NIEUW: Blog reclamevrij maken?
Inhoud blog
  • Wijzigingen - aanvullingen. Maria Van Dam, slechtoffer van het luchtbombardement in Mortsel.
  • Wijzigingen - aanvullingen. De kerkklokken weggeroofd.
  • Wijzigingen - aanvullingen.
  • Wijzigingen - aanvullingen. Het aardappelcontract van Frans Geerts.
  • Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    Kronieken van Leest
    bij Mechelen
    18-02-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    1845 – Het kasteel “De Mot” werd eigendom van de weduwe Vermeulen, geboren

                Scheppers. (J.D.D in DB)

     

                                         Kasteel “De Mot” in de Bist

     

    Het woord “motte” wijst op een “natuurlijke of kunstmatige” aardhoop, bv. een aardhoop die ontstond bij het uitgraven van grachten en waarop een burcht kon gebouwd worden.

     

    Het kasteel “de Mot” dankt zijn naam waarschijnlijk aan Rombaut de la Mot die in het begin van de 18e eeuw eigenaar was van dit “speelhuys, de hoeve en de vijver, 2 dagwant 55 bunder”.

    In het “Wekelijks Bericht van de stadt en provincie Mechelen”, vonden we in 1798 : “schoone hofstede de Borcht alias de Mothoeve (omwaterd)”.

    Het woord borcht is afkomstig van het latijnse “burgum” dat schansplaats betekent, we vonden het terug in 1380 : “van der Borchtstat te Leest”. (CEP)

     

    Volgens Jan De Decker in “De Band” van november 1958 was de oorspronkelijke benaming “Hove ter Straten” = het hof (herengoed) gelegen bij de straat (= de oude romeinse heirbaan over Bavai, Asse,Mechelen). In 1596 sprak men van “Stratenborch”,

     

     

    de burcht bij de straat.

    Martin Emmanuel Pansius, secretaris van de Groote Raad te Mechelen, heer van Coninxsteen en eigenaar van “de Motte”(in 1791)  overleed in 1818. Hij was gehuwd met Jeanne Marie De Broeyer.  De laatste afstammelinge van de familie Pansius, Anne Marie Josephine Ghislaine Pansius, weduwe van Majoor  Eugène Valery Coemans overleed op 12 mei 1923 in het kasteel.

    In 1958 werd het kasteel bewoond door Octave Grégoire (oorlogsgepensioneerde, geboren La Sentinelle, Frankrijk).

     

    J. Verbesselt in “Het Parochiewezen in Brabant” over “de Mot” :

    “...het deel Smal-Brabant kunnen wij, zoals te Hombeek, indelen in grote blokken, afgelijnd door wegen. Bij deze blokken hoorden ontginningshoven.

    Te midden van het blok, omschreven door de Daelandstraat, de Bieststraat, de Aabeek en de Kapellestraat (sectie C) stond de Motte , later uitgegroeid tot kasteel.

    Dit hof is ongetwijfeld het centrum van dit deel van de grote heide van Hoksdonk op de grens van Kapelle, Hombeek en Leest, waartoe de Biest, de Wavers en Wennekens hoorden als latere velden. Aldaar liepen verscheidene wegen uit : de Mottestraat de voornaamste die de Biest en Kapellestraat verbond, de Waversweg, de Wennekensweg en de Kleine Molenweg.

    Het hof was geheel omwald en vertoonde een ovaal blok (nrs.77-78 sectie C), daarrond lag oorspronkelijk een brede wal, gevormd door percelen nrs. 117, 80 en 70-72. Aan het uiteinde lag een lange en smalle poel, nr.64.

    Door zijn vorm en dubbele wal vertoont dit hof alle kenmerken van een oude middeleeuwse motte, waaraan het zijn naam dankt. De regelmatige verdeling van het ganse complex in rechthoekige percelen , gegroepeerd tussen vn. Rechtlijnige wegen, verwijst nochtans niet naar een zeer oude uitbating.

    Het gaat er duidelijk om een winning op de heide van Hoksdonck. Daarbij horen zelfs een aantal grote blokken vooral langs de Aabeek, die naar oud bosgebied verwijzen.

    Over de oudste geschiedenis van de Motte weten wij omzeggens niets...”.

     

     

    “In 1784 werd er op de wijk de Bist het kasteel De Mot gebouwd, waarbij van uit het park een brede heirbaan werd aangelegd met kreupelhout omzoond, doorheen de Kleine Heide, die in rechte lijn de Tisseltbaan kruiste en zo naar en door het Zure Bos, alover de Gentse baan tot in het Blaasveld Broek, als verbindingsweg met het aldaar staand kasteeltje.

    Zo zagen de daarlangs wonende en werkende landlieden, bij voor- tot najaar, in met adellijke schilden versierde koetsen, het heen en weer brengen van hoge heren en dames uit vreemde en eigen streek, als gaster ter feest.

    Van toen werden de mensen der huidige Kleine Heidestraat vernoemd als “die van den Bulvaar”. (Boulevard)

    Bij het einde der 19e eeuw was die heirbaan reeds gans verdwenen tussen kasteel De Mot en de Tisseltbaan...” (J.A.Huysmans in DB, juni 1979)

     

    Later sprak men soms ook van “het kasteel van Lamot”,  nadat één van de eigenaars van die brouwerij het had bewoond.

     

    In mei 1976 kwam de Antwerpenaar Jan Peutermans zich in het kasteeltje vestigen.

    Hij kwam van Kalmthout alwaar hij een tiental jaren een “hondenhotel” had uitgebaat.

    Deze zaak zette hij te Leest verder tot grote ergernis van de buren.

    Het enerverend geblaf van de meest diverse hondenrassen, in het topseizoen wel 30 honden plus katten, zorgde voor enorme geluidsoverlast.

    Kwam daar nog een onuitstaanbare stank bij van ontsmettingsmiddelen en vliegenzwermen...

    De rust in dat deel van de Biest was voorbij.

    Na herhaaldelijk protest van de buren werd een handtekeningenaktie op touw gezet. Het Ministerie van Volksgezondheid bracht een negatief verslag uit, maar het hondenpension bleef geopend.

    Tot de memorabele 3 juli 1979 toen, rond half elf ’s avonds, brand uitbrak in het kasteeltje.

    Bij aankomst van de brandweer sloegen de vlammen reeds torenhoog uit het dak en stond gans de rechtervleugel van het gelijkvloers in lichterlaaie.

    De brandweermannen legden de zwaarste brandslangen aan en pompten water uit de vijver van het domein, tevergeefs echter, het ganse gebouw brandde totaal uit.

    Slechts troosteloos zwartgeblakerde muren bleven overeind staan.

    Op het ogenblik van de brand bevonden zich vier personen in het gebouw, de 62-jarige schoonmoeder van uitbater Peutermans en drie Waalse jobstudenten.

    De vrouw werd door één der studenten door een raam van de eerste verdieping naar beneden gelaten. Een student redde zich door vanop het dak langs en regenwaterpijp naar beneden te klauteren. De derde jobstudent moest vanop het dak in één der vlakbij groeiende bomen springen.

    Na de blussingswerken werden in het huis de kadavers aangetroffen van 9 honden en 5 katten. De honden lagen vastgeketend aan de leidingen van de centrale verwarming.

    Het Mechels dierenasiel kwam de krengen ophalen.

    Twee pensionhonden waren zoek.

    Het kasteel was ’s morgens de dag van de brand nog in het nieuws gekomen toen de nacht voordien een onbekende de deuren van een achttal hondenhokken had opengezet, waardoor de pensionhonden op de loop waren gegaan. Van die gelegenheid had de inbreker gebruik gemaakt om bovendien nog 58.000 fr te stelen.

    De dader kon dezelfde maandag door de gerechtelijke diensten worden aangehouden.

    Het betrof een Antwerpenaar die vroeger in de kennel van Peutermans als helper was tewerkgesteld geweest.

    De brand richtte voor verschillende miljoen frank schade aan.

    Het gebouw was verzekerd voor 10 miljoen frank.

    Volgens Jan Peutermans was kortsluiting de oorzaak van de brand.

    18-02-2012 om 12:27 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    “Den Briat” ging tot hoge leeftijd mee, zekere dag was het verschrikkelijk heet en velen werden onpasselijk van de warmte. Laatstgenoemde  heeft dan al de pakken van die “zieken” samengebundeld en op zijn schouder gebonden. Hij heeft ze kilometerslang zwetend als een paard meegezeuld...

    Zo was “den Brioen” elk jaar op post aan ’t kapelletje te Bonheiden, hij was een uitstekend zanger.

    Jozef Brion ging in 1943 voor de zestigste maal mee, zo ook Frans Van Den Broeck uit de Elleboogstraat (geboren 7/8/1882 en broer van de honderdjarige Stanne). Hij haalde dat aantal in 1958. Frans was 16 bij zijn eerste voettocht.

    Bij de terugkeer van de bedevaart in 1960 (8 mei) vernamen de Leestse bedevaarders, ze zaten aan de soep te Keerbergen, het overlijden van hun voorzitter Frans Van Den Broeck.

    Frans kreeg een prachtige uitvaart omringd door de getrouwen van de Kompagnie.

    “...Beste vriend Frans, geachte familie, het is voor ons een droeve plicht en een harde taak de beste van de onze te vergezellen naar zijn laatste rustplaats.Als ik zeg, de beste uit de onzen, dan weet niemand wat zulks betekent vriend Frans. Wij bedevaarders, pelgrims van O.L.Vrouw, wij weten het maar al te best, wij weten wie we verloren hebben. 62 jaar hebt gij aan het hoofd onzer Compagnie gestaan, 62 jaar hebt gij u geofferd voor ons, uw kinderen, want voor u waren wij uw bedevaart-kinderen. Steeds stond gij paraat om moed in te spreken, zelfopoffering aan te moedigen wanneer de vermoeidheid zich van een pelgrim meester maakte. Met uw vrolijke verschijning, uw vaderlijk gemoed, hebt ge steeds onze Compagnie weten hoog te houden.

    Wat een harde pijn en zware beproeving was het niet voor u, toen wij verleden jaar voor het eerst een “geestelijke leiding” mede kregen van uit dit dorp, en gij weerhouden waart door ziekte van uw zuster, en dus niet kon mede vertrekken.

    Met welken moed en vast vertrouwen hebt gij een vol jaar gewerkt en gezwoegd, van links naar rechts gelopen om alles weer in orde te maken voor de grote tocht ; hoe verlangend was uw hart neit ook onder een geestelijke leiding te mogen gaan.

    Helaas, het heeft niet mogen zijn, O.L.Heer en O.L.Vrouw verkozen u, de bloem was te schoon om hier op de wereld te verwelken, daarom is O.L.Vrouw ze komen plukken, terwijl wij met hart en ziel met u verenigd waren, is zij de Hemelse Moeder met u meegegaan.

    De slag was hard, maar als bedevaarders moet men alles kunnen verdragen, zelfs de zwaarste onder alle slagen...”  

     

    Een andere legendarische figuur was Louis Van Den Heuvel uit dezelfde straat.

    Louis deed in 1940 aan ’t front een belofte : als hij heelhuids uit de oorlog kwam, zou hij te voet naar Scherpenheuvel gaan zolang hij kon.  In 1984 ging hij voor de zestigste maal! Die tochten verliepen niet altijd rimpelloos. Zo verbrandde hij in 1926, bij een ongeval op zijn werk, één zijner voeten. Het gebeurde in de week van de tocht.

    “Ne goeie windel rond, niemand die dat wist en onderweg regenen, regenen. Maar het schoonste van de zaak : na acht dagen was mijne voet genezen !”

    Nadat te Leest de jaarlijkse voetgangers-bedevaart was afgeschaft ging Louis enkele keren moederziel alleen, later vervoegde hij de bedevaarders van Tisselt.

    Deze mannen huldigden hem bij zijn 60-ste bedevaart. Bij die gelegenheid kreeg Louis een tinnen schotel van “het logement”, een medaille van het bedevaartoord en een brandglasraam met O.L.V van Scherpenheuvel van de bedevaartgroep uit Tisselt.

     

    In 1960 namen 47 bedevaarders deel aan de tocht “te voet naar Scherpenheuvel”, waaronder 13 vrouwen. De jongste was de 11-jarige Marcel Van Hoof uit de Scheerstraat. In 1961 noteerden we er 55, waaronder 16 van het vrouwelijk geslacht en in 1965 namen  45 wandelaars deel.

    1968 gaf een eerste dieptepunt : slechts 14 deelnemers, die dag viel weliswaar samen met

    de eerste kommuniedag, maar toch was de fut eruit, want het jaar nadien werd de  

    bedevaart afgelast.

    Als reden vermeldde De Band dat er twee voorstellen waren : de bedevaart laten doogaan te voet heen en te voet terug of te voet heen en terugkomst met een vervoermiddel. Omdat het tweede voorstel een jarenlange traditie afbrak werd besloten de tocht af te blazen.

     

    In 1970 was Louis Van Den Heuvel de enige van de kompagnie die te voet ging, vijftien “bedevaarders” gingen met de autobus...

    In de periodiek van Milac De Band vonden we het bestuur uit 1954 terug :

    Voorzitter : Frans Van Den Broeck.

    Bestuursleden : Gust De Prins (Juniorslaan), Viktor D’Hondt, Jan Keulemans, Modest Van Steenwinkel, Jan Spruyt, Phil. De Prins, Fr. Bruggeman en Louis Van Den Heuvel.

    Kruisdrager was Modest Van Steenwinkel.

    De trouwste bedevaarders waren toen Frans Van den Broeck (met 54 bedevaarten achter zijn naam), zijn broer Ivo, Marie Symons, Louis Spruyt en Louis Van Den Heuvel.

    Louis D’Hondt vergezelde die periode jaarliljks de processie met zijn wagen.

    (DB, diverse nummers van 1955 tot 1984)

     

    In 1990 kregen de Leestenaars volgende folder in hun bus :

     

    Beste Leestenaar,                       Voetbedevaart Scherpenheuvel 1990.

     

    Twintig à vijfentwintig jaar geleden ging men ook al jaarlijks van uit Leest te voet naar

    SCHERPENHEUVEL.

    Op initiatief van enkele parochiale verenigingen zouden wij die bedevaart terug willen invoeren en wel de 2de zondag voor O.H.Hemelvaartdag.

    Konkreet betekent dat in 1990 : vertrek vrijdagavond 11 mei te 22 uur en terug te Leest op zondag 13 mei te 15 uur.

    Bij het organiseren van zo’n bedevaart komt heelwat kijken.

    Om vooraf zeker te zijn van een voldoend aantal deelnemers – wij denken aan mnstens een 20 à 30-tal – vragen wij aan diegenen die wensen mee te gaan dat ze hun naam en adres zouden opgeven aan één van onderstaande initiatiefnemers.

    Het zal u niet verwonderen dat dergelijke bedevaart ook enige kost met zich meebrengt : er moet worden verzekerd, de slaapgelegenheid meot betaald, enz.

    Nadere gegevens in verband met bedevaart en onkosten krijgt u na inschrijving.
    GA MET ONS MEE, EN BELEEF DE DEUGD VAN SAMEN OP WEG TE ZIJN.

    Beste groeten,

     

    Inschrijven tot 15 januari bij :

    De Wit Marina, Kouter 13.

    Leemans Alfons, Blaasveldstraat 24.

    Plaskie Rosa, Aland 7.

    Peeters August, Tisseltbaan 15.

    Van Lanen Leo, Kerkenblok 10.

    Vloebergh Louis, Winkelstraat 28.

     

    En de trein was opnieuw vertrokken…

     

    “Op zaterdag 12 mei 2001 op een onmenselijk uur (namelijk 4 uur ’s morgens) stonden er 51 bedevaarders klaar om naar Scherpenheuvel te vertrekken.

    Na een tocht van 47 km onder een bloedhete zon kwam Scherpenheuvel in zicht, waar de pastoor ons opwachtte.
    Hierna volgde nog de kruisweg en een eucharistieviering onder de schaduw van de bomen.

    Na een verkwikkende douche en wat verzorging kon iedereen de inwendige mens gaan versterken, voor de ene tot in de vroege uurtjes, voor de andere om na een paar uur al onder de wol te kruipen. Zondagmorgen om 5 uur was iedereen weer paraat om de terugtocht richting Leest aan te vatten. Na een laatste verfrissing begeleidde de fanfare opgewekte en keuvelende bedevaarders naar de kerk, waar nog een bezinning plaatsvond. Hoewel moe en misschien voorzien van een paar blaren was iedereen tevreden over het verloop van de tocht.

    Misschien mogen wij dan ook aan iedereen zeggen tot 27 en 28 april 2002.

    (Website Leest,19/3/2004)

     

    18-02-2012 om 12:20 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    1843 – Vanaf 1843 staat in de boeken te Scherpenheuvel voor de eerste maal een

                bedevaart van Leest vermeld. (J.D.D. – DB – 1954)

                Naar aanleiding van het overlijden van Judocus Van San (°Leest 30/9/1824,

                +Mechelen 17/1/1872) werd op dinsdag 30 januari 1872 een derde lijkdienst

                georganiseerd, “wegens het Broederschap  van O.L.V van Scherpenheuvel in de

                kerk der H. Joannes Baptist” dixit zijn doodsprentje.

                In “De Band” van juli 1959 schreef  Jan De Decker dat men “beweerde” dat

                de “Kompagnie van Scherpenheuvel”  te Leest zou bestaan sinds 1743. Hij

                heeft daar nooit een bewijs van teruggevonden.

     

     

                              De Kompagnie van Scherpenheuvel

     

    Volgens Modest Van Steenwinkel (DB-1960) bestond de “Kompagnie van Scherpenheuvel” uit een groepje mensen die jaarlijks, in naam van gans de parochie, te voet op bedevaart gingen.

    Ze hadden geen ledenlijstenm en wie een paar maal meeging werd vanzelf als lid beschouwd.

    De meeste Leestenaren gingen al eens mee, sommigen hielden het jaren vol.

    Elk jaar werd een omhaling gehouden om de algemene onkosten van de bedevaart te dekken. De rest van het geld werd besteed aan enkele missen voor de overledenen en de zieken van de parochie. Ook werd er jaarlijks een grote mooie kaars geofferd “die hield dan gans het jaar wacht : als stille getuige van onze liefde, bij het beeld der Lieve Vrouwe want O.L.Vrouw van Scherpenheuvel draagt de kenspreuk : ik bemin die mij bemint !”

    De kompagnie was ook vertegenwoordigd in de Leestse processies, daarvoor werd in 1953 nog een prachtig houten  Mariabeeldje  aangekocht, 30 cm hoog en met de hand uitgesneden. Het droeg een brocaat zijden kleed en mantel, een massief zilveren kroontje en scepter, en  een gouden ketting en kruisje, dat laatste was een gift van één van de leden. Louis De Hondt vervaardigde een speciale draagbaar.

    Traditiegetrouw werd de bedevaart gehouden acht dagen voor Sinksen.

    Men vertrok om 4 uur ’s morgens aan de St-Annakapel. De meeste bedevaarders hadden in de parochiekerk dan al een mis bijgewoond.

    Een eerste maal werd halt gehouden te Bonheiden (aan de Sint Annakapel aldaar) waar de eigenlijke processie gevormd werd.

    Rond acht uur bereikte men Keerbergen alwaar koffie werd gedronken.

    Volgde een kort oponthoud te Tremelo, Betekom, het middagmaal te Aarschot en Rillaar.

    Rond 16 uur werd Scherpenheuvel bereikt waar ze processiegewijs werden opgehaald door de geestelijkheid van de basiliek.

    Godsdienstige oefeningen volgden : lof, beeweg in de kerk, rozenkransweg, kruisweg, enz. tot 18 uur waarna de vermoeide bedevaarder zich kon gaan verfrissen, eten en rusten.

    Jarenlang waren “In de Lindeboom” en “In ’t Wit Huis” de vaste logementsplaatsen, soms kwam daar “De Sleutel” nog bij.

    Rond 3 uur in de morgen stonden de bedevaarders op, woonden een mis bij aan een zij-altaar van de basiliek en de lange terugtocht kon worden aangevat.

    Ontbijt te Aarschot, middagmaal te Keerbergen, met meestal een bord soep(heel vaak van asperges) of een glas bier naar keuze, op kosten van de kompagnie.

    Onderweg werd gebeden voor de zieken en de overledenen van de parochie, ook voor de geestelijkheid, voor de soldaten, voor de jeugd en voor allen die om een gebed hadden gevraagd.

     

    Aan elke kapel die ze tegenkwamen werd even een halte gemaakt.

    Te Bonheiden werd de kampagnie traditiegetrouw bijna altijd met een regenbui bedacht.

    Ondertussen waren reeds heelwat familieleden van de bedevaarders  en dikwijls ook de

    Chiro de kompagnie tegemoet gekomen.

    Rond 17 uur kwam gewoonlijk de Sint Annakapel in zicht alwaar de bedevaarders werden opgewacht door pastoor en onderpastoor met een woord van dank en proficiat aan al de tochtgenoten.

    In de parochiekerk werd de zegen gegeven met het H. Sacrament en tot slot een danklied aan Maria gezongen.

    Zo’n bedevaart was vroeger jaren een heel avontuur.

    Zo moest er in Keerbergen, bij gebrek aan een weg, een uur lang door het mulle zand gemarsjeerd worden en bij warm weer kon men zich alleen beschutten door zoveel mogelijk de schaduw op te zoeken van plaatselijke dennenbomen, want de huizen waren zeer schaars.

    Het is ook gebeurd dat iemand met stukgelopen voeten op stokken moest meegesjouwd worden, niet te vergeten dat elke bedevaarder ook zijn eigen ransel op de rug moest meedragen.

    Na de eerste wereldoorlog werden de bedevaarders gevolgd door paard en kar. Dit gespan voerde dan al de bagage mee.

    “Fons van Stienes” was het die de eerste jaren voor het vervoer instond, uit dankbaarheid omdat hij tijdens de Duitse bezetting zijn paard mocht behouden. Na Fons werd Frans Piessens(“den Blokmaker”)  bereid gevonden.

    Wegens het immer stijgende aantal bedevaarders volstond een gewone kar niet meer voor de talrijke pakken. De familie Van der Hasselt (Ferdinand en Frans) stelde zich graag met een “landbouwcamion” ter beschikking. Meestal werd die  voortgetrokken door de paarden van Victor Verschueren en Sus Van den Brande.

    Later begeleidde “Louis van Jonker”(L.De Hondt) de bedevaarders met zijn “automobiel”.

    “Figuren” uit de bedevaart waren : Toon Leemans die een vijftigtal bedevaarten lang het processiekruis meedroeg.

    18-02-2012 om 12:16 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    1836 – In 1836 werd Carolus Wouters burgemeester. Hij zou dit 22 jaar blijven.

                Carolus Wouters werd op 25 april 1797 te Hombeek geboren als zoon van Louis

                en  van Anne Marie Jacobs.

                Hij trouwde te Leest in 1824 met Anna Catharina Huysmans, die weduwe was

                gebleven van J. F. Steenmans. Ze woonde op het Hof ter Halen.

                Carolus verbleef op die hoeve tot aan zijn dood op 21 juni 1858.

                Zijn oudste dochter Marie Louise huwde een twee maal met Mattheus Buelens

                die in 1865 burgemeester werd.

                Een andere dochter, Marie Virginie hertrouwde eveneens met een burgemeester

                nl. Jaak Bernaerts.

     

                De gemeenteraad bestond uit de schepenen Jean B. Scheers en J.Fr. De

                Keersmaecker en de raadsleden M.J. Moortgat, Charles Coeckelbergh,

                Dominique Busschot, Guillaume Sellslagh, P.J. Verhoeven en Jean Baptiste

                Dierckx.

                In 1840 werd Englebert Verschueren als raadslid geïnstalleerd en hetzelfde

                overkwam Jacques Steenmans in 1843.

     

    1836 – Martinus Jozef Moortgat volgde Jan Frans Van Vaerenbergh op als koster te

                Leest. Op het ogenblik van zijn aanstelling was Martinus reeds een tiental

                jaren orgelist van de kerk “un homme vertueux et jouissant d’une bonne

                réputation, très instruit...” stond in het verslag van zijn benoeming.

                Martinus Moortgat was gehuwd met Joanna Coeckelbergh die te Leest geboren

                was op 5 axml:namespace prefix = st1 ns = "urn:schemas-microsoft-com:office:smarttags" />pril 1804 als dochter van Karel, landbouwer en van Anna Catharina

                Verbruggen.

                Martinus Moortgat zelf kwam van Steenhuffel, geboren op Allerheiligen 1807.

                Hij schonk Joanna Coeckelbergh 9 kindjes :

                -Gillis Louis (29/8/1829) werd schoolmeester te Leest en overleed op zijn

                 25-ste op 3 maart 1854.

                -Pauline (6/12/1833)

                -Karel (5/1/1835)

                -Gaspar August (30/3/1837) ontgroeide de wieg niet en stierf op 21 juni datzelfde

                 jaar.

                -Clotilde (17/4/1838) stierf op 7 juni 1862.

                -Jan Baptist (19/8/1840)

                -Francisca Victoria (10/12/1842)

                -Euphemia Maria (15/10/1845)

                -Amelie (30/11/1848)

                Joanna Coeckelbergh overleed te Leest op 13 april 1876. Haar man Martinus

                Moortgat leefde toen nog. Van zijn overlijden vonden wij geen spoor te Leest.

                (De kosters van Leest – De Band, november 1985)    

     

    1837 – 2 januari : inhuldiging te Mechelen van de spoorlijn Mechelen-Dendermonde en

                voor de Leestenaars de eerste trein die hun dorp aandeed.

                (DB-september 1959)

     

    1837 – 28 september : de spoorlijn tot Gent werd door Koning Leopold I ingehuldigd.

                De inhuldigingstrein uit Gent passeerde het grondgebied van Leest tussen

                12 en 13 uur.

                De locomotief heette “Karel V” en sleepte 16 wagens.

                In 1935 verzochten de buurtbewoners van Steinemolen om een stopplaats. Ze

                kregen geen voldoening. (DB-september 1959)  

     

    1839 – Adrianus De Wit werd de opvolger van veldwachter Meuldermans.

                Hij was geboren te Mechelen in 1804 als zoon van Jakobus en  was

                gehuwd met Coleta Verbruggen. 

                Hij had vier kinderen : Clara Virginie (1831), Jan (1840), Hendrik (1843) en

                Desiré (1849).

     

    1840 – In 1840 kocht pastoor Hermans van Tambuyser twee beelden : een Sint-Cornelis

                en een Sint-Markoen.

                “Geplaetst in onze kerk op verzoek van de kerkraed en met toestemming van den

                heerweerden Heer landdeken”. 

                Voor die beelden betaalde hij 290 frank 24 centiemen en hij liet ze schilderen

                en vergulden door Loos voor 73 frank en 73 centiemen.

                Voor de twee “consolen” van die beelden betaalde hij 127 frank 62 centiemen.

                Dat jaar ontstond waarschijnlijk de begankenis voor Sint Cornelius te Leest.

                Tot deze heilige man nam men zijn toevlucht tegen de “stuipen” of andere

                kinderziekten.

                Sint –Markoen of  Marculphus’ hulp riep men in tegen kliergezwellen.

                Om deze heilige aan te roepen trokken de mensen van hier vroeger naar

                Wezenbeek.

                Het is niet verwonderlijk dat deze beide heiligen zo’n succes kenden, als men het

                aantal “kinderoverlijdens” ziet.

                Een derde van de sterfgevallen waren kinderen. Daarbij kwam de gesel van de

                besmettelijke ziekten : de pest (1467-1472, 1571-1574), de koepokken

                (1515-1522), de rode loop (75 sterfgevallen te Leest in september 1741) en

                cholera (1832,1849,1858,1859,1867).

     

    1842 – Dat jaar werd het “Kasteel van Moyson”  in de Kouter gebouwd.

                Het “kasteeltje”  werd er gezet door dokter Louis Voet, de latere burgemeester.

                Zijn broer Joannes Voet bezat een grote boerderij op de grens tussen Leest en

                Hombeek en die zou een bijna gelijkaardig herenhuis neerpoten te Hombeek

                rechtover de kerk.

                Na de dood van dokter Voet, werd het kasteel opnieuw door een geneesheer

                betrokken : dokter Van den Broeck.

                Rond 1896 kwam de familie Moyson zich daar vestigen. Vader Moyson was een

                neef van dokter Voet.

                In 1902 werd Frans Moyson er geboren. Hij werd onderpastoor te Mol en later

                aalmoezenier van het bejaardentehuis van Bornem.

                De indrukwekkende beuk aan de straatkant heeft een omtrek van 4,25 m.

                Hij zou geplant zijn in 1840.

     

     

     

    18-02-2012 om 10:37 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

                - Louis HELLEMANS, gehuwd met Victoria Teughels.

                Na de dood van zijn vader in 1885 werd Louis koster te Leest.

                Hij was te Kraainem geboren op 30 december 1871 en huwde in 1897 met

                Victoria Teughels, de jongste dochter van Petrus en van Monica Van Hoof.

                Ze woonden rechtover zijn deur en hij ging daar inwonen.

                Na de dood van Louis zou Victoria dat huis aan de kerk verkopen en het werd

                officieel het kostershuis. Dat huis werd enkele jaren geleden afgebroken en

                vervangen door de huidige Raffeisenkas.

                Victoria was te Leest geboren op 23 februari 1861.

                Louis schonk haar 4 kinderen.

                Hij overleed te Leest op 25 februari 1916.

     

                - Jozef RHEINHARD, gehuwd met Elisabet Diedens.

                Hij was voordien koster in St Jozef Coloma te Mechelen en gaf ook les in

                Gregoriaanse zang aan de seminaristen.

                Hij was te Mechelen geboren op 23 februari 1879 en er getrouwd in 1902.

                In 1916, na de dood van Louis Hellemans, kwam hij naar Leest om er de

                volgende 30 jaar het kosterambt waar te nemen.

                Elke dag na de missen nam hij de trein naar Brussel waar hij werkzaam was

                als bediende.

                Zijn vrouw Elisabet Diedens was eveneens te Mechelen geboren op 17/3/1880.

                Het echtpaar kreeg 8 kinderen.

                Jozef Rheinhard woonde met zijn gezin achtereenvolgens in de Vinkstraat (de

                toenmalige Koestraat), in het huis van meester Moons, de latere woning ook van

                Peer Spruyt. Rond 1920 nam hij zijn intrek in het huis op de Dorpsplaats, waar

                zijn voorganger Louis Hellemans had gewoond. Een paar jaren nadien ging hij 

                wonen op de Kouter nr 6, in het huis van de familie Wouters (Moyson).

                Jozef Rheinhard was ook componist. Hij gaf een bundel liederen uit op teksten

                van René Declerck.

                Hij stierf te Leest op 14 april 1947.

     

                - Tony TEUGHELS trad in dienst toen Jef Rheinhard nog in leven was, dat was in

                1946. Hij bleef koster tot in 1952.

                Tony was te Leest geboren op 13 maart 1927 als zoon van Door Teughels uit “de

                Roozelaar”  en van Emma Blommaert.

                Hij overleed op 24 mei 1985 bij de zusters Franciscanessen in de Katelijnestraat.

     

                - Edward FIERENS was te Hombeek geboren op 2 oktober 1930. Hij was koster

                te Leest van 1952 tot 1956. Toen werd hij koster te Rijmenam waar hij in 1960

                trouwde met Lina Van Cauwenbergh uit Zaventem.

     

                - Freddy PEIRS was afkomstig van Zulte. Bleef niet lang in de parochie.

     

                - Luc DE KEERSMAKER was de zoon van een dokter uit Kapelle o/d Bos, hij

                werd geboren op 8 april 1914.

                Hij aanvaardde de job van koster omdat hij op dat ogenblik zonder werk zat en

                een hekel had aan stempelen. Hij kwam elke dag over en weer van Kapelle.

                Luc vond Leest wel “een klein dorpke met een oud kerkske met schone

                meubeltjes in”, maar toch gaf hij er de voorkeur aan naar Brussel te gaan werken.

                Zo liet hij in 1965 zijn kosterij vallen en verdween hier uit de cirkulatie.

                Luc bleef heel zijn leven jonggezel en woont nog steeds in Kapelle o/d Bos.

     

                - Luc PLASQUI, de huidige koster van Leest, is drukker van beroep en kwam in

                dienst in 1965. Hij is getrouwd met Maria Philippo.

                Het echtpaar heeft vier kinderen.

                Zijn broer is koster te Hombeek, een ambt dat zijn familie al meer dan een eeuw

                in die gemeente waarneemt.

     

    1830 – Leest telde 1291 inwoners. (Wikipedia)

     

    1831 – “Tot in 1702 lag er in Leest geen enkele kasseiweg en kon men slechts over een

                houten paalbruggetje naar de Warande en zo langsheen de beemden bij de

                Battelse Bergen naar Mechelen.

                Of langs de Bleukensweg in de Kouter van waar men te voet of met kar en paard

                bij laag tij over de harde bedding van de Zenne Stuivenberg kon bereiken.

                In 1760 werd van uit Battel op de toen nog niet uitgegraven Bergen een kasseiweg

                gelegd tot aan de Kouterbaan.

                In 1831 werd die doorgetrokken naar Tisselt, met gevolg dat er voor de herberg

                “In den Barreel” genoemd naar een daar te draaien afsluiting om bij hun

                toekomen in, of wegrijden uit Leest, van alle voertuigen uitgezonderd

                landbouwers van Leest en Warande, een tolgeld van 1 cent te innen als

                vergoeding  voor het gebruik van dit kasseitje.

                De bazin liet soms bij wat meer verkeer het barreeltje open, met het gevolg dat ze

                sommige geniepige ontduikers roepend moest achternahollen om na de te betalen

                jaarpacht, aan die job te verdienen.

                In 1890 werd de Zenne met minder bochten en van dijken voorzien, met een

                ijzeren brug overspannen, en het tolgeld afgeschaft.

                De Zennewerken werden uitgevoerd door merendeels Hollanders, huizend in

                barakken of schuurkens.

                Aan den overkant der herberg “In de Kroon” staat er nu 1978 nog een

                gevelbergplaats , die toen verdeeld was in vier huisjes, 2,5 m op 5 m, met

                vuurhaard, tafel en bank, muurlegbanken en achteraan stapelbedden.

                Drinkwater bezrogde vredige buren.

                Enkele van die Hollanders zijn hier als  Belgen ingeburgerd gebleven.

                (J.A.Huysmans – DB, april 1979)

     

    1832 – Dat jaar werd Leest geteisterd door cholera.

                (Sermoenen van pastoor Joris – Kerkarchief Leest)

     

    1833 – Gabriel Hermans kwam naar Leest op 20 september, hij werd de opvolger van

                pastoor Van de Put. Hij was afkomstig van Veerle alwaar hij geboren was op

                19 mei 1798.

                Op 23 december 1820 werd hij tot priester gewijd.

                Datzelfde jaar was hij professor in het aartsbisschoppelijk college te Mechelen.

                In 1822 werd hij onderpastoor in de  O.L.Vrouwe parochie te Tienen.

                Vier jaar later in O.L.Vrouwe Mechelen. In 1830 wer hij professor benoemd

                van het Klein Seminarie.

                Pastoor Hermans overleed te Leest op20 september 1854.

     

                “Pastoor Hermans was een gewetensvol en sekuur priester. Met zijn heel klein

                geschrift bracht hij orde in de fundatiemissen en liet de nagelaten nota’s en

                geschriften van pastoor De Heuck inbinden.

                Hij schonk ook meer aandacht aan de versiering binnen de kerk. Zo kocht hij in

                1833 voor 191 frank 15 centiemen schilderijen “voor het vercieren der Kerck”.

                Dat waren geen nieuwe doeken, want hij liet ze terstond restaureren voor het

                bedrag van 53 frank en vroeg aan Van De Voorde om “Twee lijsten te maecken

                ende twee spieraemen” voor 10 frank 69 centiemen  en voor  “het vergullen van

                die twee lijsten” betaalde hij 20 frank aan Bernaerts.

                Deze rekeningen vermelden echter niet van wie deze schilderijen werden

                gekocht, noch aan wie ze werden toegeschreven.

                Wanneer hem een paar jaar later (1835) vanwege de “heeren gedeputeerde

                Staten van Antwerpen” gevraagd wordt, op te geven welke kunstwerken 

                de kerk bezit met vermelding van auteur en onderwerp,  is zijn antwoord

                heel lakoniek “dat er in de kerk deezer parochie niets aanmerkensweerdig

                existeert, als den predikstoel door Van Gheel en twee schilderijen verbeeldend

                het lijden van den Zaligmaker door Cousins.”  (WLS,blz.29)   

     

                Uit Ellectanea Mechliniensia 1949, nr. 1, artikel Mechelse eerstemisgedichten in

                de jaren 1810-1829, door F.Prins :

                “...Op 31 december 1820 droeg E.H. Gabriel Hermans “leermeester der tweede

                school in het aartsbisschoppelijk college te Mechelen”, zijn Eerste Mis op te

                Veerle.

                Het was toen de gewoonte, de Eerste Mis tot een bijzondere intentie, die van op

                den predikstoel meegedeeld werd, op te dragen.

                Hermans droeg de zijne op “tot voorspoed der katholieke lering”.

                Het eregedicht werd opgesteld door zijn “vriend en medemeester” F.G. van

                Aerschodt, van Leuven. Hij komt er in uit, naar een nota duidelijk uitwijst, tegen

                den zo pas verschenen almanak van Tot nut en Vermaek , te Antwerpen

                uitgegeven, die licht van zeden schijnt. Maar vooral gaat het om de lering.

                Hij legt den Godsdienst de klacht in den mond:

                “Ja, ‘k heb ook Belgica in mijnen schoot ontvangen...

                maar onlangs, gans verslaafd aan koningsmoorders wetten,

                gedoogt het nu een rot, mjn laatste lid te pletten...”

                En den neomist laat hij bidden : “Spaar toch, spaar toch uw volk, geef dat de

                Belg weer achte uw lering die weleer ontstak zijn heldenmoed.”

                In nota tekent hij hier bij aan : “Men wilde ons Nederlanders in plaats van

                Belgen noemen. Een vaderlands lied herstelde dien eerroof”.

                Maar welk Belgisch vaderlands lied hij bedoelt, weten we niet.

                Opmerkelijk is ook hoe de jonge geestelijkheid van het Mechelse – want onze

                Dichter behoort tot deze – partij trekt voor het herstel der Jezuïetenorde.

                Zo luidt het hier :

                “Richt u dan naar het snoer dat ons is voorgetrokken

                in dees opvoedingstaak door d’eel Loyola’s stam”.”

    18-02-2012 om 10:30 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

     

                “...item nog heeft de kerk samen met de H. Geest een huys met hofken tot Leest

                aen de Plaetse, wordt bij den koster bewoont en bij promissie hem gegund, mits

                zijnen dienst weldoende is...” (Rekening kerkfabriek en H.Geesttafel 1639,1640.)

                In totaal kostte het huis 304 gulden 16 stuyver, daarvan werd 222 gulden betaald

                door de kerk, de rest door de H.Geesttafel.

                “Cette maison appartient donc à l’église et aux pauvres”, schreef pastoor Hermans

                op 19 juli 1834 in een brief aan de aartsbisschop Engelbertus, “et le clerc l’a

                occupée après comme avant la révolution francaise..” (de koster heeft er in

                gewoond zowel voor als na de franse revolutie)

                Dezelfde brief vermeldt ook dat dit huis in 1829 in twee werd verdeeld, het ene

                gedeelte liet men aan de koster, het andere deel werd gebruikt als gemeentehuis,

                omdat men er toen van uitging, aldus de pastoor, dat het gemeengoed was.

                Vermits de koster terzelvertijd ook schoolmeester was, deed de woning van de

                koster bijgevolg ook dienst als huis van de schoolmeester. (voor het

                schoolgebouw er stond gaf de koster schoolonderricht in het kostershuis zelf)

                Om later moeilijkheden te vermijden wees pastoor Hermans de gemeenteraad, aan

                de hand van de rekeningen van de kerkfabriek, op de ware eigenaars van deze

                grond, en hij komt met hen tot een overeenkomst “à l’ amiable”.

                Zo wordt op 23 maart 1846 de grond waar het gemeentehuis en de school op

                staan  (1 a 14 ca) overgegeven aan de gemeente.

                De gemeente van haar kant zal jaarlijks een eeuwigdurende rente van 15 frank

                betalen, de helft aan de kerkfabriek en de helft aan het bureau van weldadigheid.

                Dit wordt ondertekend door notaris  Premie, burgemeester Carolus Wouters, de

                schepenen J.P. De Keersmaecker en Carolus Coeckelbergh, pastoor Gabriel

                Hermans, kerkmeesters Engel Verschueren en Petrus Demaeyer,  en de

                administrateurs van het bureau van weldadigheid August Premiesen, J.Steenam

                en B. Dierckx. Getuigen waren herbergier-landbouwer Johan Selleslagh en

                veldwachter Adriaen De Wit.

                Koster Martinus Moortgat mag het kosterhuis blijven bewonen, op voorwaarde

                dat hij “de kinderen van de ouders staende op den arme gratis zal onderwijzen.”   

     

                In 1879 kwam de schoolstrijd. Meester Dumont vestigde zich te Leest als

                onderwijzer van de gemeenteschool.

                In 1882 kwam er een nieuw gemeentehuis met schoolhuis, dat in ’t vervolg door

                de gemeenteschoolmeester zal worden bewoond : eerst meester Dumont, na hem

                meester Moons en meester De Leers.

                De nieuwe koster Petrus Jozef Hellemans, die terzelfdertijd onderwijzer werd in

                de Parochieschool, nam zijn intrek in het huis op de Dorpsplaats waar later zijn

                kleinzoon Alfons Hellemans zou vertoeven.

                Koster Louis Hellemans woonde eveneens in de Dorpsplaats, in het huis van

                Victoria Teughels  dochter van Jan Baptist, met wie hij getrouwd was. Toen dit

                huis, na beider dood, in 1919 verkocht werd aan de kerk, zou het nog een tijdje

                een kostersfamilie herbergen : het gezein van Jozef Rheinhard.

                In 1978 werd dit huis door de kerk verkocht aan Jos De Smedt.

                (DB – November 1985)  

     

                Onmiddellijk na de beroerten van de 16e eeuw was één van de

                hoofdbekommernissen van de geestelijkheid de herinrichting van het onderwijs,

                vooral op het platteland.

                Reeds in 1570 beval het provinciaal concilie van Mechelen de bisschoppen dat zij

                parochiescholen dienden herop te richten.

                Na de intrede van Albrecht en Isabella drong de geestelijke overheid krachtig aan

                op de uitvoering van dat bevel. In het aartsbisdom Mechelen wilde zij volstrekt

                zo spoedig mogelijk een school voor iedere parochie.

                Op de dorpen, waar men niemand vond die voldoende bekwaam was om les te

                geven, werd de taak van schoolmeester opgedragen en opgelegd aan de koster van

                de parochie.

                “De landdekens kregen de taak, jaarlijks bij hun kerkvisiet te vernemen en te

                onderzoeken, hoe het in de parochie gestaan en gelegen was met de school...

                Die van Leest beloofden in 1596 uit de inkomsten hunner H.Geesttafel jaarlijks

                drij veertelen koren te betalen aan den schoolmeester, op voorwaarde nochtans,

                dat de H. Geestmeesters van Hombeek ook drij veertelen zouden geven.

                Leest werd toen nog bediend door de pastoor van Hombeek.”

                (Geschiedenis der Parochie Hombeek – F.De Ridder, blz.96 en volgenden)

     

                In De Band van november 1985 publiceerde Georges Herregods een lijst met

                de namen van alle Leestse kosters die hij kon terugvinden. Het waren uiteraard 

                niet allemaal onderwijzers :

     

                                                Kosters te Leest

     

                -Anthonis van Enere : “jaar1573, Anthonis van Enere, coster van Leest,

                wordt gestraft met een bedevaart naar O.L.Vrouw te Hal om met een gaffel

                gestoken te hbben Peeter Guedens.”

                (J.Judicature Echevius 5 II nr.2)

     

                -Pieter VAN BROUCKE : zijn naam kwam voor onder de disgenoten bij de

                inwijding door aartsbisschop Hovius  van de herstelde kerk in 1599.

     

                - Bertelmies VAN GHIJSEL (Van Gijssele): geboorteplaats en datum onbekend,

                hij huwde te Leest op 29 augustus 1604 met Katrien Keysers (De Keyser).

                Bertelmies Van Gijssele overleed te Leest op 20/8/1629. Als koster genoot hij het

                voorrecht onder de kerkvloer te worden begraven.

     

                -Jacques ELIAS (Ilias) :  was een ingeweken Leestenaar. Geboren in 1611 werd

     

                hij reeds op jonge leeftijd koster te Leest, want bij zijn overlijden op 25/8/1692,

                hij had toen de leeftijd van 81 jaar bereikt, schrijft pstoor Michael Gijsens in zijn

                overlijdensregister : “Jacobus Ilias custos hujus paroeciae per 64 annos, aetatis

                81 annorum, sepultus est in ecclesia nostra prope altare B.M.B.”

                (Jacobus Ilias gedurende 64 jaar koster van deze parochie, 81 jaar oud, hij werd

                begraven in onze kerk dichtbij het altaar van O.L.V.)

                Op zijn zerk staat:” I.H.S. Sepulture van de Eersaemen Jacques Elias coster deser

                kerck omtrent 61 jaeren, gestorven den 25  augusti 1692 oudt 81 jaeren ende

                Jenneke Lepaige syne wettighe huysvrouw gestorven den 29 january 1669 ende

                Peeter Elias synen sone oock coster den tydt van 47 jaeren oudt 72 jaeren sterft

                den  17 juli 1722. Bidt voor de zielen...”

                Jacques huwde nog een twee maal met Katrien De Bleser.

                Het kosterschap van Leest zou gedurende vijf generaties in de familie Elias

                blijven.  

     

                - Peeter ELIAS,geboren 6/9/1649, zoon van Jacques trouwde met Katrien De

                Lathouwer en bij het overlijden van laatstgenoemde met Katrien Van

                Regenmortel. Hij zorgde voor een kroost van 12 kinderen.

     

                - Franciscus ELIAS,geboren 16/3/1685, zoon van Peeter, trouwde te Leest

                met Petronilla Koeckelbergh. Ze kregen vier kinderen.

                Franciscus stierf op 79-jarigel leeftijd, op 4 december 1764.

     

                - Judocus VAN VARENBERGH, schoonzoon van Franciscus Elias, hij was

                gehuwd met Anna Teresia Elias.

                Judocus was te Dieghem geboren op 19 mei 1715 en hij overleed te Leest

                op 19 maart 1801.

     

                - Joannes Franciscus VAN VARENBERGH, zoon van Judocus, was “custos et

                ludimagister” schreef de pastoor in het overlijdensregister : koster en evenals zijn

                vader ook schoolmeester.

                Joannes Franciscus bleef jonggezel.

                Na 29 september 1797, datum waarop pastoor De Heuck door de Franse

                overheersers uit zijn pastorij werd gezet en moest gaan onderduiken, was het

                koster Jan Frans Van Varenbergh die de borelingskes ging dopen en de doden

                naar hun laatste rustplaats bracht. Dit gebeurde zonder enige plechtigheid.

                De bijkomende ceremonieën van de doop werden achteraf in het Hof ter

                Moortere door de pastoor zelf aangevuld. Deze situatie duurde tot 1801.

                Toen Jan Frans Van Varenbergh oud en versleten was, hij telde toen 70 lentes,

                schreef hij op 19 oktober 1836, op aandringen van pastoor Hermans, een brief

                naar de aartsbisschop van Mechelen, om zijn ontslag aan te vragen :

                “...niet meer bekwaam zijnde door doofheyd en hoogen ouderdom om nog

                lange de plaats van coster, die ik nu reeds meer dan een halve eeuw bediend heb,

                met eer te konnen vervullen, geeve mijne demissie aen zijne Hoogweerdigheyd

                den Aertsbisschop van Mechelen, hoopende dat men zoodanige arrangementen

     

                ten mijnen opzigte zal neemen, dat ik weynig van mijne gewoonelijke inkomsten

                verlieze, terwijl ik  arm zijnde de zelve noodig heb om te kunnen subsisteren.

                Blijve met alle agting,enz...”

                Hij schreef ook een gelijkaardige brief naar de burgemeester van Leest om zijn

                ontslag te krijgen als onderwijzer.

                Dit ontslag werd hem graag toegestaan. Er werd hem ook voldoening gegeven op

                materieel gebied : hij mocht blijven beschikken over een gedeelte van het

                kostershuis (waar ook het nieuwe kostersgezin Moortgat zijn intrek nam) en zijn

                jaarlijkse inkomen (100 frank) werd hem uitbetaald.

                “de cette manière”, vermeldt het verslag van de kerkraad, “le vieux papa pourra

                terminer honorablement sa carrière...”

                Op dezelfde zitting benoemden de kerkmeesters met voltalligheid van stemmen

                de nieuwe koster Marten Jozef Moortgat die reeds een tiental jaren orgelist was

                van de kerk, “un homme vertueux et jouissant d’une bonne réputation, tres

                instruit...” zo bescheef hem ditzelfde verslag.

                Joannes Franciscus Van Varenbergh overleed te Leest op 2 november 1843.

     

                - Martinus Jozef MOORTGAT, op het ogenblik van zijn officiele aanstelling tot

                koster van Leest was Martinus reeds 8 jaar gehuwd met Joanna Coeckelbergh.

                Ze was hier ter plaatse geboren op 5 april 1804 als dochter van Karel, een

                landbouwer, en van Anna Catharina Verbruggen.

                Martinus Moortgat was te Steenhuffel geboren in 1807.

                Hij schonk Joanna Coeckelbergh 9 kindjes.

     

                - Petrus Jozef HELLEMANS was gehuwd met Stephanie Mannekens.

                Hij was te Ganshoren geboren op 27 maart 1838 als zoon van Jan Philippe en van

                Anna Marie Verhaegen.

                Petrus Jozef was eerst onderwijzer te Kraainem, maar bij de schoolstrijd kwam

                hij in 1879 naar Leest waar hij een parochiale vrije school begon.

                Toen deze school later meisjesschool werd, ging hij als onderwijzer over naar de

                gemeentelijke jongensschool van meester Dumont..

                Het echtpaar kreeg zes kinderen.

                Petrus Jozef Hellemans overleed te Leest op 19 november 1885.

     

    18-02-2012 om 10:26 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

     

    1828 –                                       Erin geloot…Eruit geloot

     

    “De Franse Revolutie, de sansculotten, de Boerenkrijg, de conscriptie, de loting…

    Iedereen heeft er in de geschiedenisles over gehoord en er later waarschijnlijk nog iets over gelezen.

    Om het leger van voldoende soldaten te voorzien werd op 5 september 1798 de wet op de recrutering van kracht. De jongeren van het mannelijk geslacht tussen 20 en 25 jaar werden op een lijst opgeschreven, vandaar de naam “conscriptie” .Voor de leeftijdscategorie ingedeeld in klassen werd via loting bepaald wie in dienst moest. Voor een beperkt aantal groepen zoals bijvoorbeeld gehuwden en weduwnaars werd vrijstelling verleend. Vrijwillige dienstname zoals vroeger was natuurlijk nog mogelijk.

    De loting verliep als volgt. De namen van de “conscrits” werden elk afzonderlijk op een briefje geschreven, afgelezen, in een hoesje gestoken en in een trommel gelegd. In een andere trommel werden zoveel witte briefjes en evenveel briefjes met “Militaire partant” gelegd. Alles werd goed door elkaar gemengd. Een kleine jongen trok uit de eerste trommel een naam gelijktijdig met een andere jongen die een briefje uit de andere trommel trok. Werdeen wit briefje getrokken, dan was de persoon waarvan men gelijktijdig de naam had getrokken, uitgeloot. Had men een briefje “Militaire partant” aan zijn been, dan was men erin geloot en moest men vertrekken. Na een medische keuring nadien werd de conscrit eigenlijk in het leger ingelijfd.

    In onze gewesten was die loting natuurlijk niet geliefd. Voor de betrokkene en zijn familie hingen er zware gevolgen aan vast. Hendrik Conscience beschrijft in zijn boek “De Loteling” zijn eigen ervaringen tijdens zijn  diensttijd van 1831 tot 1836, dus reeds tijdens de Belgische periode.

    Het systeem van die militaire loterij onder de dienstplichtigen met toelating van vervanging tegen geld bleef naast de vrijwillige dienst bestaan tot 21 maart 1902.

    In 1909 bleef een vervanging tegen geld mogelijk, maar de loterij werd afgeschaft en de dienstplicht ingevoerd.

    Vervanging tegen geld, uitkopen dus, bleef tot 1909 dus mogelijk. Een goede zaak voor wie erin geloot was, maar over voldoende kapitaal beschikte om een verganger te betalen. Zijn vege lijf kon hij zo veilig stellen en mogelijk beroepshalve meer verdienen dan hij moest betalen. De vervanger zal ook wel zijn voordeel voor ogen gehad hebben. Zijn minder goede sociale positie of geldnood kon wel een rol spelen bij de aanvaarding. Dus een win-win situatie op het ogenblik van de overeenkomst. Voor de laatste partij was dit in de toekomst niet altijd een zekerheid ! Hoe zo’n dienstplichtige zich uitkocht en een contract sloot met zijn vervanger leert ons dit voorbeeld uit het jaar 1928 :

     

    Op 18 april 1828 trok Joannes Franciscus Teugels, landbouwer te Heindonk, naar notaris Joannes Baptista De Keersmaecker te Mechelen. Zijn zoon Engelbertus had geloot en het nummer drie getrokken. Voor de Loting voor de Nationale Militie voor de lichting van het lopend jaar waren in het kanton Willebroek de gemeenten Heffen en Heindonk verenigd.

    Willem TROCH, handwerker of dagwerker, geboren te Leest als zoon van Joannes Troch, wonend te Leest en van de te Leest overleden Anna Catherina Smets, die ook al 6 jaren te Heindonk woonde, was getrouwd met Maria Francisca Van Campenhout.
    Ook hij stapte naar de notaris. Willem verklaarde zich aan te bieden als plaatsvervanger van Engelbertus Teugels en in zijn plaats te willen dienen bij de Nationale Militie. Volgens zijn signalement was hij 1 el en ? palmen lang, had een rond aangezicht, breed voorhoofd, dikke neus, grote mond en ronde kin. Zijn haar en wenkbrauwen waren licht bruin. Verder vertoonde hij geen andere tekens.
    Beide mannen toonden de notaris een certificaat van de militieraad te Mechelen met de goedkeuring van Willem Troch om als plaatsvervanger te fungeren. Ook een kwijtschrift van de ontvanger “der regterlijken akten” te Mechelen werd bovengehaald waaruit bleek dat Engelbertus Teugels een som van 25 guldens had gestort.

    De notaris wees op hun verplichtingen waaraan ze zich wederzijds moesten houden.

    Hij maakte hen attent op de wet van 8 januari 1817 (artikel 97, 105-108) en van 27 april 1820 (art. 29-32) waarna volgende overeenkomst werd gesloten :

    -Willem Troch verbindt zich als plaatsvervanger van Engelbertus Teugel, die bij de Nationale Militie is opgeroepen, “alle zijne verplichtingen in den dienst voor hem te voldoen”.

    -Als beloning hiervoor verbindt Joannes Franciscus Teugels zich voor zijn zoon te betalen aan de echtgenote van Willem Troch :

    1) een som van 50 nederlandse guldens op de dag van zijn vertrek. Dit om haar een melkbe(drijf?) te verschaffen en hierdoor haar kostwinning zo veel mogelijk te verzekeren.

    2) een som van 38 guldens 60 cent, in 4 maal te betalen. Het eerste vierde moet op 1 mei 1829 voldaan worden en zo verder van jaar tot jaar tot gehele voldoening.

    -Verder verbindt Joannes Franciscus Teugels er zich toe de echtgenote van Willem Troch en haar kinderen gratiste laten wonen in een huis van hem. Dit huis met stalling en verdere toebehoorten, ca. 30 nederlandse roeden erve, in de “beenhouwersstraet” te Heindonk is reeds in gebruik door haar en vanaf half maart nog voor een termijn van 5 jaar. De huurwaarde wordt geschat op 30 nederlandse gulden per jaar. De echtgenote Troch moet de grondlasten dragen. Het onderhoud van het huis moet door de eigenaar gebeuren.

    -De comparanten verklaren verder dat er buiten wat hier boven staat in het contract niets is gegeven of genoten en dat er gedurende de diensttijd ook niets zal gegeven of genoten worden.

    Als getuige traden op Cornelius Scheffenmeyer, meester schoenmaker en Joannes Baptista Van Den Eijnde, winkelier, beiden te Mechelen wonend.
    Willem Troch kon niet schrijven. De Militieraad van het Distrikt Mechelen heeft het contract gezien op 12 april 1828.

     

    Engelbertus Teugels was geboren te Heindonk op 7/11/1809 en nu bevrijd van de Nationale Militie kon hij rustig voor priester studeren. Hij werd gewijd te Mechelen op 28/8/1835, werd onderpastoor te Heffen en daarna op 19/2/1935 directeur van het klooster te Willebroek waar hij aan de pokken overleed op 2/5/1861.

    De plaatsvervanger Willem Troch was te Leest geboren op 23/2/1794 en huwde te Heindonk op 27/11/1820 waar hij later als landbouwer, dagloner ging wonen, Wijk A, nr.5. Hij leefde nog tot 21/11/1878, datum waarop hij te Heindonk overleed.

    Met zijn vrouw Francisca Van Campenhout, geboren Heindonk 12/1/1798, dagwerkster, er overleden op 18/6/1893, kreeg hij 7 kinderen. Vier ervan werden na zijn dienstname geboren : 1829, 1832, 1838 en 1842.

     

    De wet van 8 mei 1847 die van kracht werd op 1 januari 1848 bepaalde dat de jongelingen voortaan slechts zouden opgeroepen worden tijdens hun twintigste levensjaar. Dit betekent tussen de 19 jaar en hun 20-jarige ouderdom.
    De loting werd in 1938 afgeschaft en iedere jongeman werd voortaan opgeroepen om de militaire dienstplicht te vervullen.

    De dienstplicht werd later volledig afgeschaft zodanig dat het leger nog enkel bestond uit vrijwilligers of beroepsmilitairen.”

            (Leo Bernaerts – Vaertlinck contact nr.6 2010)

     

    1829 – Bouw van de jongensschool in de Scheerstraat (nu Ten Moortele).

                De werken werden toevertrouwd aan Hendrik Vloebergh uit Leest en Petrus

                Joannes Van Moer uit Willebroek voor 1850 gulden.

                (GA – Repertorium der akten)

                De school werd oorspronkelijk in twee delen gesplitst : een deel dat dienst deed

                als schoolgebouw, het ander deed dienst als wachtlokaal met politiekamer voor de

                militairen.

                Voor het schoolgebouw er stond, werd er les gegeven in het kostershuis, de koster

                cumuleerde immers zijn ambt met dat van schoolmeester.

                Dat kostershuis stond vroeger op de plaats waar thans het gemeentehuis met

                aangebouwd schoolhuis staat. Het werd gebouwd in 1638 op een stuk grond van

                64 roeden. Het behoorde voor de helft aan de kerk en voor de helft aan de H.

                Geesttafel (het werk van de armen, na de Franse Revolutie werd dat het

                Weldadigheidsbureau, het toenmalig OCMW).

     

    18-02-2012 om 10:22 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    17-02-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    1819 – Cornelius Meuldermans werd veldwachter (tot 1838).

                Een kepie, een kenteken, een uniform. Iedereen op de buiten kende de “garde” en

                de   “garde” kende iedereen.

                Sommigen menen dat de kolfdragers uit de 16e eeuw de voorlopers waren van de

                sjampetters.

                De structuur van de landelijke politie werd vastgelegd in de wetgeving van einde

                18e eeuw. Het decreet van 14 december  1789, met betrekking tot het oprichten

                van gemeenten, voorzag in artikel 50 dat één van de bevoegdheden van het

                gemeentegezag er moest in bestaan “de inwoners het voordeel verschaffen van

                een politie, met het oog op de netheid, de gezondheid, de veiligheid en de rust op

                straat, openbare plaatsen en in de openbare gebouwen.”

                Het ambt van veldwachter dateert van 1791 :   “om de eigendommen te

                beschermen en  de oogsten te bewaken, zouden veldwachters moeten aangesteld

                worden in de gemeenten die onder de rechtsmacht van de vrederechter en onder

                het toezicht van de gemeente-officieren staan.”

                Die maatregel was echter facultatief. Het decreet van 20 messidor 1803 legde aan

                de  gemeenten de verplichting op veldwachters aan te stellen. Een besluit van

                25 fructidor 1809 raadde de gemeenten aan de veldwachters te kiezen uit

                oudgedienden of oud-soldaten.

                Die richtlijnen volstonden echter niet om een perfecte organisatie van het

                veldwachterskorps te verzekeren. Daarom vaardigden ook de provinciale

                autoriteiten een aantal richtlijnen uit zoals het vaststellen van weg- en

                jachtovertredingen, het opzoeken van gevluchte militairen, enz.

                Later werd de veldwachter benoemd door de provinciegouverneur uit een lijst

                van twee kandidaten voorgedragen door de gemeenteraad (de burgemeester mocht

                een derde kandidaat aan de lijst toevoegen). De gouverneur mocht echter vrij een

                kandidaat benoemen en was op geen enkele manier gebonden aan de rangorde van

                de voordracht. Alhoewel de veldwachter door de gouverneur werd benoemd, was   

                hij een gemeenschappelijk agent en maakte hij deel uit van het

                gemeentepersoneel  , er werd alleen door beoogd hem zoveel mogelijk

                onafhankelijk te maken van het plaatselijk gezag.

                Alhoewel hoofdzakelijk benoemd om te waken over het behoud van

                eigendommen, oogsten en vruchten te velde, kreeg zijn ambt een drievoudige

                bevoegdheid : officier van de gerechtelijke politie maar met beperkte

                bevoegdheid, agent van de openbare macht en agent van de administratieve of

                gemeentelijke politie.

                In 1840 telde ons land 3.257 veldwachters, in 1970 2.254.

                Na de samenvoeging van de gemeenten en het verder verdwijnen van het landelijk

                karakter in de dorpen daalde het aantal veldwachters gevoelig.

                (Driemaandelijks tijdschrift Gemeentekrediet van België, nr.105 – juli 1973.

                GVA-13/4/1978, 29/11/1982, 25/3/1990)

     

                Op 1 april 1987 ging de laatste veldwachter van Leest met pensioen.

                Victor Van Hoof had er toen 35 jaar dienst opzitten.

                Na de fusie der gemeenten werdVictor Van Hoof veldwachter-inspecteur en hij

                kreeg meteen een forse loonsverhoging.

     

                Cornelis Meuldermans was geboren te Leest in 1778 en geheuwd met

                Isabella Franckx uit Heffen.

     

    1819 – Karel Van Luffen werd gemeente-ontvarger en dit tot 1831.

                (Provinciaal Archief Antwerpen – PAA 598)

     

    1822 – “De Vlaamsche taal wordt altijd gebruikt in de vergaderingen van Gemeenteraad

                en Schepencollega en in de andere handelingen en geschriften des Bestuurs.

                Dit gebruik is in voege sedert 16 januari 1822.

                Het Vlaamsch is ook de voertaal  in de school, voor de leerlingen der hoogste

                afdeling wordt er weinig Fransche taal aangeleerd...”

                (Uit een brief van burgemeester Bernaerts aan “den heer Zivil Kommissaris te

                Mechelen “van 15 februari 1917)

     

    1823 – Philippus Jacobus Van de Put volgde pastoor Vertongen op.

                Hij werd geboren te Kontich op 17 juni 1775 en was eerst onderpastoor in de

                O.L.V. parochie te Mechelen.

                In 1808 werd hij onderpastoor te Putte en in 1813 pastoor te Boortmeerbeek.

     

                Pastoor Van de Put stierf te Mechelen op 17 juli 1847.

                (MC-19/11/1882)

     

    1825 – Overlijden 100-jarige

                Op 27 maart, om acht uur ’s avonds, overleed te Leest Maria Anna Van Asch,

                weduwe van Karel Coeckelberg.

                Ze had die dag de leeftijd bereikt van 100 jaar en 17 dagen.

                Maria Van Asch was geboren te Leest op 10 maart 1725 als dochter van Petrus

                en Maria Rijntiens.

                (DB,september 1980)

    17-02-2012 om 18:34 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

     

    1815 – Het Koninkrijk der Nederlanden  (1815-1830)

               

                Door de overwinnaars van Napoleon werd in 1815 op het Congres van Wenen

                besloten benoorden Frankrijk een sterk land te vormen. Het moest zo nodig het

                gewantrouwde Frankrijk kunnen weerstaan. Daartoe werden Holland en België

                in één koninkrijk verenigd.

                Willem I, de Hollandse vorst, werd koning over het nieuwe rijk.

     

    1815 – Onder pastoor Vertongen kreeg de kerk van Leest een orgel. Voordien was er wel

                een zangkoor dat elk jaar zijn “maalthijt” of tenminste een “recreatie voor

                degeenen die het gehele jaar in de choor comen singhen in de Hoochmisse” kreeg.

                Het orgel werd gefabriceerd in 1815 door de orgelmaker J.Stephanus Smets voor

                1000 gulden.

                Het werd betaald in twee “payementen” 700 en 300 gulden.

                De orgelkast werd gemaakt door J. Ghijs voor 381 gulden 17 stuivers 3 oorden.
                
    Om aan al dat geld te geraken werd een omhaling gehouden.

                Deze “ommegang voor den orgel heeft 255 gulden opgebragt”.

                Bij de verbouwingswerken van de kerk in 1853 werd de originele orgelkast

                afgedankt zoals de rest van de kerkmeubels en aangepast aan de neo-gotische

                woede van die tijd.

                Ze werd vervangen door een nieuwe orgelkast (de huidige) gerealiseerd door Vijt.

                Deze orgelkast kostte 1.250 frank.

                “De oude is vermemeld”, zo luidde het in het kerkbudget, “de nieuwe is in eik en

                gotische stijl”.

                Het orgel zelf werd sindsdien 4 maal gerestaureerd. De eerste maal in 1873 door

                orgelmaker Vermeersch uit Duffel, een tweede maal werd in 1891 door de

                kerkfabriek 600 fr voorzien voor een volledige restauratie, een derde maal in

                1918, na de schade veroorzaakt door de beschieting. Toen werden de

                herstellingswerken  uitgevoerd door Jos Stevens uit Duffel.

                In 1926 werd aan het orgel een vierde beurt gegeven door Victor Van de Loo uit

                Rotselaar. (WLS, blz.29)

     

    1816 – Leest telde 1106 inwoners (Wikipedia)

     

    1817 – Ontslag van veldwachter Brion.

                Wegens “slechte dienst en luiheid” werd veldwachter Guillielmus Brion

                ontslagen.

                Cornelius Meuldermans zou hem opvolgen.

                (Archief Prov.Antwerpen E50 B/29)   

                Guillielmus Brion was een zoon van Pierre en van Maria Anna Verbeeck.

                Hij was geboren te Leest waar hij op 8 september 1761 in de Sint-Niklaaskerk

                gedoopt werd. Hij overleed op 1 augustus 1830 te Leest.

                Hij was gehuwd met Anna-Maria Houthuys die hem drie kinderen schonk.

     

    1818 – Pieter Jan de Meester werd burgemeester van Leest tot 1836.

                Daarna nam hij dat ambt waar te Hombeek van 1836 tot 1847.

                Pieter Jan was de zoon van Gaspar-Antoine de Meester die advokaat was bij de

                Grote Raad van Mechelen en onder de Franse bezetting voorzitter van het

                noordelijk kanton van Mechelen, en van Jeanne Francoise du Trieu.

                De familie de Meester was o.a. eigenaar van het Hof ter Halen en van het Expoel

                kasteel te Hombeek.

     

                In 1824 huwde Pieter Jan de Meester Catherine Geelhand de Merxem, die hem

                twee zonen zou schenken : Leopold en Althanase.

                Leopold zou later burgemeester van Leest worden. Hij was een begaafd

                plantkundige die o.a. de aangelegde Franse tuin van het Expoel domein

                omtoverde tot een Engels park met onnoemlijk veel boomsoorten, golvende

                terreinen, vijvers en kronkelende weggetjes.

                Leopold zorgde ook voor de oprichting van de gemeenteschool in Ramsdonk.

                Athanase was senator van Antwerpen en een befaamd jager. Rond de jaren 1880

                hield hij op de domeinen in Leest en Hombeek regelmatig grote jachtpartijen.

                Daarbij werden dan zo’n 350 hazen en patrijzen buitgemaakt.

                Tijdens het burgemeesterschap van Pieter J. de Meester werd de gemeenteschool 

                van Leest gebouwd. De gedenksteen werd bij de verbouwing van de school in

                1937 naar het kasteel te Hombeek gebracht.

                Pieter Jan de Meester woonde te Hombeek en is er ook begraven.

                Hij stierf schielijk in zijn koets, op een honderdtal meter van zijn kasteel, toen hij

                op 5 juni 1847 de werken ging inspekteren aan de baan Hombeek – Kapelle o/d

                Bos. (die weg werd op dat ogenblik rechtgetrokken)

                Op de plaats van zijn dood werd een kapelletje geplaatst.

                Het wapenschild van de Meester : in sabel negen aaneengesloten bollen van goud.

    17-02-2012 om 18:33 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

     

    1812 – 24 decmber – Hendrik Diddens in De Band Oktober 1964 :

              

                 Kerstmis op een hooischelf

     

    Kerstnacht 1812. Het klokje te Leest galmt helder door de lucht.

    Over de harde veldpaden lopen boerenmensen in groepjes zwijgend naar de middernachtmis. Sommigen dragen een smoutlantaarn.
    In het zwakke schijnsel lopen vrouwen met kapmantels aan.
    De mannen lopen gebogen en dragen een jekker met opstaande kraag. Hun handen zitten diep in hun broekzakken..
    Aan de kerkdeur is er een traag gezoem van stemmen en het kletteren van klompen op de keien van het pleintje.

    Daar staat een man in het donker portaal. Die is niet van het dorp. De mensen kijken hem vorsend aan.

    “Heb je pachter Jan Diddens niet gezien ?” vraagt hij. “De pastoor heeft gezegd dat hij zeker naar de middernachtmis zal komen.”

    “Ja,” antwoordt een vrouw, “die kunt ge hier ieder ogenblik verwachten”.

    Enkele minuten later tikt de onbekende man de 64-jarige landbouwer op de schouder.

    “Pachter Jan, kom eens een eindje met mij mee. Ik heb nieuws voor je.”

    De boer schrikt.

    “Van Pier-Jan ? Toch geen slecht nieuws ?”

    “Ssst, kom even mee als je wilt”.

    Ook de pachteres en haar dochter willen natuurlijk mee. Zij lopen met hun vieren bezijden de kerk een eindje het donkere kerkhof op.

    “Luister,” zegt de man. “Ik kom regelrecht van Mechelen en ik breng je de groeten van Pier-Jan”.

    “God, is het mogelijk ?” roept de pachteres uit.

    “Stil !” beveelt de man. “Pier-Jan is in de vooravond bij ons aangekomen samen met een jongen uit Heffen Jan Serneels, die ken je misschien wel ?”

    “Al te goed”, zegt pachter Diddens gejaagd. “Hij was ook een consrit voor het leger van de verdomde keizer. Pier-Jan is met hem opgetrokken. Dat is nu bijna 2 jaar geleden.”

    “Wel, ze zijn met hun beiden uit het leger weggelopen. Zij komen te voet uit Rusland. Meer dan vier maanden zijn ze op weg geweest. Ze hebben veel geleden.”

    “God, kan onze Pier-Jan niet meer tot hier geraken ?”

    “Natuurlijk kan hij dat pachteres, maar je begrijpt toch dat het niet mag. Ik zei daareven toch dat hij uit het leger van Napoleon is weggelopen. Versta je dat niet ? Hij is gaan lopen, ginder in Rusland ! De municipaliteit zal daar vandaag of morgen bericht over ontvangen. Als het niet reeds gebeurd is. Dan zullen de sabelslepers opdracht krijgen Pieter weer op te pikken. Je weet toch welke straf er op desertie staat ?”

    Ze kijken de vreemde boodschapper ernstig aan.

    “De doodstraf ?” De Mechelaar knikt.

    “Ge moet dus voorzichtig zijn. Er zitten overal verklikkers, zelfs op een dorp. Pier-Jan mag voorlopig niet naar Leest terugkeren.”

    Het klinkt als een vonnis, de eenvoudige buitenlieden weten niet wat daarop te antwoorden. Daarom spreekt de man verder :

    “Ik raad je aan de middernachtmis bij te wonen alsof er niets bijzonders gebeurd is. En morgen verwacht ik pachter Jan bij mij thuis. Ik woon op de Hanswijkvaart buiten de vesten. Vraag maar naar de brugdraaier van de Withuisbrug.”

    De volgende dag gaat pachter Jan Diddens te voet naar Mechelen. Het is voor hem en zijn gezin een vreemde kerstnacht geweest. Vrede aan de mensen van goede wil !

    Maar hij haat Napoleon meer dan ooit. Hij kan niet anders. Napoleon is een bloedhond.

    In alle stilte heeft hij zijn getrouwde zoons en dochters gewaarschuwd.

    Nu gaat hij Pier-Jan weerzien. Zijn jongste, pas twintig jaar.

    Door zijn geest flitsen de beelden van het afscheid. Een 18-jarige boerenknaap. Eerder mager maar pezig en kerngezond. Zijn pakje in een geruite handdoek aan een gladde beukenstok. Opgeroepen om voor de keizer te vechten.

    Waar ? Dat wist niemand. De keizer vocht overal. Nu weer in Rusland.

    Ha ! Bedenkt de boer met een grijnslach. Dat heeft Pier-Jan de keizer goed gelapt !

    Wie doet het hem na ? Vier maanden heeft hij er over gemarcheerd vertelde de brugdraaier. Dat is geen kinderspel. Rusland moet wel heel ver hier vandaan zijn.

    Daar hoort hij de vele kerken en kloosterklokken van Mechelen zuiver door de kerstmorgen beieren. Ach ja, vrede moet er zijn. Wat kan Napoleon hem eigenlijk schelen, nu hij Pier-Jan gaat weerzien ?

    Een halfuur later volgt hij de brugdraaier naar een hoevetje van de Zeutestraat.

    Daar wisselen zij enkele woorden met de boer.
    Dan gaan zij naar de halfdonkere stal en klimmen langs een krakende ladder de hooischelf op. Het valluik gaat open.
    Het is bijna geheel donker onder de dakpannen. Maar als een schichtig  dier is Pier-Jan rechtgesprongen. Hij herkent zijn vader. Geen van beiden kan wat zeggen. Zij wenen van geluk en kloppen elkaar zachtjes op de schouder.

    “Je bent ziek Pier-Jan !” zegt de pachter eindelijk met nauwelijks verkropt medelijden.

    “Ik zie het aan je ogen”.

    De jongen begint alweer te huilen. Na al het uitgestane leed schokt de vertrouwde stem van zijn vader al te zeer zijn gemoed.

    “Ik meende onderweg te zullen sterven, vader...Je weet niet wat een mens kan afzien op zo’n weg. In Polen en Duitsland hebben wij ’s nachts doorgestapt en overdag geslapen waar wij konden. En honger geleden ! Honger...Hoe is’t met ons moeder ?”

    “Goed jongen, zij wou natuurlijk dadelijk meekomen.”

    “Dat kon niet, ik begrijp het vader.”

    Pier-Jans wangen gaan plotseling gloeien. Misschien is het van de koorts ?

    Mogelijk ook van het weergevonden geluk.

    “Weet je vader dat een mens pas ondervindt hoe schoon en hoe goed zijn land is wanneer hij ergens ver in de vreemde, ziek en uitgehongerd en nagejaagd, aan sterven moet denken ?...Toen wij gisteren op de Leuvensebaan in de verte de Sint-Romboutstoren zagen staan, zijn wij op onze knieën gezakt en dan hebben we de grond gekust. Onze geboortegrond vader ! Dat kunnen sommigen misschien flauw vinden maar die zijn dan zeker nooit te voet uit Rusland naar hun thuis teruggekeerd.”

    Het klokje van de dorpskerk uit het nabije Muizen klept het middagangelus.

    Het is Kerstmis 1812. En op een hooischelf heffen twee uitgemergelde boerenzoons, deserteurs uit het leger van Napoleon, het hoofd op naar hun vredige thuis.

     

    P.S. Pier-Jan Diddens is enkele weken later naar Leest teruggekeerd en heeft o verscheidene hoeven verdoken geleefd tot de val van Napoleon in 1814.
    Hij huwde in 1816 met Elisabeth Goossens. Eén van zijn kleinzoons was mijn grootvader.

                Hendrik Diddens”.

     

    Hendrik Diddens publiceerde het verhaal van zijn voorvader in de reeks “Historische Verhalen van De Sikkel” onder de titel “Deserteur onder Napoleon” (1974/De Sikkel n.v. Antwerpen)

    17-02-2012 om 17:39 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    1812 – Joannes Josephus Vertongen werd de opvolger van pastoor Simon De Heuck.

                Hij was geboren in 1783 en betrok de pastorij samen met zijn meid Anna Maria

                Huybrechts (geboren te Bierbeek).    

     

    1812 – In 1812 kreeg Pieter Jan Diddens een oproepingsbrief om bij de legers van

                Napoleon te worden ingelijfd. De 18-jarige Pieter Jan gaf gehoor aan dit bevel.

                Bij de eerste schermutselingen in Rusland zou hij echter deserteren.

                Met een makker uit Heffen keerde hij te voet naar zijn geboortestreek terug.

                Daar bleef hij ondergedoken tot de val van Napoleon.

                Pieter Jan Diddens was te Leest geboren op 7 mei 1794.

                In 1816 huwde hij te Hombeek met Elisabeth Goossens maar bleef als

                landbouwer te Leest gevestigd.

                Wanneer op 13 november 1817 het  eerste kind uit de nieuwe echtverbintenis

                wordt geboren , zijn de registers van de burgerlijke stand te Leest nog volledig

                in de Franse taal. De omstandige geboorteakte is een staaltje van de hardnekkige

                nawerking der Franse administratie. Zelfs alle voornamen  worden gewoonweg

                in het Frans vertaald, en als toppunt : dezelfde Jacques Somers, die tijdens het

                Frans Bewind “maire et officier de l’état civil de la commune de Leest” was,

                is in funktie gebleven, alsof er hoegenaamd niets gebeurd was...

                Het gezin van de deserteur werd gezegend met elf kinderen en meteen werd hij

                de  stamvader van omzeggens alle thans bekende Diddens  geslachten.

                (GVM, 21/12/1983 -Hendrik Diddens)

    In het kader van stamboomonderzoek verzocht Lieve Huysmans Kommandant b.d. de Lelys, werkzaam in het legerarchief, om meer gegevens over “deserteur” Petrus Joannes Diddens. Hij schreef haar het volgende :

    “DIDDENS Pierre Jan, °6/5/1794 Leest. Woonplaats : Leest. Beroep : dagloner.

    Korps : 82 Regiment Infanterie de ligne. Graad : soldaat.

    Diende zes maanden en is na het staken van de vijandigheden in 1814 naar huis teruggekeerd. Hij is NOOIT in Rusland geweest.

    Behorende tot de klas 1814 werd hij vermoedelijk pas in de tweede helft van 1813 opgeroepen en ingelijfd. Zijn regiment heeft nooit een voet in Rusland gezet, de veldtocht in Rusland was reeds lang ten einde voor de klas 1814 opgeroepen werd.

    Het 82 Regt Infanterie de Ligne had in 1813 één bataljon in Duitsland, de rest van het regiment was in Spanje en in het Regimentsdepot te La Rochelle in Frankrijk.”

    “Pieter Jan heeft zich te Antwerpen moeten aanbieden om naar het regimentsdepot te LA ROCHELLE te vertrekken en om daar ingelijfd te worden. Ik weet niet wat er verder met hem gebeurd is, ik denk niet dat men hem vanuit het regimentsdepot nog naar Spanje of Duitsland heeft gestuurd, maar dat is natuurlijk niet onmogelijk. Hij kan eventueel deelgenomen hebben aan gevechten in Frankrijk in de eerste maanden van 1814, maar hiervoor beschik ok over geen enkel tastbaar bewijs”, dixit Lieve Huysmans.

     

    1812 – Op 22 mei 1812 schreef pastoor De Heuck zijn laatste aantekening neer : het

                overlijden van Petrus De Meyer uit Kapelle o/d Bos, sedert enige dagen

                weduwnaar van Elisabeth Van Humbeeck uit Willebroek. Die aantekening in

                vette letters is moeilijk geschreven maar niettemin nog zeer leesbaar.

                Zes dagen later volgde zijn eigen afsterven door confrater Dries van Kapellen

                o/d Bos neergeschreven :

                “Op den 28 mei, op den feestdag van het H. Sakrament om 4 uur ’s morgens

                overleed hier in den Heer de eerwaarde Simon De Heuck, geboortig uit de

                St-Niklaasparochie tot Brussel tijdens 38 jaar priester dezer kerk, in den

                ouderdom van 76 jaar en 29 dagen.”

    17-02-2012 om 17:35 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    1806 – Na enkele incidenten van kleinere omvang, alle met betrekking tot de steeds meer

                opdringende cultus van Napoleon, (o.m. het te pas en te onpas zingen van het Te

                Deum en het vieren van Sint Napoleon op 15 augustus) sloeg einde 1806 de bom

                in, toen een bisschoppelijk schrijven van de aartsbisschop de geestelijken beval de

                nieuwe katechismus van Napoleon “te leeren met de alderstyptelykste

                nauwkeurigheyd. Wij verbieden het catechiseeren met allen anderen cathechismus

                welkdaningen hij weezen, zelfs met degene die onze verscheyde voorzaeten hier

                toe hebben beschikt, ende dit te rekenen van den eersten dag van 1807.”

                Hoe kon een mens als Simon De Heuck zich verzoenen met een katechismus die,

                op straffe van eeuwige verdoemenis, niet alleen eerbied,gehoorzaamheid, trouw,

                krijgsdienst, belastingen en zelfs “de liefde tot Napoleon I, onze keizer” en de

                onderwerping aan zijn wettige opvolgers voorschreef ?

                (Dr. J.Muyldermans – Simon De Heuck)

     

    1807 – Op de 3e paasdag 1807 werd de pastoor van Leest, samen met o.m. de pastoors

                Blaasveld, Heffen en  Heindonk, andere “weerspannigen”, op het bisschoppelijk

                paleis ontboden.

                In het latijn tekende pastoor De Heuck daarover o.m. het volgende aan :

     

                “Met groot misbaar, doch met ijdele argumenten wimpelden zij af hetgeen ieder

                van ons deed gelden als de reden van zijn weigering, en zij herhaalden ons het

                bevel dat wij het dekreet tweemaal moesten afkondigen op de a.s. Beloken Pasen.

                Dit horende, zwegen wij, tot het ogenblik dat de Aartsbisschop mij de redenen

                vroeg waarom ik had geweigerd : toen antwoordde ik dat mijn geweten er zich

                tegen verzette, dat ik al zijn andere bevelen tot nog toe had opgevolgd,

                uitgenomen het bevel in kwestie, en kortom, wat er ook van zij, dat ik dat bevel

                niet kon uitvoeren met een geruste conscientie.

                Bij die woorden schoot de Aartsbisschop in gramschap en riep : “Trek er

                vandoor !”

                Waarop ik geantwoord heb : “Deo gratias !”

                Wij konden niet terugvinden of De Heuck op dat punt nog verder  is lastig

                gevallen. (Dr.J.Muyldermans)

     

    1807 – Jaak Somers volgde Pieter Jan Moeremans op als burgemeester van Leest en dit

                tot 1818. (De Band-1959)          

     

    1807 – “In de ‘heerdoptelling’, door de pastoor van Leest gedaan in de 18e eeuw, wordt

                onder de parochie van Leest ook gerangschikt een woning gelegen in de

                Capellebaan met name ’t Hoefeyser.

                Sekretaris Van Vreckem van ’t Bisdom bericht op 13 mei 1807 aan pastoor De

                Heuck : “...taberna, sub vulgato nomine Hoefeyser, debet pertinere et pertinet

                ad juristictionem Pastoris ecclesiae Sancti Martini in Hombeek…”

                (dat die winning voortaal van de parochie van Hombeek deel uitmaken moest)

                (DB, nr.6, juni 1957)

                Wij vonden deze hoeve terug in 1602 : “...hoffstede geheeten het Hoefijzer ende

                gelegen onder den dorpe van Leest...” (GM) en 1676 : “Sr Peeter Suyens een

                bosch aende hoeve van Cappellen aent hoefiijser groot omtrent 2 dagwant...”

                (Coh.van Leest TS nr.3)

                In 1723 werd het Hoefijzer vermeld als brouwerij en herberg.

                (J.D.D in GvM 3/2/1954)

     

    1808 – Op 26 september 1808 noteerde pastoor De Heuck :

                “Met tegenzin verlaat Joan. Arm. De Roquelaure, oud 85 jaar, elfde aartsbisschop

                van Mechelen, de bisschoppelijke stad, naar Parijs geroepen door de senaat.”

                Napoleon had hem op 1 maart 1808 tot kanunnik van het keizerlijk kapittel van

                Saint-Denis benoemd.

                Na het vertrek van de Roquelaure werd het aartsbisdom, in afwachting van een

                nieuwe titularis, verder bestuurd door de vikarissen J. Forger en J.G.Huleu.

     

    1809 – In dato van 17 januari 1809 publiceerden de vikarissen een “bevelbrief

                betrekkelijk tot den Krijgsdienst”.

                Het was een zogenaamde oproep tot de priesters. Daarin stond o.m. te lezen :

                “Doet den jongelingen verstaen dat de onderwerping aan de wet van den

                krijgsdienst deelmaakt van hunne plighten...

                Geeft (tot de ouders van militieplichtigen) uwen kinderen geen anderen raad als

                die met de waere wysheyd en voorzigtigheyd overeenkomt, denkende aen de

                ontelbare rampen en ongelukken, die over heel hunne huysgezinnen zullen vallen,

                als deze laetste wederspannig zyn aen de wet...

                Wy twyfelen niet of alle onze medehelpers in de heylige bedieningen zullen met

                iever en vlytigheyd aen deezen onzen Bevel-Brief voldoen, aangeport door de

                edelste beweegreden, de geene van godsdienstigheyd : het is eimmers onze H.

                Religie eenen goeden dienst bewyzen, als men eenen grooten Monarch bewilligt

                van  haer gunstig te zyn, maer nu !

                Wat is bekwaemer om de goedjongstigheid van onzen Keyzer tot de H. Kerk

                en haere dienaers op-te-wekken als met hem mede-te-werken tot den algemeynen

                vrede die hij zoo ter harte heeft, en van de aangeteekende jongelingen aan-te-

                wakkeren tot de gehoorzaamheyd aen zyne stemme die hun roept tot den

                krijgsdienst ?

                Om deze oorzaeken zal deezen Bevel-Brief in alle kerken van dit Aertsbisdom

                geleezen en afgekondigd worden in het pastoreel sermoon, den eersten Zondag

                naar deszelfs ontfangen.”

                Pastoor De Heuck schreef daar zonder de minste kommentaar onder : “niet

                afgelezen.”

                Wat de vikarissen niet vermochten, poogden zij te laten uitvoeren door de

                sabelslepers.

                Op 23 november 1809 bracht de officier van Leest pastoor De Heuck de op schrift

                gestelde aanzegging :

                “Mynheer Pastoor moet positivelyk verclaeren ofte hy van sin is te singen in de

                goddelycke diensten den Domine, salvum fac imperatorem nostrum Napoleonem,

                want moet hetselve dese week overgeven in de prefecture.”

                 (get.) J. Somers,maire.

                De Heuck kreeg blijkbaar een paar dagen bedenktijd.

                Op zondag 26 november antwoordde hij de maire (de burgemeester) in de

                sakristie van de kerk :

                “Wat u van mij eist is van die aard dat ik het wel zou willen doen, maar dat ik het

                in geweten noch mag noch kan.” En op de envelop die hij mee in zijn kerkarchief

                wenste op te bergen schreef hij :

                “Te singen voor den Keyser en eerst voor den oorlog, en niet voor de peys.

                Geweygert.”

                Men kan zich afvragen waarom de opstandige pastoor de daaropvolgende dagen

                niet werd gearresteerd. Ontzag men hem wegens zijn wankele gezondheid ?

                Of vreesde men voor een volksoproer wegens zijn populariteit ?

                Wij beschikken vooralsnog niet over de nodige documenten om daarop te

                antwoorden. (Simon De Heuck – pastoor te Leest – Dr.J.Muyldermans)

    17-02-2012 om 17:26 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

                voor zijn jongste zuster Maria-Anna De Heuck.

     

    1800 – Nadat Napoleon te Parijs aan de macht was gekomen ging de vervolging van de

                katholieke godsdienst aan het luwen.

                Reeds op zondag 16 november kon pastoor De Heuck, tot zijn grote vreugde,

                wederom een godsdienstoefening houden in de pastorij van Leest. Hij noteerde

                daarover :

                “Heden begonst publieken dienst te doen ten woonhuyse van den heer Pastoor,

                en voor de laatste reyze gezongen had, te weten op den 24 september 1797.”

                Van die dag af stonder er regelmatig missen aangekondigd.

                Het zou echter tot 16 augustus 1802 duren vooraleer de eerste begrafenis in de

                parochiekerk werd gecelebreerd.

     

    1800 – Jaak De Maeyer volgde A. Van der Hulst op als burgemeester te Leest. (tot 1802)            

     

    1801 – Op 15 juli 1801 werd tussen de gevolmachtigden van de paus en die der Franse

                Consuls een concordaat gesloten.

                Paus VII bekrachtigde het op 24 augustus 1801.

                Daarmee waren de moeilijkheden tussen kerk en staat echter niet van de baan.

                Waar voordien de meeste hogere geestelijken zich kordaat tegen iedere inmenging

                in religieuze aangelegenheden hadden verzet, trof men nu o.m. op een aantal

                bisschopszetels zoollikkers en Napoleon gezinden aan. Het stelde de lagere

                geestelijken vaak voor zware gewetensproblemen.

                Op 20 november 1801 deed de aartsbisschop van Mechelen, kardinaal de

                Franckenberg, op verzoek van paus Pius VII afstand van zijn bisschopszetel.

     

    1802 – Dat jaar barstte opnieuw de “Tiendenklok”. Ze was amper hergoten geweest in

                1788.

                Daar het tiendensysteem tot het verleden behoorde en voor een nieuwe klok geen

                Beroep meer kon gedaan worden op Kortenberg, moesten de parochianen er zelf

                voor zorgen.

                De kerk zat op dat ogenblik zonder klokken : de middenklok was namelijk op

                bevel van de Fransen in 1798 kapot geslagen.

                De kleinste klok “Sint-Niklaas” genoemd, (uit 1608), die sinds 1773 gebarsten

                was, werd op 19 januari 1790 in ’t geniep stukgeslagen door Paulus Joannes Van

                Den Voerde, Carolus Jozef Peeters en Carolus Van Asch, omdat de pastoor de

                klok niet wou laten herstellen op kosten van de kerkfabriek. (WLS,blz.27) 

     

    1802 – Pieter Jan Moeremans volgde J. De Maeyer op als burgemeester te Leest. 

     

                Hij werd geboren te Blaasveld in 1749 en vestigde zich te Leest in 1787.

                In de bevolkingsboeken van 1819 werd hij vermeld als kostganger bij de

                familie Fierens uit het dorp. Als beroep noteerde men hovenier.

     

    1802 – Op 4 juli 1802 werd Joannes-Amandus de Roquelaure, oud bisschop van Senlis

                en gunsteling van Napoleon, als aartsbisschop van Mechelen ingehuldigd.

                In de tussentijd, die na de afstand van de Franckenberg en de inleiding van de

                Franse kerkvoogd verliep, had de vicaris-generaal de Lantsheere het bisdom

                bestuurd in de naam van de Franckenberg, die nog altijd administrator apostolicus

                gebleven was.

                Wanneer later, op 11 juni 1804, kardinaal de Franckenberg zou overlijden, wijdde

                pastoor De Heuck hem een uitgebreide bladzijde “tot nagedachtenis en hulde aan

                zijn uitstekende deugd en aan zijn wijselijk bestuur in zo’n beroerde tijden.”

                (Dr.J.Muyldermans – Simon De Heuck)

     

    1803 – 3 mei : Het Concordaat legde de kerkdienaars weer de eed van trouw op zij het

                een afgezwakte eed. Vicaris Generaal Huleu was de celebrant in de St.-

                Romboutskathedraal en de notabelen van de Sous Préfecture van Mechelen waren

                aanwezig. Zij zaten in het koor.

                Onderprefect Wargny ging bij het evangelie voor het altaar staan.

                Hij was de eerste die de eed uitsprak.

                De tekst in het Frans of in het Latijn lag op een stoel met een kussen naast het

                evangelieboek.

                Ook de pastoor van het arrondissement Mechelen onder wie Philippe Joseph

                Libotton, pastoor van Hombeek en Simon De Heuck pastoor van Leest legden

                gezamelijk de eed af. Dit gebeurde op 3 mei 1803.

                De Nederlandse vertaling uit die tijd luidde :

                “Ik sweere en belove aen Godt, op de heylige evangelie, van gehoorzaemheyd

                en getrouwigheyd aen het gouvernement te houden, opgelegt door de consitutie

                der fransche republiek. Ik belove ook van geene onderhandeling, van aen geene

                raed mede te helpen van eene saemensweiring ’t sij binnen, ’t sij buytenlands,

                die aen de publike gerustheyd tegenstrevig zijn en indien in mijn bisdom of elders

                ik verneme dat er eenige saemensweering geschiedt tot nadeel van den staedt,

                zal ick het gouvernement daer van in kennis geven.”

                (WDK, ’t Ridderke, nr.2-1998)

     

    1803 – Op 21 juli 1803 bezocht Napoleon Bonaparte Mechelen. (MK-1803)

     

    1803 – 16 september : Sedert twee eeuwen werd een gedeelte van de wijk Haksdonck

                of Oxdonk, grenzend aan de parochie Leest, maar deel uitmakend van Kapelle

                op/den Bos, bediend door de pastoors van Leest.

                Het concordaat, gesloten tussen paus Pius VII en Napoleon I, bracht er

                verandering in.

                Voortaan zou de grensscheiding van het departemen der Twee Nethen de

                grensscheiding zijn der parochiën in dat departement gelegen, en de

                grensscheiding van het departement der Dijle zou eveneens de scheiding zijn der

                parochieën binnen dat departement gelegen.

                Leest, in het departement der Twee Nethen, verloor dus zijn brabantse wijk,

                samen 23 huisgezinnen met ongeveer 130 zielen.

                Dit werd aan pastoor De Heuck kenbaar gemaakt op 16 september 1803 door zijn

                collega Buysen uit Kapelle o/d Bos. (DB, nr.6 – juni 1957)

     

    “Kapelle, 16 september 1803

     

    Zeereerwaarde Heer Pastoor,

     

     

    Vooraf een vriendelijke groet.
    Ik verwittig U, hoogwaardige Heer, dat de wijk Oxdonk, die nu reeds behoort tot het territorium of burgerlijk gebied van Kapelle, ook voor het geestelijk gebied door de recente beschikking van de Franse regering overgedragen wordt aan de geestelijke jurisdictie van mijn parochie, zodat de bewoners van die wijk van nu af moeten worden geacht mijn onderdanen te zijn, tegenover wie ik alle herderlijke taken voortaan gerechtigd ben uit te oefenen, zoals de aartsbisschop van Mechelen mij liet weten, waaromtrent ik U kennis geef, zodat vanaf de ontvangst van deze brief alle jurisdictie, die te voren aan uw zorg was toevertrouwd, helemaal ophoudt.

    Daarom is mij opgedragen morgen na de Mis op een andere manier dit bekend te maken zodat het aan allen wie betrekking heeft naar behoren ter kennis wordt gebracht en zij er zich naar schikken.

    Wees er ondertussen van verzekerd dat ik in alle vriendschap en hartelijke genegenheid teken, eerwaarde heer.

    Uw dienstwillige dienaar en collega

    F.E. Buysen, pastoor te Kapelle.” (’t Ridderke, nr.3 – 1999)

     

    Pastoor De Heuck liet het daar niet bij en schreef op zijn beurt een brief naar de aartspriester Huleu (25/10/1803)  maar die wees hem onmiddellijk terecht. Dezelfde dag schreef Huleu terug dat de beslissing definitief was.  

    17-02-2012 om 17:22 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    1798 -  Op 4 november meldde commissaris Auger :

                “Mechelen blijft rustig, doch verleden nacht, van 2 uur af, weerklonken volop de

                stormklokken te Hombeek, Leest en Heffen, het kanon bulderde herhaaldelijk en

                geweren knalden.”

                Die dagen opereerden de brigands in Bornem en Willebroek.

                De Fransen rukten in de vroege morgen met hun kanonnen van uit Mechelen

                op  maar werden te Heffen aan de Zennebrug opgewacht door de voorposten

                van Rollier. Na wat geschut brak de weerstand. De plaatselijke smid werd

                verplicht de ketens te breken en de ophaalbrug werd neergelaten.

                De legertrein met kanonnen en munitiewagens kon nu verder om de dorpen

                Tisselt, Blaasveld, Willebroek, Bornem en St.-Amands te zuiveren.

                Daar werd twee dagen zwaar gevochten.

                Op 6 november schreef Auger dat zijn torenwacht meldde dat hij brand in

                Bornem kon waarnemen en de gloed duidelijk zichtbaar was.

                De Brigands werden verpletterd.

                Kort daarna lag de hoofdmacht van de opstandelingen in de zuiderkempen in de

                streek van Geel, onder leiding o.m. van de boerengeneraal Van Gansen, evenals

                bij Mechelen en in het Hageland.

                Op 12 november viel Diest in hun handen, doch ook hier moesten de Boeren

                weldra voor de overmacht wijken en werden zij verdreven naar de Limburgse

                Kempen.

                Op 4 december 1798 maakten zij zich meester van Hasselt doch bezweken daags

                onder het artillerievuur van het Franse leger.

                Na het neerslaan van de Boerenkrijg verscherpten de Fransen de repressie tegen

                de  tegenstanders van het nieuwe regime : deportatie van niet-beëdigde priesters

                (in het departement van de Twee Neten waren er slechts 10% die de vereiste eed

                hadden afgelegd), strenge toepassing van de wet op de conscriptie, zwaardere

                belastingen enz.

                De toestand zou voor de inwoners van de Verenigde Departementen slechts

                verbeteren na de staatsgreep van generaal Bonaparte op 18 en 19 brumaire jaar

                VIII (9-10 november 1799) met de oprichting van het Consulaat en de invoering

                van de grondwet van het jaar VIII.

                Aan het hoofd van de departementen zouden de vroegere beheerders vervangen

                worden door prefecten die alleen aan de Eerste Consul rekenschap verschuldigd

                waren. Onder hen stonden de onderprefecten voor de arrondissementen en de

                maires voor de steden en de dorpen. (Leest : Van der Hulst,  De Maeyer,

                Moeremans)

                Deze ambtenaren zouden ook nog bijgestaan worden door rechtstreeks of

                onrechtstreeks door de uitvoerende macht benoemde raden van de prefecturen,

                arrondissementen en municipaliteiten.

                De eerste prefect van het departement van de Twee Neten was Charles Joseph

                Fortune, markies d’ Herbouville, een authentiek edelman stammende uit

                een familie uit Normandië.  Hij werd in 1805 vervangen door een

               “koningsmoordenaar”, Charles Chochon (die zijn weinig aantrekkelijke naam

                onder het toevoegsel de l’ Apparent mocht verbergen).

                In 1809 werd opnieuw een edelman tot prefect benoemd in het departement van

                de  Twee Neten : Marc Rene Marie de Voyer d’ Argenson.

                Hij bleef deze post bekleden tot 12 maart toen hij vervangen werd door baron de

                Savoye-Rollin die de laatste prefect van de Twee Neten was.

     

                In 1798 werden alle sterfgevallen van de parochie Leest opgetekend door koster

                J.F. Van Varenbergh. Dat blijkt uit een “quod attestor” van pastoor De Heuck,

                van 4 december 1800. Van dezes vader noteerde de pastoor :

                “1801, 19 meert, sterfdag van Judocus Van Varenbergh, geboortig van Dieghem;

                sterft in den gezegenden ouderdom van 85 jaar en 10 maand. Tijdens 36 jaar,

                3 maand en 14 dagen was hij hier koster geweest; zijn vrouwe Ann. Ther. Petron.

                Elias, dochter van den vorigen koster Franc. Elias, stierf op 26 februari 1808, oud

                zijnde 82 jaar, 3 maand en 15 dagen.

                Koster Van Varenbergh “solemniter sepultus est per custodem humbecanum in

                cemeterio”, werd plechtig begraven door den koster van Humbeek op het

                kerkhof.” (Simon De Heuck, pastoor te Leest – Dr.J.Muyldrmans)

     

    1798 – 26 november : Bij arrest van de 6de frimaire van het jaar VII (26 november 1798)

                genomen te Parijs door het Directoire exécutif van het Ministère de la Police

                générale de la République, werd bevolen om de personen op te sporen die deel

                hadden genomen aan de gewapende samenscholingen te Tisselt, Kapelle-op-den-

                Bos en Ramsdonk, met de opdracht hen voor dit Directoire te leiden.

                De lijst omvatte 85 namen. Enkelen onder hen hadden banden met Leest :

                -Bulens Ferdinand,46 jaar oud, woonachtig te Kapelle-op-den-Bos maar geboren

                te Leest en weduwnaar van Dorothea Dietens, stond vermeld op de lijst van de

                aan te houden personen.

                Hij was een zoon van Petrus Joannes Buelens en van Anna Maria Buelens.

                -Huysmans Gillis (gedoopt Kapelle-o/d-Bos 20/9/1774), landbouwer te Kapelle-

                op-den-Bos was gehuwd met Joanne Buelens die geboren was te Leest op

                20 mei 1775 als dochter van Petrus Joannes Buelens en Anna Catharina Peeters.

                Egidius “Gillis” Huysmans kwam tweemaal voor in de lijst van de aan te houden

                Personen.

                -Jenné Jaak (gedoopt te Kapelle-op-den-Bos 6/5/1772) was een zoon van

                Philippus Jenné en Catharina Steps. Zijn vader Philippus hertrouwde op 67-jarige

                leeftijd met Joanna Bal, een jongedochter van 50 jaar die geboren was te Leest

                als dochter van Mathias Bal en Catharina Smedts.

                Jaak Jenné werd aangehouden op 6 december, overgebracht naar de Hallepoort te

                Brussel waar hij werd opgesloten en op 14 december gedeporteerd naar

                Valenciennes.

                -Muyldermans Joannes Baptista werd te Leest gedooopt op 25/1/1778 als zoon

                van Jacobus Muyldermans (°Leest 1735 - +Leest 1787) en Joanna Van Den

                Heuvel.

                Hij was landbouwer en huwde te Kapelle-op-den-Bos met Joanna Talboom

                Leest 7/2/1785 - +Kapelle-op-den-Bos 2/10/1860).

                Hij stond eveneens opgenomen in de lijst van de aan te houden personen.

                -Peeters Cornelis (°Kapelle-op-den-Bos 3/1/1771), was dagloner en gehuwd met

                Anna Maria Van Den BrandeLeest 20/11/1784) dochter van Petrus en van

                Joanna Maria Dietens eveneens geboren te Leest.

                Ook Cornelis Peeters stond op de lijst, werd aangehouden en gedeporteerd naar

                Valenciennes.

                -Robyn Karel (Carolus)(°Kapelle-op-den-Bos 7/10/1774), was gehuwd met

                Elisabeth Van den BrandeLeest 10/2/1775) dochter van Petrus Van den

                Brande en van Joanna Maria Dietens.

                De naam van Karel Robyn stond bij de anderen.

                -Troch Antoon (°1740) huwde te Leest op 15 mei 1764 met Anna Maria

                Quackels (Quackeleers, Quackelaer) (°Leest 21/9/1739) een dochter van

                Christianus Quackels en Petronilla De Weerdt.

                Antoon Troch was landbouwer en woonde met zijn gezin aan het kanaal.

                Hij overleed op 58jarige leeftijd tijdens het gevecht aan het Brughuis te Kapelle-

                op-den-Bos, tijdens de nacht van 3 op 4 november 1798.

                (Francois Van Der Jeught, ’t Ridderke nr.2 van 1998)     

     

    1799 – In Willebroek werd de gesloten kerk in 1799 “Le Temple de la Loi” waar de

                officiële plechtigheden als huwelijken moesten plaats vinden. Op die manier

                wilde men het ritueel vertoon van de kerkelijke symboliek vervangen of

                nabootsen maar een paar maand later ging men terug over naar een zaal in het

                gemeentehuis. (WDK,’t Ridderke nr.2,1998)

     

    1799 – Toen pastoor De Heuck op 3 januari 1798 uit zijn huis werd gezet, werd de

                pastorij door de Franse staat verhuurd aan Jan Frans Bulens, die toen agent was

                van de gemeente, voor de huurprijs van 85 Franse Livres of 45 gulden 3 stuiver

                plaatselijk geld.

                Veertien maanden later echter, in maart 1799, werd de pastorij van Leest door de

                Franse natie publiek te koop gesteld. Ze werd verkocht voor een hoge prijs aan

                een schijnkoper, een zekere De Becker, de zoon van een dokter uit Boom, die de

                prijs echter nooit betaalde, maar die de pastorij opnieuw verkocht, ditmaal aan de

                helft van de prijs, 800 gulden aan Jan-Frans Jacques en Karel Bulens.

                Die kochten de pastorij om ze te vrijwaren.

                De helft van deze nieuwe koopprijs moesten ze onmiddellijk betalen, de andere

                helft na 6 maanden.

                Deze laatste kopers waren echter lelijk bedrogen, want deze koop was ongeldig en

                ze zagen hun geld nooit terug omdat die De Becker ineens spoorloos verdwenen 

                was. De koop werd door de Fransen nietig verklaard en op 24 februari 1801 werd

                de pastorij opnieuw verhuurd, voor de duur van drie jaar. Ditmaal aan Peter

                Moeremans, adjunct van meier De Maeyer Jacques en door Engel Van der Hulst.

                Ze huurden de pastorij in naam van de gemeente ten gebruike van de pastoor.

                Op 17 april 1801 kon de pastoor van Leest terug in zijn pastorij. (DB-1981)

     

    1799 – Op 24 september 1799 celebreerde Simon De Heuck, klandestien, de uitvaartmis

    Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    De weerlicht der geweren met een klein dondergeluid versmachtte het gerucht van de kogels op de borsten...

    Gelukkiger dan de 30 anderen was voor deze 11 de eerste slag ook de genadeslag.”  
      

     

    1798 – Op 1 november (Allerheiligen en volop in de opstand) werd een buitengewone

                zitting gehouden van de Willebroekse raad. Onder de aanwezigen was Elige

                Van Der Hulst, adjoint.

                “Pour découvrir les régistres de l’Etat Civil. Ceux de Willebroek ont (été)

                enlèvés de force au nombre d’environ 25 par le citoyen Jean Francois Peersman,

                habitant de Willebroek, (...)

                Celles de la commune de Leest au nombre de 7 ont été pris à la Municipalité par

                le citoyen C. Van Assche d’ apres les ordres des bourgois armés…”

                (WDK,’t Ridderke nr.2, 1998)

     

    1798 – Vanaf nu moest men om te huwen naar Willebroek gaan om een eenvoudige

                verklaring af te leggen in het gemeentehuis.. De trouwdagen waren gereserveerd

                op de 10de, 20ste en 30ste van de maand, de nieuwe rust- of zondagen dus.

                Tot dan trouwde men enkel voor de pastoor en in de kerk.

                Ward De Kempeneer vond –in deze periode dat de kerken gesloten

                waren  en er clandestien getrouwd moest worden (1798-1800), te Willebroek,

                slechts 5 huwelijken uit Leest, waarvan er drie echtparen zich al kerkelijk 

                verbonden hadden. Waarschijnlijk wensten die zich wettelijk in orde te stellen.

     

                Matheus De Win, 23 jaar en Anna Marie Mies, 25 jaar.

                Huwelijk op 10 Vendémiaire An 7 en la maison communale (29/9/1798)

                Hij was pachter te Leest en een zoon van Rombout De Win en Marian De Laet,

                pachters te Hombeek.

                Het kerkelijk huwelijk werd op 2 oktober ingezegend in een kapel te Leest door

                onderpastoor Milis van Hombeek.

     

                Christian De Roeck, 35 jaar en Anna Monica Selleslagh, 28 jaar.

                Huwelijk op 20 Vendémiaire, An 7 om 8 uur s morgens. (11/10/1798)

                Hij was herbergier te Hombeek, zij was de dochter van Gille Selleslagh en

                Anne Willems, pachters te Leest.

                Van hen werd geen kerkelijk huwelijk teruggevonden, noch te Hombeek, nocht te

                Leest.

     

                Charles Coeckelbergh, 32 jaar en Anna Catherine Verbruggen, 21 jaar.

                Huwelijk op 30 Prairial An 7. (18/6/1799)

                Hij was landbouwer en zoon van Charles Coeckelbergh en Anna Marie Van

                Assche, landbouwers te Leest.

                Ze waren reeds kerkelijk getrouwd op 6 juni 1799 te Leest door onderpastoor

                Milis van Hombeek.

     

                Guillaume Peeters, 35 jaar en Jeanne Elias, 26 jaar oud.

                Huwelijk op 10 Prairal An 8. (30/5/1800)

                Hij was landbouwer, zoon van Adrien Peeters en Jeanne Van Camp.

     

                Jean Francois Leemans, journallier 28 ans, et Marie Peeters.

                Huwelijk op 10 Prairal An 8 a la salle (30/5/1800)

                Hij was de zoon van Jean Leemans en Jacqueline Bernaerts.

                Zij een dochter van  Adrien Peters en Jeanne Van Camp, dagloners te Leest.

                Er werd geen kerkelijk huwelijk teruggevonden.

     

                De burgerlijke registratie van huwelijken werd na 1800 legio.

                Een kerkelijke trouw volgde kort daarop en werd eveneens geregistreerd.

                Dit bleef tot heden zo voor de personen die ook kerkelijk wensen te trouwen.

     

                Onderpastoor Jan Frans Milis moet een zeer moedig man geweest zijn. Hij

                trotseerde het gevaar om zijn gelovigen bij te staan niet enkel te Hombeek maar

                ook te Leest waar pastoor De Heuck ook verdwenen was.

                Huwelijken van Leest werden ook door Milis ingezegend maar waarschijnlijk

                te  Hombeek. Hoe het er juist is aan toegegaan is niet te achterhalen.

                Waarschijnlijk kwamen ze samen in een hoeve.

                Het gebeurde in het donker en zonder enige ceremonie, zonder verwanten of

                familieleden als getuigen.

                (WDK, ’t Ridderke nr.2,1998)

       1798 - Op 1 november signaleerde commissaris Auger van op de toren te Mechelen een

                zeer aanzienlijk getal opstandelingen langs de kant van Hombeek, Heffen en

                Leest.

                “...Des rassemblements ont toujours lieux dans nos environs, hier et toute la

                nuit. Aussi au moment que je vous écris, ils sont très nombreux du côté de

                Hombeek, Heffen et Leest. Du haut de la tour on voit bien l’ avant-garde

                Armé de fusile au nombre de trente environs.”

                Verder schreef hij nog dat vijftig infanteriesoldaten die vorige nacht van

                Brussel naar Mechelen gekomen waren en op hun weg vier gedoofde vuren

                met nog gloeiende as hadden ontdekt, wat er op wees dat brigands net daarvoor

                op de vlucht geslagen waren. In Mechelen was het wel rustig maar terreur stak

                de kop op. Hij kon er niet genoeg op drukken dat er een sterkere troepenmacht

                in de stad nodig was om vooral tijdens de feesten op te treden tegen de

                heetgebakerde volksmenners. De priesters waren de ophitsers.

     

                In de nacht van 3 op 4 november trokken de Fransen vanuit Brussel naar Kapelle

                op den Bos waar zij de Brigands verrastten.

     

                “De Brigands, die zich opgesteld hadden in de beboste omgeving van de oude

                sluis (Kapelle o/d Bos) langs de oostoever van ’t kanaal, werden door een Franse

                legerafdeling onder het bevel van luitenant Meinzveig, overvallen.

                Tijdens dit treffen werd de leider van de Brigands, F. Verhoeven, ernstig

                gekwetst, wijl de andere opstandelingen wisten te ontsnappen.

                Achtervolgd door de “Sansculotten” zochten enkelen onder hen het oud Brughuis

                als schuilplaats op. Onophoudend werd dit gebouw onder vuur genomen.

                Om aan de kogelregen te ontsnappen hadden al de ingeslotenen zich op de vloer

                gelegd.

                Na een minutenlange beschieting staken de Fransen het gebouw in brand.

                Toen het gans in lichtelaaie stond sloegen ze de weg naar Tisselt in.

                In deze gemeente richtten ze ook grote verwoestingen aan. Hiervan maakten de

                opgeslotenen  -een 25-tal- dankbaar gebruik om langs achter het brandend

                gebouw te verlaten en door de beboste streek naar veiliger oorden te vluchten.”

                (Het Vaartland – nr.4 – 1973)

     

    1798 – 3 november :  Volgens een brief van 3 november van Auger aan commissaris

                Leveque te Antwerpen hadden de brigands te Hombeek gepatrouilleerd en

                werd de brug er vernield. Verder schreef hij : velen hebben in diverse rapporten

                meegedeeld dat op dit ogenblik brigands zich ophouden in de streek van

                Hombeek, Leest, Heffen en Willebroek. Ze zijn het onderling oneens over de

                betaling van hun soldaten en bedreigen de rijke pachters hun hoeven in brand te

                steken als ze niet vergoed worden. De bruggen over de Zenne in Hombeek en

                Leest hebben ze afgebroken. Patrouilles en wachtposten van de boeren zijn nu

                op geen tien minuten van de stad verwijderd. Het is nu de hoogste tijd dat een

                afdoende troepenmacht daarnaar oprukt om deze omgeving schoon te borstelen.

                Hoe meer tijd er verloren gaat hoe gevaarlijker het wordt omdat ze dan de tijd

                krijgen om zich beter te organiseren, de dorpen te verwoesten en zich aan te

                passen aan de vermoeienis van de strijd...

     

    17-02-2012 om 08:50 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

                De consequenties waren dus duidelijk.

                Afgezien van de toenmalige zeer bedenkelijke socio-economische

                levensomstandigheden van de overgrote meerderheid van onze voorouders, was

                deze wet op de verplichte legerdienst onmiskenbaar de doorslaggevende

                factor die leidde tot de opstand, tot de Boerenkrijg.

                (Francois Van der Jeught, ’t Ridderke nr.2 van 1998)

     

    1798 – In het najaar van 1798 kwam het tot uitbarstingen van gewapend verzet die in de

                geschiedenis de naam gekregen hebben van BOERENKRIJG doch waarvan de

                deelnemers door de bezetters als “Brigands” werden bestempeld.

                Het departement van de Twee Neten stond in het centrum van deze kortstondige

                verzetsacties die de Fransen volledig verrastten.

                Een eerste kern van gewapend verzet ontstond in het gebied van Klein-Brabant,

                tussen Schelde, Rupel en het kanaal van Willebroek onder leiding van Emmanuel

                Rollier.

                Jan De Decker daarover in “De Band” 1958 :

                “In de nacht van 20 op 21 oktober 1798 breekt te Bornem de opstand van de

                Boeren los. De stormklok luidt er ’s anderendaags. Het geklep wordt weldra

                beantwoordt door al de torens van Klein-Brabant, tot tegen Londerzeel en

                Dendermonde.

                Emmanuel-Benedikt Rollier neemt te St-Amands het opperbevel van de Brigands

                in handen. Een Frans ambtenaar schrijft vanuit Walem: “Nooit heb ik een rumoer

                gehoord gelijk dat van deze nacht. Men hoorde op drie tot vier mijlen in het ronde

                niets anders dan het geklep der klokken, het geroffel der trommels, het gehuil

                der honden en der mensen en het knallen der geweerschoten. Te Walem bleef

                alles rustig.”

                Rollier zou voor korte tijd Dendermonde veroveren doch moest wijken voor de

                Franse versterkingen aangevoerd door generaal Collaud.

                Op 22 oktober trekt de Franse generaal Béguinot met zijn garnizoen uit Mechelen

                naar het omliggende om daar de rust te herstellen. De Brigands maken hiervan

                gebruik om de stad binnen te dringen. Zij verwaarlozen schildwachten uit te

                zetten en ze worden er door Béguinot, die onvoorzien terugkeerde, verrast.

                ’s Anderendaags doen de Boeren een nieuwe aanval maar zij worden in de rug

                aangevallen door generaal Mazingant en velen vallen in de handen van de Fransen

                die 41 krijgsgevangenen veroordelen tot de kogel. De oudste is 70 jaar en de

                jongste amper 19. De ongelukkigen worden ’s avonds aan de voet van  de Sint-

                Romboutstoren terechtgesteld. Onder hen bevinden zich Pieter Jacobs, zoon van

                Jacob en Anna Maria Meulders, geboren te Leest op 26 oktober 1757 en

                woonachtig te Sint Katelijne Waver en Filip Van Asch geboren te Leest op 5

                september 1731, zoon van Joannes en Anna Bercklaers.

                Volgens een aantekening van pastoor Hermans (pastoor te Leest van 1833 tot

                1854) was Filip Van Asch geen Brigand, maar was hij slechts toevallig te

                Mechelen.

                De anderen waren afkomstig uit Bonheiden, Muizen, Hombeek, Perk, Elewijt,

                Battel, Zemst, Hever, Heffen, Westerlo, Zaventem, Keerbergen, Mechelen..”

                De terechtgestelden werden verplicht hun eigen graf te delven voor ze

                gefusilleerd werden. (MK,blz.271)

     

                Voor outer en voor heerd,

                Een sterke boer die dierf,

                Te bidden overveerd !”

                De latere journalist en schrijver was zo fier als een gieter “iets” over Filip Van

                Elcke (hij verwarde Van Asch met Van Elcke) te mogen schrijven. Iets dat op

                de koop toe werd afgedrukt, bij Robert Lafosse, de Leestse drukker. Al voegde hij

                daar eerlijkheidshalve aan toe, dat hij de verzen zelf moest zetten en drukken...

                (Het Vaartland – nr.4 – 1973)

                Honderd jaar later, op 23 oktober 1898, had te Mechelen de inhuldiging plaats

                van het boetekruis, gedenkteken ter ere van de gefusilleerden van de Boerenkrijg.

     

                “Het Vlaamsch Nationaal Dagblad De Schelde” van woensdag 23 oktober 1935

                daarover :

     

                De Gefusiljeerden van Mechelen

     

    Wij herdenken heden de 41 gefusiljeerden van Mechelen die op 23 oktober 1798 vielen voor hun vaderland.

     

    Den 23n oktober 1798 werden te Mechelen 41 Vlaamsche mannen gefusiljeerd omdat zij in opstand waren gekomen tegen het Fransche regiem.

    De zogenaamde “gelijkheid, vrijheid, broederlijkheid” welke hun op de punt  der Fransche bajonetten werd gebracht door de beschavers van Europa.

    Herhaaldelijk poogden zij het juk af te werpen. Telkens werd hun poging in bloed gesmoord. (...)

    Een geschiedschrijver zegt van hen : “Wat aan hun opstanden ontbrak, dit waren met intelligentie en omzichtigheid begaafde leiders, keurmannen, die in revolutionnaire omstandigheden de massa door hun gezag, hun karakter en hun wilskracht beheerschen. Onze arme dorpelingen waren totaal aan zichzelf overgelaten, terwijl de bewoners van de steden als door vrees en afschuw bevangen waren en hun sympathie niet durfden te toonen tegenover deze moedige en glorierijke patriotten, die met gevaar voor hun leven de nationale zaak verdedigden. Anderzijds waren het gebrek aan organisatie, munitie en kanonnen een groote oorzaak van minderwaardigheid voor den opstand.”

    De opstandige gedachte was nochtans in zeer breede lagen der bevolking doorgedrongen.

    De revolutionnaire propaganda werd gevoerd door middel van volksliederen als het volgende :

    “Regeerders van dorpen en stee

    Nederlanders blijft nu bijeen.

    Wij moeten standvastig wezen,

    Om te wagen ons lijf en bloed

    Voor de Franschen zijn wij te goed.

    Om met schelmen en dieven te strijden,

    Dat zijn wij niet van zin,

    Liever den kogen ofte guillotien.”

     

    In Oktober 1798 had een opstand plaats, tezelfdertijd te Duffel, Lier en Mechelen.

    Den 22n Oktober had de opstand zich uitgebreid over al de gemeenten van hun kanton. De opstandelingen hadden voor doel Antwerpen te bereiken.
    Generaal Desjardin snelde toe met 900 man. Hij slaagde erin de opstand te dempen.

    Een joernalist van dien tijd, een half gederacineerde , gedenationaliseerde, (zoals zoovele joernalisten in ons land, ook in onzen tijd) die de verdrukkers naar de oogen zag, en die de opstandelingen “dirot” noemde, verhaalt als volgt wat er na het dempen van het oproer gebeurde :

    “Den dag daer naer wesende 23 octobre 1798 (2 Brumaire) vergaederde hier naer middag eenen krygsraed die vonnisten ter dood een-en-viertig van de gene die den gepasseerden dag gepakt waeren en op de bezonderste hoeken van de merkt stond het kanon met kannonniers met brandende lonten ende het garnizoen onder de waepenen, welke ongelukkige des avonds het kwaert naer tien uren de eerste vyftien, van het gevangenen huys gehaelt zyn, tusschen twee linien van soldaeten met brandende tortsen, een wagt voor en achter geleyd zyn naer St-Rombouts Kerkhof, niet wetende dat zy aldaer zouden ter dood gebracht worden, want vele van deze naemen hun brood dat sy hadden mede, niets anders denkende of zy wierden op Antwerpen getransporteerd.

    Maer aldaer gekomen zijnde en hoorende dat zij moesten doorschoten worden, riepen om bijstand den hemel aen, en seffens is het teken gegeven en zijn alle aldaer doorschoten. Naer de eerste executie hebben zij wederom vijftien andere gehaelt en dan nog elf.

    Welke eenenviertig menschen op eene halve uer daer hun leven gelaten hebben.

    Het is niet mogelijk te beschrijven het droevig gehuyl en geschreeuw van deze ellendige.

    Onder dezelve was er eenen of twee die ziende hun droevig eynde, hun lieten vallen voor dat de scheuten op hun gelost wierden, deze zijn daar doorschoten, geheel het kerkhof en den omtrek derzelve was afgezet met soldaeten en terwijlen die een en viertig dooden menschen daer laegen, gingen eenige ligte borgers die de fakkelen droegen, met eene wagt van franschen, naer het huys van Pet. Jos Gooris, grafmaker van St-Rombauts, om hem met gewelt te dwingen van die dooden komen te begraeven, hij zeggende, dat indien iemand konde getuygen dat hij dit voor desen gedaen hadde, hij gereed was het te doen en dat den gramaker woonde op het algemeen kerkhof buyten de Stad, en het direct nog indirect zijn werk niet en was ; -hierop zijn zij alle vloekende weg gegaen en hebben onder hun eenen grooten put gemaekt en naer hun alle berooft te hebben van dat zij aen hadden, zijn altemaal in een en hetzelve graf gedompelt, tot schrick en verbaestheyd van alle de inwoners dezer stad is hetzelfde geschied.

    Op waerheyd alzoo dit geschreven is.”

    George Eekhout, die aan deze gebeurtenis een roerend boek heeft gewijd, verklaard van deze opstandelingen : “GEHEEL ANDERS DAN DE KLASSIEKE SLACHTOFFERS VAN DEN HERTOG VAN ALVA, GINGEN DEZE BARREVOETERS DEN DOOD IN, ZONDER DOOR HET NAGESLACHT VEREEUWIGD TE WORDEN.”

    Wij hebben deze tekortkoming tegenover deze helden willen herstellen en plaatsen hier hun namen op dezen verjaardag van hun heldendood, als een ex-voto.

    Wij drukken hierbij den wensch uit, dat het comité der Ijzerbedevaart in het Ijzermonument een plaats moge vinden om de nagedachtenis van al onze sublieme “brigands” de eer te schenken welke haar toekomt.

    VOOR GOD, VOLK EN  VADERLAND.

     

    Noot :  de lijst met 41 namen vertoont een fout : de oudste gefusillieerde, de 67-jarige  Leestenaar Filip Van Asch wordt vermeld als “Filip Vanelcke, 70 jaar Leest.”

     

    Een uittreksel uit “Les Fusillés de Malines” van G. Eekhoud over de dag van 23 oktober 1798 te Mechelen :

     

    “Mazingant stond gereed om op de noodlottige lijst de namen van Tistiek en Tony uit te schrabben, hij lei de pen neer.

    Na een schijn van bespreking, gaf hij lezing van een lang vonnis dat op voorhand gereed gemaakt was en waardoor de 41 “Brigands” veroordeeld werden om neergeschoten te worden.

    Het arrest stelde vast dat het vonnis “dadelijk en volledig zijn uitvoering zou krijgen”.

    De “Brigands” aanhoorden, zonder veel verbazing te laten blijken, deze ongehoorde veroordeling.

    Zij rekenden er op dat hunne vrienden de stad zouden innemen en ze s’anderendaags zouden verlossen. Ze lieten zich gewillig naar het gevang brengen.

    Velen namen schikkingen voor de nacht. Afgemat door drie slapeloze nachten en drie dagen van opgewondenheid en vermoeienis sliepen zij weldra in, zo gerust als in hun schuren en afdaken.
    Buiten werden midderwijl de voorbereidselen voor hun terechtstelling voltrokken.

    Alvorens naar Brussel af te reizen had Béguinot uitvoerige orders gegeven opdat deze terechtstelling met grootse plechtigheid zou geschieden. Om de indruk van terreur nog te verscherpen, moest zij denzelfde nacht nog uitgevoerd worden bij het licht van toortsen en met de medewerking van het garnizoen.

    Sedert de zitting van de krijgsraad waren er op de vier hoeken van de Grote Markt kanonnen opgesteld samen met hun bedienaars en met aangestoken lont.

    Kwart over tien toog een escouade soldaten naar ’t gevang met opdracht er 15 man te gaan uithalen om ze naar de terechtstelling te voeren.

    Men wekte dezen die sliepen en men deed ze opmarcheren zonder hen te zeggen waar men ze naartoe voerde.
    De boeren zouden nooit gedacht hebben dat deze weluitgeruste soldaten in staat waren, in koelen bloede, ontwapende vijanden te vermoorden.

    Zelfs de beulen bleven werkloos ’s nachts!

    Enkele woorden welke zij hadden opgevangen deden hun veronderstellen dat en ze naar Antwerpen wou brengen.

    Dus namen ze hun karig reisgoed mee, geknoopt in een halsdoek en de knapzak met bruin brood.

    Zij stapten op tussen twee rijen soldaten en toortsdragers. Een afdeling opende de mars  en een andere sloot ze af.

    Zo kwamen ze aan op het St.Rombauts-kerkhof. Daar stelde men de 15 mannen op tegen den kerkmuur op ongeveer een meter van elkaar en zes soldaten stelden zich op voor elk der veroordeelden.
    Slechts dan kwam de waarheid tot het besef van vele dezer arme drommels die niet meer door den roes van de wapens en het gevecht opgezweept waren, en de reactie deed zich voor. Het gevoelen van zelfbehoud nam de overhand.
    Afgrijselijke tonelen speelden zich af. Enkelen vielen op de knieen, aanriepen de hemel, kropen tot aan de voeten van de beulen en trachtten hen de handen te grijpen.

    Daar zij geen meedogen konden wekken, riepen zij de hulp in der Mechelaars, die als toeschouwers waren samengeslopen en die nog nieuwsgieriger waren dan laf.

    De ruiters hadden er moeite mee deze kijkers op afstand te houden.

    De officier welke gelast werd met dit vuile werkje, voelde misschien zijn moed begeven, en om aan deze tonelen een einde te stellen, beval hij plots : “Vuur !”

    Man had, om dit afstotelijk werk te volbrengen, slecht-aangeschreven mannen aangeduid, lamzakken, het uitschot van het leger en bovendien slechte schutters.

    Tot ongeluk der veroordeelden was er ook nog mist.

    De wind blies de fakkels uit of deed hun schijnlicht nog meer beven, wat de soldaten die enig mededogen hadden in de onmogelijkheid stelde goed te mikken.

    De ongelukkigen spartelden ten andere als bezetenen en beletten aldus het executie-peloton zijn taak kort en goed te voltrekken...

    De geweren gingen af met een geluid van scheurend doek.

    Verscheidene boeren waren slechts gekwetst of zelfs maar licht geraakt.

    Zij rolden ten gronde en spartelden in wilde stuipen. Een tweede salvo stelde nog geen einde aan deze afgrijselijkheid.

    Men hoorde kermen. Ledematen bleven bewegen.
    Soldaten kwamen op de stervenden af en met pistool en sabel stelden zij er een eind aan.

    De massa der nieuwsgierigen scheen nauwelijks minder roerloos en stil dan de doden.

    Een tweede reeks van 15 man wordt aangevoerd.

    Alhoewel de officier, teneinde de voorgaande afgrijselijkheden te vermijden, de soldaten dichter bij hun doel had opgesteld, waren zij nog onhandiger en moesten tot driemaal toe herbeginnen, om eindelijk met pistool en sabel, de laatste doodsratel en stuip stil te leggen in die arme lichamen.

    Men ging dan de laatste 11 ophalen.

    Het waren de beste, de echte, de moedige onder de moedigen : Willem Tuytgen,(Bonheiden) Jan Michiel Van Rompaye, (Bonheiden) Rik Schalenberg,(Bonheiden)  Hendrik Heratens,(Bonheiden)  Jan Baptist Vervloet, (Elewijt) Antoon Van Eylen, (Elewijt) Gillis Bul(Zennegat), Michiel de Golder(Mechelen) en Pieter Bosmans(Keerbergen).

    Wanneer zij op het schrikwekkend prieel aankwamen, waar reeds 30 lijken uitgestrekt lagen, konden zij er niet over stappen, zo dicht lagen ze op elkaar. Zij waren verplicht er op te trappen en in hun bloed te polsen.

    De waardige jongens, door eenzelfde gevoel van eerbied en medelijden gedreven, lieten hun kloefen bij de ingang van het plein staan om niet te zeer op deze overblijfsels te drukken.
    Rik Schalenberg, spotter tot het bittere einde toe, riep de soldaten toe :

    “Een ogenblik dat ik plaats make voor uwe kogels !”

    En hij ontblootte zich om zich de opperste lust te gunnen de Franse soldaten te behandelen zoals hij hun plakkaten te Bonheiden behandeld had.
    De vrienden gaven elkaar den kus en maakten zich gereed om voor hun Rechter te verschijnen.

    Zonder tegen de muur te leunen, rechtop en fier, het hoofd omhoog, en voet vooruit om stevig te staan, de hoed in de hand, de blik open en frank op de geweren gericht, stond Willem Tuytgen, de zoon van de burgemeester, alsof hij de dood tegemoet wou gaan.

    Met vaste stem riep hij : “Voor God en Vaderland !”

    Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

                Doch de Republiek sloeg terug en :

                “Ingevolge een genomen besluit van 18 Vendémiare, VI° jaer (9 oktober 1797)

                werd den cardinael, op vrijdag (20 oktober 1797) om 5u des morgens in

                aenhouding gesteld en vervoerd in de gevangenis der Rekenkamer tot Brussel...

                vanwaer hy, den 23n om 3 u. ’s Morgens weggevoerd is langs Maestricht en

                Gelderland, om volgens zyn verzoek den Rhyn te passeren tot Rees, naer

                Emmerick.”

                Rome keurde het manhaftig gedrag van de Kardinaal goed, verklaarde in

                onbewimpelde woorden dat het niet geoorloofd was de republikeinse eed af te

                leggen en dat zij die de eed hadden gedaan, verplicht waren hem te herroepen, en

                tevens het schandaal te herstellen op de best mogelijke wijze, volgens de

                omstandigheden van tijd en plaats.

                Van de 209 priesters die het kanton Mechelen telde, waren er maar elf die de eed

                zwoeren : onder hen ook aartspriester Huleu.

                Onder de standvastig trouw blijvenden, in het spoor van hunne bisschop, stond

                pastoor De Heuck. Hij viel dan ook onder het gegtal der veroordeelden om

                weggevoerd te worden.

                Hierna vertaald het decreet dat hem en enige zijner buren en vrienden trof :

                “Het uitvoerend Directorie, gezien het verslag van den algemeenen minister en de

                stukken er bij behoorende, waaruit blijkt dat de hieronder genoemden bekend

                staan als de wreedaardigste vijanden der fransche Regeering en de instekers en

                opstokers der dweepzuchtige en oproerige samenscholingen, die op den 19

                Fructidor (5 september 1798) in het kanton Willebroek, departement der

                Twee-Nethen, hebben plaats gehad; en dat zij nu nog niet ophouden al hunnen

                invloed te gebruiken om het volk te verleiden tot ongehoorzaamheid aan de

                wetten en om het vuur van den burgeroorlog aan te steken;

                besluit krachtens artikel 24 der wet van den 19 Fructidor :

                Art.1. De genaamden 1° Guillielm. Luytens, recollect te Mechelen en gehuisvest

                te  Willebroeck.

                2° Jac. Snagels, gewezen pastoor van Ruisbroek en alsdaar gehuisvest.

                3° Franc. Vermeerschen, gewezen pastoor van Ruisbroek en aldaar gehuisvest.

                4° Jan Baptist Arents, gewezen onderpastoor van Ruisbroek.

                5° Matth. Hendrickx, gewezen onderpastoor van Thisselt en aldaar gehuisvest.

                SIMON DE HEUCK,  gewezen pastoor van Leest en aldaar gehuisvest.

                7° Claes, gewezen capucien, in Ruisbroek gehuisvest.

                8° Gilb. Jos. De Backer, gewezen pastoor van Hombeek en daar woonachtig.

                9° Jan Frans Milis, gewezen onderpastoor terzelfde plaetse.

                10° Adriaan Ceuppens, gewezen pastoor van Heffen en aldaer woonachtig,

                zullen aangehouden en weggebracht worden.

                Art.2. De Minister van de algemene politie is belast met de uitvoering van dit

                besluit, dat niet zal gedrukt worden.”

                (getekend) Merlin.   

                (Simon De Heuck – pastoor te Leest – Dr.J.Muyldermans)

              

                Pastoor De Heuck vond echter een goed schuiloord in de woning van de bejaarde

                Jonkvrouw Joanna Antonia Josepha Pauli ter Moortere (waar later de woning

                van  Frans Verwerft zou komen in de Vinkstraat) : daar droeg hij de mis

                op, doopte de kinderen en zegende huwelijken in.

     

                De laatste mis die in de kerk van Leest was opgedragen, dateerde van 29

                september 1797.

                “Vanaf 30 september”, schreef hij in ’t latijn, “dragen wij onze H. Mis op in een

                verborgen kamer, ’s morgens vroeg rond drie uur en als het uiterst nodig was

                gingen wij ’s nachts in het geheim de laatste sacramenten toedienen aan de

                zieken.”

                De 31-jarige koster Jan Frans Van Varenberg zou voortaan de kindjes dopen en

                de doden ter aarde bestellen, dit zonder enige plechtigheid.

                De bijkomende doopceremoniën zouden door de pastoor ten gepaste tijde

                aangevuld worden.

     

    1797 – Voor de Franse inval in ons land, droegen de huizen geen huisnummers, maar een

                eigen , dikwijls zeer pittige en schilderachtige naam.

                In 1797 werd een eerste nummering van de huizen doorgevoerd, maar nog jaren

                lang bleven de oude benamingen in de volksmond voortleven. (MK)

     

    1797 – In het huwelijksregister, achter het huwelijk van 13 september 1797, voegt

                pastoor De Heuck toe :”...bij het zo goddeloos verbod der fransche natie, ons op

                29/9/1797 door de militaire macht meegedeeld, hebben wij ons onthouden van

                alle bediening van de godsdienst en van alle uitoefening van pastorele functie.

                De volgende mijner parochianen (gevolgd door een lijst) zijn dan getrouwd voor

                De Z.E.H. Cornelius De Haen, pastoor van Walem, aan wei tot nu toe voornoemd

                verbod nog niet besteld is...” (DB, nr.2 – 1957)

     

    1797 – Op 15 november 1797 richtte commissaris Scheppers zich tot alle kerkmeesters,

                kosters, pastoors,.. van zijn kanton. Hij deed het in het Nederlands in de hoop

                dat zijn boodschap wellicht beter gehoord zou worden :

     

                “Borgers,

     

                De Municipaliteyt is belast uyt krachte van het besluit der Centrale Administratie

                van 14 Brumaire ll. van binnen 10 dagen van den ontfanck van het voorseyde

                besluyt, eenen duydelycken staet over te geven vervattende de kerkckepriesters,

                huysen en kerkgoederen gespecifieerd in het besluyt van het uytvoerende

                Directoie van 5 Brumaire.

                Dus aansoeck ik u borgers om op u verantwoordelijkheid ter griffie der

                Municipaliteyt in te brengen binnen de 24 ueren naer het ontfangen dezer bij

                order van inventaris alle de registers, rekeningen, papieren, archieven,

                documenten en alle andere stukken betrekkelijk tot de kercken, kerckgoederen

                en generalijck alles wat eenige betrekkelijkheid heeft tot de goederen en tot de

                administratie der kercken.

                Degenen welcke niet zullen voldaan hebben binnen de 24 ueren aen de

                tegenwoordigen aenzoekbrief, zullen overgedragen worden aen de openbaren

                beschuldenaer om vervolgt te worden met de gestrengheyd der wetten.

                                         Heyl en Broederschap

                          Ondertekent J. Scheppers, commissaire

                         Voor Coppeye P.L. Driessens, greffier”.  

     

    1797- 25 november : De kerken in het kanton werden blijkbaar intussen gesloten zoals

                blijkt uit een brief van 25 november 1797 van commissais Scheppers.

                Daarin verklaarde hij dat hij militairen gestuurd had naar Blaasveld om de

                opgengebroken kerkdeur te herstellen en daarna waren ze naar Leest gegaan.

                Daar was de kerkdeur ook opengebroken en waren kerkmeubelen gestolen.

                (WDK,’t Ridderke nr.2, 1998)            

     

    1798 – Op datum van 2 januari 1798 lezen wij in het doopregisterdagboek van pastoor

                De Heuck : “Uit hoofde van die onrechtvaardige wet van de Franse Republiek

                werd de pastoor uit zijn pastorij gezet door een zekere Peeters, die voor deze

                speciale opdracht gedelegeerd was.

                Hij was van deze parochie en verraadde aldus zijn afkomst.

                Hij was begeleid door een soldaat en door agent Jan Frans Beulens en Angelus

                Van der Hulst.

                Slechts drie dagen geleden verhuisde de pastoor naar het landgoed Ter Moortere

                van Jonkvrouw  Joanna Antonia Pauli”.

                Hij nam zijn meubelen mee, want, schrijft hij, “waren die in het voornoemde huis

                gebleven, ze waren met de rest aangeslagen geweest”.

                Pastoor De Heuck was op dat ogenblik 72 jaar oud.

                Hij betrouwde echter de situatie niet, daar verscheidene van zijn collega’s

                aangehouden en gedeporteerd waren naar Cayennes.

                Op aandringen van zijn parochianen “Consuasus per parochianos” verliet hij het

                Hof ter Moortere op 19 januari 1798 om negen uur ’s avonds om zich buiten

                Leest te gaan verschuilen.

                De feiten gaven hem gelijk, want hij werd tot tweemaal toe vruchteloos te  Leest

                opgezocht, “bis frustra requisitus”.

                Hij kwam pas terug naar Ten Moortere op 9 mei 1799, wanneer de lucht wat

                zuiverder  geworden was, om er zijn pastorale functies in het geniep te hervatten.

                Op 17 april 1801 nam hij terug zijn intrek op de pastorij en vanaf 12 juni 1802

                gebeurde de eredienst opnieuw in de kerk. (WLS,blz.27)

     

    1798 – Op 20 juli 1798 werd bij de Directoire het wetsvoorstel ingediend om door

                conscritie (dienstplicht) nieuwe manschappen onder de wapens te brengen,

                voorstel dat op 24 september van kracht werd.

                Deze wet, waarbij onmiddellijk 200.000 manschappen zouden worden

                opgeroepen voor het leger, werd reeds op 28 september datzelfde jaar te Brussel

                afgekondigd. Alle ongehuwde Fransen (waaronder dus ook de inwoners van de

                geannexeerde gebieden, dus ook alle Leestenaars) van 20 tot 25 jaar werden

                ingedeeld in vijf klassen: tot de eerste lichting behoorden de jongeren die op

                22 september 1798 twintig jaar zouden worden , de tweede lichting waren de

                jongeren van 21 tot 22 jaar enz.

                In vredestijd duurde de dienstplicht vijf jaar, in oorlogstijd een onbepaalde

                termijn en in  1798 was Frankrijk in staat van orlog.

    17-02-2012 om 08:44 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

     

    1796 – Leest en alle andere kleine gemeenten met minder dan 5.000 inwoners werden

                samengevoegd en maakten deel uit van de Administration municipal du canton

                de Willebroek.

                In het voorjaar 1796 moet de Municipale Raad van Willebroek samengesteld

                geweest zijn. De vertegenwoordigers van Leest waren  Angelus Van der Hulst

                als agent municipale en M. Coeckelbergh als adjoint.

                Commissaris van de Minicipale Raad was Scheppers, voorzitter was Spiette,

                Chirurgien, gewezen seigneur de Puurs.

                De agents municipeaux en de adjoints moesten in principe wettelijk verkozen

                zijn. Dit was niet gebeurd.

                Deze agenten werden aangeduid en van hen mag men aannemen dat ze door de

                overheid Fransgezind geacht werden. Ze mogen bij hen gerekend worden die

                vroeger het gedachtengoed van de Vonckisten verdedigden en zich keerden

                tegen de oude macht van kerk en adel. Hun aanstelling was engagerend maar er

                stond hen nog een zeer ondankbare taak te wachten.

                De agent en zijn adjoint waren onbezoldigde boodschappers. De vaak repressieve

                en  gehate wetten van de Fransen moest de Agent overbrengen naar de

                plaatselijke verantwoordelijken.

                Het volk werd ervan op de hoogte gebracht door de champetter die ze voorlas en

                aanplakte. De wetten op gebied van belastingen, confiscaties, kerksluitingen,

                verplichte legerdienst etc. gingen ze zelf meer en meer verfoeien.

                Buiten de grote morele druk werden ze door hun medeburgers in de gemeente

                veracht, bedreigd met brandstichting en zelfs met de dood.

                Ze werden het vlug beu en zegden hun moeilijke job op.

                (Ward De Kempeneer  in Boerenkrijgnr van ’t Ridderke, nr.2-1998)

                Ergens kan men Angelus Van der Hulst de eerste burgemeester van Leest

                noemen en dit tot 1800.           

       

    1796 – “Dit jaer verbod van processie te doen vanwege de Republiek”.

                (opgetekend 16 mei, 2e Sinksendag)

                In 1796 begon men in ons land de godsdienstwetten effectief toe te passen.

                De treiterijen naar de gelovigen en naar de kerkdienaars waren reeds legio maar

                in de loop der volgende maanden werd de Franse “vrijheid” een echte vervolging.

                De misvieringen op zondag konden niet bijgewoond worden omdat door de

                nieuwe kalender de meeste zondagen nu ook werkdagen geworden waren.

                Op 4 maart werden verder alle processies verboden en alle uiterlijk vertoon zoals

                bedevaarten of de berechting van zieken en stervenden.

                In april ging men nog een stap verder en alle uiterlijke tekenen van godsdienst

                was uit den boze.

                Het luiden der klokken mocht enkel nog op Franse burgerlijke feesten.

                De pastoor moest er uit zien als een gelijke “citoyen” en werd verplicht gewone

                burgerkleding te dragen.

                De armenzorg mocht niet langer een kerkelijke zorg zijn maar moest bij de

                gemeenteambtenaren komen.

                Het onderwijs moest vanaf nu door de gemeente ingericht worden.

                In juni verschenen de wetten op de Burgerlijke Stand. De pastoors moesten hun

                boeken met doopsels, huwelijken en overlijdens inleveren en de agent

                municipale of zijn adjoint werden nu de verantwoordelijke ambtenaren voor deze

                registraties. In september werden de kloostergoederen in beslag genomen voor

                openbare verkoop.

                (W.De Kempeneer, ’t Ridderke nr.23 van 1998) 

     

    1796 – In 1796 verzekerden de tienden van Leest aan de abdij van Kortenberg een

                gemiddelde opbrengst van 3.080 gulden. (DB-1959)

     

    1796 – 3 juni : “Lijkmis van Maria Anna Morijn. Zij is het eerste lijk, ’t welck in stilte

                begraven is. O grouwelijke Republiek.” (Notitie pastoor De Heuck)

                (Nvdr : in stilte begraven, zonder priester, zonder kruis. Alleen de koster

                vergezelde de lijkbaar tot aan het graf. Velen zouden volgen).

     

    1796 – 3 augustus : “Den greffier van het canton Willebroeck aen den borger Van der

                Hulst, agent municipal van  Leest.

                Borger, Gij sult soo haest doenellijk Ue. begeven bij den heer Pastoor van uwe

                gemeynte ende gy sult hem in den naam van de weth aensoeken, dat hy aen Ue.

                aflevere  alle de registers, de welcke bij hem berusten, rackende de doopen,

                houwelyken  ende sterfdaegen. 

                Gy sult de selve ten Ue. Huyse bewegen, en my daer seffens kennisse van geven,

                opdat ick aen de Heere eenen behoorlyken inventaris can afleveren.

                Indien gy weygering ontmoet, moet gy my daer van onderrighten, opdat ick door

                hooger hand deze weth doen wercken.

                Heyl ende... (getekend) De Amandel, secr.greff. Leest, 17 Thermidor,4e jaer.”

     

                Dezelfde dag, 3 augustus 1796, werd dit stuk aan pastoor De Heuck besteld :

                “Op ende met het origineel van desen hier voorstaenden brief, heeft den

                eersaemen Angelus Van der Hulst, als agent der parochie van Leest, sig begeven

                den 3n dagh der maent Augusti 1796 ter pastorye van het voorse Leest, en van

                den Pastoor afgeheyst alle de doops-, houwelycks- ende doodsregisters der

                parochie van Leest.

                Ende diensvolgens bekenne de onderschrevene uyt handen van den voornoemde

                Heere Pastoor van Leest geligt te hebben deze vier volgende doopsregisters,

                waarvan den eersten bestaende uyt 24 half bladers in twee gevouwen in dier

                voegen genaeyt in perchement, begonst van den jaere 1599 onder desen titel met

                desen acte “Registrum baptizatorum in parochia Leestensi ab anno 1599

                September 1599 : die 21 hujus baptizatus est infans...” en eindigt met desen acte:

                1654. 6 Decembris baptizatus est...

                Besluyt : 657 doopsels. (Ook andere acten “opgelicht tegen synen wettigen danck

                en  verbintenis”).

                (DB, nr.2-1957)

     

                Het gold hier de toepassing van een wet van 20 september 1792.

                Een wet die ook stelde dat de municipaliteiten voortaan zelf de akten van

                geboorten, huwelijken, overlijdens moesten opmaken en bewaren.

                Vooraleer de kerkregisters werden weggehaald schreef pastoor De Heuck alles

                over wat hij maar kon. Alle doopsels, huwelijken en overlijdens vanaf het jaar

                1599 copieerde hij eigenhandig. Anderhalve maand heeft hij daaraan geschreven.

                (de oorspronkelijke kerkregisters berusten thans in het Staatsarchief te

                Antwerpen, de afschriften van pastoor De Heuck worden bewaard op de pastorij

                te Leest.)

     

    1797 – Joannes Franciscus Van Varenbergh volgde zijn vader Judocus op als koster

                te Leest.

                Hij was “custos et ludimagister” schreef de pastoor in het overlijdensregister.

                Koster en evenals zijn vader ook schoolmeester.

                Joannes Franciscus bleef jongezel.

                Nadat pastoor De Heuck door de Franse overheersers uit zijn pastorij was

                gezet en moest onderduiken, was het koster Jan Frans Van Vaerenbergh

                die de borelingskes ging dopen en de doden naar hun laatste rustplaats bracht.

                Dit gebeurde zonder enige plechtigheid. De bijkomende ceremonieën van de

                doop werden achteraf in het Hof Ter Moortele door de pastoor zelf aangevuld.

                Deze situatie duurde tot 1801.

                Toen Jan Frans Van Varenbergh oud en versleten was, hij telde toen 70 lentes,

                schreef hij op 19 oktober 1836, op aandringen van pastoor Hermans, een brief

                aan de aartsbisschop van Mechelen, om zijn ontslag aan te vragen :

                ...”Niet meer bekwaam zijnde door doofheyt en hoogen ouderdom om nog

                langs de plaats van coster, die ik nu reeds meer dan een halve eeuw bediend

                heb, met eer te konnen vervullen, geeve mijne demissie aen zijne

                Hoogweerdigheyd den Aertsbisschop van Mechelen, hoopende dat men

                zoodanige arrangementen ten mijnen opzigte zal nemen, dat ik weynig van mijne

                gewoonelijke inkomsten verlieze, terwijl ik arm zijnde de zelve noodig heb om

                te kunnen subsisteren. Blijve met alle agting, enz...”

                Hij schreef ook een gelijkaardige brief naar de burgemeester van Leest om zijn

                ontslag te krijgen als onderwijzer. Dit ontslag werd hem graag toegestaan.

                Er werd hem ook voldoening gegeven op materieel gebied : hij mocht blijven

                beschikken over een gedeelte van het kostershuis (waar ook het nieuwe

                kostersgezin Moortgat zijn intrek nam) en zijn jaarlijks inkomen (100 frank)

                werd hem uitbetaald.

                Joannes Franciscus Van Varenbergh overleed te Leest op 2 november 1843. 

                (De kosters van Leest, De Band-november 1985)

     

    1797 – In 1797 werd van de priesters een eed afgeeist van “haat tegen het koningdom”

                en tegen de regeringloosheid, van verkleefdheid en trouw aan de Republiek en

                aan de grondwet van het jaar III.”

                Tevens werd verklaard dat geen eredienst meer mocht uitgeoefend worden dan

                door geestelijken die beëdigd waren.

     

                Kardinaal de Franckenberg weigerde vlakaf de eed af te leggen en op de

                dwingende uitnodiging van commissaris A. Auger antwoordde hij kalm en

                vastberaden : “De catholieke, apostolieke ende roomsche religie die ik uyt geheel

                myn hert belyde, en van welke ik eenen der eerste herders ben, genoodzaekt

                zijnde het voorbeeld aen andere te geven, verbiedt my positievelyk eenen eed van

                haet te doen hetzy dat dezen haet zig rapporteert aen den persoon van eenen

                koning, hetzydat hy den staet van het koningschap zelf aangaet.”

     

    17-02-2012 om 07:09 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    1791 – 1792 : Peter Lauwens, een opmerkelijke getuigenis te Leest

     

                Uit de website van de familie Lauwens/Lauwers www.laurentii.be :

                Van Peter Lauwens is een merkwaardige getuigenis achtergebleven.

                De relatief rustig verlopen 18de eeuw, op uitzondering van de oorlog (1744-1748),

                werd bij het naderen van de eeuwwisselling door de bevolking eerder nerveus

                beleefd. Het begon reeds te gloeien rond 1789, met de Brabantse Omwenteling,

                waarbij in Mechelen in de Bruul werd geplunderd.

                Allerlei politieke strekkingen werden geboren zoals de vrijmetselaars, de

                Staatsen, de Vonckisten, de Keizerlijken, die allemaal hun eigen herbergen

                hadden.

                In 1792 was er een grote  vechtpartij in de Katelijnestraat, waarbij onder meer

                gebruik gemaakt werd van pistolen en degens. Hierbij was nota bene de concierge

                van het stadhuis betrokken en er viel een dode.Hetzelfde jaar vielen er gewonden

                bij een messengevecht in de ROOSELAER te Leest.

                In hetzelfde dorp bekende een jaar vroeger een man op een volkse manier in het

                openbaar dat hij de dochter van een schepene zwanger had gemaakt.

                De vader en dochter maakten van de aanwezigheid van tal van getuigen gebruik

                om de bekentenis te laten acteren bij een notaris. Hierbij de notarisakte :

     

                “Op heden den 7 february 1791 compareerde voor mij Notaris ondergeschreven

                geadmitteerd in Syne  Majesteyts Groote Raede tot Mechelen residerende present

                de ondergenaemde getuygen Petrus Lauwers oud omtrent de twee en veertigh

                jaren ende Franciscus Verschueren oudt omtrent de ses en twintigh jaeren beyde

                inwoonders van Leest de welcke verclaeren ten versoecke van Maria Catharina

                Van Asch oock inwoondersse van Leest, nochtans sonder inductie ofte juriactie

                van gemaeckt dan alleenelijck in faveur van justitia.

                Eedt biedende der aensoght sytede waerachtigh te wesen dat Jacobus Somers

                oock inwoonder van Leest op sondagh voor Kersmisse van den gepasseerden

                jaere 1791 voor den hooghmisse van het voorseyde Leest welcke gebeurt ten

                thien uren ten huyse van den eersten deponent aen den vader der requirant met

                naeme Matheas Van Asch geswoornen van het meergesegt Leest heeft gesegt

                in woorden : “Uw trien is vol”, daer mede willende denuteren de requrante,

                ik hebbe se oock geket daer mede willende seggen dat hij haer oock vleselyck

                bekent hadden verclaerende de deponenten den inhoude van hunne declaratie

                in de waerheyt te bestieren ende geven voor redenen van wetenschap de gene uyt

                hunne declaratie pretenderende ende het gene voord gehoort alene gedaen ende

                gepasseert binnen Mechelen present D’Heer Jan Franciscus Claes coopman ende

                Philippus Van Assche, als getuigen ten eenen versoght.”

     

                Jaak Somers belandde in ieder geval in de gevangenis van Mechelen, waar er

                melding wordt gemaakt van zijn vrijlating in 1795.

                Zijn moeder had naar het stadsbestuur een smeekbrief gestuurd met deze

                bedoeling. Niettemin moest moest hij binnen de 14 dagen ten behoeve

                van de armen 200 veertelen koren naar het stadsmagazijn brengen.

                We vermoeden dat hij de Leestse Jaak Somers is die op 23 oktober 1797

                te Walem huwde met Marie Katrien Voet.

     

    1792 – Franse Overheersing 1792-1815

     

                Tijdens een geweldige en bloedige revolutie werd in Frankrijk de koning

                vermoord en de Republiek uitgeroepen.

                De derde stand had zich van het landsbestuur meester gemaakt.

                Frankrijk verklaarde de oorlog aan Oostenrijk en viel met zijn leger ons land

                binnen.

                Gedurende meer dan een half jaar werd op onze zuidergrenzen gestreden, tot de

                Franse generaal Dumouriez er eindelijk in gelukte de Oostenrijkers bij Jemappes

                te verslaan.

                Op het einde van het jaar 1792 maakten de stad en de Vrijheid van Mechelen

                van nabij kennis met de Franse soldaten van de nieuwe Republiek.

                Van 16 november 1792 tot 24 maart 1793 was Mechelen in de macht van de

                Fransen.

     

                Voor de Fransen waren de Vonckisten een soort vijfde colonne die hen niet als

                veroveraars maar als “bevrijders van de Oostenrijkers” begroetten.

                (De aanhangers van Vonck streefden een regime na dat eerder de macht van het

                volk wilde herkennen. Ze voerden in hun schild “Pro Aris et Focis” –Voor Outer

                en Heerd- waardoor ze klaarblijkelijk de kerk en de bevoorrechte gezagsdragers

                respecteerden. Anderzijds namen ze al te graag de leuze van de Fransen in de

                mond “Liberté, Egalité et Fraternité”! De aanhangers van Van der Noot

                daarentegen wensten duidelijk een herstel van de vroegere macht in handen van

                kerkelijke gezagdragers, adel en notabelen.)

                Er werden nieuwe gemeenteraden samengesteld volgens democratische principes:

                L’Assemblée provisoire du première année de la République Belge.

                Dit gebeurde op 28 november te Mechelen maar ook wat later in de omliggende

                gemeenten. (...)

                In Leest werd deze plechtigheid nog meer luister bijgezet door de aanwezigheid

                van een eredetachement van het leger. Dit vernemen we uit volgend bericht :

                Il est ordonné au citoyen Guilleman, Maréchal de Logis du 20ieme régiment

                de cavallerie de se rendre à Leest avec un détachement ou il assistera a

                l’ élection des réprésentants.

                De nu zogenoemde representanten van het volk werden door den eed bevestigd in

                hun functie. Men kan deze personen die enkel de wil hadden verder te besturen

                zonder de Oostenrijkers moeilijk verdenken van collaboratie.

                Op dat ogenblik was er ook geen directe aanleiding om ze van Jacobijnse

                principes te verdenken. Geen twee maand later volgden de terechtstelling in Parijs

                van Lodewijk XVI en van vele andere edelen, bij ons werden vooral tegen kerken

                en erediensten baldadigheden gepleegd.

                De ogenschijnlijke goedwilligheid van de Fransen hield geen stand.

                De revolutionairen in Parijs gingen zich zodanig te buiten aan de bloedige

                repressie dat hierop internationale weerstand kwam. Met de hulp van de

                omringende landen die zich “de geallieerden” noemden, werden de Fransen uit

                onze gebieden verdreven en de Oostenrijkse keizer regeerde hier terug van maart

                1793 tot juli 1794. (Ward De Kempeneer in ’t Ridderke nr.2, 1998)

     

    1794 – In de naam van vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid begon in 1794 voorgoed

                de bezetting en de leegroverij van de Franse Republiek.

                Na de slag van Fleurus verscheen het Franse leger op 12 juli 1794 rond 14 uur

                voor de brug van Leest en viel het de Oostenrijkse bewakingstroepen aan.

                Ongeveer 2 uur lang werd er geschoten uiteindelijk verloren de Fransen

                in deze schermutseling vier man.

                Eén hunner sneuvelde vlak voor de pastorij, het betrof een  Hollander, Piet

                genaamd, in dienst van de Fransen.

                Tot welke religie hij behoorde kon niet achterhaald worden, men begroef hem

                op het kerkhof van Leest.

                De Franse troepen verbleven tot 15 juli te Leest en in de omliggende dorpen.

                Dan bezetten  zij gewapenderhand Mechelen, zonder echter het bloed van burgers

                te  vergieten en tevreden dat ze de Oostenrijkers op de vlucht hadden gedreven.

                Maar steeds zwaarder zou de druk van de Franse bezetter wegen op ons land en

                ons volk.

                Pas was de stad Mechelen door de Fransen ingenomen of “representant” Laurent

                legde een geweldige schatting op aan de stad en het district van Mechelen :

                1.500.000 Franse livres of ruim 816.666 gulden Brabants courant (de toenmalige

                munt in onze gewesten).

                De helft van deze reusachtige som, die dan nog spottend “contributie aea het

                Franse volk” werd genoemd, moest door de geestelijkheid worden betaald, de

                andere helft door de gilden en de rijke burgers.

                Het goud en het zilver van de kerken en de gilden werd onmiddellijk opgeeist

                om die contributie te voldoen.

                Op 17 juli 1794 kreeg Leest een brief van J. Pansius, uit naam “der Wethouders

                der Stadt en Provincie Mechelen” :

                “Wij inthimeren aen Ued. Geswoorne van den dorpe van Leest, geconvoceerd

                door hunnen respectieven mijer ten eynde de selve geswoorne in voldoening van

                het meer gemelde gearretteerde, in handen van mijne voornoemde heeren

                Wethouderen, morgen voor den acht uren voornoen, ten stadhuysen te bewegen

                allen het goud ende silverwerck alsmede allen het numeraire aen hetselve dorpe

                ende gemeynte competerende, waervan in het vervolg de nadere repartitie

                volgens equiteyt sal geschieden, hun prevenierende dat in cas van retard ofte

                wijgering, aen sig selven sullen hebben toe te wijten de onhijlen die uyt dit retard

                oft wijgering zullen volgen.

                Actum Mechelen, den 17 julii 1794”.

     

                Pastoor, kerkmeesters en bestuur van de plaatselijke gilde van de handboog

                werden op 18 juli te Leest opgeroepen.

                “...waerop ick als pastor, op den 19 Julii 1794, ten stadhuysen ben gecompareert,

                alwaer door eenen der schepen, door d’heere Decocq en den mijer Vleminckx

                geordonneert is, nog voor den avont allen het silverwerck der kercke over te

                brengen”.

                De volgende dag leverde de pastoor de zilveren kostbaarheden van de Leestse

                kerk in : een monstrans, een ciborie, een kelk en twee kronen. Ze werden te

                Mechelen in de waag gewogen : alles samen 12 pond zilver.

                Gelukkig kon pastoor De Heuck dit oude en geliefde bezit van zijn kerk afkopen

                tegen 500 gulden, een som die door mejuff. Maria Anna Fierens uit Leest werd

                voorgeschoten.

                “Wij ondergeschrevene Mattheus Van Asch als geswoornenen des dorpe van

                Leest, ende Petrus Selleslagh als kerckmeester van de voorgeschrevene parochie

                van Leest, attesteeren ende declareeren mits dese, op den 19 Julii 1794, uyt

                handen van den Hre. S. De Heuck, pastor te Leest, ontfangen te hebben eene

                silvere remonstrantie...enz... om door hun te transporteren ten stadhuyse der stede

                ende provincie van Mechelen tot voldoening aen de ordonnantie,...”

     

                De contributie legde aan kardinaal de Franckenberg, de aartsbisschop van

                Mechelen, eerst een som van 80.000 gulden Brabants op, later werd deze som nog

                verhoogd tot 112.000 gulden.

                Het kapittel, het seminarie, de kerken en kapellen, de kloosters, de pastoors en

                onderpastoors, ieder moest het hunne bijdragen. In feite werd de geestelijkheid

                voor bijna 4.000 gulden meer dan de helft belast in de opgeeiste schatting.

                Om hun aartsbisschop te helpen deden de gelovigen spontaal al wat ze konden.

                Te Leest ging de pastoor op 7 augustus met de bedelstaf rond en bracht 747

                gulden 18 stuivers en 2 oorden bij elkaar in zijn parochie. Pastoor De Heuck

                tekende daarover het volgende aan :

                “Op den sevensten Augusti 1794, door den Pastor van Leest binnen sijne parochie

                geligt, op het versoeck van het Capittel Metropolitaen tot secours in de

                voldoening der quote van tagentachtig duysent guldens over de contributie,

                door de fransche natie op 17e Julii laatstleden geëyscht tot laste van Syne

                Eminentie den Aertsbisschop van Mechelen, op intrest tegens vijf guldens courant

                per cento, (dog en is op ’t inbrengen maer vier en thien toegestaen) geld van geld

                ontfangen door den voornoemden Pastor ende uytgedaen vooreerst” :

                waarna hij een lijst opgaf van alle personen die bijdroegen.

                Ieder had het zijne bijgedragen : de ene 200 of 100 gulden, een andere slechts

                enkele guldens of één maar, naar gelang zijn draagkracht.

                Van intrest op deze zogezegde lening wilden velen niet weten : wie leent aan de

                kerk, leent aan God.  

                Voor het eerst kon op kerstmisdag 1794 te Leest de gedurige aanbidding niet met

                plechtigheid worden gevierd : de Franse troepen waren op doortocht.

                Het was een stille kerstmis met een eenvoudige dienst in de kerk. De mensen

                bleven verder rustig bij de haard.

     

    1794 – “In 1794 heerste er een wrede hongersnood. Onder de hoofdoorzaken van de

                schaarsheid mag ongetwijfeld het “maximum”, aan hetwelk de granen

                mochten verkocht worden, geteld worden.

                Men wilde ook de onbeduidende aanvoer op de markten toeschrijven aan de vrees

                der landlieden, van hunne paarden en karren door de Fransen te zien aangeslagen

                worden. Doch langs een anderen kant moet de kwaadwilligheid ook haar deel in

                het rijzen der prijzen gehad hebben.”

                (Delafaille, p.184 – MK,p.265)

     

                De winter 1794-1795 was streng. Vele mensen leden honger omdat door de

                schaarste aan voedingsmiddelen een welig tierende zwarte markt ontstaan was. 17-02-2012 om 00:00 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    1773 – 28 december : Benoeming van de  in Brussel geboren Simon De Heuck tot

                pastoor van Leest in  vervanging van de overleden J.F. Van Heymbeke en  op

                voorstel van de abdis  van Kortenberg.

                Weinige parochies bezitten een zo uitgebreid en met zorg samengesteld archief

                als Leest. Dat is in eerste instantie te danken aan pastoor De Heuck.

                Hij was geen kroniekschrijver maar bezat de feeling om zijn parochieregisters

                van interessante en juist gedoseerde aantekeningen te voorzien.

                Bovendien was hij begiftigd met een buitengewone energie en ijver.

                Onmiddellijk na zijn aanstelling organiseerde hij, per wijk, een “nieuwe

                heerdoptelling”.

                Datzelfde jaar, 1773, legde hij een nieuw overlijdensregister aan.

                Zijn grootste verdienste, op dat vlak, lag echter in het kopiëren van alle bestaande

                parochieregisters, toen die bij toepassing van de wet van 20/9/1972 in de loop van

                de maand augustus 1796 werden opgevorderd. Voortaan immers moest de

                burgerlijke overheid zelf de bevolkingsregisters bijhouden.

                De pastoor kopieerde vier doopregisters (aanvang 1599), drie huwelijksregisters

                (aanvang 1592) en drie overlijdensregisters (aanvang 1593).

                Anderhalve maand besteedde hij aan dit monnikenwerk.

                De oorspronkelijke kerkregisters berusten thans in het Staatsarchief te Antwerpen,

                de afschriften van pastoor De Heuck worden nog bewaard op de pastorij te Leest.

                Omdat hij weigerde de eed af te leggen aan de Franse republiek, werd hij, samen

                met zijn collega’s van Hombeek en Willebroek veroordeeld tot verbanning.

                Pastoor De Heuck dook onder en vond een schuilplaats in het Hof Ten Moortele

                in de Molenstraat.

                Drie jaar lang duurde deze toestand : de doden werden door de koster begraven en

                de  doopsels gebeurden in ’t geniep.

                Op 16 november 1800 kon hij, volgens zijn eigen notities, opnieuw in de pastorij

                en  zijn pastorale werkzaamheden hervatten.

                Maar ook nadien werd hij herhaaldelijk op het matje geroepen bij de Napoleon

                gezinde aartsbisschop de Roquelaure, omdat hij het spel van de Fransen weigerde

                mee te spelen.

                Pastoor De Heuck stierf op 28 mei 1812 op de leeftijd van 76 jaar 4 maanden en 29
                dagen.

                In 1948 werd te Mechelen door het Davidsfonds een stoet georganiseerd in het

                kader van 150 jaar Boerenkrijg.  In twee taferelen brachten Leestse verenigingen,

                onder leiding van Alfons Hellemans, hoe pastoor De Heuck uit zijn pastorij werd

                verdreven, een geslaagde evocatie van een stukje dorpsgeschiedenis.

                Kort na de fusie der gemeenten veranderden veel straten van naam, zo werd de

                Mechelbaan van dan af Pastoor De Heuckstraat. 

     

    1773 – Wat er allemaal te koop was in 1773.

                Een losse greep uit enkele aanbiedingen die in 1773 gepubliceerd werden in het

                “Wekelyksch Bericht, Aenkondigingsblad voor de stad en de provincie van

                Mechelen”, uitgegeven door drukker Joannes F. Van der Elst.

                “Schoone feyne canten voor manschetten ende coiffuren, oock diensigh voor alle

                priestersgewaet ende kerckelycke ornamenten.”

                “Te koop meubilaire effecten (goederen) , alsmede een buffet, staende horologie

                loopende 10 daegen, kaemerbehangsel,enz.”

                “Een wel geconditioneerde Brusselsche porcelijne kachel te koop : bruyn met wit

                gemailleert.”

                “Te koop seer schoone thulpen met de namen volgens de cataloge, bij Joannes

                Lutter, hovenier in de Meulestraat.” (GVA-15/5/1990)

     

    1782 – Het bovenste gedeelte van de kerktoren werd verbouwd in baksteen en witgekalkt.

     

    1783 – Bouw van het “Brughuis” aan de Zenne.

                Het huis werd gezet op de plaats waar in 1723 de woning stond van Martinus

                Willox. Die “huysstede” stond toen op 23 roeden (“Figuratief Caertboek” Jan

                Van Acoleyen – Kaartblad 3 Nr.1).
                Martinus Willox was een eerste maal gehuwd met Petronilla Bulens.

                Uit dit huwelijk werd op 17/11/1695 een kind geboren dat onmiddellijk

                overleed. Petronilla Bulens stierf de dag daarop. Martinus Willox huwde

                nadien op 21/2/1696 te Leest met Adriana Moortgat met wie hij 6 kinderen had :

                Catharina Christophora (°18/4/1697), Guilielmus (°12/8/1700), een doodgeboren

                dochter (°18/3/1704), Anthonius (°23/10/1705), Joanna (°13/2/1710) en Anna

                (23/2/1714).

                Op 18 juli 1860 kocht Joannes Franciscus Van Moer (geboren 1835) echtgenoot

                van Anna Francisca Peeters het Brughuis van zijn broer, Philippus Josephus

                Van Moer (geboren 1828 – onderpastoor te Mechelen).

                Op 21 oktober 1908 schonk Joannes Franciscus Van Moer het Brughuis

                aan zijn dochter Antonia Van Moer (geboren in 1863), echtgenote van

                Joannes Huysegoms.

                Op 3 januari 1911 kocht Josephus Albertus Apers het Brughuis van voornoemde

                Antonia Van Moer. Hij werd in 1919 de eerste zaakvoerder van de Boerenbond

                te Leest.

                Op 16 mei 1940 moest het gezin van Josephus Apers-Maria Victoria Neefs op

                bevel van het Belgisch leger het Brughuis verlaten. 

     

                Op 17 mei 1940 heeft het Belgisch leger de brug over de Zenne laten springen.

                Door de afwezigheid van de bewoners viel het Brughuis ten prooi aan plundering

                en liep het ook heel wat schade op door het springen van de brug.

                Een dossier wegens oorlogschade werd dan ook ingediend bij het Commissariaat

                Generaal voor ’s Lands Wederopbouw.

                Na de oorlog 40-45 lag de te herstellen brug op de Zennedijk.

                Hierin werd door o.a. Cesar Albert Apers (1918-1983) en beenhouwer Louis

                Croes (1910-1976) “Brugkermis” gehouden.

                Over de brug werd een dekzeil gespannen en tussen de beide voetpaden werd een

                planché  als dansvloer gelegd. Binnen deze “tent” werd dan een orgel geplaatst.

                Op 27 en 28 juli 1952 werd nogmaals een “Brugkermis” ingericht met o.a. een

                spiegeltent en tevens jazz bij Josephus Apers in de zaal van het Brughuis.

                In februari 1953 deelde het Brughuis in de klappen veroorzaakt door de grote

                overstromingen. De Zenne trad buiten haar oevers en het water liep langs voor

                het Brughuis binnen en langs de achterzijde naar buiten in de beemden.

                Soldaten bouwden toen een tijdelijke dam met zandzakjes (vaderlanderkens).

                Na het overlijden van Josephus Albertus Apers op 10 februari 1956 kwam het

                Brughuis in handen van zijn toen nog ongehuwde kinderen : Frans Lodewijk

                (1912-1985), Francisca Anna Maria (1913-1956)  en Jozef Frans Emiel Apers

                (1923-2002).

                Na het overlijden van hun zuster hetzelfde jaar bleven de beide broers de herberg

                met zaal uitbaten. Tijdens de kermis organiseerden zij zelfs het kermisbal in de

                zaal van het Brughuis. Zo hebben wij weet van o.a. het kermisbal op 21 mei

                1961 (Sinksenkermis).

                In 1961 verhuisde Jozef Frans Emiel naar Battel zodat Frans Lodewijk van dan

                af de enige uitbater bleef tot de sluiting in 1984.

                In 1982 werd een deel van de parking onteigend voor de verbreding van de

                Zennedijk. 

                Op 18 november 1985 werd het Brughuis door Frans Lodewijk en Jozef Frans

                Emiel openbaar verkocht.

                Eddy Apers op zijn website : http://users.telenet.be/eddy.apers/ (23/11/2006)

               

                Het Brughuis was tegelijkertijd herberg, winkel van bloem, veevoeders,

                meststoffen, steenkolen...

                Naast het huis was er  zelfs een klein dok, een inham van de Zenne, langswaar de

                boten de kolen aanbrachten. De deur van dit kolenhok is thans dichtgemetseld.

                Er was ook een feestzaal aan het huis, die fungeerde jarenlang als trefplaats voor

                de Boeren- en de Boerinnengilde, en de B.J.B. tot er te Leest een parochiehuis

                kwam. Het was eveneens in dit Brughuis dat in 1898 de fanfare “Arbeid Adelt”

                het licht zag.

                “...In de herberg met grote ronde tafel, gaven vouwdeuren toegang tot een

                zaaltje met bovenmuurbanken, de vensters met uitzicht op het voorhof en de

                rivier. Een wat smaller maar even lang als de dansvloer, op een meter boven

                kelders was een verhoog met balustrade, door aan de twee zijden langs vijf

                trapkens te bereiken.

                Als de vouwdeuren werden opengesteld, overzag men de hele ruimte van achter

                de tapkast van herberg en feestzaal, met beide een toegang voor koer en keuken.

                Een indeling van toen, folkloris maar met gebruiksvoorwaarde.

                Werd er gefeest, ’t was open en vrij, niet in de mouwen, de sfeer aanstekelijk,

                stijgend gloeiend...”

                (J.A.Huysmans – “Breugeliaans aan de Zennekant”, DB- Augustus 1979)
     

                Het “toponiem” brug vonden we terug :

                1347 -48 :”...item van de Brugghe te Leest te makene...” (SR)

                1366 -67 :”...item janne bogaert ende sine ghesellen van den palen ute te doene

                die int water stoeden voir de brugghe te Leest ende te Heffene...” (SR)

                1377 – “...prope pontem de Leest...” (LGM)

                1380 – “...in Leest prope pontem inte Warandiam et terram dictum Traghel...”

                (GM).

     

    1784 – Op 21 februari 1784 stierf Jan-Baptist Verbrugghen, echtgenoot van Anna

                Catharina Van den Brande, in den ouderdom van 40 jaar, 4 maanden en 13 dagen

                “ultimus sepultus in templo” (de laatste die in de kerk begraven werd).

                Er was immers een edict van Keizer  Jozef II (de “Keizer-Koster”) verschenen,

                waarbij streng verboden werd voortaan nog te begraven in kerken of kapellen, in

                bidplaatsen of andere overdekte gebouwen.

     

    1786 – Bij de jaarlijkse visitatie van de parochiekerk in 1786 werd geopperd dat de

                biechtstoelen helemaal uit de toon vielen, vergeleken bij de vernieuwde altaren en

                de prachtige preekstoel.

                Zo kregen Joannes en Francois Verreys een bestelling van twee biechtstoelen,

                samen met een houten “boisering of muurbekleding sluitende aen elcke seyde de

                cleyne authaeren alsooc de boisering aen wederseyde het portael soo noghtans

                dat er aen een seyde maer en behoort te sijn eenen toogh met sitting van de

                fabriquemeesters.”

                Deze werken voor een totaal van 730 gulden, kwamen klaar tegen 18 december

                1787. (WLS,blz.24)

     

    1788 – De grootste klok in de kerk (uit 1649) barstte op 19 september 1788 bij de

                lijkdienst van Joannes Bulens.

                Ze werd hergoten op kosten van de abdij van Kortenberg bij Andreas Van der

                Gheyn te Leuven, ditmaal zonder discussie met Kortenberg. Het was de

                zogenaamde “Tiendenklok” : Andreas, die gewijd zou worden op 19 januari 

                1790.

     

    1789 – In de nacht van 13 december 1789 moesten de Oostenrijkse soldaten uit de stad

                Mechelen vluchten.. Ze werden uit het land verdreven. Een nieuwe staatsvorm

                werd  door de Patriotten uitgeroepen : “de Republiek van de Verenigde

                Belgische Staten.” (Ward De Kempeneer ’t Ridderke nr.2-1998)

     

    1790 – De kleine klok “St-Nikolaes” uit 1608, hing gebarsten in de toren toen ze op 19

                januari 1790 door Jacobus Joannes Van de Voerde, Carolus Jozef Peeters en

                Carel Van Asch in ’t geheim werd in stukken geslagen, omdat de pastoor

                weigerde de klok te laten hergieten op kosten van de kerkfabriek. (WLS,blz.28)

     

    1790 – In december 1790 namen de Oostenrijkers opnieuw de macht.

                Niet voor lang want in november 1792 overschreed generaal Dumouriez met een

                leger Sansculotten onze grenzen en versloeg de Oostenrijkers te Jemappes op

                6 november. (zie verder)

    17-02-2012 om 00:00 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)


    Archief per week
  • 08/07-14/07 2019
  • 01/07-07/07 2019
  • 24/06-30/06 2019
  • 17/06-23/06 2019
  • 10/06-16/06 2019
  • 03/06-09/06 2019
  • 20/05-26/05 2019
  • 13/05-19/05 2019
  • 06/05-12/05 2019
  • 22/04-28/04 2019
  • 15/04-21/04 2019
  • 01/04-07/04 2019
  • 18/03-24/03 2019
  • 04/03-10/03 2019
  • 25/02-03/03 2019
  • 18/02-24/02 2019
  • 11/02-17/02 2019
  • 21/01-27/01 2019
  • 14/01-20/01 2019
  • 07/01-13/01 2019
  • 24/12-30/12 2018
  • 17/12-23/12 2018
  • 10/12-16/12 2018
  • 03/12-09/12 2018
  • 26/11-02/12 2018
  • 12/11-18/11 2018
  • 29/10-04/11 2018
  • 22/10-28/10 2018
  • 15/10-21/10 2018
  • 08/10-14/10 2018
  • 17/09-23/09 2018
  • 03/09-09/09 2018
  • 20/08-26/08 2018
  • 13/08-19/08 2018
  • 06/08-12/08 2018
  • 30/07-05/08 2018
  • 23/07-29/07 2018
  • 16/07-22/07 2018
  • 09/07-15/07 2018
  • 25/06-01/07 2018
  • 18/06-24/06 2018
  • 11/06-17/06 2018
  • 04/06-10/06 2018
  • 21/05-27/05 2018
  • 07/05-13/05 2018
  • 23/04-29/04 2018
  • 16/04-22/04 2018
  • 09/04-15/04 2018
  • 02/04-08/04 2018
  • 26/03-01/04 2018
  • 19/03-25/03 2018
  • 12/03-18/03 2018
  • 05/03-11/03 2018
  • 19/02-25/02 2018
  • 12/02-18/02 2018
  • 05/02-11/02 2018
  • 29/01-04/02 2018
  • 22/01-28/01 2018
  • 15/01-21/01 2018
  • 08/01-14/01 2018
  • 01/01-07/01 2018
  • 25/12-31/12 2017
  • 18/12-24/12 2017
  • 04/12-10/12 2017
  • 27/11-03/12 2017
  • 20/11-26/11 2017
  • 06/11-12/11 2017
  • 23/10-29/10 2017
  • 16/10-22/10 2017
  • 09/10-15/10 2017
  • 25/09-01/10 2017
  • 18/09-24/09 2017
  • 11/09-17/09 2017
  • 04/09-10/09 2017
  • 28/08-03/09 2017
  • 21/08-27/08 2017
  • 14/08-20/08 2017
  • 31/07-06/08 2017
  • 10/07-16/07 2017
  • 03/07-09/07 2017
  • 12/06-18/06 2017
  • 05/06-11/06 2017
  • 29/05-04/06 2017
  • 15/05-21/05 2017
  • 01/05-07/05 2017
  • 17/04-23/04 2017
  • 10/04-16/04 2017
  • 03/04-09/04 2017
  • 27/03-02/04 2017
  • 20/03-26/03 2017
  • 13/03-19/03 2017
  • 06/03-12/03 2017
  • 27/02-05/03 2017
  • 13/02-19/02 2017
  • 06/02-12/02 2017
  • 30/01-05/02 2017
  • 23/01-29/01 2017
  • 16/01-22/01 2017
  • 09/01-15/01 2017
  • 02/01-08/01 2017
  • 26/12-01/01 2017
  • 19/12-25/12 2016
  • 05/12-11/12 2016
  • 28/11-04/12 2016
  • 21/11-27/11 2016
  • 07/11-13/11 2016
  • 24/10-30/10 2016
  • 17/10-23/10 2016
  • 10/10-16/10 2016
  • 03/10-09/10 2016
  • 26/09-02/10 2016
  • 19/09-25/09 2016
  • 05/09-11/09 2016
  • 22/08-28/08 2016
  • 15/08-21/08 2016
  • 01/08-07/08 2016
  • 25/07-31/07 2016
  • 18/07-24/07 2016
  • 11/07-17/07 2016
  • 04/07-10/07 2016
  • 27/06-03/07 2016
  • 20/06-26/06 2016
  • 13/06-19/06 2016
  • 06/06-12/06 2016
  • 30/05-05/06 2016
  • 23/05-29/05 2016
  • 16/05-22/05 2016
  • 09/05-15/05 2016
  • 02/05-08/05 2016
  • 25/04-01/05 2016
  • 18/04-24/04 2016
  • 11/04-17/04 2016
  • 04/04-10/04 2016
  • 21/03-27/03 2016
  • 14/03-20/03 2016
  • 07/03-13/03 2016
  • 29/02-06/03 2016
  • 22/02-28/02 2016
  • 15/02-21/02 2016
  • 08/02-14/02 2016
  • 25/01-31/01 2016
  • 04/01-10/01 2016
  • 28/12-03/01 2016
  • 21/12-27/12 2015
  • 07/12-13/12 2015
  • 23/11-29/11 2015
  • 16/11-22/11 2015
  • 09/11-15/11 2015
  • 02/11-08/11 2015
  • 19/10-25/10 2015
  • 12/10-18/10 2015
  • 05/10-11/10 2015
  • 21/09-27/09 2015
  • 14/09-20/09 2015
  • 07/09-13/09 2015
  • 31/08-06/09 2015
  • 13/07-19/07 2015
  • 22/06-28/06 2015
  • 08/06-14/06 2015
  • 01/06-07/06 2015
  • 25/05-31/05 2015
  • 11/05-17/05 2015
  • 04/05-10/05 2015
  • 27/04-03/05 2015
  • 20/04-26/04 2015
  • 13/04-19/04 2015
  • 06/04-12/04 2015
  • 30/03-05/04 2015
  • 23/03-29/03 2015
  • 16/03-22/03 2015
  • 09/03-15/03 2015
  • 02/03-08/03 2015
  • 23/02-01/03 2015
  • 16/02-22/02 2015
  • 09/02-15/02 2015
  • 02/02-08/02 2015
  • 26/01-01/02 2015
  • 19/01-25/01 2015
  • 12/01-18/01 2015
  • 05/01-11/01 2015
  • 29/12-04/01 2015
  • 15/12-21/12 2014
  • 08/12-14/12 2014
  • 24/11-30/11 2014
  • 17/11-23/11 2014
  • 10/11-16/11 2014
  • 03/11-09/11 2014
  • 20/10-26/10 2014
  • 13/10-19/10 2014
  • 06/10-12/10 2014
  • 29/09-05/10 2014
  • 22/09-28/09 2014
  • 08/09-14/09 2014
  • 01/09-07/09 2014
  • 25/08-31/08 2014
  • 18/08-24/08 2014
  • 04/08-10/08 2014
  • 28/07-03/08 2014
  • 21/07-27/07 2014
  • 14/07-20/07 2014
  • 07/07-13/07 2014
  • 30/06-06/07 2014
  • 23/06-29/06 2014
  • 16/06-22/06 2014
  • 09/06-15/06 2014
  • 02/06-08/06 2014
  • 26/05-01/06 2014
  • 19/05-25/05 2014
  • 12/05-18/05 2014
  • 05/05-11/05 2014
  • 28/04-04/05 2014
  • 21/04-27/04 2014
  • 14/04-20/04 2014
  • 07/04-13/04 2014
  • 31/03-06/04 2014
  • 24/03-30/03 2014
  • 17/03-23/03 2014
  • 10/03-16/03 2014
  • 03/03-09/03 2014
  • 24/02-02/03 2014
  • 17/02-23/02 2014
  • 10/02-16/02 2014
  • 03/02-09/02 2014
  • 27/01-02/02 2014
  • 20/01-26/01 2014
  • 13/01-19/01 2014
  • 06/01-12/01 2014
  • 30/12-05/01 2014
  • 23/12-29/12 2013
  • 16/12-22/12 2013
  • 09/12-15/12 2013
  • 02/12-08/12 2013
  • 25/11-01/12 2013
  • 18/11-24/11 2013
  • 11/11-17/11 2013
  • 28/10-03/11 2013
  • 21/10-27/10 2013
  • 14/10-20/10 2013
  • 07/10-13/10 2013
  • 30/09-06/10 2013
  • 23/09-29/09 2013
  • 16/09-22/09 2013
  • 09/09-15/09 2013
  • 02/09-08/09 2013
  • 05/08-11/08 2013
  • 29/07-04/08 2013
  • 22/07-28/07 2013
  • 15/07-21/07 2013
  • 08/07-14/07 2013
  • 01/07-07/07 2013
  • 24/06-30/06 2013
  • 17/06-23/06 2013
  • 10/06-16/06 2013
  • 03/06-09/06 2013
  • 27/05-02/06 2013
  • 13/05-19/05 2013
  • 06/05-12/05 2013
  • 29/04-05/05 2013
  • 22/04-28/04 2013
  • 25/03-31/03 2013
  • 18/03-24/03 2013
  • 11/03-17/03 2013
  • 04/03-10/03 2013
  • 18/02-24/02 2013
  • 28/01-03/02 2013
  • 21/01-27/01 2013
  • 07/01-13/01 2013
  • 31/12-06/01 2013
  • 24/12-30/12 2012
  • 17/12-23/12 2012
  • 10/12-16/12 2012
  • 03/12-09/12 2012
  • 26/11-02/12 2012
  • 19/11-25/11 2012
  • 12/11-18/11 2012
  • 05/11-11/11 2012
  • 29/10-04/11 2012
  • 22/10-28/10 2012
  • 15/10-21/10 2012
  • 08/10-14/10 2012
  • 01/10-07/10 2012
  • 24/09-30/09 2012
  • 10/09-16/09 2012
  • 03/09-09/09 2012
  • 13/08-19/08 2012
  • 06/08-12/08 2012
  • 30/07-05/08 2012
  • 23/07-29/07 2012
  • 02/07-08/07 2012
  • 25/06-01/07 2012
  • 18/06-24/06 2012
  • 11/06-17/06 2012
  • 04/06-10/06 2012
  • 28/05-03/06 2012
  • 14/05-20/05 2012
  • 07/05-13/05 2012
  • 30/04-06/05 2012
  • 23/04-29/04 2012
  • 16/04-22/04 2012
  • 09/04-15/04 2012
  • 02/04-08/04 2012
  • 26/03-01/04 2012
  • 19/03-25/03 2012
  • 12/03-18/03 2012
  • 05/03-11/03 2012
  • 27/02-04/03 2012
  • 20/02-26/02 2012
  • 13/02-19/02 2012
  • 06/02-12/02 2012

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !


    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!