NIEUW: Blog reclamevrij maken?
Inhoud blog
  • Wijzigingen - aanvullingen. Overlijdens religieuzen.
  • Wijzigingen - aanvullingen. Maria Van Dam, slechtoffer van het luchtbombardement in Mortsel.
  • Wijzigingen - aanvullingen. De kerkklokken weggeroofd.
  • Wijzigingen - aanvullingen.
  • Wijzigingen - aanvullingen. Het aardappelcontract van Frans Geerts.
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    Kronieken van Leest
    bij Mechelen
    18-06-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Wijzigingen-Aanvullingen

    Wijzigingen-aanvullingen

    1881 – Livinus De Laet uit Hever, volgde burgemeester Bogaert op.

    Burgemeester tot 1888 waarna hij opgevolgd werd door Jaak Bernaerts.
    Hij was te Hever geboren op 24 april 1819 als zoon van Joannes Franciscus De Laet en van Maria Theresia Verlinden.
    Henricus Livinus De Laet huwde te Hever op 23 april 1845 met Maria Theresia Geets (°Hever 5/7/1815, +Leest 3/1/1892).
    Ze kregen vijf kinderen :
    -Virginie, geboren in 1845.
    -Jan Antoon, geboren in 1849, overleed op 20/11/1877 bij een ongeval waarbij hij een paar ruggewervels had gebroken.
    -Justine, geboren 1852. Ze was getrouwd met Mon Van Baelen uit Blaasveld en werd sindsdien te Leest “Madammeke Van Baelen” genoemd. Ze woonden eerst op Scheurcappruyn en achteraf in het huis van de kerk tussen het klooster en de zaal St.-Cecilia.
    -Jacobus, geboren 1855, overleed op achtjarige leeftijd.
    -Pauline, geboren 1858. Ze trouwde met Henri Evarist Van Bouckout uit Zemst die reeds tweemaal weduwnaar was van de gezusters Anna en Marie Katrien Ceulemans. “Madame Van Bouckout” woonde te Brussel waar ze een pelswinkel openhield.
    Livinus De Laet overleed te Leest op 19 april 1894.
    Hij was de bouwer van het gemeentehuis (1882). (Foto onderaan)

    1881 – 31 januari : Begrafenis te Leest van dokter Fr. Neefs.

    Deze Mechelaar was gemeenteraadslid en bestuurder van de Katholieke vereniging ‘De Vlaamsche Bond’ van de kerk van O.L.Vrouw over de Dijle waar de lijkdienst plaats vond.
    Hij werd dezelfde dag op 31 januari 1881 op het kerkhof van Leest begraven. (GvM, 30/1/1932)

    1883 – 11 maart : Pastoorsmeid verdronken in de vijver

    “Ten jare duizend acht honderd drij en tachtig, den twaalfden Maart ten vier ure namiddag, verscheen voor ons Henricus Livinus De Laet, burgemeester, Ambtenaar van den Burgerlijken Stand der gemeente Leest, Arrondissement Mechelen, provincie Antwerpen, ten gemeentehuize alhier Arnoldus Leopoldus Teughels, schrijnwerker, oud dertig jaar en Franciscus Eduardus Van Hoof, landbouwer oud acht en twintig jaar, beiden te Leest gehuisvest, beiden buurmans der overledene, dewelke ons hebben verklaard dat gister elfden dezer maand omtrent vijf ure namiddag, alhier nabij de Mechelbaan uit eenen vijver getrokken is het lijk van Melania Vindevogel, dienstmeid, gehuisvest te Leest, geboren te Auweghem Provincie Oost-Vlaanderen den zeventienden mei achttien honderd eenentwintig, wettige ongehuwde dochter van Benedictus Vindevogel en van Amelia Ruysschaert, beiden overleden. Wij hebben ons van voormeld overlijden verzekerd. Waarvan akte door ons ten Gemeentehuize in dubbel opgemaakt, en na voorlezing geteekend door onsen de Comparanten.
    (Getekend : F.E. Van Hoof, A.L. Teughels en H.L. De Laet) (Met dank aan Eddy Apers)

    1884 – Zondag 20 april – Mechelsche Courant

    “De jury’s voor de kiesaxamens der maand april zijn vastgesteld als volgt in de Cantons Mechelen, Duffel, Heyst-op-den-Berg en Puurs. Mechelen (2e Canton) …bijg. Lid M. Hellemans J.P., hoofdonderwijzer te Leest.”

    1884 – Maandag 18 augustus : J. LEMMENS ontving medaille 2de klas voor daad van moed en zelfopoffering.

    Mechelschen Courant van zondag 24 augustus 1884 : Stadsnieuws. “Verleden maandag heeft te Brussel in het paleis der akademie, de plechtige prijsuitdeeling plaats gehad der belooningen voor daden van moed en zelfopoffering. HH. MM.. de koning en de koningin waren van Oostende gekomen om die plechtigheid bij te wonen. Aan het bureau hadden plaats genomen M. Victor Jacobs, minister van binnenlandse zaken en verscheidene hooge ambtenaars. Ziehier de namen onzer medeburgers die eene belooning verkregen hebben : J. LEMMENS , landbouwer te LEEST heeft zich den 4 juli 1883 tijdens eenen brand onderscheiden ! Medalie van 2e klas. … M. Jacobs, minister van binnenlandse zaken heeft deze brave lieden van harte geluk gewenscht, en dat nog wel in het vlaamsch, hunne moedertaal. Onder het liberaal ministerie gebeurde zulks altijd in het fransch welke taal vele Vlamingen niet begrijpen.”

    Die periode publiceerde de Mechelsche Courant elke week een ander raadsel zoals onderstaand in de editie van 21 december :
    “Mijn eerste draait, mijn tweede loopt. Mijn heel ligt stil. Hoe ‘k ben gedoopt. Dat wilde ik juist u vragen. ‘k Zeg nog, dat ‘k een gemeente ben in Belgenland gelegen, bij… ‘k Laat nu uw brein zich plagen.”
    Het antwoord was molenbeek en dat werd o.a. gevonden door ‘Boerke Selleslaghs Wittekop Leest.”
    Deze laatste hoorde haast elke week bij de winnaars.

    1884 -24 oktober : Caroline NEES werd schooolhoofd in de meisjesschool

    Caroline Nees volgde Petrus Jozef Hellemans op als schoolhoofd van de parochiale school die op dat ogenblik meisjesschool werd. Meester Hellemans ging daarbij over naar de gemeenteschool van meester Dumont, als hulponderwijzer.
    Caroline Nees woonde in de school, de latere parochiezaal in de Kouter, in het lokaal links bij het binnenkomen. Dat bestond toen uit twee plaatsen. ’s Morgens na de mis kwam ze haar boterhammetjes met spek opeten bij de familie Hellemans en ook ’s avonds kwam ze daar eten vooraleer haar dagelijks wandelingetje te doen.
    Ze bleef in dienst tot na de eerste wereldoorlog en nam officieel ontslag op 1 mei 1920.
    Mathilde Hellemans volgde haar op als schoolhoofd. (LG)
    (Foto onderaan)

    1885 – Louis HELLEMANS volgde zijn vader op als koster te
    Leest.

    Ludovicus ‘Louis’ Josephus Maria Cornelius Hellemans was te Kraainem geboren op 30 december 1871 en met zijn ouders gedurende de schoolstrijd als kind met zijn ouders te Leest ingeweken.
    Hij was nog geen vijftien toen hij zijn vader opvolgde als koster-orgelist in 1885. Uiteraard nog zonder papieren.
    In november 1890 zou de kerkfabriek zijn definitieve benoeming regelen. Dit "wijl Ludovicus reeds gedurende vijf jaren tot voldoening van geestelijke en wereldlijke overheden die plaatsen bekleed en uitgeoefend heeft, hij is nu reeds negentien jaren geworden en is te allen tijde van een deugdzaam en voorbeeldig gedrag geweest en dient tot onderstand van zijne moeder met minderjarige kinderen."
    Zijn eerste benoeming kreeg hij op 15 november 1890; ze werd in 1904 hernieuwd.
    Op 20 juni 1897 huwde hij met de tien jaar oudere Leestse Joanna Catharina Victoria Teughels (°24/2/1861).
    Victoria was de zuster van de gemeente-ontvanger en schrijnwerker Noldus en de dochter van Petrus Teughels en Monica Van Hoof.
    Louis en Victoria bewoonden haar ouderlijk huis op het Dorp, het rechterdeel van ‘De Rozelaar’, waar Georges Gobien later zijn winkeltje had. Haar vader, die als schrijnwerker nog meegewerkt had aan de vergroting van de kerk, had deze stalling en schuur van ‘De Roozelaar’ omgebouwd tot woning en herberg.
    Zij kocht zelf het goed (in 1898). Het café ‘Estaminet’ werd echter gesloten op last van de pastoor.
    Het koppel kreeg er vier kinderen en verkocht er wat kleingoed. Ook was hij nog landbouwer en verzekeringsagent.
    Louis werd langdurig ziek en wellicht ook vervangen.
    Maar door wie ? Officieel werd hij in 1916 opgevolgd door Jozef Rheinhard.
    Louis Hellemans overleed te Leest op 25 februari 1916 waar hij ook begraven werd.
    Na zijn dood verkocht Victoria het huis aan de kerk en het werd officieel het kostershuis. Dat huis werd veel later afgebroken en vervangen door de Raffeisenkas.
    Zijn vrouw overleefde hem, op enkele dagen na, drie jaar (+27/2/1919).
    Nazaten van Louis en Victoria :

    -Louise, geboren op 12 mei 1898, stierf toen ze 3 jaar was, op 30 mei 1901.
    -Stephanie, geboren op 26 juli 1899. Ze werk kloosterzuster te Gent en overleed te Antwerpen op 16 februari 1936.
    -Alfons, geboren op 28 juli 1901, trouwde in 1928 met Alida Scheers uit Leest. Zij bewoonden het ouderlijk huis vader Louis Hellemans.
    -Constant, geboren op 2 oktober 1903. Bij de aftocht van de Duitsers, op 11 november1918, deed hij een val van de hooizolder. Hij was op de tas gekropen om stro naar beneden te gooien voor een koe die door de aftrekkende Duitsers was opgeeist. In het halfduister viel hij zelf naar beneden en een Duitse legerdokter stelde een schedelbreuk vast waaraan hij overleed.
    Moeder Victoria kwam deze slag nooit te boven : ze overleed het jaar nadien. (‘De Sint-Niklaasparochie in Leest’, W. Hellemans, LG en DB van november 1985)

    De goedheid van zijn hert maakte hem vele vrienden en de eedele gevoelens zijner ziel evenals zijn minzamen omgang verwierven hem de algemeene achting. O Heer, de iever voor uw huis verteerde mij : ik kende noch rust, noch moeite. In zijne langdurige ziekte was hij gelaten en aan Gods wil onderworpen : hij verborg zooveel mogelijk de pijnen die hij uitstond…” (Uit zijn gedachtenisprentje)

    Foto’s :
    -Het gemeentehuis van Leest dat burgemeester Livinus De Laet in 1882 had laten bouwen.
    -Zijn handtekening.
    -Van links naar rechts : Mathilde Hellemans, Caroline Nees, Henriette Troch en Marie Meulemans in 1913. Leerkrachten van de meisjesschool.
    -Het gezin koster-organist Louis Hellemans-Victoria Teughels met drie van hun vier kinderen in 1905. Van links naar rechts : Alfons (de latere meester Hellemans), vader Louis, Stefanie, moeder Victoria en zoontje Constant.









    18-06-2017 om 06:52 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    15-06-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Wijzigingen - aanvullingen.

    Wijzigingen – aanvullingen Kronieken van Leest.

    1873 – Jan Baptist Bauwens werd benoemd tot veldwachter.

    Jan Baptist Bauwens was te Appels geboren op 13 januari 1835 als zoon van Hubertus en van Joanna Maria Van Guchte. Hij huwde te Antwerpen op 4/3/1864 met Maria Catharina Bauweraerts (°Turnhout 7/7/1837, + …?...) Hij bleef veldwachter tot 1900 waarna hij werd opgevolgd door Isidoor Constant Van Hoof.
    (“Veldwachters te Leest”, Eddy Apers)

    “Bij beraming van den12 april 1900, heeft de gemeenteraad van Leest aanvraag gedaan tot het bekomen der Medalie van 1e Klas voor den heer Jan Baptist Bauwens, alsdan veldwachter te Leest, voor dezes goede diensten van meer dan 35 jaar veldwachter, en tot heden is er geen gevolg aan gegeven. Aangezien d’heer Bauwens, alsnu op pensioen gesteld is, zoo nemen wij de vrijheid door deze, onze vroeger gedane vraag te herinneren...”
    (Brief van het gemeentebestuur tot de arrondissementskommissaris van Mechelen, gedateerd 21 november 1901)

    1873 – Inhuldiging en wijding beeld van Sint Joannes Berchmans.

    “Van 10 tot 19 augustus 1873, was het naburige Leest in volle feestvreugde en zulks ter gelegenheid der inhuldiging en wijding van het beeld en altaar, ter eere van den H. Joannes Berchmans, aldaar opgericht. Beide prachtige voortbrengsels waren het werk van kunstbeeldhouwer J. Geefs van Antwerpen. De wijding werd door Kan. De Decker gedaan.” (GvA, 10/8/1932)

    Volgens Wilfried Hellemans bestaat de mogelijkheid dat de Diestenaar Jan Berchmans (°1599,+1621), novice bij de Mechelse jezuïeten van 1616 tot 1618, toen ook in de Leestse kerk catechismusonderricht gaf op zon- en feestdagen.
    Pastoor Vandercruyssen bevorderde de devotie tot deze heilige en richtte er ook een genootschap voor op : “Het genootschap van de gelukzalige/heilige Joannes Berchmans”.
    Het altaar bevond zich vroeger achteraan in de kerk, de huidige rouwkapel, is er uit weggenomen maar bestaat nog.
    Het beeld van de heilige staat nu hoog op een sokkel, rechts buiten de ingang.

    1879 - Jan Theodoor Bogaert volgde Leopold de Meester op als burgemeester te Leest.

    Dit tot 1881 waarhij werd opgevolgd door Livinus De Laet.
    Jan Theodoor Bogaert was van Niel waar hij alwaar hij werd geboren op 8 oktober (een andere bron zegt december) 1841 als zoon van Christian Bogaert en van Pauline (Cecilia) De Pauw.
    In 1866 was hij hulponderwijzer in de gemeenteschool te Leest en dat jaar trouwde hij aldaar op 8 november met Maria Louisa Wouters, de weduwe van burgemeester Mattheus Buelens.
    Na haar dood in 1875, hertrouwde hij te Leest op 16/8/1876 met Maria Ludovica Frans (een andere bron vermeldt Marie Louise Lorans ipv Frans) uit Rijmenam.
    Jan Theodoor Bogaert overleed amper vijf jaar later te Leest op 3 juli 1881.

    1879 – Petrus Josephus HELLEMANS werd koster-orgelist te Leest

    Jozef Hellemans werd op 27 maart 1838 te Zandhoven geboren als zoon van Jan Philippe en van Anne Marie Verbruggen.
    In 1879 verhuisde hij, als gediplomeerd onderwijzer, met zijn gezin en meid uit Kraainem, naar Leest.
    In Kraainem was hij hoofdonderwijzer aan de gemeenteschool én koster-orgelist.
    Omwille van de schoolstrijd gaf hij daar zijn ontslag, wie dat niet deed werd toen door de kerk geëxcommuniceerd.
    In Leest begon hij met een parochiale school. Het schoolgebouw in de Kouter (later parochiehuis) werd er speciaal voor gebouwd met de bijdragen van de parochianen.
    De school was gemengd. Hij werd er schoolhoofd waarna pastoor J.F. Vandercruysen hem tegelijk benoemde tot koster-orgelist.
    Voor deze functies ontving hij in totaal 2.400 frank per jaar.
    Later, na de schoolstrijd, transformeerde de school in een meisjesschool en ging meester Hellemans over als hulponderwijzer naar de gemeentelijke jongensschool van meester Dumont.
    In Leest kocht hij, in 1879, de toen recente woning en herberg ‘Het Keizershof’ op het dorpsplein (later Dorp-Leest nr. 12).
    Hij sloot de herberg en het paar kreeg er nog een achtste kind, hun zesde dat in leven bleef.
    Na de schoolstrijd bleef hij koster-orgelist : zijn benoeming werd nog hernieuwd (op 10 mei 1882). Maar van hoofdonderwijzer aan de parochieschool was hij sindsdien hulponderwijzer aan de gemeenteschool.
    Jozef Hellemans overleed op 19 november 1885 als bijna 48-jarige te Leest en werd er begraven in een niet meer bestaand familiegraf.
    Zijn vrouw Stefanie Mannekens uit Schoten die daar op 2 augustus 1840 geboren was en met wie hij in 1864 getrouwd was, werd dan winkelierster in stoffen en overleefde hem 32 jaar.
    Omwille van de Eerste Wereldoorlog vluchtte ze naar Asten (Nd.-Brabant, Nederland) waar ze op 26 februari 1918 overleed en begraven werd.
    Vijf van hun zes kinderen werden in Kraainem geboren :
    -Angelina, geboren te Kraainem op 2 augustus 1865, overleed te Leest op 6 november 1915.
    -Leontine, geboren Kraainem, overleed te Grimbergen omstreeks 1930.
    -Jozef, geboren te Kraainem op 15 december 1869, behaalde het diploma van onderwijzer. Hij stierf echter op 24 november 1889 ‘na een schrik die hij had opgedaan in de Battelse bergen.’
    -Louis, geboren te Kraainem op 30 december 1871, huwde met Victoria Teughels uit Leest en werd de volgende koster van Leest.
    -Mathilde, geboren te Kraainem, werd schoolhoofd van de meisjesschool te Leest en overleed in 1938 te Merksem. Ze werd te Leest begraven.
    -Alfons, geboren te Leest in 1882, overleed te Merksem.
    (‘De Sint-Niklaasparochie in Leest’, W. Hellemans, LG en DB, november 1985)

    Foto’s :
    -Handtekening van veldwachter Bauwens.
    -Het vroegere Sint-Jan Berchmansaltaar.
    -Het beeld van de Heilige Joannes Berchmans (foto van Paul Van Roy).
    -Handtekening van Jan Theodoor Bogaert.
    -Zijn gedachtenisprentje. -Onderwijzer-Koster Petrus Jozef Hellemans en Echtgenote Stefanie Mannekens in 1880.













    15-06-2017 om 11:54 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    07-06-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    Wijzigingen – aanvullingen Kronieken van Leest.

    1865 – Mattheus Edward Buelens werd burgemeester van Leest.

    Mattheus Edward Buelens was te Hombeek geboren op 16/4/1830 en zou hetzelfde jaar dat hij burgemeester werd, op 10 april 1965 te Leest, overlijden.
    Hij was amper 35.
    Mattheus Buelens was afkomstig uit Hombeek en de zoon van Petrus Joannes Buelens (°1783,+1871) en van Joanna Maria Smets (°1797, +1876).
    Mattheus Buelens huwde te Leest op 26 november 1856, met de weduwe Marie Ludovica Wouters (°Leest 4/8/1824, +Leest 8/11/1875), oudste dochter van de vroegere burgemeester Carolus Wouters.
    Haar eerste man Jaak Somers, pachter op de Rendelbeekhoeve, was tien maanden voordien overleden (14/1/1856).
    Mattheus Buelens had zijn woonst op de Dorpsplaats waar later de beenhouwerij van Nante De Prins gevestigd was.
    Hij liet vier kleine kinderen achter :
    -Jan Constant (geboren 1857, overleden in 1865),
    -Theofiel (geboren 1859, was gehuwd met Pelagie Steemans),
    -Henri Augustinus (geboren 1861, overleden 1876) en
    -Marie Theresia Leonie (geboren 1865, overleden 1873).

    Na de dood van haar man trouwde Marie Louise Wouters een derde maal, in 1866, met Jan Theodoor Bogaert, die later burgemeester werd van 1879 tot 1881.
    Ze overleed in 1875.
    Ze was de dochter geweest van een burgemeester en de echtgenote van twee anderen.
    Tot 1867 zou Bonifacius Lauwers de taak van burgemeester overnemen. (De Band-1959 en LG, blz. 109)

    1865 – Bonifacius LAUWERS werd de tijdelijke opvolger van burgemeester Buelens.

    Hij tekende als “burgemeester” akten van de burgerlijke stand van Leest van oktober 1865 tot eind 1966.
    De molenaar Bonifacius Lauwers was te Hombeek geboren op 13/5/1820 als zoon van Joannes Frans Lauwers (1769-1852) en van Petronilla Bulens (1786-1844).
    Hij had zijn molen in de Juniorslaan, locatie waar later zijn kleinzoon Gust woonde. De molen verdween tijdens de eerste oorlogsmaandan van 1914.
    Bonifacius Lauwers waseen eerste maal te Heffen gehuwd hop 16/4/1845 met Anna Catharina Van Loock (°St.Kat.Waver 30/1/1779, + Leest 25/11/1868) en een tweede maal eveneens te Heffen met Francisca Pelagia Ceulaerts (°2/3/1846, + ?).
    Francisca was 25 jaar jongen dan hij.
    Acht van hun elf kinderen werden volwassen : Fons (1871), Fien (1873), Victor (1874), Frans (1879), Leonard (1881, vader van Gust de latere burgemeester), Jan (1883), Marie (1887) en Kato (1890).
    Deze laatste huwde met burgemeester Miel Verschueren.

    1865 – 6 maart : Willem LIPKENS werd als “ondermeester” benoemd.
    (“DB”, maart ’1958)

    1867 - Petrus De Maeyer werd burgemeester van Leest.

    Hij was te Leest geboren op 14 december 1809 en overleed te Mechelen op 12 Februari 1891.
    Deze bakker en herbergier was een zoon van Jacobus De Maeyer (°Puurs rond 1746, +Leest 1812) en Anna Catharina Peeters (°Londerzeel 1769, +Leest 1830).
    Petrus De Maeyer huwde een eerste maal op 3/5/1838 te Leest met Joanna Catharina Coremans (°Tisselt 28/11/1800, +Leest 13/11/1839), winkelierster-herbergierster en een tweede maal met Monica De Blezer (°Puurs 2/8/1807, + Leest 31/12/1861).

    1871 – Leopold de Meester nam de burgemeestersjerp over van Petrus De Maeyer.

    Dit tot 1879. Leopold was de oudste zoon van Pieter Jan de Meester (°Mechelen 1790, +Hombeek 1847 -eveneens burgemeester te Leest en te Hombeek) en van Catharina Geelhand de Merxem (1798-1866).

    Leopold de Meester werd geboren in 1825 en huwde met Anna Rachel de Coussemaeker. (°Douai Frankrijk, 8/3/1841, +1916) die hem twee kinderen schonk : Emmanuel (°1866) en Isabelle (°1871).
    Hij was eerst schepen te Hombeek (1856), daarna burgemeester te Leest en nadien provincieraadslid van Antwerpen.

    Van 1847 tot 1866 nam hij het beheer van de familie en dit van Expoel waar.
    Leopold was een man van zijn tijd en dweepte met de romantiek. Dat vertaalde zich ook in de aanleg van een totaal nieuw park.
    Hij herschiep het in een Engelse landschapstuin wat toen erg in de mode was. In het park van het kasteel ontstonden er kronkelende wandelwegen, bomenpartijen op lichte hellingen, bloeiende struiken, valleien met open zichten en afgronde vijvers.
    De bomenlanen met centrale steraanplanting werden herschapen in akkerland en ook de omgeving werd stelselmatig verder ontbost iets wat met zijn vader Gaspard de Meester al een aanvang genomen had. Vele reuzendikke bomen werden toen verkocht.
    Leopold de Meester, een dichterziel, beschreef het vellen van een reuzeneik in het Stockenbroeck, getuige van zoveel eeuwen geschiedenis.
    Als attente botanist plantte hij met zijn broer Athanase in het nieuwe park een zeer rijke variëteit van bomen.
    Bij het overlijden van hun moeder Catharina Geelhand de Merxem in 1866 stond Leopold Expoel af aan zijn jongere broer Athanase. Hij woonde eerst te Leest. Later kocht hij het kasteel van Ramsdonk waar hij zou blijven wonen en na hem zijn zoon Emmanuel de Meester (1866-1943) en diens echtgenote Theresia van Outryve d’Ydewalle.
    Hun zoon Bernard de Meester de Ravestein is in 1936 teruggekomen naar Expoel in Hombeek.
    Een andere zoon van Leopold, Henry de Meester de Ravenstein verkocht het Hof ter Haelen aan Emiel Verschueren.
    Henry werd later burgemeester te Zandhoven.
    Leopold de Meester overleed in 1885.
    Hij was ook de grootvader van de laatste burgemeester van Hombeek.

    Vervolgt.

    Foto’s :

    -De handtekening van Mattheus Edward Buelens zonder de letter E.
    -Centraal in beeld molenaar Bonifacius Lauwers in 1902, omringd door familieleden en naast zijn tweede echtgenote Francisca Pelagia Ceulaerts (met muts).
    -Zijn handtekening.
    -Handtekening van Petrus De Maeyer.
    -Zijn gedachtenisprentje.
    -Het Expoel kasteel te Hombeek.
    -Het wapenschild van de Meester : in sabel negen aaneengesloten bollen in goud in vorm van kruis met onderschrift : Deo et labore.
    -Handtekening van Leopold de Meester.

















    07-06-2017 om 08:23 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    01-06-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    Wijzigingen – aanvullingen Kronieken van Leest.

    Geachte lezer(es),

    De geschiedenis van de “Kompagnie van Scherpenheuvel” uitschrijven vergt meer tijd dan ik had verwacht.
    Paul Van Roy bezorgde me honderden foto’s die moeten verwerkt worden en werkzaamheden aan de basiliek van Scherpenheuvel stelden raadpleging van het archief aldaar uit.

    Om die reden nemen we de chronologie van de wijzigingen-aanvullingen in de Kornieken weer op om later de afgewerkte geschiedenis van de Leestse bedevaarders integraal te publiceren op deze website. 
                                     Marcel.

    1846 – Livinus Van Ostade werd onderpastoor te Leest
    Onder het pastoorschap van Gabriel Hermans kwam er eindelijk terug een onderpastoor.
    Livinus Van Ostade werd in Turnhout geboren op 15 maart 1819 en priester gewijd te Mechelen in 1845.
    Leest was dus zijn eerste werkterrein.
    Hij werd er benoemd op 31 december 1845 en vatte zijn taak aan in 1846.
    Als onderpastoor maakte hij te Leest de kerkvergroting mee en hij doopte er 35 kinderen tussen 30 mei en Kerstmis 1854.
    Hij trouwde er 9 koppels en hij zegende er 11 gestorven mensen van 7 juni tot 3 oktober 1854.
    Zijn salaris bedroeg 500 fr.
    Zijn pastoor schreef over hem : “Hij is vroom en studeert vlijtig.”
    En ook : “Zijn onderricht in de vroegmis geeft hij zo goed hij kan en de pastoor zou niet weten wie het beter zou kunnen.”
    (“De St-Niklaasparochie in Leest”, W. Hellemans)

    1855 – Stichting Broederschap van de Heilige Rozenkrans.
    (“DB”, oktober 1957)

    1856 – Intekenlijst voor het kleed van O.L.Vrouw van de Rozenkrans
    In 1856 was het kleed van Onze-Lieve-Vrouw van de Rozenkrans in de kerk van Leest aan vervanging toe.
    Bijgevoegd (onderaan) de intekenlijst die circuleerde in de parochie om het nieuwe kleed te financieren.
    In totaal werden 256 oude Belgische franken opgehaald, een voor die tijd aanzienlijk bedrag.
    De pastoor gaf 10 frank - noblesse oblige - en was daarmee de enige man te midden van een gezelschap van uitsluitend vrouwelijke parochianen die de overige 246 frank inlegden: Maria (uiteraard), Melanie (2x), Francesca (4x), Rosalie, Anna, Joanna, Phelasia...
    Girl power in het parochieleven !
    (Aartsbisschoppelijk Archief Mechelen)

    1858 – Louis Voet werd burgemeester te Leest.
    Hij was te Hombeek geboren op 10 februari 1813 als zoon van Pieter Antonius Voet en van Anna Monica De Keyser.
    Hij was gehuwd op 24/8/1839 te Hombeek met Petronella Paulina Eugenia Lenaerts (°Mechelen 11/5/1816, +Mechelen 28/10/1895) . Deze laatste werd op kerstdag 1861 meter van “Jozef”, een klok die pastoor Joris was gewijd en gegoten door Van Aerschot te Leuven. Peter was Willem Devens uit Antwerpen.
    Louis Voet was geneesheer te Leest en de bouwer van het kasteeltje op de Kouter, waar later de familie Moyson in zou komen.
    Het kasteeltje werd er in 1842 door de dokter gezet. Zijn broer jonkman Joannes Voet bezat een grote boerderij op de grens tussen Leest en Hombeek en toen die op rijpe leeftijd “de ploeg aan de haak hing”, bouwde hij een herenhuis te Hombeek rechtover de kerk, gelijkaardig aan dit kasteel, alleen wat kleiner.
    Na de dood van dokter Louis Voet, op 31 mei 1864, werd het kasteel opnieuw door een geneesheer betrokken : dokter Van den Broeck. Rond 1896 kwam de familie Moyson er zich vestigen.
    Vader Moyson was een neef van dokter Voet.

    Vervolgt.

    Foto’s :
    -Livinus Van Ostade werd onderpastoor te Leest.
    -De intekenlijst voor het kleed van O.L.Vrouw van de Rozenkrans.
    -Het kasteel Moyson in de Kouter werd door Louis Voet gebouwd.
    -Zijn handtekening en doodsprentje.











    01-06-2017 om 00:00 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    21-05-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.vervolg : de "Kompagnie van Scherpenheuvel" Leest

    Wijzigingen – aanvullingen Kronieken van Leest.

    De “Kompagnie van Scherpenheuvel” uit Leest

    Volgens Modest Van Steenwinkel bestond de “Kompagnie van Scherpenheuvel” uit een groepje mensen dat jaarlijks, in naam van gans de parochie, te voet op bedevaart ging.
    Ze hadden geen ledenlijsten en wie een paar maal meeging werd vanzelf als lid beschouwd.
    De meeste Leestenaren gingen al eens mee en sommigen hielden het jaren vol.
    Elk jaar werd een omhaling gehouden om de algemene onkosten van de bedevaart te dekken. De rest van het geld werd besteed aan enkele missen voor de overledenen en de zieken van de parochie. Ook werd er jaarlijks een grote mooie kaars geofferd “die hield dan gans het jaar wacht : als stille getuige van onze liefde, bij het beeld der Lieve Vrouwe want O.L.Vrouw van Scherpenheuvel draagt de kenspreuk : ik bemin die mij bemint !”

    De kompagnie was ook vertegenwoordigd in de Leestse processies, daarvoor werd in 1953 nog een prachtig houten Mariabeeldje aangekocht, 30 cm hoog en met de hand uitgesneden. Het droeg een brocaat zijden kleed en mantel, een massief zilveren kroontje en scepter, en een gouden ketting en kruisje, dat laatste was een gift van één van de leden.
    Louis De Hondt vervaardigde er een speciale draagbaar voor. Traditiegetrouw werd de bedevaart gehouden acht dagen voor Sinksen. Men vertrok om 4 uur ’s morgens aan de St-Annakapel. De meeste bedevaarders hadden in de parochiekerk dan al een mis bijgewoond.
    Een eerste maal werd halt gehouden te Bonheiden (aan de Sint Annakapel aldaar) waar de eigenlijke processie gevormd werd en vanwaar ook regelmatig de rozenkrans gebeden werd.
    Onderweg werd gebeden voor de zieken en de overledenen van de parochie, ook voor de geestelijkheid, voor de soldaten, voor de jeugd en voor allen die om een gebed hadden gevraagd.
    Aan elke kapel die ze tegenkwamen werd even een halte gemaakt. Rond acht uur bereikte men Keerbergen alwaar koffie werd gedronken.
    Volgde een kort oponthoud te Tremelo, te Betekom en te Aarschot waar rond 12 uur gemiddagmaald werd.
    Dan Rillaar en eindelijk op die lange heuvelachtige baan zien ze de toren van Scherpenheuvel waar ze rond 16 uur toekomen.
    Daar werden de pelgrims processiegewijs opgehaald door de geestelijkheid van de basiliek.
    Godsdienstige oefeningen volgden : lof, beeweg in de kerk, rozenkransweg, kruisweg en als dat alles achter de rug was konden de vermoeide bedevaarders zich rond 18 uur gaan verfrissen in hun logement.
    Jarenlang waren “In de Lindeboom” en “In ’t Wit Huis” de vaste logementsplaatsen, soms kwam daar “De Sleutel” nog bij.

    Na een deugddoende nachtrust stonden de bedevaarders op, woonden rond 4 uur een mis bij aan een zij-altaar van de basiliek en de lange terugtocht kon worden aangevat.
    Terwijl er bij de heenreis voortdurend de rozenkrans werd gebeden, werd er nu als eens meer gezongen onderweg.
    Ontbijt te Aarschot, middagmaal te Keerbergen, met meestal een bord soep (heel vaak van asperges) of een glas bier naar keuze, op kosten van de kompagnie.
    Te Bonheiden werd de kompagnie traditiegetrouw bijna altijd met een regenbui bedacht.
    Ondertussen waren reeds heel wat familieleden van de bedevaarders en dikwijls ook de Chiro de kompagnie tegemoet gekomen.
    Rond 17 uur kwam gewoonlijk de Sint Annakapel in zicht alwaar de bedevaarders werden opgewacht door pastoor en onderpastoor met een woord van dank en proficiat aan al de tochtgenoten.
    In de parochiekerk werd de zegen gegeven met het H. Sacrament en tot slot een danklied aan Maria gezongen.

    Zo’n bedevaart was vroeger jaren een heel avontuur.
    Zo moest er in Keerbergen, bij gebrek aan een weg, een uur lang door het mulle zand gemarcheerd worden en bij warm weer kon men zich alleen beschutten door zoveel mogelijk de schaduw op te zoeken van plaatselijke dennenbomen, want de huizen waren zeer schaars. Het is ook gebeurd dat iemand met stukgelopen voeten op stokken moest meegesjouwd worden, niet te vergeten dat elke bedevaarder ook zijn eigen ransel op de rug moest meedragen.
    Na de eerste wereldoorlog werden de bedevaarders gevolgd door paard en kar. Dit gespan voerde dan al de bagage mee.
    “Fons van Stienes” was het die de eerste jaren voor het vervoer instond, uit dankbaarheid omdat hij tijdens de Duitse bezetting zijn paard mocht behouden.
    Na Fons werd Frans Piessens (“den Blokmaker”) bereid gevonden. Wegens het immer stijgende aantal bedevaarders volstond een gewone kar niet meer voor de talrijke pakken.
    De familie Van der Hasselt (Ferdinand en Frans) stelde zich graag met een “landbouwcamion” ter beschikking. Meestal werd die voortgetrokken door de paarden van Victor Verschueren en Sus Van den Brande.
    Later begeleidde “Louis van Jonker” (Louis De Hondt) de bedevaarders met zijn “automobiel”.

    Vervolgt.

    Foto’s :
    -De Broederschap van Onze Lieve Vrouw van Scherpenheuvel Leest.
    -De Kompagnie was ook vertegenwoordigd in de processies. Hier herkennen we Albrecht en Isabella achter hun vlag in de Molenstraat.
    -Het houten Mariabeeld uit 1953.
    -De Sint-Annakapel te Leest, de traditionele vertrekplaats.
    -De St-Annakapel te Bonheiden waar een eerste maal halt gehouden werd.











    21-05-2017 om 06:34 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    07-05-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De "Kompagnie van Scherpenheuvel".

    Wijzigingen – aanvullingen Kronieken van Leest.

    1843 – Bedevaart Scherpenheuvel
    Vanaf 1843 staat in de boeken te Scherpenheuvel voor de eerste maal een bedevaart van Leest vermeld. (J.D.D. – DB – 1954)
    In “De Band” van juli 1959 schreef Jan De Decker dat men “beweerde” dat de “Kompagnie van Scherpenheuvel” te Leest zou bestaan sinds 1743. Hij heeft daar nooit een bewijs van teruggevonden en wij tot dusver ook niet.
    In een brief van 11/5/1786 noemde pastoor De Heuck zichzelf de zorgdrager van het “een en eenighste Broederschap” in Leest, daarmee doelend op een ander, dat van “het Broederschap van het Allerheiligste”.
    Een bewijs van het bestaan van de Broederschap in de 19de eeuw vonden we op het doodsprentje van Judocus Van San (°Leest 30/9/1824, +Mechelen 17/1/1872) alwaar er sprake is van de organisatie van een derde lijkdienst op dinsdag 30 januari 1872 “wegens het Broederschap van O.L.V van Scherpenheuvel in de kerk der H. Joannes Baptist”.
    Er bestaan heel wat druksels van de Kompagnie van Scherpenheuvel die al sinds 1945 over een paarse vlag beschikte (zie foto hierna) die ze elke jaar meedroeg in de processies.
    Intrigerend genoeg staan op die vlag de klassieke afbeelding van de aartshertogen Albrecht en Isabella geknield bij de boom met het beeld en twee jaartallen : 1775 en 1945.
    Zou de Kompagnie of Broederschap dateren uit 1775 ?

    Het bedevaartsoord SCHERPENHEUVEL

    De geschiedenis van het bedevaartsoord Scherpenheuvel gaat terug tot de middeleeuwen.
    De Zichemse kapelaan Lodewijk van Velthem beschreef in zijn “Spieghel Historiael” in het jaar 1304 een wonderbaarlijke, in kruisvorm gegroeide eik, die zich op een heuveltop bevond in onbewoond gebied tussen Zichem en Diest en talrijke bedevaarders aantrok.
    Er werd een mariabeeld aan opgehangen en volgens de legende wou een herder in 1514 het gevallen beeld oprapen en mee naar huis nemen.
    Toen hij het in handen had, bleef hij als versteend staan en kon geen voet meer verzetten. De herder bleef maar weg en zijn bezorgde baas ging hem zoeken. Wanneer die de ongelukkige herder vond met het beeldje in zijn handen, hing hij dat terug in de eik.
    Vanaf dat moment kon de herder terug bewegen.
    Met de troebelen ten tijde van de Reformatie verdween dat beeldje op een onbekende manier rond het jaar 1580.

    Inwoners van Zichem merkten dat de bedevaarders bleven komen, ook al kon er geen beeld vereerd worden en om die reden hingen ze in 1587 een nieuw beeldje aan de eik, het huidige beeld van Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel.
    Vanaf het einde van de 16de begin 17de eeuw werd Scherpenheuvel uitgebouwd tot een prestigieus en tot over de landsgrenzen bekend heiligdom.
    De ontwikkeling van Scherpenheuvel stond helemaal in het teken van de strijd tussen katholieken en protestanten.
    Voor de katholieken was het heiligdom een teken van hoop en overwinning, het bewijs van het katholieke gelijk.
    Voor de prostestanten was Scherpenheuvel het bewijs van de katholieke dwaling.
    Beide partijen vochten deze strijd uit via vlugschriften en pamfletten. Als aalmoezeniers in het Spaanse leger begonnen de Zuid-Nederlandse Jezuïeten zich sterk in te zetten voor de ontwikkeling van de bedevaartplaats. Met hun soldatenbedevaarten naar Scherpenheuvel zorgden zij voor een grote bekendheid en bevorderden zij op hun manier de devotie tot O.L.Vrouw.
    Tijdens de vasten van 1604 liet een Zichemse pastoor een bescheiden houten kapelltje bouwen bij de eik. Het genadebeeld werd van de eik gehaald en in het kapelletje geplaatst.
    Toen, in opdracht van de Mechelse aartsbisschop Hovius, de Antwerpse bisschop Miraeus een onderzoek voerde naar de wonderen die in Scherpenheuvel plaatsvonden, gaf deze laatste de opdracht om de eeuwenoude eik te kappen.
    De boom werd in drie stukken verdeeld en versneden in meer dan honderd mariabeeldjes die door de aartshertogen in heel Europa verspreid werden. Deze beeldjes droegen snel de devotie tot O.L.Vrouw van Scherpenheuvel uit, en worden tot op vandaag op verschillende plaatsen nog steeds vereerd.
    Ondanks herhaalde aanvallen van protestantse bendes bleef de toeloop in Scherpenheuvel groeien. Verschillende wonderen maakten dat deze plaats steeds verder bekend raakte.
    Wanneer de Spaanse troepen in 1603 in ’s Hertogenbosch konden standhouden tegen de troepen van de protestantse Maurits van Nassau, werd de overwinning toegeschreven aan O.L.Vrouw van Scherpenheuvel.
    De aartshertogen Albrecht en Isabella gingen als dank op bedevaart naar Scherpenheuvel en lieten er kostbare geschenken achter. Bovendien hadden zij opdracht gegeven om er een grotere stenen kapel te bouwen en dachten ze er aan om van Scherpenheuvel een nationaal heiligdom te maken.

    Na de val van Oostende in 1604 beslisten de aartshertogen om van Scherpenheuvel een zelfstandige stad te maken en er een grote kerk te bouwen en in 1607 begon architect Wenzel Cobergher met de voorbereidingen van de bouw van een nieuwe kerk waarvan de eerste steen in 1609 door de aartshertogen zelf gelegd werd.
    De kerk werd gebouwd in de typische contrareformatorische bouwstijl, de barok en zo werd Scherpenheuvel het katholieke antwoord op het protestantisme.
    In 1624 werd de congregatie van de Oratorianen van Philippus Neri opgericht. De Oratorianen moesten instaan voor het opvangen van de bedevaarders. Speciaal voor hen werd achter de nieuwe kerk een klooster gebouwd.
    Nadat er bijna twintig jaar aan gewerkt was, kon aartsbisschop Jacobus Boonen in 1627 de nieuwe koepelkerk inwijden (de kerk kreeg pas in 1922 officieel de titel van basiliek).
    Na de inwijding van de kerk kwam aartshertogin Isabella naar voren met de handen vol goud en juwelen die ze neergooide op de altaartrappen om te beduiden dat aardse goederen niet de hoogste waarden zijn in het leven. De mensen rondom haar volgden haar voorbeeld en deze gewoonte is jarenlang in gebruik gebleven.
    Ondertussen was ook de nieuwe stad verder uitgebouwd als een (symbolisch) bolwerk met stadsmuren en -grachten. Het geheel van stad en kerk werd gebouwd in de vorm van een zevenhoek en overal werden symbolen en emblematische boodschappen verwerkt die de overwinning van het katholicisme uitbeelden.
    De faam van Scherpenheuvel groeide gestaag en in de loop van de 17de eeuw bleven de bedevaarders uit binnen- en buitenland toestromen, waaronder talrijke vorstelijke en kerkelijke gezagsdragers. Het opzet van de aartshertogen en van de aartsbisschop was geslaagd.
    Van een onbewoonde plaats waar een mariabeeldje vereerd werd, groeide Scherpenheuvel uit tot een stad en een internationaal gekend en gerenommeerd heiligdom van Onze-Lieve-Vrouw.
    Tot op vandaag is Scherpenheuvel het drukst bezochte bedevaartsoord van België.

    De Waterput

    Vandaag nog steeds een veelbezochte toeristische attractie is de Waterput van Scherpenheuvel.
    De waterput, opgetrokken in rode baksteen, dateert van 1682 en was oorspronkelijk 62 meter diep.
    In het begin van de 19de eeuw was het metselwerk grotendeels ingestort en drong een herstelling zich op.
    Die was in 1819 afgerond en men moest niet meer naar Zichem om water te halen.
    Tot 1910 betaalde de bevolking voor het water dat al trappend in een wiel van 3 m diameter werd opgehaald. Voor water, dat men niet zelf putte, moest uiteraard meer betaald worden.

    Het waterputgebouw is opgenomen in het beschermd landschap van de Onze-Lieve-Vrouwbasiliek en omgeving maar tegenwoordig wordt er geen water meer bovengehaald.

    Vervolgt met “De Kompagnie van Scherpenheuvel” uit Leest.

    Foto’s :

    -De basiliek.
    -De oratoriaan Philippus Neri.
    -Het beeld uit 1587.
    -In 2011 kreeg het Mariabeeld van paus Benedictus XVI een Gouden Roos. Dat is één van de belangrijkste onderscheidingen binnen de katholieke kerk, die slechts uitzonderlijk wordt toegekend. Het is de eerste maal dat een Belgisch bedevaartsoord er een kreeg.
    -De waterput.













    07-05-2017 om 11:46 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    22-04-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Wijzigingen - Aanvullingen

    Wijzigingen – aanvullingen Kronieken van Leest.

    1819 – Cornelius MEULDERMANS werd veldwachter te Leest
    Hij was te Leest geboren op 2 februari 1778 en overleed er op 27 april 1839.
    Cornelius was een zoon van Guillielmus Muyldermans en Lucia Alewaters. Hij huwde te Heffen op 21/7/1817 met isabella Vranckx (Francqs). (‘Veldwachters te Leest’ Eddy Apers)

    Een kepie, een kenteken, een uniform. Iedereen op de buiten kende de “garde” en de “garde” kende iedereen.
    Sommigen menen dat de kolfdragers uit de 16e eeuw de voorlopers waren van de sjampetters. De structuur van de landelijke politie werd vastgelegd in de wetgeving van einde 18e eeuw. Het decreet van 14 december 1789, met betrekking tot het oprichten van gemeenten, voorzag in artikel 50 dat één van de bevoegdheden van het gemeentegezag er moest in bestaan “de inwoners het voordeel verschaffen van een politie, met het oog op de netheid, de gezondheid, de veiligheid en de rust op straat, openbare plaatsen en in de openbare gebouwen.”
    Het ambt van veldwachter dateert van 1791 : “om de eigendommen te beschermen en de oogsten te bewaken, zouden veldwachters moeten aangesteld worden in de gemeenten die onder de rechtsmacht van de vrederechter en onder het toezicht van de gemeente-officieren staan.”
    Die maatregel was echter facultatief. Het decreet van 20 messidor 1803 legde aan de gemeenten de verplichting op veldwachters aan te stellen. Een besluit van 25 fructidor 1809 raadde de gemeenten aan de veldwachters te kiezen uit oudgedienden of oud-soldaten.
    Die richtlijnen volstonden echter niet om een perfecte organisatie van het veldwachterskorps te verzekeren. Daarom vaardigden ook de provinciale autoriteiten een aantal richtlijnen uit zoals het vaststellen van weg- en jachtovertredingen, het opzoeken van gevluchte militairen, enz.
    Later werd de veldwachter benoemd door de provinciegouverneur uit een lijst van twee kandidaten voorgedragen door de gemeenteraad (de burgemeester mocht een derde kandidaat aan de lijst toevoegen). De gouverneur mocht echter vrij een kandidaat benoemen en was op geen enkele manier gebonden aan de rangorde van de voordracht.
    Alhoewel de veldwachter door de gouverneur werd benoemd, was hij een gemeenschappelijk agent en maakte hij deel uit van het gemeentepersoneel, er werd alleen door beoogd hem zoveel mogelijk onafhankelijk te maken van het plaatselijk gezag. Alhoewel hoofdzakelijk benoemd om te waken over het behoud van eigendommen, oogsten en vruchten te velde, kreeg zijn ambt een drievoudige bevoegdheid : officier van de gerechtelijke politie maar met beperkte bevoegdheid, agent van de openbare macht en agent van de administratieve of gemeentelijke politie.

    In 1840 telde ons land 3.257 veldwachters, in 1970 2.254.
    Na de samenvoeging van de gemeenten en het verder verdwijnen van het landelijk karakter in de dorpen daalde het aantal veldwachters gevoelig.
    (Driemaandelijks tijdschrift Gemeentekrediet van België, nr.105 – juli 1973. GVA-13/4/1978, 29/11/1982, 25/3/1990)

    Op 1 april 1987 ging de laatste veldwachter van Leest met pensioen. Victor Van Hoof had er toen 35 jaar dienst opzitten.

    1823 – 15 augustus : Philippus Jacobus VAN PUT(TE) ook VAN DE PUT pastoor benoemd.
    Philippus Jacobus Van Put(te) (Van de Put) volgde pastoor Vertongen op. Hij was te Kontich geboren op 17 juni 1775 onder het Oostenrijks bewind en werd priester gewijd te Mechelen onder de Fransen (20/12/1806). Een klein half jaar later werd hij onderpastoor in O.L.Vrouw o/d Dijle te Mechelen en dan in Putte (15/10/1808).
    Vanuit Boortmeerbeek waar hij pastoor was (sinds 15/8/1813), werd hij in Leest tot pastoor benoemd op 15 augustus 1823 onder het Nederlands bestuur.
    Zijn oude moeder kwam bij haar zoon wonen en stierf er als weduwe in 1826.
    Jacob Van Put doopte in Leest 406 kinderen van 15 augustus 1823 tot 26 september 1833. Hij huwde er 87 koppels van 8/1/1824 tot 12/8/1833 en schreef 225 begrafenissen in van 27 oktober 1823 tot 20 september 1833.
    Per jaar consacreerde hij (tussen 1829 en 1833) wisselend 3000 tot (in 1833) 3600 communies.
    Op één of twee personen na voldeed ieder er aan de paasplicht. Pastoor Van Put had geen onderpastoor.
    Hij bleef pastoor te Leest tot 1833 waarna hij werd opgevolgd door pastoor Gabriel Hermans.
    Philippus Jacobus Van Put overleed te Mechelen op 17 juli 1847.
    (MC-19/11/1882 en “De Sint-Niklaasparochie in Leest”, W. Hellemans)

    1826 – Martinus Josephus MOORTGAT werd de nieuwe koster van Leest
    Martinus werd te Steenhuffel geboren op 1 november 1807 en hij huwde te Leest op 23 augustus 1828 met Joanna Coeckelbergh.
    Op dat huwelijk was zijn voorganger Jan Frans Van Varenbergh getuige.
    Joanna Coeckelbergh was de dochter van de landbouwer Karel en van Anna Catharina Verbruggen.
    Het echtpaar kreeg 9 kinderen van wie er meer dan een jong stierf :
    -Gillis Louis, geboren 29 augustus 1829 werd schoolmeester te Leest en overleed toen hij 25 jaar was, op 3 maart 1854.
    -Pauline, geboren 6 december 1833.
    -Karel, geboren 5 januari 1835.
    -Gaspar August, geboren 30 maart 1837, stierf datzelfde jaar op 21 juni.
    -Clotilde, geboren 17 april 1838, stierf op 7 juni 1862.
    -Jan Baptist, geboren 19 augustus 1840.
    -Francisca Victoria, geboren 10 december 1842.
    -Euphemia Maria, geboren 15 oktober 1845.
    -Amelie, geboren 30 november 1848.
    Tien jaar (van 1826 tot 1836) was hij gratis orgelist geweest in de Leestse kerk.
    Dan, op 22 oktober 1836 en ter attentie van aartsbisschop Engelbertus Sterckx, schreef de kerkfabriek voor hem een ‘Getuygenis van goed gedrag en aanbeveling’ voor de ‘plaets van coster van Leest’. Dit omdat hij ‘nu reeds tien jaeren de plaets van coster gratis met den grootsten lof bediend heeft’.
    Daarop werd hij tot koster-orgelist benoemd voor 4 jaar op 24/8/1936.
    Tussen 1825 en 1862 was hij op zijn beurt tientallen keren huwelijksgetuige. Tot 1876 werd zijn benoeming negen keer verlengd. Maar enkele jaren later, in 1879 tijdens de schoolstrijd, werd hij door pastoor J.F. Vandercruysen ontslagen na meer dan een halve eeuw Leestse kerkdienst !
    Dit omdat hij bleef lesgeven in de gemeenteschool.
    Wellicht uit ontgoocheling verliet hij Leest en overleed elders.
    Joanna Coeckelbergh overleed te Leest op 13 april 1876.
    (‘DB’,november 1985. ‘De Sint-Niklaasparochie in Leest’, W. Hellemans)

    1827 – Dominicus Josephus DE KEERSMAECKER werd eerste assessor.
    Letterlijk betekent een assessor : bijzitter. Het was de benaming van verschillende functies in het openbaar bestuur.
    Vóór 1795 werd de plaatsvervanger van de Drost van Drenthe als voorzitter van de Etstoel assessor genoemd.
    In de periode 1814-1851 was de assessor vergelijkbaar met de huidige wethouder in een gemeentebestuur.
    Hij was te Oppuurs geboren op 14/2/1764 als zoon van Josephus Florentinus De Keersmaecker en Anna Catharina Van Grootven en huwde te Leest op 14/2/1792 met Maria Theresia Fierens (°Leest 5/12/1766, +Leest 4/2/1833).
    Dominicus Josephus De Keersmaecker overleed te Leest op 24/12/1840.

    1835 – 20 mei : Huwelijk maalder Franciscus Van Breedam met zijn Leestse nicht Coleta Van Breedam.
    “…Franciscus Van Breedam (Noot : maalder van de Molen van Blaasveld) de nieuwe maalder, huwde te Leest op 20 mei 1835, Coleta Van Breedam, geboren te Leest op 27 april 1806, dochter van Petrus Frans en van Anna Van Doorselaer.
    Zij waren dus gebroeders kinderen.
    Franciscus, voormeld, op bezoek bij zijnen oom Petrus Frans Van Breedam, maalder, op Steine Molen te Leest, vroeg men hem wanneer hij ging trouwen. ‘Dit kind daar in de wieg, Coleta, mijne eigene nicht, zal mijne echtgenote worden’, was zijn antwoord en inderdaad hij huwde er mede in 1835.
    Trouwen gelijk de maalder is nu nog in den volksmond gekend en verteld te Blaesvelt.
    De echtelieden Van Breedam-Van Breedam hadden volgende kinderen, allen te Blaesvelt ter wereld gekomen :
    A.-Anna Antonia, °3/3/1836, +Mechelen 14/9/1917. Huwde Carolus Andreas Josephus Boonaerts, dokter te Thisselt (°Tisselt 12/6/1827, +Blaasveld 4/8/1899). Anna Antonia, door typhus aangetast en stervende nabij, werd met ware toewijding bijgestaan door dokter Boonaerts. Na de genezing zijner dochter kwam haar vader dokter Boonaerts voldoen en hem zijnen dank uitdrukken erbij voegend, niet te weten hoe zijne erkentenis te betuigen. Geef mij uwe dochter, het is mijn vurigsten wensch, antwoordde de geneesheer en korte maanden daarna werd het huwelijk voltrokken.

    B.-Joannes Domenicus, °23/9/1837, +Blaasveld 10/6/1919. Bleef ongehuwd.

    C.-Ludovicus, °28/11/1839, +Mechelen 8/9/1910. Huwde op 5/4/1875 Maria T.H. Proost.

    D.-Anna Rosalia, °28/2/1841, +Blaasveld 10/2/1860. Bleef ongehuwd.

    E.-Maria Van Breedam, °6/8/1843, overleed te Blaasveld, bleef ongehuwd.

    F.-Livinus, °14/2/1845, +Blaasveld 16/4/1931. Bleef ongehuwd. Hij en zijn broeder Dominicus waren de laatste maalders geweest van Blaesvelt.”
    (‘De Molen van Blaasvelt’ GvM 19/9/1936)

    1836 – In 1836 werd Carolus Wouters burgemeester.
    Hij zou dit 22 jaar blijven (tot 1858). Carolus Wouters werd op 25 april 1797 te Hombeek geboren als zoon van Louis Wouters (afkomstig uit Eppegem) en van Anne Marie Jacobs (uit Hombeek).
    Hij trouwde te Leest op 7/1/1824 met Anna Catharina Huysmans (°Tisselt 3/8/1790, +Leest 1/11/1869), die weduwe was gebleven van Jan Frans Steenmans (+1820). Ze woonde op het Hof ter Halen.
    Carolus verbleef op die hoeve tot aan zijn dood op 21 juni 1858.
    Zijn oudste dochter Marie Louise (zie foto onderaan) huwde een tweede maal met Mattheus Buelens die in 1865 burgemeester werd. Een andere dochter, Marie Virginie huwde met Frans Voet en die volgde zijn schoonvader op als pachter op het Hof ter Haelen.
    Na de dood van Frans Voet (1877) hertrouwde Marie Virginie met Jaak Bernaerts, die achteraf burgemeester werd te Leest.
    De gemeenteraad bestond uit de schepenen Jean B. Scheers en J.Fr. De Keersmaecker en de raadsleden M.J. Moortgat, Charles Coeckelbergh, Dominique Busschot, Guillaume Sellslagh, P.J. Verhoeven en Jean Baptiste Dierckx.
    In 1840 werd Englebert Verschueren als raadslid geïnstalleerd en hetzelfde overkwam Jacques Steenmans in 1843.
    Carolus Wouters overleed te Leest op 21 juni 1858 en werd als burgemeester opgevolgd door Louis Voet.

    1839 – Adrianus De Wit werd de opvolger van veldwachter Meuldermans.
    Adrien De Wit was te Leest geboren Leest op 21 april 1807 als zoon van Jacobus (°6/10/1747, +23/8/1813) en van Maria Cnops (°Hombeek 1770). Gehuwd een eerste maal te Mechelen in de O.L.Vrouwkerk op 11 mei 1836 met Coleta Verbruggen (°Leest 5/5/1808, +1854), een tweede maal op 12/12/1855 met Maria Theresia Van der Poel (°1825).
    Hij had vier kinderen met zijn eerste vrouw Coleta Verbruggen : Clara Virginie (1831), Jan (1840), Hendrik (1843) en Desiré (1849). Adrianus De Wit overleed te Leest op 2 maart 1878.
    Zijn sabel, in het bezit van Kamiel De Wit, lag ooit tentoongesteld op een tweede paasdag in het parochiehuis.

    Ten jare duizend acht honderd achtenzeventig den tweeden maart ten vier ure namiddag, verscheen voor ons Joannes Victor Scheers, schepen gedelegeerden Ambtenaar van den Burgerlijke Stand der gemeente Leest, Arrondissement Mechelen, provincie Antwerpen ten gemeentehuize alhier Joannes Baptista De Wit, landbouwer, oud zevenendertig jaren en Joannes Baptista Bauwens, veldwachter, oud drijenveertig jaren, de eerste zoon en de tweede vriend van den overledenen en beiden gehuisvest te Leest, dewelke ons hebben verklaard dat heden om elf ure voormiddag, ten zijnen woonhuise, Thisseltbaan, wijk A numero 113, is overleden Adrianus DE WIT, gepensioneerde veldwachter, gehuisvest te Leest, daar geboren den eenentwintigsten april achttienhonderdzeven, weduwnaar in eerste huwelijk van Coleta VERBRUGGEN, echtgenoot van Maria Theresia VAN DER POEL, huishoudster te Leest wonende, wettigen zoon van Jacobus De Wit en van Maria Cnops beiden alhier overleden.

    Bijgevoegd :
    -Handtekeningen van respectievelijk veldwachter Cornelius Meuldermans, assessor Dominicus J. De Keersmaecker, burgemeester Carolus Wouters en veldwachter Adrianus De Wit.
    -Op de foto : Marie Louise Wouters, dochter van burgemeester Carolus Wouters en echtgenote van de latere burgemeester Mattheus Buelens.













    22-04-2017 om 10:24 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    17-04-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    Wijzigingen en Aanvullingen Kronieken van Leest.

    1818 – Pieter Jan de Meester werd burgemeester van Leest tot 1836.
    Daarna nam hij dat ambt waar te Hombeek van 1836 tot 1847.
    Pieter Jan (Petrus Joannes) de Meester was te Mechelen geboren op 4/11/1790 als zoon van Gaspar-Antoine de Meester, die advokaat was bij de Grote Raad van Mechelen en onder de Franse bezetting voorzitter van het noordelijk kanton van Mechelen, en van Jeanne Francoise Judoca du Trieu.
    De familie de Meester was o.a. eigenaar van het Hof ter Halen en van het Expoel kasteel te Hombeek.
    In 1824 huwde Pieter Jan de Meester met zijn nicht Catherine Geelhand de Merxem (°20/2/1798, +1866), die hem drie kinderen zou schenken :
    -Leopold (1825-1885),
    -
    Melanie (1826-1842) en
    -Althanase (°Antwerpen 1829-1884).

    Leopold huwde met Anna De Coussemaecker en woonde eerst in Leest.
    Hij kocht daarna het kasteel van Ramsdonk waar hij bleef wonen. Leopold zou later burgemeester van Leest worden.
    Hij was een begaafd plantkundige die o.a. de aangelegde Franse tuin van het Expoel domein omtoverde tot een Engels park met onnoemlijk veel boomsoorten, golvende terreinen, vijvers en kronkelende weggetjes.
    Leopold zorgde ook voor de oprichting van de gemeenteschool in Ramsdonk.

    Athanase de Meester huwde in 1855 te Antwerpen met Eudolie de Terwagne (1831-1873).
    Hij was senator en verbleef tijdens de zomermaanden met zijn vrouw en zes kinderen op Expoel.
    Tijdens de schoolstrijd zette hij zich in om de vrije school in de Bankstraat te Hombeek te lanceren, hij sponsorde de bouw en bracht de gezusters Lemesle van Antwerpen naar Hombeek als onderwijzeressen.
    Athanase was een verwoed jager en ook in het jachtseizoen was Expoel voor hem een gedroomde plaats. Rond de jaren 1880 hield hij op de domeinen in Leest en Hombeek regelmatig grote jachtpartijen. Daarbij werden dan zo’n 350 hazen en patrijzen buitgemaakt.
    Het kasteel was niet verwarmd. In de winter van 1873 deed hij er een longontsteking op en overleed.

    Tijdens het burgemeesterschap van Pieter J. de Meester werd de gemeenteschool van Leest gebouwd.
    De gedenksteen werd bij de verbouwing van de school in 1937 naar het kasteel te Hombeek gebracht.
    Pieter Jan de Meester woonde te Hombeek en is er ook begraven. Achter het koor van de oude kerk van Hombeek liet hij een ruime familiekelder bouwen, op de plaats waar ook zijn ouders begraven lagen.
    Door uitbreiding van de parochiekerk in 1855 is deze kelder nu onder de linker dwarsbeuk komen te liggen, dus onder de kerkvloer.

    Hij stierf schielijk in zijn koets, op een honderdtal meter van zijn kasteel, toen hij op 5 juni 1847 de werken ging inspecteren aan de baan Hombeek – Kapelle o/d Bos. (die weg werd op dat ogenblik rechtgetrokken)
    Op de plaats van zijn dood liet zijn echtgenote een kapel bouwen met de inscriptie : “Hier stierf 5 juni 1847 weled. H. Pieter de Meester, borgemeester van Hombeek. Bidt voor de ziele”.
    Het oude Mariabeeld in deze kapel werd in 1914 vernield.
    In 1918 werd de kapel gerestaureerd en het beeld vervangen door een Maria met kind Jezus.

    Het wapenschild van de Meester : in sabel negen aaneengesloten bollen van goud.
    Als burgemeester van Leest werd hij in 1836 opgevolgd door Carolus Wouters.
    (Bronnen : “LG”, “DB” en ’t Ridderke nr. 3 van juli 2005)

    Foto’s :
    -Kasteel Expoel.
    -Handtekening van Pieter Jan de Meester.
    -Wapenschild van de familie de Meester.
    -Het kapelletje dat de echtgenote van Pieter Jan voor haar man na zijn dood, op de plaats van zijn overlijden, liet bouwen.











    17-04-2017 om 07:57 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    16-04-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    Wijzigingen en Aanvullingen Kronieken van Leest.

    1798 – 2 januari : Pastoor De Heuck uit zijn pastorij gezet.
    Op datum van 2 januari 1798 lezen wij in het doopregisterdagboek van pastoor De Heuck : “Uit hoofde van die onrechtvaardige wet van de Franse Republiek werd de pastoor uit zijn pastorij gezet door een zekere Peeters, die voor deze speciale opdracht gedelegeerd was. Hij was van deze parochie en verraadde aldus zijn afkomst. Hij was begeleid door een soldaat en door agent Jan Frans Beulens en Angelus Van der Hulst. Slechts drie dagen geleden verhuisde de pastoor naar het landgoed Ter Moortere van Jonkvrouw Joanna Antonia Pauli”.
    Hij nam zijn meubelen mee, want, schrijft hij, “waren die in het voornoemde huis gebleven, ze waren met de rest aangeslagen geweest”.
    Pastoor De Heuck was op dat ogenblik 72 jaar oud.
    Hij betrouwde echter de situatie niet, daar verscheidene van zijn collega’s aangehouden en gedeporteerd waren naar Cayennes. Op aandringen van zijn parochianen “Consuasus per parochianos” verliet hij het Hof ter Moortere op 19 januari 1798 om negen uur ’s avonds om zich buiten Leest te gaan verschuilen.
    De feiten gaven hem gelijk, want hij werd tot tweemaal toe vruchteloos te Leest opgezocht, “bis frustra requisitus”.
    Hij kwam pas terug naar Ten Moortere op 9 mei 1799, wanneer de lucht wat zuiverder geworden was, om er zijn pastorale functies in het geniep te hervatten.
    Op 17 april 1801 nam hij terug zijn intrek op de pastorij en vanaf 12 juni 1802 gebeurde de eredienst opnieuw in de kerk.
    (WLS,blz.27)

    Die Joannes Franciscus (Jan Frans) Bulens was agent municipal van Leest. Hij was een zoon van Quirinus Bulens en van Catharina Bulens. Hij was te Leest geboren op 9/3/1753 en overleed te Vilvoorde op 11/9/1806.
    Jan Frans Bulens wat te Leest gehuwd op 27/5/1783 met Marie Philippine Van Paesschen (°Tisselt 1761, +Heffen 20/7/1833).
    In 1796 woonde dit gezin in de Winkelstraat te Leest en bij hen woonden ook de knechten Francois Verbeeck (34 jaar), Jacobus Peeters (22 jaar), Guillian Verschueren (18 jaar) en de diensters Anna Marie Mees (21 jaar), Anna Maria Apers (18 jaar) en Maria Anna Apers (21 jaar).
    Deze laatste twee zijn dochters van Cornelius Apers en Joanna Huysmans die toen enkele huizen verder in de Winkelstraat nr 69 woonden.
    (Bevolkingsregisters Leest VT 1796)

    1798 – 23 oktober : Pieter JACOBS gesneuveld.

    – Zijn akte van overlijden : “Vandaag, 5 Germinal van het jaar zeven der Franse Republiek (=25 maart 1799) te 9 u. ’s avonds, voor mij, Jaak De Swert, municipaal agent van de gemeente Sint-Katelijne-Waver, is verschenen in het gemeentehuis burger Jan Antoon Van Keerbergen, openbaar ambtenaar van de burgerlijke stand van het kanton Mechelen, die verklaart dat burger Pieter Jacobs, oud negenenveertig jaar, zoon van Jacob en Anna Meulders, die is gefusilleerd de tweede Brumaire (=23 oktober 1798) te halfelf ’s avonds, geboren te Liesens (=Leest) departement van de Twee Neten, wat Jan Antoon Van Keerbergen me heeft verklaard, dat genoemde Pieter Jacobs is gestorven de tweede Brumaire te halfelf ’s avonds te Mechelen, Revolutieplein. Na deze verklaring heb ik me aanstonds ter plaatse begeven. Ik heb me verzekerd van het overlijden : de huidige akte waarin Jan Antoon Van Keerbergen, openbaar ambtenaar mij zijn dood heeft verklaard, heeft de gezegde verschijner verklaard door een brief. J. De Swert, agent.”
    (Vertaald uit het Frans. M.Dillen, ‘De Boerenkrijg’.)

    1800 – Jaak DE MAEYER werd burgemeester.
    Jaak De Maeyer volgde A. Van der Hulst op als burgemeester te Leest. (tot 1802)
    Hij was te Puurs geboren in 1744 en overleed te Leest op 29 april 1812. Jaak De Maeyer huwde een eerste maal met Jeanne Verbeeck uit Willebroek die op 29 april 1793 te Leest overleed.
    Op 23 februari 1794 hertrouwde hij te Kapelle-op-den-Bos met Marie Therese Selleslagh (°Kapelle-op-den-Bos, +18/12/1794) en op 5 november 1795 huwde hij een derde maal en dit met Anna Catharina Cleymans (°Londerzeel 21/9/1771, +Leest 9/9/1830).

    1802 – Pieter Jan MOEREMANS werd burgemeester van Leest.
    Pieter Jan Moeremans volgde Jaak De Maeyer op als burgemeester te Leest. Hij werd te Blaasveld geboren op 25/11/1749 als zoon van Michal Moeremans en Joanna Maria Schelkens en vestigde zich te Leest in 1787.
    Op 3 februari 1778 was hij te Blaasveld gehuwd met Anna Catharina Selleslagh (°Willebroek 1751/1756, +Leest 22/3/1834).
    Tijdens de Volkstelling van 1796 te Leest woonden zij “op de plaats” (Dorp). Die Volkstelling werd door hem mede ondertekend als “greffier”. In de bevolkinsboeken van 1819 werd hij vermeld als kostganger bij de familie Fierens in het dorp.
    Als beroep noteerde men hovenier.
    In 1807 werd hij als burgemeester opgevolgd door Jaak Somers. Pieter Jan Moeremans overleed te Leest op 17 september 1836.
    Nazaten van hem expoiteren nog altijd de bekende bakkerij Moeremans te Blaasveld.

    1807 – Jaak SOMERS volgde Pieter Jan Moeremans op als burgemeester van Leest.
    Hij was te Leest geboren als zoon van Guilielmus Somers en Catharina De Keyser.
    Hij huwde op 24/2/1798 te Mechelen met Catharina Voet (°Mechelen 8/8/1773, +Leest 2/3/1811) en een tweede maal te Hombeek op 19/11/1811 met Barbara Ceulemans (°Hombeek 5/9/1787, +Leest 6/5/1848).
    Barbara Ceulemans was de dochter van de burgemeester van Hombeek.
    Jaak Somers werd in 1818 opgevolgd door Petrus Joannes De Meester.

    1817 - Ontslag voor veldwachter Guillaume Brion.
    Wegens slechte staat van dienst en luiheid kreeg veldwachter Guillaume Brion dat jaar zijn onslag.
    Hij was veldwachter te Leest van voor 1808 en geboren te Kapelle o/d Bos (Oxdonk ?) rond 1761.
    Hij werd te Leest gedoopt op 8/9/1761 en overleed er op 1/8/1830. Hij was een zoon van Petrus Brion en van Maria Anna Verbeeck en huwde te Kapelle-op-den-Bos op 19/4/1801 met Anna Maria Houthuys (1766-1844). (kon niet schrijven)
    Deze garde werd opgevolgd door Cornelius Meuldermans. (‘Veldwachters te Leest’ Eddy Apers)

    Bijgevoegd :
    -Huwelijksakte van Jaak De Maeyer en Anna Catharina Cleymans.
    -Zijn overlijdensakte.
    -Handtekening van Pieter Jan Moeremans.
    -Handtekening van burgemeester Jaak Somers.











    16-04-2017 om 11:26 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    13-04-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Wijzigingen - aanvullingen Kronieken van Leest.

    Wijzigingen en aanvullingen - Kronieken van Leest.

    1785 – Joannes Franciscus VAN VAERENBERGH volgde zijn vader op als koster.
    Met deze op 18 juli 1766 geboren Leestenaar, derde kind van de vorige koster, jonggezel en ook weer koster-schoolmeester, trad de vijfde en laatste koster aan uit dezelfde stam.
    Na 29 september 1797, datum waarop pastoor De Heuck door de Franse overheersers uit zijn pastorij werd gezet en moest gaan onderduiken, was het koster Jan Frans Van Varenbergh die de borelingskes ging dopen en de doden naar hun laatste rustplaats bracht. Dit gebeurde zonder enige plechtigheid.
    De bijkomende ceremonieën van de doop werden achteraf in het Hof ter Moortere door de pastoor zelf aangevuld. Deze situatie duurde tot 1801. Toen kwam alles terug in orde.
    Toen Jan Frans Van Varenbergh oud en versleten was, hij telde toen 70 lentes, schreef hij op 19 oktober 1836, op aandringen van pastoor Hermans, een brief aan de aartsbisschop van Mechelen, om zijn ontslag aan te vragen : “Niet meer bekwaam zijnde door doofheyd en hoogen ouderdom om nog lange de plaets van coster, die ik nu reeds meer dan een halve eeuw bediend heb, met eer te konnen vervullen, geeve mijne demissie aen zijne Hoogweerdigheyd den Aertsbisschop van Mechelen, hoopende dat men zoodanige arrangementen ten mijnen opzigte zal neemen, dat ik weynig van mijne gewoonelijke inkomsten verlieze, terwijl ik arm zijnde de zelve noodig heb om te kunnen subsisteren. Blijve met alle agting enz…”
    Hij schreef ook een gelijkaardige brief naar de burgemeester van Leest om zijn ontslag te krijgen als onderwijzer.
    Dit ontslag werd hem toegestaan en er werd hem ook voldoening gegeven op materieel gebied.
    Hij mocht blijven beschikken over een gedeelte van het kostershuis (waar ook het nieuwe kostersgezin Moortgat zijn intrek nam) en zijn jaarlijks inkomen (100 frank) werd hem uitbetaald. “De cette manière,” vermeldt het verslag van de kerkraad, “le vieux papa pourra terminer honorablement sa carrière…”
    Op dezelfde zitting benoemden de kerkmeesters met voltalligheid van stemmen de nieuwe koster Marten Jozef Moortgat die reeds een tiental jaren orgelist was van de kerk, “Un homme vertueux et jouissant d’une bonne réputation, tres instruit…” zo beschrijft hem ditzelfde verslag.
    Joannes Franciscus Van Varenbergh overleed te Leest op 2 november 1843. Hij werd bij zijn ouders begraven (zie 1764).
    (‘DB’, november 1985. ‘De Sint-Niklaasparochie in Leest’, W. Hellemans)

    1794 - Weer een piek in de sterften te Leest, dat jaar 48 doden.
    In 1794 waren te Leest 48 doden (op een gemiddelde van 24), 23 doden voor de maand augustus en september.
    Bij dit jaar 1794 lezen we in de Kronijken van Mechelen : “1794 was het jaar van de aankomst der Fransen te Mechelen na hun overwinning op de Oostenrijkers te Pleurus. In dit jaar heerste er een wrede hongersnood. De hoofdoorzaak van het gebrek aan eten was de hoge prijs aan dewelke het graan mocht verkocht worden. De markten waren leeg omdat de landlieden met hun paard en kar niet dierven buitenkomen uit vrees dat de Fransen ze zouden aanslagen…”
    Voor 1600 werd onze streek herhaalde malen door ziekterampen geteisterd : zo heerste de Pest van 1467 tot 1472, de Koepokken van 1515 tot 1522 en nogmaals de Pest van 1571 tot 1574.
    Hierover hebben we echter geen overlijdensgetallen, daar het overlijdensregister te Leest slechts aanvangt in 1599.
    Voordien werden de doden niet ingeschreven.
    (“DB”, november 1976)

    1796 – Angelus Van der Hulst, eerste burgemeester van Leest ?
    Leest en alle andere kleine gemeenten met minder dan 5.000 inwoners werden samengevoegd en maakten deel uit van de Administration municipal du canton de Willebroek.
    In het voorjaar 1796 moet de Municipale Raad van Willebroek samengesteld geweest zijn.
    De vertegenwoordigers van Leest waren Angelus Van der Hulst als agent municipale en M. Coeckelbergh als adjoint.
    Commissaris van de Minicipale Raad was Scheppers, voorzitter was Spiette, Chirurgien, gewezen seigneur de Puurs.
    De agents municipeaux en de adjoints moesten in principe wettelijk verkozen zijn. Dit was niet gebeurd.
    Deze agenten werden aangeduid en van hen mag men aannemen dat ze door de overheid Fransgezind geacht werden.
    Ze mogen bij hen gerekend worden die vroeger het gedachtengoed van de Vonckisten verdedigden en zich keerden tegen de oude macht van kerk en adel.
    Hun aanstelling was engagerend maar er stond hen nog een zeer ondankbare taak te wachten. De agent en zijn adjoint waren onbezoldigde boodschappers.
    De vaak repressieve en gehate wetten van de Fransen moest de Agent overbrengen naar de plaatselijke verantwoordelijken.
    Het volk werd ervan op de hoogte gebracht door de champetter die ze voorlas en aanplakte.
    De wetten op gebied van belastingen, confiscaties, kerksluitingen, verplichte legerdienst etc. gingen ze zelf meer en meer verfoeien. Buiten de grote morele druk werden ze door hun medeburgers in de gemeente veracht, bedreigd met brandstichting en zelfs met de dood. Ze werden het vlug beu en zegden hun moeilijke job op.
    (Ward De Kempeneer in Boerenkrijgnr van ’t Ridderke, nr.2-1998)

    Ergens kan men Angelus Van der Hulst de eerste burgemeester van Leest noemen en dit tot 1800.
    Angelus Van der Hulst was te Boortmeerbeek geboren in 1763 als zoon van Petrus Van der Hulst en van Theresia Van Doren.
    Het echtpaar woonde in 1796 in de Winkelstraat waar ze 4 knechten en 2 meiden bezaten.
    Hij huwde te Leest op 14/2/1792 met Barbara Peeters (°Leest 2/12/1759, +Leest 30/6/1823).
    Angelus Van der Hulst overleed te Leest op 16 januari 1832.

    Bijgevoegd :
    -Handtekening van Angelus Van der Hulst.
    -Huwelijksakte Angelus Van der Hulst en Barbara Peeters.
    -Overlijdensakte van Angelus Van der Hulst.







    13-04-2017 om 10:36 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    Aanvullingen en wijzigingen aan de Kronieken van Leest.

    1741 - Leest kende dat jaar 54 doden
    In 1741 telde de gemeente Leest 54 doden (op een gemiddelde van 15) : alleen reeds tussen de periode van 9 september tot 23 oktober werden 45 overlijdens genoteerd, dat kwam neer op één per dag.
    De oorzaak van dit hoge sterftecijfer kennen we uit de Kronijken van Mechelen : “…In de maand september van 1741 heeft men de ziekte de Roode Loop te Mechelen gekregen, waarvan talrijke personen ten grave zijn gedragen. Het getal van doden in de stad beliep tot 1159…”
    De “Rode Loop” was een “besmettelijke ziekte in de buik, waarbij men bloed afging.”
    (“DB”, november 1976)

    1747 – 30 oktober : Zitting raad van het Magistraat
    “…in zitting van 30 oktober 1747 van den raad van het Magistraat werd er gesproken over de verschillende buitensporigheden en ongeregeldheden welke de Huzaren van het regiment van Turpin die gekampeerd lagen op Heffen, LEEST en Hombeek aldaar uitvoerden ; er werd voorgesteld deze regimenten binnen de stad te loogeren, op voorwaarde dat de drie genoemde dorpen tusschen zouden komen in de kosten van huisvesting en voeding…”
    (“Mechelsch Dagboek 1742-1749 – De Franschen te Mechelen…”, GvM, 24/12/1939)

    1764 – Judocus VAN VA(E)RENBERGH werd de nieuwe koster.
    Judocus Van Varenbergh werd te Diegem geboren op 19 mei 1715. Hij was bijna 45 jaar toen hij op 5 februari 1760 in het huwelijksbootje stapte met Anna Teresia Elias, de dochter van koster Franciscus.
    Het echtpaar kreeg vier kinderen :
    -Johanna, geboren op 28 december 1762, stierf vier dagen later.
    -Joannes Baptist, geboren op 18 januari 1764.
    -Joannes Franciscus, geboren op 18 juli 1766, werd in 1794 reeds ‘successor custodis’ genoemd (opvolger van de koster). Hij bleef ongehuwd.
    -Anna Katrien, geboren op 1 juni 1770.
    Judocus werd door de abdis voorgedragen op 4/12/1764, benoemd en zoals zijn voorgangers was hij geregeld huwelijksgetuige.
    Pastoor De Heuck getuigde in 1774 over hem dat hij zijn taak goed volbracht.
    Als koster bedroeg zijn jaarlijks inkomen in 1765 41 gulden en 12 stuivers van de kerkfabriek.
    Tien jaar later was dat 31 gulden en 12 stuivers van de kerkfabriek en 17 gulden en 10 stuivers van de H. Geesttafel.
    Daarbij nog 12 gulden als onderwijzer want hij was koster-schoolmeester.
    Hij bewoonde op het dorpsplein ‘bij gedoge’ een huis van de kerkfabriek en de H. Geesttafel.
    Judocus Van Varenbergh stierf op 19 maart 1801, als bijna 86-jarige en werd plechtig begraven op het kerkhof voor de koster van Hombeek.
    ‘Tijdens 36 jaar, 3 maand en 14 dagen was hij hier koster geweest’ noteerde pastoor De Heuck.
    Op zijn grafsteen, de meest rechtse tegen de buitenmuur van het kerkkoor, staat bovenaan in ingelegd marmer : ’PIE JESU + DOMINE’ en onderaan : ‘DONA EIS + REQUIEM’ (Zoete Heer Jezus, geef hen rust).
    In dezelfde materialen, op de plek van het +, staat bovenaan een stralen uitstralend barok kruis, sinds 2001 deels stuk, en ondereen een doodshoofd op twee knoken. Tussenin de tekst : ‘SEPULTURE VAN DEN EERZAEMEN / JUDOCUS VAN VARENBERGH , COSTER / ENDE SCHOOL MEESTER TOT LEEST. / 41 JAEREN, STERFT 19 MEERT 1801 / OUD 86 JAEREN. / ENDE ZYNE WETTIGE HUYSVROUWE. / ANNA THERESIA PETRONELLA ELIAS / STERFT DEN 26 FEBRUARIUS 1808 / OUD 83 JAEREN / SY HEBBEN GEFUNDEERD JAERLYKX / 2 GEZONGEN JAERGETYDEN VOOR HUN / BEYDER ZIELEN LAEFFENISSE. / ENDE HUNNE 3 KINDEREN / JOANNES BAPTISTA VAN VARENBERGH / STERFT DEN 23 JUNI 1812 /JOANNES FRANCISCUS VAN VARENBERGH / OOK COSTER EN SCHOOLM TOT LEEST / STERFT DEN… / ANNA CATHARINA VAN VARENBERGH / STERFT DEN…’
    Zoals hierboven vermeld overleed zijn echtgenote Anna Teresia Elias op 26 februari 1808.
    (‘DB’, november 1985 en ‘De Sint-Niklaaskerk in Leest’, W. Hellemans)

    1766 – 11 februari : Overlijden van Aegidius Fierens, kapucijn.
    In “De Kapucijnen in de Nederlanden en het Prinsbisdom Luik” door P. Hildebrand, archivaris, Deel VII van “DeVlaamse Religieuzen” vond Eddy Apers de naam terug van een Leestenaar : Aegidius Fierens, gedoopt te Leest op 18 januari 1697.
    Hij was de zoon van Willem Fierens en van Barbara Verschuren : ■— v. L e e s t of v. M e c h e l e n , Br., Aegidius Fierens ; ged. Leest 18 Jan. 1697 ; z. v. Willem en Barbara Verschuren ; inkl. 26 Febr. 1719 ; w. Antw. 1755 ; f ibid. 11 Febr. 1766.

    1784 – Jacoba Moons legde haar kloosterbeloften af als zuster Agnes.
    “Vurige near volginge Jesu Christi uytgekondigt over Jacoba MOONS (nu ganaemt) Suster Agnes gebortig van Leest : uytsrpekende haere dry solemnele beloftens in het vermaerd klooster van Gallileën, gezeyd de Zwerte-Zusters onder den regel van den H. Vader Augustinus binnen de provincie van Mechelen”, 1784; druksel. (‘Varia’. Stadsarchief Mechelen, een farde van 70x60cm met 173 druksels en handschriften, blz.10, onder nr.52).
    Jacoba Moons was te Leest gedoopt op 6/2/1765 als dochter van Joannes Moons en Joanna Keulemans. (Info Eddy Apers)

    13-04-2017 om 10:25 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    09-04-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Aanvullingen en wijzigingen aan de Kronieken van Leest

    Aanvullingen en wijzigingen aan de Kronieken van Leest.

    1638 – Bouw van het KOSTERSHUIS
    Op de plaats waar thans het gemeentehuis met aangebouwd schoolhuis staat, stond vroeger het ‘kostershuis’.
    Het werd gebouwd in 1638 op een stuk grond van 64 roeden (figuratieve kaart Van Acoleyn 1723), behorende voor de helft aan de H. Geesttafel (het werk van de armen.
    Na de Franse revolutie werd dat het Weldadigheidsbureau, het toenmalig OCMW). …’item nog heeft de kerk samen de de H. Geest een huys met hofken tot Leest aen de Plaetse, wordt bij den koster bewoont en bij promissie hem gegund, mits zijnen dienst weldoende is…’ Zo lezen wij in de rekeningen van de kerkfabriek en van de H. Geesttafel uit 1639 en 1640.
    Wat het bouwen van dat huis gekost heeft, vinden we terug in de rekeningen van 1636 en 1642 : 304 gulden 16 stuyver in totaal. 222 gulden aan de kerk en 82 gulden aan de H. Geest.
    Dit kostershuis behoorde dus voor de helft aan de kerk en voor de helft aan de armen. ‘Cette maison appartient donc à l’église et aux pauvres,’schrijft pastoor Hermans op 19 juli 1834 in een brief aan de aartsbisschop Engelbertus, ‘et le clerc l’a occupée après comme avant la révolution francaise’ (De koster heeft er in gewoond zowel voor als na de Franse revolutie).
    Diezelfde brief vermeldt ook dat dit huis in 1829 in twee werd verdeeld, het ene gedeelte liet men aan de koster, het andere deel werd gebruikt als gemeentehuis, omdat men toen dacht, schrijft de pastoor, dat het gemeentegoed was.
    Men heeft zelfs in 1829 een school gezet op datzelfde terrein, en ook die school heeft men in twee delen gesplitst : een deel dat dienst deed als schoolgebouw, een ander deel doet dienst als wachtlokaal met politiekamer voor de militairen.
    Vermits de koster terzelvertijd ook schoolmeester was, deed de woning van de koster bijgevolg ook dienst als huis van de schoolmeester. (Voor het schoolgebouw er stond gaf de koster schoolonderricht in het kostershuis zelf.)
    Om later moeilijkheden te vermijden wijst pastoor Hermans de gemeenteraad, aan de hand van de rekeningen van de kerkfabriek, op de ware eigenaars van deze grond, en hij komt met hen tot een overeenkomst ‘à l’amiable’.
    Zo wordt op 23 maart 1846 de grond waar het gemeentehuis op staat en de school (1 a 14 ca) overgegeven aan de gemeente.
    De gemeente van haar kant zal jaarlijks een eeuwigdurende rente van 15 frank betalen, de helft aan de kerkfabriek en de helft aan het bureau van weldadigheid.
    Dit akkoord wordt ondertekend door notaris Fremie, burgemeester Carolus Wouters, de schepenen J.P. De Keersmaecker en Carolus Coeckelbergh, pastoor Gabriel Hermans, kerkmeesters Engel Verschueren en Petrus Demaeyer, en de administrateurs van het bureau van weldadigheid August Premiesen, J. Steenam en B. Dierckx. Getuigen waren herbergier en landbouwer Johan Selleslagh en veldwachter Adriaen De Wit.
    Koster Martinus Moortgat mag het kostershuis blijven bewonen, op conditie dat hij ‘de kinderen van de ouders staende op den arme gratis zal onderwijzen.’

    In 1879 hebben we de schoolstrijd. Meester Dumont komt naar Leest als onderwijzer van de gemeenteschool.
    In 1882 komt er een nieuw gemeentehuis met schoolhuis, dat in ’t vervolg door de gemeenteschoolmeester zal worden bewoond : meester Dumont, na hem meester Moons en meester De Leers.
    De nieuwe koster Petrus Jozef Hellemans, die terzelfdertijd onderwijzer werd in de parochieschool, nam zijn intrek in het huis op de Dorpsplaats, waar later meester Alfons Hellemans zijn gezin grootbracht.
    Koster Louis Hellemans woonde eveneens op de Dorpsplaats , in het huis van Victoria Teughels dochter van Jan Baptist, met wie hij getrouwd was. Toen dit huis, na beider dood, in 1919 verkocht werd aan de kerk, zou het nog een tijdje een kostersfamilie herbergen : het gezin van Jef Rheinhard.
    In 1978 werd dit huis door de kerk verkocht aan Jos De Smedt. (Georges Herregods, ‘DB’, november 1985)

    1683 – Peeter ELIAS volgde zijn vader Jacques op als koster te Leest
    Peeter Elias, ook Ilias, was geboren op 6/9/1649 en volgde zijn vader op als koster te Leest van 1683 tot 1722. Officieel nam hij die functie waar vanaf 1692.
    Peeter Elias trouwde te Leest met Katrien De Lathouwer op 13 februari 1673. Vader Jacques was getuige.
    Het echtpaar kreeg 12 kinderen :
    -Peeter, geboren 17 december 1673, stierf na twee jaar op 2 juli 1675.
    -Jacques, geboren 11 januari 1675, stierf eveneens zeer vroeg, op 16 september 1676.
    -Katrien, geboren op 26 februari 1676, overleed op 13 februari 1717.
    -Peeter, geboren 23 juni 1677, overleed op 1 mei 1711.
    -Petronilla, geboren 3 december 1678, overleed op 30 januari 1705.
    -Jeanne, geboren op 11 maart 1680.
    -Niklaas, geboren 8 april 1681, overleed op 22 april 1711.
    -Jacques, geboren 19 oktober 1683, huwde in 1711 met Clara Janssens.
    -Franciscus ‘Frans’, geboren 16 maart 1685, volgde zijn vader op als koster van Leest.
    -Helena, geboren 4 februari 1687.
    -Maria, geboren 26 maart 1689.
    -Elizabet, geboren 11 december 1690. Hier waren complicaties, want dit jongste dochtertje stierf de week nadien op 18 december 1690.
    Twee dagen later stierf ook de moeder Katrien De Lathouwer en vader Peeter Elias bleef bijgevolg zitten met acht wezekindjes, het oudste amper veertien jaar oud.
    Hij zou nog zeven jaar wachten vooraleer te hertrouwen. Waarschijnlijk werd hij ondertussen bijgestaan door zijn stiefmoeder Katrien De Bleser, de weduwe van zijn vader in een tweede huwelijk. Zij stierf op 4 augustus 1696.
    Het jaar daarop 7 augustus 1697 ging Peeter Elias een tweede huwelijk aan, dit keer met Catharina ‘Katrien’ Van Regenmortel.
    Spoedig was de ooievaar daar weer : het kindje André dat op 3 december 1698 boven de doopvont werd gehouden, zou echter de maand niet uitdoen, het stierf op oudejaarsavond van datzelfde jaar.
    De facto was Peeter Elias negenendertig jaar koster-schoolmeester (1683-1722) en (tot 1717) geregeld ook huwelijksgetuige.
    Doorgaans werd zijn werk positief beoordeeld. Maar in het verslag, opgemaakt door aartspriester A.I. De Coriache in 1701, staan drie klachten. Zo bleek zijn schooltje –dat alleen tijdens de winter open was- weinig succesvol.
    Ten tweede luidde hij de klokken niet op tijd voor de mis, waarop hij weliswaar vrank repliceerde. En ten derde liet hij zijn koeien grazen op het kerkhof.
    Peeter Elias stierf te Leest op 17 juli 1722 en werd begraven bij zijn ouders.
    (“De kosters van Leest”, DB november 1985 en “De Sint-Niklaasparochie in Leest”, W. Hellemans)

    1692 – 4 oktober : Akt Notaris Hendrik Van Berwaer
    Jacques Feeremans uit Leest in het Land van Mechelen is voogd over Kathlijne Van der Veken, minderjarige erfgename van Guilliam Van der Veken en Anna Peeters uit Niel.
    Feeremans ontvangt in die hoedanigheid 102 gulden van haar gewezen voogd Philip Verdonck.
    Philip Verdonck had dit geld in bewaring sinds de dood van zijn vrouw.
    Opgemaakt in het bijzijn van Jan Peeters en Guilliam Peeters.
    (Met dank aan Christiane Apers en René Pattyn. Hendrik Van Berwaer resideerde als notaris te Mechelen)

    1693 – Leest telde dat jaar 44 doden
    Dit, terwijl het gemiddelde aantal overlijdens op de gemeente toen 11 was. De reden is ons onbekend. (“DB”, november 1976)

    1722 – Franciscus ELIAS volgde zijn vader Petrus op als koster te Leest
    Joannes Franciscus Elias was te Leest geboren op 16/3/1685 als zoon van Petrus en van Catharina De Lathouwer. Toen hij zijn vader opvolgde was hij zevenendertig jaar.
    Het jaar nadien werd hij officieel benoemd en trad hij ook in het huwelijk (20/11/1723) met Petronella Koeckelbergh.
    Het echtpaar kreeg vier kinderen :
    -Joanna, geboren in 1724, werd niet ingeschreven in het doopregister van Leest.
    -Anna Teresia Petronella, werd geboren op 11/6/1725 en zou huwen met Judocus Van Vaerenbergh (die zijn schoonvader zou opvolgen als koster).
    -Frans, geboren op 27 september 1726, stierf kort nadien.
    -Maria Anna, geboren op 14 januari 1729.
    Het inkomen van koster Elias bedroeg 50 florijnen per jaar : 33 ontving hij er van de kerkfabriek – vanaf 1759 was dat 41 – en 17 van de H. Geesttafel.
    Hij woonde gratis in het kosterhuis.
    Franciscus Elias stierf als 79-jarige op 4 december 1764.
    Hij was 42 jaar koster geweest.
    Hij werd bij zijn vader in de kerk bijgezet, al staat zijn naam niet op de grafsteen gebeiteld.
    (‘De Band’ november 1985 en ‘De Sint-Niklaasparochie in Leest’, Wilfried Hellemans)

    1723 - Joannes Franciscus Van Heymbeke volgde pastoor Van den Male op.
    Deze Anderlechtenaar (°1693) werd tot priester gewijd op 20 februari 1717. Hij zou pastoor blijven te Leest tot het jaar 1773, op twee maand na een halve eeuw, een unicum in de parochiegeschiedenis van het dorp.
    Hij was benoemd via het concours te Mechelen op 1 juni 1723 en voorgedragen door de abdis Seraphina ’t Servrancx (1707-1733) op 17 juni erna.
    Zijn institutie of “inleyding” vond plaats te Leest op 20 juni 1723.
    Als pastoor noteerde hij driemaal de Leestse bevolking per straat : in 1723, 1730 en 1740 met respectievelijk 674, 719 en 749 inwoners.
    Hij doopte in Leest 1204 kinderen tussen 26 juni 1723 en 11 april 1773, zegende er 329 huwelijken in tussen 28 juni 1723 en 22 november 1773 en begeleidde 809 stervenden van 28/6 1723 tot 9/4/1773.
    Negen maand (augustus 1727 – mei 1728) was hij ook deservitor in Hombeek, waar hij het aan de stok kreeg met de familie van de overleden pastoor. De reden : zijn vervangingsinkomen.
    Gedurig had hij ook last met de Kortenbergse abdis om op haar kosten zijn Leestse pastorij te laten herstellen.
    Zo schreef de rentmeester op 21 juli 1753 aan het bisdom : “Ick verliese mijn couragie als ick hoore dat onse Eerweerdighe Mevrouwe soo overvallen wordt, ick vreese dat sy daer nogh haeren beck sal in laeten...”
    Toch haalde de pastoor het telkens en bekwam hij zelfs dat er een nieuwe pastorij zou komen. Wat met twintig jaar uitstel ook gebeurde.
    De laatste jaren van zijn pastoorschap moest het hoogkoor herbouwd worden. Dat hij tegelijk mee het interieur liet venieuwen, was feitelijk onnodig. Maar ja, de barok was in...en zo deed men beroep op Pieter Valckx en Lambert Jozef Parrant.
    De eerste tien jaar van zijn pastoorsschap bedroeg zijn inkomen 400 gulden per jaar.
    In 1733 verzocht hij de aartsbisschop om een verhoging.
    Op 28 juni 1734 keurde deze laatste een verhoging toe tot 500 gulden ’s jaars ‘boven alle de accidenten, huijs ende hoff pastoreel’.
    Deze nieuwe regeling met vier gelijke, driemaandelijkse betalingen zou behouden blijven tijdens zijn verdere ambtstermijn.
    Jan Van Heymbeke overleed te Leest op 12 april 1773.
    Hij ligt samen met zijn zuster Joanne Maria Van Heymbeke begraven in de rechterzijgang van de kerk.
    (Wilfried Hellemans, “Pastoors Gevraagd”, ’t Ridderke nr.2, 2004 en “De Sint-Niklaasparochie in Leest”, “LG”, blz 94)

    1732 – Leest kreeg bezoek van Aartsbisschop Thomas-Philippus kardinaal D’ALSACE
    Dat jaar, onder pastoor Joannes Van Heymbeke, bezocht aartsbisschop Thomas-Philippus kardinaal D’Alsace (1716-1759) de Leestse parochie.
    Het is bekend dat de aartsbisschop ‘zorgvuldig de 405 pastorijen van zijn bisdom’ bezocht.
    In de Leestse kerkrekening staat naar aanleiding van dat bezoek slechts één uitgave : ‘voor gelevert wasch (noot : waskaarsen) voor de kerk als sijn Eminentie heeft gevisiteert’.
    (Archief Aartsbisdom)

    Foto’s :
    -Pastoor Van Heymbeke ligt, samen met zijn zuster, begraven in de rechterzijgang van de kerk.
    -Aartsbisschop Thomas-Philippus kardinaal D’Alsace.





    09-04-2017 om 06:27 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    07-04-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    Geachte lezer, lezeres,

    We nemen de draad van de chronologie weer op met aanvullingen en wijzigingen teruggevonden in diverse publicaties over Leest.
    Ik heb opnieuw alle nummers (tot 1979) van het onovertroffen maandblad “De Band” doorgenomen -met dank aan Karel Soors- en ontelbare details bovengespit en overgenomen.
    Brieven van missionarissen, kloosterzusters, soldaten…sportverslagen en -uitslagen, activiteiten en gegevens van de verschillende verenigingen…
    Geschriften van Frans Teughels, Albert Huysmans, Georges Herregods en andere monumenten van de Leestse geschiedschrijving….diverse reportages zoals het “Mexicaans avontuur” van wielerkampioen Staf Van Cauter, de belevenissen van pater De Laet tijdens zijn drie maanden onder het bewind van de Simba’s…
    Speciale aandacht ging ook naar de verschillende burgemeesters en andere notabelen van de gemeente.
    Ook naar de kerkelijke instanties zoals de diverse kosters, waarvoor we uitvoerig geput hebben uit het werk van Wilfried Hellemans waarvoor mijn dank.
    Ook de toponiemen van Leest werden geïntegreerd, dit op datum van publicatie in de periodiek van Milac en de laatste vijf jaren van “De Band” zullen nog worden verwerkt.
    Nog veel leesgenot.
                                          Marcel

    1580 – Getuigenissen over de klokkenroof…
    Getuigenissen bij de Mechelse notaris Van Meere (SAM 09/12/1589) : “Peeter Joossens ongeveer 28 jaar oud, “groff smit”, poorter te Mechelen verklaarde op verzoek van meier en gezworenen van Heffen en Leest dat in 1580 “corts naer de invasie vanden vijanden ende sarpriuse deser voors. stede” Anthony vanden Maele, Antwerpenaar, “ghecommen is binnen het artillerie huys deser stede”.
    Hij heeft “doen ter tijdt opeenen orts oft zekeren cleynen straetwagen doen oplaeden twee groote clocken waeraff deene competeerende ende toebehoirde der voorscreven prochie van Leest ende dandere der prochie van Heffene”.
    Hij zag toen dat vanden Maele “de voors.clocken tschepe ghedaen laden heeft ende ghevuert naer Antwerpen”.
    Later heeft Joossens diezelfde klokken gezien “aende nyeuw waghe indien byvanck vande minderbroederen clooster tot Antwerpen”.
    Hij was heel zeker dat het die klokken waren.
    Hij verklaarde ze “wel te kennen deur dien hij opde zelve zoo tot Leest als Heffene respective dicwils daeroppe ghespelt, gebeyaert, ende gheluyt heeft gehadt”.
    Hun toon kende hij ook goed daar hij “binnen der prochie van Heffene den tydt van zeventhien jaeren lanck continuel(lyck) ghewoont heeft gehadt”.
    Niet enkel over klokken wist hij iets te vertellen.
    Hij had ook gezien dat vanden Maele “de schuren vande gestoffeerde vergulde tafereelen int voorsc. artillerye huys daerse op solder ghestelt waren in kisten ghepackt heeft gehadt ende de zelve ghedaen vueren heeft naer Antwerpen.
    Hij deed zijn verklaring “inden bonten os ghestaenaen dadeghem plaetse ter presentie van deersame persoonen Mr. Peeter vanden Gheyne, Peeter diddens, Jan ooster ende Hans verhyck”.
    Er was nog een andere getuige van die gebeurtenissen, Jan Verbercht, timmerman, 48 jaar en poorter van Mechelen, was door de meier van Heffen wettelijk gedagvaard.
    Ook hij had in 1580 “corts naer de Surprinse deser stede gheadsisteert met eenen Jan oostermans van Leest int artillerye huys… (alwaer hy attestant doen terttydt woonde) met mest gedeckt heeft gehadt twee clocken te weeten de ghene van Leest ende Heffene”. Wie gaat ze daar zoeken ?
    Kort daarna was Anthonij vander Maele gekomen “beyde voorsc. clocken daerse gedeckt waren heeftsec ommen ontdecken en(de) dedese vuyt het voorsc. artillerye huys voeren”.
    Ook hij kende die klokken “deurdyen hy de zelve zoo tot Leest als Heffene zelve heeft helpen affdoen” vanwaar ze naar het artilleriehuis werden gevoerd. Hij zag ook dat vander Maele “zekere figuren van belden de welcke boven op solder gheset waren mede ghedragen heeft gehadt”.
    (Leon Bernaerts in Vaertlinckcontact nr.3 van 2015 : “Woelige tijden,…”)

    1573 – Koster Anthonis VAN ENERE
    Eerste vermelding van koster Anthonis Van Enere, koster te Leest zeker van 1573 tot 1581.
    Mogelijk was hij afkomstig uit Zemst. Hij wordt tweemaal vermeld.
    In 1573 moest hij op strafbedevaart naar O.L.Vrouw van Halle. Dit om een zekere Peeter Guedens ‘met een gaffel gestoken te hebben’. En in 1581 werd hij op 31 januari genoemd als koster van Leest.
    (‘De Sint-Niklaasparochie te Leest’, W. Hellemans)

    1592 – Koster Peeter VAN (DEN) BROECK / BROUCKE
    Eerste vermelding van koster Peeter Van (Den) Broeck (Broucke) in het Kerkarchief van Leest. Hij was zeker koster van 1592 tot 1594. “Peeter van(den) broeck al(ia)s de custere tot Leest gheeft der kercke van gronde daer zy schuere op staet inde plaetse (nu Leest-Dorp) zes stuivers per jaar (in 1592) . Omdat hij de grond onbebouwd liet, moest hij echter niets geven.
    In latere kerkrekeningen komt zijn naam voor bij datzelfde item en met telkens dezelfde inhoud.
    (‘De Sint-Niklaaskerk in Leest’, W. Hellemans)

    ‘De tweede helft van de 16e eeuw was voor Leest en omliggende een triestige tijd. De godsdienstoorlog is volop aan gang. De bevolking wordt geterroriseerd de ene keer door Spaanse soldeniers, de andere keer door soldaten van Oranje of door de geuzen. Zo wordt in 1571 de ‘kercke affgebrandt bij de soldaten van Grave Van Swertsberge’. De schade is enorm want het zal acht jaar duren vooraleer de kerk hersteld is en plechtig kan worden ingewijd. Dit gebeurt door aartsbisschop Hovius.
    Bij die gelegenheid wordt aan Monseigneur een ‘etentje’ aangeboden. Onder de disgenoten vinden we die dag ‘koster Pieter Van Broucke’. (‘DB’, november 1985) -

    1595, 1600 en 1602-1604 : Joannes (Hans) DAEMS koster te Leest.
    “De visitatieverslagen van landdeken Petrus Bernaerts vermelden dat Hans in 1595 tegelijk koster was in Hombeek en in Leest.
    Omdat hij dan in de stad resideerde, konden de kinderen niet (meer ?) in Hombeek schoollopen. In de bewaarde Leestse verslagen over 1596 en 1598-1601 staat geen kostersnaam vermeld ; toch schreef G. Hermans dat Hans Daems in 1600 in Leest aan de slag was als ‘koster en schoolmeester’. En daarna ?
    Wel, van dan af wordt het wat moeilijk.
    In 1601 lezen we nog dat ‘de Hombeekse koster de (Leestse) pastoor wat bijstaat (‘subservit’) en dat moet dan wel Joannes Verlinden zijn, zoals blijkt uit het Hombeeks verslag.
    Het volgend jaar is Joannes of Hans Daems ‘die hier en in Hombeek de pastoor bijstaat’ de Leestse koster. Eigenaardig toch want dezelfde verslaggever, landdeken Antonius De Mot, noteert als Hombeekse koster…Joannes Verlinden.
    In 1603 en 1604 wordt J. Daems weer met naam genoemd als koster in Leest. Over Hans Daems staat bondig en goed aangegeven dat pastoor en gemeenschap over hem tevreden zijn (1602).
    En verder dat hij éénzelfde register gebruikte voor de dopelingen in Hombeek en Leest en éénzelfde voor de gehuwden van de twee parochies (1604).”
    (‘De Sint-Niklaasparochie in Leest’, W. Hellemans)

    -1601 en 1605-1607 : Koster Joannes VERLINDEN
    “Blijkbaar was Hans Verlinden –in Hombeek al (vanaf 1599) koster-onderwijzer – (in 1601) dus ook in Leest aan de slag. Dat gebeurde opnieuw van 1605 tot in 1607. En daar er toen in Leest geen schooltje was, volgden wat Leestse kinderen ook bij hem in Hombeek de lessen. Jammer genoeg verwaarloosde hij zijn taak en dronk, kreeg vermaning na vermaning en verliet Hombeek.”
    (‘De Sint-Niklaasparochie in Leest’, W. Hellemans) -

    1608 : Bertelmies VAN GHIJSEL koster tot zeker 1621.
    Zijn naam werd ook Bartholomeus Gijs(s)els, Gijssele en (Van) Gysel geschreven. Zijn geboorteplaats is ons onbekend maar hij huwde te Leest op 29 augustus 1604 met Catharina KEYSERS (De Keyser). Getuigen bij dat huwelijk waren hun beider vaders: Martinus De Keyser en Petrus Van Gijsel. Deze laatste zou een maand daarop overlijden (+17/9/1604). Uit dat huwelijk ontsproten vijf kinderen : -Maria, geboren op 19 juli 1604.
    -Anna, geboren op 7 december 1608.
    -Petrus, geboren op 31 mei 1611.
    -Arnold, geboren op 21 maart 1612.
    -Willem, geboren 17 januari 1621 stierf toen hij 19 was (19 augustus 1640).
    In 1607 was Bartholomeus Van Ghijsel kerkmeester en in meer dan een verslag herhaalde de landdeken telkens opnieuw dat hij als koster ‘voldeed aan de pastoor en de parochianen’.
    In 1617 staat er duidelijk bij dat hij geen les gaf : de Leestse kinderen liepen nog altijd school te Hombeek.
    Hij stierf te Leest op 20 augustus 1629 en werd twee dagen later begraven in de kerk. Als koster genoot hij het voorrecht onder de kerkvloer te worden begraven.
    Op zijn grafzerk stond te lezen : ”Hier light begraeven / Bertelemies Van Ghysel / Coster was in synen tyt / deser Kercke, sterf op den 20 / dagh Augustus 1629 / bidt voor de Siele.”
    Zijn vrouw Catharina ‘Katrien’ Keyzers overleefde hem 35 jaar, zij stierf te Leest op 23 juni 1664.
    (‘DB’, november 1985 en ‘De Sint-Niklaasparochie in Leest’, W.Hellemans)

    1627 – Jacques ‘Jacobus’ Elias werd koster te Leest
    Officieel volgde zijn benoeming op 25 december 1629 maar toen was hij al van in 1627 aan slag.
    Jacques Elias (in sommige kerkrekeningen wordt zijn naam Ilias, Elrias en Ilrias gespeld) was een ingeweken Leestenaar.
    Geboren in 1611 werd hij reeds op jonge leeftijd koster te Leest, want bij zijn overlijden op 25 augustus 1692, op 81-jarige leeftijd, schreef pastoor Michael Gijsens in zijn overlijdensregister : ‘Jacobus Ilias custos hujus paroeciae per 64 annos, aetatis 81 annorum, sepultus est in ecclesia nostra prope altare B.M.V. (Jacob Ilias gedurende 64 jaar koster van deze parochie 81 jaar oud, hij werd begraven in onze kerk dichtbij het altaar van O.L.V.)
    Jacques Elias beleefde in 1627 de overgang naar weer eigen Leestse pastoors. Tegelijk was hij de eerste uit een rij van vijf generaties Leestse kosters uit éénzelfde familie : drie droegen de naam Elias en twee heetten Van Vaerenbergh.
    Jacques Elias huwde met Johanna ‘Jenneke’ Le Paige of Lepaige, ze kregen acht kinderen :
    -Jacques, geboren 1 mei 1637, zou later trouwen met Anna Feermans.
    -Mattheus, geboren 26 september 1638.
    -Maria, geboren 15 april 1640.
    -Laurent, geboren 30 april 1643.
    -Henri, geboren 17 augustus 1644. Dit zoontje stierf op 15 april 1648.
    -Frans, geboren 19 november 1645, overleed op 11 augustus 1677.
    -Jan, geboren op 1 december 1647, overleed op 20 april 1684.
    -Peeter, geboren 6 september 1649, zou zijn vader opvolgen als koster van Leest.
    Blijkbaar kon Jacques Elias het niet goed vinden met zijn pastoor N. De Clercq (1630-1641). Al in 1636 is er in een rekening sprake van koster Van Vaecken, misschien een tijdelijke vervanging.
    Het werd zo erg dat de pastoor (in 1640) in een Latijnse brief aan de aartspriester zes ernstige klachten opsomde.
    Namelijk :
    1.Vanaf 19 februari 1640 weigerde de koster nog langer dienst te verrichten.
    2.De koster beschuldigde de pastoor dat deze hem frauduleus minder ontvangsten zou hebben gegeven dan die waarop hij recht had.
    3.Hij verweet de pastoor dat die een zekere Leestenaar (‘quendam Leestensem’) zou aangezet (‘geleerd’) hebben om heimelijk stokken (rijshout ? W.H.) te stelen die (dat) de pastoor daarna voor eigen gebruik zou gekocht hebben.
    4.Een door de pastoor gemaakte opmerking over zijn werk beantwoordde de koster boudweg met : ‘doe het zelf.’
    5. De koster maakte zijn dienst te schande als ‘lusor’ (speler, gokker ?). En bovendien leerde hij de jeugd op school dansen wat toch maar verderfelijk was.
    6.Op 19 maart 1640 werden er ’s nachts en in het geniep vier hoogstnodige houten beschermingspalen weggenomen voor de pastorij die nadien – en dat hebben velen gezien én veroordeeld – teruggevonden werden bij de koster.
    Kon zo iemand opnieuw aangenomen worden en weer koster zijn ? Kon hij dat ambt nog uitoefenen zonder schande en met voldoende waardigheid ? De pastoor liet het aan zijn superieuren om hierover te oordelen en te beslissen.
    Blijkbaar kon het. Misschien heeft het weggaan van de pastoor uit Leest (in februari 1641) er de herbenoeming van de koster wel vergemakkelijkt.
    Overigens schreef hij (in 1648) de kerkrekening waarvoor hij zes gulden ontving. En ook nadien voldeed hij als koster-schoolmeester zowel aan de pastoor als aan de parochianen, schreef aartspriester F. Vanden Driessche bij zijn visitaties (o.a. in 1654).
    Vierenzestig jaar was Jacques koster in Leest; het staat op zijn grafsteen én in het register al maakte vanaf 1683 zijn zoon wel de dienst uit. Hij werd vooraan in de kerk begraven, dicht bij het altaar van O.L.Vrouw. Op zijn nog moeilijk leesbare grafsteen, nu achteraan in de linker zijbeukvloer, staat dit : ‘Sepulture van de Eersaemen Jacques Elias coster deser kerck omtrent 64 jaeren, gestorven den 25 augusti 1692 oudt 81 jaeren ende Jenneke Lepaige syne wettighe huysvrouw gestorven den 29 january 1669 ende Peeter Elias synen sone oock coster den tydt van 47 jaeren oudt 72 jaeren sterft den 17 juli 1722. Bidt voor de zielen…’
    Na de dood van zijn echtgenote Jenneke Lepaige hetrouwde Jacques in 1669 met Catharina De Bleser die in 1696 zou overlijden. (‘De Band’, november 1981 en ‘De Sint-Niklaasparochie in Leest’ van Wilfried Hellemans)

    07-04-2017 om 08:13 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    29-03-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Een reis door Rwanda en Oost-Zaïre, slot.

    Wijzigingen/aanvullingen Kronieken van Leest

    Vervolg en Slot : LEEST – GETY en terug…

    Woensdag 25 juli 1973

    De broeder van de CELA brengt me ’s morgens 5 verse ananassen mee van de inlandse markt, die zullen wij morgen thuis opeten. Want ik had mijn vrouw moeten beloven ananas mee te brengen.
    Een pater brengt ons in zijn wagentje naar het vliegveld.
    De hal is al proppensvol met mensen en met al wat ze meesleuren, vooral tamtams hadden veel aantrekkingskracht op de kopende toerist.
    De formaliteiten verlopen gezellig kalm en als het vliegtuig een en zelfs twee uur en meer vertraging heeft maakt niemand er zich druk over.
    Om 12 uur komt dan het vliegtuig toe, vol met nieuwe mensen die door hun familie en kennissen hartelijk worden begroet.
    Wij stappen in onder geleide van een Rwandese hostess.
    Eerst vliegen wij nog door naar het zuiden, naar Bujumbura, de hoofdstad van Burundi.
    Om gemakkelijk te kunnen landen moet ons vliegtuig zijn overtollige benzine hoog in de lucht laten ontsnappen. Wij worden verzocht niet te roken bij dat maneuver.
    Van over het Tanganika-meer nadert ons vliegtuig Bujumbura.
    Het vliegt het dal in en moet zich dan op zijn zijde keren in een brede zwaai tussen de bergflanken in.
    Als wij door het raampje kijken zien wij de bergen heel dicht naast ons.
    Plots worden wij hevig geschud, wij zijn geland. Wij stappen uit.
    Op een groot bord staat vermeld dat het verboden is te fotograferen. Slechts enkele blanken staan hun gasten wuivend op te wachten.
    In dit land hebben de laatste maanden hevige stammentwisten gewoed : 100.000 Hutu’s werden er vermoord door de heersende klasse. België heeft zijn ontwikkelingshulp hierom opgeschort.
    Gans de vlieghaven is voor ons alleen.
    Wij zitten weer in een grote vuile hall en maar weer wachten.
    Van ergens komt muziek, een plaat speelt “I beg your pardon. I never promised you a rose garden”.
    De mensen die in Burundi op bezoek geweest zijn sluiten zich aan bij onze groep. Ze zijn eindelijk door al de formaliteiten gesukkeld en delen kwistig hun laatste Burundees geld uit en zo kunnen wij ook een Coca drinken.
    Eindelijk kunnen wij vertrekken.
    De steward gooit de plaatsreservering in het vliegtuig overhoop en laat achtereenvolgens de niet getrouwde koppels instappen, dan de oude koppels, daarna de jonge koppels en dan de rest, dus wij.
    Toch kunnen wij nog een goed plaatsje aan een venster bemachtigen. Wanneer wij opstijgen zie ik nog met een glimp een soort grote hagedis, wel 2 meter lang, over de startbaan kruipen.
    Het vliegtuig moet zo geen toeren meer uithalen als bij het dalen en wij hangen meteen in de lichtgrijze nevel over het Tanganika-meer; boven is de lucht staalblauw.
    Een vriendelijke steward met grote snor komt het eten opdienen.
    Het is drie uur en van ’s morgens geleden dat wij iets naar binnen gekregen hebben. Na drie weken broussekost eindelijk terug fijn eten, asperges en een goed stuk vlees.
    Nu geen achterdocht meer over wie heeft het klaar gemaakt en hoe. Champagne als drank. Heerlijk.
    Na het dessert laat ik me lui zakken in mijn zetel.
    Wij vliegen over het Victoria-meer.
    Na enige tijd landen wij in Naïrobi, Kenia. Piloten, stewards en hostessen verlaten het vliegtuig, een nieuwe bemanning komt aan boord. Wij blijven zitten.
    Na een half uurtje stijgen we weer op.
    Wij worden de sensatie van het dalen en het stijgen nu al gewoon. Boven de Soedan komen er wolken die zich boven elkaar opstapelen. Bliksems schieten er alle kanten doorheen. Het moet een geweldig onweer zijn. Wij vliegen er boven in de blauwe lucht.
    Ergens voelt men zich als niet meer behorend tot die wereld. Het wordt donker. Wij vliegen steeds in oostelijke richting en zijn nu al drie uren van het Belgische uur weggeschoven.
    Naast ons zit een dame. Zij is haar zoon geneesheer in Rwanda gaan bezoeken. Haar man, een onderwijzer, zit zonder iets te zeggen rond te kijken, een boek te lezen.
    Het is pikdonker als wij om 23 uur in Djedda in Saoudi-Arabië landen. Wij vliegen laag over de platte blokke-dozen huizen allen aaneengeplakt door een vierkant koertje waar een licht brandt.
    Wij kunnen goed de mensen onderscheiden. Af en toe een laan met lichten van auto’s en van reclameborden.
    Plots realiseren wij het ons : na drie weken natuur zijn wij terug in de beschaving. Hier de beschaving van het oliegeld.
    Op het vliegveld komen en gaan prachtige vliegtuigen, Arabieren met tulband en in lang wit kleed worden in grote Amerikaanse wagens aan- en weggevoerd. Hoewel het hier avond is, is het toch nog 40 graden warm.
    Ons vliegtuig tankt vol voor de laatste trip.
    In de heenvlucht waren wij op 8 uur van Brussel in Rwanda.
    Nu vliegen wij al 12 uur en wij zitten ergens in de woestijn goed halfweg.
    Wij hebben 5 à 6 uur vertraging opgelopen. Het maakt vele passagiers wat zenuwachtig.
    Zullen ze ons blijven opwachten op Zaventem.
    Velen zijn ingedommeld, met enkelen sta ik bij de steward in de keuken achteraan in het vliegtuig en samen maken wij er een erepunt van de nog resterende flessen champagne, die de steward telkens triomfantelijk uit een ijskoelbak haalt, leeg te krijgen.
    Wij vliegen over de zuidpunt Italië en plots komt in mij het gevoel op van “wij zijn thuis”.
    Ons oud Europa.
    Wij volgen de Italiaanse kust, die te zien is aan de vele lichtjes.
    In Genua is er vuurwerk.
    Boven Luxemburg begint het vliegtuig te dalen en moeten wij ons vastriemen. Iedereen is nu klaar wakker.
    Het is 3 uur in de morgen wanneer wij op Zaventem landen, na 15 uur in hetzelfde vliegtuig gezeten te hebben.
    Zullen ze ons staan opwachten ? Zullen ze zo lang gebleven zijn.
    Vlug moeten wij nog een kaart met ons adres invullen : moest er in het vliegtuig soms een besmettelijke ziekte meegereisd zijn dan zouden ze ons kunnen verwittigen.
    Wij lopen door de brede gangen van de vlieghaven naar de douanecontrole. Enkele dames hebben de gelegenheid gezien om vlug van garderobe te veranderen en komen er nu voor alsof ze maar pas van huis weg geweest zijn.
    Ik sloef op mijn sandalen en op mijn katoenen hemd en broek hangt nog het stof van Afrika.
    Tussen de velen die opdringerig staan te wachten bij de uitgang zie ik mijn vrouw. Zij ziet mij. Hij is er bij, denkt zij. Hij is terug.
    Het was mijn eerste vliegreis.
    Ik was toen 41 jaar oud.

                                 Karel Duysburgh.


    Kleine toelichting.

    Dit reisverslag heb ik kort na mijn thuiskomst in één trek (nl. nacht) geschreven. Het is gebaseerd op het dagboek dat wij getrouw iedere avond bijhielden.
    Wij zaten dan samen om met enkele trefwoorden het wel en het wee van die dag vast te leggen. Het taalgebruik is dan ook van die periode, van 1973, méér dan veertig jaar geleden.
    Sommige woorden zijn zelfs nu niet meer passend, bvb het woord “neger”, toen heel normaal en ook de naam Zaïre bestaat niet meer. Toch heb ik het taalgebruik behouden, het is immers een verhaal uit die tijd. Ik fotografeerde toen in dia’s. De getoonde foto’s zijn dus bewerkingen van oude dia’s, dia’s die over de jaren heen door vele handen rondgegaan zijn. In het algemeen zijn de kleuren goed behouden gebleven. Sommige foto’s zijn wel door de tijd aangetast. Foto’s die ik dan heb behouden geven een speciale situatie weer die ik toch wou tonen.
                                                K.D.





    29-03-2017 om 18:50 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    24-03-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Een reis door Rwanda en Oost-Zaïre, deel XIV.

    Wijzigingen/aanvullingen Kronieken van Leest.

    Vervolg : LEEST – GETY en TERUG…

    Maandag 23 juli 1973

    Wij hebben nu eindelijk Rwandees geld, gewisseld op de zwarte markt. Nu kunnen we inkopen gaan doen.
    We gaan naar het centrum en worden al vlug omzwermd door negerjongens die hun koopwaar opdringerig aanprijzen en ons hierbij nog altijd aanspreken met “Grand Chef”.
    Maskers, beeldjes, dierenvellen duwen ze in onze handen, er iedere keer hun prijs bij vernoemend, waarop wij hen die dan teruggeven met een “beaucoup trop cher”.
    En dan begint het spel van loven en bieden.
    Zo kopen wij voor een spotprijs allerhande beeldjes en maskers.
    Wel geen grote kunst maar toch knap vakmanschap.
    De troep negerjongens blijft nog rond ons hangen wanneer wij op het ons bekend terrasje van de enige café van Kigali een pintje gaan drinken.
    Een oude blinde vrouw geleid aan een stok door een klein jongetje, komt bedelen. Het zijn de enigen die we hebben zien bedelen.
    Drie weken lang hebben wij miserie en honger gezien, nu zien wij pas de eerste en enige bedelaars.
    We kopen nog enkele postkaarten met Afrikaanse schonen in typische klederdracht om aan vrienden en familie te bewijzen dat wij inderdaad veel gezien hebben. En dat in Afrika alles kan : wel die kaarten waren op twee dagen van Kigali in Leest !
    Het hing reeds een dag in mijn lijf; nu, ’s middags breekt het uit.
    Ik ril over gans mijn lichaam, mijn ogen gloeien, mijn lippen kurkdroog. Alle knoken en spieren doen pijn : malaria.
    En toch had ik getrouw elke dag de nodige kinine binnen geslikt.
    In mijn bed lig ik met drie dekens dubbel gedekt en nog ril ik.
    Dan breekt het zweet uit. Mijn pyjama is kletsnat. Ellendig.
    Georges is in de omgeving blijven rondtoeren en komt af en toe eens zien. ’s Avonds brengt hij me wat soep en blijft een hele tijd bij mij zitten. Er wordt niet veel gesproken.
    Over twee dagen moeten wij vertrekken, zal ik daartegen genezen zijn ?


    Dinsdag 24 juli 1973

    Ik ben genezen.
    De ganse nacht heb ik in één trok geslapen en de koorts is even plots verdwenen als ze gekomen was.
    In de voormiddag lopen wij door de handelsstraten van Kigali, gaan winkeltje in en winkeltje uit, zetten ons op een of andere dorpel in de schaduw om al de drukte gade te slaan en de elegantie van de negerinnen te bewonderen.
    Wij voelen ons als de mensen die vroeger op straat aan hun deur zaten en ook elke voorbijganger van kop tot teen keurden.
    Vrouwen gaan in een magazijn een stuk stof kopen en gaan dan tot bij een van de vele kleermakers die buiten onder de barza van die stof een rok of kleed maken op hun oude Singer-naaimachines terwijl de cliënt er op wacht.
    Georges besluit dan toch een tapijt van antilopenvel te kopen.
    Het jongetje van een jaar of twaalf, waarmede wij gisteren hierover al aardig wat gegesticuleerd hadden komt op ons toegelopen als hij ons ziet afkomen.
    Gisteren had hij eerst 7000 Rwandese frank gevraagd, wij hadden 1000 Rw.fr geboden. Hij was dan gedaald over 6000 Rw.fr naar 5000 Rw.fr, wij waren bij 1000 Rw.fr gebleven.
    Hij was zelfs een eind met ons meegelopen en had ons toen zijn laagste prijs voorgesteld 3300Rw.fr, want ik moet het zelf ook kopen aan 3000 Rw.fr en ik wil 10% winnen.
    Wij probeerden nog eens of hij nog niet van gedacht veranderd is en kopen dan maar aan 3300Rw.fr of 1.000 Belgische frank.
    Wij keuren nog eens het tapijt en zien dat de naden los zijn.
    Vlug rent hij bij andere jongens van zijn soort, wisselt gauw zijn tapijt met dat van een ander en komt met een goed exemplaar terug.
    Dat is de solidariteit onder de jeugd-commerçanten van Kigali.
    In een open camion rijden ons een groep jongens al zingend voorbij, zij hebben allen een lang wit kleed aan.
    Achteraf zullen wij vernemen dat dit een koor van zangers is dat naar het vliegveld reist om te gaan zingen in Wenen.
    Het gewone lijnvliegtuig van de Sabena was voor hen opgevorderd door de Regering; de gewone vlucht naar Brussel was dus afgelast en de passagiers hadden maar hun plan te trekken.
    Zo was Lea dan ook maar onverrichterzake van het vliegveld teruggekomen. Zij zou dan met ons charter-vliegtuig pogen terug te vliegen en dat lukte haar omdat een tiental van de reizigers die met ons waren afgereisd reeds naar België waren moeten terugkeren omdat ze aangetast waren door de slaapziekte.
    ’s Namiddags lopen wij door de residentiewijk van Kigali.
    Het is onze laatste namiddag, de uren verlopen traag.
    Wij denken aan thuis. We slenteren zo maar wat.
    Een jongetje van een jaar of tien komt zijn graatmagere koeien laten grazen aan de enkele grassprietjes die langs de baan staan tot in de stad.
    Sinds mei heeft het geen druppel meer geregend en alles is met een roestbruine laag stof bedekt.
    Op de missie wordt het drukker; morgen vertrekt ons vliegtuig en ieder die wat ver in het buitenland zat is reeds naar Kigali afgezakt en zoekt natuurlijk zijn toevlucht op de missie.
    We lopen nog eens langs bij Lea. Die heeft ergens een fles gin bemachtigd en het is al donker, pikdonker, wanneer wij naar ons verblijf terugkeren.
    Om 8 uur zijn we toch binnen, want er is nog steeds een avondklok, omwille van de politieke toestand.
    Niemand mag nog buiten na 8 uur.

    Vervolgt.

    Foto’s :
    -De lach van Kongo. Afrikanen lachen veel. Je wordt verwelkomd met een lach.





    24-03-2017 om 07:47 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    19-03-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Een reis door Rwanda en Oost-Zaïre, deel XIII.

    Wijzigingen/aanvullingen Kronieken van Leest.

    Vervolg : LEEST – GETY en TERUG…

    Zondag 22 juli 1973 :

    Om vijf uur staan wij op. René voert ons naar het vliegveld, een vijftal kilometer buiten de stad.
    Het gebouw is nog niet open, en het is koud wanneer wij zo staan wachten op de barza.
    Ik hoor wat gestommel achter een deur en trek die open : een vijftal soldaten, de wacht van het vliegveld, hebben er geslapen en zijn aan ’t wakker worden.
    Met een brede lach wordt mijn discretie beantwoord.
    De chef van Air Zaïre komt aan met zijn secretaresse.
    Stilaan komt er wat volk in de wachtzaal.
    De douane is niet moeilijk, wij hebben al de tijd om de formaliteiten te vervullen.
    De baas van de bank van Bunia, een joviale man, komt zijn vrouw en zeven kinderen op het vliegveld zetten.
    De kinderen zitten netjes, witte kousen en witte handschoenen, naast hun moeder op de bank. De vader geeft aan elk nog zijn instructies, dat is nog een man met gezag.
    Dan komt hij met brede gebaren en forse stem met elk van ons kennis maken.
    Als hij hoort dat Georges ook heel wat kinderen heeft, feliciteert hij die en zegt hem in een gulle lach : “Nous sommes des tireurs d’élite”. René noemt hij met veel nadruk “Mon Père”.
    Da’s echt eens een neger zonder complexen, waren er zo maar meer, zegt René.

    Lea en Pater De Keyser vliegen ook mee naar Kigali.
    Het vliegtuig komt aan, een Fokker.
    De piloot is een blanke. Hij komt even een kijkje nemen.
    Met een handdruk nemen wij afscheid van René. De groeten aan iedereen en bedankt.
    Om 07u30 vertrekken we, we zwaaien nog even door het raampje. Een zwarte air hostess loopt heen en weer in het vliegtuig maar dient niets op.
    Wij vliegen over de Ruwenzori waar de sneeuw van de toppen opgaat in de witte wolken.
    Na een uurtje landen wij in Kigali.
    De douane is zeer ijverig en doorzoekt gans onze valies : een rommelig boeltje met al veel vuil goed.
    Daar staan we nu, zonder René; we moeten alleen ons plan trekken. En dat doen wij.
    Buiten de luchthaven zien wij een pater staan met een landrover, hij komt andere paters ophalen voor een bijeenkomst die in Rwanda gehouden wordt omwille van het vergaderingsverbod in Zaïre.
    Hij zal ons meenemen van het vliegveld naar de stad.
    En in de CELA-een studiehuis voor het aanleren van Afrikaanse talen- kunnen we logeren.
    De broeder, een vriendelijke Luxemburger, wijst ons onze kamers. Ons verblijf is gelegen aan de baan die naar het vliegveld leidt.
    Wij wandelen tot bij die baan en zetten ons op een steen, een schrale boom beschermt ons tegen de zon.
    Het is zondag voormiddag. De mensen gaan naar de kerk.
    Ze zijn mooi gekleed. Een uur lang blijven we zo zitten; voor ons defileert Kigali op zijn best.
    De mensen groeten ons, wij antwoorden “bonjour monsieur, bonjour madame”. Gedaan met de mensen aan te spreken met “citoyen” zoals in Zaïre.
    Hier dragen de vrouwen ook korte rokken, iets wat in Zaïre verboden is. Wij voelen het aan dat men hier vrijer is, hier is geen partij die alles te zeggen heeft.
    Na de middag wandelen wij door de twee hoofdlanen van de stad : de post, ministeries, hospitaal, het enige hotel, enkele villa’s met prachtige tuinen.
    Zo komen wij bij het enige café dat Kigali heeft.
    Op het terras worden wij omstoeid door tientallen jongens die ons maskers, beeldjes en vellen pogen te verkopen.
    Aan een ander tafeltje zitten lui de garçons.
    Een oude blanke komt aangewandeld met een jonge blanke vrouw met wit lang haar.
    In een open auto rijden enkele jonge blanken aan een hoge snelheid heen en weer.
    Hoewel we geen Rwandees geld hebben en dus niet kunnen kopen, worden we nog steeds bestormd door de jeugd die hun koopwaar meesterlijk aanprijzen en al maar door worden we aangesproken met “grand chef”.
    Rond 4 uur komen er nog meer blanken naar het café afgezakt, het blijkt dat er achter de verbruikszaal een cinemazaaltje ligt en om 5 uur begint de film.
    Enkele Italianen met hun dikke vrouwen en vele kinderen doen zeer luidruchtig.
    Lui wandelen we terug naar ons verblijf in de CELA.
    Bij het avondeten is het een internationaal gezelschap : twee Spaanse paters, een jong Amerikaans paar, twee Belgische koppels die in Zaïre les geven en nu van het verlof geprofiteerd hebben om een grote reis te maken door Midden-Afrika.
    We gaan vroeg slapen.

    Vervolgt.

    Foto’s :
    -In Afrika wordt alles op het hoofd gedragen, zo draagt de vrouw  bovenaan kunstig in palmbladeren gewikkelde boter.









    19-03-2017 om 09:14 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    11-03-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Een reis door Rwanda en Oost-Zaïre, deel XII.

    Wijzigingen/aanvullingen Kronieken van Leest.

    Vervolg : LEEST – GETY en TERUG…

    Vrijdag 20 juli 1974

    Bij de ontbijttafel is het altijd een gezellige drukte : paters, zwarte en blanken, gasten die gisterenavond nog laat zijn aangekomen, nonnekens van alle soorten, onderwijzers-ontwikkelingshelpers met hun jonge vrouw en platte kinderen.
    Opeens een huil van een nonnetje aan de tafel naast ons.
    Een drukte van belang en dan algemeen gelach.
    Een van de vele gesko’s die zo acrobatisch tegen de muur en het plafond lopen had zijn sprong misrekend en was vlak naast het bord van de eerwaarde zuster op de tafel gevallen. Het reptiel was even versuft blijven liggen en was toen vliegensvlug weggeschoten.
    Lea is een moedig mens. Ook zij is, zoals wij, op bezoek in Zaïre, samen met een kloosterzuster en een andere dame.
    Ze zijn er reeds een maand. Lea is gehandicapt aan beide benen en rijdt in een invalidenwagentje. Maar toch trekt ze overal de brousse in. In een VW-camionnetje wordt ze in- en uitgeladen.
    Haar wagentje telkens op- en uitgeplooid. Ook zij is bezeten door die drang alles te zien, alles mee te maken. En ze komt er ook, met de hulp van pater De Keyser, de wijze man van het Bisdom.
    Maandag moeten wij met het vliegtuig van Air Zaïre van Bunia vertrekken naar Kigali.
    Onze biljetten zijn echter met een pater naar Gety meegegeven, die is er echter aangekomen als wij al weg waren.
    Zo zitten wij daar zonder biljetten. Ook doet het gerucht de ronde, en geruchten hebben daar veel belang, dat er zondag een vliegtuig van Bunia naar Kigali vliegt. Als dat zo is dan zou het goed mogelijk zijn dat het vliegtuig voor maandag voorzien zou afgeschaft worden; zie ons daar al staan op maandag en geen vliegtuig.
    Dan missen we ook in Kigali ons vliegtuig naar Brussel.
    En vermits alles mogelijk is bij Air Zaïre gaan we maar eens horen op het bureau zelf van deze luchtvaartmaatschappij.
    Over de nauwgezetheid van Air Zaïre doen immers genoeg grapjes de ronde : Air Zaïre-Air Peut-être of deze “En Zaïre il n’y a qu’Air Zaïre quie ne vole pas” wat een zinspeling is op het woord voler en dat zowel wil zeggen dat in Zaïre enkel Air Zaïre niet steelt als dat Air Zaïre niet vliegt.
    Op het bureau aangekomen kan de bediende ons enkel zeggen dat de chef naar het vliegveld is en dat hij van niets weet, vermits het vrijdag is en ’s namiddags en ook ’s zaterdags de bureaus gesloten zijn, zullen wij maar op de geruchten moeten voortgaan en ’s zondags naar het vliegveld rijden om te zien of er een vliegtuig is en dan maar hopen dat wij er zonder reservatie op kunnen.
    Wij lopen nog rond in de verschillende magazijnen gehouden door Grieken : schoenen-Bata zijn er niet zo duur volgens onze maatstaven natuurlijk.
    In een stoffenwinkel gaan wij er een panje kopen : een stuk van 5 m kleurrijke stof voor een 200 fr. Een panje met de beeltenis van Mobutu erop kost dubbel zo duur.
    Wanneer wij zo in het halfduister van die winkel staan te kiezen, staat naast mij een vrouw, haar jongetje heeft ze op zijn achterwerk op de toog gezet en zit heel kalm beurtelings aan beide borsten van zijn moeder te zogen.
    Wanneer wij merken dat de paraplu’s niet zo duur zijn, koopt Georges een grote zwarte paraplu.
    Na de middag vertrekken wij naar de missie van Drodro, 60 km ver.
    Buiten Bunia staat bij een waterval de krachtcentrale die de streek elektriciteit verschaft.
    René toont ons bij de splitsing van de weg, de plaats waar drie paters door de Simba’s werden doodgeschoten, een vierde hield zich voor dood, bleef zo urenlang liggen en kon uiteindelijk in het bos ontsnappen.
    De streek is fel bevolkt.
    De bergen worden hoger en wij stijgen mee, en het wordt zelfs fris. Drodro is een missie, met alles eraan en erbij : kerk, lagere school, college, nonnekens met hospitaal, weeshuis enz.
    Als we aankomen is net een onderwijzer, die in een van de huizen van de missie woont, komen klagen dat de pomp niet meer werkt.
    Ze zitten dus zonder water. “Ja, dat komt er van,” verklaart de pater, “de onderwijzers krijgen hier gratis water, maar wat doen ze ? Hun water verkopen en zo moet de pomp te veel trekken, dat kan ze dan niet blijven halen.”
    Ze zijn er met twee paters : een Brusselaar, een forse vent met rond gezicht die hier boer geworden is en een voorzichtige, gereserveerde pater, van adellijke afkomst, die met zachte stem ons het indringend verhaal doet van hun belevenissen tijdens de opstand van de Simba’s. Hoe zij daar met meer dan 30 gedurende 3 dagen verscholen gezeten hebben in een kleine plaats terwijl dronken Simba’s gans de missie plunderden.
    “Ik durf er niet aan denken wat er zou gebeurd zijn hadden ze ons gevonden. Ze waren immers eerst met drie gekomen om ons te fusilleren. Toen ze zagen dat we met zovelen waren zijn ze versterking gaan halen. Die kans hebben we dan gegrepen om ons te gaan verschuilen. Drie dagen hebben we daar gezeten, bijna zonder eten, zonder drinken en zonder lucht. De soldaten hebben alles afgezocht, vooral de brousse, ze dachten dat we daarin gevlucht waren.”

    ’s Avonds zit ik te lezen in het dagboek van de Missie. Ik word er weemoedig bij, want men heeft een stuk geschiedenis in handen, hier hebben mannen van bij ons hun hoop en wanhoop, hun successen en tegenslagen getrouw neergeschreven.
    De missie werd gesticht door pater Goovaerts van Heffen in 1932.
    Er stonden slechts enkele hutten. Met 4 paters waren ze komen kijken, twee keerden terug, twee anderen bleven ter plaatse : de missie van Drodro was gesticht.
    Op 11 mei horen ze van een dokter die een radio bezit dat de oorlog uitgebroken is. Een bepaald persoon beledigt zelfs de Koning wanneer die kapituleert, dit moet heel wat herrie teweeggebracht hebben in dit klein Belgisch gezelschap.
    Wanneer in september 1944 Brussel bevrijd wordt, is het groot feest met Te Deum en aanwezigheid van de gewestbeheerder en alle Belgen. Na vier jaar, zullen ze nu contact hebben met hun thuis.
    Nu wordt het dagboek niet meer bijgehouden, het zou immers te gevaarlijk zijn er in te schrijven wat men denkt en doet. Mobutu heeft immers alle bijeenkomsten buiten de kerk verboden, alle verenigingen werden opgeheven. Enkel zijn partij mag bestaan.
    Toch was het bezoek dat Mobutu aan de streek bracht om het Albertmeer in het Mobutumeer om te dopen een groot succes voor hem geworden.
    In Bunia was hij enthousiast verwelkomd geworden : de mensen waren de van buiten geleerde slogans vergeten en waren spontaan beginnen toejuichen, een teken dat ze het echt meenden.
    Aan het meer zelf in Mahahi port, reed Mobutu in een open jeep te midden van het volk. Toen hij daar een pater in witte pij zag, deed hij de jeep stoppen en ging te voet naar de pater toe om hem de hand te drukken.
    President Amin, die achter Mobutu reed, deed dan hetzelfde. Op een andere plaats van het meer, in Kasengi was Mobutu slechts eventjes gestopt. Dagenlang hadden de negers de pier gekuist, Mobutu is er niet eens geweest. De vrouw van de Griekse consul had eten moeten maken voor meer dan 100 personen en ook daar is Mobutu niet geweest. Dit is de tactiek van Mobutu : zich verplaatsen per helikopter en steeds maar de voorziene reisroute wijzigen.
    Dat is het veiligst voor een staatshoofd.

    ’s Avonds wordt het laat. De joviale Brusselse pater doet ons het verhaal hoe de belastingen worden geïnd.
    De belastingsambtenaar, samen met een bende policiers, omsingelen ’s nachts het dorp. Alle mannen worden uit hun bed gehaald en in een grote hut opgesloten. Wie 5 Zaïre betaalt mag vrij.
    Wie ze niet kan betalen blijft zitten, maar ondertussen is zijn vrouw bezig een geit of wat kippen te verkopen om aan het geld te geraken. Als ze zelf geen dieren bezit, trekt ze naar de familie.
    Ondertussen zijn in het dorp een soort beestenkoopmannen aangekomen. Zij volgen steeds de belastingsambtenaar, want er zijn zaakjes te doen. Zij zullen van de arme sukkelaars, die geld nodig hebben, de beesten afkopen aan de helft van de waarde, zelfs nog aan minder. Wie niet kunnen betalen en geen beesten hebben om te verkopen moeten mee met de belastingsman, zij zullen voor hem karweiwerk moeten doen.
    En zo trekt dan die bende schurken, belastingsambtenaren, policiers en beestenkooplui van dorp tot dorp.
    Zo leven de mensen bestendig met schrik; vele mannen die niet veel geld hebben, gaan in de brousse slapen om niet door die schurken gepakt te worden. Maar of het geld in de staatskas terecht komt blijft een groot vraagteken. Maar zo zijn er veel vraagtekens in Afrika.

    Zaterdag 21 juli 1973

    Bij het ontbijt vernemen wij langs de fonie om dat onze vliegtuigbiljetten in Bunia op de Missie weergekeerd zijn en daar kunnen afgehaald worden.
    We zullen dus morgen toch kunnen vertrekken naar Kigali in Rwanda. De fonie is de radioinstallatie waarmee elke missiepost is uitgerust en waarmee alle posten elke dag om 9 uur met mekaar in verbinding komen. Zo voelt men zich niet alleen hoewel men honderden kilometers van mekaar is afgezonderd.
    Alle nieuwtjes worden doorgegeven, bestellingen worden gedaan, doktershulp wordt gevraagd. Er wordt gelachen, enfin de fonie is voor de missie wat voor ons de telefoon is.
    Ook bij het bestuur van het land, waar de afstanden zo groot en de wegen zo slecht zijn, speelt de fonie een grote rol.
    Iedere chef telefoneert ’s morgens om 8 uur naar het district. Het district geeft de inlichtingen door naar de provincie en de provincie naar de regering in Kinshasa : zo weet Mobutu iedere middag alles wat er gebeurt in het ganse land.
    Op de koer van de missie speelt een grote troep jongens en meisjes, ze zijn hier voor drie maanden om hun opleiding te krijgen voor hun Plechtige Communie. Velen verblijven hier vast gedurende die tijd in grote hutten. Er moet ook voor eten voor hen gezorgd worden.
    De grote, joviale pater houdt daarom varkens, die zitten in een kot gemaakt van stokken en worden gevoed met afgeroomde melk want de pater heeft ook een melkerij, een klein stalletje waar zijn botermachine in staat. Van de boeren die een koetje hebben koopt hij de melk op. Daarvan maakt hij dan de boter.
    Een lange tijd ging de boter steeds kapot. Uiteindelijk ontdekte hij dat het kwam omdat enkele boeren de kan waarin ze hun melk brachten, thuis uitspoelden.....onder de staart van de koe !
    Nu verplicht hij elke boer zijn kan direct na levering met zuiver water op de missie uit te spoelen.
    Aan de ramen van de klaslokalen, er is immers een college, hangen affiches van de JMPR, een hand met de rode fakkel erin, de jeugdafdeling van de partij van Mobutu.
    Ze werden door de staatsinspectie verplicht die er te hangen en men moet niet meer moeilijkheden zoeken dan er al zijn.
    De blanke zuster van het hospitaal ligt ziek te bed. De enige andere blanke zuster ontvangt ons hartelijk in het West-Vlaams : “Ge moet eens proeven van onze goeie ananas-wijn, eigen brouwsel”. Inderdaad, het is koel en lekker. Zuster, spijtig dat uw glaasjes zo klein zijn, denk ik in mezelf, want het zijn eigenlijk maar borrelglaasjes.
    De zuster vraagt of we eens een kijkje gaan nemen naar de “doeninge”. De weg naar de materniteit kunnen wij haar toch door de uitvlucht van te weinig tijd van dit voornemen afbrengen. Zo ontsnappen wij er aan voor een vijfde keer langs giechelende vrouwen en zogende kinderen te moeten defileren, en vergeet het niet, steeds dezelfde zwoele reuk.
    Mobutu heeft de vrouwen verplicht te bevallen in een materniteit en ze moeten er ook 9 à 10 dagen blijven.
    Ze liggen er ook op een matje, hun kind aan de borst, dicht bij de warmte van de moeder. Als de moeder eventjes buiten moet zal ze haar kind aan de buurvrouw geven die het aan haar lichaam zal warm houden.
    Bij ons liggen de kinderen in de materniteit in een septisch glazen kast, in Afrika liggen ze aan het warme hart van hun moeder.
    Toch moeten we naar de wezen gaan kijken, kindjes van alle leeftijden, de kleintjes liggen in ijzeren bedjes, verzorgd en proper. De grotere spelen en ravotten om ons heen.
    Wanneer wij ons haasten kunnen wij nog net op de middag in Bunia zijn. Overal is er volk op de baan.
    Het is zaterdag en er wordt aan Salongo gedaan, die dag moeten immers de mannen gratis aan de wegen werken uit burgerplicht onder het gezag van de dorpschef.
    Meestal is dit een combinatie van wat ordeloos hakken in de baan en veel staan te palaveren naast de baan. Waar wij zo een groep van een 30-tal mannen bezig zien, stoppen we even om een dia te nemen. Op minder dan geen tijd delen wij al onze sigaretten uit.

    Wanneer wij in Lita passeren, bezoeken wij Mgr Uketsch, de inlandse bisschop van René. Een grote sterke vent, een brave man zegt René. Hij verblijft niet op het bisdom in Bunia maar in de parochie van Lima, in de brousse.
    De pastoor van die parochie is immers volksvertegenwoordiger verkozen en zit in Kinshasa, en de bisschop heeft de plaats ingenomen van de pastoor.
    Wanneer wij dezelfde dag laat op het bisdom in Bunia zijn, zal Monseigneur daar nog onverwacht vlug eens langs komen.
    Hij had een zieke dringend naar het hospitaal in Bunia moeten vervoeren. Die zelfde nacht zal hij nog door de donkere brousse naar zijn parochie terugrijden. Een bisschop speelt ambulancier voor een zieke Afrikaanse christen.
    ’s Middags eten wij in de Cité, dat is de inlandse wijk.
    Wij moeten ook nog een dia nemen van de vrouw wier bovenlip zo groot is als het deksel van een blinkdoos. Zij zit bij haar hut.
    Wij geven haar sigaretten die ze dan in de gaten in haar oorschelp schuift. Zij wil echter ook nog geld : jeugd en andere vrouwen staan er geamuseerd rond.
    Wij doen onze afscheidstoer op het bisdom.
    René toont ons een kruis met enkele graven; hier liggen de slachtoffers begraven van een vliegtuig van Sobelair dat in de jaren vijftig in de streek verongelukte.
    Voor ons, die morgen met een vliegtuig van Air Zaïre moeten vertrekken, is dit een opkikkertje.
    Wij gaan goeie dag zeggen bij Moeder Overste van de Inlandse Zusters, wij worden eerbiedig in een spreekkamertje binnengelaten, moeten lang wachten, en dan komt Moeder Overste, statig : een trouwe kopie van veel van onze kloosterzusters.
    Broeder drukker zit heel alleen in zijn technische school, zelfs zijn kok is in verlof, ’t Is ne speciale vent met veel jaren Afrika achter de rug en die heel veel kent van de inlandse talen.
    Om 5 uur gaan wij de avondmis volgen in de kerk van de Cité.
    Wij zijn nog wat te vroeg en lopen rond in de Cité, zoals al vermeld is dat de inlandse wijk van Bunia waar tienduizenden negers, afgezakt naar de stad, wonen. Veel hutten en barakken maar toch geeft het niet de indruk van een krottenstad, een bidonville, er zijn veel bomen en bloemen.
    De grote kerk zit vol. Voor mij zit een neger met een hemd met Mobutu erop. De mis wordt actief meebeleefd.
    Na de mis blijven wij met de pater, pastoor van die parochie, nog wat babbelen bij de kerkdeur. Toch gaat hij nog eens binnen in de kerk kijken en komt even daarna met een vrouw buiten.
    Die vrouw hadden wij ook tijdens de mis al tussen de gangen en in het koor zien ronddwalen. “Ja,” zegt de pater, “die moet ik wat in de gaten houden, het mens is niet goed bij haar verstand”.
    En plots valt mij op hoeveel zwakzinnigen we gezien hebben en kreupelen en sukkelaars.
    Wij hier in Europa hebben die uit onze maatschappij gebannen, wij willen een maatschappij zonder miserie omdat wij geen miserie meer kunnen zien.

    Het wordt onze laatste avond in Bunia en wij gaan naar de Matete Bar, midden in de inlandse Cité. Eigenlijk is het wel wat riskant voor blanken zich daar ’s nachts te wagen maar er gaat een pater met ons mee die les geeft in het hoogste jaar van het Atheneum en bij het einde van het schooljaar nemen zijn leerlingen hem daar telkens mee voor hun afscheidsbrief. Zo kent hij de omgeving wat.
    In de donkerte rijden wij de Cité binnen, door allerlei wegen en wegjes. Overal schimmen langs de baan.
    Plots wat meer licht in de verte. Op de zijkant wat hutten met wat gekleurde lichtjes buiten. Het is er druk.
    Na wat zoeken vinden wij de Matete Bar. Er staan nog auto’s geparkeerd. Als wij uitstappen worden wij van overal bekeken.
    Toch geven we onszelf een air en gaan met de handen in de broekzak het etablissement binnen. Binnengaan is eigenlijk veel gezegd, alles speelt zich af in open lucht. Er is nog niet veel volk.
    Wij nemen plaats aan een tafeltje. Voor ons ligt de dansvloer, een ronde betonnen piste met in het midden een paal met neonlampen in alle richtingen. Verderop zit een orkestje op een verhoog al te spelen. Hun elektrische gitaren maken evenveel lawaai als hier bij ons.
    Links onder een afdak staat de toog met rondom veel tafeltjes en stoelen in allerlei hoeken en kanten en van de buitenwereld met rieten matten afgesloten. Stilaan komt er meer volk.
    Jonge negers met spannende broek en elegante pullover, jonge meisjes in korte pasjes omdat hun panje zo strak om hun lichaam geknoopt zit. Het dragen van korte of lange broeken door de vrouwen is verboden door Mobutu omwille van de authenticiteit.
    Aan ons tafeltje komt een neger met negerin plaats nemen.
    Mijnheer schijnt wel al wat gedronken te hebben.
    Herhaaldelijk komen jonge mannen de pater groeten. Een van hen komt bij ons zitten en trakteert ons op een pintje.
    Hij is nu commerçant geworden in bier. Na de school is hij begonnen met bier te verkopen met zijn fiets. Nu levert hij al aan cafés.
    Hij geeft nog een rondje. Het weigeren zou onbeleefd zijn en ik giet me dus verder vol met de Fanta-limonade.
    Op de dansvloer wordt nu druk gedanst.
    Zonder mekaar aan te raken, laten ze hun lichaam opgaan in het ritme van de muziek. Hun bewegingen zijn elegant. Het is mooi.
    Uren zitten wij er op te kijken.
    Rond 12 uur vertrekken wij. De nacht zal kort zijn.

    Vervolgt.

    Foto’s :
    -Op bezoek bij de bisschop.
    -Vervormde lip. Overblijfsel uit een ver verleden.





    11-03-2017 om 10:57 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    04-03-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Een reis door Rwanda en Oost-Zaïre. Deel XI.

    Wijzigingen/aanvullingen Kronieken van Leest.

    Vervolg : LEEST – GETY en TERUG…

    Donderdag 19 juli 1974

    Gisteren had Georges zijn blauw pullovertje cadeau gedaan aan een oudere negerin, die in de missie voor kosterin speelt.
    Nu zit ze er triomfantelijk mee in de mis, haar rondborstigheid ten toon spreidend voor God en medemensen.
    Wij maken onze valiezen. Alle overbodige kledingstukken laten wij ter plaatse.
    Michel heeft in een doos enkele beeldjes in kant en in ivoor, een soort missie expo in ’t klein en met dezelfde bedoelingen. Wij doen onze keuze.
    Wij nemen afscheid. Michel vraagt als we terug in België zijn eens te telefoneren naar zijn moeder.
    Frans geeft een brief mee voor zijn familie in Nederland.
    Dag Michel, dag Frans. Een handdruk, het ga je goed en God zegene u.
    Ook bij de inlandse zusters gaan we afscheid nemen, het duurt wat eer ieder is samengetroept. ’s Morgens heeft ieder immers zijn werk.
    Aan de infirmerie staan de zieken, meestal vrouwen met kindjes, gekomen van overal uit de brousse. Ze wachten op verzorging.
    Ik neem er een dia van.
    Wij staan nog even te babbelen met de zusters.
    Plots stijgt er een scherp gehuil op uit de wachtende vrouwen. De zuster loopt er heen. Een vrouw reikt haar een kindje over.
    Het lichaam hangt slap, het hoofdje valt met een knak achterover.
    De zuster trekt de oogschelpen open en kijkt naar de oogjes, het kindje is dood. Het stierf op de arm van zijn moeder.
    Wij staan er verwezen bij. De dood staat dicht bij de mensen van Afrika.

    Wij rijden nu naar Bogoro en gedurende een vijftal minuten krijgen wij zelfs een asfaltbaan.
    Hier woonde immers een politieker die het zeer ver gebracht heeft. Hij had een grote plantage gekocht en had de baan erheen op staatskosten laten asfalteren.
    Lange tijd was hij zelfs een concurrent geweest van Mobutu, maar die had het dan toch gehaald en had zijn concurrent op een eiland ergens midden de moerassen laten opsluiten.
    Wij rijden nu de bergen in, het wordt koud en mistig.
    Dan komen we naar de afdaling naar de vlakte toe, men noemt het escarpement.
    We moeten stoppen aan een bareel.
    Een neger zal naar de vlakte telefoneren om te vragen of wij verder mogen, want de weg is zo smal dat de wagens elkaar niet kunnen kruisen onderweg.
    Beneden ligt de vlakte met vage glinstering van het Albertmeer.
    Glanzend van het zweet duwen twee negers hun fiets naar omhoog tegen de berg op, zij hebben vis gekocht aan het meer en gaan die nu in het binnenland verkopen.
    Als wij beneden aan het escarpement komen staat er een camion te wachten. Enkele passanten vragen of ze mogen meerijden.
    Een pakje sigaretten maakt dat de bareel vlug voor ons opengaat.
    Wij zijn weer in de plaine, vlakte, en het is snikheet.
    Wij rijden naar Kaseniji aan het Albertmeer.
    Langs de weg staan verschillende inlandse cafeetjes en hotelletjes. Eén heet zelfs “Buvette de l’Amour”. Het krioelt hier van mensen.
    Op de missie, een heel eind buiten Kaseniji langs het meer, is pater Stevens met verlof in België.
    Er is ook een parochie en visserij.
    Een Griek, een dikke vent met stoppelbaard en die geen woord Frans kent zodat René er Kiswahili moet tegen spreken, leidt ons rond doorheen de frigo’s.
    Die vis is bestemd voor Kisangani (Stanleystad). Koelwagens zijn er niet. De lading gevroren vis wordt met een aantal bakken afgedekt en dan maar hopen dat de waar fris zal aankomen.
    Buiten liggen op rieten matten duizenden vissen in de zon te drogen. Het stinkt. Miljoenen vliegen zwermen rond.
    Aan een pier varen vissers uit ter visvangst, in open ijzeren boten met een buitenmotor.
    Op het strand lopen kinderen naakt in het water te stoeien, vrouwen komen statig halfnaakt uit het water en verzorgen dan urenlang hun toilet of zepen hun baby’s in van kop tot teen.
    Wat verder zit een vader met zijn zoontje een net te herstellen, een andere neger zit een vis rauw op te peuzelen, na hem beurtelings in het zand en in het water gewreven te hebben.
    Een tiental jongens staan in een halve boog bij het strand hun net in te halen. Zij doen dit al zingend en dansend, wij staan er een half uur op te kijken en het net is nog niet binnengehaald.
    De inlandse zusters wonen in een klein chaletteken bij het meer.
    Zij hebben vlug voor ons gekookt. Het zijn jonge zusters, zusters van de nieuwe generatie, van de jonge kerk van Zaïre.
    Alles is er kraaknet, bloemetje op de tafel.
    We hebben verschillende borden, elk krijgt een servetje.
    De soep smaakt lekker en ook de kip. Als dessert fruit op een schoteltje.
    Na de middag siësten we op de barza, met voor ons het meer met de vele vissersboten en prauwen.
    Een jong meisje, in dienst bij de zusters, zit naast ons te strijken : zij heeft er zich bij neergezet op de grond en als strijkplank gebruikt ze een koffer.
    Wat verder staat een neger in de brandende zon in de groentenhof te harken. Om 2 uur stopt hij ermee. Het is de enige neger die wij zo hard hebben zien werken.
    Er is een moderne materniteit, in de verloskamer staat een verlostafel en een kast met verschillende instrumenten.
    De jonge moeders liggen hier in ijzeren bedden.
    In een afzonderlijk huis leven enkele jonge meisjes : ze krijgen een opleiding tot vroedvrouw. Zij zijn mooi gekleed, spreken deftig Frans en vragen om de foto die ik van hen neem op te sturen.
    Begeleid door twee zusters bezoeken wij het hospitaal dat in aanbouw is.
    Hoewel in de verpleegzaal nog geen vloer ligt doet deze reeds dienst -toch wel een vreemd gezicht die verschillende medische apparatuur- zo op de gewone aarde te zien staan, ook zijn er nog geen ramen in het gebouw.
    Hier aan het Albertmeer hebben wij kennis gemaakt met een stukje hoopvol Zaïre : jonge vrouwen die bekwaam zijn en zich inzetten voor hun medemensen.
    Pater Stevens, die als zoon van een begoed Antwerps aannemer, hier veel geld investeert (ook dit mag wel eens gezegd worden) ziet hier toch iets groeien.

    Het is al donker wanneer wij -na een lange rit uit de vlakten en doorheen de bergen- in de hoofdplaats Bunia op de Missie aankomen.
    Wij krijgen er onze kamer en voor de zoveelste keer begin ik aan de rituele inspectie : eerst voelen hoe hard het bed is, dan draai ik de kraan open van de lavabo om te zien of er wel water uitkomt en plots zie ik ijlings een gesko, een soort hagedisje, over de muur lopen om zich te gaan verschuilen in een stuk goedkope stof dat als gordijn dienst doet.
    Dit zijn de lieve diertjes uit de tropen. Eerst moet je er wel even aan wennen. Maar toch is het een goed teken : ze vreten al het ongedierte op, dus geen last van muggen.
    Soms kan het wel eens van het plafond vallen en dan schrik je wel, zoals bij het ontbijt er eens eentje viel juist naar de koffietas van een zuster.
    Broeder Prosper is een klein mager ventje van diep in de tachtig.
    Hij heeft gans de missie van Bunia met haar vele gebouwen opgetrokken. Hij heeft alle periodes van “de” Kongo meegemaakt.
    Hij is de levende geschiedenis van de Missie, tot bewijs waarvan hij nog steeds een tropenhelm (bij de anderen al lang uit de mode) draagt. Wat voor een oudstrijder vele decoraties en frontstrepen zijn, is die helm voor broeder Prosper.
    ’s Avonds zit ik op mijn kamer te luisteren naar zijn stereo, die hij gekregen heeft van een overleden pater. Meer dan een uur lang luisteren wij in stilte naar Mendelssohn en Smetana.
    De muziek komt als uit een concertzaal en toch zit ik maar in een gewoon kamertje ergens in de brousse van Afrika.
    Als de plaat ten einde is tjirpen terug de duizenden krekels van de tropennacht.
    Op de barza zit Georges in geuren en kleuren aan de paters, collega’s van René, te vertellen wat wij reeds beleefd hebben.
    “En die tweedaagse tocht door de brousse, voor geen miljoenen wil ik er nog terug aan beginnen. Daar heb ik de hel gezien. En allemaal die aardige mannen met hun lansen en hakmessen. Wat onze René ons daar aangedaan heeft, vergeef ik hem nooit van mijn leven”.
    De paters moeten er hartelijk om lachen, René zit er stillekens bij te gremelen.
    Het is zeer laat als wij gaan slapen.

    Vervolgt.

    Foto’s :
    -Kaseniji aan het Albertmeer. Gevangen vis wordt gekuist en gedroogd.
    -Een vader leert zijn zoon hoe netten verzorgen.





    04-03-2017 om 10:13 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    28-02-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Een reis door Rwanda en Oost-Zaïre. Deel X.

    Wijzigingen/aanvullingen Kronieken van Leest.

    Vervolg : LEEST – GETY en TERUG…

    Dinsdag 17 juli 1973:

    Om 5 uur zijn wij op. Het is nog donker. De tent wordt opgevouwen. René kookt nog wat water uit de rivier Geti, maakt er koffie van, vult er onze kruik mee bij.
    Onze dragers komen één voor één te voorschijn. Waar ze geslapen hebben is wel een raadsel maar ze zien er ook weinig fris uit.
    We eten een knoeft brood met confituur erop.
    René geeft een matabisj, een fooi, aan Panja en we vertrekken van zodra het licht is.
    Het zal een zware dag worden. We gaan de vlakte door.
    Aan de voet van het gebergte houden wij een eerste keer halt.
    Dan vatten wij de beklimming aan : 800 m hoog. Halfweg moet ik rusten. René blijft bij mij en ook nog een drager met de tent.
    De anderen gaan door. Dan weer een stukje verder. Het wordt een echte lijdenstocht. Een half uurtje gaan en dan zich laten vallen onder een boom. Dorst en geen drinken.
    De anderen met het drinken zijn reeds ver vooruit.
    Ik val zelfs in slaap. René blijft geduldig bij mij zitten.
    Dan weer verder. Mijn keel is gans ruw van de dorst.
    Weer rusten en dan weer gaan. Het is reeds flink over middag.
    Al mijn hoop is gezet op het bereiken van de Geti, de stroom waardoor wij gisteren zijn gewaad.
    Een drager komt ons tegemoet, hij is teruggestuurd door Georges die hem een Zaïre beloofd heeft, hij heeft de kruik bij met wat koffie in.
    Nu gaat het beter. Bij de Geti zit Georges alleen te wachten.
    De dragers met onze bagage zijn er van onder gemuisd.
    Het water van de Geti is door het onweer van ’s nachts flink gestegen en wij moeten er door in onderbroek.
    Aan de overkant leg ik me aan het water neer.
    Ik moet vechten om niet in slaap te vallen.
    Dan trekken we verder, af en toe rustend. De krachten opgedaan bij de Geti, zijn weer vlug verspild. Mijn hemd dat ik nat gemaakt en over mijn hoofd gelegd had, is rap droog.
    De lijdensweg gaat verder. Er is maar een oplossing : verder marcheren. Eén voor één vinden we onze dragers terug.
    Ergens zit in onze bagage een thermos met warm water.
    Wanneer wij die drager gevonden hebben maakt René thee met veel suiker en een dikke vitamine erin. Dat is de redding.
    Om 4 uur komen wij allen weer samen in het dorp aan.
    René betaalt de dragers : één Zaïre (40 fr) de man.
    Aan de drager die steeds bij ons gebleven is, betaalt hij 1,20 Zaïre, aan een andere, die een plantrekker was, slechts 0,80 Zaïre.
    Dat geeft dan aanleiding tot een nieuwe palaber.
    De man maakt zich kwaad, René laat zich niet doen.
    Ergens is er wel een botsing tussen twee werelden : de zwarte zegt “evenveel betalen” de blanke zegt “ik betaal wegens prestatie”.

    Voor we vertrekken zien we onze bagage na; op het eerste gezicht is er niets verdwenen. Thuis zal ik toch vaststellen dat uit mijn grote reistas een pakje sigaretten en een tube tabletten met kinine verdwenen waren. Onze dragers hadden dus toch wel onze bagage geïnspecteerd.
    Op de missie aangekomen : drinken en nog eens drinken.
    Die avond heb ik drie liter gedronken en ’s nachts werd ik nog wakker van een zere keel. Dan een bad en dan eten.
    In ons dagboek schrijven wij “dag van terreur, kruisweg met wel 20 staties, afslachten van twee onschuldige blanken in de brousse”.
    Wij zijn er toch doorheen geraakt. God zij dank.

    Woensdag 18 juli 1974 :

    Ik word loom wakker. Van de frisheid waarmee elke nieuwe dag in de de tropen begint is reeds niets meer te merken.
    De zon zit al hoog in de witte hemel. Het moet laat zijn.
    Iedereen heeft al ontbijt genomen maar in de eetzaal staat alles nog op tafel. Lui eet ik een boterhammeke en een sneetje ananas.
    Ik drink een ganse pint water, kwestie van het lichaamsvocht terug op peil te brengen. Lang lig ik in het bad, daarna was ik mijn linnen (onze was doen wij steeds zelf, daar moet geen neger aankomen).
    Georges, ook nog in pyjama, zit naast René op de rand van de barza, ook zij zitten te recupereren. Ik neem een dia van ze en ga er me naast zetten.
    Tegen de middag geraken we toch aangekleed.
    ’s Namiddags krijgen we onverwacht bezoek van de Anglicaanse bisschop met zijn vrouw. Hij was op doortocht, had wat last met de wagen en vraagt of wij even kunnen helpen.
    Michel zet de wagen boven de put en begint te sleutelen, ijverig bijgestaan door de bisschop in hoogst eigen persoon.
    De vrouw van de bisschop is een echt Engels geval : mager, bleke benen, witte sokjes en een doorschijnende oranje sjaal om het hoofd geknoopt met een strik bovenaan als een paasei.
    Wij drinken een tas koffie en eten koekjes.
    Als elke Engelsman verstaat ze de kunst om het weinige Frans dat ze kent nog onverstaanbaar uit te spreken.
    Ik schakel dan over op Engels. René op Kiswahili.
    Eigenaardig, twee blanken moeten zich verstaanbaar maken in de taal van de negers. Ze vertelt over haar kinderen, vier, allen zijn getrouwd, één woont in Engeland, één in Amerika, één in Indië en één in Australië. Engelsen zijn geen thuiszitters.
    De verhouding tussen de Anglicanen en de Katholieken is de laatste jaren fel verbeterd. Zijn godsdienstige boekjes laat de Anglicaanse bisschop zelfs drukken op de drukkerij van het katholiek bisdom in Bunia, nadat hij het eerst de protestanten gevraagd had, maar die hadden het geweigerd omdat ze ergens met de tekst van het Credo niet akkoord konden gaan.
    De protestanten zijn de kampioenen in het uitdelen van godsdienstige literatuur tot groot praktisch genoegen van de negerbevolking die met het gratis papier sigaretten rolt.
    Als de bisschop terug komt plakt zijn fijn purperen hemd met een grote zweetvlek vuil tegen zijn rug. De wagen is hersteld.
    Bij het afscheid maken wij onwennig een lichte kniebuiting en kussen de ring aan de hand van de bisschop.
    Een van ons heeft zich gans de tijd niet laten zien : Frans, de oude Hollandse pater, is op zijn kamer gebleven. Hij kan niet tegen al dat geflirt tussen katholieken en Anglicanen.
    Voor hem zijn ketters ketters. Als Georges zegt dat een bisschop met een madame’n valse bisschop is, stemt hij hiermee zonder aarzelen in.
    Zo hebben we op die uithoek van Afrika, in die kleine missie met drie paters een kerk van voor en een van na het Concilie.
    Tegen de avond lopen we nog sigaretten halen in het “centre commercial” van de inlanders; vier, vijf kleine hutten in snelbouw opgetrokken. Er is ook een café bij, buiten staan enkele stoelen en een kramakkelijk tafeltje, bier is er echter niet, de camion is deze week nog niet gepasseerd.
    De inlandse middenstand heeft het beter dan de anderen en ze laten het zien ook : ze dragen schoenen en ik moet een dia nemen van zo’n commercant met zijn vrouw, elk in het bezit van een draagbaar radiotoestel.
    Sigaretten zijn er, 4 fr voor een pakje Belga. Ze worden ook per stuk verkocht.
    Wij slenteren terug naar de Missie, onderweg spreekt iedereen ons aan. Wij beginnen het ritueel van zo’n gesprek al goed te kennen. Jambo (goeiedag) Karibu (welkom) – Habari (hoe gaat het met U) – Mzuri (goed).
    René vraagt dan gewoonlijk de naam, een zaak die zeer moeilijk geworden is, omdat iedereen zijn christelijke voornaam heeft moeten verwisselen voor een authentieke inlandse. Gewoonlijk wordt dat opgelost door de oude christelijke naam nog te gebruiken maar er “ex” voor te voegen, zoals ex-Francis, ex-Maria-Claire, enz.
    Wanneer men naar iemand vraagt gebeurt het niet zelden dat men als antwoord krijgt : “Ella ten Bella”.
    Dit wil eigenlijk zeggen dat hij op wandel is, dat wandelen kan dan eventjes zijn, maar ook enkele dagen duren. Maar dat kan ook wel een uitvlucht zijn om U niet te moeten ontmoeten. (Hij ligt misschien ergens zat te slapen zegt René ons dan in het Nederlands.)
    Het gesprek verloopt meestal in korte zinnetjes, waarop de gesprekspartner antwoordt met “ikke nezur” dat zowat wil zeggen als : och ja.
    Het grootste affront dat men een neger kan aandoen, wanneer men naast hem staat is hem niet aanspreken, dit zou immers willen beduiden dat hij voor u niet bestaat. Spreken bij hen is niet zoals bij ons, iets mededelen, iets te zeggen hebben.
    Neen bij hen is spreken tonen dat ge voor elkaar bestaat, wat men dan zegt is bijkomstig, of men het dan niet verstaat is bijkomstig.
    Zo heeft Georges eens een ganse explicatie gegeven aan een negerin in zijn schoon Leests, en zij maar tegen tateren.
    Kwaheri -tot ziens.
    Bij het einde van een gesprek drukt men iedereen de hand, de meisjes doen hierbij zelfs een lichte kniebuiging.
    Duizenden handen hebben wij zo gedrukt.
    In het begin gingen wij telkens onze handen wassen toen wij op de missie aankwamen, toen hadden wij het nog goed voor met onze hygiëne.
    Het is onze laatste avond op de missie van Gety.
    Voor de laatste maal zitten wij nog eens samen.
    Morgen gaat onze tocht verder.

    Vervolgt.

    Foto’s :
    -Vervolg van onze voettocht. Het wordt een blootvoetse oversteek van de stroom.
    -Deze foto toont hoe moeilijk het wordt, wij moeten aan de overkant van het dal in de verte geraken, dus eerst nog dalen en dan langs die falaises, rotswanden, naar boven.
    -De ochtend nadien. Wij hebben het overleefd…
    -Onverwacht bezoek van de Anglicaanse bisschop.









    28-02-2017 om 09:50 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    19-02-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Een reis door Rwanda en Oost-Zaïre, deel IX.

    Wijzigingen/aanvullingen Kronieken van Leest.

    Vervolg : LEEST – GETY en TERUG…

    Maandag 16 juli 1973

    Start van onze tweedaagse voettocht naar de watervallen van de Geti-stroom.Wij rijden eerst een uur ver tot in een dorp. Daar gaat René wat palaveren en hij komt terug met 6 mannen met lansen. Dat zullen onze dragers zijn. Ze nemen elk een koffer op het hoofd en op een rijtje trekken wij voorbij de laatste hutten van het dorp de brousse in.Langs kleine wegjes gaat het berg op en berg af. Het lange gras belet ons de stenen en rotsen op de weg te zien en het marcheren is moeilijk. Wij moeten een stroom oversteken. Blootsvoets gaan wij bedachtzaam door de rivier. Door het snelle water hebben wij alle moeite om rechtop te blijven. Wanneer wij over zijn willen de dragers niet meer verder : ik moet eerst een foto van ze nemen.

    Het wordt middag en het is heet. Hier en daar staat er een schrale boom, voor de rest rotsen en gras. Enkel een fijn briesje komt af en toe verfrissing brengen. Dan bereiken wij de rand van het gebergte. Wij houden halt. Opgepast voor het drinken, wij hebben maar 4 liter water mee en moeten toekomen tot morgen avond. Voor ons, 800 meter lager, ligt de vlakte met daarin als een wit glinsterend lint de Sekliki-stroom; daarover ligt Oeganda. We beginnen de afdaling. In de verte zien wij de waterval. Opzij van ons, gescheiden door een diepe afgrond, machtige falaisen : bergen waarvan de rotswanden uitgesleten zijn door de erosie. In de vlakte zijn er geen wegen; door het gras dat boven ons hoofd reikt, volgen wij onze dragers. Het is snikheet, er is zelfs geen deugddoend briesje meer. Plots staan we voor een hut. Onze dragers stoppen. Hier zullen wij ons kamp opslaan. Wij laten ons moe vallen in de schaduw van de hut. René is nog fris. Hij pakt uit en begint meteen soep te koken. De dragers komen ons uitleggen dat een eind verder de stroom loopt en brengen er ons naartoe. In onderbroek liggen wij plat op onze buik in het lauwe water dat ros ziet van het zand dat het meevoert. Onze dragers profiteren er van om zich te wassen, ze zepen zich in van kop tot teen en gaan dan ook languit in het water liggen. Een van hen zegt me in het weinige Frans dat hij kent dat hij 28 jaar is, en dat hij twee vrouwen heeft. Ik antwoord “Moi, seulement une femme” waarop hij me meewarig aankijkt. Hij had me wellicht hoger ingeschat. Mijn hielen staan vol blaren. En dan maar bedenken dat onze dragers gans de weg blootvoets gelopen hebben.

    Als we terug bij de hut zijn is de soep klaar, het is echter veel te warm om te eten. Drinken moeten wij doen. Maar onze kruik met water is al zo ver gezet. Panja, een oude neger met dikke voeten, zit bij zijn hut te naaien aan een kleed. Hij is het familiehoofd. Maar hij is nog meer : hij is de gids en de tovenaar. Al wie naar de waterval wil moet langs hem rond. Hij zal dan meegaan en een kip slachten aan de voet van de waterval om de boze geesten, de slangen en de vallende stenen te verdrijven. Daarom hebben de dragers ons niet rechtstreeks naar de waterval gebracht, hoewel dat heel wat korter zou geweest zijn. Nu is het nog minstens 2 uur lopen. Dat kunnen wij vandaag niet meer halen voor het donker wordt. Wij besluiten dan maar van morgen vroeg niet verder te gaan maar rechtstreeks weer te keren. En zo leven wij dan een ganse namiddag met Panja en zijn familie mee. Terwijl een vrouw de maniokbrei aan het stampen is, is een ander een klein jongsken aan het zogen. Het loopt af en toe eens weg om wat te spelen en komt dan weer resoluut naar zijn neergezeten moeder, neemt haar borst en steekt ze in de mond. René is wat verder met het mannenvolk aan het palaberen en Georges, die niet tegen de reuk kan, zit tegen een appelboom, zijn broer aan het verwensend omdat die ons gebracht heeft waar wij nu zitten. Een van de Panja’s vrouwen heeft bier, inlands bier uit de blaren van palmbomen. In een moorken loopt ze er mee rond om het te verkopen aan de dragers. René geeft ook een rondeken. Mijn grote dorst doet al mijn principes van hygiëne wijken en ik drink mee. Uit een vuile kroes met eronder een grotere kroes drink ik het brouwsel dat op erwtensoep lijkt. De eerste smaak is meelachtig, de nasmaak is rens en misschien mag het best te vergelijken met geuze. Het is toch wel een straf goedje. Tegen de avond aan wanneer de zon minder straf is, zetten wij de tent op, vlak naast de hut. Onze dragers gaan wat gras afsnijden om het onder het grondzeil te leggen, zo liggen we toch niet op de harde grond. Ik leg me direct in de tent. René en Georges komen wat later . Ook zij liggen te draaien en te keren. Het is snikheet. Wij doen de tent open en hebben meteen zwermen muggen om ons oren. De negers zitten wat verder bij een vuurtje te babbelen en te drinken, uren lang. Het vuur werpt schaduwen op het tentzeil boven ons hoofd. Georges ligt met zijn kop buiten de tent, hij is er niet gerust in. René roept op de negers om stil te zijn. Plots enkele donderslagen, enkele rukken van de wind in de bomen en het tentzeil en dan begint het water te gieten. Alles koelt nu vlug af. Het is 1 uur. Ik val in slaap.

    Vervolgt.

    Foto’s :
    -Fier poseren op een termietenheuvel.

    -Eerste dag van onze tocht naar de watervallen van de Gety stroom. Krijgshaftig poseren onze dragers.

    -Tocht door het lange gras.

    -Hut van de tovenaar waar wij ons kamp moeten opslaan.

    -De tovenaar-gids zit te naaien voor zijn deur.

    -Een vrouw is een jongetje aan ’t zogen.













    19-02-2017 om 08:41 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)


    Archief per week
  • 15/07-21/07 2019
  • 08/07-14/07 2019
  • 01/07-07/07 2019
  • 24/06-30/06 2019
  • 17/06-23/06 2019
  • 10/06-16/06 2019
  • 03/06-09/06 2019
  • 20/05-26/05 2019
  • 13/05-19/05 2019
  • 06/05-12/05 2019
  • 22/04-28/04 2019
  • 15/04-21/04 2019
  • 01/04-07/04 2019
  • 18/03-24/03 2019
  • 04/03-10/03 2019
  • 25/02-03/03 2019
  • 18/02-24/02 2019
  • 11/02-17/02 2019
  • 21/01-27/01 2019
  • 14/01-20/01 2019
  • 07/01-13/01 2019
  • 24/12-30/12 2018
  • 17/12-23/12 2018
  • 10/12-16/12 2018
  • 03/12-09/12 2018
  • 26/11-02/12 2018
  • 12/11-18/11 2018
  • 29/10-04/11 2018
  • 22/10-28/10 2018
  • 15/10-21/10 2018
  • 08/10-14/10 2018
  • 17/09-23/09 2018
  • 03/09-09/09 2018
  • 20/08-26/08 2018
  • 13/08-19/08 2018
  • 06/08-12/08 2018
  • 30/07-05/08 2018
  • 23/07-29/07 2018
  • 16/07-22/07 2018
  • 09/07-15/07 2018
  • 25/06-01/07 2018
  • 18/06-24/06 2018
  • 11/06-17/06 2018
  • 04/06-10/06 2018
  • 21/05-27/05 2018
  • 07/05-13/05 2018
  • 23/04-29/04 2018
  • 16/04-22/04 2018
  • 09/04-15/04 2018
  • 02/04-08/04 2018
  • 26/03-01/04 2018
  • 19/03-25/03 2018
  • 12/03-18/03 2018
  • 05/03-11/03 2018
  • 19/02-25/02 2018
  • 12/02-18/02 2018
  • 05/02-11/02 2018
  • 29/01-04/02 2018
  • 22/01-28/01 2018
  • 15/01-21/01 2018
  • 08/01-14/01 2018
  • 01/01-07/01 2018
  • 25/12-31/12 2017
  • 18/12-24/12 2017
  • 04/12-10/12 2017
  • 27/11-03/12 2017
  • 20/11-26/11 2017
  • 06/11-12/11 2017
  • 23/10-29/10 2017
  • 16/10-22/10 2017
  • 09/10-15/10 2017
  • 25/09-01/10 2017
  • 18/09-24/09 2017
  • 11/09-17/09 2017
  • 04/09-10/09 2017
  • 28/08-03/09 2017
  • 21/08-27/08 2017
  • 14/08-20/08 2017
  • 31/07-06/08 2017
  • 10/07-16/07 2017
  • 03/07-09/07 2017
  • 12/06-18/06 2017
  • 05/06-11/06 2017
  • 29/05-04/06 2017
  • 15/05-21/05 2017
  • 01/05-07/05 2017
  • 17/04-23/04 2017
  • 10/04-16/04 2017
  • 03/04-09/04 2017
  • 27/03-02/04 2017
  • 20/03-26/03 2017
  • 13/03-19/03 2017
  • 06/03-12/03 2017
  • 27/02-05/03 2017
  • 13/02-19/02 2017
  • 06/02-12/02 2017
  • 30/01-05/02 2017
  • 23/01-29/01 2017
  • 16/01-22/01 2017
  • 09/01-15/01 2017
  • 02/01-08/01 2017
  • 26/12-01/01 2017
  • 19/12-25/12 2016
  • 05/12-11/12 2016
  • 28/11-04/12 2016
  • 21/11-27/11 2016
  • 07/11-13/11 2016
  • 24/10-30/10 2016
  • 17/10-23/10 2016
  • 10/10-16/10 2016
  • 03/10-09/10 2016
  • 26/09-02/10 2016
  • 19/09-25/09 2016
  • 05/09-11/09 2016
  • 22/08-28/08 2016
  • 15/08-21/08 2016
  • 01/08-07/08 2016
  • 25/07-31/07 2016
  • 18/07-24/07 2016
  • 11/07-17/07 2016
  • 04/07-10/07 2016
  • 27/06-03/07 2016
  • 20/06-26/06 2016
  • 13/06-19/06 2016
  • 06/06-12/06 2016
  • 30/05-05/06 2016
  • 23/05-29/05 2016
  • 16/05-22/05 2016
  • 09/05-15/05 2016
  • 02/05-08/05 2016
  • 25/04-01/05 2016
  • 18/04-24/04 2016
  • 11/04-17/04 2016
  • 04/04-10/04 2016
  • 21/03-27/03 2016
  • 14/03-20/03 2016
  • 07/03-13/03 2016
  • 29/02-06/03 2016
  • 22/02-28/02 2016
  • 15/02-21/02 2016
  • 08/02-14/02 2016
  • 25/01-31/01 2016
  • 04/01-10/01 2016
  • 28/12-03/01 2016
  • 21/12-27/12 2015
  • 07/12-13/12 2015
  • 23/11-29/11 2015
  • 16/11-22/11 2015
  • 09/11-15/11 2015
  • 02/11-08/11 2015
  • 19/10-25/10 2015
  • 12/10-18/10 2015
  • 05/10-11/10 2015
  • 21/09-27/09 2015
  • 14/09-20/09 2015
  • 07/09-13/09 2015
  • 31/08-06/09 2015
  • 13/07-19/07 2015
  • 22/06-28/06 2015
  • 08/06-14/06 2015
  • 01/06-07/06 2015
  • 25/05-31/05 2015
  • 11/05-17/05 2015
  • 04/05-10/05 2015
  • 27/04-03/05 2015
  • 20/04-26/04 2015
  • 13/04-19/04 2015
  • 06/04-12/04 2015
  • 30/03-05/04 2015
  • 23/03-29/03 2015
  • 16/03-22/03 2015
  • 09/03-15/03 2015
  • 02/03-08/03 2015
  • 23/02-01/03 2015
  • 16/02-22/02 2015
  • 09/02-15/02 2015
  • 02/02-08/02 2015
  • 26/01-01/02 2015
  • 19/01-25/01 2015
  • 12/01-18/01 2015
  • 05/01-11/01 2015
  • 29/12-04/01 2015
  • 15/12-21/12 2014
  • 08/12-14/12 2014
  • 24/11-30/11 2014
  • 17/11-23/11 2014
  • 10/11-16/11 2014
  • 03/11-09/11 2014
  • 20/10-26/10 2014
  • 13/10-19/10 2014
  • 06/10-12/10 2014
  • 29/09-05/10 2014
  • 22/09-28/09 2014
  • 08/09-14/09 2014
  • 01/09-07/09 2014
  • 25/08-31/08 2014
  • 18/08-24/08 2014
  • 04/08-10/08 2014
  • 28/07-03/08 2014
  • 21/07-27/07 2014
  • 14/07-20/07 2014
  • 07/07-13/07 2014
  • 30/06-06/07 2014
  • 23/06-29/06 2014
  • 16/06-22/06 2014
  • 09/06-15/06 2014
  • 02/06-08/06 2014
  • 26/05-01/06 2014
  • 19/05-25/05 2014
  • 12/05-18/05 2014
  • 05/05-11/05 2014
  • 28/04-04/05 2014
  • 21/04-27/04 2014
  • 14/04-20/04 2014
  • 07/04-13/04 2014
  • 31/03-06/04 2014
  • 24/03-30/03 2014
  • 17/03-23/03 2014
  • 10/03-16/03 2014
  • 03/03-09/03 2014
  • 24/02-02/03 2014
  • 17/02-23/02 2014
  • 10/02-16/02 2014
  • 03/02-09/02 2014
  • 27/01-02/02 2014
  • 20/01-26/01 2014
  • 13/01-19/01 2014
  • 06/01-12/01 2014
  • 30/12-05/01 2014
  • 23/12-29/12 2013
  • 16/12-22/12 2013
  • 09/12-15/12 2013
  • 02/12-08/12 2013
  • 25/11-01/12 2013
  • 18/11-24/11 2013
  • 11/11-17/11 2013
  • 28/10-03/11 2013
  • 21/10-27/10 2013
  • 14/10-20/10 2013
  • 07/10-13/10 2013
  • 30/09-06/10 2013
  • 23/09-29/09 2013
  • 16/09-22/09 2013
  • 09/09-15/09 2013
  • 02/09-08/09 2013
  • 05/08-11/08 2013
  • 29/07-04/08 2013
  • 22/07-28/07 2013
  • 15/07-21/07 2013
  • 08/07-14/07 2013
  • 01/07-07/07 2013
  • 24/06-30/06 2013
  • 17/06-23/06 2013
  • 10/06-16/06 2013
  • 03/06-09/06 2013
  • 27/05-02/06 2013
  • 13/05-19/05 2013
  • 06/05-12/05 2013
  • 29/04-05/05 2013
  • 22/04-28/04 2013
  • 25/03-31/03 2013
  • 18/03-24/03 2013
  • 11/03-17/03 2013
  • 04/03-10/03 2013
  • 18/02-24/02 2013
  • 28/01-03/02 2013
  • 21/01-27/01 2013
  • 07/01-13/01 2013
  • 31/12-06/01 2013
  • 24/12-30/12 2012
  • 17/12-23/12 2012
  • 10/12-16/12 2012
  • 03/12-09/12 2012
  • 26/11-02/12 2012
  • 19/11-25/11 2012
  • 12/11-18/11 2012
  • 05/11-11/11 2012
  • 29/10-04/11 2012
  • 22/10-28/10 2012
  • 15/10-21/10 2012
  • 08/10-14/10 2012
  • 01/10-07/10 2012
  • 24/09-30/09 2012
  • 10/09-16/09 2012
  • 03/09-09/09 2012
  • 13/08-19/08 2012
  • 06/08-12/08 2012
  • 30/07-05/08 2012
  • 23/07-29/07 2012
  • 02/07-08/07 2012
  • 25/06-01/07 2012
  • 18/06-24/06 2012
  • 11/06-17/06 2012
  • 04/06-10/06 2012
  • 28/05-03/06 2012
  • 14/05-20/05 2012
  • 07/05-13/05 2012
  • 30/04-06/05 2012
  • 23/04-29/04 2012
  • 16/04-22/04 2012
  • 09/04-15/04 2012
  • 02/04-08/04 2012
  • 26/03-01/04 2012
  • 19/03-25/03 2012
  • 12/03-18/03 2012
  • 05/03-11/03 2012
  • 27/02-04/03 2012
  • 20/02-26/02 2012
  • 13/02-19/02 2012
  • 06/02-12/02 2012

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !


    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!