NIEUW: Blog reclamevrij maken?
Op zoek naar een bepaalde info ? Geef dan hieronder een trefwoord in...
Zoeken in blog

Foto
Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom !
Foto
Gastenboek
  • Phals
  • eldendy
  • cialis achat europe
  • ygedgwgglu
  • bkcxzvqlqg

    Druk oponderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek

    Foto
    Raadpleeg steeds je arts !
    Foto
    Laatste commentaren
  • Govt Jobs 2017 (Govt Jobs 2017)
        op Vluchten in het werk
  • casper mattress promo (Sonjaorgab)
        op Vluchten in het werk
  • full casper mattress (SonjaHom)
        op Vluchten in het werk
  • Jg emperor appreciated Kevin Durant!Freddy adu counter said the warriors players (Bobbybep)
        op Tijd om afscheid te nemen...
  • clean casper mattress (Sonjaorgab)
        op Vluchten in het werk
  • Teens Beautiful Porn. Hot Teen Sex Xvideos. (Yzcgp473k)
        op Vluchten in het werk
  • casper mattress reviews (SonjaHom)
        op Vluchten in het werk
  • How-to Publish a Research Release (Billiemes)
        op Even geduld...
  • Keelo (Assaurl)
        op Vluchten in het werk
  • neath (Untori)
        op Vluchten in het werk
  • Foto
    Blog als favoriet !
    Foto
    Willekeurig SeniorenNet Blogs
    lunic
    blog.seniorennet.be/lunic
    Willekeurig SeniorenNet Blogs
    vlaaitje
    blog.seniorennet.be/vlaaitj
    Willekeurig SeniorenNet Blogs
    sinjoorke
    blog.seniorennet.be/sinjoor
    Willekeurig SeniorenNet Blogs
    woneninspanje
    blog.seniorennet.be/wonenin
    Willekeurig SeniorenNet Blogs
    ongegrond
    blog.seniorennet.be/ongegro
    Foto
    Mijn favorieten
  • Kennis=macht=gezondheid - Pillie Willie
  • Vlaamse Liga voor Fibromyalgie Patiënten
  • Lotgenoten Fibromyalgie Nederland
  • APS-Therapie
  • Alles over fibromyalgie
  • Fibromyalgie-Online
  • Leven met CVS / Leven met Fibromyalgie
  • Gezondheidspein.nl
  • TopSiteGuide.BelgischeTop100
  • Fibromyalgie PR-site
    Foto
    Fibromyalgie
    Strijd om erkenning
    10-01-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Pijnbestrijding bij fibromyalgie - Deel I
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

     




    Pijnbestrijding bij fibromyalgie

    Deel I

    Nederlands instituut voor verantwoord medicijngebruik (DGV) :
    http://www.medicijngebruik.nl/content/2_over_dgv/2-1.htm

    Utrecht, april 2002
    Met medewerking van : Mw. M. Janssen (F.E.S.) - Mw. R. van den Berg (F.E.S.) - dhr. W. Peek (F.E.S.), patiëntenpanel F.E.S. - Mw. drs. A. van Galen (auteur/eindredacteur F.E.S.-Magazine) - Mw. Dr. Van Santen-Hoeuff (reumatoloog) - Mw. W. Wessing (reumaconsulent) - drs. M. Bax (apotheker)
    De hoofdstukken 2 en 3 van de brochure zijn deels gebaseerd op de uitgaven ‘Geen dag zonder pijn’ - Aty van Galen – Nigz - ISBN : 9069282240 - en ‘Beter leven met fibromyalgie - Aty van Galen – Nigz, 2001 - ISBN : 90-6928-228-3.
    © F.E.S. en DGV



    Inhoud

    1. - Inleiding
    2. - Pijn bij fibromyalgie
    3. - Pijnmanagement
    4. - De pijn laten behandelen
    5. - Bewegings- en ontspanningstherapieën
    6. - Behandeling met medicijnen (mét geneesmiddelenoverzicht)
    7. - Alternatieve behandelingen
    8. - Aandachtspunten voor het gesprek met de arts
    9. - Meer weten ?


    1. - Inleiding

    Pijn en fibromyalgie : ze horen bij elkaar.
    De behandeling van fibromyalgie bestaat daarom voor een belangrijk deel uit pijnbestrijding. Een goede pijnbestrijding geeft geen genezing. Het kan het leven wel veraangenamen. Het kan helpen actief te blijven, slaapproblemen te verminderen en de stemming te verbeteren.
    In deze brochure leest u wat pijn precies is en hoe u deze kunt bestrijden.
    Allereerst door zelf uw pijn te ‘managen’. Dat klinkt ingewikkeld, maar is eigenlijk vrij eenvoudig en zeer effectief. Bewegings- en ontspanningsoefeningen zijn een volgende stap in hoe u zelf uw pijn de baas kan worden.
    Wie dat onvoldoende lukt, heeft wellicht baat bij een geneesmiddel of bij een alternatieve behandeling. De brochure besteedt hier in twee aparte hoofdstukken aandacht aan. Alle voor- en nadelen hebben we voor u op een rijtje gezet, zodat u samen met uw arts een zo goed mogelijke keuze kunt maken.
    Voor het gesprek met uw arts vindt u tot slot nog een aantal nuttige tips, evenals een overzicht van instanties waar u terecht kunt voor meer informatie.
    Als u goed geïnformeerd bent over uw ziekte en alles wat daar mee samen hangt, bent u een betere gesprekspartner voor uw behandelaar.
    Deze brochure kan u daarbij helpen.
    De brochure is ook nuttig voor familieleden en anderen die geïnteresseerd zijn in fibromyalgie.



    2. - Pijn bij fibromyalgie

    Fibromyalgie betekent letterlijk : 'pijn in bindweefsel en spieren'.
    Het is een aandoening van de zogenaamde weke delen van het bewegingsapparaat. Fibromyalgie wordt daarom een vorm van ‘weke-delenreuma’ genoemd. Weke delen zijn de spieren, de plaats waar de pezen aanhechten aan de gewrichten, de gewrichtsbanden en het bindweefsel. Gewrichtsbanden en bindweefsel geven de gewrichten extra stevigheid.
    Fibromyalgie komt voor bij twee op de honderd volwassenen. Het komt veel vaker voor bij vrouwen dan bij mannen, zeker acht van de tien mensen met fibromyalgie is vrouw. De klachten kunnen vanaf de puberteit optreden.
    Het verloop van fibromyalgie kan sterk wisselen. De klachten kunnen verergeren bij koud en vochtig weer, zware inspanning en lichamelijke en emotionele stress.
    Eén van de kenmerken van fibromyalgie, naast algemene spierstijfheid, zijn punten in spieren of pezen, die bij stevige druk een heftige pijn veroorzaken. Vaak is men zich hier van tevoren niet van bewust. Deze zogenaamde ‘tenderpoints’ komen voor op talloze plaatsen in het lichaam, waarvan er achttien zijn gedefinieerd om de diagnose te stellen.
    De meeste mensen met fibromyalgie hebben voortdurend last van pijn. De pijn komt vooral voor in de spieren, het bindweefsel en in en rondom de gewrichten. Er is meestal langdurige pijn, die echter wel in intensiteit kan verschillen. De pijn is zeurend en begint vaak in de rug, schouders of nek. Langzamerhand kan de pijn uitbreiden naar andere delen van het lichaam: met name rug, schouderkappen, de zijkant van de heupen, de binnenkant van de knie en het borstbeen.

    2.1 - Wat is pijn eigenlijk precies ?
    Men dacht nog niet zo lang geleden dat pijn een rechtstreekse reactie was op een lichamelijke prikkel, bijvoorbeeld je branden aan een hete pan.
    Tegenwoordig wordt pijn beschouwd als een ingewikkeld proces met zowel lichamelijke als psychische kanten. Niet iedereen voelt dezelfde pijn na een pijnprikkel.
    Emoties hebben invloed op het ervaren van pijn : depressie kan de pijn versterken, terwijl positieve gevoelens de pijn kunnen verzwakken. Het is belangrijk om onderscheid te maken tussen acute en chronische pijn. Acute pijn heeft een functie : het waarschuwt bijvoorbeeld voor het verbranden van de hand aan een hete pan.
    Chronische pijn heeft geen waarschuwingsfunctie.
    Eén van de theorieën om chronische pijn te verklaren bestaat uit het niet goed functioneren van het zogenoemde ‘poortsysteem’. Na een pijnprikkel, bijvoorbeeld in de hand, stuurt de zenuw ter plekke een signaal naar de hersenen. Onderweg bevindt zich het ruggenmerg waar een soort poort bestaat voor pijnprikkels. Door die poort bereiken de pijnprikkels de hersenen. In de hersenen wordt het signaal verwerkt en komt endorfine vrij dat de pijn dempt. Er gaat een signaal via de zenuwen, door de poort, naar de pijnlijke plek in de hand, waar chemische stoffen vrijkomen die de pijn verminderen. Wanneer het poortsysteem niet goed functioneert, bereiken te veel pijnsignalen de hersenen en worden doorgekomen pijnsignalen op de terugweg onvoldoende geremd. Iemand ervaart dan continue pijn. Pijn voel je alleen, wanneer de pijnprikkel uitkomt boven een drempel, de pijndrempel. Deze is voor ieder mens verschillend. Bij chronische pijn, zoals bij fibromyalgie, worden de zenuwen voortdurend geprikkeld. Ze gaan overdreven reageren op prikkels, de pijndrempel wordt dan heel laag. Soms zo laag, dat iemand pijn voelt zonder pijnprikkel.

    2.2 - Andere klachten
    Andere klachten die bij fibromyalgie veel voorkomen zijn (ochtend-)stijfheid, slaapproblemen, stemmingswisselingen, vermoeidheid en krachtverlies in de spieren.
    Er is een aantal klachten dat niet bij iedereen met fibromyalgie voorkomt :

    • hoofdpijn,

    • darmkrampen, buikpijn,

    • concentratiestoornissen,

    • doof of tintelend aanvoelende huid,

    • gevoel van zwaarte in armen of benen en

    • gevoel van opgezette vingers.

    Sommige vrouwen met fibromyalgie zijn gevoeliger voor hormoonschommelingen, zoals rond de menstruatie en in en na de overgang. Er zijn vrouwen die tijdens zwangerschap minder klachten hebben, maar er zijn er ook die meer last hebben omdat zwangerschap een flinke fysieke belasting is.


    3. - Pijnmanagement

    3.1 - Leren leven met fibromyalgie
    Bij de één wordt pas na jaren van klachten de diagnose fibromyalgie gesteld.
    Bij de ander gebeurt dit veel eerder. Voor iedereen geldt dat het zijn of haar leven en dat van de omgeving grondig verandert. U heeft pijn, bent moe, heeft vaker hulp nodig, moet regelmatig een afspraak afzeggen. De omgeving ziet niet aan u dat u iets mankeert en heeft niet altijd begrip voor de situatie.
    Verlies van gezondheid is iets dat verwerking nodig heeft, een rouwproces met de emoties die dat oproept. Leven met fibromyalgie betekent een nieuwe balans vinden, de beschikbare energie zo goed mogelijk besteden, accepteren dat sommige dingen niet meer kunnen en hiervoor praktische oplossingen zoeken. Daarbij bent u zelf de manager van uw leven met fibromyalgie. In dit hoofdstuk worden handreikingen gedaan waarmee u zelf aan de slag kunt om het leven met fibromyalgie hanteerbaar te maken.
    Ook bij behandelingen bent u zelf degene die het beste kan voelen welk effect een therapie of middel heeft. U stelt samen met uw behandelaar een behandelplan op.
    Op basis van uw ervaringen hiermee wordt dit aangepast.

    3.2 - Cursussen over omgaan met pijn en fibromyalgie
    In de cursus ‘Fibromyalgie, hoe verder...- cfr. :
    http://www.fibromyalgiepatientenvereniging.nl/nieuw/regio.php?id=3 - worden de veranderingen belicht die fibromyalgie teweegbrengt in uw leven en dat van uw omgeving.
    Naast kennis over de aandoening worden adviezen en oefeningen aangereikt over hoe u grip kunt krijgen en houden op het leven met fibromyalgie. De cursus bestaat uit zeven bijeenkomsten van twee uur en een terugkombijeenkomst. De cursussen worden op verschillende plaatsen in Nederland verzorgd door de thuiszorg. De F.E.S. kan u meer informatie geven.
    De Stichting Pijn-Hoop organiseert een driedaagse training ‘Leren omgaan met pijn- cfr. :
    http://www.pijn.com/patienten/pijnprogrammas.htm - Meer informatie hierover kunt u opvragen bij de Stichting Pijn-Hoop (ook sommige pijn- en revalidatiecentra hanteren programma’s voor omgaan met pijn). Meer gegevens over de F.E.S. en de Stichting Pijn-Hoop vindt u achterin de brochure.

    3.3 - Pijn- of fibromyalgiedagboek
    Een handig hulpmiddel bij het managen van de pijn bij fibromyalgie is het pijn- of fibromyalgiedagboek.
    Door het in kaart brengen van de pijn kunt u nagaan welk verband er is tussen activiteiten en pijn en vervolgens welk verband er bestaat tussen spanning en pijn. U geeft hierbij op verschillende momenten van de dag een cijfer (van nul tot tien) aan de pijn en zet deze in een grafiek. U kunt nu nagaan of er een dagelijks patroon is, verschil is tussen de weekenden en doordeweekse dagen of dat er specifieke momenten op de dag zijn dat de pijn hevig is of juist gering. Het pijndagboek en zelfmanagement van fibromyalgie staan meer uitgebreid beschreven in het boek ‘Geen dag zonder pijn’ van Aty van Galen (de gegevens vindt u achterin deze brochure).

    3.4 – Ergonomie
    Vaak zijn er praktische oplossingen te vinden voor de beperkingen waar iemand met fibromyalgie in het dagelijkse leven tegenaan loopt.
    Voor een aantal zaken heeft u waarschijnlijk al oplossingen gevonden. In gewone of thuiszorgwinkels zijn veel handige hulpmiddelen beschikbaar. Soms is het mogelijk om via de huisarts, reumaconsulent of via het Groene Kruis advies van een ergotherapeut in te winnen. Deze loopt met u het huis door en adviseert over een handige aanpassing of indeling en bekijkt of u een handeling zo uit kunt voeren, dat deze minder inspanning kost. Aty van Galen geeft in haar boekje ‘Geen dag zonder pijn’ tips om energie te besparen in het huishouden, bijvoorbeeld bij het koken.

    3.5 – Reumaconsulent
    De verpleegkundig reumaconsulent is een verpleegkundige die is gespecialiseerd in reumatologie.
    Hij of zij is aangesloten bij de polikliniek reumatologie of bij de thuiszorg. U kunt bij de reumaconsulent terecht voor informatie, instructie en individuele begeleiding bij het leren omgaan met fibromyalgie. Vraag uw behandelaar of deze samenwerkt met een reumaconsulent.

    3.6 - Behandelend arts
    De behandeling van fibromyalgie verschilt van mens tot mens.
    De klachten kunnen per persoon en ook bij één iemand in de loop van de tijd sterk wisselen. Een behandeling die bij de één helpt, heeft bij de ander wellicht geen effect en andersom. Het is daarom van belang dat uw huisarts of specialist samen met u een behandelplan opstelt. Basis hiervoor is dat uw arts uw klachten serieus neemt.

    3.7 - Centra voor behandeling van chronische pijn
    Wanneer de pijn zeer ernstig is, kan uw behandelaar u doorverwijzen naar een pijnpoli of pijncentrum.
    Beide namen worden wel gebruikt voor afdelingen, verbonden aan een ziekenhuis, waar men gericht is op de behandeling van pijn. De samenstelling van het aanwezige pijnteam hangt af van de grootte van de afdeling. Meestal vormt een anesthesist de basis, al dan niet aangevuld met een neuroloog, psycholoog, fysiotherapeut of revalidatiearts.


    4. - De pijn laten behandelen

    Doel van de behandeling is om de pijn hanteerbaar te maken.
    Het is vaak niet mogelijk om de pijn helemaal weg te nemen. Het programma kan onderdelen omvatten als pijnmedicatie of een zenuwblokkade, hydrotherapie, ergotherapie, manuele therapie en acupunctuur.
    Wanneer een pijnbehandeling in een pijncentrum te belastend is of onvoldoende helpt, kan men doorverwezen worden naar een revalidatiecentrum met een programma voor pijnrevalidatie.
    Hiervan zijn er enkele in Nederland. In deze revalidatiecentra werkt een revalidatiearts veelal samen met een anesthesist, neuroloog, fysiotherapeut en/of oefentherapeut Cesar of Mensendieck, psycholoog en maatschappelijk werker. Doel van de behandeling is om de kwaliteit van leven van iemand met chronische pijn te verbeteren. In enkele van deze specifieke revalidatiecentra wordt de cursus ‘De pijn de baas- cfr. :
    http://www.fibromyalgie.nu/pagina3.html - gegeven, een programma waarin de nadruk ligt op pijnmanagement, het leren omgaan met pijn.
    Inmiddels zijn er in de academische ziekenhuizen van vier grote steden zogenaamde Pijnkenniscentra opgericht, elk met hun eigen specialisme op het gebied van pijnbehandeling en pijnmanagement.
    Meer informatie over deze centra vindt u op de website :
    www.pijnplatform.nl


    5. - Bewegings- en ontspanningstherapieën

    Het risico bestaat dat u door pijn en stijfheid steeds minder beweegt.
    Toch staat bewegen bij de behandeling van fibromyalgie centraal. Het maakt stijve spieren soepel en vermindert vaak na verloop van tijd de pijn. Het is daarbij van groot belang om rustig te beginnen en langzaam op te bouwen. Wanneer u iets kiest dat u leuk vindt, is de kans groter dat bewegen een vast onderdeel van uw leven wordt. Het is niet perse nodig om onder begeleiding te bewegen. Zelf gaan wandelen en fietsen kan ook en is een stuk goedkoper.

    5.1 – Fysiotherapie
    Fysiotherapie kan een vermindering geven van de pijn en stijfheid.
    Meestal wordt gekozen voor de actieve vormen van fysiotherapie ter verbetering van de conditie of houding. Door de beweging worden spieren en bindweefsel als het ware gemasseerd en ontstaat een betere doorbloeding, waardoor ontspanning en (tijdelijke) vermindering van pijn kan optreden.
    Ook wordt bij fibromyalgie gebruik gemaakt van massage, infrarood licht, ultra geluid, stroom, warmtepakkingen en oefentherapie in het water en op het droge. De oefentherapie kan zowel individueel als in groepsverband plaatsvinden.

    5.2 - Mensendieck- en Cesartherapie
    Beide therapieën zijn gericht op het verminderen van met name spier- en gewrichtsklachten door een juiste houding en manier van bewegen.
    Men gaat ervan uit dat iedere persoon een eigen ‘lichaamsschema’ of bewegingspatroon heeft. De therapie wordt hier individueel op aangepast.
    In de therapie leren mensen bewust te kijken naar hun eigen houding en bewegingspatroon. Aan de hand van praktische oefeningen leert men bewegingen en houdingen te corrigeren, zodat de belasting op het lichaam juist verdeeld wordt. Na verloop van tijd gaat men de juiste houding en beweging ook onbewust gebruiken. Een verschil tussen beide therapieën is dat Cesar ritmischer en Mensendieck statischer is. Beide therapieën kunnen zowel in groepen als individueel worden gedaan.

    5.3 - Hydrotherapie, bewegen in warm water
    Hydrotherapie is een verzamelnaam voor verschillende therapievormen met water, zoals warme baden, wisseldouches en voet- en handbaden.
    Bij fibromyalgie wordt bewegen in warm water veel toegepast. Het grote voordeel is dat in het water door de opwaartse druk uw lichaam minder zwaar aanvoelt. Bewegingen kosten dus minder spierkracht. Onder begeleiding van een fysiotherapeut of andere deskundige worden bewegingsoefeningen gedaan in water van minimaal 32 graden Celsius.
    De F.E.S. biedt mogelijkheden om met lotgenoten onder begeleiding te oefenen. Het adres vindt u achterin de brochure.

    5.4 - Aangepaste fitness
    Veel fitnesscentra bieden aangepaste fitnessvormen aan, zoals cardiofitness, medische fitness of low-fitness.
    Een fysiotherapeut stelt met u een oefenprogramma samen, op apparaten gecombineerd met reken strekoefeningen. Voor veel mensen met fibromyalgie leidt dit tot verbetering van bewegingsmogelijkheden en de conditie en soms ook tot vermindering van pijn.

    5.5 – Kuren
    Kuren bestaat uit een combinatie van leefstijladviezen, dieet, fysiotherapie en ontspanning (weg van de dagelijkse beslommeringen).
    De fysiotherapie omvat onder meer: modderbaden, hydrotherapie, diverse baden (zwavel, zout, kruiden), diverse massages en manuele therapie.
    Een verblijf in een kuuroord duurt twee tot vier weken.
    Meer informatie vindt u in het boek 'Reuma & alternatieve behandelingsmethoden - 101 behandelingsmethoden in beeld gebracht' - Prof. J.J. Rasker, Reumatoloog – Arko, Nieuwegein, 1993 – ISBN : 90 7204 719 2 – cfr. :
    http://home.hetnet.nl/~poulenc/nieuw%20archief/Boeken%20Reuma%20en%20alternatieve%20behandelingsmethoden.htm - en in de folder ‘Is kuren iets voor mij ?- cfr. : http://www.reumafonds.nl/voorlichting/watisreuma/downloads/kuren.pdf - van de Reuma Patiëntenbond (de gegevens vindt u achterin de brochure).
    Informeer bij uw verzekeraar of deze de kuurreis vergoedt.

    5.6 – Yoga
    De Indiase levenstechniek yoga is een combinatie van oefeningen (vaak op in- en uitademing) die leidt tot lichamelijke en geestelijke ontspanning en zelfkennis.
    Omdat niet alle oefeningen uit te voeren zijn door iemand met fibromyalgie is het van belang een leraar te vinden, die hier rekening mee kan houden. Yoga met een groep mensen met fibromyalgie is wellicht nog prettiger.

    5.7 - Tai chi tao
    De eeuwenoude Chinese bewegingskunst tai chi bestaat uit langzame, regelmatige bewegingen die overeenstemmen met het ademhalingsritme.
    Ze ontspannen de geest en het lichaam, bevorderen de bloedcirculatie, maken gewrichten los en verbeteren de doorbloeding van de huid. Tai chi tao is een aangepaste vorm van tai chi, waarbij de bewegingen ook zittend kunnen worden uitgevoerd. Hoewel het fibromyalgie niet geneest, ervaren veel mensen met fibromyalgie na ongeveer drie maanden een duidelijke vooruitgang in hun bewegingsmogelijkheden.
    Een tai chi-leraar kan de oefeningen individueel aanpassen.


    6. - Behandeling met medicijnen

    6.1 - De plaats van medicijnen in de behandeling van fibromyalgie
    Medicijnen hebben bij de behandeling van fibromyalgie bij voorkeur slechts een aanvullende rol naast bewuste leefgewoonten en bewegingstherapie.
    Ze zijn bedoeld om de vicieuze cirkel te doorbreken die kan ontstaan bij pijn. Iemand met langdurige pijn zal minder activiteiten ondernemen. Hierdoor vermindert zijn conditie en ontstaan meer klachten bij gewone bezigheden. Ongerustheid over de oorzaak van de pijn verhoogt de spierspanning. Dit veroorzaakt weer pijn. Door de pijn tijdelijk met een medicijn te verminderen kan deze vicieuze cirkel van pijn-angst-spierspanningpijn worden doorbroken. Het merendeel van de mensen met fibromyalgie heeft geen baat bij het langdurig gebruiken van medicijnen.

    6.2 - Zorgvuldig medicijngebruik
    Medicijnen zijn geen wondermiddelen.
    Ze kunnen soms verlichting geven, maar werken niet bij iedereen en ze kunnen bijwerkingen hebben. Elke vorm van pijn vergt een andere aanpak. Daarbij reageert ieder mens anders op medicijnen. De één is gebaat bij een dubbele dosis paracetamol, terwijl de ander veel meer baat heeft bij amitriptyline. Het is dan ook verstandig een medicijn een aantal weken te proberen om te kijken of het werkt en of de bijwerkingen niet te sterk zijn. Het is belangrijk dat u zelf de balans tussen werking en bijwerkingen in de gaten houdt en dit regelmatig met uw arts evalueert. Soms gaat een middel in de loop van de tijd minder goed werken.
    Vertel uw arts altijd hoe uw lichaam op het medicijn reageert. De arts kan in overleg met u een ander middel kiezen als dat nodig is. Gebruik ook pijnstillers die zonder recept te verkrijgen zijn altijd in overleg met de behandelend arts. Deze kunnen bijwerkingen hebben of invloed hebben op andere medicijnen die u gebruikt.
    Wanneer u kinderen wilt, is het van belang dit vroegtijdig met uw arts te bespreken. Medicijnen kunnen een schadelijke invloed hebben op de ontwikkeling van het ongeboren kind.
    Ook bij de apotheek kunt u altijd terecht met vragen over uw medicijnen. Aan de balie of, wanneer u meer privacy wilt, op afspraak met uw apotheker. Wanneer u uw medicijnen voor het eerst meekrijgt, hoort de apotheker of de assistente de werking ervan kort uit te leggen. Vraag daar zonodig ook zelf naar. De apotheker kan voor u een overzicht maken van de medicijnen die u gebruikt. Daarbij kan hij of zij aangeven of u de middelen die u wel eens zonder recept koopt, mag gebruiken bij uw receptgeneesmiddelen. Houdt er rekening mee dat de apotheker in principe niet altijd weet voor welke aandoening u uw medicijnen krijgt.
    De werking van een medicijn wordt bepaald door de werkzame stof die erin zit. Vaak zijn er meerdere middelen met dezelfde werkzame stof. Deze middelen variëren soms in prijs, soms in samenstelling, maar nooit in kwaliteit. In deze brochure gebruiken we de stofnamen van middelen. De merknamen staan tussen haakjes vermeld en zijn van een ® voorzien.
    Zorgvuldig gebruik van medicijnen vergroot de kans op een goed effect en verkleint de kans op bijwerkingen. Wanneer u medicijnen meermalen per dag moet innemen, verdeel dit dan goed over de dag. Wanneer u uw middel eenmaal per dag inneemt, kunt u dit het beste dagelijks op hetzelfde tijdstip doen. Houdt u aan de dosering die op het etiket staat. Deze kan wel eens afwijken van de dosering in de bijsluiter, afhankelijk van de reden waarom u het gebruikt.

    6.3 - Medicijnen bij fibromyalgie
    Pijn in bindweefsel en spieren is de belangrijkste klacht bij fibromyalgie.
    Medicijnen die hierbij worden gebruikt staan in dit hoofdstuk beschreven.
    Sommige middelen die gebruikt worden bij fibromyalgie hebben een gecombineerde werking. Benzodiazepines zijn zowel slaap- en kalmeringsmiddelen als spierverslappers. Amitriptyline is een antidepressivum, maar heeft in lage doseringen vaak een gunstig effect op slaapproblemen en daardoor een mogelijk gunstig effect op pijnklachten.
    Hieronder zijn per groep middelen de belangrijkste kenmerken beschreven. Vervolgens worden per soort middel de werking, dosering, bijwerkingen, gebruiksadvies, eigenschappen en bijzonderheden beschreven. Daarbij is van belang dat de effectiviteit van de medicijnen verschilt van persoon tot persoon. Ook bijwerkingen kunnen per persoon verschillen.
    Per groep zijn de meest voorkomende middelen genoemd. Meer informatie over deze en minder gebruikte pijnstillers of spierverslappers in begrijpelijke taal kunt u ondermeer vinden in de 'Grote Geneesmiddelenencyclopedie' (5e editie) – Ann Adriaensen - Uitgeverij Houten : Stichting Health Base, cop. 1999 - ISBN 90-74027-11-3 :
    http://wwwob.cevi.be/scripts/mgwms32.dll?P0=3&P1=5810052933&P2=15&P3=R_BBH&P5=10&P9=0&P10=0&P12=5810052933&P16=N&P6=71_470524 - (zie achterin de brochure).
    Als u weet dat uw middel een pijnstiller of benzodiazepine is, geldt de tekst over de betreffende groep ook voor uw middel.

    6.3.1 – Pijnstillers - Het doorbreken van chronische pijn met pijnstillers werkt met name wanneer ze gedurende een bepaalde periode continu en in voldoende hoge dosering worden ingenomen. Een tablet innemen wanneer de pijn sterk optreedt, geeft niet altijd het gewenste resultaat.
    Het meest gebruikte medicijn bij fibromyalgie is paracetamol – cfr. :
    http://nl.wikipedia.org/wiki/Paracetamol -. Het is een pijnstiller met relatief weinig bijwerkingen. Wel is van belang per dag niet meer in te nemen dan zes tabletten (van 500 mg), zeker bij langdurig gebruik. Codeïne kan aan paracetamol worden toegevoegd, het versterkt de werking ervan. Ook coffeïne kan aan paracetamol worden toegevoegd, hiervan is de werking echter niet aangetoond.
    Een andere groep pijnstillers zijn de NSAID’s (niet-steroïde ontstekingsremmers – cfr. :
    http://www.consumed.nl/database/groepen/grp.php3?id=1883 -). Ze hebben een pijnstillende, koortsverlagende en ontstekingsremmende werking. Bij fibromyalgie kunnen deze pijnstillers de pijn verminderen, maar ze werken niet tegen de aandoening zelf, aangezien hierbij geen sprake is van een ontstekingsproces in spieren of gewrichten. De middelen zijn een optie als paracetamol (al dan niet met codeïne) niet voldoende helpt. Belangrijkste nadeel van de NSAID’s is dat ze maagproblemen kunnen veroorzaken. De nieuwe NSAID’s zijn selectiever en daardoor iets maagsparender.
    Een sterker werkende pijnstiller is tramadol – cfr. :
    http://nl.wikipedia.org/wiki/Tramadol & http://www.apotheek.nl/Templates/geneesmiddelen/contentMedicijnForm.asp?MedicijnID=230&Merknaam=true -. Misselijkheid, braken en duizeligheid zijn bijwerkingen die voor kunnen komen. Door het middel langzaam in dosering op te bouwen en voor het slapen in te nemen, worden de effecten hiervan verminderd. Wanneer verstopping als bijwerking voorkomt, kan de arts ter voorkoming hiervan een laxeermiddel voorschrijven.

    6.3.2 – Amitriptyline - Dit middel wordt gebruikt bij depressies, maar blijkt in lage dosering een met name pijnstillend en ontspannend effect te hebben. Ingenomen voor de nacht kan het zorgen voor een betere nachtrust, hetgeen de pijn weer kan verminderen. Alhoewel geen wondermiddel, helpt het bij ongeveer eenderde van de mensen met fibromyalgie. De werking van amitriptyline is pas merkbaar na één tot twee weken, terwijl de bijwerkingen al wel direct op kunnen treden. Om het effect goed te kunnen beoordelen is het dus van belang het middel minimaal twee weken te gebruiken. Na twee à drie maanden kan het middel minder werkzaam worden. Door dan twee tot vier weken te stoppen met innemen en vervolgens weer te starten kan de werking op het oude niveau terugkomen – cfr. ook : http://www.serviceapotheek.nl/geneesmiddelen/index.asp?geneesmiddelId=2095&productId=5768 -.

    6.3.3 – Benzodiazepines - Benzodiazepines werken zowel kalmerend en slaapbevorderend als spierverslappend. Bij angst kunnen dezelfde middelen worden gebruikt. Wanneer de angst vermindert, kan ook de gewaarwording van de pijn verminderen. Bij langduriger gebruik kunnen benzodiazepines echter verslavend werken. Gebruik deze middelen dan ook bij voorkeur niet langer dan twee tot vier weken en maximaal twee maanden. Bij langduriger gebruik is het noodzakelijk de dosering langzaam af te bouwen in verband met ontwenningsverschijnselen, zoals, ironisch genoeg, slapeloosheid. Benzodiazepines verminderen het reactievermogen, hetgeen van belang is in het verkeer en bij bediening van machines. Dit effect wordt versterkt wanneer naast benzodiazepines ook antidepressiva en/of alcohol worden gebruikt. Door de spierverslappende werking is de kans op vallen groter – cfr. ook : http://www.bcfi.be/GGR/MPG/MPG_FAA.cfm -.

    6.4 - Overzicht van medicijnen bij fibromyalgie
    Actifen – Advil – Aleve – Amitriptyline – Aspirine – Benzodiazepines – Brufen – Cannabis – Cataflam – Celebrex – Celecoxib – Codeïne – Coffeïne – Diazepam – Diclofenac – Digoxine – Dronabinol – Fagron – Femaparin – Femex – Hedex – Ibosure – Ibuprofen – Kinderfinimal – Lorazepam – Marihuana – Maripharm – Meloxicam – Momentum – Movicox – Naprocoat – Naprosyne – Naprovite – Naproxen – Normison – Normitab – Nurofen – Nycopren – Oxazepam – Panadol – Paracetamol – Relian – Rofecoxib – Sarotex – Seresta - Sinaspril Paracetamol – Stesolid – Temazepam – Temesta – Theradol – Tramadol – Tramagetic – Tramal – Tryptizol – Valium – Vingerhoedskruid – Vioxx – Voltaren – Zafen.

    6.4.1 – Paracetamol - (Hedex®, Kinderfinimal®, Momentum®, Panadol®, Paracetamol, Sinaspril Paracetamol®)
    - Werking : pijnstillend en koortsverlagend.
    - Dosering: per keer : 500 - 1000 mg. Maximaal zes tabletten (van 500 mg) per dag, zeker bij langdurig gebruik.
    - Bijwerkingen : vrijwel geen. Bij meer dan 4000 mg per dag bestaat een risico op leverbeschadiging.
    - Gebruiksadvies : Tabletten in een half glas water omroeren, zodat ze uiteen vallen, en opdrinken. Capsules met een half glas water doorslikken zonder stuk te bijten.
    - Eigenschappen : De werking begint na 15 - 30 minuten en houdt drie tot zes uur aan.
    - Bijzonderheden : Om het pijnstillend effect te vergroten, kan coffeïne of codeïne worden toegevoegd. Voor coffeïne is dit effect niet aangetoond, voor codeïne wel. Middelen met codeïne of losse codeïnetabletten zijn alleen op recept verkrijgbaar.

    6.4.2 – NSAID’s
    6.4.2.1 - De meest bekende NSAID’s zijn : Diclofenac (Cataflam®, Diclofenac, Voltaren®) - Ibuprofen (Actifen®, Advil®, Brufen®, Femaparin®, Ibosure®, Ibuprofen, Nurofen®, Relian®, Zafen®) - Naproxen (Aleve®, Femex®, Naprocoat®, Naprosyne®, Naprovite®, Naproxen, Nycopren®)
    6.4.2.2 - Maagsparend zijn :
    - Celecoxib (Celebrex®) - Meloxicam (Movicox®) - Rofecoxib (Vioxx®)
    - Werking : pijnstillend, koortsverlagend, ontstekingsremmend
    - Dosering : - Diclofenac : twee à drie maal daags 25 - 75 mg – Ibuprofen : drie à vier maal daags 200 - 400 mg – Naproxen : tweemaal daags 250 - 500 mg – Celecoxib : een à tweemaal daags 200 mg – Meloxicam : een à tweemaal daags 7,5 mg – Rofecoxib : eenmaal daags 12,5 - 25 mg
    - Bijwerkingen : Maagdarmklachten, zoals maagpijn, zuurbranden, bloedingen in het maagdarmkanaal. Bij gelijktijdig gebruik van alcohol neemt de kans op bloedingen toe. Celecoxib, meloxicam en rofecoxib hebben minder bijwerkingen op de maag. Diarree en allergische huidreacties komen voor. Bij ongeveer tien procent van de mensen met astma kunnen de middelen een astma-aanval uitlokken.
    - Eigenschappen : - Diclofenac : de werking begint na één uur en duurt vier tot zes uur – Ibuprofen : de werking begint na een half tot één uur en duurt drie tot vier uur – Naproxen : de werking begint binnen één uur en duurt zeven tot twaalf uur. NB. Van sommige bovengenoemde medicijnen zijn ook tabletten beschikbaar met vertraagde afgifte. Deze middelen werken langer dan hierboven staat vermeld. Op de verpakkingstaat dan ‘retard’ of ‘mga’ (van ‘met gereguleerde afgifte’).
    - Bijzonderheden : Gebruik NSAID’s nooit zonder advies van arts of apotheker, ze kunnen diverse andere medicijnen beïnvloeden, waaronder bloedverdunners, sommige middelen tegen hoge bloeddruk en plastabletten. NSAID’s liever niet gebruiken bij : maagklachten en astma.

    6.4.3 – Tramadol
    (Theradol®, Tramadol, Tramagetic®, Tramal®)
    - Werking : pijnstillend.
    - Dosering : drie à vier maal per dag 50-100 mg, bij starten therapie langzaam opbouwen.
    - Bijwerkingen : verstopping, misselijkheid, slaperigheid en sufheid. Soms komen voor: droge mond, zweten, jeuk en hoofdpijn. Bij voorkeur wordt gelijktijdig een laxeermiddel tegen verstopping voorgeschreven.
    - Gebruiksadvies : de capsule innemen met een half glas water.
    - Eigenschappen : de pijnstillende werking begint na een half tot één uur en houdt zes tot acht uur aan.
    - Bijzonderheden : Tramadol heeft een nadelig effect op het reactievermogen. Pas op met alcohol, vanwege een extra nadelig effect op het reactievermogen. - Niet gebruiken bij : overgevoeligheid voor tramadol.

    6.4.4 – Amitriptyline
    (Amitriptyline, Sarotex®, Tryptizol®)
    - Werking : remming van de pijnprikkelgeleiding.
    - Dosering : voor ontspannende werking ‘s nachts: tussen de 12,5 en 25 mg per dag. Boven de 12,5 mg wordt de dosering langzaam opgebouwd, zodat het lichaam kan wennen en er minder bijwerkingen op treden. Dit is vooral wenselijk bij oudere mensen die gevoeliger zijn voor de bijwerkingen van amitriptyline.
    - Bijwerkingen : droge mond, duizeligheid en slaperigheid. Soms komen voor: verstopping, moeilijk plassen, wazig zien en gewichtstoename. Deze bijwerkingen komen met name voor bij hogere doseringen, zoals toegepast bij depressies.
    - Gebruiksadvies : omdat de bijwerking slaperigheid het grootst is rond twee uur na inname, het middel bij voorkeur twee uur voor het slapen gaan met een half glas water innemen.
    - Bijzonderheden : - De pijnstillende werking is pas merkbaar na één tot twee weken. Eventueel optredende bijwerkingen kunnen echter al wel direct merkbaar zijn. - Na twee à drie maanden gebruik komt het voor dat amitriptyline minder goed gaat werken. Wanneer in overleg met de behandelend arts voor een periode van twee tot vier weken wordt gestopt, zal amitriptyline weer beter werkzaam zijn. - Amitriptyline heeft een nadelig effect op het reactievermogen. Alcohol versterkt het nadelige effect. - Bij hoeveelheden boven de 12,5 mg: nooit direct stoppen met gebruik, bouw in overleg met de behandelend arts langzaam af. - Niet gebruiken bij : pas doorgemaakt hartinfarct, hartritmestoornissen en leverafwijkingen.

    6.4.5 – Benzodiazepines
    - Diazepam (Diazepam, Stesolid®, Valium®) - Lorazepam (Lorazepam, Temesta®) - Oxazepam (Oxazepam, Seresta®) - Normison®, Normitab®, Temazepam)
    - Werking : Vermindert angst en spanningen, werkt rustgevend, ontspant de spieren en bevordert de slaap. Temazepam werkt snel en kort, het wordt daarom met name als inslaapmiddel voorgeschreven. De overige genoemde benzodiazepines worden met name als kalmerend en spierontspannend middel toegepast.
    - Dosering : - Diazepam : 2,5 - 20 mg per dag, afhankelijk van de indicatie al dan niet verdeeld over de dag – Lorazepam : twee à driemaal per dag 0,5-1 mg of 1-2 mg 1-2 uur voor het slapen – Oxazepam : drie à viermaal per dag 10-15 mg of 10-50 mg 1-2 uur voor het slapen – Temazepam : 10-20 mg een half uur voor het slapen.
    - Bijwerkingen : vooral in het begin : slaperigheid overdag, afvlakking van het gevoel, verminderde waakzaamheid, spierzwakte (pas op voor vallen !) duizeligheid, verwarring, moeheid. Soms : maagdarmklachten, opwekking van de eetlust en gewichtstoename, minder zin in seks, huidreacties.
    - Gebruiksadvies : De capsules en tabletten innemen met een half glas water. Wanneer de middelen worden gebruikt als slaapmiddel of spierontspanner liefst een half uur voor het slapen innemen, gezien de (bij-)werking slaperigheid die na een half uur intreedt. Indien toegepast voor ontspanning het gebruik verdelen over de dag.
    - Eigenschappen : - Diazepam werkt gedurende twaalf tot vierentwintig uur - Temazepam, lorazepam en oxazepam werken zes tot acht uur, waarbij de werking van temazepam capsules wat sneller intreedt dan van de overige middelen.
    - Bijzonderheden : Benzodiazepines werken in het algemeen sterker bij ouderen. Hierdoor volstaat bij ouderen de helft van de volwassenendosering. Benzodiazepines kunnen verslavend werken als ze gedurende langere tijd worden gebruikt. Gebruik een benzodiazepine daarom bij voorkeur niet langer dan twee tot vier weken achter elkaar. Bouw een benzodiazepine na langdurig gebruik langzaam af in overleg met uw arts of apotheker. Zij kunnen een afbouwschema met u opstellen. Bij snel stoppen kunnen de volgende verschijnselen optreden : angst, hoofdpijn, slapeloosheid, rusteloosheid, geïrriteerdheid, waanbeelden (hallucinaties) en verwardheid. Benzodiazepines kunnen het reactievermogen nadelig beïnvloeden. Pas daarom op met autorijden of het bedienen van machines. Na een aantal weken kan de sufheid als bijwerking overgaan, maar uw reactievermogen blijft verminderd ! Pas ook op met alcohol, in combinatie met benzodiazepines kan het effect van alcohol sterker zijn dan u gewend bent. Niet gebruiken bij : overgevoeligheid voor benzodiazepines, myasthenia gravis (ernstige spierzwakte) en leverfunctiestoornissen.

    6.4.4 - Medicinale marihuana
    Marihuana – Dronabinol (capsules) – Cannabis (gedroogd kruid)
    Marihuana of cannabis kan pijn en stijfheid wegnemen. Het versterkt mogelijk de werking van andere pijnstillers en heeft een ontspannende werking, onrust en angstgevoelens worden minder. Soms raken mensen echter ontstemd in plaats van ontspannen. Zij krijgen angst die zelfs om kan slaan in paniek. Bij mensen met een depressie of angststoornis is marihuana daarom minder geschikt.
    Marihuana wordt vanaf 2002 legaal verstrekt door de apotheek, die het ontvangt van het Bureau voor Medicinale Cannabis. Het wordt steeds vaker door de zorgverzekeraar vergoed. Marihuana is in verschillende vormen beschikbaar. Het kan als sigaret of via een marihuanaverdamper worden gerookt, er kan thee van worden gezet, maar er zijn ook capsules verkrijgbaar met daarin de werkzame stof van marihuana, THC. Roken lijkt effectiever dan via een capsule innemen, waarbij de verdamper uiteraard minder schadelijk is dan de sigaret.
    Voor meer informatie : Stichting Patiëntenbelangen Medicinale Marihuana :
    http://pmm.growshop.nl/ -


    7. - Alternatieve behandelingen

    Naast de reguliere behandelingen bestaan ook vele aanvullende of alternatieve geneeswijzen.
    Van de meeste aanvullende methoden is het effect niet door wetenschappelijk onderzoek vastgesteld. Veel mensen met fibromyalgie overwegen een aanvullende behandeling of kiezen er ook daadwerkelijk voor. Een veel genoemde reden is dat men op die manier een eigen bijdrage kan leveren aan een mogelijke verbetering, naast het passief ondergaan van een reguliere behandeling.
    De ervaringen met alternatieve therapieën bij fibromyalgie verschillen per persoon, de een heeft er baat bij de ander niet. Informeer uw behandelende artsen in ieder geval over het feit dat u een aanvullende alternatieve behandeling overweegt. Van belang is om te stoppen als de behandeling na vier à vijf keer geen effect heeft.
    Informeer altijd van te voren bij uw zorgverzekeraar of de behandeling wordt vergoed, de kosten kunnen namelijk oplopen.
    Verschillende alternatieve therapieën worden ook toegepast door artsen, bijvoorbeeld de arts-acupuncturist, de homeopathisch arts of de arts voor natuurgeneeskunde.
    Veel zorgverzekeraars vergoeden behandeling door deze artsen. De term ‘arts’ is beschermd door de wet. Een arts heeft aan de universiteit de opleiding geneeskunde gevolgd. De term ‘genezer’, of ‘geneeskundige’ is vrij, iedereen mag zich zo noemen. De Artsenfederatie additieve/alternatieve geneeskunde (AAG) – cfr. :
    http://www.aag-artsen.nl/ - houdt een register bij van artsen die naast hun universitaire studie een opleiding hebben gevolgd op het gebied van een bepaalde alternatieve geneeswijze.
    Veel zorgverzekeraars doen een beroep op dit register om te bepalen of kosten al dan niet vergoed worden. Daarnaast heeft de AAG een klachtenregeling en een klachtencommissie. Het adres van de AAG vindt u achterin de brochure.
    Bij de Infolijn Alternatieve Geneeswijzen – cfr. :
    http://www.infolijn-ag.nl/ - kunt u informatie opvragen over bij beroepsorganisaties aangesloten alternatieve behandelaars (zie achterin de brochure).

    7.1 – Acupunctuur
    Acupunctuur is het meest bekende onderdeel van de traditionele Chinese geneeskunde.
    Die gaat uit van twee energiestromen, yin en yang, die met elkaar in evenwicht moeten zijn. Bij ziekte is dit evenwicht verstoord. De energie stroomt langs twaalf zogenaamde meridianen in het lichaam. Bij acupunctuur plaatst de behandelaar hele dunne naalden in de meridianen, waardoor de energiestroom wordt gekalmeerd of geactiveerd. Bij acupressuur en shiatsu gebeurt dit door massage van de huid. De meeste mensen ervaren de prikken bij acupunctuur niet als pijnlijk. Meestal is na ongeveer vijf keer duidelijk of de behandeling aanslaat.

    7.2 – Homeopathie
    Binnen de homeopathie zijn twee stromingen te onderscheiden.
    Er zijn huisartsen die homeopathische middelen gebruiken als aanvulling op de reguliere medicijnen. De klassiek homeopaat hanteert een fundamenteel ander uitgangspunt voor ziek en gezond zijn. Hij tracht een totaalbeeld te krijgen van de patiënt, waarbij zowel lichamelijke, psychische als sociale factoren van belang zijn. De behandeling richt zich vervolgens op het genezend vermogen van het lichaam zelf. Daarbij worden sterk verdunde oplossingen gebruikt, ook wel hoog potente middelen genoemd.

    7.3 - Fytotherapie of kruidengeneeskunde
    Kruiden vormen van oorsprong de basis voor onze medicijnen.
    Aspirine werd uit wilgenbast ontwikkeld en het hartmiddel digoxine wordt nog steeds uit vingerhoedskruid bereid. Inmiddels zijn de werkzame stoffen uit de planten geïdentificeerd en op chemische wijze geproduceerd. Aan de huidige medicijnen worden hoge eisen gesteld qua veiligheid en kwaliteit. Kruidenmiddelen worden beschouwd als voedingsupplementen en mogen vrij worden verkocht. Dit betekent dat de kwaliteit en veiligheid niet altijd is gegarandeerd. Ook het idee ‘wat natuurlijk is, kan geen kwaad’ gaat hier niet op. Sommige krachtige kruiden kunnen lever- en nierstoornissen veroorzaken. Kruidenmiddelen kunnen een wisselwerking hebben met medicijnen. Overleg daarom altijd met uw arts of apotheker voor u het middel gebruikt. Van Sint Janskruid – cfr. :
    http://www.natuurlijkerwijs.com/sintjanskruid.htm & http://www.annetanne.be/kruiden/stjanskr.html - (tegen depressie) is de werking onderzocht. Wellicht kunnen mensen met fibromyalgie hier iets aan hebben. Van de overige middelen is de werkzaamheid niet aangetoond. Overleg altijd met uw arts voor u Sint Janskruid gebruikt. In combinatie met hartmiddelen of andere middelen tegen depressie kan de werking van Sint Janskruid worden versterkt.

    7.4 – Natuurgeneeskunde
    De natuurgeneeskunde gaat uit van het zelfgenezend vermogen van de mens.
    Dit zelfgenezend vermogen kan met natuurlijke middelen worden gestimuleerd. Ziekten worden gezien als een gevolg van ophoping van afvalstoffen in het lichaam, ‘verslakking’ of ‘verzuring’ genoemd. Verslakking of verzuring kan ontstaan door verkeerde voeding, slechte lichaamshouding en te weinig beweging of psychische spanningen.
    In de natuurgeneeskunde staat de eigen verantwoordelijkheid en zelfwerkzaamheid van de mens ten aanzien van ziek zijn en gezond zijn centraal. Ook de benadering van de gehele mens en niet een opdeling in lichaam en geest of organen wordt benadrukt. De behandeling richt zich op reiniging van het lichaam. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van speciale diëten en voedingssupplementen, vormen van massage, ademhalingstherapie en homeopathische middelen.

    7.5 – TENS
    TENS is een afkorting voor 'Transcutane Elektrische Neurostimulatie'.
    Door elektrische stimulatie van de huid kan de pijndrempel worden verhoogd. Het vermindert met name plaatselijke pijn, neemt dus niet alle pijn weg. Het Tensapparaatje is ongeveer zo groot als een pakje sigaretten. Er zitten twee elektroden aan verbonden die op de huid worden geplakt. Het apparaat blijkt effectief bij zestig procent van de gebruikers met chronische pijn. TENS heeft geen bijwerkingen en is niet schadelijk bij langdurig gebruik. Wel kan het effect na enige tijd afnemen. Het apparaat wordt vaak via een pijnpoli voorgeschreven. Als na een proefperiode blijkt dat het apparaatje werkt, kan een eigen exemplaar worden aangeschaft, dat vergoed wordt door de zorgverzekeraar.


    8. - Aandachtspunten voor het gesprek met de arts

    Wanneer u de hulp van een arts of andere behandelaar nodig heeft, vertrouwt u zich toe aan zijn/haar zorg.
    Zowel u als uw arts hebben rechten en plichten. Deze zijn vastgelegd in de Wet op de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst (WGBO) – cfr. :
    http://www.hulpgids.nl/wetten/wgbo.htm & http://www.bpv.nl/wgbo.html - .
    In deze wet staat onder andere dat u recht heeft op informatie in begrijpelijke taal over uw ziekte en behandeling. Een ander recht is bijvoorbeeld het recht op inzage in uw medisch dossier. Naast rechten zijn ook plichten vastgelegd in deze wet. U moet de hulpverlener duidelijk en volledig informeren en binnen redelijke grenzen de adviezen van de hulpverlener opvolgen.
    Om teleurstellingen achteraf te voorkomen is het belangrijk dat u zich zo goed mogelijk voorbereidt op het gesprek met uw arts. Schrijf al uw vragen en opmerkingen op een briefje dat u meeneemt naar het gesprek met uw arts.
    U kunt daarbij de onderstaande 'aandachtspuntenlijst' gebruiken.
    Neem de lijst voorafgaand aan het gesprek met uw huisarts of specialist door en vul hem eventueel aan met onderwerpen die u belangrijk vindt.
    Wanneer u merkt dat onderwerpen tijdens het gesprek niet of onvoldoende aan de orde komen, kunt u hier zelf naar vragen. Wanneer u verwacht meer tijd nodig te hebben, kunt u bij uw behandelaar een dubbel consult aanvragen.
    Wanneer u een aanvullende alternatieve behandeling overweegt, is het belangrijk dat u dit ook bespreekt met uw huisarts en specialist. Geef aan wat u van de aanvullende behandeling verwacht en vraag of de behandeling kan worden gecombineerd met uw huidige behandeling.


    Aandachtspuntenlijst


    Vertel uw arts zo duidelijk mogelijk hoe en wanneer de klachten optreden.
    Geef altijd aan wat u zelf al heeft geprobeerd om uw klachten te bestrijden.

    • Waar bevindt de klacht zich op één of op meerdere plaatsen ?

    • Hoe lang bestaat de klacht ?

    • Vindt de klacht in aanvallen plaats of is het continue aanwezig ?

    • Wordt de klacht ‘s nachts erger ?

    • Is de klacht ‘zeurend’, ‘brandend’, ‘kloppend’, ‘stekend’ of ‘beklemmend’ ?

    • Wordt de klacht minder bij lopen, zitten, liggen, bepaalde bewegingen, warmte of koude ?

    • Heeft u zelf pijnstillers (van apotheek, drogist of supermarkt) geprobeerd ? Zo ja, welke, wanneer, hoe vaak, hoeveel en hoe lang ?

    • Welke andere dingen heeft u gedaan om uw pijn te verminderen ? (denk hierbij bijvoorbeeld aan ontspanningstherapieën, alternatieve therapieën en dergelijke).

    • Wat was het effect van die andere dingen die u gedaan heeft om uw pijn te verminderen ?

    Vraag uw arts naar de volgende zaken :

    • Wat is het doel van de behandeling ?

    • Wanneer kan ik resultaat verwachten ?

    • Welk resultaat kan ik verwachten ?

    • Zijn er alternatieven mogelijk ?

    • Hoe vaak moet en mag ik het medicijn gebruiken ?

    • Welk effect kan ik verwachten ?

    • Welke bijwerkingen kan ik verwachten ?

    • Mag ik het gebruiken bij mijn andere medicijnen ?

    • Waar moet ik nog meer op letten ?

    • Mag ik autorijden ?

    • Bestaan er andere behandelingen ?

    • Wat houden die andere behandelingen in ?

    • Werkt de (alternatieve) behandelaar samen of overlegt hij met een reguliere arts ?

    • Kan ik bijwerkingen verwachten van de (alternatieve) behandeling ?

    • Waar moet ik op letten ?

    • Wat kan ik zelf doen aan mijn ziekte ?

    • Zijn er nog meer dingen waar ik op moet letten ?

    • Wat moet ik doen bij onvoldoende resultaat van de behandeling ?

    • Wanneer moet ik terugkomen voor een vervolggesprek ?


    9. - Meer weten ? - cfr. Deel II

     

    Cfr. : http://www.medicijngebruik.nl/downloads/BrochureFibromyalgie.pdf

    Cfr. ook 'Pijnbestrijding bij fibromyalgie' – M/blog dd. 18-11-2005

    10-01-2006 om 03:13 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Pijnbestrijding bij fibromyalgie - Deel II
    Klik op de afbeelding om de link te volgen  

    Pijnbestrijding bij fibromyalgie


    Deel II

    Nederlands instituut voor verantwoord medicijngebruik (DGV) :
    http://www.medicijngebruik.nl/content/2_over_dgv/2-1.htm

    Utrecht, april 2002
    Met medewerking van : Mw. M. Janssen (F.E.S.) - Mw. R. van den Berg (F.E.S.) - dhr. W. Peek (F.E.S.), patiëntenpanel F.E.S. - Mw. drs. A. van Galen (auteur/eindredacteur F.E.S.-Magazine) - Mw. Dr. Van Santen-Hoeuff (reumatoloog) - Mw. W. Wessing (reumaconsulent) - drs. M. Bax (apotheker)
    De hoofdstukken 2 en 3 van de brochure zijn deels gebaseerd op de uitgaven ‘Geen dag zonder pijn’ - Aty van Galen – Nigz - ISBN : 9069282240 - en ‘Beter leven met fibromyalgie - Aty van Galen – Nigz, 2001 - ISBN : 90-6928-228-3.
    © F.E.S. en DGV



    9. Meer weten ?

    9.1 - Nationale Vereniging voor Fibromyalgiepatiënten F.E.S.
    Postbus 58066, 1040 HB Amsterdam – Telefoon : 020-5896480 -
    www.fibromyalgiepatientenvereniging.nl
    De F.E.S. telt twaalf regio’s, waarbinnen vrijwilligers actief zijn. Binnen de regio’s worden verschillende vormen van lotgenotencontact georganiseerd, zoals contactbijeenkomsten en inloopmiddagen of -avonden. In elke regio worden regelmatig lezingen georganiseerd over onderwerpen die met leven met fibromyalgie te maken hebben.
    Daarnaast worden tal van bewegingsactiviteiten aangeboden, zoals bewegen in warm water, fibrogym, tai chi tao en fysiofitness. Het aanbod verschilt per regio. De F.E.S. geeft zesmaal per jaar het F.E.S.-Magazine uit, een informatief blad voor de leden, dat zich richt op fibromyalgie en op leven met fibromyalgie. Belangenbehartiging voor mensen met fibromyalgie en het stimuleren van onderzoek rond fibromyalgie zijn eveneens belangrijke speerpunten in het verenigingsbeleid.

    9.2 – Boeken

    9.3 – Adressen

    Andere brochures van het Reumafonds vindt u op : http://www.reumafonds.nl/voorlichting/brochures

    Cfr. :
    http://www.medicijngebruik.nl/downloads/BrochureFibromyalgie.pdf

    Cfr. ook 'Pijnbestrijding bij fibromyalgie' – M/blog dd. 18-11-2005

    10-01-2006 om 03:09 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Therapieën bij fibromyalgie
    Klik op de afbeelding om de link te volgen



















    Therapieën bij fibromyalgie


    Nationale Vereniging voor Fibromyalie-Patiënten 'Samen Sterk' (FES)


    Om dat de oorzaak van Fibromyalgie niet bekend is, kan zij niet worden genezen.
    Wél is er een aantal behandelvormen die, al dan niet in combinatie met elkaar, ervoor kunnen zorgen dat u beter met de klachten om kunt gaan. Geen twee mensen met Fibromyalgie zijn hetzelfde. Dat betekend dat ook de combinatie van behandelingen bij iedereen weer anders zal zijn samengesteld. Vaak is uitproberen de enige manier om vast te stellen of een behandeling bij effect heeft.

    In de behandeling ligt het accent op een evenwicht vinden tussen rust en in beweging blijven.
    Een andere peiler van de behandeling is ontspanning van lichaam en geest.

    Als de diagnose gesteld is, kan de huisarts u meestal bij de verdere behandeling begeleiden. Uw eigen inbreng en een actieve opstelling is echter minstens zo belangrijk bij het omgaan met de aandoening.


    1. - Reumaconsulent

    De verpleegkundige reumaconsulent is een verpleegkundige die is gespecialiseerd in reumatologie.
    Hij of zij is aangesloten bij de polikliniek reumatologie of bij de thuiszorg. U kunt daar terecht voor informatie, instructie en individuele begeleiding bij het leren omgaan met Fibromyalgie.


    2. - Ergotherapie

    Door de Fibromyalgie kan de spierkracht achteruitgaan.
    Een ergotherapeut kan adviseren hoe allerlei dagelijkse levensverrichtingen - het huishouden doen, persoonlijke verzorging, eten koken - eenvoudiger kunnen worden gedaan. In sommige gevallen zijn hulpmiddelen nodig. Ook hierover kan de ergotherapeut adviseren. U kunt naar een ergotherapeut doorverwezen worden via de huisarts of reumaconsulent of u kunt via uw thuiszorginstelling in contact komen met een ergotherapeut. Deze instelling kan u ook adviseren over eventuele hulpmiddelen (cfr. ook 'Ergotherapie voor mensen met fibromyalgie' : http://www.fibromyalgiepatientenvereniging.nl/nieuw/?id=152 -)


    3. - Psychische hulp

    Lichaam en geest vormen een eenheid.
    Als iemand zich moe voelt en pijn heeft, werkt dat door op hoe hij 'in zijn vel zit'. Ook het omgekeerde geldt : hoe iemand zich geestelijk voelt is van invloed op zijn lichamelijke klachten. Als iemand bijvoorbeeld slecht heeft geslapen, zal hij de pijn en vermoeidheid minder goed kunnen hebben.
    Mensen met Fibromyalgie hebben soms last van psychische problemen. Zij voelen zich depressief en hebben een lage zelfwaardering. Ook komt het voor dat zij zich schuldig voelen tegenover hun partner, kinderen of werkgever, omdat ze lichamelijk niet meer alles kunnen. Professionele hulp kan nodig zijn om zelfacceptatie en een positief zelfbeeld op te bouwen (denk hierbij aan psychologen, maatschappelijk werk).


    4. - Kuren

    Kuren doet weer langzaam zijn intrede in de behandeling van o.a. Fibromyalgie.
    Het is geen zelfstandige therapie, maar een verzameling van diverse leefstijladviezen. Een kuur bestaat uit verschillende onderdelen :

    • baden (o.a. modder, zwavel, zout, kruiden)

    • fysiotherapie

    • hydrotherapie

    • massages

    • manuele therapie

    • ontspanning

    Een kuur vindt plaats in een kuuroord in binnen of buitenland en kan enkele dagen tot enkele weken duren. Een aantal ziektekostenverzekeraars vergoedt kuurreizen.


    5. - Fysiotherapie

    Fysiotherapie kan een vermindering geven van de pijn en stijfheid.
    Meestal wordt gekozen voor de meer actieve vormen van fysiotherapie ter verbetering van de houding of conditie. Door de beweging worden spieren en bindweefsel als het ware gemasseerd en ontstaat een betere doorbloeding, waardoor ontspanning en (tijdelijke) vermindering van pijn kan optreden.
    Ook wordt bij Fibromyalgie gebruik gemaakt van massage, infrarood licht, ultra geluid, stroom, warmtepakkingen en oefentherapie in het water en op het droge. De oefentherapie kan zowel individueel als in groepsverband plaatsvinden.


    6. - Mensendieck- en Cesartherapie

    Beide therapieën zijn gericht op het verminderen van met name spier- en gewrichtsklachten door een juiste houding en manier van bewegen.
    Men gaat ervan uit dat iedere persoon een eigen 'lichaamsschema' of bewegingspatroon heeft. De therapie wordt hier individueel op aangepast.
    In de therapie leren mensen bewust te kijken naar hun eigen houding en bewegingspatroon. Aan de hand van praktische oefeningen leert men bewegingen en houdingen te corrigeren, zodat de belasting op het lichaam juist verdeeld wordt. Na verloop van tijd gaat men de juiste houding en beweging ook onbewust gebruiken.
    Een verschil tussen beide therapieën is dat Cesar ritmischer en Mensendieck statischer is. Beide therapieën kunnen zowel in groepen als individueel worden gedaan.


    7. - Hydrotherapie

    Hydrotherapie is een verzamelnaam voor verschillende therapievormen met water, zoals warme baden, wisseldouches en voet- en handbaden.
    Bij Fibromyalgie wordt bewegen in warm water veel toegepast. Het grote voordeel is dat in het water door de opwaartse druk uw lichaam minder zwaar aanvoelt. Bewegingen kosten dus minder spierkracht. Onder begeleiding van een fysiotherapeut of andere deskundige worden bewegingsoefeningen gedaan in water van minimaal 32 graden Celsius.


    8. - Aangepaste fitness

    Veel fitnesscentra bieden aangepaste fitnessvormen aan, zoals cardio-fitness, medische fitness of low fitness.
    Een fysiotherapeut stelt met u een oefenprogramma samen, op apparaten gecombineerd met rek- en strekoefeningen. Voor veel mensen met Fibromyalgie leidt dit tot verbetering van bewegingsmogelijkheden en de conditie en soms ook tot vermindering van pijn.


    9. - Voeding

    Voor zover nu bekend is, is er nog geen wetenschappelijk bewijs geleverd dat voeding invloed heeft op Fibromyalgie.


    10. - Yoga

    De Indiase levenstechniek yoga is een combinatie van oefeningen (vaak op in- en uitademing) die leidt tot lichamelijke en geestelijke ontspanning en zelfkennis.
    Omdat niet alle oefeningen uit te voeren zijn voor mensen met Fibromyalgie is het van belang een leraar te vinden, die hier rekening mee kan houden. Yoga met een groep mensen met Fibromyalgie is wellicht nog prettiger.


    11. - Tai Chi Tao

    De eeuwenoude Chinese bewegingskunst tai chi bestaat uit langzame, regelmatige bewegingen die overeenstemmen met het ademhalingsritme.
    Ze ontspannen de geest en het lichaam, bevorderen de bloedcirculatie, maken gewrichten los en verbeteren de doorbloeding van de huid. Tai chi tao is een aangepaste vorm van tai chi, waarbij de bewegingen ook zittend kunnen worden uitgevoerd. Hoewel het Fibromyalgie niet geneest, ervaren veel mensen met Fibromyalgie na ongeveer drie maanden een duidelijke vooruitgang in hun bewegingsmogelijkheden. Een tai chi leraar kan de oefeningen individueel aanpassen.

    Bij veel van dit soort therapievormen/oefeningen kan FES u hulp aanbieden.
    Voor informatie bij u in de omgeving kunt u kijken op de 'In de regio' :
    http://www.fibromyalgiepatientenvereniging.nl/nieuw/index.php?id=17 of http://www.fibromyalgiepatientenvereniging.nl/nieuw/regios.php – Per regio kan u dan de 'Bewegingsactiviteiten' raadplegen.

    Cfr. : http://www.fibromyalgiepatientenvereniging.nl/nieuw/index.php?id=6 

    10-01-2006 om 02:19 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (8 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    09-01-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Geld maakt inderdaad niet gelukkig
    Klik op de afbeelding om de link te volgen  









    Geld
    maakt inderdaad
    niet gelukkig


    Uit Amerikaans onderzoek blijkt dat psychiatrische stoornissen bij kinderen in arme gezinnen niet verdwijnen wanneer er meer geld in het gezin komt. Tijdens een 8 jaar durend onderzoek naar het effect van armoede op kinderen met psychiatrische stoornissen bleek in een Indianenreservaat een casino te worden geopend. Als resultaat waren de Indiaanse families die aan het onderzoek deelnamen binnen relatief korte tijd niet meer arm (doordat een deel van de inkomsten over de bevolking van het reservaat werd verdeeld en niet zozeer door gokwinsten).

    De effecten hiervan konden in het onderzoek nauwgezet worden gevolgd.

    Gedragsstoornis en oppositionele gedragsstoornis bleken duidelijk af te nemen, maar angststoornis en depressie niet.

    In niet-indiaanse gezinnen die tijdens de duur van het onderzoek eveneens welvarender waren geworden, werd overigens hetzelfde effect waargenomen (cfr. : 'Relationships Between Poverty and Psychopathology - A Natural Experiment' - E. Jane Costello, PhD; Scott N. Compton, PhD; Gordon Keeler, MS; Adrian Angold, MRCPsych – JAMA. 2003;290:2023-2029 : http://jama.ama-assn.org/cgi/content/abstract/290/15/2023 -).


    Cfr. :
    http://www.medilingua.com/mednewsNLarchive2003.htm

    09-01-2006 om 19:58 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Arme depressiepatiënten
    Klik op de afbeelding om de link te volgen  

    Arme depressiepatiënten


    Geld alleen maakt niet gelukkig. Maar in wijken waar armoede heerst, zijn de depressies hardnekkiger en steken zelfmoordgedachten vaker de kop op.

    Dat schrijven Amerikaanse onderzoekers in het wetenschappelijke tijdschrift Archives of General Psychiatry – cfr. : 'Income Level May Predict Response To Depression Treatment' : http://www.medicalnewstoday.com/medicalnews.php?newsid=35647 -. Ze analyseerden eerdere resultaten van twee onderzoeken met in totaal 248 oudere depressiepatiënten - gemiddeld waren ze bijna 72 jaar oud. Hoeveel deze senioren zelf te besteden hadden was ze nooit gevraagd, maar hun postcodes waren wel bekend en de gemiddelde inkomens van de buurt ook.

    Het bleek voor het succes van de behandeling met pillen en psychotherapie niet uit te maken of iemand in een rijke of een normaal verdienende buurt woonde.

    Lag het gemiddelde gezinsinkomen echter beneden de 25 duizend dollar per jaar, dan duurde het langer voor de patiënt zich beter ging voelen en had hij een ruim verdubbelde kans op zelfmoordgedachten. Die effecten waren onafhankelijk van het opleidingsniveau. Vervolgonderzoek moet uitwijzen of persoonlijk geldgebrek de genezing in de weg staat of dat het vooral aan de buurt ligt. Of, je kunt het niet zomaar uitsluiten, dat mensen met een stevige aanleg voor depressies zich vaker vestigen in arme buurten. Want maakt succes op de arbeidsmarkt gelukkig of is het eerder andersom ?


    Cfr. : http://noorderlicht.vpro.nl/noorderlog/bericht/25796062/

    09-01-2006 om 19:28 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Gedragstherapie ook voor chronisch vermoeide adolescenten
    Klik op de afbeelding om de link te volgen
    Gedragstherapie
    ook voor chronisch vermoeide adolescenten

    © 2005 Medisch Contact


    Cognitieve gedragstherapie is ook effectief voor jongvolwassenen die lijden aan het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS). Dit blijkt uit een studie van onderzoekers van het UMC St. Radboud. De studie is vandaag online gepubliceerd op de website van British Medical Journal.
    Dat cognitieve gedragstherapie effectief is bij volwassenen met CVS, is al enige tijd bekend. Of de methode ook zin heeft bij jongeren, was nog nooit aangetoond in een gerandomiseerde trial. Aan de Nijmeegse studie namen 71 adolescenten deel. 36 van hen kregen in vijf maanden tijd tien sessies met cognitieve gedragstherapie. De anderen werden op de wachtlijst voor therapie geplaatst.
    Het onderzoek wijst uit dat jongeren die therapie krijgen, na vijf maanden significant beter af zijn dan de niet-behandelde jongeren. De behandeling resulteert in een significante afname van de ernst van de vermoeidheid en van de functionele belemmeringen. Het leidt bovendien tot minder schoolverzuim.
    Hoewel de therapie succesvol is, pleiten de onderzoekers niet voor brede invoering. Vanwege de relatief lage prevalentie van CVS bij adolescenten zien zij meer in een aantal gespecialiseerde centra voor de behandeling van jongeren. << EJP

    Cfr. : http://medischcontact.artsennet.nl/content/resources//AMGATE_6059_138_TICH_R14420788293444//#0

    Cognitive behaviour therapy for adolescents with chronic fatigue syndrome : randomised controlled trial

    Maja Stulemeijer, junior researcher, Expert Centre Chronic Fatigue, University Medical Centre Nijmegen, PO Box 9101, 6500 HB, Netherlands - Lieke W A M de Jong, child psychologist, Department of Medical Psychology, University Medical Centre Nijmegen - Theo J W Fiselier, paediatrician, Department of Paediatrics, University Medical Centre Nijmegen - Sigrid W B Hoogveld, junior researcher, University Medical Centre Nijmegen, PO Box 9101, 6500 HB, Netherland & Gijs Bleijenberg, professor of psychology, University Medical Centre Nijmegen, PO Box 9101, 6500 HB, Netherland
    Correspondence to : G Bleijenberg G :
    Bleijenberg@nkcv.umcn.nl

    Objective : To evaluate the efficacy of cognitive behaviour therapy for adolescents aged 10-17 years with chronic fatigue syndrome.
    Design : Randomised controlled trial.
    Setting : Department of child psychology.
    Participants : 71 consecutively referred patients with chronic fatigue syndrome; 36 were randomly assigned to immediate cognitive behaviour therapy and 35 to the waiting list for therapy.
    Intervention : 10 sessions of therapy over five months. Treatment protocols depended on the type of activity pattern (relatively active or passive). All participants were assessed again after five months.
    Main outcome measures : Fatigue severity (checklist individual strength), functional impairment (SF-36 physical functioning), and school attendance.
    Results : 62 patients had complete data at five months (29 in the immediate therapy group and 33 on the waiting list). Patients in the therapy group reported significantly greater decrease in fatigue severity (difference in decrease on checklist individual strength was 14.5, 95% confidence interval 7.4 to 21.6) and functional impairment (difference in increase on SF-36 physical functioning was 17.3, 6.2 to 28.4) and their attendance at school increased significantly (difference in increase in percentage school attendance was 18.2, 0.8 to 35.5). They also reported a significant reduction in several accompanying symptoms. Self reported improvement was largest in the therapy group.
    Conclusion : Cognitive behaviour therapy is an effective treatment for chronic fatigue syndrome in adolescents.

    Cfr. : http://bmj.bmjjournals.com/cgi/content/abstract/330/7481/14



    Lees ook :

    09-01-2006 om 18:17 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    28-12-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.'˜Dokter, ik ben zo deprimerend'
    Klik op de afbeelding om de link te volgen  

    Dokter, ik ben zo deprimerend’

    E. Sanders,
    Journalist en taalhistoricus, heeft wekelijks een taalrubriek in NRC Handelsblad en schreef verscheidene taalboeken
    Publicatie : Nr. 46 - 18 november 2005

    Dit artikel is een ingekorte versie van een hoofdstuk uit ‘Aarsrivalen, scheldkarbonades en terminale baden’ van Ewoud Sanders, zojuist verschenen bij uitgeverij Prometheus (ISBN 90 446 0824 x; 124 blz., 7 euro). In dit boek worden in thematische hoofdstukken ruim vijfhonderd verhaspelingen in verscheidene domeinen van de taal beschreven.


    Aarsrivalen, scheldkarbonades en terminale baden
    - Ewoud Sanders - Prometheus Groep, Rotterdam Medium, 2005 – ISBN : 904460824X / 90-446-0824-X – EAN : 9789044608243 - Het woordenboek in uw hoofd : Waarschuwing ! Koop dit boekje niet. Het is geestig, verrassend en leerzaam, maar ook confronterend, verontrustend en gevaarlijk. Bent u tot nu toe nooit gestruikeld over woorden als 'aanwijziging', 'burgermeester', 'eensgezinswoning', 'lidteken', 'miniscuul', 'omweer', 'orgineel', 'pizzaria' en 'polshoogte' ?
    Na het lezen van dit boekje verandert dat.
    Niet alleen zult u uzelf op enkele verhaspelingen betrappen, maar opeens hoort én leest u ze overal. Want woordinfecties zijn inmens besmettelijk. Voor je het weet heb je het, op het verkeerde moment op de verkeerde plaats, over 'advocado', 'championsoep' of 'gordon bleu'.
    Dit boek voegt een extra dementie toe aan het Nederlands, maar de gevolgen zijn luidbundig en onverbitterlijk.
     
    Cfr. :
    http://www.neder-l.nl/newindex.html?http://www.neder-l.nl/bulletin/2005/11/051135.html




    Woordinfecties in de gezondheidszorg

    Nergens worden zoveel termen verhaspeld als bij de dokter.
    Het medisch jargon is voor leken moeilijk te begrijpen en patiënten bevinden zich vaak in een stresssituatie. In het ergste geval kan dat misverstanden opleveren, maar meestal is het een bron van vermaak.

    In de dokterspraktijk staat de deur naar woordverhaspelingen wagenwijd open.
    In het zakwoordenboek van Coëlho staan ruim 26.000 ‘termen en begrippen uit de medische en aanverwante vakgebieden’ en dat is nog maar een zakwoordenboek. Ieder medisch specialisme heeft zijn eigen vaktaal en de leek is daar nauwelijks vertrouwd mee.

    Er speelt nog iets anders.
    Je gaat niet voor je lol naar een dokter. Je komt daar omdat er iets mis is - met jezelf, met je partner, met je kinderen, vrienden of familieleden. Dergelijke bezoeken gaan gepaard met stress en onder stress reageren mensen anders dan normaal. Zo kunnen veel mensen de informatie die zij bij een arts te horen krijgen, niet op gewone snelheid verwerken. Veel mensen nemen een vragenlijstje mee om te voorkomen dat ze na het korte gesprek - artsen hebben het altijd druk - vergeten zijn de belangrijkste dingen te vragen. Sinds de komst van internet zijn die vragenlijsten een stuk langer geworden, omdat nogal wat mensen hun (veronderstelde) kwaal eerst ‘googelen’.


    Maatschappelijke verschillen

    Het verschil tussen laag- en hoogopgeleiden is op dit terrein relatief groot.
    Als je op school Latijn en Grieks hebt geleerd, is het medisch jargon makkelijker te begrijpen. Maar ook is er in de medische terminologie veel uit de moderne talen geleend, dus als je die op school redelijk hebt leren beheersen, heb je eveneens een voorsprong. Als je dan per ongeluk accupuncturist schrijft, zul je je wellicht afvragen wat het woord ‘accu’ in deze beroepsnaam te zoeken heeft. Die mensen gebruiken toch naalden ? Enige vertrouwdheid met de psyche voorkomt ook wijdverbreide versprekingen als spiegiater en spiegoloog. En bij euthenasist voor anesthesist zou eveneens een belletje kunnen gaan rinkelen.

    Mensen die in de gezondheidszorg werkzaam zijn, hebben relatief veel met laagopgeleiden te maken, want er is een direct verband tussen armoede, ontwikkeling en gezondheid. Sociologisch gezien is er dus sprake van intensief taalcontact tussen groepen met grote maatschappelijke en culturele verschillen. De bijkomende taalverschillen zijn niet alleen een bron van zorg (“Is alles wel duidelijk ?”) en misverstanden (“Nee dus”), maar ook van vermaak.


    Een verpleegkundige schreef :
    “Na zeventien jaar werken in een Haags stadsziekenhuis heb ik heel wat nieuwe medische termen weten toe te voegen aan mijn woordenboek.
    Patiënt X had pijn en wilde een 'paracetanol cocaïne'. Meneer moest voor een onderzoek : ‘Zeg zus, wanneer is nou die 'satéscan' ?’
    Soms zijn patiënten ook echt de weg kwijt omdat ze een onderzoek met behulp van 'kompasvloeistof' (contrastvloeistof) moeten ondergaan.”


    Discreet

    Ik ken een huisarts die al jaren interessante versprekingen en verhaspelingen van zijn patiënten noteert.
    Tijdens het gesprek maakt hij, zo discreet mogelijk natuurlijk, een korte aantekening. Die werkt hij uit meteen nadat de patiënt is vertrokken, want verhaspelingen zijn vaak verdraaid lastig te onthouden : “Je hoort het, soms geloof je je oren niet, je moet voorkomen dat je in de lach schiet en ondertussen gaat het gesprek verder.”
    Hij noteert overigens niet alleen woordinfecties van zijn patiënten, maar ook van artsenbezoekers, want die kunnen er ook wat van.
    Zo zei een artsenbezoeker eens over een nieuwe behandeling die was getest door een hoogleraar : “Eerst was hij tegen maar nu is de professor 'mordipoes' voor.

    Deze huisarts is duidelijk niet de enige die lijstjes bijhoudt.
    Na enkele afleveringen in de reeks 'Woordinfecties' in NRC Handelsblad kreeg ik er verscheidene toegestuurd, door onder anderen een verpleegkundige en een gepensioneerde doktersvrouw. Een greep :

    • 'binnenwaarts onderzoek'

    • die vrouw is 'interkontinent'

    • 'fleuritis'

    • ik liep 'verduft' rond

    • een gesprek met de 'noketteur' (narcotiseur)

    • ik moest 'formeren' (vomeren)

    • ik moet naar de 'fisiater'

    • 'stekelblind'

    • mijn man is momenteel niet 'bespreekbaar'

    • 'antibioticaas'

    • 'Biotextabletten' (B-complex)

    • 'cloresterol'

    • 'diabetiste'

    • 'Groningse' (chronische) kwaal

    • 'hartcatechesatie'

    • 'hogedrukpillen'

    • 'kaakobsessie'

    • 'ovaluatie'

    • 'pokdanig'

    • 'urinicoloog'

    Een huisarts stuurde een lijstje met als titel ‘Taalgebruik in de dagelijkse praktijk’:

    • de fysiotherapie hielp niet, ik ga nu naar een 'paranormaalgeneeswijzer'

    • ik ben zo 'deprimerend'

    • ze zeggen dat ik een 'stimulant' ben

    • ik heb de temperatuur 'arsenaal 'gemeten

    • ik heb vernauwingen in mijn 'ruggemergel'

    • ik heb last van mijn rechter 'test-eikel' (testikel)

    • ik zat daar in 'comatische' toestand

    • mijn familie komt oorspronkelijk uit Frankrijk, mijn vader heeft daar 'gynecologisch' onderzoek naar gedaan

    • ze is aan een 'borstamputatie geopereerd'

    Natuurlijk slaan artsen en specialisten zelf ook wel eens de plank mis.
    Zo schreef een psychiater : ‘Meerdere psychiaters in opleiding heb ik voorzichtig moeten duidelijk maken dat de juiste term 'pseudologia' is en niet 'pseudologica'. Er ontbreekt juist logica in het verhaal van de patiënt met 'pseudologia' fantastica.’

    Ook de media laten zich niet onbetuigd.
    In lage frequenties in dagbladen, maar soms bij honderden op internet zijn te vinden : 'altvleesklier', 'bloedtransplantatie', 'bloedvatverwijderaar', 'chloresterol', 'slachtader', 'zeropositief'. In plaats van postnatale depressie lees je soms 'postale' depressie en zelfs 'postanale' depressie.


    Bedacht

    Vele jaren geleden”, schreef een informant, “gaf ik les op een huishoudschool. Op een dag viel mijn oog op blaadjes met een repetitie die een collega had gegeven over kinderverzorging. Een meisje had in plaats van vroedvrouw 'wroetvrouw' geschreven. Ze had blijkbaar een realistische kijk op de bevalling.

    Iemand anders : “Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat sommige woorden niet per ongeluk verkeerd worden geschreven, maar zijn bedacht omdat ze beter weergeven wat er wordt bedoeld dan de officiële schrijfwijze en er qua klank toch op lijken. In deze categorie past ook het woord 'consternatiebureau', dat inderdaad een veel betere omschrijving geeft van de werkwijze van het consultatiebureau dan de oorspronkelijke term.


    Spellingscontrole

    Tot slot het curieuze 'vaccinerend' voor fascinerend.
    Op internet kom je dit woord onder meer tegen in reisverslagen. Zo schrijft iemand in een verslag van een ‘visweekend’ in Noorwegen dat het gebied zowel boven als onder water 'vaccinerend' is.

    En in een verslag van een rondreis door Java en Bali lezen we : “Het uitzicht is 'vaccinerend' : de zon kleurt de kraterwand.
    Hier zien we een woord dat uit de wachtkamer van de medicus de ‘gezonde’ wereld is binnengewandeld. Overigens kan deze woordenverwisseling ook het gevolg zijn van de automatische spellingscontrole in een tekstverwerkingprogramma, bijvoorbeeld Word. Wie niet weet hoe je 'fascinerend' spelt en 'vasinerend' schrijft, krijgt in Word automatisch als eerste optie 'vaccinerend'. Ook spellingcheckers kunnen dus een haard van woordinfecties zijn.


    De Medisch-Contact-serie ‘Medische etymologie’ over de oorsprong van bekende medische termen, vindt u op : http://medischcontact.artsennet.nl/content/dossiers/624966722/


    Cfr. : http://medischcontact.artsennet.nl/uri/?uri=AMGATE_6059_138_TICH_R162391519219232 

    28-12-2005 om 00:15 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het C.V.S. - Gevallenstudies vanuit de Psychosomatische Revalidatie Afdeling van het Universitair Ziekenhuis te Pellenberg - Deel I
    Klik op de afbeelding om de link te volgen
    Het Chronische Vermoeidheidssyndroom

    Gevallenstudies

    vanuit de Psychosomatische Revalidatie Afdeling
    van het Universitair Ziekenhuis te Pellenberg



    Deel I

    Het Chronische Vermoeidheidssyndroom
    Gevallenstudies
    vanuit de Psychosomatische Revalidatie Afdeling
    van het Universitair Ziekenhuis te Pellenberg

    Scriptie voorgelegd tot het behalen van het diploma Ergotherapie door : Ria De Bosschere
    Hogeschool West-Vlaanderen, Departement HIEPSO, Studiegebied Gezondheidszorg, Opleiding ergotherapeut
    R. De Rudderlaan, 6, 8500 Kortrijk
    Academiejaar 1997-1998

    Promotors : Marina Laridon, ergotherapeute & Tim Remans, ergotherapeut


    Dankwoord

    Bij de aanvang van deze scriptie wil ik mijn dank betuigen aan alle mensen die bijgedragen hebben tot de realisatie van dit werk.

    Vooreerst mijn oprechte dank aan de directie van de psychosomatische revalidatie afdeling van het U.Z. te Pellenberg, die mijn stage mogelijk maakte.

    Mijn dank gaat hierbij speciaal naar de ergotherapeuten van deze afdeling, Marina Laridon en Tim Remans, waarbij ik een vruchtbare stage mocht lopen.

    Ik richt hierbij ook een woord van dank aan het personeel van deze afdeling voor hun bereidwillige medewerking aan mijn scriptie.

    Daarnaast wil ik ook de patiënten danken, omdat ze me de kans gaven om mee te delen in de behandeling van hun CVS.

    Tenslotte nog een speciaal woord van dank aan mijn ouders, omdat ze me de kans gaven deze studies te volgen en samen met mijn vrienden mij hun morele steun gaven.


    Inhoud :


    Inleiding


    Eerste deel – Theoretisch deel


    Hoofdstuk I – Algemene informatie : chronische vermoeidheidssyndroom (C.V.S.)

    Inleiding
    1.1 – Begripsomschrijving
              1.1.1 – Moeheid
              1.1.2 – Chronisch
              1.1.3 – Syndroom
    1.2 – Historiek
    1.3 - Terminologie of benaming van het ziektebeeld
    1.4 - Besluit


    Hoofdstuk II – Diagnose 'C.V.S.'

    Inleiding
    2.1 - Diagnostische criteria
              2.1.1 - Operationele criteria van C.V.S.
              2.1.2 - Holmes Criteria
    2.2 - Differentiaal diagnose
              2.2.1 - Somatische aandoeningen
              2.2.2 - Psychiatrische aandoeningen
    2.3 - Diagnostische evaluatie
    2.4 - Verwante syndromen
              2.4.1 – Fibromyalgie
              2.4.2 - Andere syndromen
    2.5 – Besluit


    Hoofdstuk III – Etiopathogenese

    Inleiding
    3.1 – Kwetsbaarheidsfactoren
              3.1.1 - Premorbide overactiviteit
              3.1.2 - Traumatische voorgeschiedenis
    3.2 - Uitlokkende factoren
              3.2.1 – Virologie
              3.2.2 - Stress stoornissen
    3.3 - Onderhoudende factoren
              3.3.1 - Cognitieve factoren
              3.3.2 - Emotionele factoren
              3.3.3 – Ziektewinst
              3.3.4 - Fysieke deconditionering
              3.3.5 - Gezins- en sociale factoren
    3.4 – Besluit


    Hoofdstuk IV – Behandeling

    Inleiding
    4.1 - Specifieke medische behandelingen
    4.2 - Alternatieve behandelingen
    4.3 - Psychotherapeutische behandeling
              4.3.1 - Moderne psychosomatiek
                        4.3.1.1 – Historiek
                        4.3.1.2 - Kernconcepten van de moderne psychosomatiek
                        4.3.1.3 - Het 'moderne' psychosomatische onderzoek
                        4.3.1.4 - Nieuwe klinische toepassingen
                        4.3.1.5 - Het bio-psycho-sociale ziektemodel
              4.3.2 De werking van dit model binnen de Psychosomatische Revalidatieafdeling(PSR)
                        4.3.2.1 – Uitgangspunten
                        4.3.2.2 - Therapeutische basisfilosofie en basisstrategieen
                        4.3.2.3 - Concrete werking PSR
    4.4 – Besluit


    Hoofdstuk V – De behandeling van het C.V.S en de rol van de ergotherapeut

    Inleiding
    5.1 - Algemeenheden
    5.2 - Ergotherapie binnen de PSR
              5.2.1 – Gedragstherapie
              5.2.2 - Belevingsgerichte therapie
              5.2.3 – Systeemtherapie



    Tweede deel – Practisch deel


    Hoofdstuk VI - Voorstelling van de dienst
    Inleiding
    6.1 - Omschrijving van de PSR
    6.2 - Doelgroep
    6.3 - Programma's
              6.3.1 - Programmavoor motivatie en exploratie. (PME)
              6.3.2 - Programma voor functionele Revalidatie (PFR)
              6.3.3 - Programma voor psychotherapeutische revalidatie (PPR)
              6.3.4 - Verdere mogelijkheden na de programma' s.


    Hoofdstuk VII - Ergotherapie doorheen de drie programma' s

    7.1 - Therapieverloop van de ergotherapeut
    7.2 - Activiteit als therapeutisch middel
              7.2.1 - Taakgerichte activiteiten
              7.2.2 - Sociale activiteiten
              7.2.3 - Projectieve activiteiten
    7.3 - Ergotherapie binnen de programma's
              7.3.1 - Ergotherapie in het PME
              7.3.2 - Ergotherapie in het PFR
              7.3.3 - Ergotherapie in het PPR


    Hoofdstuk VIII – Patientenbespreking

    8.1 - Patient 1
              8.1.1 - Voorstelling van de patient
              8.1.2 - PME van de patient
              8.1.3 - Verloop van het therapeutisch programma PFR
              8.1.4 – Besluit.
    8.2 Patient 2
              8.2.1 - Voorstelling van de patient
              8.2.2 - PME van de patient
              8.2.3 - Verloop van het therapeutisch programma PPR
              8.2.4 – Besluit.


    Algemeen besluit


    Bijlage

    Vicieuze cirkel van moeheid
    Familie, chronische ziekte en invaliditeit


    Bronvermelding




    Inleiding

    Als laatstejaarsstudent in het hoger onderwijs mocht ik een scriptie maken die rechtstreeks in verband kan gebracht worden met mijn opleiding.

    Aangezien een ergotherapeut op veel terreinen ingeschakeld kan worden, was het dan ook niet eenvoudig om 1 van de talrijke mogelijke onderwerpen te kiezen om van dichterbij te bekijken. In het tweede jaar mocht ik deel nemen aan een intensieve cursus die handelde over 'pain management'. We waren vertegenwoordigd met vier landen, namelijk Belgie, Nederland, Zweden en Scotland. Van elk aanwezig land mochten er 6 studenten ergotherapie aan deze cursus deelnemen die een week duurde en doorging in Amsterdam.

    Na deze cursus was ik van plan om 'chronische pijn' als onderwerp voor mijn scriptie te kiezen, daar deze problematiek mij aansprak. Ik ging op zoek naar een instelling waar er ergotherapeuten werkten met patienten die deze problematiek behandelen. Na veel zoekwerk kwam ik in Pellenberg terecht op de afdeling Psycho Somatische Revalidatie (PSR). Tijdens een gesprek met de ergotherapeute kwam ik te weten dat ze op deze afdeling naast chronische pijn voornamelijk patienten met het Chronische Vermoeidheidssyndroom (C.V.S.) behandelen. Daar dit een problematiek is waar nog weinig over geweten is en die tegenwoordig veel in de belangstelling staat, groeide mijn interesse om hierover meer te weten te komen. Daarom besloot ik nog van onderwerp te veranderen en een scriptie te maken over patienten met het C.V.S.

    Nogal wat medici staan sceptisch tegenover het chronische vermoeidheidssyndroom en ergotherapeuten in het bijzonder komen nog maar weinig met deze patienten in contact. Met deze thesis hoop ik dan ook het C.V.S. binnen de ergotherapie wat bekender te maken. Daarnaast wil ik ook voor mezelf nagaan welke voordelen een psychosomatische afdeling biedt en hoe je als ergotherapeut kan bijdragen aan het revalidatieproces van de patient. Mijn scriptie werkte ik uit op de psychosomatische revalidatie-afdeling van het A.Z. te Pellenberg, ik zal mij dan ook beperken tot hun werkwijze, daar deze mij vertrouwd is.

    Dit gezegd zijnde, wens ik u alvast veel leesgenot toe.





    Eerste deel – Theoretisch deel



    Hoofdstuk I – Algemene informatie : chronische vermoeidheidssyndroom (C.V.S.)


    Inleiding

    C.V.S. is een lang en moeilijk begrip en is niet zozeer te vatten in een eenduidige definitie. Daar dit zelfs voor diegenen die er dagelijks mee in contact staan niet altijd even duidelijk is, vind ik dat dit begrip om wat meer uitleg vraagt voor mezelf en de lezer die dit begrip niet kent of slechts sporadisch hoorde. Ik heb daarom het begrip wat uiteen getrokken, om aan ieder kerndeel voldoende aandacht te kunnen besteden.

    Door de jaren heen werd het moeheidssyndroom ook niet altijd als C.V.S. beschreven, wat nogal wat verwarring kan zaaien. Net zoals dit ziektebeeld heden ten dage niet eenduidig beschreven wordt, daar dit afhankelijk is van de arts die de patient raadpleegt. Verder in mijn thesis zal ik voor het vlot lezen enkel spreken van het chronische vermoeidheidssyndroom (C.V.S.).


    1.1 – Begripsomschrijving


    1.1.1 - Moeheid

    Moeheid is 1 van de meest voorkomende klachten in de medische praktijk. [1]
    Daarnaast is het 1 van de meest frustrerende problemen waarmee een geneesheer te maken krijgt. [2]
    Een reden hiervoor is dat het symptoom 'moeheid' niet voor iedereen hetzelfde betekent. Mogelijke invullingen hiervan zijn :

    • een verhoogde nood aan slaap

    • de moeilijkheid energie te vinden voor nieuwe taken

    • moeite hebben zich te concentreren

    • de spieren die uitgeput raken

    Ook voor de patient kan 'moeheid' zeer frustrerend zijn, daar niet elke behandeling succesvol is.

    Veel auteurs probeerden een definitie te geven over moeheid. Na een conceptanalyse van 'vermoeidheid' stelden Ream & Richardson (1996) de volgende definitie voor : "Vermoeidheid is een subjectief, onaangenaam symptoom dat totale lichaamsgevoelens omvat die gaan van moeheid tot uitputting, die een algemene, onverbiddelijke toestand creeert die de individuele mogelijkheden om op een normaal niveau te functioneren beinvloedt."

    Fysiologen beschrijven moeheid in termen van de onmogelijkheid om een spiercontractie vol te houden. Voor psychologen wordt moeheid eerder gekenmerkt door een verminderde capaciteit tot aandacht en mentale concentratie. Zij leggen de nadruk op de affectieve en motivationele aspecten van het moeheidsgevoel. Patienten beschrijven hun klachten van moeheid in zeer wisselende termen : een gevoel van zwakte, stijfheid of pijn in de spieren, minder energie hebben, zich suf voelen,... terwijl ze vermoeidheid meestal koppelen aan 'te snel moe worden' na een zware inspanning. Moeheid is een dubbelzinnige klacht die zowel naar lichamelijke afwijkingen als naar psychologische reacties kan verwijzen. [3]

    Theoretisch zou men dus een onderscheid kunnen maken tussen 'organische' en 'psychogene' moeheid waarbij lichamelijke moeheid evenrediger zou zijn met inspanning, ze meer gelokaliseerd zou zijn, minder invloed zou hebben op de stemming en de cognitieve functies en in de regel beter wordt door te rusten. [4]

    [1] Michielsen e.a. 1991, Komaroff 1994, Goedseels e.a. 1996
    [2] Komaroff 1994
    [3] Van Houdenhove 1991; Goedseels en Pieters 1996
    [4] Van Houdenhove 1991

    Een juiste diagnose stellen is vaak moeilijk voor de geneesheer. Je hebt enerzijds het probleem dat je bij mensen met het symptoom of de klacht vermoeidheid een diagnose moet stellen. Hierrond meer uitleg in punt 2.2 differentiaal diagnose. Anderzijds heb je het probleem van de onderliggende pathofysio1ogische processen van het C.V.S. [5]

    Volgens Van Houdenhove (1991) zou het vanuit klinisch standpunt niet zinvol zijn om een dualistisch onderscheid te maken tussen 'organische' en 'psychogene' moeheid. Bij de meeste patienten met moeheidsklachten spelen lichamelijke en psychische factoren een rol in onderlinge interactie (Van Houdenhove 1991). Bovendien wordt de term 'psychogene' moeheid meestal beladen met negatieve connotaties zoals luiheid, werkonwilligheid,... Als begrijpelijke reactie hierop voeren de getroffen patienten vaak een verbeten strijd om hun klacht als een 'officiele' ziekte te laten herkennen en weigeren ze aan een psychologische exploratie of behandeling mee te werken ( Van Houdenhove 1991).


    1.1.2 - Chronisch

    Bij de meeste patienten is moeheid een voorbijgaand verschijnsel dat samengaat met een acute of chronische aandoening. De klacht zal dan ook verdwijnen wanneer de onderliggende ziekte verdwenen is. Moeheid kan echter ook langdurig of chronisch voorkomen. Wanneer er echter geen duidelijk aanwijsbare oorzaak is, zou men kunnen spreken van het 'chronische vermoeidheidssyndroom'. [6]


    1.1.3 - Syndroom

    Een synoniem voor syndroom is symptomencomplex. In dit geval betekent dit het samengaan van verschillende afwijkingen zonder dat de samenhang hiertussen altijd duidelijk is. Niet enkel medici en onderzoekers, maar ook de media hebben de voorbije 10 jaar veel aandacht besteed aan de klacht 'chronische moeheid', waardoor deze meer in de belangstelling is komen te staan. [7]

    [5] Komaroff 1994
    [6] Michie1sen en Moffaert 1991
    [7] Van Houdenhove 1991


    1.2 – Historiek

    In de geschiedenis van de westerse geneeskunde zijn reeds meerdere moeheidssyndromen aan te wijzen vanaf de tweede helft van de 19e eeuw.

    Het bekendste moeheidssyndroom werd in 1869 door George Beard beschreven. Het was een gelijkaardig ziektebeeld als het C.V.S. met de naam 'neurasthenie'. Deze ziekte werd gekarakteriseerd door een chronische fysieke en mentale uitputting, een voorloper van het moderne C.V.S.

    Oorspronkelijk werd neurasthenie aanzien als een organische ziekte van het centrale zenuwstelsel. Volgens Beard bezat elk individu een genetisch bepaalde hoeveelheid energie in de zenuwen die nodig was voor het functioneren van het zenuwstelsel. Infecties, stress, overwerk en overmatig sexuele of andere prikkelingen zouden een groot beroep doen op deze zenuwenergie en een weerslag hebben op het fysisch en psychisch functioneren van de patient. 'Dit was de prijs die betaald werd voor de moderne westerse en met name Amerikaanse cultuur met haar hoog, intens en veeleisend levenstempo en ongenadige concurrentie.' [8]

    'Later verloor de zogenaamde 'zenuwuitputting' haar geloofwaardigheid en werd neurasthenie - mede te danken aan Freud - meer gezien als een psychogene aandoening, verbonden met angst en depressie waardoor de term geleidelijk in de eerste decennia van deze eeuw in onbruik raakte.' [9]
    'Neurasthenie was niet langer interessant. Het was beschamend om daaraan toe te geven.' [10] 'Nu is het een archaische term geworden en worden aandoeningen die vroeger onder neurasthenie gediagnosteerd werden, geplaatst onder depressie, angststoornissen, somatoforme toestanden, persoonlijkheidsstoornissen en destijds onbekende organische aandoeningen.' [11]

    Volgens Glas en Harari (1994) voorspelden Wessely, Abbey en Garfunkel op grond van een vergelijking tussen C.V.S. en neurasthenie dat de diagnose C.V.S. aan populariteit zal inboeten naarmate de psychiatrische en psychosociale aspecten ervan bekend en benadrukt zullen worden, om tenslotte in onbruik te raken.

    Sinds de jaren '30 werden verschillende ziektebeelden beschreven met eenzelfde symptomencomplex als het C.V.S. [12]

    [8] Harari & Glas 1994
    [9] Wessely 1994
    [10] Van Houdenhove 1996
    [11] Harari & Glas 1994
    [12] Michielsen & Van Moffaert 1991

    'Syndromen gepaard gaande met moeheid' :
    (naar Michielsen & Van Moffaert 1991)

    • Neurasthenie

    • Iceland Disease

    • Royal Free Disease

    • Yuppie's Syndrome

    • Neuromyasthenia

    • Malaise of the eighties

    • Akureyri Disease

    • Chronic mononucleosis

    • Chronic Epstein-Barr virus Syndrome (EBV)

    • Chronic mononucleosis like syndrome

    • Neurocirculatoire asthenie

    • Myalgic encephalomyelitis

    • Post-viral fatigue Syndrome

    • Atypical poliomyelitis

    Dat er tegenwoordig zoveel controversen bestaan rond de benaming van het syndroom is het resultaat van deze verscheidenheid aan syndromen die gepaard gaan met moeheid. Opvallend was de vaststelling dat een aantal van deze syndromen een vrij acuut begin hadden, soms een epidemisch karakter vertoonden en vooral optraden bij mensen die zeer actief waren.

    In 1956 werd in Groot-Brittannie voor het eerst de term 'myalgische encephalomyelitis (M.E.)' gebruikt. Het werd voorgesteld als een uitleg voor een serie van uitbraken van besmettelijke aandoeningen die zich de voorbijgaande drie decennia in verschillende delen van de wereld hadden voorgedaan. [14]

    Midden de jaren '80 kreeg men weer een herleving van het begrip 'chronische vermoeidheid' door het opduiken van het chronische Epstein-Barr virus-syndroom (E.B.V.). Dit nam in frequentie toe na de ontdekking in 1969 dat het virus chronische mononucleosis veroorzaakte. [15] Er werd een link gelegd tussen een infectie van het E.B.V. en chronische vermoeidheid. Er werden gevallen beschreven met een aanhoudende vermoeidheid ten gevolge van een monocleosis-infectie. [16]

    [13] Michielsen & Van Moffaert 1991
    [14] Wessely 1994
    [15] Van Houdenhove 1996
    [16] Pieters & Goedseels 1996

    Niettegenstaande de medici in de jaren 90 niet meer overtuigd waren van het verband tussen het E.B.V. en het nieuwe syndroom, had 'chronische E.B.V.-infectie' de publieke verbeelding in de ban genomen. Steungroepen, onderzoeksverenigingen geleid door patienten met het syndroom, lobbygroepen en steunfondsen werden opgericht. Vanaf 1990 kreeg dit syndroom naast 'AIDS' de meeste aandacht in Amerika. [17]

    Tijdens een bijeenkomst van medici in 1987 werd door Gary Holmes voorgesteld de term 'Chronique fatigue syndrome' aan het nieuwe syndroom te geven. Operationele criteria, momenteel universeel gekend als C.D.C.-criteria, werden gepubliceerd. Onderzoekers in Australie kwamen onafhankelijk van Amerikaanse collega's tot dezelfde conclusies en deden dezelfde suggesties. Twee jaar later volgde Groot-Brittannie. In Groot-Brittannie werd de term 'myalgische encephalomyelitis' terug opgevist. Er werden M.E.-groepen opgericht en M.E.-actiecampagnes gevoerd, vergelijkbaar met de C.F.S.-organisaties in Amerika. De laatste jaren zou het aantal leden drastisch toegenomen zijn, zowel in de Verenigde Staten als in Groot-Brittannie. [18]

    Kortweg zou men dus kunnen zeggen dat er vanaf de jaren '30 een kettingreactie is geweest van volgende vier gebeurtenissen die tenslotte geleid hebben tot het C.V.S. :

    1. de 'postinfecteuze neuromyasthenie' : een benaming die tenslotte teruggaat tot een atypische epidemie van 'polia myelitis' in 1934.

    2. de 'chronische Epstein-Barr virus-infectie' : een ziekte-attributie die in frequentie toenam toen men in 1969 ontdekte dat dit virus mononucleosis veroorzaakte.

    3. 'myalgische encephalomyelitis' : als label voorgesteld naar aanleiding van een epidemie in het 'Royal Free Hospital' te Londen in 1955.

    4. 'fibrositis' of 'fibromyalgie' : een rheumatologische beschrijving sinds het begin van deze eeuw.

    (Shorter 1993; Neerinckx 1996)

    Men kan dus besluiten dat er reeds meerdere variaties van vermoeidheidssyndromen besproken werden voor het C.V.S. Mogelijk is de benaming 'C.V.S.'maar tijdelijk tot men weer nieuwe ontdekkingen doet.

    Het vele verscheidene onderzoek in verschillende landen heeft ertoe geleid dat er vandaag de dag veel controversen bestaan rond de aandoening zowel wat betreft de benaming, de etiologie als de behandeling.

    [17] Wessely 1994
    [18] ibidem


    1.3 - Terminologie of benaming van het ziektebeeld

    Er zijn veel benamingen die het ziektebeeld weergeven. Afhankelijk van de geconsulteerde specialisatie die de patient raadpleegde kunnen we over volgende terminologieen spreken : [19]

    • cardiologie :
      - effortsyndroom
      - Da Costa's syndroom

    • neurologie :
      - neuromyasthenie
      - myalgische encephalomyelitis

    • infectieziekten :
      - postinfecteus of postviraal vermoeidheidssyndroom
      - Royal Free Hospital
      - Akureyri disease

    • allergologie :
      - Candidiasis
      - total allergy syndrome

    • gastroeuterologie :
      - irritable bowel syndrome

    • rheumathologie :
      - fibromyalgie.

    [19] Neerinckx, 1996


    1.4 - Bes1uit

    Als besluit van hoofdstuk 1 kan ten eerste gesteld worden dat het dubbelzinnig, subjectief en niet-objectiveerbaar karakter van het moeheidsgevoel voor heel wat controversen zorgt rond het C.V.S..Ondermeer valt hieronder de organische en/of psychische determinatie. De interpretatie van het begrip 'moeheid' wordt zowel bepaald door de specialist die de klacht behandelt als door de patient zelf.

    Ten tweede is het duidelijk dat er voor het C.V.S. reeds ongeveer dezelfde ziektebeelden bestonden die evolueerden. Vandaar dat er een brede waaier is aan terminologie om de chronisch vermoeide patient te beschrijven, alsook de zoveel bestaande hypothesen rond de etiologie van het C.V.S.

    Het is dan ook de vraag of het C.V.S., net zoals zijn voorgangers, niet in stilte zal verdwijnen en er misschien een zogezegd andere ziektebeschrijving in de plaats komt.

    Omdat er zo een grote verscheidenheid is aan beschrijvingsvormen van dit ziektebeeld en moeheid een zeer ruim begrip is, zal ik in het volgende hoofdstuk de diagnose bespreken van het C.V.S.



    Lees verder : Deel II


    Cfr. : http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=6408

    28-12-2005 om 00:00 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (6 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het Chronische Vermoeidheidssyndroom - Gevallenstudies - Deel II
    Klik op de afbeelding om de link te volgen
    Het Chronische Vermoeidheidssyndroom

    Gevallenstudies

    vanuit de Psychosomatische Revalidatie Afdeling
    van het Universitair Ziekenhuis te Pellenberg



    Deel II



    Hoofdstuk II – Diagnose 'C.V.S.'


    Inleiding

    Moeheid is een niet objectiveerbaar, algemeen en verwarrend begrip, zoals je reeds kon vernemen uit het vorige hoofdstuk. Vandaar dat het nuttig is om eens te kijken hoe men de diagnose van C.V.S. dan eigenlijk stelt. Het is nodig om een differentiaal diagnose te stellen, daar deze term algemeen is en verwarrend overkomt. In Pellenberg stelt men de diagnose aan de hand van een diagnostische evaluatie. Daarnaast komen er nog enkele verwante syndromen voor die mekaar ten dele overlappen.


    2.1 - Diagnostische criteria


    2 1.1 - Operationele criteria van C V S. [20]

    1. Er komt een klinisch geevalueerde, onverklaarde, persisterende of steeds terugkerende vermoeidheid voor.

    2. Daarnaast komen er tegelijkertijd vier van de volgende symptomen voor die elk minstens zes maanden aanhouden :
      - zelfgerapporteerde, ernstige verslechtering van het korte termijn geheugen of concentratiestoornissen.
      - keelpijn
      - pijnlijke hals- en/of okselklieren
      - spierpijn
      - multipele gewrichtspijnen
      - nieuw ontstane hoofdpijn
      - een niet verkwikkende slaap
      - last van een uitputtingsgevoel na een normale inspanning die meer dan 24 uur duurt.

    Deze vermoeidheid kan levenslang bestaand zijn, maar heeft in de meeste gevallen een duidelijk beginpunt in de levensgeschiedenis van de patient.

    Het gaat zo ver dat de vermoeidheid resulteert in een substantiele reductie van het premorbide activiteitenniveau. Men zal geleidelijk aan bepaalde taken niet meer aankunnen. Men kan ze wel nog uitvoeren in de strikte zin van het woord, maar men is te moe om dit te doen.

    Deze vermindering van activiteit vindt zowel plaats op fysisch, psychisch als op sociaal vlak. Deze vlakken kunnen ook als toegangspoort voor ergotherapeutische behandeling gebruikt worden.

    [20] opgesteld door het Center For Disease Control te Atlanta, 1994


    2.1.2 - Holmes criteria [21]

    1. Steeds verder blijven klagen over uitputtende vermoeidheid, zelfs na veel rust. Hierbij kan men minder dan de helft presteren van vroeger. Ook is er geen duidelijke of voor de hand liggende oorzaak.

    2. Nevensymptomen zijn :
      - koorts
      - keelpijn
      - algemene spierzwakte
      - multipele gewrichtspijnen
      - depressie symptoom
      - slaapstoornissen
      - bepaalde start datum van de aandoening.

    [21] Richtlijnen voor de verzorging van CFS-patienten, naar 'M.E. brochure' april 1995


    2.2 - Differentiaal diagnose


    2 2.1 - Somatische aandoeningen

    Bij het stellen van de diagnose moet er rekening gehouden worden met de uitsluitingscriteria. [22] Dit houdt in dat andere somatische aandoeningen met dezelfde symptomen als deze van het C.V.S., uitgesloten moeten worden :

    1. Endocriene oorzaken :
      - hypo- of hyperthyroidie
      - de ziekte van Addisson
      - diabetes mellitis

    2. Rheumatologische oorzaken :
      - Sjogrens syndroom
      - polymyalgia rheumatica
      - polymyositis

    3. Neuromusculaire oorzaken :
      - Multiple Sclerose
      - Myasthenia gravis
      - Ziekte van Parkinson

    4. Infectueuze oorzaken :
      - Tuberculose
      - toxoplasmose
      - ziekte van Lyme
      - HIV-infectie & hepatitis
      - Lupus erythematodes

    5. Hematologische oorzaken :
      - anemie
      - lymfoon
      - leukemie

    6. Kwaadaardige tumoren.

    7. Chronische aandoeningen van longen, lever, nieren of hart.

    8. Nevenwerkingen van geneesmiddelen.

    9. Chronische intoxicaties zoals met alcohol of zware metalen.

    [22] Van Houdenhove & Neerinckx, 1996


    2.2.2 - Psychiatrische aandoeningen

    De psychiatrische aandoeningen die het meest verward worden met het C.V.S. zijn angststoornissen en (gemaskeerde) depressie. Vaak zijn deze psychiatrische aandoeningen moeilijk te differentieren, omdat ze tegelijkertijd met het C.V.S. optreden. Het is dan van belang om vast te stellen wat er op de voorgrond staat.

    De differentiatie tussen angststoornissen en het C.V.S. is het moeilijkst omdat achter de chronische moeheidsklachten vaak veralgemeende angststoornissen schuil gaan. De moeheid moet bij angststoornissen opgevat worden als een somatisatieverschijnsel. Hierbij kan hyperventilatie een medierende rol spelen en sensaties als zwaktegevoel en spierpijnen teweeg brengen. [23]

    Ook het verschil tussen een gemaskeerde depressie en het CVS is moeilijk te onderscheiden. Bij depressie wordt de depressieve grondstemming overschaduwd door andere symptomen, die de onderzoeker gemakkelijker op een dwaalspoor brengen. In gevallen van somatische maskering treden vooral autonoom-vegetatieve symptomen op de voorgrond. Somatische maskering kan ook tot stand komen door corporisatie (de patient beleeft zich niet alles depressief maar heeft rugpijn), door zwaarmoedigheid of conversieverschijnselen. In gevallen van organische of pseudodemente maskering gaat een depressie zich vooral uiten onder de vorm van cognitieve stoornissen, die dan subjectief meestal veel sterker uitgesproken zijn dan objectief. Bij een echte dementie, die het gevolg is van een cerebrale stoornis is dit in het algemeen andersom. [24]


    Besluit

    Aangezien deze psychiatrische aandoeningen en het C.V.S.veel gemeenschappelijke symptomen hebben, zal men dus met alle kenmerken rekening moeten houden om de juiste diagnose te stellen.

    [23] Van Houdenhove & Neerinckx, 1996
    [24] J. Godderis en P. Igodt, Beginselen der psychiatrie en psychiatrische kliniek.. blz. 60


    2.3 - Diagnostische evaluatie

    In Pellenberg wordt de diagnose C.V.S. gesteld aan de hand van een diagnostische evaluatie : [25]

    1. ga een positieve relatie aan met de patient

    2. sluit een organische ziekte uit

    3. identificeer een behandelbare psychiatrische aandoening

    4. is 'C.V.S.' een aanvaardbare diagnose ?

    5. bekijk de problematiek van de patient vanuit een breed, bio-psychosociaal perspectief.


    2.3.1 - Ga een positieve relatie aan met de patient

    Zonder een positieve, vertrouwensvolle arts-patient relatie is er geen goede evaluatie en behandeling van chronische vermoeidheidsklachten mogelijk. Om zo een relatie te bekomen moet de arts enkele voorwaarden in acht nemen. Zo dient hij de klachten altijd ernstig te nemen en uitspraken zoals 'deze ziekte bestaat niet' vermijden. Hij moet op een tactvolle en respectvolle manier peilen naar de eigen ziekte-overtuiging van de patient en deze bespreekbaar stellen. Ook dient hij empathisch open te staan voor de problemen die 'ziek-zijn zonder objectieve stoornissen' voor de patient meebrengt. Hiernaast moet hij ook een hoopvol en realistisch behandelingsperspectief aanbieden door bijvoorbeeld te zeggen : 'Ik heb geen wonderpil, maar ik kan u wel helpen.'


    2.3.2 - Sluit een organische ziekte uit

    Daar moeheid een klacht is die bij veel somatische aandoeningen voorkomt is het altijd noodzakelijk dat de patient een volledig klinisch onderzoek ondergaat, dus ook bij patienten die reeds de zelfdiagnose C.V.S. Gesteld hebben. Daarnaast blijkt uit onderzoek en klinische ervaring dat de volgende bijkomende technische onderzoeken zinvol zijn : [26]

    • Bij alle patienten - complet-formule : sedimentatie; C-reactiefproteine; leverfunctie (inclusief LDH); nierfunctie; calcium, natrium en kalium spierenzymes; TSH, cortisol; hepatitis B en C serologie; urine sediment; RX thorax; echografie van het abdomen.

    • Indien vermoeidheid die langer duurt dan 6 maanden : serologische testen voor cytomegaalvirus, Epstein-Barr, en Toxoplasma.

    • Bij geselecteerde patienten : - ANF : bij jonge vrouwen – HIV : indien risico-factoren – Borrelia : indien geen geassocieerde symptomen.

    [25] Van Houdenhove, Patienten met cvs. Hoe evalueren ? Hoe behandelen ? Hoe ermee omgaan ? - Een practische gids.
    [26] Blockmans D., Persoonlijke mededeling dienst inwendige ziekten U.Z Gasthuisberg K U Leuven,. 1997.


    2.3.3 - Identificeer een behandelbare psychiatrische aandoening

    Uit onderzoek blijkt dat 25 a 50 % van de C.V.S.-patienten in aanmerking komt voor een diagnostiseerbaar depressief syndroom of een angststoornis.
    Door slaapproblemen, een verhoogde medegevoelige toestand van waakzaamheid voor sensorische prikkels, spierspanningen en hyperventilatie kunnen affectieve stoornissen vermoeidheidsklachten mee op gang brengen en onderhouden. Daar dit stoornissen zijn die met de moderne psychofarmaca (met name SSRI's [27]) en/of cognitieve gedragstherapie zeer goed behandelbaar zijn, mogen ze nooit over het hoofd gezien worden.


    2.3.4 - Is 'C.V.S ' een aanvaardbare diagnose ?

    Wanneer er geen somatische of psychiatrische diagnose gesteld kan worden, is het aangewezen om C.V. S. als beschrijvende diagnostische term te gebruiken.
    Zonder diagnose blijven de meeste patienten zich anders ongerust voelen en gaan ze misschien aan 'dokter-shopping' doen. Een voorwaarde voor het gebruik van deze term is echter wel dat hij verbonden wordt met een bio-psychosociale visie en het uitgangspunt vormt voor bijpassende therapeutische hulp.

    Men kan de patient mogelijks concreet uitleggen dat C.V.S. Vermoedelijk berust op ontregelingen in het centraal zenuwstelsel die soms ook gepaard gaan met ontregelingen van het immunologisch systeem. De ontregelingen in het centrale zenuwstelsel uiten zich op vlak van de energiehuishouding, de pijnverwerkingsmechanismen, het slaap-waakritme,... Aanvullend kan men zeggen dat zulke ontregelingen vaker voorkomen bij mensen die lange tijd fysiek en/of emotioneel belast waren. Op deze wijze kunnen ze een mogelijk verband met de levenssituatie van de patient ter sprake brengen.


    2.3.5 - Bekijk de problematiek van de patient vanuit een breed, bio-psychosociaal perspectief

    Belangrijke topics van het diagnostisch interview : [28]

    • klachten : vermoeidheid, andere somatische klachten, slaapstoornissen, depressie/angst, cognitieve problemen

    • functionele beperkingen

    • copingsstrategieen

    • somatische en psychiatrische antecedenten

    • life events

    • premorbiede levensstijl

    • ouderlijke gezinssituatie

    • familiale, beroeps- en medicolegale aspecten.

    [27] SSRI = Selectieve Serotinine receptake inhibitor.
    [28] Houdenhove, Patienten met cvs een practische gids.


    2.4 - Verwante syndromen


    2.4.1 – Fibromyalgie

    De differentiaal diagnose tussen het CVS en fibromyalgie is een betwiste aangelegenheid.
    Fibromyalgie is een aandoening die bestaat uit chronische spierpijnen, vermoeidheid en een gestoorde slaap. Vaak gaat dit ook gepaard met hoofdpijn en een spastisch colon ('irritable bowel syndrome').

    In 1990 stelde het 'American College of Rheumatology' voor om de vroeger zeer uitgebreide diagnostische criteria van fibromyalgie te beperken.
    De criteria voor fibromyalgie zijn nu :

    • een situatie aanhoudend langer dan drie maand

    • diffuse musculosceletale pijn

    • minstens 11 van de 18 'tender points' (= pijnlijke drukpunten.)

    De tender points komen telkens bilateraal voor en bevinden zich op de volgende plaatsen : [29]

    1. occipitaal: san de suboccipitale spierinsertie

    2. laag cervicaal: aan de voorkant van de dwarse tussenruimtes van C5-C7.

    3. trapezius: aan het middenpunt van de boven boord

    4. supraspinatus: aan de oorsprong, boven de scapulastekel dichtbij de middenrand.

    5. 2e rib : aan de 2e ribkraakbeen verbinding, juist lateraal aan de verbindingen van de bovenliggende oppervlakken.

    6. laterale epicondylen : 2 cm distsal van de epicondyles

    7. gluteaal : in de bovenste buitenkwadrant van de achterste spier, in de voorste plooi.

    8. grote trochanter achteraan van de trochanter, aan het uitsteeksel

    9. knie : aan het mediale vetkussen, proximaal van de gewrichtslijn.

    Volgens sommige onderzoekers bestaat er tot 70% overlapping tussen fybromyalgie en het CVS. Deze constatatie wint veld omdat de keuze tussen beide diagnosen vooral afhankelijk is van het type specialisatie waarmee de patient het eerst in contact komt. bv. Rheumatologie, algemene geneeskunde,...

    De palpatie moet uitgevoerd worden met een kracht van + 4 kg. Om een tenderpoint als 'positief' te beschouwen, moet de patient de palpatie als pijnlijk ervaren. 'Tender'(gevoelig) wordt niet beschouwd als 'pijnlijk'.

    [29] naar Goldenberg 1994 en Clement 1993


    2.4 2 - Andere syndromen

    Andere syndromen die klinisch en mogelijk ook etiologisch veel gemeenschappelijk hebben met CVS zijn : [31]

    • het neurasteen syndroom

    • het burn-outhsyndroom

    • spasmofylie

    • hartneurose / neurocirculatoire asthenie

    • habituele hyperthermie.

    [30] respectievelijk naar Goldenberg 1994, en naar Clement 1993
    [31] Van Houdenhove & Neerinckx, 1996


    2.5 – Besluit

    Daar men tot op heden door laboratoria onderzoek van het lichaam nog geen stoffen gevonden heeft die op C.V.S. kunnen duiden, moet men nog steeds op een andere manier de diagnose van chronische vermoeidheid stellen.

    Sommige onderzoekers die louter fysische studies over deze ziekte maken veronderstellen dat het C.V.S. mogelijk ontstaat door een enzyme-ontregeling. Het zou gaan om een stoornis bij de herstelstoffen van het lichaam. Hieruit kunnen diagnostische criteria voor chronische vermoeidheid afgeleid worden. Aan de ene kant is dit positief omdat men zo makkelijker de diagnose zal kunnen stellen. Aan de andere kant bestaat er een groot gevaar dat patienten met het CVS, bij wie men deze stoffen niet aantreft in het lichaam, in de kou zullen blijven staan.

    Vandaar dat de diagnose best gesteld wordt door eerst verschillende somatische en psychiatrische aandoeningen uit te sluiten. Daarnaast dient men zich ook te baseren op de ziektegeschiedenis van de patient om de diagnose van chronische vermoeidheid te stellen.

    Eenmaal men de diagnose gesteld heeft, zijn er echter wel verscheidene factoren die een invloed kunnen hebben op de ziekte. Het hoe en waarom deze factoren een medierende rol spelen bij C.V.S. zal in volgend hoofdstuk aan bod komen.



    Lees verder : Deel III


    Cfr. : http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=6408

    28-12-2005 om 00:00 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het Chronische Vermoeidheidssyndroom - Gevallenstudies - Deel III
    Klik op de afbeelding om de link te volgen
    Het Chronische Vermoeidheidssyndroom

    Gevallenstudies

    vanuit de Psychosomatische Revalidatie Afdeling
    van het Universitair Ziekenhuis te Pellenberg



    Deel III

     

    Hoofdstuk III – Etiopathogenese


    Inleiding

    Tot voor kort spitsten de etiologische hypothesen (= veronderstellingen die zich bezig houden met de leer van de ziekteoorzaken), zich toe op enerzijds organische en anderzijds op de psychische oorzaken van het chronisch vermoeidheidssyndroom. Moderne visies gaan steeds meer uit van een bio-psycho-sociaal en systemisch georienteerd ziektemodel, waarbij het 'of-of' dualisme wordt overschreden. Hiermee bedoelt men dat het zinloos is om te discussieren of de oorzaak van C.V.S. nu fysisch of psychisch is.

    Het is zinvoller om deze aandoening als en fysisch en psychisch te bekijken, daar deze factoren door mekaar lopen. Deze en/en visie gebruikt men als werkmodel in Pellenberg. Als therapeut moet je dus kijken naar hetgeen de patient aanbrengt, welke factoren hij aangeeft. Van hieruit kan je dan samen met de patient beginnen werken aan de problemen die hij heeft.

    De hedendaagse etiopathogenese van het C.V.S. wordt door de meeste auteurs gezien als het gevolg van complexe interacties tussen diverse factoren.
    Deze factoren zijn te onderscheiden in :

    1. voorbeschikkende of kwetsbaarheidsfactoren

    2. uitlokkende factoren

    3. onderhoudende of versterkende factoren.

    Deze factoren worden in volgende punten meer uitgediept.


    3.1 – Kwetsbaarheidsfactoren


    3.1.1 Premorbide overactiviteit

    Zeer frequent zie je bij C.V.S.-patienten een opvallende overactieve levens- en werkstijl voorafgaand aan hun vermoeidheid.

    Een verklaring hiervoor is mogelijk sociaal-cultureel gericht. Onze maatschappij is prestatiegericht. Alles moet steeds maar sneller en beter gebeuren. Wie goed presteert krijgt positieve bekrachtiging. Omdat bijna iedereen hier behoefte aan heeft en er bijna niemand wil onderdoen voor een ander blijft deze 'mallemolen' maar steeds vlugger draaien.

    Toch blijkt deze overactiviteit in de eerste plaats verbonden te zijn met bepaalde persoonlijkheidskenmerken : [32]

    • bij sommigen lijkt de overactiviteit te kaderen in een continu, haast masochistisch te noemen attitude van zelfopoffering. Men denkt altijd aan 'de anderen' en cijfert zichzelf volledig weg.

    • bij anderen gaat het eerder om een dwangmatig perfectionistisch 'eeuwig moeten'. Men spreekt altijd van : 'ik moet nog dit doen, en ik moet nog dat doen,...' en men denkt nooit eens van : 'wat wil ik doen ?'

    • bij nog anderen lijkt de overactiviteit voort te vloeien uit de illusie van een onbegrensd lichamelijk prestatievermogen. Dit uit zich in mateloos overwerk of sporten.

    Naar aanleiding van een kritisch-somatisch incident komt er aan deze levensstijl een abrupt einde, bv. naar aanleiding van een uitputtende virale infectie. Na dit incident gaat de patient van het ene uiterste naar het andere. Hij raakt verzeilt in een regressief ziektegedrag met activiteitsvermijding, wat emotioneel erg moeilijk is voor hem. [33]


    3 1.2 - Traumatische voorgeschiedenis

    Vaak staat iemands ziektegeschiedenis niet los van zijn of haar levensgeschiedenis. Een niet verwerkt trauma heeft dan ook een blijvende invloed op het leven.

    Tot voor kort rustte er een groot taboe op misbruik en geweld binnen het gezin. [34] De tijden zijn echter veranderd. Er komt steeds meer openheid rond deze problemen. Op televisie komen slachtoffers aan het woord die schokkende verhalen vertellen. Ook via serieus wetenschappelijk onderzoek wordt duidelijk dat de frequentie van misbruik, niet alleen seksueel, maar ook fysiek en emotioneel, tot nog toe schromelijk werd onderschat.

    [32] Houdenhove & Neerinckx, 1996
    [33] Ibidem.
    [33] Houdenhove, Ziek zonder ziekte, 1998.

    Een van de medewerkers van Van Houdenhove onderzocht welk verband er is tussen misbruik en psychosomatische klachten. Hij ging na of traumatische ervaringen een rol zouden kunnen spelen bij een groep van 100 patienten die de diagnose fibromyalgie of C.V.S. hadden gekregen. Hij stelde vast dat 64 % van de patienten minstens 1 vorm van misbruik, mishandeling of verwaarlozing in de loop van hun leven rapporteerde, in vergelijking met 49 % van de controlepersonen zonder klachten. Bij de patienten waren de traumatische ervaringen, globaal genomen, ook ernstiger geweest.

    Traumatische ervaring patienten controlepersonen

    Emotioneel verwaarloosd : 49 % 29 %
    Emotionele mishandeling : 38 % 15 %
    Lichamelijke mishandeling : 23 % 7 %
    Ernstig seksueel misbruik : 9 % 5 %

    Wat maakt getraumatiseerde mensen nu kwetsbaarder voor psychosomatische klachten ?
    Wellicht zijn de redenen daarvoor complex. Psychosomatische klachten komen vaak langs verschillende wegen tot stand, zowel rechtstreeks als onrechtstreeks.

    Allereerst gaan misbruikervaringen soms rechtstreeks gepaard met reele lichamelijke letsels. Dat kan ertoe leiden dat de pijngevoeligheid op die plaats toeneemt, zodat men later vlugger klachten zal hebben. Daarnaast voelen misbruikte mensen zich gemakkelijker angstig en bedreigd. Vroegere ervaringen hebben hun 'alarmsysteem' overgevoelig gemaakt. Ze zijn hyperalert. Ze zullen dus allerlei prikkels vlugger opmerken en intenser aanvoelen. Op hun beurt kunnen angstgevoelens via spierspanningen, hyperventilatie en slaapstoornissen, pijn en andere klachten teweegbrengen of versterken.

    Daarnaast kunnen psychosomatische klachten ook onrechtstreeks tot stand komen. Ervaringen van misbruik, mishandeling of verwaarlozing leiden meestal tot een gebrekkig gevoel van eigenwaarde, minder weerstand tegen stress en frustraties, neiging tot depressie, en alcohol- en druggebruik. Om die redenen zullen misbruikte mensen minder goed met pijn en andere klachten kunnen omgaan, bijv. meer catastroferen en vlugger aan pijnstillers verslaafd raken.


    3.2 - Uitlokkende factoren

    3.2.1 – Virologie

    Veel patienten met het C.V.S. geven aan dat hun vermoeidheidsklachten werden uitgelokt door een virale infectie. Uit onderzoek blijkt inderdaad dat sommige virussen een uitlokkende rol zouden kunnen spelen bij specifieke subgroepen van patienten.
    Deze mogelijke virussen zijn bv. :

    • Epstein Barr-virus dat verantwoordelijk is voor mononucleosis inifectiosa.

    • het cytomegalievirus

    • het menselijke herpesvirus

    • het enterovirus, vnl. Coxsackie B.

    • retrovirussen.

    Daarnaast lijkt bij een minderheid van de cvs-patienten dat het vermoeidheidsprobleem op gang gebracht wordt na een trauma of een operatieve ingreep met moeizaam herstel. [35]


    3.2.2 – Stress-stoornissen

    Uit onderzoek wordt steeds duidelijker dat aan het C.V.S. een ernstige psychosociale stresstoestand voorafgaat. Naast uitputtende toestanden van reele fysieke of psychische overbelasting, gaat het vaak ook over psychotraumatische gebeurtenissen of situaties. Dit is dan bv. een moeilijk verwerkbaar overlijden of scheiding, een ontgoocheling in een liefdesrelatie, een mislukte professionele ambitie, chronische relationele spanningen,...

    Het is daarenboven opvallend dat nogal wat cvs-patienten in de lijn van hun premorbide persoonlijkheid deze emotionele moeilijkheden proberen te 'overwinnen' door hun overactieve levensstijl nog intensiever te maken. Dit gebeurt door zich by. nog heviger op het werk of op sportprestaties te storten om de emotionele pijn te ontvluchten of 'niet te moeten voelen.' Deze patienten gebruiken dit overactief zijn als een copingstrategie om de emotionele problemen te onderdrukken, wat vaak lichamelijke en/of psychische 'roofbouw' als gevolg heeft. Het komt er op aan om als hulpverlener aan de patient deze copingsstrategie te laten zien. Pas wanneer de patient inziet waarom hij zo overactief is, kan er aan de onderliggende problematiek gewerkt worden in de therapiesessies. Een bijkomende somatische belasting zoals bv. een slepende virale infectie maakt hieraan echter een definitief einde. De patient wordt van zijn coping beroofd en er treedt een ernstige verstoring op van de psychische economie. Hiernaast raakt ook het fysiologisch energie- en weerstandssysteem volledig uit evenwicht. Dit alles kan opgevat worden als een soort bio-psychosociale 'crash', waarbij een combinatie van langdurige en ernstige psychische en fysieke stress op een bepaald moment een dramatische weerslag heeft op het centrale zenuwstelsel. [36].

    [35] Van Houdenhove & Neerinckx, 1996
    [36] Ibidem


    3.3 - Onderhoudende factoren


    3.3.1 - Cognitieve factoren

    Externe attributiefactoren en verkeerde ziekte-overtuigingen kunnen een belangrijke rol spelen bij het chronificeren van moeheid. Een patient die bv. meerdere maanden gerust heeft naar aanleiding van een virus-infectie kan zijn verminderde fysieke mogelijkheden aan het volgende feit toeschrijven: 'Ik ben nog steeds niet genezen, en zal bijgevolg nog meer moeten rusten.' In dit geval is er een grote kans dat de patient door een toenemende fysieke deconditionering in een negatieve spiraal terechtkomt die zijn moeheidsprobleem onderhoudt en versterkt. De specifieke ziekte-overtuiging : 'Ik ben het hulpeloze slachtoffer van het CVS' heeft vaak even nefaste gevolgen. Vandaar dat het belangrijk is dat de patient het heft in eigen handen neemt en onder begeleiding aan zijn fysieke conditie werkt.

    3.3.2 - Emotionele factoren

    Patienten met aanslepende moeheidsklachten lijden niet zelden aan reactieve verschijnselen en angstgevoelens ten gevolge van hun ziekte. Het verlies van vroegere mogelijkheden, gebrek aan sociale bekrachting, onzekere toekomstverwachtingen,... zullen de moeheid en spierpijnen versterken en onderhouden; ev. in samengang met slaapstoornissen, spierhypertonie, hyperventilatie,... [37]

    [37] Ibidem


    3.3.3 – Ziektewinst

    Een aantal patienten klampen zich ongetwijfeld vast aan moeheidsklachten, waardoor ze kunnen vluchten uit een onhoudbare situatie van psychosociale overbelasting. Zo kan men zich bv. afvragen of dit niet van toepassing is op een aantal buitenhuiswerkende vrouwen die het slachtoffer van onze moderne westerse prestatie- en consumptiemaatschappij zijn en het niet meer aankunnen om drie of vier jobs te blijven combineren. bv. deze van efficiente huisvrouw, aantrekkelijke echtgenote, perfecte moeder van drie of vier kinderen en ambitieuze carrierevrouw. Deze klachten van vage moeheid en pijn die het idee oproepen van een mysterieuze, onbegrepen, moeilijk te genezen ziekte zijn in onze moderne tijden geschikt voor een 'vlucht in de ziekte'. [38]


    3.3.4 - Fysieke deconditionering

    Wanneer de patient gelooft dat hij door zijn ziekte veel moet rusten en activiteiten vermijden om zich minder moe te voelen, vergroot de kans dat hij in een toestand van fysieke deconditionering terecht komt.
    De onvermijdelijke gevolgen hiervan zijn :

    • progressieve spieratrofie

    • spierstijfheid

    • verlies van cardiorespiratoire fitheid

    • verstoringen van het slaap-waak ritme

    • toenemende inspanningstolerantie.

    Vandaar dat het belangrijk is dat de patienten aan hun fysieke conditie blijven werken om verdere deconditionering tegen te gaan.

    Het is ook typisch voor cvs-patienten dat ze na een periode van rusten, telkens hun vroegere activiteit proberen te evenaren. Ze willen hun schade van inactiviteit inhalen en overschrijden hierbij hun fysieke grenzen, waardoor hun negatieve spiraal nog toeneemt. Vandaar dat het belangrijk is om de patienten hun reele mogelijkheden te leren kennen. Zo zullen ze weten tot wat ze nog in staat zijn, en kunnen ze bun activiteitenniveau gemakkelijker herindelen.

    [38] Ibidem


    3.3.5 - Gezins- en sociale factoren

    Net zoals andere vormen van chronisch ziektegedrag spelen vermoeidheidsklachten een rol in de 'gezinshomeostase' :

    1. de taken of een deel van de taken van de partner die chronisch vermoeid is zullen door de andere partner overgenomen moeten worden, wat voor hem een zeer zware belasting zal worden.
      Er kan eventueel naar een oplossing gezocht worden door beroep te doen op derden of op hulpinstanties om ervoor te zorgen dat de partner er zelf ook niet aan ten onder gaat.

    2. ook in de relatie met de kinderen vindt er een verandering plaats. Hun vader of moeder zal nu niet actief meer kunnen bezig zijn met hen. Deze activiteiten zullen gepland moeten worden en de persoon in kwestie zal er rekening mee moeten houden dat hij zijn grenzen niet overschrijdt.

    3. ten opzichte van medisch-legale instanties zitten cvs-patienten vaak in een uitzichtloze strijd. Zij moeten tegenover controle-artsen die hun klachten als 'louter subjectief' diskwalificeren steeds zien te bewijzen dat deze klachten het hun onmogelijk maken om nog te werken. Dit kost hen veel energie en ze hebben er al zo weinig. Dit werkt uiteraard verdere chronificatie en toenemend ziektegedrag in de hand.

    Het is dan ook van belang om de partner en de andere gezinsleden te betrekken bij de behandeling van de persoon met C.V.S. Hoe men dit practisch uitvoert op deze afdeling komt later nog aan bod.

    [39] Ibidem


    3.4 – Besluit

    Zoals u reeds kon lezen hebben deze factoren een zeer belangrijke rol bij het ontstaan en het onderhouden van C.V.S. Het zal dan ook van groot belang zijn om hieraan de nodige aandacht te besteden tijdens de behandeling. Wanneer dit echter niet gebeurt blijven deze een invloed uitoefenen op het leven en het 'genezingsproces' van de persoon die chronisch vermoeid is. Niet alle behandelingen hebben oog voor het leren omgaan en/of verwerken van deze factoren in tegenstelling met een psychotherapeutische behandeling zoals op de P.S.R. te Pellenberg, wat je wel zal vernemen verder in de thesis.






    Deel II



    Hoofdstuk IV – Behandeling


    Inleiding

    Aangezien men nog steeds niet 'de oplossing' gevonden heeft om C.V.S. Te behandelen kan men ondertussen verschillende therapieprogramma's aanbieden.
    De mogelijke therapieprogramma's zijn :

    • medisch

    • alternatief

    • psychotherapeutisch

    Zoals ik reeds vermeld heb zullen niet alle behandelingen aandacht hebben voor de etiopathogenetische factoren van C.V.S. Een psychotherapeutische behandeling houdt hier dus wel rekening mee, daar ze het C.V.S. psychosomatisch bekijkt. Wat je nu echter onder 'psychosomatiek' kan verstaan en of het er steeds geweest is zoals men het begrip nu kent kunt u vernemen als je verder leest. Net zoals de werking van dit model binnen de PSR te Pellenberg.


    4.1 - Specifieke medische behandelingen

    In bekende medische tijdschriften werden reeds resultaten vermeld van bepaalde therapieen waarbij slechts een klein aantal patienten betrokken waren en waardoor de resultaten met voorzichtigheid geinterpreteerd moeten worden. De patienten moeten daarom op de hoogte gebracht worden over het feit dat er nog steeds geen effectieve medische medicamenteuze behandeling bestaat voor chronische vermoeidheid.

    Wel kunnen bepaalde psychofarmaca bij patienten met C.V.S. een gunstige invloed uitoefenen, daar ze de negatieve effecten die de verwerking van hun onderliggende problemen verhinderen, kunnen doen afnemen. Hierbij moet wel een onderscheid gemaakt worden tussen kalmerende middelen, slaapmiddelen, de antidepressiva en de neuroleptica. Telkens moet bekeken worden welk nut deze kunnen hebben bij psychosomatische klachten, met hun voor- en nadelen, bij elke patient individueel. Daar deze behandeling niet van toepassing is voor een ergotherapeut, zal ik hier dan ook niet verder over uitweiden.


    4.2 - Alternatieve behandelingen

    Nogal wat mensen zijn ontevreden over hun dokter. Ook al vinden ze hem technisch zeer competent, ze hebben het gevoel dat hij hen niet voldoende begrijpt. Bij gevolg gaan veel mensen op zoek naar een dokter die wel aandacht schenkt aan hun hele persoon. Ze nemen het niet meer om te horen te krijgen : 'we hebben niets gevonden, dus u hebt niets.' Alternatieve genezers spelen hier handig op in. Patienten hebben er vaak veel geld voor over om iemand te vinden die wel naar hun luistert, die zich niet blind staart op 'objectieve' afwijkingen.

    Sommige van deze behandelingen kunnen inderdaad helpen voor bepaalde patienten. Dit kan komen omdat men echt gelooft in de waarde van de therapie of eerder door de goede begeleiding van hun therapeut. Een behandeling als homeopathie of acupunctuur kan dus de moeite waard zijn, vooral als de belangrijkste klachten myalgieen arthralgieen zijn. Men mag dit dan niet afraden, maar er toch op wijzen dat het belangrijk is om een betrouwbare hulpverlener te zoeken.


    4.3 - Psychotherapeutische behandeling

    'Psychosomatiek', 'psychosomatisch'.

    Termen die als het ware een koppelteken plaatsen tussen lichaam en geest. Gaat alles wat we denken, voelen, hopen, vrezen, fantaseren,... dan niet met lichamelijke processen gepaard ? Psychosomatiek is de taal van het lichaam, het heeft dus geen zin om in het of/of denken te blijven steken. We kunnen veel beter spreken van en/en en zo de mens in zijn totaliteit behandelen aan de hand van een psychotherapeutische behandeling.

    Somatisatie kan omschreven worden als de taal van het lichaam, met en de fysische en de psychische aspecten. In verschillende definities van somatisatie [40] komt steeds 1 punt van overeenkomst terug, namelijk de aanwezigheid van medisch onverklaarbare lichamelijke symptomen. Daarnaast zijn er enkele discussiepunten omtrent somatisatie: maakt ziektegedrag al dan niet deel uit van somatisatie, maken angst- en depressiestoornissen inherent deel uit van somatisatie. Het is in ieder geval duidelijk dat de aanwezigheid van psychiatrische comorbiditeit leidt tot een verhoogde graad van invaliditeit.

    Vanuit maatschappelijke invalshoek gezien, draagt somatisatie in grote mate bij tot een verhoogde medische consumptie, die leidt tot chroniciteit en invaliditeit indien het probleem niet tijdig wordt onderkend. Terwijl men nu hoofdzakelijk aandacht heeft aan de opvang van patienten die gecompenseerd zijn, zou het goed zijn om in de toekomst meer aandacht te besteden aan aspecten van preventie met het oog op het voorkomen van invaliditeit. Een goede samenwerking tussen huisartsen enerzijds en psychiaters en psychologen anderzijds is hiervoor een belangrijke voorwaarde.

    [40] V.De Gucht, Prof. Dr. B. Fischler; 'somatisatie'; Axon januari 1998.


    4.3.1 - Moderne psychosomatiek


    4.3.1.1 – Historiek

    'Holistische' opvattingen die lichaam en geest als 1 ondeelbaar geheel beschouwen komen al zeer vroeg in onze Westerse geneeskunde voor.

    Aan deze eenheidsvisie kwam op het einde van de 17e eeuw een einde door de radicaal-dualistische ideeen van de filosoof Descartes, die een opsplitsing maakte tussen lichaam en geest. Hierdoor werd de geneeskunde herleid tot de biologische aspecten, terwijl de geestelijke aspecten aan de filosofie toebehoorden.

    In het begin van deze eeuw kwam de holistische ziekte benadering weer tot leven. Dit kwam deels door de psychoanalyse met haar psychogenetische concepten, maar voornamelijk ook door de opkomst van het systeemdenken. Een fundamenteel systeem-concept zoals 'homeostase'(zelfregulering) maakt het bv. weer mogelijk om het organisme als een dynamische totaliteit die gekenmerkt is door vele interacties te bedenken en wetenschappelijk te funderen. In dit systeemtheoretisch perspectief smeedde de Amerikaanse psychiater en internist G.Engel de term 'bio-psychosociaal'. Hiermee zette hij zich af tegen een louter mechanisch-technisch ziektebegrip a la Descartes, maar evenzeer tegen de te enge psychogenetische visie van de 'klassieke' psychosomatiek. Eigenlijk wordt er met deze term bedoeld dat men naast biologische factoren in alle vormen van ziek zijn, ook aandacht moet hebben voor de psychosociale gegevens. [41]

    Tegen deze systemisch georienteerde bio-psychosociale achtergrond is in de laatste decennia een opmerkelijke evolutie ondergaan door :

    • de kernconcepten

    • het wetenschappelijk onderzoek en

    • de klinische praktijk van de psychosomatiek.

    Dit model wordt nog uitgebreider besproken.

    [41] Van Houdenhove, 'Moderne Psychosomatiek (theorie en praktijk van het bio-psychosociale ziektemodel)' Streven/mei '92


    4.3.1.2 - Kernconcepten van de moderne psychosomatiek

    Veel hedendaagse clinici en onderzoekers vinden de termen 'psychosomatisch' en 'psychosomatiek' niet meer zo vanzelfsprekend door hun nog steeds naklinkende, enge psychogene connotatie.

    Anderen vinden deze termen betekenisloos omdat ze vaak als een 'diagnostische' achterpoort gebruikt worden voor dingen die niet organisch verklaard kunnen worden.

    De Canadese psychiater Lipowski heeft deze termen echter een exacte definiering gegeven zodat ze een plaats kregen in de moderne psychosomatiek.

    'Psychosomatisch' - Dit is een brede overkoepelende term die verwijst naar het postulaat dat zegt dat de psychosociale en biologische aspecten van de mens niet te scheiden zijn en onderling afhankelijk zijn.

    'Psychosomatiek' of 'psychosomatische geneeskunde' - Deze term verwijst naar een klinische en wetenschappelijke discipline die op twee facetten gericht is :

    1. de studie van de samenhang tussen psychosociale fenomenen en fysiologische functies en van de wisselwerking tussen biologische en psychosociale factoren in het ontstaan en verloop van alle ziekten.

    2. het bevorderen van een bio-psychosociale of holistische patientenzorg, inclusief het toepassen van psychiatrische of gedragswetenschappelijke methoden bij de behandeling en preventie.


    4 3.1.3 - Het 'moderne' psychosomatische onderzoek

    Het moderne psychosomatische onderzoek verschilt tegenwoordig op verschillende cruciale punten met de klassieke psychosomatische studies :

    1. de monocausale theorieen hebben plaats moeten maken voor multifactoriele etiologische modellen. Deze laatste zijn modellen die recht doen aan de onafscheidelijk verbonden bio-psychosociale complexiteit van lichamelijke ziekten. Zo kan een maagzweer bv. voorkomen door een storing van het maagzuurproducerende enzyme, maar evenzeer onder invloed van psychologische stress.

    2. er wordt niet enkel rekening gehouden met onbewuste processen, maar ook met de bewuste zoals interpersoonlijke en sociale processen.

    3. het huidige psychosomatische onderzoek is gebaseerd op een strikt wetenschappelijke methodologie. Dit houdt in dat er plaats is voor etiologische studies, studies over psychofysiologische correlaties en medierende mechanismen, somatopsychische studies en therapeutische studies. Meer uitleg over deze studies kan je terugvinden in de bijlage 4.


    4.3.1.4 - Nieuwe klinische toepassingen

    De moderne psychosomatische geneeskunde is gericht op de concrete klinische en therapeutische praktijk. De 'liaison-psychiatrie' en de 'behavioural medicine' zijn hiervan het overtuigende bewijs. [42]

    4.3.1.4.1 – Liaison-psychiatrie
    De term 'liaison' wijst op de 'psychosomatische verbindingsfunctie' die de psychiater kan uitoefenen in het veld van de geneeskunde. Tegenwoordig zijn psychiaters niet enkel meer werkzaam in de klassieke psychiatrische inrichtingen, maar houden ze zich in toenemende mate ook bezig met de patienten in de algemene ziekenhuizen. De activiteiten van de liaison-psychiater liggen eerst en vooral op klinisch vlak. Hij kan een bijdrage leveren bij het stellen van een adequate diagnose en therapie.

    Er worden drie types van patienten door een liaison-psychiater geconsulteerd :

    1. patiënten die naast een lichamelijke ziekte ook psychiatrische problemen hebben.

    2. patiënten die door hun lichamelijke aandoening geconfronteerd worden met ernstige psychische verwerkingsproblemen.

    3. de groep van patienten die klachten hebben waarvoor geen duidelijke organische verklaring gevonden kan worden.

    Hiernaast heeft de liaison-psychiater ook een didactische opdracht. Hij kan zijn collega's somatici gevoeliger maken voor een bio-psychosociale ziektebenadering en hen motiveren om deze in hun praktijk toe te passen. Tenslotte heeft de liaison-psychiater nog een belangrijke onderzoekstaak. Verschillende aspecten van deze interventie moeten immers nog grondig bestudeerd worden om het werk te optimaliseren.

    4.3.1.4.2 - Behavioural medicine
    Behavioural medicine houdt in dat men gedragstherapeutische principes en technieken toepast bij de behandeling en preventie van lichamelijke stoornissen. Uit experimenteel-psychologisch onderzoek blijkt immers dat leer- en gedragsfactoren een belangrijke rol spelen in de geneeskunde :

    • heel wat lichamelijke processen en symptomen zijn vatbaar voor conditioneringseffecten. bv. klachten van chronische moeheid kunnen versterkt of onderhouden worden door bekrachtende omgevingsfactoren.

    • het tot stand komen van somatische symptomen wordt in aanzienlijke mate beinvloed door cognitieve elementen zoals attributie en de interpretatie van lichamelijke gewaarwordingen.

    • door de toename van chronische ziekten werd de aandacht gevestigd op het belang van gedragsaspecten bij de behandeling.

    • tenslotte groeit het inzicht dat het individu zelfverantwoordelijk is voor het behoud of herstel van zijn gezondheid en dat hiervoor bepaalde gedragingen aangeleerd of afgeleerd moeten worden.

    [42] ibidem

    Behavioural medicine-psychologen maken gebruik van alle mogelijke gedragstherapeutische methoden zoals bv. :

    • relaxatie oefeningen en biofeedback

    • stress management- en assertiviteitstraining

    • zelfcontrolemethoden

    • ....


    Besluit

    De moderne psychosomatische geneeskunde heeft zich bevrijd van eenzijdige theorieen en houdt nu rekening met de omvattende bio-psychosociale realiteit van lichamelijk ziek zijn. Nu moet deze geneeskunde die de mens in zijn totaliteit behandeld nog meer in praktijk gebracht worden.



    Lees verder : Deel IV


    Cfr. : http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=6408

    28-12-2005 om 00:00 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het Chronische Vermoeidheidssyndroom - Gevallenstudies - Deel IV
    Klik op de afbeelding om de link te volgen
    Het Chronische Vermoeidheidssyndroom

    Gevallenstudies

    vanuit de Psychosomatische Revalidatie Afdeling
    van het Universitair Ziekenhuis te Pellenberg



    Deel IV

     

    4.3.1.5 - Het bio-psychosociale ziektemodel

    Het bio-psychosociale ziektemodel houdt rekening met lichaam, geest, sociale interacties en de effecten van de omgeving op het individu. [43] De patient staat centraal in zijn proces en zijn noden zijn duidelijk erkend. Patienten hebben recht op een zinvol en productief leven, zelfs in samenhang met hun chronische ziekte. Aanpassing, verandering en ziekelijk handelen zijn hier erkend. Het belangrijkste punt is dat de patient actief moet deelnemen aan zijn eigen behandeling.

    Theoretische 'aanpakken '

    • behandelingsaanpakken zijn multiprofessioneel van nature en dus niet specifiek voor de ergotherapie. Het is een team-gebeuren.

    • de identificatie en opvatting over behandelingsaanpakken zorgt voor samenhangende kennis, bekwaamheden en houdingen die hulpvaardig kunnen zijn met specifieke patienten groepen die persoonlijke handicaps, onbekwaamheden of benadelingen hebben die verwant zijn met chronische vermoeidheid.

    • een aanpak die dikwijls vermeld staat in de literatuur van chronische vermoeidheid en die centraal staat in de tussenkomst is de 'cognitieve handelingsaanpak'. Om de mogelijkheden van deze aanpak maximaal te benutten moet deze toegepast worden door elk team-lid.

    [43] Hansen & Gerber, 1990

    De cognitieve handelingsaanpak heeft vijf centrale aannemingen : [44]

    1. de individuen zijn actieve handelaars.

    2. de gedachten kunnen een beinvloedende stemming ontluiken, fysiologische processen uitwerken en/of sociale gevolgen hebben. Gedachten kunnen ook dienen als motivatie voor handelen, conversatie, stemming, fysiologie en omgevingsfactoren. Handelen kan het karakter en de voldoening van gedachten-processen beinvloeden.

    3. door de handeling is er een wisselwerking tussen de mens en zijn omgeving.

    4. individuen kunnen aanpassingswijzen van denken; voelen en handelen leren.

    5. individuen zouden actieve handelingspersonen moeten zijn in het veranderen van hun onaangepaste aanpak van gedachten, gevoelens en handelingen.

    (Turk & Meichenbaum, 1994)

    De cognitieve handelingsaanpak kan waargenomen worden in de context van bet biopsychosociale model. Daarenboven moeten ook de biologische aspecten van de patient overwogen worden.

    [44] Turk & Meichenbaum, 1994


    4.3.2 - Werking van dit model binnen de psychosomatische revalidatieafdeling (PSR)


    4.3.2.1 – Uitgangspunten

    In de huidige gezondheidszorg worden we nog te vaak geconfronteerd met patienten die niet adequaat geholpen kunnen worden op een somatische of een psychiatrische afdeling, zoals psychosomatische ziekten en C.V.S.

    In de eerste plaats gaat het om patienten die naast hun somatische aandoening te kampen hebben met ernstige of aanslepende psychiatrisch verwerkingsproblemen, of personen die een psychiatrische verwikkeling (comorbiditeit) vertonen zoals bv. een depressie of een aanhoudende angststoornis. In de tweede plaats gaat het om personen die langdurig lichamelijke symptomen of klachten hebben zonder dat er objectieve afwijkingen kunnen gevonden worden.

    Beide groepen van patienten komen in aanmerking voor een opname. Men heeft aandacht voor alles wat betrekking kan hebben op de ziekte. Door een somatische behandeling krijgen ze geen verbetering van hun ziekte waarvan ze ontgoocheld en moedeloos worden. Maar omdat ze toch resultaten willen kan dit leiden tot 'medical shopping', waarbij ze alle mogelijke therapieen blijven uitproberen. Het kan ook leiden tot het optreden van complicaties door een foutieve medische behandeling. Een strikt psychiatrische behandeling is ook niet ideaal, daar er hier meestal te weinig aandacht geschonken wordt aan de lichamelijke klachten. De meeste patienten staan trouwens ook nogal negatief ten opzichte van een psychiatrische opname, daar dit nog altijd een stigma draagt in onze maatschappij.

    Om die reden is in de U.S.A. een tiental jaar geleden een nieuw type van afdeling ontstaan, die 'psychosomatic medicine unit' genoemd wordt. Deze afdeling richt zich specifiek op patienten met gemengde medisch-somatische en psychiatrische problematiek en/of chronische somatisatieproblemen. Deze afdeling wordt geleid door een gemengd medisch-somatisch en psychiatrisch team, om de patient in zijn totaliteit te kunnen behandelen. Ook in Duitsland bestaan reeds geruime tijd psychosomatische klinieken. Zowel het Amerikaanse als het Duitse model waren een inspiratiebron om de psychosomatische revalidatie-afdeling voor C.V.S.-patienten in Pellenberg op te richten. [45]

    [45] Van Houdenhove, Vasquez, Goossens & Vandeput; Psychosomatische revalidatie afdeling


    4.3.2.2 - Therapeutische basisfilosofie en basisstrategieen

    De PSR heeft als centraal doel de patienten met gemengde somatische en psychiatrische klachten of met onverklaarde somatische klachten te helpen. Dit,houdt in dat de levenskwaliteit van de patient geoptimaliseerd wordt door een bevredigender niveau van functioneren na te streven. Dit omvat zowel het functioneren op lichamelijk vlak als op psychosociaal en professioneel vlak. Bij het herbepalen van het functioneren wordt er rekening gehouden met de individuele lichamelijke beperkingen. De patienten kunnen vooral geholpen worden door hen te stimuleren tot meer zelfwerkzaamheid en zelf-verantwoordelijkheid in het omgaan met hun lichamelijke en psychische problemen.


    4.3.2.3 - Concrete werking PSR

    Om de therapeutische basisstrategie in praktijk te brengen wordt op de afdeling een programma aangeboden van gedragstherapeutische en belevingsgerichte groepsactiviteiten :

    • pijn- en stressmanagementtraining

    • sociale vaardigheidstraining

    • bewegingstherapie

    • relaxatietherapie

    • ergotherapie en creatieve therapie

    • ervaringsgerichte groepsgesprekken.

    Bovendien wordt er intensief gewerkt aan de verbetering van de lichamelijke conditie door middel van een progressieve fitnesstraining (kinesitherapie).

    Bij samengaande depressieve- en angstproblematiek wordt een adequate psychofarmacologische behandeling ingesteld. De individuele gesprekken met de verpleegkundige begeleider en de assistent-psycholoog helpen de patient om de lichamelijke en psychische aspecten van zijn problematiek te leren zien, om zijn ziekte te plaatsen in zijn levensgeschiedenis en om geleidelijk aan positieve veranderingen in zijn levensgeschiedenis in te bouwen. Omdat ik besef dat het gezin van de patient bij deze veranderingen ook een grote invloed heeft, kunt u hierover meer lezen in de bijlage.

    De afdeling legt een specifieke klemtoon op de geindividualiseerde en graduele opbouw van concrete therapeutische doelstellingen. [46]

    Na de eerste opname kan de patient nog eens heropgenomen worden in een vervolgprogramma. Soms wordt de patient ook doorverwezen naar een psychiatrisch ziekenhuis. Na het ziekenhuisverblijf kan de patient een beroep doen op verdere begeleiding of nazorg op deze dienst onder de vorm van een daghospitalisatie. Dit wordt later nog uitgebreider besproken in het praktijkgedeelte.

    [46] Van Houdenhove, Psychosomatiek modellen strategieen perspectieven. 1997


    4.4 – Besluit

    Een psychotherapeutisch programma is dus een ideale behandeling voor de C.V.S.-patient, waarbij men de nodige aandacht heeft voor de factoren die een rem zijn voor zijn/haar revalidatie-proces. Dit is allemaal wel goed en wel, maar wat kan een ergotherapeut nu op zo'n afdeling doen ? Heeft hij hier eigenlijk niets verloren of is het nodig tijd om versteld te staan welk aandeel hij heeft bij deze behandeling ? In het volgende hoofdstuk zal in elk geval de rol van de ergotherapeut besproken worden met zijn specifieke en minder specifieke taken.



    Hoofdstuk V – De behandeling van het C.V.S. en de rol van de ergotherapeut


    Inleiding

    In dit hoofdstuk zal alle aandacht gaan naar de rol van de ergotherapeut. Daar deze taak van nature uit zo uitgebreid is, zal er besproken worden wat men van de ergotherapeut op en psychosomatische afdeling kan verwachten. Er zullen wel nog afdelingen zijn waar men psychosomatisch werkt, doch deze beschrijving zal enkel zijn over de PSR te Pellenberg daar mijn kennis en ervaringen slechts tot deze afdeling beperkt zijn.


    5.1 – Algemeenheden

    Ergotherapeuten zijn in de eerste plaats bekommerd rond de psychosociale, fysieke en omgevingsfactoren die bijdragen tot het C.V.S. Ook de individuele vermoeidheid in het dagelijkse leven krijgt belangrijke aandacht. De ergotherapeut zit in een unieke positie om het belastende van de effecten van de chronische vermoeidheid in rollen, occupationele uitvoeringen en deelhandelingen op te delen. Deze worden primair behandeld met zinvolle activiteiten en selectieve technieken. Omdat de behandeling van chronische vermoeidheid interdisciplinair en van nature uitgebreid is, zullen er tussen verschillende disciplines overlappingen zijn. (IASP '94)

    Ook in Pellenberg wordt er op de psycho-somatische revalidatieafdeling (PSR) interdisciplinair gewerkt. Ieder teamlid streeft hetzelfde doel na, maar ieder heeft hiervoor zijn eigen methodes en behandelingstherapieen.

    Het werk van Mathiowetz ('93) een ergotherapeut, voorziet een basis van een samenhangend en uitgebreid kader om de onderzoeksprocedures te organiseren. Deze kunnen gebruikt worden om de effecten van het C.V.S. bij occupationele handelingen te grondvesten. In overeenstemming met de filosofie en de waarden van het beroep zou dit onderzoek zo uitgebreid mogelijk moeten zijn. Dit uitgebreid onderzoek moet in verband staan met een gericht resultaat van :

    • de rol uitvoering

    • het occupationele gedrag

    • de deelhandelingen

    Daarenboven kan men ook rekening houden met :

    • de ervaring van de vermoeidheid

    • de occupatie en de omgeving

    • het resultaat van de maatregelen.

    De beoordeling van het onderzoek moet ook kwantitatief (gestandaardiseerde, onafhankelijke maatstaven) en kwalitatief (persoons waarnemingen, prioriteiten, noden, ...) zijn.


    5.2 - Ergotherapie binnen de PSR

    Ergotherapie is moeilijk met enkele woorden te omschrijven. Wij kunnen immers op veel verschillende terreinen bezig zijn als we werken met patienten die lichamelijke, psychologische en/of sociale problemen hebben. Bovendien hebben we zeer uiteenlopende taken afhankelijk van de problematiek waarmee we ons specifiek bezig houden. Het is belangrijk om iets meer te weten over de doelstellingen en het proces dat we doorlopen om deze te bereiken. Bovendien dienen we enkele fundamentele normen en waarden aan die doelstellingen en aan onze werkwijze te geven met het oog op wat er voor een ergotherapeut ten grondslag ligt.

    Het hoofddoel van de ergotherapie is mensen helpen die omwille van bepaalde stoornissen beperkingen ondervinden bij het uitvoeren van activiteiten uit het dagelijkse leven. Ergotherapie moet in de eerste plaats de mensen helpen om hun hoogste niveau van functioneren te bereiken, door hen in staat te stellen zich de kennis, vaardigheden en houding te verwerven die nodig zijn om hun taken en rollen in het dagelijkse leven te volbrengen. Het ergotherapeutisch proces is voornamelijk probleemoplossend van aard.

    Wat betreft het probleemoplossend aspect van het ergotherapeutisch proces moeten we twee zaken in acht houden :

    1. bij het probleemoplossend proces gaat het niet enkel om het simpele 'oplossen' van het probleem. De beste oplossing kan ook bestaan uit het beperken van de gevolgen van het probleem.

    2. ten tweede moet de holistische benadering van het ergotherapeutisch proces vorm krijgen.

    Aan ergotherapie liggen enkele fundamentele overtuigingen ten grondslag :

    • wij geloven dat iedere mens een fundamentele behoefte heeft aan doelgericht bezig zijn, dit wil zeggen dat iedere mens behoefte heeft aan werk-, spel- en rustactiviteiten.

    • de overtuiging dat bezig zijn een wezenlijke menselijke behoefte is, benadrukt eveneens het therapeutisch potentieel van activiteiten.

    • ten slotte laten we de exclusiviteit van elk individu aan bod komen.

    Samenvattend kan ergotherapie beschouwd worden als een holistisch, probleemoplossend proces, waarin de unieke problemen van een mens worden behandeld door het toepassen van doelgerichte activiteit.

    Sommige patienten met psychosomatische klachten slagen er na verloop van tijd in hun perspectief te verbreden. Ze krijgen een duidelijker inzicht in samengaande of onderliggende emotionele problemen. Ze raken ervan overtuigd dat ze, om hun lichamelijke klachten te verbeteren, ook aan die problemen iets moeten doen. Grosso modo zijn er drie types van psychotherapie die daarvoor in aanmerking komen : gedragstherapie, belevingsgerichte therapie en systeemtherapie.


    5.2.1 – Gedragstherapie

    De gedragstherapie gaat ervan uit dat je minder aangepast gedrag kunt afleren, terwijl je meer aangepast gedrag kan aanleren. Natuurlijk komen daar ook heel wat gedachten en gevoelens bij kijken en daarom wordt tegenwoordig meer gesproken van 'cognitieve gedragstherapie'. Maar de gedragstherapeut brengt die gedachten en gevoelens telkens in verband met heel concrete gedragswijzen. En probeert van daaruit positieve veranderingen tot stand te brengen.

    Gedragstherapie is bedoeld voor patienten die geholpen kunnen worden door te werken aan de verandering van gedrag en aan inzicht in het eigen functioneren. Gedragstherapie is evenals de andere psychotherapeutische behandelmethoden gericht op het vergroten van de autonomie van de patient en richt zich daarbij op het hier en nu. Het is gebruikelijk dat gedragstherapie uitgaat van de motivatie tot veranderen van de patient. Dit betekend dat de patient zelf doelen zal noemen voor de therapie. Deze doelen zijn echter meestal vaag, zodat de gedragstherapeut samen met de patient tracht deze in meer concrete en haalbare doelstellingen te vertalen.

    Cognitieve gedragstherapie, gericht op het bewerken en afzwakken van lichamelijke attributies, het vergroten van self efficacy en op evenwicht in het activiteitenpatroon, blijkt een effectieve behandeling te kunnen zijn. [47] Zowel Sharpe [48] als Bleijenberg et al. [49] hebben cognitieve gedragstherapie bij CVS uitvoerig beschreven.

    Allereerst wordt nagegaan of de patient zich voldoende lichamelijk onderzocht vindt en met welke verwachtingen en houding de patient gekomen is. De therapeut geeft de patient de gelegenheid de klachten uiteen te zetten en benadrukt dat het ontbreken van lichamelijke afwijkingen niet per definitie wijst op psychische oorzaken. Gaandeweg wordt het de patient duidelijk dat de belangrijkste vraag niet is hoe de klachten worden veroorzaakt, maar wel hoe hij er vanaf kan komen. Voorwaarden voor de behandeling zijn dat er geen verder lichamelijk onderzoek zal plaats vinden en dat de patient niet tegelijkertijd andere behandelingen aangaat. De eerste voorwaarde is van belang omdat de behandeling gericht is op het verminderen van lichamelijke attributies en verder lichamelijk onderzoek deze terug kan versterken. De tweede voorwaarde heeft te maken met zelfwerkzaamheid van de patient. Het effect van datgene wat men zelf verandert in het omgaan met de klachten kan alleen vastgesteld worden, als er niet gelijktijdig andere behandelingen gaande zijn. Na een uitgebreide klachteninventarisatie wordt de patient door presentatie van de functionele analyse van de klachten duidelijk gemaakt dat zijn gedachten en gedrag de vermoeidheidsklachten in stand houden. Verondersteld wordt dat met name cognities een belangrijke rol spelen bij het in stand houden en het veranderen van het gedrag. Methoden om deze cognities te veranderen zijn ontleend aan de rationele therapie. Andere elementen van belang in de behandeling zijn stapsgewijs grenzen verleggen en daarmee de lichamelijke conditie verbeteren en een nieuwe balans tussen activiteit en rust te vinden.

    [47] Bleijenberg, Vercoulen & Bazelmans, 1996.
    [48] Sharpe, 1993
    [49] ibidem


    Toepassing van de CGT in de ergotherapie
    [50]

    Een belangrijke leidraad voor het therapeutische handelen in het kader van deze behandeling is de aanname dat mensen geen stoornissen krijgen door de omstandigheden zelf, maar door de manier waarop ze tegen de omstandigheden aankijken. Dit betekent dat patienten in de eerste plaats zelf verantwoordelijkheid dragen voor de problemen die zij ondervinden en daarmee dus ook zelf het vermogen bezitten om daarin verandering te brengen.
    Immers, de patient is zelf verantwoordelijk voor wat hij denkt, voelt en doet. Als een patient problemen heeft die zich uiten in depressiviteit, boosheid, angst,...

    Ook ergotherapeuten worden geconfronteerd met patienten die de genoemde problemen hebben. De ergotherapeut kan dan in zijn behandeling van verschillende technieken gebruik maken om aan de therapie een positieve wending te geven :

    • zo kan hij zoeken naar verklaringen hoe het komt dat de patient zich zo voelt. Een goede verklaring geven aan de patient maakt dat de patient zijn probleem beter gaat begrijpen en daardoor minder last heeft van de negatieve effecten daarvan.

    • ook kan de ergotherapeut de patient zelfcontroletechnieken (cognitieve herstructurering) leren gebruiken. Bv. aan een patient die denkt dat hij een bepaalde activiteit niet kan omdat hij te moe is, kan de opdracht gegeven worden om die activiteit te doen, ook al weet hij dat hij moe is. Telkens hij denkt dat hij er te moe voor is en hij deze activiteit toch niet zal kunnen afmaken, moet hij tegen zichzelf zeggen : 'het heeft geen zin om op voorhand te zeggen dat ik deze opdracht toch niet zal kunnen beeindigen, ik weet dat ik deze activiteit makkelijk kan onderbreken; ik schiet er dus niets mee op om steeds te denken dat ik deze opdracht toch niet zal kunnen voltooien'. Hierdoor zal zijn negatieve spiraal van inactiviteit bovendien doorbroken worden

    • soms kan een ergotherapeut kiezen voor een paradoxale aanpak. Aan een huisvrouw die onverbiddelijk wil instaan voor haar huishouden, kan deze taak haar als het ware voorgeschreven worden. Dit kan inhouden dat er een dag- en weekschema wordt opgesteld dat aangeeft op welke tijden ze deze taak moet voldoen; buiten die uren moet ze echter andere activiteiten ontplooien naast het nemen van rust.

    [50] Finlay L., 1995.

    Voor de ergotherapeut die vaak geconfronteerd wordt met patienten die moeite hebben zich aan bet therapeutisch proces te onderwerpen, zijn motiveringstechnieken van belang :

    • uitleg geven - Het doel van de therapie wordt uitgelegd, naast de uitleg van de therapeut waarom deze behandeling zin heeft voor de patient.

    • directieve interventies - Als de patient ondanks de gemaakte afspraken bepaalde opdrachten niet uitvoert, staan daar bepaalde sancties tegenover. Deze sancties worden dan uiteraard vooraf in samenspraak met de patient bepaald, om er zeker van te zijn dat ze een motiverende werking hebben op het alsnog nakomen van gemaakte afspraken.

    • behoefte aan autonomie benutten - De ervaring bestaat dat naarmate de patient sterker beseft dat hij zichzelf iets oplegt, hij meer verantwoordelijkheid zal nemen over de uitvoering van die activiteit. Dit effect kan benut worden door de patient enkele alternatieven voor te leggen waaruit bij een keuze kan maken of door de grove lijnen van een advies te geven en met de patient te onderhandelen over de precieze invulling.

    • zelfrespect bevorderen - Aangeven aan de patient dat de activiteit die bij uitvoert niet perfect hoeft te zijn. Het is veel belangrijker dat bij meer aandacht besteed aan de wijze waarop hij de activiteit uitvoert. Daardoor hoeft hij zich niet minderwaardig te voelen.

    • inleidende fase toepassen bij inertieproblemen - Sommige patienten hebben moeite gevolg te geven aan een afspraak en kunnen als het ware niet de stap zetten die nodig is om tot de gewenste gedragsverandering te komen. De ergotherapeut kan hier rekening mee houden door de patient een activiteit te laten doen en hem te vragen goed na te denken over de zin ervan voor zijn behandeling. Dit heeft tot gevolg dat de patient het gevoel heeft nog geen definitieve stap gezet te hebben, terwijl hij eigenlijk al bezig is met het uitvoeren van de activiteit op een nieuwe wijze.

    • de uitvoering van activiteiten uitstellen - Een ergotherapeutische activiteit moet een relatie hebben met de behoeften van de patient, met hetgene hij zelf wil. Om te bevorderen dat een dergelijke relatie ontstaat, kan aan de patient gezegd worden zelf de activiteit te kiezen. Ook kan er een bepaalde activiteit voorgesteld worden, waarbij de ergotherapeut hem vraagt er een week over na te denken. Als die patient na een week beslist om die activiteit te doen, is hij meestal gemotiveerd, omdat hij hiervoor gekozen heeft.

    • positief etiketteren - De therapeut geeft complimenten over de wijze van uitvoering van de activiteit, hij toont vertrouwen in de effectiviteit van de behandeling,...

    • een contract afsluiten - De ergotherapeut maakt met de patient afspraken over het tijdstip waarop de activiteit afgerond moet worden,... Met een patient die prestatiegericht blijft kan bv. afgesproken worden hoe vaak hij moet pauzeren tijdens een activiteit.

    • het geven van adviezen - Tot slot is het geven van adviezen ook een belangrijke taak van de ergotherapeut. In het kader van CGT gaat het steeds om adviezen die een gedragsverandering tot gevolg moeten hebben. Door adviezen van de ergotherapeut op te volgen, kan de patient veranderingen aanbrengen in zijn handelen, denken en voelen. Hierbij kan een onderscheid gemaakt worden tussen impliciete adviezen die vooral op het onbewuste functioneren aangrijpen en expliciete adviezen. Bij impliciete adviezen geeft de therapeut geen duidelijk omschreven advies of opdracht, maar maakt door houding of gebaar aan de patient duidelijk dat hij vindt dat de patient eigenlijk ander gedrag zou moeten vertonen of anders tegen een onderwerp zou moeten aankijken.
      De expliciete adviezen kunnen in de vorm van huiswerkopdrachten worden aangeboden. Afhankelijk van de vermogens van de patient zullen deze opdrachten meer of minder gestructureerd zijn, en kunnen er bv. alternatieven worden aangegeven voor de wijze van uitvoeren. Door huiswerkopdrachten te geven kunnen patienten de vaardigheden die zij met de ergotherapeut geoefend of besproken hebben, ook oefenen in de eigen leefomgeving.


    5.2.2 - Belevingsgerichte therapie [51]

    De klemtoon ligt hier op het jezelf uitspreken, op het verwoorden van gevoelsgeladen problemen. Deze therapeutische richting gaat ervan uit dat moeilijke levenservaringen op die manier beter verwerkt kunnen worden. Daardoor ga je je ook lichamelijk vrijer en minder gespannen voelen. De therapeut richt zich in de eerste plaats op belevingen in het hier-en-nu, terwijl er ook veel aandacht geschonken wordt aan ervaringen uit de vroege kindertijd en jeugd. Een speciaal probleem hierbij vormen de traumatische ervaringen, zoals mishandeling en misbruik. Therapeuten zijn het niet eens over wat in die gevallen de beste behandeling is. Sommigen proberen die ervaringen uit de herinnering naar boven te halen. Ze geloven dat ernstige psychische kwetsuren op die manier kunnen genezen. Anderen zijn veel voorzichtiger. Ze beseffen dat sommige ervaringen zo pijnlijk zijn geweest, dat de patient ze terecht heel diep heeft verdrongen. Dergelijke ervaringen zijn eigenlijk niet echt te verwerken. Samen met de patient komen ze tot het besluit dat het beter is 'het potje bedekt te laten'. In dat geval kan de therapeutische hulp beter op andere aspecten van de problematiek gericht worden.

    De nadruk die in de humanistische psychologie gelegd wordt op het subjectieve gezichtspunt van de patient vinden we terug in de ergotherapeutische visie op behandelen : [52]

    • in het handelen manifesteert de mens zichzelf en geeft bij zin aan zijn bestaan (als de mens in omstandigheden leeft waarin bij zijn basisbehoeften kan bevredigen, is hij beter in staat behoeften van een hogere orde, behoeften aan zelfrespect, zelfontplooiing en zelfverwerkelijking te bevredigen).

    • de behoefte aan zelfrespect en zelfverwezenlijking is bij ieder mens aan te treffen mits hij op een gezonde manier kan functioneren.

    Daarom gaat de therapeut uit van het principe dat elk mens beschikt over het vermogen om zelfstandig problemen op te lossen of te hanteren en zelfstandig relaties vorm te geven. Bij deze therapie kunnen drie essentiele eisen onderscheiden worden aan de therapeutische houding :

    • empathie - Dit houdt in dat de therapeut ernaar streeft de belevingswereld van de patient te begrijpen zoals deze zich aan de patient voordoet.

    • onvoorwaardelijke positieve achting - Hiermee wordt bedoeld dat de therapeut de intentie heeft om de patient, ongeacht zijn gedrag, als persoon te accepteren.

    • congruentie - Deze term heeft betrekking op het vermogen van het therapeut om zijn gevoelens, zijn denken en zijn gedrag in overeenstemming met elkaar te laten zijn en ze zo ook tot uiting te laten komen.

    In een therapeutische situatie intervenieert de ergotherapeut voortdurend. Interventie betekend letterlijk 'tussenkomst'. Ook doelbewust stilzwijgen en stilzitten is in een therapeutische situatie een therapeutische interventie. Therapeutische interventies worden altijd doelgericht gebruikt om aan de therapie de gewenste richting te geven. Zij kunnen uiteenlopen van relatief veilige interventies tot en met tamelijk confronterende interventies.

    [51] Van Houdenhove, 1998
    [52] Finlay, 1995


    Ergotherapeutische activiteiten en belevingsgerichte therapie [53]

    Bij het zoeken naar een activiteit zal de ergotherapeut rekening houden met de behoeften van de patient, hij zal de patient stimuleren zoveel mogelijk zelfkeuzes te maken, zelf na te denken over de wijze waarop hij de activiteit wil uitvoeren en voor zijn keuzes de verantwoordelijkheid te nemen. De ergotherapeut gebruikt hierbij met name gesprekstechnieken als het stellen van orienterende vragen, reflecteren, parafraseren, focussen en vragen om verduidelijking. Belangrijk in het kader van deze therapie is, dat de therapie direct aansluit bij het niveau van functioneren van de patient en dat de therapeut zich helemaal richt op het door te maken groeiproces.

    Inzicht geven is een veelomvattend begrip.
    Om inzichtgevend te behandelen kunnen verschillende behandelmethoden afzonderlijk van elkaar of eclectisch gebruikt worden. Naarmate de patient verbaal minder begaafd is en naarmate zijn persoonlijkheid minder goed intact is, zal de therapeut meer ondersteunend behandelen en veel aandacht hebben voor een veilige therapeutische situatie. Inzichtgevend behandelen betekent voor de ergotherapeut dat hij aan de therapiedoelen en middelen zodanig vormgeeft dat de patient meer inzicht krijgt in zijn eigen functioneren en daardoor in staat wordt gesteld met minder beperkingen in het dagelijkse leven te functioneren.

    Doordat de ergotherapie technieken gebruikt die afkomstig zijn van psychotherapeutische methoden, kan er natuurlijk sprake zijn van overlapping tussen ergotherapie en psychotherapie. Waar echter in de psychotherapie het aangrijpingspunt het gesprek is, is dat in de ergotherapie de uit te voeren activiteit. Het verschil kan op allerlei manieren worden aangegeven, maar het meest wezenlijke verschil is gelegen in de doelstellingen die nagestreefd worden : in de ergotherapie gaat het in de eerste plaats om het behandelen van beperkingen in het (dagelijkse) handelen. Als die beperkingen het directe gevolg zijn van onvoldoende inzicht in de oorzaken die aan die beperkingen ten grondslag liggen, dan zal de ergotherapeut middelen gebruiken die ook in de creatieve therapie gebruikt worden: projectieve technieken verder besproken in hoofdstuk 7.

    [53] Finlay, 1995.


    5.2.3 - Systeemtherapie [54]

    Het spreekt vanzelf dat mensen met psychosomatische klachten zoals CVS niet in het luchtledige leven. Daarom kan het heel nuttig zijn de partner of zelf het hele gezin, bij de therapie te betrekken. Bv. wanneer de klachten geleid hebben tot spanningen of conflicten in de omgang met elkaar. Of wanneer reeds langer bestaande relatieproblemen een stress-bron vormen die constant energie wegzuigt. Of wanneer blijkt dat sommige gezinsleden geneigd zijn een positieve verandering bij de patient tegen te werken, bv. omdat ze hun zorgende functie dreigen te verliezen. Samen aan het psychosomatische probleem werken kan de verstandhouding in het gezin en de kwaliteit van de onderliggende relaties op een hoger peil brengen.

    [54] Van Houdenhove, 1998



    Lees verder : Deel V


    Cfr. : http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=6408

    28-12-2005 om 00:00 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het Chronische Vermoeidheidssyndroom - Gevallenstudies - Deel V
    Klik op de afbeelding om de link te volgen
    Het Chronische Vermoeidheidssyndroom

    Gevallenstudies

    vanuit de Psychosomatische Revalidatie Afdeling
    van het Universitair Ziekenhuis te Pellenberg



    Deel V 

     

    Tweede deel II – Practisch deel


    Hoofdstuk VI – Voorstelling van de dienst


    Inleiding

    Aangezien een psychosomatische revalidatie-afdeling nog niet zo evident is, vind ik het belangrijk om de dienst waar ik stage liep voor te stellen. Hierdoor kan ik de lezer mijn persoonlijk beeld geven van deze afdeling en de programma's die men gebruikt bij de behandeling van de patienten.


    6.1 - Omschrijving Psychosomatische revalidatie-afdeling (PSR)

    PSR is een afdeling voor psycho-somatische revalidatie. Deze afdeling richt zich specifiek op patienten met gemengde medisch-somatische en psychiatrische
    problematiek en/of chronische somatisatieproblemen. Op de PSR afdeling wordt de patient in zijn totaliteit behandeld, wat hier zeer belangrijk is. Alle teamleden delen deze visie, ook o.a. de ergotherapeuten die deze visie reeds vanuit hun opleiding meekregen.


    6.2 – Doelgroep

    De doelgroep van patienten die hier behandeld worden, zijn reeds besproken onder de diagnostische criteria (zie hoger).


    6.3 – Programma's

    Afhankelijk van het niveau van functioneren van de patient zijn er verschillende programma's :

    1. motivatie en exploratie programma (IPME)

    2. programma voor functionele revalidatie (PER)

    3. programma voor psychotherapeutische revalidatie (PPR)


    6.3.1 - Motivatie en exploratie programma (PME)

    6.3.1.1 – Begripsomschrijving
    Motivatie : het doel van deze behandeling uitleggen en de patienten stimuleren om aan hun problemen te werken.
    Exploratie : doorzoeken op welk domein er meer ingewerkt moet worden en wat voor elke patient het beste is.

    6.3.1.2 – Doelgroep
    Patienten die voor de eerste maal opgenomen worden op de PSR afdeling, komen in aanmerking voor dit programma.

    6.3.1.3 – Doelstelling

    • de problematiek van de patient bio-psychosociaal doorzoeken : ieder team-lid probeert zicht te krijgen op de mogelijkheden en beperkingen van de patient om optimaal het probleem uit te werken.

    • er wordt nagegaan of de patient voldoende geinformeerd en overtuigd is over het belang van de zelfwerkzaamheid. Het ziekteinzicht wordt ontwikkeld.

    • naast het geven van informatie wordt er ook aandacht geschonken aan de ervaring en de beleving van de patient. Daarnaast zorgt men er ook voor dat de patient zelf eens gaat nadenken over de toekomstperspectieven.

    6.3.1.4 – Duur
    De patient wordt gedurende 4 weken gescreend door het team in de verschillende therapieen.

    6.3.1.5 - Grootte van de groep
    Aan het PME-programma kunnen 18 patienten deelnemen. Het programma is om organisatorische redenen nog eens opgesplitst in 2 groepen.

    6.3.1.6 - De aangeboden activiteiten zijn :
    Naast de specifieke ergotherapeutische activiteiten die in volgend hoofdstuk besproken worden, krijgt de patient ook nog anderen activiteiten aangeboden :

    • conferenties gegeven door de verschillend disciplines - Hier krijgen de patienten uitleg over verschillende aspecten van hun ziekte : chronische vermoeidheid en/of chronische pijn, het gebruik van medicatie, de invloed van stress en gevoelens op hun ziekte, de rol van activiteit en rust,...

    • practische oefeningen

    • daarnaast krijgt de patient de kans om met de verpleegkundigen en de medepatienten te bespreken wat dit allemaal voor hem/haar betekent.

    • de patient wordt vier weken opgenomen. Tijdens de week verblijft de patient in de kliniek. Tijdens het weekend gaat de patient naar huis om hospitalisatie te voorkomen

    • er zijn veel tussentijdse besprekingen en therapieen.

    • na verloop van de vier weken wordt er een evaluatie opgemaakt.

    6.3.1.7 - Verdere mogelijkheden na PME

    • de patient keert terug naar huis zonder verdere begeleiding.

    • de patient keert terug naar huis, maar krijgt begeleiding van een therapeut in de thuissituatie.

    • de patient wordt doorverwezen naar een andere behandelingsinstelling, omdat deze een betere aansluiting kan zijn gezien de vastgestelde problemen.

    • de patient blijft en volgt een therapeutisch programma, verder besproken onder 6.3.2 en 6.3.3. De patient kan onmiddellijk overschakelen naar het therapeutisch programma maar er kan evenwel een tussenpauze ingelast worden.


    6.3.2 - Programma voor functionele revalidatie (PER)

    Revalidatie betekent stappen ondernemen om eigen mogelijkheden zoveel mogelijk te verbeteren. Het functionele duidt op de dagelijkse levenswijze.

    6.3.2.1 – Doelgroep
    Patienten die de eerste sessie achter de rug hebben en doorverwezen worden voor een vervolgprogramma waar de functionele revalidatie belangrijk is.

    6.3.2.2 – Doelstelling
    De afdeling legt een specifieke klemtoon op de geindividualiseerde en graduele opbouw van concrete therapeutische doelstellingen.
    De algemene doelstellingen van de PER zijn :

    • de patient op weg zetten in de richting van fysieke reconditionering - Dit gebeurt onder andere in de kine en ergo.

    • de eventuele psychiatrische co-morbiditeit van de patient (depressie, angst, slaapstoornissen,...) voldoende onder controle brengen - Sommige patienten hebben hier nog moeite mee en dan kan het werken met creatieve technieken op beperkte en individuele basis, ook in de PER een oplossing zijn.

    • de patient een aantal copingstechnieken aanleren om beter met zijn klachten om te gaan - Dit komt deels aan bod in de ergonomie.

    Er wordt een programma aangeboden van gedragstherapeutische en levensgerichte groepsactiviteiten, zoals :

    • pijn- & stressmanagementtraining

    • sociale vaardigheidstraining

    • bewegingstherapie

    • relaxatietherapie

    • ergotherapie

    • ervaringsgerichte groepsgesprekken.

    Men poogt geleidelijk aan de patient meer positief te leren denken. In vele gevallen wordt de partner uitgenodigd voor een relatiegesprek.

    6.3.2.3 – Duur
    Het programma duurt acht weken

    6.3.2.4 - Grootte van de groep
    Aan het PFR programma nemen 9 patienten deel per groep

    6.3.2.5 – Werkwijze

    • de opname van de patient gebeurt voor een periode van 8 weken.

    • nieuwe methoden worden aangereikt om met de klachten te leren om gaan.

    • naast de vele besprekingen doet men veel aan progressieve fitness-training met het oog op de verbetering van de lichamelijke conditie.

    • er wordt een link gelegd met de thuissituatie.

    • na afloop wordt een evaluatie opgemaakt.

    6.3.2.6 - Verdere mogelijkheden
    Idem PME, desnoods wordt doorverwezen naar het programma voor psychotherapeutische revalidatie (PPR).


    6.3.3 - Programma voor psychotherapeutische revalidatie (PPR)

    6.3.3.1 – Begripsomschrijving

    • Psychotherapie : behandeling van patienten met psychische moeilijkheden d.m.v. een methodische vorming en hantering van een relatie tussen patient en therapeut.

    • Revalidatie : stappen ondernemen om eigen mogelijkheden zoveel mogelijk te verbeteren.

    6.3.3.2 – Doelgroep
    Patienten die het motivatie en exploratie programma achter de rug hebben en doorverwezen worden naar PPR voor verdere therapeutische behandeling.

    6.3.3.3 – Doelstelling
    Net als bij PER is dit programma gericht op revalidatie. De klemtoon ligt hier vooral op het dieper gaan kijken in de mens. Men werkt intra psychisch en niet louter aan de somatische kant van het C.V.S.
    C.V.S. is trouwens een symptoom waarmee men wil uitdrukken : 'ik kan het niet meer aan, help mij !'
    Aan deze problematiek wordt voornamelijk gewerkt in de 'creatieve therapie' en de 'ervaringsgerichte groepstherapie'. De patient wordt op weg gezet om psychotherapeutisch aan zijn 'levensproblematiek' te werken. Hij werkt ook aan de verbetering van zijn fysieke conditie en er wordt nagegaan of zijn somatische en emotionele aspecten in orde zijn. De motivatie van de patient staat hierbij in verband met zijn persoonlijke draagkracht.

    6.3.3.4. - Duur
    8 weken.

    6.3.3.5 - Grootte van de groep
    9 patienten per groep.

    6.3.3.6 – Werkwijze
    Dit programma is gedurende acht weken doorlopend te volgen. Na afloop wordt een evaluatie opgemaakt en een passende beslissing genomen voor de toekomst.


    6.3.4 - Verdere mogelijkheden na PER of PPR

    Op het einde van het therapeutisch programma vindt er een miniteam plaats met de patient en het team. Dit is een soort eindevaluatie waarin de verdere mogelijkheden van de patient besproken en vastgelegd worden.

    De verdere mogelijkheden na een therapeutisch programma zijn dan ook de volgende :

    • de patient kan onmiddellijk na zijn ontslag terug naar zijn thuissituatie zonder verdere begeleiding.

    • de patient keert terug naar de thuissituatie, maar krijgt nog verdere begeleiding van een therapeut bij hem in de buurt. Nog voor het ontslag wordt dan door het team een geschikte therapeut gezocht voor die patient. Hierbij houdt men er rekening mee dat deze therapeut best dezelfde doelstellingen en methodes gebruikt zoals op de afdeling. Deze verdere therapeutische begeleiding kan zowel fysieke begeleiding zijn bij een kinesist als psychische en emotionele begeleiding door een psycholoog.

    • de patient wordt doorverwezen naar een dagcentrum of een andere behandelingsinstelling.

    • de patient kan na zijn ontslag ook terecht op de dagkliniek van de afdeling psychosomatische revalidatie. De patient komt dan gedurende een aantal weken, drie dagen per week naar de afdeling, waar hij verder kan opgevolgd worden. Doordat ze hun vertrouwde therapeuten nog enkele dagen per week zien, staan ze er niet onmiddellijk terug alleen voor. Wanneer deze patienten echter terug onmiddellijk in het milieu terecht zouden komen, is er een grotere kans op herval. Vandaar dat het voor sommigen goed is dat ze na hun ontslag eerst nog enkele weken op de dagkliniek terecht kunnen, zodat ze geleidelijk aan de overgang naar de thuissituatie gewoon worden.




    Hoofdstuk VII - Ergotherapie doorheen de drie programma' s


    Inleiding

    We weten nu al dat een ergotherapeut een ideaal persoon is om een psychosomatische aandoening te behandelen, daar hij deze visie reeds meegeeft vanuit zijn opleiding.

    'Presteren/doseren' en 'grenzen leren stellen' zijn begrippen die op de PSR vaak gebruikt worden door de ergotherapeuten als taal naar de patienten toe. Het komt er dan op aan om als therapeut hierin de onderliggende dynamiek te vinden. We moeten ons afvragen waarvoor de patient nu moet zorgen, opkomen voor zichzelf.
    Waarom krijgen huismoeders bv. te kampen met CVS ? Misschien hebben ze een laag zelfwaarde gevoel door bepaalde omstandigheden uit hun kindertijd, waardoor ze nu alsmaar willen presteren. Als therapeut kun je mensen begeleiden in deze zoektocht.

    De fysieke symptomen zijn vaak de eerste ingangspoort tot therapeutisch werk. Vanuit deze activiteiten leren de patienten de taal van hun lichaam begrijpen en hanteren. Vaak is het fysische aspect een eerste veilige manier tot therapeutisch werk. Maatschappelijk gezien erkennen personen nog steeds gemakkelijker fysische beperkingen en problemen, terwijl op de psychische problemen nog steeds een taboe rust. In de behandeling denkt de ergotherapeut steeds holistisch, hij blijft de persoon zien als 1 geheel tussen lichaam en geest. Zo denkt de ergotherapeut reeds bv. na over welk een invloed angst en depressie hebben op het ziekteverloop van de patient en/of wat maakt dat de patient zo vatbaar is voor stress.


    7.1 - Therapieverloop van de ergotherapeut

    Het therapieverloop van de ergotherapeut zit dan ook als volgt in mekaar :

    1. een relatie aangaan met de patient die voor deze voldoende veiligheid bied, zorgen dat de patient vertrouwen krijgt in jou als therapeut.

    2. luisteren naar het verhaal van de patient - Begrip tonen aan de onverklaarbare moeheid van de patient, maar duidelijk aangeven dat hiervoor geen pilletje bestaat. Daarnaast leg je het begrip ziektetheorie uit binnen je therapeutische relatie. Je kan vragen of er dingen gebeurt zijn in het leven van de patient waar bij erg nauw mee betrokken is. Bv. de patient geeft aan dat hij het erg moeilijk had met het overlijden van zijn vader.

    3. Ziektetheorie - Naarmate de behandeling vordert zal de patient zijn eigen specifieke ziektetheorie hebben. Pas wanneer hij deze bezit en begrijpt zal hij het gevoel hebben iets aan zijn ziekte te kunnen doen.

    4. nagaan hoe de partner, familie, ... denken over het ziekt-zijn van de patient.

    5. kijken in hoeverre depressie en angst de ziekte van de patient beinvloeden.

    6. opstellen van het behandelingsplan - De rol van activiteiten en oefeningen bepalen specifiek voor de patient. Werken met klei kan bv. een goede manier zijn om de patient zijn kwaadheid op een sociaal-verantwoorde manier te laten uiten. Nagaan of creatieve therapie een gunstige invloed zal hebben op het revalidatie proces van de patient.


    7.2 - Activiteit als therapeutisch middel

    Ergotherapeuten kunnen alle mogelijke activiteiten benutten als therapeutisch middel. [55] We kunnen activiteiten in een soort spectrum plaatsen, dat begint bij het aanleren van taakvaardigheden en eindigt bij het onderzoeken van gevoelens tijdens projectieve activiteiten.


    7.2.1 - Taakgerichte activiteiten

    In het kader van een inzichtgevende behandeling kan de ergotherapeut projectieve, maar ook taakgerichte activiteiten aanbieden. Bij taakgerichte opdrachten ligt het resultaat bij voorbaat vast, maar voor de inzichtgevende behandeling gaat het om het proces waarlangs de opdracht tot stand komt. Het doel van een taakgerichte activiteit kan dan zijn :

    • inzicht krijgen in de wijze waarop ik omga met een taak die mij wordt opgedragen,

    • inzicht krijgen in de manier waarop ik met tegenslagen omga,

    • mij bewust worden van de manier waarop ik mij opstel tegenover mensen met wie ik samenwerk,

    • mij bewust worden van de normen die ik hanteer voor de uit te voeren taken

    Het uiteindelijke doel van een taakgerichte opdracht zal in dit geval zijn, de patient met het verkregen inzicht in staat stellen (meer) verantwoordelijkheid te dragen voor een taak en voor de samenwerking met anderen, met tegenslagen om te gaan, met eigen wensen rekening te houden,...

    Al naargelang de doelstelling zal de ergotherapeut het aan de patient overlaten om besluiten te nemen over de invulling van de taak en zijn bemoeienis met de uitvoering van de taak beperken. Hoe de taak moet uitgevoerd worden wordt samen met de patient individueel besproken. Deze vorm van ergotherapie is op de PSR voornamelijk van toepassing bij de patienten in de PFR.


    7.2.2 - Sociale activiteiten

    Deze activiteiten hebben voornamelijk als doel dat mensen zich ontspannen, zich vermaken en hun vrije tijd prettig besteden. Sociale activiteiten kunnen op lager niveau aangeboden worden als afleiding en op hoger niveau gericht zijn op het maken van sociale contacten en het verbeteren van interactievaardigheden. In de ergotherapie biedt men hoofdzakelijk sociale activiteiten aan op lager niveau. Dit heeft zijn organisatorische grondslag, met name dat de ergotherapeut zich richt op het lager niveau en de psychologe op het hoger niveau van de sociale activiteiten.

    De vele soorten handvaardigheid, van het algekende mandvlechten tot meer moderne activiteiten kunnen op de PSR aan bod komen. De activiteiten kunnen aangeboden worden als inoefening van de nieuwe handelingswijze van de patient of kunnen mogelijkheden bieden tot experimenteren met materiaal om zo eventueel nieuwe zinvolle vrije tijdsbesteding te worden. Deze sociale activiteiten die voornamelijk ontspanning bieden worden voornamelijk uitgevoerd door de patienten van de PFR, maar tevens door de patienten van de PPR.

    [55] Finlay, 1995


    7.2.3 - Projectieve activiteiten

    Projectieve activiteiten of technieken werken inzicht-gevend en hebben tot doel om het zich uiten, bewustworden en onderzoeken van gevoelens te stimuleren. Projectieve activiteiten zijn gericht op bewustwording van onbewuste conflicten en emoties, om zelfbewustzijn en groei te bewerkstelligen. Projectieve technieken zijn technieken die aan de patient worden aangeboden met de bedoeling om vrij associerend te werken met ongestructureerd materiaal. Dit materiaal kan zowel klei, vingerverf, waardeloos materiaal, papier, textiel, ... zijn. De patient kan ook naar aanleiding van een gegeven trefwoord op deze manier iets maken waarin eigen gedachten en gevoelens tot uitdrukking kunnen worden gebracht. Voorbeelden van dergelijke trefwoorden zijn: vriendschap, verlangen, rust, stilte, vrijheid, vijandigheid,......

    Projectieve technieken stimuleren eveneens de vrije expressie van de patient. De patient kan, door zich op zijn werkstuk en zijn opdracht te concentreren, zijn ideeen de vrije loop laten. Het werkstuk hoeft immers niet te voldoen aan eisen wat betreft vorm, kleur en esthetiek. Een projectieve techniek is altijd een kortdurende activiteit die niet meer dan één, hooguit twee therapiesessies omvat. Het proces dat de patient doormaakt tijdens het vervaardigen van het werkstuk staat centraal, alsmede wat bij aan het eind van de therapiesessie daarover en over het werkstuk zelf vertelt. Met het bieden van een projectieve techniek wordt een beroep gedaan op het bij iedereen voorkomende afweermechanisme projectie: het projecteren van al dan niet bewuste gevoelens of drijfveren op een ander of in iets anders.

    Het projecteren zelf kan meer en minder bewust geschieden. Met behulp van de projectieve techniek brengt de patient op non-verbale wijze iets van zichzelf tot uitdrukking, waardoor :

    • een bijdrage geleverd kan worden aan de verwerking van onverwerkte gevoelens, conflicten of gebeurtenissen;

    • een bijdrage geleverd kan worden aan het bespreekbaar maken van meer of minder onbewuste gevoelens, conflicten of drijfveren. Zo wordt het mogelijk dat de patient (meer) inzicht krijgt in dat wat hem belemmert in zijn dagelijks functioneren;

    • op deze wijze kan het aanbieden van projectieve technieken een positieve bijdrage leveren aan het ontwikkelen van de persoonlijkheid, aan het verkrijgen van meer zelfvertrouwen, aan het inzicht krijgen in de manier van reageren op frustratie en spanningen, aan het inzicht krijgen in behoeften,...

    Veel zal afhangen van de manier waarop de ergotherapeut de activiteiten aanbiedt en begeleidt. Het spreekt voor zich dat er een veilige en rustige therapeutische situatie zal moeten zijn, om de patient de gelegenheid te geven zich te concentreren op de projectieve techniek. Het resultaat zal worden nabesproken op de volgende wijze :

    • de therapeut stelt open vragen over het werkstuk en over de manier waarop de patient eraan heeft gewerkt;

    • de patient is vrij om de vragen wel of niet te beantwoorden;

    • de therapeut gaat eventuele emoties niet uit de weg; de patient moet de gelegenheid krijgen zijn (opgekropte) gevoelens te uiten en te ontladen.

    Projectieve technieken kunnen aangeboden worden in een 1-1 situatie, maar ook in groepsverband. In het laatste geval zal iedere patient aan zijn eigen werkstuk werken. Behalve een individueel proces kan er ook een groepsproces op gang gebracht worden bij de nabespreking, als de groepsleden bereid zijn ervaringen uit te wisselen en elkaar feedback te geven en als zij willen leren van de ontwikkeling die anderen doormaken. In alle omstandigheden echter zal de ergotherapeut patienten vrijlaten in hetgeen ze over het werkstuk willen vertellen. De patient bepaalt in de nabespreking tot hoever hij wil gaan. De ergotherapeut oefent wat dat betreft geen druk uit op de patient, maar zal wel zoveel veiligheid nastreven, dat de situatie niet belemmerend werkt op de patient.


    7.3 - Ergotherapie binnen de programma's


    7.3.1 - Ergotherapie in het PME

    In het PME krijgen de patienten wekelijks twee ergotherapiesessies in groep. Deze sessies duren telkens 1 uur. Het ene uur wordt wekelijks besteed aan een conferentie over ergonomie. Hier wordt aangegeven hoe je zo weinig mogelijk het lichaam kan belasten bij het uitvoeren van een bepaalde activiteit, met de bedoeling zo weinig mogelijk energie te verspillen.

    Het andere uur wordt besteed aan een conferentie i.v.m. Ergotherapie. De onderwerpen die aan bod komen zijn :

    1. ergotherapie op de PSR

    2. presteren/doseren

    3. creatieve therapie

    4. ergonomie in het dagelijkse leven.

    Tijdens dit uur geeft de ergotherapeut een woordje uitleg over dit onderwerp. De patienten kunnen ook vragen stellen of opmerkingen maken over de inhoud, het gezegde,...


    7.3.1.1 - Ergotherapie op de PSR
    Zoals de titel het zegt wordt er tijdens deze conferentie uitleg gegeven over de ergotherapie en wat men hier dan zoal van kan verwachten. Het komt er op neer om de irrationele gedachten (reeds besproken bij 5.2.1) die de vermoeidheid in stand houden om te zetten in meer constructieve gedachten. Zo kan men de vicieuze cirkel (zie bijlage) die de vermoeidheid onderhoudt doorbreken. Daar ergotherapie zich hoofdzakelijk richt op de dagelijkse activiteiten, zal men dan ook specifiek kijken wat de oorzaak is van het behoud van de moeheid bij deze activiteiten.
    Tijdens deze conferentie laat de therapeut de patient het belang aanvoelen van een positieve handelingswijze bij het uitvoeren van dagelijkse activiteiten. De aandachtspunten bij een positieve handelingswijze zijn :

    • vooraf bepalen hoeveel en hoelang

    • stoppen als het nog leuk is

    • leven zoals je dat zelf juist vindt, en niet zoals anderen vinden dat je zou moeten leven

    • als u nee bedoelt, duidelijk nee zeggen

    • evenwichtig eenzelfde hoeveelheid activiteiten plannen, eventueel met behulp van een activiteitenprogramma

    • rekening houden met de vermoeidheid, maar uw leven er niet door laten bepalen

    • volgens een mild schema leven

    • als iets niet lukt, de aanpak wijzigen in plaats van door te zetten tot het einde.

    Tijdens of na deze conferentie zal niet iedere patient onmiddellijk het nut inzien van deze handelingswijze. Het is in elk geval reeds een eerste gegeven dat stof tot nadenken heeft, waaruit de patient zijn conclusies kan trekken.

    7.2.1.2 - Presteren of doseren ?

    1. Doelstelling - Tijdens deze conferentie werd in het kader van het PME-programma een groepsdiscussie gehouden. Deze discussie ging over 'presteren' en 'doseren' en of de patienten deze begrippen positief dan wel negatief ervaren.

    2. Verloop - Iedereen kreeg de nodige tijd om voor zichzelf te noteren wat hij onder 'presteren' en 'doseren' verstaat, en als dit voor hen positief of negatief is. Vervolgens werden alle persoonlijke visies samengebracht op 1 blad, waardoor er gemakkelijker vergelijkingen en contrasten konden vastgesteld worden. Op deze vergelijkingen en contrasten kon dan nog dieper ingegaan worden. Hiermee bedoel ik dat iedereen hier vrijblijvend zijn eigen mening en ervaringen over kan uitspreken. Bij de sessie die ik meevolgde kwamen de volgende visies naar boven.
      De persoonlijke visies die naar boven kwamen zijn :
      * Presteren
      - presteren, positief : - op school/werk goede resultaten halen - u inzetten voor iets - uw best doen - het geeft een goed gevoel - tevreden zijn omdat anderen je prestaties goed vinden, bv. het huishouden - hard werken zoals iedereen - voor alle taken en rollen zorgen - moeten & kiezen - noden vanuit de omgeving
      - presteren, negatief : - tegen een bepaald tijdstip iets afwillen hebben - ik wil met opvallen - voor de anderen - boven uw hoofd groeien - het niet meer aankunnen - het fysisch niet aankunnen – mislukking – kwetsbaarheid - 'ik' kan niet meer
      * Doseren
      - doseren, positief : - niet teveel ineens doen - prioriteiten stellen - compensatie tussen ik wil & ik kan - minder goed - zeer moeilijk - minder stress - tijd nemen voor ontspanning
      - dosering, negatief : - geen volledige ontplooiing van de capaciteiten - langere tijds-duur -> vervelend - nooit afraken van dingen -> ergernis - wegschuiven van taken in de planning -> stress neemt toe - ik doe mijn best -> ook dat lukt mij niet.
      Besluit - De meeste patienten die deel namen aan deze conferentie ervaren presteren positief het geeft hen een goed gevoel. Ze willen tegemoet komen aan de eisen van de maatschappij, de noden van hun gezin,... Wanneer ze hieraan niet kunnen voldoen ervaren ze dit als een mislukking. Ze hebben nog het inzicht niet dat het belangrijk is om voor zichzelf op te komen, om hun eigen behoeften te bevredigen. Ze begrijpen nog niet dat dit ten grondslag ligt van hun revalidatieproces. De meesten zien de positieve kant van doseren (nog) niet in. Ze zien dit eerder als tijdsverlies en als teken van niet-capabel zijn.

    3. Creatieve therapie - Tijdens deze conferentie wordt een woordje meer uitleg gegeven over de creatieve therapie die aan de patient zal aangeboden worden in het vervolgprogramma PPR. Er wordt aan de patienten uitgelegd dat de creatieve therapie een expressieve therapie is omdat er gewerkt wordt met beeldend materiaal. Psychosomatische mensen zijn vaak niet gewoon om over gevoelens, emoties en fantasieen te praten; om emotionele problemen uit te drukken. Ze kunnen die problemen bij zichzelf niet goed herkennen. Ze verwarren emotionele pijn, zoals verdriet, kwaadheid en zich gekwetst voelen, met lichamelijke pijn. Dan kan creatieve therapie een middel zijn om verder te kunnen, daar deze immers de zelf-ontdekking nastreeft. Het ontdekken van de taal van het lichaam, waardoor er meer zelf-inzicht gekregen wordt en er een structuur in het leven kan gebracht worden. In tegenstelling tot verbale therapieen richt deze therapie zich in de eerste plaats tot het doen, handelen en ervaren. Het is dus een vorm van communicatie omdat we hetgeen we voelen naar buiten brengen en dit bespreken, bewerkbaar wordt.
      Ook vermeld de ergotherapeut dat deze therapie de mogelijkheid bied om de gevoelens te uiten in een visuele vorm, zonder dat het esthetische hierbij enig therapeutisch belang heeft. Er wordt veel gewerkt met waarneming, verbeelding, oefeningen en metaforen.

    4. Ergonomie in het dagelijkse leven - Tijdens deze sessie gaat de ergotherapeut na bij de patienten wat ze in het totaal reeds meegenomen hebben uit de behandeling. Er wordt nagegaan wat ze uit de behandeling opgestoken hebben en reeds kunnen gebruiken in het dagelijkse leven. Zo kan de ergotherapeut ook nagaan in hoeverre ze reeds inzicht hebben in hun ziekte.
      Tijdens deze sessie gaat de ergotherapeut uit van de ervaringen en reacties van de patienten om deze therapie te begeleiden. Er kunnen dus allerhande zaken aan bod komen waarop de therapeut op inspeelt. Dingen die goed bevonden worden, dingen die totaal tegenvielen, vragen,... Ook de reacties van de anderen over een opmerking of vraag van 1 patient kunnen hier zeer interessant bij zijn en een heuse discussie uitlokken.


    7.3.2 - Ergotherapie in PFR

    In de PFR krijgen de patienten wekelijks twee ergotherapiesessies van een uur en daarnaast heeft iedere patient nog een half uur individuele therapie.

    Mensen die alleen presteren kennen, het belang laten ervaren van een ontspannen levensattitude door o.a. een vrijetijdsbesteding. Er wordt samen met de patient gezocht hoe ze deze tijd zelf willen invullen. In het lokaal liggen verschillende boeken over bepaalde activiteiten. Deze literatuur kan zelfstandig ingekeken worden. De patient kan ook beroep doen op zijn eigen inspiratie of op reeds gekende activiteiten. Indien nodig kan de ergotherapeut steeds uitleg geven over bepaalde activiteiten of over de werkwijze hiervan. Bv. wat is zijdeschilderen en hoe voer je dit practisch uit.

    Het is de bedoeling dat de patient zoveel mogelijk zelfstandig doet en hierbij rekening houdt met zijn persoonlijke mogelijkheden en beperkingen. De eerste doelstelling hierbij is dat de patient eerst inzicht krijgt in zijn eigen functioneren. Dit kan door samen met de ergotherapeut te kijken hoe het anders kan. Vervolgens kan de patient dit nieuwe gedragswijze inoefenen aan de hand van activiteiten. Tot slot dient de patient dit nieuwe gedrag nog te leren toepassen thuis.

    De patient heeft naast het uitvoeren van de taak dus ook de mogelijkheid om zijn sociale contacten uit te breiden. Ten eerste leert hij zich ontspannen, zijn tijd ook prettig te besteden en ten tweede heeft hij de mogelijkheid om communicatief om te gaan met de anderen patienten. Deze sociale contacten kunnen ruim omvat worden daar het zowel kan gaan om een gewoon gesprek voeren, een plezante opmerking maken, als het mededelen van frustraties en emoties die ontstaan bij het uitvoeren van de activiteit, het samen naar een oplossing zoeken voor een probleem dat zich voordoet,...

    Zoals hogerop reeds vermeld werd heeft de patient naast de groepssessies ook individuele therapie. Hier kan de patient allerlei activiteiten ter sprake brengen waarmee hij nog moeite heeft in het dagelijkse leven. Samen met de ergotherapeut kan hij hier naar oplossingen zoeken voor deze problemen. Zoals je zal merken uit de bespreking van de individuele therapie van patient 1, ligt de oplossing vaak in kleine aanpassingen van de omgeving of de gedragswijze. Niet alleen het practische aanpassen, ook praten over het waarom bv. activiteit zo belangrijk is, het helende aspect van praten over, kunnen hier ter sprake komen. Omdat deze therapie wekelijks is en de patient tijdens het weekend naar huis gaat, kan bij het een en ander reeds thuis eens uitproberen. Zo kan hij al eens mededelen wat zijn ervaringen waren bij het uitvoeren van de activiteit aan de hand van een nieuwe handelingswijze en kunnen voor de resterende problemen andere mogelijkheden gezocht worden.


    7.3.3 - Ergotherapie in de PPR

    Ook in de PPR poogt de ergotherapeut de patient tot inzicht in eigen functioneren te bewerkstelligen. In de PPR krijgen de patienten wekelijks tweemaal anderhalf uur creatieve therapie, een uur ergotherapie en hiernaast nog 1 uur individuele therapie.

    In het uur ergotherapie worden dezelfde doelen nagestreefd als in de PFR. Tijdens de individuele therapie kunnen hier problemen met de dagelijkse activiteiten, maar ook meer inzichtelijke zaken aan bod komen. Dit kan het bv. het verder uitwerken zijn van gevoelens die tijdens de creatieve therapie naar boven gekomen zijn, maar te persoonlijk werden gevonden om in groep te bespreken. De patient kan dan vrijblijvend deze zaken bespreken met de ergotherapeut. Hij krijgt hier in alle geval de mogelijkheid om zijn problemen te verwoorden in een veilig kader. Dit biedt de patient om moeilijke levenservaringen beter te verwerken waardoor de spanningen hierrond kunnen afnemen of verdwijnen.

    De creatieve therapie staat eigenlijk centraal in de ergotherapeutische behandeling van de patient in de PPR. Zoals ik reeds vermeld heb is dit een belevingsgerichte therapie die de patient helpt om tot inzicht te komen aan de hand van projectieve activiteiten. Wat je kan verstaan onder projectieve activiteiten heb ik reeds beschreven hoger in dit hoofdstuk. Omdat de creatieve therapie eigenlijk een specialisatie is in de ergotherapie, lijkt het me zinvol dit te verduidelijken aan de hand van een persoonlijk voorbeeld. Zo kan de lezer die niet vertrouwd is met deze behandeling zich hier, via een praktijkvoorbeeld, een beeld over vormen.


    7.3.3.1 - Creatieve therapie
    Daar er tijdens de creatieve therapie nogal wat persoonlijke dingen kunnen naar boven komen, werd telkens voor de aanvang van de activiteit gevraagd of niemand zich aan mijn aanwezigheid stoorde. Om te verduidelijken wat creatieve therapie kan inhouden, zal ik 1 sessie bespreken met mijn persoonlijk werk. Tijdens deze activiteit had ik geen begeleidende functie, maar stelde ik mij in de rol van patient.

    • Doelstelling van deze sessie - Het bewustzijn van je gevoelens ervaren tijdens het uitvoeren van een creatieve therapie. Deze gevoelens kunnen wisselen tijdens de activiteit.

    • Verloop - Eerst wordt er uitleg gegeven over de bewustzijnskaart van je gevoelens. Er wordt gevraagd om voor jezelf uit te maken waar jij je op dit moment situeert op de kaart. Tijdens de therapie zal er nog enkele keren gevraagd worden om dit opnieuw te doen, zodat je kan nagaan voor jezelf of er wijzigingen optreden.
      Een eerste opdracht bestaat er uit om een portret na te tekenen. Om je verstandelijke denken uit te schakelen wordt de opdracht gegeven om dit ondersteboven na te tekenen. Een ander hulpmiddel is kijken naar de lijnen die je ziet en je niet concentreren op het geheel. Hierbij vindt je een portret met erna de uitgevoerde opdracht.
      Een derde opdracht bestond eruit om jezelf na te schilderen, vertrekkende van je houtskool-portret. Daar we reeds een tijdje opbouwend bezig waren met het uitschakelen van de rationele componenten, hoefden we niet meer omgekeerd te werken. Iedereen mocht nu met verf en penseel een groot schilderij van zichzelf maken. De delen die we in de tweede opdracht wit gemaakt hadden moesten nu geverfd worden, en omgekeerd.
      Tot slot kreeg iedereen nog een vragenlijst om in te vullen :
      - welke gevoelens drukt mijn gelaat uit ?
      - wat zegt mijn tekening mij ?
      - wat zegt ze over mij ?

    • Besluit - Naarmate de creatieve therapie vorderde voelde ik me persoonlijk minder gespannen en creatiever worden. Ik nam geleidelijk aan meer afstand van mijn reeel denken.
      Door de tekeningen kan je veel leren over jezelf, meer bepaald over je gevoelens. Tijdens het creatief zijn kunnen er gevoelens en emoties naar de voorgrond komen, die anders diep in de persoon verborgen blijven. Door aan deze emoties een bepaalde vorm te geven, door ermee bezig te zijn, krijg je er meer zicht op. Doordat mensen (meer) inzicht krijgen op zichzelf kunnen ze verder geholpen worden. Hierdoor vinden ze namelijk zelf kennis en kunnen ze normen en waarden misschien in vraag stellen.




    Lees verder : Deel VI


    Cfr. : http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=6408

    28-12-2005 om 00:00 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het Chronische Vermoeidheidssyndroom - Gevallenstudies - Deel VI
    Klik op de afbeelding om de link te volgen
    Het Chronische Vermoeidheidssyndroom

    Gevallenstudies

    vanuit de Psychosomatische Revalidatie Afdeling
    van het Universitair Ziekenhuis te Pellenberg



    Deel VI

     

    Hoofdstuk VIII – Patientenbespreking


    8.1 - Patient 1


    8.1.1 - Voorstelling van de patient

    8.1.1.1 - Reden van opname
    A.is een man van 41 jaar oud en werd op 10/11/1997 in Pellenberg opgenomen op de afdeling psycho-somatische revalidatie voor de behandeling van chronische vermoeidheid in het motivatie en exploratie programma. Naast chronische vermoeidheid heeft bij ook slaapstoornissen en last van pijn in de rug, heupen en knieen.

    8.1.1.2 - Medische voorgeschiedenis
    In '84 had de patient een arbeidsongeval. Tijdens zijn werk viel bij achterover van een stelling die vier meter boog was en kwam hierdoor op zijn hoofd terecht. Na zijn val kreeg hij last van algemene vermoeidheid en had bij uitstralende pijn naar de schouder en knie.
    A. is een rolstoelpatient.
    Sinds '93 loopt bij ook beperkte afstanden met een kruk, daar chronische pijnen in zijn rechterbeen en -heup hem beletten normaal te lopen. Hij is ernstig verslaafd aan verdovende pijnstillers.

    8.1.1.3 - Psychologische voorgeschiedenis
    Op 8 a 9 jarige leeftijd werd hij thuis psychisch verwaarloosd. Bovendien was er veel terreur in het gezin. Hij werd zwaar mishandeld door zijn vader, voor wie hij nooit goed kon doen en die hem zelfs vuistslagen in het gezicht gaf. Op 13-jarige leeftijd liep hij weg van huis omdat bij veel zware handenarbeid moest verrichten en in marginale omstandigheden leefde tussen allerlei ongedierte zoals bv. ratten. Tijdens zijn vlucht naar Duitsland werd bij sexueel misbruikt door de vrachtwagenbestuurder die hem een lift gaf. Op 17-jarige leeftijd werd hij tweemaal opgenomen m een PAAZ-dienst omwille van alcoholproblematiek. Op 19-jarige leeftijd had hij een drugsprobleem waardoor hij in de gevangenis belandde.

    8.1.1.4 - Familiale gegevens
    A. is afkomstig uit een gezin met drie kinderen waarvan hij de oudste is. Thuis was er veel terreur en werd hij psychisch verwaarloosd. In 1987 huwde hij met zijn huidige vrouw. Uit dit huwelijk heeft hij een dochter die 13 jaar oud is.

    8.1.1.5 – Leefsituatie
    Hij leidde een periode een zwerversleven in Frankrijk, waar bij overleefde van stelen en roven. Daarna keerde hij terug naar Belgie waar hij zijn vrouw leerde kennen waarmee hij huwde. Hij werkte een periode als bakkershulp en later als mijnwerker. Daarna werkte bij als lasser-monteur, waar hij moest instaan voor de metaalconstructies, wat heel zwaar werk was. Sinds 1995 is hij 66% invalide. De medisch adviseur wil hem terug aan het werk zetten via een omscholing zodat bij bureauwerk kan verrichten, maar dat ziet hij niet zitten. Momenteel staat hij op de wachtlijst voor een sociale woning en krijgt bij budgetbegeleiding van het O.C.M.W.


    8.1.2 - PME van de patient

    8.1.2.1 - Besluit miniteam

    • A. heeft nog geen suicide-aanvallen gehad tijdens zijn opname.

    • tijdens zijn opname in PME heeft hij reeds vorderingen gemaakt in zijn fysieke reconditionering. Hij is niet meer zo rolstoelgebonden zoals in het begin van zijn opname en kan nu reeds een beperkte afstand afleggen met behulp van twee krukken.

    • hij wil hier zijn verleden verwerken, maar tijdens een opname van vier weken is er onvoldoende tijd om hier diep op in te gaan. Het is daarom therapeutisch niet verantwoord om die ervaringen van vroeger op te rakelen, als de patient achteraf hier geen verdere begeleiding meer voor krijgt.

    • hij heeft nog steeds angstbelevingen en is emotioneel nog zeer labiel.

    • in de ergo heeft hij de scheppende creatieve therapie ontdekt. Dit houdt voor A. in dat hij zijn emoties kan ontladen op een sociaal verantwoorde manier.

    • zijn vrouw mist haar man en wil hem terug thuis hebben. Tijdens een gesprek met de psychologe zegt ze duidelijk dat ze het zelf niet zal aankunnen wanneer haar man de ganse dag thuis is.

    • A. zegt zelf dat hij bang is om sociaal geisolement te raken wanneer hij thuis is.

    • arbeidsrehabilitatie zegt hem niet veel. Dit komt omdat bij denkt dat dit enkel maar tot bureau-werk kan leiden en dat ziet bij totaal niet zitten.

    Het team stelt hem voor het therapeutisch vervolgprogramma PFR te volgen. Aangezien er momenteel plaatsgebrek is binnen de PFR, zal A. moeten wachten tot februari '98, om zijn vervolgprogramma aan te vatten. Ondertussen raadt het team hem aan om terug naar Validag te gaan. Validag is een dagcentrum voor fysieke revalidatie bij A. in de buurt, waar bij reeds voor zijn opname in Pellenberg naar toe ging. A. zei wel dat de fysieke revalidatie daar voor hem niet zo goed is. Daarom zal een kinesist van het team nog eens contact opnemen met de therapeuten van Validag om het geschikte fysieke revalidatie-programma van de patient door te geven. Daarnaast heeft A. geen goede ervaring met de psychiater van het dagcentrum. Hij wenst dan ook niet meer in behandeling te gaan bij hem, hij wil wel nog therapie volgen bij de psycholoog van daar, om met hem over zijn psychische en emotionele problemen te praten.

    8.1.2.2 - Specifieke doelstellingen

    • agressie kanaliseren

    • omgaan met kritiek

    • grenzen leren kennen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken

    • grenzen kennen bij het uitvoeren van vrije tijdsbesteding : slechts 1 activiteit per keer en tijdig pauzes nemen.

    • een evenwicht vinden tussen presteren en doseren.

    • de huishouding ergonomisch bekijken.

    • fysische vooruitgang

    • zinvolle vrijetijdsbesteding zoeken

    • plannen maken


    8.1.3 - Verloop van het therapeutisch programma PER

    Aan de hand van de etiopathogenetische factoren die besproken werden in hoofdstuk drie zal ik de oorzaken die voor deze patient een rol spelen in zijn ziektegeschiedenis eens overlopen.

    Wanneer we naar de kwetsbaarheidsfactoren kijken zien we bij A. ten eerste de aanwezigheid van een premorbide overactiviteit. Deze is afkomstig mede door de maatschappij, maar tevens ook door zijn persoonlijkheidskenmerk de illusie te hebben een onbegrensd lichamelijk prestatievermogen te hebben. Naar aanleiding van een kritisch-somatisch moment komt aan deze levensstijl een abrupt einde, voor A. was dit een arbeidsongeval. Het pijnlijke besef 'niemand' meer te zijn vermengde zich met zijn lichamelijke pijn. En al die pijn probeerde bij te 'verdoven' met pijnstillers. Als we naar de voorgeschiedenis van de patient kijken merken we dat deze traumatisch was. Hij werd psychisch verwaarloosd, ervaarde terreur in zijn ouderijk gezin en leefde in marginale omstandigheden. Omdat getraumatiseerde mensen kwetsbaarder zijn voor psychosomatische klachten, uit zich dat voor A. in de volgende zaken :

    • hij voelt zich angstig

    • hij heeft minder weerstand tegen stress en frustraties

    • neiging tot alcohol- en druggebruik, zoals je kon zien in zijn voorgeschiedenis had bij hier reeds op jeugdige leeftijd problemen mee. Ik kan dan ook niet met zekerheid zeggen of dit toevallig is of als dit reeds een eerste reactie was op zijn problemen. In alle geval zorgen deze traumatische ervaringen ervoor dat A. minder goed met zijn vermoeidheidsklachten kan omgaan.

    Wanneer we de ziektegeschiedenis van A. bekijken zien we dat virussen geen uitlokkende factor zijn voor zijn CVS. Kijken we echter naar de stress-stoornissen die zijn vermoeidheid bevorderen, dan zien we een uitputtende toestand van fysieke overbelasting en psychotraumatische gebeurtenissen en situaties. Bovendien valt het op dat A. in de lijn van zijn premorbide persoonlijkheid deze emotionele moeilijkheden probeert te overwinnen door zijn intensieve overactieve levensstijl. Deze overactieve levensstijl is dus een copingsstrategie voor A. om zijn emotionele problemen te onderdrukken, met lichamelijke en psychische roofbouw tot gevolg. Zijn moeheid wordt bovendien onderhouden door emotionele factoren : het verlies van zijn vroegere mogelijkheden, gebrek aan sociale bekrachtiging, onzekere toekomstverwachtingen,... A. zit in een toestand van fysieke deconditionering. Hij rust pas wanneer bij echt uitgeput is van zijn activiteit. Na een periode van rust wil bij bovendien onverbiddelijk de schade van zijn inactiviteit inhalen, waarbij hij zijn fysieke grenzen overschrijdt en zijn negatieve spiraal nog toeneemt.

    Zoals u ziet zijn er voor A. een aantal factoren die zijn ziekte onderhouden. Als ergotherapeut is het dan ook van belang voor het revalidatieproces van de patient om aan deze factoren de nodige aandacht te besteden.

    8.1.3.1 – Ergotherapiesessies
    Tijdens deze sessies laat de ergotherapeut A. werken aan de verandering van zijn gedrag en aan het inzicht in eigen functioneren. De ergotherapeut heeft ook adviezen die een gedragsverandering tot gevolg dienen te hebben.
    In de PER worden taakgerichte activiteiten gebruikt om de patienten tot inzicht te brengen. Daar presteren voor A. een belangrijke waarde heeft, wordt er gepoogd om hem andere waarden mee te geven. Hij heeft reeds zijn ganse leven een sterke prestatiedrang, hetgeen volgens maatschappelijke normen gewaardeerd wordt. In zekere zin is dit wel waar. Presteren is zinvol en wordt emotioneel bekrachtigd. Onze westerse cultuur bevestigt dit nog eens extra door iedereen in de maatschappij die goed presteert te waarderen. Wanneer dit omwille van een beperking niet meer mogelijk is krijgt men dan het gevoel dat men zinloos is in de maatschappij wat een negatief zelfbeeld doet ontstaan. A. heeft hierdoor het gevoel te hebben gefaald. Dit komt omdat bij zijn waarde prestatie niet meer kan nakomen en ziet dit als een mislukking van zichzelf als persoon. 'Werken was alles voor mij,' zegt hij, 'want dan voelde ik mij tenminste nog iemand.'
    A. moet zelfkennis krijgen inzake zijn eigen capaciteiten. Dit houdt in dat A. moet leren ervaren tot wat en hoeveel bij nog in staat is, rekening houdende met zijn chronische vermoeidheid.
    De patient wordt zich tijdens de ergotherapiesessies bewust dat hij niet teveel mag doen, doch naar de praktijk toe kan bij dit niet voltooien. Wanneer bij geduid wordt op het belang van het nemen van rustpauzes kan hij dit niet uitvoeren. Tijdens een activiteit stopte bij wel eens om naar het toilet te gaan of om een sigaretje te roken, wat hij als pauze beschouwde. Voor sommige patienten kan dit inderdaad een pauze zijn. Voor A. was dit echter geen echte pauze, daar bij hiervoor de tijd niet nam die hij nodig had om te recupereren van zijn activiteit. Bovendien was hij ondertussen vaak met allerlei andere zaken bezig. Zelfs op het einde van het therapeutisch programma bad bij nog onvoldoende zelfkennis omtrent zijn huidige mogelijkheden en beperkingen door zijn chronische vermoeidheid. Dit komt ook deels doordat hij reeds zijn ganse leven zeer actief was en veel gepresteerd had en het moeilijk is om dit gedrag zomaar te wijzigen.
    Ook aan de zaken die voortvloeien uit zijn traumatische voorgeschiedenis werd aandacht besteed. Zo had hij veel moeite om met frustraties om te gaan. Tijdens een sessie was A. glas aan het graveren. Daar dit omwille van het lawaai storend werkte voor de andere patienten, vroeg de ergotherapeut hem nu een andere activiteit te doen. De patient had hier zo'n moeite om met zijn frustraties om te gaan, dat deze opmerking leidde tot een conflict. Tijdens de individuele therapie haalde de ergotherapeut dit voorval terug naar boven. Het conflict werd besproken. De patient zag dan nog steeds niet in dat bij hier verkeerd gedrag had getoond. Hij was zodanig gefrustreerd omdat bij die activiteit moest stilleggen, dat hij zijn frustraties nog steeds niet op de juiste wijze tot uiting bracht.
    Doorheen de ergotherapeutische sessies heeft de patient nog steeds weinig inzicht. Hij ziet nog steeds het verband niet goed tussen zijn overactief zijn en zijn emotionele problemen. Bij het uitvoeren van de dagelijkse taken houdt hij reeds rekening met zijn overprestaties, terwijl dit nog niet altijd het geval is bij ontspannende activiteiten. Tijdens zijn opname was A. geinteresseerd in velerlei activiteiten zoals: smyrna, zijde-schilderen, graveren van glas, beschilderen van glas, gipsen figuurtjes maken,... wat op zich zeer goed is. A. was echter zo geinteresseerd in zijn activiteiten dat hij moeite had om tijdig te stoppen met iets wat hij als prettig ervaarde. Daarenboven wilde hij de tijd waarin hij gerust had achteraf terug inhalen door zeer actief aan zijn activiteit verder te werken. Ook deed hij soms verschillende activiteiten in 1 therapie-uur. Mettertijd leerde hij wel dat hij ook bij een leuke activiteit 1 of meerdere rustpauzes dient te nemen. De ergotherapeut stelde hem dan ook voor om tijdens een therapiesessie slechts 1 activiteit uit te voeren, wat hij dan ook eens uitprobeerde. Aanvankelijk had hij hier erg veel moeite mee. Na enkele weken slaagde hij er toch in om slechts 1 activiteit per sessie te doen, wat een hele prestatie was voor A. Immers, A. heeft veel moeite om zichzelf in te tomen. Hij werkte toen toch iets rustiger. Hij ziet dan misschien nog niet goed het verband in tussen zijn overprestaties en zijn problemen, hij leerde toch zijn activiteiten uitvoeren op een rustiger en ontspannen manier.
    A. rustte pas uit toen hij echt niet meer kon waardoor hij in een dalende fysieke toestand verzeild raakte. Mettertijd kwam hij wel tot wat inzicht in het nut van rustpauzes en het rustig handelen. Dit komt door de bijstand van de ergotherapeuten. Ook besefte hij naderhand dat wanneer bij teveel gepresteerd had en te weinig aandacht aan zijn rustpauzes gehecht had, zijn recuperatie- periode veel langer en moeizamer verliep dan wanneer hij hier wel rekening mee hield.

    8.1.3.2 - Individuele ergotherapie van de patient
    Daar A. na zijn therapeutisch programma, thuis wilde instaan voor de huishoudelijke taken, werd er samen met hem tijdens de individuele ergotherapie bekeken hoe bij deze taken zo ergonomisch mogelijk zou kunnen uitvoeren. Hiervoor werden de verschillende taken die hij zou moeten uitvoeren en waar bij problemen mee had door zijn chronische moeheid ontleed en werd er naar een oplossing gezocht.
    Met het opmaken van de bedden had bij veel moeite daar hij zich teveel voorover moest buigen wat erg belastend was voor zijn rug. Er werd hem voorgesteld om het bed te verhogen, zodat hij zich tijdens deze activiteit minder voorover zou moeten buigen. A. plaatste tijdens een weekend het bed op blokken waardoor dit hoger kwam te staan. Toen hij dan het bed opmaakte merkte hij dat dit veel gemakkelijker en efficienter ging. Dit was een eenvoudige aanpassing van de omgeving aan deze activiteit, waardoor deze taak voor A. veel minder energie kost.
    Winkelen was voor A. een zeer vermoeiende taak. Omdat hij dit niet uit handen wilde geven werd er samen met de ergotherapeut naar een oplossing gezocht. Deze oplossing kwam er niet in 1 keer maar kwam er nadat in verschillende therapiesessies naar een oplossing werd gezocht.
    Meestal doet bij zijn boodschappen in een supermarkt samen met zijn vrouw waar ze met de wagen naar toe rijden. Daar het hedendaagse verkeer veel concentratie vergt om er vlekkeloos door te raken, kwam de patient vaak al vermoeid in de winkel aan, daar hij door zijn vermoeidheid ook problemen heeft om zich te concentreren. Daarom werd er afgesproken dat hij voor de winkel binnen te gaan eerst nog 5 minuten pauze zou nemen in de auto. Het winkelen op zich is ook vermoeiend. A. neemt nu de winkelkar ter hand zodat hij hierop kan steunen tijdens het winkelen wat ontlastend is voor hem. Het maakt het stappen bovendien gemakkelijker, daar bij momenteel met 1 kruk loopt en dat slechts voor een beperkte afstand kan volhouden.
    Ook maakt bij nu samen met zijn vrouw op voorhand een boodschappenlijstje op. Hierdoor moeten ze in de winkel niet meer zoeken wat ze allemaal nodig hebben, en kunnen ze de kortst mogelijke afstand afleggen om hun boodschappen in hun winkelwagentje te leggen. Doordat het winkelen nog te vermoeiend was voor A. werden er nog enkele oplossingen gezocht voor dit probleem in een volgende therapiesessie. Zo gaat hij nu even zitten op een trapje of stoeltje in de winkel op een kalme plaats. Sommige mensen kijken wel eens raar naar hem, maar bij trekt zich dit niet aan omdat bij weet dat het voor zijn eigen bestwil is.
    Ook afwassen vergde veel energie van A., doch ook deze taak diende vervult te worden. Om af te wassen werkt hij nu zittend op een bureaustoel die voldoende hoog is en zijn rug goed ondersteunt. Het afwassen werd onderverdeeld in deeltaken, die hij nu voor 1 uitvoert. Dit houdt in dat hij nu eerst alles afwast, dan alles afspoelt en dan pas alles afdroogt. Hiervoor werkt hij van rechts naar links, zodat hij bij elke deelhandeling van deze taak recht voor zijn werk kan zitten. Het wegbergen van het materiaal was voor hem ook een grote inspanning, daar hij veel nutteloze bewegingen maakte. Vroeger opende bij met enkele borden in de hand de kast om deze erin op te bergen. Nu opent bij eerst de kast en plaatst er vervolgens een stapel borden in. Dit is een veel efficienter werkwijze, daar hij nu het gewicht van het materiaal over beide handen kan verdelen. Ook moet bij zo maar eenmaal de borden naar de kast dragen, terwijl hij dit vroeger in twee of drie keer moest doen. Hij merkte bij zichzelf dat hij aan deze nieuwe werkwijze nog moest wennen, dat het nog een automatisme moest worden; maar ze is veel efficienter, is minder belastend en vergt minder energie.
    Stofzuigen was niet echt een probleem voor hem, daar de steel van dit toestel voldoende lang is, zodat bij deze activiteit rechtop kan uitvoeren. Dit is de manier waarop de rug het minst belast wordt en die het minst energie vergt. Omdat de meeste mensen de neiging hebben om voorover te buigen tijdens het stofzuigen gaf ik hem de raad om de slang van de stofzuiger achter zijn rug door te halen, zodat de rechtopstaande houding automatisch gestimuleerd wordt.
    Poetsen was voor hem een probleem waarvoor oplossingen gezocht worden tijdens het programma maar die de patient nog niet heeft kunnen uitproberen. Wel werd er bv. gezegd dat het belangrijk is om te poetsen met materiaal waarop een steel bevestigd is die voldoende lang is. Een ander aangereikte ergonomische oplossing was om de poetsemmer niet op de grond te plaatsen. Wanneer je deze echter op een krukje of trapje plaatst, hoef je je tijdens het poetsen niet te bukken, wat energiebesparend is voor het lichaam. A. bracht zelf ook de oplossing aan om de poetsemmer op zijn bureaustoel te plaatsen. Dit is nog efficienter, daar hij zijn poetsemmer dan niet hoeft te verplaatsen door hem op te heffen, maar hem gewoon kan verduwen.


    8.1.4 – Besluit

    • Hij heeft nog onvoldoende inzicht omtrent zijn juiste verhouding tussen presteren en doseren. Prestatie is nog steeds een belangrijke waarde voor hem en hij vindt doseren nog steeds zinloos. Hij ziet prestatie nog steeds als iets waar de mens waarde door krijgt in de maatschappij.

    • Bij het uitvoeren van huishoudelijke taken slaagt A. er nu vrij goed in om met zijn grenzen rekening te houden, tijdens de individuele ergotherapie werden deze taken ergonomisch bekeken. Hij heeft een planning omtrent het uitvoeren van huishoudelijke taken,sociale contactarme,... Hij houdt echter geen rekening met onvoorziene omstandigheden in zijn planning. Waardoor hij op zo'n moment zijn grenzen overschrijdt.

    • Wanneer hij een activiteit uitvoert in zijn vrije tijd heeft hij nog moeite om zijn grenzen te respecteren en tijdig te pauzeren. Hij begrijpt wel al waarom hij rekening moet houden met zijn grenzen, maar dit nieuw gedrag is zeker nog geen automatisme voor hem geworden.

    • Hij heeft nog steeds moeite met de gevolgen voortvloeiende uit zijn traumatische ervaringen. A. heeft nog steeds moeite om zijn agressie te kanaliseren. In een stressituatie kan hij zichzelf nog steeds moeilijk bedwingen. Tijdens het therapeutisch programma is hieraan ook niet echt gewerkt onder begeleiding van de bewegingstherapeute, door bepaalde omstandigheden, hoewel dit oorspronkelijk gepland was. De patient kan nog steeds niet goed omgaan met kritiek. Zelfs wanneer er iets in het algemeen gezegd wordt, trekt hij dit steeds naar zichzelf toe. Hij kan hier moeilijk zijn eigen mening over vormen.

    • Tijdens zijn opname waren er veel dingen waarmee hij zijn vrije tijd kon invullen. Deze activiteiten werden bovendien niet op een ontspannen manier uitgevoerd. Eenmaal hij thuis is zal hij waarschijnlijk moeite hebben om deze tijd in te vullen. Vandaar dat hij blij is dat hij terug kan naar het revalidatiecentrum, waar hij voor zijn opname in Pellenberg ook naar toe ging. Hij ziet nog steeds het verband niet tussen zijn overpresteren en zijn onderliggende problemen.

    • A. maakte tijdens zijn opname een fysische vooruitgang. Toen hij op de PSR-afdeling aankwam zat hij in een rolstoel. Nu kan hij reeds een korte afstand afleggen met 1 handkruk. Toch ziet hij nog het nut niet echt in van te rusten voor hij vermoeid is. Hij rust nog steeds pas wanneer het eigenlijk al te laat is.
      De patient maakte een fysieke vooruitgang tijdens zijn opname. Bovendien heeft hij nu een basis verworven in het inzicht in zijn problematiek, waar hij verder kan op werken in het revalidatiecentrum waar hij terug naar toe gaat. Ook heeft hij geleerd hoe hij zijn huishoudelijke taken minder vermoeiend kan aanpakken. De opname op deze afdeling zal zijn verdere leven in alle geval leefbaarder maken. Daar er aan zijn onderliggende problematiek niet echt gewerkt is, omdat dit voor hem te confronterend zou zijn, kan deze vroeg of laat terug naar boven komen met alle gevolgen van dien. In dat geval kan hij altijd terug contact opnemen met de afdeling voor een heropname.


    8.2 - Patient 2


    8.2.1 - Voorstelling van de patient

    8.2.1.1 - Reden van opname
    L. is een vrouw van 42 jaar oud die op 10/11/1997 werd opgenomen op de afdeling psychosomatische revalidatie te Pellenberg voor de behandeling van chronische vermoeidheid. Deze vermoeidheid trad op na een epidurale verdoving voor een tweede muniscus operatie, waarna ze ook last kreeg van tintelingen en pijn.

    8.2.1.2 - Medische voorgeschiedenis
    L. heeft last van hyperventilatie-aanvallen. In december '95 onderging de patiente een arthroscopie onder epidurale verdoving zonder problemen. Op 04/07/1996 onderging ze opnieuw een ingreep van de knie onder epidurale verdoving, maar ditmaal niet zonder problemen. Volgens de patiente verliep het inbrengen van de naald reeds moeizaam. De nacht na de ingreep had ze ook veel last van prikkelingen in de benen, die voornamelijk rechts gesitueerd konden worden.

    8.2.1.3 - Psychologische voorgeschiedenis
    De patiente maakte tijdens haar leven reeds een aantal negatieve ervaringen mee :

    • ongewenste intimiteiten - Op 13-jarige leeftijd werd ze grensoverschrijdend benaderd door een oom en een vriend van haar vader. Ook haar zussen werden door die oom misbruikt. Thuis mocht en kon ze hierover niet praten en ook naar de buitenwereld toe werd dit probleem verzwegen.

    • toen de patiente 14 jaar was, was haar oudste zus 7 maand zwanger waardoor deze moest huwen. Alle aandacht ging toen naar die zus en haar kindje, waardoor L. niet de nodige aandacht kreeg die ze nodig had. Bovendien nam haar schoonbroer haar plaats in aan tafel, waardoor ze hem als een 'indringer' zag. Daar ze hier thuis over moest zwijgen werden ook deze emoties opgekropt, waardoor dit een heus trauma was voor haar.

    • eén van haar broers raakte betrokken bij een zwendel van identiteitskaarten.

    • de relatie met haar ouders - Haar moeder was afwijzend. Ze zorgde wel goed voor L., maar kan haar geen liefde geven. Bovendien mocht er thuis niet over problemen gepraat worden, omdat moeder dit niet aankon. Met haar vader kon ze beter praten alhoewel hij weinig tijd had en materialistisch ingesteld was. De patiente idealiseerde haar vader sterk. Toen haar vader een gevangenisstraf kreeg op verdenking van fraude, was L. erg gekwetst hierdoor.

    • ze heeft het gevoel dat er nooit voor haar gezorgd is geweest. Ze zegt : 'ik heb mezelf opgevoed'.

    • haar gemiste schoolopleiding - L. wou graag kleuteronderwijzeres worden. Maar ze heeft haar humaniora al niet kunnen afmaken omdat ze leermoeilijkheden had.

    • insinuaties dat zij niet sterk genoeg zou zijn om de vrouw te zijn van een gemeentesecretaris.

    L. is een vrouw die psychisch zwak is. Ze is perfectionistisch en cijfert zichzelf voortdurend weg. Bovendien is ze hysterisch dynamiek. Ze was reeds voor deze opname in behandeling bij een therapeut waarbij ze wekelijks op consultatie ging.

    8.2.1.4 – Familiaal
    Ze is afkomstig uit een gezin met zeven kinderen. Ze heeft nog 2 zussen en 4 broers en is de voorlaatste uit de rij. De patiente zegt dat ze een goede relatie heeft met haar ouders.
    Ze is gehuwd met een gemeentesecretaris en heeft drie kinderen : - een jongen van 18 - een meisje van 17 - een jongen van 14.
    Haar man heeft een heel druk beroepsleven. Ze zegt dat ze een goede relatie hebben, buiten het sexuele aspect. Dit komt omdat L. bang is om haar pijn te doen.

    8.2.1.5 – Werksituatie
    Ze stopte haar humaniora en maakte haar hotelschool niet af. Ze werkte enkele jaren als secretaresse bij stedenbouw tot ze voor de tweede keer zwanger werd. Na de bevalling van haar dochter werkte ze nog een aantal jaar als onthaalmoeder. Toen haar kinderen naar school gingen werkte ze als huisvrouw en zorgde voor de opvoeding van de kinderen.

    8.2.1.6 – Leefsituatie
    De taakverdeling in het eigen gezin is als volgt: vroeger stond de patiente in voor de opvang en opvoeding van de kinderen, terwijl haar man aan zijn carriere werkte. Sinds haar chronische vermoeidheid heeft ze alle taken uit handen gegeven. Ze heeft nu een hulp voor het huishouden. Koken en winkelen probeert ze nog zoveel mogelijk zelf te doen. L. was vroeger een sportieve, hyperactieve vrouw. Ze tenniste veel en deed aan vrijwilligerswerk. Nu ze chronische vermoeidheid heeft zijn deze activiteiten noodgedwongen weggevallen.


    8.2.2 - PME van de patiente

    Tijdens het programma voor motivatie en exploratie maakte de patiente kennis met de verschillende mogelijkheden om zichzelf te helpen. Dit wilde ze optimaal benutten door zoveel mogelijk van het programma mee te volgen en notities te nemen van de belangrijke zaken die vermeld werden tijdens de conferenties. Tijdens haar opname in het PME heeft de patiente een verhaal geschreven over haar ziekte. In dit verhaal beschrijft ze haar strijd tegen haar ziekte en haar gevoelens bij deze strijd. Deze gevoelens schreef ze neer in een dagboek als een soort therapie voor zichzelf. Toen de ergotherapeute dit verhaal te lezen kreeg, stelde deze voor aan de patiente om haar verhaal uit te werken met beelden. Aanvankelijk stond L. er nogal sceptisch tegenover, daar ze gewoon was om alles neer te schrijven. Ze dacht dat het niet zou lukken om deze gevoelens uit te beelden. Toch besloot ze om dit eens te proberen en nam papier en oliepastels ter hand om haar verhaal uit te beelden. Dit beviel haar zo goed dat ze vanaf toen regelmatig een tekening maakte die bij haar verhaal paste en haar geschreven gevoelens verduidelijkten.

    Met de goedkeuring van de patiente zal ik haar verhaal hierna neerpennen. Zo kan je zien hoe de patiente haar eigen ziekte beschrijft. Bovendien begrijp je dan misschien beter de gevoelens die in deze en ook in andere patienten omgaan. Want toen L. haar verhaal liet lezen, of voorlas aan de andere patienten op de afdeling konden de meesten zich hierin terugvinden. Ze zouden het alleen niet zo poetisch hebben kunnen neerschrijven :


    'Nacht van maandag op dinsdag, 24-25 november '97.
    Plusminus 4 uur. De slaap ligt ver weg.
    Ik was gisteren heel zenuwachtig en doodmoe.
    Had ik pijn ? Soms wel, meestal niet. Maar moe.
    Ik voelde aan velen van ons dat wij onder de zenuwen lagen.
    Hiernaast ligt er iemand te snurken van kan niet meer op.
    Ik weet echt niet hoe of wat ik moet opschrijven.
    Daarom val ik ook op pietluttigheden.
    Wat heb ik gisteren geleerd onder het bespreken van onze ziekte CVS of fibromyalgie ?
    In feite niets. Ze weten het nog niet.
    Daarom blijf ik sterk bij mijn eigen gevoelens.
    Ik heb gestreden tegen mijn ziek zijn en nu heb ik er geen zin niet meer in.
    Ik laat mezelf nu eens gaan.
    Ik laat het mij toe.
    Ik verlang naar mijn kinderen en naar Marc en toch ben ik ergens.
    Ja wat, ben ik bang ? Ik weet het niet.
    Ik zit ergens vast. Misschien is dat wel goed.
    Even je stuurrichting kwijt raken.
    In feite voel ik mij hier, zoals de anderen, een schipbreukeling.
    Door bepaalde stormen of technische mankementen aan onze boten zijn wij uit koers geraakt en hoe goed wij ook ons best doen om bij de vloot te geraken, het lukt ons niet.
    Soms zie je het vlaggenschip en denk je dat je het gehaald hebt.
    Maar door bepaalde onderstromingen of verkeerde winden geraken wij terug de vloot kwijt.
    Het is dan heel erg mistig. De scheepshoorn horen wij dan soms wel maar door die grijze troep voelen wij de vloot soms aan.
    Dan valt de nacht en wanneer het morgen wordt ontdek je dat de vloot terug verdwenen is aan de horizon.
    Terug alle hens aan dek en maar hopen op een gunstige wind.
    In een paar uren of een paar dagen of weken raak je terug bij de vloot.
    Dan denk je dat je terug kan meevaren.
    Maar door de inspanning van het zoeken en jagen is de bemanning van onze boot zo uitgeput dat je achterop raakt en na de verplichte rust
    is de vloot weer weg...
    De bemanning raakt zenuwachtig.
    De proviand is op en daar lig je dan te dobberen.
    Vertwijfeld zoeken hoe je in feite zonder te veel inspanning terug bij de vloot kan raken.
    Je overlegt en je doktert een bepaald plan uit.
    Terug uitgerust hervat je de tocht.
    Opeens bemerk je de vloot zonder dat je bemanning of de boot geleden heeft en iedereen is blij.
    Wij zijn terug aangesloten bij het konvooi.
    Er wordt gevierd maar door vermoeidheid blijf je kijken naar de feestvierders.
    Je laat het schip toe om zich te laten herstellen.
    Er wordt een nieuwe laag verf aangebracht.
    De kapotte onderdelen worden hersteld en terwijl je daarmee bezig bent en alles verloopt vlot is de vloot uitgevaren.
    Alle hens aan dek want je wil meevaren.
    Maar je bent niet goed uitgerust, het proviand heb je vergeten aan te vullen en hup daar lig je dan weer te dobberen moederziel alleen.
    Wat moet de kapitein dan doen.
    Terugvaren naar... ja naar waar? Of weer die inspanning doen om bij de vloot te geraken.
    Hij overlegt, hij wikt, hij weegt.
    Hij kent de gevaren, de obstakels. De stille wateren, de onderstromingen,
    de woeste zeeen, de piraten maar ook de gunstige winden en de goede golfstromen.
    De kapitein neemt uiteindelijk een beslissing. Alle hens aan dek
    Overleg en uiteindelijk worden de zeilen weer gehesen.
    De juiste koers wordt ingezet.
    Iedereen is opgelucht. Wij weten weer waar naartoe.
    Er wordt gezwegen op het dek. Het schip heeft een goede zee gevonden.
    Wat deert het dat de vloot voor ons uitvaart.
    Zolang de bemanning zich kan vermaken met hun werk en hun ontspanning is iedereen tevreden.
    Er wordt gelachen, gepoetst en de wind komt vlot de zeilen strelen.
    Wat er na de horizon komt dat kan niemand nu deren.
    De boot met zijn bemanning vloeit goed samen met het mooie donkere blauwe water.
    De dolfijnen en de vissen zwemmen mee.
    Het leven op de boot is goed
    Alleen zit de kapitein daar in zijn stuurhut te studeren om zeker geen verkeerde navigatiefout te maken.
    Blij om zij bemanning en schip.
    Verontrust door woelige waters die na de Kaap liggen.
    Maar hij zwijgt en laat iedereen rustig zijn werk doen.
    Kortom hij geeft zijn boot de tijd om heel veel krachten op te bouwen.
    Nu dat de winden goed meezitten kan iedereen genieten en terug op krachten komen.
    Wat er dan zal komen weet ook de kapitein niet. Maar 1 ding staat vast.
    Hij zal de bemanning niet meer zo opjagen om bij de vloot te geraken.
    Hij weet dat de vloot ook nog andere schepen moet lossen.
    Misschien kan hij samen met die andere boten en kapiteins een kleinere vloot vormen ?

    Welk verhaal heb ik hier nu zitten te vertellen. Waar haal ik het.
    Maar zo voel ik mij. Mijn laatste zinnen geven mij nu hoop. De grote vloot is te sterk.
    Het schip van de kapitein is te zwak voor de grote massa maar wat de kapitein en zijn bemanning ondervonden heeft is dat het najagen van de mastadont niet realiseerbaar is.
    Maar wel het opspeuren van achtergebleven schepen. Zodoende dat zij een vloot vormen die beschutting krijgt van de grote vloot maar die niet moet najagen.
    Als het dan niet te fel stormt dan zat die kleine vloot zich zelf kunnen aansterken en wie weet...
    Misschien groeit er een prachtige vloot uit al die verschillende opgeknapte boten.



    Lees verder : Deel VII


    Cfr. : http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=6408

    28-12-2005 om 00:00 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het Chronische Vermoeidheidssyndroom - Gevallenstudies - Deel VII
    Klik op de afbeelding om de link te volgen
    Het Chronische Vermoeidheidssyndroom

    Gevallenstudies

    vanuit de Psychosomatische Revalidatie Afdeling
    van het Universitair Ziekenhuis te Pellenberg



    Deel VII




    8.2.2.1 - Besluit mini-team
    L. zegt dat ze enig inzicht heeft verworven in haar ziekte tijdens het PME programma. Emotioneel is ze veel vooruitgegaan. Fysisch is ze de zwakste van de afdeling. Ze had het hier in het begin van haar opname erg moeilijk mee. Ze zegt dat ze het nog niet aankan om naar huis te gaan, ze heeft nog hulp nodig van de therapeuten. Na een conferentie over de creatieve therapie in de ergo en een gesprek met de ergotherapeute is ze spontaan beginnen tekenen. Ze wil haar masker afleggen en vraagt zich af wie ze nu werkelijk is en welke plaats ze binnen de groep inneemt. De psychologe heeft een gesprek gehad met haar echtgenoot waar het volgende kan uit onthouden worden :

    • hij is bereid om nog verder relatie-therapie te volgen

    • hij ziet de psychologische stoornissen van zijn vrouw als gevolg van die epidurale injectie, maar niet omgekeerd.

    • hij is tevreden over de therapie die zijn vrouw krijgt, ze is er bewuster van geworden

    • hij weet dat bij in de week weinig thuis is door zijn werk, maar hij compenseert dit bv. niet in het weekend

    • hij ziet geheel niet hoe bij zelftets kan bijdragen bij de therapie van zijn vrouw.

    • het is een rationeel man.

    Tegen de verpleging heeft de patiente gezegd: 'nu is het mijn beurt'. Hiermee bedoelt ze dat ze nu eens tijd wil nemen voor zichzelf. Dit betekent voor haar dat ze niet meer de sterke L. moet zijn die geen emoties mag tonen. Ook beseft ze dat ze niet meer de L. is die ze was op fysiek vlak. Ze weet dat ze nu minder goed functioneert dan vroeger.

    8.2.2.2 – Vervolgprogramma
    PPR, waarbij men de verbinding zal maken met de lichamelijke klachten. De lichamelijke klachten moeten bij L. evenwaardig behandeld worden als de psychologische kant van haar chronische vermoeidheid. De relatie-therapie zal eventueel verder gezet worden.

    8.2.2.3 - Specifieke doelstellingen

    • fysische revalidatie, met aandacht voor uithouding.

    • haar grenzen leren kennen

    • planning

    • uiten van gevoelens

    • concentratie en geheugenoefeningen

    • haar overheersend karakter in groep leren bedwingen

    • haar frustraties wegwerken door een alternatief te zoeken voor haar actieve levensstijl.

    • dagdagelijkse activiteiten structureren

    • omgaan met grenzen


    8.2.3 - Verloop van het therapeutisch programma PPR

    Bij L. spelen de volgende etiopathogenetische factoren een rol in haar ziektegeschiedenis :

    • één van de kwetsbaarheidsfactoren van L. is haar premorbide overactiviteit.
      Deze overactiviteit is bij haar verbonden met een attitude van zelfopoffering. Ze denkt altijd aan de anderen en cijfert zichzelf volledig weg. Naar aanleiding van een kritisch-somatisch moment, voor L. is dit een operatie, komt er aan deze overactieve levensstijl een einde. De patiente raakt in een regressief ziektegedrag met activiteitsvermijding, wat emotioneel erg moeilijk is voor haar.

    • een andere kwetsbaarheidsfactor die een invloed uitoefend op het ziekteverloop van L. is haar traumatische voorgeschiedenis.
      Zoals je reeds kon vernemen maakte de patiente een aantal negatieve ervaringen mee. Ze heeft nog nooit echt de emoties en gevoelens hierrond met iemand kunnen delen waardoor deze trauma's onverwerkt blijven. Deze trauma's die voor psychosomatische klachten leiden, hebben voor L. de volgende gevolgen : angstgevoelens, een gebrekkig gevoel van eigenwaarde, minder weerstand tegen stress,...
      Om die redenen kan zij minder goed met haar vermoeidheid omgaan.

    Een uitlokkende factor voor de CVS van de patiente is haar tweede operatieve ingreep naast een chronische stress-stoornis.
    Het is voor L. een emotioneel-ingrijpende gebeurtenis naast de reeds constant aanwezige psychische spanningen, waardoor ze gedecompenseerd is. In de lijn van haar premorbide persoonlijkheid probeert ze haar emotionele moeilijkheden te 'overwinnen' door haar overactieve levensstijl nog intensiever te maken. Bij L. gebeurt dit door haar te storten op de sportprestaties van haar tennis, zodat ze de emotionele pijn niet moet voelen en alles kan ontvluchten. Zo is het van belang dat L. haar copingsstrategie inziet, om zo tot inzicht en dan verwerking van de onderliggende problemen te komen in de ergotherapiesessies.

    Een onderhoudende factor die een rol speelt bij het stand houden van het CVS-syndroom van de patiente was haar verkeerde ziekte-overtuiging omtrent rusten, zoals deze beschreven werd onder punt 3.3.1 .
    De patiente geloofde dat zij door haar ziekte veel moest rusten en niet veel activiteiten mocht vervullen om zich minder moe te voelen. Door dit te doen kwam de patiente dan ook in een toestand van verminderde fysieke deconditionering terecht. Bovendien heeft ze het voordeel van de ziektewinst. Omdat ze zich vastklampt aan haar moeheidsklachten kan ze vluchten uit haar onhoudbare situatie van psychosociale overbelasting. Hierdoor kan ze haar rollen van echtgenote, moeder, huisvrouw,... niet meer vervullen, want ze is ziek, ze 'kan niet'.

    Net zoals bij de vorige patient, heeft ook deze patiente een aantal factoren die haar CVS onderhouden. Ook hier zal de ergotherapeut de nodige aandacht schenken aan deze factoren om een gunstig revalidatie-proces te bekomen.

    8.2.31 - Creatieve therapie
    In de creatieve therapie poogt de ergotherapeut de patiente tot inzicht te laten komen aan de hand van een belevingsgerichte therapie met behulp van projectieve technieken. Wat je hier juist onder kan verstaan werd reeds besproken in hoofdstuk 5 en 7.
    Tijdens haar opname werkte ze aan haar attitude van zelfopoffering, die verbonden was met haar overactiviteit. Vroeger had de patiente de gewoonte om altijd en voor iedereen klaar te staan. Ze heeft hier verandering in gebracht, want ze vond het tijd dat ze nu eens aan zichzelf dacht. Zo wil ze vanaf nu enkel diegenen helpen die ze wil helpen en als het haar goed uitkomt. Ook de huishoudelijke taken neemt ze nu niet meer volledig op zich. Ze krijgt nu hulp van een huishoudster. Bovendien worden de resterende taken nu verdeeld onder alle gezinsleden, na een familie gesprek.
    Tijdens de creatieve therapie kwam ze geleidelijk aan meer tot inzicht in zichzelf. Door expressief bezig te zijn tijdens deze therapie kon ze iets van zichzelf beeldend tot uiting brengen. Deze beelden leverden een bijdrage aan de verwerking van haar onverwerkte gevoelens en gebeurtenissen. Aan de hand van deze beelden kunnen de gevoelens en emoties die hierrond ontstaan gemakkelijker verwoord worden. Zoals ik reeds zei, maakte L. ook regelmatig een tekening die in haar verhaal paste. Bij het maken van deze tekeningen kwamen veel gevoelens en emoties los. Angst, kwaadheid, eenzaamheid,... Door het maken van deze tekeningen kon L. reeds een deel van deze gevoelens verwerken. Bovendien besprak ze haar tekeningen dan met de ergotherapeute tijdens de individuele therapie. Ze deed haar tekeningen ook mee naar de psychiater, omdat ze vond dat ze zo beter over haar psychische problemen kan praten.
    Tijdens de therapiesessies zag ze in dat haar ethiopathogenetische factoren haar CVS onderhouden. L. beseft dan ook goed dat haar revalidatieproces slechts gunstig kan evolueren als ze eerst grondig werk maakt van haar onderliggende problemen. Deze verwerking kan ze goed voltooien in de creatieve therapie, daar ze hier aan haar emoties letterlijk en figuurlijk kan werken. Hier mag ze haar emoties en gevoelens tonen en krijgt ze de mogelijkheid om ze te verwoorden.
    Naar het einde van haar therapeutisch vervolgprogramma had L. reeds een goed inzicht in haar onderliggende problematiek en had ze hier al een groot deel van kunnen verwerken. Ook de fysische kant van haar ziekte is positief geevolueerd. L. voelde zich wel nog te zwak om naar haar man en familie toe om zich hierin volledig bloot te geven. Ze was nog niet sterk genoeg om binnen haar systeem voor zichzelf te zorgen, om voor zichzelf de grenzen te bepalen van wat kan en niet kan. Vandaar dat ze een wandelkarretje wou als symbolische steun dat naar anderen toe de boodschap geeft van: 'vraag niet teveel aan mij, want ik ben niet sterk.'
    L. heeft het label CVS nodig om te kunnen overleven.
    Bij L. speelde in het begin van haar therapieverloop de cognitieve gedachte dat ze veel moest rusten omdat ze ziek is een belangrijke rol. Tijdens haar behandeling zag ze in dat rusten haar vermoeidheid nog meer in de hand werkt, zoals beschreven is onder punt 3.3.1. Vandaar dat ze het nu belangrijk vond om voldoende te bewegen, rekening houdende met haar individuele mogelijkheden en grenzen. Als L. nu een tekening bij haar verhaal maakt, doet ze dit slechts af en toe omdat ze weet van zichzelf dat dit fysisch en psychisch veel energie vraagt van haar. Tijdens het doen van activiteiten, deed ze het rustiger aan en hield ze rekening met haar grenzen. Wanneer ze boodschappen doet houdt ze rekening met haar vermoeidheid. Zo bijvoorbeeld staat er bij haar vertrouwde beenhouwer een stoel, zodat ze hierop kan uitrusten wanneer ze in de beenhouwerij aankomt.
    Haar ziektewinst is nog steeds een factor die een medierende rol speel in haar ziekteproces. Ze heeft nu wel inzicht in haar ziekteproces, haar revalidatie verloopt positief. Toch geeft ze haar ziek-zijn nog nodig om naar buiten te komen. Haar systeem met alle verwachtingen, druk, stress-gevingen, heeft nog steeds een grote invloed op L. Zo ondervindt ze nog steeds veel onbegrip van mensen voor haar C.V.S. Mensen die je zien tijdens een ontspannende activiteit wanneer je C.V.S. hebt, en weten dat je niet kan gaan werken, bestempelen je nogal vlug als 'lui' of'profiteur'. L. boorde dan ook al van iemand de opmerking: 'je kan niet gaan werken, maar je kan wel nog komen bowlen'. Dit is zo 1 van die uitspraken die het voor L. emotioneel nog erg moeilijk maken. Ze heeft zich hierin wat gehard, maar het blijft moeilijk wanneer de mensen je ziekte niet erkennen. Wanneer ze nu nog zo'n opmerking hoort, dan probeert ze zich dit haar niet meer aan te trekken, en vindt het spijtig dat betrokken personen niets willen weten over haar aandoening.

    8.2.3.2 – Ergotherapie
    L. kwam tijdens haar opname ook tot besef dat haar fysieke toestand erg gedeconditioneerd is. Vroeger was L. een actieve vrouw. Daar dit een belangrijke waarde was voor haar heeft ze het emotioneel moeilijk met haar huidige toestand ten gevolge van haar chronische vermoeidheid. Het tuinieren is voor haar fysisch moeilijk geworden. Wel blijft ze geinteresseerd in bloemen en planten. Zo weet ze van iedere plant in haar tuin welke kleur deze hebben, wanneer ze bloeien,... Bovendien probeert ze van deze bloemen de Latijnse namen te kennen en te onthouden. Daar L. ook geheugenproblemen heeft, is het niet evident om deze te onthouden. Daarom herhaalt ze deze regelmatig en studeert ze deze desnoods opnieuw in. De lichaamscomponente van haar handelingen speelt bij L. een belangrijke rol. L. heeft bewegingsbeperkingen, waardoor ze slechts beperkte afstanden kan afleggen. Ook stelt ze haar handelingen in het algemeen veel trager en kan ze fysisch veel minder dan een 'normale' vrouw van haar leeftijd. Tijdens de ergotherapiesessies kwam ze tot besef dat het noodzakelijk is dat ze aan haar fysieke conditie werkt. Hierdoor was ze dan ook gemotiveerd om in de kine aan deze problemen te werken. Bovendien houdt ze nu plaats vrij om voldoende te rusten in haar dag- en weekplanning. Het doet er niet toe of het een activiteit is die fysisch of psychisch belastend is, ze vergen beiden een recuperatie afhankelijk van de geleverde prestatie. Ook houdt ze er rekening mee dat ze best op voorhand rust neemt voor bepaalde activiteiten. bv. wanneer ze in het weekend een restaurantbezoek, uitstapje, feest,... gepland heeft.


    8.2.4 – Besluit

    • L. heeft gewerkt aan haar attitude van zelfopoffering. Ze heeft geleerd om ook eens aan zichzelf te denken. Ook de huishoudelijke taken werden herverdeeld onder alle gezinsleden. Ze vindt van zichzelf dat ze nog niet sterk genoeg is om dit aan te geven. Ze wil hiervoor nog een symbolische steun hebben. Haar karretje toont dan ook naar buiten toe : 'vraag niet teveel aan mij, want ik ben niet sterk !'

    • L. heeft in de creatieve therapie een manier gevonden om haar gevoelens te uiten. Reeds een groot deel van haar opgekropte emoties en gevoelens rond haar traumatische ervaringen heeft ze tijdens haar behandeling kunnen verwerken. Ook haar frustraties en kwaadheid kan ze in deze activiteit kwijt, omdat ze zich hier echt kan in uitleven. In haar persoonlijk verhaal maakte ze een evolutie mee. Nog steeds kan ze hierin haar belevingen van het moment in kwijt. Het blijft een verdere uitlaatklep voor de toekomst.

    • Tijdens de therapie heeft ze inzicht gekregen in haar copingsstrategie. L. begrijpt heel goed welk aandeel haar onderliggende problematiek heeft in haar CVS.

    • Haar verkeerde ziekte-overtuiging omtrent rusten, heeft ze ingezien. Soms moet ze nog gestiniuleerd worden om over te gaan naar activiteit. Ze zou haar CVS nog wel eens durven gebruiken als ze een bepaalde taak niet aankan en er de voordelen van haar ziekte uithalen.

    • Haar fysieke toestand is erop vooruit gegaan. Ze maakt nu ook een planning op om alle activiteiten te plannen die ze wil doen. L. wil veel dingen doen, maar wil hierbij haar grenzen niet overschrijden. Naast de dagelijkse activiteiten, voorziet ze ook voldoende plaats voor ontspannende activiteiten.

    L. maakte een mooie fysieke vooruitgang tijdens haar behandeling. Daarnaast kwam ze tot inzicht in haar problematiek. De creatieve therapie heeft haar daarbij geholpen. De verdere behandeling gebeurt bij haar individuele therapeut.




    Algemeen besluit


    Na de afgelopen stage op een Psycho Somatische Revalidatie afdeling (PSR) en na hierover een scriptie te hebben gemaakt kom ik tot de volgende besluiten.

    Het is zeker niet gemakkelijk geweest.
    Behandeling van psychosomatiek is misschien allemaal wel gemakkelijk gezegd in theorie, maar in de praktijk is het niet zo evident om een inzicht te krijgen en om doelstellingen te verwezenlijken. Dit is voor mij zeer leerrijk geweest. De holistische visie van een ergotherapeut komt op deze afdeling echt tot zijn recht.

    Mijn werkterrein richtte zicht tot patienten met CVS, maar ik heb nu toch een goede globale basis over de totale behandeling van patienten gekregen. Want met wie of waar ik ook zal terecht komen, wat het probleem ook zal zijn, het legt altijd beslag op je hele mens-zijn.

    In de toekomst zal men misschien niet meer praten over CVS omwille van evoluties in de tijd. Nu hebben de mensen 'die hun problemen moe zijn', in alle geval de mogelijkheid om deze te uiten. CVS is vaak een fysieke ingangspoort voor onderliggende problemen. Vaak beseffen mensen dan ook niet dat eventueel deze onderliggende problematiek een grote invloed op hun chronisch vermoeidheidssyndroom uitoefent. Voor sommigen is het rechtstreeks verwerken van hun emotionele en gevoelsmatige belevingen te confronterend. Als ergotherapeut heb je hier alle respect voor, waardoor de behandeling van de patient gebaseerd zal zijn op de fysieke revalidatie. Hier ligt dan ook het grote verschil tussen de twee therapeutische programma' s.

    De ergotherapeut kan heel mooi werk leveren. Aan de hand van dagdagelijkse activiteiten slaagt hij er toch maar in om de patient aan zijn problemen te laten werken. Zowel in de PFR als in de PPR brengt men de patienten tot inzicht, en stelt men een individuele behandeling voorop. Activiteiten activeren, motiveren en voorzien ons van energie op lichamelijk en geestelijk gebied.


    Nog enkele kritische bemerkingen.

    De taak van de ergotherapeut kan eigenlijk nog uitgebreid worden op de afdeling. Zo kan het bv. nuttig zijn om aan bepaalde patienten concentratie- en geheugenoefeningen te geven, daar dit één van de symptomen is die bij deze patienten kan voorkomen, wat blijkt uit de criteria voor CVS. Bovendien zou het idealer zijn om als ergotherapeut eens naar de thuissituatie te kunnen gaan samen met de patient. Zo zal het geven van advies over de dagdagelijkse activiteiten preciezer zijn, ten einde de vermoeidheid van de patient zoveel mogelijk te doen afnemen. Buiten deze schoonheidsfoutjes, moet ik zeggen dat deze afdeling prachtig werk levert, als je weet dat ze nog maar drie of vier jaar geleden opgericht werd. Hier heeft men oog voor de mens in zijn totaliteit en draagt men de patienten die anders misschien in de kou blijven staan een warm hart toe...


    Ik hoop dat ik in deze scriptie de zinloosheid heb kunnen aantonen van het dualistisch denken. Ofwel is de klacht somatisch ofwel is het psychisch, daardoor sluiten veel patienten 'en hulpverleners !', de ogen voor de psychosociale aspecten van de klachten.




    Bijlage


    1. - Familie chronische ziekte en invaliditeit

    Ernstige ziekte en invaliditeit kunnen een enorme invloed uitoefenen op het familiale leven. Families zitten vaak gevangen in destructieve ziekte-verhalen. Dit geeft niet zelden aanleiding tot onmacht- en schuldgevoelens. De familie worstelt tevens met nieuwe uitdagingen. Zoals bet doorbreken van rigide problemen van zorgdragen, die door de cultuur en de eigen transgenerationele geschiedenis worden voorgeschreven; het vrijwaren van intimiteit in een context van verlies en het vergroten van de autonomie voor alle familieleden.

    Op de PRS probeert men via een psychosociaal model paren, familieleden en belangrijke derden te gidsen doorheen ziekte-ervaringen. Het systemisch model integreert de psychosociale behoeften bij chronische ziekten in onderscheiden fasen, met de levenscyclus van het gezin, hun transgenerationele legaten en hun visies op ziekte en gezondheid. Door middel van individuele familietherapie of multi family discussiegroepen worden interventies gegeven voor het omgaan met veelvoorkomende moeilijkheden (o.a. lichamelijke beperkingen, onzekerheden over ziekte-afloop, relationele moeilijkheden en verlieservaringen).



    2. - Rol van familie en gezin

    Bij het begrip familie kan je verschillende facetten onderscheiden :

    1. structuur van het gezin; met name de verdeling man - vrouw - kinderen – grootouders.

    2. Relaties

    3. waarden

    4. levensfase


    2.1 - Structuur

    Vroeger had je in het gezin inwonende grootouders en ging de man uit werken. Dit is veranderd door de feministische beweging. Ook in de rolverdeling kwam
    er verschuiving. Traditionele gezinnen komen minder voor.


    2.2 - Relaties

    Dit is een actieve band tussen mensen. Deze kan zowel emotioneel als verstandelijk zijn. In de relatie kunnen er spanningen optreden omdat er nu maar één kostwinnaar meer is in het gezin, die bovendien de andere nog meer verzorgen ook.


    2.3 - Waarden

    In de maatschappij heersen er waarden die 'belangrijk' zijn.
    Bv. doorzetten, niet opgeven.


    2.4 - Levensfase

    De levensfasen die kunnen onderscheiden worden in het gezin zijn :

    • geboorte

    • kleuterklas

    • eerste communie

    • plechtige communie

    • verkering

    • huwen

    • kinderen

    • grootouder worden.



    3. - Ziekte bv CVS. heeft impact binnen de familie op verschillende vlakken


    3.1 – Structuur

    Plots functioneert bv. de vrouw niet meer. Wie doet het huishouden, de kinderopvang,... ?


    3.2 – Relaties

    Bv. het aspect van verzorging :

    • bij ziekte moet je zorg geven, maar hoe ?

    • bovendien is men gewend om altijd te verzorgen, terwijl men nu verzorgd moet worden.


    3.3 – Waarden

    Bv. je moet gezond, mooi, knap, intelligent zijn :

    • wat ben je nog waard als je bv. ziek bent en niet meer kan werken ?

    • als je ziek bent, mag je ook niet gezond zijn. Je mag bv. niet op een terrasje gaan zitten, ontspannen, op reis gaan,... Bv. een reis naar het buitenland zorgt voor problemen met de medische adviseur.


    3.4 – Levensfase

    Als een jonge man ziek wordt die net een huis gekocht heeft, zorgt dat voor implicaties.

    Bv. puberteit :

    • structuur maakt dat ze moeten helpen.

    • wat is verzorging voor hen ? Ze moeten thuisblijven en hebben zo geen contact meer met leeftijdsgenoten. Hierdoor gaan hun waarden en levensfase verloren.



    4. - Werking op de afdeling PSR

    1. Info-avond

    2. Familie gesprekken

    3. Familie discussiegroepen


    4.1 – Info-avond

    Deze vindt eenmaal per maand plaats in het PME en dient om de werking van de afdeling uit te leggen.

    Specifieker naar onevenwichten toe.


    4.2 - Familie gesprekken

    Wat gebeurt er rond de verschillende aspecten ? (structuur, relaties, waarden, levensfase) :

    • partners, kinderen

    • evenwichten creeren.
      Bv. een dochter van 16 jaar moet zich niet meer schuldig voelen als ze eens weggaat en de zieke achterlaat.


    4.3 - Familie discussiegroep

    Dit is eigenlijk een combinatie van 4.1 en 4.2.
    Men werkt hier met 4 a 5 families :

    • er wordt nagegaan hoe het met de families zit.
      Wij kunnen geen oplossingen geven als hulpverlener, wel interventie-technieken.

    • er komen veel vragen naar boven, de families helpen elkaar.
      Vaak zijn ze geisoleerd in hun buurt.

    • ze herkennen zich vaak in elkaar.

    • ze leren ook van andere families



    5. - Structuur van de groep

    • 1 jaar doorwerken

    • max. 8 a 10-tal sessies.

    • In Belgie gaat men niet selectief te werk.
      Bv. in Amerika wel, men richt zich tot :
      - geisoleerde families
      - heel zware problematiek

    • families komen alleen, de patient heeft het al moeilijk genoeg.

    • er geldt medisch geheim in de groep.
      Dit wordt afgesproken bij de eerste sessie.
      Alles blijft binnen de 4 muren.

    • kinderen kunnen deelnemen vanaf 6 jaar.



    Bronvermelding


    1. BLOCKMANS D. - Persoonlijke mededeling U Z Gasthuisberg K.U. Leuven - 1997.

    2. FINLAY L., ZINKSTOK R. - Ergotherapie in de psychiatrie.. 2e druk, Lemma, Utrecht, 1995, 2O3p.

    3. GOEDSEELS K., PIETERS G. - Het chronische vermoeidheidssyndroom : een cognitief-gedragstherapeutische benadering - Gedragstherapie 1996, 29(3): 181-199.

    4. GODDERIS J., IGODT P. - Beginselen der psychiatrie en psychiatrische kliniek - Herdruk 1992-1993 - Acco Leuven, 167 p.: p. 60.

    5. LIARARI D.; GLAS G. - Chronische moeheid, testcase voor de geneeskunde – Tijdschrift Psychiatrie, 1994, 1: 49-63.

    6. KOMAROFF A.L. - Clinical Presentation and evaluation of fatigue and chronic fatigue syndrome – In : Strauss S.E. (ed.), 1994 - Chronic fatigue syndrome, - New York : Marcel Dekker, 461 p.: 61-84.

    7. MICHIELSEN W.; VAN MOFFAERT M. - Het chronische vermoeidheidssyndroom : een psychosomatische visie - Tijdschrift voor Geneeskunde, 1991, 47(2 1): 1425-1430.

    8. NEERINCKX E. - Het chronische vermoeidheidssyndroom - 1996, 23 p., (Leuven : U.Z. Pellenberg - Voorstelling van het C.V.S. d.m.v. slides).

    9. SHARPE MC, e.a. - Follow up of patients presenting with fatigue to an infectious diseases clinic - Britisch Medical JournaL 1992, 305, p. 147-152.

    10. SHORTER E. - Chronic fatigue in historical perspective – In : Bock G.; Whelan J. (eds), 1993 - Chronic fatigue syndrome - Ciba Foundation symposium 173, Chichester : Wiley and sons, 357 p. : 6-22.

    11. VAN DE GUCHT, PROF. DR. B. FISCHLER – 'Somatisatie' - Axon, januari 1998.

    12. VAN HOUDENHOVE B. - Het chronische vermoeidheidssyndroom : visie van een liaison-psychiater - Tijdschrift voor Geneeskunde, 1991 47(21):1431-1439.

    13. VAN HOUDENHOVE B. - Moderne Psychosomatiek, theorie en praktijk van het bio-psychosociale ziektemodel - Streven. Mei 1992.

    14. VAN HOUDENBOVE B., FISCHLER B., NEERINCKX E., VAN HOUDENHOVE L. - Het CVS : eindpunt van een multifactorieel proces - 1994.

    15. VAN HOUDENHOVE B. - Chronische pijn, chronische vermoeidheid : een indicatie voor 'psychosomatische revalidatie' - 1996, 24 p., (Leuven : Universitaire Ziekenhuizen K.U. Leuven, Psychosomatische Revalidatie Afdeling; informatief).

    16. VAN HOUDENHOVE B.; NEERINCKX E. - Een actuele visie op het chronische vermoeidheidssyndroom - Diagnostiekwijzer, 1996.

    17. VAN HOUDENBOVE B., VASQUEZ G., GOOSSENS L., VANDEPUT C. - De psychosomatische revalidatie-afdeling : concept, werking en eerste evaluatie - Tijdschrift voor Geneeskunde 1996, 52(3):189-197.

    18. VAN HOUDENHOVE B. - Lichamelijke ziekte en Psychiatrische Stoornissen - Tijdschrift voor Geneeskunde, 1997, 53(16), p. 1059-1062.

    19. VAN HOUDENHOVE B. - Psychosomatiek, modellen, strategieen, perspectieven - Apeldoorn, Leuven, 1997, 116 p.

    20. VAN HOUDENHOVE B. - Ziek zijn zonder ziekte - Lannoo, Tielt; 1998, 167p.

    21. VAN HOUDENHOVE B. - Patienten met CVS : Hoe evalueren ? Hoe behandelen ? Hoe ermee omgaan ? - Ongepubliceerd werk.

    22. WESSELY S. - The history of chronic fatigue syndrome – In : Strauss S.E. (ed.), 1994 - Chronic fatigue syndrome - New York : Marcel Dekker, 461 p. : 3-44


    Cfr. : http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=6408

    28-12-2005 om 00:00 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    27-12-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Hoge Gezondheidsraad - Werkgroep CVS - Richtlijnen i.v.m.beoordeling arbeidsongeschiktheid
    Klik op de afbeelding om de link te volgen






    Hoge Gezondheidsraad
    Onderafdeling I.2 - "Psychosociale aspecten van ziekten"

    Werkgroep CVS
    Richtlijnen i.v.m.beoordeling arbeidsongeschiktheid

    - 04-01-2000 -

    Bronhttp://www.me-cvs.nl/ 

    Dr. J. Moens
    Dr. J. Vandenbergen
    Dr. L. Cools
    Dr. L. Vantomme
    Dr. M. Vanden Wijngaert (redactie & tekts)


    Inhoud :

    1. - Inleiding en doelstellingen 

    2. - Concrete voorstellen bij de benadering van de individuële patiënt 

        2.1 - Eerste faze: opmaken van het arbeidsongeschiktheidbilan 
        2.2 - Tweede faze: verder beleid en opvolging. 
        2.2 - Opvolging van de arbeidsongeschiktheid.
                    2.2.2 - De begeleiding van het herstelbeleid
        2.3 - Contact met behandelende artsen
                    2.3.1 - Contacten met de huisarts
                    2.3.2 - Contacten met de geneesheren specialisten 
                    2.3.3 - Contact met de arbeidsgeneesheer
        2.4 - Gebruik van de herstelmogelijkheden en werkhervatting. 

    3. - Bijlagen

        3.1 - Vermelding van de Holmes-criteria 
        3.2 - Vermelding van de Fukuda-criteria 
                    3.2.1 - Definitie van aanhoudende vermoeidheid 
                    3.2.2 - Definitie van CVS 
                    3.2.3 - Exclusiecriteria voor CVS diagnose 
                    3.2.4 - Definitie van idiopatische chronische vermoeidheid 




    1. - Inleiding en doelstellingen

    Het doel van de werkgroep is het uitwerken van richtlijnen voor collega's adviserend geneesheren bij de benadering van de arbeidsongeschiktheid van de chronisch vermoeidheids-patiënten.
    De vergaderingen en discussies hebben geleid tot dit werkdocument. We zijn ons bewust van de vele onduidelijkheden en de nog vele open vragen. Een aantal werkpunten vragen verdere uitwerking - het gesprek en de discussie is ook binnen de werkgroep niet afgerond.
    Vanuit een bredere visie op " het dysfunctioneren zonder duidelijke klinische entiteit " trachten we een werkmethode te formuleren. We gaan uit van een biopsycho-sociaal ziektemodel : het ziek zijn wordt niet alleen bepaald door somatische determinanten, maar ook psychische en sociale factoren spelen een rol. Het is binnen dit denkkader dat we de arbeidsongeschiktheid en de revalidatie benaderen.
    Meer en meer zien we mensen met als hoofdklacht: vermoeidheid. Sinds 1988 wordt de term chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) gebruikt. De criteria van Holmes en Fukuda (zie bijlage) vormen de uitgangspunten. Syndroom betekent een 'nosologische entiteit van symptomen'. Het juiste pathofysiologische mechanisme is nog onbekend.
    Patiënten met chronische vermoeidheid stellen de verzekeringsgeneeskundige voor een beoordelingsprobleem. Er is vaak uitdrukkelijke vraag naar ziekte-erkenning. Onze taak bestaat er enerzijds in de arbeidsongeschiktheid te beoordelen. Anderzijds hebben wij ook een sociaal maatschappelijke functie in de begeleiding van de arbeidsongeschikte persoon. Het doel van onze evaluaties is de maatschappelijke reïntegratie. Een aktieve planmatige aanpak lijkt ons dan ook de meest aangewezen weg. De contacten met de behandelende artsen en arbeidsgeneesheer, worden geschetst in een sfeer van open samenwerking. Wij weten dat in vele concrete dossiers, de mogelijkheden tot dialoog verre van optimaal zijn. De voorgestelde werktekst is dan ook bedoeld als leidraad en als basis voor verder gesprek. De begeleiding van de individuele patiënt blijft de opdracht van de individuele AG, die steeds vanuit zijn eigen beoordeling de reïntegratie en de arbeidsongeschiktheid zal toetsen.
    De evaluatie van de beperkingen en de begeleiding, vormen een uitdaging in ons werk.


    2. - Concrete voorstellen bij de benadering van de individuële patiënt

    2.1 - Eerste faze : opmaken van het arbeidsongeschiktheidsbilan

    Tijdens de eerste consultatie is het belangrijk dat de patiënt rustig zijn verhaal kan doen. Een defensieve houding van de patiënt of de adviserend geneesheer wordt best vermeden.
    Via de anamnese wordt verder duidelijk hoe lang de klachten bestaan, hoe ze begonnen zijn, welke artsen de patiënt al geraadpleegd heeft, op welk medisch echelon hij gevolgd wordt, welke technische onderzoeken er gebeurd zijn, welke behandeling gevolgd wordt…
    Het klinisch onderzoek levert meestal niets specifiek op. De afwijkingen bij routine bloedonderzoeken zijn minimaal en aspecifiek.
    De eerste contacten leggen de basis voor een werkbare vertrouwensrelatie. Dit is het uitgangspunt voor de begeleiding van de arbeidsongeschiktheid en de reïntegratie.

    De onderliggende boodschap kan zijn :

    • Ik ken dit complexe probleem, het interesseert mij.
    • We zullen uw toestand regelmatig bespreken en reëvalueren.
    • Mijn taak als adviserend geneesheer bestaat uit het evalueren en begeleiden van de arbeidsongeschiktheid en de maatschappelijke reïntegratie. Deze evaluatie gebeurt op basis van art. 100 van de ZIV wet.
    • Ik zal contact nemen en overleggen met de behandelende artsen rond de evolutie en de revalidatie.
    • We zullen tijdens de eerste faze van onze contacten alle belangrijke elementen van uw probleem verzamelen. Dit zal leiden tot een beslissingsmoment.

    De volgende consultaties plannen we op basis van inhoud en verloop van de eerste. Wij stellen voor de patiënt om de vier à zes weken te zien. Zeker in de eerste periode van de arbeidsongeschiktheid is het essentieel dat de patiënt voelt dat we zijn toestand met aandacht en van nabij volgen.

    Tijdens elk gesprek moet de evolutie van de klachten aan bod komen. Door gericht te vragen naar de werksituatie, de familiale toestand, de sociale contacten…, leert de patiënt ons veel over zijn premorbied niveau van maatschappelijk functioneren. Dikwijls worden hierdoor een aantal stressoren duidelijk en erkent de patiënt ook de invloed hiervan. Een aantal patiënten ervaren hun premorbiede levensstijl als overaktief en stress-vol.

    Vanuit deze context kunnen de psychische aspecten ter sprake gebracht worden. We krijgen dan de kans om uit te leggen dat er buiten de fysieke klachten ook psychosociale factoren een rol kunnen spelen in het ziektebeeld.

    Door het gericht klinisch onderzoek krijgen we een beeld van de fysieke toestand van de patiënt. We hebben aandacht voor de meegebrachte technische onderzoeken en beoordelen deze.

    Na de eerste contacten kunnen we ons al een aantal bedenkingen maken :

    • Is het onderzoek naar andere onderliggende aandoeningen in voldoende mate gebeurd zowel op somatisch als psychisch vlak ?
      Is onderliggende internistische problematiek voldoende uitgesloten ?
      Is voldoende aandacht besteed aan een eventuele onderliggende psychiatrische problematiek ?
    • Is er een duidelijke beperking op cognitief vlak ?
    • Is er een duidelijke beperking in fysieke inspanning ?
    • Waar legt de patiënt de verklaring voor de oorzaak van zijn dysfunctioneren ?
    • Heeft hij een sterke somatische attributie ?
    • In welke mate denkt patiënt zelf enige invloed te kunnen uitoefenen op zijn aandoening en het verloop ervan (locus of control) ?
    • Hoe ernstig is de vermoeidheid ?
    • Hoe is het sociaal netwerk van de patiënt georganiseerd ?
    • Wat is de trigger die het professioneel afhaken heeft veroorzaakt ?
    • Wat is de bereidheid tot revalidatie ?
    • Kunnen we inderdaad spreken over chronisch vermoeidheidssyndroom ?
      De toetsing aan de criteria van Holmes of Fukuda gebeurt door de behandelende artsen niet altijd even accuraat. Er is soms zelfs sprake van overdiagnose.
    Door het formuleren van een antwoord op deze vragen, kunnen we - na een drietal consultaties - een balans opmaken. Dit geeft aanleiding tot een belangrijk beslissingsmoment. In deze faze zullen een aantal mensen na een grondige evaluatie van de beperkingen, niet verder erkend worden. Bij diegenen die we verder erkennen, komen we vanuit verzekeringsgeneeskundig standpunt tot een actieve benadering. Deze bevat twee delen : de opvolging van de arbeidsongeschiktheid, en het herstelbeleid tot reïntegratie.


    2.2. Tweede faze : verder beleid en opvolging

    2.2.1 Opvolging van de arbeidsongeschiktheid

    De doelstelling in deze tweede faze is een zo snel mogelijke, duurzame maatschappelijke reïntegratie op het voor de patiënt hoogst haalbare niveau.

    Het plannen van de (stabiele) werkhervatting als eindresultaat zal in het individuele dossier bepalend zijn voor de frekwentie van de raadplegingen, voor het tijdstip van aanvang deeltijds werk en voor de contacten met de behandelende artsen. Binnen ons werk betekent dit zowel controle als begeleiding.

    Het is opvallend dat de patiënt zijn klachten brengt in subjectieve "belevingstermen". Bij praktisch iedereen gaat het om cognitieve symptomen (geheugenstoornissen, concentratiestoornissen) en inspanningsintolerantie. Het zijn dan ook deze aspecten die aan bod moeten komen. Door de subjectieve aard van de klachten kan er een verschil zijn tussen de werkelijke graad van dysfunctioneren en de door de patiënt ervaren graad van dysfunctioneren. De ernst van de cognitieve deficits en de inspanningsintolerantie moet beoordeeld worden.

    Hierbij kunnen enkele technische onderzoeken hulpmiddelen vormen, bijvoorbeeld het neuropsychologisch testonderzoek, de spiro-ergometrie en het slaaponderzoek. De resultaten van deze onderzoeken zullen ons meestal geen zwart-wit antwoord opleveren rond de prestatie-mogelijkheden. Zij vormen slechts stukjes van de globale puzzel.

    De neuropsychologische screening kan gericht zijn op geheugen, vastgehouden aandacht, snelheid van informatieverwerking en probleemoplossend vermogen. De resultaten zullen vaak slechts kleine afwijkingen tonen, maar kunnen toch bijdragen aan onze beeldvorming.

    Een goed uitgevoerde spiro-ergometrie geeft een beeld van de maximale inspanningscapaciteit.

    Patiënten beschrijven vaak slaap- en doorslaapproblemen, onvoldoende fitheid 's morgens. In sommige gevallen kan een slaaponderzoek bijkomende informatie opleveren. Een behandelbare stoornis kan op deze manier opgespoord worden.

    Gezien de belangrijke psychiatrische comorbiditeit, moet er aandacht besteed worden aan een op dat vlak adequate benadering.

    Voor de arbeidsongeschiktheidsevaluatie zijn er dan ook een aantal indicatoren :

    • beoordeling van de mogelijkheden tot functioneren in het dagelijks leven.
    • anamnese
    • informatie via andere artsen
    • informatie via derden (bv. een sociale enquête door een verpleegkundige, zoals dat bij het RIZIV mogelijk is).
    • de psychosociale context. Het sociale vangnet.
    • Resultaten van een slaaponderzoek, neuropsychologisch testonderzoek (cognitieve dysfuncties) en spiro-ergometrie (fysische inspanningscapaciteit).
     
    2.2.2. De begeleiding van het herstelbeleid.

    Meer en meer groeit de consensus dat de behandeling van de CVS patiënt een multidisciplinaire aanpak vergt. Dit houdt in dat de patiënt niet alleen medicamenteus behandeld wordt, maar dat ook de revalidatie en de wijze waarop de patiënt omgaat met zijn problemen, opgenomen wordt in de behandelingsstrategie. De cognitieve gedragstherapie, het ontwikkelen van copingstrategiën en fysieke revalidatieschema's winnen aan belang; De concrete therapeutische aanpak zal een individuele mix van deze elementen bevatten. Bij het opvolgen van de revalidatie, is samenwerking met de behandelende artsen zeer belangrijk. Op regelmatige basis, toetsen we het behandelingsplan aan de reïntegratiemogelijkheden. Concrete afspraken met de patiënt en de behandelende arts in het kader van de reprofessionalisering kunnen helpen : een geleidelijke uitbreiding van de activiteit, opnemen van huishoudelijke en vrije tijdstaken, sociale contacten…

    Een actief herstelbeleid rust op de volgende peilers :

    • Nadruk op multidisciplinariteit bij de behandeling
    • Contactname met de behandelende artsen in verband met 
          - het behandelingsplan
          - de reïntegratie en reprofessionalisering
          - de progressieve werkhervatting
    • In een aantal gevallen is werkhervatting haalbaar. Een aantal patiënten zullen evolueren naar langdurige arbeidsongeschiktheid. Bij anderen zal een conflictsituatie onvermijdelijk zijn. Het is de bedoeling deze twee laatste groepen zo beperkt mogelijk te houden.
     
    2.2. Contact met behandelende artsen

    2.3.1. Contacten met de huisarts

    De huisarts blijft een centrale figuur in de begeleiding. Hij is diegene die in vele gevallen de verdere gang van zaken bepaalt, door de manier waarop hij de problematiek benadert.

    Soms zien we de patiënt in een vroeg stadium van zijn klachten (bv. slepende vermoeidheidsklachten na een infektieuze episode). Deze patiënten worden meestal alleen op de eerste lijn gevolgd. Een vroegtijdige persoonlijke samenwerking met de huisarts is absoluut aangewezen. Via deze contacten en een gelijklopende visie, kan vermeden worden dat de patiënt terechtkomt in een spiraal van technische onderzoeken op het tweede of derde medische echelon. Een (eventueel gedeeltelijke) werkhervatting blijkt meestal haalbaar binnen de eerste maanden. Een evolutie naar chroniciteit kan aldus vermeden worden.

    Een aantal patiënten leren we pas kennen in een verder stadium van hun klachten. Hoewel deze mensen vaak uitsluitend gevolgd worden door tweede- of derdelijns centra, is het toch belangrijk de huisarts te betrekken bij het verder verloop. De huisarts heeft een beeld van de thuissituatie van de patiënt en van zijn dagelijks niveau van functioneren. Hij kan de graad van (in)aktiviteit objectiveren. Tijdens de controle-raadplegingen trachten we de patiënt te stimuleren tot regelmatig contact met de huisarts.

    Om deze redenen en gezien de huisarts in vele gevallen ook de attesten arbeidsongeschiktheid schrijft, is regelmatig overleg wenselijk.


    2.3.2 Contacten met de geneesheren specialisten

    Bij de specialisten die zich bezighouden met het chronisch vermoeidheidssyndroom, vinden we twee strekkingen terug. Een aantal onderzoekers gelooft in een zuiver somatische etiologie. Het wetenschappelijk onderzoek naar een eventuele onderliggende somatische afwijking, krijgt veel aandacht in de media. Op deze manier wordt bij de patiënt de verwachting gewekt van een unieke diagnostische labo-test en een medicamenteuze curatieve behandeling. Of de exclusief somatische benadering de daarmee verbonden hoop op genezing kan inlossen, blijft mijns inziens een open vraag.

    Aan de andere kant zijn er artsen die het chronisch vermoeidheidssyndroom benaderen als een multifactoriële aandoening. Hierbij interageren somatische, psychische en psychosociale factoren.

    Het is voor de adviserend geneesheer geen eenvoudige opgave om tot een constructieve samenwerking te komen.

    Wij pleiten voor een zo breed mogelijke benadering en begeleiding met zowel aandacht voor de somatische als psychische en psychosociale aspecten (biopsychosociaal ziektemodel).

    Vanaf de eerste controleraadplegingen, kunnen we - via een met de patiënt meegegeven brief - de verslagen opvragen. We vernemen zo welke de visie is van de behandelende specialist, welke onderzoeken uitgevoerd werden en hoe de verdere behandelingsplanning is. Als één van deze elementen in de verslagen ontbreekt, kunnen we hierover gerichte vragen stellen, eerst schriftelijk, daarna eventueel telefonisch.

    Zoals het primordiaal is dat een onderliggende somatische problematiek wordt uitgesloten, geldt dit ook voor de psychiatrische comorbiditeit. Te vaak zien we patiënten waarbij dit onvoldoende gebeurd is. In die gevallen moeten we proberen dit bespreekbaar te maken met de betrokken arts. We trachten ook de visie van de specialist te kennen over de fysieke inspanninscapaciteit en de cognitieve problemen van de individuele patiënt.

    Het behandelingsplan is vaak niet duidelijk. In dat geval neemt de adviserend geneesheer hierover contact. Het bekomen van een behandelingsplan is essentieel voor de verdere begeleiding en evaluatie van de patiënt. Dit biedt ons de gelegenheid de maatschappelijke reïntegratie ter sprake te brengen.

    Tijdens de regelmatige controle-onderzoeken, houden we de patiënt op de hoogte van de contacten en samenwerking met zijn dokters. De reïntegratie in het arbeidsmilieu kan zo zijn plaats krijgen binnen de behandeling en de revalidatie. Het behoort tot de opdracht van de adviserend geneesheer hierin een aktieve rol te spelen.

    Er groeit een steeds grotere ervaring met chronische vermoeidheid in de verschillende centra. Hieruit zou een meer gelijklopende klinische en therapeutische benadering moeten volgen een internistische oppuntstelling gevolgd door een psychische evaluatie. De bepaling van de functionele residuele capaciteit via neuropsychologisch testonderzoek en inspanningstesten kunnen bijdragen tot een betere interpretatie van de klachten in het licht van der arbeidsvereisten. Een goede coöperatie met de behandelende artsen vanuit deze visie, kan niet genoeg benadrukt worden.


    2.3.3. Contact met de arbeidsgeneesheer

    Voor de groep patiënten die nog een job hebben op het moment dat zij arbeidsongeschikt worden, is het uitermate belangrijk deze tewerkstelling te kunnen behouden. Onze samenwerking met de arbeidsgeneesheer kan hiertoe een nuttige bijdrage leveren.

    De arbeidsgeneesheer heeft zicht op de specifieke problemen van de werknemer. Hij is op de hoogte van de conflictsituaties en spanningen tussen werknemer en werkgever en tussen werknemers onderling. Hij heeft een duidelijk beeld over de mogelijkheden tot progressieve werkhervatting binnen het bedrijf.

    Bij de contacten met de behandelende artsen gaan we uit van :

    • de samenwerking met de huisarts : 
          - het verkrijgen van een duidelijk behandelingsplan
          - het kaderen van professionele reïntegratie in de behandeling en revalidatie
          - overleg rond de attesten arbeidsongeschiktheid
    • de samenwerking met de specialisten : 
          - het verkrijgen van een duidelijk behandelingsplan
          - het kaderen van professionele reïntegratie in de behandeling en revalidatie
    • de samenwerking met de arbeidsgeneesheer :
          - overleg rond de mogelijkheden van progressieve tewerkstelling.
     
    2.4. Gebruik van de herstelmogelijkheden en werkhervatting.

    Bij deze groep patiënten is het herstel te vergelijken met dat van andere ziekten, alleen blijkt de tijdschaal langer. Een te grote druk tot full-time werkhervatting zal het herstel vertragen en zelfs tot herval leiden. Dit neemt niet weg dat werkhervatting aangemoedigd dient te worden.

    Eén van onze belangrijkste middelen tot arbeidsreïntegratie, is de mogelijkheid tot progressieve tewerktstelling.

    Het ogenblik van (gedeeltelijke) werkhervatting zal ook individueel verschillen. Wij beschouwen iemand over het algemeen geschikt om het werk te hervatten als thuis een zeker mobiliteit bereikt is. Een half uur wandelen, het lezen van de krant, boodschappen doen, het uitvoeren van bepaalde huishoudelijke taken zijn mogelijke indicatoren.

    Overleg met patiënt, huisarts, arbeidsgeneesheer en behandelend specialist is - zoals reeds geschetst - noodzakelijk. Een progressieve werkhervatting moet aangemoedigd worden. Als de werkomtandigheden dit toelaten, is het zelfs een geleidelijke opbouw van het aantal uren deeltijds werk ideaal. We spreken met de patiënt een termijn af binnen dewelke we een full-time werkhervatting haalbaar achten. De planning tot verdere werkhervatting wordt binnen elke controle-raadpleging geëvalueerd. Regelmatig contact met de arbeidsgeneesheer is nuttig voor een efficiënt beleid.

    De situatie waarin de patiënt nog werk heeft, vormt dus een goed uitgangspunt voor maatschappelijke reïntegratie. Bij de meeste van deze patiënten, behoort werkhervatting tot de reële mogelijkheden.

    In veel gevallen, worden we echter geconfronteerd met mensen die door hun dysfunctioneren hun job kwijtgeraakt zijn. Ook hun familiaal en sociaal leven is meestal beperkt. Stimuleren van een geleidelijke opbouw van aktiviteiten en sociale contacten, behoort hier tot onze taak. In de herstelfaze, kan het aansporen tot vrijwilligerswerk (binnen bijvoorbeeld het verenigingsleven of sociale organisaties), een bijdrage leveren tot reïntegratie. De stap naar het zich beschikbaar stellen voor de arbeidsmarkt, gebeurt ook voor deze patiënten aldus op een meer progressieve manier.

    Een werkhervatting betekent niet dat de patiënt volledig hersteld is tot het premorbiede niveau. Bij velen wordt dit niet meer bereikt. Een inperking op een aantal domeinen is voor een aantal patiënten met het chronisch vermoeidheidssyndroom een realiteit.

    Er moet gestreefd worden naar een evenwicht tussen werk, sociaal en familiaal leven. Reïntegratie in het arbeidsproces blijft primordiaal.



    3. - Bijlagen


    3.1 - Bijlage 1 - Vermelding van de Holmes-criteria (1988)

    Om de diagnose CVS te kunnen stellen moet de patiënt voldoen aan de 2 majeure criteria en 8 of meer van de 11 symptomatologische mineure criteria of aan de 2 majeure criteria, samen met 2 of meer van de fysische mineure criteria.

    a) majeure criteria :

    1. Ernstige vermoeidheid of vermoeibaarheid, niet aanwezig in de voorgeschiedenis en die niet betert met bedrust.
      De vermoeidheid moet nieuw zijn voor het individu : er mag in de anamnese geen gelijkaardig symptoom voorkomen. De vermoeidheid moet de gemiddelde dagelijkse activiteit gedurende minstens 6 maanden tot beneden de 50 % reduceren vergeleken met de premorbiede toestand.
    2. Andere ziekten die gelijkaardige symptomen kunnen geven moeten uitgesloten worden.

    b) mineure criteria :

    Meer dan 6 symptomatische mineure plus 2 fysische mineure symptomen of minstens 8 subjectieve symptomen zijn nodig.

    Symptomen mineure criteria :

    Om aan het criterium te voldoen, moet een symptoom begonnen zijn samen met of tijdens het optreden van de verhoogde vermoeibaarheid en moet gedurende minstens 6 maanden voorkomen :

    1. koude rillingen of orale temperatuur tussen 37.6 en 38.6 °C.
    2. keelpijn.
    3. pijnlijke lymfeklieren axillair of anterieur of posterieur cervicaal.
    4. veralgemeende onverklaarde spierzwakte.
    5. myalgie (spierpijn).
    6. voordien nooit optredende asthenie (vermoeidheid), minimum meer dan 24 uur na inspanning aanblijvend.
    7. veralgemeende hoofdpijn, nieuw optredend.
    8. migratoire artralgie (expliciete gewrichtspijn) zonder roodheid of zwelling niet-inflammatoir.
    9. neuropsychologische klachten. Eén of meer van de volgende : 
          - photofobie (lichtschuwheid of intolerantie voor schel licht)
          - transiënte visuele scotoma (sporadisch vlekken in het gezichtsveld)
         - vergeetachtigheid
          - overdreven irritabiliteit
          - concentratieproblemen
          - depressie
          - moeilijkheden met nadenken
          - verwarring.
    10. slaapstoornissen : hypersomnia (overmatige slaperigheid overdag  ) of insomnia (slapeloosheid).
    11. het symptomencomplex moet geschreven worden als zich ontwikkelend in een paar uren of dagen. (acuut of subacuut)
    Fysische mineure criteria :
     
    Deze moeten door een geneesheer minstens twee keer gedocumenteerd worden, met minstens 1 maand interval :
    1. orale lichaamstemperatuur tussen 37.6 en 38.6 °C, rectaal tussen 37.8 en 38.8 °C.
    2. niet-exsudatieve pharyngitis ('soort keelpijn') 
    3. palpabele (voelbare) of pijnlijke lymfeklieren, axillair (oksels) of anterieur of posterieur cervicaal. (max. 2 cm doorsnede).


    3.2 - Bijlage 2. - Vermelding van de Fukuda-criteria (1994)

    3.2.1 - Definitie van aanhoudende vermoeidheid.

    Aanhoudende vermoeidheid wordt gedefinieerd als door de persoon zelf gerapporteerde persisiterende vermoeidheid die tenminste een maand aanwezig is.

    3.2.2 - Definitie van CVS

    CVS wordt gedefinieerd als zelfgerapporteerde, klinisch geëvalueerde, lichamelijk onverklaarde aanhoudende of terugkerende chronische vermoeidheid (> 6 maanden), die

    • niet het resultaat is van voortdurende inspanning
    • een nieuw of duidelijk begin heeft
    • niet aanzienlijk verbetert door rust
    • heeft geleid tot forse afname van vroegere niveaus van beroepsmatig, sociaal of persoonlijk functioneren,

    En gekarakteriseerd wordt door minstens 4 van de volgende symptomen (>6 maanden) :

    • zelfgerapporteerde beperkingen in korte termijn-geheugen of concentratieproblemen
    • keelpijn
    • gevoelige hals- of okselklieren
    • spierpijn of gewrichtspijn zonder zwelling of roodheid
    • hoofdpijn
    • slaapklachten
    • malaiseklachten na inspanning die langer dan 24 uur duren.

    3.2.3 - Exclusiecriteria voor CVS diagnose

    1. Elke medische conditie die de chronische vermoeidheid zou kunnen verklaren.
    2. Elke eerder gediagnostiseerde medische conditie waarvan niet geheel zeker is dat deze volledig genezen of onder controle is en die de chronische vermoeidheid zou kunnen verklaren.
    3. Elke vroeger of huidige diagnose van een depressie in engere zin met psychotische of melancholische kenmerken, bipolaire affectieve stoornissen, schizofrenie, waanstoornissen, dementie, anorexia nervosa, boulemia nervosa.
    4. Alcohol- en andere substantiemisbruik minder dan twee jaar voor het begin van de chronische vermoeidheid.
    5. Zeer ernstig overgewicht (Quetelet index > 45)

    3.2.4 - Definitie van idiopatische chronische vermoeidheid.

    Idiopatisch chronische vermoeidheid wordt gedefinieerd als zelfgerapporteerde, klinische geëvalueerde, lichaamlijk onverklaarde chronische vermoeidheid die niet aan de criteria voor CVS voldoet.



    Bibliografie

    1. Abbey SE - Somatizaton, illness attribution and the sociocultural psychiatry of chronic fatigue syndrome - Chronic Fatigue Syndrome, John Wiley & Sons, Chichester, 1993, 238-261.
    2. Ablashi D - Summary : Viral studies of chronic fatigue syndrome - Cttn Infect Dis 1994c: 18 (suppl 1): s130-133.
    3. Antony MH, Brikman A & Lutgendorf S, Kilmas N et al. - Psychosocial sorrelates of illness burden in chronic fatigue syndrome - Cttn Infect Dis 1994: 18 (suppl 1): s73-70
    4. Avonts D - Klinische benadering moeheid - Bijblijven 1991: 7: 9-17
    5. Bates DW, Buchwald D Lee & Kith P et al. - Clinical laboratory test findings in patients with chronic fatigue syndrome - Arch intern Med. 1995; 155: 97-103
    6. Bearn J & Wessely S - Neurobiological aspects of CFS - European Journal of Clinical Investigation 1994: 24: 79-90
    7. Bleyenberg G - Attributies en chronische vermoeidheid - Ned. Tijdschr. Geneesk. 1997; 141(31): 1510-1512
    8. Blondel-Hill E, Shafran SD - Treatment of the chronic fatigue syndrome. A review and practical guide - Drugs 1993; 46(4): 639-651.
    9. Robbaers H - Het chronische vermoeidheidssyndroom - In : Syliabus Vervolmakingscyclum voor Verzekeringsgeneeskunde 1992-1993; 31: 25-32
    10. Buchwald D, Pescualy R. & Bombardler C. Kith P. - Sleep disorders in patients with chronic fatigue - Clin Infect Dis 1994s: 18 (suppl 1) : s68-72
    11. Butlar S, Chakter T, Ron M. & Wessely S - Cognitive Benaviour therapy in chronic fatigue syndrome - Journ Naurol Neurosurg Psychiat. 1991 : 54 : 153-158
    12. Cope H, David A, Mann A - Maybe it's a virus ? - Beliefs about viruses, symptom attributional style and psychological health - Journal of Psychosomatic Research 1994; 38(2): 89-98
    13. Demttrack MA - Chronic fatigue syndrome : a disease of the hypothalamic-pitultary-adrenol axis ? - Ann Med 1994 ; 26 : 1-5
    14. Fukuda K, Straus, Hickle L et al. - The Chronic Fatigue Syndrome : a comprehensive approach to its definition and study - Ann Intern Med 1994: 121: 953-959.
    15. Grafman J, Schwartz V, Dale JK & Sheffers M et al. - Analysis of neuropsychological functioning in patients with CFS - Journ Neurol Neurosurg Psychiat 1993 ; 56 ; 684-689.
    16. Harari D, Glas G - Chronic fatigue syndrome : a testcase for medicine - Tijdsch voor Psychiatrie 1994 ; 36(10) : 51-63
    17. Holmes G, Kaplan J, Gantz N et al. - Chronic fatigue syndroms : a working case definition - Ann intern. Med 1988: 108: 387-389
    18. Holmes CP - Defining the chronic fatigue syndrome - Reviews of infectious diseases 1991 ; 13 (suppl 1): s 53-55
    19. Hotopf MH & Wessely - Viruses, neurosis and fatigue - Journal of Psychosomatic Research 1994; 38(6) 499-514
    20. Jenkins R - Assessment and diagnosis of ME in te psychiatric clinic. Post-viral fatigue syndrome - Sec. ed. - J. Wiley & Sons, Chichester, 1992a: 3-40
    21. Jhonson SK, Deluca J & Fladler N, Natelson BH - Cognitive functioning of patients with chronic fatigue syndrome - Cttn Infect Dis 1994; 18 (Suppl 1); s84-85
    22. Komaroff AL, Straus SE & Gantz NM - The chronic fatigue syndrome - Ann Intern Med 1989; 110(5); 407-408
    23. Lambrecht L - Een Belgisch onderzoek rond het chronisch vermoeidheidssyndroom - Patient care 1995 (april); 21-38.
    24. Lloyd A, Hickle L, Brockman A & Hickle C et al. - Immunologie and psychologic therapy for patients with chronic fatigue syndrome : a double-band, placebo-controlled trial. The American Journal of Medecine 1993b; 94: 197-203.
     
    Lees ook :
    1. Aanbeveling betreffende de medisch-Sociale, economische en juridische aspecten : http://home.tiscali.be/be077857/medische/cfs/cfspolitiek/HGR-psychosociale.html 
    2. Verslag betreffende de consensus van de subgroepen "therapie" en "diagnose" : http://home.tiscali.be/be077857/medische/cfs/cfspolitiek/HGR_therapie_diagnose.html 
    3. Dr. ir. L. J. Lambrecht t.a.v.: Secretariaat Hoge Gezondheidsraad - Onderafdeling 1 -2 "Psycho-sociale aspecten van ziekten" : http://home.tiscali.be/be077857/medische/cfs/cfspolitiek/Lambrecht.html 

    27-12-2005 om 20:31 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Patiënten willen meer onderzoek naar ME/CVS
    Klik op de afbeelding om de link te volgen  

    Patiënten willen
    meer onderzoek naar ME/CVS

    PlanetInternet, 14 maart 2005


    DEN HAAG (ANP) - De ME/CVS-Stichting wil dat minister Hoogervorst van Volksgezondheid extra geld uittrekt voor wetenschappelijk onderzoek naar het chronisch vermoeidheidssyndroom.

    Dat staat in een petitie die de patiëntenorganisatie dinsdag overhandigt aan de Tweede Kamer, die eind deze maand het advies van de Gezondheidsraad over erkenning van ME/CVS bespreekt.

    Tot grote teleurstelling van de stichting heeft de bewindsman vorige maand het advies van de Gezondheidsraad om ME/CVS als officiële ziekte te erkennen, afgewezen. In het rapport van de raad worden volgens de patiëntenorganisatie tevens diverse suggesties gedaan voor wetenschappelijk onderzoek.

    ,,Ook de suggestie om nader onderzoek te verrichten naar het ziektebeloop van Pfeiffer-patiënten, is zeer waardevol'', stelt de stichting. Bij een relatief hoog percentage van deze patiënten zou de ziekte uitmonden in ME/CVS, zonder dat bekend is waarom.

    Hoogervorst noemde vorige maand in reactie op het advies van de Gezondheidsraad de wetenschappelijke onderbouwing voor de ziekte onvoldoende. ,,Ik geloof zeker wel dat deze mensen iets hebben. Zolang er echter geen overtuigend wetenschappelijk bewijs is van een ziekte, gaan we die niet erkennen'', zei hij.

    De bewindsman stelde dat er een groot taboe ligt op psychische klachten en zijn patiënten daarom zo gebrand op erkenning van lichamelijke oorzaken van ME/CVS. Hij denkt dat intensieve gedragstherapie de patiënten ook van hun klachten kan afhelpen. Schattingen over hoeveel mensen in Nederland kampen met ME/CVS lopen uiteen van 30.000 tot 40.000.


    Cfr. : http://www.planet.nl/planet/show/id=69412/contentid=558821/sc=deb5c6

    27-12-2005 om 20:26 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (6 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Fibromyalgie (Heijtbrink)
    Klik op de afbeelding om de link te volgen
























    Fibromyalgie
    (Heijtbrink)

    © 2005 M. Heijtbrink


    M. Heijtbrink te Haren, Groningen is van oorsprong fysiotherapeut (vooropleiding : gymnasium a en b). Na enige jaren in dit (mooie) vak gewerkt te hebben heeft hij enige malen in Azië gereisd en hij heeft daar ontdekt dat ‘onze’ visie op ziekte en gezondheid beperkt is. Mede door de toen ontstane globalisering leek het hem een geschikt tijdstip om zich te gaan verdiepen in andere visies, die vanuit andere tradities ontstaan zijn. Ook deze visies kennen hun beperkingen, maar integratie van beide systemen kan een enorme sprong vooruit betekenen voor de geneeskunde. Dit leidde in eerste instantie tot het volgen van de opleiding yoga en filosofie , een H.B.O.-studie van 4 jaar. Daarna is hij opgeleid in de acupunctuur en vervolgens in de bioresonantie. Afgelopen jaar heeft hij nog een opleiding gevolgd in de psychoimmunoneurologie bij professor B. van Dam en dhr. L. Pruimboom.
    Hij is leerkracht en directielid van de Hwa To University of traditional Chinese medicine in Koog aan de Zaan.

    Behandeling – M Heijtbrink is ervan overtuigd dat alleen met een brede aanpak dus met een therapie die gericht is op het energiesysteem en een verandering van manier van leven en een biochemische ondersteuning een chronische ziekte daadwerkelijk kan genezen of in ieder geval sterk kan verbeteren. U zult trouwens merken dat als de energie zich verbetert u zich ook veel beter kunt houden aan een gezonde(re) voedings- en leefwijze. Ook uw gedachten en gevoelens worden positief beïnvloed. Immers : het lichaam werkt minimaal even veel op de geest als andersom : u komt uit een vicieuze cirkel en kunt zelf actief mee gaan werken aan het zo optimaal mogelijk maken van uw gezondheid.
    Hoe ziet de behandeling eruit ? Eerst zal hij een uitgebreide ziektegeschiedenis met u doornemen, vervolgens uw orgaansystemen energetisch doormeten en waar nodig met ‘electronische’ homeopathie (alle belangrijke homeopathische medicijnen staan digitaal opgeslagen in het behandelsysteem) corrigeren, hij neemt samen met u uw manier van leven door en meestal volgt er dan een othomoleculair/kruiden-advies ter ondersteuning. Dit dient tijdelijk gebruikt te worden. Uw lichaam moet het immers op een gegeven moment zelf gaan overnemen. Deze zogenaamde prognose is voor iedere ziekte anders : zo hoort een verstuikte enkel (maar dus ook bijvoorbeeld een ‘whiplash’) uiterlijk (!) binnen 3 maanden te genezen en kan een reumatoïde artritis patiënt er tot maximaal 5 jaar over doen om te genezen (u hoeft dan niet constant behandeld te worden !) ; ‘functionele’ aandoeningen als migraine en p.m.s 6 tot 9 maanden etc. Dit hangt steeds af van het type weefsel dat is aangedaan.
    Sommige ziekten (zoals bijvoorbeeld diabetes mellitus type 1) of vergroeiingen kunnen nooit volledig genezen door deze methode, maar wel kan de levenskwaliteit sterk verbeterd worden. Heijtbrink zal de prognose van te voren met u doornemen, zodat u weet wat u kunt verwachten.


    De diagnose

    Fibromyalgie is een aandoening die bij circa 10% van de bevolking gediagnosticeerd wordt. 10 jaar geleden bedroeg dit percentage nog 2%, hetgeen aantoont dat er een sterke stijging is; in medische termen noemt men dat een epidemiologisch zeer actief ziektebeeld.

    De oorzaak is (nog ) onbekend.
    Wel zijn verbanden aangetoond met psychologische factoren, neurologische factoren, immunologische factoren en hormonale factoren.
    Het is dus waarschijnlijk een som van risicofactoren en moet dus ook als zodanig behandeld worden ! Therapieën op 1 van genoemde terreinen alleen zullen dus onvoldoende resultaat te zien geven. Een analyse van alle onderzoeken leidt tot de conclusie dat “fibromyalgie een ziektebeeld is, dat het best reageert op niet-medicamenteuze behandeling, natuurlijke pijn- en slaapregulatie, psychosociale begeleiding en oefentherapie” (Rossy et all 1999).

    Fibromyalgie behoort tot de reumatoïde ontstekingsziekten, maar kent geen ‘ontstekingssubstraat’.
    Met andere woorden : er kan niets worden aangetoond bij het normale laboratoriumonderzoek. Toch zijn er door verschillende wetenschappers (Russell 1989,Caro 1986) wel degelijk veranderingen aangetoond in het immuunsysteem (dat is het afweersysteem tegen ziektes), met name veranderde IgG gehaltes in slijmvliezen en bloed en een verlaagde activiteit van de natural killer cells. Deze laatste zijn de eerste barrière van het immuunsysteem tegen infecties. Dit kan verklaren waarom fibromyalgie-patiënten vaak vatbaar zijn voor allerlei infecties !

    De diagnose wordt gesteld als de patiënt klaagt over ‘gegeneraliseerde’ skeletspierpijnklachten, waarbij specifieke pijnpunten zijn omschreven (18 punten, waarvan er tenminste 11 ‘positief’ moeten zijn).

    Hoewel de pijnklachten op de voorgrond staan, klagen veel fibromyalgie patiënten ook over andere dingen zoals vermoeidheid (91%), slaapproblemen(80%), darmklachten (83%),ochtendstijfheid(82%) en depressie (88%).

    Fibromyalgie treft vooral vrouwen tussen de 30 en 60 jaar en kan in sommige gevallen zelfs tot arbeidsongeschiktheid leiden. Overigens kunnen de arbeidsgeschiktheidscijfers per land enorm variëren : in Israël komt bijvoorbeeld 100% van de patiënten weer aan het werk, in Nederland zo’n 50-70%. Dit houdt in dat psychosociale factoren een grote rol spelen !


    Oorzaken

    Zoals boven vermeld staat is er nog geen eenduidige oorzaak bekend.
    Dit komt vooral doordat in wetenschappelijk onderzoek steeds maar gekeken kan worden naar 1 factor tegelijk (bijvoorbeeld het verband tussen fibromyalgie en psychologische factoren), hetgeen een grote beperking is van de wetenschap ! De meeste ziektes worden namelijk veroorzaakt door het optreden van meerdere factoren tegelijk.

    De meest gangbare hypothese voor fybromyalgie is een tekort aan een bepaalde stof: serotonine.
    Dit kan de meeste symptomen die optreden bij fibromyalgie (pijnovergevoeligheid, darmstoornissen, slaapstoornissen, depressie) verklaren. Serotonine is namelijk een stof die regulerend werkt op pijn (voor ingewijden : het moduleert substance p), het zorgt voor een prettig gevoel (veel ‘reguliere’ antidepressiva werken in op het serotoninesysteem, hoewel lang niet alle depressies een serotonineprobleem zijn, zoals ‘regulier’ vaak wordt aangenomen !), het beïnvloedt de darmperistaltiek en ’s avonds bij het invallen van de duisternis wordt serotonine omgezet in melatonine, het slaaphormoon bij uitstek. Tijdens een goede diepteslaap kan het lichaam normaliter allerlei herstelprocessen afdraaien (productie groeihormoon en testosteron). Is die diepteslaap onvoldoende door serotonine-(en daardoor dus melatonine-) tekort kunnen lichaam en geest onvoldoende bijkomen van de inspanningen van de dag. Gevolgen : moeheid, spier/peesklachten.

    Overigens is het alleen toedienen van serotonine (of zijn voorloper tryptofaan) niet voldoende. Er zijn een aantal ‘co-factoren’ nodig voor een goede opname en omzetting. De bekendste van deze factoren is S-Adenosyl-Metionine (S.A.M.). In vele onderzoeken (oa Jacobsen 1991) is naar voren gekomen dat toediening van S.A.M. ‘significante’ verbetering te zien gaf op pijn, depressie, moeheid en ochtendstijfheid. Voor een orthomeleculair therapeut is dit niet vreemd, want S.A.M. werkt zowel op de omzetting van serotonine op melatonine als op de omzetting van noradrenaline naar adrenaline. Ook S.A.M.-productie is echter weer afhankelijk van co-factoren (bijvoorbeeld magnesium, vitamine B6).

    Kortom : een tekort aan 1 van genoemde of andere stoffen (het is te complex om hier nu verder op in te gaan) kan het hele systeem ‘blokkeren’ en de vicieuze cirkel pijn-bewegingsarmoede (voldoende beweging is nodig voor training van spieren en belastbaarheid, maar is bovendien het allerbeste slaapmiddel en het allerbeste antidepressivum, veel beter dan alle middeltjes die daar ooit voor bedacht zijn !) onvoldoende diepteslaap, depressie etc. Ook allergieën kunnen een rol spelen bij fibromyalgie Onderzoek van Chesney in 1988 heeft aangetoond dat fibromyalgie patiënten gevoeliger zijn voor de zogeaamde Platelet Activating Factor (P.A.F.) of dit meer produceren; deze P.A.F. beinvloedt weer de vrijzetting van bovengenoemde serotonine ! P.A.F. wordt vrijgemaakt bij afbraak van het zogenaamde arachidonzur. Dit kan een gevolg zijn van een allergie of van een te grote inname van archidonzuur (o.a. vlees, kip, melk).


    Therapie

    Tekorten aan 1 of meerdere van genoemde stoffen, overgevoeligheden kunnen met de apparatuur gemeten worden.
    Daarnaast worden belastende stoffen uit het systeem gehaald en wordt het systeem gereguleerd, zodat het sterker wordt en zich beter kan verweren tegen ziekteverwekkers – cfr. 'Energetische geneeskunde' : http://home.hetnet.nl/~marjan008/pagina's/Wat%20is%20.html -.
    Verder worden uw leef- , voedings- en bewegingsgewoontes doorgenomen. Ook ontspanningsoefeningen kunnen daarbij gegeven worden. Psychotherapeutische interventies zijn slechts in een klein aantal gevallen aan te raden.


    Cfr. : http://home.hetnet.nl/~m.h.heijtbrink/fibromyalgie.html

    27-12-2005 om 18:55 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (12 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Politieke Lobby - CVS in de Belgische politiek (2001 - 12 mei 2004)
    Klik op de afbeelding om de link te volgen










     
     
     
     
    Politieke Lobby
    CVS in de Belgische politiek - 2001 - (12/05) 2004

       
    http://home.tiscali.be/be077857/medische/cfs/cfspolitiek/brieven.htm   

    08-01-2001

    Rik Thys, Adviseur gezondheidszaken van de Belgische regering stand van zaken binnen betreffende CVS-centra  

    12-01-2001

    Hoge gezondheidsraad - Syntheseverslag van de werkgroep "therapie"  

    18-01-2001

    Belgische Senaat - CVS-Balkansyndroom-OPS besproken

    20-02-2001

    Persmedeling CVS-Platform 

    29-02-2001

    Reactie op de aanbevelingen betreffende medische, sociale, economische en juridische aspecten voor patiënten met het syndroom van chronische vermoeidheid.  

    07-03-2001

    Commissie voor Sociale zaken - Vraag van de heer Karel Van Hoorebeke i.v.m. referentiecentra voor CVS Patiënten  

    13-03-2001

    de heer Jef Valkeniers tot de minister van  Volksgezondheid over "de noodzaak van het wegwerken van de voedingspsychose die zich heeft meester gemaakt van onze bevolking" (nr. 712)  

    13-03-2001

    Reactie op de interpellatie van Jef Valkeniers in de Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers op 13 maart 2001  

    28-03-2001

    Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers - Commissie voor Sociale zaken

    30-03-2001

    Persmedeling Vlaamse regering - zorgverzekering  

    27-04-2001

    Vlaams parlement - Vraag van de heer Jos De Meyers over CVS en MIWA-verbrandingsoven  

    23-05-2001

    Voorstel naar Minister Aelvoet en Minister Vandenbroucke 

     31-05-2001

     Belgische Senaat: Erkenning Fibromyalgie en CVS  

    Sénat de Belgique: La reconnaissance de la fibromyalgie & le syndrome de fatigue chronique 

    02-03-2001

    Senaat: Vrouwen en gezondheid - CVS 

     06-06-2001

     Vlaams parlement - Maatschappelijke beleidsnota milieu en gezondheid 

     06-06-2001

    Vlaams parlement - maatschappelijke beleidsnota - Milieu en gezondheid - bijlage Hoorzittingen en adviezen  

    06-06-2001

    Vlaams parlement - maatschappelijke beleidsnota - Milieu en gezondheid - bijlage Hoorzittingen en adviezen - Zitting 2000-2001

    06-06-2001

    Vlaams parlement - maatschappelijke beleidsnota - Milieu en gezondheid - bijlage Hoorzittingen en adviezen  - Zitting 2000-2001

    13-08-2001

    Kamer volksvertegenwoordigers: vraag van mevrouw Yolande Avontroodt:  CVS - Medisch-Technische Raad. 

    01-11-2001

    Antwoord Min.Vandebroucke ivm referentiecentra  aan de patiënten van CVS-Vlaanderen platform 

    13-11-2001

    Vraag en antwoord  nr. 358 van mevrouw Yolande Avontroodt:  CVS - Medisch-Technische Raad. 

    04-03-2002

    Persbericht Frank Vandenbroucke m.b.t. CVS  

    06-03-2002

    Vraag van de heer Luc Goutry aan de minister van Sociale Zaken over "de referentiecentra voor de behandeling van CVS" (nr. 6530) 

    06-03-2002

    Samengevoegde interpellaties en vragen van de heer Luc Goutry  (nr. 1155), mevrouw Annemie Van de Casteele (nr. 6577), de heer Jean-Jacques Viseur  (nr. 1159), de heer Joos Wauters(nr. 6640), mevrouw Greta D'Hondt aan de minister van Sociale Zaken over "chronisch zieken en deeltijds werken" (nr. 6629) 

    17-04-2002

    Vraag van mevrouw Anne-Mie Descheemaeker aan de minister van Sociale Zaken en Pensioenen over "bepaalde kinebehandelingen" (nr. 6920) 

    30-04-2002

    Vraag nr. 463 van mevrouw Yolande Avontroodt van 14 maart 2002 (N.):  (CVS) -  Basisstudie - RIZIV-overeenkomsten met CVSreferentiecentra. 

    07-05-2002

    Vraag van de heer Luc Goutry aan de minister van Sociale Zaken en Pensioenen over "de erkenning van de referentiecentra Chronisch Vermoeidheidssyndroom" (nr. 6972)  

    11-05-2002

    ME-vereniging en het CVS-Platform: Open brief aan de Kamerleden België van de ME-vereniging en het CVS-Platform 

    14-05-2002

    Belgische kamer van Volksvertegenwoordigers: Schriftelijke vraag en antwoord van mevrouw Yolande Avontroodt

    06-2002

    Vraag van de heer Luc Goutry aan de minister van Sociale Zaken en Pensioenen over "de erkenning van de referentiecentra Chronisch Vermoeidheidssyndroom" (nr. 6972) 

    06-2002

    Brief van minister Vandenbroucke over CVS en referentiecentra

    12-6-2002

    Samengevoegde vragen van mevrouw Maggie De Block en mevrouw Annemie Van de Casteeleaan aan de minister van Sociale Zaken en Pensioenen over "het chronisch vermoeidheidssyndroom" (nr. 7369) 

    16-07-2002

    Vraag nr. 496 van de heer Hugo Philtjens van 12 juni 2002: CVS -  Referentiecentra. 

    06-08-2002

    Belgische kamer van Volksvertegenwoordigers: Schriftelijke  vragen en antwoorden van de heer Hugo Philtjens

    14-11-2002

    Vraag om uitleg van de heer Johan Malcorps aan de minister van Sociale Zaken over «de steun aan patiënten die lijden aan het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS)» (nr. 2-893) 

    04-12-2002

    Vraag van de heer Jo Vandeurzen aan de minister van Sociale Zaken over "de centra voor CVS" (nr. A423) 

    31-07-2003

    OPEN BRIEF aan minister Vandenbroecke. 

    15/01/2004 

    Vraag van Annelies Storms aan Minister van Sociale Zaken ivm referentiecentra 

    18-03-2004

    Belgische Senaat - Vraag van de heer Jacques Germeaux aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de erkenning van centra voor de behandeling van het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS)» 

    04-05-2004

    Vraag van mevrouw Maggie De Block aan de minister van Werk en Pensioenen over CVS 

    04-05-2004

    de heer Luc Goutry en mevrouw Maggie De Block aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over "de stand van zaken met betrekking tot de behandeling van CVS" 

    12-05-2004

     

    Wereld ME/CVSdag
    Verzoekschrift en petitie
    i.v.m. een HOORZITTING in de Commissie voor Welzijn, Volksgezondheid en Gelijke Kansen van het VLAAMS PARLEMENT  

     
     

    27-12-2005 om 09:18 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (4 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Politieke Lobby - CVS in de Belgische politiek (1995 - 2000)
    Klik op de afbeelding om de link te volgen













     
    Politieke Lobby

    CVS in de Belgische politiek - 1995 - 2000
       

    Dringend verzoek

    aan onze beleidsmensen, medici, hulpverleners
    en iedereen die ons beroepshalve kan helpen.

    voorbeeld van

    STANDAARD ANTWOORD OP BIJNA ELKE VRAAG/BRIEF

    8-6-1994

    Het Chronisch vermoeidheidssyndroom dient erkend  

    13-10-1995

    Vlaans Parlement - Vraag nr. 29 van 29 september 1995 van de heer Paul van Grembergen aan de heer Luc Van den Brande, ministerpresident van de Vlaamse regering, Vlaams minister van Buitenlands Beleid, Europese Aangelegenheden, Wetenschap en Technologie.

    13-10-1995

    Vlaans Parlement - Vraag nr. 29 van 29 september 1995 van de heer Paul van Grembergen aan de heer Luc Martens, Vlaams minister van Cultuur, Welzijn en Gezin, aan wie deze vraag eveneens werd gesteld.

    14-12-1995

    T.a.v. Mevrouw de Minister W. De Meester, Mevrouw de Minister M. De Galan, de Heer Minister M. Colla 

    Samen sterk

    Ook de VU steunt ons !!! 

    21-02-1996

    Volksvertegenwoordiger - Annemie Van de Casteele  

    26-02-1996

    Parlementaire vraag - Annemie Van de Casteele

    26-2-1996

    Volksvertegenwoordiger Hubert Brouns 

    29-2-1996

    Minister van Tewerkstelling, arbeid en gelijke kansenbeleid - Miet Smet

    13-3-1996

    Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn - Luc Martens 

    19-3-1996

    Schepencollege stad Ieper 

    29-3-1996

    Kabinet van de Vlaamse minister van   Financiën, begroting en gezondheidsbeleid 

    18-04-1996

    Petitie CVS patiënten 

    23-05-1996

    Parlementaire vraag - Annemie Van de Casteele

    30-7-1996

    Minister van Volksgezondheid en pesioenen - Marcel Colla 

    08-10-1996

    Volksvertegenwoordiger - Annemie Van de Casteele  

    10-10-1996

    Vlaams Minister Van Financiën, begroting en gezondheidsbeleid - Wivina Demeester 

    11-10-1996

    Vlaams minister van Cultuur, Gezin en Welzijn - Luc Martens 

    18-10-1996

    Vlaams minister v. leefmilieu en tewerkstelling- Theo Kelchtermans

    04-06-1997

    Volksvertegenwoordiger - Annemie Van de Casteele  

    24-02-1998

    Senator - Bert Anciaux  

    10-03-1998

    Verslag werkgroep CFS 

    10-03-1998

    CFS, stap voor stap op de politieke agenda.

    19-03-1998

    Volksvertegenwoordiger - J. Lenssens 

    ?

    De minister van Sociale Zaken - Magda DE GALAN 

    24-03-1998

    Volksvertegenwoordiger - Dr Jan Van Erps 

    10-04-1998

    Toespraak en conclusies van minister Marcel COLLA naar aanleiding van de studiedag over het chronisch vermoeidheidssyndroom

    10-04-1998

    Naar aanleiding van onze petitie overhandigd op 18 april 1996  

    20-04-1998

    Volksvertegenwoordiger - Annemie Van de Casteele

    07-05-1998

    Chronisch vermoeidheidssyndroom in Belgisch parlement 2/1 - Van Erps & Goutry vragen aandacht van de minister 

    03-07-1998

    Proces-verbaal van de vergadering "Chronisch Vermoeidheidssyndroom"

    06-07-1998

    Beleidswerkgroep Chronisch Vermoeidheidssyndroom

    05-10-1998

    Beleidswerkgroep Chronisch Vermoeidheidssyndroom

    21-11-1998

    "CM vraagt erkenning zeldzame ziekten" 

    01-1999

    Politiek Nieuws vanuit de CFS vereniging

    01-1999

    Patiëntenbrief 

    02-1999

    Open brief aan Minister Colla

    03-1999

    PERSBERICHT - CVP Kamerfractie

    02-03-1999

    Kamer van volksvertegenwoordigers - vraag van Anne Van Haesendonck

    02-03-1999

    Persbericht: CVP-kamerlid Anne Van Haesendonck informeert naar de stand van zaken.

    02-03-1999

    Vraag van mevrouw Anne Van Haesendonck aan de minister van Volksgezondheid en Pensioenen over " het chronisch vermoeidheidssyndroom "(CVP) nr 1953.

    02-03-1999

    Handelingen van de Commissievergaderingen

    02-03-1999

    Beknopt Verslag van de Commissievergaderingen

    09.03.1999

    Mondelinge vraag van de heer Jan Van Erps aan de minister van Sociale Zaken over "de oprichting van de technisch-medische raad bij de dienst voor Uitkeringen van de RIZIV" (nr. 1964)

    16.03.1999

    Handelingen van de Commissievergaderingen - (nr. 2012) &  (nr. 2079)

    04-1999

    Kort verslag van de CVP over de stand van zaken i.v.m. CFS

    28-05-1999

    Wordt CVS eindelijk serieus genomen? - West-Vlaams Liberaal Ziekenfondsen 

    12-10-1999

    Oproep actie: Rijden tegen lijden - Francine Devriendt, in samenwerking met MTC Zedelgem.

    17-10-1999

    Zondagmiddag ontmoette minister van sociale zaken en pensioenen, Frank Vandenbroucke, een ruime delegatie van CVS-patiënten

    22-10-1999

    Frank Vandenbroucke wil centra voor CVS patiënten 

    05-11- 1999

    Een stand van zaken - ACTUALISERING

    09-11-1999

    Handelingen van de Commissievergaderingen

    09-11-1999

    Beknopt Verslag van de Commissievergaderingen

    09-11-1999

    Kamer 2e zitting van de 5de zittingsperiode 1999 2000  - Luc Goutry

    18-11-1999

    Handelingen van de Plenaire Vergaderingen - Aan de orde is de stemming over de moties ingediend tot besluit van de interpellatie van de heer Luc Goutry over "het chronisch vermoeidheidssyndroom" (nr. 109)

    11-99

    CVP-er Luc GOUTRY vraagt verduidelijking over CVS

    12-99

    Vraag van de heer Karel Van Hoorebeke en de heer Luc Goutry tot de minister van Sociale Zaken en Pensioenen over "de CVS-patiënten"

    16-12-1999

    Kamer Volksvertegenwoordigers - patiëntenrechten

    21-12-1999

    De heer Luc Goutry (CVP): Annales 21.12.1999 

    04-01-2000

    Vergadering  Hoge Gezondheidsraad België - CFS-werkgroep - Uitleg van de CFS-Vereniging België 

    04-01-2000

    Vergadering  Hoge Gezondheidsraad België - CFS-werkgroep - Uitleg van de ME-Vereniging België 

    04-01-2000

    Vergadering Hoge Gezondheidsraad België - Vlaamse Liga voor Fibromyaligie-patiënten  

    04-01-2000

    Vergadering Hoge Gezondheidsraad België - Ligue Belge Francophone des Patients Fibromyalgiques asbl  

    04-01-2000

    Vergadering Hoge Gezondheidsraad - Belgische Vereniging tegen Neuromusculaire Ziekten  

    04-01-2000

    Tekst van de christelijke Mutualiteiten van Antwerpen  - werkgroep CVS: richtlijnen in verband met beoordeling arbeidsongeschiktheid  

    16-02-2000

    Mondelinge vraag van de heer Luc Goutry aan de minister van Sociale Zaken en Pensioenen over "de financiële toezeggingen aan het Medisch Pediatrisch Instituut in De Haan" (nr. 1017)

    18-02-2000

    Kamer - 2e Zitting van de 50e zittingsperiode - Vraag nr. 86 van de heer Filip Anthuenis 

    22-02-2000

    Vraag van de heer Jozef Van Eetvelt tot de minister van Sociale Zaken en Pensioenen en tot de minister van Volksgezondheid over "het chronisch vermoeidheidssyndroom" (nr. 1126)

    22-02-2000

    Kamer - 2e Zitting van de 50e zittingsperiode - Jozef Van Eetvelt

    22-02-2000

    Beknopt Verslag van de Commissievergaderingen

    14-03-2000

    Karel DE GUCHT - Vlaamse Liberalen en Democraten

    2000

    De initiatieven i.v.m CFS zoals gepland door de Minister van Sociale Zaken en Pensioen. - Van Rik Thys, Adviseur van het Ministerie van Sociale Zaken 

    10-05-2000

    Handelingen van de Commissievergaderingen

    10-05-2000

    Verslag van de Commissievergaderingen

    10-05-2000

    Beknopt verslag van de Commissievergadering - Karel Van Hoorebeke(nr. 1716) en Luc Goutry (nr. 1775)

    11-05-2000

    Chronische zieken - Jan VAN ERPS - John TAYLOR

    13-06-2000

    Kamer Volksvertegenwoordigers: Vraag van de heer Filip Anthuenis :
    Werkgroep CVS: Oprichten van  CVS-referentiecentra. 

    20-6-2000

    Beknopt verslag Commissievergaderingen: Luc Goutry tot de minister van Sociale Zaken over "de verhoogde kinderbijslag voor jongeren die lijden aan chronisch vermoeidheidssyndroom"

    20-06-2000

    Commissievergaderingen: Luc Goutry tot de minister van Sociale Zaken over "de verhoogde kinderbijslag voor jongeren die lijden aan chronisch vermoeidheidssyndroom"

    06-2000

    Hoge gezondeheidsraad - onderafdeling 1.2: aanbevelingen betreffende de medische-sociale, economische en juridische aspecten voor CVS-patiënten 

    06-2000

    Hoge gezondheidsraad - onderafdeling 1.2: Verslag betreffende de consensus van de subgroepen "therapie" en diagnose voor CVS-patiënten  

    13-07-2000

    Patiëntenbrief  aan de minister van Sociale Zaken en Pensioenen, de minister van Volksgezondheid, de minister van Justitie, de Volksvertegenwoordigers 

    18-07-2000

    De heer Vandenberghe c.s. dienen een amendement in (Stuk Senaat, 1999-2000, nr. 2-522/2, amendement nr. 57) ertoe strekkende het artikel te doen vervallen. 

    10-12-2000

    de Commissievergaderingen - interpellaties en vragen  ivm CVS: Luc Goutry, Annemie Van de Casteele en Jan Peeters 

    12-12-2000

    Senaat: Vraag nr. 966 van mevrouw de Bethune 


     

    27-12-2005 om 09:13 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Chronische vermoeidheid/M.E. (Heijtbrink)
    Klik op de afbeelding om de link te volgen














    Chronische vermoeidheid/M.E. (Heijtbrink)

    © 2005 M. Heijtbrink

    M. Heijtbrink te Haren, Groningen is van oorsprong fysiotherapeut (vooropleiding : gymnasium a en b). Na enige jaren in dit (mooie) vak gewerkt te hebben heeft hij enige malen in Azië gereisd en hij heeft daar ontdekt dat ‘onze’ visie op ziekte en gezondheid beperkt is. Mede door de toen ontstane globalisering leek het hem een geschikt tijdstip om zich te gaan verdiepen in andere visies, die vanuit andere tradities ontstaan zijn. Ook deze visies kennen hun beperkingen, maar integratie van beide systemen kan een enorme sprong vooruit betekenen voor de geneeskunde. Dit leidde in eerste instantie tot het volgen van de opleiding yoga en filosofie , een H.B.O.-studie van 4 jaar. Daarna is hij opgeleid in de acupunctuur en vervolgens in de bioresonantie. Afgelopen jaar heeft hij nog een opleiding gevolgd in de psychoimmunoneurologie bij professor B. van Dam en dhr. L. Pruimboom.
    Hij is leerkracht en directielid van de Hwa To University of traditional Chinese medicine in Koog aan de Zaan.

    Behandeling – M Heijtbrink is ervan overtuigd dat alleen met een brede aanpak dus met een therapie die gericht is op het energiesysteem en een verandering van manier van leven en een biochemische ondersteuning een chronische ziekte daadwerkelijk kan genezen of in ieder geval sterk kan verbeteren. U zult trouwens merken dat als de energie zich verbetert u zich ook veel beter kunt houden aan een gezonde(re) voedings- en leefwijze. Ook uw gedachten en gevoelens worden positief beïnvloed. Immers : het lichaam werkt minimaal even veel op de geest als andersom : u komt uit een vicieuze cirkel en kunt zelf actief mee gaan werken aan het zo optimaal mogelijk maken van uw gezondheid.
    Hoe ziet de behandeling eruit ? Eerst zal hij een uitgebreide ziektegeschiedenis met u doornemen, vervolgens uw orgaansystemen energetisch doormeten en waar nodig met ‘electronische’ homeopathie (alle belangrijke homeopathische medicijnen staan digitaal opgeslagen in het behandelsysteem) corrigeren, hij neemt samen met u uw manier van leven door en meestal volgt er dan een othomoleculair/kruiden-advies ter ondersteuning. Dit dient tijdelijk gebruikt te worden. Uw lichaam moet het immers op een gegeven moment zelf gaan overnemen. Deze zogenaamde prognose is voor iedere ziekte anders : zo hoort een verstuikte enkel (maar dus ook bijvoorbeeld een ‘whiplash’) uiterlijk (!) binnen 3 maanden te genezen en kan een reumatoïde artritis patiënt er tot maximaal 5 jaar over doen om te genezen (u hoeft dan niet constant behandeld te worden !) ; ‘functionele’ aandoeningen als migraine en p.m.s 6 tot 9 maanden etc. Dit hangt steeds af van het type weefsel dat is aangedaan.
    Sommige ziekten (zoals bijvoorbeeld diabetes mellitus type 1) of vergroeiingen kunnen nooit volledig genezen door deze methode, maar wel kan de levenskwaliteit sterk verbeterd worden. Heijtbrink zal de prognose van te voren met u doornemen, zodat u weet wat u kunt verwachten.

    Cfr. : 
    http://home.hetnet.nl/~m.h.heijtbrink/



    Inleiding

    Moeheid is momenteel een van de meest voorkomende klachten in de gezondheidszorg. Vaak wordt er dan wel gezocht naar een mogelijke verklaring, maar meestal wordt deze niet gevonden en wordt de ‘patiënt’ geacht er maar mee te moeten leven.

    Moeheid kan een losstaand symptoom zijn, zonder dat er verder iets aan de hand is, maar kan ook een onderdeel van een ziekte zijn. Zo beschouwen bijvoorbeeld M.S. patiënten vermoeidheid vaak als een minimaal even grote belasting als de ziekte zelf !

    In beide gevallen heeft de reguliere gezondheidszorg niet veel te bieden, tenzij er een duidelijke oorzaak wordt gevonden, zoals bijvoorbeeld suikerziekte of een voorstadium daarvan (hypoglycemie met een verhoogde insuline productie, voorkomend bij 25 % van de jeugd !) en dan nog is behandeling met voedings-/bewegingsadvies en orthomoleculaire behandeling veel effectiever dan ‘reguliere’ behandeling met medicijnen. Bij verreweg de meeste gevallen van moeheid wordt er echter geen medische afwijking gevonden.


    Oorzaken

    Dit kunnen er talloze zijn : slecht slapen, verveling, stress, chronische infecties, allergieën, tekort aan bepaalde voedingsstoffen, depressies.
    Vooral werkstress is een belangrijke risicofactor. Ook dit kan weer meerdere oorzaken hebben : te hoge werkdruk, te weinig uitdaging (ook daar kan iemand stress van krijgen), slechte relatie met werkgever/collega(s) etc. Ook de belastbaarheid speelt hierbij een grote rol. Dit wordt het 'belasting-belastbaarheidsmodel' genoemd.

    Belasting kan naast genoemde werkstress ook bijvoorbeeld zijn : slechte voeding, tekort/teveel aan beweging, negatieve levenshouding, slaapstoornis, privé-problemen. Belastbaarheid wordt bepaald door onder andere voeding, beweging, aktieve stresshantering (problemen oplossen i.p.v. wegstoppen), positieve instelling, voldoende steun, een goede slaap.

    Een juiste analyse van de oorzaak/oorzaken is dus zeer belangrijk !
    Toch zijn er een aantal ziektebeelden waarbij uitputting een heel specifieke rol speelt : M.E., fibromyalgie, ziekte van Pfeiffer, posttraumatische stress. Deze beelden hebben vaak gelijksoortige symptomen en kennen dus ook een gemeenschappelijke basis (hoewel de oorzaken kunnen verschillen) : de verklaring wordt gevonden in een stoornis van de zogenaamde ‘bloed-hersen’-barrière. Dit is een laag cellen (‘tight junctions’) in de vaatwand van bloedvaten die de hersenen beschermen tegen de meeste stoffen .Zij laten alleen die stoffen toe die nodig zijn voor het centrale zenuwstelsel, nl. glucose en bepaalde ionen (Na, K, Cl, Ca, Mg). Gemeenschappelijk aan alle genoemde ziektebeelden is dat deze barrière verhoogd doorlaatbaar (‘permeabel’) is en er dus stoffen in de hersenen komen die belastend zijn. Dit kan onder andere veroorzaakt worden door bepaalde virussen, ontstekingsstoffen, hypoglycemie, stikstofoxyde, stress of een tekort aan bepaalde stoffen (glutation, essentiële vetzuren) etc. Vooral de hoeveelheid glutation in de hersenen is hierbij bepalend.

    Deze stof of voorlopers daarvan (cysteïne - cfr. : http://nl.wikipedia.org/wiki/Cyste%C3%AFne -, methionine – cfr. : http://nl.wikipedia.org/wiki/Methionine -) zijn van belang voor het vormen van de belangrijkste hormonen die er zijn, namelijk hormonen die de slaap reguleren (melatonine – cfr. : http://nl.wikipedia.org/wiki/Melatonine -) en hormonen die de vitaliteit waarborgen (o.a. adrenaline); dit zijn onze overlevingshormonen !


    M.E.

    De bekendste aandoening die met moeheid geassocieerd wordt is M.E. (Myalgic Encephalomyelitis).
    Dit is een ernstige vorm van moeheid, die niet reageert op bedrust en die de belastbaarheid met minimaal 50% vermindert gedurende tenminste 6 maanden. Symptomen die hierbij vaak gezien worden zijn: moeheid, erger door lichaamsbeweging, verminderde concentratie, stemmingsveranderingen, slaapstoornissen, wazig zien, intolerantie voor alcohol, keelpijn, verhoging, allergieën, pijn, premenstrueel syndroom, darmklachten, libidoverlies, ademhalingsproblemen (hyperventilatie/benauwdheid). De klachten kunnen in veel gevallen zelfs tot arbeidsongeschiktheid leiden.

    Therapie bestaat ten eerste uit het dichten van bovengenoemde bloed-hersen barrière.
    Naast de reeds genoemde stoffen zijn daarbij van belang de zogenaamde essentiële vetzuren linolzuur en alfa-linoleenzuur. Deze stoffen zouden in de voeding moeten voorkomen om een lekkende bloed-hersen barrière te voorkomen. Verder is inname van de zogenaamde bioflavonoiden, die met name voorkomen in fruit en groente, een vereiste. Ter voorkoming van genoemde ziektebeelden zou het rijkelijk eten van fruit en groenten, maar bijvoorbeeld ook het regelmatig nuttigen van onder andere knoflook, ui en groene thee, voldoende zijn. Therapeutisch moet dit aanvankelijk echter zeker ondersteund worden met supplementen. Het gebruik hiervan dient tijdelijk te zijn en het basale voedings patroon moet dan ook in orde zijn. Dit alles wordt natuurlijk uitgebreid met u besproken.

    Mogelijke tekorten aan voedingsstoffen alsmede overgevoeligheden kunnen worden gemeten en het lichaam wordt met behulp van bioresonantie zoveel mogelijk gereinigd (‘ontgift’). Tevens kijken we of er nog andere belastingen aanwezig zijn, zoals bijvoorbeeld storende littekens, geopatische/electromagnetische belasting/stralingsbelasting, verzuring, darmstoornissen (bv. candida) etc. Genoemde belastingen kunnen het systeem totaal verstoren.

    Zonder deze stoornissen op te heffen zal geen enkele therapie slagen !
    Daarnaast gaan we in op verstandig bewegen, stressreductie en proberen we doelstellingen op te stellen. Zonder doelstellingen heeft het lichaam er geen enkel belang bij beter te worden. Dit gegeven is bij alle therapeuten al jarenlang bekend, maar is nu ook bewezen middels het meten van hormonen : bij een positieve doelstelling gaat het lichaam vanzelf de ‘gelukshormonen’ serotonine – cfr. : http://nl.wikipedia.org/wiki/Serotonine - en dopamine – cfr. : http://nl.wikipedia.org/wiki/Dopamine aanmaken.

    Alleen door alle genoemde factoren in de therapie te betrekken kan de vicieuze cirkel van moeheid-slecht slapen-slecht eigenwaarde gevoel-etc. doorbroken worden. Daarbij heeft u zeker een zet in de rug nodig, maar wordt ook inzet van u gevraagd. U bent immers zelf verantwoordelijk voor uw eigen gezondheid !


    Cfr. : http://home.hetnet.nl/~m.h.heijtbrink/chronischevermoeidheid.html

    27-12-2005 om 00:00 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (4 Stemmen)
    >> Reageer (0)


    Blog als favoriet !

    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Foto

    Raadpleeg steeds je arts !
    Inhoud blog
  • Tijd om afscheid te nemen...
  • Fibromyalgie in het kort
  • Leden ME/CVS Vereniging unaniem tegen CBO-voorstel
  • Blood donation, XMRV & chronic fatigue syndrome
  • Illness duration and coping style in chronic fatigue syndrome
  • Review confirms PTSD in Gulf vets - Panel finds many reports of multisymptom illnesses
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel I
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel II
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel III
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel IV
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel V
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel VI
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel VII
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel VIII
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel IX
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel X
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel XI
  • When do symptoms become a disease ?
  • Burnout
  • Gepest ? - Zet de juiste stappen
  • Voldoet jouw werkplek aan de ARBO-normen ?
  • Chiropractie - Vrijspraak voor Simon Singh in smaadzaak
  • ME/CVS ? - Werk mee aan onderzoek naar tegemoetkoming chronisch zieken !
  • Magical Medicine - How to make a disease disappear
  • A new hypothesis of chronic fatigue syndrome - Co-conditioning theory
  • A light in the darkness - Good news ahead for XMRV ?
  • Zomertijd - Help je biologische klok
  • Beter van de bedrijfsarts
  • De invloed van economisering op het werk van artsen
  • Chronisch Vermoeidheidssyndroom (IOCOB)
  • Gezond brein, gezonde darmen
  • A retrospective review of the sleep characteristics in patients with chronic fatigue syndrome and fibromyalgia
  • Opdracht voor het volgende kabinet : afschaffing van het UWV
  • Test maakt validering pijn bij ME/CVS patienten mogelijk
  • Surprise discovery that HIV retrovirus hides in bone marrow offers new hope for eradication
  • A doctor's roadmap for dealing with the problems of ME/CFS
  • De Terug Plezant Club
  • Het retrovirus XMRV - Waar of niet waar ?
  • Being homebound with chronic fatigue syndrome - A multidimensional comparison with outpatients
  • Oplaaiende symptomen ME patient verraden ontstekingsreactie
  • UWV : 'ME/CVS is ziekte in zin van arbeidsongeschiktheid'
  • Een succesverhaal met Vistide in de strijd tegen ME/CVS - Een verhaal over herstel
  • Depressie
  • Hoe stressvol is je leven ?
  • Making the diagnosis of CFS/ME in primary care - A qualitative study
  • A new system of evaluating fibromyalgia and chronic fatigue
  • Nijmeegs onderzoek haalt CVS-doorbraak onderuit
  • Psychotherapie bij depressie overschat
  • Secrets of novel retrovirus unfolding
  • XMRV : 'missing link' bij ME/CVS ?
  • Reeves, hoofd van CDC CVS onderzoeksprogramma, gaat weg
  • Constant agony of an ME sufferer
  • Canon van de geneeskunde in Nederland
  • Dr. Frank dieet
  • Defeatism is undermining evidence that chronic fatigue syndrome can be treated
  • Cellular and molecular mechanisms of interaction between the neuroendocrine and immune systems under chronic fatigue syndrome in experiment
  • Zo zorg je voor weerstand - Houd je lichaam in optimale conditie
  • Fibromyalgie Vlaanderen Nederland - Dr. Bauer
  • Bussemaker komt terug op erkenning CVS
  • Postexertional malaise in women with chronic fatigue syndrome - Laboratioriumonderzoek bevestigt inspanningsintolerantie bij ME/CVS
  • Ze vertelden stervende dochter dat ze een leugenaar was - Interview met ME moeder Criona Wilson
  • Bijwerkingen antidepressiva erger dan gedacht
  • Bereken je BMI
  • Host range and cellular tropism of the human exogenous gammaretrovirus XMRV
  • The Brain Boosting B-12 - Hydroxocobalamin
  • Vertaling Canadese criteria ME/CVS
  • Slapeloosheid & osteopathie
  • Het Advies- en meldpunt ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid
  • Association between serum ferritin [stored iron] level and fibromyalgia syndrome
  • Dr. Mikovits XMRV Seminar (videos)
  • Zorgen voor een ander (2010) - Antwoorden op veelgestelde vragen
  • Herwin je veerkracht - Omgaan met chronische vermoeidheid en pijn
  • Je eten bepaalt je slaap
  • Dierenleed
  • ME/CVS erkend als chronische ziekte
  • Understanding fibromyalgia pain
  • Hyperalgesia in chronic fatigue syndrome
  • Wegwijzer psychische problemen
  • Positieve psychologie
  • Fietsen in de sneeuw...
  • Tips tegen de koude
  • Failure to detect the novel retrovirus XMRV in chronic fatigue syndrome
  • Nieuwe behandeling VermoeidheidCentrum zeer effectief
  • Een Zalig Kerstfeest en een gezond en voorspoedig 2010 !
  • Taming stressful thoughts
  • Burn-out - Werken tot je erbij neervalt - Deel I
  • Burn-out - Werken tot je erbij neervalt - Deel II
  • Canadese kriteria voor kinderen ook geschikt om onderscheid te maken tussen "milde" en "ernstige" gevallen
  • Stop met piekeren
  • Gedumpt, wat nu ? - Deel I
  • Gedumpt, wat nu ? - Deel II
  • Making a Difference in ME/CFS (Chronic Fatigue Syndrome) and FM
  • Psychotherapie - Van theorie tot praktijk
  • Fibromyalgie, waardevolle dagbesteding en werk - Deel I
  • Fibromyalgie, waardevolle dagbesteding en werk - Deel II
  • Fibromyalgie
  • Europees instrument spoort fibromyalgie op
  • Gezinsgeluk heeft positieve invloed op werk
  • Cognitieve gedragstherapie bij depressie
  • Nooit meer hetzelfde...
  • Rugklachten en RSI beroepsziekten nummer 1
  • SOS ! Hulp voor ouders
  • Dr. Nancy Klimas opens new Chronic Fatigue Center
  • The dramatic story of microbiologist Elaine DeFreitas' discovery
  • Fibromyalgie - Genezing is mogelijk - Gratis boek !
  • Verdedig je tegen wintervirussen
  • 7 geheimen die vrouwen verzwijgen
  • Eén op de twee Belgen krijgt ooit last van reuma
  • Wie langdurig ziek wordt heeft nood aan informatie
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel I
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel II
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel III
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel IV
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel V
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel VI
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel VII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel VIII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel IX
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel X
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XI
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XIII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XIV
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XV
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XVI
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XVII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XVIII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XIX
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XX
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXI
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXIII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXIV
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXV
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXVI
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXVII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXVIII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXIX
  • Doe een wens... - Make a wish...
  • 7 geheimen die mannen verzwijgen
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXX
  • Fibromyalgie - Genezing is mogelijk - GRATIS !
  • Af en toe een geheim is juist gezond
  • FM/CVS en verzekeringen - Info voor thesis
  • Mogelijke doorbraak MS-behandeling
  • Wees een winterdepressie voor
  • Vitamine B12-tekort - Een mogelijke oorzaak van Chronische vermoeidheid ? - Deel I
  • Vitamine B12-tekort - Een mogelijke oorzaak van Chronische vermoeidheid ? - Deel II
  • The Guaifenesin Story
  • A virus linked to chronic fatigue syndrome - Dr. Nancy Klimas interviews
  • Don't wait for a cure to appear
  • Gezonde chocoladeletters van Sinterklaas
  • Oorzaken van puisten
  • Sporten beter dan pauzeren bij RSI
  • Alles voor het goeie doel !!
  • Gewoon gelukkig zijn...
  • Chronic Fatigue Syndrome - La bête noire of the Belgian Health Care System
  • Persoonlijkheidstests
  • Vaccinatie risicogroepen H1N1
  • Geopereerd Prof. Johann Bauer - Een update (Greta)
  • Weersfactoren oorzaak van hoofdpijn
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part I
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part II
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part III
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part IV
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part V
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part VI
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part VII
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part VIII
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part IX
  • Challenges to conventional thinking about mind and body
  • What is CFS and what is ME ?
  • CVS-Referentiecentra - Opheffing en sluiting
  • Heb ik voldoende ontspanning ?
  • 7 tips tegen een overactieve blaas
  • Wallen en kringen onder de ogen
  • Recovered CFS/ME Patient Goes to Washington, D.C.
  • Chronische vermoeidheid zit niet tussen de oren
  • Dr. Bauer heeft mijn leven gered
  • Has your marriage been damaged by fibromyalgia or chronic fatigue syndrome ?
  • Vijf grootste bedreigingen gezondheid
  • Onbegrepen lage rugpijn beter te behandelen
  • Je beste antistresstip
  • Sufferers of chronic fatigue see life as a balancing act
  • Te hard gewerkt...
  • Prof. Dr. Johann Brauer op mijn blog
  • Geopereerd Prof. Johann Bauer
  • Is de griepprik gevaarlijk ?
  • Griep en verkoudheid - Deel I
  • Griep en verkoudheid - Deel II
  • Support the 500 Professionals of the IACFS/ME
  • Slanker met je hartritme
  • Enzym veroorzaakt gevolgen slaaptekort
  • Now we can get down to business
  • XMRV and chronic fatigue syndrome
  • Verslaving is een behandelbare hersenziekte
  • Kopstukken filosofie - Oktober 2009
  • Gek op je werk
  • Fikse schadevergoeding om antidepressivum
  • ME/CFS patients have retrovirus (XMRV) on YouTube

    Foto

    Archief per week
  • 12/04-18/04 2010
  • 05/04-11/04 2010
  • 29/03-04/04 2010
  • 22/03-28/03 2010
  • 15/03-21/03 2010
  • 08/03-14/03 2010
  • 01/03-07/03 2010
  • 22/02-28/02 2010
  • 15/02-21/02 2010
  • 08/02-14/02 2010
  • 01/02-07/02 2010
  • 25/01-31/01 2010
  • 18/01-24/01 2010
  • 04/01-10/01 2010
  • 28/12-03/01 2010
  • 21/12-27/12 2009
  • 14/12-20/12 2009
  • 07/12-13/12 2009
  • 30/11-06/12 2009
  • 23/11-29/11 2009
  • 16/11-22/11 2009
  • 09/11-15/11 2009
  • 02/11-08/11 2009
  • 19/10-25/10 2009
  • 12/10-18/10 2009
  • 05/10-11/10 2009
  • 28/09-04/10 2009
  • 21/09-27/09 2009
  • 14/09-20/09 2009
  • 07/09-13/09 2009
  • 31/08-06/09 2009
  • 10/08-16/08 2009
  • 27/07-02/08 2009
  • 20/07-26/07 2009
  • 06/07-12/07 2009
  • 22/06-28/06 2009
  • 15/06-21/06 2009
  • 08/06-14/06 2009
  • 01/06-07/06 2009
  • 25/05-31/05 2009
  • 18/05-24/05 2009
  • 11/05-17/05 2009
  • 04/05-10/05 2009
  • 27/04-03/05 2009
  • 20/04-26/04 2009
  • 13/04-19/04 2009
  • 30/03-05/04 2009
  • 23/03-29/03 2009
  • 16/03-22/03 2009
  • 09/03-15/03 2009
  • 02/03-08/03 2009
  • 23/02-01/03 2009
  • 16/02-22/02 2009
  • 09/02-15/02 2009
  • 02/02-08/02 2009
  • 26/01-01/02 2009
  • 19/01-25/01 2009
  • 12/01-18/01 2009
  • 05/01-11/01 2009
  • 22/12-28/12 2008
  • 15/12-21/12 2008
  • 08/12-14/12 2008
  • 01/12-07/12 2008
  • 24/11-30/11 2008
  • 17/11-23/11 2008
  • 10/11-16/11 2008
  • 03/11-09/11 2008
  • 27/10-02/11 2008
  • 20/10-26/10 2008
  • 13/10-19/10 2008
  • 06/10-12/10 2008
  • 29/09-05/10 2008
  • 22/09-28/09 2008
  • 15/09-21/09 2008
  • 08/09-14/09 2008
  • 01/09-07/09 2008
  • 25/08-31/08 2008
  • 18/08-24/08 2008
  • 11/08-17/08 2008
  • 04/08-10/08 2008
  • 28/07-03/08 2008
  • 21/07-27/07 2008
  • 14/07-20/07 2008
  • 30/06-06/07 2008
  • 23/06-29/06 2008
  • 16/06-22/06 2008
  • 09/06-15/06 2008
  • 02/06-08/06 2008
  • 26/05-01/06 2008
  • 19/05-25/05 2008
  • 12/05-18/05 2008
  • 05/05-11/05 2008
  • 28/04-04/05 2008
  • 21/04-27/04 2008
  • 14/04-20/04 2008
  • 07/04-13/04 2008
  • 31/03-06/04 2008
  • 24/03-30/03 2008
  • 17/03-23/03 2008
  • 10/03-16/03 2008
  • 03/03-09/03 2008
  • 25/02-02/03 2008
  • 18/02-24/02 2008
  • 11/02-17/02 2008
  • 04/02-10/02 2008
  • 28/01-03/02 2008
  • 21/01-27/01 2008
  • 14/01-20/01 2008
  • 07/01-13/01 2008
  • 31/12-06/01 2008
  • 24/12-30/12 2007
  • 17/12-23/12 2007
  • 10/12-16/12 2007
  • 03/12-09/12 2007
  • 26/11-02/12 2007
  • 19/11-25/11 2007
  • 12/11-18/11 2007
  • 05/11-11/11 2007
  • 29/10-04/11 2007
  • 22/10-28/10 2007
  • 15/10-21/10 2007
  • 08/10-14/10 2007
  • 01/10-07/10 2007
  • 24/09-30/09 2007
  • 17/09-23/09 2007
  • 10/09-16/09 2007
  • 03/09-09/09 2007
  • 27/08-02/09 2007
  • 20/08-26/08 2007
  • 13/08-19/08 2007
  • 06/08-12/08 2007
  • 30/07-05/08 2007
  • 23/07-29/07 2007
  • 16/07-22/07 2007
  • 09/07-15/07 2007
  • 18/06-24/06 2007
  • 11/06-17/06 2007
  • 04/06-10/06 2007
  • 28/05-03/06 2007
  • 21/05-27/05 2007
  • 14/05-20/05 2007
  • 07/05-13/05 2007
  • 30/04-06/05 2007
  • 23/04-29/04 2007
  • 16/04-22/04 2007
  • 09/04-15/04 2007
  • 02/04-08/04 2007
  • 26/03-01/04 2007
  • 19/03-25/03 2007
  • 12/03-18/03 2007
  • 05/03-11/03 2007
  • 26/02-04/03 2007
  • 19/02-25/02 2007
  • 12/02-18/02 2007
  • 05/02-11/02 2007
  • 29/01-04/02 2007
  • 22/01-28/01 2007
  • 15/01-21/01 2007
  • 08/01-14/01 2007
  • 18/12-24/12 2006
  • 11/12-17/12 2006
  • 04/12-10/12 2006
  • 27/11-03/12 2006
  • 20/11-26/11 2006
  • 13/11-19/11 2006
  • 06/11-12/11 2006
  • 30/10-05/11 2006
  • 23/10-29/10 2006
  • 16/10-22/10 2006
  • 09/10-15/10 2006
  • 02/10-08/10 2006
  • 25/09-01/10 2006
  • 18/09-24/09 2006
  • 11/09-17/09 2006
  • 04/09-10/09 2006
  • 28/08-03/09 2006
  • 07/08-13/08 2006
  • 31/07-06/08 2006
  • 24/07-30/07 2006
  • 03/07-09/07 2006
  • 26/06-02/07 2006
  • 19/06-25/06 2006
  • 12/06-18/06 2006
  • 29/05-04/06 2006
  • 22/05-28/05 2006
  • 15/05-21/05 2006
  • 08/05-14/05 2006
  • 01/05-07/05 2006
  • 24/04-30/04 2006
  • 17/04-23/04 2006
  • 10/04-16/04 2006
  • 27/03-02/04 2006
  • 20/03-26/03 2006
  • 13/03-19/03 2006
  • 06/03-12/03 2006
  • 27/02-05/03 2006
  • 20/02-26/02 2006
  • 13/02-19/02 2006
  • 06/02-12/02 2006
  • 30/01-05/02 2006
  • 23/01-29/01 2006
  • 16/01-22/01 2006
  • 09/01-15/01 2006
  • 26/12-01/01 2006
  • 19/12-25/12 2005
  • 12/12-18/12 2005
  • 05/12-11/12 2005
  • 28/11-04/12 2005
  • 21/11-27/11 2005
  • 14/11-20/11 2005
  • 07/11-13/11 2005
  • 24/10-30/10 2005
  • 17/10-23/10 2005
  • 10/10-16/10 2005
  • 03/10-09/10 2005
  • 26/09-02/10 2005
  • 19/09-25/09 2005
  • 12/09-18/09 2005
  • 05/09-11/09 2005
  • 29/08-04/09 2005
  • 22/08-28/08 2005
  • 15/08-21/08 2005
  • 08/08-14/08 2005
  • 01/08-07/08 2005
  • 25/07-31/07 2005
  • 04/07-10/07 2005
  • 27/06-03/07 2005
  • 20/06-26/06 2005
  • 13/06-19/06 2005
  • 06/06-12/06 2005
  • 30/05-05/06 2005
  • 23/05-29/05 2005
  • 16/05-22/05 2005
  • 09/05-15/05 2005
  • 02/05-08/05 2005
  • 25/04-01/05 2005
  • 18/04-24/04 2005
  • 11/04-17/04 2005
  • 29/11-05/12 1999
  • 29/12-04/01 1970

    Foto

  • 12/04-18/04 2010
  • 05/04-11/04 2010
  • 29/03-04/04 2010
  • 22/03-28/03 2010
  • 15/03-21/03 2010
  • 08/03-14/03 2010
  • 01/03-07/03 2010
  • 22/02-28/02 2010
  • 15/02-21/02 2010
  • 08/02-14/02 2010
  • 01/02-07/02 2010
  • 25/01-31/01 2010
  • 18/01-24/01 2010
  • 04/01-10/01 2010
  • 28/12-03/01 2010
  • 21/12-27/12 2009
  • 14/12-20/12 2009
  • 07/12-13/12 2009
  • 30/11-06/12 2009
  • 23/11-29/11 2009
  • 16/11-22/11 2009
  • 09/11-15/11 2009
  • 02/11-08/11 2009
  • 19/10-25/10 2009
  • 12/10-18/10 2009
  • 05/10-11/10 2009
  • 28/09-04/10 2009
  • 21/09-27/09 2009
  • 14/09-20/09 2009
  • 07/09-13/09 2009
  • 31/08-06/09 2009
  • 10/08-16/08 2009
  • 27/07-02/08 2009
  • 20/07-26/07 2009
  • 06/07-12/07 2009
  • 22/06-28/06 2009
  • 15/06-21/06 2009
  • 08/06-14/06 2009
  • 01/06-07/06 2009
  • 25/05-31/05 2009
  • 18/05-24/05 2009
  • 11/05-17/05 2009
  • 04/05-10/05 2009
  • 27/04-03/05 2009
  • 20/04-26/04 2009
  • 13/04-19/04 2009
  • 30/03-05/04 2009
  • 23/03-29/03 2009
  • 16/03-22/03 2009
  • 09/03-15/03 2009
  • 02/03-08/03 2009
  • 23/02-01/03 2009
  • 16/02-22/02 2009
  • 09/02-15/02 2009
  • 02/02-08/02 2009
  • 26/01-01/02 2009
  • 19/01-25/01 2009
  • 12/01-18/01 2009
  • 05/01-11/01 2009
  • 22/12-28/12 2008
  • 15/12-21/12 2008
  • 08/12-14/12 2008
  • 01/12-07/12 2008
  • 24/11-30/11 2008
  • 17/11-23/11 2008
  • 10/11-16/11 2008
  • 03/11-09/11 2008
  • 27/10-02/11 2008
  • 20/10-26/10 2008
  • 13/10-19/10 2008
  • 06/10-12/10 2008
  • 29/09-05/10 2008
  • 22/09-28/09 2008
  • 15/09-21/09 2008
  • 08/09-14/09 2008
  • 01/09-07/09 2008
  • 25/08-31/08 2008
  • 18/08-24/08 2008
  • 11/08-17/08 2008
  • 04/08-10/08 2008
  • 28/07-03/08 2008
  • 21/07-27/07 2008
  • 14/07-20/07 2008
  • 30/06-06/07 2008
  • 23/06-29/06 2008
  • 16/06-22/06 2008
  • 09/06-15/06 2008
  • 02/06-08/06 2008
  • 26/05-01/06 2008
  • 19/05-25/05 2008
  • 12/05-18/05 2008
  • 05/05-11/05 2008
  • 28/04-04/05 2008
  • 21/04-27/04 2008
  • 14/04-20/04 2008
  • 07/04-13/04 2008
  • 31/03-06/04 2008
  • 24/03-30/03 2008
  • 17/03-23/03 2008
  • 10/03-16/03 2008
  • 03/03-09/03 2008
  • 25/02-02/03 2008
  • 18/02-24/02 2008
  • 11/02-17/02 2008
  • 04/02-10/02 2008
  • 28/01-03/02 2008
  • 21/01-27/01 2008
  • 14/01-20/01 2008
  • 07/01-13/01 2008
  • 31/12-06/01 2008
  • 24/12-30/12 2007
  • 17/12-23/12 2007
  • 10/12-16/12 2007
  • 03/12-09/12 2007
  • 26/11-02/12 2007
  • 19/11-25/11 2007
  • 12/11-18/11 2007
  • 05/11-11/11 2007
  • 29/10-04/11 2007
  • 22/10-28/10 2007
  • 15/10-21/10 2007
  • 08/10-14/10 2007
  • 01/10-07/10 2007
  • 24/09-30/09 2007
  • 17/09-23/09 2007
  • 10/09-16/09 2007
  • 03/09-09/09 2007
  • 27/08-02/09 2007
  • 20/08-26/08 2007
  • 13/08-19/08 2007
  • 06/08-12/08 2007
  • 30/07-05/08 2007
  • 23/07-29/07 2007
  • 16/07-22/07 2007
  • 09/07-15/07 2007
  • 18/06-24/06 2007
  • 11/06-17/06 2007
  • 04/06-10/06 2007
  • 28/05-03/06 2007
  • 21/05-27/05 2007
  • 14/05-20/05 2007
  • 07/05-13/05 2007
  • 30/04-06/05 2007
  • 23/04-29/04 2007
  • 16/04-22/04 2007
  • 09/04-15/04 2007
  • 02/04-08/04 2007
  • 26/03-01/04 2007
  • 19/03-25/03 2007
  • 12/03-18/03 2007
  • 05/03-11/03 2007
  • 26/02-04/03 2007
  • 19/02-25/02 2007
  • 12/02-18/02 2007
  • 05/02-11/02 2007
  • 29/01-04/02 2007
  • 22/01-28/01 2007
  • 15/01-21/01 2007
  • 08/01-14/01 2007
  • 18/12-24/12 2006
  • 11/12-17/12 2006
  • 04/12-10/12 2006
  • 27/11-03/12 2006
  • 20/11-26/11 2006
  • 13/11-19/11 2006
  • 06/11-12/11 2006
  • 30/10-05/11 2006
  • 23/10-29/10 2006
  • 16/10-22/10 2006
  • 09/10-15/10 2006
  • 02/10-08/10 2006
  • 25/09-01/10 2006
  • 18/09-24/09 2006
  • 11/09-17/09 2006
  • 04/09-10/09 2006
  • 28/08-03/09 2006
  • 07/08-13/08 2006
  • 31/07-06/08 2006
  • 24/07-30/07 2006
  • 03/07-09/07 2006
  • 26/06-02/07 2006
  • 19/06-25/06 2006
  • 12/06-18/06 2006
  • 29/05-04/06 2006
  • 22/05-28/05 2006
  • 15/05-21/05 2006
  • 08/05-14/05 2006
  • 01/05-07/05 2006
  • 24/04-30/04 2006
  • 17/04-23/04 2006
  • 10/04-16/04 2006
  • 27/03-02/04 2006
  • 20/03-26/03 2006
  • 13/03-19/03 2006
  • 06/03-12/03 2006
  • 27/02-05/03 2006
  • 20/02-26/02 2006
  • 13/02-19/02 2006
  • 06/02-12/02 2006
  • 30/01-05/02 2006
  • 23/01-29/01 2006
  • 16/01-22/01 2006
  • 09/01-15/01 2006
  • 26/12-01/01 2006
  • 19/12-25/12 2005
  • 12/12-18/12 2005
  • 05/12-11/12 2005
  • 28/11-04/12 2005
  • 21/11-27/11 2005
  • 14/11-20/11 2005
  • 07/11-13/11 2005
  • 24/10-30/10 2005
  • 17/10-23/10 2005
  • 10/10-16/10 2005
  • 03/10-09/10 2005
  • 26/09-02/10 2005
  • 19/09-25/09 2005
  • 12/09-18/09 2005
  • 05/09-11/09 2005
  • 29/08-04/09 2005
  • 22/08-28/08 2005
  • 15/08-21/08 2005
  • 08/08-14/08 2005
  • 01/08-07/08 2005
  • 25/07-31/07 2005
  • 04/07-10/07 2005
  • 27/06-03/07 2005
  • 20/06-26/06 2005
  • 13/06-19/06 2005
  • 06/06-12/06 2005
  • 30/05-05/06 2005
  • 23/05-29/05 2005
  • 16/05-22/05 2005
  • 09/05-15/05 2005
  • 02/05-08/05 2005
  • 25/04-01/05 2005
  • 18/04-24/04 2005
  • 11/04-17/04 2005
  • 29/11-05/12 1999
  • 29/12-04/01 1970

    Foto

    Willekeurig SeniorenNet Blogs
    alfie
    blog.seniorennet.be/alfie
    Foto


    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!