziekten juist omdat we — dankzij onze welvaart — langer leven.
    Een veel eenduidiger antwoord kan ik geven op de vraag hoe we ons stresssysteem het best in evenwicht kunnen houden. Dat antwoord verschilt overigens niet zoveel van wat de oude Grieken en Romeinen al te horen kregen : beweeg voldoende, eet gezond, drink met mate, rook niet en zorg voor voldoende slaap. En wat de psychologische kant betreft: hou willen en kunnen in evenwicht, blijf optimistisch en verzorg je relatieleven zodat je in tijden van nood op voldoende steun kunt rekenen.

    Dit ‘gezondverstandsadvies' wordt nu steeds meer door wetenschappelijk onderzoek onderbouwd.

    Amerikaanse onderzoekers ontdekten dat optimistische nonnen langer leefden dan hun zwartkijkende medezusters.
    En buiten de kloostermuren is dat niet anders.
    Bij een groep van bijna duizend Arnhemse bejaarden die negen jaar lang werden opgevolgd, kwamen Nederlandse onderzoekers onlangs tot dezelfde conclusie.


    Cfr. :
    http://www.kuleuven.ac.be/ck/2004_05/07/ck16-07-stress.php



    Lees verder : Deel II

    28-04-2008 om 00:12 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (4 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    27-04-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Eindelijk duidelijkheid ! - Deel II
    Klik op de afbeelding om de link te volgen






    Eindelijk duidelijkheid !

    Deel II


    Stress te lijf

    © Neuro coaching Gelderland, 2005 – 2008


    We kunnen niet zonder stress.

    De kunst is wel om een optimum te bereiken en daar niet steeds over heen te gaan.

    Stress levert op dat we alert en scherp zijn en presteren.
    We kennen hiervoor ook de uitdrukking “gezonde spanning”.

    Onze topvoetballers kunnen penalty’s alleen nemen als ze uiterst geconcentreerd zijn en zich af kunnen sluiten van de hectiek van het stadion en de prestatiedruk.
    Is de voetballer te gespannen dan mist hij !

    Onder invloed van stress zorgt het autonome zenuwstelsel (cfr. afbeelding Sapolsky) dat er meer adrenaline in het bloed vrijkomt.
    Dat betekent ook extra brandstof voor spieren, hart, longen en hersenen.
    De hersenen gaan informatie sneller verwerken en we presteren dan beter.

    Bij herhaalde stress kan ons stress systeem op een gegeven moment de zaken niet meer goed regelen.

    Conflicten, ziekte, onzekerheden, problemen op school, in het werk en/of relatie (s) activeren ons stresssysteem.
    Het gevarensignaleringssysteem in onze hersenen raakt ontregeld.
    Deze ontregeling kan niet meer worden teruggedraaid en de stresshormonen die normaal gesproken ook weer zorgen voor het uitschakelen van het stress systeem kunnen dat niet meer.

    Dan ontstaan er dus klachten variërend van angsten, spanningsklachten, burn-out, slaapproblemen zowel bij volwassenen als bij kinderen.

    In het boek : ‘Uw brein als medicijn - Zelf stress, angst en depressie overwinnen'
    van David Servan Schreiber worden een aantal technieken beschreven waarop zonder medicijnen veel positieve effecten bij deze klachten te bereiken zijn zoals hartcoherentie training (cfr. :
    http://www.nl.bol.com/is-bin/INTERSHOP.enfinity/eCS/Store/nl/-/EUR/BOL_DisplayProductInformation-Start?Section=BOOK&BOL_OWNER_ID=1001004001951071 -).

    U vindt een aantal zelftests op : http://www.nuevenniet.com/ -.

    In onze praktijk werken wij met hartcoherentie trainingen door middel van software gekoppeld aan een oor- of een vingersensor.

    Op deze speelse manier leren we snel om een meer coherente en daarmee harmonieuze hartritme te bereiken.
    Ook in tijden van spanning en stress.
    In feite re-set je op deze manier het stress systeem in je lichaam en brein.
    Je normaliseert op hol geslagen lichaamsfunkties .../...

    Interesse ?
    Neem dan vrijblijvend kontakt met ons op :
    info@neurocoachinggelderland.nl -.


    Cfr. : http://www.neurocoachinggelderland.nl/info/stress-te-lijf/ 




    Chronisch vermoeidheidssyndroom - Een ziekte, meerdere oorzaken ?

    Stef Dehantschutter - Steungroep.nl, maart 2000
    Bron : Onder Ons (Belgie), Magazine van ziekenzorg CM


    Een zondagochtend in juni te Tielt.
    Ik was gevraagd een debat te modereren over het thema chronisch vermoeidheidssyndoom, kortweg CVS.
    Groot is mijn verbazing als blijkt dat zeker 250 mensen voor dit debat gekomen zijn, ondanks de zondag en de zomer.
    De meesten van hen komen uit de regio Tielt, maar toch zijn enkele tientallen aanwezigen afkomstig uit heel Vlaanderen.
    Een nooit verhoopt succes, zeggen de organisatoren.
    Aanvankelijk dacht ik dat deze hoge opkomst toe te schrijven was aan de aangekondigde aanwezigheid van prof dr. Kenny De Meirleir (VUB) – cfr. :
    http://www.vub.ac.be/infovoor/onderzoekers/research/person.php?person_id=21086 - die al vele jaren in Belgie een belangrijke inbreng heeft in het onderzoek naar CVS en aan BV Luk Saffloer, auteur van het boek 'Te moe om te sterven', waarin hij de eigen ervaring als CVS-patient beschrijft.


    Te moe om te sterven
    Luk Saffloer - Davidfonds, 26-04-1999 – ISBN : 9058260089 – EAN : 9789058260086
    Niemand vindt een verklaring voor zijn aanhoudende vermoeidheid.
    De dagelijkse uitputting begint meer en meer te wegen, maar hij is te trots om eraan toe te geven.
    Voor de buitenwereld is er dan ook niets aan de hand.
    Alleen zijn vrouw en kinderen weten hoe hij és avonds na zijn werk enkel nog kan liggen : doodmoe en uitgeteld.
    Pas in 1994 hoort hij de diagnose : CVS, het chronische vermoeidssyndroom.
    Een geneesmiddel is er niet en intussen wordt de lijst met lichamelijke klachten langer : van slapeloosheid tot verlammende gewerichtspijnen en ernstige hartritmestoringen.
    Maar gelukkig wijkt de ziekt soms.
    Elke goede dag is een verademing, elke dag met minder pijn een geschenk.
    Cfr. :
    http://www.azur.be/index.php?page=ARTIKEL&a=9058260089

    Na het debat en enkele gesprekken met de aanwezigen, besef ik dat de opkomst voor een groot deel te verklaren is vanuit de enorme behoefte van CVS-patienten naar informatie en erkenning.


    Geheel van klachten

    Het chronisch vermoeidheidssyndroom is een geheel van klachten van lichamelijke en psychische aard.
    De voornaamste symptomen zijn een aanslepende en invaliderende vermoeidheid, vergezeld door spierpijnen, neuropsychologische klachten zoals geheugen- en concentratiestoornissen en slaap- en stemmings-stoornissen.
    Men spreekt van een syndroom, omdat het hier gaat om een geheel van symptomen, waarvan het onderliggende ziektemechanisme (nog) niet gekend is.
    Eén van de grootste problemen bij CVS is dat er tot op dit ogenblik geen objectieve test bestaat waarmee men een sluitende en aantoonbare diagnose kan stellen.
    Om de diagnose CVS te stellen, gebruiken artsen dan ook een aantal criteria waarover de laatste jaren een vrij grote eensgezindheid bestaat.
    Zo zal men van het chronisch vemoeidheidssyndroom spreken wanneer een lichamelijk onverklaarbare en aanhoudende of terugkerende vermoeidheid langer dan zes maanden optreedt.
    De vermoeidheid mag niet door een andere oorzaak van medische aard, bv kanker of psychische aard, bv depressie, te verklaren zijn.
    De vermoeidheid mag evenmin het gevolg zijn van een voortdurende inspanning, het misbruik van alcohol of een ernstig overgewicht.
    Naast de overheersende vermoeidheid kunnen zich ook tal van andere klachten voordoen zoals krachteloosheid in spieren, armen, benen, rug en nek, een niet-verkwikkende slaap, spierpijnen en gewrichtspijn, een ernstige beperking van de geestelijke inspanning door hoofdpijn, duizeligheid, concentratie- en geheugenproblemen en geen weerstand tegen stress.
    Naast de overheersende vermoeidheid moet een patient last hebben van minstens vier van deze meest voorkomende klachten, om van CVS te kunnen spreken.

    Daarnaast kunnen zich, afhankelijk van persoon tot persoon, nog andere klachten voordoen zoals overmatig transpireren, schommelingen in de bloeddruk, misselijkheid, darmstoornissen, prikkelbaarheid, staapstoornissen, permanent griepgevoel, veelvuldige infectie, overgevoeligheid voor licht, kleur of geluid, allergie voor bepaalde voedingsstoffen enz.

    CVS kan ledereen treffen, jong en ood, of mensen uit verschillende sociale groepen.
    Opvallend is wel dat beduidend meer vrouwen dan mannen de ziekte krijgen.
    Men schat dat in Belgie zo'n 10.000 personen aan CVS zouden lijden.


    Een nieuwe ziekte ?

    Tot zo'n tien jaar geleden was het begrip 'chronische vermoeidheid' nauwelijks gekend en gebruikte de artsen dit bijna nooit als diagnostische benaming.
    Toch wil dit niet zeggen dat CVS een nieuwe ziekte is.
    In het midden van de 19de eeuw was er reeds medische aandacht voor aanhoudende vermoeidheidsklachten.
    Toch zal het tot het einde van vorige eeuw duren alvorens CVS opnieuw in de belangstelling kwam te staan.
    Amerikaanse virologen suggereerden in de jaren 1980 dat CVS wel eens een goedaardige variant zou kunnen zijn van het Aidsvirus en toen het Amerikaanse leger uit de Golfoorlog terugkeerde, hadden talrijke soldaten last van chronische vermoeidheid.
    Daarmee groeide ook het besef dat CVS niet een louter psychiatrisch gekleurde aandoening zou zijn, zoals tot dan algemeen werd aangenomen, maar dat deze ziekte wel eens een lichamelijke oorsprong zou hebben, meer bepaald van virale aard.
    Hoe dan ook, de aandacht van de media was gewekt voor CVS en met enig lobbywerk van mogelijke onderzoekers, hierbij gesteund door de grote hulpvraag van talloze patienten, die eindelijk hun ziekte benoemd zagen, werd de medische wereld steeds meer onder druk gezet om aandacht te hebben voor CVS en mensen en middelen vrij te maken voor onderzoek naar oorzaak en behandeling.

    Tot het einde van de jaren 1990 werd de medische wetenschap gekenmerkt door een 'mono-causaal' denken.
    Dat wil zeggen dat wetenschappers en artsen op zoek gingen naar die ene oorzaak waarmee een bepaalde aandoening te verklaren zou zijn.
    En naargelang de school waartoe men behoorde zocht men de oorzaak voor CVS in psychische of lichamelijke factoren, zoals enerzijds psychiatrische stoornissen of anderzijds virale infecties, immunologische problemen, doorbloedingsstoornissen enz.
    Toch wint de laatste jaren meer en meer de overtuiging veld dat CVS een gevolg zou zijn van een samenloop zowel van factoren die iemand kwetsbaar maken voor CVS als van uitlokkende en onderhoudende factoren.
    Uit deze visie volgt dan logisch dat de behandeling van CVS-patienten enkel maar zinvol is wanneer dit een multi-disciplinaire behandeling is, waarbij deskundigen op verschillende terreinen samenwerken.


    Twee kampen

    Zoals gezegd zijn de mono-causaal denkende wetenschappers verdeeld over de oorzaak van CVS.
    De aanhangers van de biologische visie stellen dat CVS een fysieke aandoening is, veroorzaakt door een virus of een immunologische stoornis.
    Vanuit het andere wetenschappelilke kamp zegt men dat de fysieke klachten een oorzaak zijn van een psychologisch probleem.

    De aanhangers van de biologische visie stellen dat in het verleden al te vaak klachten, waar niet onmiddelijk een fysische verklaring voor was, afgedaan werden als 'het zal wel inbeelding zijn', waarbij de patient dikwijls aan zijn lot overgelaten werd.
    Met het voortschrijden van de medische wetenschap heeft men later vaak wel biochemische of immunologische oorzaken gevonden voor bepaalde ziekten, waardoor de patient eindelijk ernstig genomen werd omdat men objectief kon bewijzen dat zijn klachten terecht waren en geen inbeelding.
    Dat had vaak verstrekkende gevolgen op sociaal en economisch vlak.
    Want door de erkenning van een ziekte kon een patient aanspraak maken op bijvoorbeeld een vergoeding voor arbeidsongeschiktheid of de terugbetaling van bepaalde behandelingen of medicijnen.

    De aanhangers van de biologische visie stellen nu dat bij CVS-patienten alles draait om het R Nase-L enzym.
    Dit enzym is in alle cellen van gezonde mensen aanwezig en wordt geactiveerd tijdens de bestrijding van virale infecties.
    Bij sommigen is dit enzym overactief, waardoor het niet alleen de binnendringende virussen aanvalt, maar ook de cellen van de patient.
    Welk virus voor de ontregeling van het R Nase-L enzym verantwoordelijk is, weet men nog niet.
    Wel heeft men bij een aantal CVS-patienten een afwijking vastgesteld in de kwaliteit van het R-Nase-L enzym.
    Dit mechanisme zou bij 30 tot 40 % van de CVS-patienten uitsluitsel moeten geven.
    Op dit ogenblik onderzoekt men of deze patienten gebaat zijn met de behandeling van Ampligen, een geneesmiddel dat een gunstig effect zou hebben bij patienten met een positieve R Nase-L-test.

    Voor vele CVS-patienten klonk dit als muziek in de oren.
    Het betekende dat zij niet verantwoordelijk zijn voor hun ziekte en dat CVS wel degelijk een ziekte van het lichaam is en niet "tussen de oren" zit zoals sommigen wel eens beweerden.
    Er is maar één probleem : niet iedere CVS-patient heeft een positieve R Nase-L-rest.
    Zij lopen dan het risico als profiteurs, simulanten of psychiatrische gevallen beschouwd te worden, die, nog meer dan anders het geval was, van juiste hulp verstoken zullen blijven.
    Een detail dat ook tot nadenken stemt is het feit dat zowel de R Nase-L-tests als Ampligen worden verkocht door dezelfde firma en dat de testen en onderzoeken worden uitgevoerd door onderzoekers die bindingen hebben met deze firma.

    En tenslotte, door te wachten tot de mogelijke biologische oorzaken van CVS volledig ontrafeld zijn, wordt de patient veroordeeld tot lijdzaam wachten op het wondermiddel dat hem moet genezen.
    Wat bepaald onmenselijk is.


    Meerdere factoren

    Tegenover dit mono-causale denken staat de groeiende overtuiging dat CVS het gevolg is van de wisselwerking tussen kwetsbaarheidsfactoren, uitlokkende en onderhoudende factoren.
    Sommige mensen zijn door een aantal persoonlijkheidskenmerken meer dan andere kwetsbaar of gevoelig veer CVS.
    Onderzoek wees uit dat het hier vaak gaat om mensen die erg perfectionistisch zijn of overactief en erg gedreven zijn.
    Vele CVS-patienten hebben ook een negatieve levenservaring gehad, waren het slachtoffer van emotioneel of fysiek geweld, hadden misbruikervaringen of angst om anderen te mishagen of te falen.
    Een extra stressfactor, een infectie bijvoorbeeld, een falen of een sociaal conflict, is de uitlokkende factor, de druppel die de emmer als het ware doet overlopen, waardoor iemand aan CVS gaat lijden.
    Het gevolg is een 'crash' op biologisch, psychologisch en sociaal vlak.

    Ten slotte zijn er een aantal factoren, zoals een slechte conditie, slaapstoornissen, angst, gebrek aan erkenning, verkeerde informatie enz., die de ziekte bestendigen en de patient in een neerwaartse spiraal doen terechtkomen.
    De patient ervaart een grote kloof tussen zijn mogelijkheden en de norm die hij meent te moeten halen, waardoor hij steeds meer verstrikt raakt in het ziek zijn.
    De sleutel van het CVS-raadsel is volgens deze visie te vinden in een groter inzicht hoe lichamelijke functies vanuit een psychosociale overbelasting verstoord kunnen worden.

    Essentieel in deze visie is dat een CVS-patient een aangepaste behandeling moet krijgen, waarbij men rekening houdt met de verschillende factoren die uiteindelijk tot de ziekte hebben geleid.
    De beste resultaten zal men dan ook boeken met een multidisciplinaire benadering, waarbij zowel de fysieke, sociale als psychologische factoren worden aangepakt.
    Naast een haalbare fysische revalidatie, waarbij men heel geleidelijk probeert de CVS-patient naar een betere conditie te begeleiden, zal men binnen het psychologische luik vooral aandacht hebben voor het aanbrengen van een nieuwe en realistische levensstijl waarbij rekening gehouden wordt met de kwetsbaarheid van de persoon voar CVS.
    Essentieel is dat de patient zelf gemotiveerd moet zijn om iets aan zijn probleem te doen.
    Hij moet het gevoel krijgen door de behandeling terug vat te hebben op de eigen situatie en niet langer weerloos overgeleverd te zijn aan zijn ziekte.


    Erkenning

    Jareniang hebben CVS-patienten erover geklaagd dat hun ziekte niet erkend werd door het grote publiek - iedereen is wel eens moe - maar ook niet door vele artsen.
    Zolang er geen objectieve test was waarmee de diagnose CVS kon gestaafd worden, bestond deze ziekte voor vele artsen niet.
    Met alle gevolgen vandien.
    CVS-patienten andervonden dan ook veel moeiijkheden bij het verkrijgen van een inkomensvervangende tegemoetkoming.
    Voor mensen met CVS is het niet vanzelfsprekend om te beantwaorden aan de criteria voor arbeidsongeschiktheid die door de controlerend geneesheren worden gesteld.
    Helaas is het tot op vandaag nog zo dat sommige artsen de ernst en de gevolgen van CVS nog steeds betwijfelen.

    De reden hiervoor is misschien te zoeken in een achterhaalde opvatting over de erkenning van een ziekte, waarbij men louter op objectief meetbare gegevens steunt.

    Misschien is het nodig om het begrip erkenning van een ziekte ruimer te bekijken.

    Volgens prof. dr. Van Houdenhave (KUL) – cfr. : http://cwisdb.kuleuven.be/persdb-bin/persdb?lang=N&oproep=persoon&fnaam=00013007&ingelogd=1 - moet men de vraag naar erkenning van een ziekte op drie niveaus bekijken.
    Eerst is er de erkenning van het subjectieve ziektegevoel van de patient en het lijden dat daarmee gepaard gaat.
    Vervolgens is er de diagnose van de arts, gebaseerd op medisch duidelijk omschreven en aantoonbare criteria.
    Ten slotte moet men ook bekijken in welke mate de samenleving omgaat met mensen die door ziekte uit de boot van de prestatiemaatschappij zijn gevallen en hoe dit tot een erkenning van arbeidsangeschiktheid kan leiden, aldus Van Houdenhove.

    Het criterium voor de erkenning zou volgens Van Houdenhove de mate van de functionele beperking van de patient zijn.
    Dit moet zo objectief mogelijk vastgesteld worden, in de wetenschap dat dit niet altijd kan en dat men ook moet leren luisteren naar de klachten van de patient.


    Cfr. :
    http://www.steungroep.nl/archief/populair/oons200003.txt




    Erkenning


    De Wereldgezondheidsorganisatie erkende CVS (sinds 1969) als Benign Myalgic Encephalomyelitis” (onder code 323).
    In 1993 schreef ze de ziekte in de ICD10 in als 'neurologische aandoening' (onder de code G93.3).

    Deze classificatie is een weerslag van de bestaande, internationale consensus over (o.a.) ziekten.
    België en Nederland zijn lid van de WHO en dus - zolang de regeringen het lidmaatschap van de WHO niet opgezeggen- aan deze classificatie gebonden.

    België
    Frank Vandenbroucke, de toenmalige federale minister in België heeft op 1 april 2002 op zijn beurt CVS als ziekte erkend.

    Nederland
    Voor de Nederlandse situatie verwijs ik naar het artikel 'ME/CVS was en is een erkende ziekte' op :
    http://www.steungroep.nl/erkenning.htm -.


    Ene Karin uit Nederland schrijft :

    CVS is door de WHO erkend als ziekte, maar als je hier in Nederland een professor hebt die in de gezondheidsraad zit en ook nog het kenniscentrum is Nijmegen leidt en ook nog pretendeert dat 70% geneest dan gaat daar veel geld naar toe.
    Deze man heeft 2 petten op, maar over de ruggen van mensen met de ziekte.
    Geen geld meer naar nijmegen, maar meer onderzoek naar de oorzaak.

    Cfr. : http://www.medivera.nl/


    .../...

    Maar daarvoor zal de medewerking van de verzekeringsartsen nodig zijn.
    En die laten zich niet alleen binnen de stuurgroepen van RIZIV negatief uit over ME/CVS patiënten maar uiten hun vooroordelen ook graag in de media en wat erger is, laten die ook doorklinken in de onderzoeksrapportages die ze regelmatig op verzoek van rechtbanken, verzekeringsmaatschappijen en ziekenfondsen
    .

    Het rapport van de verzekeringsarts doet vaak de waarheid zo'n geweld aan dat de patiënt zich hier niet bij neer kan leggen en dus gaat procederen, met wisselend resultaat.

    Daarom zouden we patiënten willen aanraden om telkens hij kennis heeft van zulke uitspraken een klacht in te dienen bij het Tuchtcollege van de Orde van Geneesheren.
    Een arts die een benoeming als deskundige krijgt mag deze niet aanvaarden als hij duidelijk vooroordelen heeft ten aanzien van de diagnose ME/CVS.
    Uitspraken als “ik geloof niet in ME/CVS” zijn uit den boze.

    Wat moet men met deskundige verzekeringsartsen die eerst een psychiatrische diagnose stelt en dan, in strijd met de feiten, de gezondheidstoestand en het leven van de patiënt zodanig interpreteert, dat dit binnen die diagnose past.

    Wij citeren hier graag een Nederlands rechtscollege dat recent stelde dat de te benoemen deskundige een persoon dient te zijn van wie mag worden verwacht dat hij een onafhankelijk en onpartijdig oordeel kan geven, die zelfs niet de schijn van partijdigheid heeft en tegen wiens benoeming tot deskundige geen van partijen in redelijkheid bezwaar kan hebben
    Artsen die zich in de publiciteit herhaaldelijk in negatieve zin over de diagnose ME/CVS uitgelaten en voldoen daarom niet aan dit vereiste en moeten als dusdanig geweerd worden.

    Het Nederlandse Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg heeft op 29 maart 2001 een uitspraak gedaan over een klacht van een invalide ME/CVS-patiënte tegen een psychiater uit Eindhoven.
    De betrokken arts had geen psychiatrische grond gevonden maar oordeelde toch dat de patiënte werkbekwaam was.
    De arts kreeg een waarschuwing en daardoor staat de betrokken patiënte een stuk sterker in de onderhandelingen met haar verzekeringsmaatschappij over een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid.

    Die verzekeringsmaatschappijen sturen ook in België aan op een psychiatrisch label van ME/CVS waardoor ze onder hun verplichtingen uitkomen.

    .../...

    Cfr. : http://www.medinet.be/shownews.asp?ID=292


    Wil je als gedupeerde een rechtszaak aanspannen ?
    Wil je naar de rechtbank stappen ?
    Het duurt minstens 1 jaar, en als je in beroep moet gaan, duurt het zeker drie jaar.
    De verzekeringsmaatschappijen rekenen erop dat de patiënten dit niet doen want het is een uitputtingsslag.

    Cfr. : http://www.cvscontactgroep.be/juridisch/verzekeringen/problematiek_verzekeringen.php


    Trends in Health and Disability 2002
    Chief Medical Officer’s Report
    Peter Dewis - UnumProvident (UnumProvident is the trading name of Unum Limited - Registered in England 983768 - Registered office : Milton Court, Dorking, Surrey RH4 3LZ – Tel. : 01306 887766 – Fax : 01306 881394 – Textphone : 01306 887784 - http://www.unum.co.uk/home/ -).

    Cfr. : http://www.unumprovident.co.uk/NR/rdonlyres/E03B0BCF-EAA0-45B6-95E2-54BEC5C600F8/0/CMOReport2002.pdf 


    Marc van Impe in de Hoorzitting van het Vlaams Parlement - 3 maart 2005 :

    .../...UNUM.Provident, de verzekeraar die hoofdaandeelhouder is van de meeste verzekeringsmaatschappijen in West-Europa, van Fortis-AG tot de kleinere verzekeringsmaatschappijen .../...
    Het onderzoek van het Britse Lagerhuis naar Wessely en de banden met UNUM heeft ook aan het licht gebracht dat UNUM via de Linbury Trust sinds 1991 een bedrag van vier miljoen pond heeft overgemaakt aan de research van Wessely and co. .../...

    UNUM-Verzekeringen heeft in de Verenigde Staten op 12 november voor het hof in New York en in Virginia een rechtszaak verloren tegen een eerste patiënt.
    Daardoor moet ze miljoenen dollar schadevergoeding betalen.
    In december heeft ze aangekondigd dat 250 CVS-dossiers heropend worden om te vermijden dat er een ‘class action suit’ gevoerd zou worden tegen UNUM, zoals tegen de tabaksindustrie en andere .../...”

    Cfr. : http://jsp.vlaamsparlement.be/docs/stukken/2004-2005/g226-1.pdf


    Trends in Health and Disability 2002

    Michael Sharpe’s bleef nauw verbonden met UNUM en schreef het CVS in het UNUM Company Report “Trends in Health and Disability 2002 - cfr. : http://www.unumprovident.co.uk/NR/rdonlyres/E03B0BCF-EAA0-45B6-95E2-54BEC5C600F8/0/CMOReport2002.pdf -, wat de aandacht trok van de UK Medical Research Council.
    In dat UNUM-Report, adviseert Sharpe een psychiatrische classificatie als “
    alternatieve diagnose van een somatoforme (psychiatrische) aandoening voor patiënten met medisch onverklaarbare symptomen.
    Hij gaat daarbij voorbij aan het feit dat het begrip “
    somatisatiedoor de rest van de wetenschappelijke wereld als voorbijgestreefd wordt beschouwd en dat elke ziekte, zij het soms onbekende fysiologische oorzaken heeft, zoals Parkinson’s Disease en multiple sclerosis.

    .../...

    Het rapport van zo’n verzekeringsarts doet vaak de waarheid zo'n geweld aan dat de patiënt zich hier niet bij neer kan leggen en dus gaat procederen.
    Vaak met positief resultaat omdat beoordeling gebeurt door een onafhankelijke objectieve rechter op voorwaarde dat men een onafhankelijk gerechtsexpert kan aangesteld krijgen.
    Maar daar is kennis, geduld en geld voor nodig.

    Cfr. : http://www.cfsinfo.be/Documentatie/Verzekeringen/Fortis/Verzekeringsproblematiek%20cvs%20en%20fraude.htm


    UnumProvident denied disability claims

    Unum - cfr. : http://www.unum.com/enroll/firstfed/dh.htm - is suspected of allegedly routinely denying long term disability claims.
    If you have had your claim denied or if your claim was granted and then later terminated, you may be eligible for substantial additional benefits.

    Cfr. : http://www.lawyersandsettlements.com/case/first_unum.html




    Speech van Marc van Impe

    CVS Dag 12 Mei 2000

    - 16-05-01 -


    De patiëntenverenigingen rond ME/CVS en verwante ziekten beantwoorden niet aan het klassieke profiel van zelfhulpgroepen, schreef De Artsenkrant, enige tijd geleden.
    Ze zijn uitgegroeid tot echte lobby's.
    Die vaststelling doet ons veel genoegen.
    Wij nemen niet langer genoegen met de klassieke rol van zelfhulpgroepen.
    Wij weten dat ME/CVS niet of onvoldoende wordt erkend.

    Buitenlandse voorbeelden als de CIFDS Association of America (USA), de M.E. Association, de Association of Young People with ME/CVS (Verenigd koninkrijk)en de Unify Coalition, bewijzen dat we gelijk hebben.

    Recent sloegen drie Belgische verenigingen de handen in elkaar en voeren zo hun actie op tegen wie ME/CVS niet ernstig neemt : universiteiten, verzekeraars, RIZIV, ziekenfondsen en de overheid.


    Eerst dit

    Over de benaming ME/CVS woedt al een tijdlang een controverse. Amerikaanse patiënten willen af van de connotatie 'vermoeid'.
    Zij suggereren ze de term myalgische encefalomyelitis of ME/CVS, wat door de WGO als ziekte erkend is.
    What’s in a name ?

    Men zegt dat we onze acties hoofdzakelijk richten tegen de RIZIV en verzekeraars.
    Men vergist zich.
    Wij willen meer bereiken.

    Dat we ageren tegen de verzekeraars heeft te maken met een van de meest delicate aspecten van het probleem : de schadeloosstelling van de patiënten.
    En dan hebben we het niet alleen over privé verzekeraars maar ook over ziekenfondsen die niet aarzelen om de patiënten van de rechten waarvoor ze jarenlang bijdragen betaald hebben uit te sluiten.
    De privé verzekeraars Fortis AG, Fortis ASLK, DKV, Mercator-Noordstar gebruiken allemaal dezelfde argumenten : voorkennis of psychische aandoening.

    Het eerste is een zware beschuldiging aan het adres van de verzekerde, want met valse verklaringen een polis onderschrijven is correctioneel strafbaar.

    Het tweede argument is stigmatiserend, maar het wordt door sommige Belgische wetenschappers, met graagte aangereikt.


    Men zegt dat ME/CVS-patiënten zo zichtbaar onder hun situatie lijden en dat ook graag tonen.
    Is het zo raar dat een ME/CVS-patient onder zijn situatie lijdt ?
    Vaak moet wie aan ME/CVS lijdt werk inleveren, dus gaat het inkomen er fors op achteruit.
    De patient verliest veel sociale contacten, zowel in zijn werk als daarbuiten, wordt voor verzorging afhankelijk van partner man en kinderen.
    Soms is men gedurende tijden grotendeels bedlegerig, kan men niet meer op vakantie en tenslotte kan men zijn rol als ouder en partner nog maar zeer gebrekkig kan vervullen.

    Wie zou daar niet onder lijden ?
    Zeker als men de beschuldiging naar het hoofd krijgt dat men geen weerstand wil bieden.
    Of dat men niet met stress kan omgaan.
    Of, men krijgt het goed menende advies dat men maar eens in de gezonde buitenlucht moet gaan, goed en gezond eten, vitamines moet slikken.
    Of nog meer kwetsend : dat men beweging moet nemen.


    Verzekeringsartsen zeggen in hun rapporten dat patiënten zich graag ziek tonen, maar als het hun uitkomt wel actief kunnen zijn in de ME/CVS-vereniging, in zelfhulpgroepen, dat ze zich als “tijgersmet alle middelen verweren tegen de diagnose die hen niet bevalt.

    Kan een verzekeringsarts zich niet voorstellen dat iemand, voor wie het vaak al moeilijk is om overeind te zitten, het als een hele prestatie ervaart wanneer ze bijvoorbeeld aanwezig is op het familiefeestje of op een bijeenkomst met lotgenoten ?

    Verzekeringsartsen durven zelfs te suggereren dat patiënten zich jarenlang zieker en gehandicapter voordoen dan ze zijn en dat dit inherent is aan de diagnose ME/CVS.
    Ze spreken zelfs van '
    ziektewinst'.

    Volgens de Belgische onderzoekers Kenny De Meirleir en Patrick Gendebienne zou het aantal ME/CVS patiënten in ons land in de toekomst alleen maar zal toenemen.
    Een studie uit het begin van de jaren '90 raamde de incidentie op 1 tot 3 per 1000, wat voor ons land neerkomt op 30. 00 tot 40.000 ME/CVS patiënten.

    Volgens recent Nederlands onderzoek zijn er momenteel rond de dertigduizend ME/CVS-patiënten die de samenleving tussen de half en anderhalf miljard gulden per jaar kosten, met name door productie-uitval.
    Bovendien neemt het aantal patiënten toe.
    Dit blijkt uit recent onderzoek van het Economische en Sociaal Instituut van de Vrije Universiteit in Amsterdam.
    Het Nederlandse ministerie van Sociale Zaken neemt de cijfers serieus en beraadt zich over de manier waarop de overheid haar verantwoordelijkheid neemt ten opzichte deze groep mensen die naar verwachting in aantal toeneemt.

    In België is de minister Frank Vandenbroucke de eerste, na jarenlang lobbyen en aandringen, die een fundamenteel onderzoek naar ME/CVS wil opstarten.
    Maar ook hier schuilen grote adders onder het gras.
    Vooralsnog blijft de erkenning, de behandeling en de reïntegratie van ME/CVS-patiënten een uiterst moeizaam proces.


    Wat is dit eigenlijk voor aandoening ?

    De meningen daarover lopen nog steeds uiteen.
    Maar er begint zich een duidelijker beeld te vormen.

    Het Britse vakblad voor huisartsen schreef vorige week nog dat men ME/CVS zeker ernstig moet nemen en dat het om een syndroom gaat, niet om een duidelijk omschreven ziekte.

    Bij het eind van de negentiende eeuw kende nog zo’n syndroom : kortademigheid.
    De toen nog jonge discipline van de psychiatrie wist onmiddellijk waar de oorzaak lag : hysterie.

    Nu weten we dat kortademigheid het symptoom is van tal van aandoeningen : cardiovasculaire aandopeningen, cara, longemfyseem om er maar enkele te noemen. Vermoeidheid, chronische vermoeidheid wordt nu door sommige psychiaters afgedaan als een lichamelijke reactie op psychologische stress.
    Met een nieuw kunstwoord omschrijven ze dit als een '
    biopsychosociaal syndroom
    '.
    En ze gaan zelfs zo ver de “
    schuld
    bij de patient te leggen.
    Die wil niet beter worden.
    Een handigheidje, zullen we maar zeggen, om het gelijk aan hun kant te krijgen.

    Maar ze dwalen.


    Voor professor Kenny De Meirleir, fysioloog aan de VUB, en professor Patrick Englebienne, celbioloog aan de ULB, staat het als een paal boven water dat ME/CVS een organische oorzaak heeft.
    Het standpunt dat ME/CVS een louter stressgebonden aandoening zou zijn, is achterhaald.

    Op het recente congres van de 'American Association for Chronic fatigue Syndrome' waren nauwelijks psychiaters aanwezig.
    Heel wat van hun abstracts werden niet aanvaard wegens een gebrek aan kwaliteit.

    Zelfs de Nederlandse ME/CVS-specialist Van der Meer aanvaardt nu dat ME/CVS een organische basis heeft.


    Lees verder : Deel III

    27-04-2008 om 23:49 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Eindelijk duidelijkheid ! - Deel III
    Klik op de afbeelding om de link te volgen





    Eindelijk duidelijkheid !

    Deel III


    De aanhangers van het psychische model slaan diagnose en therapie over en stappen onmiddellijk van de symptomen naar de revalidatie over.
    Dat een aantal patiënten is gebaat met psychiatrische ondersteuning, is zeker zo.
    Maar men mag de zaken niet omkeren : er is bij heel wat ME/CVS patiënten een secundaire psychiatrische problematiek, maar die heeft een organische basis.

    Voor sommige patiënten kan een complementaire psychologische aanpak zeker nuttig zijn.
    Maar het is niet op de bank van de psychiater dat men uit de negatieve spiraal zal geraken.

    ME/CVS-patiënten willen maatschappelijk, sociaal en economisch actief blijven maar kunnen of mogen dat niet.

    Een deel van de ME/CVS-patiënten is inderdaad geheel niet tot werken in staat.
    Maar een ander deel van de ME/CVS-patiënten kan nog wel werken, maar alleen met beperkingen.
    Een beperking die daarbij zeer veel voorkomt, is dat men geen volledige werkweek van 35 tot 40 uur in 4 of 5 dagen kan werken.
    Alleen een '
    verminderde arbeidsduur
    ' is dan haalbaar.
    Maar voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering met '
    verminderde arbeidsduur
    ' bestaan geen regels in ons land.
    Daar moet verandering in komen.

    In Nederland werd voor het eerst iets is vastgelegd over de beoordeling van de eventuele noodzaak van een beperking van de werkdag en de werkweek.
    Hoewel in de Nederlandse regelgeving hier en daar gesuggereerd wordt dat de minimale arbeidsduur 2 uur per dag respectievelijk 10 uur per week zou zijn, staat er ook uitdrukkelijk in dat een verzekeringsarts tot een andere conclusie kan komen wanneer daar specifieke redenen voor zijn.
    Het vaststellen van een arbeidsduur op bijvoorbeeld 4, 6 of 8 uur per week behoort dus tot de mogelijkheden.

    Het is de uitdaging voor het Belgische Ministerie van Sociale Zaken om hierover na te denken en daar daadwerkelijk iets aan te doen.
    Het gaat niet op om nog langer inzake tewerkstelling van minder valide patiënten in termen van alles of niets te redeneren.

    Maar daarvoor zal de medewerking van de verzekeringsartsen nodig zijn.
    En die laten zich niet alleen binnen de stuurgroepen van RIZIV negatief uit over ME/CVS patiënten maar uiten hun vooroordelen ook graag in de media en wat erger is, laten die ook doorklinken in de onderzoeksrapportages die ze regelmatig op verzoek van rechtbanken, verzekeringsmaatschappijen en ziekenfondsen
    .

    Het rapport van de verzekeringsarts doet vaak de waarheid zo'n geweld aan dat de patiënt zich hier niet bij neer kan leggen en dus gaat procederen, met wisselend resultaat.

    Daarom zouden we patiënten willen aanraden om telkens hij kennis heeft van zulke uitspraken een klacht in te dienen bij het Tuchtcollege van de Orde van Geneesheren.
    Een arts die een benoeming als deskundige krijgt mag deze niet aanvaarden als hij duidelijk vooroordelen heeft ten aanzien van de diagnose ME/CVS.
    Uitspraken als “
    ik geloof niet in ME/CVSzijn uit den boze.

    Wat moet men met deskundige verzekeringsartsen die eerst een psychiatrische diagnose stelt en dan, in strijd met de feiten, de gezondheidstoestand en het leven van de patiënt zodanig interpreteert, dat dit binnen die diagnose past.

    Wij citeren hier graag een Nederlands rechtscollege dat recent stelde dat de te benoemen deskundige een persoon dient te zijn van wie mag worden verwacht dat hij een onafhankelijk en onpartijdig oordeel kan geven, die zelfs niet de schijn van partijdigheid heeft en tegen wiens benoeming tot deskundige geen van partijen in redelijkheid bezwaar kan hebben
    Artsen die zich in de publiciteit herhaaldelijk in negatieve zin over de diagnose ME/CVS uitgelaten en voldoen daarom niet aan dit vereiste en moeten als dusdanig geweerd worden.

    Het Nederlandse Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg heeft op 29 maart 2001 een uitspraak gedaan over een klacht van een invalide ME/CVS-patiënte tegen een psychiater uit Eindhoven.
    De betrokken arts had geen psychiatrische grond gevonden maar oordeelde toch dat de patiënte werkbekwaam was.
    De arts kreeg een waarschuwing en daardoor staat de betrokken patiënte een stuk sterker in de onderhandelingen met haar verzekeringsmaatschappij over een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid.

    Die verzekeringsmaatschappijen sturen ook in België aan op een psychiatrisch label van ME/CVS waardoor ze onder hun verplichtingen uitkomen.


    Is er sprake van een psychiatrisch complot ?

    We zouden het moeten geloven.
    Volgens de Nijmeegse onderzoekers Bleijenberg en Prins, dat ook door de Vlaamse pers gretig werd overgenomen, zou blijken dat eenderde van de mensen die lijden aan ME/CVS, beter wordt door een behandeling met CGT,de cognitieve gedragstherapie.
    Maar de gerespecteerde NRC bevestigde wat wij de minister al in februari schreven.
    De resultaten van CGT, waarbij ervan wordt uitgegaan dat de oorspronkelijke oorzaak van de ziekte is verdwenen en dat herstel vooral wordt tegengehouden door psychologische factoren, zijn lang niet zo veelbelovend als de onderzoekers doen voorkomen. Slechts een minderheid van de ME/CVS-patiënten heeft volgens het onderzoek baat bij CGT. De Nijmeegse onderzoekers hadden alleen het moeheidcriterium gehanteerd.
    Patiënten die er het ernstigst aan toe zijn werden uitgesloten van het onderzoek. Het is dus maar de vraag of de onderzoeksresultaten wel betrekking hebben op ME/CVS -patiënten.
    Het effect van de behandeling met CGT blijkt -zeker op de langere termijn - beperkt. De Nijmeegse onderzoekers lijken gebrek aan succes toe te schrijven aan onwil bij patiënten. Het kan dus betwijfeld worden of de Nijmeegse onderzoeksgroep met deze variant van CGT een doeltreffend middel tegen ME/CVS in handen heeft. De pretentie dat CGT tot genezing zou leiden of andere behandelingen en onderzoek daarnaar overbodig zou maken is niet terecht en schaadt patiënten,
    concludeert de NRC.

    Voor de onderzoekers zelf lijkt er echter geen ruimte voor twijfel : wie beter wil worden, zal beter worden, wie ziek blijft heeft dat aan zichzelf te wijten.

    En ze publiceren onder elkaars redactie en zo raakt de cirkel rond.

    De CGT-benadering wordt nu al in de praktijk gebruikt als argument om ME/CVS-patiënten uit te sluiten van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, van voorzieningen en van medische behandeling en specialistisch medisch onderzoek.
    Artsen spelen daarin een actieve rol.
    De verzekeringsmaatschappijen zijn hen dankbaar.

    Je zou van minder van assertief worden.
    Als we inderdaad met 30.000 zijn dan vertegenwoordigen we een micro-economische macht.
    Laten we die macht gebruiken.
    Op een positieve manier.

    De politici beginnen dit te begrijpen.
    Zij beginnen rekening te houden met ons.
    Verzekeraars zijn ook bankiers.
    Zij redeneren met hun portefeuille.
    Laten we hen om te beginnen eens vragen of wij voor hen als klant nu echt zo belangrijk zijn.


    Cfr. : http://www.medinet.be/shownews.asp?ID=292




    L'aide aux patients qui souffrent du syndrome de fatigue chronique (SFC)

    Demande d'explications de M. Johan Malcorps au ministre des Affaires sociales et des Pensions
    Demande nº 2-893
    - Sénat de Belgique – Annales – Jeudi, 14-11-2002


    De heer Johan Malcorps (AGALEV)

    Het aantal CVS-patiënten in België wordt geschat op 30.000.
    De jongste jaren maakte de minister met een reeks positieve maatregelen werk van een vernieuwend beleid voor CVS-patiënten.
    Zo kunnen CVS-patiënten terecht bij een CVS-referentiecentrum, kunnen ze genieten van de voordelen van de maximumfactuur en kunnen ze gebruik maken van de maatregel die erop gericht is patiënten met een ziekte-uitkering meer kansen te geven op `toegelaten arbeid'.

    CVS-patiënten en hun verenigingen wijzen echter op een reeks van praktische problemen waardoor veel mensen met CVS niet enkel in een sociaal, maar ook in een financieel en economisch vacuüm dreigen te vallen.

    Sinds 1 april van dit jaar wordt CVS als ziekte erkend door het RIZIV : bepaalde onderzoekingen en behandelingen voor CVS kunnen voortaan terugbetaald worden.
    De erkenning liep gelijk met de opening van het eerste universitair referentiecentrum voor patiënten lijdend aan het CVS te Pellenberg.
    Ook in Antwerpen en Gent werden centra opgestart en binnenkort komen er ook aan de UCL en aan de VUB.
    Het centrum van het Academisch Ziekenhuis van de VUB zou uitsluitend kinderen en adolescenten met CVS beneden de 18 jaar behandelen.

    Met deze centra sluit het Verzekeringscomité, dat is ingesteld bij de Dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, een revalidatieovereenkomst waarbij vormen van biopsychosociale screening en een specifieke interdisciplinaire revalidatie voor de daar behandelde CVS-patiënten ten laste worden genomen.

    Om tot een centrum te worden toegelaten moeten patiënten aan een reeks criteria voldoen : minstens zes maand zonder aantoonbare reden vermoeid zijn en lijden aan minstens vier van de volgende symptomen : keelpijn, gezwollen klieren, hoofdpijn, geheugen- en concentratiestoornissen, gewrichtsklachten, spierpijn.
    Bovendien moeten de patiënten door hun huisarts naar zo'n referentiecentrum worden doorverwezen via een standaardverwijsformulier.

    Het blijft een probleem dat er bij vele huisartsen nog altijd veel onbegrip voor CVS bestaat.
    Sommigen weigeren gewoon de diagnose CVS te stellen, omdat zij er niet in geloven, terwijl de WGO-criteria heeft opgesteld voor de diagnose van CVS en CVS nu ook in ons land officieel als ziekte erkend is.

    In een centrum kan een definitieve diagnose worden gesteld, eerst door een geneesheer-specialist interne geneeskunde en vervolgens door een heel multidisciplinair team.
    Dit team doet dan ook voorstellen voor behandeling en revalidatie.
    Voor de groeiende groep van mensen waarbij reeds jaren terug de CVS-diagnose gesteld werd, wordt op deze wijze echter te weinig soelaas geboden.

    Zo'n 300 tot 400 patiënten zijn inmiddels doorverwezen naar het centrum in Pellenberg.
    Voor 50 patiënten werd reeds een revalidatieprogramma uitgewerkt.
    De overigen staan op een wachtlijst.

    Voor een afspraak moet men nu al een vijftal maanden wachten.
    Verwacht wordt dat de wachtlijsten snel langer zullen worden, zelfs na de opening van de nieuwe centra.
    Zelfs indien elk centrum jaarlijks een honderdtal patiënten kan behandelen, zitten we nog met een groot tekort.
    Men kan immers onmogelijk de duizenden patiënten ineens in behandeling nemen.

    Deze situatie roept een bijkomend probleem op.
    Immers, alléén patiënten die in een centrum worden behandeld, kunnen voor dit soort onderzoekingen en behandelingen rekenen op een terugbetaling en vergoeding door het ziekenfonds.
    Blijven veel patiënten op die manier niet in de kou staan ?

    Bovendien blijven er grote vragen bij de behandelingswijze die in de referentiecentra wordt toegepast.
    Men zweert er bij cognitieve gedragstherapie en kinesitherapie.


    We kunnen niet om de vaststelling heen dat er in de wetenschappelijke wereld en evenzeer in het milieu van de CVS-patiënten en hun verenigingen verdeeldheid bestaat tussen twee scholen : de psychosociale school van Leuven, met als meest uitgesproken vertegenwoordiger professor Van Houdenhove en de fysisch-biologische school van Brussel met professor Kenny De Meirleir.

    Vele CVS-patiënten zijn ervan overtuigd dat een `grotendeels psychologische aanpak' niet volstaat om de ziekte onder controle te krijgen.

    In de commissie Milieu/Gezondheid van het Vlaams Parlement getuigde professor De Meirleir over de wisselwerking van infecties, stress en de blootstelling aan schadelijke stoffen uit het leefmilieu, als oorzaak van de aanhoudende uitputting die typisch is voor CVS.
    Vooral in het geval van blootstelling aan het houtverduurzamingsmiddel PCP was de band onmiskenbaar.

    Voor zover nu bekend, zou in geen enkel van de vijf referentiecentra de fysisch-biologische aanpak een reële kans krijgen, ondanks de zogenaamde multidisciplinaire werkwijze die gevolgd wordt.
    Dat versterkt bij vele CVS-patiënten en hun verenigingen het idee dat hun probleem niet ernstig wordt genomen, omdat hun ziekte als voornamelijk psychisch of zelfs als `ingebeeld' wordt afgedaan.

    Bovendien ontstaat de indruk dat enkel patiënten met een lichte variant van CVS, de nieuwe patiënten dus die nog voor echte revalidatie in aanmerking komen, toegelaten worden.
    De echt zware gevallen of de langdurige patiënten die met een combinatie van oefeningen en gedragstherapie niet kunnen worden geholpen, zouden aan hun lot worden overgelaten.
    Voor een groep langdurig zieken die bedlegerig zijn, rijst een probleem om zich op eigen krachten naar die referentiecentra te begeven.


    Deze discussie is geen marginaal gegeven dat beperkt zou blijven tot enkele patiënten of belangengroepen van patiënten in Vlaanderen.
    Ze wordt wereldwijd gevoerd.
    Ook in Nederland bijvoorbeeld hebben de twee grootste organisaties die de belangen van CVS-patiënten verdedigen, verzet aangetekend tegen het besluit van het College voor Zorgverzekeringen om enkel cognitieve gedragstherapie voor CVS-patiënten bij de minister te adviseren.
    Dit kwam onlangs nog uitvoerig aan bod op een groot colloquium in Utrecht.


    We kunnen ons in elk geval afvragen of het verstandig is dat de overheid de kaart trekt van één enkele wetenschappelijke school.
    Enig pluralisme inzake behandelingsmethoden zou hier moeten gelden, aangezien dé wetenschappelijke discussie rond dé oorzaak of oorzaken van CVS nog lang niet beslecht lijkt.


    Soortgelijke problemen rijzen in verband met de maximumfactuur.
    Er is immers discussie over een aantal geneesmiddelen die ontwikkeld zijn of worden voor CVS.
    De ziekteverzekering betaalt deze experimentele middelen niet terug, zodat de kosten voor deze middelen geheel buiten de regeling van de maximumfactuur vallen.
    Hetzelfde probleem geldt voor de erkenning van onderzoeken en behandelwijzen.
    De nieuwe tegemoetkomingen voor CVS-patiënten staan rechtstreeks in verband met de therapie van de referentiecentra, namelijk de verzorging in de referentiecentra zelf of de voortgezette oefentherapie, tot 60 kinesitherapeutische zittingen per jaar met hoogste terugbetaling, waarvoor het centrum een attest moet geven.


    Het grootste probleem blijft natuurlijk bij de controleartsen die moeten oordelen over de arbeidsongeschiktheid van CVS-patiënten.
    Gelet op het onbegrip dat bij een deel van de medische wereld nog leeft rond CVS, kan worden gevreesd dat de beslissingen dikwijls arbitrair zullen worden genomen.
    CVS-patiënten moeten hun gelijk soms afdwingen voor de arbeidsrechtbank.
    Van de beloofde CVS-opleiding voor controleartsen is er blijkbaar nog geen sprake.

    In Nederland is via het zogenaamde `Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten' - cfr. : http://www.st-ab.nl/wetwaoorsa.htm - sinds juli 2000 een nieuwe algemene regel van bestuur van kracht waarbij het feit dat geen oorzaak van gezondheidsklachten gevonden wordt, geen reden kan zijn om iemands aanvraag voor een WAO-uitkering af te wijzen.
    In zo'n geval moet de keuringsarts juist extra zorgvuldig onderzoek doen om de klachten te objectiveren en de beperkingen en stoornissen vast te stellen.

    Dat CVS-patiënten met een ziekte-uitkering toch nog toegelaten arbeid kunnen verrichten, is een goede zaak.
    Voor vele CVS-patiënten is het immers van groot belang dat ze partieel actief kunnen blijven.
    Maar ook hier is het begrip van de adviserende geneesheer doorslaggevend.


    Hoe ver staat het nu met de werking van de referentiecentra ?
    Wanneer zullen de nu geplande centra echt actief zijn ?
    Volstaat het budget van 1,5 miljoen euro dat u heeft vrijgemaakt ?
    Hoeveel CVS-patiënten worden er behandeld ?
    Hoeveel patiënten zijn al ingeschreven op eventuele wachtlijsten ?
    Welke planning wordt vooropgesteld om voor alle CVS-patiënten in een aangepaste opvang en behandeling te voorzien ?


    Op hoeveel schatten uw diensten het aantal CVS-patiënten in België, in Vlaanderen, in Brussel en in Wallonië ?
    Hoeveel CVS-patiënten krijgen gedurende een langere periode een uitkering van de ziekteverzekering op basis van arbeidsongeschiktheid en hoe hoog zijn die uitkeringen gemiddeld ?
    Bent u voorstander van een verdere objectivering van de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid naar Nederlands model ?


    Welke stappen worden er gezet door de diensten van het RIZIV om geneesmiddelen, onderzoeken en behandelwijzen specifiek voor CVS nader te screenen en te oordelen over hun werkzaamheid en veiligheid en de opportuniteit van terugbetaling ?
    In welke mate wordt daarbij rekening gehouden met bestaande wetenschappelijke onzekerheden of zelfs meningsverschillen ?


    Heeft de minister er enig idee van hoeveel mensen met CVS deeltijds terug aan het werk kunnen met behoud van een deel van hun ziekte-uitkering en dat met voorafgaande toestemming van hun adviserend arts ?


    In Nederland berekende het Economisch en Sociaal Instituut van de VU Amsterdam dat de ziekte CVS de Nederlandse samenleving jaarlijks tussen de 560 en 1,34 miljoen gulden kost, voornamelijk door het wegvallen uit de productie.
    Werden soortgelijke berekeningen reeds gemaakt voor de Belgische economie ?
    Zo nee, is daar geen nood aan ?
    Is er enig zicht op de kosten voor de sociale zekerheid ?


    Op welke wijze wordt het overleg met alle CVS-patiëntenverenigingen verder georganiseerd ?



    De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen

    Op de uitgebreide vraag van de heer Malcorps heb ik een uitgebreid antwoord.

    Sta me toe bij zijn inleidende tekst enkele opmerkingen te maken.
    De schatting van 30.000 CVS patiënten is nieuw voor mij.
    Tot nu toe werd het getal van 15.000 tot 20.000 gehanteerd.
    Mogelijk is het cijfer gebaseerd op een recente schatting in Nederland.
    De schattingen over de prevalentie van CVS lopen in de meeste landen uiteen.
    De vraag rijst of het kennen van een exact aantal erg relevant is.
    Het is duidelijk dat een belangrijke groep mensen door dit syndroom wordt getroffen.

    Wat de opmerking over de huisartsen betreft, hoor ik ook heel wat andere echo's.
    Veel huisartsen zijn verheugd dat ze hun patiënt waarbij ze CVS vermoeden, voor een diagnostische afstelling en het voorstellen van een therapieplan verder kunnen verwijzen.
    Het hanteren van een standaardverwijsformulier, waarbij de huisarts ook kan oordelen over het al dan niet aanwezig zijn van de anamnestische criteria van CVS, leidt tot een veel adequater verwijspatroon, in die zin dat patiënten die niet aan de criteria van CVS voldoen of die omwille van een onderliggende somatische of psychiatrische aandoening beantwoorden aan een exclusiecriterium, al door de huisarts hierop gewezen kunnen worden.
    In de opvang van patiënten met chronische vermoeidheidsklachten moet de huisarts de centrale plaats innemen, hetgeen ook expliciet is opgenomen in de RIZIV-conventie voor CVS.

    Het is als minister van Sociale Zaken niet mijn taak om me uit te spreken in de wetenschappelijke discussie hoe patiënten met CVS best kunnen worden behandeld.
    De zogenaamde scholenstrijd die u aanhaalt, lijkt me in dit verband achterhaald en zeker voor de patiënten totaal contraproductief.

    Er is maar één vraag belangrijk in dit verband : voor welke behandelingen bestaan er op het ogenblik voldoende wetenschappelijke bewijzen die geleverd worden door gerandomiseerde klinische studies van hoge kwaliteit ?

    Het is in dit verband interessant om enkele systematische reviews en internationale rapporten op een rijtje te zetten.
    Ik stel voor dat ik dit overzicht van internationale rapporten die zeer genuanceerd zijn over de verschillende soorten behandeling, niet voorlees, maar de tekst bezorg.

    Er bestaan grote vragen over het chronisch vermoeidheidssyndroom waarbij, althans volgens wat experts mij vertellen en volgens de beschikbare wetenschappelijke informatie, er op het ogenblik geen enkele behandeling genezend is, maar er blijkbaar wel een aantal behandelingsvormen zijn die op basis van meerdere klinische studies de moeite zijn om te proberen met ten doel de revalidatie van de patiënten.

    Het college van geneesheren-directeurs van het RIZIV heeft zich bij het ontwerp van de conventie van de CVS-referentiecentra laten leiden door een rapport van de Belgische Hoge Gezondheidsraad en de op dat ogenblik voorhanden zijnde wetenschappelijke publicaties.
    Samen met het opstarten van de referentiecentra is er ook een Akkoordraad opgericht waarin, naast vertegenwoordigers van het college, meerdere CVS-experts van verschillende disciplines aanwezig zijn, met juist de bedoeling om eventuele nieuwe wetenschappelijke inzichten op te volgen.
    Er zijn het afgelopen jaar een aantal nieuwe wetenschappelijke rapporten verschenen en ik verneem dat momenteel ook in de Nederlandse Hoge Gezondheidsraad een rapport wordt voorbereid.
    Ik heb niet de indruk dat de wetenschappelijke inzichten zoals gehanteerd door het college in tegenspraak zijn met de internationale rapporten.
    Mocht echter worden gemeend dat er wel degelijk wetenschappelijk hardgemaakte nieuwe inzichten zijn die een ander standpunt vanwege de Hoge Gezondheidsraad en het college zouden verantwoorden, dan zal ik niet aarzelen om, samen met de minister van Volksgezondheid, deze instanties te vragen om de inzichten te bestuderen en een advies terzake uit te brengen.

    Ik wil de vraagsteller dus duidelijk corrigeren : de overheid trekt geenszins de kaart voor een of andere school, wel voor een benadering die zoveel mogelijk en in de mate van het mogelijke wetenschappelijk ondersteund is.
    Ik heb op zich geen problemen met het pleidooi voor een zeker pluralisme inzake behandelingsmethodes, vooropgesteld dat hierbij gerefereerd wordt aan methodes, waaromtrent een aantal klinische studies van hoge kwaliteit zijn, die bij een deel van de patiëntenpopulatie een positief resultaat gaven en geen schade berokkende.
    Het is mij onduidelijk over welke producten de heer Malcorps het heeft als hij spreekt over de terugbetaling van medicamenten die ontwikkeld zijn of worden voor CVS.

    Er zijn twee mogelijkheden.

    Ofwel gaat het om geneesmiddelen waarvan de doeltreffendheid door middel van gerandomiseerde klinische studies is bewezen en dan veronderstel ik dat de betrokken producent een aanvraag tot terugbetaling, Europees of in België, zou indienen.
    Zoals u weet, heb ik er in het kader van het vernieuwd geneesmiddelenbeleid voor gezorgd dat een volledig dossier van een nieuw geneesmiddel binnen de 180 dagen behandeld wordt.
    Volgens mijn informatie is er zo geen enkel dossier voor een CVS-geneesmiddel ingediend bij de Commissie voor Terugbetaling van Geneesmiddelen.

    Ofwel gaat het over wetenschappelijk onderzoek naar de werking van een nieuw experimenteel middel.
    Voor onderzoek naar en ontwikkeling van een nieuw geneesmiddel komt de ziekteverzekering inderdaad niet tussen.
    Dergelijk onderzoek wordt gefinancierd door de geneesmiddelenproducent.
    In het geval een CVS-patiënt aan wetenschappelijk onderzoek deelneemt moet hij omstandig worden ingelicht over de studie, moet hij op de hoogte zijn van de mogelijke risico's en nevenwerkingen van de behandeling en vervolgens toestemming geven.
    Het is ethisch onaanvaardbaar dat een patiënt zelf zwaar moet betalen voor deelname aan een experiment !
    De geneesmiddelenindustrie, ook in België, verwijst hierbij naar haar deontologische code.

    Het is ook mogelijk dat u verwijst naar een aantal commerciële producten die voor grof geld aan patiënten met CVS worden verkocht, het internet staat er vol van trouwens, met de belofte dat het mirakelmiddel hen zal genezen en dit zonder dat de werkzaamheid en, misschien nog erger, de veiligheid ervan is aangetoond.


    Inzake arbeidsongeschiktheid bij CVS is en blijft het ongetwijfeld vaak moeilijk voor een controlearts om hierover te oordelen.
    Medische verslagen van deskundigen, bijvoorbeeld uit een referentiecentrum, kunnen hierbij een hulpmiddel vormen.
    Ik moet hier wel onmiddellijk aan toevoegen dat er voor die beoordeling op zich geen onderliggende ziekte of oorzaak moet gevonden worden en dat daarvoor zeker geen `erkenning' van CVS door het RIZIV nodig is, hetgeen dikwijls tot misverstanden leidt.

    Met de oprichting van de CVS-referentiecentra is er dus wel vanuit de overheid en het RIZIV toenemende aandacht voor de problematiek van CVS, maar het is niet aan het RIZIV om een ziekte te `erkennen'.
    Dat is volgens mij nog altijd op de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de medische wereld.


    Op uw eerste vraag kan ik antwoorden dat het RIZIV een kandidatuur heeft ontvangen van de volgende vijf centra : UZ Gent, AZ VUB voor kinderen, UZ Leuven, UZ Antwerpen en de ziekenhuizen van de UCL.
    Voor de eerste vier werd inmiddels de revalidatieovereenkomst goedgekeurd door het Verzekeringscomité.
    Deze centra zijn ondertussen ook allemaal operationeel.
    Voor de UCL verneem ik dat het enige tijd heeft gekost voordat aan de administratieve vereisten die opgenomen zijn in de overeenkomst, voldaan was, maar dat ook die overeenkomst nu binnenkort ter goedkeuring aan het Verzekeringscomité voorgelegd zal worden.
    Vermits het merendeel van de centra hooguit enkele maanden geleden gestart is, is het nog te vroeg om op uw andere punten al precies te kunnen antwoorden.
    Inhoudelijk is het College van geneesheren-directeurs verantwoordelijk voor de revalidatieovereenkomsten met de referentiecentra, maar bij de ontwikkeling van het concept heb ik er wel op toegezien dat dit gepaard ging met een verplichte rigoureuze registratie van de symptomen, van de resultaten van onderzoeken en van de behandeling bij elke patiënt.
    Dit impliceert dat de toestand van de patiënt wordt opgevolgd op basis van meerdere gevalideerde registratieinstrumenten.
    Het RIZIV ziet nauwgezet toe op deze verplichting tot registratie.
    Na één jaar werking zal een eerste analyse van de werking en vooral van de resultaten van de centra mogelijk zijn.
    Daaruit zal moeten blijken of de organisatie van referentiecentra voor CVS zinvol is.
    Er kan dan geëvalueerd worden bij hoeveel patiënten de revalidatie een gunstig effect heeft op de symptomen, op de levenskwaliteit en hopelijk ook op de sociale en professionele reïntegratie van vaak jonge mensen.
    Op basis van die evaluatie kan dan beoordeeld worden of een verdere uitbreiding en dus ook een bijkomende investering van overheidsmiddelen gerechtvaardigd is.


    De wachtlijsten wijzen ten dele op de reële nood aan diagnose en therapie voor patiënten waar CVS vermoed wordt.
    In de eerste maanden van de opstart is dat ongetwijfeld ook te wijten aan het feit dat er tot vóór de zomer nog maar één referentiecentrum aan de vereisten inzake multidisciplinaire bestaffing en organisatie voldeed en een overeenkomst met het RIZIV kon afsluiten.
    Nu ook de andere centra eindelijk uit de startblokken komen, zal de belasting van de centra gelijkmatiger worden.
    Ik verneem ook dat men de in de maanden vóór de start gevolgde patiënten met CVS even heeft laten wachten om ze dan desgevallend in de conventie te kunnen insluiten, hetgeen ook tot een vertraging zal geleid hebben voor nieuwe CVS-patiënten.


    Wat uw tweede vraag betreft, kan ik u meedelen dat in het RIZIV rekening werd gehouden met het rapport van de Hoge Gezondheidsraad en met internationale wetenschappelijke publicaties waaruit blijkt dat het totale aantal CVS-patiënten in België 15.000 tot 20.000 bedraagt.
    Een deel van deze patiënten lijdt reeds langer aan CVS en heeft in het verleden reeds aan een revalidatie deelgenomen.
    De meeste centra waren immers al met CVS bezig voor de invoering van de conventie.
    Bij een ander deel van de patiënten zal de diagnose CVS nooit gesteld worden, maar zal men, omwille van de grote overlapping in klachtenpatroon met andere syndromen, het misschien ook anders noemen.


    Wat betreft het aantal patiënten met CVS dat een uitkering krijgt, heb ik aan de bevoegde diensten van het RIZIV gevraagd om in overleg met de mutualiteiten te onderzoeken of op deze vraag kan worden geantwoord.
    Op dit moment worden geen statistieken bijgehouden van de precieze aandoeningen van de betrokken arbeidsongeschikten.
    De statistieken die voorhanden zijn, beperken zich tot een opsplitsing in enkele van de belangrijkste gekende ziektegroepen.
    Het is evident dat ik voorstander ben van een zo objectief mogelijke beoordeling van de arbeidsongeschiktheid en ik meen zelfs dat de controlerende instanties zoals het RIZIV en de mutualiteiten daaromtrent vragende partij zijn, maar de vraag rijst welk instrument bovenop de reeds gehanteerde schalen hiertoe specifiek voor CVS dan wel zou moeten gebruikt worden.

    Uw derde vraag heb ik ook reeds ten dele beantwoord.
    Net zoals voor andere geneesmiddelen moet men ook voor eventuele geneesmiddelen voor CVS de nodige bewijzen voorleggen over hun werkzaamheid en veiligheid en kan dan pas over de opportuniteit van terugbetaling beslist worden.

    Ik zie geen enkele reden waarom voor CVS een uitzondering gemaakt zou moeten worden.

    Voor andere aandoeningen zoals hart- en vaatziekten en kanker, met een belangrijke impact op het vlak van morbiditeit en mortaliteit, staat het al lang niet meer ter discussie dat men moet beschikken over de nodige klinische studies en gezondheidseconomische analyse, zeker voor klasse 1 geneesmiddelen.
    Gezien het grote aantal patiënten dat lijdt aan deze chronische aandoening en vermits CVS niet als een acute levensbedreigende aandoening beschouwd kan worden, moet het voor de farmacoloog die het geneesmiddel test, toch relatief eenvoudig zijn om de werkzaamheid en veiligheid te bewijzen.
    Ik zie dus geen enkele reden waarom voor patiënten met CVS de doeltreffendheid en veiligheid van een eventueel nieuw geneesmiddel niet bewezen zou moeten zijn.
    Integendeel, ik denk dat deze patiëntengroep mogelijk beschermd moet worden tegen bepaalde malafide praktijken die de patiënt valse hoop bieden, hem bepaalde risico's doet lopen en hem de kans op een goede diagnosestelling en zo deskundig mogelijke begeleiding ontneemt.
    Een aparte behandeling voor eventuele CVS-geneesmiddelen zou ook niet rechtvaardig zijn ten opzichte van andere mensen met een acute of chronische ziekte waarvoor een nieuw geneesmiddel ontwikkeld is.


    Wat de vierde vraag betreft, verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 2, waarbij ik er nog kan aan toevoegen dat mijn hervorming van de `toegelaten arbeid' op dit moment grondig wordt bestudeerd door de diensten van het RIZIV en de ziekenfondsen en dit met het oog op een evaluatie in de loop van het voorjaar van 2003.


    De vijfde vraag bevat een interessante suggestie.
    Het lijkt me inderdaad zinvol dat hierover in de toekomst ook in België meer onderzoek zou plaatsvinden.
    Hierbij kan rekening gehouden worden met de schattingen van andere landen zoals Nederland en het Verenigd Koninkrijk.


    Wat de laatste vraag betreft, kan ik meedelen dat de nog bestaande verenigingen van patiënten met CVS zoals voorheen altijd welkom zijn op mijn kabinet en de bevoegde instanties bij het RIZIV.
    Mijn medewerkers hebben recent nog contact gehad met de CVS/ME-vereniging van mevrouw Vertommen.

    Ik wens tot slot meedelen dat ik bijzonder bekommerd blijf over de weerslag die een chronische aandoening zoals het CVS heeft op de levenskwaliteit en de mogelijkheid tot deelname aan normale sociale activiteiten.
    De beschikbare middelen van de ziekteverzekering moeten zo doelmatig mogelijk worden besteed.
    Hierin staat België niet alleen.
    Het merendeel van de Westerse landen wordt met dit probleem geconfronteerd.
    Ik heb de vraag en mijn antwoord ook ter informatie aan collega Tavernier, minister van Volksgezondheid, bezorgd.
    Ik verwacht alleszins dat de referentiecentra en de bevoegde instanties binnen Volksgezondheid en het RIZIV de wetenschappelijke evolutie op de voet verder opvolgen en het publiek en de artsen op de hoogte houden.



    De heer Johan Malcorps (AGALEV)

    Ik suggereerde niet dat de minister slecht bezig is.
    Hij heeft een echt beleid rond CVS opgestart, wat door de patiënten en de patiëntenverenigingen wordt gewaardeerd.
    Aangezien het om veel patiënten gaat, moeten we afwachten hoe de wachtlijsten zullen evolueren.

    Ik vraag geen voorkeurbehandeling.

    Alle behandelingswijzen en geneesmiddelen moeten aan een volwaardige screening worden onderworpen.

    Ik heb echter de indruk dat bepaalde groepen die op een zeer onbaatzuchtige wijze met dit probleem bezig zijn, te weinig kansen krijgen.


    - L'incident est clos -


    Cfr. : http://www.senators.be/www/?MIval=/publications/viewPubDoc&TID=33618450&LANG=fr



    Lees verder : Deel IV

    27-04-2008 om 23:43 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Eindelijk duidelijkheid ! - Deel IV
    Klik op de afbeelding om de link te volgen





    Eindelijk duidelijkheid !

    Deel IV



    De erkenning van centra voor de behandeling van het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS)

    Vraag om uitleg van de heer Jacques Germeaux aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid - Belgische Senaat – Handelingen – Donderdag, 18-03-2004


    De heer Jacques Germeaux (VLD)

    In België zijn er vijf centra voor de behandeling van het chronischevermoeidheidssyndroom (CVS).

    Op het ogenblik heerst er nog steeds onduidelijkheid over de erkenningscriteria waaraan deze moeten voldoen.
    Zo behandelt het AZ-VUB wel CVS, maar het is enkel erkend voor de behandeling van kinderen en adolescenten jonger dan 18 jaar.

    1. Wat zijn de criteria voor erkenning en waarom wordt in het AZ-VUB enkel de behandeling van minderjarigen en adolescenten erkend ?

    2. Zal het AZ-VUB een algemene erkenning krijgen ?
      Zo ja, op welke termijn ?

    3. Komt een patiënt die opgevolgd en behandeld wordt door een erkend centrum voor CVS en die erkend wordt als CVS-patiënt, in aanmerking voor een erkenning van invaliditeit ?
      Zo ja, voor hoeveel procent ?



    De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid

    De referentiecentra voor patiënten die lijden aan het chronischevermoeidheidssyndroom, zijn geen onderzoekscentra.
    De teamleden van de CVS-referentiecentra dienen weliswaar naast hun klinisch werk hun expertise te onderhouden door permanente bijscholing, wetenschappelijk onderzoek enzovoorts.
    De CVS-referentiecentra worden door het RIZIV enkel vergoed om patiënten de diagnosticeren, een behandeling op te stellen en met vorming en informatie de overdracht van deze behandeling aan de zorgverleners van de patiënten mogelijk te maken.

    Tot en met 2003 hebben de CVS-referentiecentra in totaal ongeveer 850 patiënten onderzocht.
    De uitslagen van sommige diagnostische onderzoeken, worden gebruikt als input voor de evaluatiestudie die deze centra moeten maken.
    Dat de verschillende CVS-referentiecentra onvoldoende samenwerken is mij of de betrokken dienst van het RIZIV niet bekend.
    Niet alleen de artsen, maar ook de psychologen van de verschillende centra overleggen zeer regelmatig met elkaar in het RIZIV of via telefoonconferenties.
    Daarnaast nemen de teamleden van de centra deel aan elkaars symposia en infomomenten.

    De CVS-revalidatieovereenkomst is gebaseerd op een advies van de Hoge Gezondheidsraad.
    In de werkgroepen die daartoe tijdelijk in deze raad zijn opgericht, waren de protagonisten van de verschillende CVS-scholen vertegenwoordigd.

    Eind juni 2005 lopen de CVS-revalidatieovereenkomsten af.
    Tegen dan zullen de referentiecentra samen met de verzekeringsinstellingen op basis van de resultaten van een uitgebreide statistische evaluatiestudie nagaan of de centra erin geslaagd zijn het opzet van de revalidatieovereenkomst te realiseren.

    Op basis van de bevindingen van deze studie en eventuele wetenschappelijke evidenties zal op dat ogenblik het opzet van de tenlasteneming van CVS-patiënten in ons land herbekeken worden.
    Deze evaluatie dient overigens beschouwd te worden als een continu proces.
    Sedert de inwerkingtreding van de overeenkomsten vergaderen de vertegenwoordigers van de centra en de verzekeringsinstellingen geregeld over de uitvoering ervan.

    De huisarts wordt door de overeenkomst beschouwd als de spilfiguur in de zorgverlening aan de patiënt.
    Om dit in de praktijk te stimuleren voorziet de overeenkomst in een beperkte vergoeding voor de huisartsen die deelnemen aan teamvergaderingen waar over hun patiënten gesproken wordt.
    Ook de teamleden die buiten het centrum over CVS aan huisartsen opleiding geven, krijgen een vergoeding.

    Daarnaast organiseren de CVS-referentiecentra geregeld symposia en infomomenten voor de eerste- en tweedelijnszorgverstrekkers over de aard en de behandeling van CVS, hun aanbod en zo meer.
    De centra pogen op deze manier hun expertise te verspreiden en tot een vlottere doorverwijzing te komen van hun patiënten na hun behandeling in de centra.

    Uit de vele 'evidence-based' publicaties over CVS blijkt dat alleen met een combinatie van cognitieve gedragstherapie en progressieve fysieke revalidatie herhaaldelijk een gunstig behandelingseffect hebben.
    Conform het advies van de Hoge Gezondheidsraad wordt deze behandelingsvorm vergoed via de overeenkomst.

    In de eerste plaats moet de evaluatiestudie nagaan of de positieve bevindingen die met deze behandelingsvorm zijn vastgesteld in gecontroleerde 'clinical trials', ook blijken uit de behandelingsresultaten van de CVS-referentiecentra.
    Daartoe hebben de centra in overleg met de verzekeringsinstellingen een aantal parameters vastgelegd waarmee het behandelingseffect op de symptomen en de levenskwaliteit van de patiënt gemeten wordt.
    De onderzoeken die gebruikt worden om deze parameters te scoren, worden zowel vóór als na de behandeling uitgevoerd teneinde het behandelingseffect te kunnen meten.
    Omdat dit voor de organisatie van de zorgverlening ten behoeve van CVS-patiënten belangrijk is, zal ook nagegaan worden of en in welke mate er een differentieel behandelingseffect kan worden vastgesteld op grond van factoren zoals de mate van comorbide psychopathologie, de duur van de ziekte en het familiaal voorkomen.

    Daarnaast worden er door de CVS-referentiecentra eveneens systematisch en op gestandaardiseerde wijze parameters geregistreerd die onder meer moeten mogelijk maken de vooropstelde samenwerking tussen de verschillende echelons en de wachtlijstproblemen statistisch te analyseren.

    Ik meen dat het opportuun is de resultaten van de evaluatiestudie met betrekking tot de CVS-referentiecentra af te wachten alvorens te beslissen over eventuele nieuwe maatregelen ten behoeve van patiënten die lijden aan het chronischevermoeidheidssyndroom.



    De heer Jacques Germeaux (VLD)

    De minister heeft zijn aanpak van CVS uitvoerig toegelicht, maar ik heb ook enkele concrete vragen gesteld over de erkenning van het CVS-centrum van het AZ-VUB.
    Op het terrein bestaan immers als het ware twee scholen, waardoor de patiënten in het verleden jammer genoeg in twee groepen werden opgesplitst.
    Het is zeer moeilijk om personen die in het ene centrum behandeld zijn, ervan te overtuigen om alle onderzoeken opnieuw te doorlopen in het andere centrum.
    Ik raad mensen altijd aan alleszins naar het een centrum te gaan dat wel erkend is, maar het is niet eenvoudig om hierover een objectief oordeel te vellen.

    De minister wacht dus de resultaten van het onderzoek af en aan de hand daarvan zal het AZ-VUB eventueel in aanmerking komen voor erkenning.
    De patiënten die daar momenteel in behandeling zijn, zullen voorlopig alleszins naar een erkend centrum moeten gaan, willen ze als CVS-patiënt worden erkend.


    Cfr. : http://www.senate.be/www/?MIval=/publications/viewPubDoc&TID=50334492&LANG=nl




    Chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS)

    Vraag van mevrouw Magriet Hermans aan de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid – Belgische Senaat – Vragen en Antwoorden – 25-02-2005


    België telt 30 000 patiënten die leiden aan het chronisch vermoeidheidssyndroom (schatting van het ministerie van Sociale Zaken).
    In veel gevallen zijn de klachten van de patiënten die lijden aan deze ziekte zo ingrijpend dat ze de levenskwaliteit ondermijnen.
    Het chronische vermoeidheidssyndroom (CVS) reduceert de functionele status van de patiënten op alle gebieden.
    In de Verenigde Staten alleen al zorgt CVS jaarlijks voor een productiviteitsverlies van 9 miljard dollar.
    Over een langere termijn wordt verwacht dat 10 % van de patiënten volledig geneest en 23 % van de getroffenen zullen uiteindelijk een alternatieve diagnose krijgen.

    De ziekte volgt een koers van terugval en remissie en onderzoek duidt op afwijkingen in vele lichamelijke systemen.

    CVS was lang een controversiële aandoening.
    Binnen academische wereld bestond er lang geen eensgezindheid over de oorzaken van het CVS.
    Ook in België heerst er nu nog verdeeldheid tussen twee scholen : de psychosociale school en de fysisch-biologische school.
    Ook buiten de wetenschappelijke wereld stuiten de CVS patiënten op veel onbegrip.

    Toch is CVS sinds 1991 door de Wereldgezondheidsorganisatie erkend als neurologische aandoening (onder titel F 93.3 in de 'International Classification of Diseases 10').
    Sinds 1 april 2002 wordt CVS in België erkend door het RIZIV als een ziekte.

    De behandeling en diagnose verloopt via erkende CVS-referentiecentra.
    Luidens de toenmalige minister van Sociale Zaken en Pensioenen heeft het College van geneesheren-directeurs van het RIZIV zich laten leiden bij het ontwerp van de conventie met de CVS-referentiecentra door een rapport van de Belgische Hoge Gezondheidsraad en de op dat ogenblik voorhanden zijnde wetenschappelijke tijdschriften.

    Vijf Vlaamse referentiecentra worden heden door het RIZIV vergoed om patiënten te diagnosticeren en een behandeling op stellen.
    Om in zo een centrum te worden toegelaten moeten de patiënten worden doorverwezen door hun huisarts via een standaardverwijsformulier.

    De nadruk in deze centra ligt in de cognitieve gedragstherapie en de fysische revalidatie : leer patiënten omgaan met hun klachten en beperkingen.
    Het voornaamste doel is cognitieve vaardigheden aan te leren, activiteiten te optimaliseren, ongerustheid te verlichten enz.
    De sessies omvatten stressmanagement, cognitieve herstructurering, oplossen van intermenselijke moeilijkheden, verbetering van de zelfwaardering en persoonlijke voldoening.
    Maar omwille van het feit dat dit een psychiatrische behandeling is blijft het psychiatrische stigma wegen op de ziekte.

    In 2002 stelde de toenmalige minister van Sociale Zaken en Pensioenen terecht dat er inzake CVS maar één vraag belangrijk is in dit verband : «Voor welke behandelingen bestaan er op het ogenblik voldoende wetenschappelijke bewijzen die geleverd worden door gerandomiseerde klinische studies van hoge kwaliteit ?»(Vraag om uitleg nr. 2-893, Parlementaire Handelingen nr. 2-241, 14 november 2002, blz. 44).

    Ik ben het eens met de minister dat het te voeren beleid inzake CVS exclusief mag worden uitgestippeld op basis van wetenschappelijke criteria.

    Recente wetenschappelijke rapporten stellen dat CVS een fysische ziekte is, met neurologische en immunologische kenmerken.

    Volgens professor Dr. William C. Reeves, Harvard University, die voor de Amerikaanse 'Centers for Disease Control and Prevention' CVS opvolgt, «zijn we het er voor eens en altijd over eens dat CVS een biologische achtergrond heeft. Een op empirisch onderzoek gebaseerde case definition is in de maak en daarmee is voor de wetenschap de vraag beantwoord of CVS dan wel psychisch, biopsychosociaal of somatoform is. CVS is een aandoening zoals Alzheimer, MS of Parkinson : we kennen de symptomen, we weten in welke gevallen welke behandelingen werken of de ziekte vertragen, maar we kennen de exacte oorzaak nog niet. Dat mag echter niemand meer het argument geven dat CVS een niet objectiveerbare aandoening is.» (Center for Disease Control and Prevention, AACFS, Madison 10 oktober 2004).

    De Britse minister van Volksgezondheid introduceerde, ten gevolge van diverse wetenschappelijke onderzoeksrapporten op 12 februari 2004 nieuwe guidelines voor de huisartsen.
    In deze nieuwe guidelines wordt CVS voortaan uitsluitend als een neurologische ziekte vermeld.

    De Nederlandse Gezondheidsraad publiceerde recent een lijvig rapport over CVS.
    Één van de conclusies is dat de oorzaken van CVS zowel psychisch als lichamelijk zijn.
    Els Borst, oud-minister van Volksgezondheid en voorzitter van de Gezondheidsraadcommissie formuleert het als volgt : «Er moet een einde komen aan die houding van vele artsen dat het allemaal aanstellerij is of tussen de oren zit. Dit is een miskenning en het is hardvochtig. Het is ook contraproductief, want een CVS-patiënt die wil opknappen moet daar zelf wat voor doen. Als de arts jouw klachten niet erkent, breng je daar nog moeilijker de energie voor op. De oorzaak van het vermoeidheidssyndroom is niet louter psychisch en niet louter lichamelijk, het is het allebei.».

    Het onderzoeksrapport stelt tevens dat modellen uit de moderne neurowetenschappen een goede basis vormen voor het pathofysiologisch onderzoek naar CVS.

    Het onderzoeksrapport stelt tevens dat de kennis van CVS grote hiaten vertoont.
    Tal van onopgeloste kwesties vragen naar nieuw wetenschappelijk onderzoek.
    Een daadwerkelijk inzicht in de oorzaken en de behandeling van CVS vergt een multidisciplinaire aanpak waarin de diverse factoren (psychische en neurofysiologische) in samenhang bestudeerd worden.

    Voor zover bekend, zou echter in geen enkel van de vijf referentiecentra de fysisch-biologische aanpak een reële kans krijgen.
    Dat versterkt bij vele CVS-patiënten en hun verenigingen het idee dat hun probleem niet ernstig wordt genomen, omdat hun ziekte als voornamelijk psychisch of zelfs als ingebeeld wordt afgedaan.

    Op 18 maart 2004 stelde de huidige minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid als antwoord op een vraag om uitleg van senator Germeaux betreffende de erkenning van centra voor de behandeling van het chronisch vermoeidheidssyndroom dat alleen met een combinatie van cognitieve gedragstherapie en progressieve fysieke revalidatie herhaaldelijk een gunstig behandelingseffect wordt bekomen (Parlementaire Handelingen nr. 3-47, blz. 80).

    De minister wacht de evaluatiestudie met betrekking tot de CVS-referentiecentra af alvorens te beslissen over nieuwe maatregelen ten behoeve van patiënten.

    Het RIZIV bracht eind 2004 statistieken uit betreffende de morbititeit per type aandoening.
    CVS werd opgenomen in deze statistieken in de categorie van de (psychische aandoeningen' (stijging met 20 %).

    Graag had ik hieromtrent dan ook volgende vragen voorgelegd aan de geachte minister :

    1. Kan hij een uitvoerig overzicht geven van de gehanteerde behandeling inzake CVS in de diverse erkende referentiecentra en dit per centrum ?

    2. In welke erkende referentiecentra krijgt de fysisch-biologische aanpak een reële kans ?
      Kan hij dit uitvoerig toelichten (onder meer wat betreft het type van behandeling en het aantal patiënten) ?

    3. Is de geachte minister het eens met het standpunt van de Nederlandse oud-minister van Volksgezondheid en voorzitter van de Gezondheidsraadcommissie, mevrouw Els Borst waarbij zij stelt dat de oorzaak van het vermoeidheidssyndroom «niet louter psychisch en niet louter lichamelijk is, het is het allebei» ?
      Zo neen, kan hij in detail aangeven waar het onderzoek van de Nederlandse Gezondheidsraad in de fout gaat alsook wat zijn wetenschappelijke tegenargumenten zijn ?
      Zo ja, welke concrete implicaties zal dit hebben op de behandeling en het onderzoek naar CVS-patiënten ?

    4. De geachte minister stelde in zijn antwoord op de vraag om uitleg nr. 3-176 van senator Jacques Germeaux dat hij op basis van de statistische evaluatiestudie en de eventuele wetenschappelijke evidenties op dat ogenblik het opzet van de tenlasteneming van CVS-patiënten in ons land zal herbekijken.
      Kan hij formeel bevestigen dat hij bij deze herevaluatie rekening zal houden met het bovenvermelde uitgebreide onderzoek van de Nederlandse Gezondheidsraad die stelt dat er zowel een neurologische en een psychologische oorzaak is bij CVS alsook met de conclusies van de Amerikaanse CDC, de nieuwe guidelines van de Britse minister van Volksgezondheid en de achterliggende wetenschappelijke studies en de klinische studies die het belang van de neurologische oorzaak onderschrijven ?

    5. Kan de geachte minister aangeven of hij bereid is bijkomende inspanningen te doen inzake de behandeling van CVS patiënten, gezien tot op heden amper 850 patiënten werden onderzocht in de referentiecentra en er 30 000 CVS patiënten zijn ?
      Bestaan er wachtlijsten en zo ja, om hoeveel patiënten gaat het ?

    6. Het onderzoeksrapport van de Nederlandse Gezondheidsraad stelt tevens dat de kennis van CVS grote hiaten vertoont.
      Tal van onopgeloste kwesties vragen naar nieuw wetenschappelijk onderzoek.
      Aangezien ook hij stelt dat zijn beleid gestoeld is op wetenschappelijk onderzoek had ik graag van de minister vernomen welke budgetten hij ter beschikking stelt voor multidisciplinaire wetenschappelijk onderzoek waarin de diverse factoren (psychische en neurofisiologische) factoren in samenhang bestudeerd worden ?
      Om hoeveel projecten gaat het en waar geschiedt het onderzoek ?

    7. Klopt de stelling dat er tot op heden geen financiering is vanuit de overheid voor onderzoek naar de biologische oorzaken van CVS ?
      Zo ja, is de geachte minister het ermee eens dat, gezien de nieuwe wetenschappelijke onderzoeksrapporten er moet worden geïnvesteerd in fundamenteel onderzoek ?
      Kan hij aangeven welke bijkomende financiële inspanningen hij hieromtrent gaat doen ?

    8. De huisarts wordt in de huidige CVS-revalidatieovereenkomsten beschouwd als een spilfiguur.
      Aldus voorziet de overeenkomst in een beperkte vergoeding voor de huisartsen die deelnemen aan teamvergaderingen waar over hun patiënten wordt gesproken.
      Kan de geachte minister aangeven hoeveel artsen tot op heden hebben deelgenomen aan deze teamvergaderingen ?

    9. Hoeveel patiënten met CVS krijgen een uitkering voor arbeidsongeschiktheid ?
      Is de geachte minister voorstander van een verdere objectivering van de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid ?

    10. Wat kost de ziekte CVS aan de Belgische samenleving, ondermeer wat betreft het wegvallen van de mogelijkheid om te kunnen werken ?

    11. Zoals aangegeven in de toelichting bracht het RIZIV eind 2004 statistieken uit betreffende de morbiditeit per type aandoening waarbij CVS werd opgenomen in de categorie van de psychische aandoeningen (stijging met 20 %).
      Is de geachte minister het eens met het onderbrengen van CVS onder de categorie psychische aandoeningen, gezien de diverse recente wetenschappelijke publicaties en gezien de conclusie van het onderzoeksrapport van de Nederlandse Gezondheidsraad en gezien de nieuwe richtlijnen die werden uitgevaardigd door de Britse minister van Volksgezondheid ?



    Antwoord

    Het uitgangspunt van de financieringsovereenkomst met de CVS-referentiecentra (die gebaseerd is op een consensus-advies van juli 2000 van een werkgroep van de Hoge Gezondheidsraad waarin de verschillende theoretische scholen met betrekking tot het Chronisch vermoeidheidssyndroom vertegenwoordigd waren én die afgesloten is tussen het RIZIV en één Franstalig en vier Nederlandstalige CVS-referentiecentra) is dat het Chronisch vermoeidheidssyndroom een invaliderende aandoening is, zowel qua psychisch, fysiek en sociaal functioneren, waarvan de etiologie noch de pathofysiologie wetenschappelijk eenduidig is aangetoond.
    Het RIZIV neemt dan ook geen standpunt in over de oorzaak of de aard van deze aandoening.
    In de lijn van het advies van de Nederlandse Gezondheidsraad van januari 2005 is het uitgangspunt van de RIZÏV-overeenkomst met de referentiecentra dat een optimale behandeling van het Chronisch vermoeidheidssyndroom een multidisciplinaire aanpak vereist.
    De personeelsequipes van de CVS-referentiecentra bestaan dan ook uit geneesheren-internisten, revalidatieartsen, psychiaters, klinisch psychologen, kinesitherapeuten en maatschappelijk werkers die elk vanuit hun eigen invalshoek en op interdisciplinaire wijze de patiënten begeleiden.
    Het RIZIV beschouwt het Chronisch vermoeidheidssyndroom dus niet als een psychiatrische aandoening.
    Het feit dat CVS in de statistieken, waarnaar verwezen wordt onder vraag 11), ondergebracht werd onder de categorie «psychische aandoeningen» doet daar geen afbreuk aan.
    In dat opzicht wens ik overigens ook te benadrukken dat psychopathologische aandoeningen door de ziekteverzekering geenszins als minder ernstig beschouwd zouden worden dan somatische aandoeningen en dat in het geval van psychiatrische aandoeningen de patiënt niet zelf verantwoordelijk is voor zijn ziekte.

    De vraag wordt gesteld of de fysisch-biologische aanpak in de referentiecentra een reële kans krijgt.
    Zoals ik reeds vermeld heb worden de patiënten in de referentiecentra ook vanuit internistische en fysisch-geneeskundige invalshoek benaderd.
    Het evaluatierapport dat over de werking van de centra wordt opgesteld zal trouwens onder meer ook betrekking hebben op het klinisch-biologisch functioneren van de patiënten.
    Zoals ook de conclusie is van de Nederlandse Gezondheidsraad bepaalt de overeenkomst dat het behandelingsaanbod minimaal obligaat cognitieve gedragstherapie en progressieve fysieke revalidatie moet omvatten, omdat enkel van deze behandelingsvormen évidence based is aangetoond dat ze effectief zijn voor patiënten met het Chronisch vermoeidheidssyndroom.
    De overeenkomst sluit dus niet uit dat de referentiecentra ook nog andere behandelingen toepassen.

    De algemene werking van de centra, het resultaat van de behandelingen die ze toepassen en onder meer ook de kwestie of men erin geslaagd is de huisarts van de patiënt als spilfiguur te betrekken in de begeleiding van de patiënten zullen het onderwerp worden van een uitgebreid evaluatierapport.
    Het is de bedoeling dat evaluatierapport voor advies voor te leggen aan de Hoge Gezondheidsraad met het verzoek om zich — in overleg met de protagonisten van de verschillende theoretische scholen inzake het Chronisch vermoeidheidssyndroom — op basis van het evaluatierapport en de actuele wetenschappelijke kennis over deze aandoening opnieuw uit te spreken over de wijze waarop CVS-patiënten het best begeleid kunnen worden.

    Wetenschappelijk onderzoek naar het Chronisch vermoeidheidssyndroom is uiteraard belangrijk gezien het grote aantal personen die erdoor getroffen worden en de ernstig invaliderende en ook zware financiële gevolgen voor de patiënten met deze aandoening.
    Het budget van de ziekteverzekering dat onder zware druk staat kan echter niet voor dit onderzoek in het bijzonder noch voor wetenschappelijk onderzoek in het algemeen worden aangewend.

    Wat de kosten zijn van deze aandoening voor de samenleving is mij niet bekend en lijkt me zeer moeilijk zinvol te ramen.
    Statistieken wat het aantal CVS-patiënten betreft die een uitkering krijgen voor arbeidsongeschiktheid zijn mij evenmin bekend.
    Wat de evaluatie van de arbeidsongeschiktheid betreft heb ik bij vorige interpellaties reeds benadrukt dat de evaluatie van de arbeidsgeschiktheid niet uitgaat van de aandoening waaraan iemand lijdt, maar wel van zijn functionele mogelijkheden.
    Gevolg gevend aan een aantal klachten van CVS-patiënten met betrekking tot deze evaluaties heeft de Dienst uitkeringen van het RIZIV zich trouwens geëngageerd om dit nauw op te volgen.

    Het lot van de patiënten met het Chronisch vermoeidheidssyndroom wordt wel degelijk ernstig genomen zowel door mijn Beleidscel als door de diensten van het RIZIV.
    Grote inspanningen worden geleverd, temidden van de verdeeldheid en de vooroordelen die er bestaan over deze aandoening, om op een objectieve en wetenschappelijk gefundeerde wijze de ziekte- en invaliditeitsverzekering zo adequaat mogelijk te organiseren ten behoeve van de CVS-patiënten en hun sociale zekerheid in hoofde van de overheid zo goed mogelijk te garanderen met de beschikbare middelen.


    Cfr. : http://www.senaat.be/www/?MIval=/publications/viewPubDoc&TID=50343689&LANG=nl




    Verzoekschrift over de behandeling van CVS-patiënten
    Uiteenzetting door de heer Marc van Impe

    &
    Vragen van de leden en antwoorden van de heer Marc van Impe en dr. Anne Marie Uyttersprot
    Zitting, 03-03-2005
    Verslag namens de Commissie voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin van de dames Vera Jans en Greet Van Linter

    - Naar aanleiding van een petitie ondertekend door 35.515 Vlamingen -


    Samenstelling van de commissie

    Voorzitter : de heer Luc Martens

    Vaste leden :
    - mevrouw Marijke Dillen, de heren Felix Strackx, Erik Tack,
    - de dames Greet Van Linter, Gerda Van Steenberge;
    - de heer Tom Dehaene, mevrouw Vera Jans, de heren Luc Martens, Steven Vanackere;
    - de heer Marnic De Meulemeester, de dames Margriet Hermans, Vera Van der Borght;
    - de heren Kurt De Loor, Herman Reynders, mevrouw Elke Roex.

    Plaatsvervangers :
    - de heer Erik Arckens, de dames An Michiels, Monique Moens, de heer Jurgen Verstrepen, mevrouw Linda Vissers;
    - de dames Cathy Berx, Kathleen Helsen, Trees Merckx-Van Goey, Monica Van Kerrebroeck;
    mevrouw Patricia Ceysens, de heer Marc Cordeel, mevrouw Hilde Eeckhout;
    - de heer Bart Caron, de dames Else De Wachter, Michèle Hostekint.

    Toegevoegde leden :
    mevrouw Mieke Vogels;
    mevrouw Helga Stevens.


    INHOUD

    1. - Uiteenzetting door de heer Marc van Impe

    2. - Vragen van de leden en antwoorden van de heer Marc van Impe en dr. Anne Marie Uyttersprot


    Dames en heren,

    Op 15 februari 2005 vond in de Commissie voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin een hoorzitting plaats naar aanleiding van het verzoekschrift van de heer Marc van Impe over de behandeling van chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS)-patiënten.

    De heer van Impe, eerste ondertekenaar van een verzoekschrift met 35.515 handtekeningen, werd bijgestaan door dokter Anne Marie Uyttersprot.



    I. - Uiteenzetting door de heer Marc van Impe

    Mijnheer de voorzitter,
    dames en heren leden van de commissie,
    ik ben voorzitter van het CVS-Platform, dat in 2001 is opgericht op initiatief van een aantal artsen en verenigingen en dat de belangrijkste verenigingen van ME (Myalgische Encephalomyelitis)/CVS-patiënten in België vertegenwoordigt.
    We concentreren ons sinds drie jaar op Vlaanderen, omwille van de typisch Belgische problematiek, waarop ik echter niet verder wens in te gaan.

    In 2003 hebben we, na vruchteloze pogingen om contact te krijgen met de opeenvolgende ministers van Sociale Zaken en Volksgezondheid, het initiatief genomen tot een petitie om het Vlaams Parlement te vragen een hoorzitting te organiseren over de behandeling van CVS-patiënten.
    Deze petitie werd ondertekend door 35.515 Vlamingen van alle rangen, standen en gezindten.
    We hebben hiertoe besloten omdat het debat omtrent CVS in België sinds 2002 bevroren is, op initiatief van toenmalig federaal minister van Sociale Zaken, Frank Vandenbroucke, wat voor de patiënten inhoudt dat de toestand steeds slechter wordt.

    U zult wellicht vragen stellen bij de bevoegdheid van het Vlaams Parlement of de Vlaamse Regering in deze aangelegenheid.
    Naar ons oordeel en dat van een aantal specialisten die we geregeld consulteren, is de Vlaamse Regering wel degelijk bevoegd.
    Het gaat immers over vijf van haar exclusieve bevoegdheden : Welzijn, Wetenschappelijk

    Onderzoek, Onderwijs, Tewerkstelling en Reïntegratie.

    Op dit ogenblik zijn patiënten die in die mate aan CVS of aan ME lijden dat ze fysiek gehandicapt worden of zijn, overgeleverd aan de willekeur van een federale instelling als het Riziv.
    Het Riziv beslist immers of deze patiënten worden doorverwezen naar de zogenaamde vijf referentiecentra van het federaal ministerie van Sociale Zaken.

    Vanaf dan begint de ellende, want wie niet in aanmerking komt voor zo’n behandeling of opvang in een referentiecentrum, valt tussen wal en schip.

    Eén van de grote misverstanden is dat CVS een ziekte is waar de wetenschap nog niet uit is.
    Er is geen grotere leugen.
    CVS is sinds 1969 erkend door de Wereldgezondheidsorganisatie als “Benign Myalgic Encephalomyelitis” onder code 323 en is in 1993 ingeschreven als neurologische aandoening in de ICD10, de index van alle ziektes die de Wereldgezondheidsorganisatie erkent, onder de code G93.3.


    Dat betekent dat de ziekte beschreven is, dat er een diagnostisch model is en dat er behandelingen zijn.

    Voor de officiële diagnose werden de eerste criteria opgesteld door Holmes in 1993. In 1994 zijn de criteria van Fukada opgesteld en heeft de verzekeringswereld, die in dit debat een belangrijke rol speelt, een eerste initiatief genomen.

    De verzekeraar UNUM, hoofdaandeelhouder van de meeste verzekeringsmaatschappijen in West-Europa, van Fortis-AG tot de kleinere verzekeringsmaatschappijen, heeft een prognose gemaakt van wat CVS kan betekenen.

    CVS heeft niets te maken met een depressie of een of andere psychische afwijking.
    Het heeft evenmin iets te maken met het gebruik van alcohol of drugs, noch met een ‘burn-out’ of andere medische aandoeningen zoals kanker, want die worden steeds uitgesloten na een uitgebreid medisch onderzoek.

    Sinds 1994 wordt dit internationaal aanvaard, ook door de Belgische wetenschappelijke wereld en door de verzekeringsfirma’s.
    Toch zijn het telkens opnieuw dezelfde Vlaamse wetenschappers die in de vier Vlaamse referentiecentra zitten en beweren dat CVS onduidelijk is, fysisch niet omschrijfbaar is, dat er geen objectieve aanwijzingen zijn en dat er geen markers zijn.
    Als u hierover vragen hebt, kunt u ze richten tot
    mijn echtgenote, dokter Uyttersprot.
    Ze is niet alleen arts, neuroloog, psychiater en neurofysioloog, maar ook CVS-patiënte
    en ze leidt een centrum in Vilvoorde.

    CVS veroorzaakt een ernstige, belemmerende vermoeidheid gedurende minstens zes maanden.

    Iemand die in een ernstige mate aan de ziekte lijdt, kan niet meer normaal functioneren.
    De vermoeidheid gaat dikwijls gepaard met lichamelijke pijnen en gedragsproblemen, zoals spierpijnen, keelpijn, koorts, slaapproblemen en aandachts- en geheugenproblemen.

    Door die toestand kan een depressie ontstaan, net zoals dat ook het geval is bij andere chronische ziekten en ernstige aandoeningen, zoals aids en kanker.

    De diagnose wordt gesteld op basis van de symptomen en door het uitsluiten van andere oorzaken.
    Daarnaast zijn er ook markers.
    Velen beweren dat die markers niet zouden bestaan, maar vorige week hielden specialisten inzake CVS een congres in Japan.
    Daar kwam men tot de vaststelling dat de marker die reeds drie jaar worden gebruikt door professor De Meirleir aan de VUB, namelijk de test RNase L, wel degelijk van toepassing is en een discriminerend onderscheid kan maken tussen CVS-patiënten en niet-CVSpatiënten.

    Aan CVS lijden niet alleen vrouwen tussen 40 en 50, maar steeds meer jongeren.
    CVS is evenmin, zoals in de Vlaamse wetenschappelijke literatuur wordt beweerd, een ziekte voor hoogopgeleide vrouwen uit de hogere inkomensklasse die veel te hard werken.

    Uit wereldwijd epidemiologisch onderzoek blijkt dat de ziekte tweemaal meer voorkomt bij mensen met lage inkomens en bij minderheden, met een frequentie van 1 tot 3 op 1000.
    De mensen met een lagere opleiding en een lagere opleidingsgraad zien veel minder vaak de oorzaken en de gevolgen van CVS, omdat de ziekte door hun huisarts al te snel wordt gecatalogeerd als een depressie of een infectueuze toestand zoals griep.

    Twaalf jaar geleden berekende de internationale verzekeringsmaatschappij UNUMProvident dat CVS zou toenemen met 460 percent en dat inzake de uitgaven, de verzekeringswereld rekening diende te houden met CVS als tweede zwaarste schadepost op de lijst van de vijf zware schadeposten.
    Dat is drie plaatsen boven aids.
    Per patiënt en per jaar betekent dit een schadepost van 25.000 euro voor behandeling en derving van inkomen.

    Ook in 1993 nam de verzekeringswereld het initiatief voor een bewustmakingscampagne over CVS, maar linkte die onmiddellijk aan ‘burn-out’.
    U zult zich uit het recente verleden herinneren dat de verzekeringswereld heel graag samen met de farmaceutische wereld campagnes opstart over depressies en dergelijke.
    Ze komen er enkel op neer dat Volksgezondheid en Sociale Zaken onder druk worden gezet om de middelen sneller terug te betalen en om heel dure therapieën te laten voorschrijven.

    Dat de term “vermoeidheid” wordt verbonden aan CVS, al is het slechts één van de symptomen, is erg handig en vaag, want wie claimt moe te zijn, is zogezegd niet objectief en kan makkelijk worden afgewezen.

    In de wetenschappelijke wereld zijn twee scholen ontstaan inzake CVS.
    Ik zal kort zijn.
    De ene school is de wetenschappelijke school die zich verenigt binnen het wereldcomplex van artsen die CVS bestuderen, het American Association for Chronic Fatigne Syndrome AACFS.
    Daarnaast is er een kleinere unit in het Verenigd Koninkrijk rond de psychiater Simon Wessely.
    Die laatste is vader van de zogenaamde psychiatrische school en beweert dat CVS tussen de oren zit.
    Hij wordt heel graag gevolgd door de verzekeringswereld.
    Ik ga hier niet dieper op in, ik heb de nodige documentatie overgemaakt aan het commissiesecretariaat.


    Lees verder : Deel V

    27-04-2008 om 23:38 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (2)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Eindelijk duidelijkheid ! - Deel V
    Klik op de afbeelding om de link te volgen






    Eindelijk duidelijkheid !

    Deel V


    Eén zaak is zeker : het Britse Lagerhuis en later ook het Hogerhuis, heeft gedurende vijf jaar onderzoek verricht over de uitspraken van Wessely en over de beweringen van zijn school.
    In het begin van vorig jaar kwam men tot de volgende vaststellingen :

    • de claim dat CVS psychiatrisch zou zijn en aldus zou zijn geschreven in de ICD-10 van de World Health Organization (WHO), is gebaseerd op fraude;

    • de wetenschappelijke onderzoeken die zogezegd de effectiviteit van cognitieve gedragstherapie en ‘graded excercise’ of kinesitherapie, zouden bevestigen, zijn gebaseerd op fraude;

    • de Nederlandse onderzoeken die in 2003 werden gepubliceerd, zijn gebaseerd op niet-wetenschappelijke criteria.

    Als u over die criteria vragen hebt, kunt u die stellen aan dokter Uyttersprot.

    Het Britse Hogerhuis is tot het besluit gekomen dat er een internationaal wetenschappelijk netwerk bestaat tussen King's College, Leuven, Nijmegen, Gent en de Scandinavische landen en dat de publicaties die de resultaten van die school bevestigen, onjuist en frauduleus zijn.
    De ‘British Medical Journal’ heeft zich daarvoor verontschuldigd.
    De zogenaamde specialisten citeren steeds zichzelf en hun pupillen.
    Op basis daarvan werden op een foutieve manier referentiecentra opgezet in het Verenigd Koninkrijk, België, Zweden en Nederland.

    Sinds het congres in Seattle in 2001 viel ons op dat deze zogenaamde specialisten van Leuven, Nijmegen, Gent en Londen steeds afwezig waren op de internationale congressen.
    Dat was ook vorig jaar het geval.

    Het onderzoek van het Britse Lagerhuis naar Wessely en de banden met UNUM heeft ook aan het licht gebracht dat UNUM via de Linbury Trust sinds 1991 een bedrag van vier miljoen pond heeft overgemaakt aan de research van Wessely and co.
    Het fraudeonderzoek naar de redactie van de ICD-10, de index van de Wereldgezondheidsorganisatie, werd bevestigd op 11 februari 2004.
    Het verslag van lord Warner is opgenomen in de bundel.
    Daaruit blijkt duidelijk dat CVS opzettelijk verkeerdelijk werd geklasseerd onder F-48 – neurasthenie en psychische aandoening.

    In 2002 heeft de toenmalige federale minister, Frank Vandenbroucke van Sociale Zaken beslist om vijf centra op te richten.
    Die centra passen uitsluitend cognitieve gedragstherapie en ‘graded exercise’ kinesitherapie toe.
    Leuven is daarmee al begonnen in 2001.
    1,5 miljoen euro overheidsgeld is daaraan verspild.
    Dat bedrag is extra federaal subsidiegeld.
    De wetenschappers worden echter betaald met Vlaams geld voor onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
    Als we dan weten dat 805 patiënten in drie jaar tijd werden behandeld in vijf centra, dan gaat het om een vijftigtal patiënten per jaar per centrum of 1 patiënt per week.

    In Vilvoorde worden er 50 patiënten per week gehoord en gezien, die weliswaar niet allemaal worden aanvaard.

    Per Vlaamse huisarts worden omgerekend dus 0,05 patiënten doorgestuurd naar een referentiecentrum.

    Het Riziv slaagde er vorig jaar nog eens in om CVS te klasseren volgens de ouderwetse ICD-9, als psychische aandoening.
    Dit was de verklaring dat er in 2004, 20.000 meer psychiatrische patiënten waren dan in 2003.
    Dat betekent dat we van dit aantal nog geen wetenschappelijk becijferbare fractie hebben behandeld in deze centra.

    Het verwondert me dan ook niet dat als ik het enkel voor artsen toegankelijke belangrijkste bibliografische databank op het gebied van de biomedische wetenschappen (Medline) op het internet consulteer, ik nauwelijks 40 publicaties vind uit de Vlaamse referentiecentra.
    Ze komen dan nog allemaal uit Leuven of uit Antwerpen.
    De gegevens worden gewoon van elkaar overgenomen.
    Uit Brussel alleen al zijn er meer dan 600 publicaties die wel ‘peer review’ gekregen hebben en wel ‘evidence based’ zijn, wat wil zeggen dat ze door meer dan drie artsen zijn besproken en correct bevonden zijn.

    Voor de patiënten heeft dit alles ernstige gevolgen.
    Wie een psychisch label krijgt uit een referentiecentrum, wordt door elke verzekeringsmaatschappij in België voor zijn gewaarborgd inkomen, zijn bijkomend inkomen, zijn aanvullende pensioenverzekering, zijn ziekteverzekering en zijn hospitalisatieverzekering automatisch geroyeerd.

    In de bundel zijn hierover een aantal schrijnende getuigenissen opgenomen.

    Een arts of hoogleraar die dit label uitschrijft in Leuven, Antwerpen of Gent ontvangt daarvoor 135.000 oude Belgische frank.
    Op dit ogenblik ligt dat bedrag op 4.000 euro voor een expertise.
    Dat zijn de officiële cijfers.
    Als u dan bedenkt dat een arts die als expert moet optreden voor de rechtbank hooguit 400 euro honorarium krijgt voor een expertise waar hij net zo lang aan moet werken, dan weet u waar het zwaartepunt ligt.
    Wie voor de rechtbank werkt, is geen hoogleraar, maar een idealist.
    Ik heb professor Van Houdenhove zelf geïnterviewd : hij beschreef dit als een pervers bijverschijnsel van zijn specialisme.
    Dat was het enige dat hij daarover kwijt wou...

    Voor zover we weten, zijn er bij de dienst Uitkeringen van het Riziv momenteel meer dan 180 zaken hangende van CVS-patiënten die worden geroyeerd.

    Aan mijn eigen echtgenote zei men dat ze er nog goed uitzag en zich kon herscholen.
    U moet zich voorstellen hoe zo’n onderzoek bij het Riziv verloopt.
    U wordt letterlijk in uw ondergoed gezet en zit daar 20 minuten tot een half uur.
    Er zitten daar drie artsen, die nauwelijks oog voor u hebben en opmerkingen maken over uw lingerie, hoe u eruitziet, over uw kapsel.
    Vervolgens zeggen ze dan letterlijk dat u er nog goed uitziet en dat u iets anders kunt gaan doen.
    Dat zegt men aan iedereen : aan artsen, logopedisten, verzekeringsagenten en aan onderwijsmensen.

    We hebben die zaak tegen het Riziv gewonnen voor het Arbeidshof in Leuven.
    Het Riziv weet dat ze die procedures op termijn verliest, maar niet iedereen kan zich een advocaat veroorloven.
    Niet iedereen weet zich verzekerd van bijstand, al is het alleen al de morele bijstand van zijn omgeving of partner.

    Vorig jaar presteerde het Riziv, bij de publicatie van zijn jaarcijfers, het om CVS nog steeds te rangschikken onder ‘psychische aandoeningen en ziektebeelden’.

    Administrateur-generaal De Cock zei daarop : ‘‘Sorry, volgend jaar zullen we beter doen.’’

    De Vlaamse huisartsen, die onder de bevoegdheid van de Vlaamse Regering vallen, blijven in gebreke.
    De voorzitter van de Wetenschappelijke Vereniging van Vlaamse Huisartsen, de heer Jos De Smedt, verklaarde vorige week dat de wetenschap hier nog niet uit is.
    Ik vraag me af welke wetenschappelijke bladen hij leest.

    Huisartsen geloven niet in CVS, voor hen is dat de grote onbekende.
    Ik zou niet graag patiënt willen zijn bij een huisarts die alleen ziekten behandelt waar de wetenschap al uit is.

    Ik citeer uit een brochure van het Riziv over ouderdomsblindheid : “De voornaamste oorzaak van ouderdomsblindheid is nog steeds niet bekend. De voornaamste oorzaak is de blijvende achteruitgang van het gezichtsvermogen na het zestigste levensjaar. Het is een zeldzame, ernstige aandoening”.
    Ik denk dat geen enkele huisarts aan iemand van 60 die blind wordt, durft te zeggen dat zijn aandoening niet objectief en beschrijfbaar is en dat de wetenschap daar nog niet uit is.
    Hier staat letterlijk : 'De oorzaken van deze ziekte zijn nog steeds onbekend, al zijn er bepaalde risicofactoren'.
    De eerste de beste leek die op internet naar CVS/ME gaat zoeken, zal precies dezelfde uitleg ontmoeten.
    Sinds vorige zondag zijn er echter wel een aantal oorzaken en markers bekend.
    Het internet gonst ervan.

    Minister Frank Vandenbroucke had het over ‘evidence-based medicine’.
    Welnu, Blijenberg en Prins beweren dat een derde van de patiënten beter werden.
    In 2003 en 2004 bleek dat in ons eigen land slechts een minderheid van de CVS-patiënten daar baat bij heeft.
    Toch blijft de minister zich daarachter verschuilen.

    Voor de economische impact van CVS wil ik verwijzen naar een objectief en zeer kritisch Nederlands onderzoek.

    In Nederland worden de meeste CVS-patiënten afgewezen, maar bij degenen die wel werden aanvaard, bleek dat ze voor 37 percent minder huishoudelijk productief waren en voor 54 percent minder arbeidsproductief.
    Dat ging gepaard met een inkomensverlies van 25.000 euro per patiënt per jaar.
    De duur van de ziekte bedroeg gemiddeld 5 tot 20 jaar.

    Er is ook sprake van heel wat psychisch-sociale problemen.
    U kunt zich de gevolgen voorstellen op het vlak van financiën, wonen, werkverlies en de relatie met de partner.
    Het enige onderzoek dat de Vlaamse referentiecentra internationaal hebben gepubliceerd en voorgesteld op 10 oktober 2004 op het congres in Madison, in de VS, was er één van de KU Leuven.
    Alleen al de presentatie van dat onderzoek heeft 150.000 Belgische frank gekost aan reis- en representatiekosten.
    De conclusie van het onderzoek – slechts één A4’tje – bij 48 vrouwelijke patiënten was dat het libido van deze patiënten er dramatisch op achteruitging.

    Dat is het enige gepubliceerde document dat men via de Cochrane Library, een internationale organisatie die zich ten doel stelt om ondersteunig te bieden bij het nemen van geïnformeerde beslissingen over gezondheidszorg, Medline en andere kanalen kan terugvinden : 'het libido van 48 vrouwelijke patiënten ging erop achteruit'.
    Dit werd statistisch bewezen in Antwerpen.

    In oktober 2004 hebben op dit congres in de VS 160 wetenschappers uit 30 verschillende landen verklaard dat CVS lichamelijk is.
    De Amerikaanse en Canadese regeringen, net als die van alle Latijnse landen en ook de Britse regering, hebben nu erkend dat het gaat om een lichamelijke aandoening.

    Vanmiddag heb ik vernomen dat de Nederlandse regering nu stelt dat CVS niet als ziekte erkend kan worden, maar dat de patiënten wel erkend kunnen worden.
    Dat is een trucje, want een erkenning van een ziekte betekent dat men automatisch onder de wet op de arbeidsongeschiktheid valt, terwijl een patiënt een hele reeks screenings moet ondergaan.


    UNUM-Verzekeringen heeft in de Verenigde Staten op 12 november voor het hof in New York en in Virginia een rechtszaak verloren tegen een eerste patiënt.
    Daardoor moet ze miljoenen dollar schadevergoeding betalen.
    In december heeft ze aangekondigd dat 250 CVS-dossiers heropend worden om te vermijden dat er een ‘class action suitgevoerd zou worden tegen UNUM, zoals tegen de tabaksindustrie en andere.

    In het Verenigd Koninkrijk is een onderzoek en een rechtszaak in voorbereiding tegen dokter Wessely.
    Prisma, het privé-onderzoeks- en adviesbureau van Wessely dat ook de NAVO van advies diende en stelde dat het Kosovo-syndroom en het Gulf War Syndrome niet bestaan en in november of december ongelijk heeft gekregen, is opgeheven.

    In februari 2005 heeft de Nederlandse Gezondheidsraad CVS erkend, maar die mensen hebben intussen hun staart weer ingetrokken.
    Op 10 februari heeft het congres in Japan bevestigd dat de onderzoeken die onder andere in Brussel gebeuren, juist zijn.
    Professor Lange van de universiteit van Jersey heeft middels een NMR, een hersenscan, de organische basis bevestigd.
    Bij Japans onderzoek werden de resultaten van professor De Meirleir bevestigd.
    In Glasgow is aangetoond dat er genetische afwijkingen zijn.
    In de VS is aangetoond dat het een aandoening is van het centraal zenuwstelsel en in Japan werd aangetoond dat er afwijkingen zijn in de prefrontale cortex, dat wil zeggen in het voorhoofd.
    Er is een foundation opgericht en er wordt nu in Japan alleen al 16 miljoen dollar uitgetrokken voor het onderzoek naar CVS.

    De beelden van de hersenscans zijn dramatisch.
    Bij een vergelijking van de scans van CVS-patiënten met scans van normale hersenen, zien we duidelijk een verschil.
    Ondanks de duidelijke verschillen tussen controlepatiënten en CVS-patiënten wordt gezegd dat er geen fysische aanwijzingen zijn.

    Nochtans kan een eenvoudig onderzoek gebeuren in elk ziekenhuis dat over een ‘Spect-scan’ beschikt.

    Ik wil u geen ingewikkelde medische en technische wetenschappelijke uitleg geven.
    Dokter Uyttersprot zal antwoorden op uw vragen daarover.

    Wel is het voor mij duidelijk dat wie nog durft te zeggen dat CVS tussen de oren zit, gelijk heeft.
    Het zit namelijk in de hersenen; dat is nu aangetoond.

    Ik geef u twee getuigenissen, in de bundel vindt u er een twintigtal andere.
    Een patiënt schreef ons via internet : “De laatdunkendheid en het ongeloof over alternatieve geneeswijzen – die onder andere in de VUB en in Vilvoorde worden toegepast – en dito uitslagen die ik constant lees in de brief en andere verslagen, is erg frustrerend. Geen uitkering, geen inkomen en ongeloof in de ziekte die ik heb. Alsof ik het allemaal verzin”.

    Een andere getuigenis komt van een arbeider van Tessenderlo Chemie.
    CVS komt heel vaak voor bij mensen die hebben moeten werken in een zwaar met chemische producten of metalen vervuilde omgeving.
    Hij schreef : “Eén van de weinige commentaren was : ‘U ziet er goed uit’. Gevolg : enige tijd later een schrijven van de bewuste maatschappij AGF met de mededeling dat men mij schorste van de uitkering”.

    We vragen de onmiddellijke stopzetting en een externe evaluatie van referentiecentra.
    In de notulen van de oprichtingsvergadering van de wetenschappelijke commissie van het Riziv die de centra heeft opgezet, zult u lezen dat professor Lissens zegt : ‘‘Het zijn hier toch allemaal profiteurs en renteneuroten’’.

    We willen een bewustmakingscampagne bij de Vlaamse huisartsen.
    We willen een absoluut verbod voor artsen, die werken als onderzoeker en wetenschapper in die zogenaamde referentiecentra, om nog expertises te doen voor verzekeringsmaatschappijen.

    We willen een bijscholingsprogramma voor artsen en hulpverleners.
    We willen sancties voor verzekeringsmaatschappijen.
    De Vlaamse Regering kan druk uitoefenen op de federale regering.

    We willen reïntegratie, recht op deeltijds werk en aangepast onderwijs voor kinderen met CVS.
    In het hoger onderwijs is het geen probleem om onderwijs op afstand te volgen, via een laptop of zo, maar in het middelbaar onderwijs is dat uitgesloten.
    We willen dat leerlingen ten minste hun middelbaar onderwijs kunnen afmaken en niet gestraft worden.
    We willen recht op uitkeringen.
    Vorige week kreeg ik een dossier van een negentienjarige patiënte.
    Ze heeft in zeven jaar tijd haar middelbare school afgemaakt in West-Vlaanderen.
    Haar IQ ligt boven de 150, maar ze lijdt aan CVS en kan op dit ogenblik niet aan een hogere opleiding beginnen, hoewel ze wetenschappen wil studeren.
    Ze kan echter ook niet beginnen werken.
    Ze heeft een aanvraag gedaan bij de werkloosheidsdiensten, maar werd geweigerd omdat ze nog nooit heeft gewerkt en geen enkel recht heeft.
    Ze valt volledig ten laste van haar ouders, maar niet als gehandicapt kind, want de arts die daarover moest beslissen, zei : “U zou ze wat karakter moeten leren krijgen”.

    Mevrouw de minister, ik wil u graag deze correspondentie bezorgen.

    We willen dat de Vlaamse Regering een initiatief neemt.
    Als ze dat kan inzake de zorgverzekering, dan kan daar nog een stuk worden aangebreid.
    Het gaat niet om een epidemie, maar om een pandemie.
    Het is een besmettelijke ziekte, veroorzaakt door milieufactoren, die kan worden doorgegeven via bloeddonatie.
    Mijn echtgenote heeft CVS gekregen na een bloedtransfusie.
    Het is ook niet voor niets dat internationaal – en dus ook door het Belgische Rode Kruis – patiënten die lijden aan deze zogezegd niet-aanwijsbare, niet-fysische maar psychische aandoening, worden geweigerd als bloeddonoren.
    Moet ik nog meer zeggen ?



    II. - Vragen van de leden en antwoorden van de heer van Impe en dr. Uyttersprot


    Mevrouw Monica Van Kerrebroeck :

    Mijnheer van Impe, u zei dat patiënten het middelbaar onderwijs moeten kunnen afmaken.
    Hebt u daar suggesties voor ?
    Moet dat dan gespreid gebeuren over meer dan de normale zes jaar ?
    Ik meende te begrijpen dat u dat niet verkiest.
    Of moeten er aangepaste programma’s voorhanden zijn ?


    De heer Marc van Impe :

    We beschikken over alle mogelijke technische middelen om programma’s uit te bouwen en toe te passen.
    Onderwijs kan op afstand worden gevolgd; dat staat trouwens in de onderwijswetgeving.
    De meeste instellingen voor middelbaar en lager onderwijs willen daar echter niet aan beginne of zijn er niet voor uitgerust.
    Voor heel wat mensen is dit een belangrijke investering in informatica.
    Er moet dus ook een tegemoetkoming zijn.
    Ten slotte is er ook een zekere flexibiliteit nodig om de studies te kunnen afmaken.
    Zo moet het mogelijk zijn examens af te leggen op een eigen ritme.
    De school en de leerkrachten moeten daar rekening mee kunnen houden.
    Verzoeken in die zin worden meestal botweg afgewezen.
    Er zijn weliswaar in alle netten heel wat scholen met de nodige goodwill, maar als men een verzoek wil afwijzen, dan is er geen verweer.


    Mevrouw Margriet Hermans :

    Mijnheer van Impe, u had het over ‘evidence-based medicine’.
    Wanneer is er voldoende bewijsmateriaal gekomen om aan te tonen dat het een echte ziekte is ?
    Kunt u daar een datum op plakken ?
    Misschien hinken we in België achterop, omdat de nieuwe informatie niet uit onze eigen wetenschappelijke wereld is gekomen, maar uit het buitenland.

    Wat is de Vlaamse bevoegdheid in die referentiecentra ?
    Het verbaast me dat er in al die tijd dat deze centra actief zijn, geen enkele rapportering is gebeurd.
    Dat is tenminste verbazingwekkend.
    De erkenning van de ziekte, als er inderdaad bewijzen zijn, is duidelijk een federale bevoegdheid.
    Maar is de informatie aan de huisartsen volgens u veeleer een Vlaamse opdracht ?


    De heer van Impe :

    Toen we in 2001 een eerste gesprek hadden met minister Frank Vandenbroucke, zei hij zich te baseren op ‘evidence-based medicine’.
    Zijn kabinetsmedewerker zwaaide toen met het gelijknamige blad, een commerciële uitgave van ‘Hayward Press’, een Brits uitgevershuis, dat ongeveer evenveel wetenschappelijke waarde heeft als bladen als ‘De Artsenkrant’ of ‘De Huisarts’, dat ik zelf mee heb opgericht in 1989.
    Wetenschappelijk gezien betekent ‘evidence-based’ dat wie een bewering doet, zijn stelling laat toetsen door derden, uiteraard ook wetenschappers, die proef in gelijke omstandigheden en op dezelfde wijze kunnen herhalen en daarbij tot dezelfde conclusies komen.
    In oktober van vorig jaar is voor het eerst een aantal onderzoeken, onder andere van de VUB en van het Rega-Instituut in Leuven, herhaald door professor Declercq die nu in de internationale adviesraad voor CVS wordt opgenomen, maar die geweerd werd uit het referentiecentrum van Leuven.
    Bij die herhaling is gebleken dat de resultaten van die onderzoeken juist zijn, dat ze als markers kunnen worden beschouwd, mijlpalen dus en dat ze de basis kunnen vormen voor verder onderzoek.
    Dat is echt ‘evidence-based’; wat in het krantje staat, is dat niet.
    Het is niet omdat iets in ‘De Standaard’ staat, dat het een standaard is, om maar een vergelijking te maken.
    De minister zwaaide met ‘Evidence-Based Medicine’.
    Dat professor Wessely hoofdredacteur was van dat blad, doet ons vermoeden wat de waarde ervan is.
    Intussen is ‘Evidence-Based Medicine’ van eigenaar veranderd :
    – het is nu eigendom van ‘British Medical Journal’ en
    - is Wessely eruit.
    In oktober verklaarde de ‘British Medical Journal’, toen duidelijk werd wat er van het Britse Hogerhuis zat aan te komen, dat ze een onafhankelijke wetenschappelijke redactie vormde en totaal van koers veranderde.

    Onderwijs, Wetenschappelijk Onderzoek en Welzijn zijn Vlaamse bevoegdheden.
    Het is niet omdat iemand besluit een trainingskamp op te zetten en er aan praktijken te doen onder de Europese of federale noemer, dat dit geen effect zou hebben voor de Vlaamse bevolking.
    De Vlaamse overheid is wel degelijk bevoegd.
    Over de huisartsen kan dokter Uyttersprot u meer vertellen.


    De heer Luc Martens, voorzitter :

    Mijnheer van Impe, de vraag van mevrouw Hermans is relevant.
    U zegt dat het een Vlaamse bevoegdheid is omdat het gaat om Vlaamse mensen.
    Dat volstaat echter niet als antwoord, want juridisch kunnen we er weinig mee doen.
    Kunt u proberen dat specifieker aan te tonen ?
    In welke bevoegdheidspakketten van Vlaanderen, op basis van de opeenvolgende staatshervormingen, meent u aanknopingspunten te vinden om een antwoord te bieden op uw vraag ?


    De heer van Impe :

    Mijnheer de voorzitter, het gaat over Welzijn, over Wetenschappelijk Onderzoek, een bevoegdheid van de minister voor Economische Zaken en Wetenschappelijk Onderzoek, over Tewerkstelling en Reïntegratie én over Onderwijs.
    Als dat geen Vlaamse bevoegdheden zijn, dan weet ik het ook niet meer.
    De federale overheid heeft een maatregel genomen die voor vier vijfden effect heeft in Vlaanderen.
    In Wallonië zijn er 4 dossiers aanhangig bij de arbeidsrechtbank van mensen die een probleem hebben met de Inami, omdat ze worden geweigerd omdat ze CVS hebben.
    Het gaat over twijfelgevallen.
    In Vlaanderen gaat het over meer dan 180 dossiers.
    We zijn uit “armoede” naar u gestapt.
    Reeds 3 jaar vragen we aan de federale ministers Vandenbroucke en zijn opvolger Demotte om te worden gehoord.
    Minister Demotte verkiest om koffie te drinken met mensen van een zelfhulpgroep van CVS-patiënten.
    Het zijn erg goedmenende mensen, maar ze worden naar huis gestuurd met een schouderklopje en de mededeling dat de kwestie in oktober – dat is ondertussen april of mei geworden – zal worden geëvalueerd.
    Wij nemen daar geen genoegen mee.
    CVS valt wel degelijk onder de bevoegdheid van de Vlaamse Regering en van het Vlaams Parlement.


    Mevrouw Anne Marie Uyttersprot :

    De beste manier om ‘evidence-based’ te werken, gebeurt met zaken die reeds bekend zijn en vaststaan.
    Zo kunnen vergelijkingen worden gemaakt.
    Bij CVS zijn er echter nog veel vragen en problemen inzake groeperingen.
    Het gaat dus over het vergelijken van appelen met peren.
    Evidence-based’ wordt vaak vernoemd, maar is heel moeilijk bij CVS.
    CVS is hoe dan ook een moeilijk probleem voor huisartsen.
    De normale onderzoeken zoals bloedafnames, zijn allemaal negatief of licht afwijkend, tenzij de dokter echt weet waar hij naar moet zoeken.
    Dat is het grote probleem.
    De huisartsen zijn bekend met de normale geneeskunde, maar CVS betreft immunologie, moleculaire biologie en genetica.
    Het betreft moeilijke geneeskunde waarin men zich moet specialiseren.
    Het is voor een huisarts dus het makkelijkst om te beslissen dat het om een psychisch probleem gaat dat een psychiater moet oplossen.
    De huisarts krijgt zo het gevoel dat hij iets heeft gedaan, maar als hij de patiënt echt wil helpen, moet hij een opleiding volgen.
    Het grote probleem is dat die opleiding niet aan de universiteiten kan worden gevolgd.
    Ik ben psychiater en ben gaan samenzitten met een collega, een internist in Vilvoorde.
    Dat is ongebruikelijk, maar het zou meer moeten gebeuren.
    Nu heeft elk specialisme een eigen groep die aan superspecialisatie doet.
    Ik pleit voor het opnieuw breder bekijken van de interne kant van de geneeskunde.
    Ik voel me soms een veredelde huisdokter.
    Mijn collega en ik proberen om zowel de psychische als de lichamelijke kant aan te pakken.
    Ik wou nog iets vertellen, maar ik ben mijn draad kwijt.
    Dit wijst op mijn neurocognitieve stoornissen...


    De heer van Impe

    Dat is een gevolg van CVS.

    Inzake de voorlichting aan huisartsen heb ik meer dan eens zelf contact opgenomen met de Wetenschappelijke Vereniging van Vlaamse Huisartsen.
    Ik ken die mensen heel goed, want ik heb in 1989 het blad ‘De Huisarts’ opgericht.
    De Wetenschappelijke Vereniging van Vlaamse Huisartsen heeft in CVS een ziekte van deze tijd ontdekt.
    Dat houdt in dat CVS een beetje de schuld is van de patiënt zelf, die te hard werkt, te veel van zichzelf vraagt, te weinig naar zijn huisarts luistert en zijn eigen grenzen niet kent.
    Dit is de opinie van professor De Maeseneer van Gent die heel enthousiast wordt ondersteund in Leuven.
    Ook onder de parlementsleden-artsen leeft dezelfde mening.
    Ik heb met artsen uit alle fracties gesproken en steeds kreeg ik te horen dat de ziekte typisch is voor mensen die hun grenzen niet kennen.

    Iemand van 45 jaar die jarenlang in Tessenderlo in de fabriek heeft gewerkt en in wiens bloed cadmium, kwik en andere zware metalen werden aangetroffen, die een zuurstofopnamevolume heeft van nog geen 16 percent van een normaal mens en die lijdt aan CVS, kent die het uiterste van zijn grenzen misschien niet ?

    Het is een kwestie van laksheid.

    Het verbaast me niet dat de geneesheren van Geneeskunde voor het Volk als eerste naar die luxeartsen komen voor voorlichting en informatie.


    Mevrouw Greet Van Linter :

    Ik begrijp niet goed hoe de zaak in elkaar zit.
    Er werden vijf referentiecentra opgericht, maar blijkbaar werken die niet naar behoren.
    Uw vereniging is voorstander van meer wetenschappelijk onderzoek.
    Hoe komt het dat daar nog geen sprake van is ?
    Waarom zijn er geen specialisten aanwezig in de ziekenhuizen ?
    Dat zou een internist, een neuroloog of een neuropsychiater kunnen zijn.
    Waarom wordt er omgekeerd tewerk gegaan ?
    Door de referentiecentra op te richten, wordt immers begonnen met de therapie in plaats van eerst onderzoek te verrichten naar de diagnose en het ziektebeeld.
    Waar is het fout gelopen ?


    De heer van Impe :

    Wij waren in 2000 vragende partij voor de oprichting van referentiecentra.
    Aan de universiteiten werd gevraagd of ze bereid waren om referentiecentra op te richten.
    Uit de notulen van de vergaderingen blijkt dat de universiteiten aan de minister vroegen hoeveel geld hij bereid was om in die centra te stoppen.
    Hij antwoordde dat hij over een periode van vijf jaar, 1,5 miljoen euro wou spenderen.

    In 2001 was Leuven al bezig.
    Het centrum is immers een uitvloeisel van de pijnkliniek, die noodgedwongen werd gesloten wegens niet-efficiënt en niet-wetenschappelijk.
    In Antwerpen werd pas begonnen in het begin van 2004 en in Gent op het einde van 2003.
    In Brussel werd zo vaak en zo lang gepraat over wie naast professor De Meirleir mocht meewerken, dat er pas halfweg 2004 effectief werk werd gemaakt van een kindercentrum voor CVS.

    Op de centra werden niet de grote wetenschappers gezet.
    De centra communiceren ook niet met elkaar, iedereen doet zijn zin.
    Het leidend centrum is Leuven, maar daar wordt enkel gewerkt met cognitieve gedragstherapie.
    Er wordt niet aan onderzoek gedaan, er wordt enkel een therapie toegepast.
    Wie daar niet gelukkig mee is, wil zogezegd niet gelukkig worden.
    Dat staat zo op papier.

    Er gebeurt geen statistisch onderzoek, behalve aan de UIA naar het libido van 48 vrouwen.

    Er is geen enkele publicatie over de ziekte.
    Ik ben naar het fonds voor wetenschappelijk onderzoek gegaan, naar de universitaire bibliotheken en naar de decanen.
    Ik heb alle mogelijke ‘exchanges’ gedaan waar ik via mijn echtgenote toegang toe heb.
    Ik ben op zoek gegaan naar tussentijdse communicatie en rapporten.
    Ik heb helemaal niets gevonden !


    Minister Inge Vervotte :

    Mijnheer van Impe, dokter Uyttersprot, ik wil u bedanken voor de vele informatie die we hebben gekregen, maar het is van belang om een goed zicht te hebben op de belangrijke uitdagingen die u wenst aan te pakken.
    U stelt dat heel veel mensen niet weten wat CVS is en dat sommige wetenschappers zelfs beweren dat het tussen de oren zit.
    Wat is er nodig om de juiste diagnose te stellen ?
    In uw documentatie lees ik dat de ziekte kan worden vastgesteld met een bloedonderzoek.
    Volstaat een bloedonderzoek of is er meer nodig ?


    Mevrouw Uyttersprot :

    De diagnose stellen is niet zo moeilijk, want de criteria zijn voorhanden.
    Het is dus gemakkelijk om te bepalen of iemand CVS heeft of niet.
    Wat men daarna doet, is veel moeilijker.
    Dokters overschrijden blijkbaar heel moeilijk hun eigen grenzen.
    Ze houden vast aan gekende structuren en onderzoeken, maar die maken het moeilijk om kleinere afwijkingen die men normaal over het hoofd ziet, ook te bekijken in het licht van CVS.
    Wij bekijken ook de milieufactoren.
    Dat gebeurt in het normale geneeskundige traject niet, maar ik ben ervan overtuigd dat milieufactoren een belangrijke rol spelen.
    Er is echter geen communicatie tussen de toxicologie en de medische wereld.
    Dat is het grote probleem.

    De universiteiten zouden moeten worden verplicht om de vaste paden te verlaten.
    Er moet samenwerking komen met bijvoorbeeld immunologen en genetici.


    Minister Inge Vervotte :

    U zegt dus dat de diagnose makkelijk kan worden gesteld via een bloedonderzoek ?


    Mevrouw Uyttersprot :

    Ja.


    Mevrouw Greet Van Linter :

    Ik meende nochtans begrepen te hebben dat die bloedonderzoeken erg duur zijn.
    In mijn kennissenkring wordt gesproken over 40.000 tot 60.000 frank voor een bloedonderzoek naar metalen en dergelijke.
    Ook een aantal antibioticabehandelingen zouden erg duur zijn.
    We kampen dus met een groot probleem op het vlak van terugbetaling.
    Ik ken mensen die hun behandeling stoppen, omdat ze die niet kunnen betalen.
    Ik begrijp dus niet goed dat volgens u een gewoon bloedonderzoek zou volstaan om de diagnose te stellen.


    Mevrouw Uyttersprot :

    De diagnose kan worden gesteld op basis van de symptomen van de patiënt.
    Daar zijn criteria voor.
    Daarna wordt onderzocht wat de mogelijke oorzaken van CVS zijn, maar dan begeeft men zich op paden die niet vastliggen, denken we maar aan de RNase-test en de elastasetest.
    Die testen geven een idee van het immuunsysteem, maar worden niet terugbetaald door het Riziv.
    Het zijn dure onderzoeken.
    We voeren ze niet uit omdat we dat graag doen, maar omdat de normale bloedafnames enkel aanwijzingen bevatten, maar geen bevestiging kunnen zijn van de oorzaak van CVS.
    De antibioticakuren zijn niet duur.
    We gaan een beetje in tegen de gangbare norm om antibiotica af te bouwen, maar deze discussie moet wellicht niet hier worden gevoerd.
    Het klopt dat een aantal behandelingen erg duur zijn.
    De voedingssupplementen die de patiënten krijgen, worden evenmin terugbetaald.
    De patiënten bevinden zich echt aan de zijkant van de maatschappij.
    Ze passen niet in het normale systeem van de ziekteverzekering.


    De heer van Impe :

    In 1983-84 heb ik in het federale parlement het debat meegemaakt over aids.
    Toen werd de ziekte ‘darkroom fever’ genoemd, want men wou niet geloven dat het een fysische aandoening was.
    Zonder pejoratief te zijn kan een CVS-patiënt worden vergeleken met een aids-patiënt.
    De ziekte is er en heel wat effecten ervan kunnen worden tegengegaan door bepaalde voedingsupplementen en therapieën.
    Daar moeten cocktails van worden gemaakt en dat vereist medisch inzicht, initiatief, discipline en durf van de arts.
    Het is veel makkelijker om tegen de patiënt te zeggen dat het aan hemzelf ligt en dat hij beter moet willen worden.
    Het is makkelijker om aan de patiënt te vertellen dat hij misschien wel werd misbruikt in zijn jeugd en die feiten heeft verdrongen.
    Ik vind dit niet uit, het staat zo in een verslag.
    Het is veel makkelijker om de patiënt door te verwijzen naar een psychotherapeut.
    Dat kost de sociale zekerheid immers niets, want een psycholoog wordt niet terugbetaald.


    Minister Vervotte :

    Mijnheer van Impe, u maakt de vergelijking met aids-patiënten.
    Als ik naar de dokter ga voor een bloedonderzoek, dan kan hij me vertellen of ik seropositief ben of niet.
    Als ik naar de dokter ga voor een bloedonderzoek, weet ik dan of ik CVS heb of niet ?


    Mevrouw Uyttersprot :

    Een bloedonderzoek alleen volstaat niet.
    Er is een totaalbeeld nodig en daarom moeten artsen zich verdiepen in de problematiek.
    Vorige week is op het congres in Japan bevestigd dat een RNase-onderzoek, dat hier wordt toegepast door dokter De Meirleir, een marker is.
    Is die waarde afwijkend in het bloed en is het immuunsysteem verstoord, dan weten we dat er sprake is van CVS.
    Dit is totaal nieuwe informatie.
    We hadden daarover al een vermoeden sinds 2003.
    Nu wordt dat unaniem door de Amerikaanse CDC, de professoren van Harvard en andere instellingen aangenomen.


    Lees verder : Deel VI


    27-04-2008 om 23:32 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Eindelijk duidelijkheid ! - Deel VI
    Klik op de afbeelding om de link te volgen





    Eindelijk duidelijkheid !

    Deel VI


    De voorzitter :

    Ik dank de heer van Impe en dokter Uyttersprot voor hun toelichting.
    We zullen de documenten doornemen en nagaan wat er binnen onze bevoegdheden valt.
    Daarna moeten we bekijken hoe we, in overleg met minister Vervotte, een eerste antwoord kunnen geven en welke acties we vanuit het parlement kunnen voeren.

    De verslaggevers,
    De voorzitter,

    Vera Jans, Luc Martens, Greet Van Linter.


    Cfr. :
    -
    http://jsp.vlaamsparlement.be/docs/stukken/2004-2005/g226-1.pdf
    - http://www.me-cvs.nl/files/hoorzitting.pdf
    -
    http://www.me-cvs.nl/files/hoorzitting.doc.




    Myalgische encephalomyelitis (ME) — Chronische vermoeidheidssyndroom (CVS) – Terugbetalingsregels

    Vraag van mevrouw Thijs aan de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid - Belgische Senaat - Vragen en Antwoorden – 24-11-2006


    Mevrouw Thijs

    Het chronische vermoeidheidssyndroom werd in 1969 officieel erkend door het WHO.
    In België wordt meestal gesproken over 'Myalgische Encephalomyelitis' (ME).
    In afwachting van een betere beschrijving van de ziekte, verdient de neutrale benaming 'chronisch vermoeidheidssyndroom' (CVS) de voorkeur.

    Één van de meest typische symptomen van CVS is een alles overheersende vermoeidheid die de activiteit- en arbeidscapaciteiten van de patiënten reduceren tot een minimaal niveau.
    De chronische vermoeidheid is gedurende 6 maanden of meer opeenvolgende maanden aanhoudend of steeds terugkerend aanwezig is, in combinatie met meerdere andere symptomen ondermeer koorts, hoofdpijn, spierpijn, gewrichtspijn, keelpijn, pijnlijke lymfeklieren, slapeloosheid, concentratie- en geheugenproblemen.

    Het vinden van een efficiënte behandelingswijze is zeer complex : volledige genezing is een utopie, vermindering van de klachten kan wel maar de juiste therapie verschilt bij iedereen.
    Vele patiënten raken sociaal geïsoleerd want door de alles overheersende vermoeidheid en pijnen is deelname, zelfs aan het basale sociale gebeuren, een zware en vaak onhaalbare opdracht.
    Hierdoor zien we ook dat vele patiënten in een depressieve toestand verglijden.

    Ondanks de erkenning als neurologische aandoening door het WHO, blijft er in België en vele andere landen sprake van een negativistische en ontkennende houding ten aanzien van deze aandoening.

    In 2002 werd CVS bovendien door het RIZIV erkend als een ziekte.
    De behandeling en differentiële diagnose moet gesteld worden in één van de vijf officieel erkende Vlaamse CVS-referentiecentra (UZ Leuven, UZ Antwerpen, UZ Gent, referentiecentrum UCL en referentiecentrum AZ — VUB).
    De patiënt dient zich in eerste instantie aan te melden bij de reguliere huisarts die hen vervolgens via een standaardverwijsformulier doorverwijst.
    Zoals reeds vermeld is het diagnosticeren van CVS geen sinecure.
    In België wordt gekozen voor de criteria van het WHO.

    De behandeling in de centra is vooral gebaseerd op de cognitieve gedragstherapie en fysische revalidatie.
    Dit komt eigenlijk neer op een psychiatrische behandeling en heeft een stigmatiserend effect heeft voor de betrokkenen.
    De diagnoses in de door het RIZIV erkende centra, worden echter niet in rekening gebracht bij het vaststellen van de invaliditeitsgraad op het ogenblik van evaluatie bij het RIZIV.

    Graag ontving ik een antwoord op de volgende vragen :

    1. Het RIZIV vergoedt de officiële centra voor het diagnosticeren en opstellen van een behandelplan.
      Wanneer een diagnose wordt gesteld door deze artsen, lijkt het logisch dat deze diagnose ook erkend wordt door het RIZIV bij het vaststellen van de invaliditeitsgraad.
      Gaat de geachte minister ermee akkoord dat het duidelijk is dat de functionele mogelijkheden van CVS patiënten zwaar gehypothekeerd worden, zoals blijkt uit de officieel gehanteerde diagnosecriteria en dat dit een ernstige reductie van de arbeidsgeschiktheid inhoudt ?
      Waarom wordt de vaststelling van het referentiecentrum niet in alle gevallen in acht genomen door het RIZIV ?
      Zal in de toekomst het oordeel van het team van het referentiecentrum steeds gevolgd worden ?
      Indien ja, worden er dan ook controlemechanismen ingebouwd bijvoorbeeld de patiënten moeten zich jaarlijks opnieuw laten onderzoeken in het centrum en deze resultaten worden aan het evaluatiedossier van het RIZIV gekoppeld ?

    2. Hoe hoog is de discriminerende waarde van de gestelde diagnose aan de hand van de criteria van het WHO ?

    3. Hoeveel officieel erkende CVS patiënten zijn er momenteel ?
      Wat zijn de minima en maxima invaliditeitsgraden die aan deze patiënten werden toegekend ?
      Hoeveel patiënten krijgen een uitkering en wat is dan de totale kost voor het RIZIV ?

    4. Het feit dat het RIZIV de ziekte erkent, kan bezwaarlijk een slechte zaak genoemd worden.
      Hun erkenning van CVS als zijnde een psychische aandoening brengt echter een praktisch en weerom financiële belemmering met zich mee.
      De meeste polissen inzake hospitalisatieverzekering of bijkomende invaliditeitsverzekering sluiten psychische aandoeningen uit.
      Is er een mogelijkheid om CVS - gelet op het feit dat de oorzaak tot op heden niet teruggevoerd kan worden tot een zuiver psychopathologische oorzaak - onder te brengen in de categorie 'ongedefinieerde oorzaken' ?



    Antwoord

    1. - U stelt een aantal vragen omtrent de toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen aan patiënten met het chronisch vermoeidheidssyndroom.

    Twee situaties dienen onderscheiden te worden :

    • Wanneer een gerechtigde met diagnose 'chronisch vermoeidheidssyndroom' een revalidatieprogramma volgt in een CVS-referentiecentrum, wordt die persoon geacht de vereiste graad van arbeidsongeschiktheid te behouden.
      Die persoon kan dan aanspraak maken op uitkeringen wanneer de betrokkene voldoet aan de andere verzekerbaarheidsvoorwaarden.

    • Wanneer een gerechtigde met de CVS-diagnose geen erkend revalidatieprogramma volgt, maar meent dat hij ingevolge zijn aandoening, arbeidsongeschikt beschouwd moet worden, dient hij deze arbeidsongeschiktheid aan te geven bij de adviserend geneesheer van het ziekenfonds.
      De adviserend geneesheer kan tijdens het eerste jaar een primaire ongeschiktheid vaststellen.

    Vanaf het tweede jaar is de Geneeskundige Raad voor invaliditeit (GRI) van de Dienst voor uitkeringen bevoegd.
    Bij de evaluatie van de arbeidsongeschiktheid wordt rekening gehouden met elk letsel of functionele aandoening, dus ook met het CVS-syndroom.

    Om arbeidsongeschikt erkend te kunnen worden is wel ten minste 66 % arbeidsongeschiktheid vereist.
    In het kader van de arbeidsongeschiktheidsverzekering gaat het dus niet om de 'erkenning van bepaalde ziekten' , maar wel om de evaluatie van de weerslag van letsels of functionele stoornissen op het verdienvermogen van de betrokkene.

    Uit het RIZIV-rapport dat recent gepubliceerd is over de CVS-referentiecentra blijkt dat 24 % van de patiënten waarbij de centra de CVS-diagnose hebben vastgesteld, deeltijds of voltijds betaald werkt en dus niet voldoen aan de 66 % regel.
    U kan het RIZIV-rapport op de website raadplegen.


    2. - De criteria van de Wereldgezondheidsorganisatie waarnaar u in uw tweede vraag verwijst, zijn mij niet bekend.
    De definitie die de CVS-referentiecentra hanteren en die algemeen aanvaard wordt, is de definitie van Fukuda (1994) die gehanteerd wordt door de 'Centers for Disease Control'.
    Dit is een beschrijvende definitie welke geen beoordeling inhoudt over een oorzakelijke factor van de klachten, omdat die niet gekend is.
    Een schatting van de discriminerende waarde van de diagnosestelling op basis van de beschrijvende definitie is volgens mij niet mogelijk.


    3. - Wat de vraag naar het aantal officieel erkende CVS-patiënten betreft, veronderstel ik dat hier het aantal patiënten bedoeld wordt waarvoor de referentiecentra de CVS-diagnose hebben vastgesteld.
    Op 30 juni 2005 waren dat er 1 106 zoals blijkt uit het rapport van het RIZIV.

    U vraagt ook enkele statistische gegevens, specifiek over de groep van patiënten met CVS die arbeidsongeschiktheidsuitkeringen krijgen.
    De Dienst voor uitkeringen beschikt over geen gegevens voor de gerechtigden in primaire ongeschiktheid.
    De Dienst beschikt evenmin over precieze gegevens wat het aantal invalide gerechtigden betreft.
    De Dienst uitkeringen van het RIZIV neemt zich voor een nieuw classificatiesysteem in te voeren (ICD-10 in de plaats van ICD-9), waardoor deze Dienst in de toekomst voor de invalide gerechtigden wel over meer precieze gegevens zou kunnen beschikken.


    4. - Ten slotte meent u dat het RIZIV het chronisch vermoeidheidssyndroom zou beschouwen als een psychische aandoening.
    Volgens mij is dit niet correct.
    Het RIZIV neemt over de oorzaak van CVS geen standpunt in, omdat daar geen consensus over bestaat.
    Dat staat ook letterlijk zo in de overeenkomst tussen het RIZIV en de referentiecentra.
    Het concept van de referentiecentra is multidisciplinair.
    De 'teams' van de centra bestaan ook uit internisten en fysische geneesheren.
    De behandelingswijze van de centra, die gebaseerd is op cognitieve gedragstherapie en progressieve fysieke revalidatie; kan ook bezwaarlijk bestempeld worden als een psychiatrische behandelingswijze.


    Cfr. : http://www.senate.be/www/?MIval=/publications/viewPubDoc&TID=50357098&LANG=nl




    Werelddag ME-Fibromyalgie
    - 12 mei 2006 -
    met reacties van Fientje Moerman, Frank Vandenbroucke & Inge Vervotte

    Greet Van Linter, De CVS-contactgroep


    Naar schatting 20.000 Vlamingen zijn getroffen door deze ziekte.
    Voor patiënten met een aandoening als CVS, waarbij zowel inzake oorzaak als behandeling nog zoveel onduidelijkheden zijn en waarbij in de symptomatologie ook heel wat subjectieve factoren meespelen, is het vinden van erkenning en de strijd tegen vooroordelen vaak moeilijk.
    CVS-patiënten worden dikwijls met ongeloof en onbegrip geconfronteerd.

    CVS (of chronisch vermoeidheidssyndroom) is sinds 1969 erkend door de Wereldgezondheidsorganisatie als “Benign Myalgic Encephalomyelitis” onder code 323 en is in 1993 ingeschreven als neurologische aandoening in de ICD10, de index van alle ziektes die de Wereldgezondheidsorganisatie erkent, onder de code G93.3.
    Dat betekent dat de ziekte beschreven is, dat er een diagnostisch model is en dat er behandelingen zijn.
    Spijtig genoeg is deze ziekte nog steeds niet als dusdanig erkend en wordt zij veelal gecatalogeerd als psychische afwijking.

    CVS veroorzaakt een ernstige, belemmerende vermoeidheid gedurende minstens zes maanden.
    Iemand die in een ernstige mate aan de ziekte lijdt, kan niet meer normaal functioneren.
    De vermoeidheid gaat dikwijls gepaard met lichamelijke pijnen en gedragsproblemen, zoals spierpijnen, keelpijn, koorts, slaapproblemen en aandachts- en geheugenproblemen.
    Door die toestand kan een depressie ontstaan, net zoals dat ook het geval is bij andere chronische ziekten en ernstige aandoeningen, zoals aids en kanker.
    De diagnose van CVS wordt gesteld op basis van de symptomen en door het uitsluiten van andere oorzaken. Daarnaast zijn er ook markers.

    Ondanks binnen- en buitenlandse onderzoeksresultaten blijft in Vlaanderen de medische en sociale ondersteuning beperkt.

    Graag had ik van de minister vernomen welke initiatieven ze nam in het kader van de Werelddag ME-Fibromyalgie voor haar beleidsdomein.

    Cfr. ook :

    1. - Persmap - ME Protestdag 13 mei 2006
    ME/FIBRO-Actiecomité
    Cfr. :
    http://www.cvs-fibro-monster.be/werelddag/Persmap%20Werelddag%20ME%20Antwerpen%202006.pdf

    2. - De de reacties van (hierna) :

      • Fientje Moerman
        ViceMinister-President Van de Vlaamse regering, Vlaams minister van Economie, Ondernemen, Wetenschap, Innovatie en Buitenlandse Handel

      • Frank Vandenbroucke
        Minister van Werk, Onderwijs en Vorming

      • Inge Vervotte
        Minister Van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin



    Fientje Moerman

    ViceMinister-President Van de Vlaamse regering, Vlaams minister van Economie, Ondernemen, Wetenschap, Innovatie en Buitenlandse Handel
    antwoordt

    1. - Ik heb geen specifieke initiatieven genomen in het kader van de Werelddag ME-Fibromyalgie.
    De reden hiervoor is dat de initiatieven die binnen het wetenschapsbeleid genomen worden, gebaseerd zijn op een structurele aanpak en niet ad hoc thematisch gestuurd worden.

    2. - Deze structurele aanpak betekent niet dat er geen mogelijkheden zijn voor de ondersteuning van wetenschappelijk onderzoek inzake CVS of ME-Fibromyalgie.
    Integendeel, zowel het Bijzonder Onderzoeksfonds (beheerd door de universiteiten) als de programma’s van IWT en FWO bieden in principe mogelijkheden.
    De thematische keuze van de projecten ligt echter steeds bij de aanvrager van de ondersteuning.

    Het CVS (chronisch vermoeidheidssyndroom - CFS - Chronic Fatigue Syndrome) is evenwel een belangrijke kwaal die haar moleculaire mechanismen nog niet heeft prijs gegeven.
    In Vlaanderen, meer bepaald aan de VUB, is een internationaal gereputeerde groep actief in dit domein (Kenny De Meirleir; zie publicaties van de laatste 3 jaar als bijlage).

    Binnen de steun aan industriële O&O projecten heeft het IWT in 2002 een steun van 165.730 euro toegekend voor de ontwikkeling van diagnostische testen door een bedrijf gespecialiseerd in het chronisch vermoeidheidssyndroom.
    De diagnose betreft diverse auto-immune aandoeningen met een pathogenese verwant met de pathogenese van CVS.

    Bij FWO werd één onderzoeksproject m.b.t. CVS gesteund in de periode 1998-1999.
    Andere aanvragen over dit onderwerp werden niet ingewilligd op basis van wetenschappelijk-kwalitatieve evaluatie door terzake bevoegde externe referenten en de discipline-specifieke wetenschappelijke commissie.

    Hieruit blijkt dat net zoals voor andere onderwerpen het de onderzoekers vrij staat om voor dit belangrijke thema financiering aan te vragen bij de financieringskanalen die hiervoor bestaan zoals het FWO, eventueel IWT enz.

    In de toekomst zullen wel nog meer mogelijkheden gecreëerd worden voor steun aan toegepast biomedisch onderzoek.
    Dit nieuwe structurele programma (5.000.000 euro) dat in de 2de jaarhelft van 2006 opgestart en beheerd zal worden door het IWT richt zich naar universiteiten, ziekenhuizen en onderzoeksinstellingen voor activiteiten die zich situeren in het stadium van vertaling van wetenschappelijke bevindingen naar klinische toepassingen.

    Dit biedt mogelijkheden voor diverse onderzoeksinspanningen, ook in het gebied van CVS.


    Publicaties Vlaanderen CFS 2003-2006

    • 2',5'-Oligoadenylate size is critical to protect RNase L against proteolytic cleavage in chronic fatigue syndrome
      Frémont M, El Bakkouri K, Vaeyens F, Herst CV, De Meirleir K, Englebienne P, RED Laboratories, Pontbeek 61, B-1731 Zellik, Belgium - Exp Mol Pathol. 2005 Jun;78(3):239-46. Epub 2005 Mar 2 - PMID: 15924878
      A dysregulation in the 2',5'-oligoadenylate (2-5A)-dependent RNase L antiviral pathway has been detected in peripheral blood mononuclear cells (PBMC) of chronic fatigue syndrome (CFS) patients, which is characterized by upregulated 2-5A synthetase and RNase L activities, as well as by the presence of a low molecular weight (LMW) 2-5A-binding protein of 37-kDa related to RNase L.
      This truncated protein has been shown to originate from proteolytic cleavage of the native 83-kDa RNase L by m-calpain and human leukocyte elastase (HLE).
      We investigated the possible role of 2-5A oligomers in the proteolytic action toward the endonuclease and show that incubation of CFS PBMC extracts with 2-5A trimer and tetramer, but not with the dimer, results in a significant protection of the native 83-kDa RNase L against cleavage by endogenous and purified proteases.
      Similar results are obtained with a purified recombinant RNase L.
      An analysis of the size of 2-5A oligomers produced by the catalytic activity of the 2-5A synthetase present in PBMC extracts further shows that samples containing the 37-kDa RNase L preferentially produce 2-5A dimers instead of higher oligomers.
      Taken together, our results indicate that homodimerization of RNase L by 2-5A oligomers higher than the dimer prevents its cleavage by proteolytic enzymes.
      The presence of the truncated 37-kDa RNase L in PBMC extracts is therefore likely to result, not only from the abnormal activation of inflammatory proteases, but also from a dysregulation in 2-5A synthetase induction or activation towards the preferential production of 2-5A dimers.
      Cfr. :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/15924878

    • 37-Kilodalton/83-Kilodalton RNase L Isoform Ratio in Peripheral Blood Mononuclear Cells - Analytical Performance and Relevance for Chronic Fatigue Syndrome
      Marc Frémont, Freya Vaeyens and C. Vincent Herst, RED Laboratories N.V., Pontbeek, 61, B-1731 Zellik, Belgium -- Kenny De Meirleir, Vrije Universiteit Brussel, Department of Human Physiology and Medicine, Pleinlaan, 2, B-1051 Brussels, Belgium -- Patrick Englebienne, Université Libre de Bruxelles, Laboratory for Experimental Medicine, Place van Gehuchten 4, B-1020 Brussels, Belgium : Phone : 32-2-481-5310, Fax : 32-2-481-5311, E-mail : penglebi@ulb.ac.be - Clin Diagn Lab Immunol. 2005 October; 12(10): 1259–1260 - PMCID: PMC1247842
      A French group has reported results (5) supporting the use of the RNase L 37-kDa/83-kDa ratio (37/83 R) in peripheral blood mononuclear cells (PBMC) as a diagnostic test for chronic fatigue syndrome (CFS).
      More recently (6), the same group cautioned about the diagnostic value of the 37/83 R, based on a small patient follow-up study which was likely to indicate analytical variability among duplicate assays, lack of reproducibility over time and a weak correlation with the multidimensional fatigue inventory (MFI) score.
      Because of our long-term experience with this assay, we would like to offer some comments.
      First, we tested the analytical performance of the 37/83 R assay according to CLSI (formerly NCCLS) procedure EP5-A (4), with control samples at three different levels made of extracts of the monocytic U937 cell line spiked with various concentrations of recombinant RNase L.
      The guideline protocol involves assaying the samples in duplicate twice daily over a total period of 20 days.
      -- TABLE 1. - Precision profile of the 37/83 R assay determined according to the NCCLS EP5-A protocol – (3)
      The results summarized in Table 1 indicate that both within- and between-run variation does not exceed 13%. In another series of experiments, we assayed eight patient samples in duplicate (average 37/83 R ranging from 0.5 to 245).
      Although in accordance with the NCCLS protocol results, the variation did not exceed 12% for samples with 37/83 R levels up to 20 and it rose significantly to 30% and more for samples with 37/83 R levels above 20.
      This should be expected, because beyond this level, more than 70% of the 83-kDa isoform is cleaved and consequently, the faint 83-kDa band is difficult to scan with accuracy.
      Thus, in our opinion, the lower level of correlation between the duplicate assay results observed with the CFS group versus those with the controls (6) reflects the prevalence of high 37/83 R levels in the CFS group rather than a low test reproducibility as claimed by these authors.
      This is further supported by the good correlation found for the control group (r = 0.95).
      During validation, the lowest detectable ratio measured with a sample containing the 83-kDa isoform only was estimated (3 independent experiments with 26 replicates each) to be 0.13 ± 0.06 (average ± three standard deviations).
      Thus, the clinical cutoff ratio of 0.4 found by the authors (5, 6) to best discriminate CFS patients from controls falls within the measurable range.
      Second, although long-term unexplained fatigue is a hallmark symptom, CFS is a complex clinical condition and other important symptoms reflect an exacerbated inflammatory response.
      Because the inflammatory protease elastase has been shown to be responsible for the cleavage of 83-kDa RNase L into the 37-kDa isoform (2), one would expect the 37/83 R assay to reflect inflammatory activity in the immune system.
      In a recent study, we compared the 37/83 R with human leukocyte elastase activity (Molecular Probes kit) with 52 CFS PBMC samples.
      The correlation was highly significant (r2 = 0.76; P < 0.001), supporting this proposal. In our opinion, both fatigue and RNase L cleavage result from similar dysfunctions in the interferon-activated pathways that occur upstream of RNase L activation and exert their effects on different targets (3).
      Consequently, we do not feel particularly concerned by the weak correlations observed between the MFI and 37/83 R (6).
      The poor reproducibility of the test results over time (6) might reflect changes in the immune inflammatory status rather than in fatigue.
      In particular, the authors do not provide any information concerning the drugs CFS patient might have been using during the longitudinal study, which is critical as some drugs may act on the inflammatory response.
      Finally, by combining the results of both studies by this group (5, 6) with ours (1), which included 57 CFS patients and 28 healthy controls, we note that both diagnostic sensitivity (76%) and specificity (65%) remain attractive for such a poorly defined pathological condition.
      Cfr. :
      http://www.pubmedcentral.nih.gov/articlerender.fcgi?artid=1247842

    • Chronic fatigue syndrome - Exercise performance related to immune dysfunction
      Nijs J, Meeus M, McGregor NR, Meeusen R, de Schutter G, van Hoof E, de Meirleir K.. Med Sci Sports Exerc. 2005 Oct;37(10):1647-54
      Purpose
      - To date, the exact cause of abnormal exercise response in chronic fatigue syndrome (CFS) remains to be revealed, but evidence addressing intracellular immune deregulation in CFS is growing.
      Therefore, the aim of this cross-sectional study was to examine the interactions between several intracellular immune variables and exercise performance in CFS patients.
      Methods
      - After venous blood sampling, subjects (16 CFS patients) performed a maximal exercise stress test on a bicycle ergometer with continuous monitoring of cardiorespiratory variables.
      The following immune variables were assessed : the ratio of 37 kDa Ribonuclease (RNase) L to the 83 kDa native RNase L (using a radiolabeled ligand/receptor assay), RNase L enzymatic activity (enzymatic assay), protein kinase R activity assay (comparison Western blot), elastase activity (enzymatic-colorimetric assay), the percent of monocytes and nitric oxide determination (for monocytes and lymphocytes; flow cytometry, live cell assay).
      Results
      - Forward stepwise multiple regression analysis revealed :
      1) that elastase activity was the only factor related to the reduction in oxygen uptake at a respiratory exchange ratio (RER) of 1.0 (regression model: R2 = 0.53, F (1,14) = 15.5, P < 0.002; elastase activity P < 0.002);
      2) that the protein kinase R activity was the principle factor related to the reduction in workload at RER = 1.0 and
      3) that elastase activity was the principle factor related to the reduction in percent of target heart rate achieved.
      Conclusion
      - These data provide evidence for an association between intracellular immune deregulation and exercise performance in patients with CFS.
      To establish a causal relationship, further study of these interactions using a prospective longitudinal design is required.
      Cfr. :
      http://cat.inist.fr/?aModele=afficheN&cpsidt=17255205

    • Chronic fatigue syndrome - Intracellular immune deregulations as a possible etiology for abnormal exercise response
      Nijs J, De Meirleir K, Meeus M, McGregor NR, Englebienne P - Med Hypotheses. 2004;62(5):759-65
      The exacerbation of symptoms after exercise differentiates Chronic fatigue syndrome (CFS) from several other fatigue-associated disorders.
      Research data point to an abnormal response to exercise in patients with CFS compared to healthy sedentary controls and to an increasing amount of evidence pointing to severe intracellular immune deregulations in CFS patients.
      This manuscript explores the hypothetical interactions between these two separately reported observations.
      First, it is explained that the deregulation of the 2-5A synthetase/RNase L pathway may be related to a channelopathy, capable of initiating both intracellular hypomagnesaemia in skeletal muscles and transient hypoglycemia.
      This might explain muscle weakness and the reduction of maximal oxygen uptake, as typically seen in CFS patients.
      Second, the activation of the protein kinase R enzyme, a characteristic feature in atleast subsets of CFS patients, might account for the observed excessive nitric oxide (NO) production in patients with CFS.
      Elevated NO is known to induce vasidilation, which may limit CFS patients to increase blood flow during exercise and may even cause and enhanced postexercise hypotension.
      Finally, it is explored how several types of infections, frequently identified in CFS patients, fit into these hypothetical pathophysiological interactions.
      Cfr. :
      http://linkinghub.elsevier.com/retrieve/pii/S030698770400026X

    • Chronic fatigue syndrome - Lack of association between pain-related fear of movement and exercise capacity and disability
      Nijs J, Vanherberghen K, Duquet W, De Meirleir K - Phys Ther. 2004 Aug;84(8):696-705
      Background an purpose
      - Patients who experience pain, a symptom of chronic fatigue syndrome (CFS), often exhibit kinesiophobia (irrational fear of movement).
      The purpose of this study was to examine whether pain-related fear of movement is associated with exercise capacity, activity limitations or participation restrictions in patients with CFS who experience widespread pain.
      Subjects and methods
      - Sixty-four subjects met the inclusion criteria.
      All subjects fulfilled the 1994 Centers for Disease Control and Prevention case definition for CFS and experienced widespread myalgias or arthralgias.
      The subjects completed the Tampa Scale for Kinesiophobia-Dutch Version (TSK-DV) and the Dutch Chronic Fatigue Syndrome-Activities and Participation Questionnaire (CFS-APQ).
      They then performed a maximal exercise test on a bicycle ergometer.
      Heart rate was monitored continuously by use of an electrocardiograph.
      Ventilatory factors were measured through spirometry.
      Correlations between the TSK-DV scores and both the exercise capacity data and the CFS-APQ scores were assessed using the Spearman rank correlation coefficient.
      Using the Mann-Whitney U test, the TSK-DV scores were compared between subjects who performed a maximal exercise stress test and those who did not perform the test.
      Results
      - Forty-seven subjects (73.4%) attained a total score of greater than 37 on the TSK-DV, indicating high fear of movement.
      Neither the exercise capacity data nor the CFS-APQ scores indicated a correlation with the TSK-DV scores (n=64).
      Subjects who did not perform a maximal exercise capacity test had more fear of movement (median TSK-DV score=43.0, interquartile range=10.3) compared with those who did perform a maximal exercise capacity test (median TSK-DV score=38.0, interquartile range=13.2;
      Mann-Whitney U-test score=322.5, z=-1.974, P=.048), but the correlation analysis was unable to reveal an association between exercise capacity and kinesiophobia in either subgroup.
      Discussion and conclusions
      - These results indicate a lack of correlation between kinesiophobia and exercise capacity, activity limitations or participation restrictions, at least in patients with CFS who are experiencing widespread muscle or joint pain.
      Cfr. :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/15283620

    • Disability evaluation in chronic fatigue syndrome - Associations between exercise capacity and activity limitations/participation restrictions
      Nijs J, De Meirleir K, Wolfs S, Duquet W - Clin Rehabil. 2004 Mar;18(2):139-
      48
      Objective
      - In an attempt to examine whether impairments in cardiorespiratory fitness are associated with daily functioning in patients with chronic fatigue syndrome (CFS), this study addresses the correlations between exercise capacity and activity limitations/participation restrictions.
      Design - Prospective observational study.
      Setting - An outpatient tertiary care, chronic fatigue clinic at the Vrije Universiteit Brussel (VUB), Belgium.
      Subjects - Seventy-seven patients fulfilling the 1994 Centers for Disease Control and Prevention (CDC) case definition for CFS.
      Interventions - All patients filled in the Chronic Fatigue Syndrome Activities and Participation Questionnaire (CFS-APQ) and performed a maximal exercise stress test on a bicycle ergometer.
      Heart rate was monitored continuously by use of an electrocardiograph.
      Metabolic and ventilatory parameters were measured through spirometry.
      Results - A statistically significant correlation between the score obtained with the CFS-APQ and the body weight-adjusted peak oxygen uptake (Spearman rho = -0.32; p = 0.005), functional aerobic impairment (rho = 0.33; p = 0.004), workload/body weight (rho = -0.30; p = 0.009), exercise duration (rho = -0.30; p = 0.008) and the percentage of target heart rate achieved (rho = -0.33; p = 0.004) was observed.
      The correlations between the remaining exercise capacity parameters and the scores obtained with the CFS-APQ all indicated a trend towards association (0.01<p<0.05).
      Conclusions
      - These results suggest a moderate association between exercise capacity and activity limitations/participation restrictions in patients with CFS.
      The observed correlations lack strength to predict activity limitations/ participation restriction based on exercise capacity parameters.
      Disability evaluation in CFS should therefore encompass both exercise capacity testing and measurements at the activity/participation dimension.
      Cfr. :
      http://cre.sagepub.com/cgi/content/abstract/18/2/139

    • Double-stranded RNA-dependent protein kinase (PKR) is a stress-responsive kinase that induces NFkappaB-mediated resistance against mercury cytotoxicity
      Fremont M, Vaeyens F, Herst CV, De Meirleir KL, Englebienne P - Life Sci. 2006 Mar 13;78(16):1845-56. Epub 2005 Dec 1
      The interferon-inducible, double-stranded (ds)RNA-dependent protein kinase (PKR) plays a major role in antiviral defense mechanisms where it down-regulates translation via phosphorylation of eukaryotic translation initiation factor 2alpha.
      PKR is also involved in the activation of nuclear factor kappaB (NFkappaB) through activation of the IkappaB kinase complex.
      Activation of PKR can occur in the absence of dsRNA and in such case is controlled by intracellular regulators like the PKR-activating protein (PACT), the PKR inhibitor p58(IPK) or heat-shock proteins (Hsp).
      These regulators are activated by stress stimuli, supporting a role for PKR in response to stress; however the final outcome of PKR activation in stress situations is unclear.
      We present here evidence that expression and activation of PKR contributes to an increased cellular resistance to mercury cytotoxicity.
      In two cell lines constitutively expressing PKR (THP-1 and Molt-3), treatment with the PKR inhibitor 2-aminopurine increases their sensitivity to mercury.
      In contrast, Ramos cells, which do not constitutively express PKR, present an increased resistance to mercury when PKR expression is induced by polyIC or interferon-beta treatment.
      This protective effect is inhibited by 2-aminopurine.
      We also show that exposure of Ramos cells to mercury leads to the induction of Hsp70.
      Treatment of cells with Hsp70 or NFkappaB inhibitors suppresses the PKR-dependent protection.
      We propose a model where PKR, modulated by Hsp70, activates a NFkappaB-mediated protective pathway.
      Because the cytotoxicity of mercury is primarily due to the generation of reactive oxygen species, our results suggest a more general function of PKR in the mechanisms of cellular response to oxidative stress.
      Cfr. :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/16324719

    • Employment status in chronic fatigue syndrome - A cross-sectional study examining the value of exercise testing and self-reported measures for the assessment of employment status
      Nijs J, Van de Putte K, Louckx F, De Meirleir K - Clin Rehabil. 2005 Dec;19(8):895-9
      Objective
      - To examine the value of exercise testing and self-reported disability for the assessment of employment status in patients with chronic fatigue syndrome.
      Design
      - Cross-sectional observational study.
      Setting
      - A university-based chronic fatigue clinic.
      Subjects
      - Fifty-four consecutive, Flemish, employed (not self-employed) chronic fatigue syndrome patients (49/54 female).
      Interventions
      - Not applicable.
      Main outcome measures
      - Participants were questioned about their current and premorbid employment status, filled in the Chronic Fatigue Syndrome Activities and Participation Questionnaire (CFS-APQ), the Medical Outcomes Short Form 36 Health Status Survey (SF-36) and performed a maximal exercise test on a bicycle ergometer with continuous monitoring of cardiorespiratory variables.
      Results
      - A significant association was observed between the current employment rate and two SF-36 subscales (i.e., role limitations due to physical functioning and social functioning; rho=0.39 and 0.35 respectively) (n = 54).
      Analysing only the female chronic fatigue syndrome patients (n = 49), the current employment rate correlated significantly with the peak workload (rho=0.38).
      Conclusions
      - The associations between either exercise testing or self-reported disability and employment status are too weak to predict employment status.
      Cfr. :
      http://cre.sagepub.com/cgi/content/abstract/19/8/895


    Lees verder : Deel VII

     

    27-04-2008 om 23:27 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Eindelijk duidelijkheid ! - Deel VII
    Klik op de afbeelding om de link te volgen




    Eindelijk duidelijkheid !


    Deel VII



    • Generalized joint hypermobility is more common in chronic fatigue syndrome than in healthy control subjects
      Nijs J, Aerts A, De Meirleir K - J Manipulative Physiol Ther. 2006 Jan;29(1):32-9
      Objectives
      - This study aimed at (1) comparing the prevalence of generalized hypermobility in patients with chronic fatigue syndrome (CFS) and healthy volunteers, (2) examining the clinical importance of generalized hypermobility in patients with CFS and (3) examining whether knee proprioception is associated with hypermobility in patients with CFS.
      Methods
      - Sixty-eight patients with CFS filled out two self-reported measures (for the assessment of symptom severity and disability), were questioned about muscle and joint pain and were screened for generalized hypermobility.
      Afterward, the patients performed a knee repositioning test (assessment of knee proprioception) and it was examined whether or not they fulfilled the criteria for benign joint hypermobility syndrome (BJHS).
      Sixty-nine age- and sex-matched healthy volunteers were screened for generalized joint hypermobility and performed the same knee repositioning test.
      Results
      - Compared with the healthy volunteers (4.3%, 3/68), significantly more patients with CFS (20.6%, 14/69) fulfilled the criteria for generalized joint hypermobility (Fisher exact test, P < .004).
      No associations were found between generalized joint hypermobility and the self-reported measures (including pain severity) or knee proprioception (Spearman correlation analysis).
      Knee proprioception was similar in both groups (Mann-Whitney U = 1961, z = -1.745, P = .81).
      Forty patients with CFS (58.8%) fulfilled the criteria for BJHS.
      Conclusions
      - These data indicate that a subgroup of patients with CFS present with generalized joint hypermobility and most patients with of CFS fulfill the diagnostic criteria for BJHS.
      There appears to be no association between musculoskeletal pain and joint hypermobility in patients with CFS.
      Cfr. :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/16396727

    • Hormonal responses during prolonged exercise are influenced by a selective DA/NA reuptake inhibitor
      Piacentini MF, Meeusen R, Buyse L, De Schutter G, De Meirleir K - Br J Sports Med. 2004 Apr;38(2):129-33
      Objective
      - A decrease in dopamine activity is thought to lead to a reduction in motivation and arousal and therefore to the "central
      " component of fatigue.
      The purpose of the present study was to investigate the effects of a dopamine (DA) noradrenaline (NA) reuptake inhibitor, bupropion (Zyban), on exercise performance and on the hormonal response to exercise.
      Methods
      - Eight healthy well trained male cyclists (Watt(max) 397+/-15 W) participated in the study.
      Subjects completed one maximal exercise test (to determine maximal power output Watt(max)) and two endurance performance tests (time trials) in a double blind randomised cross-over design.
      Subjects took either placebo capsules (lactose) or 2 x 300 mg bupropion (BUP).
      Blood samples were collected for adrenocorticotropin (ACTH), prolactin, cortisol, growth hormone, beta-endorphins and catecholamines.
      Results
      - Performance was not influenced by BUP (placebo: 89+/-1 min; BUP 2 x 300 mg: 89+/-0.7 min).
      All hormones increased during exercise in all trials.
      Cortisol plasma concentrations were significantly higher in the BUP trial at rest, at min 60 and at the end of exercise, while beta-endorphins were higher in the BUP trial at the end of exercise and during recovery and ACTH at the end of exercise.
      Conclusions
      - From the present results, we can conclude that bupropion had a more marked central noradrenergic effect (compared to dopaminergic) on the hormonal response to exercise, but no effect on the outcome of performance.
      Cfr. :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/15039245

    • Impairments of the 2-5A synthetase/RNase L pathway in chronic fatigue syndrome
      Nijs J, De Meirleir K - In Vivo. 2005 Nov-Dec;19(6):1013-21 (review)
      This paper provides an overview of the evidence addressing the impairments of the 2'-5' oligoadenylate (2-5 A) synthetase/RNase L pathway in Chronic Fatigue Syndrome (CFS) patients.
      The 2-5A synthetase/RNase L pathway in CFS patients appears to be both up-regulated (i.e. increased levels of bioactive 2-5A synthetase and increased activity of the RNase L enzyme) and deregulated (elastase and calpain initiate 83 kDa RNase L proteolysis, generating two major fragments with molecular masses of 37 and 30 kDa, respectively).
      The deregulation of the 2-5A synthetase/RNase L pathway in CFS accompanies decreased NK-function and deregulation of apoptotic pathways.
      Since various components of the pathway appear to be related to performance during a graded exercise stress test, some evidence supportive of the clinical importance of the impaired pathway in CFS patients has been provided.
      Studies addressing the treatment of the deregulation of the 2-5A synthetase/RNase L pathway in CFS are warranted.
      Cfr. :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/16277015

    • Kinesiophobia in chronic fatigue syndrome - Assessment and associations with disability
      Nijs J, De Meirleir K, Duquet W - Arch Phys Med Rehabil. 2004 Oct;85(10):1586-92
      Objectives
      - To investigate aspects of the validity of the total scores of the Tampa Scale for Kinesiophobia (TSK), Dutch Version, which was modified to make it an appropriate questionnaire for the assessment of kinesiophobia (fear of movement) in chronic fatigue syndrome (CFS) patients (the Dutch TSK-CFS) and, using this assessment tool, to examine the associations between kinesiophobia, exercise capacity and activity limitations and participation restrictions in patients with CFS.
      Design
      - Prospective observational studies.
      Setting
      - An outpatient fatigue clinic.
      Participants
      - In the first study, 40 patients fulfilling the 1994 US Centers for Disease Control and Prevention (CDC) criteria for CFS were enrolled.
      The sample of the second study consisted of 51 CDC-defined patients with CSF.
      Interventions
      - Not applicable.
      Main outcome measures
      -
      Study 1 : Subjects completed a set of questionnaires; the Utrechtse Coping List (UCL), the Dutch TSK-CFS and the Dutch Baecke Questionnaire of Habitual Physical Activity.
      Study 2 : All patients completed 2 questionnaires (Chronic Fatigue Syndrome Activities and Participation Questionnaire [CFS-APQ], Dutch TSK-CFS) and performed a maximal exercise stress test on a bicycle ergometer.
      The heart rate was monitored continuously by use of an electrocardiograph.
      Metabolic and ventilatory parameters were measured through spirometry.
      Results -
      Study 1 : The Cronbach alpha coefficient for the individual item scores on the TSK-CFS was .80.
      The total scores on the Dutch TSK-CFS showed a statistically significant correlation with both the avoidance/abide subscale of the UCL (Spearman rho=.35, P=.029) and the total score of the Baecke Questionnaire (rho=-.45, P=.004).
      Study 2 : The total scores on the Dutch TSK-CFS showed a statistically significant correlation with the total scores on the CFS-APQ (rho=.39, P=.004).
      No statistically significant associations were observed between the exercise capacity parameters and the total scores on the Dutch TSK-CFS.
      Conclusions
      - These results provide evidence for the internal consistency and the convergent and congruent validity of the scores obtained by use of the Dutch TSK-CFS.
      Kinesiophobia appears to be associated with activity limitations/participation restrictions but not with exercise capacity in patients with CFS.
      Cfr. :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/15468015

    • Nitric oxide and chronic fatigue syndrome - Are we caring for our patients or are we practicing selfcare ?
      Nijs J, De Meirleir K - Med Hypotheses. 2006;66(2):449-50. Epub 2005 Oct 10
      Cfr. : http://linkinghub.elsevier.com/retrieve/pii/S0306987705004640

    • Norandrosterone and noretiocholanolone concentration before and after submaximal standardized exercise
      de Geus B, Delbeke F, Meeusen R, Van Eenoo P, De Meirleir K, Busschaert B - Int J Sports Med. 2004 Oct;25(7):528-32
      19-Norandrosterone (19-NA) and 19-noretiocholanolone (19-NE) are the two main urinary indicators used to detect illegal use of nandrolone.
      Recent studies showed that 19-NA and 19-NE can be endogenously produced in non-treated humans.
      The concentrations were close to the threshold of the International Olympic Committee (IOC), i.e. 2 ng/ml for men and seem to increase after prolonged intense effort.
      Androgens are involved in the biosynthesis of estrogens and estrogen has a protective effect against skeletal muscle damage following eccentric exercise.
      Furthermore, the testicular tissue can synthesize 19-norandrogens from androgens, we hypothetisize that the 19-norandrogen production might be influenced by muscle damage following eccentric exercise.
      Therefore the purpose of this study is to examine if three different exercise methods will influence the urinary concentration of 19-NA and 19-NE in healthy young subjects.
      Fifteen amateur hockey players undertook a 30 min submaximal standardized exercise protocol.
      They were randomised for three different types of exercise, namely a cycle ergometer test (cyclic muscle activity), a treadmill test (concentric muscle activity) or a bench-steptest (eccentric muscle activity) at a target heart rate corresponding to 65 % (+/- 5 %) of Karvonen heart rate.
      Urine samples were obtained before the test and 60 min and 120 min after the end of exercise.
      Subjects completed a Likert scale of muscle soreness before and 12 h after exercise.
      19-NA and 19-NE were determined by gas chromatography-tandem mass spectrometry (GC-MS-MS).
      Baseline urinary 19-NA and 19-NE concentrations were under limit of detection of 0.05 ng/ml, except for one sample (0.13 ng/ml).
      No 19-NA or 19-NE could be detected post exercise.
      In our experimental conditions, the exercise mode (eccentric or concentric) had no impact on 19-NA or 19-NE excretion.
      Our findings confirm that the current International Olympic Committee threshold level for nandrolone metabolites is sufficiently high to avoid false positive cases.
      Cfr. :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/15459834

    • Oxidative stress might reduce essential fatty acids in erythrocyte membranes of chronic fatigue syndrome patients
      Nijs J, De Meirleir K - Nutr Neurosci. 2004 Aug;7(4):251-3
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/15682653

    • Pain in patients with chronic fatigue syndrome - Does nitric oxide trigger central sensitisation ?
      Nijs J, Van de Velde B, De Meirleir K - Med Hypotheses. 2005;64(3):558-62
      Previous studies have provided evidence supportive of the clinical importance of widespread pain in patients with chronic fatigue syndrome (CFS) : pain severity may account for 26-34% of the variability in the CFS patient's activity limitations and participation restrictions.
      The etiology of widespread pain in CFS remains to be elucidated, but sensitisation of the central nervous system has been suggested to take part of CFS pathophysiology.
      It is hypothesised that a nitric oxide (NO)-dependent reduction in inhibitory activity of the central nervous system and consequent central sensitisation accounts for chronic widespread pain in CFS patients.
      In CFS patients, deregulation of the 2',5'-oligoadenylate synthetase/RNase L pathway is accompanied by activation of the protein kinase R enzyme.
      Activation of the protein kinase R and subsequent nuclear factor-kappaB activation might account for the increased production of NO, while infectious agents frequently associated with CFS (Coxsackie B virus, Epstein-Barr Virus, Mycoplasma) might initiate or accelerate this process.
      In addition, the evidence addressing behavioural changes in CFS patients fits the central sensitisation-hypothesis: catastrophizing, avoidance behaviour and somatization may result in or are initiated by sensitisation of the central nervous system.
      Cfr. :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/15617866

    • Prediction of peak oxygen uptake in patients fulfilling the 1994 CDC criteria for chronic fatigue syndrome
      Nijs J, De Meirleir K - Clin Rehabil. 2004 Nov;18(7):785-92
      Purpose
      - To establish an inexpensive, simple method of predicting peak oxygen uptake (VO2peak) in patients fulfilling the 1994 Centers for Disease Control and Prevention (CDC) criteria for chronic fatigue syndrome (CFS).
      Design
      - A retrospective observational study.
      Setting
      - An outpatient tertiary care chronic fatigue clinic.
      Subjects
      - Two hundred and forty consecutive patients fulfilling the 1994 CDC criteria for CFS.
      Interventions
      - Heart rate, metabolic and ventilatory parameters were measured continuously during a maximal exercise stress test on a bicycle ergometer.
      Using the equation peak oxygen uptake = 13.1 x peak workload +284 (used by Mullis et al., Br J Sports Med 1999; 33: 352-56), VO2peak was predicted from the peak workload of a maximal exercise capacity test.
      Pearson correlation coefficient and linear regression analysis were used to establish the most accurate way to predict VO2peak.
      Results
      - Percentage error encountered when comparing actual measured VO2peak with predicted value was 17.3% (+/-10.0).
      A strong correlation between VO2peak and peak workload was observed (r= 0.89, p < 0.001).
      A regression analysis established the relation as VO2peak = 10.47 x peak workload +284.1, where VO2peak is given in ml/min and peak workload in W (error in prediction = 11.0+/-9.5%).
      Conclusions
      - Monitoring of the peak workload during a maximal, graded bicycle ergometric test suffices to predict the VO2peak.
      When predicting VO2peak the used operational definition for the diagnosis of CFS could be taken into account.
      Compared with the equation used by Mullis et al., peak workload is multiplied by 10.47 in order to predict peak oxygen uptake in CDC-defined CFS patients.
      Cfr. :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/15573835

    • The Chronic Fatigue Syndrome Activities and Participation Questionnaire (CFS-APQ) - An overview
      Nijs J, Vaes P, De Meirleir K - Occup Ther Int. 2005;12(2):107-21
      Chronic fatigue syndrome (CFS) is characterized by severe fatigue and a reduction in activity levels.
      The purpose of this study was to provide an overview of design, reliability and validity of the CFS Activities and Participation Questionnaire (CFS-APQ).
      The CFS-APQ was constructed based on a retrospective analysis of the Karnofsky Performance Status Questionnaire and the Activities of Daily Living Questionnaire (n = 141).
      In a reliability study of 34 participants the test-retest reliability coefficient of the CFS-APQ was 0.95.
      In two different studies, the Cronbach alpha coefficient for internal consistency varied between 0.87 (n = 88) and 0.94 (n = 47).
      The CFS-APQ was administered to 47 patients who listed 183 activities that had become difficult due to their chronic symptoms and 157 (85.8%) answers matched the content of the CFS-APQ.
      The outcome of a cross-sectional study (n = 88) studying the correlations between the Medical Outcomes Short Form 36 Health Status Survey subscale scores and the CFS-APQ supported the validity of the CFS-APQ.
      The CFS-APQ scores correlated with a behavioural assessment of the patients' performance of activities encompassed by the questionnaire (r = 0.29-0.55; n = 63) and correlated with exercise capacity parameters (r = 0.26-0.39; n = 77) obtained during a maximal exercise capacity stress test.
      Finally, the CFS-APQ correlated with visual analogue scales for pain (r = 0.51) and fatigue (r = 0.50; n = 47).
      It is concluded that the CFS-APQ generates reliable and valid data and can be used as a clinical measure of disease severity in patients with CFS.
      Future studies should aim at examining the sensitivity of the CFS-APQ.
      Cfr. :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/16136868



    Frank Vandenbroucke
    Minister van Werk, Onderwijs en Vorming
    antwoordt


    1. - Onderwijs

    Voor de werelddag ME- Fibromyalgie heb ik geen aparte specifieke beleidsinitiatieven genomen.
    Ik ben er van overtuigd dat de gezondheid van leerlingen en van mensen in het algemeen, een structurele en continue benadering vraagt.
    De problematiek van leerlingen met ME-Fibromyalgie en uiteraard ook deze van andere chronische ziekten is een blijvende zorg, die ik in mijn beleid heb vertaald naar aandacht voor twee pijlers : de wettelijke bepalingen en de inhoudelijke component.
    Ik zal beide aspecten kort toelichten.


    1.1. - Basisonderwijs

    Wat de wettelijke bepalingen betreft, gaf artikel 34 van het decreet basisonderwijs aan leerplichtige zieke kinderen het recht op tijdelijk onderwijs aan huis.
    Dit betekent dat bij langdurige afwezigheid van een leerplichtige, de directie van de school waar betrokkene is ingeschreven verplicht is, op vraag van de ouders, tijdelijk onderwijs aan huis te organiseren.
    Die verplichting vervalt uiteraard voor de periode dat de betrokken leerling in een preventorium of in een ziekenhuis verblijft waar onderwijs van type 5 gefinancierd of gesubsidieerd wordt.
    De regering legt de voorwaarden vast om in aanmerking te komen voor tijdelijk onderwijs aan huis, bepaalt wat onder langdurige afwezigheid moet begrepen worden, hoe het onderwijs aan huis georganiseerd wordt en welke vorm van hulp de school krijgt om het onderwijs aan huis te organiseren.
    Een afwezigheid van minder dan éénentwintig kalenderdagen is geen langdurige afwezigheid voor de toepassing van dit artikel.
    Deze laatste bepaling vormde een probleem voor chronisch zieken.
    Daarom werd in decreet XV van 15 juli 2005 aan dit artikel volgende toevoeging gedaan : “
    tenzij het gaat om een afwezigheid vanwege een chronische ziekte.


    1.2. - Secundair onderwijs

    OD XV bepaalt voor het secundair onderwijs, naar analogie met het basisonderwijs het volgende :


    1.2.1 - Onderwijs aan huis voor zieke jongeren

    Leerlingen voor wie het door ziekte of ongeval tijdelijk onmogelijk is om secundair onderwijs te volgen in hun school hebben recht op tijdelijk onderwijs aan huis voor zieke jongeren.
    Bij langdurige afwezigheid van een leerling is de directie van de school waar deze leerling is ingeschreven, verplicht op vraag van de betrokken personen, tijdelijk onderwijs aan huis voor zieke jongeren te organiseren.
    Die verplichting vervalt voor de periode dat de leerling in een preventorium of in een ziekenhuis verblijft waar onderwijs van type 5 gefinancierd of gesubsidieerd wordt of in een Dienst met onderwijsbehoeften.

    De Vlaamse Regering legt de voorwaarden vast om in aanmerking te komen voor tijdelijk onderwijs aan huis voor zieke jongeren, bepaalt hoe het onderwijs aan huis georganiseerd wordt en welke vorm van hulp de school krijgt om het onderwijs aan huis te organiseren.
    De Vlaamse Regering bepaalt ook wat onder langdurige afwezigheid moet worden begrepen, met dien verstande dat een afwezigheid van minder dan 21 kalenderdagen geen langdurige afwezigheid is voor de toepassing van dit artikel, tenzij het gaat om een afwezigheid vanwege een chronische ziekte.

    Leerlingen die voldoen aan de toelatingsvoorwaarden, maar voor wie het omwille van een handicap permanent onmogelijk is secundair onderwijs te volgen op school, hebben na gunstig advies van de CABO, recht op permanent onderwijs aan huis.


    1.2.2 - Onderwijs op school voor zieke jongeren

    Voor leerlingen van het secundair onderwijs die wegens ziekte of ongeval het geheel van de vorming van een bepaald leerjaar niet binnen een schooljaar kunnen volgen, kan de klassenraad een spreiding van het lessenprogramma van een leerjaar over twee schooljaren toestaan.

    Voor leerlingen van het secundair onderwijs die wegens ziekte of ongeval bepaalde vakken niet kunnen volgen, kan de klassenraad vrijstellingen toestaan op voorwaarde dat de leerlingen vervangende activiteiten volgen.
    Dit zijn de voornaamste wettelijke bepalingen ten gunste van leerlingen met een chronische ziekte.

    Even belangrijk in onderwijs zijn de inhoudelijke elementen.
    De eindtermen die minimum doelstellingen vastleggen die elke leerling moet bereiken of nastreven bevatten ook elementen die te maken hebben met de houding tegenover zieke mensen.
    Doorheen de onderwijsniveaus en in alle onderwijsvormen vinden we eindtermen die als aanknopingspunt fungeren om op regelmatige tijden leerlingen te leren omgaan met hun eigen ziekten of met zieke medeleerlingen.


    Enkele voorbeelden

    De kleuters
    - kunnen bij zichzelf en bij anderen het verschil tussen ziek, gezond en gewond zijn herkennen
    - kunnen in concrete situaties gedragingen herkennen die bevorderlijk of schadelijk zijn voor hun gezondheid
    - herkennen vormen van afwijzend of waarderend reageren op het anders-zijn van mensen.

    De leerlingen
    - kunnen gezonde levensgewoonten in verband brengen met wat ze weten over het functioneren van het eigen lichaam en ze weten dat bepaalde ziekteverschijnselen of handicaps niet altijd kunnen worden vermeden
    - kunnen voorbeelden geven van mogelijkheden die in onze samenleving bestaan voor de zorg en opvang van bejaarden en mensen met een handicap
    - weten dat ze in het contact met mensen met een handicap attent moeten zijn voor de noden en verwachtingen van deze mensen
    - kunnen zorg opbrengen voor iets of iemand anders
    - kunnen hulp vragen en zich laten helpen
    - verwerven inzicht in de structuren en het beleid die de gezondheids- en welzijnszorg ondersteunen
    - participeren aan het gezondheids- en veiligheidsbeleid op school en in hun omgeving.

    Zo ver kan ik als minister van onderwijs en vorming gaan.
    Het is nu aan de scholen om dit alles in praktijk te brengen.
    Ik weet dat scholen vaak een werelddag als 12 mei gebruiken om extra aandacht aan deze eindtermen te besteden.


    2. - Werk

    Binnen het Vlaamse werkgelegenheidsbeleid worden geen specifieke acties opgezet naar aanleiding van de Werelddag ME-Fibromyalgie.
    Wel is het zo dat personen met een arbeidshandicap een van de prioritaire kansengroepen zijn binnen het beleid van evenredige arbeidsdeelname en diversiteit.
    Personen met een arbeidshandicap worden binnen dit beleid als volgt gedefinieerd : mensen met een aantasting van hun mentale, psychische, lichamelijke of zintuiglijke mogelijkheden, voor wie het uitzicht op het verwerven en behouden van een arbeidsplaats en op vooruitgang op die plaats, langdurig en in belangrijke mate beperkt is of bedreigd wordt.
    Mensen met een chronische aandoening als CVS vallen dan ook onder deze definitie.

    In de praktijk betekent dit vooral dat in de helft van alle diversiteitsplannen (in 2005 waren dat er in totaal 440, in 2006 mikken we op minstens 530 diversiteitsplannen) specifieke aandacht besteed wordt aan mensen met een arbeidshandicap, waaronder veel mensen met chronische aandoeningen.
    De acties zijn er op gericht hen te laten instromen in de organisatie en/of hen te laten doorstromen en/of te laten deelnemen aan aangepaste opleidingen en/of te verhinderen dat ze voortijdig uit de organisatie uitstromen.
    Dit laatste aandachtspunt (retentie) speelt ook in het bijzonder in de diversiteitsplannen die focussen op mensen met een chronische aandoening.
    Dat uit zich in acties zoals aanpassing van de werkpost, aanpassing van de werktijden, taaksplitsing of jobrotatie, taakherschikking, mogelijkheden tot deeltijdwerk en dergelijke.

    Of deze acties in het verleden ook mensen met het chronisch vermoeidheidssyndroom bereikt hebben weten we niet.
    In het aanvraagformulier van het diversiteitsplan geeft de organisatie streefcijfers aan betreffende de instroom, doorstroom en/of opleiding van kansengroepen, opgesplitst per kansengroep.
    In de eindrapportage wordt dan aangegeven, ook weer per kansengroep, in welke mate de streefcijfers gerealiseerd werden.
    We hebben echter geen gegevens over de samenstelling van de categorie personen met een arbeidshandicap.
    We weten uit de verhalen van de projectontwikkelaars – de consulenten die als een van hun centrale opdrachten de begeleiding van diversiteitsplannen in ondernemingen hebben – dat in vele plannen mensen met chronische aandoeningen betrokken zijn; maar kwantificeren kunnen we niet.

    We weten al helemaal niet of er zich bij de mensen met chronische aandoeningen ook CVS-patiënten bevinden.
    Volgende cijfers dienen dan ook louter als achtergrond.
    In 2002 ging het in alle diversiteitsplannen samen om volgende streefcijfers voor personen met een arbeidshandicap : 100 instroom, 25 doorstroom, 446 opleidingen.

    Deze streefcijfers werden allemaal overtroffen : 138 instroom, 37 doorstroom, 630 opleidingen.
    De resultaten voor de volgende jaren kunnen we nog niet geven : vele plannen lopen nog en van de plannen 2003 (die ondertussen allemaal zijn afgerond) zijn nog een aantal eindrapporten niet toegestuurd of verwerkt.
    We kunnen dan ook alleen maar de streefcijfers geven : in 2003 ging het om 225 instroom, 150 doorstroom en 900 opleidingen; in 2004 om 212 instroom, 126 doorstroom, 1152 opleidingen; in 2005 om 464 instroom, 72 doorstroom en 514 opleidingen.



    Inge Vervotte
    Minister Van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin
    antwoordt

    Personen met het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) kunnen op vlak van sociale ondersteuning een beroep doen op het reguliere aanbod.
    Er wordt daarbij geen onderscheid gemaakt op basis van de oorzaak van chronisch ziek zijn.
    De zorgnoden en de zorgzwaarte worden hierbij als niet medisch uitgangspunt gehanteerd.
    Dit betekent dat we voor alle chronische zieken een gepast aanbod nastreven ongeacht de oorzaak van hun zorgnood.

    Voor wat het ondersteunen van patiëntennoden betreft, subsidieer ik het Vlaams Patiëntenplatform.
    Ik koos niet voor een categoriale aanpak, omdat dit leidt tot een opsplitsing van middelen en diensten en vaak ten koste gaat van de personen met minder frequent voorkomende aandoeningen.

    Voor wat de medische ondersteuning betreft moet ik u meedelen dat deze tot de bevoegdheden van de federale overheid behoren.
    Zo werden er op federaal niveau een vijftal referentiecentra voor CVS in het leven geroepen, gespreid over gans België.

    In het kader van de Werelddag ME-Fibromyalgie op 12 mei plan ik binnen mijn beleidsdomein geen specifieke bijkomende initiatieven.
    Dit neemt niet weg dat ik de organisatie van deze Werelddag volledig ondersteun.
    Dergelijk initiatief draagt er immers toe bij dat de bekendheid van CVS wordt bevorderd en het taboe rond CVS wordt doorbroken en dat de omgeving van personen met CVS en de brede maatschappij meer begrip gaat opbrengen voor de moeilijkheden van personen met CVS.


    Cfr. : http://www.cvscontactgroep.be/politiek/greetvanlinter/greetvanlinter_vraag.php



    Schreeuwen tegen de zee

    De grillige douane pakt
    elke negende eruit

    dan spoelt leefkost aan
    in dode verpakking

    tand en borstel hullen zich in wier
    condoompjes gaan zingend vrijuit

    het is hier geen café
    dus krijsen mag en roken

    het een voor de meeuw
    het ander voor de leeuw

    je hoort hier niet
    je hoort hier niet

    het zand is vegetarisch
    je ogen eten vlees

    je hand een megafoon
    je tenen watervrees.

    - Otto Maanzaad -



    Cfr. ook :

    1. A 37-kDa 2-5A binding protein as a potential biochemical marker for chronic fatigue syndrome
      De Meirleir, K., C. Bisbal, I. Campine, P. De Becker, T. Salehzada, E. Demettre and B. Lebleu. 2000 - Am. J. Med. 108:99-105
      Purpose - Recent studies have revealed abnormalities in the ribonuclease L pathway in peripheral blood mononuclear cells of patients with the chronic fatigue syndrome.
      We conducted a blinded study to detect possible differences in the distribution of 2-5A binding proteins in the cells of patients with chronic fatigue syndrome and controls.
      Patients and methods - We studied 57 patients with chronic fatigue syndrome and 53 control subjects (28 healthy subjects and 25 patients with depression or fibromyalgia).
      A radioactive probe was used to label 2-5A binding proteins in unfractionated peripheral blood mononuclear cell extracts and to compare their distribution in the three groups.
      Results - A 37 kDa 2-5A binding polypeptide was found in 50 (88%) of the 57 patients with chronic fatigue syndrome compared with 15 (28%) of the 53 controls (P < 0.01).
      When present, the amount of 37 kDa protein was very low in the control groups.
      When expressed as the ratio of the 37 kDa protein to the 80 kDa protein, 41 (72%) of the 57 patients with chronic fatigue syndrome had a ratio > 0.05, compared with 3 (11%) of the 28 healthy subjects and none of the patients with fibromyalgia or depression.
      Conclusion - The presence of a 37 kDa 2-5A binding protein in extracts of peripheral blood mononuclear cells may distinguish patients with chronic fatigue syndrome from healthy subjects and those suffering from other diseases.
      Cfr. :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/11126321

    2. Chronische vermoeidheid is geen spookziekte - Psychiaters moeten inbinden
      'tlichtpuntje, 15-05-2004 - De Standaard
      Cfr. :
      http://www.tlichtpuntje.be/info/2004-198%20CVS%20is%20geen%20spook%20ziekte.pdf 

    3. Criteria voor CVS en ME 
      De CVS-contactgroep
      Cfr. :
      http://www.cvscontactgroep.be/medisch/criteria/criteria.php 

    4. De strandstoel in mijn keuken – Een intervieuw met Yoke Boon
      ADO 126
      Yoke Boon woont in Oud-Heverlee.
      Sinds vijf jaar lijdt zij aan het Chronische Vermoeidheidssyndroom.
      Ado sprak met haar naar aanleiding van de uitgave van haar boek : “De strandstoel in mijn keuken - Leven met het chronische vermoeidheidssyndroom en fibromyalgie” (- cfr. :
      http://www.mecvs.net/module-ME_CVS_docs-viewpub-tid-2-pid-8.html -).
      Zij blijft strijden tegen dit zware syndroom en straalt een ongelooflijke moed uit.
      Cfr. :
      http://www.achterdoechelen.be/126_4.htm


    Lees verder : Deel VIII

     

    27-04-2008 om 00:00 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Eindelijk duidelijkheid ! - Deel VIII
    Klik op de afbeelding om de link te volgen





    Eindelijk duidelijkheid !

    Deel VIII



    1. Een openhartig gesprek met Prof. dr. Kenny de Meirleir (mét video !)
      Frank Twisk : frank.twisk@hetnet.nl
      - Het Alternatief
      Cfr. :
      http://www.hetalternatief.org/ME.htm

    2. Evaluatierapport over de referentiecentra
      De CVS-contactgroep – Bron : RIZIV : http://www.inami.fgov.be/care/nl/revalidatie/general-information/studies/study-sfc-cvs/index.htm
       
      Het Verzekeringscomité van het RIZIV heeft in 2002 met vijf universitaire ziekenhuizen een revalidatieovereenkomst afgesloten voor de financiering van hun respectievelijke referentiecentra voor patiënten met het Chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS).
      De bedoelde CVS-overeenkomsten leggen aan de referentiecentra een aantal opdrachten op.
      In de eerste plaats moeten de centra zorgen voor een diagnostische en therapeutische oppuntstelling van patiënten die op vermoeden van CVS door hun huisarts naar de centra verwezen zijn.
      Daarnaast wordt van de centra onder andere verwacht dat ze de huisartsen die patiënten verwijzen informeren én vormen over het Chronisch vermoeidheidssyndroom.
      Over de uitvoering van de CVS-overeenkomsten is ondertussen een evaluatierapport opgesteld.
      Het is het rapport van een Akkoordraad die opgericht is in het kader van de CVS-overeenkomsten.
      In die Akkoordraad zijn zowel de referentiecentra als – via het College van geneesheren-directeurs – de verzekeringsinstellingen, vertegenwoordigd.
      Onderaan deze pagina bevinden zich linken naar het evaluatierapport én naar de bijlagen die deel uitmaken van dit rapport.
      Het evaluatierapport is voornamelijk gebaseerd op geanonimiseerde, statistische analyses van gegevens die de referentiecentra systematisch geregistreerd hebben vanaf de start van hun overeenkomsten tot en met 31 december 2004.
      Die gegevens hebben onder andere betrekking op het profiel van de patiënten én op het effect van de behandelingen die de centra verstrekt hebben.
      Het rapport bevat volgende informatie :
      - een toelichting bij de achtergrond, de doelstellingen en het concept van de overeenkomsten
      - een technische toelichting bij de wijze waarop de centra de gegevens voor de evaluatie geregistreerd hebben én de wijze waarop de gegevens statistisch verwerkt zijn
      - de resultaten van de statistische analyses van de geregistreerde gegevens
      - een bespreking van de resultaten van de statistische analyses
      - een bespreking van mogelijke toekomstige beleidssporen inzake de geneeskundige verzorging van CVS.
      Het evaluatierapport werd op 23 oktober 2006 besproken door het Verzekeringscomité.
      Het Verzekeringscomité heeft nog geen beslissing genomen over de beleidsgevolgen die gegeven moeten worden aan de bevindingen van de evaluatie.
      In afwachting van een beslissing daaromtrent werden de bestaande overeenkomsten met de CVS-referentiecentra wel tijdelijk, met zes maanden, ongewijzigd verlengd tot en met 31 maart 2007.
      Bijlagen :
      - De tekst van het evaluatierapport
      Cfr. :
      http://www.me-cvs.nl/files/rapport.pdf
      - Bijlage 1 - Gestandariseerd verwijsformulier voor de CVS-referentiecentra die volwassenen behandelen
      Cfr. :
      http://www.me-cvs.nl/files/annexe1.pdf
      - Bijlage 2 : Gestandariseerd verwijsformulier voor het CVS-referentiecentrum dat kinderen en adolescenten behandelt
      Cfr. :
      http://www.me-cvs.nl/files/annexe2.pdf
      - Bijlage 3 : Inventaris met betrekking tot de werking van de CVS-referentiecentra
      Cfr. :
      http://www.me-cvs.nl/files/annexe3.pdf -.
      Cfr. :
      http://www.cvscontactgroep.be/medisch/referentiecentra/referentiecentra.php

    3. Evaluation of precision performance of clinical chemistry devices - Approved guideline - NCCLS document EP5-A
      National Committee for Clinical Laboratory Standards. 1999 - National Committee for Clinical Laboratory Standards, Wayne, Pa.

    4. Indexlijst van Nederlandstalige artikelen uit 1987
      Sjaak Smeenk, ME/CVS Documentatiecentrum
      Cfr. :
      http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=7520 

    5. Indexlijst van Nederlandstalige artikelen uit 1988
      Sjaak Smeenk, ME/CVS Documentatiecentrum
      Cfr. :
      http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=7516

    6. Indexlijst van Nederlandstalige artikelen uit 1989
      Sjaak Smeenk, ME/CVS Documentatiecentrum
      Cfr. :
      http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=7519 

    7. Indexlijst van Nederlandstalige artikelen uit 1990
      Sjaak Smeenk, ME/CVS Documentatiecentrum
      Cfr. :
      http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=7522 

    8. Indexlijst van Nederlandstalige artikelen uit 1991
      Sjaak Smeenk, ME/CVS Documentatiecentrum
      Cfr. :
      http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=7523 

    9. Indexlijst van Nederlandstalige artikelen uit 1992
      Sjaak Smeenk, ME/CVS Documentatiecentrum
      Cfr. :
      http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=7524

    10. Indexlijst van Nederlandstalige artikelen uit 1993
      Sjaak Smeenk, ME/CVS Documentatiecentrum
      Cfr. :
      http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=7525 

    11. Indexlijst van Nederlandstalige artikelen uit 2004
      Sjaak Smeenk, ME/CVS Documentatiecentrum
      Cfr. :
      http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=7521 

    12. Indexlijst van Nederlandstalige artikelen uit 2005
      Sjaak Smeenk, ME/CVS Documentatiecentrum
      Cfr. :
      http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=7526

    13. Maximum factuur voor medische kosten
      De CVS-contactgroep
      Cfr. :
      http://www.cvscontactgroep.be/medisch/maximum_factuur/maximum_factuur.php 

    14. ME - Chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS)
      Ron Fonteine
      Op deze pagina kunt u informatie vinden die veelal wordt genegeerd door de lokale media, "specialisten" en overheid.
      Ik vindt dat de ME patiënt recht heeft op deze informatie en zal doorgaan met klokken luiden en de laatste informatie doorgeven.
      Blijf deze pagina dus volgen...
      Cfr. :
      http://www.fonteine.com/me_cvs.html

    15. ME in Nederlandstalige dagbladen en tijdschriften 1998 - ...
      Steungroep ME en Arbeidsongeschiktheid
      Op deze pagina vindt u oude artikelen en informatie over o.a. ME uit Nederlandstalige tijdschriften en dagbladen van 1998 tot 2005.
      Recente berichten zijn te vinden op onze actuele ME-pagina :
      http://www.steungroep.nl/populair.htm -.
      Cfr. :
      http://www.steungroep.nl/populair_archief.htm

    16. Persmap - ME Protestdag 13 mei 2006
      ME/FIBRO-Actiecomité
      Cfr. :
      http://www.cvs-fibro-monster.be/werelddag/Persmap%20Werelddag%20ME%20Antwerpen%202006.pdf 

    17. Persmap - ME Protestdag 13 mei 2008
      ME/CVS.Net
      Thema : ‘Kinderen met ME
      Cfr. :
      http://www.mecvs.net/module-ME_CVS_docs-viewpub-tid-1-pid-319.html 

    18. Ribonuclease L proteolysis in peripheral blood mononuclear cells of chronic fatigue syndrome patients
      Demettre, E., L. Bastide, A. D'Haese, K. De Smet, K. De Meirleir, K. P. Tiev, P. Englebienne and B. Lebleu. 2002 - J. Biol. Chem. 277:35746-35751
      A 37-kDa binding polypeptide accumulates in peripheral blood mononuclear cell (PBMC) extracts from chronic fatigue syndrome (CFS) patients and is being considered as a potential diagnostic marker (De Meirleir, K., Bisbal, C., Campine, I., De Becker, P., Salehzada, T., Demettre, E., and Lebleu, B. (2000) Am. J. Med. 108, 99-105).
      We establish here that this low molecular weight 2-5A-binding polypeptide is a truncated form of the native 2-5A-dependent ribonuclease L (RNase L), generated by an increased proteolytic activity in CFS PBMC extracts.
      RNase L proteolysis in CFS PBMC extracts can be mimicked in a model system in which recombinant RNase L is treated with human leukocyte elastase.
      RNase L proteolysis leads to the accumulation of two major fragments with molecular masses of 37 and 30 kDa.
      The 37-kDa fragment includes the 2-5A binding site and the N-terminal end of native RNase L.
      The 30-kDa fragment includes the catalytic site in the C-terminal part of RNase L. Interestingly, RNase L remains active and 2-5A-dependent when degraded into its 30- and 37-kDa fragments by proteases of CFS PBMC extract or by purified human leukocyte elastase.
      The 2-5A-dependent nuclease activity of the truncated RNase L could result from the association of these digestion products, as suggested in pull down experiments.
      Cfr. :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/12118002

    19. RNase L levels in peripheral blood mononuclear cells - 37-kilodalton/83-kilodalton isoform ratio is a potential test for chronic fatigue syndrome
      Tiev, K. P., E. Demettre, P. Ercolano, L. Bastide, B. Lebleu and J. Cabane. 2003 - Clin. Diagn. Lab. Immunol. 10:315-316
      Chronic fatigue syndrome (CFS) is a disorder characterized by debilitating fatigue associated with immunological abnormalities.
      The etiology remains unclear. A low-molecular-mass (37 kDa) isoform of RNase L has been described in peripheral blood mononuclear cell (PBMC) extracts and the ratio of two isoforms of RNase L (37 kDa/83 kDa) has been proposed as a potential biochemical marker of CFS.
      In a prospective case-control study, we tested whether the RNase L 37-kDa/83-kDa ratio could discriminate a SFC population.
      We compared the ratio of RNase L isoforms in PBMCs from 11 patients with CFS (6 women and 5 men; mean age +/- standard deviation, 43.2 +/- 13.8 years) and PBMCs from 14 healthy well-matched volunteers (10 women and 4 men; age, 39.1 +/- 11.6 years).
      A ratio of RNase L of 0.4 used as a threshold allowed diagnosis of CFS with high sensitivity (91%; 95% confidence interval [CI], 57 to 99%) and specificity (71%; 95% CI, 41 to 90%).
      The positive and negative prognostic values were 71% (95% CI, 41 to 90%) and 91% (95% CI, 57 to 99%), respectively. In the absence of acute infection or chronic inflammation, a high RNase L ratio could distinguish CFS patients from healthy volunteers.
      Additional large studies and follow-up studies are required to confirm the stability of this high ratio of RNase L isoforms in a CFS group.
      Cfr. :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/12626460

    20. The 2-5A pathway and signal transduction - A possible link to immune dysregulation and fatigue
      Englebienne, P., C. V. Herst, M. Frémont, T. Verbinnen, M. Verhas and K. De Meirleir. 2002 – In 'Chronic fatigue syndrome, a biological approach' (p. 99-130) - P. Englebienne and K. De Meirleir (ed.) - CRC Press, Boca Raton, Fla. - cfr. :
      http://www.amazon.com/Chronic-Fatigue-Syndrome-Biological-Approach/dp/0849310466 

    21. Variability of the RNase L isoform ratio (37 kilodaltons/83 kilodaltons) in diagnosis of chronic fatigue syndrome
      Tiev, K. P., M. Birant, M. Ziani, J. Cabane, E. Demettre, and B. Lebleu. 2005 - Clin. Diagn. Lab. Immunol. 12:366
      Chronic fatigue syndrome (CFS) is a disorder characterized by debilitating fatigue whose etiology and pathophysiology remain unclear.
      Previous studies showed abnormalities of the RNase L pathway in peripheral blood mononuclear cells (PBMC) from patients with CFS (1, 2).
      The ratio of RNase L isoforms (37 kDa/83 kDa ratio [37/83 R]) has therefore been proposed as a potential biochemical marker of CFS, with a sensitivity of 91% and a specificity of 71% when the cutoff ratio was 0.4 (3).
      In order to evaluate the variability and reproducibility of the 37/83 R in the diagnosis of CFS, we assayed it in duplicate as described by Demettre et al. (2) once a month for 3 months with nine patients fulfilling CFS criteria (mean age ± standard deviation = 43.1 ± 10.4 years).
      The accuracy of this ratio in the diagnosis of CFS was also tested and correlated with a clinical tool, the Multidimensional Fatigue Inventory (MFI) score, in a case-control study involving 28 CFS patients (mean age, 43.1 ± 10.4 years; MFI, 60.9 ± 14.6) and 24 healthy volunteers (mean age, 40.5 ± 9.9 years; MFI, 27.1 ± 7.7).
      The results of these two assays were correlated by the Spearman test for each sample; the means of the results of the assays were calculated, and the results from 3 consecutive months were correlated.
      Sensitivities, specificities, and positive and negative prognostic values were calculated with different threshold ratios of RNase L isoforms (0.4, 0.45 and 0.5).
      Ninety-five percent confidence intervals (95% CIs) were estimated.
      The ages of subjects in the two groups were comparable and the MFI scores of the CFS group were higher than those of the control group (Mann-Whitney U test; P < 0.05).
      The correlation between two 37/83 R assays from the PBMC sample was lower for the CFS group than for the control group.
      Moreover, the correlation decreased with time (r = 0.69, 0.69, and 0.33 at the first, second and third months, respectively) for the CFS group while staying unchanged for the control group (r = 0.95).
      The correlations between two average results of 37/83 R at two different months were low.
      The correlations between the two first two months, the second and third months and the first and third months were 0.16, 0.14 and −0.03, respectively.
      The 37/83 R cutoff of 0.4 yielded the best discrimination of CFS patients from controls, with 78.6% sensitivity (95% CI, 20.5 to 46.1%) and 33.3% specificity (95% CI, 46.2 to 72.8%).
      The positive and negative prognostic values were 59.5% (95% CI, 67.5 to 89.7%) and 53.3% (95% CI, 39.7 to 66.9%), respectively.
      Finally, the correlations between the MFI and 37/83 R were very weak: 0.14 at the first month, 0.51 at the second month and -0.3 at the last month.
      Our data suggest a high variability and poor reproducibility of the 37/83 R for CFS patients and variations of the 37 kDa/83kDa R results while fatigue remains stable.
      This variability might be due to the increased proteolytic activity reported for PMBC of patients with CFS (2).
      Thus, we draw attention to the use of this test.
      The small sample size of this study could have lowered some correlations, but could not have lowered the variability results.
      Cfr. :
      http://www.pubmedcentral.nih.gov/articlerender.fcgi?artid=549313

    22. e.v.a....

    27-04-2008 om 00:00 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    22-04-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Fibromyalgie : aanstellerij ? - Rika's verhaal
    Klik op de afbeelding om de link te volgen





















    Fibromyalgie

    Aanstellerij ?

    Rika's verhaal
    Gezondheidsplein.nl


    Ik heb de beschrijving op jullie site over fibromyalgie gelezen en ook de adviezen hierbij.
    Zoals altijd komt de uitleg weer over als (wat menige huisarts denkt) 'daar heb je weer zo'n aansteller !'
    Zelf vind ik dat het zeer onderschat wordt.
    Ik heb een vorm die ook wel 'Yoint Lacsatie' (of 'hypermobiliteitssyndroom' (HMS) - cfr. :
    http://www.hypermobiliteitssyndroom.nl/frames.html -) genoemd word, dit wil zeggen dat ik hypermobiele gewrichten heb.
    Hierdoor is dus alles overbelast en dan heb je gewoon iedere dag pijn.
    In de zomer is het wat minder, maar badmintonnen of jeu de boules op de camping is er niet bij.
    Kamperen kan niet eens.
    Alles wat je doet doe je in beetjes, dat leer je want de pijn komt altijd later.
    Eén avond uit, drie dagen een wrak !!
    Wisten jullie dat je bij deze aandoening ook minder kunt denken en onthouden ?

    In jullie advies stond dat iedere dag pijnstillers niet goed is.
    Maar een leuk leven is ook heel belangrijk en ik heb gelukkig een huisarts die mij begrijpt.
    Ik heb pijnstillers en ik mag wel naar een fysiotherapeut voor begeleiding.
    Er zijn therpeuten die zich hierin hebben gespecialiseerd.

    Nu ben ik 42 jaar.
    Ik probeer te werken.
    Het afgelopen jaar heb ik drie verschillende banen uitgeprobeerd, maar die bleken allemaal te zwaar.
    Momenteel werk ik in een baan die heel simpel is.
    Maar na één dag werken moet ik twee dagen plat.
    Ik word hier niet vrolijk van !
    En dan vooral die blikken, als je zegt wat je hebt.
    Je kunt niets laten zien...

    Ik heb veel hobby's en die probeer ik ook uit te voeren, maar als je handen dingen laten vallen en wat anders doen dan jij wilt, is dat niet leuk.
    Ook doe ik vrijwilligerswerk.
    Dus afleiding genoeg.
    Hier ligt het dus echt niet aan.
    Een verhuizing ?
    Hoe kunnen ze het bedenken !!

    Volgens mij is het erfelijk (in ieder geval mijn vorm) : mijn oma zat met gewrichten, mijn moeder had altijd versleten gewrichten en heeft nu zwaar reuma en mijn zus, 5 jaar ouder dan ik, heeft dezelfde vorm.
    Ik was vroeger zo trots op mijn lenigheid, zonder de knieën te buigen kwam ik met mijn handen plat op de grond: geweldig !!
    Maar nu is het waardeloos.
    Toen mijn oma en moeder jong waren bestond de diagnose nog niet, maar ik weet eigenlijk wel wat mijn voorland is.

    Een tip voor medelijders : een elektrische deken op je bed doet wonderen !
    En lees ook eens het boekje "Beter leven met fibromyalgie" isbn 90-6928-228-3. van Alij van Galen.


    Lees ook de vele reacties op dit verhaal !


    Cfr. : http://www.gezondheidsplein.nl/patientverhaal/183/Fibromyalgie-aanstellerij.html


    Meer informatie :

    1. Beter leven met fibromyalgie
      Aty van Galen - NIGZ, Uitgeverij – ISBN : 9069282283 - Laatst aangepast door Yessss op 28-03-2004
      De auteur
      Aty van Galen (1948), psycholoog, is werkzaam als journalist/tekstschrijver, eindredacteur van het FES-Magazine en heeft fibromyalgie.
      Het boek
      Fibromyalgie komt als een dief in de nacht in het leven van duizenden mensen.
      Deze chronische aandoening berooft hen van energie en van zekerheden en laat ongevraagd pijn en beperkingen achter.
      Effectieve behandeling van fibromyalgie is niet mogelijk.
      De kwaliteit van het leven gaat langzaam maar zeker achteruit.
      Dit betekent dat mensen met fibromyalgie moeten leren daar zo goed mogelijk mee om te gaan.
      'Beter leven met fibromyalgie' biedt daarbij hulp.
      Het eerste deel van het boek geeft inzicht in het klachtenpatroon en biedt een overzicht van andere aandoeningen die regelmatig naast fibromyalgie voorkomen.
      In het tweede deel volgt een beschrijving van reguliere en alternatieve behandelaars en therapieën, zowel op lichamelijk als sociaal-emotioneel terrein, die mogelijk een bijdrage kunnen leveren aan het verminderen van de klachten.
      Auteur Aty van Galen belicht de diverse methoden kritisch en nuchter.
      Van anderen mogen geen wonderen worden verwacht.
      De eigen inzet van mensen met fibromyalgie is het voornaamste wapen om de kwaliteit van hun leven te verbeteren.
      Daarbij spelen zowel psychische als fysieke aspecten een rol.
      Vaak kunnen mensen meer dan ze denken, mits zij op een weloverwogen en slimme manier te werk gaan.
      Het boek biedt daartoe in het derde deel talloze tips, bijvoorbeeld over aanpassingen in de omgeving, over het doorbreken van negatieve gedachten, over beter slapen, maar vooral ook over hoe mensen met fibromyalgie kunnen leren door meer te bewegen minder pijn te ervaren.
      'Beter leven met fibromyalgie' daagt mensen uit niet bij de pakken neer te zitten en er het beste van te maken.
      Het boek laat zien hoe dat kan en geeft een steun in de rug.
      Recensie (Dr. H.S. Verbrugh - Biblion recensie)
      De schrijfster (1948, psychologe, journaliste-tekstschrijfster) lijdt zelf aan het hier besproken chronisch pijnsyndroom, waarbij de zenuwcellen die de pijn veroorzaken, zich vooral in spieren en bindweefsel bevinden.
      Het is een met reuma verwante 'nauwelijks begrepen ... aandoening waar honderdduizenden mensen in meerdere of mindere mate mee te maken hebben', aldus reumatologe Marijke van Santen in haar voorwoord.
      Diagnostiek (niet eenvoudig gezien de veelvormigheid waarin de aandoening zich voordoet), de klachten (onder meer pijn en stijfheid), een breed scala aan therapeutische mogelijkheden en wat de patiënt zelf kan doen, worden besproken : verantwoord populair, nergens neerbuigend of paternalistisch; tussen de regels door wordt voelbaar dat de auteur ervaringsdeskundige is.
      Met een adequate literatuurlijst en nuttige adressen in Nederland en Vlaanderen. Nuttig voor een breed publiek.
      Cfr. :
      http://november.messageboard.nl/6630/viewtopic.php?t=158

    2. Fibromyalgie
      Gezondheidsplein.nl
      Fibromyalgie is een vrij veel gehoorde diagnose.
      De patiënt heeft pijn op meerdere plaatsen in de spieren, de pezen en de gewrichtsbanden.
      Bij onderzoek van de spieren, pezen en gewrichtsbanden waar de pijn in zit, worden geen afwijkingen aangetoond, alleen drukpijn op specifieke punten.
      Ook worden er geen afwijkingen gevonden in het bloed of de urine en zijn de reumatesten niet afwijkend.
      De laatste tijd spreekt men meestal over de fibromyalgie-syndromen, in het meervoud dus.
      Dat is een meer vage aanduiding, maar laat ook zien dat er een variatie van spier- en bandklachten bij hoort.
      Fibromyalgie is niet bij iedere patiënt hetzelfde.
      Het kan een gevolg zijn van overbelasting van een groep spieren en gewrichten, bijvoorbeeld in de sport of van zwaar lichamelijk werk, maar ook wel van algemene uitputting, tekort aan slaap of geestelijke spanning.
      Fibromyalgie kan ook een gevolg zijn van een blessure die wel genezen is maar waar in de weefsels pijn en spanning overblijft.
      Deze vorm komt het meeste voor bij mannen.
      Vooral bij voorheen gezonde jonge vrouwen wordt wel het primaire fibromyalgie-syndroom aangetroffen, dan is er dus geen ongeval of andere beschadiging aan vooraf gegaan.
      Fibromyalgie is een eigentijdse diagnose die wij vroeger niet onder die naam kenden, maar er waren natuurlijk wel patiënten die dezelfde symptomen hadden.
      Het komt bij de vrouw meer voor dan bij de man.
      Er is (nog) geen behandeling waarmee fibromyalgie genezen kan worden.
      Tegen de pijn kunnen medicijnen helpen en soms hebben patiënten baat bij fysiotherapie of psychotherapie.
      Cfr. :
      http://www.gezondheidsplein.nl/aandoeningen/1085/fibromyalgie.html

    3. Fibromyalgie, de puntjes op de i
      Aty van Galen - Uitgeverij N.I.G.Z. - ISBN10 : 9069282453 | ISBN13 : 9789069282459

      De beste remedie voor mensen met fibromyalgie is accepteren dat ze de aandoening hebben.
      Ze kunnen het beste hun leven opnieuw op inrichten, rekening houdend met hun mogelijkheden en beperkingen.
      Dit boek biedt veel praktische tips voor patiënten en veel actuele achtergrondinformatie over de medische aspecten van fibromyalgie.
      De oorzaak van fibromyalgie is nog steeds onbekend.
      Een adequate behandelingsmethode ontbreekt daarom ook.
      Het gevolg is dat mensen met de aandoening vaak eindeloos reguliere en alternatieve hulpverleners en behandelaars bezoeken.
      Symptomen worden soms bestreden, maar de klachten verdwijnen nooit helemaal.
      In het eerste deel van het boek gaat auteur Aty van Galen in op wat fibromyalgie (niet) is.
      In deel twee gaat het om de beleving ervan (klachten, emoties en de gevolgen voor de - intieme - relatie met anderen).
      Deel drie draagt de titel '
      Heft in eigen handen' en gaat over 'fibromyalgiemanagement'.
      In deel vier komen de (on)mogelijkheden van behandelwijzen aan bod.
      Het boek eindigt met 84 praktische tips en met adviezen voor lichaamshoudingen (geïllustreerd).
      '
      Fibromyalgie- puntjes op de i' is de actualisering van en een aanvulling op twee eerder publicaties van Aty van Galen over fibromyalgie : 'Geen dag zonder pijn - Leven met fibromyalgie' – cfr. : http://www.nl.bol.com/is-bin/INTERSHOP.enfinity/eCS/Store/nl/-/EUR/BOL_DisplayProductInformation-Start?BOL_OWNER_ID=666872074&Section=BOOK - en 'Beter leven met fibromyalgie
      ' - cfr. : http://november.messageboard.nl/6630/viewtopic.php?t=158 -.
      Cfr. :
      http://www.nl.bol.com/is-bin/INTERSHOP.enfinity/eCS/Store/nl/-/EUR/BOL_DisplayProductInformation-Start;sid=NPOdy3qPdYad8zKBM72j_JpX2BAizDWep3w=?BOL_OWNER_ID=1001004005010750&Section=BOOK

    4. Fibromyalgie - Omgaan met weke-delenreuma
      Huub Fest - http://clix.to/huipie - Uitgeverij Ankh-Hermes – ISBN10 : 9020201018 | ISBN13 : 9789020201017
      Enkele honderdduizenden Nederlanders hebben fibromyalgie (weke- delenreuma), een ziekte die zich met name uit in chronische spierpijn en vermoeidheid.
      Nog steeds is er veel onbegrip over deze ziekte.
      Dat komt onder andere doordat er nauwelijks informatie over bestaat.
      De meeste mensen weten niet wat een fibromyalgiepatiënt doormaakt of nog moet doormaken.
      Ook voor de patiënt is het vaak nog onduidelijk wat hij mankeert.
      De auteur gaat in op de vele aspecten van deze ziekte.
      Uitgelegd wordt hoe je de ziekte kunt herkennen en wat je eraan kunt doen.
      Verhelderend zijn de diverse verhalen van medepatiënten, die de auteur heeft opgetekend tijdens zijn revalidatieperiode.
      Verder geeft hij diverse tips en ontspanningsoefeningen, waarmee de klachten kunnen worden verlicht.
      Dit boekje is niet alleen bedoeld voor de fibromyalgiepatiënt zelf, maar ook voor specialisten, artsen, advocaten, rechters, verzekerings- en arbeidsdeskundigen, psychologen, partners, werkgevers, familie en verplegend personeel, kortom iedereen die in zijn of haar omgeving met de ziekte wordt geconfronteerd.
      Cfr. :
      http://www.nl.bol.com/is-bin/INTERSHOP.enfinity/eCS/Store/nl/-/EUR/BOL_DisplayProductInformation-Start?BOL_OWNER_ID=666770495&Section=BOOK

    5. Fibromyalgieplein
      Reumafonds – Reumadorp : www.reumadorp.nl
      De F.E.S heeft, na zorgvuldige afweging en aan de hand van de vraag van de leden, besloten om het open en begeleide digitale lotgenotencontact voor haar leden alleen nog aan te bieden op de eigen website :
      www.fesinfo.nl - .../...
      Daarom zal het Reumafonds het fibromyalgieplein zelf gaan beheren.
      U kunt, als bewoner van het Reumadorp, ook gebruik maken van een fibromyalgiechatbox en een fibromyalgiediscussiegroep op het fibromyalgieplein van het Reumadorp .../...
      Wilt u gebruik maken van het interactieve gedeelte op de F.E.S. website, dan dient u in het bezit te zijn van een F.E.S.-lidmaatschapsnummer (aan te vragen via de F.E.S. Website :
      www.fesinfo.nl -.
      Cfr. :
      https://www.reumadorp.nl/index.php?option=com_content&task=view&id=120&Itemid=314

    6. Huub's Fibromyalgiesite
      Cfr. :
      http://clix.to/huipie

    7. Nationale Vereniging voor Fibromyalgie-Patiënten 'Eendrachtig Sterk' (FES)
      Cfr. :
      http://www.fesinfo.nl/

    8. Video over fibromyalgie
      Avro
      Cfr. :
      http://cgi.omroep.nl/cgi-bin/streams?/tv/avro/gezondheidsplein/bb.20030225.asf?start=00:14:09&end=00:18:13


    22-04-2008 om 00:00 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (7 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    19-04-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Leefstijltest
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

     


    Leefstijltest

    Gezond eten, niet roken, regelmatig bewegen.
    Daarmee kun je bepaalde gezondheidsrisico´s verminderen zoals hart- en vaatziekten en ouderdomsdiabetes.
    Maar soms tijfel je of je wel echt goed genoeg bezig bent.

      Doe de ConsuMed leefstijltest.

    De test is samengesteld door een team van artsen en deskundigen en duurt ongeveer 20 minuten.
    Per onderwerp krijg je waardevolle tips om je leefstijl te verbeteren.

    De resultaten van de test worden alleen gebruikt om de gemiddelde scores te bepalen.
    Hoe meer mensen de test hebben gedaan, hoe beter de gemiddelden een indruk van de doorsnee bevolking zullen weergeven.
    Op persoonlijk niveau wordt er niets met de resultaten gedaan, zij worden niet bewaard.


    Cfr. : http://www.consumed.nl/leefstijltest/v6/index.php?act=formulier&lifestyletest=smpbio508dr24jeieusgu0hcr5


     

    19-04-2008 om 22:07 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (5 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    18-04-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Fibromyalgie
    Klik op de afbeelding om de link te volgen  




    Fibromyalgie

    DeaM - www.deam.de - Die etwas andere Medizin, (letzte Änderung) 19-April-2008
     © 1996-2008 Peter und Alexander Grunert

    Krankheitsbild

    Rund 80% unserer Bevölkerung leidet hin und wieder an Schmerzen im Bereich der Muskel, Gelenke oder Knochen.
    Meist lassen sich diese akut auftretenden Beschwerden mit Hilfe von gymnastischen oder medikamentösen Therapieformen heilen.
    Leider gibt es aber auch Erkrankungen des rheumatischen Formenkreises, die chronisch und sehr schmerzhaft verlaufen können.
    Eine dieser chronischen Formen ist die Fibromyalgie, auch als Generalisierte Tendomyopathie – cfr. :
    http://www.deam.de/krank/00512.htm – bezeichnet.

    Man geht inzwischen davon aus, dass in Deutschland mehr als 1 Million Menschen zu den Fibromyalgieerkrankten zu rechnen sind.
    Obwohl so viele Menschen betroffen sind, ist das Krankheitsbild noch nicht sehr bekannt.
    Auch ist die Diagnose nicht ganz so leicht wie bei anderen Erkrankungen.

    Als Hauptbeschwerden tauchen meist Schmerzen in zahlreichen Körperabschnitten auf, meist aber im Rückenbereich und an der Halswirbelsäule.
    Auch können die Bereiche um die Gelenke wie etwa Hände, Knie, Ellbogen oder Schultern schmerzhaft betroffen sein.
    Ebenso können sich Gesichtsschmerzen, Muskelverspannungen und Brustschmerzen hinzugesellen.
    Auch Wasserödeme sind nicht selten.
    Neben Schmerzen ist die Fibromyalgie aber auch mit zahlreichen anderen körperlichen und geistigen Beeinträchtigungen verbunden : Erschöpfungszustände, Schlafstörungen, Leistungsabfall, Konzentrationsprobleme, Kribbeln an Händen und Füßen, Magen- und Darmprobleme, Atemnot, Herzrasen und bei Frauen auch Menstruationsbeschwerden sind nicht selten.
    In zahlreichen Fällen treten mehrere der vorgenannten Schmerzzustände und Gesundheitsprobleme gemeinsam auf und führen dann zu deutlichen Einschränkungen der Lebensqualität und der täglichen Aktivitäten.
    Auffällig ist, dass sieben- bis achtmal häufiger Frauen durch die Krankheit betroffen sind als Männer.
    Leider gibt es bis heute noch keine exakte Diagnosemöglichkeit, die durch Laboruntersuchungen, Röntgenbilder o.ä. unterstützt sind.
    Um die Fibromyalgie zu erkennen bedarf es einer möglichst genauen Befragung des Patienten durch den Arzt, der außerdem noch über einige Erfahrung auf diesem Gebiet verfügen sollte.


    Mögliche Therapieformen

    Da die exakten Ursachen der Erkrankung noch nicht ausreichend erforsch sind, gibt es in der Schulmedizin auch keine genauen Therapievorschläge.
    Alles was derzeit unternommen wird, basiert auf den Erkenntnissen, die sich aus der Zusammenarbeit zwischen Ärzten, Wissenschaftlern, Krankengymnasten, Psychologen, Heilpraktikern und vor allem den Selbsthilfegruppen ergeben haben.
    Häufig werden dabei vor allem die für den einzelnen Patienten jeweils unangenehmen Symptome zuerst therapiert.
    Hierbei fiel in der Praxis auf, dass durchtrainierte
    Körper anscheinend weniger anfällig sind als untrainierte.

    Eine Umstellung auf leichtere, pflanzliche Kost hat Besserungen im Bereich der Magen- und Darmbeschwerden gebracht. nach Aussagen einiger Betroffener hat auch die Einnahme von Obstessig, wie sie in der Volksmedizin oft beschrieben wird, die Magen- und Darmbeschwerden gelindert.
    Doch wie bereits gesagt, hierbei handelt es sich nur um die Linderung bestimmter Symptome, nicht um die Heilung der Erkrankung selbst.

    Je nach Krankheitsverlauf haben sich auch bereits homöopathische Arzneien als wirksam gezeigt.

    Gegen die Schmerzzustände im Bereich der Wirbelsäule und der Gelenke können Akupunktur, Akupressur oder auch die Magnetfeldtherapie angewendet werden.

    Auch Massagen mit Teebaumöl können schmerzlindernd sein, ebenso wie ätherische Bäder.


    DeaM Empfehlung

    Unterstützzend : MSM Methyl Sulfonyl Methan von Purawell Nahrungsergänzung
    Cfr. :
    http://www.purawell.com/Nahrungsergaenzung/Grundversorgung/MSM-Methyl-Sulfonyl-Methan::5.html?referer=deam -.


    Cfr. : http://www.deam.de/krank/00511.htm


     

    18-04-2008 om 23:31 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (4 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Fatigue Chronique et Fibromyalgie
    Klik op de afbeelding om de link te volgen  








    Fatigue Chronique et Fibromyalgie

    Bio-Santé


    Le syndrome de fatigue chronique est un terme relativement nouveau, même si l'on retrouve trace de cette affection dans la littérature médicale depuis aussi loin que 1860.
    Si les symptômes décrits sont les mêmes, on lui attribue cependant un nom différent au fil du temps et des époques.
    Il existe une grande similitude entre les symptômes du syndrome de fatigue chronique et la fibromyalgie.
    Nous allons passer en revue les deux affections.


    Principaux symptômes dans le Syndrome de Fatigue Chronique (SFC)

    Bien entendu en toute logique, le premier et plus important des symptômes ressentis est la fatigue.
    Une fatigue que le repos n'arrive pas à éliminer la personne se réveillant tout aussi, sinon plus, fatiguée qu'au coucher.
    Mais le syndrome est accompagné de nombreux autres symptômes qui seront plus ou moins ressentis intensément par la personne affectée :

    • fièvre légère

    • mal de gorge persistant ou réapparaissant régulièrement

    • ganglions lymphatiques douloureux

    • faiblesse musculaire

    • douleur musculaire

    • fatigue persistante après l'exercice.

    • maux de tête constants

    • douleur articulaire

    • sensibilité à la luminosité

    • confusion mentale, perte de mémoire, difficulté à se concentrer

    • dépression, irritabilité

    • sommeil peu réparateur, insomnie ou au contraire trop profond


    Les causes

    En fait les causes ne sont pas réellement connues et le sujet est encore ouvert aux spéculations des chercheurs et à la controverse dans les avis.

    Certaines causes possibles sont cependant acceptées par la plupart des spécialistes.
    Un système immunitaire déréglé joue un rôle important dans l'apparition du SFC.
    Les allergies de tous types et particulièrement certaines allergies alimentaires non diagnostiquées sont souvent une des premières causes du syndrome.
    Un dérèglement de la flore intestinal favorise l'apparition de certains parasites et champignons qui peuvent conduire au SFC.
    Le stress est un autre facteur qui retient toute l'attention des chercheurs.
    N'oublions pas que le stress est la porte ouverte à une multitude de dérèglements hormonaux et physiologiques pouvant provoquer un véritable effet de domino.

    Le rôle joué par certains virus dans l'apparition du SFC a été récemment mis de l'avant.
    Le virus peut être neutralisé par un système immunitaire sain, mais lorsqu'il y a baisse de vitalité ou déficience de celui-ci, le virus peut reprendre vigueur et agir à nouveau.
    Il est cependant difficile de définir si le virus est la cause du SFC ou si au contraire le SFC permet au virus de réapparaître.

    Ce qui semble certain c'est que l'on retrouve chez la grande majorité des personnes atteintes du SFC un système immunitaire déréglé avec dans certains cas un taux réduit de l'activité des globules blancs et autres cellules "tueuses" protectrices de l'organisme ou au contraire un taux trop élevé d'interféron, un élément important de la défense organique contre les atteintes virales.
    Il est intéressant de noter que lorsque l'interféron est utilisé dans la thérapie de certains cancers, les effets secondaires sont souvent semblables aux symptômes du SFC.


    Le traitement

    Rien n'est simple dans le SFC et le traitement lui-même ne saurait y échapper.
    Il est important d'adopter une approche faisant la juste part au mental et au physique.
    La personne atteinte ne cesse de centrer son attention sur la fatigue ressentie.
    Celle-ci devient une obsession et un sujet de conversation.
    Le changement d'attitude mentale doit se faire progressivement et la pratique de certaines techniques de relaxation ou méditation d'une part et d'exercices physiques légers telle que la marche quotidienne au grand air ou la pratique d'une discipline comme le Tai Chi seront de bons moyens de progresser.

    Il n'est cependant pas toujours facile d'opérer le changement par une discipline qui demande un effort personnel, aussi minime soit-il.
    Il est souvent plus facile de prendre un supplément naturel sous une forme ou l'autre.
    Et il en existe qui peuvent procurer le soulagement et l'impulsion de départ.


    Pour soulager l'état de dépression et de stress

    Le Millepertuis est utilisé avec beaucoup de succès dans les états de dépression légère.
    Il a la réputation d'égayer l'humeur et d'exalter l'esprit et a connu une grande popularité ces derniers temps lorsque des études cliniques ont confirmé ses vertus dans le traitement des dépressions à caractère modéré.
    Cette efficacité lui a d'ailleurs valu le surnom de Prozac des plantes.
    Le Biosome de Millepertuis est une formule incluant 10 plantes, dont le Ginseng (un des meilleur tonique et reconstituant connu) soigneusement sélectionnées pour leur action sur la dépression et le stress.
    La Valériane peut être plus intéressante pour les personnes souffrant plus d'un état de stress nerveux que de dépression.
    Plus de deux cents études scientifiques ont été réalisées sur les propriétés pharmacologiques de la Valériane, la plupart en Europe.
    La racine de cette plante contient plusieurs éléments, dont des huiles essentielles qui semblent contribuer à son pouvoir sédatif en agissant au niveau du système nerveux de la même façon que le font les barbituriques.
    Le Relaxol contient 16 plantes reconnues pour leur action sur les conséquences du stress : une nervosité excessive, l'anxiété, l'insomnie, les contractions musculaires, les dérèglements cardiaques, troubles digestifs.


    Intégrité du système gastro-intestinal

    Nous avons vu que le SFC est souvent relié à une baisse de la fonction gastro-intestinale et une détérioration de la flore intestinale, permettant l'apparition de parasites et autres champignons.
    La meilleure solution dans ces cas, est de suivre une cure de désintoxication et de rétablissement de l'équilibre intestinal et de sa flore.
    Une cure de désintoxication efficace doit inclure certaines plantes permettant le nettoyage de la vésicule biliaire et le désengorgement du foie, le nettoyage et la stimulation des reins.
    Ces plantes sont présentes en parfaites proportion et synergie dans le Dépuratum – cfr. : http://www.bio-sante.com/depuratum.htm -.

    Pour compléter le nettoyage entrepris dans la cure de désintoxication l'élimination intestinale est primordiale.
    Doulax normal ou Doulax fort – cfr. : http://www.bio-sante.com/doulax.htm - seront le complément idéal de la cure.

    Il n'est de meilleur aliment pour rétablir la flore intestinale que les produits à base de bactéries probiotiques.
    On les appelle du nom de probiotique, parce qu'elles favorisent la vie.
    Ce sont principalement les : Lactobacillus acidophilus, Lactobacillus rhamnosus A, Streptococcus thermophilus, Lactobacillus delbrucckill et bulgaricus.
    On les retrouve en différentes concentrations dans les capsules de Yogourt – cfr. : http://www.bio-sante.com/yogourt.htm -.

    Lorsque la cure de désintoxication aura été menée à bien, une cure de revitalisation à base de vitamines B et fer, tel que le Nutrifort – cfr. : http://www.bio-sante.com/nutrifort.htm -, de même qu'un supplément de Calcium-Magnésium, tel que la Dolomite – cfr. : http://www.bio-sante.com/calcium-magnesium.htm -, permettront de reprendre progressivement des forces et de retrouver l'énergie nécessaire à une activité normale.


    L'alimentation

    Inutile de préciser l'importance d'une alimentation saine et équilibrée.
    Prédominance de fruits et légumes, fibres alimentaires sous forme principalement de céréales complètes.
    Diminution de l'apport en gras animal, c'est à dire surtout des viandes rouges et des produits laitiers.
    Éliminer autant que possible le sucre, surtout blanc, le café, l'alcool.
    N'oubliez pas que c'est l'excès plus que l'usage modéré, qui est nuisible.
    Il est cependant plus efficace dans certains cas de supprimer complètement ce type d'aliments, surtout lorsque l'on entame une cure.

    Ne négligez pas la relation possible entre allergies alimentaires et le SFC.
    Les aliments les plus suspects selon le corps médical sont : les produits laitiers, les produits à base de blé ou de maïs, les levures, la caféine, les citrus.
    Mais n'oubliez pas qu'en fait n'importe quel aliment peut induire une allergie, selon la sensibilité de chacun.
    Le meilleur moyen est de supprimer un type d'aliment durant un certain temps, et de noter s'il y a changement ou pas.
    Passer ensuite à un autre aliment.


    La Fibromyalgie

    La similitude entre le syndrome de fatigue chronique et la fibromyalgie est très grande.
    L'unique différence au niveau du diagnostic est la présence de douleurs au niveau du système osseux et musculaire pour la fibromyalgie et une prédominance de la fatigue pour le SFC.

    Malgré le fait que de nombreux facteurs interviennent dans la fibromyalgie, il semble qu'une baisse du niveau de la sérotonine soit responsable de la douleur.

    Une baisse de sérotonine amplifie la sensation de douleur.

    Les deux affections étant fort semblables et les thérapies naturelles agissant en profondeur sur le terrain et non juste sur le symptôme, le traitement recommandé pour le SFC conviendra également pour la fibromyalgie.


    Cfr. : http://www.bio-sante.com/chroniques-fatigue.htm


     

    18-04-2008 om 23:01 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (4 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Paddestoel 'Phellinus linteus' remt kanker
    Klik op de afbeelding om de link te volgen  










     




    Paddestoel 'Phellinus linteus' remt kanker           

    Song gen (China)           
    Sang-hwang (Korea)           
    Meshimakobu (Japan)           


    Paddestoel ter vertraging van prostaatkanker           

    Voeding en gezondheid in de media, 15-02-2007 – Bron : AGF           

    Een Britse studie heeft uitgewezen dat een extract van de paddestoel Phellinus linteus helpt bij het vertragen van de groei van een tumor aan de prostaat.
    Het extract moet toegevoegd worden aan het conventionele medicijn Adriamycine (1).
    Resultaten van deze studie zijn onlangs gepubliceerd in de British Journal of Cancer.

    Uit het artikel blijkt dat men verwacht, dat bij behandeling met deze paddestoel aan de medicatie toegevoegd, minder chemokuren nodig zijn en dat er tevens een kleinere dosis Adriamycine nodig is.
    Aan de beschrijving van het onderzoek is nog toegevoegd dat verder onderzoek nodig is naar de precieze werking van de paddestoel.
    Prostaatkanker is de op twee na meest voorkomende vorm van kanker onder mannen.

    (1) - Adriamycine (Doxorubicine)
    Adriamycine is een medicijn dat actief is tegen vele verschillende kankersoorten.
    Het is één van de oudere cytostatica en wordt al tientallen jaren gebruikt.
    Het behoort tot de groep van de anthracyclines.
    Het oefent zijn anti-kankerwerking uit door te interfereren met de DNA-productie van de cel.
    Opgelost is het een heldere, oranjerood gekleurd vloeistof die enkel intraveus wordt toegediend.
    Cfr. :
    http://www.borstkanker.net/hoofdframe.html?adriamycine.html&2


    Cfr. : http://voeding.web-log.nl/voeding/2007/02/paddestoel_ter_.html



    Paddestoel remt groei borstkankercellen

    Maartje Willems – Elsevier, 16-04-2008

    Een Oosterse paddestoel heeft mogelijk een remmende werking op de groei van borstkankercellen, doordat ze er bloedcellen uitzuigen.

    Oosterse paddestoelen zouden de groei van kankercellen remmen.

    Dat hebben wetenschappers van de Methodist Research Instituut uit Indianapolis – cfr. : http://www.clarian.org/portal/patients - aangetoond.
    Het onderzoek is gepubliceerd in het Britse Journal of Cancer – cfr. :
    http://www.nature.com/bjc/index.html -.


    Bewijs

    De onderzoekers hebben bewijs gevonden dat de paddestoel, Phellinus linteus, de activiteit van een enzym – cfr. : http://nl.wikipedia.org/wiki/Enzym - genaamd AKT blokkeert.
    De enzym speelt een belangrijke rol in de groei van kankercellen en de ontwikkeling van bloedcellen, die kankercellen voeden.

    De wetenschappers hebben hun hypothese getest op borstkankercellen.
    Recente studie heeft aangetoond dat de paddestoel de groei van huid- long- en prostaatkanker zou kunnen vertragen.


    Oosterse genezers

    De paddestoel wordt door Oosterse genezers eeuwenlang gebruikt.
    Zij geloven dat de paddestoel de levensduur kan verlengen.

    Begin april werd bekend dat kankerbestrijding door middel van chemotherapie mogelijk effectiever is, als de patiënt twee dagen voor de behandeling stopt met eten.
    Dit zou de gezonde cellen beschermen tegen de schadelijke bijeffecten van de chemische therapie.


    Cfr. : http://www.elsevier.nl/lifestyle/gezondheid_en_gezin/gezondheid/artikel/asp/artnr/201945/index.html



    Mushroom extract could stop breast cancer cell growth

    Medical News Tofya, 16 Apr 2008 – Source : Cancer Research UK

    Mushroom extracts could halt the growth of breast cancer cells, suggests research published in the British Journal of Cancer (cfr. : http://www.nature.com/bjc/index.html -) yesterday. (1)

    Extracts of the mushroom Phellinus linteus have been used for centuries in Eastern Ancient medicine where it is believed to refresh bodies and extend life.
    Recent studies have shown that this type of mushroom can slow the growth of different types of cancer cells and improve the effects of anticancer drugs. (2)

    Scientists looking at the effects of Phellinus linteus extracts on breast cancer cells in the lab now also believe they understand how its anti-cancer properties work.

    Researchers based at the Methodist Research Institute in Indianapolis, USA, think that the mushroom could stop an enzyme called AKT from working.
    This enzyme is known to control signals that lead to cell growth and the development of new blood vessels, which are vital for cancer cell survival.

    Lead researcher, Dr Daniel Sliva, said : "The anti-cancer properties of this type of mushroom have been recently investigated by scientists using various types of cancer cells. We saw a number of positive results from our investigation on aggressive human breast cancer cells, including a lower rate of uncontrolled growth of new cancer cells, suppression of their aggressive behaviour and the formation of fewer blood vessels that feed cancer cells essential nutrients."

    Dr Lesley Walker, director of cancer information at Cancer Research UK which owns the British Journal of Cancer, said : "Although natural products have been used to develop many important drugs, there is no guarantee that they are all safe or will be effective in the clinic."

    Dr Sliva added : "We're not yet able to apply this knowledge to modern medicine, but we're excited that we can begin to explain how this ancient medicine works by acting on specific molecules. We hope our study will encourage more researchers to explore the use of medicinal mushrooms for the treatment of cancer."

    Phellinus linteus is known as 'song gen' in Chinese medicine, 'sang-hwang' in Korean and 'meshimakobu' in Japanese.

    Dr Walker added : "The results from this study are interesting, but it's certainly too early to advise people to stock up on mushrooms. Further research will be needed before we will know if mushroom extracts can be used to treat cancer patients."

    References & notes

    1. Phellinus linteus suppresses growth, angiogenesis and invasive behaviour of breast cancer cells through the inhibition of AKT signalling
      Sliva D, Jedinak A, Kawasaki J, Harvey K, Slivova V -- [1] 1Cancer Research Laboratory, Methodist Research Institute, 1800 N Capitol Ave, E504, Indianapolis, IN 46202, USA -- [2] 2Department of Medicine, Indiana University, Indianapolis, IN, USA -- [3] 3Indiana University Simon Cancer Center, School of Medicine, Indiana University, Indianapolis, IN, USA - Br J Cancer. 2008 Apr 22;98(8) :1348-1356. Epub 2008 Mar 25 - www.bjcancer.com - PMID: 18362935
      The antitumour activity of a medicinal mushroom Phellinus linteus (PL), through the stimulation of immune system or the induction of apoptosis, has been recently described.
      However, the molecular mechanisms responsible for the inhibition of invasive behaviour of cancer cells remain to be addressed. In the present study, we demonstrate that PL inhibits proliferation (anchorage-dependent growth) as well as colony formation (anchorage-independent growth) of highly invasive human breast cancer cells.
      The growth inhibition of MDA-MB-231 cells is mediated by the cell cycle arrest at S phase through the upregulation of p27(Kip1) expression.
      Phellinus linteus also suppressed invasive behaviour of MDA-MB-231 cells by the inhibition of cell adhesion, cell migration and cell invasion through the suppression of secretion of urokinase-plasminogen activator from breast cancer cells.
      In addition, PL markedly inhibited the early event in angiogenesis, capillary morphogenesis of the human aortic endothelial cells, through the downregulation of secretion of vascular endothelial growth factor from MDA-MB-231 cells.
      These effects are mediated by the inhibition of serine-threonine kinase AKT signalling, because PL suppressed phosphorylation of AKT at Thr(308) and Ser(473) in breast cancer cells.
      Taken together, our study suggests potential therapeutic effect of PL against invasive breast cancer.
      Cfr. :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/18362935

    2. Phellinus linteus has been shown to have anti-cancer effects on skin, lung and prostate cancer cells.
      Also, when used in combination with anti-cancer drug doxorubicin, it increased the number of prostate cancer cells killed.

    Cfr. : http://www.medicalnewstoday.com/articles/104243.php



    Chinese champignons song gen kunnen helpen met chemotherapie

    Susan Aldridge, PhD, medisch journalist - Bron : British Journal of Cancer 1st August 2006

    Een paddestoel extract gebruikt in de Chinese geneeskunde verhoogt het effect van kanker chemotherapie volgens de nieuwe experimenten.
    Extracten van een Chinese champignons bekend als 'song gen' zeggen dat ze anti-kanker eigenschappen en zijn gebruikt in de Oost-Aziatische geneeskunde voor eeuwen.
    Nu brengt een team aan de Boston University School of Medicine verslag uit over het effect van de song gen op prostaatkanker cellen.
    Ze gecombineerd met de bekende chemotherapie medicijn doxorubicine.

    Lage doses van doxorubicine alleen óf van song gen alleen doden de kankercellen niet.
    Hogere doses van het medicijn doden ze wel, zoals verwacht.
    Maar een combinatie van een lage dosis doxorubicine en song gen doodt nog meer cellen zonder gevaar voor gezonde cellen.
    Als we dit vertalen naar de mens, dan kan deze combinatie misschien het gebruik van lagere doses doxorubicine in de chemotherapie toelaten, mét minder bijwerkingen.
    Het is nog niet duidelijk hoe song gen kankercellen doodt, maar verder onderzoek moet meer licht werpen op deze interessante ontwikkeling.


    Cfr. : http://translate.google.be/translate?hl=nl&langpair=en|nl&u=http://www.healthandage.com/public/health-center/30/news/8803/Chinese-mushroom-song-gen-may-help-with-chemotherapy.html&prev=/translate_s%3Fhl%3Dnl%26q%3DSong%2Bgen%2B-%2Bpaddestoel%26tq%3DSong%2Bgen%2B-%2Bmushroom%26sl%3Dnl%26tl%3Den


    Chinese mushroom song gen may help with chemotherapy

    Reported by Susan Aldridge, PhD, medical journalist – Source : British Journal of Cancer 1st August 2006

    A mushroom extract used in Chinese medicine boosts the effect of cancer chemotherapy according to new experiments.
    Extracts of a Chinese mushroom known as song gen are said to have anti-cancer properties and have been used in Eastern Asian medicine for centuries.
    Now a team at the Boston University School of Medicine reports on the effect of song gen on prostate cancer cells.
    They combined it with the well-known chemotherapy drug doxorubicin.
    Low doses of doxorubicin alone or song gen alone did not kill the cancer cells.
    Higher doses of the drug did kill them, as expected.
    But a combination of low dose doxorubicin and song gen killed even more cells and did not affect healthy cells.
    If this translated to humans, then maybe this combination would allow the use of lower doses of doxorubicin in chemotherapy, which would mean fewer side effects.
    It is not yet clear just how song gen kills cancer cells but further research should shed further light on this interesting development.

    Cfr. : http://translate.google.be/translate?hl=nl&langpair=en|nl&u=http://www.healthandage.com/public/health-center/30/news/8803/Chinese-mushroom-song-gen-may-help-with-chemotherapy.html&prev=/translate_s%3Fhl%3Dnl%26q%3DSong%2Bgen%2B-%2Bpaddestoel%26tq%3DSong%2Bgen%2B-%2Bmushroom%26sl%3Dnl%26tl%3Den


    Cfr. ook :

    1. Health Meshimakobu
      Cfr. : http://www.jikco.co.jp/eng_pdf/08.pdf

    2. Mushroom extract may stop breast cancer growth
      Ben Hirschler – Reuters, Apr 15, 2008 – Source : The British Journal of Cancer

      Cfr. : http://www.reuters.com/article/healthNews/idUSL1582873820080415?feedType=RSS&feedName=healthNews

    3. Phellinus Linteus (Sang-hwang) - The Elexir for Health and Long Life
      Cfr. :
      http://www.dprkorea-trade.com/sang/sang01.htm 
       

    18-04-2008 om 22:21 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    17-04-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Hartaanval een situatie van pre-diabetes
    Klik op de afbeelding om de link te volgen  







    Hartaanval een situatie van pre-diabetes



    Diabetesvrije infarctpatiënt krijgt op termijn toch vaak diabetes

    Hartaanval.nl, 24-08-2007 – Bron : Redactie MedNet


    Patiënten met een myocardinfarct die voor het infarct nog vrij waren van diabetes ontwikkelen na verloop van tijd vier maal vaker diabetes en vijftien maal vaker een verstoorde nuchtere glucosewaarde (IFG) dan de algemene bevolking.

    Dat blijkt uit onderzoek dat is gepubliceerd in The Lancet.

    Het onderzoek was een samenwerking van de Amerikaanse Harvard Medical School, Harvard School of Public Health en het Italiaanse Consorzio Mario Negri Sud. Ruim 8000 Italiaanse patiënten met een myocardinfarct in de drie voorafgaande maanden die vrij waren van diabetes werden drieëneenhalf jaar gevolgd op het ontstaan van diabetes of een glucoseintolerantie.

    Als een nuchtere bloedglucosewaarde van 6,1 mmol/l of hoger als criterium werd gebruikt, ontwikkelde eenderde van deze patiëntengroep gedurende de follow-up diabetes of IFG.
    Met een iets lagere afkapwaarde van 5,6 mmol/l, ontwikkelde tweederde diabetes of IFG.
    In vergelijking met de algmene bevolking kregen de infarctpatiënten vier maal vaker diabetes en vijftien maal vaker IFG.

    Onafhankelijke risicofactoren voor dit hoger risico waren een hogere leeftijd, hypertensie, het gebruik van bètablokkers, cholesterolverlagers en diuretica (middelen die de de uitscheiding van water door de nieren bevorderen).

    Leefstijlfactoren die als onafhankelijke risicofactor een rol spelen, zijn onder meer de body mass index, de toename van deze BMI en roken.

    De onderzoekers zien een myocardinfarct (het afsterven van een deel van de hartspier door onderbreking van de bloedtoevoer ervan door de kransslagaderen) als een situatie van pre-diabetes.
    In een aanvullend commentaar wordt vermeld dat het onderzoek de relatie tussen myocardinfarct en diabetes steeds verder bloot legt.


    Cfr. : http://www.hartaanval.nl/news/displaynewsitem.asp?SEARCH=&PAGE=14&NEWSID=%7BD9FFA980-B1AD-44E5-B8D4-23340DF6B823%7D




    Who is pre-diabetic ?

    Gabe Mirkin, M.D.
    © 2007
    www.DrMirkin.com


    A study from Sweden showed that many people discover that they are diabetic only after they have had a heart attack.
    Researchers recorded blood sugar levels in men who had had heart attacks and then did sugar tolerance tests at discharge and three months later.
    They found that 40 percent had impaired sugar tolerance tests three months later.
    This suggests that 40 percent of people who have heart attacks are diabetic, even though they may not know it.
    The authors recommend that all people with heart attacks be tested for diabetes (Lancet 2002; 359: 2140-44).

    You can tell if you are at high risk for diabetes if you store fat primarily in your belly.
    Pinch your belly; if you can pinch an inch, you are at increased risk and should get a blood test called HBA1C (cfr. :
    http://www.faqs.org/faqs/diabetes/faq/part2/section-9.html -).
    Having high blood levels of triglycerides and low levels of the good HDL cholesterol that helps prevent heart attacks also increases your risk for diabetes.
    When you eat sugar or flour, your blood sugar rises too high.
    This causes your pancreas to release insulin that converts sugar to triglycerides (cfr. :
    http://en.wikipedia.org/wiki/Triglyceride -), which are poured into your bloodstream.
    Then the good HDL cholesterol tries to remove triglycerides by carrying them back into the liver, so having high blood levels of triglycerides and low blood levels of the good HDL cholesterol are both individual risk factors for diabetes.

    High blood levels of insulin constrict arteries to raise blood pressure, so many people who have high blood pressure are also prediabetic.
    High insulin levels also constrict the arteries leading to your heart to cause heart attacks directly.
    People with insulin resistance have an increase in small, dense, low-density lipoprotein (LDL) cholesterol, which is more likely to cause heart attacks than the large, buoyant regular LDL cholesterol.
    High levels of insulin also cause clotting to increase your risk for heart attacks.
    You can help to prevent diabetes and heart attacks by avoiding sugar and flour, exercising and eating lots of vegetables.


    Cfr. : http://www.drmirkin.com:80/diabetes/1555.html



    17-04-2008 om 20:26 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    14-04-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dik worden en medicijngebruik - Deel I
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

















    Dik worden en medicijngebruik

    Deel I

    Van sommige medicijnen word je dik.

    Een vervelende bijwerking van sommige medicijnen is dat je er dikker van kan worden.
    Berucht zijn bijvoorbeeld anti-depressiva en anti-allergie (antihistamine) medicatie.
    Ook zijn er medicijnen die ongewild een hongergevoel stimuleren, zoals sommige middelen tegen reumatische artritis of voor een opgeblazen effect zorgen, zoals Prednison.
    Andere medicijnen hebben bijwerkingen dat je meer vocht vasthoudt; bepaalde hoge bloeddrukmedicijnen bijvoorbeeld of antibiotica en enkele anticonceptiepillen.
    Bent u net begonnen met een nieuw medicijn en komt u opeens aan, overleg dan even met uw huisarts.


    Cfr. : http://communities.zeelandnet.nl/data/tijd_voor_jezelf/index.php?page=13&showpage=25222



    Weight loss - What is obesity ?

    Cynthia Dennison Haines, MD - October 01, 2005 - Reviewed by the Department of Nutrition Therapy at The Cleveland Clinic - ©2005-2008 WebMD


    Obesity is an excess proportion of total body fat.
    A person is considered obese when his or her weight is 20% or more above normal weight.
    The most common measure of obesity is the body mass index or BMI (cfr. :
    http://men.webmd.com/weight-loss-bmi -).
    A person is considered overweight if his or her BMI is between 25 and 29.9; a person is considered obese if his or her BMI is over 30.
    "Morbid obesity" means that a person is either 50%-100% over normal weight, more than 100 pounds over normal weight, has a BMI of 40 or higher or is sufficiently overweight to severely interfere with health or normal function.


    1. - What causes obesity ?

    Obesity occurs when a person consumes more calories than he or she burns.
    For many people this boils down to eating too much and exercising too little.
    But there are other factors that also play a role in obesity.
    These may include :

    • Age
      As you get older, your body's ability to metabolize food slows down and you do not require as many calories to maintain your weight.
      This is why people note that they eat the same and do the same activities as they did when they were 20 years old, but at age 40, gain weight.

    • Gender
      Women tend to be more overweight than men.
      Men have a higher resting metabolic rate (meaning they burn more energy at rest) than women, so men require more calories to maintain their body weight.
      Additionally, when women become postmenopausal, their metabolic rate decreases.
      That is partly why many women gain weight after menopause.

    • Genetics
      Obesity (and thinness) tends to run in families.
      In a study of adults who were adopted as children, researchers found that participating adult weights were closer to their biological parents' weights than their adoptive parents.
      The environment provided by the adoptive family apparently had less influence on the development of obesity than the person's genetic makeup.
      In fact, if your biological mother is heavy as an adult, there is approximately a 75% chance that you will be heavy.
      If your biological mother is thin, there is also a 75% chance that you will be thin.
      Nevertheless, people who feel that their genes have doomed them to a lifetime of obesity should take heart.
      Many people genetically predisposed to obesity do not become obese or are able to lose weight and keep it off.

    • Environmental factors
      Although genes are an important factor in many cases of obesity, a person's environment also plays a significant role.
      Environmental factors include lifestyle behaviors such as what a person eats and how active he or she is.

    • Physical activity
      Active individuals require more calories than less active ones to maintain their weight.
      Additionally, physical activity tends to decrease appetite in obese individuals while increasing the body's ability to preferentially metabolize fat as an energy source.
      Much of the increase in obesity in the last 20 years is thought to have resulted from the decreased level of daily physical activity.

    • Psychological factors
      Psychological factors also influence eating habits.
      Many people eat in response to negative emotions such as boredom, sadness or anger.
      While most overweight people have no more psychological disturbances than people at their normal weight, about 30% of people who seek treatment for serious weight problems have difficulties with binge eating.
      During a binge-eating episode, people eat large amounts of food while feeling they can't control how much they are eating.

    • Illness
      Although not as common as many believe, there are some illnesses that can cause obesity.
      These include hormone problems such as hypothyroidism (poorly acting thyroid slows metabolism), depression and some rare diseases of the brain that can lead to overeating.

    • Medication
      Certain drugs, such as steroids and some antidepressants, may cause excessive weight gain.


    2. - Emotional aspects of obesity

    One of the most painful aspects of obesity may be the emotional suffering it causes.
    American society places great emphasis on physical appearance, often equating attractiveness with slimness or muscularity.
    In addition, many people wrongly stereotype obese people as gluttonous, lazy or both.
    However, more and more evidence contradicts this assumption.
    Obese people often face prejudice or discrimination at work, at school, while looking for a job and in social situations.
    Feelings of rejection, shame or depression are common.


    3. - When to seek help

    You should call your doctor if you are having emotional problems related to your weight, need help losing weight or if you fall into either of the following categories :

    • If your BMI is 30 or greater, you're considered obese.
      You should talk to your doctor about losing weight since you are at high risk of having health problems (cfr. :
      http://www.webmd.com/cholesterol-management/obesity-health-risks -).

    • If you have an "apple shape" - a so-called, "potbelly" or "spare tire" - you carry more fat in and around your abdominal organs.
      Fat in your abdomen increases your risk of many of the serious conditions associated with obesity.
      Women's waist measurement should fall below 35 inches.
      Men's should be less than 40 inches.
      If you have a large waist circumference, talk to your doctor about how you can lose weight.


    Cfr. : http://www.webmd.com/diet/what-is-obesity



    Overgewicht anders bekeken !

    Infoblog.be – Bron : 'Luc's homepage over gezondheid, milieu, voeding en electropollutie' : www.geocities.com/lucasvo


    1. - Mogelijke symptomen

    • te veel vet

    • te veel vocht

    • te veel darmgassen.


    2. - Mogelijke oorzaken of beïnvloedende factoren


    2.1 - Ontregeld honger- en verzadigingscentrum

    Bvb. door stress of door een teveel aan afval- of gifstoffen in de voeding kan ons honger- en verzadigingscentrum ontregeld raken.
    Om deze stoffe, op te slaan en zo te neutraliseren maakt het lichaam extra vet aan, waarvoor het hongercentrum meer geprikkeld moet worden.
    Als men te snel eet en onvoldoende kauwt, dan worden er minder suikers vrijgemaakt uit de eerste verteringsfase en gaat het verzadigingscentrum pas later een impuls krijgen, nl. als de maag vol is en de spanning op de maagwand een impuls geeft aan dit hersencentrum.
    Dit gebeurt vooral bij granen en brood.
    Het zetmeel van brood wordt makkelijk in vet omgezet.
    Kan ook veroorzaakt worden door een gebrek aan ballaststoffen in de voeding, lage kwaliteit van voedingsproducten, hoofdzakelijk gekookt voedsel eten enz.


    2.2 - Eten als doel i.p.v. als middel

    Eten is in de industriële samenleving en de gastronomie een stimulans tot genot geworden (gebruik van extra smaakmiddelen, suiker, kleurstoffen, zout enz.) waardoor het honger- en verzadigingsgevoel misleid wordt.


    2.3 - Lage kwaliteit van voedingsmiddelen

    Door de lage kwaliteit van voedingsproducten, geraffineerde voedingsmiddelen met een gebrek aan vitale stoffen, gaat de mens instinctief meer eten om toch voldoende vitaminen en mineralen binnen te krijgen.
    Ondanks het eten van een grote hoeveelheid voedsel lijden veel mensen toch aan een kwalitatieve ondervoeding…


    2.4 - Erfelijke belasting

    Als één ouder zwaarlijvig is, hebben de kinderen 50% kans het ook te worden.
    Zijn beide ouders zwaarlijvig, dan is de kans ong. 80%.
    Ouders kunnen echter ook het verkeerde voorbeeld geven van eetgedrag : in dit geval spreekt men van 'familiale vetzucht'.
    Het is moeilijker om af te vallen als er sprake is van erfelijkheid, men moet meer opletten, maar het kan zeker wel.


    2.5 - Jojo-effect

    Door het volgen van meerdere diëten, gaat de verbranding trager werken, waardoor men bij het hervatten van het voedingspatroon dat men gewoon was gaat bijkomen.
    De verklaring hiervoor ligt bij onevenwichtige diëten in een verlies aan spierweefsel, een verstoring van de stofwisseling en de natrium-kaliumverhouding of de osmotische druk en het vasthouden van vocht.


    2.6 - Een verstoord zuur-basenevenwicht

    Basenvormende voedingsmiddelen zijn rijk aan water : fruit, groente, melk, aardappelen, yoghurt, ...
    Zuurvormende voedingsmiddelen zijn arm aan water en rijk aan calorieën : olie, boter, noten, vlees, vis, kaas, eieren, soja, granen, brood, …
    Het gaat hier om de verhouding tussen bepaalde mineralen in de voedingsmiddelen.
    De westerse voeding is hfdz. zuurvormend en dit belast de buffersystemen in het lichaam die de zuurtegraad van het bloed binnen bepaalde grenzen moeten houden.
    Een zuurvormende voeding brengt meer gifstoffen met zich mee.
    Cfr. 'Het zuur-basenevenwicht in de voeding !' op :
    http://gezondheid.infoblog.be/316/het_zuurbasenevenwicht_in_de_voeding -.


    2.7 - Een te calorierijke voeding

    Calorieën worden geleverd door koolhydraten, vetten en eiwitten.
    Men heeft zich hier echter lang op blind gestaard.
    Het blijkt nu dat er veel andere factoren een rol spelen, zoals de kwaliteit van de stofwisseling en de vertering, bewerking en bereiding van het voedsel, het soort voedsel, voedselcombinaties, het zuur-basenevenwicht enz.


    2.8 - Brede heupen

    Mensen met brede heupen zullen makkelijker zwaarlijvig worden dan mensen met smalle heupen : ze hebben een groter hongergevoel, een tragere stofwisseling en kunnen moeizamer gifstoffen uitscheiden.
    Door het bredere spijsverteringsstelsel duurt het langer voor hun verzadigingscentrum in werking treedt.


    2.9 - Onvoldoende uitscheiding van afval- of gifstoffen

    Sommige mensen maken extra vet of vocht aan om de afvalstoffen uit de voeding, de vertering, de stofwisseling of het milieu op te slaan en zo onschadelijk te maken.
    Een teveel aan gifstoffen kan ontstaan door meer te eten dan het lichaam nodig heeft, door constipatie, door verkeerde voedselcombinaties en de gistings- en rottingsprocessen als gevolg daarvan, gebrek aan ballaststoffen, door langdurig gebruik van medicamenten, door leidingwater te gebruiken, door voor het lichaam ongeschikt voedsel te gebruiken, door blootstelling aan gifstoffen in het milieu (verfdampen, uitlaatgassen, plasticdampen enz.), door een verstoord zuur-basen evenwicht in de voeding, door additieven in de voeding e.v.a.


    2.10 - Psychische spanningen, stress, emotionele aandoeningen

    Psychische spanningen, stress, emotionele aandoeningen stimuleren de neiging tot zwaarlijvigheid, tot het zoeken van troost voor een gebrek aan waardering en voor een negatief zelfbeeld vooral in suikerrijke voeding, tot eten om de verveling te verdrijven enz.
    Stress kan leiden tot functiestoornissen van het zenuwstelsel, het hormonaal stelsel, de spijsvertering, de waterhuishouding waardoor het vetweefsel meer vocht vasthoudt enz.
    Stress brengt ook heel wat gifstoffen met zich mee.
    Psychische problemen zoals minderwaardigheidsgevoelens, angst, teleurstellingen, zich onbegrepen voelen, negatieve gedachten, introvert karakter, onverwerkte gevoelens, obsessies enz. belasten het zenuwstelsel, wat op langere termijn tot functiestoornissen kan leiden.
    Bij bepaalde mensen is zwaarlijvigheid de weerspiegeling van hun innerlijk leven.
    Stress, psychische spanningen, het gevoelsleven en voeding maken gebruik van dezelfde hersengebieden (o.a. spijsvertering en stofwisseling) en beïnvloeden elkaar.


    2.11 - Bepaalde medicamenten

    Medicamenten als antihistaminica, de pil, migrainemiddelen, antidepressiva, corticosteroïden kunnen een toename van de eetlust of het vasthouden van vocht bewerkstelligen.
    Andere kunnen leiden tot een slechte stoelgang zoals maagzuurremmers, anti-epileptica, kalmerende middelen, middelen tegen ziekte van Parkinson.


    2.12 - Onwetendheid en onverschilligheid

    Ondanks de stortvloed van gezondheidstijdschriften en –programma’s op TV, zijn er veel mensen die weinig weten over de nadelige invloed van suiker, koffie, alcohol, wit brood, charcuterie, additieven enz.
    Sommige mensen weten het wel, maar trekken het zich niet aan onder het idee van “wat moeten we nog eten op den duur ?”, “er is niks goed”, “we moeten toch ergens van doodgaan ?”, “ik heb er geen last van” enz.


    2.12 - Hormonale stoornissen

    Hormonale stoornissen zoals een traag werkende schildklier, die een tragere verbranding geeft van vetten, eiwitten en koolhydraten, tragere stoelgang, vermoeidheid, luiheid, vasthouden van vocht, overgewicht enz..
    Er kan ook sprake zijn van een stoornis van de hypofyse waardoor er teveel insuline geproduceerd wordt en teveel suikerrijke voeding gegeten wordt.
    Ook een voortijdig climacterium bij de vrouw is mogelijk waarbij de eierstokken stoppen met het aanmaken van oestrogeen wat leidt tot vetzucht.
    In verband met de schildklier is het zo dat zwaarlijvige mensen met dit probleem beter heel matig zijn met groente van de Brassica-familie, nl. witte, rode, groene kool, savooikool, bloemkool, spruitjes, broccoli, radijs, Chinese kool, koolrabi, tuinkers, mosterd, mierikswortel, waterkers, tuinkers, …
    Deze bevatten glucosinolaten.
    Bij de afbraak hiervan tijdens de vertering komen mosterdoliën – cfr. :
    http://nl.wikipedia.org/wiki/Mosterdolie - vrij zoals isothiocyanaten en vinylthio-oxazolidine.
    Deze laatste remt de schildklierwerking : het gaat de opbouw van jodium in thyroxine tegen en zorgt voor vergroting van de schildklier (kropvorming).


    2.13 - Verborgen allergie of intolerantie voor bepaalde voedingsmiddelen of additieven

    Verborgen allergie of intolerantie voor bepaalde voedingsmiddelen of additieven kunnen overgewicht of een sterk schommelend gewicht tot gevolg hebben.
    Meestal gaat het om een reactie op bepaalde eiwitmoleculen of additieven die vanuit de darmwand in het bloed terecht komen.
    De darmwand kan te poreus worden als gevolg van allergische reacties die op de darmwand zelf inwerken waardoor deze een deel van de beschermende werking verliest.
    Daardoor kunnen voedselmacromoleculen in de bloedbaan komen.
    Deze onvolledig verteerde proteïnes en endogene toxines in het bloed worden als 'vreemd' beschouwd waardoor de witte bloedlichaampjes hun chemische inhoud vrijgeven.
    Beschadiging en ontsteking van het omliggende weefsel is het gevolg van overstimulering van dit systeem, meestal heeft dit ook tot gevolg dat het lichaam teveel vocht vasthoudt.
    Een tekort aan het enzym IgA (een beschermend bestanddeel in onze ingewanden) kan hetzelfde effect veroorzaken.
    De veranderingen in de cellen zijn nauwelijks waarneembaar en het is vrijwel onmogelijk te herkennen dat er een relatie is met het voedsel dat u regelmatig nuttigt terwijl juist daardoor uw probleem almaar verergert.
    Het vreemde is dat men aan deze voedingsmiddelen waarvoor men een allergie of intolerantie heeft, soms licht verslaafd is en er meer van eet dan nodig.
    Cfr. ook 'De darmen' op :
    http://www.medinet.be/shownews.asp?ID=1312


    2.14 - Bloedsuikerschommelingen

    Bij een te lage bloedsuikerspiegel of hypoglycemie kunnen sommige mensen in de verleiding komen om te grijpen naar ongezond suikerrijk voedsel.


    2.15 - Een voeding die niet geschikt is voor het spijsverteringsstelsel van de mens

    De mens is van nature een planteneter, in het bijzonder een fructivoor (dieren en vruchteneter).
    Door het verlaten van zijn oorspronkelijke biotoop is hij genoodzaakt geweest andere voeding te gaan gebruiken en te kweken om te overleven : granen, vlees, vis, melkproducten enz.
    Door de ontwikkeling van de landbouw, de cultuur, het hebben van een vaste woonplaats en later de industrie, heeft de mens een voedingspatroon ontwikkeld dat soms ver afwijkt van wat de natuur voor hem voorzien heeft; zijn noodvoeding om te overleven werd zijn hoofdvoeding.


    2.16 - Vasthouden van vocht

    Vasthouden van vocht kan het gevolg zijn van een verstoorde natrium-kalium verhouding in de voeding door een te hoge inname van al of niet verborgen zout in de voeding en/of een onvoldoende uitscheiding van zout door de nieren.
    Verder kan het vocht vasthouden een beschermingsreactie zijn om gifstoffen in oplossing te houden.
    Ook zetmeel houdt vocht vast (brood, bakkerswaren, granen).
    Het waterhuishoudingscentrum in de hersenen kan ontregeld zijn bvb. door stress of er kan een probleem zijn ter hoogte van het lymfestelsel, het hart of de nieren.
    Mensen die weinig eten en toch zwaarlijvig zijn, houden waarschijnlijk eerder vocht vast, hoewel dit niet altijd zo is.
    Andere symptomen bij deze mensen zijn veel dorst, veel drinken, zweten en plassen.


    2.17 - Te veel vet in de voeding

    Te veel vet in de voeding kan ook het gevolg zijn van een teveel aan suikers of eiwitten dat in vet wordt omgezet.
    Laten we ook niet de verborgen vetten vergeten in allerhande snoep en bakkerswaren, in fastfood, volle melkproducten enz.
    Een ander element dat een rol kan spelen is een tekort aan gammalinoleenzuur (GLZ), het vertrekpunt voor hormoonachtige verbindingen als prostaglandinen, die heel wat functies in organen stimuleren en controleren.
    Uit teunisbloemolie gesynthetiseerde prostaglandinen (vetzuur in het lichaam) activeren een sluimerend type lichaamsvet om sneller calorieën te verbranden én bevorderen de uitscheiding van natrium uit lichaamscellen, wat leidt tot een verminderen van vastgehouden vocht.
    Een supplement met teunisbloemolie, zoals Barlean’s Essential Woman Oil, kan zelfs zonder een dieet te volgen, heel wat kilo’s doen kwijtspelen.

    Prostaglandinen
    Prostaglandinen zijn een groep hormonen, die werken op lokaal niveau in het reguleren van ontsteking, verwijding en vernauwing van bloedvaten, pijn en koorts.
    Voorts beschermen ze de maagwand tegen de zure maaginhoud.
    Men ontdekte prostaglandines voor het eerst in het prostaatvocht van de mannelijke dieren, maar deze hormonen zijn ook elders in het lichaam (bijv. traanvocht) aanwezig.
    Bij niet-drachtige vrouwelijke dieren vindt productie plaats in de baarmoederwand.
    Als grondstof voor prostaglandines wordt het arachidonzuur gebruikt, zodat de essentiële onverzadigde vetzuren ook hun betekenis hebben bij de ovulatiecyclus.
    Prostaglandines worden onwerkzaam gemaakt bij de passage van de longen in de kleine bloedsomloop.
    Om te voorkomen, dat de concentraties prostaglandines te laag worden om nog effecten te bewerkstelligen in de ovaria, is er een opvallend transportsysteem aanwezig de ader, die het bloed vanaf de baarmoederwand wegvoert, wordt een aantal malen omslingerd door de slagader, die het bloed naar de eierstok voert en juist op deze plaats vindt overdracht plaats van prostaglandines vanuit de ader naar de slagader.
    Cfr. :
    http://nl.wikipedia.org/wiki/Prostaglandine


    2.18 - Bepaalde persoonlijkheidseigenschappen of psychische problemen

    Bepaalde persoonlijkheidseigenschappen of psychische problemen kunnen zich reflecteren in overgewicht, zoals moeilijk iets kunnen loslaten, minderwaardigheidsgevoelens, meerderwaardigheidsgevoelens of een opgeblazen ego, een belangrijke (gewichtige) positie innemen bvb. in een bedrijf, angstgevoelens, hoge kwetsbaarheid, eenzaamheid, luiheid, onverschilligheid, apathie, onwetendheid, gebrek aan langetermijndenken enz.


    2.19 - Te veel darmgassen

    Een teveel aan darmgassen kan veroorzaakt worden door te snel eten, een verstoorde darmflora, verkeerde voedselcombinaties, voedselintoleranties, te veel eten, moeilijk verteerbare voedingsmiddelen zoals bonen, kolen, ajuinen enz.
    In feite ontstaan gassen door onvoldoende darmflora, die niet in staat is de eiwit- en suikerresten af te breken.
    Gassen wegen niets maar kunnen wel het figuur vervormen.
    Bovendien komen er door de gistings- en rottingsprocessen toxische stoffen in het bloed terecht, waarop het lichaam kan reageren door extra vet of vocht aan te maken om ze te neutraliseren.


    2.20 - Constipatie

    Mensen kunnen meerdere kilo’s stoelgang met zich meedragen als ze leiden aan constipatie.
    De normale regel is “bij elke maaltijd hoort een stoelgang”.
    Ik verwijs naar de tekst over 'Constipatie' op :
    http://gezondheid.infoblog.be/abc/Constipatie – en over 'Verstopping” op : http://gezondheid.infoblog.be/abc/Verstopping -.
    Bovendien kan men ook heel wat nooit uitscheiden stoelgang met zich meedragen die aan de wand van de darm is blijven kleven als een laag rubber en daar de opname van nuttige stoffen belemmert.
    Een goede remedie hiervoor, onder doktersbegeleiding, zijn hoge darmspoelingen (cfr. :
    http://users.pandora.be/zeldzame.ziekten/List.d/Hdarmsp.htm -).
    Door onvoldoende functioneren van de darm bvb. door gebrek aan ballaststoffen, door minderwaardig voedsel, door vooral gekookt voedsel te eten e.d. wordt constipatie in de hand gewerkt.
    Omdat de darmen onvoldoende werken en een slechte vertering veroorzaken, kan men zwaarlijvig worden; het overgewicht veroorzaakt dan weer een vertraging van de darmwerking.


    2.21 - Gebrek aan lichaamsbeweging

    Voor een uitvoerige beschrijving van de effecten van een gebrek aan lichaamsbeweging verwijs ik naar de rubriek 'Lichaamsbeweging is een gezonde bezigheid' op : http://gezondheid.infoblog.be/419/lichaamsbeweging_is_een_gezonde_bezigheid – en 'Lichaamsbeweging in verschillende stukjes effectiever' op : http://gezondheid.infoblog.be/nieuws/146/lichaamsbeweging_in_verschillende_stukjes_effectiever - de tekst over lichaamsbeweging elders op de site.
    Beweging zorgt voor een betere bloedcirculatie, meer uitademing, transpiratie, een betere stoelgang en op deze manieren raakt men meer gifstoffen kwijt.


    2.22 - Verkeerde voeding

    Als we spreken over verkeerde voeding denken we hier aan geraffineerde producten zoals industriesuiker, wit meel (tarwebloem), zout en de talloze producten waar dit aan toegevoegd werd zoals snoep, wit brood, deegwaren, gebak, taart, koeken, chocolade, conserven, fast-food enz. én aan bier, wijn, koffie, frisdranken, zwarte thee.
    Al deze “lekkere” producten zijn vitaminen- en mineralenrovers, belasten de spijsverterings- en uitscheidingsorganen en zorgen voor extra gifstoffen die zorgen voor extra vet of vocht en darmgassen.


    2.23 - Verkeerde drank

    Heel wat klassieke dorstlessers hebben een nadelige invloed op de gezondheid : bier, wijn, frisdrank, chocomelk, gewone thee, koffie enz.
    Cafeïne wekt bij breedgebouwde mensen de eetlust op, heeft een negatieve invloed op de insuline-productie zodat de behoefte aan suiker toeneemt.
    Bovendien bevat koffie veel gifstoffen zoals purinen, reststoffen uit de chemische landbouw, smaak- en bewaarstoffen.
    Het feit dat men koffie nodig heeft om op gang te komen en te blijven, wijst op een slechte ontgifting.
    Voor een uitgebreide bespreking verwijs ik naar de tekst 'Wat zullen we drinken ?' op :
    http://gezondheid.infoblog.be/437/wat_zullen_we_drinken -.
    Ook cola, gewone thee en chocolade bevatten cafeïne.


    2.24 - Te weinig slaap

    Tijdens de slaap worden gifstoffen opgeruimd.
    Door onvoldoende slaap raakt men dus minder gifstoffen kwijt.
    Om wakker te worden of te blijven overdag, grijpt men naar koffie, dat zelf een bron is van gifstoffen.
    Zoals eerder uitgelegd, maken sommige mensen extra vet of vocht aan om gifstoffen in op te slaan.


    2.25 - Roken

    Roken kan bijdragen tot dichtslibbing van bloedvaten, hoge bloeddruk, chronische longproblemen enz.
    Maar in tabaksrook zitten ook zeer veel giftige stoffen, niet alleen teer, nicotine en koolmonoxide !
    In een sigaret zijn ongeveer 4700 bestanddelen te vinden, waarvan er zeker 43 kankerverwekkend zijn.
    De reactie op gifstoffen werd reeds eerder uitgelegd.
    Anderzijds is het zo dat het stofwisselingstempo afneemt door het stoppen met roken en men hierdoor dus minder energie verbruikt; men heeft dan ook nog de behoefte om iets in de mond te steken, een verbetering van de smaak en de reuk.
    Deze factoren kunnen bijdragen tot een toename van het gewicht.


    26. - Te veel eiwit

    Een te groot aanbod aan eiwit is één van de belangrijkste oorzaken van veel beschavingsziektes.
    Eiwit is de moeilijkst te verteren voedingsstof en laat veel afvalstoffen achter; eiwitrijke voedingsmiddelen hebben bijna altijd een zuuroverschot en worden bovendien bijna altijd in een verkeerde voedselcombinatie gegeten, wat ook weer extra afvalstoffen met zich meebrengt.
    We weten intussen dat onvoldoende uitscheiding van afvalstoffen kan leiden tot overgewicht bij mensen die hiervoor aanleg hebben.
    Ik verwijs ook naar de tekst over eiwit en de aminozurenbank.



    3. - Mogelijke verwikkelingen


    3.1 - Arteriosclerose of aderverkalking

    Arteriosclerose of aderverkalking verhogen de kans op hoge bloeddruk, hart- en vaatziekten, spataders.
    Ik verwijs voor meer uitleg naar de teksten over


    3.2 – Ademhalingsproblemen

    De opgezette buik drukt tegen het middenrif en de longen kunnen onvoldoende uitzetten, waardoor een oppervlakkige ademhaling ontstaat en men vlugger buiten adem raakt.
    Tevens ontstaat er een moeilijkere bloedsomloop van de longen.


    3.3 – Suikerziekte

    Bij een koolhydraatrijke en/of vetrijke voeding is de insuline behoefte groter en wordt de pancreas zwaarder belast.
    De insulineproductie kan uitgeput raken.


    3.4 – Spijsverteringsproblemen

    Vooral bij een ongecontroleerd eetgedrag of eetverslaving kunnen spijsverteringspoblemen ontstaan.
    In het bijzonder denken we aan winderigheid of darmgassen, constipatie, belasting van de pancreas, galklachten.


    3.5 – Artrose

    Door het grotere gewicht wordt het kraakbeen van de gewrichten zwaarder belast en gaan de steungewrichten zoals knieën, heupen en de ruggenwervels degenereren.
    Dit maakt de bewegingen moeilijker en zal de noodzaak om aan regelmatige lichaamsbeweging te doen belemmeren.


    3.6 – Rugklachten

    De druk van de uitgezette buik op de ruggenwervels, het gewicht van de organen en van het lichaam zelf betekenen een zware belasting voor de rugspieren en de ruggenwervels, soms uitmondend in hernia.
    Ook stress en emotionele aandoeningen hebben een invloed op spierspanningen.


    3.7 - Seksuele stoornissen

    Seksuele stoornissen kunnen ontstaan door versmachting van de geslachtsorganen in het bekken, waar zich immers makkelijk vet en vocht ophopen.
    Hier komt nog bij dat zwaarlijvige mensen zich vaak niet aantrekkelijk voelen.
    Zwaarlijvige vrouwen hebben meestal een moeilijkere bevalling dan slanke.
    Zwaarlijvige mensen raken ook moeilijker aan een partner.


    3.8 - Vroegtijdige veroudering

    Door de grotere belasting van vitale organen zoals het hart, de longen, de lever, de nieren, de pancreas en de galblaas.


    3.9 - Grotere kans op ongelukken

    Door de traagheid in bewegen en reageren vergroot de kans op ongevallen.
    Er is vaak meer pijn en verwonding door het zwaardere gewicht, men loopt makkelijker ergens tegen.


    3.10 - Zwakkere weerstand

    Door de belasting door zwaarlijvigheid kunnen organen zich moeilijker verdedigen, zweet men vaak meer, loopt men meer risico op infecties.
    Soms wordt de immuniteit ook verzwakt door negatieve gedachten, een laag zelfbeeld, depressiviteit.


    3.11 – Slaapproblemen

    Slaapproblemen kunnen ontstaan door de moeilijkere ademhaling, negatieve gedachten, het niet vinden van een goede slaaphouding door de uitgezette buik.


    3.12 – Vermoeidheid

    Vermoeidheid kan het gevolg zijn van eventuele slaapproblemen, meer infecties, de grotere inspanning bij beweging door het grotere gewicht, de traagheid, een verstoorde bloedsuikerspiegel, negatieve gedachten en gevoelens, rugklachten, een moeilijkere uitscheiding van gifstoffen enz.


    3.13 - Psychische problemen

    Een grote druk kan ontstaan door het opgedrongen slankheidsideaal, de reacties van de omgeving, gevoelens van minderwaardigheid, onmacht, schuld, angsten, ontevredenheid, afwijzing enz.


    3.14 - Maagbreuk en liesbreuk

    Door de grote druk van de uitgezette buik kan de maag door het middenrif geraken via de opening voor de slokdarm in het middenrif.
    Dit kan allerlei soorten spijsverteringsproblemen zoals reflux, slokdarmontsteking of –vernauwing als gevolg hebben.
    Bij een liesbreuk stulpt het buikvlies uit door een zwakke plek in de liesstreek (dit kan operatief hersteld worden).



    4. - Preventie en behandeling


    Afslanken is op de eerste plaats ontgiften en bijgevolg komen tot een gezond, dagelijks voedingspatroon dat aangepast is aan iemands individuele constitutie en aanleg voor bepaalde ziekten.
    Om iemands voeding, lichaamsbeweging en psychische ingesteldheid op punt te stellen, dient men toch te rekenen op een periode van min.drie jaar.
    Dit is heel wat anders dan de knaldiëten die overal in tijdschriften en boeken opduiken.
    Het heeft geen zin om op korte tijd veel gewicht te verliezen om het daarna op korte tijd weer bij te winnen en te hervallen in dezelfde fouten.
    Niet alleen het lichaam in het bijzonder de spijsvertering, de stofwisseling, het zenuwstelsel, het hormonaal stelsel enz. heeft tijd nodig om aan het nieuwe, betere voedingspatroon te wennen, maar ook de geest.

    De behandeling kan zich globaal op drie terreinen richten :


    4.1 - Levenswijze
     

    - Lichaamsbeweging
    Uithoudingssporten zoals wandelen, fietsen, zwemmen
    Men kan de fiets met fietstassen aan het bagagerek of de benenwagen nemen om te gaan winkelen in plaats van de auto, op het werk kan men tijdens de pauze eventjes een luchtje gaan scheppen, een hond aanschaffen om te kunnen (moeten) gaan wandelen enz.

    - Manuele behandelingen leren of laten toepassen zoals massage, lymfedrainage, voetreflexologie, dieptemassage, de huid afborstelen enz.

    - Stressbeheersing vb. door spierontspanningsoefeningen, ademhalingsoefeningen, yoga, t’ai-chi

    - Eventuele slaapproblemen aanpakken

    - Zoeken van een leuke hobby, vrijwilligerswerk, een opleiding om iets zinvol om handen te hebben in plaats van te eten uit verveling of teveel aan eten te zitten denken

    - Dragen van makkelijke maar mooie kleding in plaats van ongemakkelijke mode en hoge hakken die de gewrichten en de rug belasten

    - Jezelf leren verwennen met andere dingen dan chips, gebak, taart enz.
    Bijvoorbeeld door een massage (geven of krijgen), verdampen van etherische olie in de woning, een wandeling in het park, iets herinrichten in de woning, werken in de tuin, lezen van een goed boek enz.

    - Sociaal contact : opzoeken van lotgenoten en niet zichzelf afzonderen om geen kwetsende blikken of reacties te krijgen

    - Stoppen met roken : hiervoor kan de huisarts goed hulp bieden.


    4.2 - Voeding

    Er zijn verschillende mogelijkheden of stappen.

    Gespreid over min. 3 jaar gaat men meer en meer natuurlijke voedingsmiddelen gebruiken en steeds minder voedingsproducten.
    Het aandeel groente, fruit, aardappelen, goede vetten, kruiden, honing, volle granen enz. neemt toe en het aandeel suiker, zout, verborgen vetten, vlees, wit brood of witte deegwaren, koffie, frisdrank, alcohol enz. neemt af.
    Men zet telkens een kleine stap in de goede richting.

    Dit kan door bvb. te beginnen met het zich eigen maken van de goede gewoonte ’s ochtends alleen fruit te eten of brood met groente en voor de rest van de dag zoals men gewoon is.

    Enkele weken of maanden later kan men proberen slechts 3 keer per week vlees te eten in plaats van elke dag of men kan op zoek gaan naar confituur zonder suiker; naar carobpasta in plaats van choco; men kan frieten eten met ketchup in plaats van mayonaise; men kan op het werk of onderweg ergens een broodje “gezond” kiezen in plaats van met kaas of hesp; granenkoffie in plaats van gewone koffie; kruidenthee in plaats van gewone thee; knäckebröd of rijstwafels in plaats van altijd brood; op restaurant kiezen voor een vegetarische maaltijd; kiezen voor een vegetarische pizza; groentesap of fruitsap drinken in plaats van frisdrank; desserts weg te laten; de combinatie zetmeelrijke met eiwitrijke voedingsmiddelen weglaten en kiezen voor één van de twee; telkens met groente; etiketten van voedingsproducten leren lezen; tussendoor een kom soep drinken of een stuk fruit eten in plaats van een paar koeken of een stuk chocolade enz.
    Dit alles zonder forceren en naargelang de eigen creativiteit en mogelijkheden.

    Men kan overwegen een wekelijkse “rust”-dag voor de spijsvertering in te schakelen bvb. op zondag, waarbij men alleen kruidenthee met honing of alleen groentesoep of fruitsap gebruikt of alleen fruit eet, alnaargelang iemands voorkeur.

    Men kan regelmatig een vastenkuur doen (onder begeleiding), een sapkuur, een monodieet (vb. een druivenkuur van 2 dagen) of een gemengd fruitdieet van een dag of enkele dagen.
    Als men gezonder gaat eten en drinken, meer gaat bewegen, gaat het lichaam de kans grijpen om de opgestapelde gifstoffen kwijt te raken.
    In verband met ontgiftingsreacties is het aangewezen traag over te schakelen naar een gezondere voedingswijze in plaats van drastisch en radicaal, niet te overdrijven met sporten, reinigende kruidenthees te drinken, warme baden of douches te nemen enz.
    Hoge darmspoelingen kunnen door een arts toegepast worden om de darmen te zuiveren.


    4.3 - Psyche

    - Gesprekstherapie om oorzaken van psychische problemen te achterhalen, om beter met gevoelens te leren omgaan, vb. door middel van de SAM-methode.
    Spelen emotionele problemen een belangrijke rol in iemands gemoedsleven, dan kan het beter zijn dat men eerst therapie volgt vóór men aan vermageren denkt :

    • Creativiteit stimuleren
    • Levenshouding in vraag stellen en verbeteren
    • Visualisatieoefeningen, autosuggestie, positief denken.


    Cfr. : http://gezondheid.infoblog.be/225/overgewicht_anders_bekeken




    Dik worden en medicijngebruik

    Ruud van Dorth – v.dorth@planet.nl
    Schizofrenieplein.nl, 20-06-2004 (laatste bewerking : 20-07-2006) – Bron : Ypsilon Nieuws, juni 2004 - © Redactie Ypsilon Nieuws


    Overgewicht leidt tot negatief welbevinden en kan naast lichamelijke ook psychische gevolgen hebben.
    En als je ook nog eens denkt dat jouw overgewicht te wijten is aan de medicijnen die je slikt, kan dat kwalijke gevolgen hebben voor de medicatietrouw.
    Ruud van Dorth zet op een rijtje wat de oorzaken zijn van dik worden bij antipsychoticagebruik en wat je eraan kunt doen.

    Het aantal mensen dat te dik is neemt toe.
    Eén miljard mensen op de wereld zou thans aan overgewicht leiden, een derde hiervan in ernstige mate.
    De Verenigde Staten hebben de twijfelachtige eer om voorop te lopen op dit gebied : de helft van de bevolking is te zwaar en één op de drie mensen leidt aan obesitas (vetzucht).
    In alle Westerse landen speelt dit probleem, maar ook in ontwikkelingslanden gaat het steeds meer de verkeerde kant op.
    En wat Nederland betreft : volgens de Wereldgezondheidsorganisatie zal, als de huidige ontwikkelingen zo doorgaan, in 2025 een kwart van de Nederlanders aan vetzucht leiden.

    Om het lichaamsgewicht constant te houden moeten energie–inname (via voedsel) en energieverbruik met elkaar in evenwicht zijn.
    In toenemende mate is het daar in de afgelopen tientallen jaren misgegaan.
    Maaltijden zijn gevarieerder, maar ook calorierijker geworden en flinke lichamelijke inspanning, met veel energieverbruik, komt in onze dagelijkse bezigheden steeds minder voor.

    De kansen om te dik te worden zijn overigens niet voor iedereen gelijk : naast de ’leefstijl’ dragen genetische factoren voor 40 á 50 procent bij aan overgewicht.
    Veel verschillende genen beïnvloeden de eetlust, de stofwisseling en het aantal vetcellen.
    En hoe meer de aanleg een rol speelt, hoe moeilijker het is om slanker te worden.


    Slankheidsnorm

    Overgewicht leidt tot een negatief welbevinden van veel mensen en het vermindert de levensverwachting.
    Zo verhoogt het in sterke mate de kans op het ontstaan van hart– en vaatziekten, op type 2–diabetes, op gewrichtsklachten en op kanker.
    De behandeling van deze ziekten legt dan ook overal een steeds groter beslag op de gezondheidszorg.

    Te dik zijn kan ook psychische gevolgen hebben.
    Het niet kunnen voldoen aan de ‘slankheidsnorm’, die in de Westerse wereld zo’n belangrijke rol speelt, veroorzaakt vaak minderwaardigheidsgevoelens, schuldgevoelens en soms depressie.

    Veel mensen die behandeld worden voor een psychose hebben ook last van overgewicht.
    In principe zijn dezelfde oorzaken als bij de rest van de bevolking hiervoor verantwoordelijk.
    Maar door de inactiviteit welke vaak deel uitmaakt van het ziektebeeld en door de soms bijzondere verblijfssituatie van de patiënten, die bovendien veelal niet deelnemen aan het arbeidsproces, kunnen verkeerde voedingsgewoonten en onvoldoende beweging hard aankomen.
    Bovendien is er nog een extra risicofactor bij deze groep.
    Antipsychotica kunnen namelijk tot dikker worden leiden en ook medicijnen tegen depressie – we laten deze verder buiten beschouwing – vertonen soms eenzelfde effect.

    Gewichtstoename was al bekend bij de allereerste antipsychotica, zoals chloorpromazine (Largactil), in de zestiger jaren.
    Bij middelen als haloperidol (Haldol) en pimozide (Orap) en flupenthixol (Fluanxol) was er geen of een geringe gewichtstoename.
    Bij deze eerste generatie antipsychotica kwamen wel veel andere bijwerkingen voor.
    Vooral de – soms gevaarlijke – bewegingsstoornissen zijn berucht.
    De tweede generatie geneesmiddelen – atypische antipsychotica genoemd – werd daarom in de negentiger steeds belangrijker en steeds meer als voorkeursmiddel toegepast.
    Ze hebben minder vervelende bijwerkingen en zouden ook beter werken op de zogenoemde ‘negatieve symptomen’ (inactiviteit).
    De deskundigen zijn het er nog niet over eens of dit laatste gunstige effect wel voorkomt in de praktijk van alledag.
    Steeds meer blijkt overigens, dat het bij deze nieuwere geneesmiddelen niet zozeer om minder bijwerkingen gaat, maar eerder om andere.
    En zowel bij de ‘oudere’ als bij de ‘nieuwere’ middelen zijn die bijverschijnselen vaak reden voor de patiënt, om voortijdig te stoppen met de medicijnen.

    Zichtbaar en daardoor snel als een probleem ervaren is de gewichtstoename, die naar schatting bij 50 procent van de gebruikers van de atypische antipsychotica ontstaat.
    Die is per middel verschillend.
    De gemiddelde gewichtstoename na 10 weken is bij het gebruik van clozapine (Leponex – cfr. :
    http://www.hulpgids.nl/medicijnen/medicijnsoorten/clozapine.htm -) bijvoorbeeld 4,5 kg, bij olanzapine (Zyprexa – cfr. : http://www.hulpgids.nl/medicijnen/medicijnsoorten/olanzapine.htm -) 4,1 kg, bij risperidon (Risperdal – cfr. : http://www.hulpgids.nl/medicijnen/medicijnsoorten/risperidon.htm -) en bij quetiapine (Seroquel – cfr. : http://www.hulpgids.nl/medicijnen/medicijnsoorten/quetiapine.htm -) 2,1 kg.
    De toename van het gewicht kan soms nog lang doorgaan.


    Mogelijkheden

    Veel mensen worstelen dagelijks met hun gewichtsproblemen, waarvoor een uitgebreide ‘slankheids–industrie’ is ontstaan.
    De resultaten van alle inspanningen zijn wisselend en vaak zeer bescheiden.
    Bij mensen met een psychose kan het medicijngebruik dan nog een extra belastende factor vormen.

    Welke mogelijkheden zijn er voor deze speciale groep ?

    Verlaging van de toegepaste dosering heeft weinig zin.
    De gewichtstoename is namelijk onafhankelijk van de dosis.
    Dit bijverschijnsel van de atypische antipsychotica verschilt in dit opzicht van die van de bijwerkingen van de klassieke, waar wel een relatie tussen dosering en bewegingsstoornissen bestaat.
    Overstappen op een geneesmiddel met een minder gewichtsverhogend profiel zou een alternatief kunnen zijn.
    Werkt dat andere middel echter even goed bij deze patiënt ?
    Veroorzaakt het geen andere vervelende bijwerkingen ?
    Verschillende bijverschijnselen (zoals bijvoorbeeld hormonale veranderingen) kunnen namelijk in verschillende frequentie bij de diverse merken voorkomen.
    Goed overleg met de behandelaar is daarom beslist noodzakelijk.

    Veel mensen, die behandeld worden voor een psychose, stoppen voortijdig met hun medicijnen.
    De bijwerkingen spelen daarbij een belangrijke rol.
    Stoppen om deze reden is natuurlijk geen alternatief.
    De kans op het verergeren of weer terugkomen van de psychose is immers groot.

    In bijzondere gevallen worden bij de behandeling van ‘gewone’ vetzucht soms vermageringsmiddelen gebruikt.
    Deze pillen hebben slechts een bescheiden gewichtsverlagend effect en helaas geen invloed op de belangrijke gedragscomponenten bij te dik zijn.
    Er zijn geen voordelen gevonden voor het gebruik van deze middelen bij mensen die voor een psychose behandeld worden.
    Er zijn zelfs argumenten die pleiten tégen het gebruik door deze groep.

    Internationaal worden enkele atypische antipsychotica gebruikt, die in Nederland nog niet geregistreerd of op de markt zijn.
    Het gaat dan om ziprasidon (Zeldox) en aripiprazole (Abilify).
    Deze medicijnen zouden nauwelijks tot gewichtsvermeerdering leiden.
    De voor– en nadelen van deze middelen ten opzichte van de huidige medicijnen op de Nederlandse markt zullen binnenkort duidelijker zijn.
    Want natuurlijk gaat het om het afwegen van meerdere factoren !

    In steeds meer instellingen in Nederland worden patiënten geholpen om tot gedragsveranderingen te komen bij het omgaan met de bijwerkingen van psychofarmaca. Zo bestaan er bijvoorbeeld op verschillende plaatsen loopgroepen. Deze zijn niet alleen gericht op gewichtsvermindering, maar ook op de lichamelijke en geestelijke stimulering, die van deze running therapy uitgaat. Soms zijn deze programma’s verder uitgebouwd tot een gestructureerd gewichtscontroleprogramma. Er is dan tevens psychiatrische en psychologische consultatie, dieetvoorlichting en begeleiding en er vindt psycho–educatie plaats. Bij de Symforagroep in Amersfoort functioneert een dergelijke groep al tien jaar en staat nu open voor de gehele regio. Op andere plaatsen zullen er beslist ook dergelijke initiatieven zijn. De gunstige ervaringen, die gemeld werden uit dit soort programma’s zijn kort geleden, in een Amerikaans onderzoek, nu ook voor het eerst wetenschappelijk aangetoond. Daarmee is het laatste woord natuurlijk nog niet gezegd, het gaat om één onderzoek, dat nader bestudeerd en herhaald moeten worden.

    Antipsychotica gebruiken zonder dikker te worden, wordt wellicht straks wat makkelijker. Niet alleen door nieuwere medicijnen, maar óók door anders met eten en bewegen om te gaan.

    Cfr. ook : http://www.ad.nl/diagnose/article1657902.ece


    Lees verder Deel II

     

    14-04-2008 om 19:58 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (5 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dik worden en medicijngebruik - Deel II
    Klik op de afbeelding om de link te volgen
















    Dik worden en medicijngebruik

    Deel II


    Atypische antipsychotica en gewichtstoename
    - Een zwaarwegende bijwerking -

    K. Cengic en H. Mulder - Pharmaselecta.nl


    Samenvatting

    Een groot percentage van de patiënten dat antipsychotica gebruikt, is niet therapietrouw op de voorgeschreven medicatie.
    Naast de veel beschreven extrapiramidale stoornissen geven patiënten aan dat zij gewichtstoename als één van de vervelendste bijwerkingen ervaren.
    Daarnaast wordt overgewicht geassocieerd met diverse ziektebeelden zoals diabetes mellitus en hart- en vaatziektes.
    Gezien deze risico's is het van groot belang om de toename van het gewicht tijdens de behandeling zo veel mogelijk te beperken.

    De meeste atypische antipsychotica geven een grotere kans op overgewicht dan de klassieke middelen, waarbij het risico bij clozapine en olanzapine het grootst is.
    Er zijn verschillende receptoren betrokken bij de regulatie van de gewichtstoename, onder andere een subtype serotoninereceptor (5-HT2C), histaminereceptoren en adrenerge receptoren.

    Door patiënten met een verhoogd risico op gewichtstoename of aan gewicht gerelateerde ziektes te behandelen met middelen die de minste invloed hebben op het gewicht en een goede voorlichting te geven, kan de gewichtstoename worden beperkt.


    Abstract

    A substantial proportion of patients treated with antipsychotics do not take their medication appropriately.
    Besides the often-reported extra-pyramidal disturbances, many patients report weight gain as being one of the most unpleasant side effects.
    Overweight is also associated with various disorders, such as diabetes mellitus and cardiac and vascular diseases.
    Given these risks, it is important to restrict the weight gain during treatment as much as possible.

    Most atypical antipsychotics carry a greater risk of weight gain than most of the classical drugs, the risk being greatest with clozapine and olanazapine.
    Several receptors are involved in weight regulation, among which a serotonin receptor subtype (5-HT2C), histamine receptors and adrenoceptors.

    Weight gain can be limited by treating patients at extra risk of weight gain or of diseases associated with overweight with drugs that have the least effect on weight gain and by giving them appropriate information and advice.


    1. - Inleiding

    Een percentage variërend van 20 - 89 van de patiënten die antipsychotica gebruikt, is niet therapietrouw op de voorgeschreven medicatie.[1]
    Therapieontrouw kan leiden tot een hoger risico op terugval van psychotische symptomen.
    Belangrijke determinanten voor therapieontrouw zijn het ontbreken van respons en het optreden van bijwerkingen.[2]
    Naast de veel beschreven extrapiramidale stoornissen geven patiënten aan dat zij gewichtstoename als één van de vervelendste bijwerkingen ervaren.[3]
    Gewichtstoename als gevolg van antipsychotica is allang bekend; reeds in de jaren vijftig werd met de komst van chloorpromazine deze bijwerking gemeld.
    De problemen met gewichtstoename lijken echter groter bij het gebruik van atypische antipsychotica.
    Chronisch gebruik van (atypische) antipsychotica veroorzaakt bij ongeveer de helft van de schizofreniepatiënten gewichtstoename.[4]
    Overgewicht wordt in onze maatschappij als onesthetisch gezien.
    Dit kan het zelfvertrouwen schaden en het dagelijks functioneren negatief beïnvloeden.
    Uiteindelijk kan dit ervoor zorgen dat de patiënt de therapie staakt, met als gevolg een terugval in een psychose.
    Daarnaast wordt overgewicht geassocieerd met diverse ziektebeelden zoals diabetes mellitus, hyperlipidemie, hypertensie, coronaire hartziekten, beroerte, problemen met de ademhaling, osteo- artritis en sommige typen kanker (van borst, endometrium, prostaat en colon).[5]

    Preventie van gewichtstoename als gevolg van antipsychotica zou een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan de patiëntenzorg van psychiatrische patiënten.
    Voor deze preventie is het noodzakelijk kennis te hebben van mogelijke mechanismen en determinanten voor gewichtstoename.
    Daarnaast is het belangrijk te weten of er afwijkingen bestaan in het risico op gewichtstoename tussen de verschillende antipsychotica.
    Dit artikel geeft een overzicht van de beschikbare informatie over deze onderwerpen.


    2. - Gewichtstoename en receptoren

    Het risico op gewichtstoename verschilt per antipsychoticum.
    Dit wordt mogelijk veroorzaakt door de uiteenlopende affiniteiten van de te onderscheiden antipsychotica voor receptoren die betrokken zijn bij het optreden van gewichtsveranderingen.
    In eerste plaats is een subtype van de serotoninereceptor (5-HT2C) een van de belangrijke receptoren die betrokken is bij de gewichtregulatie.
    Toediening van 5-HT2C -antagonisten leidt tot hogere voedingsinname en hoger lichaamsgewicht bij ratten.
    Knock-out muizen zonder 5-HT2C-receptoren zijn zwaarder en hebben daarnaast een grotere kans op het ontstaan van diabetes.[6]

    In de tweede plaats is er de mogelijke rol van histaminereceptoren.
    Een afname van de voedselinname bij ratten wordt waargenomen na activering van de postsynaptische H1-receptor of inhibitie van presynaptische H3-receptoren.

    Histamine uit de hypothalamus speelt daarnaast mogelijk ook een rol in leptine gemoduleerde voedingsinname.
    Inhibitie van histaminerge banen remt de leptine geïnduceerde reductie van het hongergevoel bij muizen.[7]
    Leptine is een peptide dat onder andere in vetcellen wordt gesynthetiseerd.
    Normaal zorgt een toename in lichaamsvet voor een verhoogde leptine-afgifte en gereduceerde voedselinname.
    Gewichtstoename samen met een toename van de leptinesecretie is gerapporteerd bij behandeling met clozapine en olanzapine.
    Een toegenomen leptine-afgifte wordt echter gezien als secundair aan een toegenomen eetlust en de gewichtstoename.[8]
    Mogelijk is er ook sprake van een afgenomen gevoeligheid voor leptine bij patiënten behandeld met antipsychotica.[9]

    Figuur 1 - Receptorprofielen van verschillende atypische antipsychotica met uitlichting van risicoreceptoren voor gewichtstoename
    Cfr. 'Antipsychotic-induced weight gain - A comprehensive research synthesis'
    op : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/10553730

    In de derde plaats is het bekend dat vele psychotrope geneesmiddelen die een hoge affiniteit voor α1- en/of α2-receptoren hebben (bijvoorbeeld tricyclische antidepressiva) zorgen voor gewichtstoename, terwijl de geneesmiddelen die weinig affiniteit hebben voor deze receptoren (bijvoorbeeld selectieve serotonineheropnameremmers), deze bijwerking niet hebben.

    Tenslotte zijn er naast deze drie receptortypes nog vele andere receptoren die mogelijk geassocieerd zijn met het optreden van gewichtstoename.
    Voorbeelden hiervan zijn dopaminereceptoren en noradrenalinereceptoren.
    Ondanks de wetenschap over de invloed van bovengenoemde receptoren op het gewicht, is het moeilijk te voorspellen wat voor een effect een antipsychoticum met een bepaald farmacologisch profiel op het gewicht heeft.
    Atypische antipsychotica hebben naast affiniteit voor D2-receptoren ook affiniteit voor veel andere receptoren.
    De wisselwerking tussen deze verschillende receptoraffiniteiten draagt bij aan het verschil op het risico van overgewicht bij verschillende antipsychotica.

    Een overzicht van de receptorprofielen van de verschillende atypische antipsychotica wordt weergegeven in figuur 1, waarbij de beschreven receptoren met mogelijk een hoog risico op overgewicht worden uitgelicht.


    3. - Gewichtstoename en verschillende antipsychotica

    De vraag hoe en in welke mate antipsychotica voor gewichtstoename zorgen is niet eenvoudig te beantwoorden.
    Klinische studies die tijdens de ontwikkeling van een nieuw geneesmiddel worden gedaan, zijn in principe niet ontworpen om veranderingen in het gewicht te meten en indien deze parameter wel wordt gemeten wordt de gewichtstoename vaak verschillend gerapporteerd (toename gewicht in kg, toename body mass inde x, BMI).
    Daarnaast is er geen consensus over de definitie van klinisch relevante gewichtstoename.
    De US Food and Drug Administration (FDA) hanteert hiervoor een gewichtstoename van tenminste 7% ten opzichte van het uitgangsgewicht.

    Clozapine
    (cfr. :
    http://www.schizofrenieplein.nl/hulp/advies/medicijn/bijsluit/leponex.htm -)
    Clozapine heeft een hogere affiniteit voor 5-HT2A-, 5-HT2C-, H1-, α1- en M1-receptoren dan voor D2-receptoren.
    Een gewichtstoename van 10% is niet ongebruikelijk.
    De sterkste toename treedt op tijdens de eerste paar weken van de behandeling.
    Het gewicht blijft gedurende het eerste jaar toenemen, weliswaar minder snel.
    Sommige studies melden zelfs een toename over 36 maanden.
    De vergelijkende studies wijzen erop dat de gewichtstoename, veroorzaakt door clozapine, waarschijnlijk ernstiger is dan die veroorzaakt door haloperidol of risperidon, maar vergelijkbaar met de gewichtstoename veroorzaakt door olanzapine.

    Olanzapine
    (cfr. :
    http://www.psychoseplein.nl/hulp/advies/medicijn/bijsluit/zyprexa.htm -)
    Op basis van de structuur en het farmacologische profiel van olanzapine is het theoretisch te verwachten dat olanzapine in dezelfde mate gewichtstoename zal veroorzaken als clozapine.
    Uit verschillende studies is gebleken dat olanzapine bij 29%-40%10 van de patiënten voor een gemiddelde gewichtstoename van 7% zorgt.
    In de eerste zes weken is de gewichtstoename het grootst, hoewel één studie een gewichtstoename over twintig weken meldt.
    Vergelijkende studies tonen aan dat de gewichtstoename, veroorzaakt door olanzapine, ernstiger is dan die veroorzaakt door risperidon en haloperidol.

    Quetiapine
    (cfr. :
    http://www.psychoseplein.nl/hulp/advies/medicijn/bijsluit/seroquel.htm -)
    Van quetiapine zijn alleen data beschikbaar uit kortetermijnstudies.
    Quetiapine heeft de grootste affiniteit voor H1- en α1- receptoren en in mindere mate voor M1-, 5-HT1A-, 5-HT2A- en D2-receptoren.
    Een gewichtstoename van gemiddeld 7% bij ongeveer een kwart van de patiënten is gemeld.
    Het gewicht bleef toenemen tijdens het eerste jaar van de behandeling.
    Uit vergelijkende onderzoeken is gebleken dat de gewichtstoename door quetiapine groter is dan door haloperidol, chloorpromazine of een placebo.
    De reputatie van quetiapine als atypisch antipsychoticum zonder overgewicht is dan ook twijfelachtig.

    Risperidon
    (tabeletten – cfr. : http://www.psychoseplein.nl/hulp/advies/medicijn/bijsluit/risperdal.htm -)
    (andere vormen – cfr. :
    http://www.psychoseplein.nl/hulp/advies/medicijn/bijsluit/risperdal2.htm -)
    De gewichtstoename door risperidon treedt waarschijnlijk in mindere mate op dan bij clozapine of olanzapine, maar in grotere mate dan een placebo.
    Een toename trad op bij 39% van de patiënten behandeld met risperidon in vergelijking tot een toename bij 20% van de patiënten behandeld met perphenazine.[8]
    Hier zijn echter geen statistische analyses beschikbaar.
    De toename is dosisafhankelijk.[12]
    Dit antipsychoticum heeft hoge affiniteit voor 5-HT2A-, D2- en α1-receptoren en minder voor H1- en 5-HT2C-receptoren.

    Ziprasidon
    (cfr. :
    http://www.ziprasidone.com/ -)
    Ziprasidon is één van de nieuwe antipsychotica die in Nederland nog niet is geregistreerd.
    Beschikbare data laten zelden een aan ziprasidon geassocieerde gewichtstoename zien.
    Uit een metanalyse van Allison e.a. blijkt dat een significante gewichtstoename optreedt bij de behandeling met clozapine en olanzapine, een bescheiden toename door risperidon en een verwaarloosbare toename door ziprasidon.
    Echter, als er wordt gekeken naar het farmacologisch profiel van ziprasidon, wordt dit niet helemaal verwacht.
    In tegenstelling tot andere antipsychotica heeft ziprasidon een grotere affiniteit voor serotoninereceptoren, waaronder 5-HT2C en in mindere mate voor adrenerge-, histaminerge- of muscarinereceptoren.
    De grote affiniteit van ziprasidon voor D2- en 5-HT2A-receptoren is te vergelijken met die van risperidon.

    Aripiprazol
    (cfr. :
    http://www.efarma.nl/pages/winap.asp?ID=166&Method=infotekst -)
    Aripiprazol is een nieuw antipsychoticum dat nog niet in Nederland is geregistreerd.
    Het is een partiële D2- en 5-HT2A-agonist.
    Affiniteit voor de 5-HT1A-receptor is tevens groot, terwijl die voor D3-, D4-, muscarine-, α1- en H-receptoren kleiner is.
    Uit kortetermijnstudies bleek dat aripiprazol (8,1%) minder grote gewichtstoename veroorzaakte dan risperidon (10,6%) of haloperidol (9,8%), waarbij niet duidelijk was of de verschillen significant waren.
    Alle drie de middelen zorgden voor een significant grotere gewichtstoename in vergelijking tot placebo.
    Een langetermijnstudie laat zien dat gewichtstoename door aripiprazol 0,9 kg was, terwijl olanzapine een gewichtstoename van 3,6 kg veroorzaakte.[11]
    Dit verschil was significant (p<0,01) en niet dosis gerelateerd.
    In een 52 weken lange studie werd aripiprazol vergeleken met haloperidol.
    In week 8 en 26 was de gewichtstoename door aripiprazol significant groter, terwijl er in week 52 dit verschil niet meer aantoonbaar was.


    4. - Mogelijke determinanten

    Gewichtstoename door de antipsychotica wordt waarschijnlijk beïnvloed door verschillende factoren, waaronder de duur van de behandeling, leeftijd, geslacht, fenotype, initiële BMI en de omgeving :

    • Duur van de behandeling
      De maximale gewichtstoename zal voornamelijk in de eerste 12-16 weken van de behandeling plaats vinden waarbij het onduidelijk is of de gewichtstoename reversibel is.[12]

    • Doering
      Relatie met dosering is moeilijk aan te geven aangezien de dosis gerelateerd is aan het type en de ernst van de ziekte, terwijl gewichtstoename of afname inherent kan zijn aan bepaalde ziektebeelden.
      Aangezien het nog onduidelijk is of er een verband bestaat tussen de dosering en het gewicht, moet daarom een doseringsverandering niet standaard geadviseerd worden.

    • Leeftijd en geslacht
      De prevalentie van overgewicht is hoger bij vrouwen dan bij mannen.
      Tussen leeftijd en gewichtstoename is ook een positief verband gevonden.[13]

    • Initiële BMI
      De gewichtstoename bij patiënten die voor aanvang van de therapie al een hoge BMI hadden blijkt minder te zijn dan bij patiënten met een lagere BMI.[14]

    • Fenotype en genotype (fenotype = genotype + invloed van buitenaf)
      Polymorfisme van de 5HT2C-receptor heeft invloed op gewichtstoename door antipsychotica.[15]
      Patiënten met het -759T allel kwamen significant minder aan dan patiënten zonder dit allel (p<0,005).

    • De omgeving
      De gewichtstoename blijkt meer opvallend te zijn bij klinische patiënten.


    5. - Beschouwing

    Overgewicht is één van de mogelijke oorzaken van een toegenomen morbiditeit en mortaliteit bij schizofreniepatiënten.
    Daarnaast heeft overgewicht een grote invloed op de therapietrouw.
    Gezien deze risico's is het van groot belang om de toename van het gewicht tijdens de behandeling zo veel mogelijk te beperken.

    Voordat de behandeling met atypische antipsychotica begint, is het aan te bevelen de patiënten te screenen op risicofactoren voor diabetes en cardiovasculaire aandoeningen.
    Daarnaast zullen het gewicht en de aan het gewicht gerelateerde klinische parameters als bloedglucose, tryglyceriden, cholesterol en lipoproteïnen gemeten moeten worden.
    Met name tijdens de start, maar ook tijdens de behandeling zullen deze waarden bewaakt moeten worden.[16]

    De grootste gewichtstoename treedt op in het begin van de behandeling.
    Het is van groot belang dat patiënten hierover geïnformeerd worden.
    De apotheek en de voorschrijvende arts kunnen hierbij een belangrijke rol spelen.
    Een goede voorlichting bij de eerste en tweede uitgifte, waarbij de patiënt voorgelicht wordt over gewichtstoename als mogelijke bijwerking en het belang van regelmatige fysieke activiteit, gezond en caloriebeperkt eten, dragen zeker bij aan het voorkómen van overgewicht en het bevorderen van de therapietrouw.
    Het geven van schriftelijke informatie waarin meer aandacht wordt besteed aan overgewicht, is een zinvolle aanvulling op de mondelinge informatie.
    Overigens worden er vanuit verschillende fabrikanten nu FPZ-projecten (FPZ staat voor 'farmaceutische patiëntenzorg' – cfr. :
    http://www.pragmascoop.nl/projecten/farmaceutische_pat_zorg.htm -) gestart om mensen te helpen bij het beheersen van hun gewicht.

    Er is geen bewijs over de zin van het verlagen van de dosis van het antipsychoticum.
    Het verband tussen de dosis van het antipsychoticum en de gewichtstoename iszeer complex omdat de dosis gerelateerd is aan het type en de ernst van de ziekte.
    Bovendien is er gebleken dat de gewichtstoename door sommige antipsychotica niet dosis gerelateerd is.

    Voorzichtigheid is geboden bij het gebruik van vermageringsmiddelen.
    Deze middelen dienen alleen voorgeschreven te worden aan patiënten bij wie alle andere behandelmogelijkheden gefaald hebben.
    Daarnaast moet de patiënt ervan op de hoogte gesteld worden dat behandeling met deze middelen een long term commitment is.
    Deze middelen zullen niet op korte termijn voor gewichtsafname zorgen, bij het stoppen zullen patiënten naar hun oude gewicht teruggaan.
    Sommige van deze middelen zoals sibutramine beïnvloeden serotonine- en dopaminereceptoren, wat mogelijk een interactie kan geven met antipsychotica.
    Orlistat (cfr. :
    http://www.fk.cvz.nl/Preparaatteksten/O/orlistat.asp?blPrint=True -), een middel dat de lipidenabsorptie remt, geeft deze interactie niet.
    Er zijn echter nog geen studies naar interacties tussen orlistat of sibutramine en antipsychotica.
    Bovendien is het gebruik bij schizofreniepatiënten nog niet onderzocht.

    Ondanks dat er nog geen robuuste klinische voorspellende parameters zijn voor geneesmiddel geïnduceerde gewichtstoename, is het belangrijk om de behandeling van patiënten met een verhoogd risico op gewichtstoename of op aan gewicht gerelateerde ziektes, te beginnen met middelen die de minste invloed hebben op het gewicht.
    Wanneer klinisch significante gewichtstoename optreedt, is het overstappen naar een antipsychoticum dat de minste invloed heeft op het gewicht, een mogelijkheid.
    De meeste atypische antipsychotica hebben een groter risico op overgewicht dan de klassieke middelen, waarbij het risico bij clozapine en olanzapine het grootst is.
    Indien een patiënt aangeeft overgewicht heel erg te vinden, is het aan te raden om niet met clozapine of olanzapine te starten.
    Hierbij moet benadrukt worden dat de keuze van een antipsychoticum niet alleen op de grond van de gewichtstoename plaats moet vinden.
    De effectiviteit van een antipsychoticum, maar ook de extrapiramidale bijwerkingen en QT-verlenging, zijn aspecten die overwogen moeten worden voordat een keuze gemaakt wordt.


    6. - Literatuur

    1. Prevalence of and risk factors for medication nonadherence in patients with schizophrenia - A comprehensive review of recent literature
      Lacro JP, Dunn LB, Dolder CR et al. - J Clin Psychiatry 2002;63:892-909
      Cfr. :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/12416599

    2. Switching antipsychotic therapies
      Masand PS, Berry SL - Ann Pharmacother 2000; 34(2):200-207
      Cfr. :
      http://www.theannals.com/cgi/content/abstract/34/2/200

    3. Rationale and strategies for switching antipsychotics
      Ganguli R - Am J Health Syst Pharm 2002; 59(22 Suppl 8):S22-S26
      Cfr. :
      -
      http://ajhp.org/cgi/content/abstract/59/suppl_8/S22
      -
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/12455296

    4. Body weight gain induced by antipsychotic drugs - Mechanisms and management
      Baptista T, Department of Physiology, Medical School, Universidad de Los Andes, Mérida, Venezuela - Acta Psychiatr Scand. 1999 Jul;100(1):3-16 - PMID: 10442434
      Long-term administration of typical and atypical antipsychotic drugs (AP) induces excessive weight gain which afflicts up to 50% of patients, impairs health and interferes with treatment compliance.
      Basic and clinical research has shown that AP may affect body weight through diverse mechanisms.
      Increased appetite is probably related to the interaction of AP with neuronal receptors to dopamine, serotonin and histamine.
      Additional metabolic-endocrine disruption of weight regulation may be related to the effects of AP-induced hyperprolactinaemia on gonadal-adrenal steroids and insulin sensitivity.
      In humans, programmed physical activity, dietary restriction, anorectic agents and drugs that counteract hyperprolactinaemia have been shown to be successful in a limited number of studies.
      Two novel strategies could expand the available therapeutic options.
      First, in preclinical experiments in female rats the estradiol antagonist/agonist drug tamoxifen or estradiol itself have been shown to completely prevent the obesity provoked by the AP sulpiride and to induce an endocrine-metabolic milieu that seems to counteract AP-induced obesity.
      Secondly, it has also been shown that oral antihyperglycaemic agents such as metformin may decrease body weight and counteract insulin resistance and hyperinsulinaemia which is correlated with several metabolic abnormalities in obese subjects.
      Lastly, estradiol replacement, tamoxifen and/or antihyperglycaemic agents are not devoid of significant side-effects and these drugs have not been tested in obese psychiatric patients.
      Therefore, further research is needed before their clinical use may be recommended
      Cfr
      . :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/10442434
      Also read the comment on this article
      Antipsychotic drugs and weight gain
      Baptista T - Acta Psychiatr Scand. 2001 Feb;103(2):158 - PMID: 11167321
      at :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/11167321?ordinalpos=1&itool=EntrezSystem2.PEntrez.Pubmed.Pubmed_ResultsPanel.Pubmed_Dis
      coveryPanel.Pubmed_RVAbstractPlus

    5. Antipsychotic-induced weight gain - A comprehensive research synthesis
      Allison DB, Mentore JL, Heo M, Chandler LP, Cappelleri JC, Infante MC, Weiden PJ, Obesity Research Center, St. Luke's-Roosevelt Hospital, Columbia University College of Physicians and Surgeons, NY 10025, UDA : dba8@columbia.edu - Am J Psychiatry. 1999 Nov;156(11):1686-96 - PMID: 10553730
      Objective - The purpose of this study was to estimate and compare the effects of antipsychotics-both the newer ones and the conventional ones-on body weight.
      Method - A comprehensive literature search identified 81 English- and non-English-language articles that included data on weight change in antipsychotic-treated patients.
      For each agent, a meta-analysis and random effects metaregression estimated the weight change after 10 weeks of treatment at a standard dose.
      A comprehensive narrative review was also conducted on all articles that did not yield quantitative information but did yield important qualitative information.
      Results - Placebo was associated with a mean weight reduction of 0.74 kg.
      Among conventional agents, mean weight change ranged from a reduction of 0.39 kg with molindone to an increase of 3.19 kg with thioridazine.
      Among newer antipsychotic agents, mean increases were as follows : clozapine, 4.45 kg; olanzapine, 4.15 kg; sertindole, 2.92 kg; risperidone, 2.10 kg; and ziprasidone, 0.04 kg. Insufficient data were available to evaluate quetiapine at 10 weeks.
      Conclusions - Both conventional and newer antipsychotics are associated with weight gain.
      Among the newer agents, clozapine appears to have the greatest potential to induce weight gain and ziprasidone the least.
      The differences among newer agents may affect compliance with medication and health risk.
      Cfr. :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/10553730
      Also read the comment on this article
      Differing tolerability profiles among atypical antipsychotics
      Hellewell JS, Haddad PM - Am J Psychiatry. 2001 Mar;158(3):501-2 - PMID: 11230007
      at :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/11230007?ordinalpos=1&itool=EntrezSystem2.PEntrez.Pubmed.Pubmed_ResultsPanel.Pubmed_Dis
      co
      veryPanel.Pubmed_RVAbstractPlus

    6. The pharmacology of weight gain with antipsychotics
      Casey DE, Zorn SH, Portland Veterans Affairs Medical Center, Oregon Health Sciences University, USA - J Clin Psychiatry. 2001;62 Suppl 7:4-10 - PMID: 11346195
      In general, antipsychotic agents have diverse actions on a wide range of neurotransmitter systems.
      Data strongly suggest that a number of these systems may play a role in the regulation of body weight.
      In addition to having very distinct pharmacologic profiles, individual agents possess discrete weight gain liabilities.
      This article briefly reviews the evidence for the involvement of specific neurotransmitter systems in the control of body weight and describes the relevant pharmacologic characteristics of individual antipsychotic agents.
      By comparing the pharmacologic profiles of specific antipsychotic agents with their respective weight gain liabilities, this article attempts to gain an insight into the specific receptors underlying a drug's propensity to induce weight gain.
      However, there is still much to be learned concerning weight control mechanisms and the role of many of the receptors at which antipsychotic agents are active remains unclear.
      In spite of this, an overview of current knowledge in the field may facilitate prediction of a potential novel antipsychotic agent's weight gain liability.
      Cfr. :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/11346195
      Also read the comment on this article
      Mechanisms of weight gain induced by antipsychotic drugs
      Baptista T - J Clin Psychiatry. 2002 Mar;63(3):245-6 - PMID: 11926725
      at :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/11926725?ordinalpos=1&itool=EntrezSystem2.PEntrez.Pubmed.Pubmed_ResultsPanel.Pubmed_Dis
      coveryPanel.Pubmed_RVAbstractPlus

    7. Epidemiology, implications and mechanisms underlying drug-induced weight gain in psychiatric patients
      Zimmermann U, Max Planck Institute of Psychiatry, Kraepelinstr. 10, 80804 , Munich, Germany - Kraus T, Himmerich H, Schuld A & Pollmacher T, Journal of Psychiatric Research, Volume 37, Number 3, May 2003 , pp. 193-220(28)
      Cfr. :
      http://www.ingentaconnect.com/content/els/00223956/2003/00000037/00000003/art00018;
      jsessionid=gs0toaelfmr71.alexandra?format=print

    8. Weight gain and glucose and lipid metabolism disturbances during antipsychotic medication
      Hannu Koponen1, Kaisa Saari3, Markku Savolainen4 and Matti Isohanni1 -- 1 Department of Psychiatry, University of Oulu, Oulu, Finland, FI -– 2 Department of Psychiatry, Hospital District of Lapland, Rovaniemi, Finland, FI -– 3 Department of Psychiatry, Oulu University Central Hospital, Oulu, Finland, FI – 4 Department of Internal Medicine, University of Oulu, Oulu, Finland, FI -- Tuukkalantie 17, 50500 Mikkeli, Finland FI - Correspondence to : Prof. Hannu Koponen : hannu.koponen@reimari.net - J European Archives of Psychiatry and Clinical Neuroscience, Volume 252, Number 6 / December, 2002
      Antipsychotic medication is the mainstay of treatment for functional psychotic illnesses.
      However, for some patients weight gain and the disturbances in blood-lipid levels and glucose balance associated with their use are significant disadvantages, and pose health risks that may affect prognosis.
      A substantial body of evidence suggests that weight gain is at least partly related to the blocking effects of antipsychotic medication on serotonin- and histamine-mediated neurotransmission.
      The disadvantages associated with weight gain can be reduced by an appropriate choice of antipsychotic and avoidance of polypharmacy, by regular monitoring of the patient's weight and, if necessary, by the patient's participation in a dieting programme.
      Cfr. :
      http://www.springerlink.com/content/n8gelerphm46q4ee/

    9. Body weight and leptin plasma levels during treatment with antipsychotic drugs
      Kraus T, Haack M, Schuld A, Hinze-Selch D, Kühn M, Uhr M, Pollmächer T, Max Planck Institute of Psychiatry, Munich, Germany - Am J Psychiatry. 1999 Feb;156(2):312-4 - PMID: 9989571
      Objective
      - Leptin is produced by fat cells and is presumed to signal the size of the adipose tissue to the brain.
      The authors investigated whether antipsychotic drugs that often induce weight gain affect circulating levels of leptin.
      Method - Weight, body mass index and leptin plasma level were measured weekly over 4 weeks in psychiatric inpatients who received clozapine (N = 11), olanzapine (N = 8), haloperidol (N = 13) or no psychopharmacological treatment (N = 12).
      Results - In patients receiving clozapine or olanzapine, significant increases in weight, body mass index and leptin level were found, whereas these measures remained stable in patients who received haloperidol or no pharmacological treatment.
      Conclusions - Weight gain induced by clozapine or olanzapine appears to be associated with an increase in leptin level that cannot be attributed to dietary changes upon hospitalization.
      Cfr. :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/9989571
      Full text :
      http://ajp.psychiatryonline.org/cgi/content/full/156/2/312

    10. Atypical antipsychotics and weight gain - A systematic review
      Taylor DM, McAskill R, Maudsley Hospital, London, UK - Acta Psychiatr Scand. 2000 Jun;101(6):416-32 - PMID: 10868465
      Objective - To review systematically data relating to weight changes with atypical antipsychotics.
      Method - We conducted a Medline search on October 29 1999 and covered the period 1980-99.
      All recovered papers were examined for further relevant reports.
      In addition, we wrote to pharmaceutical manufacturers and 10 practising clinicians to ask them to provide other relevant reports known to them.
      Results - Eighty reports mentioning change in body weight were retrieved.
      Data relating to weight changes were of variable quality.
      Weight changes were indicated by a variety of measures.
      The majority of reports related to short-term changes.
      Conclusion - All atypical drugs, with the exception of ziprasidone, have been associated with weight increases.
      Clozapine seems to have the highest risk of weight gain, followed by olanzapine and quetiapine.
      There is probably a lower risk with risperidone, sertindole and zotepine and a still lower risk with amisulpride.
      Ziprasidone appears not to be associated with weight gain.
      In the absence of more compelling data, these rankings must be considered approximate and preliminary.
      Longer, more robust trials are needed.
      Cfr. :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/10868465
      Also read the comment on this article
      Antipsychotic drugs and weight gain
      Baptista T, Acta Psychiatr Scand. 2001 Feb;103(2):158 - PMID: 11167321
      Cfr. :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/11167321?ordinalpos=1&itool=EntrezSystem2.PEntrez.Pubmed.Pubmed_ResultsPanel.Pubmed_Dis
      coveryPanel.Pubmed_RVAbstractPlus

    11. Aripiprazole - A new atypical antipsychotic drug
      Bowles TM, Levin GM, Department of Pharmacy Practice, College of Pharmacy, University of Florida, Gainesville, FL, USA - Ann Pharmacother. 2003 May;37(5):687-94 - PMID: 12708948
      Objective - To review the pharmacology, pharmacokinetics, clinical efficacy and safety profile of aripiprazole for the treatment of schizophrenia.
      Data sources - Information was selected from MEDLINE (1995-August 2002).
      Abstracts, scientific posters and presentations were also used.
      Study selection / data ectraction - All published information regarding the pharmacokinetic, pharmacodynamic and clinical characteristics of aripiprazole was considered.
      Studies providing a comprehensive description of aripiprazole were selected.
      Data synthesis - Aripiprazole is a dopamine partial agonist and a serotonin-2A antagonist; it is dosed 10-30 mg/d, with no initial titration necessary.
      Short-term clinical trials demonstrated efficacy in acute exacerbations and long-term studies showed that aripiprazole can maintain remission of schizophrenia.
      Most adverse events were mild.
      The incidence of extrapyramidal symptoms was low, with akathisia being the most common.
      Conclusions - Aripiprazole currently demonstrates comparable efficacy and safety for use in schizophrenia.
      Cfr. :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/12708948

    12. Weight gain - Side effect of atypical neuroleptics ?
      Wettering T, Müßigbroodt HE - J Clin Psychopharmacol 1999;19:316-321

    13. Antipsychotic-associated weight gain and clinical outcome parameters
      Blin O, Micallef J, Centre de Pharmacologie Clinique et d'Evaluatións Therapeutiques, H pital de la Timone, Marseille, France : oblin@mail.ap.hm.fr - J Clin Psychiatry. 2001;62 Suppl 7:11-21 - PMID: 11346191
      Weight gain has been observed with many of the antipsychotics, including the atypical antipsychotics.
      The assessment of whether, and to what degree, a drug causes changes in body weight is not straightforward, since clinical studies performed during a drug development program are not designed to measure changes in body weight.
      Even when weight change data are obtained from adverse event data or from part of the vital signs measured during a study, assessment is not standardized.
      Nevertheless, evidence points to the fact that weight gain with the atypical antipsychotics is becoming an increasing problem.
      This review examines whether antipsychotic-associated weight gain, when it occurs, is associated with clinical outcome parameters.
      Cfr. :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/11346191

    14. Association of antipsychotic drug-induced weight gain with a 5-HT2C receptor gene polymorphism
      Reynolds GP, Zhang ZJ, Zhang XB, Department of Biomedical Science, University of Sheffield, Sheffield S10 2TN, UK : g.p.reynolds@sheffield.ac.uk - Lancet. 2002 Jun 15;359(9323):2086-7 - PMID: 12086765
      A side-effect of treatment with antipsychotic drugs for schizophrenia is increased body fat, which leads to further morbidity and poor adherence to treatment.
      The 5-hydroxytryptamine 2C receptor (5-HT2C) has been associated with this effect; we aimed to establish whether a genetic polymorphism of the promoter region of this receptor affects weight gain after drug treatment in first-episode patients with schizophrenia.
      We noted significantly less weight gain in patients with the -759T variant allele (p=0.0003) than in those without this allele, who were more likely to have substantial (>7%) weight gain (p=0.002).
      We have identified a genetic factor that is associated with antipsychotic drug-induced weight gain.
      Cfr. :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/12086765
      Also read the comments on this article
      - -759C/T genetic variation of 5HT(2C) receptor and clozapine-induced weight gain
      Tsai SJ, Hong CJ, Yu YW, Lin CH - Lancet. 2002 Nov 30;360(9347):1790 - PMID: 12480466
      Cfr. :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/12480466?ordinalpos=1&itool=EntrezSystem2.PEntrez.Pubmed.Pubmed_ResultsPanel.Pubmed_Dis
      coveryPanel.Pubmed_RVAbstractPlus

      - 759C/T genetic variation of 5HT(2C) receptor and clozapine-induced weight gain
      Basile VS, Masellis M, De Luca V, Meltzer HY, Kennedy JL - Lancet. 2002 Nov 30;360(9347):1790-1 - PMID: 12480467
      Cfr. :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/12480467?ordinalpos=2&itool=EntrezSystem2.PEntrez.Pubmed.Pubmed_ResultsPanel.Pubmed_Dis
      coveryPanel.Pubmed_RVAbstractPlus

    15. Not so nice
      Steenhoek A, Schulte P.F.J, Peetoom J.J - Pharmaceutisch Weekblad 2003;138(25):880-882


    Cfr. : http://www.pharmaselecta.nl/psonline/archive/2003/18/main.1.html

     

    Lees verder Deel III


     

    14-04-2008 om 19:54 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dik worden en medicijngebruik - Deel III
    Klik op de afbeelding om de link te volgen
















    Dik worden en medicijngebruik

    Deel III

     

    Atypische antipsychotica en gewichtstoename
    - Een zwaarwegende bijwerking -

    K. Cengic en H. Mulder - Pharmaselecta.nl


    Samenvatting

    Een groot percentage van de patiënten dat antipsychotica gebruikt, is niet therapietrouw op de voorgeschreven medicatie.
    Naast de veel beschreven extrapiramidale stoornissen geven patiënten aan dat zij gewichtstoename als één van de vervelendste bijwerkingen ervaren.
    Daarnaast wordt overgewicht geassocieerd met diverse ziektebeelden zoals diabetes mellitus en hart- en vaatziektes.
    Gezien deze risico's is het van groot belang om de toename van het gewicht tijdens de behandeling zo veel mogelijk te beperken.

    De meeste atypische antipsychotica geven een grotere kans op overgewicht dan de klassieke middelen, waarbij het risico bij clozapine en olanzapine het grootst is.
    Er zijn verschillende receptoren betrokken bij de regulatie van de gewichtstoename, onder andere een subtype serotoninereceptor (5-HT2C), histaminereceptoren en adrenerge receptoren.

    Door patiënten met een verhoogd risico op gewichtstoename of aan gewicht gerelateerde ziektes te behandelen met middelen die de minste invloed hebben op het gewicht en een goede voorlichting te geven, kan de gewichtstoename worden beperkt.


    Abstract

    A substantial proportion of patients treated with antipsychotics do not take their medication appropriately.
    Besides the often-reported extra-pyramidal disturbances, many patients report weight gain as being one of the most unpleasant side effects.
    Overweight is also associated with various disorders, such as diabetes mellitus and cardiac and vascular diseases.
    Given these risks, it is important to restrict the weight gain during treatment as much as possible.

    Most atypical antipsychotics carry a greater risk of weight gain than most of the classical drugs, the risk being greatest with clozapine and olanazapine.
    Several receptors are involved in weight regulation, among which a serotonin receptor subtype (5-HT2C), histamine receptors and adrenoceptors.

    Weight gain can be limited by treating patients at extra risk of weight gain or of diseases associated with overweight with drugs that have the least effect on weight gain and by giving them appropriate information and advice.


    1. - Inleiding

    Een percentage variërend van 20 - 89 van de patiënten die antipsychotica gebruikt, is niet therapietrouw op de voorgeschreven medicatie.[1]
    Therapieontrouw kan leiden tot een hoger risico op terugval van psychotische symptomen.
    Belangrijke determinanten voor therapieontrouw zijn het ontbreken van respons en het optreden van bijwerkingen.[2]
    Naast de veel beschreven extrapiramidale stoornissen geven patiënten aan dat zij gewichtstoename als één van de vervelendste bijwerkingen ervaren.[3]
    Gewichtstoename als gevolg van antipsychotica is allang bekend; reeds in de jaren vijftig werd met de komst van chloorpromazine deze bijwerking gemeld.
    De problemen met gewichtstoename lijken echter groter bij het gebruik van atypische antipsychotica.
    Chronisch gebruik van (atypische) antipsychotica veroorzaakt bij ongeveer de helft van de schizofreniepatiënten gewichtstoename.[4]
    Overgewicht wordt in onze maatschappij als onesthetisch gezien.
    Dit kan het zelfvertrouwen schaden en het dagelijks functioneren negatief beïnvloeden.
    Uiteindelijk kan dit ervoor zorgen dat de patiënt de therapie staakt, met als gevolg een terugval in een psychose.
    Daarnaast wordt overgewicht geassocieerd met diverse ziektebeelden zoals diabetes mellitus, hyperlipidemie, hypertensie, coronaire hartziekten, beroerte, problemen met de ademhaling, osteo- artritis en sommige typen kanker (van borst, endometrium, prostaat en colon).[5]

    Preventie van gewichtstoename als gevolg van antipsychotica zou een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan de patiëntenzorg van psychiatrische patiënten.
    Voor deze preventie is het noodzakelijk kennis te hebben van mogelijke mechanismen en determinanten voor gewichtstoename.
    Daarnaast is het belangrijk te weten of er afwijkingen bestaan in het risico op gewichtstoename tussen de verschillende antipsychotica.
    Dit artikel geeft een overzicht van de beschikbare informatie over deze onderwerpen.


    2. - Gewichtstoename en receptoren

    Het risico op gewichtstoename verschilt per antipsychoticum.
    Dit wordt mogelijk veroorzaakt door de uiteenlopende affiniteiten van de te onderscheiden antipsychotica voor receptoren die betrokken zijn bij het optreden van gewichtsveranderingen.
    In eerste plaats is een subtype van de serotoninereceptor (5-HT2C) een van de belangrijke receptoren die betrokken is bij de gewichtregulatie.
    Toediening van 5-HT2C -antagonisten leidt tot hogere voedingsinname en hoger lichaamsgewicht bij ratten.
    Knock-out muizen zonder 5-HT2C-receptoren zijn zwaarder en hebben daarnaast een grotere kans op het ontstaan van diabetes.[6]

    In de tweede plaats is er de mogelijke rol van histaminereceptoren.
    Een afname van de voedselinname bij ratten wordt waargenomen na activering van de postsynaptische H1-receptor of inhibitie van presynaptische H3-receptoren.

    Histamine uit de hypothalamus speelt daarnaast mogelijk ook een rol in leptine gemoduleerde voedingsinname.
    Inhibitie van histaminerge banen remt de leptine geïnduceerde reductie van het hongergevoel bij muizen.[7]
    Leptine is een peptide dat onder andere in vetcellen wordt gesynthetiseerd.
    Normaal zorgt een toename in lichaamsvet voor een verhoogde leptine-afgifte en gereduceerde voedselinname.
    Gewichtstoename samen met een toename van de leptinesecretie is gerapporteerd bij behandeling met clozapine en olanzapine.
    Een toegenomen leptine-afgifte wordt echter gezien als secundair aan een toegenomen eetlust en de gewichtstoename.[8]
    Mogelijk is er ook sprake van een afgenomen gevoeligheid voor leptine bij patiënten behandeld met antipsychotica.[9]


    Figuur 1 - Receptorprofielen van verschillende atypische antipsychotica met uitlichting van risicoreceptoren voor gewichtstoename

    Bron : 

    Antipsychotic-induced weight gain - A comprehensive research synthesis
    Cfr. :
    http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/10553730  

    In de derde plaats is het bekend dat vele psychotrope geneesmiddelen die een hoge affiniteit voor α1- en/of α2-receptoren hebben (bijvoorbeeld tricyclische antidepressiva) zorgen voor gewichtstoename, terwijl de geneesmiddelen die weinig affiniteit hebben voor deze receptoren (bijvoorbeeld selectieve serotonineheropnameremmers), deze bijwerking niet hebben.

    Tenslotte zijn er naast deze drie receptortypes nog vele andere receptoren die mogelijk geassocieerd zijn met het optreden van gewichtstoename.
    Voorbeelden hiervan zijn dopaminereceptoren en noradrenalinereceptoren.
    Ondanks de wetenschap over de invloed van bovengenoemde receptoren op het gewicht, is het moeilijk te voorspellen wat voor een effect een antipsychoticum met een bepaald farmacologisch profiel op het gewicht heeft.
    Atypische antipsychotica hebben naast affiniteit voor D2-receptoren ook affiniteit voor veel andere receptoren.
    De wisselwerking tussen deze verschillende receptoraffiniteiten draagt bij aan het verschil op het risico van overgewicht bij verschillende antipsychotica.

    Een overzicht van de receptorprofielen van de verschillende atypische antipsychotica wordt weergegeven in figuur 1, waarbij de beschreven receptoren met mogelijk een hoog risico op overgewicht worden uitgelicht.


    3. - Gewichtstoename en verschillende antipsychotica

    De vraag hoe en in welke mate antipsychotica voor gewichtstoename zorgen is niet eenvoudig te beantwoorden.
    Klinische studies die tijdens de ontwikkeling van een nieuw geneesmiddel worden gedaan, zijn in principe niet ontworpen om veranderingen in het gewicht te meten en indien deze parameter wel wordt gemeten wordt de gewichtstoename vaak verschillend gerapporteerd (toename gewicht in kg, toename body mass inde x, BMI).
    Daarnaast is er geen consensus over de definitie van klinisch relevante gewichtstoename.
    De US Food and Drug Administration (FDA) hanteert hiervoor een gewichtstoename van tenminste 7% ten opzichte van het uitgangsgewicht.

    Clozapine
    (cfr. :
    http://www.schizofrenieplein.nl/hulp/advies/medicijn/bijsluit/leponex.htm -)
    Clozapine heeft een hogere affiniteit voor 5-HT2A-, 5-HT2C-, H1-, α1- en M1-receptoren dan voor D2-receptoren.
    Een gewichtstoename van 10% is niet ongebruikelijk.
    De sterkste toename treedt op tijdens de eerste paar weken van de behandeling.
    Het gewicht blijft gedurende het eerste jaar toenemen, weliswaar minder snel.
    Sommige studies melden zelfs een toename over 36 maanden.
    De vergelijkende studies wijzen erop dat de gewichtstoename, veroorzaakt door clozapine, waarschijnlijk ernstiger is dan die veroorzaakt door haloperidol of risperidon, maar vergelijkbaar met de gewichtstoename veroorzaakt door olanzapine.

    Olanzapine
    (cfr. :
    http://www.psychoseplein.nl/hulp/advies/medicijn/bijsluit/zyprexa.htm -)
    Op basis van de structuur en het farmacologische profiel van olanzapine is het theoretisch te verwachten dat olanzapine in dezelfde mate gewichtstoename zal veroorzaken als clozapine.
    Uit verschillende studies is gebleken dat olanzapine bij 29%-40%10 van de patiënten voor een gemiddelde gewichtstoename van 7% zorgt.
    In de eerste zes weken is de gewichtstoename het grootst, hoewel één studie een gewichtstoename over twintig weken meldt.
    Vergelijkende studies tonen aan dat de gewichtstoename, veroorzaakt door olanzapine, ernstiger is dan die veroorzaakt door risperidon en haloperidol.

    Quetiapine
    (cfr. :
    http://www.psychoseplein.nl/hulp/advies/medicijn/bijsluit/seroquel.htm -)
    Van quetiapine zijn alleen data beschikbaar uit kortetermijnstudies.
    Quetiapine heeft de grootste affiniteit voor H1- en α1- receptoren en in mindere mate voor M1-, 5-HT1A-, 5-HT2A- en D2-receptoren.
    Een gewichtstoename van gemiddeld 7% bij ongeveer een kwart van de patiënten is gemeld.
    Het gewicht bleef toenemen tijdens het eerste jaar van de behandeling.
    Uit vergelijkende onderzoeken is gebleken dat de gewichtstoename door quetiapine groter is dan door haloperidol, chloorpromazine of een placebo.
    De reputatie van quetiapine als atypisch antipsychoticum zonder overgewicht is dan ook twijfelachtig.

    Risperidon
    (tabeletten – cfr. : http://www.psychoseplein.nl/hulp/advies/medicijn/bijsluit/risperdal.htm -)
    (andere vormen – cfr. :
    http://www.psychoseplein.nl/hulp/advies/medicijn/bijsluit/risperdal2.htm -)
    De gewichtstoename door risperidon treedt waarschijnlijk in mindere mate op dan bij clozapine of olanzapine, maar in grotere mate dan een placebo.
    Een toename trad op bij 39% van de patiënten behandeld met risperidon in vergelijking tot een toename bij 20% van de patiënten behandeld met perphenazine.[8]
    Hier zijn echter geen statistische analyses beschikbaar.
    De toename is dosisafhankelijk.[12]
    Dit antipsychoticum heeft hoge affiniteit voor 5-HT2A-, D2- en α1-receptoren en minder voor H1- en 5-HT2C-receptoren.

    Ziprasidon
    (cfr. :
    http://www.ziprasidone.com/ -)
    Ziprasidon is één van de nieuwe antipsychotica die in Nederland nog niet is geregistreerd.
    Beschikbare data laten zelden een aan ziprasidon geassocieerde gewichtstoename zien.
    Uit een metanalyse van Allison e.a. blijkt dat een significante gewichtstoename optreedt bij de behandeling met clozapine en olanzapine, een bescheiden toename door risperidon en een verwaarloosbare toename door ziprasidon.
    Echter, als er wordt gekeken naar het farmacologisch profiel van ziprasidon, wordt dit niet helemaal verwacht.
    In tegenstelling tot andere antipsychotica heeft ziprasidon een grotere affiniteit voor serotoninereceptoren, waaronder 5-HT2C en in mindere mate voor adrenerge-, histaminerge- of muscarinereceptoren.
    De grote affiniteit van ziprasidon voor D2- en 5-HT2A-receptoren is te vergelijken met die van risperidon.

    Aripiprazol
    (cfr. :
    http://www.efarma.nl/pages/winap.asp?ID=166&Method=infotekst -)
    Aripiprazol is een nieuw antipsychoticum dat nog niet in Nederland is geregistreerd.
    Het is een partiële D2- en 5-HT2A-agonist.
    Affiniteit voor de 5-HT1A-receptor is tevens groot, terwijl die voor D3-, D4-, muscarine-, α1- en H-receptoren kleiner is.
    Uit kortetermijnstudies bleek dat aripiprazol (8,1%) minder grote gewichtstoename veroorzaakte dan risperidon (10,6%) of haloperidol (9,8%), waarbij niet duidelijk was of de verschillen significant waren.
    Alle drie de middelen zorgden voor een significant grotere gewichtstoename in vergelijking tot placebo.
    Een langetermijnstudie laat zien dat gewichtstoename door aripiprazol 0,9 kg was, terwijl olanzapine een gewichtstoename van 3,6 kg veroorzaakte.[11]
    Dit verschil was significant (p<0,01) en niet dosis gerelateerd.
    In een 52 weken lange studie werd aripiprazol vergeleken met haloperidol.
    In week 8 en 26 was de gewichtstoename door aripiprazol significant groter, terwijl er in week 52 dit verschil niet meer aantoonbaar was.


    4. - Mogelijke determinanten

    Gewichtstoename door de antipsychotica wordt waarschijnlijk beïnvloed door verschillende factoren, waaronder de duur van de behandeling, leeftijd, geslacht, fenotype, initiële BMI en de omgeving :

    • Duur van de behandeling
      De maximale gewichtstoename zal voornamelijk in de eerste 12-16 weken van de behandeling plaats vinden waarbij het onduidelijk is of de gewichtstoename reversibel is.[12]

    • Doering
      Relatie met dosering is moeilijk aan te geven aangezien de dosis gerelateerd is aan het type en de ernst van de ziekte, terwijl gewichtstoename of afname inherent kan zijn aan bepaalde ziektebeelden.
      Aangezien het nog onduidelijk is of er een verband bestaat tussen de dosering en het gewicht, moet daarom een doseringsverandering niet standaard geadviseerd worden.

    • Leeftijd en geslacht
      De prevalentie van overgewicht is hoger bij vrouwen dan bij mannen.
      Tussen leeftijd en gewichtstoename is ook een positief verband gevonden.[13]

    • Initiële BMI
      De gewichtstoename bij patiënten die voor aanvang van de therapie al een hoge BMI hadden blijkt minder te zijn dan bij patiënten met een lagere BMI.[14]

    • Fenotype en genotype (fenotype = genotype + invloed van buitenaf)
      Polymorfisme van de 5HT2C-receptor heeft invloed op gewichtstoename door antipsychotica.[15]
      Patiënten met het -759T allel kwamen significant minder aan dan patiënten zonder dit allel (p<0,005).

    • De omgeving
      De gewichtstoename blijkt meer opvallend te zijn bij klinische patiënten.


    5. - Beschouwing

    Overgewicht is één van de mogelijke oorzaken van een toegenomen morbiditeit en mortaliteit bij schizofreniepatiënten.
    Daarnaast heeft overgewicht een grote invloed op de therapietrouw.
    Gezien deze risico's is het van groot belang om de toename van het gewicht tijdens de behandeling zo veel mogelijk te beperken.

    Voordat de behandeling met atypische antipsychotica begint, is het aan te bevelen de patiënten te screenen op risicofactoren voor diabetes en cardiovasculaire aandoeningen.
    Daarnaast zullen het gewicht en de aan het gewicht gerelateerde klinische parameters als bloedglucose, tryglyceriden, cholesterol en lipoproteïnen gemeten moeten worden.
    Met name tijdens de start, maar ook tijdens de behandeling zullen deze waarden bewaakt moeten worden.[16]

    De grootste gewichtstoename treedt op in het begin van de behandeling.
    Het is van groot belang dat patiënten hierover geïnformeerd worden.
    De apotheek en de voorschrijvende arts kunnen hierbij een belangrijke rol spelen.
    Een goede voorlichting bij de eerste en tweede uitgifte, waarbij de patiënt voorgelicht wordt over gewichtstoename als mogelijke bijwerking en het belang van regelmatige fysieke activiteit, gezond en caloriebeperkt eten, dragen zeker bij aan het voorkómen van overgewicht en het bevorderen van de therapietrouw.
    Het geven van schriftelijke informatie waarin meer aandacht wordt besteed aan overgewicht, is een zinvolle aanvulling op de mondelinge informatie.
    Overigens worden er vanuit verschillende fabrikanten nu FPZ-projecten (FPZ staat voor 'farmaceutische patiëntenzorg' – cfr. :
    http://www.pragmascoop.nl/projecten/farmaceutische_pat_zorg.htm -) gestart om mensen te helpen bij het beheersen van hun gewicht.

    Er is geen bewijs over de zin van het verlagen van de dosis van het antipsychoticum.
    Het verband tussen de dosis van het antipsychoticum en de gewichtstoename iszeer complex omdat de dosis gerelateerd is aan het type en de ernst van de ziekte.
    Bovendien is er gebleken dat de gewichtstoename door sommige antipsychotica niet dosis gerelateerd is.

    Voorzichtigheid is geboden bij het gebruik van vermageringsmiddelen.
    Deze middelen dienen alleen voorgeschreven te worden aan patiënten bij wie alle andere behandelmogelijkheden gefaald hebben.
    Daarnaast moet de patiënt ervan op de hoogte gesteld worden dat behandeling met deze middelen een long term commitment is.
    Deze middelen zullen niet op korte termijn voor gewichtsafname zorgen, bij het stoppen zullen patiënten naar hun oude gewicht teruggaan.
    Sommige van deze middelen zoals sibutramine beïnvloeden serotonine- en dopaminereceptoren, wat mogelijk een interactie kan geven met antipsychotica.
    Orlistat (cfr. :
    http://www.fk.cvz.nl/Preparaatteksten/O/orlistat.asp?blPrint=True -), een middel dat de lipidenabsorptie remt, geeft deze interactie niet.
    Er zijn echter nog geen studies naar interacties tussen orlistat of sibutramine en antipsychotica.
    Bovendien is het gebruik bij schizofreniepatiënten nog niet onderzocht.

    Ondanks dat er nog geen robuuste klinische voorspellende parameters zijn voor geneesmiddel geïnduceerde gewichtstoename, is het belangrijk om de behandeling van patiënten met een verhoogd risico op gewichtstoename of op aan gewicht gerelateerde ziektes, te beginnen met middelen die de minste invloed hebben op het gewicht.
    Wanneer klinisch significante gewichtstoename optreedt, is het overstappen naar een antipsychoticum dat de minste invloed heeft op het gewicht, een mogelijkheid.
    De meeste atypische antipsychotica hebben een groter risico op overgewicht dan de klassieke middelen, waarbij het risico bij clozapine en olanzapine het grootst is.
    Indien een patiënt aangeeft overgewicht heel erg te vinden, is het aan te raden om niet met clozapine of olanzapine te starten.
    Hierbij moet benadrukt worden dat de keuze van een antipsychoticum niet alleen op de grond van de gewichtstoename plaats moet vinden.
    De effectiviteit van een antipsychoticum, maar ook de extrapiramidale bijwerkingen en QT-verlenging, zijn aspecten die overwogen moeten worden voordat een keuze gemaakt wordt.


    6. - Literatuur

    1. Prevalence of and risk factors for medication nonadherence in patients with schizophrenia - A comprehensive review of recent literature
      Lacro JP, Dunn LB, Dolder CR et al. - J Clin Psychiatry 2002;63:892-909
      Cfr. :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/12416599

    2. Switching antipsychotic therapies
      Masand PS, Berry SL - Ann Pharmacother 2000; 34(2):200-207
      Cfr. :
      http://www.theannals.com/cgi/content/abstract/34/2/200

    3. Rationale and strategies for switching antipsychotics
      Ganguli R - Am J Health Syst Pharm 2002; 59(22 Suppl 8):S22-S26
      Cfr. :
      -
      http://ajhp.org/cgi/content/abstract/59/suppl_8/S22
      -
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/12455296

    4. Body weight gain induced by antipsychotic drugs - Mechanisms and management
      Baptista T, Department of Physiology, Medical School, Universidad de Los Andes, Mérida, Venezuela - Acta Psychiatr Scand. 1999 Jul;100(1):3-16 - PMID: 10442434
      Long-term administration of typical and atypical antipsychotic drugs (AP) induces excessive weight gain which afflicts up to 50% of patients, impairs health and interferes with treatment compliance.
      Basic and clinical research has shown that AP may affect body weight through diverse mechanisms.
      Increased appetite is probably related to the interaction of AP with neuronal receptors to dopamine, serotonin and histamine.
      Additional metabolic-endocrine disruption of weight regulation may be related to the effects of AP-induced hyperprolactinaemia on gonadal-adrenal steroids and insulin sensitivity.
      In humans, programmed physical activity, dietary restriction, anorectic agents and drugs that counteract hyperprolactinaemia have been shown to be successful in a limited number of studies.
      Two novel strategies could expand the available therapeutic options.
      First, in preclinical experiments in female rats the estradiol antagonist/agonist drug tamoxifen or estradiol itself have been shown to completely prevent the obesity provoked by the AP sulpiride and to induce an endocrine-metabolic milieu that seems to counteract AP-induced obesity.
      Secondly, it has also been shown that oral antihyperglycaemic agents such as metformin may decrease body weight and counteract insulin resistance and hyperinsulinaemia which is correlated with several metabolic abnormalities in obese subjects.
      Lastly, estradiol replacement, tamoxifen and/or antihyperglycaemic agents are not devoid of significant side-effects and these drugs have not been tested in obese psychiatric patients.
      Therefore, further research is needed before their clinical use may be recommended
      Cfr
      . :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/10442434
      Also read the comment on this article
      Antipsychotic drugs and weight gain
      Baptista T - Acta Psychiatr Scand. 2001 Feb;103(2):158 - PMID: 11167321
      at :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/11167321?ordinalpos=1&itool=EntrezSystem2.PEntrez.Pubmed.Pubmed_ResultsPanel.Pubmed_Dis
      coveryPanel.Pubmed_RVAbstractPlus

    5. Antipsychotic-induced weight gain - A comprehensive research synthesis
      Allison DB, Mentore JL, Heo M, Chandler LP, Cappelleri JC, Infante MC, Weiden PJ, Obesity Research Center, St. Luke's-Roosevelt Hospital, Columbia University College of Physicians and Surgeons, NY 10025, UDA : dba8@columbia.edu - Am J Psychiatry. 1999 Nov;156(11):1686-96 - PMID: 10553730
      Objective - The purpose of this study was to estimate and compare the effects of antipsychotics-both the newer ones and the conventional ones-on body weight.
      Method - A comprehensive literature search identified 81 English- and non-English-language articles that included data on weight change in antipsychotic-treated patients.
      For each agent, a meta-analysis and random effects metaregression estimated the weight change after 10 weeks of treatment at a standard dose.
      A comprehensive narrative review was also conducted on all articles that did not yield quantitative information but did yield important qualitative information.
      Results - Placebo was associated with a mean weight reduction of 0.74 kg.
      Among conventional agents, mean weight change ranged from a reduction of 0.39 kg with molindone to an increase of 3.19 kg with thioridazine.
      Among newer antipsychotic agents, mean increases were as follows : clozapine, 4.45 kg; olanzapine, 4.15 kg; sertindole, 2.92 kg; risperidone, 2.10 kg; and ziprasidone, 0.04 kg. Insufficient data were available to evaluate quetiapine at 10 weeks.
      Conclusions - Both conventional and newer antipsychotics are associated with weight gain.
      Among the newer agents, clozapine appears to have the greatest potential to induce weight gain and ziprasidone the least.
      The differences among newer agents may affect compliance with medication and health risk.
      Cfr. :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/10553730
      Also read the comment on this article
      Differing tolerability profiles among atypical antipsychotics
      Hellewell JS, Haddad PM - Am J Psychiatry. 2001 Mar;158(3):501-2 - PMID: 11230007
      at :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/11230007?ordinalpos=1&itool=EntrezSystem2.PEntrez.Pubmed.Pubmed_ResultsPanel.Pubmed_Dis
      co
      veryPanel.Pubmed_RVAbstractPlus

    6. The pharmacology of weight gain with antipsychotics
      Casey DE, Zorn SH, Portland Veterans Affairs Medical Center, Oregon Health Sciences University, USA - J Clin Psychiatry. 2001;62 Suppl 7:4-10 - PMID: 11346195
      In general, antipsychotic agents have diverse actions on a wide range of neurotransmitter systems.
      Data strongly suggest that a number of these systems may play a role in the regulation of body weight.
      In addition to having very distinct pharmacologic profiles, individual agents possess discrete weight gain liabilities.
      This article briefly reviews the evidence for the involvement of specific neurotransmitter systems in the control of body weight and describes the relevant pharmacologic characteristics of individual antipsychotic agents.
      By comparing the pharmacologic profiles of specific antipsychotic agents with their respective weight gain liabilities, this article attempts to gain an insight into the specific receptors underlying a drug's propensity to induce weight gain.
      However, there is still much to be learned concerning weight control mechanisms and the role of many of the receptors at which antipsychotic agents are active remains unclear.
      In spite of this, an overview of current knowledge in the field may facilitate prediction of a potential novel antipsychotic agent's weight gain liability.
      Cfr. :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/11346195
      Also read the comment on this article
      Mechanisms of weight gain induced by antipsychotic drugs
      Baptista T - J Clin Psychiatry. 2002 Mar;63(3):245-6 - PMID: 11926725
      at :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/11926725?ordinalpos=1&itool=EntrezSystem2.PEntrez.Pubmed.Pubmed_ResultsPanel.Pubmed_Dis
      coveryPanel.Pubmed_RVAbstractPlus

    7. Epidemiology, implications and mechanisms underlying drug-induced weight gain in psychiatric patients
      Zimmermann U, Max Planck Institute of Psychiatry, Kraepelinstr. 10, 80804 , Munich, Germany - Kraus T, Himmerich H, Schuld A & Pollmacher T, Journal of Psychiatric Research, Volume 37, Number 3, May 2003 , pp. 193-220(28)
      Cfr. :
      http://www.ingentaconnect.com/content/els/00223956/2003/00000037/00000003/art00018;
      jsessionid=gs0toaelfmr71.alexandra?format=print

    8. Weight gain and glucose and lipid metabolism disturbances during antipsychotic medication
      Hannu Koponen1, Kaisa Saari3, Markku Savolainen4 and Matti Isohanni1 -- 1 Department of Psychiatry, University of Oulu, Oulu, Finland, FI -– 2 Department of Psychiatry, Hospital District of Lapland, Rovaniemi, Finland, FI -– 3 Department of Psychiatry, Oulu University Central Hospital, Oulu, Finland, FI – 4 Department of Internal Medicine, University of Oulu, Oulu, Finland, FI -- Tuukkalantie 17, 50500 Mikkeli, Finland FI - Correspondence to : Prof. Hannu Koponen : hannu.koponen@reimari.net - J European Archives of Psychiatry and Clinical Neuroscience, Volume 252, Number 6 / December, 2002
      Antipsychotic medication is the mainstay of treatment for functional psychotic illnesses.
      However, for some patients weight gain and the disturbances in blood-lipid levels and glucose balance associated with their use are significant disadvantages, and pose health risks that may affect prognosis.
      A substantial body of evidence suggests that weight gain is at least partly related to the blocking effects of antipsychotic medication on serotonin- and histamine-mediated neurotransmission.
      The disadvantages associated with weight gain can be reduced by an appropriate choice of antipsychotic and avoidance of polypharmacy, by regular monitoring of the patient's weight and, if necessary, by the patient's participation in a dieting programme.
      Cfr. :
      http://www.springerlink.com/content/n8gelerphm46q4ee/

    9. Body weight and leptin plasma levels during treatment with antipsychotic drugs
      Kraus T, Haack M, Schuld A, Hinze-Selch D, Kühn M, Uhr M, Pollmächer T, Max Planck Institute of Psychiatry, Munich, Germany - Am J Psychiatry. 1999 Feb;156(2):312-4 - PMID: 9989571
      Objective
      - Leptin is produced by fat cells and is presumed to signal the size of the adipose tissue to the brain.
      The authors investigated whether antipsychotic drugs that often induce weight gain affect circulating levels of leptin.
      Method - Weight, body mass index and leptin plasma level were measured weekly over 4 weeks in psychiatric inpatients who received clozapine (N = 11), olanzapine (N = 8), haloperidol (N = 13) or no psychopharmacological treatment (N = 12).
      Results - In patients receiving clozapine or olanzapine, significant increases in weight, body mass index and leptin level were found, whereas these measures remained stable in patients who received haloperidol or no pharmacological treatment.
      Conclusions - Weight gain induced by clozapine or olanzapine appears to be associated with an increase in leptin level that cannot be attributed to dietary changes upon hospitalization.
      Cfr. :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/9989571
      Full text :
      http://ajp.psychiatryonline.org/cgi/content/full/156/2/312

    10. Atypical antipsychotics and weight gain - A systematic review
      Taylor DM, McAskill R, Maudsley Hospital, London, UK - Acta Psychiatr Scand. 2000 Jun;101(6):416-32 - PMID: 10868465
      Objective - To review systematically data relating to weight changes with atypical antipsychotics.
      Method - We conducted a Medline search on October 29 1999 and covered the period 1980-99.
      All recovered papers were examined for further relevant reports.
      In addition, we wrote to pharmaceutical manufacturers and 10 practising clinicians to ask them to provide other relevant reports known to them.
      Results - Eighty reports mentioning change in body weight were retrieved.
      Data relating to weight changes were of variable quality.
      Weight changes were indicated by a variety of measures.
      The majority of reports related to short-term changes.
      Conclusion - All atypical drugs, with the exception of ziprasidone, have been associated with weight increases.
      Clozapine seems to have the highest risk of weight gain, followed by olanzapine and quetiapine.
      There is probably a lower risk with risperidone, sertindole and zotepine and a still lower risk with amisulpride.
      Ziprasidone appears not to be associated with weight gain.
      In the absence of more compelling data, these rankings must be considered approximate and preliminary.
      Longer, more robust trials are needed.
      Cfr. :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/10868465
      Also read the comment on this article
      Antipsychotic drugs and weight gain
      Baptista T, Acta Psychiatr Scand. 2001 Feb;103(2):158 - PMID: 11167321
      Cfr. :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/11167321?ordinalpos=1&itool=EntrezSystem2.PEntrez.Pubmed.Pubmed_ResultsPanel.Pubmed_Dis
      coveryPanel.Pubmed_RVAbstractPlus

    11. Aripiprazole - A new atypical antipsychotic drug
      Bowles TM, Levin GM, Department of Pharmacy Practice, College of Pharmacy, University of Florida, Gainesville, FL, USA - Ann Pharmacother. 2003 May;37(5):687-94 - PMID: 12708948
      Objective - To review the pharmacology, pharmacokinetics, clinical efficacy and safety profile of aripiprazole for the treatment of schizophrenia.
      Data sources - Information was selected from MEDLINE (1995-August 2002).
      Abstracts, scientific posters and presentations were also used.
      Study selection / data ectraction - All published information regarding the pharmacokinetic, pharmacodynamic and clinical characteristics of aripiprazole was considered.
      Studies providing a comprehensive description of aripiprazole were selected.
      Data synthesis - Aripiprazole is a dopamine partial agonist and a serotonin-2A antagonist; it is dosed 10-30 mg/d, with no initial titration necessary.
      Short-term clinical trials demonstrated efficacy in acute exacerbations and long-term studies showed that aripiprazole can maintain remission of schizophrenia.
      Most adverse events were mild.
      The incidence of extrapyramidal symptoms was low, with akathisia being the most common.
      Conclusions - Aripiprazole currently demonstrates comparable efficacy and safety for use in schizophrenia.
      Cfr. :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/12708948

    12. Weight gain - Side effect of atypical neuroleptics ?
      Wettering T, Müßigbroodt HE - J Clin Psychopharmacol 1999;19:316-321

    13. Antipsychotic-associated weight gain and clinical outcome parameters
      Blin O, Micallef J, Centre de Pharmacologie Clinique et d'Evaluatións Therapeutiques, H pital de la Timone, Marseille, France : oblin@mail.ap.hm.fr - J Clin Psychiatry. 2001;62 Suppl 7:11-21 - PMID: 11346191
      Weight gain has been observed with many of the antipsychotics, including the atypical antipsychotics.
      The assessment of whether, and to what degree, a drug causes changes in body weight is not straightforward, since clinical studies performed during a drug development program are not designed to measure changes in body weight.
      Even when weight change data are obtained from adverse event data or from part of the vital signs measured during a study, assessment is not standardized.
      Nevertheless, evidence points to the fact that weight gain with the atypical antipsychotics is becoming an increasing problem.
      This review examines whether antipsychotic-associated weight gain, when it occurs, is associated with clinical outcome parameters.
      Cfr. :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/11346191

    14. Association of antipsychotic drug-induced weight gain with a 5-HT2C receptor gene polymorphism
      Reynolds GP, Zhang ZJ, Zhang XB, Department of Biomedical Science, University of Sheffield, Sheffield S10 2TN, UK : g.p.reynolds@sheffield.ac.uk - Lancet. 2002 Jun 15;359(9323):2086-7 - PMID: 12086765
      A side-effect of treatment with antipsychotic drugs for schizophrenia is increased body fat, which leads to further morbidity and poor adherence to treatment.
      The 5-hydroxytryptamine 2C receptor (5-HT2C) has been associated with this effect; we aimed to establish whether a genetic polymorphism of the promoter region of this receptor affects weight gain after drug treatment in first-episode patients with schizophrenia.
      We noted significantly less weight gain in patients with the -759T variant allele (p=0.0003) than in those without this allele, who were more likely to have substantial (>7%) weight gain (p=0.002).
      We have identified a genetic factor that is associated with antipsychotic drug-induced weight gain.
      Cfr. :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/12086765
      Also read the comments on this article
      - -759C/T genetic variation of 5HT(2C) receptor and clozapine-induced weight gain
      Tsai SJ, Hong CJ, Yu YW, Lin CH - Lancet. 2002 Nov 30;360(9347):1790 - PMID: 12480466
      Cfr. :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/12480466?ordinalpos=1&itool=EntrezSystem2.PEntrez.Pubmed.Pubmed_ResultsPanel.Pubmed_Dis
      coveryPanel.Pubmed_RVAbstractPlus

      - 759C/T genetic variation of 5HT(2C) receptor and clozapine-induced weight gain
      Basile VS, Masellis M, De Luca V, Meltzer HY, Kennedy JL - Lancet. 2002 Nov 30;360(9347):1790-1 - PMID: 12480467
      Cfr. :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/12480467?ordinalpos=2&itool=EntrezSystem2.PEntrez.Pubmed.Pubmed_ResultsPanel.Pubmed_Dis
      coveryPanel.Pubmed_RVAbstractPlus

    15. Not so nice
      Steenhoek A, Schulte P.F.J, Peetoom J.J - Pharmaceutisch Weekblad 2003;138(25):880-882


    Cfr. : http://www.pharmaselecta.nl/psonline/archive/2003/18/main.1.html

     

    Lees verder Deel IV


     

    14-04-2008 om 19:52 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dik worden en medicijngebruik - Deel IV
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

































    Dik worden en medicijngebruik

    Deel IV


    De behandeling van overgewicht

    Pillie Willie


    Pillie Willie's ervaringen met de behandeling van overgewicht – cfr. : http://overgewicht.pilliewillie.nl/ - worden nu door Cora de Fluiter vastgelegd in een boek :

    SLIM
    Slank worden – Slank blijven

    Heeft u er wel eens aan gedacht dat uw gewichtstoename niets met uw eten te maken hoeft te hebben ?

    De belangrijkste oorzaken van gewichtstoename :

    • 25% wordt door hyperinsulinemie veroorzaakt dat zich kenmerkt doordat u gewicht rond het middel vasthoudt

    • 10% door een koolhydraatverslaving, een stoornis waarbij u somber wordt als u koolhydraten probeert te verminderen

    • 5% door een onopgemerkte schildklier deficiëntie een stoornis waarbij u het vaak koud heeft en veel moe bent

    • 10% door een testosteron deficiëntie bij mannen die zich kenmerkt door een bierbuik en een verminderd libido

    • 5% door zaken als PMS, medicijngebruik, voedingstekorten, chronische stress en een verminderd verzadigingsgevoel.

    'SLIM - Slank worden – Slank blijven' geeft de auteur een duidelijke uitleg hoe u dit herkent en wat u er aan moet doen.

    Het boek ligt pas volgend jaar in de winkel, maar om u nu al een beetje een indruk te geven van waar het boek over gaat plaats Pillie Willie elke maand één pagina van de eerste twee hoofdstukken op het internet : cfr. : http://coradefluiter.nl/ -.


    Cfr. : http://www.coradefluiter.nl/inleiding.1.php

     

    Literatuur

    1. A neuropeptide Y Y5 antagonist selectively ameliorates body weight gain and associated parameters in diet-induced obese mice
      Ishihara A, Kanatani A, Mashiko S, Tanaka T, Hidaka M, Gomori A, Iwaasa H, Murai N, Egashira S, Murai T, Mitobe Y, Matsushita H, Okamoto O, Sato N, Jitsuoka M, Fukuroda T, Ohe T, Guan X, MacNeil DJ, Van der Ploeg LH, Nishikibe M, Ishii Y, Ihara M, Fukami T, Tsukuba Research Institute, Banyu Pharmaceutical Co., Ltd., 3 Okubo, Tsukuba 300-2611, Japan : akane_ishihara@merck.com - Proc Natl Acad Sci U S A. 2006 May 2;103(18):7154-8. Epub 2006 Apr 24 - PMID: 16636293
      Neuropeptide Y (NPY) is thought to have a major role in the physiological control of energy homeostasis.
      Among five NPY receptors described, the NPY Y5 receptor (Y5R) is a prime candidate to mediate some of the effects of NPY on energy homeostasis, although its role in physiologically relevant rodent obesity models remains poorly defined.
      We examined the effect of a potent and highly selective Y5R antagonist in rodent obesity and dietary models.
      The Y5R antagonist selectively ameliorated diet-induced obesity (DIO) in rodents by suppressing body weight gain and adiposity while improving the DIO-associated hyperinsulinemia.
      The compound did not affect the body weight of lean mice fed a regular diet or genetically obese leptin receptor-deficient mice or rats, despite similarly high brain Y5R receptor occupancy.
      The Y5R antagonist acts in a mechanism-based manner, as the compound did not affect DIO of Y5R-deficient mice.
      These results indicate that Y5R is involved in the regulation and development of DIO and suggest utility for Y5R antagonists in the treatment of obesity.
      Cfr. :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/16636293

    2. Analysis of the spectrum of depression
      Robert M. Miller - Serendip, 07-Jan-2002
      .../... Diagnosing major depressive episodes can be a challenge if other mental or physical disorders are present.
      However a general criterion has been developed : an individual is clinically depressed if he or she meets the following four points :
      A / Displays an abnormally depressed mood or exhibits an abnormal loss of all interest and pleasure, most of the day, almost everyday, for at least two weeks.
      B
      / For the same two week period, five of the following symptoms are present and represent a change from the patient's normal behavior :
      - significant weight loss when not dieting or weight gain (more than 5% of body weight in a month) or decrease in appetite. in children, failure to make expected weight gains
      - insomnia or hypersomnia
      - psychomotor agitation retardation which is noticeable to others, not merely subjective feelings of restlessness or being slowed down
      - fatigue or loss of energy
      - feelings of worthlessness, excessive or inappropriate guilt (which may be delusional)
      - diminished ability to think or concentrate or indecisiveness
      - recurrent thoughts of death (not just fear of dying, recurrent suicidal ideation without a specific plan, or suicide attempt or a specific plan for committing suicide).
      C
      / These symptoms must cause clinically significant distress or impairment in social, occupational or other important areas of functioning.
      D
      / The symptoms are not due to the direct physiological effects of a substance, general medical condition or normal bereavement .../...
      Cfr. :
      http://serendip.brynmawr.edu/bb/neuro/neuro98/202s98-paper3/Miller3.html

    3. Behandeling overgewicht
      © 2007 – pilliewillie.nl
      U zou toch heel raar staan te kijken als u bij uw huisarts binnen kwam en uw arts, nog voor u ging zitten, zei : "U krijgt van mij een antibioticumkuur".
      Toch is dat hetgeen wat de bekende diëten zoals Atkins, Montignac en South Beach al tientallen jaren doen.
      Ze geven u een dieetadvies zonder ook maar te letten op de oorzaak van uw overgewicht.
      Overgewicht is echter net als koorts een symptoom waaraan verschillende ziekten en stoornissen ten grondslag kunnen liggen.
      U moet daarom eerst weten om welke ziekte of stoornis het bij u gaat voor u met behandelen kan beginnen, anders is een dieet dweilen met de kraan open.
      Een vermageringsdieet heeft pas zin als de oorzaak van uw overgewicht behandeld is.
      En als u met dit dieet begint hoeft u niet sterk te zijn zoals u bij de Great Diets gewend bent, maar wordt u geleerd slimmer te zijn dan uw oergenen, die u dik willen houden .../...
      Cfr. :
      http://overgewicht.pilliewillie.nl/obesitas/behandeling.overgewicht.3.php

    4. Behandeling overgewicht – Chroom
      © 2007 – pilliewillie.nl

      Chroom tekort veroorzaakt insuline resistentie en daardoor overgewicht.
      Het Amerikaanse ministerie van landbouw rapporteert dat 90% van alle volwassenen volgens hun informatie een chroom tekort heeft.
      In Nederland zal de situatie waarschijnlijk niet veel beter zijn.
      Door dit chroom tekort ontstaat insuline resistentie en daardoor overgewicht.
      In 1997 werd tijdens de 57ste Annual Scientific Session van het Amerikaanse Diabetes Association de resultaten van een studie van vier maanden gepresenteerd.
      Hier kregen diabetes patiënten dagelijks 1000mcg chroom picolinaat toegediend.
      De conclusie van de wetenschappers was dat chroom picolinaat de werking van insuline aanzienlijk (40% beter dan de controle groep die geen chroom kreeg) verbeterd had.
      Chroom is goedkoop en veilig en kan daardoor zonder meer toegepast worden bij de behandeling van overgewicht alsgevolg van hyperinsulinemie (insuline resistentie) .../...
      Cfr :
      http://overgewicht.pilliewillie.nl/obesitas/chroom1.php

    5. Bijna de helft van Euopeanen kampt met overgewicht
      Wanda Bregman - Fitness.blog.nl, 26-04-2007

      Cfr. : http://fitness.blog.nl/algemeen/2007/04/26/bijna-de-helft-van-euopeanen-kampt-met-overgewicht

    6. Brain dependence - The debate over the addictive personality and gender implications
      MaryBeth Curtiss – Serendip, (last modified) 02-Mar-2004

      Some of the symptoms of alcohol consumption and drunkenness are less acceptable for women, such as uncontrolled behavior, lessened inhibitions and weight gain, while these are more acceptable for men.
      Cfr. :
      http://serendip.brynmawr.edu/bb/neuro/neuro04/web1/mcurtiss.html

    7. Centrum voor Preventieve Gezondheidszorg (CPG) DenBosch
      E-mail : info@cpgdenbosch.nl
      Cfr. :
      http://www.cpgdenbosch.nl/

    8. CVS/ME - Schildklier deficiëntie
      © 2007 – pilliewillie.nl
      Een groot aantal patiënten die op klinische gronden (gewichtstoename, vermoeidheid, lage lichaamstemperatuur, droge huid, brosse nagels, dun haar, obstipatie) door de huisarts werden gediagnosticeerd met schildklier deficiëntie (hypothyroidie) maar waarvan het laboratoriumonderzoek een negatief resultaat aan gaf bleken wel degelijk te herstellen door een schildklier hormoonbehandeling.
      Dit onderzoek suggereert dat een klinisch onderzoek wat betreft hypothyroidie betere resultaten oplevert dan een laboratorium onderzoek.
      Het is daarom voor een patiënt verstandig om een arts te zoeken die naar de klachten kijkt die horen bij schildklier deficientie en minder naar bloeduitslagen en referentiewaarden en op basis van deze klachten bereid is te behandelen .../...
      Cfr. :
      http://chronische-vermoeidheidssyndroom.pilliewillie.nl/cvs-me/hypothyroidie.cvs.me.1.php

    9. Dealing with clinical depression - A rough idea
      Nazia Ahmed – Serendip
      .../... Some drugs that stabilize neurotransmitters are tricyclic antidepressants (TCAs), monoamine oxidase inhibitors (MAOIs) and the newer selective serotonin reuptake inhibitors (SSRIs).
      Each acts on different chemical pathways of the human brain related to mood.
      The first two mentioned are older and have many associated side affects such as drowsiness, weight change, nausea and insomnia.
      All of which might have further affect a depressed individual.
      Thus, a new wave of drugs called Selective Serotonin Reuptake Inhibitors (SSRIs) have taken vogue and carry such house-hold names like Prozac, Paxil and Zoloft.
      They work by allowing the serotonin molecules released by your brain to stay in the space between your neurons longer so you receptor cells can absorb and use the serotonin longer and more efficiently.
      Interestingly enough both psychotherapy and drugs relieve depression in some cases, so the treatment does not clarify the causes.
      My guess is that psychological factors play a role in almost all depressions and physiological (chemical) factors are a significant causal factors in some depressions, especially the very severe cases but my guess is as good as an others .../...
      Cfr. : http://serendip.brynmawr.edu/bb/neuro/neuro01/web1/Ahmed.html

    10. Depression and antidepressants
      Alicia Ebbitt - Serendip, 07-Jan-2002
      .../... Clomipramine(Anafranil), a SSRI was the first medication used for obsessive-compulsive disorder.
      The tricyclic antidepressants include amitriptyline(Elavil) and desipramine(Norpramin).
      The most common side affects of these are dry mouth, drowsiness, weight gain, constipation, sweating, increased pulse and reduced blood pressure.
      Phenelzine(Nardil) is a commonly used monoamine oxidase inhibitor.
      The most common side effects of this drug are dry mouth, insomnia, increased heart rate, lowered blood pressure sedation and over stimulation. Fluoxetine(Prozac), sertraline(Zoloft) and paroxetine(Paxil) and the newest and most common antidepressants.
      They are most commonly used because they cause less severe side effects than the other antidepressants.
      The most common side effects of these drugs are decreased sexual interest and other sexual problems, nausea, sedation, dizziness, headache, nervousness, insomnia, diarrhea and dry mouth.
      Venlafaxine(Effexor) inhibits the uptake of norepinephrine, serotonin and dopamine.
      Its most common side effect are nausea, headache, sleepiness, dry mouth, insomnia and constipation.
      Although many of the above mentioned drugs are quite effective in relieving the symptoms of depression, in people suffering from Bi-polar Disorder, these drugs cause a constant state of mania and elation. Bupropion (Wellbutrin) is used in many patients with Bi-Polar Disorder to reduce the possibility of these constant states of mania.
      This most common side effects of this drugs are agitation, weight loss, dizziness and a decreased appetite.
      Cfr. : http://serendip.brynmawr.edu/bb/neuro/neuro98/202s98-paper3/Ebbitt3.html

    11. Depression at the synaptic level - SSRI's and their limitations
      Richard Cruz – Serendip, 01-17-2008
      Depression is a fairly common problem that affects as many as 1 out of 5 of us (about 1 in 10 for males and 1 in 4 for females) at some time in their lives.
      We all know what it is like to feel very sad, but real depression is an unshakable sadness that saps away your energy to want to do anything.
      Clinical depression has many different facets and affects not only someone's mood, but often also their ability to function normally.
      The DSM-IV defines a major depressive episode as depressed mood most of the day, nearly every day, markedly diminished interest or pleasure in all or almost all, activities most of the day, significant weight loss when not dieting or weight gain (e.g., a change of more than 5% of body weight in a month) or decrease or increase in appetite nearly every day, large changes in psychomotor agitation or retardation, fatigue or loss of energy, feelings of worthlessness or excessive or inappropriate guilt, diminished ability to think or concentrate or indecisiveness and recurrent thoughts of death (not just fear of dying), suicide (sometimes accompanied by attempt(s)).
      Cfr. :
      http://serendip.brynmawr.edu/exchange/node/1909

    12. Dik worden van anti-depressiva
      OpDieet.nl, 02-02-2007
      Voor de mensen die het nog niet gelezen hebben,hier opnieuw.
      Mijn topic was opeens verwijderd,weet niet waarom.
      Het enigste wat ik kan bedenken dat de bronnen die vermeld waren hier niet mogen,nou ja dan zonder die bronnen en moeten mensen ze maar googlen.
      Ik ken veel mensen die door anti-depressiva dik zijn geworden en door dieetiste en dokters niet serieus worden genomen,omdat men die mensen de schuld geven dat ze alleen maar dik worden van teveel eten.
      Er is ook een andere oorzaak die oorzaak wil ik hier graag vermelden.
      Zelf ben ik ook tientallen kilo's aangekomen door de anti-depressiva.
      Ja ik at te veel dat je in 6 maanden al 26 kilo aankom.
      Als je weet dat anti-depressiva met een hormoon loopt te klooien en dat dit waarschijnlijk de oorzaak ook is dat je zo dik wordt.
      Bij mij heeft een kh arm dieet geholpen en ben ik mijn anti-depressiva kilo's kwijt + nog 11 kilo.
      Maar zelfs in het begin hielp het niet.
      Als je op dieet bent en je bent er vanaf,dan nog kun je niet afvallen.
      Wees geduldig,als je van de anti-depressiva af bent, na een paar maanden,val je alsnog af.
      A.d = Anti-depressiva
      Cortisol=stresshormoon

      Anti Depressiva heeft wel degelijk bij SOMMIGE mensen te maken met de gewichtsproblemen.
      Sommige mensen produceren een teveel CORTISOL. Cortisol heeft invloed op je bloedsuikerspiegel.
      Als je bloedsuiker spiegel omhoog gaat,door een tehoog CORTISOL gehalte,gebeurt er dus dit.
      Insuline wordt geproduceerd door de Eilandjes van Langerhans die in de alvleesklier liggen.
      Als het suikergehalte in uw bloed stijgt, zet insuline een gedeelte van die glucose om in glycogeen, een zetmeel dat in de spieren en de lever wordt opgeslagen en dat direct als brandstof dienst kan doen.
      Als alle glycogeenreservoirs vol zitten en zich in het bloed meer glucose bevindt dan het lichaam op dat moment nodig heeft, zal insuline deze overmaat omzetten in vetweefsel, waarvan triglyceride de belangrijkste chemische component is.
      Dat is dus de reden dat je dik kan worden van anti-depressiva en anti-psychotica.
      Bij anti-psychotica vormt er zelfs een risico op diabetes type 2.
      Maar ik zal even een kleine uitleg geven over cortisol.
      Cortisol regelt onder andere het suiker niveau in je lichaam.
      Cortisol zet je lever aan om glycogeen in je lever om te zetten in glucose en af te geven aan het bloed.
      In combinatie met insuline gebruikt je lichaam dit systeem om je bloedsuiker normaal te houden.
      Cortisol regelt onder andere ook je lichaams temperatuur.
      Je lichaamstemperatuur kan alle kanten opschieten (van koorts tot onderkoeling) bij een laag cortisol niveau.
      Ook heeft cortisol onvloed op je bloeddruk (wel stukken minder dan natrium, maar wel een meetbare werking).
      Bij een te hoog cortisol gaat je bloedsuiker onder andere omhoog, er treed een verplaatsing op van vetten uit de ledematen naar de romp van het lichaam, calcium word aan de botten onttrokken, er worden spieren afgebroken en er treden verschillende mentale veranderingen op.
      Bij een te laag cortisol gehalte gaat je bloedsuiker omlaag, kan je lichaam je lichaamstemperatuur niet meer goed regelen, bloeddruk daalt dramatisch, je krijgt een bruine huid (ACTH zorgt hiervoor, dit is het signaalstofje dat ervoor zorgt dat cortisol gemaakt word, alleen bij langere periodes), spieren verliezen aan kracht, mentale veranderingen.
      Een veel te hoog cortisol gehalte is niet dodelijk zover ik weet, alhoewel de complicaties zeer ernstig kunnen zijn over tijd (afhankelijk van hoe hoog je cortisol is).
      Een laag cortisol gehalte daarentegen kan levensbedreigend zijn.
      Als je lichaam stopt met cortisol maken leef je maximaal 48 uur.
      Maar dat zijn extremen.
      Cortisol regelt ook zoiets subtiels als je dag en nachtritme.
      Tijdens je slaap is je cortisol waarde heel laag, maar ongeveer 2 uur voordat je wakker wordt gaat je cortisol spiegel flink omhoog om je voor te bereiden op de dag.
      Cortisol heeft een dikmakende werking.
      Ik denk dat meerdere mensen hier op het forum vast wel van het middel prednison gehoord hebben (krijgen bejaarden vrij vaak in geval van ziekte).
      Dit is ook een vorm van de lichaamseigen cortisol alleen eentje met een langere en sterkere werking.
      Mensen die prednison slikken voor langere periodes worden meestal ook zwaarder.
      Cortisol is vooral een mes met 2 kanten.
      Als je cortisol slikt krijg je op de eerste plaats al meer honger (stimuleerd honger gevoel) en op de 2de plaatst zorgt het ervoor dat vetten makkelijker opgeslagen worden in de romp van het lichaam.
      Als ik bijvoorbeeld mijn bewegingspatroon en mijn etenspatroon niet verander maar mijn cortisol verhoog die ik per dag slik kan ik makkelijk kilo's bijkomen.
      Dit is wel een effect dat je niet gelijk na een paar dagen merkt.
      Hiervoor heb je minimaal 1 week voor nodig om een effect te krijgen dat meetbaar is op de weegschaal, langer voordat het zichtbaar wordt.
      Ik kan een gok wagen waarom je precies dikker word van cortisol maar dit doe ik liever niet omdat ik nog geen artikelen ben tegengekomen waarin omschreven staat waarom je precies dikker kan worden en hoe het onderliggende proces werkt (zelfde als bij osteoporose).
      Gooi cortisol op menselijk bot en er gebeurt niets.
      Krijgt een mens teveel cortisol binnen kan hij botontkalking ontwikkelen.
      Ik weet dat het mogelijk is en in welke situaties het waarschijnlijk is dat het optreed maar hoe het werkt dat weet ik weer niet.
      Maar dit was even een intro die ik moest geven om het onderstaande een beetje duidelijker te maken...
      Ik heb wat gezocht op internet naar de combinatie tussen SSRI's en cortisol.
      Nu blijkt dat een SSRI wel degelijk invloed heeft op de cortisolwerking in je lichaam.
      Bij depressieve patienten is gebleken dat ze een verhoogd CRF, ACTH en Cortisol niveau hebben in hun lichaam.
      Dit waarschijnlijk omdat er een cortisol resistentie is in het het regulerend systeem of door de stress veroorzaakt door de depressie (of een andere oorzaak, misschien PTSS).
      Dit betekent : Normaal gesproken als er ACTH geproduceerd word krijgen de bijnieren de opdracht om cortisol te maken.
      Hoe meer cortisol in je bloed, des te minder ACTH en zullen je bijnieren steeds minder cortisol produceren.
      Daalt je cortisol word er meer ACTH geproduceert en start het proces opnieuw.
      Als je een cortisolresistentie hebt op de receptoren, maakt je lichaam meer ACTH aan dan nodig (ook bij stress) en dus zullen je bijnieren langer cortisol maken en meer dan nodig.
      SSRI's schenen volgens een onderzoek de gevoeligheid van de receptor te normaliseren en dus ook de waardes in je bloed (dit was 1 artikel die ik tegenkwam en in het geval waar de serotines zich normaliseren door de SSRI's).
      Verdere artikelen spreken erover dat een SSRI zelf de cortisol waardes beinvloeden.
      En wel doordat je lichaam een reactie geeft door meer cortisol en adrenaline te maken door de verhoogde serotine waardes.
      In zo'n geval kan de SSRI de cortisolresistentie juist veroorzaken.
      Bron : mag ik niet vermelden dus doe ik het maar zonder.
      Je zult dus even moeten googlen op cortisol + anti-depressiva.
      Helaas zijn er alleen maar engelse site te vinden hierover.
      Cfr. :
      http://www.opdieetforum.net/forum/topics/850.jsp

    13. Eet gezond, begin bij jezelf
      Romano Sandee – ISBN : 978-9-0812-5561-5
      Met het boek 'Eet Gezond, Begin Bij Jezelf' kun je in gemakkelijke stappen zelfstandig je eigen dieet samenstellen en hiermee je eetpatroon verbeteren.
      Dit is een boek waar u niets wordt voorgekauwd, maar waar u zelf de touwtjes in handen houdt.
      U begint in dit boek met wat algemene informatie over overgewicht.
      Aan het einde van het boek weet u waarom u eet, waarom voeding gezond is en hoe u deze gezonde voeding moet toepassen in een dagelijks menu.
      Daarnaast kunt u met deze cursus aan de slag met uw sport.
      Wat voor sport is geschikt voor u ?
      U krijgt kant-en-klare trimschema's om uw conditie op te leren bouwen.
      Wat wilt u nog meer ?
      Cfr. :
      -
      http://boeken.gewichtsconsulent.info/productssimple.html
      -
      http://www.lulu.com/content/1362680

    14. Effectieve leefstijlprogramma's voor mensen met een chronische ziekte
      BAG-Nieuws, Jaargang 2, nummer 6, november 2006
      Thuiszorg Het Friese Land, Thuiszorg Zuidwest Friesland en Thuiszorg De Friese Wouden gaan samenwerken met Bureau voor Arbeid en Gezondheid (BAG – cfr. :
      http://www.bagned.nl/home/ -).
      De organisaties gaan de komende drie jaar gezamenlijk preventieve bewegingsprogramma's opzetten en uitvoeren voor de snel groeiende groep van mensen met een chronische ziekte.
      Met als doel de kwaliteit van leven te vergroten en verergering van het ziektebeeld te voorkomen.
      Cfr. :
      http://www.bagned.nl/uploads/media/BAG_Nieuws__nummer_6.pdf

    15. Fibromyalgie - Inleiding voor artsen, patienten en arbeidskundigen
      A.F. Haarlemmer - Reed business - 1ste druk – ISBN10 : 9035216296 | ISBN13 : 9789035216297
      Recensie van M.A.M. Bomhof - Biblion, 25-03-2006 :
      Fibromyalgie is een aandoening waarbij wijdverspreide spierpijn, -stijfheid en vermoeidheid opreden.
      Ook zijn er vaak klachten over gestoorde slaap, hoofd- en buikpijn en abnormale huidprikkeling.
      Er zijn overlappingen met klachtenbeelden als het chronische vermoeidheids- (ME) en het whiplashsyndroom.
      Bij onderzoek zijn er geen objectieve afwijkingen bij de patiënten te vinden en het bestaan van deze ziektebeelden is daarom omstreden.
      Dit boek is een bewerking van een doctoraalscriptie van Dr. Soerjanto, die als revalidatiearts verbonden was aan het Leids academisch ziekenhuis en zich heeft opgeworpen als pleitbezorger voor patiënten met dit symptomencomplex.
      In dit boek wordt eerst een overzicht gegeven van achtergronden en recente ontwikkelingen; daarna beschrijven patiënten hun ervaringen.
      Dan volgt de beschrijving van de Ergoswerksimulator waarmee mogelijk objectiever gemeten kan worden waartoe de patiënt nog in staat is, gevolgd door de resultaten bij een onderzoek daarmee bij 48 patiënten.
      Een overzichtelijk boek waarbij vooral het eerste hoofdstuk een goed overzicht van dit intrigirende ziektebeeld geeft.
      Geschikt voor medici; voor patiënten vrij moeilijk door de medische terminologie.
      Cfr. :
      http://www.nl.bol.com/is-bin/INTERSHOP.enfinity/eCS/Store/nl/-/EUR/BOL_DisplayProductInformation-Start?BOL_OWNER_ID=666776379&Section=BOOK&iref=precp

    16. Fight fat after forty
      Pamela Peeke - Viking Adult (April 24, 2000) – ISBN-10 : 0670889199 / ISBN-13 : 978-0670889198
      Review by Joan Price - If you're a woman over 40, you are undergoing physical and emotional changes, declining metabolism, fat deposits at your waistline, decreased energy, mood swings, food cravings... do we need to continue this list ?
      Now pile on chronic, long-term stress (which the author terms toxic stress), which hits women between 40 and 60 and leads to self-destructive eating behavior.
      "Uncontrolled or toxic stress keeps the refueling appetite on, thus inducing stress eating and weight gain," Peeke explains.
      The stress triggers are constant, so the body never gets to turn off the stress response.
      The weight gained from this chronic, toxic stress - toxic weight - settles inside the abdomen and is associated with heart disease, diabetes and cancer.
      Peeke explains the association between stress and fat gain and describes the stress/eating cycle ("the itch you can't scratch").
      Then she teaches tools for "regrouping" : formulating and following a contingency plan of nutrition, exercise and self-care.
      Next are suggestions for a nutritional plan tied to stressful times of the day and an explanation of food needs after age 40.
      In the final chapters, Peeke nudges us to exercise to relieve stress, reduce body fat and benefit overall health.
      Peeke is a highly regarded scientist and clinician who studies the link between stress and fat at the National Institutes of Health. She's also Assistant Clinical Professor of Medicine at the University of Maryland School of Medicine and works with Vice President Gore as the Medical Director of the National Race for the Cure for Breast Cancer.
      Cfr. :
      http://www.amazon.com/Fight-After-Forty-Pamela-Peeke/dp/0670889199

    17. Focus op vet - Hoe de hersenen hun greep op het gewicht verliezen
      Elmar Veerman – Noorderlicht, 26-04-2005 – Bron : 'Neurobiology of obesity' by Annette Markus - Nature Neuroscience, 26 april 2005 – cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/15856060
      De westerse wereld wordt geteisterd door een epidemie van overgewicht en dat heeft vele duizenden wetenschappers aan het werk gezet.
      Ze zijn druk bezig te ontdekken welke knoppen in ons hoofd eetgedrag en vetopslag sturen.
      Nature Neuroscience zet de huidige kennis op een rij.
      Cfr. :
      http://noorderlicht.vpro.nl/artikelen/22150864/

    18. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
      Het RIVM is het onderzoeksinstituut van de overheid op het gebied van volksgezondheid en milieu.
      Het verricht niet alleen zelf onderzoek, maar verzamelt ook wereldwijd kennis en past die kennis toe.
      Het brengt jaarlijks een groot aantal rapporten en adviezen uit.
      Bij het RIVM, dat gevestigd is in Bilthoven, werken ongeveer 1550 mensen.
      Het onderzoek en de adviestaak van het RIVM hebben betrekking op :
      - de ontwikkeling van de volksgezondheid en de gezondheidszorg
      - de effecten van voeding en andere consumentenproducten op de gezondheid
      - milieu- en natuurvraagstukken
      - voorbereidingen, maatregelen en nazorg die nodig zijn bij calamiteiten en rampen.
      Opdrachtgevers
      Het RIVM voert met name onderzoek uit voor de ministeries van 
      VWSVROM en LNV, inspecties en internationale organisaties zoals de Europese Unie en de Verenigde Naties.
      Cfr. :
      http://www.rivm.nl/

    19. How to deal with stress productively
      Sarah Naimzadeh – Serendip, (last modified) 07-Jan-2002
      .../... One professor at the University of Maryland School of Medicine in Baltimore wrote that stress is not only bad for mental health, but may also lead to weight gain .../...
      The article about stress and weight gain brings up an interesting aspect of stress management : exercise.
      Another excellent way to keep, or put, stress in check is to exercise.
      A regular fitness routine of thirty to forty-five minutes per day three to four times per week “will strengthen your heart and lungs. These two vital organs - especially the heart - bear the brunt of the body's physiological stress response, constantly being called upon to 'fight or flee' from job, school, family, financial, relationship and every other kind of stressor we confront daily."
      Other benefits include a change in metabolism and an ability to sleep better at night.
      To aid this the BMC fitness center is currently open from 6:30am to 9pm Monday through Friday of no charge to students.
      Along with this fitness regimen, a balanced diet is also crucial.
      Most of us are very familiar with the food pyramid, but it is worth another look now that we have to fend for ourselves in the dining hall.
      The USDA recommends six to eleven servings of pasta, cereal and rice, three to five servings of vegetables, two to four servings of fruit, two to three servings of dairy products, two to three servings of meat, fish and bans and occasional use of fats, oils and sweets.
      All of these items are available daily in all of the Bryn Mawr College and Haverford College dining halls .../...
      Cfr. :
      http://serendip.brynmawr.edu/biology/b103/f00/web3/naimzadeh3.html

    20. Hunger and eating
      Takako Hara, California State University, Northridge (spring 1997)
      Cfr. :
      http://www.csun.edu/~vcpsy00h/students/hunger.htm

    21. Hunger and eating disorders
      C. George Boeree (2003)
      Cfr. :
      http://webspace.ship.edu/cgboer/genpsyhunger.html

     

    Lees verder Deel V

     

    14-04-2008 om 19:50 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dik worden en medicijngebruik - Deel V
    Klik op de afbeelding om de link te volgen
















    Dik worden en medicijngebruik

    Deel V


    1. Hunger and obesity - Are we really hungry ?
      Shu-Zhen Kuang - Serendip, (last modified) 25-Apr-2005
      My mother always said that being overweight is a blessing because only the rich can afford to be fat.
      Having lived most of her life in a rural countryside in China, my mother never thought there could be other reasons why people are overweight.
      America is the richest country in the world and obesity has become a major health concern.
      A person is considered obese if their body weight is 20% over the normal weight (1).
      With obesity on the rise, the health problems that come along with being overweight are major concern in most American households.
      Being obese carries with it the predisposition to get diabetes, heart disease and many other serious illnesses (2).
      Our bodies have biological mechanisms that tell us when we are hungry and when we are full.
      Do obese people have a defect in their biological mechanisms that control their weight or are other issues, such as lifestyle and psychology, affecting their weight ?
      From a biological prospective, our body must have a way of telling us when we need to eat to ensure survival.
      People are usually aware of their hunger when their stomach starts making noises.
      These noises are stomach contractions, but this sign is not the most important indication of hunger (2).
      The feeling of hunger comes from the hypothalamus, which is responsible for maintaining our body weight by telling us to consume more or less calories in order to have a properly functioning body (4).
      The mechanism starts when blood glucose levels are low.
      Then the liver, which changes food into glucose, sends a signal to the lateral hypothalamus.
      In order to increase the blood glucose levels, the lateral hypothalamus activates the behavior that each individual has for finding and consuming food (2).
      Low levels of leptin, a hormone released by fat cells, when detected by the hypothalamus, have also been showed to generate the feeling of hunger (4).
      The hypothalamus controls the sensation of hunger, but it also plays a role in the amount of food consumed.
      Satiety is when we feel full, and as a result, we stop eating.
      When food begins to move from the stomach to the intestines, certain hormones are released from the stomach that signals the ventromedial hypothalamus to stop consumption (1), (5).
      Leptin is also released from fat cells in response to increased levels in caloric storage (4).
      Each individual has a similar mechanism that controls his or her body weight, but some people are predisposed to be obese.
      Forty to seventy % of body mass can be associated with genetics (2).
      An example of genetic predisposition is indicated in studies that show adopted children's weight being similar to their biological parents' weight instead of their adoptive parents (5).
      A case where genetics severely affects hunger is in the rare genetic disorder called Prader-Willi Syndrome.
      Because the hypothalamus functions abnormally, people with this syndrome are constantly hungry and can never be satisfied no matter how much is consumed.
      Unless parents set up a controlled diet early on in the child's life, obesity will be one of the results of this syndrome (6).
      Another biological aspect that relates to hunger is the set point hypothesis.
      This is the idea that the weight of every individual is determined and maintained by their hypothalamus.
      As a result, when a person tries to lose weight, the hypothalamus resists these changes.
      When people are on a diet, their leptin levels decrease and in turn cause the hypothalamus to trigger the feeling of being hungry.
      In other words, this continual cycle is the downfall of many people who attempt dieting.
      In addition, the set point for obese people may be higher than for healthy individuals.
      Studies have found that satiety point, which is determined by the hypothalamus, is higher in obese individuals compared to average weight individuals (5).
      Therefore, the biological mechanisms that maintain a certain weight may be different for obese individuals compared to healthy individuals.
      Although genetics plays an important role in regulating our weight, a large portion of our body mass is determined by the daily choices we make.
      The time, amount and type of food we consume are selected by us.
      For some people, it is the lack of willpower that leads to the path of obesity.
      Although the extra snack eaten every day may not seem to contribute to the overall weight gain, the extra calories from this snack gets converted to fat and build up overtime (3).
      Since most people who tried dieting have failed, many physicians have resorted to treating the side effects of obesity such as diabetes instead of a cause of the diabetes which is obesity (2).
      Because not enough emphasis has been placed on diet and exercise, there is an increasing trend toward obesity.
      One national study states that 65% of American adults are overweight compared to 56% in 1994 (3).
      This study shows that genetics is not to blame for all cases of obesity.
      Part of the increase can be associated with our inability stay with the regimen of diet and exercise.
      The way our culture chooses to deal with this problem is not working since the continuation of fad diets still persists along with obesity.
      For others, unhealthy eating habits are developed from upbringing and culture.
      In America, advertisers spend a great deal money promoting unhealthy foods to children and adults.
      This temptation is hard to resist for many who have grown accustomed to eating these foods.
      However, other parts of the world are also experiencing the same obesity trend as America (2).
      Perhaps, the spreading of Western culture is influencing the diets of other cultures as well.
      There is more than just the biological explanation of hunger.
      Physical hunger and psychological hunger are very different things.
      Some people have developed the habit of eating during a certain time of the day ever since they were children.
      The time of day can be a component that triggers the feeling of hunger for many people.
      For others, the smell of certain foods could instantaneously make the person feel hungry even though they may have just consumed a meal not long ago.
      As most people have experienced, these sudden urges are not satisfied until the certain type of food is consumed.
      Many people also use food as a way to suppress an emotional problem in order to avoid dealing with the actual problem (5).
      These people find that by eating food, their emotional problems become temporarily solved.
      High fat and sweet foods have been found to give off a pleasurable sensation through the brain after consumption (7).
      These external stimuli provide other ways to signal the hypothalamus to make us feel hungry even though the signals are not physiological.
      There has been much debate about whether biology or other aspects play a greater role in obesity.
      Genetics is only one of the many factors that are involved in determining a person weight.
      Subconsciously, most people know that living a healthy lifestyle through diet and exercise is the best way to avoid obesity whether you are genetically predisposed or not.
      However, our culture is providing conflicting messages about weight control.
      The food and snack industry continually promotes fattening foods while it promotes diet foods at the same time (2).
      Among scientists, there is still a difference of opinion on whether genetics or self-control affects a person's weight more (3).
      Because none of these viewpoints can provide a definitive answer to the current obesity trend, it is possible that the combination of genetics and self-control determines a person's weight.
      Regardless of these issues, the dramatic increase of obesity among populations is a warning sign that we are leading unhealthy lives.
      A more comprehensive understanding of all the issues surrounding obesity will hopefully lead to healthier lives.
      References
      - Weight Loss - What is obesity ?
      Cynthia Dennison Haines, MD - October 01, 2005 - Reviewed by the Department of Nutrition Therapy at The Cleveland Clinic - ©2005-2008 WebMD
      Cfr. :
      http://www.webmd.com/diet/what-is-obesity
      - Hunger and Eating Disorders
      C. George Boeree (2003)
      Cfr. :
      http://webspace.ship.edu/cgboer/genpsyhunger.html
      - The Great Weight Debate
      Jeanie L. Davis - WebMD Medical News, Feb. 5, 2003
      Cfr. :
      http://www.webmd.com/diet/news/20030206/great-weight-debate
      - Hypothalamic Neuropeptides - Responding to Caloric Challenges
      ©2007 T.A. Houpt, last updated May 22, 2007
      Cfr. :
      http://www.magnet.neuro.fsu.edu/Research/Hypo1.html
      - Hunger and Eating
      Takako Hara, California State University, Northridge (spring 1997)
      Cfr. :
      http://www.csun.edu/~vcpsy00h/students/hunger.htm
      - Prader-Willi Syndrome
      Cfr. :
      http://www.pwsausa.org/
      - Why do we eat what we eat - Biology of food choice
      Eufic, 07/2004
      Cfr. :
      http://www.eufic.org/article/en/health-lifestyle/food-choice/artid/biology-of-food-choice/
      Cfr. :
      http://serendip.brynmawr.edu/bb/neuro/neuro05/web2/skuang.html

    2. Hypothalamic neuropeptides - Responding to caloric challenges
      ©2007 T.A. Houpt, last updated May 22, 2007
      Cfr. :
      http://www.magnet.neuro.fsu.edu/Research/Hypo1.html

    3. Ik ben te dik, maar ik eet goed…
      Nicolas Rousseau, diëtist-voedingsdeskundige – 13-04-2004 - © 2000/2007 e-gezondheid.be
      Uit een recente opiniepeiling blijkt dat 73% van de Belgen vindt correct en evenwichtig te eten, terwijl 43% de normen overschrijdt.
      Vier Belgen op tien hebben overgewicht dat schadelijk is voor hun gezondheid (d.w.z. ze hebben een BMI van meer dan 25), maar slechts twee Belgen op tien zijn zich echt bewust van het feit dat ze teveel eten.
      Dat zijn de voornaamste resultaten uit het onderzoek dat het Nationaal Instituut voor Landbouwkundig Onderzoek (Institut National de Recherche Agronomique (INRA)) voerde in opdracht van het Forum Obesitas, de overkoepelende vereniging van alle organisaties in België tegen obesitas .../...
      Bijna één Belg op twee associeert medicijnen die worden voorgeschreven om gewicht te verliezen met amfetamines, die in ons land nochtans al 2,5 jaar verboden zijn.
      De twee bestaande medicijnen (orlistat en sibutramine) zijn dus totaal onbekend, terwijl ze op lange termijn goede resultaten opleveren voor personen met een hoge BMI of met een aantal risicofactoren (diabetes, tabaksgebruik…) .../...
      Cfr. :
      http://www.e-gezondheid.be/nl/tijdschrift_gezondheid/sante_voeding_afslanking/ben_te_dik_maar_eet_goed-12126-901-art.htm

    4. Kinderen en overgewicht
      Gezonderworden.nl
      Obesitas bij kinderen gaat de komende jaren enorm toenemen.
      De verwachting is dat in 2010 ruim 26 miljoen kinderen in de Europese Unie last hebben van (ernstig) overgewicht.
      Op deze site vindt u een overzicht van actuele nieuwsberichten over kinderen en overgewicht.
      Cfr. :
      -
      http://www.gezonderworden.nl/overgewicht-kinderen-2005.html
      -
      http://www.gezonderworden.nl/overgewicht-kinderen-2006.html
      -
      http://www.gezonderworden.nl/overgewicht-kinderen-2007.html
      -
      http://www.gezonderworden.nl/overgewicht-kinderen.html

    5. Kinderen en overgewicht - Een gratis boek in de strijd tegen overgewicht bij kinderen
      Remy Hirasing en Monique Gouwerok – Bron : Startpagina BV, 2007-03-09
      Vandaag verschijnt het boek Kinderen en overgewicht, een actieplan voor ouders.
      De auteurs Remy Hirasing en Monique Gouwerok overhandigen in Den Haag een eerste exemplaar aan Paul Rosenmöller, voorzitter van het Convenant Overgewicht.
      Het boek 'Kinderen en overgewicht' biedt ouders een praktisch actieplan om hun kind te helpen een gezond gewicht te krijgen en te behouden.
      Cfr. :
      http://startpagina.paginablog.nl/startpagina/tags/overgewicht

    6. Lichaamsgewicht – Samengevat
      Leent-Loenen HMJA van (RIVM), Visscher TLS (Vumc) – In : 'Volksgezondheid Toekomst - Verkenning', Nationaal Kompas Volksgezondheid. Bilthoven : RIVM : http://www.nationaalkompas.nl - Gezondheidsdeterminanten Persoonsgebonden Lichaamsgewicht, 4 juli 2007 - Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 3.12, 13 december 2007
      Cfr. :
      http://www.rivm.nl/vtv/object_document/o1251n18950.html

    7. Male menopause - Fact or fiction ?
      Enor Wagner – Serendip, (last modified) 21-Nov-2003
      Male menopause is a lot more fun than female menopause.
      With female menopause you gain weight and get hot flashes.
      Male menopause - you get to date young girls and drive motorcycles.
      Cfr. :
      http://serendip.brynmawr.edu/biology/b103/f03/web2/ewagner.html

    8. Minder zin in vet - Hersenblokkade houdt muizen slank
      Elmar Veerman – Noorderlicht, 25-04-2006 - Bron : 'A neuropeptide Y Y5 antagonist selectively ameliorates body weight gain and associated parameters in diet-induced obese mice' - Proc Natl Acad Sci U S A. 2006 May 2;103(18) - cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/16636293
      Muizen die zich naar hartelust mogen volproppen met vet voedsel, veranderen in dikke diabeten.
      Behalve als er een schakelaar in hun brein is geblokkeerd, laten Japanse farmacologen zien.
      De beestjes gaan dan minder eten, zodat ze slanker en gezonder blijven.
      Cfr. :
      http://noorderlicht.vpro.nl/artikelen/28074162/

    9. Neurobiology of obesity
      Annette Markus - Nat Neurosci. 2005 May;8(5):551 - PMID: 15856060
      Cfr. :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/15856060

    10. Orthomoleculaire geneeskunde
      Orthomoleculaire geneeskunde, ook wel orthomoleculaire therapie is een alternatieve geneeswijze.
      Het centrale idee van de
      orthomoleculaire geneeskunde is dat er verschil gemaakt kan worden tussen lichaamseigen stoffen, die het lichaam ondersteunen en het lichaamseigen natuurlijke genezingsproces stimuleren enerzijds en lichaamsvreemde stoffen, die afweerreacties van het lichaam zouden oproepen, anderzijds.
      Orthomoleculaire artsen en therapeuten streven naar zogenoemde "
      optimale
      " concentraties voedingsstoffen in het lichaam, die men probeert te bereiken met doseringen die soms ver boven de aanbevolen dagelijkse hoeveelheden uitkomen.
      Cfr. :
      http://nl.wikipedia.org/wiki/Orthomoleculaire_geneeskunde
      Cfr. ook :
      http://www.natuurlijk-welzijn.org/artikel/Orthomo171.html

    11. Orthonutrition
      Gonny de Vetten, orthomoleculair therapeut - Praktijk voor orthomoleculaire geneeskunde
      Orthonutrition werkt volgens de principes uit de Orthomoleculaire geneeskunde – cfr. :
      http://www.pilliewillie.nl/therapeuten/gonnydevetten.html -&- http://www.orthos-instituut.be/?q=orthogeneeskunde -.
      Voedingsadvies heeft een centrale plaats in de behandeling.
      Waar nodig wordt een behandeling aangevuld met supplementen.
      Door een goede samenwerking met reguliere artsen en laboratoria bestrijken we een zeer breed werkterrein .../...
      Cfr. :
      http://www.pilliewillie.nl/therapeuten/gonnydevetten.html

    12. Ouderdomssuikerziekte en overgewicht - Diabetes mellitus type 2
      SchoolTV – Eigenwijzer, de digitale wezgwijzer voor scholieren
      Overgewicht is meer dan 'dat het in de weg zit'.
      Het verhoogt de kans op allerlei ziektes en mensen met overgewicht leven korter.
      Een aantal jaren geleden kwam ouderdomssuikerziekte voornamelijk voor bij mensen van 40 jaar en ouder.
      Nu komt het steeds vaker al bij jongeren met overgewicht voor.
      Wat gebeurt er eigenlijk in een te zwaar lichaam ?
      Cfr. :
      http://www.schooltv.nl/eigenwijzer/infoblok.jsp?infoblok=571507

    13. Overgewicht
      - Monique van Loon :
      http://www.moniquesbodycare.nl/overgewicht.html
      - Schoolbieb.nl. : http://www.schoolbieb.nl/voortgezet_onderwijs_doelgroep/1_44_2_vmbo__40_onderwijs
      niveau_41_/lichamelijke_opvoeding/sport_en_gezondheid_dr/overgewicht_dr

    14. Preventie gericht op lichaamsgewicht
      Volksgezondheid Toekomst Verkenning, Nationaal Kompas Volksgezondheid. Bilthoven : RIVM : http://www.nationaalkompas.nl - versie 3.12, 13 december 2007
      Cfr. :
      http://www.rivm.nl/vtv/object_class/kom_prevlichaamsgewicht.html

    15. Preventie van overgewicht
      Brancherapporten VWS. Den Haag : http://www.brancherapporten.minvws.nl/object_class/br_branches.html - versie 2.1, 18 mei 2005
      Overgewicht is het gevolg van een positieve energiebalans.
      Dat wil zeggen dat iemand meer energie opneemt via de voeding dan hij verbruikt voor onder andere lichamelijke activiteit.
      Belangrijke gevolgen van ernstig overgewicht (obesitas) voor de volksgezondheid zijn diabetes mellitus type 2, een verhoogd risico op een verhoogde bloeddruk en cholesterol, hart- en vaatziekten, psychosociale problemen, kanker en aandoeningen aan het bewegingsapparaat (artrose) en de ademhalingsorganen.
      Omdat kinderen met overgewicht een verhoogde kans hebben om ook op latere leeftijd (ernstig) overgewicht te hebben is preventie van gewichtsstijging bij kinderen en jongvolwassenen van belang voor de preventie van obesitas.
      Dit geldt temeer omdat steeds vaker diabetes mellitus type 2 bij kinderen wordt gesignaleerd.
      Daarom is overgewicht ook gekozen als één van de speerpunten van het Volksgezondheidsbeleid voor de komende jaren (
      VWS, 2003s).
      In dit kader is er in januari 2005 een convenant 'Overgewicht' getekend door de ministeries van VWS en OCW met diverse organisaties en het bedrijfsleven (
      CBL, FNLI, KHN, MKB-Nederland, NOC*NSF, Veneca, VNO-NCW en ZN).
      De leidraad van het convenant is preventie van overgewicht door o.a. de gezonde keuze voor eten en bewegen gemakkelijker en aantrekkelijker te maken en meer samenhang in de diverse activiteiten van de partijen te krijgen.
      Cfr. :
      http://www.brancherapporten.minvws.nl/object_class/br_prevovergewicht.html

    16. Seasonal affective disorder
      Clare Lindner – Serendip, (last modified) 07-Jan-2002
      .../... Seasonal Affective Disorder or (SAD) refers to mood changes that include the symptoms : depression, hypersomnia, hyperphagia (increase of food consumption and/or appetite) and weight gain .../...
      Cfr. :
      http://serendip.brynmawr.edu/biology/b103/f00/web3/lindner3.html
      Cfr. also :
      http://www.mentalhealth.com/book/p40-sad.html

    17. Seasonal Affective Disorder - A Clear Link Between the Outside and the Inside of the Brain
      Julia Johnson – Serendip, (last modified) 07-Jan-2002
      Cfr. :
      http://serendip.brynmawr.edu/bb/neuro/neuro98/202s98-paper3/Johnson3.html

    18. Stress is bad, but one expert says it's also fattening
      Christy Feig - CNN.com, October 30, 2000 - © 2001 Cable News Network
      WASHINGTON (CNN) -- Not only is stress bad for your psychological health, new research points out stress could do a number on your waistline, too.
      A diet book that's out now suggests that chronic, unrelenting stress can lead to dangerous weight gain, at least in some middle-aged men and women.
      Pamela Peeke, author of "Fight Fat After Forty" – cfr. :
      http://www.amazon.com/Fight-After-Forty-Pamela-Peeke/dp/0670889199 - and an assistant clinical professor at the University of Maryland School of Medicine in Baltimore, said that when people are exposed to a stressful situation -- the brain sends out a stress hormone.
      That hormone, in turn, triggers a chain reaction that causes certain cells to retain more fat.
      "There are special receptors on the fat cells deep inside the abdomen which are specifically intended to hook up with stress hormone -- and stress hormone stimulates them to accept fat," said Peeke, a former senior scientist at the National Institutes of Health.
      She said the human body has a predisposition to store up fat for when it engages the "fight or flight" defense mechanism, where a speeding heart can flood muscles with blood for on-the-spot strength.
      That worked fine for our ancestors, Peeke said, but the brain can't tell the difference between survival stress and chronic, daily stress.
      Thus, stressed-out folks are storing more fat than people who approach their day relaxed or in a better state of mind, according to her book.
      But relaxation techniques may not be enough, Peeke said, since the best way to block stress hormones is through beta endorphin -- produced during exercise.
      "Weightlifting on a routine basis -- meaning twice a week vigorously for 30-40 minutes -- for both men and women is really the key," Peeke said.
      Healthful eating also helps, she said. Try to limit protein intake to lean sources of protein and avoid starches, especially after 5 p.m.
      The exact role of stress in weight gain has yet to be proven, experts said, but understanding the sources of stress is key to finding relief.
      Another important factor in weight gain is genetics.
      Dr. Esther Sternberg, author of "The Balance Within" – cfr. :
      http://www.amazon.com/Balance-Within-Science-Connecting-Emotions/dp/0716734796 -), said the perception of whether something is stressful or not could also have a lot do with whether people getting a hold of their stress level.
      Sternberg recommends people "figure out ways that you -- in your own situation -- could turn bad stress into good stress."
      Cfr. :
      http://archives.cnn.com/2000/HEALTH/diet.fitness/10/30/stress.fat/

    19. Succesvolle behandeling van fibromyalgie
      Leven zonder beperking, 02-01-2006 - Bron : Telegraaf
      Chronische pijn, stijfheid van de spieren, extreme vermoeidheid, gespannenheid en hoofdpijn die lijkt op migraine; ofwel fibromyalgie, een reumatische spieraandoening.
      Maar liefst 700.000 vrouwen in ons land lijden aan deze ziekte.
      Voor de meeste patiënten begint na de diagnose het probleem echter pas echt.
      Volgens veel artsen bestaat de aandoening namelijk n iet en zit fibromyalgie tussen de oren.
      Toch hebben deze mensen dagelijks ondragelijke pijn en slapen ze slecht waardoor ze chronisch moe zijn.
      Hoe dat kan ?
      Artsen weten het ook niet en halen als antwoord de schouders op.
      Neem maar wat extra paracetamol, is vaak het advies.
      Ook voor familie, vrienden en collega’s van de patiënt is het moeilijk te accepteren dat de naaste fibromyalgie heeft : er is immers niets te zien.
      Omdat de aandoening niet erkend is en omdat niemand echt weet wat het is en waar het vandaan komt, is er ook geen medicijn of therapie die de patient van de pijn afhelpt.
      Althans niet in het reguliere circuit.
      Acupuncturist Ed Talens heeft zich in deze aandoening verdiept en een behandeling ontwikkeld die wonderwel aanslaat.
      Het is een soort van acupunctuur maar dan met hete naalden”, zo legt hij uit.
      De pijnlijke spierbalanspunten worden met een gloeiend hete naald even aangeprikt.
      De behandeling is volgens de patiënten erg pijnlijk, maar werkt wel.
      Voor het eerst in jaren kan ik zonder hulp mijn bed uit komen”, zegt de 51-jarige Jannie Graaf.
      Afgelopen zomer heeft zij de hetenaaldentherapie ondergaan.
      Voor die tijd was ik echt een wrak. Vooral bij weersveranderingen verging ik van de pijn. Als het ging regenen, voelde ik dat meteen aan mijn spieren. Ik kon niet meer op of om. Daarnaast was ik altijd moe en humeurig. Nu, na de behandeling, ben ik energiek. Ik kan zelfs weer sporten zonder pijn.
      Talens ging naar China om de techniek te leren.
      Daar wordt deze behandeling toegepast bij verschillende soorten reuma. Het staat daar ook gewoon in de geneeskunde boeken beschreven”, zegt hij.
      Terug in Nederland is hij de eerste en tot nu toe enige alternatieve genezer die deze techniek toepast.
      Ik zou graag zien dat meerdere behandelaars dit gaan leren.
      Reumatologen en huisartsen in de omgeving van Amersfoort weten van de behandeling van Talens.
      Ze verwijzen patiënten officieus zelfs door naar zijn praktijk.
      Er is volgens reumatologen eerst wetenschappelijk onderzoek nodig om aan te tonen dat het echt werkt. Ze staan er zelfs open voor om het te doen. Maar een dergelijke studie kost 200.000 euro en de overheid heeft vanaf 1 januari 2006 alle subsidies buiten de reguliere onderzoeken stopgezet”, zo legt de acupuncturist uit.
      Volgens Talens zijn de fibromyalgiepatiënten binnen drie behandelingen van de pijn af en kunnen ze weer normaal functioneren.
      De behandeling inclusief voorgesprek en nacontrole kost 750 euro.
      Veel verzekeraars vergoeden deze behandeling.
      Wel adviseert hij iedereen goed naar de nieuwe verzekeringsvoorwaarden te kijken : „Niet alle verzekeraars vergoeden de alternatieve therapieën 100 procent.
      Door de uit China afkomstige behandeling nemen mensen die jarenlang niet konden werken, weer deel aan het arbeidsproces en staan patiënten die niet eens meer wisten wat bewegen was, nu weer op de ski’s.
      Het is toch geweldig dat ik deze mensen met mijn behandeling hun leven terug kan geven.
      De hetenaaldentherapie wordt altijd samen met een stofwisselingsbehandeling gegeven.
      Ik ben ervan overtuigd dat een belangrijke oorzaak van deze ziekte in ons huidige eetpatroon ligt. Iedereen krijgt dan ook een lijst met ’verboden’ etenswaren mee. Centraal daarin staat suiker. Suiker maakt alles kapot”, zo meent Talens.
      Cfr. :
      http://www.handicap.info/viewnews.asp?ac=view&nws_id=1003605
      Cfr. ook :
      http://www.praktijk-ed-talens.nl/fibromyalgie/index.html

    20. The balance within - The science connecting health and emotions
      Esther M. Sternberg M.D. - W.H. Freeman & Company; 1 edition (May 2000) – ISBN-10 : 0716734796 / ISBN -13: 978-0716734796
      Review from Publishers Weekly - © 2000 Reed Business Information, Inc. - The immune system was long believed to be autonomous--unconnected to the brain; Sternberg, a neuroscientist at the National Institute of Mental Health, focuses here on research done over the last few decades that disproves this belief.
      She methodically details the history of this science--describing, for example, the Nobel prize-winning work of three French scientists who, in 1958, discovered the "interleukins" (molecules that signal between cells), which led to further investigations into how immune cells communicate with the brain and discussing the seminal but controversial work of Hans Selye, who in the 1950s explored the body's response to stress.
      Although Sternberg leavens her account with anecdotes and historical snapshots of early medical treatment, her litany of scientific experiments (mostly performed on rats) into the body-mind connection may overwhelm readers without any scientific background.
      Of greater interest are her reflections on the implications of this research for maintaining health and treating disease.
      According to Sternberg, physical and psychological stresses - such as prolonged lack of sleep, divorce or social isolation - can make people sick by adversely affecting their immune and hormonal responses.
      Conversely, a strong belief in healing rituals and prayer may help make them well (via the placebo effect).
      All in all, Sternberg is optimistic about the idea of bridging disciplines to develop new treatments for disease. B&w illustrations. BOMC selection; author tour.
      Cfr. :
      http://www.amazon.com/Balance-Within-Science-Connecting-Emotions/dp/0716734796

    21. The great weight debate
      Jeanie L. Davis - WebMD Medical News, Feb. 5, 2003
      Cfr. :
      http://www.webmd.com/diet/news/20030206/great-weight-debate

    22. Traditional versus atypical antipsychotics
      Rachel Freeland – Serendip, (last modified) 21-Apr-2006
      .../... There are two categories of antipsychotics, traditional antipsychotics and atypical antipsychotics.
      Traditional antipsychotics were first developed in the 1950's and were used to treat psychosis, particularly schizophrenia.
      They are especially good at reducing the positive symptoms, but do not reduce the negative symptoms.
      Traditional antipsychotics are broken into two classifications : low-potency and high-potency.
      Common side effects of traditional antipsychotics include : dry mouth, tremors, weight gain, muscle tremors and stiffness.
      In addition, traditional antipsychotics yield extrapyramidal side effects.
      These side effects include : motor disturbances, parkinsonian effects, akathesia, dystonia, akinesia, tardive dyskinesia and neuroleptic malignant syndrome.
      Some of these side effects have been described to be worse than the actual symptoms of schizophrenia.
      The first atypical antipsychotic, Clozapine was discovered in the 1950's, but was not introduced clinically until the 1970's.
      However, it quickly fell out of popularity due to drug induced agranulocytosis (loss of white blood cells that fight infection).
      During the 1990's olanzapine, risperidone and quetiapine were introduced into the market.
      Atypical antipsychotics treat both the positive and negative symptoms of schizophrenia.
      Side effects of atypical antipsychotics include : agranulocytosis, weight gain and some extrapyramidal side effects.
      Atypical antipsychotics are considered to be the first line of treatment for schizophrenia and are gradually replacing traditional antipsychotics .../...
      Cfr. :
      http://serendip.brynmawr.edu/bb/neuro/neuro06/web2/rfreeland.html

    23. Veertien procent Vlaamse jongeren heeft overgewicht
      Gezonderworden.nl, 13-11-2007
      Veertien procent van de Vlaamse jongeren tussen de 9 en 10 jaar hebben last van overgewicht, twee procent heeft zelfs obesitas.
      Dat blijkt uit een onderzoek onder meer dan 1000 kinderen van Vlaamse basisscholen door de K.U.Leuven.
      Cfr. :
      http://www.gezonderworden.nl/2007/11/veertien-procent-vlaamse-jongeren-heeft.html

    24. Vetarme producten maken dik
      Afvallen-weblog.nl, 10-12-2006 - Bron : Cornell University Food and Brand Lab
      .../... “De meeste mensen realiseren zich niet dat vetarme producten niet hetzelfde zijn als calorie-arme producten”, zegt Wansink van Cornell.
      Vaak wordt het vet in vetarme producten vervangen door suiker.
      Vetarme snacks bevatten gemiddeld maar 11 procent minder calorieën dan de normale varianten, maar de meeste mensen denken dat deze producten 40 procent minder calorieën bevatten .../... kijk eerst goed naar het aantal calorieën op de verpakking en vergelijk het met de normale versie .../...
      Cfr. :
      http://www.afvallen-weblog.nl/item/20http://www.afvallen-weblog.nl/item/20

    25. Volksgezondheid Toekomst Verkenning
      Nationaal Kompas Volksgezondheid – Bilthoven : RIVM :
      http://www.nationaalkompas.nl - versie 3.12, 13 december 2007
      Hier kunt u antwoord vinden op allerlei vragen over de volksgezondheid in Nederland.
      Het Kompas biedt informatie over gezondheid, ziekte, risicofactoren, zorg en preventie.
      De website is vooral bedoeld voor de professionele gebruiker, maar biedt ook informatie die voor een breder publiek interessant kan zijn.
      Cfr. :
      http://www.rivm.nl/vtv/root/o6.html

    26. Wat is overgewicht en wat is ondergewicht ?
      Leent-Loenen HMJA van (RIVM) – In : 'Volksgezondheid Toekomst Verkenning' - Nationaal Kompas Volksgezondheid. Bilthoven : RIVM : http://www.nationaalkompas.nl - Gezondheidsdeterminanten Persoonsgebonden Lichaamsgewicht, 7 november 2007 - Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 3.12, 13 december 2007
      Cfr. :
      http://www.rivm.nl/vtv/object_document/o6419n18950.html

    27. Wat zijn de mogelijke gezondheidsgevolgen van een ongezond voedingspatroon ?
      Ocké MC (RIVM), Hulshof KFAM (TNO Kwaliteit van Leven), Löwik MRH (TNO Kwaliteit van Leven) – In : 'Volksgezondheid Toekomst Verkenning' - Nationaal Kompas Volksgezondheid. Bilthoven : RIVM : http://www.nationaalkompas.nl - Gezondheidsdeterminanten Leefstijl Voeding, 23 september 2005 - Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 3.12, 13 december 2007
      Cfr. :
      http://www.rivm.nl/vtv/object_document/o1450n19088.html

    28. Wat zijn de mogelijke gezondheidsgevolgen van overgewicht en ondergewicht ?
      Visscher TLS (VUmc), Schoemaker C (RIVM) – In : 'Volksgezondheid Toekomst Verkenning' - Nationaal Kompas Volksgezondheid. Bilthoven : RIVM : http://www.nationaalkompas.nl - Gezondheidsdeterminanten Persoonsgebonden Lichaamsgewicht, 5 juli 2007 – Lichaamsgewicht, de determinant, gezondheidsgevolgen en oorzaken - Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 3.12, 13 december 2007 - © RIVM, Bilthoven
      Cfr. :
      http://www.rivm.nl/vtv/object_document/o1252n18950.html

    29. Wat zijn de mogelijke oorzaken van overgewicht en ondergewicht ?
      Visscher TLS (VUmc), Schoemaker C (RIVM) – In : 'Volksgezondheid Toekomst Verkenning' - Nationaal Kompas Volksgezondheid. Bilthoven : RIVM : http://www.nationaalkompas.nl - Gezondheidsdeterminanten Persoonsgebonden Lichaamsgewicht, 5 juli 2007 - Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 3.12, 13 december 2007
      Cfr. :
      http://www.rivm.nl/vtv/object_document/o1257n18950.html

    30. Weight loss - Health risks associated with obesity
      Marc C. Levesque, MD, PhD, Cholesterol Management Health Center – WebMD, February 01, 2007 - Reviewed by the Department of Nutrition Therapy at The Cleveland Clinic
      The health problems associated with obesity are numerous.
      Obesity is not just a cosmetic problem.
      It's a health hazard.
      Someone who is 40% overweight is twice as likely to die prematurely as is an average-weight person.
      This is because obesity has been linked to several serious medical conditions, including :
      - heart disease and stroke
      - high blood pressure
      - diabetes
      - cancer
      - gallbladder disease and gallstones
      - osteoarthritis
      - gout
      - breathing problems, such as sleep apnea (when a person stops breathing for a short time during sleep) and asthma.
      Doctors generally agree that the more obese a person is the more likely he or she is to have health problems.
      People who are 20% or more overweight can gain significant health benefits from losing weight.
      Many obesity experts believe that people who are less than 20% above their healthy weight should still try to lose weight if they have any of the following risk factors :
      -
      Family history of certain chronic diseases
      People with close relatives who have had heart disease or diabetes are more likely to develop these problems if they are obese.
      -
      Pre-existing medical conditions
      High blood pressure, high cholesterol levels or high blood sugar levels are all warning signs of some obesity-associated diseases.
      - "Apple" shape
      People whose weight is concentrated around their stomachs may be at greater risk of developing heart disease, diabetes or cancer than people of the same weight who are "pear-shaped" (they carry their weight in their hips and buttocks).
      Fortunately, even a modest weight loss of 10 to 20 pounds can bring significant health improvements, such as lowering one's blood pressure and cholesterol levels.
      How Is Obesity Linked to Heart Disease and Stroke ?
      Heart disease and stroke are the leading causes of death and disability for people in the U.S.
      Overweight people are twice as likely to have high blood pressure, a major risk factor for heart disease and stroke, than people who are not overweight.
      Very high blood levels of cholesterol can also lead to heart disease and often are linked to being overweight.
      Being overweight also contributes to angina (chest pain caused by decreased oxygen to the heart) and sudden death from heart disease or stroke without any signs or symptoms.
      The good news is that losing a small amount of weight can reduce your chances of developing heart disease or a stroke.
      Reducing your weight by 10% can decrease your chance of developing heart disease.
      How Is Obesity Linked to Diabetes ?
      Type 2 diabetes reduces your body's ability to control blood sugar.
      It is a major cause of early death, heart disease, stroke and blindness.
      Overweight people are more than twice as likely to develop type 2 diabetes compared to normal weight people.
      You can reduce your risk of developing type 2 diabetes by losing weight and exercising more.
      If you have type 2 diabetes, losing weight and becoming more physically active can help control your blood sugar levels.
      Increasing your physical activity may also allow you to reduce the amount of diabetes medication you need.
      How Is Obesity and Cancer Linked ?
      Several types of cancer are associated with being overweight.
      In women, these include cancer of the uterus, gallbladder, cervix, ovary, breast and colon.
      Overweight men are at higher risk for developing colorectal cancer and prostate cancer.
      For some types of cancer, such as colon or breast, it is not clear whether the increased risk is due to the extra weight or to a high-fat, high-calorie diet.
      How Is Obesity Related to Gallbladder Disease ?
      Gallbladder disease and gallstones are more common if you are overweight.
      Your risk of disease increases as your weight increases.
      It is not clear how being overweight may cause gallbladder disease.
      Ironically, weight loss itself, particularly rapid weight loss or loss of a large amount of weight, can actually increase your chances of developing gallstones.
      Modest, slow weight loss of about 1 pound a week is less likely to cause gallstones.
      How Does Obesity Cause Osteoarthritis ?
      Osteoarthritis is a common joint condition that most often affects the knee, hip and lower back joints.
      Carrying extra pounds places extra pressure on these joints and wear away the cartilage (tissue that cushions the joints) that normally protects them.
      Weight loss can decrease stress on the knees, hips and lower back and may improve the symptoms of osteoarthritis.
      How Is Obesity Linked to Gout ?
      Gout is a disease that affects the joints that is caused by high levels of a substance called uric acid in the blood.
      The large amount of uric acid can form into solid or crystal-like masses that deposit in the joints.
      Gout is more common in overweight people and the risk of developing the disorder increases with higher body weights.
      Over the short term, certain dietary changes may lead to an attack of gout in people who have high levels of uric acid or who have had gout before.
      If you have a history of gout, check with your doctor before trying to lose weight.
      How Is Obesity Linked to Sleep Apnea ?
      Sleep apnea is a serious breathing condition that is associated with being overweight.
      Sleep apnea can cause a person to snore heavily and to stop breathing for short periods during sleep.
      Sleep apnea may cause daytime sleepiness and even heart failure.
      The risk for sleep apnea increases as body weight increases.
      Weight loss usually improves sleep apnea.
      Cfr. :
      http://www.webmd.com/cholesterol-management/obesity-health-risks

    31. Weight loss - What is obesity ?
      Cynthia Dennison Haines, MD - October 01, 2005 - Reviewed by the Department of Nutrition Therapy at The Cleveland Clinic - ©2005-2008 WebMD
      Cfr. :
      http://www.webmd.com/diet/what-is-obesity

    32. Weight Loss and Body Mass Index (BMI)
      Reviewed by Jonathan L Gelfand, MD, The Department of Nutrition Therapy at The Cleveland Clinic, November 18, 2007 - ©2005-2007 WebMD, Inc.
      The BMI is one way to determine whether or not an adult is overweight.
      BMI assesses height and weight; muscle mass is not a part of the equation.
      BMI is calculated by dividing a person's weight (in kilograms) by his or her height (in meters, squared). BMI can also be calculated by multiplying weight (in pounds) by 705, then dividing by height (in inches) twice.
      Cfr. :
      http://men.webmd.com/weight-loss-bmi

    33. Welke factoren beïnvloeden de kans op eetstoornissen ?
      Son G van (Centrum Eetstoornissen Ursula), Furth EF van (Centrum Eetstoornissen Ursula), Schoemaker C (RIVM) – In : 'Volksgezondheid Toekomst Verkenning', Nationaal Kompas Volksgezondheid. Bilthoven : RIVM : http://www.nationaalkompas.nl - Gezondheid en ziekte Ziekten en aandoeningen Psychische stoornissen Eetstoornissen, 24 september 2007 - Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 3.12, 13 december 2007
      Diverse factoren spelen een rol
      De determinanten van eetstoornissen zijn vooralsnog onbekend.
      Wel is duidelijk dat eetstoornissen het gevolg zijn van een combinatie van meerdere factoren.
      Zo zijn er factoren die in aanleg al aanwezig zijn (genetische achtergrond en persoonlijkheid).
      Verder kunnen er ongunstige omgevingsfactoren zijn, zoals sociale, culturele en familiale factoren (bijvoorbeeld een goede vriendin met anorexia nervosa), seksueel misbruik, in een groep verkeren waarin uiterlijk en gewicht zeer belangrijk zijn of meer algemeen het wonen in een westers land, in de puberteit zijn etc.
      Tenslotte zijn er factoren die ervoor zorgen dat de stoornis blijft voortbestaan (bijvoorbeeld biologische veranderingen in het lichaam).
      Tabel 1. - Veelgenoemde risicofactoren voor eetstoornissen (
      Szmukler et al., 1986) :
      - depressie en/of verslavingen in gezin
      - depressie in de voorgeschiedenis
      - dieet houden in voorgeschiedenis
      - gezinscultuur met overmatige aandacht aan voedsel, gewicht of figuur
      - gezinsleden met een eetstoornis of overgewicht
      - grote mate van onvrede met het eigen lichaam
      - lage zelfwaardering, faalangst
      - overgewicht of ondergewicht in de voorgeschiedenis
      - persoonlijkheidskenmerken: overmatig inschikkelijk, introvert, competitief, perfectionistisch, impulsief
      - seksueel misbruik
      Veel van de in tabel 1 genoemde risicofactoren voor eetstoornissen zijn niet specifiek voor het ontstaan van eetstoornissen.
      De meeste factoren verhogen ook de kans op andere psychische aandoeningen zoals depressie en angststoornissen (
      Jacobi et al., 2004).
      Meer onderzoek nodig naar specifieke risicofactoren
      Het onderzoek naar risicofactoren voor eetstoornissen staat nog in de kinderschoenen.
      De verwachting is dat de komende tijd veel meer onderzoek zal worden verricht naar specifieke risicofactoren voor de diverse eetstoornissen.
      Dit geldt ook voor genetisch onderzoek dat de laatste jaren steeds belangrijker wordt (
      Bulik et al., 2007; Op ’t Landt-Slof et al., 2005).
      Indien meer inzicht in de risicofactoren en de instandhoudende factoren ontstaat, zal het in de toekomst mogelijk zijn om een risicoprofiel samen te stellen op grond waarvan ‘gevoelige individuen’ kunnen worden geïdentificeerd.
      Dit biedt mogelijkheden voor (primaire en secundaire) preventie, maar geeft ook aanknopingspunten voor de verbetering van de behandeling.
      Cfr. :
      http://www.rivm.nl/vtv/object_document/o3271n17540.html

    34. Why do we eat what we eat - Biology of food choice
      Eufic, 07/2004
      Cfr. :
      http://www.eufic.org/article/en/health-lifestyle/food-choice/artid/biology-of-food-choice/

     

    14-04-2008 om 19:49 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (2)
    12-04-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Chronic fatigue syndrome (CFS)
    Klik op de afbeelding om de link te volgen




































    © www.discovertotalhealth.com
     

    Chronic fatigue syndrome (CFS)

    Wikipedia


    Chronic fatigue syndrome (CFS) is one of several names given to a poorly understood, variably debilitating disorder of uncertain cause/causes.
    Based on a 1999 study of adults in the
    United States, CFS is thought to affect approximately 4 per 1,000 adults.[1]
    For unknown reasons, CFS occurs more often in women and adults in their 40s and 50s.
    [2][3]
    The illness is estimated to be less prevalent in children and adolescents, but study results vary as to the degree.
    [4]

    CFS often manifests with widespread myalgia and arthralgia, cognitive difficulties, chronic mental and physical exhaustion, often severe and other characteristic symptoms in a previously healthy and active person.
    Despite promising avenues of
    research, there remains no assay or pathological finding which is widely accepted to be diagnostic of CFS.
    It remains a
    diagnosis of exclusion based largely on patient history and symptomatic criteria, although a number of tests can aid diagnosis.[5]
    Whereas there is agreement on the genuine threat to health, happiness and productivity posed by CFS, various
    physicians' groups, researchers and patient activists champion very different nomenclature, diagnostic criteria, etiologic hypotheses and treatments, resulting in controversy about nearly all aspects of the disorder.
    Even the term chronic fatigue syndrome is controversial because a large part of the patient community believes the name trivializes the illness.
    [6]

    Chronic fatigue syndrome is not the same as "chronic fatigue".[5]
    Fatigue is a common symptom in many illnesses, but CFS is a multi-systemic disease and is relatively rare by comparison.
    [7]
    Definitions (other than the 1991 UK Oxford criteria)[8] require a number of features, the most common being severe mental and physical exhaustion which is "unrelieved by rest" (1994 Fukuda definition)[9] and may be worsened by even trivial exertion (a mandatory diagnostic criterion according to some systems).
    Most diagnostic criteria require that symptoms must be present for at least six months and all state the symptoms must not be caused by other medical conditions.
    CFS patients may report many symptoms which are not included in all diagnostic criteria, including
    muscle weakness, cognitive dysfunction, hypersensitivity, orthostatic intolerance, digestive disturbances, depression, poor immune response and cardiac and respiratory problems.
    It is unclear if these symptoms represent co-morbid conditions or are produced by an underlying etiology of CFS.
    [10]
    Some cases improve over time and treatments (though none are universally accepted) bring a degree of improvement to many others, though full resolution may be only 5-10% according to the United States
    Centers for Disease Control and Prevention (CDC).[11]

    Contents


    Rerences 
    1.   1. - A community-based study of chronic fatigue syndrome
      Jason LA, Richman JA, Rademaker AW, Jordan KM, Plioplys AV, Taylor RR, McCready W, Huang CF, Plioplys S (1999) - Arch. Intern. Med. 159 (18): 2129-37
      Cfr. :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/10527290

    2.   2. - Incidence of fatigue symptoms and diagnoses presenting in UK primary care from 1990 to 2001
      Gallagher AM, Thomas JM, Hamilton WT, White PD (2004) - J R Soc Med 97 (12): 571-5
      Cfr. :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/15574853

    3.   3. - Chronic Fatigue Syndrome - Who's at risk ?
      Centers for Disease Control and Prevention (March 10, 2006)
      Cfr. :
      http://www.cdc.gov/cfs/cfscausesHCP.htm

    4.   4. - A Pediatric Case Definition for Myalgic Encephalomyelitis and Chronic Fatigue Syndrome
      Jason LA, Jordan K, Miike T, Bell DS, Lapp C, Torres-Harding S, Rowe K, Gurwitt A, De Meirleir K, Van Hoof ELS (2006) - Journal of Chronic Fatigue Syndrome 13 (2-3): 1-44
      Cfr. :
      http://www.ingentaconnect.com/content/haworth/jcfs/2006/00000013/F0020002/art00002;
      jsessionid=27o6drdsj7e55.alice?format=print

    5.   5. - Myalgic encephalomyalitis/chronic fatigue syndrome - Clinical working definition, diagnostic and treatment protocols
      Carruthers BM, Jain AK, De Meirleir KL, Peterson DL, Klimas MD, Lerner AM, Bested AC, Flor-Henry P, Joshi P, Powles ACP, Sherkey JA, van de Sande MI (2003) - Journal of Chronic Fatigue Syndrome 11 (1): 7-36
      Cfr. :
      http://www.cfids-cab.org/MESA/ccpccd.pdf

    6.   6. - Measuring Attributions About Chronic Fatigue Syndrome
      Jason LA, Taylor RR (2001) - J Chronic Fatigue Syndr 8 (3/4): 31-40
      Cfr. :
      http://www.haworthpress.com/store/ArticleAbstract.asp?sid=3XBBEGJRC4HP9J4P3SXMHV6P07SU9LUB&ID=9118

    7.   7. - Epidemiology of chronic fatigue syndrome
      Ranjith G (2005) - Occup Med (Lond) 55 (1): 13-9
      Cfr. :
      http://occmed.oxfordjournals.org/cgi/reprint/55/1/13

    8.   8. - A report - Chronic fatigue syndrome - Guidelines for research
      Sharpe M, Archard L, Banatvala J, Borysiewicz L, Clare A, David A, Edwards R, Hawton K, Lambert H, Lane R (1991) - J R Soc Med 84 (2): 118-21
      Cfr. :
      http://www.pubmedcentral.nih.gov/articlerender.fcgi?artid=1293107

    9.   9. - The chronic fatigue syndrome - A comprehensive approach to its definition and study
      Fukuda K, Straus S, Hickie I, Sharpe M, Dobbins J, Komaroff A (1994) - International Chronic Fatigue Syndrome Study Group - Ann Intern Med 121 (12): 953-9
      Cfr. :
      http://www.annals.org/cgi/content/full/121/12/953

    10. 10. - Chronic fatigue syndrome - A review
      Afari N, Buchwald D (2003) - Am J Psychiatr 160 (2): 221-36
      Cfr. :
      http://ajp.psychiatryonline.org/cgi/content/full/160/2/221

    11. 11. - Chronic Fatigue Syndrome - Basic Facts
      Centers for Disease Control and Prevention (May 9, 2006)
      Cfr. :
      http://www.cdc.gov/cfs/cfsbasicfacts.htm


    Cfr. : http://en.wikipedia.org/wiki/Chronic_fatigue_syndrome 


    12-04-2008 om 00:00 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)


    Blog als favoriet !

    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Foto

    Raadpleeg steeds je arts !
    Inhoud blog
  • Tijd om afscheid te nemen...
  • Fibromyalgie in het kort
  • Leden ME/CVS Vereniging unaniem tegen CBO-voorstel
  • Blood donation, XMRV & chronic fatigue syndrome
  • Illness duration and coping style in chronic fatigue syndrome
  • Review confirms PTSD in Gulf vets - Panel finds many reports of multisymptom illnesses
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel I
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel II
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel III
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel IV
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel V
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel VI
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel VII
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel VIII
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel IX
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel X
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel XI
  • When do symptoms become a disease ?
  • Burnout
  • Gepest ? - Zet de juiste stappen
  • Voldoet jouw werkplek aan de ARBO-normen ?
  • Chiropractie - Vrijspraak voor Simon Singh in smaadzaak
  • ME/CVS ? - Werk mee aan onderzoek naar tegemoetkoming chronisch zieken !
  • Magical Medicine - How to make a disease disappear
  • A new hypothesis of chronic fatigue syndrome - Co-conditioning theory
  • A light in the darkness - Good news ahead for XMRV ?
  • Zomertijd - Help je biologische klok
  • Beter van de bedrijfsarts
  • De invloed van economisering op het werk van artsen
  • Chronisch Vermoeidheidssyndroom (IOCOB)
  • Gezond brein, gezonde darmen
  • A retrospective review of the sleep characteristics in patients with chronic fatigue syndrome and fibromyalgia
  • Opdracht voor het volgende kabinet : afschaffing van het UWV
  • Test maakt validering pijn bij ME/CVS patienten mogelijk
  • Surprise discovery that HIV retrovirus hides in bone marrow offers new hope for eradication
  • A doctor's roadmap for dealing with the problems of ME/CFS
  • De Terug Plezant Club
  • Het retrovirus XMRV - Waar of niet waar ?
  • Being homebound with chronic fatigue syndrome - A multidimensional comparison with outpatients
  • Oplaaiende symptomen ME patient verraden ontstekingsreactie
  • UWV : 'ME/CVS is ziekte in zin van arbeidsongeschiktheid'
  • Een succesverhaal met Vistide in de strijd tegen ME/CVS - Een verhaal over herstel
  • Depressie
  • Hoe stressvol is je leven ?
  • Making the diagnosis of CFS/ME in primary care - A qualitative study
  • A new system of evaluating fibromyalgia and chronic fatigue
  • Nijmeegs onderzoek haalt CVS-doorbraak onderuit
  • Psychotherapie bij depressie overschat
  • Secrets of novel retrovirus unfolding
  • XMRV : 'missing link' bij ME/CVS ?
  • Reeves, hoofd van CDC CVS onderzoeksprogramma, gaat weg
  • Constant agony of an ME sufferer
  • Canon van de geneeskunde in Nederland
  • Dr. Frank dieet
  • Defeatism is undermining evidence that chronic fatigue syndrome can be treated
  • Cellular and molecular mechanisms of interaction between the neuroendocrine and immune systems under chronic fatigue syndrome in experiment
  • Zo zorg je voor weerstand - Houd je lichaam in optimale conditie
  • Fibromyalgie Vlaanderen Nederland - Dr. Bauer
  • Bussemaker komt terug op erkenning CVS
  • Postexertional malaise in women with chronic fatigue syndrome - Laboratioriumonderzoek bevestigt inspanningsintolerantie bij ME/CVS
  • Ze vertelden stervende dochter dat ze een leugenaar was - Interview met ME moeder Criona Wilson
  • Bijwerkingen antidepressiva erger dan gedacht
  • Bereken je BMI
  • Host range and cellular tropism of the human exogenous gammaretrovirus XMRV
  • The Brain Boosting B-12 - Hydroxocobalamin
  • Vertaling Canadese criteria ME/CVS
  • Slapeloosheid & osteopathie
  • Het Advies- en meldpunt ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid
  • Association between serum ferritin [stored iron] level and fibromyalgia syndrome
  • Dr. Mikovits XMRV Seminar (videos)
  • Zorgen voor een ander (2010) - Antwoorden op veelgestelde vragen
  • Herwin je veerkracht - Omgaan met chronische vermoeidheid en pijn
  • Je eten bepaalt je slaap
  • Dierenleed
  • ME/CVS erkend als chronische ziekte
  • Understanding fibromyalgia pain
  • Hyperalgesia in chronic fatigue syndrome
  • Wegwijzer psychische problemen
  • Positieve psychologie
  • Fietsen in de sneeuw...
  • Tips tegen de koude
  • Failure to detect the novel retrovirus XMRV in chronic fatigue syndrome
  • Nieuwe behandeling VermoeidheidCentrum zeer effectief
  • Een Zalig Kerstfeest en een gezond en voorspoedig 2010 !
  • Taming stressful thoughts
  • Burn-out - Werken tot je erbij neervalt - Deel I
  • Burn-out - Werken tot je erbij neervalt - Deel II
  • Canadese kriteria voor kinderen ook geschikt om onderscheid te maken tussen "milde" en "ernstige" gevallen
  • Stop met piekeren
  • Gedumpt, wat nu ? - Deel I
  • Gedumpt, wat nu ? - Deel II
  • Making a Difference in ME/CFS (Chronic Fatigue Syndrome) and FM
  • Psychotherapie - Van theorie tot praktijk
  • Fibromyalgie, waardevolle dagbesteding en werk - Deel I
  • Fibromyalgie, waardevolle dagbesteding en werk - Deel II
  • Fibromyalgie
  • Europees instrument spoort fibromyalgie op
  • Gezinsgeluk heeft positieve invloed op werk
  • Cognitieve gedragstherapie bij depressie
  • Nooit meer hetzelfde...
  • Rugklachten en RSI beroepsziekten nummer 1
  • SOS ! Hulp voor ouders
  • Dr. Nancy Klimas opens new Chronic Fatigue Center
  • The dramatic story of microbiologist Elaine DeFreitas' discovery
  • Fibromyalgie - Genezing is mogelijk - Gratis boek !
  • Verdedig je tegen wintervirussen
  • 7 geheimen die vrouwen verzwijgen
  • Eén op de twee Belgen krijgt ooit last van reuma
  • Wie langdurig ziek wordt heeft nood aan informatie
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel I
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel II
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel III
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel IV
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel V
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel VI
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel VII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel VIII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel IX
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel X
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XI
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XIII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XIV
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XV
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XVI
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XVII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XVIII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XIX
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XX
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXI
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXIII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXIV
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXV
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXVI
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXVII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXVIII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXIX
  • Doe een wens... - Make a wish...
  • 7 geheimen die mannen verzwijgen
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXX
  • Fibromyalgie - Genezing is mogelijk - GRATIS !
  • Af en toe een geheim is juist gezond
  • FM/CVS en verzekeringen - Info voor thesis
  • Mogelijke doorbraak MS-behandeling
  • Wees een winterdepressie voor
  • Vitamine B12-tekort - Een mogelijke oorzaak van Chronische vermoeidheid ? - Deel I
  • Vitamine B12-tekort - Een mogelijke oorzaak van Chronische vermoeidheid ? - Deel II
  • The Guaifenesin Story
  • A virus linked to chronic fatigue syndrome - Dr. Nancy Klimas interviews
  • Don't wait for a cure to appear
  • Gezonde chocoladeletters van Sinterklaas
  • Oorzaken van puisten
  • Sporten beter dan pauzeren bij RSI
  • Alles voor het goeie doel !!
  • Gewoon gelukkig zijn...
  • Chronic Fatigue Syndrome - La bête noire of the Belgian Health Care System
  • Persoonlijkheidstests
  • Vaccinatie risicogroepen H1N1
  • Geopereerd Prof. Johann Bauer - Een update (Greta)
  • Weersfactoren oorzaak van hoofdpijn
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part I
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part II
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part III
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part IV
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part V
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part VI
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part VII
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part VIII
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part IX
  • Challenges to conventional thinking about mind and body
  • What is CFS and what is ME ?
  • CVS-Referentiecentra - Opheffing en sluiting
  • Heb ik voldoende ontspanning ?
  • 7 tips tegen een overactieve blaas
  • Wallen en kringen onder de ogen
  • Recovered CFS/ME Patient Goes to Washington, D.C.
  • Chronische vermoeidheid zit niet tussen de oren
  • Dr. Bauer heeft mijn leven gered
  • Has your marriage been damaged by fibromyalgia or chronic fatigue syndrome ?
  • Vijf grootste bedreigingen gezondheid
  • Onbegrepen lage rugpijn beter te behandelen
  • Je beste antistresstip
  • Sufferers of chronic fatigue see life as a balancing act
  • Te hard gewerkt...
  • Prof. Dr. Johann Brauer op mijn blog
  • Geopereerd Prof. Johann Bauer
  • Is de griepprik gevaarlijk ?
  • Griep en verkoudheid - Deel I
  • Griep en verkoudheid - Deel II
  • Support the 500 Professionals of the IACFS/ME
  • Slanker met je hartritme
  • Enzym veroorzaakt gevolgen slaaptekort
  • Now we can get down to business
  • XMRV and chronic fatigue syndrome
  • Verslaving is een behandelbare hersenziekte
  • Kopstukken filosofie - Oktober 2009
  • Gek op je werk
  • Fikse schadevergoeding om antidepressivum
  • ME/CFS patients have retrovirus (XMRV) on YouTube

    Foto

    Archief per week
  • 12/04-18/04 2010
  • 05/04-11/04 2010
  • 29/03-04/04 2010
  • 22/03-28/03 2010
  • 15/03-21/03 2010
  • 08/03-14/03 2010
  • 01/03-07/03 2010
  • 22/02-28/02 2010
  • 15/02-21/02 2010
  • 08/02-14/02 2010
  • 01/02-07/02 2010
  • 25/01-31/01 2010
  • 18/01-24/01 2010
  • 04/01-10/01 2010
  • 28/12-03/01 2010
  • 21/12-27/12 2009
  • 14/12-20/12 2009
  • 07/12-13/12 2009
  • 30/11-06/12 2009
  • 23/11-29/11 2009
  • 16/11-22/11 2009
  • 09/11-15/11 2009
  • 02/11-08/11 2009
  • 19/10-25/10 2009
  • 12/10-18/10 2009
  • 05/10-11/10 2009
  • 28/09-04/10 2009
  • 21/09-27/09 2009
  • 14/09-20/09 2009
  • 07/09-13/09 2009
  • 31/08-06/09 2009
  • 10/08-16/08 2009
  • 27/07-02/08 2009
  • 20/07-26/07 2009
  • 06/07-12/07 2009
  • 22/06-28/06 2009
  • 15/06-21/06 2009
  • 08/06-14/06 2009
  • 01/06-07/06 2009
  • 25/05-31/05 2009
  • 18/05-24/05 2009
  • 11/05-17/05 2009
  • 04/05-10/05 2009
  • 27/04-03/05 2009
  • 20/04-26/04 2009
  • 13/04-19/04 2009
  • 30/03-05/04 2009
  • 23/03-29/03 2009
  • 16/03-22/03 2009
  • 09/03-15/03 2009
  • 02/03-08/03 2009
  • 23/02-01/03 2009
  • 16/02-22/02 2009
  • 09/02-15/02 2009
  • 02/02-08/02 2009
  • 26/01-01/02 2009
  • 19/01-25/01 2009
  • 12/01-18/01 2009
  • 05/01-11/01 2009
  • 22/12-28/12 2008
  • 15/12-21/12 2008
  • 08/12-14/12 2008
  • 01/12-07/12 2008
  • 24/11-30/11 2008
  • 17/11-23/11 2008
  • 10/11-16/11 2008
  • 03/11-09/11 2008
  • 27/10-02/11 2008
  • 20/10-26/10 2008
  • 13/10-19/10 2008
  • 06/10-12/10 2008
  • 29/09-05/10 2008
  • 22/09-28/09 2008
  • 15/09-21/09 2008
  • 08/09-14/09 2008
  • 01/09-07/09 2008
  • 25/08-31/08 2008
  • 18/08-24/08 2008
  • 11/08-17/08 2008
  • 04/08-10/08 2008
  • 28/07-03/08 2008
  • 21/07-27/07 2008
  • 14/07-20/07 2008
  • 30/06-06/07 2008
  • 23/06-29/06 2008
  • 16/06-22/06 2008
  • 09/06-15/06 2008
  • 02/06-08/06 2008
  • 26/05-01/06 2008
  • 19/05-25/05 2008
  • 12/05-18/05 2008
  • 05/05-11/05 2008
  • 28/04-04/05 2008
  • 21/04-27/04 2008
  • 14/04-20/04 2008
  • 07/04-13/04 2008
  • 31/03-06/04 2008
  • 24/03-30/03 2008
  • 17/03-23/03 2008
  • 10/03-16/03 2008
  • 03/03-09/03 2008
  • 25/02-02/03 2008
  • 18/02-24/02 2008
  • 11/02-17/02 2008
  • 04/02-10/02 2008
  • 28/01-03/02 2008
  • 21/01-27/01 2008
  • 14/01-20/01 2008
  • 07/01-13/01 2008
  • 31/12-06/01 2008
  • 24/12-30/12 2007
  • 17/12-23/12 2007
  • 10/12-16/12 2007
  • 03/12-09/12 2007
  • 26/11-02/12 2007
  • 19/11-25/11 2007
  • 12/11-18/11 2007
  • 05/11-11/11 2007
  • 29/10-04/11 2007
  • 22/10-28/10 2007
  • 15/10-21/10 2007
  • 08/10-14/10 2007
  • 01/10-07/10 2007
  • 24/09-30/09 2007
  • 17/09-23/09 2007
  • 10/09-16/09 2007
  • 03/09-09/09 2007
  • 27/08-02/09 2007
  • 20/08-26/08 2007
  • 13/08-19/08 2007
  • 06/08-12/08 2007
  • 30/07-05/08 2007
  • 23/07-29/07 2007
  • 16/07-22/07 2007
  • 09/07-15/07 2007
  • 18/06-24/06 2007
  • 11/06-17/06 2007
  • 04/06-10/06 2007
  • 28/05-03/06 2007
  • 21/05-27/05 2007
  • 14/05-20/05 2007
  • 07/05-13/05 2007
  • 30/04-06/05 2007
  • 23/04-29/04 2007
  • 16/04-22/04 2007
  • 09/04-15/04 2007
  • 02/04-08/04 2007
  • 26/03-01/04 2007
  • 19/03-25/03 2007
  • 12/03-18/03 2007
  • 05/03-11/03 2007
  • 26/02-04/03 2007
  • 19/02-25/02 2007
  • 12/02-18/02 2007
  • 05/02-11/02 2007
  • 29/01-04/02 2007
  • 22/01-28/01 2007
  • 15/01-21/01 2007
  • 08/01-14/01 2007
  • 18/12-24/12 2006
  • 11/12-17/12 2006
  • 04/12-10/12 2006
  • 27/11-03/12 2006
  • 20/11-26/11 2006
  • 13/11-19/11 2006
  • 06/11-12/11 2006
  • 30/10-05/11 2006
  • 23/10-29/10 2006
  • 16/10-22/10 2006
  • 09/10-15/10 2006
  • 02/10-08/10 2006
  • 25/09-01/10 2006
  • 18/09-24/09 2006
  • 11/09-17/09 2006
  • 04/09-10/09 2006
  • 28/08-03/09 2006
  • 07/08-13/08 2006
  • 31/07-06/08 2006
  • 24/07-30/07 2006
  • 03/07-09/07 2006
  • 26/06-02/07 2006
  • 19/06-25/06 2006
  • 12/06-18/06 2006
  • 29/05-04/06 2006
  • 22/05-28/05 2006
  • 15/05-21/05 2006
  • 08/05-14/05 2006
  • 01/05-07/05 2006
  • 24/04-30/04 2006
  • 17/04-23/04 2006
  • 10/04-16/04 2006
  • 27/03-02/04 2006
  • 20/03-26/03 2006
  • 13/03-19/03 2006
  • 06/03-12/03 2006
  • 27/02-05/03 2006
  • 20/02-26/02 2006
  • 13/02-19/02 2006
  • 06/02-12/02 2006
  • 30/01-05/02 2006
  • 23/01-29/01 2006
  • 16/01-22/01 2006
  • 09/01-15/01 2006
  • 26/12-01/01 2006
  • 19/12-25/12 2005
  • 12/12-18/12 2005
  • 05/12-11/12 2005
  • 28/11-04/12 2005
  • 21/11-27/11 2005
  • 14/11-20/11 2005
  • 07/11-13/11 2005
  • 24/10-30/10 2005
  • 17/10-23/10 2005
  • 10/10-16/10 2005
  • 03/10-09/10 2005
  • 26/09-02/10 2005
  • 19/09-25/09 2005
  • 12/09-18/09 2005
  • 05/09-11/09 2005
  • 29/08-04/09 2005
  • 22/08-28/08 2005
  • 15/08-21/08 2005
  • 08/08-14/08 2005
  • 01/08-07/08 2005
  • 25/07-31/07 2005
  • 04/07-10/07 2005
  • 27/06-03/07 2005
  • 20/06-26/06 2005
  • 13/06-19/06 2005
  • 06/06-12/06 2005
  • 30/05-05/06 2005
  • 23/05-29/05 2005
  • 16/05-22/05 2005
  • 09/05-15/05 2005
  • 02/05-08/05 2005
  • 25/04-01/05 2005
  • 18/04-24/04 2005
  • 11/04-17/04 2005
  • 29/11-05/12 1999
  • 29/12-04/01 1970

    Foto

  • 12/04-18/04 2010
  • 05/04-11/04 2010
  • 29/03-04/04 2010
  • 22/03-28/03 2010
  • 15/03-21/03 2010
  • 08/03-14/03 2010
  • 01/03-07/03 2010
  • 22/02-28/02 2010
  • 15/02-21/02 2010
  • 08/02-14/02 2010
  • 01/02-07/02 2010
  • 25/01-31/01 2010
  • 18/01-24/01 2010
  • 04/01-10/01 2010
  • 28/12-03/01 2010
  • 21/12-27/12 2009
  • 14/12-20/12 2009
  • 07/12-13/12 2009
  • 30/11-06/12 2009
  • 23/11-29/11 2009
  • 16/11-22/11 2009
  • 09/11-15/11 2009
  • 02/11-08/11 2009
  • 19/10-25/10 2009
  • 12/10-18/10 2009
  • 05/10-11/10 2009
  • 28/09-04/10 2009
  • 21/09-27/09 2009
  • 14/09-20/09 2009
  • 07/09-13/09 2009
  • 31/08-06/09 2009
  • 10/08-16/08 2009
  • 27/07-02/08 2009
  • 20/07-26/07 2009
  • 06/07-12/07 2009
  • 22/06-28/06 2009
  • 15/06-21/06 2009
  • 08/06-14/06 2009
  • 01/06-07/06 2009
  • 25/05-31/05 2009
  • 18/05-24/05 2009
  • 11/05-17/05 2009
  • 04/05-10/05 2009
  • 27/04-03/05 2009
  • 20/04-26/04 2009
  • 13/04-19/04 2009
  • 30/03-05/04 2009
  • 23/03-29/03 2009
  • 16/03-22/03 2009
  • 09/03-15/03 2009
  • 02/03-08/03 2009
  • 23/02-01/03 2009
  • 16/02-22/02 2009
  • 09/02-15/02 2009
  • 02/02-08/02 2009
  • 26/01-01/02 2009
  • 19/01-25/01 2009
  • 12/01-18/01 2009
  • 05/01-11/01 2009
  • 22/12-28/12 2008
  • 15/12-21/12 2008
  • 08/12-14/12 2008
  • 01/12-07/12 2008
  • 24/11-30/11 2008
  • 17/11-23/11 2008
  • 10/11-16/11 2008
  • 03/11-09/11 2008
  • 27/10-02/11 2008
  • 20/10-26/10 2008
  • 13/10-19/10 2008
  • 06/10-12/10 2008
  • 29/09-05/10 2008
  • 22/09-28/09 2008
  • 15/09-21/09 2008
  • 08/09-14/09 2008
  • 01/09-07/09 2008
  • 25/08-31/08 2008
  • 18/08-24/08 2008
  • 11/08-17/08 2008
  • 04/08-10/08 2008
  • 28/07-03/08 2008
  • 21/07-27/07 2008
  • 14/07-20/07 2008
  • 30/06-06/07 2008
  • 23/06-29/06 2008
  • 16/06-22/06 2008
  • 09/06-15/06 2008
  • 02/06-08/06 2008
  • 26/05-01/06 2008
  • 19/05-25/05 2008
  • 12/05-18/05 2008
  • 05/05-11/05 2008
  • 28/04-04/05 2008
  • 21/04-27/04 2008
  • 14/04-20/04 2008
  • 07/04-13/04 2008
  • 31/03-06/04 2008
  • 24/03-30/03 2008
  • 17/03-23/03 2008
  • 10/03-16/03 2008
  • 03/03-09/03 2008
  • 25/02-02/03 2008
  • 18/02-24/02 2008
  • 11/02-17/02 2008
  • 04/02-10/02 2008
  • 28/01-03/02 2008
  • 21/01-27/01 2008
  • 14/01-20/01 2008
  • 07/01-13/01 2008
  • 31/12-06/01 2008
  • 24/12-30/12 2007
  • 17/12-23/12 2007
  • 10/12-16/12 2007
  • 03/12-09/12 2007
  • 26/11-02/12 2007
  • 19/11-25/11 2007
  • 12/11-18/11 2007
  • 05/11-11/11 2007
  • 29/10-04/11 2007
  • 22/10-28/10 2007
  • 15/10-21/10 2007
  • 08/10-14/10 2007
  • 01/10-07/10 2007
  • 24/09-30/09 2007
  • 17/09-23/09 2007
  • 10/09-16/09 2007
  • 03/09-09/09 2007
  • 27/08-02/09 2007
  • 20/08-26/08 2007
  • 13/08-19/08 2007
  • 06/08-12/08 2007
  • 30/07-05/08 2007
  • 23/07-29/07 2007
  • 16/07-22/07 2007
  • 09/07-15/07 2007
  • 18/06-24/06 2007
  • 11/06-17/06 2007
  • 04/06-10/06 2007
  • 28/05-03/06 2007
  • 21/05-27/05 2007
  • 14/05-20/05 2007
  • 07/05-13/05 2007
  • 30/04-06/05 2007
  • 23/04-29/04 2007
  • 16/04-22/04 2007
  • 09/04-15/04 2007
  • 02/04-08/04 2007
  • 26/03-01/04 2007
  • 19/03-25/03 2007
  • 12/03-18/03 2007
  • 05/03-11/03 2007
  • 26/02-04/03 2007
  • 19/02-25/02 2007
  • 12/02-18/02 2007
  • 05/02-11/02 2007
  • 29/01-04/02 2007
  • 22/01-28/01 2007
  • 15/01-21/01 2007
  • 08/01-14/01 2007
  • 18/12-24/12 2006
  • 11/12-17/12 2006
  • 04/12-10/12 2006
  • 27/11-03/12 2006
  • 20/11-26/11 2006
  • 13/11-19/11 2006
  • 06/11-12/11 2006
  • 30/10-05/11 2006
  • 23/10-29/10 2006
  • 16/10-22/10 2006
  • 09/10-15/10 2006
  • 02/10-08/10 2006
  • 25/09-01/10 2006
  • 18/09-24/09 2006
  • 11/09-17/09 2006
  • 04/09-10/09 2006
  • 28/08-03/09 2006
  • 07/08-13/08 2006
  • 31/07-06/08 2006
  • 24/07-30/07 2006
  • 03/07-09/07 2006
  • 26/06-02/07 2006
  • 19/06-25/06 2006
  • 12/06-18/06 2006
  • 29/05-04/06 2006
  • 22/05-28/05 2006
  • 15/05-21/05 2006
  • 08/05-14/05 2006
  • 01/05-07/05 2006
  • 24/04-30/04 2006
  • 17/04-23/04 2006
  • 10/04-16/04 2006
  • 27/03-02/04 2006
  • 20/03-26/03 2006
  • 13/03-19/03 2006
  • 06/03-12/03 2006
  • 27/02-05/03 2006
  • 20/02-26/02 2006
  • 13/02-19/02 2006
  • 06/02-12/02 2006
  • 30/01-05/02 2006
  • 23/01-29/01 2006
  • 16/01-22/01 2006
  • 09/01-15/01 2006
  • 26/12-01/01 2006
  • 19/12-25/12 2005
  • 12/12-18/12 2005
  • 05/12-11/12 2005
  • 28/11-04/12 2005
  • 21/11-27/11 2005
  • 14/11-20/11 2005
  • 07/11-13/11 2005
  • 24/10-30/10 2005
  • 17/10-23/10 2005
  • 10/10-16/10 2005
  • 03/10-09/10 2005
  • 26/09-02/10 2005
  • 19/09-25/09 2005
  • 12/09-18/09 2005
  • 05/09-11/09 2005
  • 29/08-04/09 2005
  • 22/08-28/08 2005
  • 15/08-21/08 2005
  • 08/08-14/08 2005
  • 01/08-07/08 2005
  • 25/07-31/07 2005
  • 04/07-10/07 2005
  • 27/06-03/07 2005
  • 20/06-26/06 2005
  • 13/06-19/06 2005
  • 06/06-12/06 2005
  • 30/05-05/06 2005
  • 23/05-29/05 2005
  • 16/05-22/05 2005
  • 09/05-15/05 2005
  • 02/05-08/05 2005
  • 25/04-01/05 2005
  • 18/04-24/04 2005
  • 11/04-17/04 2005
  • 29/11-05/12 1999
  • 29/12-04/01 1970

    Foto

    Willekeurig SeniorenNet Blogs
    annielice
    blog.seniorennet.be/annieli
    Foto


    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!