NIEUW: Blog reclamevrij maken?
Inhoud blog
  • John Donne, van liefdesdichter en paria tot vroom predikant
  • De hoofddoek moet NIET af!
  • De andere, over multicultureel samenleven
  • Het leven als schrijver
  • De presocraten als pioniers van de westerse filosofie
  • Diane Purkiss' fascinatie voor de figuur van de heks
  • A thing of beauty is a joy forever: de transformerende poŽzie van John Keats
  • Wil de echte auteur van Shakespeares werken nu opstaan?
  • A Valediction of Weeping en A Valediction: Forbidding Mourning van John Donne
  • Wat is jungiaanse psychoanalyse?
  • Opvoeden, een beestige zaak?
  • De weerwolf als thema in de literatuur
  • Ben je een Saturnus-Leeuw, Jupiter-Leeuw of Mars-Leeuw?
  • Het zwarte gat: is er leven na het pensioen?
  • Isaac Newton, de laatste der magiŽrs
  • Wicca, de 'nieuwe hekserij'
  • As Time Goes By
  • De tien bekendste methoden van waarzeggerij
  • Websites over esoterie: het kaf en het koren
  • Plato's IdeeŽnleer: perfectie als model
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    De Culturalist
    Artikelen over filosofie, kunst, literatuur, esoterie
    Beste bezoeker, de teksten die u hier aantreft vallen onder de brede paraplu "cultuur". Ik ben voornamelijk geÔnteresseerd in literatuur, filosofie, esoterie, jazz en beeldende kunsten. Dit zijn ook de onderwerpen waar ik over schrijf. U mag deze teksten geheel of een fragment daaruit vrij citeren, onder voorwaarde dat u de auteursnaam vermeldt: ©Jules Grandgagnage. Ten slotte: sommige teksten publiceerde ik voordien al elders, op eigen websites of in online projecten.

    TIP: Bezoek ook mijn blogs ”Schilderen met woorden en verf” , ”Prettig Gestoord” en "Astrogids"

    22-09-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.John Donne, van liefdesdichter en paria tot vroom predikant

    John Donne

    John Donne (1572-1631) staat bekend als een van de bijzonderste liefdesdichters in de Engelse taal. Men deelt hem nu in bij de school van de 'metaphysical poets' waar hij de leidende figuur van was. Zijn leven verliep bijzonder tumultueus. Als rooms-katholiek liep hij in het protestantse Engeland voortdurend het gevaar om te worden gearresteerd wegens zijn geloof. Als jongeman studeerde hij voor advocaat en verkeerde hij in voorname kringen die hem in zijn carrière zouden kunnen voorthelpen. Maar het liep allemaal anders dan verwacht. Donnes liefdespoëzie werd vier eeuwen geleden geschreven. Toch krijgt de moderne lezer nog steeds het gevoel alsof John Donne op zijn indringende manier rechtstreeks met hem of haar praat. De onderwerpen van zijn gedichten blijven tijdeloos: liefde, seks, het veroveren of verliezen van de geliefde, het verdriet van een scheiding, leven en dood.
    De Londenaar John Donne werd in 1572 geboren in een katholiek gezin tijdens een sterke anti-katholiek gezinde periode in het protestantse Engeland. Donnes vader, eveneens John genaamd, was een welvarend Londens handelaar. Zijn moeder, Elizabeth Heywood, was de achternicht van de katholieke martelaar Thomas More. Religie zou een ingrijpende rol blijven spelen in John Donnes leven.

    Vroege jeugd

    Donnes vader overleed vier jaar na zijn geboorte, en zijn moeder hertrouwde met een rijke weduwnaar. Op elfjarige leeftijd werd de jonge Donne ingeschreven aan de universiteit van Oxford, en aansluitend ging hij naar de Universiteit van Cambridge. Hij behaalde echter nooit een academische graad. Vanwege zijn katholieke achtergrond zou hij namelijk geweigerd hebben om trouw te zweren aan de vorstin als opperste hoofd van de Kerk van Engeland. Een gevaarlijke beslissing, want rooms-katholieken die weigerden de Oath of Supremacy af te leggen, konden worden aangeklaagd voor verraad. Zijn familielid Thomas More was er in 1535 zelfs voor onthoofd op bevel van de toenmalige koning, Henry VIII. Zover kwam het niet, maar Donne bracht met deze weigering wel zijn beoogde politieke carrière in gevaar. Op twintigjarige leeftijd begon Donne rechten te studeren aan Lincoln's Inn en leek voorbestemd te zijn tot een juridische of diplomatieke loopbaan.

    Vrouwen, erotische gedichten, boeken en reizen

    Het geld dat hij van zijn vader had geërfd, spendeerde hij in de jaren 1590 voor een groot deel aan vrouwen, boeken en reizen naar Spanje en Italië. In deze periode schreef hij ook de meeste van zijn erotisch getinte liefdesgedichten. Zijn eerste gedichtenbundels, 'Satires' en 'Songs and Sonnets', liet hij circuleren onder zijn vrienden en bewonderaars van zijn poëzie. In The Flea (de vlo), een van die gedichten uit Songs and Sonnets, lijkt hij jaloers te zijn op de vlo die het bloed van zijn beminde mag opzuigen terwijl hemzelf alle vleselijke geneugten worden onthouden. De dichter gebruikt het als argument om haar te over­re­den met hem naar bed te gaan:
    "It suck'd me first, and now sucks thee,
    And in this flea our two bloods mingled be".
    (Zij zoog eerst uit mij, en nu uit jou, en in deze vlo vermengt zich nu ons bloed)

    Bekering tot het anglicanisme

    In 1593 werd John Donnes broer Henry veroordeeld voor zijn katholieke sympathieën en stierf kort daarna in de gevangenis. Deze gebeurtenis leidde ertoe dat John zijn eigen katholieke geloof in twijfel begon te trekken. Het inspireerde hem tot het schrijven van enkele van zijn beste werken over religie. Op de leeftijd van vijfentwintig werd Donne benoemd tot privésecretaris van Sir Thomas Egerton, Lord Keeper van 'Het Grote Zegel van Engeland'. Hij oefende dit ambt bij Egerton voor meerdere jaren uit en het is waarschijnlijk dat hij zich rond deze periode bekeerde tot het anglicanisme, de gods­dienst van de En­gel­se staats­kerk.

    Huwelijk met Anne More

    Donne leek op weg te zijn naar een veelbelovende carrière, Hij werd lid van het Parlement in 1601. In datzelfde jaar trouwde hij echter zonder toestemming te vragen met de 16-jarige Anne More, de nicht van Sir Egertons tweede echtgenote. Lord Egerton en Annes vader, George More, waren woedend. More weigerde zijn dochter een bruidsschat mee te geven, en liet John Donne zelfs voor korte tijd opsluiten. Van de ene op de andere dag was de beloftevolle jonge advocaat en dichter een sociale paria geworden. Na zijn vrijlating moest Donne genoegen nemen met een teruggetrokken plattelandsleven in een klein huis in Pyrford, waar ze van Annes neef mochten wonen. Donne en zijn jonge bruid wachtten acht armoedige jaren, tot Annes vader haar uiteindelijk haar bruidsschat schonk.

    Toetreding tot de Anglicaanse Kerk en faam als predikant

    In 1610 publiceerde John Donne zijn anti-katholieke polemiek Pseudo-Martyr (pseudo-martelaar), waarin hij publiekelijk afstand deed van zijn geloof. Hij argumenteerde daar ook in dat rooms-katholieken de Engelse koning James I best konden ondersteunen, zonder afbreuk te doen aan hun religieuze trouw aan de paus. Dit leverde hem de gunst en bescherming op van de koning en van de leden van het House of Lords (Hogerhuis van het parlement). In 1611 en 1612 liet hij zijn vrouw thuis achter en reisde door Frankrijk en de Lage Landen met zijn nieuwe beschermheer, Sir Robert Drury. Na zijn laatste poging in 1614 om een ambt aan het koninklijk hof te krijgen, zag John Donne in dat hij beter een kerkelijke loopbaan kon nastreven. In 1615 trad hij toe tot de Anglicaanse Kerk, en snel daarna volgde zijn benoeming tot koninklijk kapelaan. Zijn faam als bevlogen spreker op de preekstoel breidde zich al snel uit. Met zijn flair en zin voor drama, en de metaforen en symboliek waarvan hij in zijn toespraken gebruikmaakte, trok hij in zijn tijd elke keer een massa volk. Die preken bereidde hij zorgvuldig voor en hij schreef ze ook op, zodat we ze nu nog kunnen lezen. Zijn zoon publiceerde er 156 van in drie grote folio-uitgaven (1640, 1649 en 1661).

    Deken van St. Paul's Cathedral

    In 1617 overleed John Donnes vrouw op 33-jarige leeftijd kort na de geboorte van hun twaalfde kind. Hij stopte met het schrijven van liefdesgedichten en richtte zijn energie als dichter en spreker nu op meer religieuze onderwerpen. In 1621 werd hij deken van St. Paul's Cathedral. Gedurende een periode van ernstige ziekte schreef hij Devotions upon Emergent Occasions, dat werd gepubliceerd in 1624. Dood, wedergeboorte en ziekte stelt hij erin voor als goddelijke straf voor de staat van zonde waarin de mens leeft. Dit prozawerk bevat de onsterfelijke regels "Geen mens is een eiland" en "Vraag nooit voor wie de klok luidt; zij luidt voor jou" (“No man is an island”, en “never send to know for whom the bell tolls; it tolls for thee").
    "No Man is an Island, entire of it self; every man is a piece of the Continent, a part of the main"
    Hiermee bedoelt hij dat de Kerk universeel is en dat alles wat zij doet iedereen ten goede komt. De mens is slechts een deel van het grotere geheel.
    "Any Man’s death diminishes me, because I am involved in Mankind; And therefore never send to know for whom the bell tolls; It tolls for thee".
    Ook hier stelt hij de individuele mens voor als deel uitmakend van een groter geheel, de mensheid. Het kan dus ook niet anders dan dat het hem treft ("vermindert") wanneer een ander mens sterft.
    Eveneens in 1624 verkreeg Donne zijn benoeming tot rector in de kerk St. Dunstan's-in-the-West, waar hij zijn welsprekendheid verder tentoon kon spreiden.

    Levenseinde

    Naarmate zijn gezondheid slechter werd, begon John Donne geobsedeerd te raken door de dood. Kort voor hij stierf, schreef hij zijn eigen begrafenisrede: Death's Duel, duel met de dood, die meteen ook zijn laatste preek was. Hij zegt hierin dat het leven een langzame afdaling is in ziekte en dood, met niettemin de hoop op verlossing, redding en wederopstanding. John Donne werd begraven in de St Paul's Cathedral. Daar werd een gedenkteken voor hem opgericht: een beeldhouwwerk dat Donne in zijn doodskleed voorstelt, op basis van een tekening die hij had laten maken tijdens zijn ziekte.

    Invloed van John Donne

    Tot zo'n 30 jaar na zijn dood hielden opeenvolgende edities van zijn gedichten zijn herinnering levend. Tijdens de restauratie (herstel van de Engelse monarchie vanaf 1660) ging zijn manier van schrijven uit de mode en dat bleef zo voor meerdere eeuwen. Gedurende de 18e eeuw en een groot deel van de 19e eeuw werd hij weinig gelezen en nauwelijks gewaardeerd. Pas in de 20e eeuw werd de belangstelling voor zijn werk nieuw leven ingeblazen door bekende bewonderaars als de dichters T.S. Eliot (1888-1965) en William Butler Yeats (1865-1939). In Donnes poëzie vonden ze de bijzondere combinatie van intellect en passie die ook zij nastreefden in hun eigen kunst.

    Metaphysical poets

    De benaming van de school dichters waartoe hij behoorde, de Metaphysical poets (metafysische dichters), werd pas achteraf gegeven. Onder meer de criticus Samuel Johnson (1709-1784) vond dat de poëzie van John Donne en een aantal van zijn collega-dichters uit de zeventiende eeuw op een aantal punten afweek van wat in die tijd gangbaar of traditioneel was bij de dichtkunst. Zo maakten zij gebruik van vreemde metaforen ('conceits') en filosofische of religieuze denkbeelden en theorieën. Bij een conceit gaat het om het geforceerd samenbrengen van ideeën en dingen in het gedicht die de lezer eerst choqueren, maar vervolgens doen nadenken over het argument dat de dichter hem of haar voorlegt. Een van Donnes bekendste en vreemdste conceits komt voor in zijn 'ondeugend' gedicht To His Mistress Going to Bed. Hij vergelijkt daarin het te exploreren lichaam van zijn geliefde met een kaart van het opwindend nieuwe Amerika:
    "License my roving hands, and let them go
    Before, behind, between, above, below
    O my America! my new-found-land!"
    (Laat mijn zwervende handen begaan / Voor, achter, tussen, boven, onder / O mijn Amerika, mijn nieuw ontdekte land!)

    John Donne voor de moderne lezer

    Het lezen van gedichten van John Donne kan een intense ervaring zijn vanwege de sterke beelden die hij oproept. Lezers laten zich vooral meeslepen door zijn passie en levendige geest, alsook door de bijzondere keuze van zijn onderwerpen. Het vergt echter wel wat inspanning om zijn gedichten echt te begrijpen. Ze zien er op het eerste gezicht vaak bedrieglijk eenvoudig uit, met korte zinnen en handelend over alledaagse onderwerpen. Maar in werkelijkheid zijn ze heel erudiet en complex. Weinig dichters wagen zich dan ook aan een vertaling van Donnes poëzie. Oude vertalingen van Constantijn Huygens (1596-1687) zijn in publiek domein online beschikbaar.

    Literatuurlijst

    Poëzie

    • Poems (1633)
    • Poems on Several Occasions (2001)
    • Love Poems (1905)
    • John Donne: Divine Poems, Sermons, Devotions and Prayers (1990)
    • The Complete English Poems (1991)
    • John Donne's Poetry (1991)
    • John Donne: The Major Works (2000)
    • The Complete Poetry and Selected Prose of John Donne (2001)

    Proza

    • Pseudo-Martyr (1610)
    • Six Sermons (1634)
    • Biathanatos (1647)
    • Fifty Sermons (1649)
    • Paradoxes, Problemes, Essayes, Characters (1652)
    • Essayes in Divinity (1651)
    • Sermons Never Before Published (1661)
    • John Donne's 1622 Gunpowder Plot Sermon (1996)
    • Devotions Upon Emergent Occasions and Death's Duel (1999; eerste publicatie 1624)

    Geraadpleegde literatuur

    • Achsah Guibbory (editor, 2006), The Cambridge Companion to John Donne, Cambridge University Press. ISBN=978-0-521-54003-2
    • Donald R. Dickson (editor, 2007), John Donne's Poetry, A Norton Critical Edition, Uitgeverij W.W. Norton. ISBN=978-0-393-92648-4
    • Thomas N. Corns (editor, 1993), The Cambridge Companion to English Poetry - Donne to Marvell, Cambridge University Press. ISBN=0-521-42309-0
    • John Donne, Leven en werk: https://sites.google.com/site/johndonnelevenenwerk/ bezocht op 29 november 2016
    • John Donne in Nederlandse vertaling http://fmlekens.home.xs4all.nl/donne/vertalingen.htm bezocht op 29 november 2016
    Auteursrecht: Jules Grandgagnage

    22-09-2017 om 10:02 geschreven door Jules Grandgagnage


    Categorie:literatuur
    Tags:John Donne,poŽzie
    21-09-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De hoofddoek moet NIET af!

    John Rawls

    De hoofddoek moet NIET af. Een standpunt over hoofddoeken, tyrannosaurussen 
    en Pruisische Kant.

    Het onderwerp van het boek waar ik het vandaag over wil hebben is ethiek en de rechtvaardige maatschappij. Het verscheen in 1971 en veroorzaakte een golf van opwinding en verontwaardiging. Ik las het nog maar pas. In verwondering. Ik voelde me ongeveer zoals de archeoloog in Jurassic Parc die achter een polletje gras een levende Tyrannosaurus ziet opduiken. Ik had een Kantiaan in de 20e eeuw ontdekt. Iemand die stevig van leer trekt tegen utilistische argumenten in ethische kwesties. Iemand die vindt dat er nog altijd morele wetten bestaan die niet mogen overtreden worden. Het doel heiligt de middelen NIET. Het boek heet "A Theory of Justice." De man achter het boek is de politieke filosoof John Rawls. Nee, Rawls draagt geen hoofddoek. Hij schrijft er ook helemaal niet over. Maar ik zat met het boek in mijn hoofd toen de kwestie van de hoofddoek me ter ore kwam.


    "Ik vind dat ze af moeten, " zei collega één. "'t Is geen gezicht."
    "In hun land zijn ze niet zo tolerant," meende collega twee, "waarom zouden wij het dan moeten zijn?"
    Klik, ging het in mijn hoofd. Rawls zat plots boven op de hoofddoek. Daarvoor zweefde hij wat doelloos rond tussen andere ideeën. Maar nu beet hij zich vast in het doek.
    Laten we hem aan het woord laten. (Stoor u niet teveel aan de onduidelijke articulatie, het doek zit er voor iets tussen.)

    Stel je voor, betoogt hij, dat je helemaal niets af weet van je toekomstige positie (rijkdom, aanleg, status) in de maatschappij waarvan je deel uit van gaat maken. Welke regels zou je dan opstellen opdat die samenleving voor iedereen rechtvaardig zou zijn?

    De truc van Rawls bestaat erin om de deelnemers aan de discussie onwetend te houden van hun toekomstige situatie. Achter een "veil of ignorance" moeten ze trachten de principes te vinden die rechtvaardigheid in een samenleving garanderen. Doet u even mee? Nee, u hoeft niet echt uit de kleren te gaan: mijn verbeelding volstaat. Daar staan we dan. In onze natuurstaat, geen draad aan onze blote bast die ons vermag te onderscheiden van enig ander individu. We zien de voordelen in van samenwerking. We beseffen tegelijkertijd dat we wat van onze vrijheid moeten inleveren. Gedaan met moorden, verkrachten en roven a volonté. Nu moeten er afspraken gemaakt worden. Snapt u de truc van Rawls? Hij verhindert ons om a priori al over individuele belangen na te denken. Om te handelen vanuit eigenbelang, vanuit een verworven of te verwachten positie. Alleen zo komen we op het spoor van de zuivere principes van rechtvaardigheid. Voelt u hem komen, de hoofddoek?
    We willen terecht komen in een samenleving waar voor ieder genoeg primaire goederen zijn. Je hebt immers minstens evenveel kans om arm geboren te worden als om welvarend te zijn of uitgerust met de nodige talenten! Het is duidelijk dat de rechtvaardige maatschappij zal moeten voorzien dat er voor de kansarmen moet gezorgd worden en dat de meerderheid de minderheden niet mag verdrukken. Wie wil immers in die hypothetische situatie het risico lopen om als rechteloze arme in de nog onbekende toekomst terecht te komen? (Of om zich te moeten conformeren aan de wensen van een verdrukkende meerderheid?)
    Begint de hoofddoek kleur te krijgen?

    De aldus verkregen afspraken, achter die sluier van onwetendheid, zullen voor iedereen aanvaardbaar moeten zijn. Ook, en zeker, voor de (toekomstige) zwakkeren, voor de minderheden.
    Redenerend vanuit dit rechtvaardigheidsprincipe gaat Rawls in de aanval tegen het tot dan geldende utiliteitsprincipe dat stelde "Goed is wat goed is voor de meerderheid." Aanhangers van de utilistische moraal streven immers het maximaliseren van het geluk na, wat kan leiden tot onderdrukking van minderheden die zich moeten "opofferen" voor het algemene, grotere nut. Nu vraag ik u: (ja u daar, die al zo verveeld zit te geeuwen!): in welke gevallen is het werkelijk geoorloofd om iemands (individuele) vrijheid te beperken? Iedereen vindt het nogal wiedes dat moord en leugen niet kan (Kant's categorische imperatief staat nog altijd in de ethische hitparade!) en dat de overheid wat dat betreft voor de nodige bescherming moet zorgen middels wetten en regels. Mensen leveren graag een deel van hun vrijheid in in ruil voor meer bescherming. Hoe ver mag die overheid echter gaan in haar inmenging? Hoe ver mag zij gaan in het bepalen van de spelregels die gelden in onze scholen? Voelt u de hoofddoek al een beetje knellen?

    Me dunkt dat we vanuit Rawls'rechtvaardigheidsprincipe eens een ander licht kunnen laten schijnen op de kwestie van de hoofddoek (vult u zelf maar aanverwante onderwerpen in!) Een school is immers een samenleving in het klein, waar we ons ook moeten bezinnen over de rechten en plichten van degenen die er deel van uit maken, en over de rol die de overheid mag spelen in het opleggen van bepaalde regels. De vraag die ik u, parallel met Rawls' gedachtenexperiment, voor de voeten werp luidt dan:

    Stel je voor, dat je in de situatie verkeerde, waarin je nog niet wist of je als Vlaming of als Marokkaan in een school zou terecht komen, hoe zou je dan zelf willen dat die school eruitzag?

    Nee, schrijf er geen boek over. Vat uw idee erover samen in een enkele zin. Condenseer het dan tot één woord. Wat u overhoudt is rechtvaardigheid in de zin die Rawls eraan gaf.
    Wat de hoofddoek betreft: zet hem op. Ik zou hem ook graag hebben opgezet als dit toevallig deel uitmaakte van mijn culturele identiteit. Of denkt u dat u ermee akkoord zou zijn gegaan indien iemand - in de toestand van 'veil of ignorance'- had voorgesteld om racistische, seksistische of homofobe reflexen in de ideale toekomstige maatschappij te dulden?

    Wie heft de bijl boven zijn eigen hoofd? U eerst?


    ©Jules Grandgagnage

    21-09-2017 om 17:56 geschreven door Jules Grandgagnage


    Categorie:literatuur
    Tags:hoofddoek,John Rawls,filosofie,samenleven
    20-09-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De andere, over multicultureel samenleven

    Emmanuel Levinas

    Als 'de andere' in ons leven komt, hebben we het daar vaak moeilijk mee. Het is een beetje te vergelijken met het verlaten van de veilige baarmoeder. We geven ons egoïstisch leventje op en kijken naar buiten. We ontmoeten. De andere verwart. Maakt aanspraak op je. Haalt je uit je gesloten systeem. Het gezicht van de andere, zei Levinas al, betekent een breuk met het egoïsme en geeft je de kans om het beste uit jezelf te halen. Daarvoor moet je echter de veiligheid van je stulp verlaten. De andere schrikt af. Nochtans hebben wij allemaal ervaren wat het is om die andere te zijn.

    “For the times, they are changing...”
    Bob Dylan

    Mijn eerste cultuurschok beleefde ik als kleuter van vier jaar. We verhuisden van Brussel naar Antwerpen. Ik kwam in een vreemd land terecht, bevolkt met wezens die onzinnige klanken uitstootten.

    Edde gai giene noenger? En zedde na blai da gier zet? Kommis ba de bomma oep de schoet. Ache muug zet dan slopte mor wa.
    Maajn Bomma

    Ik herinner me van die eerste dagen vooral de tuin, waar ik noodgedwongen met de regenwormen communiceerde. Dan kwam de school, waar ik een Frans liedje mocht zingen. Ik zette in met Frêre Jacques, ging, aangemoedigd door het beleefde applaus, door met Au claire de la lune en besloot met een magistraal Auprès de ma blonde, waarna ik wegens ordeverstoring in de hoek moest gaan staan. In de vijftiger jaren waren liedjes over blonde stoten in de kleuterschool immers nog taboe. Na een tijdje moet ik toch wat van het inheems gebrabbel hebben opgestoken. Zeker is dat, toen de zwarte man in mijn leven verscheen, ik nog amper een woord Frans sprak. Alleen mijn rollende rrr verraadde nog iets van mijn allochtone verleden.

    “Whatever you do, don’t fall asleep!”
    (uit de film ‘Murder on Elmstreet”)

    Op mijn zesde kwam dus de zwarte man. Ik trok de deur open en  beleefde mijn tweede cultuurschok. Ik wist dat er zwarte mensen bestonden, op de film en in boekjes, of ver weg. Maar van zo dichtbij had ik er nog nooit een gezien. Hij had grote, donkere ogen (om me beter te zien), en fonkelwitte tanden. Naast hem stond een grote koffer. Op wieltjes. Met een stevig slot er op. Te groot voor mijn zuster, groot genoeg voor mij. Ik gaf een gil en liep weg, de kelder in. “Il ne faut pas avoir peur!”  riep hij me na. Waar had ik die taal nog gehoord? Ik was weer een multiculturele ervaring rijker.

    “You shook me all night long”
    AC DC uit  ‘Back in black’

    In mijn puberteit ontdekte ik het andere geslacht. Totaal van mij verschillende wezens (ze biljarten niet en hadden mooiere benen) Het verwonderde me dat ik ze tot dan eigenlijk niet had opgemerkt. Waar kwamen ze zo plots vandaan? Wat wilden ze? Wat dreef hen? Weer voelde ik me een vreemde, in een land met een eigen taal en wetten. Ik had de donkere kant van de maan ontdekt, een parallelle wereld, die tot dan toe alleen in mijn verontrustende dromen had doorgeschemerd. Het schudde mijn identiteit door elkaar. Toen de puzzelstukken terug in elkaar pasten, was ik een andere persoon geworden. De muur die mijn solipsistisch systeem beschermde, brokkelde verder af.

    “I, too, am Jorge Luis Borges!”
    Borges 1921.jpg
    Luis Borges

    Ook jij kan voor jezelf de andere zijn. Jorge Luis Borges vertelt in het verhaal “De andere” hoe hij als oudere man zijn vroegere zelf ontmoet aan de oevers van een rivier. Het was een verhaal dat me diep trof. Ik begon me af te vragen hoe het zou zijn om mijn vroegere zelven eens opnieuw te ontmoeten.  Een van hen bewonderde ik zelfs een beetje, omdat hij iets bezat dat ik al verloren had. Maar met de andere anderen zou ik niet kunnen opschieten. Onze persoonlijkheid, leerde ik, is geen vaststaand feit. En daarvoor hoefde je echt geen schizofreen te zijn.

    Ook de bewering dat wij fysisch unieke, onderscheiden wezens  zijn, is aanvechtbaar.  Biologisch gezien zijn wij meercellig, samengesteld. Bovendien leven wij in een soort symbiose met miljoenen bacteriën en parasieten. Wij zijn de anderen, in het meervoud.

    Eigenlijk zijn wij heel ons leven bezig met het zoeken naar een evenwicht tussen onszelf en de aanspraken van de anderen. In deze dynamiek is het een echte kunst om je identiteit niet te verliezen. Cultuur heeft naar ons gevoel veel met identiteit te maken. Ik ben jood. Ik ben een zwarte. Ik ben een vrouw. Ik ben een kind. Cultuur is zowel feitelijk (je wordt erin geboren) als maakbaar. Voor kinderen is het een gegeven dat ze aantreffen als ze op de wereld komen, iets dat deel uitmaakt van hun ‘natuurlijke’ omgeving. Ze staan er zelden bij stil dat alle dingen gemaakt moeten worden. Hamburgertenten? Barbiepoppen? Die zijn er altijd al geweest, meneer.  Sommige mensen blijven zelfs altijd in die kinderlijke fase van onbevangen consument. Hoe dan ook worden we beïnvloed door wat we om ons heen zien. We absorberen en reflecteren. Popidolen, trends, mode, nieuwe technologie; het gaat erin als zoete koek. Toch verwerkt ieder van ons dat op zijn eigen manier. Met wat overdrijving durf ik te stellen dat er minstens evenveel culturen bestaan als er mensen zijn. Ik vermoed zelfs dat het er meer zijn. Neem nu mezelf (Ja, sorry, er is nu eenmaal niemand anders in de buurt!) In de loop van mijn eigen leven heb ik deelgenomen aan heel wat verschillende culturen.  Even had ik bijvoorbeeld het idee dat ik een muzikant was. Ik besloot de mondharmonica te bemeesteren, maar omdat mijn zeer muzikale hond er bovenuit bleef janken, gaf ik het maar op. Planten stierven onder mijn groene vingers, behangpapier viel van de muren, mijn olieverf schoot in en mijn zelf getunede motor gaf de geest. Tot op de dag van vandaag blijf ik zoeken naar iets dat ik wel goed kan. Monoski? Benji-springen? Monogamie? Als ik in bad naar de zeepbellen zit te staren, gok ik er soms op welke er eerst zal uiteen spatten. Of ik schep nieuwe blaasjes als het sop wat dun wordt. Ik denk dat we dat met onze eigen levens ook zo doen.

    “I could never belong to a club that would have me for a member”
    (The Marx Brothers)
    Marx Brothers 1931.jpg
    The Marx Brothers

    Je hoort altijd wel ergens bij, zelfs al loop je er niet mee te koop. Wie klein is, hoort bij de kleinen, wie slim is bij de slimmerds, wie geel is bij de gelen en wie zichzelf graag hoort praten bij de leraars. We maken groepen, clubs, we trouwen, we voelen ons verbonden met anderen omdat die dezelfde taal spreken, naar dezelfde school gingen of dezelfde huidkleur hebben. Twee pekaatjes, motorrijders, truckers toeteren naar elkaar.  Zelf val ik ook al eens ten prooi aan dergelijke primitieve bond-vorming. Toen ik jogde, keek ik medelijdend neer op de kwabbige anderen. In een andere periode  bestond er buiten de wereld van boeken eigenlijk niet veel meer dat ik de moeite waard vond.  Wat ik wel geleerd heb, is dat door je te identificeren met een groep, je je tegelijkertijd en onvermijdelijk afzet tegen andere groepen. Gevaarlijk wordt het als te sterke identificatie met wat je doet het zicht op andere zaken vertroebelt.

    Two roads diverged into a yellow wood
    and sorry I could not travel both...
    (Robert Frost)

    De belangrijke keuzen die wij in ons leven maken (over studie, beroep, partner, kinderen krijgen...) sturen ons steeds weer op een nieuw pad.  Achteraf vragen wij ons misschien af of we wel juist hebben gekozen, maar vaak is geen terugweg mogelijk. (“want er staan wetten in de weg en  praktische bezwaren”) Als westerling hebben wij een verbijsterend aanbod aan mogelijke levensstijlen. Vaak sluiten deze verschillende keuzen elkaar uit: ik kan ervoor kiezen lid te worden van de Hells Angels, maar dat is niet helemaal te rijmen met mijn image als leraar. Of ik wil leven als kluizenaar en tegelijkertijd een beroemd schrijver zijn. Deze levenswijzen gaan niet samen; ze zijn incommensurabel, onverenigbaar. Door contact met andere culturen is dit aanbod aan mogelijke levensstijlen nog gestegen. Het Westen consumeert die waarden uit andere culturen: de religious zapper, de toerist, de macrobioticus, de blanke rapper, de Vlaamse Zen-boeddhist. Ons eigen leven is dus eigenlijk al veelkleurig en biedt zoveel opties dat we er vaak door worden verward. Dat sommigen onder ons zich bedreigd voelen door contact met andere culturen is dan toch merkwaardig.
    Het heeft waarschijnlijk te maken met angst voor het onbekende. Op een ander, niet kinderlijk niveau, ervaren we sommige waarden en ideeën van andere culturen als gevaarlijk voor de vrijheid van het individu. Het individu is in andere samenlevingen niet altijd even belangrijk. In dat opzicht kunnen wij ons mogelijk bezinnen over de al te sterke nadruk die bij ons zelfontplooiing en autonomie al eens krijgen, ten nadele  van de meer “vrouwelijke” waarden zoals zorgzaamheid, empathie en consideratie voor het groepsbelang. Zelf ga ik wat dat betreft trouwens niet helemaal vrijuit. Ik hecht veel belang aan het scheppen van eigen horizonten en het in alle vrijheid nastreven van welke gril dan ook. Dat dit ten opzichte van anderen niet altijd goed is, besef ik wel. Nu mijn ouders er niet meer zijn, zit er niet veel meer op dan mezelf op te voeden.

    De westerse mens reageert tegen andere culturen op een manier die doet uitschijnen dat zijn manier van leven volkomen door anderen gedeeld wordt. Onzin natuurlijk. Of het moest zijn dat het eten van junkfood en het bekijken van soap-series op de televisie volstaat om van een homogene cultuur te mogen spreken. Nogmaals: zoveel mensen, zoveel culturen. Dat we allemaal gelijk zijn ontken ik trouwens nadrukkelijk: de gast, die vorige week een kras maakte op mijn auto, is een vandaal. En ik ben geen vandaal. De man, die “Honderd jaar eenzaamheid” schreef is een genie. En ik ben geen genie. Evenmin heb ik er benul van hoe het is om een vrouw te zijn, een zwarte of een lid van de Ku Klux Clan. Bij dit alles vraag ik me af of er wel zoiets bestaat als universele waarden. Er moet toch een gemene menselijke grond bestaan, waar we iets op kunnen bouwen? Democratie en mensenrechten bijvoorbeeld. Ook al zijn het “westerse” uitvindingen.

    ‘It  is all in peeces, all cohoerance gone...
    John Donne
    John Donne

    Als Donne het vierhonderd jaar geleden al zo moeilijk had met de teloorgang van waarden, dan kan het nauwelijks verwondering wekken dat velen de vermenging van culturen vrezen. Multiculturaliteit leidt tot pluralisme. Pluralisme brengt onvermijdelijk verlies van duidelijkheid.  Want, wie heeft er uiteindelijk gelijk? Wie kan er in die veelheid van culturen nog aanspraak maken op waarheid?
    Cultuurpessimisten zien dit als het verval van de Westerse dominante cultuur. Ideeën en waarden worden ondergraven door insluiping van het vreemde. De vroeger eenvormige cultuur wordt een bontgekleurde lappendeken, zonder duidelijke structuur of eenduidige waarden. Als we om ons heen kijken, dan is er inderdaad veel dat ons verontrust.
    In onze tijd wordt elke vorm van traditionele autoriteit in vraag gesteld. De mens wordt teruggeworpen op zichzelf. Het moderne ideaal van zelfbeschikking interpreteert hij dusdanig dat hij over een onvoorwaardelijke vrijheid beschikt om zijn leven in te vullen. Niet gebonden door religie, traditie of moraal gaat hij zijn gang. De anderen ziet hij als potentieel, als middel, nooit als doel.
    De ‘laatste mens’ van Nietzsche is werkelijkheid geworden. In de gedaante van de cynische, wellustige, van dag op dag levende mens zonder enige vorm van ethisch besef of richting.  Hij berooft hulpeloze oudjes van hun pensioen, hij mishandelt zijn kinderen, hij denkt alleen maar aan zichzelf. Maar deze uitwassen zijn eerder aan een verkeerd opgevat ideaal van vrijheid te wijten dan aan de multiculturaliteit van onze samenleving.

    Misschien moeten wij ons niet te ongerust maken over de aanwezigheid van verschillende culturen in het straatbeeld. De Muur werd tenslotte afgebroken omdat mensen aan gene zijde hun deel wilden hebben van de koek, waaronder hamburgertenten, design-jeans en commerciële tv-stations. Wat mensen uit de derde wereld wezenlijk willen, is niet zozeer een hoogdravende ideologie. Wel een basisinkomen, eten voor hun kinderen, kortom: dekking van hun basisbehoeften. Culturele verschillen zoals kleurige kledij en hoofddoeken mogen ons niet doen vergeten dat alle mensen eigenlijk hetzelfde willen: een menswaardig bestaan. Niet de etnische identiteit, maar wel onze universele identiteit als mens moet daarbij basis vormen voor het toekennen van gelijke rechten en het opeisen van gelijkwaardigheid.

    Het westen beleeft ideologisch en ethisch een crisis, doordat we geen goed zicht meer hebben op wat goed, waar en schoon is. De techniek is ons voorbij gehold. Terwijl wij nog rond lopen in het lichaam van de holenmens, vergt het leven van vandaag heel andere vaardigheden dan aan de jager gesteld werden,  vooral wat betreft samenleven in grotere gemeenschappen. Als die gemeenschappen dan ook nog eens bestaan uit groepen van verschillende culturele achtergrond, dan vergt dat van iedereen heel wat aanpassing en goede wil.

    Multicultureel samenleven zal onvermijdelijk een verrijking geven. We mogen alleen niet ongeduldig worden. Dit is een overgangsperiode. De Germanen zijn de grenzen overgetrokken. Rome wordt bezet. Latijn wordt een dode taal. Maar uit die smeltkroes ontstaat het  nieuwe. De poëzie van Verlaine, het magisch realisme van Márquez. Nieuw groeit op de ruïnes van oud.  Niemand weet wat eruit wordt geboren. Maar tegenhouden kan je het toch niet.
    In deze tijd reageren we als kinderen op de komst van de andere. We voelen ons bedreigd. Alles om ons heen verandert. Veel wordt van ons aanpassingsvermogen gevergd. Maar we mogen niet wegkruipen. Niet voor de zwarte man. Niet voor onszelf.
    De Meir in Antwerpen (foto: Jules Grandgagnage)

    20-09-2017 om 10:30 geschreven door Jules Grandgagnage


    Categorie:filosofie
    Tags:filosofie,samenleven,Emmanuel Levinas,Bob Dylan,John Donne
    19-09-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het leven als schrijver

    Over het schrijven van fictie om de werkelijkheid te hertekenen, de schrijver en zijn machtscomplex, het idee van Geluk en hoe het na te streven en over het contact met de creatieve bronnen.

    Vaak ontleen je als schrijver stof voor verhalen aan het leven van alledag. Aanleiding voor een verhaal kan bijvoorbeeld zijn dat je je doodergert aan mensen uit je omgeving. Soms zit je echter met het probleem dat je met die typetjes weinig kunt aanvangen omdat ze zo gewoon en saai zijn. Als schrijver ken je gelukkig geen beperkingen. Van een onbeduidend voorval maak je een heroïsche of geestige belevenis. Van onbeduidende mensen die gewoon uit onverschilligheid een beetje slecht zijn maak je driedimensionale schurken. Je hertekent als het ware de werkelijkheid met je fantasie. Je vult ze aan, verrijkt ze, maakt ze meer gestroomlijnd of juist complexer al naargelang de eisen van je verhaal. De typetjes en voorvallen waar je dan iets mee doet, verhullen in dit proces voor jezelf de rauwe realiteit en dat werkt bevrijdend. Althans, zo ervaar ik het soms.


    Een voorbeeldje. Ik werkte enkele jaren als ict-coördinator voor een aantal Antwerpse stedelijke scholen. De job hield in dat ik zowel technische als pedagogische hulp en begeleiding bood aan leraarsteams die met ict aan de slag gingen. Op een bepaald ogenblik had ik liefst zeventien scholen onder mijn hoede, wat het voor mij feitelijk (en rekenkundig) onmogelijk maakte om de job fatsoenlijk in te vullen. Veel begrip daarvoor kreeg ik niet van directeurs en leraars. Dat ik er een werkweek van 48 uur voor draaide en nog niet rondkwam, dat wuifden ze weg als een mat excuus. Dat ik eigenlijk loonverlies leed doordat de scholen geografisch zo ver uit elkaar lagen en ik elke maand honderden kilometers extra aflegde, dat interesseerde hen niet. Het kwam er eigenlijk op neer dat ik in elke school tussen de middag aanwezig moest zijn, een computerpark van vijfhonderd krakkemikkige pc's moest onderhouden, netwerken moest aanleggen en daar bovenop na de schooluren ict-scholing moest geven aan de leraars. Daarnaast hield ik me onder meer nog bezig met het redigeren en uitwerken van een visietekst, het inhoudelijk uitbouwen van een ict-website en het programmeren van een cd-rom met schoolprogramma's. Kortom, op enkele jaren was ik op mijn eigen bescheiden manier zeer richtinggevend voor de hele visie op ict binnen die Antwerpse stedelijke scholen.

    Het onvermijdelijke gebeurde: na twee jaar kreeg ik hartklachten, hoge bloeddruk en een cholesterolgehalte om u tegen te zeggen. Ik verwittigde de centrale coördinator dat ik vanaf het volgende schooljaar met brugpensioen ging. Een mens moet zich tenslotte toch niet kapot werken nietwaar. Eigenlijk was ik best fier op de energie die ik aan dit project had gespendeerd en ik vond dat ik mijn rol gespeeld had. Wat in de volgende weken en maanden gebeurde tart echter het onbeschrijflijke. Gesteund door de centrale coördinator startten enkele directeurs van scholen een lastercampagne op, die culmineerde in een ongunstig verslag. Tot dan toe had ik eigenlijk vertrouwen in de 'redelijkheid' van de mens. Evenzo dacht ik dat mensen die toch een paar jaar hogeschool hebben gevolgd, en daardoor in min of meerdere mate uitgerust waren met het vermogen om te denken, in staat zouden zijn om op basis van goed afgewogen feiten een oordeel te vellen. Het minste dat ik mocht verhopen was dat ze enige menselijkheid aan de dag zouden leggen. Niets was minder waar. Bovenop mijn wankele gezondheid kreeg ik ook nog eens een figuurlijk mes in de rug gepland. Wat ik had gedaan telde ineens niet meer mee. Bijna drie jaar was ik gestopt met schrijven, gestopt met studeren, gewoon omdat ik vond dat als je iets doet je het goed moet doen. De spreekwoordelijke stank voor dank was mij nu ten deel gevallen. Het was duidelijk dat er andere motieven in het spel waren die konden verklaren waarom ik ineens persona non grata was geworden. En, inderdaad, iemand 'aan de top van het onderwijsbeleid' die het nog goed met me meende lichtte een tip van de sluier op. Het bleek – nee, dit is niet om te lachen! – een tekst van mij te zijn die ze onder het stof hadden uitgehaald. Een cursiefje waarin ik de draak had gestoken met het machtscomplex van sommige inspecteurs. Get real! Dat je geen grapjes mag verkopen over godsdienstige leiders, daar kan ik nog wel inkomen. Maar een inspecteur??? En dan nog in een cursiefje? Ik leerde die dag dat vrijheid van mening slechts een relatief begrip is aan de monding van de Schelde.


    De absurde voorvallen die ik meemaakte leverden na verloop van tijd wel genoeg 'stof' op om over te schrijven. Het probleem, zoals ik al zei, was echter dat de actoren in dit kleingeestige drama veel te saai waren om over te schrijven. In plaats daarvan werkte ik aan een reeks verhalen die de toepasselijke titel "Prettig gestoorde schoolmensen" meekregen. Van de feitelijke belevenissen die aanleiding waren tot deze verhalen bleef weinig of niets over. Ik schrijf nooit uit wraak. Wat dat betreft ben ik een goede volgeling van de ideeën van Schopenhauer. Wat je bezit of wat je voorstelt in de ogen van anderen draagt niets wezenlijks bij tot je geluk. Dat zijn immers onbestendige dingen. Wat van veel groter belang is voor je geluk is je individualiteit, dat wat je werkelijk bent. Ik besef dat ik me gelukkig mag prijzen omdat ik in zoveel dingen geïnteresseerd ben, weinig waarde hecht aan bezittingen en veel plezier beleef aan mijn talent voor schrijven. Eerlijk gezegd heb ik medelijden met die hebzuchtige, machtzoekende, achterbakse creaturen (ik noem ze ook gewoon: azijnpissers) wier leven beheerst wordt door afgunst en primitieve vormen van denken. (Komaan, Jules, geef ze hun vet!) Mensen wier gebrek aan intelligentie nauwelijks gecompenseerd kan worden met een bazige, zelfverzekerde houding, ik heb ze ontmoet. U kent ze ongetwijfeld ook. Starre boommensen, door niets meer in beweging te brengen. Bange mensen. Wantrouwige mensen. Domme mensen. Vaak vind je ze in posities waarin ze leiding kunnen geven – op zichzelf al een contradictio in terminis – omdat ze zich dan even belangrijk kunnen voelen.


    Nu ik er over nadenk, eigenlijk ben ik in hetzelfde bedje ziek… Ik zoek een hoger standpunt op in het landschap om mijn zaakjes beter te kunnen overzien en dan herschrijf ik de werkelijkheid. Van machtsdenken gesproken! Toegegeven dus, ik zit met een machtscomplex, maar heeft niet elke schrijver dat? Wat is er bijvoorbeeld mooier dan je gedachten gedrukt te zien? Ze winnen niet alleen aan kracht, ze krijgen ook "eeuwigheidswaarde". Om dezelfde reden bouwden de oude Egyptenaars hun piramides, planten mensen zich voort en schrijven schrijvers boeken: ze willen allemaal iets nalaten dat hen overleeft. Hybris? Och ja. Het zoeken van de Steen der Wijzen, het Eeuwige leven, daar is het ons om te doen. Gelovigen, echte gelovigen dan, hebben het in dit opzicht veel makkelijker. Als je gelooft in een Leven na de dood, dan hoef je je niet zo uit te sloven om sporen in dit aardse zand na te laten. Want er komt nog wat. Maar daar ben ik nog niet zo zeker van. Voorlopig stel ik me tevreden met mijn eigen leven zo bewust mogelijk te beleven en daar helpt schrijven me enorm mee.


    Het vreemde aan schrijven is dat je je al schrijvende bewust wordt van je ideeën en gevoelens, en dat je die expliciet verwoord ziet in de tekst. Ik maakte er een tijd geleden het gedicht "Mystiek" over, dat deze vreemde ervaring beschrijft:


    Mystiek


    Soms

    voel ik dat

    ik schrijven moet

    alsof een vreemde kracht mij

    schrijven doet: de woorden schijnen dan

    als vlinders op me toe te komen: ik grijp

    ze in hun vlucht en laat ze uit me stromen

    Ik voel dan: ik maak hier niet; ik schrijf

    maar denk aan woorden niet. Dan sta

    ik op , als uit een droom en kijk

    naar wat die woorden zeggen:

    ik voel me dan alsof een

    kip een ei voor mij

    kwam leggen


    Ik heb over de "mystieke" ervaring met andere schrijvers gesproken, meer bepaald over het gevoel dat je soms bijna automatisch gedachten op papier zet zonder er eerst bewust aan te denken, maar de meesten bekijken me alsof ik van Mars kom. Iedereen kent wel periodes van bevlogenheid en inspiratie, maar ze behouden het gevoel steeds het roer in handen te hebben. Vormen van automatisch schrijven bestaan natuurlijk wel in de mystiek of als occulte techniek om contact te krijgen met de doden. Maar ik heb tijdens een "creatieve flow" meer het gevoel dat ik put uit een bron die waarschijnlijk niets anders is dan mijn onbewuste of mogelijk het collectieve onbewuste waar Jung het over heeft. Speculaties natuurlijk, beweringen de niet te verifiëren zijn, maar voor mij niettemin zo echt en vertrouwd als de koelkast waar ik een drankje uit haal als ik dorst heb. Ik hoef gewoon voor een wit blad papier te zitten om dat proces op gang te brengen. Schrijven is voor mij dus een soort catharsis die me helpt om van mijn negatieve gevoelens af te geraken. Ik prijs me gelukkig dat ik zo de ziekmakende en wansmakelijke realiteit beter het hoofd kan bieden.

    Mijn ervaringen betekenen natuurlijk niets in vergelijking met mensen die echt miserie hebben meegemaakt. Mijn belevenis, zoals hierboven beschreven, is relatief gezien een petit mal. Niet meer dan een symptoom van de manier waarop mensen in deze jachtige en competitieve maatschappij met elkaar omgaan. Gaan we een nieuwe wildernis tegemoet waarin het recht van de sterkste geldt? Het lijkt er steeds meer op. Ik voel me hoe langer hoe meer vervreemd van een tijdsgeest waarin alle waarden afbrokkelen en waarin nietsontziende botteriken de ingedommelde goedzakken beginnen te overheersen. Nee, dat is niet van mij, dat is van de dichter en visionair Yeats in het gedicht "The second coming":

    Things fall apart; the centre cannot hold;

    Mere anarchy is loosed upon the world,

    The blood-dimmed tide is loosed, and everywhere

    The ceremony of innocence is drowned;

    The best lack all conviction, while the worst

    Are full of passionate intensity.




    Auteursrecht: Jules Grandgagnage

     

    19-09-2017 om 09:21 geschreven door Jules Grandgagnage


    Categorie:literatuur
    Tags:schrijven, schrijver, literatuur, creativiteit, relaties, mystiek
    18-09-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De presocraten als pioniers van de westerse filosofie

    Heraclitus, schilderij van Johannes Moreelse

    Met de presocraten begint de westerse filosofie. Deze filosofen leefden in de periode van ongeveer 600-350 v. Chr. en worden zo genoemd omdat de manier waarop ze aan filosofie deden anders was dan de filosofie vanaf Socrates. De centra van de presocratische filosofie waren de Griekse steden in het westen van Klein-Azië en in Zuid-Italië. Van de vele werken van presocratici is niets volledig bewaard gebleven. Bijna alles wat we vandaag over hen weten, is ons overgeleverd uit geschriften van latere antieke auteurs die uit het werk van hun voorgangers citeren. De voornaamste van deze auteurs zijn Aristoteles en de historicus van de filosofie, Diogenes Laertius. Een belangrijk thema van de presocratici was de vraag naar de oorsprong van alle dingen (het arché, oerbeginsel). Andere onderwerpen waren ethiek, theologie en politieke filosofie. Daarnaast hielden veel presocraten zich ook bezig met wiskunde en natuurwetenschappen.

    Presocraten?

    Met "presocraten" bedoelt men de vroege Griekse filosofen die niet beïnvloed waren door Socrates. De meeste ervan leefden voor Socrates, maar sommige waren tijdgenoten of waren zelfs jonger dan Socrates. Degene die dit onderscheid voor het eerst maakte, was Aristoteles. Hij zag in dat met Socrates de filosofie een meer humanistisch karakter kreeg. De kern van de filosofie van Socrates was immers ethiek, terwijl zijn voorgangers filosofische bespiegelingen maakten over de natuur en over kosmologie: hoe de wereld en het universum waren ontstaan.

    Primaire bronnen

    Van geen enkel presocratisch denker bezitten we een intact werk. Wat we wel hebben om ons een idee te vormen over hun ideeën, zijn geïsoleerde fragmenten. Die variëren in lengte van een woord tot een ​​paar zinnen en zijn te vinden in citaten van latere auteurs uit de oudheid. Van de Milesiërs is er afgezien van enkele zinnen bijna niets; van Pythagoras helemaal niets; van Heraclitus resten ons iets meer dan honderd echte uitspraken, meestal erg kort (de langste bestaat uit vijfenvijftig woorden). Er zijn ongeveer honderdvijftig hexametrische regels van Parmenides en ongeveer 340 regels van Empedocles overgebleven; van Anaxagoras beschikken we over een aantal fragmenten van in totaal ongeveer duizend woorden. Van Democritus, van wie bekend is dat hij een uiterst productief schrijver was, overleefden tussen twee- en driehonderd fragmenten.

    Plato en Aristoteles als commentators

    Plato en Aristoteles, door Rafaël
    Omdat er bijna niets meer overblijft van de originele teksten van de presocraten, moeten we genoegen nemen met de meest betrouwbare 'secundaire bronnen'. Schrijvers dus die niet lang na de presocraten leefden en nog toegang hadden tot hun teksten. Dat zijn met name Plato en, in de eerste plaats, Aristoteles.
    Plato's oordeel over de presocraten was niet zo gunstig. In zijn werk maakte hij bijvoorbeeld ironische opmerkingen over Heraclitus, Parmenides en Anaxagoras. Het pythagorisme lijkt hij daarentegen wel ernstig te hebben genomen. Aristoteles, anderzijds, ondernam wel een poging om zijn voorgangers systematisch te bestuderen en te evalueren. Vooral hun studies van de natuur interesseerden hem.
    Theophrastus, een leerling van Aristoteles, was de auteur van een lijvig werk waarin hij de standpunten van vroege Griekse filosofen samenvatte over de natuur, God enz. Dat werk is de bron geworden waar veel latere historici van de Griekse filosofie uit konden putten. Theophrastus' werk is verloren; maar hij had als historicus van de filosofie zo veel invloed dat er heel wat fragmenten en citaten uit zijn werk door anderen zijn overgenomen.

    Diogenes Laertius en latere commentators

    Diogenes Laertius leefde in de 3e eeuw van onze jaartelling en was de auteur van Levens van vooraanstaande filosofen. Het is echter wel de vraag tot welke bronnen hij in die tijd nog toegang had om het werk van de presocratici van eeuwen geleden te kunnen bestuderen. De verhaaltjes die hij citeert van dubieuze Alexandrijnse biografen over Heraclitus (ca. 540-480 v.Chr.) die zich met mest bedekte, of Empedocles (ca. 492-432 v.Chr.) die zich in de vulkaan Etna had geworpen zullen waarschijnlijk geen enkele historische grond hebben.

    De eerste westerse filosofen

    De eerste filosofen uit de geschiedenis van de westerse filosofie waren de Milesiërs, afkomstig uit Milete op de Ionische kust van Klein-Azië (nu gelegen in het huidige Turkije). In de 6e eeuw v.Chr. waren zij de eersten die braken met de traditie om natuurverschijnselen te verklaren met mythes. In plaats daarvan bestudeerden zij de fenomenen en probeerden met hun verstand een verklaring te vinden en een hypothese op te stellen. Deze aanpak klinkt al erg 'wetenschappelijk'. Volgens Aristoteles zochten zij een fysieke substantie zoals water en lucht als 'oerstof' waar al de rest uit was ontstaan.
    Voor Thales was dit oerbeginsel water de basis van alle materie. Hij had namelijk vastgesteld dat water bij verhitting overging in stoom en bij bevriezing in een vaste stof veranderde. Het leek hem dus logisch om te veronderstellen dat water het enige causale principe was achter de natuurlijke wereld.
    Anaximander, een leerling van Thales van Milete, stelde dat alles voortkwam uit het apeiron, het onbegrensde. Hij was ook degene die het woord archè in de betekenis van de oerstof als eerste principe van alle materie introduceerde.
    Anaximenes, een leerling van Anaximander, hield het bij lucht als oerelement waaruit alle andere substanties werden afgeleid die een andere dichtheid bezaten.

    Pythagoras

    Pythagoras migreerde van Ionië naar Zuid-Italië en stichtte daar een school waar hij zielsverhuizing en mystieke getallenleer doceerde. Volgens deze presocraticus was het getal de basis van alle werkelijkheid. Eens hij was teruggekeerd in Ionië, poneerde hij het veranderlijke vuur als oerelement dat in staat was om andere stoffen te transformeren.

    Xenophanes

    Xenophanes was de befaamde voorloper van de Eleatische filosofische school (van Parmenides), die eenheid in plaats van diversiteit benadrukt en het bestaan van de afzonderlijke materiële dingen beschouwt als schijn in plaats van werkelijkheid. Befaamd zijn zijn aanvallen op de onsterfelijkheid van de Olympische goden en godinnen. Hij stak ook de draak met de leer van de transmigratie (zielsverhuizing), reisde veel en verspreidde zijn filosofische denkbeelden door gedichten te reciteren.

    Parmenides

    Wat we over Parmenides' leer weten is gereconstrueerd op basis van de weinige overgebleven fragmenten van zijn belangrijkste werk, een lang driedelig gedicht met de titel Over de natuur. Parmenides' belangrijkste concept is dat de veelheid van bestaande dingen met hun veranderende vormen en beweging slechts schijn is, en dat achter die schijn de eeuwige werkelijkheid ("Het Zijn") ligt verscholen. Zijn bekendste uitspraak in dat verband is "Alles is één".

    Heraclitus

    Over Heraclitus' leven weet men niet veel. Hij werd geboren in Efeze in 540 v.Chr. en stierf in 480 v.Chr. Hij hield zich voornamelijk bezig met kosmologie. Bekende uitspraken van hem zijn "Alles is vuur", en "Alles is chaos en van voorbijgaande aard". Hij benadrukte het belang van logos (Grieks: 'rede', het universeel principe waardoor alle dingen met elkaar zijn verbonden en waardoor alle natuurlijke gebeurtenissen plaatsvinden. Voor deze filosoof was vuur het oerelement waaruit al het andere was voortgekomen. Alles wat wordt, ontstaat bij hem door strijd. Het zijn de tegenstellingen die alles in beweging houden en telkens naar een nieuw evenwicht leiden. Die wisselwerking tussen stabiliteit en dynamiek drukt hij uit in het aforisme "Op wie in dezelfde rivier stapt, stroomt steeds weer ander water toe".

    Empedocles

    Empedocles (490 v.Chr.-430 v.Chr.) was zowel filosoof, staatsman, geneesheer als dichter. Hij zou naar verluidt zo overtuigd zijn geweest van zijn goddelijkheid en onsterfelijkheid, dat hij zichzelf in de krater van de vulkaan Etna heeft geworpen om dit te bewijzen. Volgens Aristoteles was hij de uitvinder van de retoriek, en hij werd tot lang na zijn dood geroemd om zijn talent als geneesheer en dichter. Hij is ook bekend om zijn leer van de vier elementen: aarde, water, lucht en vuur. Door deze vier onveranderlijke elementen in verschillende verhoudingen te combineren, ontstaan de verschillende soorten materie. Dit denkbeeld zou onder meer een grote invloed hebben op middeleeuwse alchemisten die materie wilden transmuteren om van lood goud te kunnen maken.

    Democritus

    Democritus (ca. 460-ca. 370 v.Chr.) is de geschiedenis ingegaan als een van de eerste 'atomisten' en als degene die een atoomtheorie van het universum uitwerkte. Alles, zo stelt hij, is samengesteld uit ondeelbare atomen binnen een lege ruimte (de noodzakelijke voorwaarde voor beweging). Die atomen zijn oneindig in aantal en blijven steeds in beweging. Er zijn er in verschillende grootten en vormen. Vermeldenswaard is ook dat hij volgens latere Griekse historici nog voor Aristoteles een theorie zou hebben geschreven over poëzie en kunst. Kennis verworven via de zintuigen is volgens Democritus onbetrouwbaar (een denkbeeld dat onder meer Plato zou overnemen). Alleen het verstand is middels inductief redeneren in staat ware kennis te verwerven (inductie betekent in de filosofie: het opstellen van een algemene regel na vele waarnemingen.te hebben gedaan).

    Zeno van Elea

    Zeno (495-ca. 430 v.Chr.) was een Grieks filosoof en wiskundige die volgens Aristoteles de uitvinder was van de dialectiek (Van Dale: Het den­ken van een stel­ling via te­gen­stel­ling naar een syn­the­se). Redeneerkunst dus. Zeno was echter vooral befaamd om zijn paradoxen, uitspraken die op het eerste gezicht ongerijmd zijn, maar die achteraf toch juist blijken te zijn. Mogelijk de bekendste van Zeno's paradoxen is die van Achilles en de schildpad. Achilles gaat op de uitdaging van de schildpad in om een loopwedstrijd te houden. Voorwaarde is dat de schildpad een kleine voorsprong krijgt. In theorie kan Achilles echter die achterstand (schijnbaar) nooit overbruggen, omdat in de tijd die hij nodig heeft om de helft ervan af te leggen, de schildpad alweer een eind verder is.

    Andere presocraten

    De Zeven Wijzen (van Griekenland) is de benaming voor een aantal wijze mannen uit de zesde eeuw voor onze jaartelling. Thales komt ook voor in dit selecte gezelschap.
    1. Bias van Priëne
    2. Solon van Athene
    3. Pittakos van Mytilene
    4. Cleobulus van Lindus
    5. Chilon van Sparta
    6. Thales van Milete
    7. Periander van Korinthe

    De grote verdienste van de presocraten

    De presocraten werden na Socrates veelal verguisd, maar eigenlijk waren zij degenen die voor het eerst theoretische verklaringen zochten voor verschijnselen zoals maans- en zonsverduisteringen die voordien aan de goden werden toegeschreven. Met hun werk bereidden zij de weg voor latere ontwikkelingen op wetenschappelijk en filosofisch gebied. Zij droegen niet veel bij aan gebieden als ethiek, logica en kennisleer, maar met hen is er sprake van een ontwaken van de rede ('logos'), een vertrouwen in het menselijk verstand om zelfstandig verklaringen te zoeken. Zij legden, zonder enige overdrijving, de basis voor de latere wetenschap.

    Geraadpleegde literatuur

    • Robert Audi (general editor, 2006) - The Cambridge Dictionary of Philosophy, Second edition: 'Pre-Socratics', Cambridge University Press, ISBN: 0-521-63722-8
    • Encyclopaedia Britannica: 'Pre-Socratics': https://www.britannica.com/topic/pre-Socratics /bezocht op 15 november 2016
    • Internet Encyclopedia of Philosophy: 'Ancient Greek Philosophy': http://www.iep.utm.edu/greekphi/ bezocht op 15 november 2016
    • Stanford Encyclopedia of Philosophy: 'Presocratic Philosophy': http://plato.stanford.edu/entries/presocratics/ bezocht op 15 november 2016



    Auteursrecht: Jules Grandgagnage

    18-09-2017 om 10:46 geschreven door Jules Grandgagnage


    Categorie:filosofie
    Tags:filosofie,presocraten
    17-09-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Diane Purkiss' fascinatie voor de figuur van de heks

    Diane Purkiss

    The Witch in History: Early Modern and Twentieth-Century Representations ('De Heks in de Geschiedenis: Vroegmoderne en Twintigste-eeuwse Representaties') is een boek van Diane Purkiss uit 1996 dat een feministisch en literair geïnspireerd beeld geeft van de figuur van de heks. Hierbij onderzoekt zij vanuit literair-feministisch perspectief hoe het beeld van de heks met name in Engeland doorheen de geschiedenis werd gemanipuleerd en gewijzigd. Zij valt achtereenvolgens de onhistorische notie aan die radicaal feministen hebben over de heksenvervolging, de visie van moderne heksen, en van moderne (mannelijke) historici. De perioden waarop zij zich focust zijn de vroegmoderne tijd en de late 20e eeuw. 

    Over de auteur

    Diane Purkiss werd geboren op 30 juni 1961 en is Fellow en docent Engels op Keble College, Oxford. Zij is gespecialiseerd in de Renaissance en in vrouwenliteratuur, hekserij en de Engelse Burgeroorlog. Zij ontving een BA met First Class Honours van de Universiteit van Queensland en D. Phil aan het Merton College, Oxford. Ze werd docent Engels aan de Universiteit van East Anglia in 1991, en docent Engels aan de Universiteit van Reading in 1993. In 1998 werd ze hoogleraar Engels aan de universiteit van Exeter, en kreeg toen haar huidige aanstelling aan het Keble College in 2000.

    Het boek

    Het onderwerp van het boek is de fascinatie voor de figuur van de heks. Het belangrijkste betoog van Purkiss is dat de heks in vroegmodern Engeland geen mannelijke fantasie was (de "nachtmerrie" zoals voorgesteld tijdens de heksenvervolgingen van de 17e eeuw) maar eerder een vrouwelijke fantasie waarmee die vrouwen sterke, passionele gevoelens vertolkten. In onze tijd vinden vrouwelijke auteurs, academische historici, radicale feministen en ook zij die hun eigen nieuwe hekserij uitvinden in de heks een figuur die een deel van hun eigen identiteit uitdrukt. Diane Purkiss onderzoekt vanuit dit perspectief de oorspronkelijke teksten uit de Amerikaanse koloniën, processen, folklore, literaire teksten van Shakespeare en Sylvia Plath en stelt de figuur van de heks voor als drager van angsten, wensen en fantasieën van vrouwen en mannen, zowel in het verleden als nu.

     

    In het boek verwijst Purkiss naar zichzelf als 'een feministisch literair criticus'. Zij begint het boek met een aanval op de radicale feministische visie op vroegmoderne hekserij, daarna neemt ze de opvattingen van moderne heksen onder schot, en de derde aanval is gericht tegen de manier waarop moderne Engelse historici het onderwerp behandelen. Ze schrijft in een geestige, aforistische stijl. In het hoofdstuk over academische opvattingen van de heksenvervolgingen zegt ze dat de professionele studie van heksenprocessen weggekwijnd is aan de universiteiten sedert de socio-economische analyses van Keith Thomas en Alan Macfarlane in de vroege jaren 1970.[2] Zij betoogt en toont ook aan dat de vroegmoderne schrijvers over hekserij in de periode van de heksenprocessen even vrouwonvriendelijk waren als de demonologen. De meeste Engelse historici hebben volgens haar ook verzuimd om de recente theorievorming van feministische schrijvers rond geboorte, moederschap en het vrouwelijk lichaam ernstig te nemen. Ze neemt het ook op voor Margaret Murray en haar heksencultus-hypothese, niet dat ze deze theorie zelf verdedigt, maar in die zin dat ze de overdreven felle aanvallen van de historici vanaf 1970 vond getuigen van gendervooroordelen.

     

    Na deze 'aanvallen' presenteert Diane Purkiss in het tweede deel van haar boek het resultaat van haar eigen historisch onderzoek. Ze bestudeerde zelf de verslagen van de heksenprocessen om de ervaring van de ontmoeting met een vermeende heks vanuit het perspectief van de verschillende vrouwelijke getuigen te reconstrueren. Ze nodigt zo de lezers uit om een symbolische wereld te binnen te treden waarin de figuur van de heks als anti-huisvrouw, anti-moeder en anti-vroedvrouw wordt voorgesteld, en op dit beeld worden dan specifiek vrouwelijke angsten en zorgen geprojecteerd. Purkiss verbindt dit beeld van de heks en de dieren die haar begeleiden ('familiars') dan aan toen heersende opvattingen over de aard van het menselijk lichaam en meer bepaald over het vrouwelijk lichaam. In de toen gangbare medische opinie vloeiden er in het menselijk lichaam, en zeker in het vrouwelijk lichaam, allerlei vloeistoffen die voor problemen konden zorgen. Een vrouw werd gezien als doordringbaar en bijzonder onderhevig aan 'lekkage'. Vooral een heks was in dit opzicht onberekenbaar en gevaarlijk. Dit inzicht onderbouwt Purkiss met populaire zegswijzen en gewoonten uit die tijd. Als casestudy voert Purkiss aan dat van moedermelk werd geloofd dat het eerst bloed was geweest waarmee de foetus werd gevoed in de baarmoeder, waarna het door een zuiveringsproces van het hart in melk werd omgezet die in de borsten werd gepompt. Het zogen van een dier (de familiar) met bloed uit een tepel verborgen in de lies (wat werd geloofd van heksen) stond dus gelijk aan het met gif voeden van een entiteit met de bedoeling om kwaad te doen.

     

    Een deel van het boek wijdt Purkiss aan de tekstanalyse van beschrijvingen van heksen in toneelstukken uit de Elizabethaanse tijd en de vroege Stuart-periode. Hier wordt duidelijk dat de auteurs van deze stukken niet zozeer inspiratie zochten bij de heksenprocessen uit hun tijd, maar eerder uit de meest verscheiden bronnen zoals de klassieken en het materiaal dat ze vonden bij van scepticus Reginald Scott. De heksen die zij opvoerden waren veel flamboyanter en werden ook vaak geridiculiseerd, wat dan weer geholpen kan hebben om in grote steden het scepticisme ten aanzien van hekserij en de ertegen gevoerde processen te vergroten.

     

    Meer dan andere auteurs legt Purkiss de nadruk op de diversiteit aan vroegmoderne opvattingen over heksen en de manier waarop die beeldvorming zichtbaar werd in getuigenissen van ouders, buren, in sermoenen, liedjes, pamfletten, geleerde literatuur en toneelstukken.



    Auteursrecht: Jules Grandgagnage

    (Opmerking: een gedeelte van deze tekst publiceerde ik eerder al op Wikipedia)



    17-09-2017 om 14:42 geschreven door Jules Grandgagnage


    Categorie:literatuur
    Tags:Diane Purkiss, hekserij,heks,feminisme
    16-09-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.A thing of beauty is a joy forever: de transformerende poŽzie van John Keats

    File:John Keats by William Hilton.jpg

    Tijdens zijn korte leven kreeg de nu zo geroemde romantische poëet het hard te verduren van critici. Na zijn overlijden geloofden zijn vrienden zelfs dat hij was gestorven als gevolg van de stress van de negatieve recensies. De namen van die critici zijn nu echter vergeten, terwijl Keats poëzie verder leeft in onvergankelijke regels als "A thing of beauty is a joy forever, en  "Beauty is truth, truth beauty". Keats was, zo blijkt uit deze versregels, niet alleen een passioneel dichter, maar ook een filosoof die schoonheid en gevoelens boven alles stelde. Keats spreekt ons bijna tweehonderd jaar na zijn dood nog sterk aan. Want zijn poëzie is pure sensatie, fantasie en droom.

    John Keats (Londen, 31 oktober 1795 – Rome, 23 februari 1821) was samen met Lord Byron en Percy Bysshe Shelley een van de sleutelfiguren in de tweede generatie van de romantische beweging, en dit ondanks het feit dat zijn werk slechts vier jaar voor zijn dood in publicatie was. Tijdens zijn leven werden zijn gedichten over het algemeen niet goed ontvangen door critici, maar na zijn dood groeide zijn reputatie in die mate aan dat hij aan het einde van de 19e eeuw een van de meest geliefde Engelse dichters was. Hij had een grote invloed op heel diverse latere dichters en schrijvers: Jorge Luis Borges, bijvoorbeeld, getuigde dat zijn eerste ontmoeting met Keats de belangrijkste literaire ervaring van zijn leven was geweest.

    De poëzie van Keats wordt gekenmerkt door sensuele beelden, met name in de reeks odes. Vandaag de dag behoren de gedichten en brieven van Keats tot de meest populaire en geanalyseerde teksten uit de Engelse literatuur.

    Jeugd en vroege carrière

    John Keats werd geboren als oudste van vier kinderen. Hij verloor zijn beide ouders op jonge leeftijd. Zijn vader, een stalhouder, overleed toen Keats acht was, zijn moeder stierf zes jaar later aan tuberculose. Na de dood van zijn moeder benoemde zijn grootmoeder van moeders kant twee Londense kooplieden, Richard Abbey en John Rowland Sandell, als voogden. Abbey, een welvarende theemakelaar, nam het grootste deel van deze verantwoordelijkheid op zich, terwijl Sandell slechts een ondergeschikte rol speelde. Toen Keats vijftien was, haalde Abbey hem van de Clarke School in Enfield. Keats ging in 1911 in de leer bij een apotheker-chirurg en begon aan een studie geneeskunde in een Londens ziekenhuis. Hij onderbrak zijn opleiding in 1814 en ging in Londen wonen, waar hij werkte als 'dresser', een 'junior huischirurg', in de Guy's en St. Thomas ziekenhuizen. Zijn eerste volwassen gedicht was het sonnet "On First Looking Into Chapman's Homer" (1816), geïnspireerd na het enthousiast lezen van de klassieke 17de-eeuwse vertaling die George Chapman maakte van de Ilias en de Odyssee. Na 1817 wijdde Keats zich uitsluitend nog aan de poëzie.

    Oriëntatie op literatuur

    Rond deze tijd ontmoette Keats Leigh Hunt, een invloedrijk redacteur van de Examiner, die zijn sonnetten 'On First Looking into Chapman's Home" en "O Solitude" publiceerde. Hunt introduceerde Keats ook in literaire kringen en zo maakte hij kennis met de dichters Percy Bysshe Shelley en William Wordsworth. De invloed die deze groep uitoefende stelde Keats in staat om zijn eerste bundel "Poems by John Keats" in 1817 uit te geven.

    Shelley, die hield van Keats en van zijn poëzie, raadde hem nu aan om eerst een meer omvangrijk oeuvre te ontwikkelen alvorens aan een volgende publicatie te denken. Keats negeerde echter zijn advies en het volgende jaar verscheen "Endymion", een 4000 regels lange erotisch-allegorische romance gebaseerd op de Griekse mythe met de dezelfde naam. Het gedicht vertelt van de liefde van maangodin Diana (of van Cynthia) voor Endymion, een sterfelijke herder, maar Keats legt de nadruk op Endymions liefde voor Diana in plaats van andersom. Twee van de meest invloedrijke kritische tijdschriften van de tijd, de Quarterly Review en Blackwood's Magazine, gaven een vernietigend oordeel over Keats' gedichten. De romantische verzen van de literaire kring rond Hunt noemde Blackwood's "de Cockney school van poëzie", en Endymion was "nonsens". Ze raadden Keats zelfs aan om de poëzie maar helemaal op te geven. Shelley, die zelf ook een hekel had aan Endymion, erkende echter Keats' genie en schreef een lovende recensie, die echter nooit werd gepubliceerd. Shelley overdreef hierin het effect dat de kritiek had op Keats, en schreef diens afnemende gezondheid gedurende de volgende jaren toe aan een door de negatieve recensies gebroken geest. In de periode 1817-1818, vlak na Endymion, schreef Keats ook "Isabella, or the Pot of Basil", een bewerking van het verhaal over de "Pot met Basilicum" uit de Decamerone (dag IV, verhaal 5).

    Portret van John Keats, Charles Brown, 1819

    Verloving en laatste levensjaren

    Keats bracht de zomer van 1818 door met een wandeltocht, samen met zijn vriend Charles Brown, in het noorden van Engeland (het Lake District), en Schotland. Hij keerde terug naar huis om voor zijn broer Tom te zorgen, die leed aan tuberculose. In de periode dat hij zijn broer verpleegde, ontmoette Keats Fanny Brawne, een naaste buur uit Hampstead, op wie hij al snel hopeloos en tragisch verliefd werd. Na de dood van Tom (zijn andere broer George was al naar Amerika vertrokken), nam Keats zijn intrek in Wentworth Place met zijn vriend Charles Brown, en in april 1819 werden Brawne en haar moeder zijn buren. In oktober 1819 verloofde Keats zich met Fanny.

    Fanny Brawne

    Tussen 1818 en 1819 schreef hij enkele van zijn mooiste gedichten. Hij werkte vooral aan "Hyperion", een door Milton geïnspireerd epos in blank vers van de Griekse scheppingsmythe. Hij stopte met het schrijven van "Hyperion" na de dood van zijn broer, nadat hij nog maar een klein gedeelte ervan had voltooid, maar eind 1819 keerde hij terug naar het stuk en herschreef het als "The Fall of Hyperion (niet gepubliceerd tot 1856). Diezelfde herfst liep Keats tuberculose op, en de daaropvolgende maand februari voelde hij dat zijn dood nabij was, verwijzend naar het heden als zijn "postume bestaan."

     

    In juli 1820 publiceerde hij zijn derde en beste poëziebundel, "Lamia, Isabella, The Eve of St. Agnes, and Other Poems". De drie titelgedichten behandelen mythische en legendarische thema's uit oude, middeleeuwse en renaissancetijden. Zij zijn rijk aan beelden en frasering. Het boek bevat ook het onvoltooide "Hyperion," en drie gedichten die beschouwd worden als behorend tot de mooiste die in het Engels zijn geschreven: "Ode on a Grecian Urn", "Ode on Melancholy", en "Ode to a Nightingale". Het boek ontving lovende kritieken van Hunt, Shelley, Charles Lamb en anderen, en in augustus schreef Frances Jeffrey, de invloedrijke redacteur van de Edinburgh Review, een review die zowel het nieuwe boek als Endymion prees.

    Het fragment "Hyperion" werd door Keats' tijdgenoten beschouwd als zijn grootste prestatie, maar tegen die tijd was zijn ziekte al in een vergevorderd stadium. Hij bleef corresponderen met Fanny Brawne, en toen hij het niet langer kon opbrengen om rechtstreeks naar haar te schrijven, stuurde hij zijn brieven naar haar moeder. Uiteindelijk belette zijn slechte gezondheid dat ze zouden trouwen. Op advies van zijn dokter moest Keats een warm klimaat opzoeken voor het winter werd, en hij vertrok met zijn vriend, de kunstschilder Joseph Severn, naar Rome. Hij overleed er op 23 februari 1821, op de leeftijd van vijfentwintig, en werd begraven in het protestantse kerkhof.

     

    John Keats, die op 25-jarige leeftijd overleed, publiceerde slechts vierenvijftig gedichten, in drie dunne boekdelen en een paar tijdschriften. Maar hij was zich energiek blijven ontwikkelen als dichter en exploreerde een breed scala aan dichtvormen zoals het spenseriaans sonnet en het miltoniaans epos dat hij herschiep en eigenzinnig vorm wist te geven. Als dichter is hij ook van blijvend belang voor de Engelse literatuur omdat hij de Engelse ode verrijkte hij met vijf grote oden uit 1819, zijn wonderjaar.

     

    Keats was ervan overtuigd dat hij in zijn leven geen stempel had weten te drukken op de dichtkunst. Toen hij besefte dat hij stervende was, schreef hij in februari 1820 aan Fanny Brawne:

     

    "Ik heb geen onsterfelijk werk nagelaten - niets om mijn vrienden trots te maken op wie ik was - maar ik heb het principe van schoonheid liefgehad in alle dingen, en als ik de tijd had gekregen, zou ik ervoor hebben gezorgd dat ik voortleefde in de herinnering."

    Wat bedoelde Keats met "A thing of beauty is a joy forever"?

    Deze nu beroemde uitspraak is de eerste versregel uit Endymion, een gedicht dat Keats publiceerde in 1818.

    De betekenis die het meest voor de hand ligt, is dat 'ware schoonheid eeuwig is' of dat 'mooie dingen eeuwig geluk brengen'. Het betekent ook dat zodra iemand schoonheid heeft ervaren, hij de vreugde van deze ervaring voor de rest van zijn leven met zich meedraagt.

    Maar er is meer. Volgens Keats heeft schoonheid een sterk transformerende kracht en is allesdoordringend. De versregel "A thing of beauty is a joy forever" kunnen we bijgevolg een bredere filosofische interpretatie geven:

     

    Ware schoonheid is tijdloos. Zij kan vreugde brengen aan (passieve) toeschouwers van het leven, waardoor deze voorgoed getransformeerd worden. "A thing of beauty is a joy forever" lijkt een oproep te zijn om elke dag van ons leven schoonheid te zoeken, omdat de vreugde die zij brengt onmeetbaar en onmetelijk is. We leren eruit dat schoonheid onlosmakelijk verbonden en afhankelijk is van de beschouwer en zijn of haar reacties op een mooi object.





    Auteursrecht: Jules Grandgagnage

    (Opmerking: een gedeelte van dit artikel publiceerde ik reeds eerder op Wikibooks en elders)




    16-09-2017 om 14:57 geschreven door Jules Grandgagnage


    Categorie:literatuur
    Tags:Johnn Keats, poŽzie, literatuur
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Wil de echte auteur van Shakespeares werken nu opstaan?

    Wie schreef Shakespeares onvergankelijke toneelstukken en gedichten? Shakespeare? Of was het iemand anders, een tijdgenoot die anoniem wilde blijven? Sinds het midden van de 19e eeuw wordt er aan getwijfeld of de zoon van een handschoenmaker uit Stratford-upon-Avon, WIlliam Shakespeare, wel de echte auteur was van befaamde tragedies als Macbeth en Othello, en van vernuftig geconstrueerde komedies als De getemde feeks en De koopman van Venetië. En de controverse houdt aan, met telkens nieuwe theorieën en nieuwe kandidaten. De namen die het vaakst genoemd worden als ware auteur van Shakespeares werken, zijn Christopher Marlowe, Francis Bacon, William Stanley en Edward de Vere.

    Meer dan 200 jaar na de dood van Shakespeare begonnen er twijfels te rijzen omtrent het auteurschap van zijn werken. Hoewel slechts een kleine minderheid onderzoekers geloof hecht aan deze mogelijkheid, blijft de inkt vloeien over dit onderwerp. Het is dus goed om even stil te staan bij de belangrijkste argumenten die deze anti-Stratfordians aanvoeren in hun ijver om aan te tonen dat Shakespeare onmogelijk de auteur kan zijn geweest.

     

    Argumenten tegen Shakespeare als auteur

    Anti-Strafordians (de naam is afgeleid van het feit dat Shakespeare werd geboren in Straford) staan lijnrecht tegenover de shakespeareans die de bard van Avon onvoorwaardelijk steunen. Hun argumenten klinken soms overtuigend, maar echte bewijzen voor hun theorie ontbreken vooralsnog:

    William Shakespeare was van te eenvoudige komaf. Daardoor kon hij niet vertrouwd zijn geweest met de hogere kringen (adel, politici, het hof) waarin veel van zijn toneelstukken zich afspelen.

    Hij genoot geen universitaire opleiding, alleen maar grammar school (ongeveer zoals de middelbare school). Daardoor ontbrak het hem aan het intellect, de eruditie en de taalvaardigheid die nodig waren om literatuur op zo'n hoog niveau te kunnen bedrijven.

    Uit geen enkel document blijkt dat Shakespeare een schrijver was, wel een zakenman en vastgoedbelegger. Behalve zijn handtekening is niets in zijn handschrift bewaard. Uit het feit dat deze man zijn handtekening geen tweemaal hetzelfde spelde, wordt afgeleid dat hij zelfs niet goed kon spellen.

    Hoe kon deze man, die nooit verder was gereisd dan Londen, enige kennis bezitten over andere landen? Dat hij Frans en Italiaans kende, lijkt ook onwaarschijnlijk.

    Hoe kan het dat deze man, die alleen zijn geboortestadje kende en geen noemenswaardige opleiding genoot (met "slechts een beetje Latijn en geen Grieks") zich in Londen ineens kwam ontpoppen als een literair genie?

    Conclusie: Onder het regime van de absolutistische Tudors was het te gevaarlijk om als edelman de eigen naam onder een gedicht of toneelstuk te zetten. Shakespeare was dus gewoon een stroman voor een bekende persoon die zijn identiteit geheim wilde houden.

     

    Volgens degenen die Shakespeare als auteur trouw blijven, de meerderheid van de onderzoekers, getuigen deze argumenten vooral van snobisme. William Shakespeare was in die tijd overigens niet de enige succesrijke toneelschrijver van 'lage afkomst': Christopher Marlowe was de zoon van een schoenmaker, en Ben Jonson werd opgevoed door zijn stiefvader die metselaar was. Het argument dat een grammar school maar minnetjes was, klopt evenmin: onderzoek (van T.W. Baldwin) heeft intussen uitgewezen dat het curriculum van de King’s New School in Stratford zwaar werd onderschat door de sceptici.

     

    Zoektocht naar de echte Shakespeare

    Joseph C. Hart

    De geschiedenis van deze betwisting begint in 1848 met de publicatie van The Romance of Yachting, geschreven door de Amerikaanse kolonel Joseph C. Hart. Hij lijkt niet echt een Shakespearekenner te zijn geweest, want hij had zelfs nooit gehoord van de First Folio uit 1623, de oudste verzameling met Shakespeares toneelstukken. Hart was van mening dat Shakespeare alleen maar wat seksueel geladen grapjes aan bestaande toneelstukken had toegevoegd.

     

    Delia Bacon

    Een Amerikaans schrijfster van korte verhalen, Delia Bacon, kreeg omstreeks dezelfde tijd ook twijfels over Shakespeare als auteur. Zij oordeelde dat alleen een maatschappelijk voornaam persoon als Sir Francis Bacon (geen verwant van haar), Sir Walter Raleigh of Edmund Spenser als auteur in aanmerking kwamen. Zij wijdde de rest van haar leven aan deze zaak en reisde in 1856 zelfs naar de Holy Trinity Church in Stratford-upon-Avon, op zoek naar bewijs voor haar theorie. Haar plan om 's nachts met een spade en houweel het graf te openen van Shakespeare (waar ze toestemming voor had gekregen) ging niet door omdat ze inmiddels te ziek was geworden. Delia Bacon stierf het jaar nadat ze was teruggekeerd naar Amerika in een 'asylum', een krankzinnigengesticht, maar ze kreeg volgelingen die haar speurtocht even fanatiek voortzetten.

     

    Genootschappen

    In de VS en in Engeland ontstonden genootschappen die op zoek gingen naar de echte auteur. Het aantal mogelijke kandidaten bleef maar aangroeien: anno 2016 staan er 82 namen op de lijst. Zelfs koningen en koninginnen worden genoemd: Elizabeth I, James I en Mary van Schotland. Onder de meer bekende auteurs vinden we de Spaanse schrijver Miguel de Cervantes, Sir Francis Drake, Thomas Wolsey en Daniel Defoe. Opvallend is dat veel veronderstelde ware auteurs van Shakespeares werk aristocraten en universitairen waren.

     

    Kandidaten

    Wie zijn dan volgens de anti-Stratfordians de geloofwaardigste kandidaten?

     

    Christopher Marlowe

     

    Christopher Marlowe (1564-1593) was een tijdgenoot van Shakespeare en de auteur van onder meer The Tragical History of Doctor Faustus, een van de bekendste toneelbewerkingen van het Faustverhaal. De anti-Stratfordians hebben een sterke kandidaat met hem. Om te beginnen werd hij net als Shakespeare geboren in 1564. Hij werd geroemd om zijn krachtige, vloeiende versregels in blanke verzen (zijn mighty line noemde collega Ben Jonson het) en hij studeerde in Cambridge. Marlowe werd op het hoogtepunt van zijn carrière als toneelschrijver gedood tijdens een banale ruzie in een herberg, of eigenlijk: hij doodde zichzelf door tijdens het gevecht een dolk in zijn eigen oog te steken. Toen hij stierf, was hij slechts 29 jaar oud. Shakespeare had op dat ogenblik (1593) zijn grote tragedies (Romeo and Juliet, Othello, King Lear, Macbeth en Hamlet) nog niet geschreven. De Marlowe-theorie (van de marlowians) stelt dat deze Elizabethaanse dichter en toneelschrijver niet in Deptford stierf op 30 mei 1593, zoals in de historische verslagen staat, maar dat zijn dood werd vervalst en dat hij de belangrijkste auteur was van de gedichten en toneelstukken, toegeschreven aan William Shakespeare.

     

    Francis Bacon

     

    Francis Bacon (1561-1626) was een bijzonder gerespecteerd Engels filosoof, politicus, wetenschapper, jurist, redenaar en auteur. De baconiaanse theorie houdt in dat hij de toneelstukken schreef van Shakespeare. Hij maakte gebruik van deze dekmantel om zijn identiteit te beschermen: de hoge positie die hij in het parlement bekleedde rijmde immers niet met het schrijven van toneelstukken voor het grote publiek. De shakespeareans, verdedigers van Shakespeare als enige auteur, betwijfelen of iemand met zo'n druk publiek leven als Bacon en zo veel wetenschappelijke en andere publicaties op zijn naam voldoende tijd zou hebben gehad om het hele oeuvre van Shakespeare te kunnen schrijven.

     

    William Stanley

     

    William Stanley (1561-1642), 6e graaf van Derby, was een edelman met een hoge sociale positie die verkeerde in hofkringen. Zijn moeder was zelfs een mogelijke opvolger ('Heir presumptive') van koningin Elizabeth I van Engeland. Stanley werd opgeleid aan het St John's College in Oxford en maakte uitgebreide reizen naar het Europese vasteland, wat hem in de ogen van de derbyites een geschikte kandidaat maakte. Zijn literaire werken zijn verloren gegaan, maar in de jaren 1890 werd hij naar voren geschoven als een van de mogelijke ware auteurs van de werken van William Shakespeare.

     

    Edward de Vere

     

    Edward de Vere (1550-1604), 17e graaf van Oxford en hoveling in de tijd van Elizabeth I, is sinds de jaren 1920 een van de populairste mogelijke kandidaten voor de werken van de bard uit Avon. Hij was een zeer erudiet en bereisd man, die liefdespoëzie schreef en succes had met zijn nu verloren gegaan toneelwerk. Oxfordians steunen bij hun bewijsvoering vooral op parallellen die ze menen te herkennen tussen De Veres leven en gebeurtenissen die in Shakespeares toneelstukken en gedichten (met name de sonnetten) voorkomen. Daarnaast zien ze ook overeenkomsten in taalgebruik door de brieven en gedichten van de graaf te vergelijken met Shakespeares werken.

     

    Conclusie

    De zoektocht naar de 'echte Shakespeare', die begon in het midden van de 19e eeuw, leverde tot hiertoe geen enkele kandidaat op van wie kan worden gezegd dat hij of zij met grote waarschijnlijkheid de betreffende gedichten en toneelstukken schreef. In de eenentwintigste eeuw is het mogelijk geworden om met gesofisticeerde software een analyse te maken van de stijl, het woordgebruik en typische uitdrukkingen van Shakespeare en die te vergelijken met die van anderen. Op die manier kwam men bijvoorbeeld te weten dat Shakespeare had meegewerkt aan The Spanish Tragedy (de Spaanse tragedie) van Thomas Kyd. Verwonderlijk is dat niet, want toneelschrijvers werkten vaak samen in die tijd. Het is dus best mogelijk dat een of meerdere van de genoemde kandidaten een aandeel hebben gehad in Shakespeares werk, al is dat voorlopig nog niet bewezen. De hele kwestie van het auteurschap heeft binnen de academische wereld niet veel interesse gewekt omdat het om onwaarschijnlijke theorieën gaat. Voor schrijvers en filmmakers blijft het natuurlijk een boeiend onderwerp.

     

    Geraadpleegde literatuur

    • Looney, J. Thomas (1920), "Shakespeare" identified in Edward De Vere, the seventeenth earl of Oxford - London : C. Palmer, https://archive.org/details/shakespeareident00looniala /bezocht op 16 november 2016

    • Stanley Wells (2014), Why Shakespeare WAS Shakespeare - Amazon Media EU (e-book Kindle, geen ISBN)

    • Daniel Wright,The Shakespeare Authorship Controversy:The Case Summarily Stated - http://www.cu-portland.edu/sites/default/files/pdf/CAS-SARC-controversy.pdf /bezocht op 16 november 2016

    • Daniel Wright, William Shakespeare: "O, how that name befits my composition" - http://www.cu-portland.edu/sites/default/files/pdf/CAS-SARC-discovering%20shakespeare.pdf /bezocht op 16 november 2016

     

    Auteursrecht: Jules Grandgagnage



    16-09-2017 om 08:32 geschreven door Jules Grandgagnage


    Categorie:literatuur
    15-09-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.A Valediction of Weeping en A Valediction: Forbidding Mourning van John Donne

    De Engelse dichter en predikant John Donne leefde van ongeveer 1572 tot 31 maart 1631. Zijn poëtisch werk omvat naast liefdesgedichten ook satires en religieuze verzen. Hoewel hij zelf veel meer waarde hechtte aan zijn religieuze teksten, lezen tegenwoordig nog maar weinig mensen zijn preken. Donne wordt nu eerder beschouwd als de liefdesdichter bij uitstek. Twee van zijn bekendste gedichten zijn A Valediction: of Weeping en A Valediction: Forbidding Mourning uit Songs and Sonnets.

    A "valediction" betekent een afscheid, afscheid nemen. In zowel A Valediction: of Weeping als A Valediction: Forbidding Mourning neemt Donne afscheid van een geliefde, maar de twee gedichten brengen verschillende stemmingen over. ''A Valediction: of Weeping' is een gepassioneerd pleidooi, terwijl 'A Valediction: forbidding mourning' op een zachte, vertrouwelijke toon tracht te overtuigen. De twee gedichten zijn praktisch geschreven op hetzelfde moment, toen de dichter op het punt stond om te vertrekken voor een bezoek aan een vreemd land. De dichter zegt tegen zijn vrouw om bij deze tijdelijke scheiding niet te klagen of te huilen, omdat dit immers beider gemoedsrust zal verstoren terwijl ze van elkaar gescheiden zijn. Dat is ook het thema van dit gedicht (... 'of weeping'): hoe verwerk je een scheiding tussen geliefden? Met tranen en zuchten? Of met geduld en berusting? Spelend met beelden van overstromingen en getijden komt de dichter uiteindelijk tot de conclusie dat wederzijds begrip en geduld te verkiezen zijn boven romantisch klagen en zuchten, die hun verdriet en frustratie alleen maar zullen doen toenemen.

    In 'A Valediction: of Weeping' tracht de dichter zijn geliefde ervan te overtuigen om hem te laten wenen terwijl ze samen zijn, want spoedig zullen zij gescheiden worden. Met behulp van de 'conceit' die het storten van tranen vergelijkt met het maken van munten overtuigt hij haar ervan dat zijn tranen evenzeer een deel van haar zijn als van hem.

    LET me pour forth
    My tears before thy face, whilst I stay here,
    For thy face coins them, and thy stamp they bear,
    And by this mintage they are something worth.
    For thus they be
    Pregnant of thee ;
    Fruits of much grief they are, emblems of more ;
    When a tear falls, that thou fall'st which it bore ;
    So thou and I are nothing then, when on a divers shore.

    De tranen van de dichter hebben waarde omdat ze het 'stempel' dragen van het gezicht van zijn vrouw: haar aangezicht 'munt' ze. Maar met te overvloedige tranen worden beiden gereduceerd tot niets. Het is daarom beter dat zij niet meer wenen.

    On a round ball
    A workman, that hath copies by, can lay
    An Europe, Afric, and an Asia,
    And quickly make that, which was nothing, all.
    So doth each tear,
    Which thee doth wear,
    A globe, yea world, by that impression grow,
    Till thy tears mix'd with mine do overflow
    This world, by waters sent from thee, my heaven dissolvèd so.

    De dichter vergelijkt de traan met een wereldbol en de tranen van zijn vrouw zullen de wereld overstromen. Zijn tranen in combinatie met de hare zullen leiden tot een stortvloed en veel verdriet. In feite zal de stortvloed hen allebei vernietigen, hoewel ze nooit bedoeld hebben om op deze wijze te sterven. Als zij samen met hem begint te wenen, zegt hij dat ze er beter mee ophouden, omdat het uiten van hun emotie hen dichter bij de dood brengt:

    Since thou and I sigh one another's breath,
    Who e'r sighes most, is cruellest, and hasts the others death.

    Hij staat op het punt een reis te maken overzee, waar hij zal worden overgeleverd aan de elementen. Hij trekt een analogie tussen haar tranen en de zee, en tussen haar zuchten en de wind, en is ongerust dat de elementen een voorbeeld zouden kunnen nemen aan haar en zijn schip tot zinken zullen brengen:

    O ! more than moon,
    Draw not up seas to drown me in thy sphere ;
    Weep me not dead, in thine arms, but forbear
    To teach the sea, what it may do too soon ;
    Let not the wind
    Example find
    To do me more harm than it purposeth :
    Since thou and I sigh one another's breath,
    Whoe'er sighs most is cruellest, and hastes the other's death.

    Het gedicht lijkt te zijn ontstaan door vrijelijk te associëren, waarbij het ene beeld het andere oproept: het beeld van de traan leidt tot de vergelijking met een munt, de waarde ervan; het ronde leidt tot de globe, de continenten; hun tranen zullen heel die schepping zoals de zondvloed verdrinken. De geliefde is de Maan, die 'getijden en stormen' veroorzaakt. De tranen op zich lenen zich goed tot symboliek: zij zijn rond en groot, zoals de zwangerschap, en in hen leeft een weerspiegeling van de geliefde. Het vallen van tranen kan het  'vallen' van de geliefde betekenen, waardoor wat tussen hen bestond net als de traan tot 'niets' wordt gereduceerd.

    'A Valediction: Forbidding Mourning' werd voor het eerst in 1633 gepubliceerd in de collectie Songs and Sonnets, twee jaar na de dood van Donne.

    Het gedicht volgt het rijmschema ABAB in viervoetig jambisch vers.

    In tegenstelling tot sommige van Donnes meer zinnelijke werken zoals het gedicht "The Flea" of de song “Go, and catch a falling star" is  “A Valediction: Forbidding Mourning” (een afscheid met verbod op treuren) meer gericht op een spirituele liefde die het fysieke overstijgt. Als metafysisch gedicht maakt het gebruik van verschillende 'conceits', waarbij iets fysieks in verband wordt gebracht met iets spiritueels.

    Als het gedicht begint, spreekt de verteller over deugdzame mannen die de fysieke wereld verlaten en “whisper their souls to go”, wat betekent dat ze sterven zonder klagen. Hij zegt tegen zijn geliefde dat hun afscheid ook zo moet zijn. Treuren of huilen zou hun liefde ontheiligen. Hij haalt hierbij het voorbeeld aan van aardbevingen die angst en onrust brengen, terwijl hemelse bewegingen zoals de processie van de equinox onschuldiger zijn. De verteller zegt dat hij en zijn geliefde een soort van hemelse liefde delen. Daarom hoeft hun afscheid niet de commotie teweeg te brengen zoals een aardbeving doet of zoals tussen meer fysiek ingestelde geliefden gebeurt. Deze laatsten kunnen gewoon niet verdragen om fysiek van elkaar gescheiden te worden. Een afscheid verwijdert immers precies datgene waar ze van houden. Omdat de spreker en zijn geliefde een hogere vorm van liefde hebben, raakt het hun niet zo erg wanneer ze van elkaar gescheiden worden. Hun twee zielen zijn één. Als één van hen vertrekt, worden ze niet echt gescheiden, ze dijen uit. De conceit met het goud (een mooi en zeldzaam metaal) wordt hier gekozen omdat goud ook kneedbaar is en uiteen kan worden gerekt terwijl het toch nog samenhangt.

    Aan het eind van het gedicht vinden we de bekende analogie met het kompas.

    And though it in the center sit,
    Yet when the other far doth rome,
    It leans, and hearkens after it,
    And growes erect, as that comes home.

    De verteller zegt dat zijn geliefde het vaste been van het kompas is, en hij het andere, bewegende been. Zelfs wanneer een been zich van het andere verwijdert, zal het vaste been op één plaats blijven en leunen in de richting van het andere. Zelfs als hij op reis is, zal zijn geliefde naar hem blijven 'luisteren' ("hearken") en er nog zijn als hij terugkomt.


    Meer lezen over John Donne? Breng dan eens een bezoekje aan John Donne, Leven en werk

    Auteursrecht: Jules Grandgagnage

    15-09-2017 om 18:12 geschreven door Jules Grandgagnage


    Categorie:literatuur
    Tags:John Donne,gedicht,poŽzie,literatuur
    14-09-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Wat is jungiaanse psychoanalyse?

    Carl Gustav Jung

    Jungiaanse of analytische psychologie is de naam van het psychologisch-therapeutisch systeem dat werd ontwikkeld door de Zwitserse psychiater Carl Gustav Jung (1875-1961). Voor Jung was de psyche, de innerlijke wereld van de mens, even boeiend en uitgebreid als de uiterlijke wereld waarin we leven. Begrippen als archetype, Schaduw, collectief onbewuste, synchroniciteit, en Anima en Animus maken nu deel uit van de culturele bagage van de ontwikkelde westerling, en zijn variant van de dieptepsychologie kent ook in onze tijd nog veel aanhangers. Het belangrijkste doel van jungiaanse therapie is Individuatie door de integratie van het Ik en de Schaduw.

    Carl Gustav Jung

    De Zwitserse psycholoog en therapeut Carl Gustav Jung (1867-1961) was aanvankelijk de meest beloftevolle leerling van Sigmund Freud, die in hem zijn 'troonopvolger' zag voor het verspreiden van de psychoanalyse. Jung verzette zich echter tegen de te materialistische theorie van zijn leermeester voor wie alle geestesziekten terug te voeren waren op verdrongen lustgevoelens. De eerste barst in hun hechte relatie kwam toen Jung tijdens een lezing in de Verenigde Staten openlijk Freuds theorie van het Oedipuscomplex bekritiseerde. Jung zou zijn eigen weg gaan. De analytische psychologie, zoals hij ze zelf noemde, begon op een aantal punten sterk af te wijken van Freuds psychoanalyse.

    Wat Freud en Jung gemeen hadden

    Sigmund Freud


    Jung en Freud waren het erover eens dat er naast het rationele, bewuste aspect van de persoonlijkheid nog een groot deel van de psyche bestaat waarvan de persoon zich niet bewust is: het onbewuste. Als snel raakten ze het er echter niet over eens wat de inhoud van dit onbewuste was. Freud stelde dat het onbewuste was samengesteld uit onderdrukte, traumatische ervaringen uit de kindertijd. Het had een direct verband met de zuiver instinctieve behoeften van de mens die in conflict kwamen met de eisen en verwachtingen van de maatschappij. De psychoanalytische behandeling bestond aanvankelijk uit woordassociaties en was erop gericht deze onbewuste inhouden in het bewustzijn van de volwassene te brengen. Jung werd ook eerst bekend door zijn onderzoek van woordassociaties waarin de reacties van een persoon op stimuluswoorden in verband worden gebracht met onderdrukte ideeën en impulsen die het gedrag beïnvloeden. Hij beschreef reeds in 1906 een techniek waarbij handelektroden veranderingen in de weerstand van de huid maten bij het oplezen van woorden. Een woord dat een emotionele reactie teweegbracht, was een indicatie voor een complex. Hoewel hij er veel succes mee had, vond Jung dat zijn werk met de psycho-galvanometer hem niet ver genoeg bracht in zijn exploratie van het onbewuste.

    Kernbegrippen van Jungs psychologie

    In tegenstelling tot Freud kon Jung niet geloven dat de huidige leefsituatie van een persoon uitsluitend terug te voeren was op verdrongen jeugdinstincten. Zijn ervaringen met patiënten brachten hem ertoe om het bestaan te poneren van het collectief onbewuste en van vijf primaire functies: de archetypen als universele patronen van de ervaring.

    Persoonlijk en collectief onbewuste

    Freud hanteerde ook al begrippen als bewust, onbewust en verdringing. Jung maakte echter een onderscheid tussen het persoonlijk onbewuste (dat overeenkomt met Freuds onbewuste) en het collectief onbewuste. De persoonlijkheid als geheel, de "psyche", bevat alle gedachten, gevoelens en gedragingen, bewust of onbewust. Sommige ervaringen worden echter niet tot het bewustzijn toegelaten omdat ze te verstorend zijn, of gewoon omdat ze vergeten zijn. Zij belanden in het persoonlijk onbewuste.

    Het collectief onbewuste bevat instinctieve driften en gedragspatronen die we allemaal delen als mens. Het bevat het totaal aan herinneringen van onze voorouders en wordt genetisch overgedragen. Jung beschouwt dit deel van de onbewuste psyche als iets waar we door onze geest toegang tot kunnen krijgen via onze dromen. Sommige mensen, bijvoorbeeld kunstenaars, kunnen dit collectief aan primitieve beelden aanboren voor inspiratie. Het collectief onbewuste doet erg denken aan wat esoterici de Akashakroniek noemen. Jung was ongetwijfeld vertrouwd met deze van oorsprong hindoeïstische opvatting dat alle gebeurtenissen die ooit hebben plaatsgevonden, elke gedachte en emotie, voorgoed bewaard blijven in een soort etherische databank van de mensheid. Jung zag het collectief onbewuste ook als de bron van onze dromen en van paranormale of magische fenomenen. De inhouden van het collectief onbewuste noemde Jung archetypen. De vijf belangrijkste ervan zijn de Anima en Animus, de Persona, de Schaduw en het Zelf.

    Anima

    Een van de archetypen uit het collectief onbewuste is de Anima, de vrouwelijke zijde van de mannelijke psyche. De Anima is een knooppunt van onbewuste overtuigingen en gevoelens in de psyche van een man met betrekking tot het andere geslacht. Jung zegt hierover (geparafraseerd): "Iedere man draagt in zich het eeuwige beeld van de vrouw mee, niet het beeld van een bepaalde vrouw, maar van de vrouw als voorstelling van vrouwelijkheid. Dit beeld is fundamenteel onbewust, alsof het is gegraveerd als afdruk of 'archetype' met alle indrukken ooit gemaakt door de vrouw. Aangezien dit beeld onbewust is, wordt het altijd onbewust geprojecteerd op de persoon van de geliefde, en is één van de belangrijkste redenen voor een passionele liefde of afkeer."
    Kennis over de Anima kan met andere woorden slechts onrechtstreeks worden verkregen: door de projecties die mannen maken op vrouwen die al dan niet beantwoorden aan hun innerlijk beeld van de vrouw.

    Animus

    De pendant van de Anima bij de vrouw: de mannelijke zijde van de vrouwelijke psyche. Volgens Jung was de Animus complexer dan de anima: terwijl bij mannen de anima bestaat uit één dominant beeld, hebben vrouwen volgens hem meerdere animusbeelden.

    "De natuurlijke functie van de Animus (evenals van de Anima) is het bewaren van hun positie tussen het individuele bewustzijn en het collectief onbewuste. De Animus en Anima moeten functioneren als een brug of een deur die leidt naar de beelden van het collectief onbewuste, net zoals de Persona een soort brug naar de wereld zou moeten zijn". - Jung: Unpublished Seminar Notes. Visions I

    Anima en Animus ontstonden in de psyche doordat mannen en vrouwen generaties lang met elkaar samenleefden. Door deze intense wisselwerking namen in de loop van de evolutie beide geslachten kenmerken van elkaar over.

    Persona

    Terwijl Anima en Animus het innerlijk aanzien van de psyche zijn, is de Persona dat wat de wereld te zien krijgt. De Persona is wat men een conformerend archetype zou kunnen noemen: een bemiddelaar tussen het individu en de gemeenschap. Zij vervult een beschermende rol door de omgeving niet te diep te laten doordringen tot de innerlijke psyche: het sociale masker maakt sociale omgang veiliger en gemakkelijker. Als we ze vergelijken met een deur, dan schermt de Persona niet alleen af, maar maakt ook de toegang mogelijk tot de buitenwereld. Een te sterke identificatie met de Persona leidt echter tot een persoonlijkheid die buiten haar grenzen treedt. Voorbeelden: de religieuze fanaat of historische figuur met een overdreven gevoel van zijn belang in de geschiedenis. Dit verschijnsel noemt Jung psychologische inflatie. Het treedt op wanneer de bewuste identiteit van een individu wordt verbonden met een archetype van het collectief onbewuste zoals “de held”, “de redder”, “de genezer” of “de wijze”. Een ervaring die veel mensen (vaak pas op middelbare leeftijd) doormaken is dat ze zich beginnen afvragen of ze wel de juiste keuzes hebben gemaakt. Hun leven lijkt plots leeg en betekenisloos te zijn. Het is een periode in iemands leven waarop wordt beseft dat ze zichzelf de hele tijd hebben voorgelogen over wie ze zijn en wat ze willen. Ze hebben zich te lang met hun persona geïdentificeerd en lieten zich leven door wat van hen werd verwacht.

    "De Persona is een systeem van aanpassing van het individu of de manier waarop hij of zij omgaat met de wereld. Iedere roeping of beroep heeft zo zijn eigen karakteristieke Persona. Alleen bestaat het gevaar dat personen door te sterke identificatie hun persona's worden: de professor identificeert zich met zijn boek, de tenor met zijn stem. Met een beetje overdrijving zou men kunnen zeggen dat de Persona dat is wat men in werkelijkheid niet is, maar wat we zelf en anderen denken dat we zijn." - The Archetypes and the Collective Unconscious, Collected Works, Vol. 9 

    Schaduw

    De Schaduw is de onbewuste donkere kant van je persoonlijkheid, je dierlijke instincten. Dit instinctieve en irrationele deel van het onbewuste kan worden herkend via projecties en in dromen. Schaduwprojectie verloopt geheel onbewust en doet ons onze negatieve eigenschappen opmerken in andere mensen alsof ze aan hen toebehoren. De Schaduw is het archetype dat volgens Jung het eigen geslacht weergeeft. Het is echter een onbewust aspect van de persoonlijkheid waarmee het bewustzijn (het Ik of Ego) zich niet wenst te identificeren. Nochtans is het belangrijk om ook je negatieve 'dierlijke' eigenschappen te leren kennen, omdat de inhouden van de Schaduw des te sterker zijn wanneer ze onbewust blijven. Dit krachtigste en gevaarlijkste van alle archetypen manifesteert zich vaak in iemands dromen, waarin het dan optreedt als inferieur mens van hetzelfde geslacht als de dromer, of als dier. De confrontatie aangaan met de Schaduw is volgens Jung een van de belangrijkste stappen die iemand dient te zetten op het pad van individuatie of zelfverwerkelijking.

    De schaduw bestaat echter niet alleen uit moreel verwerpelijke neigingen, maar heeft ook een aantal goede eigenschappen, zoals normale instincten, passende reacties, realistische inzichten en creatieve impulsen. Zo hebben volgens Jung kunstenaars een gezond contact met hun dierlijke natuur. Door de nauwe samenwerking tussen Schaduw en Ik voelen zij zich energiek en creatief.

    Zelf

    Het Zelf mag niet verward worden met het Ik: het Ik is de organisatie van het bewustzijn (de bewuste identiteit), terwijl het Zelf het centrum is van de hele persoonlijkheid, die het bewuste, het onbewuste en het uiterlijke Ik omvat.

    Jung beschouwt het Zelf als het centrale archetype van de persoonlijkheid of psyche. Het werkt organiserend binnen het collectief onbewuste en harmoniseert alle archetypen. Volgens Jung manifesteert het Zelf zich pas omstreeks de middelbare leeftijd. Dit komt doordat een mens pas op latere leeftijd het proces van individuatie doormaakt, wat tegenwoordig "zelfverwerkelijking" wordt genoemd. Het komen tot zelfkennis is ook een langdurig proces. Een indicatie dat het Zelf niet naar behoren werkt, is een gevoel van ontevredenheid met zichzelf. Ook blijft men eigen slechte eigenschappen op anderen projecteren. Bij de mens die zich in harmonie voelt met zichzelf en de wereld is de persoonlijkheid daarentegen ontwikkeld en geïndividualiseerd. Bewustwording van onbewuste inhouden leidt tot een grotere harmonie met de eigen natuur. Individuatie is een nooit eindigend proces, te vergelijken met het streven naar verlichting bij het boeddhisme.

    Persoonlijkheidstypen

    Jungs typologie van persoonlijkheid wordt nog steeds toegepast, al dan niet in aangepaste vorm. Zijn model werd omgezet in een eenvoudige psychologische test met de naam Myers-Briggs Type Indicator (MBTI), die wordt gebruikt als basis voor het bepalen van persoonlijkheidstypes.

    Vier psychologische functies

    Jung leverde aan de psychologie een verfijnde terminologie om de verschillende persoonlijkheidstypen in te delen. Hij onderscheidde daarbij vier psychologische functies waarvan er telkens één dominant kon zijn: denken, voelen, gewaarwording en intuïtie. Denken en voelen noemt hij de "rationele functies" omdat zij een vermogen tot oordelen hebben; gewaarworden en intuïtie zijn de "irrationele functies". Over de vier psychologische functies zei Jung in 'Man and his Symbols' dat de functie van gewaarwording zegt "dat er iets is", het denken "wat het is", de functie van het voelen "of het aangenaam is of niet", en intuïtie "wat de herkomst en de bestemming is".

    Met gewaarwording als dominante psychologische functie wordt iemands gedrag bepaald door zintuiglijke waarneming, door alle innerlijke en uiterlijke prikkels die hij of zij gewaarwordt.
    Een intuïtief persoonlijkheidstype 'weet' zonder erbij te hoeven nadenken. Zijn intuïtie is iets dat hem overvalt: hij of zij volgt ingevingen en staat er niet bij stil of het redelijk of goed doordacht is.
    Een denktype bepaalt zijn gedrag door logica en denken. Vandaar dat Jung denken een rationele functie noemde.
    Iemand met voelen als dominante functie oordeelt en neemt beslissingen op grond van het gevoel dat iets bij hem of haar teweegbrengt. Omdat er telkens een waardering, een oordeel, bij te pas komt, noemt Jung ook het voelen een rationele functie.

    Introversie en extraversie

    Daarnaast deelt Jung persoonlijkheden nog eens in volgens de twee fundamentele houdingen: introversie en extraversie. Deze begrippen geeft hij wel een andere invulling dan wat er doorgaans onder wordt begrepen. In het gewone spraakgebruik duidt introversie op iemand die verlegen, teruggetrokken is, en extraversie op een uitbundig iemand die geen blad voor de mond neemt. Bij Jung richten extraverte mensen hun psychische energie ('libido') op ervaringen met mensen, dieren en zaken die hun gevoelens en gedachten beheersen. Bij introversie is het net andersom, en wordt de introverte persoonlijkheid opgeslorpt door het eigen innerlijk. Het is echter niet uitgesloten dat een 'introverte persoonlijkheid' in zijn houding naar buiten toe een extraverte indruk geeft. Alleen zal die buitenwereld niet bepalend zijn voor zijn psychisch evenwicht.

    Samenvattend

    Extraverte types hebben een bewustzijn dat op de buitenwereld is gericht en door de waarde die zij aan de buitenwereld verlenen is deze de maatstaf voor hun beslissingen;
    Introverte types richten hun bewustzijn op de binnenwereld en die binnenwereld bepaalt ook hun beslissingen.

    Binnen deze twee categorieën komen gradaties voor van zwak extravert of introvert tot extreem extravert of introvert. De extreme varianten associeert Jung met onontwikkelde of neurotische persoonlijkheden.

    Combinaties van functies en houdingen

    Door combinatie van de vier psychologische functies en de twee houdingen ontstaan in totaal acht mogelijke persoonlijkheidstypen:

    1. het extraverte denktype
    2. het introverte denktype
    3. het extraverte gevoelstype
    4. het introverte gevoelstype
    5. het extraverte gewaarwordingstype
    6. het introverte gewaarwordingstype
    7. het extraverte intuïtieve type
    8. het introverte intuïtieve type

    Nalatenschap en betekenis van Jung

    Jung hechtte in vergelijking met andere psychologen en psychiaters veel meer belang aan het spirituele leven van de mens. Dit alleen al maakt hem in de ogen van meer empirisch gerichte psychologen verdacht als ernstig wetenschapper. Zijn leraar Sigmund Freud had hem reeds verweten een mysticus te zijn door zich bezig te houden met paranormale verschijnselen en esoterische onderwerpen als astrologie, het orakelsysteem I Tjing en alchemie. Jung was er echter van overtuigd dat hij pas iets van de sluier van het onbewuste zou kunnen oplichten wanneer hij de symboliek van het onbewuste begreep. Die symboliek vond hij niet alleen in dromen terug, maar ook in kunst, literatuur en religie. Vandaar dat zijn methode ('amplificatie') zo alomvattend is en alleen toegankelijk is voor iemand die heel belezen is. Jung liet ons een heel vocabularium na aan specifieke psychologische termen (Anima en Persona bijvoorbeeld), waar iedereen al wel eens mee in aanraking is gekomen. Mogelijk het bekendste aspect van zijn werk is zijn typologie van verschillende persoonlijkheden. Jungiaanse psychoanalyse blijft aantrekkelijk voor meer spiritueel gerichte mensen en wordt ook nog steeds in gespecialiseerde instituten over heel de wereld aangeboden.

    Geraadpleegde literatuur

    C.G. Jung, Verzameld werk in 10 delen, uitgeverij Lemniscaat Rotterdam, tweede druk 1990.
    C.G. Jung, Archetypen, uitgeverij Servire Katwijk, 5e druk 1918. ISBN=90.6069.288.8
    C.G. Jung, Over grondslagen van de analytische psychologie - De Tavistock Lectures .Lemniscaat Rotterdam 1978. ISBN=90.6077.126.5

    14-09-2017 om 00:00 geschreven door Jules Grandgagnage


    Categorie:psychologie
    Tags:Jung,psychologie,psychoanalyse


    Archief per week
  • 18/09-24/09 2017
  • 11/09-17/09 2017
  • 04/09-10/09 2017

    Over mijzelf
    Ik ben Jules Grandgagnage
    Ik ben een man en woon in Brasschaat (BelgiŽ) en mijn beroep is gepensioneerd.
    Ik ben geboren op 12/02/1950 en ben nu dus 67 jaar jong.
    Mijn hobby's zijn: dichter, schrijver, columnist, vertaler, schilder, straatfotograaf, jazzfanaat en would-be multi-instrumentalist, alsook wikipedist, essayist.

    Mijn favorieten
  • Saxstandards
  • Shakespearevertalingen
  • Filosofie van Plato
  • De Magische Mens
  • De Essais van Montaigne
  • John Donne, Leven en Werk
  • Jungiaans woordenboek
  • Gedichten uit de wereldliteratuur
  • Engelse literatuur
  • Westerse astrologie

    Blog als favoriet !

    Categorieën
  • astrologie (1)
  • esoterie (3)
  • filosofie (6)
  • jazz (2)
  • literatuur (9)
  • muziek (0)
  • pensioen (1)
  • psychologie (1)


  • Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!