NIEUW: Blog reclamevrij maken?
Inhoud blog
  • Wijzigingen - aanvullingen. Overlijdens religieuzen.
  • Wijzigingen - aanvullingen. Maria Van Dam, slechtoffer van het luchtbombardement in Mortsel.
  • Wijzigingen - aanvullingen. De kerkklokken weggeroofd.
  • Wijzigingen - aanvullingen.
  • Wijzigingen - aanvullingen. Het aardappelcontract van Frans Geerts.
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    Kronieken van Leest
    bij Mechelen
    20-02-2019
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vervolg : Leestenaars in de Tweede Wereldoorlog : Victor Van Hoof.

    Wijzigingen – Aanvullingen Kronieken van Leest.

    Herinneringen aan W.O.-II

    Victor VAN HOOF, de laatste garde van Leest.

    Vic was op 1 januari 1926 te Leest geboren als zoon van Jan Edward en Florentina “Tien” De Schoenmaeker. Het gezin woonde in de Blaasveldstraat waar vader Jan Edward zijn job van arbeider in de Kapelse Eternit fabriek cumuleerde met wat boeren en het uitbaten van een herberg.

    Na de Leestse gemeenteschool liep Vic school te Mechelen in de “Oefenschool onder den toren”, om er onderwijzer te worden. Zover kwam het niet. Op 14-jarige leeftijd hield hij het voor bekeken en ging werken in garage De Baere aan de Leuvensesteenweg te Mechelen, later door de familie Zwaan omgevormd tot Hanswijk-Renault garage.
    Enkele weken nadien brak de oorlog uit. Vic maakte de vlucht mee en de chaos en de honger. Op zijn 18de werd hij verplicht tewerkgesteld in de wapenfababrieken van Herstal alwaar hij deserteerde. Hij dook onder en werd in 1944 oorlogsvrijwilliger.

    Al deze herinneringen, door hem in 1984 zeer gedetailleerd neergeschreven en doorverteld, komen hierna aan de beurt.
    Victor Van Hoof was gehuwd met Maria “Leonore” Mees uit Blaasveld die hem drie kinderen schonk : Marcel, Yvonne en Rudi.
    Hij overleed te Leest in zijn slaap op 26 november 1998.

    De Eerste Dagen

    10 mei 1940. Ik was haast veertien en een half jaar oud en werkte enkele weken bij De Baere, op de Leuvensesteenweg te Mechelen, de garage die later door de familie Zwaan werd overgenomen en omgevormd tot de Hanswijk – Renault garage.
    Naar goede gewoonte zou ik om 8 uur beginnen. De dag voordien had mijn moeder me gevraagd om de ijzeren poort, naast ons huis in de Blaasveldstraat, te schilderen. Ik stond omstreeks 05u30 op met de intentie dit te doen en vatte de schilderwerken aan. Terwijl ik hier mee bezig was hoorde ik in de verte doffe knallen, herhaalde malen, tamelijk zwaar zoals kanongebulder. Wat later zag ik een groot, mij totaal vreemd vliegtuig, laagvliegend uit de richting Tisselt, voorbij de woning Diddens, richting Mechelen vliegen. Op de staart bemerkte ik duidelijk een groot hakenkruis. Ik snelde ons huis binnen, zette de radio aan en toen vernamen we dat de Duitsers ons land waren binnengevallen en tijdens de vroege morgen vele steden hadden gebombardeerd.
    Ik heb mijn poortje verder afgeschilderd en ben op mijn gewoon uur naar Mechelen gefietst. Onderweg stonden de mensen in groepjes bijeen, militaire voertuigen reden af en aan. Op de Leuvensesteenweg was het een nog nooit geziene drukte, nerveuze militairen, sommigen verplaatsten zich in de richting Leuven, burgers troepten samen.
    Van werken in de garage kwam niet veel in huis, wel werd er opvallend veel benzine verkocht. Van een groentenhandelaar vanuit de streek van Diest, vernam ik dat in de vroege morgen het vliegveld van Schaffen fel was gebombardeerd en dat er vele doden waren gevallen.
    De meest alarmerende en onzinnige geruchten deden de ronde, parachutisten waren overal opgemerkt. De Duitsers waren doorgebroken, dan waren ze weer teruggeslagen, overal waren reeds spionnen opgepakt.
    De eerste vluchtelingen, afkomstig uit de grensstreek en de streek rond het Albertkanaal, kwamen in de namiddag reeds per auto aangereden en smeekten om benzine die er bijna niet meer was. Ze hadden verschrikkelijke verhalen bij, over hevige beschietingen en gevechten, bombardementen, spionnen en parachutisten. De paniekstemming onder de bevolking ging crescendo.
    In de fabrieken Rateau, even voorbij de garage was een noodhospitaal opgericht. Tijdens mijn middagpauze ben ik tot daar gegaan en zag er een rodekruistrein toekomen. Vele gekwetste soldaten, sommigen hevig bloedend, werden op draagberries bij Rateau binnengedragen. Gans de dag had ik mijn handen vol met benzine tanken, voornamelijk aan militairen en vluchtelingen. ’s Avonds was de put leeg.
    Toen ik om vijf uur huiswaarts keerde, kwam er vanuit Battel, aan het kruispunt met de Koningin Astridlaan een gans regiment Franse soldaten Mechelen binnengewandeld. De Fransen werden door de bevolking op luid gejuich onthaald, mensen liepen er naartoe met flessen en glazen bier, ze werden omhelsd. Hartverwarmende taferelen speelden zich af. Vol bewondering onthaalden we deze prachtig uitgeruste en fier stappende helpers van ons vaderland : zij zouden met de Duitsers wel korte metten maken, de moed zat er weer in.
    Thuis gekomen werd er over niets anders gesproken dan over bombardementen, spionnen, parachutisten... Elke vreemdeling was een potentiële spion.
    ’s Avonds rond 7 uur zagen we vanuit de Blaasveldstraat een groep Duitse vliegtuigen boven Kapelle o/d Bos hangen. We hoorden afweergeschut en zagen een Duits toestel naar beneden storten. De piloot zagen we aan zijn parachute hangen en traag naar beneden komen. Het afweergeschut was afkomstig van een Engelse boot die in het sas lag. We hoorden dat de brug gebombardeerd was. Hierbij werden verschillende burgers, die naar gewoonte een praatje maakten aan de brug, gedood. (Noot : achttien mensen kwamen daarbij om.)
    Er was ook veel schade aan woningen. Bommen waren gevallen tot in de Kapellebaan te Leest, hierbij werd het huis van Jan Van Riet erg beschadigd. Die eerste avond van de Duitse inval waren we van de radio niet weg te slaan. Soldaten werden opgeroepen en namen met een bang hart afscheid van hun familie.
    De volgende dag reed ik gewoon naar mijn werk. Tijdens de nacht waren er brandbommen afgeworpen op Mechelen. In de O.L. Vrouwstraat waren een paar huizen uitgebrand. Ik zag de eerste Mechelaars van de Leuvensesteenweg op de vlucht vertrekken. Mijn baas, mijnheer De Baere, diende twee vrachtwagens in te leveren voor het leger en raakte twee van zijn gasten kwijt omdat ze werden opgeroepen. Ik ben nog enkele dagen gaan werken. Dat werk bestond voornamelijk uit het wegbergen van olie en het leeghalen van het magazijn. De olie werd verborgen onder de grond en de stukken van het magazijn werden in de smeerput gestopt. Deze werd met balken en ijzeren platen afgedekt en daarop werd een laag beton gegoten. Hard en sterk, dat zou ik later ondervinden toen ik het moest openkappen. Niettegenstaande er in de garage vele vluchtelingen, soldaten en later ook Duitsers hadden verbleven, was er niets verdwenen. Na dit alles vertrok mijn baas Mijnheer De Baere, samen met zijn vrouw en schoonmoeder, met hun auto, op de vlucht, naar Frankrijk.
    Bij ons thuis waren vluchtelingen uit Mechelen gekomen, inwoners van de Battelsesteenweg en ook verschillende familieleden woonachtig in de buurt van de brug van Heffen, die terecht vreesden voor bombardementen. Ook zij vertelden op hun beurt de meest paniekerige verhalen zodat mijn ouders besloten om ook te vluchten. Waarheen dat zouden we wel zien, als we de oprukkende Duitsers maar konden ontlopen.

    Vervolgt met “De Vlucht”.

    Foto’s :
    -De laatste veldwachter van het autonome Leest : Vic Van Hoof.
    -De ouderlijke woonst in de Blaasveldstraat in 1978. Tijdens de oorlog ook café “In den Nieuwen Buiten”.
    -Rechts de 14-jarige Victor naast enkele Leestse vrienden.







    20-02-2019 om 08:05 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    11-02-2019
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vervolg : Leestenaars in de Tweede Wereldoorlog. Stanne Van den Broeck.

    Wijzigingen – Aanvullingen Kronieken van Leest.

    Herinneringen aan W.O.-II

    Constant “Stanne” VAN DEN BROECK.

    De populaire eeuweling Constant Van den Broeck was te Leest geboren op 25 september 1880 als zoon van Karel Van den Broeck (°Leest 28/8/1852, +Leest 10/3/1944) en Rosalie Campion (°Leest 31/1/1852, +Leest 25/7/1923) die een klein boerderijtje bezaten in de Koeistraat (de latere Elleboogstraat).

    Stanne was gehuwd met Amelia Vleminckx (°Leest 8/12/1884, +28/10/1966) die hem vier kinderen schonk :
    -Bertha, geboren op 24 april 1909, huwde met Victor Verbist.
    -Louis, geboren op 19 april 1910, gehuwd met Maria Rottiers.
    -Maria, geboren op 24 juni 1912, gehuwd met Jan De Smedt.
    -Victor, geboren op 13 augustus 1919, gehuwd met Elizabet Moyersom.

    Stanne was tijdens de Eerste Wereldoorlog actief als “travailleur”, zowat overal aan de IJzer maar meestal buiten het geschut van de vijand. Twee dagen minder dan vier en een half jaar is hij toen van huis weggeweest.

    Stanne gegijzeld in 1940.

    In mei 1940 was het bijna gedaan met Stanne. Dronken Duitsers kwamen over de Kouter van Hombeek naar Leest en onder het mom van “burgers hebben op ons geschoten” namen ze, onderwijl in de lucht schietend, gijzelaars.

    “Nieuwsgierig ging ik kijken wat er gebeurde en werd met nog eenenvijftig anderen opgepakt en in de school tegen de muur gezet. Ook aan Hanneke de Zaeger en Fons van Fillekes die op ’t land aan ’t werk waren riepen de Duitsers : ‘Mitkommen !’
    Pastoor Beukelaers, Frans Piessens, Fons Verbruggen, Staf Vloebergh, de Jacques, Emanuel en Henri Van de Vondel, Fons Polspoel, Victor van Kolettes, Francois, De Blokmaker, Staf Pottoms, meester De Leers en nog anderen.
    Een Duits officier vroeg : ‘Waar is de Knip ?’ Staf van de metser en ik wisten dat. Omdat we met de duiven speelden wisten we de Knip, dat nu Juniorslaan heet.
    We moesten meegaan met twee soldaten die het geweer in de aanslag hielden. De Duitsers zochten een wei voor hun 120 paarden. Eerst gingen we naar de wijk de Knip waar de houten molen gestaan had. Die wei was te klein. Ze wisten dat bij Pier Prins (Noot : de Rendelbeekhoeve op de Kleine Heide) een grote wei was en die was vlug goedgekeurd. Ondertussen moesten al de gijzelaars tegen de muur staan tot wij terug waren.
    De Duitsers moesten nog stro hebben om 120 man slapen te leggen. Bij Van Praet kregen we twee botten en in ’t Seel was stro genoeg. Stan van Busschot kwam daar juist ook met een kar stro aangereden. Alles werd op de kar gereden en toen mochten we naar huis. De anderen zijn tot ’s anderendaags gegijzeld gebleven op gevaar van gefussilieerd te worden.
    Pastoor Beukelaers die vooraan stond zei nog tegen Victor van Kolettes : ‘Komde gij ma voor mij staan Vic.’ Maar Victor zei : ‘Als het tegen ga, zijn we allemaal doët meneer pastoer.’ En hij bleef staan.
    We woonden in dien tijd al in de Scheerstraat. De Duitsers hadden in mennen hof touwen gespannen van de ene perelaar naar de andere en daaraan hun paarden vastgebonden. We bleven voor alle veiligheid maar binnen.”
    (Speciale editie van “De Band” september 1980)

    Constant “Stanne” Van den Broeck overleed te Leest op 20 februari 1984 in de leeftijd van 103 jaar en 5 maand.

    Vervolgt met de oorlogsherinneringen van Veldwachter Victor Van Hoof.

    Foto’s :
    -Stanne in de oorlog van 1914-18.
    -In 1980 trok er een memorabele stoet door Leest met een reconstructie van het leven van de eeuweling en met twee fragmenten van zijn gevangenneming in mei 1940.
    -Het feestvarken, naast zijn dochter Marieke, kreeg een ereronde.
    -Stanne als honderdendriejarige.











    11-02-2019 om 21:33 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    27-01-2019
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    Wijzigingen – Aanvullingen Kronieken van Leest.

    Herinneringen aan W.O.-II

    Vervolg : Frans “Susse” TEUGHELS.

    Repressie.

    Nog geen uur ndat hij was weggereden kwam onze auto weer de dorpsplaats op. Achter op die open kamion zaten allemaal mensen gehurkt en met de armen in de hoogte. Eens dat de wagen gestopt was liepen er allemaal zwaar bewapende mannen omheen en leidden hun prooi het gemeentehuis binnen. Het dorp stond vol kijkers. Geen gehuil of gejoel was te horen. Iedereen keek nieuwsgierig toe wat er verder zou gebeuren.
    Plots hoorde ik iemand uit de menigte de opmerking maken dat het bijna allemaal mannen waren welke voor de oorlog reclame maakten voor : “Breek het geweer”. Ze raadden de soldaten in die tijd aan hun wapens weg te gooien en te deserteren en nu liepen diezelfde mannen daar met zulke moordtuigen. “Gevaarlijk als zulke mannen met schietstokken gaan spelen”, was het besluit van de spreker. Plots werd hij echter heel bleek toen hij in de holte van de voorkant van de verroeste loop van die oude trommelrevolver keek.
    “Zwijgen gij”, hoorde hij zeggen. “Allemaal zwarterikken die kattekoppen, we zullen ze wel vinden”. Veiligheidshalve is de man die het gewaagd had zijn mening te zeggen maar naar huis getrokken. Een beetje verder kreeg een vrouw een browning onder de neus omdat ze had durven beweren van iemand die erbij was, dat ze bij hem thuis de hele oorlog ook zwart geweest waren.
    Die ongelukjes waren vlug voorbij en vergeten want al spoedig vertrok het convooi opnieuw om een tweede lading op te halen. Lang hoefden we niet te wachten om te zien dat ook die mensen veilig en wel op het gemeentehuis waren aangeland. Onder het volk waren er die het jammer vonden dat het er bij ons maar pover aan toeging op zulke manier. Ze hadden het op andere gemeenten ook gezien, daar kregen die collaborateurs tenminste slagen en hier werden ze binnengebracht, precies of het nog mensen waren.
    De mensen die gedacht hadden nu vrij te zijn, kwamen van een kale reis thuis. Stond de avondklok onder de bezetting op tien uur, nu moest iedereen binnen om zeven klokslag. De mensen die hun raamsverduistering al hadden afgebroken konden nu in het donker zitten want er zouden strenge sancties genomen worden bij het overtreden van die wetten, aldus de plaatselijke Kommandant.
    Nadat de gevangenen waren afgevoerd naar Mechelen werden ze opgesloten in het “prison” en in de kazerne omdat de gevangenis veel te klein was voor zo een hoop mensen. Dat bleek echter niet waar te zijn want in de loop van de namiddag kwam er iemand over het dorp gestapt die ze waarschijnlijk vergeten hadden. De man trok in de richting van Mechelen. Iedereen die hem zag keek verbaasd op. Vlug werden de mannen op het gemeentehuis verwittigd. Al huilend en tierend trokken ze op hem af want die man kon gewapend zijn. Ze volgden hem tot aan Verbergt, daar zagen ze grote broer op wacht staan aan de brug. Die had hem wel tegengehouden, dachten ze, maar die liet hem gaan. Al vloekend zijn ze dan teruggelopen om de auto te halen. Aan de brug laadden ze de wachtpost op en wel tegen 40 km in het uur reden ze de ontsnapte achterna. Onderweg was het een hele discussie wie hem eigenlijk aanhouden zou. Eens ter hoogte van de man moest grote broer de wagen uit, gevolgd door de anderen. Alsof ze hem niet kenden, vroegen ze hem om zijn paspoort. Zonder tegenstribbelen stapte hij mee de wagen in al spoedig waren ze er mee op het gemeentehuis. Ook die werd diezelfde dag onder zwaar gewapende begeleiding afgeleverd aan de zorgen van vader bewaker. Die bestelling heeft grote broer nog meegedaan. Eens thuisgekomen is hij eerst naar boven gegaan en stopte die witte band in de lade van zijn schrijftafel. “Als dat weerstand is, dan mogen ze hem hebben”, zei hij bij zichzelf in het naar beneden komen.

    Nog diezelfde avond zou voor de eerste maal te Mechelen de stoet gaan van alle gevangenen. De leute zou groot zijn. De vrouwen, allemaal het haar afgesneden, zouden in hun kletskop mee moeten gaan, terwijl de mannen onterende schilden of andere stukken zouden te dragen krijgen, tot jolijt van alle toeschouwers. Het spreekt vanzelf dat een grote massa mensen daar naar toetrok om te kijken en te lachen; sommigen ook om hun familielid nog eens te zien want elk bezoek was verboden en niemand wist wat er met die mensen ging gebeuren. Die optocht werd gevormd aan de kazerne van de Liersesteenweg. Omgeven door een leger van bewakers kwam de lange sliert van gevangen demonstranten buiten…
    (“Repressie”, Frans “Susse” Teughels in “De Band” van augustus 1982)

    Meer naoorlogse herinneringen.

    De Engelsen bleven, de Amerikanen ook. Met hen kwam er dan ook van alles mee zoals melk en eieren in poeder, vlees in pakskens enz. Alleen de souveniers welke ze voor de gulle ontvangst van vele van onze meisjes uitdeelden waren in natura. In minder dan een jaar tijd was de Belgische bevolking weer op het peil van voor de oorlog.

    De strijd echter ging verwoed verder. In Luxemburg werd nog hardnekkig gevochten tussen de geallieerden en de Duitsers. Om vrachtwagens en energie te besparen werd in allerijl een pijplijn voor benzine aangelegd, onder de zee dwars door ons land, zodat men van in Engeland dat edel vocht kon pompen tot aan het front. De soldaten welke dat buizenkanaal in onze zone moesten aanleggen werden te Leest ingekwartierd. Ieder huis waar voldoende plaats was werd aangeslagen. Ook de zalen en scholen werden vol kaki gestopt. Die soldaten kregen goeden “bik” en veel te veel. Hele containers met etensresten werden iedere dag weggekapt, terwijl wij zelf nog niet veel tussen de tanden kregen.

    Dat afvoeren van die afval ging ons vader in het hart. Hij besloot dan van een zwijn te kopen, op de zwarte markt natuurlijk. Bij ons waren die niet te vinden. Daarom zijn twee van mijn broers met de fiets naar Holland gereden. De daarop volgende dag kwamen ze weer thuis met in een patattenzak vanachter op hun rijtuig een schat van een beestje. Ons “Keesje” noemden wij hem en ik mocht er mee spelen. In alle haasten werd voor hem een hok opgericht met een opening langs voor om het eten rechtstreeks in de trog te kappen. De soldaten die in onze zaal logeerden deponeerden voortaan hun overschotten in de kuip van ons Keesje en op minder dan geen tijd was het al een hele Kees geworden…

    Ondertussen maakte onze regering in Engeland aanstalten om weer naar huis te komen. Ook zij waren gedurende de bezetting niet werkloos gebleven. Vier jaar lang had minister Van Acker er over gedokterd hoe de zakjes er zouden moeten uitzien als ze eens de kolenslag hadden gewonnen, wijl kameraad Spaak gedurende die vier jaren heeft zitten dubben hoe hij best die trouweloze koning van ons aan de dijk kon zetten. Deze had tot schande van ons hele land op de koop toe onder de oorlog een huwelijk gesloten met een gewoon meisje en dat terwijl hij zelf nog zo een flinke dochter had. Pierlot heeft ook niet stilgezeten. Elke week een toespraak voor zijn landgenoten voor de radio was ook geen lachje en dan zeker niet zo ver weg. Maar Guth heeft het meeste werk gedaan. Hele nachten heeft hij aan het uitwerken geweest op welke manier hij al dat geld dat in België nog overschoot naar zijn kas kon overhevelen. Per slot van rekening, na lang zweten en zwoegen is hij er in geslaagd. De mensen moesten zelf hun plan maar trekken hoe ze het brachten. Van hem zou ieder huisgezin 2.000 frank krijgen, op voorwaarde dat ze nog zoveel of meer konden inleveren. Dat was een ramp voor de boeren en smokkelaars. Al spoedig had God afgedaan en werd het “Guvderdomme”. Met valiezen en kruiwagens hebben die mensen hun geld weggebracht. Er werd verteld dar er bij waren die zo onderweg hun geld maar uitdeelden, ’t was toch waardeloos.
    Uren heb ik naar zulke kruiwagens uitgekeken, maar in Leest bolden ze niet dik, tenminste deze die ik gezien heb en bijgevolg heb ik er dan ook niets van gekregen. Jaren na de oorlog waren we ergens aan een dak aan ’t werken. Ik mistrapte en kwam juist in een emmer vol met zilveren stukken van twintig frank terecht – in die tijd hadden ze reeds 50 frank aan waarde aan zilver alleen. Tijdens de oorlog waren ze op zolder onder het vuil verborgen en vergeten. De eigenaars waren gelukkig…maar niet één stukje heb ik ervan gekregen…
    (“’t Is niet alles waardeloos”, Frans “Susse” Teughels in “De Band” van september 1982)

    Vliegende bommen.

    De Engelsen tuurden in de lucht. “Vee wanne”, riep de overste. Allen gingen plat op de buik liggen. Sommigen kropen zelfs in de grachten welke ze zo pas gegraven hadden. Dan zagen we hem ook, die “Vee wanne”, waar we al zo dikwijls horen over spreken hadden, maar ’t was wel de eerste maal dat ik een V 1 in werkelijkheid zag. Niet hoog boven de grond kwam hij aangevlogen. Dat tuig in de lucht leek wel op een oude bromfiets zonder uitlaatbuis, zodat de vlammen uit de staart spetterden. Belachelijk ding; dat die mannen daarvoor op de grond gingen liggen konden wij niet begrijpen. Dat prutsding boven ons vloog echter door, de soldaten stonden weer op en zetten de arbeid verder.

    Diezelfde nacht werd ik wakker door het rammelen van de ruiten van de slaapkamer. In de verte hoorden wij weer dat pruttelend geluid. Plots viel de motor stil. Even later een slag van jewelste. Verschillende vensters vlogen aan scherven. Wij het bed uit, maar er kwam niets meer, het gevaar was geweken. Ons vader kwam kijken of we nog wel allemaal aanwezig waren. “Kruip maar terug in bed”, zei hij, “die ruiten zal ik straks wel maken”. Van slapen is echter niets meer in huis gekomen. Bij het klaren van de dag hoorden wij de mare over het dorp roepen.
    Op het huis van Verbeeck op het Hertsveld was een V 1 gevallen; helemaal weg dat huis en alle mensen dood. Wij vlug ons bed uit en onderweg ons broek optrekkend zijn we er naartoe gegaan. Triestig om zien was het…alles plat…en Lowieke, (Noot : Louis Verbruggen) die brave kameraad , zouden we nooit meer zien. In de kelder nochtans lagen de eieren onaangeroerd op de tafel.

    De volgende dagen sliepen alle mensen weer in de kelder. Het op de grond gaan liggen van die Tommy’s was helemaal niet om te lachen geweest. Zij kenden die spullen al beter want in hun land daar over de zee, hadden ze wel meer van zulke dingen gekregen. Die tuigen kon men niet vertrouwen, zolang de motor draaide, geen gevaar, doch eens stilgevallen kwamen ze naar de grond, soms recht naar beneden, dan weer in zweefvlucht. Ze draaiden zich zelfs in hun vlucht om, om dan neer te ploffen waar men ze niet verwacht had. Vanaf die dag kwamen die onbemande vliegende bommen regelmatig over.
    Ons dorp werd dan nog verrijkt met andere Engelse soldaten welke in allerijl hun luchtafweerbatterijen kwamen opstellen in de Bleukens aan de Kouter. Ook dat was verschietelijk wanneer die begonnen te vlammen. Allemaal konden ze die sprinkhanen niet raken, docht velen weken af van hun richting waarmee de haven van Antwerpen bedoeld was. De getroffen toestellen ontploften in de lucht of vielen ergens in onze buurt.
    In de Geuzenhoek leefde toen Jakke, een doorbrave maar hardhorige man. Die dag was het kalm geweest, het weder was goed, alleen wat najaarsmist hing over de velden. Jakke zat rustig in zijn zetel bij de stoof, toen hij plots iets aan de deur hoorde. “Kom maar binnen”, riep hij. En ze kwam binnen die deur, helemaal alleen, ook het venster kwam naar hem, zonder dat hij het gevraagd had en juist naast hem vloog een kastrol. Toen de man ging kijken wat er gaande was, zag hij naast zijn woning een grote kuil waarin allemaal potten en pannen lagen, ook de hele hof rond zijn doening lag vol keukengerei. Zelfs op de zolder waar geen dakpannen meer boven lagen, hebben ze van die dingen gevonden…

    Erger nog dan de V 1’s waren de V 2’s, de eerste raketten van Duitse uitvinding en fabricaat. Die twee vergeldingswapens zorgden ervoor dat we dagelijks een paar maal de kelder inkropen om daar te wachten op wat komen zou…
    (Gepubliceerd in “De Band” van november 1982)

    Noot :

    De V1 was in feite een onbemand vliegtuigje van slechts 7,50 meter lang. Deze vliegende bom werd gelanceerd -eigenlijk afgeschoten- vanaf een “Abschussrampe”. Dat gebeurde door persluchtdruk. Langs een licht hellende railstructuur werd ze de lucht ingestuurd en dit eenvoudig lanceersysteem was gemakkelijk verplaatsbaar.

    De V2 was een ballistisch wapen dat echt geleid kon worden. Omdat de V1 op de radar en zelfs met het blote oog kon waargenomen worden en ook goed gehoord door zijn pruttelend geluid, was er verweer mogelijk. Jachtpiloten hebben er heel wat bommen op afgeschoten en ook door de luchtafweer werden er heel wat vernietigd of uit hun koers gebracht. Tegen de geluidloze supersonische V2-raket die op geen radar te zien was, had men geen verweer.

    Kermis na de oorlog.

    Kermis hier, kermis daar, kermis overal. De gewone dorpskermissen en die van het gehucht waren in lange niet genoeg meer om aan de overdadige genoegens van onze nieuwe welvaartstaat te voldoen. Elke straat of herberg nam een week voor zich om het geluk van de nieuwe vrede op uitbundige wijze te vieren. In de Winkelstraat, de Alemstraat, de Bist, de Juniorslaan, de Blaasveldstraat…overal kwam voor een paar dagen wel een tent te staan. Op de muziek van het oude mortierorgel dansten jonge en oude paren in Scottish of marschtempo. Zelfs op de tonen van ons vaderlands lied werd met lustige passen gedanst en onder luid gejoel van de menigte onthaald. Alleen de Vlaamse Leeuw bleef onteerd. Daar stond bijna de doodstraf op. In die tijd bestonden er geen Vlamingen meer en de enkelen die er nog waren, zaten meestal veilig opgesloten tussen profiteurs en andere speculateurs die hier gedurende die vier oorlogsjaren de plak gezwaaid hadden. Ook de volkse, gezellige Vlaamse kermissen van voor de oorlog hadden afgedaan. Wie zou die heiligschennende naam voor ons duurbaar vaderland nog hebben durven uitspreken ! Fancy-fairs, ja die waren er toen, dat was veel sjieker en klonk Engels. Al spoedig echter was ook die naam wat alledaags geworden.

    De Martinusdwepers van Hombeek hadden er echter vlug wat op gevonden. “Pallieterfeesten” stond op de uitnodigingskaart. Als jonge snaken konden we daar in de namiddag wel naartoe. Veel zaaks was het niet. Het waren daar nogal kerels, die mannen van Hombeek. In plaats van zoals op een gewone kermis de mensen gerust te laten, stuurden ze hun schoonste jonge meisjes op ons af om lootjes van de tombola te verkopen of naar het pottenkraam te gaan. Zelfs een circus hadden ze gemaakt met van die lieve artiestjes in, naakt tot aan de knieën. In minder dan een uur waren onze centen op. Dan konden we alleen nog maar gaan kijken naar al die attracties waarvoor geen geld gevraagd werd.
    (Gepubliceerd in “De Band” van februari 1983 : “Van ’t konijntje”.)

    Vervolgt met Stanne Van den Broeck.

    Foto’s :

    -Een V-1 bom.

    -Drie mensenlevens kostte de inslag van de V-1.

    -Een V-2 bom.

    -Midden Frans “Susse” Teughels naast zijn echtgenote Gilberte Van de Vliet.

    -De laatste rustplaats van de Leestse auteur op het kerkhof van Leest.











    27-01-2019 om 10:41 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    22-01-2019
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vervolg : Leestenaars in de Tweede Wereldoorlog. Frans Teughels : "Bevrijding en Witte Brigade te Leest".

    Wijzigingen – Aanvullingen Kronieken van Leest.

    Herinneringen aan W.O.-II

    Vervolg : Frans “Susse” TEUGHELS.

    Bevrijding en Witte Brigade te Leest.

    ’t Was die avond alsof de hemel zelf in brand stond. Een gloeiende massa hing boven ons hoofd. Links, rechts, voor en achter ons, overal laaiden sterke vuurtoortsen de hoogte in. Knetterende ontploffingen volgden elkaar snel op in snel tempo. De Duitsers wilden vlug nog al wat bruikbaar was voor de legers van de geallieerden vernietigen; van ontruimen was geen sprake meer, zo snel kwamen de Yankees op ons afgereden. Dus het vuur er in…De munitiedepots van Hofstade, het vliegveld van Evere, zelfs de haven van Antwerpen kon men van bij ons zien branden. Rook en vuur, ’t was alles wat we zagen, wijl scherpe verbrandingslucht de neus prikkelde.
    Die avond begonnen de aftrekkende troepen zelfs de bruggen in onze naaste omgeving de lucht in te blazen. De spanning steeg met het uur en toch, bevangen door angst en schrik, lachten de mensen nog naar elkaar, zelfs meer dan anders. Dol van vreugde en verwachting hielden ze de koppen hoog en vertelden elkaar zelfs de gekste dingen. De rozenkrans welke andere dagen aan het kapelleke van de Juniorslaan gelezen werd was nu in de kerk te doen. Heel vlug rammelde de onderpastoor de paternosters af en de mensen volgden snel om zo rap ze konden buiten die door de glasramen spookachtig verlichte kerk te zijn. Het kruisteken was nog niet gemaakt of de paster liep al buiten, recht naar de zelfgemaakte schuilkelder achter in de hof van de pastorij. “Jongens…opstaan…ze zijn daar…” riep ons vader onder aan de trap.
    Van het andere bed, dat bij mij op de kamer stond en normaal door twee van mijn broers beslapen werd, kwam geen antwoord. Bij nader toezien bleek het zelfs de hele nacht niet beslapen te zijn geweest. Ik zei dat aan ons vader en die kwam vlug de trap opgesneld. “Dedju,” hoorde ik hem zeggen. “De snotneuzen, waar zitten ze weeral ?” Even later stond hij daar, als een wassen beeld, perpleks, met een klein wit papiertje in de hand en is als een geslagen hond de trap afgegaan. Even later hoorde ik beneden, in dat stukje nog resterend werkhuis die paar overgebleven stukken hout met een furie tegen de muren kletsen alsof er dat ook nog aan moest. Zo had ik hem nog nooit gezien. In een wilde woede om de machteloosheid, spijt en al de angsten welke het hart beknelden, was hij daar naartoe getrokken.
    Met de schrik over het hele lijf ben ik dan dat briefje beginnen te lezen : “Lieve ouders, wanneer ge dit briefke zult gevonden hebben zijn we reeds ver weg…in dienst van het vaderland. Dank U voor alles wat ge voor mij gedaan hebt. Op onze Toon zal ik goed passen. Moest ik niet terug komen, vaarwel dan lieve vader en moeder, maar denk dan dat het voor de vrijheid is.” Daaronder stond de handtekening van grote broer en nog wat lager : “P.S. : op de plaats waar die revolver lag, ligt nu springstof. Als alles voorbij is doe ze dan weg. Ze is heel gevaarlijk”. “Witte brigade”, zuchtte ons vader toen hij even later, min of meer gekalmeerd in de keuken kwam. Daar staakte ons moeder haar bezigheden en keek even op : “’k Wist het,” zei ze stil. “Al hebben ze mij er nooit een woord van gezegd.” Daardoor was vader geheel ontladen. “Toe eet een beetje,” drong moeder zachtjes aan, wijl ze haar paternoster uit de glazen kast nam, zich op een stoel achter de gedoofde Leuvense stoof zette en begon te bidden voor het behoud van haar jongens.

    Even na tien uur. Een ovatie op het dorpsplein. Joelende kreten verscheurden de lucht. Alle inwoners, vluchtelingen uit Mechelen inbegrepen, liepen al dansende naar de hoek van de Kouter toe. “Ze komen…ze zijn daar…de Engelsen….!” Riepen de mensen naar elkaar. De lachende, wenende, huilende en tierende menigte danste op het dorpsplein van geluk. Eindelijk…eindelijk de bevrijding !!! “Ze komen…ze komen…daar…!”
    Aan de Sint Jozefskapel zagen we ze. Twee donkere voertuigen kwamen op ons af. Het ratelen van de rupsbanden werd sterker en sterker. Maar stond daar nu geen mens bovenop ? Inderdaad, toen ze nader kwamen herkenden we hem zelfs. ’t Was Herman van de Koster,
    (Noot : Herman Rheinhard, °Leest 17/5/1922, +Bonheiden 28/11/1966) de leider van de plaatselijke weerstand. Op de eerste pantser stond hij met de armen te zwaaien en af en toe stak hij zijn twee vingers de hoogte in. Het V-teken, het zegeteken, dat we later nog dikwijls zouden zien, toonde hij bij het binnenrijden van ons dorp.
    Het gejuich en de vreugdekreten overtroffen alle voorgaande. Het was zo ver. Uit de herberg, die toen nog de “Vlaamse Leeuw” heette kwamen nu ook enkele raar “aangestoten” mannen, allemaal weerstanders, waaronder Gust van Toon, die fel werd toegejuicht. Een oud-Leestenaar was dus commandant over zo’n heldenschaar. Van mijn broers was echter niets te zien. Handen werden gedrukt, kussen gegeven en luidruchtig gejuicht, vooral toen de geallieerden sigaretten uitdeelden. Wanneer ze verder wilden rijden moest Herman van zijn zusters van die tank afkomen daar het veel te gevaarlijk was zo “blak en bloot” op zulk een oorlogstuig te zitten. Na wat praten heeft hij gehoor gegeven en zijn de verkenningsvoertuigen de Kouter ingereden om via Hombeek Mechelen binnen te rijden.

    Ook thuis had de bevrijding bevrijdend gewerkt. Bij mijn binnenkomst was ons vader weer de oude, zelfs lachen kon hij al. De autobanden welke hij een paar maanden vroeger had weggestopt opdat de Duitsers er niet mee zouden gaan lopen, had hij reeds terug tevoorschijn gehaald. Oudere broer was reeds druk bezig met sleutelen aan de motor van dat antieke vehikel dat nu reeds vier jaar onberoerd had gestaan.
    De vlag moest op de toren hadden ze op het dorp gezegd, daarom was ik naar huis getrokken en heb dat ding uit de kleerkast genomen, ben ermee op de toren geklommen en het dan onder luid gejuich door de galmgaten gestoken. Bij het naar beneden komen was er een wild gestommel op de trap. ’t Was de commandant zelf : “Of we helemaal zot geworden waren,” bulderde hij. “De Duitsers zullen er op afkomen en ons allemaal kapot maken”, ging hij voort. Bij het zien van de jonge snaak die van de toren kwam werd hij wat kalmer maar beval toch ons eigen symbool onmiddellijk in te halen. Wanneer ik weer beneden kwam, zag ik hem alweer. Hij trok met zijn mannen naar Battel op.

    Na het springen van de brug boden de laatste aftrekkende soldaten weerstand. Daar trokken onze verzetsleden op af om de bevrijders te helpen. Helaas, halverwege hadden ze zich van weg vergist en belandden zo in dat veilige bosken op de Warande. Wanneer het schieten reeds lang opgehouden was zijn ze weergekeerd. Ondertussen was Mechelen al bevrijd door troepen die over de intact gebleven Plaisancebrug gekomen waren. De vlag mocht weer op de toren. Onder het luiden van de grote klok werd ze weer naar buiten gestoken.
    (“Witte Brigade te Leest”, Frans “Susse” Teughels in “De Band” van juni 1982)

    Bevrijding.

    “Auto aangeslagen in dienst van de weerstand” kwam Herman binnen. De bestuurder zouden ze er bij nemen en voor benzine werd gezorgd. Al waren de meeste mensen weer hun huis ingetrokken, toch kwam er meer en meer bedrijvigheid op het dorp. De militaire wagens reden meestal op de Dendermondsesteenweg maar bij overbelasting werden sommige karavanen over Leest geleid. Joelende soldaten zaten daarop en graaiden gretig naar de rijpe tomaten welke we hen toe gooiden. Af en toe plofte er wel eens zulk een rijp rood projectiel in het aangezicht van één van die Yankees tot jolijt van de bijzittenden, doch alles werd lachtend aanvaard. In ruil daarvoor gooiden ze sigaretten en de meiskens die het lef hadden, hun onder zand en stof zittende bevrijders te kussen, kwamen gewoonlijk met chocolade terug.
    Tussen die kolommen door functioneerde ons eigen nieuwe leger met aangeslagen wagens. Jonge en oudere mannen waren erbij, soms zelfs vrouwen. Ze brachten inlichtingen of kwamen boodschappen halen. Dat ze van ons leger waren kon men zien aan de kledij. Alles wat eens een Belgisch soldaat had toebehoord kon dienen.
    In de loop van de namiddag kwam er een van kop tot teen bewapende wagen op het dorp gereden. Langs beide zijden van de motor, tussen de spatborden, lagen gloednieuwe Belgische soldaten met het geweer in aanslag. Dat het echte soldaten waren kon men direct zien, want de man in de linkerflank had een soldatenbaret op van voor de oorlog. Of hij veel vijanden kon zien weet ik niet want die rode “floche” wiggelde altijd voor zijn ogen. De verdere kledij was een gewoon burgershemd en een zwarte broek. De man aan de andere kant trotseerde de warme septemberzon, gedoken in een oude kaki overjas. Ook de bestuurder droeg een legerbroek die veel te smal was voor een mens van zulk formaat. Het openstaand gedeelte had hij echter kundig weten aan te vullen door een lap bruine stof, zodat er geen schandalen konden van verteld worden.
    De dame naast hem gezeten was veel knapper, die had tenminste nog een jas met koperen knopen aan die echter veel te eng was. Met lintjes gestoken door de knoopsgaten en gespannen over de koperen leeuwenknopen hield ze het uniform dicht. De twee bovenste knopen ontbraken, zodat de diepuitgesneden bloes en het kleine shortje dat ze droeg het aanschijn gaven alsof ze onderaan helemaal niets aan had. Het gegiechel en het gefluit van de omstaande mannen schenen dat vrouwmens niet te deren. Eens uit de wagen gaf ze vlug instructies, welke door haar begeleiders snel werden uitgevoerd. Over de zennebrug waren ze gekomen, zonder door een wachter tegengehouden of ondervraagd te zijn. Daar had men in Leest nog niet aan gedacht. Vlug werd uitgemaakt wie als eerste de wacht op moest. Het lot viel op de jongste van de bende. Met een geweer waar geen kogels in konden, trok hij naar de brug om post te vatten. Vervelend was het niet want altijd was er wel iemand om mee te praten.
    Behalve na een uur of twee…Waar opeens die toeschouwers naar toe waren was een raadsel, maar voor hij zich daar rekenschap kon van geven kwamen er twee mannen met van die overbekende groengrijze uniformen uit de beemden gestapt. Even dacht hij eraan te gaan lopen, maar plicht was plicht. “Halt !” riep hij kordaat. De Duitsers die zich achter de dijk van de Zenne hadden verborgen tot ze zeker waren dat het front meer noordwaarts lag, kwamen nu naderbij. Ze keken even naar dat onbruikbare wapen, lachten eens naar elkaar en legden vrijwillig de handen in de hals, als teken van overgave. Toen waren de buren er plots weer. Ze namen het geweer over en toonden de jonge snaak hoe men een gevangene gevangen moest nemen. Met een paar duwen van de kolf van dat geweer in de rug en het gestadige gebrul van “armen omhoog !” werden die “Fritsen” naar het gemeentehuis geleid.
    Onze Toon, welke hun uiteindelijk gepakt had, liep er als een slungel achter. Dat stuk geweer heeft hij ook nooit meer gezien. Vooraan aan het gemeentehuis zijn de gevangenen afgetast en ondervraagd, daarna hebben ze eten gekregen en zijn met de auto van de weerstand naar Mechelen gebracht.
    Dat was de eerste rit. Die auto was nog niet terug of er waren alweer anderen van de witte brigade om “zwarten” aan te houden. Ook daar was men bij ons nog niet mee begonnen. Daar was zelfs niemand scheutig op. Maar wat gebeuren moest, moest maar gebeuren. Een paar vrijwilligers boden zich aan en de ommegang begon, zowel te Leest als ergens anders. Door vier of vijf zwaar bewapende mannen werden ze het huis uitgesleept. Al wie verdacht werd Duits gezind, zwart of Vlaming te zijn geweest gedurende de bezetting mocht eraan geloven. (“Bevrijding” Frans “Susse” Teughels in “De Band” van juli 1982)

    Vervolgt met : “Repressie”.

    Bijgevoegd :

    -Tekeningen van Georges Herregods.







    22-01-2019 om 08:56 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    16-01-2019
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vervolg : Leestenaars in de Tweede Wereldoorlog. Frans "Susse" Teughels : "Bombardementen".

    Wijzigingen – Aanvullingen Kronieken van Leest.

    Herinneringen aan W.O.-II

    Vervolg : Frans “Susse” TEUGHELS.

    Bombardementen

    Jongens…rap,rap…bed uit en de kelder in…ze zijn Mechelen aan het bombarderen… Nog helemaal verdoezeld in de diepe slaap herkenden we de stem van ons vader. Geen kwaadheid lag in die stem, ook geen goedheid of gevlei, alleen de dringende noodzaak wakker te worden om onze toevlucht te zoeken in het ondergrondse gedeelte van ons huis.
    Eigenlijk was het geen lolletje om op zulke geweldadige manier gewekt te worden in het midden van de nacht. Hoe meer we bij bewustzijn kwamen, des te duidelijker hoorden we het dan ook. Ons hele huis schudde en daverde, door de rammelende ruiten zagen we de heldere bliksemflitsen hoog aan de hemel, begeleid door een ratelend mitrailleurgeknetter. Plots waren we helemaal wakker. Razend vlug zijn we, de vliegende vane hoog, naar beneden gehold. Vader kwam als laatste op de trap en sloot achter zich de deur. Al mopperend dat we nog eens niet zouden wakker worden als de bommen in onze nok vielen, kwam hij bij ons zitten, diep ineengedoken naast ons moeder. Door die kleine keldergaten mochten we ook niet turen, veel te gevaarlijk vermaande hij. ’t Was nochtans schoon, dit zilveren spettersvuur aan de hemel, met hier en daar een lichtende straal en af en toe een hel lichte bol die de hele lucht in een hevig rood schijnsel zette. Van vliegtuigen was er niets te zien. Alleen het eentonige gebrom tussen het ratelen van machinegeweren en explosies van schrapnels door liet hun tegenwoordigheid merken. Een gans uur heeft het geduurd.
    Plots, zoals het begonnen was, was alles voorbij. Het uitspansel werd donker en stil. In de verte zagen we dan de vuurgloed die opsteeg vanuit het oosten en vage dansende schimmen tekenden zich af in het heelal.
    Omstreeks acht uur begon de karavaan. Een groep haveloze mannen en vrouwen met huilende kinderen strompelden de dorpsplaats op. Moe en radeloos zochten ze met hun karige, in der haast meegeredde bezit een onderkomen op een veiliger plaats. De meesten van hen waren die nacht zelf nog gevlucht en hadden een toevlucht gezocht langs greppel of gracht in het open veld. Nu kwamen ze naar den buiten en smeekten om een plaatske onderdak voor hun familie. In den beginne werden ze bij ons doorgestuurd wegens plaatsgebrek maar tegen de middag aan waren alle beschikbare plaatskens van Leest overbezet.
    Daar de toeloop van die stadsmensen nog altijd zo groot was, besloot ons vader de zaal ter beschikking te stellen. In minder dan geen tijd waren er zeven huishoudens die daar hun veiligheid zochten. Met behulp van bijdehandzijnde schermen en toneeldecors, hebben we dan vlug voor afscheidingswanden gezorgd zodat iedere familie zo min of meer een eigen plaatsken kon bewonen.
    Later op de dag trokken er veel mensen huiswaarts om vlug de bijzonderste gebruiksvoorwerpen te halen. Niemand kon toen vermoeden dat de verbanning zo lang zou kunnen duren. Bij iedere mare van reeds gevonden en herkende slachtoffers waren er tranen en medeleven. Door het samenwonen in grote massa echter werden ook veel prettige uren beleefd. Bijna iedere avond was er wat te beleven. Ware het niet op het dorp, dan wel op het geïmproviseerd pleintje van het wooncentrum bij ons in de zaal. Het medeleven met elkaar en de vriendschap onderling waren ongewoon. Het ongeluk van de ene trof ook de andere, wijl het geluk ook altijd voor iedereen was.
    (Gepubliceerd in “De Band” van november 1981 :“Over Bombardementen en Konijnensoupers”.)

    Oorlogstribulaties

    Dagelijks hoorden we langs alle kanten de berichten over de toestand aan het front. Het nieuws dat door onze zenders gegeven werd, luidde meestal anders dan dat van de B.B.C. uit Londen. Elke dag won het Russisch leger veld ! De Engelsen en Amerikanen kwamen nader langs de westerflank. Regelmatig werden er landingen op eilanden uitgevoerd. Na felle beschietingen en bombardementen vanuit de lucht werd een leger parachutisten gedropt. Later sleepten krachtige vliegtuigen het zwaar materiaal aan in licht gebouwde zweeftoestellen. Snel werd een bruggenhoofd geslagen. Eens een vaste stelling veroverd was de zaak zeker. Met de dag nam de Duitse weerstand af.
    Van onze kant keken we erg naar een mogelijke invasie in Europa uit. Hoe eer hoe liever. De bezetters zelf hielden ook rekening met die mogelijkheid. Zelfs den Hitler dacht er aan. Volgens hem zou deze dan bij Duinkerken gebeuren om de geleden nederlaag van 1940 te wreken. Wat de Führer droomde was Gods wet. Spoedig werden plannen ontworpen om ons land tot landingsvrije zone te maken. De rest van Europa lieten ze min of meer ongemoeid.
    De heer De Rooster uit Heindonk was eigenlijk een boerenzoon, gewonnen en geboren op de Warande en bij ons beter gekend als Clementje. In het begin van de oorlog begon hij met opkopen van strooisel en van paardenvoeder voor de bezetter. In minder dan vier jaar tijd had hij zich opgewerkt tot één der grootste aannemers van gans Europa. Daarom werden die grootse verdedigingswerken tegen zijn eigen wil aan hem opgedragen. In een minimum van tijd werden ook de boerenzoons en de resterende paarden opgeëist. Onze nog weinige bossen werden ontgonnen, de bomen van takken en bladeren ontdaan en dan weggesleept naar de vlakten van beemden en landerijen. Vele boeren hebben toen hun eigen bomen moeten vellen en als staken gaan planten op het eigen veld. In minder dan veertien dagen zag ons land er uit als de rug van een oud stekelvarken; hier en daar stak een kale, bovenaan gepunte boomstam als piek de hoogte in. Op die manier wilden de Duitsers de kartonnen zweefvliegers beletten aan de grond te komen. Links en rechts van de grotere wegen werden kuilen gegraven om afweergeschut en antitankkanons in te vestigen. Alles was naar het westen gericht. (Gepubliceerd in “De Band” van december 1981)

    Het einde van de oorlog

    Naarmate de dagen en weken voor de bevrijding voorbijgingen, kwam er meer en meer legerbedrijvigheid in onze streken. Van de ordelijke Duitse strijdkrachten die we in het begin van de oorlog gekend hadden was niet veel meer te zien. De aftrekkende mannen waren meestal moe en afgemat. De vroeger altijd keurige grijze uniformen zaten dik onder het stof, de meeste waren tot op de draad versleten en hingen ordeloos over het lijf. Sommigen onder hen deden zelfs de moeite niet meer om zich te scheren of te wassen : met baarden van soms wel veertien dagen slenterden ze verder met de hoop terug in de heimat te geraken. De geweren welke ze in die tijd zo fier in de hand gedragen hadden bengelden nu aan de riem los over de schouders. Met onderweg gestolen of aangeslagen fietsen en andere volgepropte voertuigen togen ze altijd Oostwaarts. Zelfs kinderwagens waren van dienst. Dat gaf soms wel een belachelijk zicht als men zo een grauw geklede man als een moeder de wieg ziet voortduwen. Het spotten van de burgers trokken ze zich niet erg aan, ze zouden er zelfs om gelachen hebben, hadden ze nog gekund, maar ze vonden het zo gemakkelijker dan zelf die rommel op de schouders te moeten dragen.
    De optrekkende manschappen daarentegen zagen er veel frisser uit. Het waren meestal jonge mannekens van vijftien of zestien jaar die, de gevaren nog niet kennende, naar het front trokken om hun vaderland te verdedigen. Aangespoord door hun al even jeugdige officieren stapten ze naar het Westen toe. Hen kon men af en toe nog wel eens in overmoed horen neuriën of zingen, terwijl de andere categorie mannen, die door hun ouderdom tot heden toe gespaard gebleven waren van het slagveld nu ook moesten optrekken om te vechten, er zwijgend bijliepen alsof ze op weg waren naar hun eigen graf wat voor sommigen ook wel het geval zal geweest zijn. Wanneer toen, bij het vallen van de avond de vroege septemberzon zich naar de einder boog, kon men haar oranje schijn zich soms zien vermengen met de rood-roze gloed van de brandende frontlijn. Machtig schouwspel was dat en wanneer het dan een poos stil was kon men zelfs de ontploffingen tot bij ons horen.
    Om daar ten volle van te kunnen genieten was de beste uitzichtplaats boven op de grafkelder van de familie Empain. Vandaar had men een mooi zicht in de verte. Het spreekt vanzelf dat we daar iedere avond vertoefden om met de verrekijker dat elke dag nader komende schouwspel te kunnen gadeslaan…
    (“Helden zijn de dappersten altijd niet”, Susse Teughels in “De Band” van april 1982)

    Vervolgt met : “Bevrijding en Witte Brigade te Leest“.

    Bijgevoegd :

    -Doodsprentje van Clement De Rooster (meer over Clement in deze Kronieken : 10/4/1942).

    -Zelfs kinderwagens waren van dienst. Tekening Georges Herregods.

    -De grafkelder van de familie Empain.







    16-01-2019 om 08:04 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    07-01-2019
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    Wijzigingen – Aanvullingen Kronieken van Leest.

    Herinneringen aan W.O.-II

    Vervolg : Frans “Susse” TEUGHELS.

    Dagelijks leven.

    Zoals we in het leven van elke dag het opkomen of ondergaan van de zon nog nauwelijks merken omdat we er aan gewoon zijn, zo ook waren we er ons die tijd amper van bewust dat we in oorlogstijd waren. De berichten van radio Brussel waren altijd ongeveer dezelfde. Die van radio Londen ook, maar daar vertelde men juist het tegenovergestelde. Alleen scholen, hospitalen en kerken werden langs beide zijden getroffen; militaire doelen bleven ongedeerd. De legers van beide kampen waren niet te stuiten in hun opmars. Zo waren ook de geluiden van elke dag zowat dezelfde. Het begon bij het invallen van de duisternis dat we vanuit het westen het eentonige geronk van vliegtuigen hoorden. Eens dichterbij gekomen ontaarden deze trillingen zich tot een zwaar gedreun dat de ruiten in de vensters ervan daverden. Met ganse formaties zwaar beladen bommenwerpers trokken ze oostwaarts. Wanneer ze dan een paar uur later westwaarts vlogen leek het geraas van de motoren veel lichter te zijn dan bij de heenreis. Alleen werd de eentonigheid soms onderbroken door het geronk van een lager vliegend toestel dat onderweg defect of getroffen geraakte. Ondertussen schoot de flak lichtbundels in de duistere hoogte, wijl ze onophoudelijk haar spetterende projectielen naar die grote vogels joeg. Gewoonlijk was het geluid van die terugtrekkende hommels nog niet uitgestorven als op de dorpsplaats het geklets en gerammel van blikken dozen begon.
    De mannen van de boerenwacht speelden liever voetbal met zo’n ledige conservendoos dan gedurende de nacht de donkere velden te bewaken. Tegen de dageraad aan waren hun uren geklopt en trokken ze huiswaarts. Tegen die tijd ving dan het ratelen van die bandeloze fietsen aan, waarmee de mensen naar de stortplaats van Battel trokken om daar een ganse dag ‘koolkens’ te gaan ziften. Sommigen deden dat om zich bij de lange winteravonden gezellig te kunnen warmen achter een altijd knetterende, spetterende kachel. Anderen gingen naar de ‘ersatzkoolmijn’ om de weggeworpen afval van voor de oorlog weer op te graven en terug te verkopen aan de stadsmensen die deze zaken voor de oorlog op die plaats gedeponeerd hadden. Zo moesten die mensen om hun vroeger weggeworpen eigen huisvuil weer te hebben nog veel geld betalen. Aldus kregen we iedere nacht zowat dezelfde geluiden te horen maar men werd eraan gewoon.
    Moest er één nacht tussen geweest zijn zondat dat lawaai, we zouden er niet van in slaap geraakt zijn. Bij klaarlichte dag waren de decibels minder. Af en toe kwam er wel een door ossen getrokken wagen of kar voorbij, per uitzondering zelfs nog een auto. Dan was het echter meestal een Duitse legerwagen of een van die blauwgrijze auto’s waarmee de Gestapo achter de jongens aanzat om ze naar Duitsland te voeren. Met de dag werd het erger met die mannen. Ze kwamen meer en meer. Was hun wagen bij hun terugkomst ledig, dan hadden alle mensen daar pret in, zat er een slechtoffer in dan wisten we een hele dag waarover praten. Ook vliegtuigen kwamen er meer en meer. Af en toe viel er zelfs zo een vogel uit de lucht. Dan waren de feldgendarmes er als de kippen bij om de levenden van de bemanning op te sporen. De doden lieten ze een tijdje liggen als reklame. Die tijd was er niets raars mensen aan een of ander kapelletje te zien bidden om van de H. Maagd een of andere bescherming af te smeken. In de omliggende dorpen hadden er zelfs al georganiseerde rozenkransavonden plaats. Het kon niet anders, Leest moest daarin niet achter blijven. Zekere zondag riep de paster van op de predikstoel de mensen op om voortaan iedere woensdag- en vrijdagavond naar de kapel op de Juniorslaan te komen om er samen te bidden voor de vrede. Van ieder huisgezin werd minstens één persoon verwacht. Van dat moment af waren die twee oudere broers van mij de woens- en vrijdagen in de vooravond niet meer te vinden. Wat ik verwachtte werd waarheid. Dat ging weer een karweitje voor mij worden. Wie anders ?... ‘t Was nog niet genoeg, iedere morgen naar de mis ; al mochten we nog geen kwaad doen, toch iedere week te biechten, ’s zondag naar de mis en te communie, in de namiddag naar de catechismus van volharding. Andere jongens ontsnapten daaraan doch dat moest over het kerkhof gebeuren en dat konden ze van bij ons door het venster zien, dat was niet te vertrouwen. Daarbij kwam dan elke keer dat lof nog. En nu moest ik ook naar de rozenkrans gaan. In die tijd liep ik nog wel bijna over van devotie maar te veel is te veel of wilden ze misschien op één jaar nen heilige van mij maken…”
    (Gepubliceerd in “De Band” van februari 1981 onder de titel :’De Paternoster’.)

    Brandpreventie.

    Heinke van den Berg liep daar met zijn bel van deur tot deur, wat hij erbij riep was niet goed meer te verstaan…door dat eeuwige herhalen was zijn keel wel hees geworden. Wat het eigenlijk was wisten we maar eerste de volgende dag, een zondag. De veldwachter stapte zonder hoogtevrees op de grote blauwe hardsteen, welke naast de trappen van de kerkpoort lag. Eerst gebood hij stilte en verkondigde dan met luide stem : “…volgens de wet van 12 mei 1943….volgens artikel 376 van het wetboek…ingeschreven onder het nummer…paragraaf…is volgens besluit van de beschermende overheid, iedere Belg welke in een huis woont, verplicht de zolders te ruimen en op te kuisen…daarbij te plaatsen : vier emmers gevuld met onbrandbaar zand…dit alles teneinde de branden, ontstaan door vijandelijke bombardementen onmiddellijk te kunnen blussen.”
    Tussen de tanden vervolgde hij dat de plaatselijke politie en de aangestelden van de burgerlijke bescherming controle zouden uitoefenen…en dan weer met luide stem : dat diegenen welke de wet overtreden zouden gestraft worden met een geldboete van 100 tot 2000 frank of een gevangenisstraf van 2 tot 15 dagen. De meeste mensen pikten het al lachend op. Anderen vonden het niet zo prettig en vonden dat blussen in feite het werk van de pompiers was. Fons van Nellekens wist eigenlijk het fijne van de zaak…Vorige week was de commandant van de brandweer met zijn ploeg, niet wetend wat gedaan, maar beginnen te kaarten. Juist wanneer hij een abbondance in handen had ging het alarm…schuur in brand te Leest in de Kouter. En dat juist op het moment dat hij die negen slagen zo maar af te leggen had. Vlug heeft hij dan het spel uitgespeeld, ’t geld ontvangen en dan zo rap ze konden een bruikbare brandweerwagen ingesprongen om te komen blussen. Onderweg was de man niet aan te spreken, dat was nu al de vijfde maal dat hij zo iets voorhad. Hij vond het allemaal goed en wel dat die Engelse vliegers zonder te kijken zomaar hun bommen losten, maar volgens hem konden ze die evengoed in het vrije veld kwijtraken en had hij er geen last van. Toen ze eindelijk bij die schuur gekomen waren hadden de buren het vuur reeds gedoofd. In koleire moet hij dan de volgende morgen naar de Ortskommandant gegaan zijn en daar is dan die nieuwe wet tot stand gekomen.
    Gustje, welke bij hoog en bij laag gezworen had aan de Duitsers en aan al hun nieuwe wetten de broek te vagen, was de eerste welke we die zondag met de kruiwagen vol oude spullen naar de vuilnisbelt achter de pastorij zagen trekken. ’t Ventje dierf eigenlijk niet goed op te kijken want zijn vrienden stonden achter hun ramen met hem te lachen. Maar wat kan een mens doen als hij van ’t wijf te kiezen krijgt : “Eerst de zolder of geen fret !” In de loop van de namiddag was het één bedrijvige mierennest in het dorp. We moesten wel goed uit onze doppen kijken, want overal stonden of liepen we in de weg. Hier en daar ging er een zolderraamken open en kwam er van alles naar beneden te vallen; het meest nog donkere wolken. Eens dat stof wat weggetrokken, kreeg men dan een goede kijk over al die schatten die zolang onder de dakpannen gestoken hadden. De oude Zenne welke als een slotwal achter de hof van de pastoor lag is die dag wel tien meter kleiner geworden. Van alles werd er ingekapt ; op tijdspanne van een uur of twee was ze herschapen in een ware rommelmarkt. Wat oud spul dat de mensen vroeger allemaal bijhielden…ongelooflijk…zulke bazaar. Oude kasten, stoelen en tafels, van die sleuren waar leeuwenkoppen en andere figuren ingekapt waren, oude luchters en kandelaars, zelfs nog van die koperen, helemaal zwart geworden door de ouderdom…”
    (Gepubliceerd in “De Band” van juni 1981 onder de titel : “Schatten op zolder”.)

    Het openbaar vervoer.

    Het openbaar vervoer werd hoe langer hoe meer ontredderd. Alles wat troepentransport en bevoorrading inhield kreeg voorrang over de gehele lijn. De nog resterende wagens die nog vrij gegeven werden voor gewone passagiers zaten altijd volgepropt. Op een half uur kon men ook niet kijken. Zo ook was het met de overvol beladen autobussen. Meestel vertikten ze het aan de Battelbrug te stoppen om nog iemand bij te laden. Tussen de bezette stoelen en banken stond het vol volk. Al wat binnen kon, reed mee. Van zich ergens vast te houden was geen sprake, het was trouwens ook niet nodig want men werd werkelijk samengeperst, de ene hield de andere recht. Tot buiten aan de deuren hingen mensen, zich krampachtig vasthoudend aan alles wat vatbaar was. Hoofdzaak was zo vlug mogelijk ter bestemming komen. Tot overmaat van ramp liet die oude, voor brandstof hout verbruikende omgebouwde motor het af en toe eens afweten. Aan snelle herstelling viel niet te denken, kon wel een dag duren. De ganse menigte was dan genoodzaakt af te stappen en al lachend of morrend de weg verder marcherend af te leggen. ’t Was bijna alle dagen hetzelfde liedje. Het abonnement voor de bus in de zak hebben en te te voet naar school moeten. Waarom dan nog geld aan die bonnetjes geven ? Die centen konden we beter gebruiken. Daar konden we bij de Fons verschillende sigaretten voor kopen aan vijftig centiem het stuk…of snuisterijen op de zwarte markt, daar hadden we ook een adres voor; zelfs voor crème glacé wisten we waar naartoe.
    (Gepubliceerd in “De Band” van oktober 1981, onder de titel “Oorlogspret en Oorlogswee”.)

    Vervolgt met “Bombardementen”.

    Foto’s : 

    -Kooltjesziften tijdens de Tweede Wereldoorlog. Van l. naar r. : Jan Edward Van Hoof, zoon Louis Van Hoof en echtgenote Florentien DeSchoenmaeker.

    -Veldwachter Theodeoor Huybrechts.

    -De brug van Battel, omstreeks 1946.







    07-01-2019 om 12:18 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    30-12-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    Wijzigingen – Aanvullingen Kronieken van Leest.

    Herinneringen aan W.O.-II

    Vervolg : Frans “Susse” TEUGHELS.

    Hongerige stadsmensen.

    In die tijd kwamen er alle dagen mensen van de stad naar ons dorpken, niet dat het opeens zo bewonderenswaardig geworden was, maar ze kwamen om iets te vinden wat eetbaar was. De winkels in de stad hadden nog maar alleen raapkolen te bieden. Ook nog wel andere dingen die niet gerantsoeneerd waren, maar dat was niet vet. Daarom trokken ze naar den buiten. De ene gekleed alsof hij naar een bruiloft ging, de andere in lompen.
    In Leest bolde er toen nog geen autobus. Ze kwamen dan meestal te voet, sommigen hadden nog wel een fiets, maar velen hadden geen banden, die reden dan maar op blote velgen, ijzerenband noemden we dat, het maakte een hels lawaai en sturen kon men bijna niet. Ik heb wel eens een fiets gezien met vodden rond de wielen, maar dat bolde ook niet goed.
    Er kwamen allerlei mensen, ouden van dagen, mannen, vrouwen, jongens, meisjes, tot zelfs nog kinderen toe. Allen hadden ze iets bij waarmee ze in de grond konden woelen, ’t zij een riek, een schup, een rijf, of een hark, zelfs bloemenrijfjes brachten ze mee. Maar iets hadden ze wel gemeen, een jute zakje om de buit in te doen, een vaderlandertje noemden we dat, ze waren in de mobilisatie en de tiendaagse voettocht overal langs de weg te vinden, met hele pakken, en ze kwamen nu goed van pas.
    Zo kwamen ze dan naar hier om op het veld waar graan of aardappelen gestaan hadden hun geluk te beproeven, om toch nog maar iets te vinden, al was het niet veel, want de boeren namen zoveel mogelijk zelf mee, zelfs een kleine groen geworden patat was voedsel voor de beesten. Maar iemand die een beetje geluk had kon wel eens iets opvissen wat de boer ontgaan was. Als de mensen dan na een ganse dag rijven, klieven of kappen een handvol van die vruchten gevonden hadden keerden ze vermoeid maar tevreden huiswaarts.
    (Gepubliceerd in “De Band” van mei 1979 onder de titel “Blote Benen”.)

    Koekjes voor de leerlingen.

    Onze meester : men kan er van zeggen wat men wil maar voor de jongens van zijn school, in het bijzonder van zijn klas, had hij toch wel een boontje voor. Iedere morgen, na het gebruikelijke gebed en de uitvoerige verslagen over de oorlog, kregen we van hem een koekje met vitamines. Ja, ja, ge moogt het gerust geloven, echte koekjes. Ze waren natuurlijk ter hand gesteld door het Rode Kruis van België. De Duitsers stonden zulks wel toe, tot gezondmaking van onze jeugd en verbetering van het Germaanse ras. Vroeger kregen we al vitamines, zo van die bruine doorschijnende bolletjes, waarin men de levertraan kon zien zwabberen. Geen mens die ze lustte, of liever mocht, daarom werden ze door onze meester eigenhandig zo diep mogelijk in onze mond gelanceerd, opdat we ze zeker zouden inslikken. Van die smeerlapperij moesten we altijd braken, soms kwamen er wel brokkelen bij te pas.
    Maar nu kregen we koekjes, echte koekjes, ze waren zelfs niet slecht, als we die dan ongezien uit de doos konden halen smaakten ze zelfs heerlijk.
    (Gepubliceerd in “De Band” van juni 1979 onder de titel “Muizen vangen”.)

    De Gestapo in Leest.

    …juist waren we de poort uitgeglipt als er een donker blauwe vrachtwagen stopte. Twee heren in zwarte regenjas stapten uit en vroegen in het half Duits waar Albert Nagels woonde. Ik stond te rillen op mijn benen bij het zien van die donkere in leder stekende gedaanten met die dreigende mitrailletten in de hand. Onze Toon zei altijd maar rechtdoor heren en wees hen richting Juniorslaan, wijl ze eigenlijk op de Warande moesten zijn. Tegen mij zei hij maakt dat ge binnen zijt, dat ze u niet meer zien. Zelf is hij dan zoveel zijn benen het trekken konden naar de brug gelopen om Bert te verwittigen, maar die was al weg, de geburen hadden de Gestapo ook zien komen. Een tijdje later is die auto terug door het dorp gekomen, richting Zennebrug, het scheen me toe dat de gezichten van de mannen nog stuurser stonden dan een poos daarvoor. Over de Zennebrug zijn ze dan gestopt, met het wapen in de aanslag zijn ze bij den dikke binnengetrokken, hebben dan de hele buurt doorzocht, zelfs de hooimijt, maar niemand gevonden. Onverrichter zake zijn ze toen weer vertrokken.

    Die namiddag in de school heb ik vreselijke visioenen gehad, de hele tijd met die duistere gedaanten in de kop gezeten. Zelfs de kameraden konden mij niet boeien, altijd kwamen de tronies van die gestapo’s mij voor de geest…
    (Gepubliceerd in “De Band” van november 1979 onder de titel “Nasleep”.)

    De Engelse post.

    Zochten de geleerden van alle in de oorlog betrokken legers, naar middelen om zoveel mogelijk mensen te doden, zo vonden de mensen zelf, van alles uit om te overleven. Onze Louis heeft in die tijd een machine gemaakt om aardappelen te malen tot een heel fijne spijs. Wanneer die spijs dan gedroogd werd bekwam men patattenbloem. Het spreekt van zelf dat we toen veel gevraagd werden om een uurke te komen draaien. Voor ons was dat een prettige job.

    Zo moest ik een zekere avond in april, met die machine naar een boerke aan de Tisseltbaan gaan. Mannen en vrouwen uit de buurt stonden er bij elkaar te praten en van het mooie weer te genieten, zoals dat in die tijd nog de gewoonte was. Ze maakten er gezellige avonden van, meestal werd er dan veel gelachen, met hun eigen miserie of die van een ander.
    De mensen waar ik zijn moest, hadden mij niet meer verwacht. Maar nu ik er toch was, vooruit, vlug al het nodige buiten gezet. De stekker in het stopcontact en vroemm…daar ging het al.
    Die machine maakte een hels lawaai. Alle mensen uit de buurt kenden dat al. Het stoorden hen zelfs niet meer. Naarmate de klok meer naar zeven uur toeging werd de baas zenuwachtiger. Tenslotte stond de grote wijzer bijna op twaalf. De man kwam bij mij en vroeg of ik een goede Belg was, toch geen Duits-gezinde zeker ? Bij mijn antwoord dat ik een overtuigde Belg was, dat de Duitsers voor mijn part moesten verrekken, nam hij mij in vertrouwen. Hij zou zo graag naar de Engelse post geluisterd hebben, wat erg gevaarlijk was, daar kon men voor naar ’t fort van Breendonk gestoken worden. Fier dat die vent mij in vertrouwen nam, vroeg ik om mee te luisteren. Thuis moest ik iedere avond rond die tijd een boodschap doen, of anders gaan slapen. Ik mocht dan mee binnengaan. De man zette de radio aan, draaide aan een knop voor de gewenste golflengte. Juist op tijd, het kenwijsje van de B.B.C. klonk reeds door de kamer. Vlug deed hij het licht uit, trok mij onder tafel, opdat niemand ons zou kunnen zien of horen. Toen, spijts de geluiden door de Duitsers de ether ingezonden om de vijandelijke zender te storen, klonk een mannenstem …”Dames en heren…hier de BBC in Londen…thans volgt het nieuws…” Het was een tuut tut tuut…van belang, afgewisseld door jaka-jakajaka…dan weer…tut tut tuut. Af en toe konden we toch iets van een bericht ontvangen zoals…de bomen zijn groen…de aardbeien zien rood…of…als het regent schijnt geen zon… Zelfs als die turluut er niet tussen geweest was, zouden we het niet begrepen hebben. Vervolgens kwam het relaas van elke dag…Heden nacht om drie uur…hebben achttien Duitse vliegtuigen Londen gebombardeerd…één hospitaal getroffen…en één kerk werd in as gelegd. Alle twintig mensen die in de kerk zaten werden gedood, vijf vijandelijke vliegtuigen werden neergehaald. Deze namiddag overvlogen twee eskadrons lichte jachtvliegtuigen Duitsland, bestookten Keulen…drie fabrieken zijn vernield…vier militaire doelwitten en een spoorwegbrug werden onschadelijk gemaakt. Alle toestellen kwamen veilig naar hun basis weer. Op het einde van de uitzending kwam het door ons zo graag gehoorde slot : “En zonder er op te boffen, toch krijgen we ze wel, de moffen.”
    Na het nieuws heb ik dan vlug alle spullen bijeen genomen en ben huiswaarts gereden. (Gepubliceerd in “De Band” van december 1979)

    Vervolgt met : “Dagelijks leven”. 

    Foto’s :
    -De meester (De Leers) met zijn klas in 1941. Onderaan als tweede van rechts “Susse” Teughels.
    -Louis Teughels, de uitvinder van een aardappelmaalmachine, kort na het einde van de oorlog met één van zijn zonen.
    -Boven Leest en Hombeek vliegen op 1 mei 1944 bombardementsvliegtuigen (Amerikaanse B-26 Marauders) terug naar hun basis in de U.K.







    30-12-2018 om 10:55 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    23-12-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vervolg : Leestenaars in de Tweede Wereldoorlog. Frans "Susse" Teughels - "Slimme Boeren".

    Wijzigingen – Aanvullingen Kronieken van Leest.

    Herinneringen aan W.O.-II 

    Vervolg : Frans “Susse” TEUGHELS. 

    Slimme boeren.

     

    In diezelfde nazomer…De Duitsers hadden een paar keer Engeland trachten te bereiken maar zijn er niet in geslaagd. Vele Duitse schepen zijn daarbij de grond ingegaan en hele garnizoenen soldaten zijn daardoor verdronken, sommigen zelfs verbrand.
    De Engelsen hadden bij het naderen van de Duitse schepen de zee in brand gestoken.
    De aanvallers zijn dan gestopt…met de uitleg dat het maar uitstel was.
    Het lied : “Und wir fahren recht nach Engeland”, zo machtig dreunend in het begin van de oorlog werd nu maar flauwkens gezongen door de soldaten die door onze straten marcheerden.

    Parademarsen zagen wij ook bijna niet meer.
    De Duitsers trokken dan ook grotendeels hun troepen uit het Westen terug, om in het Oosten de Russen van het communisme te bevrijden.
    Een paar eenheden bleven nog in ons land…om de Belgen te beschermen.
    Hier was alles vredig en rustig.
    Buiten de berichten op de radio, hoorden wij bijna niets meer van de oorlog. 
    Gedaan was die nog niet, want dagelijks hoorden we de bel van Heinke Van den Berg. Heinke…met luide stem roepend : “Vandaag op het gemeentehuis bons voor schoenen…of bons voor hemden…of voor klederen…of rantsoenzegels van 9 tot 11 uur op het gemeentehuis…of punten voor dit en voor dat…
    Van huis tot huis ging dat getingel van de bel, zo de ganse gemeente door.
    Zo snel ze konden gingen onze mensen toen naar het gemeentehuis om daar in lange rijen aan te schuiven voor de begeerde zegeltjes, bons of punten.
    Met die plakkende papierkens konden ze in een vooraf bepaalde winkel -wanneer de waar voorhanden was- en als ze geld bij hadden, alles kopen.
    Per persoon en per dag : 300 gr brood, 50 gr boter, 200 gr patatten…zo was alles per man en etmaal berekend…iedere dag een beetje minder.
    Soms liep Heinke met zijn bel wel tweemaal de gemeente af.

    Voor onze boeren is toen een slechte tijd aangebroken.
    Bijna dagelijks moesten ze naar het gemeentehuis. Koeien, varkens, kippen en ander vee moest aangegeven worden.
    Het koren, tarwe, haver en alle andere gewassen welke bij ons geteeld werden moesten ook gemeld worden. De boeren moesten laten registreren hoeveel grond ze wel bewerkten.

    Het spreekt vanzelf dat er nooit zo veel en zo hard gelogen is dan in die tijd op het gemeentehuis. Boeren, die voor de oorlog varkens kweekten van wel 200 kg, kregen hun zwijnen nu niet vet, het waren allemaal doorjagers. De kippen waren ook al niet beter : ze legden nog amper één ei per week. De koeien waren ook allemaal droog gevallen : ze gaven bijna niets meer.

    Met Leest zelf was het ook erg gesteld. In oppervlakte nog amper de helft van voor de oorlog.

    Waar de boeren vroeger zo graag over hun hektaren pochten, was een hektare nu nog een dagwant, nog veel minder, een plekske van vijf are, de moeite niet om over te klappen en een roe was in het geheel niets meer.

    Elke dag zaten er dan ook één of twee controleurs op het gemeentehuis. De ene voor dit, de andere voor dat, nog één voor zus en nog één voor zo. Zij moesten trachten het maximum uit de boeren en de grond te halen. Het was bij die mensen dat de boeren met hun klachten moesten komen. 

    Al zegt men soms : de boeren die kunnen klagen, toch lieten ze in die tijd zulk werk meestal aan de vrouwen over, die konden er soms ware drama’s van maken als ze hun noodtoestand verklaarden. Sommigen hadden altijd een zakdoek nodig om hun tranen te drogen wanneer ze verklaarden dat ze niet meer wisten hoe hun eigen kinderen nog eten te kunnen geven.
    Zo groot was de mizerie, zo triestig was dat.

    Wanneer het vertelsel dan wat al te tragisch werd, knipoogden de boeren die achteraan in de rij stonden wel eens naar mekaar. Degenen die vooraan stonden beaamden gewoonlijk wat aan de beambten verteld werd, deden er zelfs nog een schupken bij. Wanneer de controleur dan  bereid was de mindere productie te aanvaarden en zulks op papier had gezet, liepen gewoonlijk die wenende madonna’s al lachende de trappen af en zuchtten : dat is weeral gelukt.

    De meeste boeren kochten toen een nieuwe fiets met echte rubberen banden zoals voor de oorlog. Die oude lelijke zware antieke meubelen moesten ook buiten. Er zouden mooie beplakte nieuwe meubelkens in de plaats komen.
    (Gepubliciteerd in “De Band” van maart 1979 onder de titel “De Fiets) 

     

    Vervolgt met : “Hongerige stadsmensen”.

     

    Afbeeldingen :

    -Rantsoenzegels voor brood.

    -Een pamflet van de weerstand van begin 1940.

     

     





    23-12-2018 om 11:20 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    14-12-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vervolg : Leestenaars in de Tweede Wereldoorlog. Frans "Susse" Teughels."De eerste dagen van de oorlog".

    Wijzigingen – Aanvullingen Kronieken van Leest.

    Herinneringen aan W.O.-II

    Vervolg : Frans “Susse” TEUGHELS.

    De eerste dagen van de oorlog

    Toen was het zondag; zoals iedere zondag voor de oorlog heeft het kleppen een kwartuur voor de hoogmis mij wakker gemaakt, als we ons haasten zouden we nog juist op tijd in de kerk geraken. Te laat naar de mis gaan zouden we niet doen, want dan zat ons moeder met de koterhaak achter ons, dus in zeven haasten bed uit, kousen, broek en hemd aangetrokken, holder de bolder de trap af, wat gewassen, en weg waren we. De eerste van de 10 zware slagen van de klok deed de toren sidderen toen we door de eikendeur van het kerkportaal stapten.
    In de kerk begon een orgel te dreunen onder de artistieke vingers van onze koster, machtig en sterk was de aanvang om geleidelijk over te gaan tot een zachte lichte kadans zoals alleen Jozef Rheinhard dat op het orgel kon.
    Uit de linkse sacristie kwamen juist de 3 misdienaars, in zwarte rok en daarover het wit koorhemd, de oude paster volgde hen, helemaal in het goud gekleed, want het was de zondag van hoogwaardig, normaal gezien zou deze dag de processie uitgaan, maar daar was niet veel van te zien, geen vlaggen aan de pilaren, ook geen grote lantaarns, alleen de klein lantarentjes stonden vooraan in de kerk, en in plaats van de grote hemel achter in de linkerbeuk stond de kleine hemel vooraan rechts.
    Nog voor de 10e slag van de torenklok was gevallen zaten we al op onze knieën helemaal vooraan, want kinderen die hun plechtige communie nog niet gedaan hadden moesten op de eerste rijen plaatsnemen. Op datzelfde ogenblik ging de grote bel en knielde de paster op de trappen voor het altaar. In mijn klein kerkboekje las ik juist : “Ik zal opgaan tot Gods altaar”, dat kende ik reeds van buiten, wijl de paster met zijn oude zwakke doch klare stem het introïtus aanhief.

    Eigenlijk ging er alles aan toe juist als voor de oorlog, zelfs de zangers op het oksaal begonnen met hun ritueel hoestje, ieder volgens eigen godsvrucht of vermogen, de ene luid, de andere stil, sommige snoten hun neus, langgerekt of met korte snokjes, zo gaf ieder op zijn manier te kennen dat ze er waren.
    De Mis werd nog in het latijn opgedragen, en de zangers zongen in het Gregoriaans, ze verstonden daar zelf ook wel niets van, maar dat kwam er niet op aan, ze zongen uit volle borst, dat was hoofdzaak. De andere mannen beneden verstonden er ook wel niet veel van, maar volgden de mis in hun kerkboek of missaal. In mijn kerkboek stonden er zelfs beeldekens bij, gewoonlijk had ik het reeds driemaal uitgelezen voor het ‘Ite Missa Est’, en dan had ik nog tijd te over om rond te gapen of soms wat te spelen, maar daar moesten we wel voor oppassen, want rechtover ons aan de vrouwenkant zaten de zusterkens en de juffrouwen, die lazen wel heel devoot in hun missaal, maar hadden toch alles gezien, en o wee, als ze iemand betrapten, dan vielen er klappen, en als ze dan terug op hun plaats gingen zitten verslonden ze verder hun boek alsof er niets gebeurd was.
    Na het Evangelie beklom de priester dan de predikstoel en legde daar met veel gebaren, soms met luide, soms zachte stem, de inhoud en de zin van het Evangelie uit, meestal was toen alles muisstil in de kerk, dan was de tijd gekomen voor de mannen links en rechts achteraan in het gestoelte om zich te laten horen, elk op zijn manier, met zijn eigen hoestje, maar toch zo dat iedereen goed kon verstaan wie er allemaal in die houten kastjes zat, want iedereen mocht daar zo maar niet in, links zat het gemeentebestuur, rechts de leden van de kerkfabriek.

    Aan het einde van het sermoen verklaarde de priester, dat deze zondag, ten gevolge van deze benarde tijd, de H. Processie in de kerk zou uitgaan, en niet buiten, jammer eigenlijk, want Leest had een mooie processie waar we fier konden op zijn, en nu ging ze in de kerk uit, jammer zeg, nu duurde de mis nog langer, wijl de paster dan het kruisteken maakte, knarsten de scharnieren van de kerkdeur, alle hoofden draaiden naar achter, en we zagen 2 Duitse soldaten de kerk inkomen, ze zetten zich doodgewoon, juist als iemand van ons die een beetje te laat kwam, op een stoel. Ze legden hun gordel af en legden die samen met hun soldatenmuts voor hen. Na de consecratie gaf de ene soldaat zijn revolver aan zijn maat en ging in de middenbeuk staan alsof hij wilde communiceren, hij is na een tijdje onverrichterzake weer op zijn plaats gaan zitten, hij had toch wel moeten weten dat tijdens de hoogmis geen H. Brood werd uitgereikt. Juist voor het einde van de mis zijn ze samen buitengegaan, gevolgd van alle hoofden in de kerk, zelfs de zangers riskeerden hun leven al latijn zingende zo ver over de leuning te hangen, wel een geluk dat deze zo sterk is. Als die Duitsers naar de mis gaan zullen ze wel zo slecht niet zijn. Als we thuis kwamen kregen we zoals iedere zondag onze wekelijkse cent voor onze spaarpot of om iets te gaan kopen. Mijn spaarpot was zoals meestal bij Juul van Mineka, of soms bij Toor van Leirekens, daar hadden ze de beste calisesap van uren in de ronde. Wijl veel grote mensen dan in de herbergen gingen voor een potje bier en wat te praten over koetjes en kalfjes, ook over de oorlog, de jongens welke gevallen, gevangen of vermist waren, zelfs over mensen die weer thuis waren, over de vlucht, ook over de vreselijke moord en brandstichting op de Hombeeksesteenweg; wijl die mensen daar zo praatten en dronken, zijn wij, mijn vrienden en ik, buiten gaan oorlog spelen. Wij de dappere Duitsen van het Dorp hebben de kleine Engelsen van de Heide teruggeslagen tot aan de stenenbeek, ze hebben er nogal van gekregen zulle ! Als ik thuis was zat er het natuurlijk over, in plaats van gedecoreerd te worden voor mijn dapperheid en zelfopoffering kreeg ik van moeder generaal een dikke rammeling, omdat mijn hemd gans vuil was, en tot overmaat van ramp de mouw er was afgescheurd. Het is niet erg prettig zo een afstraffing te krijgen en dat in het bijzijn van al die mensen in het café, amaai, heeft die dappere Duitser toen gehuild…en eten kreeg hij ook niet meer. Een geluk voor mij dat juist na de middag, onze veldwachter binnenkwam, tussen 2 Duitse soldaten met een helm op het hoofd, ze kwamen om al ons mannen op te eisen, ook de machines moesten ter beschikking staan, want de volgende dag, maandag om 7 uur ’s morgens, moest aan de noodbrug over de Zenne gewerkt worden. Onze vader die tijdens het eten nog juist gezegd had, ik werk nooit voor de Duitsers verdomme, had mooi te brabbelen van machien kaput en jongens krank, maar ’t kon niet baten, eisen sind eisen herr, und arbeit is ’t wollstand, als die herren dan weg waren heeft ons vader dan wel een half uur staan vloeken, maar is toch rood als een kalkoen van koleirie in het werkhuis gegaan om de machines te smeren. Voor mij is het oorlogsgewoel voorbij, ik had deernis met mijn vader en heb gezworen dat ik nooit geen Duitser meer wou zijn.
    (“Susse”, in “De Band” van december 1978)

    Vervolgt met : “Slimme Boeren”.

    Foto’s :

    -Koster Jozef Rheinhard.

    -Het gestoelte achteraan in de kerk van Leest.

    -Cesar Albert Apers met zijn moto op de noodbrug over de Zenne. De oorspronkelijke brug werd door het Belgisch leger vernield op 15 mei 1940. (Foto : Eddy Apers)







    14-12-2018 om 16:45 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    06-12-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vervolg : Leestenaars in de Tweede Wereldoorlog. Frans Teughels met "De Vlucht".

    Wijzigingen – Aanvullingen Kronieken van Leest.

    Herinneringen aan W.O.-II

    Vervolg : Frans “Susse” TEUGHELS.

    De Vlucht

    Nog diezelfde nacht zijn we vertrokken met ons ganse huisgezin behalve onze Arnold, die was bij de troep. Ons gammelle autootje was kroppens vol geladen met alles wat we maar konden meenemen. Boven op het dak waren de matrassen gebonden en de dekens, zelfs tussen de slijkweerders was alle ruimte benut. Ook op de motorkap hadden we van alles vastgesnoerd. Twee deuren konden nog open om in en uit te stappen, dat was alles.
    Zes personen kropen in de wagen, de oudsten en de jongsten, de rest moest het met de fiets maar doen, zo zouden we recht naar Frankrijk rijden was er afgesproken.
    We zijn gereden naar Kapelle-op-den-Bos, daar was het reeds één file van vluchtelingen in één karavaan, allemaal tot over de oren gepakt en gezakt. De hele stoet trok in de richting van de Vlaanders, het was een chaos van belang. Stapvoets ging die vlucht, mensen te voet, moeders en kinderen met een volbeladen fiets aan de hand, hondenkarren met en zonder honden reden er zelfs tussen, boerenwagens, auto’s, stoetwagens, alles wat maar op wielen stond, zelfs kruiwagens, één slenterende sliert van mensen om hun heil te zoeken in veiliger oorden.

    Het eerste wat we hebben meegemaakt was een bombardement in Aalst. Daar vond ons vader de vlucht al onzinnig, maar van terugkeren was geen sprake meer, voort met de massa en mee in het gewoel. Zo zijn we dan die eerste dag tot in Zele geraakt, boven Dendermonde, amper 30 km van ons huis.
    De volgende dag weer verder, altijd maar aanschuiven, stoppen, nog een trapke verder, altijd maar door. Zo zijn we tien dagen op de dool geweest, hier wat gerust, daar weer moeten gaan lopen, bij sommige mensen goed onthaald, bij anderen geld moeten geven om in de stal te mogen slapen. In Frankrijk zelf zijn we gelukkig niet geraakt, daar waren de Duitsers ons al voor. Waarschijnlijk waren ze de oorlog van 1914-18 nog niet vergeten en hebben gewoonweg het Belgische leger ingesloten. Zo zaten we dan met ons allen en 3/4de van onze bevolking in de Vlaanderen, dat kleine hoekje van ons land. Iedere bom of granaat van de vijand maakte slachtoffers, een geluk voor ons dat, wijl onze regering reeds heldhaftig naar Engeland gevlucht was, onze koning bij ons is gebleven en gezien heeft dat de overmacht te sterk was en verder verzet alleen tot een bloedbad kon leiden en na achttien dagen maar heeft gekapituleerd, wijl Nederland er na 5 dagen het bijltje al had bij neergelegd.

    Frankrijk dat zoveel groter was dan ons land heeft er amper 25 dagen over gedaan. Is het misschien toch waar dat de Belgen de dappersten aller Galliërs zijn ? In elk geval alle Belgen die in de Vlaanders zaten waren gelukkig door die overgave van Leopold. De Fransen waren er niet zo blij mee en die hadden gehoopt dat onze jongens het wel weer zouden gelapt hebben, daar hebben ze dan de Belgen uitgescholden en beschimpt voor verraders, een glas water wilden ze zelfs de Belgen niet meer geven.

    Na de overgave zijn we dan op één dag weer naar huis gekeerd. Hadden we onderweg wel veel kapotgeschoten huizen en dorpen gezien, in Leest was ogenschijnlijk niet veel veranderd. Alle huizen stonden er nog. Wel hadden de Duitsers, na zich goed te hebben bezopen, verscheidene Leestenaars tegen de muur gezet met de handen boven het hoofd. De pastoor was daar ook bij, die stond op de derde plaats, wijl Viktor van Kolettes op de tweede plaats stond, en de pastoor, waarschijnlijk denkende dat de fuseliers gewoonlijk tot één, twee, drie telden en dan schoten, vroeg aan Viktor of hij niet van plaats wou verwisselen. Maar Viktor, die dat ook wel door had zei heel gewoon : “as as as as’t tege gaat zz z zijn we al al allemaal doeët meneer pastoeer” en bleef staan. Juist kwam er een Duits officier langs, had respect voor de wonden aan het hoofd van meester De Leers en heeft die schietpartij verboden. Zo zijn die mensen weer huiswaarts kunnen gaan, anders was de lijst van oorlogsslachtoffers misschien nog veel groter geweest.

    Bij ons thuis was het een ware zwijnenstal. Alle ruiten waren stuk geslagen, de deuren van de slaapkamers opengebroken, alles, alles was vernield. De zaal, daar hadden soldaten in geslapen, lag helemaal vol stro en lege flessen die er lagen…

    Na al het bier voor de kermis te hebben afgedronken hebben ze de wijnkelder van mijnheer Pastoor en meester Hellemans leeg gehaald en de hele boel daar maar laten liggen. Ons mannen zijn onmiddellijk met de opruiming begonnen, en ik ben vliegensvlug naar het bureauke van mijn grootvader gelopen waar ik het tennisspel dat ik van de Belgische soldaten gekregen had, had verstopt. Gelukkig het lag er nog onaangeroerd. Heb ik het vroeger aan ons vader niet durven tonen daar ik dacht dat het gestolen was, nu kon ik er vrij mee voor de pinnen komen en heb het bij andere spullen in de zaal gelegd voor mij was alles gered. Het opruimen van ons huis gebeurde in alle stilte. Geen mens die iets zei en als er dan gesproken werd was het over onze Nolle. Gelachen is er niet, ook waren er geen tranen, alleen gewoon werken in alle stilte.

    De volgende morgen rond 10 uur komt er bij ons iemand binnen welke we voordien nooit gezien hadden. Die mens kwam nog van de vlucht, hij kwam de groeten brengen van onze Arnold die met een legerwagen volgeladen tot in Dendermonde was geraakt, daar die auto heeft moeten afgeven en krijgsgevangen is genomen. Vliegensvlug hebben onze Louis en onze Jules dan de fiets genomen en zijn naar Dendermonde gereden om te zoeken en voor informatie. De ganse dag zijn ze weggeweest en hebben natuurlijk niets gevonden. Ondertussen was onze Nolle reeds lang thuis, tussen Dendermonde en Willebroek is hij gaan lopen, heeft zich een overal aangeschaft en is verder te voet naar huis gekomen. ‘k Zie hem nog binnenkomen langs de voordeur. Ons moeder die de glazen stond te spoelen welke er ons nog overschoten, liet alles vallen en liep op onze Nolle toe, omhelste hem zoals ze het mij in geen jaren meer gedaan had. Tranen vielen uit haar ogen, gouden tranen, tranen van geluk. Ze vielen op de oude versleten zwart satijnen voorschoot en schitterden als diamanten, moeders geluk. Ook ons vader was erbij gekomen. Alle ogen fonkelden van de tranen. Ons vader, de onverwoestbare die altijd iets kon zeggen, zelfs bulderen tegen de gasten en ons mannen, ons vader kon er met moeite nog uitbrengen : “jonge, m’n jonge toch, God zij geloofd.” Zo had ik hem nog nooit gezien ! Maar ik had het aan mijn fles, ’s anderendaags naar de mis en te communie, zelfs ons vader is toen ter H. Tafel gegaan, dat deed hij anders maar eens in de maand als hij het niet vergeten was, en dat gebeurde nogal eens, vooral als er ’s avonds iets te doen was geweest, dan kon het nogal laat zijn en welke cafébaas zou dan ook zijn eigen bierke niet mogen.

    Maar voor ons was de oorlog nu voorbij. Helaas zoveel geluk hebben anderen niet gekend Vier van onze jongens, 4 Leestenaars, 4 Vlamingen, 4 mensen die in de volle jeugd van het leven zijn niet weergekeerd : Albert Beullens, Albert Janssens, Emiel Van Winghe en Brusselmans. Gevallen op het veld van eer. Ook hun moeders hebben geweend, tranen van verdriet, bittere tranen, hete tranen welke ook vielen op de zwarte voorschoot, maar doordrongen tot in het hart en daar een diepe wonde hebben gebrand met het beeld van hun geliefde zoon, het beeld, het enige wat hun restte buiten de naam van hun geliefde die gebeiteld staat in de grijze, koude harde steen rechts naast de inkomdeur van de kerk.
    (Gepubliceerd in “De Band” van november 1978)

    Vervolgt met : “De eerste dagen van de oorlog”.

    Foto’s :

    -Alles wat op wielen stond werd gebruikt tijdens de vlucht.

    -De “Susse” tussen Marcel Gobien en Victor De Boeck.

    -Pastoor Beuckelaers wilde van plaats ruilen.

    -De dorpsplaats met centraal in beeld voor de kerk herberg “de Rooselaer” van de familie Teughels.









    06-12-2018 om 07:32 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    29-11-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vervolg : Leestenaars in de Tweede Wereldoorlog. Frans "Susse" Teughels.

    Wijzigingen – Aanvullingen Kronieken van Leest.

    Herinneringen aan W.O.-II

    Frans “Susse” TEUGHELS.

    Frans ‘Susse’ Teughels (°Leest 21/1/1930, +Bonheiden 15/4/1996), binnenhuis architect, bouwkundig tekenaar en samen met zijn broer Louis exploitant van de gelijknamige schrijnwerkerij vlakbij de kerk van Leest, over zijn oorlogsherinneringen :

    Het begin

    Het eerste officiële document op mijn naam dat ik ooit gezien heb was de rantsoeneringskaart, juist voor de oorlog. Het was dan wel al dikwijls mobilisatie geweest, maar verder was er tot dan toe nog niets van gekomen, deze keer zal het wel menens geweest zijn, want alle weerbare mannen, welke geschikt bevonden waren voor de verdediging van ons vaderland hadden reeds hun uniformen, die al jaren in de kast hingen, aangetrokken.

    Ik zie de metser nog naar huis komen, zijn eerste verlof sinds zijn oproeping, een broek tot even onder de knieën, waarvan de knopen niet meer vast konden, een vest waarvan de knopen met koordjes vastgeregen waren aan de knoopsgaten, maar de knopen blonken als een spiegel, daar was men in ons leger wel heel streng op, verder zwaaide hij altijd maar zijn hoofd om de rode floche, welke aan zijn bonnet hing, van voor zijn ogen te krijgen, een gerieflijk ding, zo een dingske dat hier altijd hing te bengelen, als ge dan geen vijand ziet dan ziet ge toch die floche. Hij was anders wel jaloers op zijn vriend, want die had een geweer, wat is een soldaat toch zonder geweer ! Die andere was dan weer jaloers op hem, omdat hij dan toch weer geen geweer moest kuisen !

    Ons leger had toen geen geweren genoeg, later moeten er dan toch te veel geweest zijn, want tijdens de vlucht heb ik er verscheidene langs de weg zien liggen, moet nog al gehinderd hebben tijdens het lopen…

    Dat was allemaal rond de tijd van Sinksen in de mooie maand mei van het jaar 1940. Alle voorbereidselen waren al getroffen voor de kermis. Bij ons (Noot : herberg-feestzaal “Den Rooselaer”) stond zelfs het orgel al en in de kerk hingen reeds de vlaggen voor de processie.

    “Stormen”.

    Helaas, het heeft allemaal niet mogen zijn, want die vrijdag werd ik wakker door het ongewone lawaai op het dorp. Aan mijn bed stond ons vader die vroeg zo rap mogelijk klaar te zijn want we moesten gaan ‘stormen’. ‘Stormen’ heb ik eigenlijk in mijn hele leven maar eenmaal gehoord, of liever zelf aan geholpen. Het was met twee hamers afwisslend op de klok slagen, zo snel men kon, een kwartier aan een stuk, met drie man, elk zijn klok. Dit werd alleen gedaan ingeval van nood of zware rampen, vandaar het gezegde “als de stormklokken luiden”. Toen, de 10e mei, is het gebeurd, het was oorlog.

    Oorlog.

    Een heerlijk mooie vrijdag in de maand mei : oorlog ! We dachten dat nu voor ons alles voorbij was…oorlog…maar eigenlijk was niet alles voorbij, want toen we zoals iedere andere dag naar de school gingen kwam meester De Leers tot aan de poort en vertelde dat de koning in de radio gezegd had dat de scholen gesloten waren en dat we ons moesten gedragen als dappere Belgen, want de Belgen waren de dappersten aller Galliërs. Hij ook, want hij had nog altijd die doos pralines in de schuif liggen welke hij in de vorige oorlog van de koningin gekregen had voor zijn dapperheid. Die behield hij als souvenir, hij zou er nooit eentje van opeten,…dat geloof ik wel, die moesten toen al lang beschimmeld zijn…
    Heinke van den Berg, de gemeentewerkman is een paar maal huis voor huis gegaan met zijn bel, want hij was dan in geval van een spoedbericht ook de belleman, de eerste maal dat hij rond kwam was met de mare dat onze jongens tussen 17 en 20 weg moesten om ingelijfd te worden bij het leger, waar niets van in huis is gekomen, de meesten zijn toen vertrokken naar een onbekende bestemming, velen hebben heel wat miserie meegemaakt, ééntje, Franske De Borger (Noot: hij bedoelt Frans De Prins), is nooit weergekomen. In Frankrijk gedood bij een bomaanval. De tweede maal dat Heinke rondkwam ging over rantsoenzegels meer weet ik er niet van.

    Luchtaanval.

    Maar verder was het op ons dorp een ganse dag rustig, tot een uur of zeven ’s avonds een paar Duitse vliegers over ons dorp kwamen gescheerd, recht naar Kapellen-op-den-Bos waar ze op de brug van de spoorbaan hun eieren wilden gaan leggen. Dat is wel niet van een leien dakje gegaan, want toen ze uit de lucht het eerste saluut gaven kregen ze een eresalvo terug van een Engels schip dat per toeval daar in het kanaal te wachten lag, een vliegtuig werd de vleugel afgeschoten en is al draaiende naar beneden gekomen, heeft in zijn val een ander vliegtuig geraakt en ze zijn dan samen op de grond gekomen, beide piloten dood, de andere vliegtuigen hebben nog wat bommen gegooid maar de brug is niet geraakt, wel lagen de huizen rond de brug allemaal plat, er waren 7 doden, vele gekwetsten en een paar vermisten. Wanneer deze luchtaanval voorbij was, kwamen er al een paar soldaten, het begin van de terugtocht.

    Vluchtelingen.

    Zo verliepen de dagen, geen school, maar verveeld hebben we ons niet, want telkens was er weer wat anders te beleven. Stilaan kwamen er meer en meer vluchtelingen, mensen die uit hun huizen gezet waren om een frontlijn te maken, en ook andere, zo maar, om in veiligheid te zijn. Ze kregen dan ook onderdak bij de mensen van Leest, zowel als op een ander. Tot op een zekere dag, na de noen, er een groep soldaten kwam, ze gingen een kanon opstellen achter het kerkhof, om Mechelen te verdedigen. Slapen zouden ze bij ons in de zaal. ‘k Ben er natuurlijk altijd bij geweest, het ene ogenblik in de zaal, het andere bij het kanon, wijl de baas, een sergeant, één van de jongens opstuurde om het eten en de munitie te halen. Die jongen ging bij Gieleke (Noot : Jan Baptist De Smedt ook genoemd ‘Jangske den Bakker’) de triporteur halen en reed dan met het vehikel naar de pastorij toe, want de keuken moet ergens aan de brug op de Warande gestaan hebben. Ondertussen moesten er andere jongens het stuk opstellen, richten en klaarstellen op de St.Romboutstoren, om de schietafstand te regelen, wijl weer anderen moesten grachten graven voor de verdediging. Alles gebeurde in een koortsig tempo, zwart en moe waren ze reeds voor ze bij ons kwamen, en nog dit beulenwerk, honger hadden ze ook, een ganse dag nog niets gekregen, maar dat zou nu wel vlug beteren, die hoop hield hen sterk, na een uur of twee drie is dan die man met zijn triporteur teruggekomen, gans vol geladen was hij, de soldaten gauw om hunne gamellen en wijl ze dan stonden aan te schuiven voor het lang verwachte etentje, begon die man, die was weggereden, het gespan af te laden : 7 b.h.’s, wel 50 paar vrouwenkousen, 20 bloezen, 2 paar tennisrakketten, een paar voetbalschoenen, 2 flessen cognac, 3 flessen genever, 3 vrouwencorsetten, een oude radio, en wel 10 paar lakens, maar van munitie of aan eten denken, daar had hij geen tijd voor gehad. Toen kwam juist het bevel op te breken, de jongens zijn al vloekend en klagend weer aan ‘t werk gegaan, alles afgebroken en zonder één schot te lossen weer naar een andere stelling getrokken. Kom, zei ons vader toen, we zullen ook maar vluchten.
    (Gepubliceerd in “De Band” van oktober 1978)

    Vervolgt met : “De Vlucht”.

    Foto’s :

    -Frans “Susse” Teughels.

    -“Jangske den Bakker” met zijn vrouwtje Virginie Van Crombruggen. 





    29-11-2018 om 06:49 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    14-11-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vervolg : Leestenaars in de Tweede Wereldoorlog : Raf SELLESLAGH.

    Wijzigingen – Aanvullingen Kronieken van Leest.

    Herinneringen aan W.O.-II

    Raphëlle “Raf” SELLESLAGH.

    Raf was het vijfde kind van de acht telgen van de Leestse populaire schoolmeester Victor en van de Tisseltse Delphine ‘Fien’ De Wit. Ze werd te Leest geboren op vrijdag 13 januari 1933 en zou er heel haar jeugd en volwassen leven doorbrengen.
    Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak op 10 mei 1940 was ze zeven jaar oud, oud genoeg om alles bewust te beleven en te onthouden. Veel van die herinneringen en ook andere uit haar jeugd heeft ze neergeschreven :

    De oorlog en de vlucht.

    Op de stralende morgen van 10 mei 1940 bestookten de Duitsers niet enkel militaire doelen, ze vielen ook steden en dorpen aan. De aanval op Brussel om 05u20 leverde al een eerste tragische balans op : 41 doden en 62 gewonden. Meteen was de bevolking bij het conflict betrokken en begon paniek om zich heen te grijpen. De gruwelen van de eerste wereldoorlog waren nog niet vergeten en vele mensen verkozen te vluchten. Niemand wist eigenlijk waar naartoe maar weg van het krijgsgeweld was het eerste gebod.
    Snel scharrelden Victor en Fien (Noot : haar ouders) het noodzakelijkste bij elkaar, wat geld en vooral veel kinderen. De fietsen volgeladen met wat schamele bezittingen, een voorbehouden plaatske op het speelkarretje van Jefke Vink en weg waren ze. Langs de Tiendeschuurstraat over de Bist, waar Victor van de Lodde de gouden raad meekreeg terug huiswaarts te keren want ze gingen het gevaar tegemoet. Achteraf zou Victor hem gelijk geven.
    Via Kapelle-op-den-Bos belandden ze stapvoets in een platgebombardeerd Aalst waar ze letterlijk door de vlammen heen moesten. Huilende duikvluchten van Duitse vliegtuigen maakten de verwarring compleet. In het dorpje Schuiferskapelle, thans een deelgemeente van Tielt, speelden ze dochtertje Raf kwijt. Die was met haar fietsje wat voorop geraakt. Gelukkig kon vader Victor haar gezond en wel terugvinden.
    Misschien waren het de vele rozenkransen die de kinderen samen met Colette Vink moesten bidden, die hen veilig tot bij boer Van de Walle in Tielt West-Vlaanderen brachten. De terminus van hun vlucht. In de kelder van deze boer konden ze eindelijk wat op adem komen en besloten ze terug huiswaarts te keren. Hun vlucht had tien dagen geduurd.
    Thuisgekomen vernamen ze van ‘den Blokmaker’ dat tijdens hun vlucht 20 mannen op de koer van de jongensschool bijeen gebracht waren om geëxecuteerd te worden, wat gelukkig niet is doorgegaan. Nog volgens ‘den Blokmaker’ hadden de Duitsers het plan opgevat om hun woning in brand te steken, maar had hij dat kunnen beletten door te verklaren dat er een groot gezin in dat huis gevestigd was.

    Dagelijks leven.

    Als hout, kolen en kinderen binnen waren, zaten we meestal met z’n allen met ons voeten op het onderste van en rond de Leuvense stoof. Ieder met zijn eigen bezigheid. Omdat het onderste van de stoof te klein was om 18 voeten op te parkeren, gebeurde het meermaals dat den ene zijn voeten op die van den andere plaatste. Ons moeder die met vier priemen en dikke breiwol de mooiste warme sokken kon breien, maar af en toe van de stoof schoof, voeten op de grond, steken eveneens, breiwerk in retard, een verwrongen vloek ten gevolg, en een schietgebedje om met ons Heer weer wit te staan.
    Het deksel van de stoof werd bij valavond even opgelicht, zodat er bij het bidden van het dagelijks rozenhoedje, wat licht scheen in de duisternis. Sfeervol en onze gedachten verdwaalden niet !! Soms moesten we bidden voor een jong gezin dat aan uitbreiding dacht. De manier waarop werd angstvallig verzwegen ! Ons moeder las dan luidop : ‘leer hen een kinneke maken, niet te grof, niet te fijn, maar juist zoals het kinneke moet zijn.’ En negen maanden nadien mochten we dan naar dat kinneke gaan zien.
    Wij kenden geen weelde, wel een gelukkige jeugd. Omwille van de schaarse en dure brandstof en het dure leven voor zo een groot gezin leefden we in een kleine ruimte. In onze keuken moesten 9 mensen van groot tot klein zoeken om hun eigen taak zo goed mogelijk te kunnen vervullen !! En geloof me, dat was zeker niet gemakkelijk !!! Op die luttele oppervlakte moest ieder naar behoren functioneren. Koken, eten, de was drogen, schoenen poetsen, breien, sokken stoppen, studeren, huiswerk maken, verbeteren van schooltaken, plezier beleven en ruzie maken !!
    Geld om een ganse woning op te warmen was er niet. De kolen waren veel te duur en gerantsoeneerd. In de tweede plaats (nu living genaamd) stond een feu-continue. Als er een beetje geld in kas was, kocht ons moeder 200 kg antraciet. Met het weekend als iedereen thuis was werd daar het vuur aangestoken. Dat was een GROTE LUX, tenminste als de schouw niet vochtig was en deze een goeie werking had !! Zoniet konden wij door het slecht functioneren van de schouw best met gerookte haringen vergeleken worden. Als de wind uit het noorden kwam hadden we meestal prijs ! Deuren en ramen werden dan op elkaar opengezet zodanig dat de rook kon afdrijven. Soms kon ons moeder concurreren met den Ammoniak van Willebroek. Eens de vlam in de pijp was het euvel verholpen.
    De Leuvense stoof werd door ons moeder gepoetst op vrijdagnamiddag als heel het capittel naar school was. De ronde pot was gauw kapot gestookt. Om de barsten te repareren had ons moeder de oplossing gevonden, waar weet ik niet, maar het lukte ! Ze kletste wat slam (vraag me niet wat het was) tegen de barsten en eens de schooltijd gepasseerd, stond de gerepareerde pot roodgloeiend. Dat mens kon zelfs den duvel doen blozen !
    ’s Winters moest de was meestal in de keuken gedroogd worden. Wat nagelen in de muur, kruisgewijze de draden gespannen en klaar was kees ! Gemakkelijk was anders ! Als elk centimeterke draad benut was, moest men op zoek naar de bewoners. Dat was wel een voordeel als men wat mispeuterd had, ofwel haperde men met zijne neus in een manshemdslip of kon je je verstoppen achter een opgehangen vrouwenbroek. We zochten dat zelf wel uit ! We waren niet groot, de broek integendeel wel !
    De boterhammeke’s waren als de kolen : gerantsoeneerd ! Drie, niet meer niet minder lagen er op ons te wachten. In de zomer konden we veel recupereren met groenten uit de moestuin of fruit uit de boomgaard.
    Hier en daar had vader wel een handje voor. Aan een schappelijk prijske kocht of kreeg hij soms melk, boter en eieren en al eens spek op Goede Vrijdag bij de Lodde of bij Stefanie van Toontjes (kozijn en nicht van hem). Ook bij rosse Colette (uit de Hertstraat) kon hij altijd terecht. Wij zijn hen daar steeds dankbaar om geweest. Men zou voor minder onder den oorlog ! Van rosse Colette kreeg ik voor mijn plechtige communie als geschenk een zelfgebakken taart. Een kunstwerk op zijn eigen, gecamoufleerd met veel crème fraiche, dat laatste hadden we nog nooit gezien. Heel voorzichtig met mijn bijdegronds meisjesveloke was ik met de taart gaaf ’t huis ‘geland’. Doch wanneer deze op mijn grote dag op de tafel werd gezet stelde ons moeder verontwaardigd vast dat al de crème fraiche er afgelikt was ! En toppunt was, niemand had dat gedaan, waarschijnlijk omdat den ene voor den andere moest zwijgen ! Van solidariteit gesproken ! Je kunt je voorstellen, als er zeven aan dat ding gelikt hadden, dat ’t spel dan wel kaalgeschoren was ! ’t Zal dan toch vermoedelijk voor de communie wel gesmaakt hebben !
    Zo spartelden onze ouders met ons door de oorlogsjaren.

    Zender van de witte brigade.

    Vader Victor luisterde tijdens die oorlog ook naar een verdoken zender van de witte brigade. Eén van de kinderen moest dan buiten op wacht staan om zeker te zijn dat ‘de muren geen oren hadden’ en steevast eindigden die uitzendingen met de woorden : ‘en zonder er op te boffen, toch krijgen we ze wel die moffen’.

    Kooltjesziften.

    Een welgekomen bijverdienste in de oorlog was het kooltjesziften. Voorzien van een zeef, schup, jute zakken en hun houten kruiwagen trok de hele familie naar de putten in Battel. Regelmatig werd daar kolenafval, afkomstig van treinen en boten uit Brussel en Antwerpen, gedropt. Men moest dan wel bij de zaak zijn om er het beste uit te halen. Soms lukte dat en kon de familie daarmee wat kolen uitsparen voor de verwarming in de winter.

    Schuilkelder.

    De naoorlogse vliegende bommen maakten drie slachtoffers in Leest en veel stoffelijke schade. Vele bezitters van een tuin in het dorp gingen over tot de bouw van een schuilkelder, liever nog dan op die plek in hun hof aardappelen te planten. Bij de familie Selleslagh was de schuilkelder gegraven achteraan in de tuin tussen de kriekelaars. De takken zouden het zicht benemen, dacht vader Victor. Meestal zagen ze de vliegende bommen over hun hoofd vliegen en vonden ze niet de tijd om naar die schuilkelder te vluchten.
    ’s Nachts sliepen ze in de kelder onder hun huis, gelukkig was het geen winter, want dan hadden ze af te rekenen met grondwater dat de kelder kwam binnengestroomd.
    Mensen die de oorlog niet hebben meegemaakt kunnen het zich nauwelijks voorstellen maar de vrees dat zo’n bom elk moment kon neerkomen, beangstigend…
    Van de familie was niemand zo dapper als moeder Fien, als de moordwapens overvlogen ging zij steevast buiten kijken.
    Fien, te Tisselt geboren op 19/8/1894, overleed te Leest op 13/7/1995. In 1994 werd ze te Leest luisterrijk gevierd toen ze 100 werd.

    Foto’s :

    -Raf Selleslagh.

    -De woning van de familie Selleslagh in de Dorpstraat.

    -De kinderen Selleslagh met de fietsjes die de vlucht tijdens de oorlog overleefden. Van links naar rechts : Frans, Irma, Hubert, Raymond, Raf, Maria en Cyriel.

    -Het gezin Selleslagh-De Wit na de oorlog. Als vierde van links Raf.









    14-11-2018 om 10:04 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)


    Archief per week
  • 15/07-21/07 2019
  • 08/07-14/07 2019
  • 01/07-07/07 2019
  • 24/06-30/06 2019
  • 17/06-23/06 2019
  • 10/06-16/06 2019
  • 03/06-09/06 2019
  • 20/05-26/05 2019
  • 13/05-19/05 2019
  • 06/05-12/05 2019
  • 22/04-28/04 2019
  • 15/04-21/04 2019
  • 01/04-07/04 2019
  • 18/03-24/03 2019
  • 04/03-10/03 2019
  • 25/02-03/03 2019
  • 18/02-24/02 2019
  • 11/02-17/02 2019
  • 21/01-27/01 2019
  • 14/01-20/01 2019
  • 07/01-13/01 2019
  • 24/12-30/12 2018
  • 17/12-23/12 2018
  • 10/12-16/12 2018
  • 03/12-09/12 2018
  • 26/11-02/12 2018
  • 12/11-18/11 2018
  • 29/10-04/11 2018
  • 22/10-28/10 2018
  • 15/10-21/10 2018
  • 08/10-14/10 2018
  • 17/09-23/09 2018
  • 03/09-09/09 2018
  • 20/08-26/08 2018
  • 13/08-19/08 2018
  • 06/08-12/08 2018
  • 30/07-05/08 2018
  • 23/07-29/07 2018
  • 16/07-22/07 2018
  • 09/07-15/07 2018
  • 25/06-01/07 2018
  • 18/06-24/06 2018
  • 11/06-17/06 2018
  • 04/06-10/06 2018
  • 21/05-27/05 2018
  • 07/05-13/05 2018
  • 23/04-29/04 2018
  • 16/04-22/04 2018
  • 09/04-15/04 2018
  • 02/04-08/04 2018
  • 26/03-01/04 2018
  • 19/03-25/03 2018
  • 12/03-18/03 2018
  • 05/03-11/03 2018
  • 19/02-25/02 2018
  • 12/02-18/02 2018
  • 05/02-11/02 2018
  • 29/01-04/02 2018
  • 22/01-28/01 2018
  • 15/01-21/01 2018
  • 08/01-14/01 2018
  • 01/01-07/01 2018
  • 25/12-31/12 2017
  • 18/12-24/12 2017
  • 04/12-10/12 2017
  • 27/11-03/12 2017
  • 20/11-26/11 2017
  • 06/11-12/11 2017
  • 23/10-29/10 2017
  • 16/10-22/10 2017
  • 09/10-15/10 2017
  • 25/09-01/10 2017
  • 18/09-24/09 2017
  • 11/09-17/09 2017
  • 04/09-10/09 2017
  • 28/08-03/09 2017
  • 21/08-27/08 2017
  • 14/08-20/08 2017
  • 31/07-06/08 2017
  • 10/07-16/07 2017
  • 03/07-09/07 2017
  • 12/06-18/06 2017
  • 05/06-11/06 2017
  • 29/05-04/06 2017
  • 15/05-21/05 2017
  • 01/05-07/05 2017
  • 17/04-23/04 2017
  • 10/04-16/04 2017
  • 03/04-09/04 2017
  • 27/03-02/04 2017
  • 20/03-26/03 2017
  • 13/03-19/03 2017
  • 06/03-12/03 2017
  • 27/02-05/03 2017
  • 13/02-19/02 2017
  • 06/02-12/02 2017
  • 30/01-05/02 2017
  • 23/01-29/01 2017
  • 16/01-22/01 2017
  • 09/01-15/01 2017
  • 02/01-08/01 2017
  • 26/12-01/01 2017
  • 19/12-25/12 2016
  • 05/12-11/12 2016
  • 28/11-04/12 2016
  • 21/11-27/11 2016
  • 07/11-13/11 2016
  • 24/10-30/10 2016
  • 17/10-23/10 2016
  • 10/10-16/10 2016
  • 03/10-09/10 2016
  • 26/09-02/10 2016
  • 19/09-25/09 2016
  • 05/09-11/09 2016
  • 22/08-28/08 2016
  • 15/08-21/08 2016
  • 01/08-07/08 2016
  • 25/07-31/07 2016
  • 18/07-24/07 2016
  • 11/07-17/07 2016
  • 04/07-10/07 2016
  • 27/06-03/07 2016
  • 20/06-26/06 2016
  • 13/06-19/06 2016
  • 06/06-12/06 2016
  • 30/05-05/06 2016
  • 23/05-29/05 2016
  • 16/05-22/05 2016
  • 09/05-15/05 2016
  • 02/05-08/05 2016
  • 25/04-01/05 2016
  • 18/04-24/04 2016
  • 11/04-17/04 2016
  • 04/04-10/04 2016
  • 21/03-27/03 2016
  • 14/03-20/03 2016
  • 07/03-13/03 2016
  • 29/02-06/03 2016
  • 22/02-28/02 2016
  • 15/02-21/02 2016
  • 08/02-14/02 2016
  • 25/01-31/01 2016
  • 04/01-10/01 2016
  • 28/12-03/01 2016
  • 21/12-27/12 2015
  • 07/12-13/12 2015
  • 23/11-29/11 2015
  • 16/11-22/11 2015
  • 09/11-15/11 2015
  • 02/11-08/11 2015
  • 19/10-25/10 2015
  • 12/10-18/10 2015
  • 05/10-11/10 2015
  • 21/09-27/09 2015
  • 14/09-20/09 2015
  • 07/09-13/09 2015
  • 31/08-06/09 2015
  • 13/07-19/07 2015
  • 22/06-28/06 2015
  • 08/06-14/06 2015
  • 01/06-07/06 2015
  • 25/05-31/05 2015
  • 11/05-17/05 2015
  • 04/05-10/05 2015
  • 27/04-03/05 2015
  • 20/04-26/04 2015
  • 13/04-19/04 2015
  • 06/04-12/04 2015
  • 30/03-05/04 2015
  • 23/03-29/03 2015
  • 16/03-22/03 2015
  • 09/03-15/03 2015
  • 02/03-08/03 2015
  • 23/02-01/03 2015
  • 16/02-22/02 2015
  • 09/02-15/02 2015
  • 02/02-08/02 2015
  • 26/01-01/02 2015
  • 19/01-25/01 2015
  • 12/01-18/01 2015
  • 05/01-11/01 2015
  • 29/12-04/01 2015
  • 15/12-21/12 2014
  • 08/12-14/12 2014
  • 24/11-30/11 2014
  • 17/11-23/11 2014
  • 10/11-16/11 2014
  • 03/11-09/11 2014
  • 20/10-26/10 2014
  • 13/10-19/10 2014
  • 06/10-12/10 2014
  • 29/09-05/10 2014
  • 22/09-28/09 2014
  • 08/09-14/09 2014
  • 01/09-07/09 2014
  • 25/08-31/08 2014
  • 18/08-24/08 2014
  • 04/08-10/08 2014
  • 28/07-03/08 2014
  • 21/07-27/07 2014
  • 14/07-20/07 2014
  • 07/07-13/07 2014
  • 30/06-06/07 2014
  • 23/06-29/06 2014
  • 16/06-22/06 2014
  • 09/06-15/06 2014
  • 02/06-08/06 2014
  • 26/05-01/06 2014
  • 19/05-25/05 2014
  • 12/05-18/05 2014
  • 05/05-11/05 2014
  • 28/04-04/05 2014
  • 21/04-27/04 2014
  • 14/04-20/04 2014
  • 07/04-13/04 2014
  • 31/03-06/04 2014
  • 24/03-30/03 2014
  • 17/03-23/03 2014
  • 10/03-16/03 2014
  • 03/03-09/03 2014
  • 24/02-02/03 2014
  • 17/02-23/02 2014
  • 10/02-16/02 2014
  • 03/02-09/02 2014
  • 27/01-02/02 2014
  • 20/01-26/01 2014
  • 13/01-19/01 2014
  • 06/01-12/01 2014
  • 30/12-05/01 2014
  • 23/12-29/12 2013
  • 16/12-22/12 2013
  • 09/12-15/12 2013
  • 02/12-08/12 2013
  • 25/11-01/12 2013
  • 18/11-24/11 2013
  • 11/11-17/11 2013
  • 28/10-03/11 2013
  • 21/10-27/10 2013
  • 14/10-20/10 2013
  • 07/10-13/10 2013
  • 30/09-06/10 2013
  • 23/09-29/09 2013
  • 16/09-22/09 2013
  • 09/09-15/09 2013
  • 02/09-08/09 2013
  • 05/08-11/08 2013
  • 29/07-04/08 2013
  • 22/07-28/07 2013
  • 15/07-21/07 2013
  • 08/07-14/07 2013
  • 01/07-07/07 2013
  • 24/06-30/06 2013
  • 17/06-23/06 2013
  • 10/06-16/06 2013
  • 03/06-09/06 2013
  • 27/05-02/06 2013
  • 13/05-19/05 2013
  • 06/05-12/05 2013
  • 29/04-05/05 2013
  • 22/04-28/04 2013
  • 25/03-31/03 2013
  • 18/03-24/03 2013
  • 11/03-17/03 2013
  • 04/03-10/03 2013
  • 18/02-24/02 2013
  • 28/01-03/02 2013
  • 21/01-27/01 2013
  • 07/01-13/01 2013
  • 31/12-06/01 2013
  • 24/12-30/12 2012
  • 17/12-23/12 2012
  • 10/12-16/12 2012
  • 03/12-09/12 2012
  • 26/11-02/12 2012
  • 19/11-25/11 2012
  • 12/11-18/11 2012
  • 05/11-11/11 2012
  • 29/10-04/11 2012
  • 22/10-28/10 2012
  • 15/10-21/10 2012
  • 08/10-14/10 2012
  • 01/10-07/10 2012
  • 24/09-30/09 2012
  • 10/09-16/09 2012
  • 03/09-09/09 2012
  • 13/08-19/08 2012
  • 06/08-12/08 2012
  • 30/07-05/08 2012
  • 23/07-29/07 2012
  • 02/07-08/07 2012
  • 25/06-01/07 2012
  • 18/06-24/06 2012
  • 11/06-17/06 2012
  • 04/06-10/06 2012
  • 28/05-03/06 2012
  • 14/05-20/05 2012
  • 07/05-13/05 2012
  • 30/04-06/05 2012
  • 23/04-29/04 2012
  • 16/04-22/04 2012
  • 09/04-15/04 2012
  • 02/04-08/04 2012
  • 26/03-01/04 2012
  • 19/03-25/03 2012
  • 12/03-18/03 2012
  • 05/03-11/03 2012
  • 27/02-04/03 2012
  • 20/02-26/02 2012
  • 13/02-19/02 2012
  • 06/02-12/02 2012

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !


    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!