er zijn een belg, een duitser en een nederlander. Ze gaan een vliegtuig`in en de belg gooit een zak friet naar beneden, de duitser een baksteen en de nederlander een handgranaat. Als ze even later weer uitstappen, ziet de belg een kind met een zak friet langslopen. 'Waar heb jij die zak friet vandaan?`vroeg hij. ' ik bad tot god dat ik eindelijk iets te eten zou hebben en toen viel die zak op mijnb hoofd.` antwoord de jongen. De duitser ziet een kind die huilt langslopen. `waarom huil jij?` vraagt hij. ' Ik had net een fiets gestolen en toen viel er een baksteen uit de lucht, god straft meteen`, antwoord de jongen. Als de nederlander later een giechelend meisje langs ziet lopen vraagt hij:`Waarom ben jij zo aan het giechelen?' Antwoord het meisje: 'Ik liet net een scheet en toen ontplofte er achter mij een huis.
Er was eens een land, een prachtig land met bergen, bossen, meren en uitgestrekte vlakten, omspoeld door de zee. Het was een rijk land want er werd goud en diamanten in de bodem gevonden.
De mensen in dat land zouden heel gelukkig kunnen zijn, maar ze waren ongelukkig. In dat land woonden witte en zwarte mensen. De meeste mensen waren zwart maar de zwarte mensen werden onderdrukt door de witte mensen. De zwarte mensen hadden altijd in dat land gewoond en de witte mensen waren eigenlijk vreemdelingen, die eeuwen geleden uit andere landen waren gekomen.
De witte mensen vonden dat de zwarte mensen dom waren en niet konden leren, daarom mochten ze niet naar school. De zwarte mensen moesten werken voor de witte mensen; ze moest het vuile en zware werk doen en in de mijnen werken om het goud en de diamanten voor de witte mensen uit de grond te halen. Ze verdienden maar heel weinig met hun werk zodat ze armoede leden. Ze woonden in huizen die je eigenlijk geen huizen kunt noemen, ze hadden weinig te eten en als ze ziek werden hadden ze geen geld voor een dokter.
De zwarte mensen mochten niet reizen in een bus of in een trein die voor witte mensen waren bestemd. Bij winkels, hotels, cafés, Wc's en banken in parken stonden borden met de tekst: verboden voor zwarten. Witte en zwarte mensen mochten zelfs niet verliefd op elkaar worden of met elkaar trouwen, daarop stond een zware straf.
Zwarte mensen die de witte mensen niet gehoorzaamden of in verzet kwamen tegen de onderdrukking en het onrecht werden in de gevangenis gegooid. Het gebeurde zelfs dat witte politieagenten zwarte mensen doodschoten, bijvoorbeeld bij demonstraties en stakingen.
In dat land werd op een dag een jongen geboren in een zwarte familie. Zijn voorouders stamden uit een koninklijk geslacht. Hij groeide op in een dorp waar alleen zwarte mensen woonden. De jongen zwierf door de heuvels en over de velden,langs beken en door de bossen. Hij speelde met z'n vrienden en hij merkte niet hoe slecht de witte mensen waren tegen zijn volk.
Hij had het geluk dat hij naar een school kon en toen hij ouder werd kon hij studeren op een universiteit waar zwarte studenten mochten studeren.
In de stad ontdekte de jongen, die later heel bekend zou worden als Nelson Mandela, hoe slecht de zwarte mensen het hadden. Hij zag hoe armoedig ze leefden, dat de kinderen niet naar school mochten en dat veel mannen geen werk hadden. Hij zag hoe zwarte mensen zomaar gearresteerd werden en in elkaar geslagen werden door witte politieagenten.
Op een keer stond hij met z'n auto zonder benzine. Hij vroeg bij een boerderij of men wat benzine had. 'Niet voor jou soort mensen', kreeg hij ten antwoord. Bij een andere boerderij vroeg hij weer om benzine maar nu zei hij: 'M'n baas staat zonder benzine', toen kreeg hij het wel. Want z'n baas kon alleen maar een blanke zijn.
Toen Nelson Mandela ongeveer 20 jaar was dacht hij na over z'n toekomst en over de toekomst van de zwarte mensen en hij moest denken aan alle keren dat hij vernederd was, alleen omdat hij zwart was. Hij zag dat de witte mensen in de mooie huizen woonden en de zwarten in krotten, zonder water, elektriciteit. Veel kinderen stierven omdat de ouders een dokter niet konden betalen.
Het werd Nelson Mandela steeds duidelijker hoe erg zwarte mensen werden onderdrukt en gekleineerd. Hij werd advocaat omdat hij op deze manier mensen kon helpen die in moeilijkheden waren gekomen. Hij praatte met vrienden over het onrecht dat zwarte mensen werd aangedaan en ze vonden dat dit niet kon blijven voortduren. De zwarte mensen moesten bevrijd worden, ze moesten in opstand komen tegen de onderdrukking en dezelfde rechten krijgen als de witte mensen.
De baas van Mandela waarschuwde hem omdat hij merkte dat hij zich het lot van de zwarte mensen erg aantrok. Z'n baas zei: 'Nelson bemoei je niet met de strijd van de zwarte bevolking voor een beter leven. Je kunt als advocaat een goed leven hebben. Je kunt veel geld verdienen, een mooi huis kopen en in een dure auto rijden. Daar gaat het toch om in het leven? Als je kiest voor de strijd voor de zwarten dan verlies je alles.' Maar Mandela koos voor de strijd en verloor inderdaad alles: z'n werk, z'n geld, z'n huis. Maar wat hij niet verloor was z'n ideaal: vrijheid en een menswaardig leven voor de zwarte bevolking.
Nelson Mandela sprak de mensen toe op grote bijeenkomsten waar duizenden mensen bij elkaar kwamen. Hij zei: 'Dit nemen we niet langer, we laten ons niet meer als slaven gebruiken. We zijn er trots op dat we zwart zijn en we zullen niet meer buigen maar we zullen fier en rechtop de witte mensen de waarheid in het gezicht slingeren: dat ze ons op een mensonwaardige manier behandelen en dat de tijd gekomen is waarop we onze kracht zullen laten zien. Nelson Mandela stak zijn vuist omhoog en alle mensen die naar zijn toespraken luisterden staken hun vuist omhoog als teken van hun kracht. En ze riepen: 'De macht aan het volk!'
Er werden stakingen en protestmarsen georganiseerd en de mensen zongen: 'we willen vrijheid en gelijkheid, de macht aan het volk!' Maar iedere keer greep de politie in, er werden veel demonstranten gearresteerd en er vielen ook doden omdat de politie op de menigte schoot. Hierdoor werd de woede van de zwarte mensen steeds groter. Nelson Mandela zei tegen zichzelf: Ik ga er voor vechten dat de mensen van mijn volk het beter krijgen. Al kom ik in de gevangenis of wordt ik doodgeschoten, ik heb er mijn leven voor over.
Omdat hij gezocht werd door de politie moest hij alles in het geheim doen. Hij kon niet bij z'n vrouw en kinderen blijven en hij woonde steeds ergens anders zodat de politie hem niet kon vinden. Hij veranderde zijn uiterlijk, hij liet z'n baard groeien en kleedde zich als tuinman of als bediende.
Maar iemand verraadde Nelson Mandela en op een dag werd hij door een aantal politieauto's klemgereden en gevangen genomen, samen met een aantal kameraden. In de gevangenis zongen ze hun strijdliederen en dat gaf hen de moed om vol te houden. Na een proces dat heel lang duurde werden Mandela en een aantal medestrijders tegen de overheersing van de blanken tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld. Ze werden verbannen naar Robbeneiland. Op dat eiland was een gevangenis en het was onmogelijk om te ontsnappen.
Nelson Mandela zat gevangen in een kleine cel en iedere dag moest hij stenen hakken in een steengroeve. Hij en zijn medegevangenen kregen heel weinig te eten. De bewakers scholden de gevangenen uit, treiterden en vernederden hen. Op deze manier probeerden ze hem kapot te maken. Maar ze konden Nelson Mandela niet klein krijgen. Iedere keer, als hij het heel moeilijk had, dacht hij: ik vecht voor mijn volk zodat het ooit bevrijdt wordt van de vernederende onderdrukking en daarom moet ik het volhouden.
Nadat hij al vele jaren gevangen zat vroeg hij aan zijn bewakers of hij op de binnenplaats van de gevangenis een kleine groentetuin mocht aanleggen. Jarenlang weigerden de bewakers toestemming te geven maar Nelson Mandela hield vol en uiteindelijk kreeg hij toestemming.
De grond die hij moest bewerken was steenhard. Hij moest eerst alle stenen weggraven voordat er iets kon groeien. Van de eerste zaden die hij zaaide kwam niet veel op, ze vielen voor een deel op de stenen of ze verdroogden in de zon. Maar langzamerhand werden kleine stukjes grond vruchtbaar. De planten groeiden steeds beter. De groente uit z'n tuin gaf hij aan z'n medegevangenen en aan de bewakers. De zorg voor een klein stukje aarde gaf hem een gevoel van vrijheid.
Na vele jaren op Robbeneiland gevangen gezeten te hebben werd Nelson Mandela naar een andere gevangenis gebracht. Daar vroeg hij om 16 doormidden gezaagde olievaten. Zo ontstonden 32 reusachtige bloempotten die met vruchtbare aarde werden gevuld. Ze werden op het platte dak van de gevangenis gezet omdat daar de hele dag de zon op scheen. Iedere ochtend werkte Mandela enkele uren in zijn tuin van olievaten. Hij kweekte uien, bloemkool, sla, tomaten, bonen, aardbeien en nog veel meer. De bewakers gaven hem zaden van groenten die ze lekker vonden en Mandela gaf aan de bewakers groente die hij oogstte. Iedere zondag bracht hij groenten naar de keuken zodat zijn medegevangenen ook verse groente kregen bij het eten. Toen Nelson Mandela na 27 jaar eindelijk de gevangenis mocht verlaten vond hij het heel erg dat hij geen afscheid kon nemen van zijn bewakers.
In het boek over zijn leven schrijft Mandela: 'Zelfs in de meest uitzichtloze tijden zag ik soms een glimp van menselijkheid in een van de bewakers, misschien maar een seconde lang. Maar het was voldoende om me gerust te stellen, zodat ik weer verder kon. De goedheid van de mens is een vlam die wel verborgen, maar niet gedoofd kan worden.'
Robert en Roel lopen op de kermis in Tilburg. Ziet Roel een grote automaat staan met een gordijntje waarop een bordje hangt “pijpen 5 euro”. Verrukt duwt Robert Roel opzij, springt in het hokje, sluit het gordijn, laat zijn broek zaken voor het gat en verfomfaait een briefje van 5 in de automaat.
Teleurgesteld stapt Robert uit het hokje, er kwam een grote donkere penis uit het gat…
Er komen 3 mensen de kroeg binnen een Dommelsch man en een Bavaria man en een Heineken man zegt de Dommelsch man tegen de barkeeper doet u mij maar een Dommelsch bier zegt de Bavaria man tegen de barkeeper doet u mij maar een bavaria bier zegt de Heineken man tegen de barkeeper geef mij maar water hun nemen toch geen echte bier.
Deze morgen omstreeks 5.45u is er in de zoo van Antwerpen 3 apen ontsnapt!!! Ze hebben er 1 gezien bij de bakker ,een broodje kopen,de 2de aap hebben ze in de carrefour gevonden achter de hoek!En de 3de aap is hier mijne zever aan het lezen dat ik op seniorennet.be zet:) ik ben er zekers van dat je nu zit te lachen
Er komt een japanner bij een hoer die zegt: "Ik kan 35 keer achter elkaar." "Nou," zegt die hoer "als dat lukt dan mag je gratis." "1 ding" zegt de Japanner, "ik moet wel elke keer de trap af en op om me weer op te laden." "Geen probleem" zegt ze. Na 34 keer komt de Japanner niet terug en ze kijkt uit het raam en ziet nog net een bus japanners wegrijden.
Symptoom: Het drinken geeft geen voldoening en heeft geen smaak; het overhemd is nat. Conclusie: De mond is niet open tijdens het drinken, of het glas is naar het verkeerde gedeelte van het gezicht gebracht. Actie: Haal een ander biertje en oefen voor de spiegel. Oefen dit met net zoveel bier als nodig is om de techniek geperfectioneerd te krijgen.
Symptoom: Het drinken geeft geen voldoening en heeft geen smaak; het bier ziet ongewoon bleek. Conclusie: Het glas is leeg. Actie: Vindt iemand die U een nieuw glas aanbiedt.
Symptoom: Voeten voelen koud en nat aan. Conclusie: Het glas wordt onder een incorrecte hoek vastgehouden. Actie: Houdt het glas zo vast, dat het met het open eind aan de bovenkant komt.
Symptoom: Voeten voelen warm en nat aan. Conclusie: Incorrecte blaas controle. Actie: Ga direct naast de dichtst bijzijnde hondenbezitter staan en beklaag u over het gebrek aan training van de hond. Eis een biertje als compensatie.
Symptoom: De bar ziet wazig. Conclusie: U kijkt door de bodem van het glas. Actie: Zoek iemand die U een nieuw biertje aanbiedt.
Symptoom: De bar beweegt. Conclusie: U wordt naar buiten gedragen. Actie: Probeer vast te stellen of U naar een andere bar gedragen wordt. Is dit niet het geval, schreeuw dan dat u door het leger des heils wordt ontvoerd.
Symptoom: U bemerkt plotseling dat de muur van de bar dezelfde decoratie heeft als het plafond. Conclusie: U bent achterover gevallen. Actie: Als het glas nog vol is en er is niemand op uw drink-arm gaan staan, rustig blijven waar u bent.
Symptoom: Alles ziet plotseling donker en u heeft een mond vol losse tanden. Conclusie: U bent voorover gevallen. Actie: Handel hetzelfde als beschreven bij achterover gevallen.
Symptoom: Alles is donker geworden. Conclusie: De bar is gesloten. Actie: Paniek!
Symptoom: U wordt wakker en ondervindt dat het bed koud is, nat en hard aanvoelt; de slaapkamer heeft geen muren en geen plafond. Conclusie: U heeft de nacht in de goot doorgebracht. Actie: Check de tijd om te zien of de bar al open is. Zo niet verwen u zelf en slaap uit.
Louie van Gaal is aan het voetballen met Ajax op penalties maar de spelers schieten allemaal mis of de keeper houdt ze. Opeens komt er een jongetje het veld op lopen en zegt wedden dat ik ze er allemaal inschiet, laat maar eens zien zegt Louie, waarop het jongentje antwoord: maar dan moet ik nog wel even iets van thuis ophalen. na een half uurtje komt het jongentje er weer aan met een emmer water en een poes de jongen dompelt de poes in het water en legt hem op de penaltie stip en hij schiet RAAK!! en 100 keer achter elkaar. Louie vraagt hoe doe je dat??????? waarop het jongentje antwoord: Mijn vader zegt altijd als de poes nat is gaat hij er beter in
Wanneer Pa en Ma volop met de daad bezig zijn komt hun zoontje binnen en vraagt: "Pa, wat ben je aan het doen?" De vader antwoordt: "Ik ben je moeders tank aan het bijvullen". Waarop de jongen zegt: "Nou, dan kun je haar beter inruilen voor een zuiniger model, want dat heeft de buurman vanmorgen ook al gedaan".
Ambtenaar Jansen komt weer eens te laat op zijn werk en krijgt prompt de volle lading van zijn chef. Hij verontschuldigt zich: "Ik heb me vanmorgen verslapen." Chef: "Wat! Thuis slaapt U ook nog???!"
Een Hollander gaat in Belgie naar een hoerenkast. De Hollander en de madam kleden zich uit. De madam kijkt eens naar die Hollander en zegt: "Wat hebde gij een klein fluitje." De Hollander kijkt eens naar de madam en zegt: "Ik wist ook niet dat ik in zo'n grote zaal moest spelen!"
Wat is het verschil tussen een vrouw van: 5 jaar 17 jaar 25 jaar 35 jaar
Die van 5 breng je naar bed en vertel je een sprookje. Die van 17 vertel je een sprookje om om haar het bed in te krijgen. Die van 25 is net een sprookje in bed. En die van 35 zegt, vertel geen sprookjes, en kom naar bed!!
Een stelletje zit na de wip steeds aan elkaar vast en moet met koud water weer loskomen. Dat begint te vervelen en ze gaan naar de dokter. Die zegt jullie moeten het doen op zijn hondjes. Helpt dat dan vragen ze. Nee dat niet, maar het loopt wat makkelijker naar de badkamer.
Een vertegenwoordiger is al vier weken onderweg. Hij heeft zin om eens naar het bordeel te gaan. Binnen gekomen, gooit hij een hand met eurobiljetten op de bar en vraagt daar om het lelijkste wijf dat ze hebben. Het geld wordt geteld en de man wordt verteld dat hij voor dat geld het mooiste en geilste meisje kan krijgen die hij wil. De vertegenwoordiger zegt dat niet te willen. Als hem gevraagd wordt waarom, antwoordt hij: "Omdat ik heimwee naar huis heb..."
Zit een kerel op de tribune in vak-p bij fc twente tijdens de wedstrijd. Opeens haalt deze zijn paal te voorschijn en begint zichzelf af te trekken en spuit de man die voor hem staat onder het sperma. Hierna haalt hij een pak shag uit zijn zak en begint eeen sigaret te draaien. Het hele vak staat de man verontwaardigt aan te kijken waarop hij zegt: "Of mag je hier niet roken?!"
Een zoon komt bij zijn ouders de slaapkamer oplopen en ziet daar zijn moeder boven op zijn vader liggen en zegt: "Mama, wat doe je nou?" Waarop moeder antwoordt: "Je vader denkt dat hij naar de hemel gaat vliegen en daarom blijf ik bovenop hem zitten, zodat hij niet weg kan." Waarop zoonlief zegt: "Nou, dan kan je maar beter de gordijnen dicht doen, want de buren denken dat je ligt te neuken!"
Er was eens een bakkersknecht die door zijn baas werd weggejaagd. Nergens vond hij onderdak en daarom ging hij op weg naar de stad. Onderweg kwam hij in een groot bos waar geen levende ziel te bekennen was. Na lang dwalen hoorde hij plotseling gejammer. Het leek wel een vrouwenstem. Hij ging op zoek. Het geklaag werd luider en luider en bleek uit een klein gat in de grond te komen. "Wat mag dat betekenen?" dacht de jongen, die Jan heette. En hij boog zich nieuwsgierig over het gat. "Wie huilt daar zo?" - "O, o, o," kermde de stem uit de diepte, "wie je ook bent, verlos mij! Ik ben een koningsdochter! Twaalf wrede rovers hebben mij ontvoerd! Over een paar dagen word ik levend gebraden en opgegeten. Verlos mij! Ik geef je mijn hand en alles wat ik bezit." - "Ik zal je bevrijden," stelde Jan het arme kind gerust, terwijl hij dacht: "Als ik maar wist hoe ik in het hol kon komen." Hij keek om zich heen en ontdekte een grote steen, waarop twee doodskoppen waren afgebeeld. Nauwelijks had hij een voet op de steen gezet, of er klonk een belletje en de steen kantelde om.
De bakkersknecht bevond zich nu in een diepe, onderaardse kelder. Uit een donkere gang kwam hem een oud, lelijk wijf tegemoet. "Haha, nog eentje voor ons feestmaal!" kraste de vrouw, terwijl ze Jan beloerde.
Maar de knecht, die niet bang was uitgevallen, vroeg onverschrokken de hoofdman te spreken, omdat hij zich bij de bende wou voegen. "Heb je ooit gemoord en gebrand?" vroeg de roverhoofdman, toen Jan voor hem stond. "Of ik heb gemoord en gebrand?" zei de jongen met een brutale grijns. "Man, voor zulke daden ben ik uit mijn land verbannen!" - "Dan kan ik je gebruiken," hernam de hoofdman. "Luister goed op welke voorwaarden ik je aanneem. Acht dagen lang ga je met de bende mee op alle tochten. Als je je in die tijd dapper gedraagt, stel ik je op gelijke voet met de anderen." Jan was zo geslepen bij het stelen en hij ging zo vastberaden te werk als ze slaags raakten, dat hij binnen drie dagen ieders vertrouwen genoot en zelfs als de moedigste en wreedste van de hele bende bekend stond. "Ik ben tevreden over je," zei de hoofdman, "je bent een flinke kerel en ik kan op je rekenen. Ik heb een dappere bewaker voor onze schuilplaats nodig, als wij op roof uit zijn. Die taak leg ik op jouw schouders." - "Aangenomen," zei Jan en hij lachte in zijn vuistje, want dat was koren op zijn molen. "Luister goed," vervolgde de hoofdman. "Wij houden hier een prinses gevangen die volgende week gedood en opgegeten zal worden. De beste soldaten van de koning, haar vader, zijn naar haar op zoek. Geef je ogen dus goed de kost. Want als de gevangene wordt bevrijd, heeft je laatste uur geslagen." - "Laat ze maar komen," zei Jan, terwijl hij zijn vuisten balde, "ik zal ze warm ontvangen." En om zijn woorden kracht bij te zetten, begon hij zijn mes te slijpen. De hoofdman knikte goedkeurend.
Maar de volgende dag waren de rovers nog geen half uur weg of Jan sloeg de oude heks dood, sneed haar in stukken en stopte die in de ketel boven het vuur. Daarna bevrijdde hij de koningsdochter. "Hier ben ik. Kom, je bent vrij." - "Dank je wel, dank je wel," zuchtte de prinses en zij schoof een gouden ring aan zijn vinger. De jongen tilde haar op en vluchtte met zijn kostbare schat uit het rovershol.
Toen de rovers thuiskwamen, vonden ze van de prinses en van Jan geen spoor. En van de oude heks was ook niet veel meer overgebleven. Ze vloekten zo verschrikkelijk dat het tot ver in de omtrek was te horen. "Te paard, mannen!" riep de hoofdman. "Allen te paard. De schurk is er met de prinses vandoor. We zullen hem krijgen!" De rovers sprongen in het zadel en in galop verdween de bende het bos in.
Toen de twee vluchtelingen lange tijd hadden gelopen, ging de bakkersknecht, die voorzag dat de bende hen zou achtervolgen, met zijn oor op de grond liggen. "Paarden," zei hij verschrikt. "Ik hoor paarden. Kom, laten wij ons in deze struiken verbergen." Het was hoog tijd. Even later stoof de bende vloekend en tierend voorbij hun schuilplaats. "Vooruit, mannen!" hoorden ze de hoofdman roepen. "We moeten ze inhalen! Wee hun gebeente!" Toen het gevaar was geweken, zetten de vluchtelingen hun weg voort. Het werd donker en nergens zagen ze een huis waar ze konden overnachten of de weg konden vragen. Ten slotte kwamen ze bij een grote zee waar een schip voor anker lag. Na lang bidden en smeken mochten ze aan boord.
Maar de kapitein, die zijn oog had laten vallen op de mooie prinses en had vernomen wat er met haar en Jan was gebeurd, liet de jongen nog diezelfde nacht overboord gooien. Hij dwong de prinses onder ede te beloven dat zij met hem zou trouwen en hem aan haar vader zou voorstellen als haar bevrijder. Jan was ondertussen op een stuk drijfhout aan land gespoeld. Hij strompelde voort en kwam, rillend van kou en uitputting, terecht op het kerkhof van een naburige stad. Omdat hij geen geld had voor een onderkomen, legde hij zich tussen de zerken te slapen.
Maar hij had zijn ogen nog niet dicht of hij veerde weer op, want daar tussen de grafstenen zweefde een witte geest en een akelige stem klaagde: "O wee! O wee! Wie zal mij verlossen? Wie? Wie verlost mij?" - "Ik," zei Jan, die na al zijn avonturen geen angst meer kende. "Zeg mij maar wat ik moet doen." - "Ach, vriend," antwoordde de geest, dichterbij komend. "Ik ben bakker geweest in mijn leven, en met hard ploeteren heb ik een grote schat vergaard. Maar helaas heb ik één schep meel gestolen en tot mijn eeuwig ongeluk ben ik gestorven zonder dat ik de diefstal goed heb kunnen maken. In mijn huis zijn drie potten vol goud verborgen. Ga er heen. Neem honderd goudstukken om de diefstal te vergoeden, de rest is voor jou." Daarop wees de geest Jan het huis aan waar de rijkdommen verborgen lagen en gaf hem het adres van de mensen aan wie hij de honderd goudstukken moest brengen. Jan voerde de wens van de dode stipt uit en heropende toen diens bakkerij onder zijn eigen naam.
Nu wilde het toeval dat in dezelfde stad de koning woonde wiens dochter Jan had gered. En korte tijd later sprak de hele stad over de wonderbaarlijke redding van het mooie meisje en over haar aanstaande huwelijk met de scheepskapitein die haar had bevrijd uit het rovershol.
Maar naarmate de trouwdag dichterbij kwam, werd de prinses steeds bleker en droeviger. Dagenlang zuchtte zij en staarde treurig uit het raam en aan niemand wilde zij vertellen wat haar scheelde. Dat alles kwam de bakker ter ore en zijn besluit was snel genomen. Hij wist de paleiskok over te halen alle taarten voor het huwelijksmaal bij hem te bestellen. De grote dag brak aan, het huwelijk werd voltrokken, en het hele hof was verenigd aan een luisterrijk feestmaal. Het nagerecht werd binnengebracht. Een van de dienaren droeg een heerlijke taart, waarop een mooie maagd stond afgebeeld, vastgeketend in een onderaardse spelonk en bewaakt door een lelijke heks. Iedereen bewonderde het kunstwerk en roemde de fantasie van de bakker.
Maar de arme bruid zweeg en zuchtte diep. Zij begreep wat deze afbeelding betekende. Zou haar redder, haar enige liefde, nog in leven zijn? Een tweede taart werd binnengebracht en daarop waren twee vluchtelingen zichtbaar, verscholen in de struiken, angstig kijkend naar een bende ruiters. De gasten prezen dit gebak nog meer dan het eerste, maar de prinses verbleekte, en verroerde zich niet. De derde taart werd opgediend en toen men dit gebak in stukken sneed, lag onderin een gouden ring verborgen. De oude koning, die de ring herkende als het geschenk dat hij zijn dochter lang geleden had gegeven, verlangde een verklaring van dit geheim. Het arme bruidje durfde geen woord te zeggen en barstte in tranen uit. De kok werd ontboden en de koning beval hem de bakker te halen die de taarten had geleverd. Jan trok zijn roverspak aan, zodat hij er uitzag als op de dag dat hij de prinses had bevrijd en begaf zich naar het hof.
Toen de prinses hem zag, slaakte zij een gil en wierp zich in zijn armen. "Vergeef me!" smeekte zij. "Ik ben onschuldig. Die daar heeft mij gedwongen," en zij wees op de scheepskapitein. Nu verhaalde de bakkersknecht hoe hij de prinses had ontdekt en bevrijd, hoe de schurkachtige kapitein hem had willen verdrinken, om zichzelf als redder uit te geven, en hoe hij ten einde raad deze drie taarten had gebakken om op die manier de prinses te laten weten dat hij aan de dood was ontsnapt. De koning liet de bedrieger onmiddellijk gevangen nemen en schonk Jan de hand van de prinses. De volgende dag werd opnieuw feest gevierd, nog groter en schitterender dan de eerste keer. Terwijl de gasten zich te goed deden, rukte de beul de scheepskapitein zijn tong uit en onthoofdde hem in tegenwoordigheid van de hele burgerij.
Een jongen van 16 komt bij zijn vader en zegt:"Pa ik heb mijn eerste sexuele ervaring gehad". Zegt zijn vader:"Gefeliciteerd ga zitten en pak een biertje". Zegt zijn zoon:"een biertje wil ik wel maar ik ga niet zitten".
Staat een oud opa'tje naast de snel weg met ze scootmobiel die pech heeft ,maar het eerst volgende bezine station is pas over 20km.Komt er ineens een bmw 745i naast hem staan zegt hij tegen hem "Als je wil kan ik je trekken tot het volgende benzine station als ik te hard ga moet je toeteren".Okee zegt de opa .Eenmaal op de snelweg komt er ineens een ferrarie naast de bmw rijden en daagt hem uit voor een race ,waardoor de bmw bestuurder helemaal vergeet dat die opa nog achter hangt.Een oogetuige ziet dat zegt hij tegen ze vrouw :"je raadt nooit wat ik net zag een ferrarie en een bmw waren aan het racen en een scootmobiel was aan het toeteren of die er langs mocht.
Een Oma stapt in de douche en komt er weer uit net als haar kleinkind in de douche binnen komt. Oma houdt verschrikt haar hand tussen haar benen en het kind vraagt? Oma wat zit daar? Och zegt Oma, dat is mijn spons. Dezelfde Oma moet geopereerd worden aan de blinde darm en wordt dus in het ziekenhuis kaal geschoren vanonderen. Als Oma weer thuis is en het kleinkind ziet Oma weer naakt zegt het kleinkind, Oma waar is de spons gebleven? Die ben ik verloren, zegt Oma. Dan ga ik die zoeken, zegt het kind. Na een kwartier komt het kind roepend naar binnen gerent en zegt, Oma ik heb de spons van jou gevonden. Waar heb je die gevonden zegt Oma. Nou, zegt het kind, de buurvrouw was met de spons Opa zijn gezicht aan het wassen.
De Filistijnen bereidden opnieuw een oorlog voor. Ze verzamelden zich in Socho in Juda en sloegen hun kamp op in Efes-Dammim, tussen Socho en Azeka. Saul riep het leger van Israël op en sloeg zijn kamp op in de Terebintenvallei. Daar stelden ze zich op tegenover de Filistijnen: op de ene helling stonden de Filistijnen en op de andere de Israëlieten; het dal lag tussen hen in.
Uit de gelederen van de Filistijnen trad een kampvechter naar voren, een zekere Goliath uit Gat, een man van ruim zes el lang. Hij had een bronzen helm op zijn hoofd en droeg een bronzen schubbenpantser dat wel vijfduizend sjekel woog. Ook zijn scheenplaten waren van brons, evenals het kromzwaard dat over zijn schouder hing. De schacht van zijn lans was zo dik als de boom van een weefgetouw en de punt was gemaakt van zeshonderd sjekel ijzer. Een schildknecht ging voor hem uit.
In het dal bleef de Filistijn staan en riep de Israëlieten toe: "Waarom zouden jullie optrekken en slag leveren? Ik ben een vrije Filistijn, en jullie zijn maar slaven van Saul! Kies iemand uit jullie midden en laat hem hier beneden komen. Als hij me aankan en me verslaat, zullen wij aan jullie onderworpen zijn, maar als ik hem aankan en hem versla, zullen jullie aan ons onderworpen zijn en ons als slaven dienen. Hierbij daag ik het leger van Israël uit om me iemand te sturen met wie ik een tweegevecht kan houden." Bij het horen van deze woorden stonden Saul en het leger van Israël verlamd van schrik.
David was een zoon van Isaï uit Betlehem, dat in de streek Efrata in Juda ligt. Deze Isaï had acht zonen. Hijzelf was in de tijd van Saul al te oud om nog onder de wapenen te gaan, maar zijn drie oudste zonen trokken met Saul ten strijde. De oudste heette Eliab, de tweede Abinadab en de derde Samma. David was de jongste. Zijn drie oudste broers waren met Saul ten strijde getrokken, en hij ging heen en weer tussen het kamp van Saul en Betlehem, waar hij de kudde van zijn vader hoedde.
Ondertussen trad de Filistijn elke ochtend en elke avond naar voren, veertig dagen lang, en bleef dan staan wachten.
Op een dag zei Isaï tegen zijn zoon David: "Hier heb je een zak geroosterd graan en tien broden. Breng die snel naar je broers in het legerkamp. En deze tien kazen moet je aan hun bevelhebber geven. Vraag je broers hoe het met ze gaat en neem een levensteken van hen mee terug." Saul was met de soldaten van Israël, onder wie Davids broers, nog steeds gelegerd in de Terebintenvallei, tegenover de Filistijnen.
De volgende ochtend vroeg ging David met de proviand op weg, zoals Isaï hem had opgedragen. Zijn kudde liet hij achter onder de hoede van iemand anders. Hij kwam juist bij het wagenkamp aan toen het leger onder het aanheffen van strijdkreten de linies betrok. De Israëlieten en de Filistijnen stelden zich in slagorde tegenover elkaar op. David gaf zijn spullen af aan de foerier en haastte zich naar de gevechtslinie. Daar vond hij zijn broers en hij vroeg hun hoe het met ze ging. Terwijl hij met ze aan het praten was, trad uit de Filistijnse gelederen de kampvechter naar voren, Goliath uit Gat, en David hoorde hem de Israëlieten uitdagen zoals hij dat elke dag deed. Bij het zien van Goliath renden de Israëlieten angstig weg.
"Zien jullie die man daar?" zeiden ze tegen elkaar. "Israël vernederen, daar is het hem om te doen! Wie hem verslaat, zal door de koning met rijkdommen worden overladen. Bovendien krijgt hij de koningsdochter tot vrouw en wordt zijn familie vrijgesteld van schatting en herendienst."
David vroeg aan de soldaten die in zijn buurt stonden: "Wat gebeurt er met degene die die Filistijn daar verslaat en Israël van deze schande bevrijdt? Wat denkt die onbesneden Filistijn wel, dat hij de gelederen van de levende God durft te beschimpen!" De soldaten herhaalden tegen hem wat ze zojuist gezegd hadden.
Toen Davids oudste broer Eliab hem met de soldaten hoorde praten, viel hij woedend uit: "Wat doe je hier eigenlijk? Hoor jij niet in de woestijn op je schapen te passen? Echt iets voor jou, om met je brutale neus vooraan te willen staan als er gevochten gaat worden." "Wat doe ik nu weer verkeerd?" antwoordde David. "Ik vraag het toch alleen maar!" Hij draaide zijn broer de rug toe en legde zijn vraag nog aan anderen voor, en kreeg weer hetzelfde antwoord.
Davids vragen bleef niet onopgemerkt. Men vertelde het aan Saul, en die liet hem bij zich komen. David zei tegen Saul: "We hoeven om die Filistijn toch niet de moed te verliezen, Heer. Ik zal met hem het gevecht aangaan." "Maar je kunt hem toch onmogelijk aan," wierp Saul tegen. "Jij bent nog maar een jongen en hij is al van jongs af aan gewend om te vechten." "Ik heb altijd de kudde van mijn vader gehoed," antwoordde David. "Wanneer er een leeuw of een beer kwam om een schaap of een geit uit de kudde te stelen, ging ik erachteraan, overmeesterde hem en redde het dier uit zijn muil. En als hij me wou aanvallen greep ik hem bij zijn kaken en sloeg ik hem dood. Leeuwen en beren heb ik verslagen en die onbesneden Filistijn zal het net zo vergaan, omdat hij de gelederen van de levende God heeft beschimpt! De Heer, die me gered heeft uit de klauwen van leeuwen en beren, zal me ook redden uit de handen van deze Filistijn." "Ga dan," zei Saul tegen David, "en moge de Heer je bijstaan." Hij gaf hem zijn eigen uitrusting en hielp hem die aan te doen: een bronzen helm voor op zijn hoofd en een borstkuras. Ten slotte gordde David het zwaard om en probeerde een paar passen te lopen, omdat hij aan zo"n zware uitrusting niet gewend was. "Ik kan hier niet mee lopen," zei hij tegen Saul, "ik ben dat niet gewend." En hij deed de uitrusting weer af. Hij pakte zijn stok, zocht vijf ronde stenen uit de rivierbedding en stopte die in zijn herderstas. Toen liep hij op de Filistijn af, zijn slinger in de hand.
Met zware stappen kwam de Filistijn op David af, voorafgegaan door zijn schildknecht. Hij nam David, een knappe jongen met rossig haar, geringschattend op en zei: "Ben ik soms een hond, dat je met een stok op me af komt?" En hij vervloekte David in de naam van zijn goden. "Kom maar op," zei hij, "dan maak ik jou tot aas voor de gieren en de hyena"s." "Jij daagt me uit met je zwaard en je lans en je kromzwaard," antwoordde David, "maar ik daag jou uit in de naam van de Heer van de hemelse machten, de God van de gelederen van Israël, die jij hebt beschimpt. Maar vandaag zal de Heer je aan mij uitleveren: ik zal je verslaan en je hoofd afhouwen, en ik zal de lijken van de Filistijnen aan de aasgieren en de hyena"s ten prooi geven, zodat de hele wereld weet dat Israël een God heeft. Dan zal iedereen hier beseffen dat de Heer geen zwaard of lans nodig heeft om te overwinnen, want hij is degene die de uitslag van de strijd bepaalt en hij zal jullie aan ons uitleveren."
Toen kwam de Filistijn op David af en wilde tot de aanval overgaan, maar David was hem te snel af. Hij rende hem tegemoet, stak zijn hand in zijn tas en haalde er een steen uit, slingerde die weg en trof de Filistijn zo hard tegen het voorhoofd dat de steen naar binnen drong en de Filistijn voorover stortte.
Zo overwon David de Filistijn met een slinger en een steen; hij trof hem dodelijk zonder dat hij daar een zwaard bij nodig had. Hij rende naar de Filistijn toe, boog zich over hem heen en trok diens zwaard uit de schede. Daarmee gaf hij hem de genadestoot en sloeg hem zijn hoofd af. Toen de Filistijnen zagen dat hun held dood was, sloegen ze op de vlucht. Nu sprongen de Israëlieten en Judeeërs op, hieven de strijdkreet aan en achtervolgden hen tot aan Gat en de poorten van Ekron. De hele weg van Saäraïm tot aan Gat en Ekron lag bezaaid met gesneuvelde Filistijnen. En toen de Israëlieten van hun achtervolging terugkwamen, plunderden ze het Filistijnse legerkamp. David nam het hoofd van de Filistijn mee om het naar Jeruzalem te brengen; de wapens die hij hem had afgenomen legde hij in zijn tent.
Terwijl Saul toekeek hoe David de Filistijn tegemoet trad, vroeg hij aan zijn opperbevelhebber Abner: "Zeg eens, van wie is die jongen een zoon?" "Zo waar u leeft, koning," antwoordde Abner, "ik weet het niet." "Zoek dan uit van wie die jongeman een zoon is," droeg de koning hem op. Toen David na zijn overwinning op de Filistijn terugkwam, wachtte Abner hem op en leidde hem naar Saul. Het hoofd van de Filistijn had hij nog in zijn hand. "Van wie ben jij een zoon, jongen?" vroeg Saul, en David antwoordde: "Ik ben de zoon van uw dienaar Isaï uit Betlehem."
Twee mannen zitten tegenover elkaar in de trein. Een van de twee probeert een kruiswoordpuzzel op te lossen. Op een gegeven moment slaat hij het boekje dicht. “Ik schei er mee uit. Ik kan het niet”. “Ach”, zegt die ander, “je moet het niet zo snel opgeven. We proberen het samen wel. Roep maar wat”. Die ander pakt het boek weer op en slaat het open. “Hier, vrouwelijk geslachtsorgaan, zes letters beginnende met een ‘V’”. “Horizontaal of verticaal?”, vraagt de ander. “Horizontaal!” “Nee, dan weet ik het ook niet”.
Boven op zolder woont een spookje. Het spookje vindt het leuk om mensen bang te maken. Als het donker is, zweeft het spookje naar beneden. Hij zweeft door de deur van de slaapkamers. Papa en mama slapen altijd. Ze worden niet wakker van het spookje dat boven hun hoofd vliegt. Papa snurkt alleen heel erg hard. Mama kriebelt af en toe met haar neus. Maar als het spookje door de slaapkamer van Jasper zweeft, is het altijd dolle pret. Eerst gaat het ene oog open, daarna het andere. Dan straalt het hele gezichtje van Jasper. Hij duwt het dekbed van zich af en danst door de kamer.
Maar vandaag blijft het spookje op zolder. Jasper loopt naar boven. Hij heeft koude voeten en heeft snel zijn pantoffeltjes aangetrokken. Het lijken wel konijntjes, zo zacht zijn ze. Het is donker op zolder. Jasper doet het licht aan en kijkt of hij het spookje kan vinden. Er staat een hele grote donkere kast in de hoek van de zolder. Jasper opent de deuren. Maar hij ziet geen spookje. Er hangt oude kleding van papa en mama in. Aan de andere kant staan een aantal dozen. Bovenop elkaar gestapeld. Jasper kijkt achter de stapel dozen. Maar ook daar is het spookje niet. Waar is het spookje toch? Jasper draait zich om en kijkt nog eens goed rond. Vlak bij het zolderraam staat een oude stoel. Er liggen wat dekens overheen. Maar als je goed kijkt dan zie je de dekens bewegen. Hoe kan dat nou? Jasper loopt naar de stoel. En met één beweging trekt hij alle dekens van de stoel. De dekens vallen op de grond. En wie ziet hij daar? Ja hoor, het spookje.
Er rolt een traan uit het oog van het spookje. Kunnen spoken huilen dan? Ja zeker, spoken kunnen ook verdrietig zijn. En soms komen er tranen tevoorschijn. Jasper wil graag weten waarom het spookje huilt. “Lief spookje,” vraagt Jasper. “Waarom heb je je verstopt onder de dekens? En waarom huil je?” Het spookje zegt: “Ik ben bang”. “Ben jij bang?” vraagt Jasper. “Hoe kan een spook nou bang zijn. Een spook maakt mensen bang. Dan kan jij toch niet bang zijn?” “Ik ben wel bang. Ik ben bang voor spinnen,” zucht het spookje. Jasper griezelt. Brrrr, spinnen. Het begint overal te kriebelen bij hem. De rillingen lopen over zijn rug. Jasper vindt spinnen ook een beetje eng. Maar hij zegt heel stoer: “Je hoeft niet bang te zijn voor spinnen hoor. Die doen helemaal niets. Spinnen zijn bang voor jou. Dat zegt papa ook altijd.” “Nee hoor, de spin die hier op zolder zit is niet bang voor mij. Ik ben bang voor hem.”Het spookje rilt.
“Waar is de spin,” vraagt Jasper. Hij kijkt om zich heen. Het spookje wijst naar een donkere hoek van de zolder. “Daar is de spin.” Het spookje trilt helemaal van angst. Jasper loopt langzaam naar de hoek van de zolder. Hij kijkt omhoog en ziet de spin! Jasper kijkt nog eens goed. Het is een klein spinnetje. Jasper glimlacht. “Spookje, kom eens kijken. Voor dit kleine spinnetje hoef je echt niet bang te zijn.” Het spookje zweeft langzaam naar Jasper toe. Achter de rug van Jasper voelt het spookje zich veilig. Heel voorzichtig kijkt hij over de schouder van Jasper. Hij ziet het spinnetje. “Dat is niet de zelfde spin die ik gezien heb,” zegt het spookje. “De spin die ik zag is veel en veel groter”.
Jasper gaat op zoek naar de grote spin. Maar nergens is de grote spin te vinden. Niet in de kledingkast, niet achter de stoel. En ook niet achter de stapel dozen. De grote spin is verdwenen. Maar dan roept het spookje angstig: “Ik zie de grote spin. Daar bij de deur”. Het spookje verstopt zich gauw achter de stoel. Jasper kijkt naar de spin. Het is inderdaad een grote spin. Een hele grote spin. Huiverig loopt hij naar de spin toe. Maar Als Jasper bij de spin staat, is het een heel klein spinnetje geworden. Dat is raar. Jasper begrijpt er niets van. Het was toch een grote spin. En nu is het een klein spinnetje. “Spookje, kom eens achter de stoel vandaan. Je hoeft echt niet bang te zijn,” zegt Jasper. Maar het spookje blijft achter de stoel. “Het is geen klein spinnetje, het is een hele grote spin,” zegt het spookje. “Echt waar, kijk maar”. Jasper loopt terug naar de stoel. En samen met het spookje kijkt hij naar het kleine spinnetje. Maar nu is het geen klein spinnetje meer. Het is weer een grote spin! Jasper begrijpt er nu helemaal niets meer van.
Nog een keer loopt Jasper naar de deur waar de grote spin zit. Maar als hij dichterbij komt is het weer een klein spinnetje. Nu begrijpt Jasper het. Het komt door het licht van de lamp. Het licht schijnt op het spinnetje. Als je dichtbij staat is het een klein spinnetje. Maar als je naar de spin kijkt vanachter de stoel, dan zie je de grote schaduw van de spin. “Kom maar hier hoor spookje. Er is helemaal geen grote spin. Dat lijkt alleen maar zo.” Het spookje zweeft heel voorzichtig achter Jasper aan naar de spin bij de deur. Dan ziet het spookje dat het maar een klein spinnetje is. Het spookje is helemaal blij. Het zweeft de hele zolder door. Jasper en het spookje dansen en springen en gillen van plezier. Oeps, het is midden in de nacht. Snel houdt Jasper een hand voor zijn mond. Heeft iemand hun gehoord? Nee hoor. Die nacht spelen Jasper en het spookje verstoppertje. Van slapen komt niets. Maar het spookje is niet meer bang.En de volgende avond kan het spookje weer spoken!
Hier het bewijs dat 1 gek meer kan vragen dan 10 wijzen kunnen beantwoorden:
Wat voelt een vlinder in zijn buik als hij verliefd is? Wat doen militairen in een burgeroorlog? Wat moet zure room met een uiterste houdbaarheidsdatum? Wat tellen schapen als ze willen slapen? Houden ze op een theefabriek koffiepauze? Wat als je je twee keer half dood schrikt? Waarom heet een man met vieze praatjes tegen een vrouw een seksist, maar krijgt een vrouw die vieze praatjes ophangt tegen mannen een gulden per minuut? Wat is de snelheid van het duister? Waarom draagt een kamikazepiloot een helm? Waar zijn de eerste 6 up's gebleven? Waarom is er Whiskas-kip, vis en rund en geen Whiskas-muis? Als een schizofreen met zelfmoord dreigt, spreken we dan van een gijzelingsactie? Is een volle harddisk zwaarder dan een lege? Waarom geeft een antwoordapparaat nooit antwoord als ik iets vraag? Als maisolie van mais komt en olijfolie van olijven, hoe zit het dan met baby-olie? Als zwemmen goed is voor de ontwikkeling van armen en benen, waarom hebben vissen dan geen armen en benen? Waarom worden er sigaretten verkocht in benzinestations als het daar verboden is te roken? Als je niet mag autorijden als je gedronken hebt, waarom hebben bars en cafe's dan parkeerplaatsen? Hoe gaat de bestuurder van de strooiwagen 's morgens naar zijn werk? Als er niets blijft plakken aan Teflon, hoe wordt Teflon dan aan de pan vastgemaakt? Waarom zegt men "de wekker gaat af" terwijl hij eigenlijk aan gaat? Waarom worden appartementen appartementen genoemd als ze allemaal aan elkaar zitten? Krijgt een vis, net als mensen, kramp als hij vlak na het eten gaat zwemmen? Waarom zit je achter een computer terwijl je er eigenlijk voor zit? (Je zit toch ook niet achter een tv?) Waarom wordt fonetisch niet gespeld zoals je het zegt? Hoe heten die harde plastic stukjes aan het eind van je veters? Als een winkel 24 uur per dag en 365 dagen per jaar geopend is, waarom zit er dan een slot op de deur? Waarom is het woord palindroom achterstevoren niet het zelfde gespeld? De zwarte doos in een vliegtuig is onverwoestbaar, waarom wordt het hele vliegtuig dan niet van het zelfde materiaal gemaakt? Zijn de wegwijzers naar een blindenschool ook in braille? Wie heeft het melken van koeien ontdekt en wat dacht hij dat hij aan het doen was toen hij ermee begon? Waarom vind je altijd maar 1 schoen langs de kant van de weg? Waar blijft al het rubber dat van autobanden slijt? Als een vlieg op het plafond landt, maakt hij dan een looping of een draai om zijn as? Waarvoor zijn de witte halve maantjes op je nagels? Een toastje met boter o.i.d. valt altijd met de besmeerde kant naar beneden. Wat zou er gebeuren als je dat toastje op de rug van een kat zou binden en de kat zou laten vallen? Als je van zwemmen slank wordt, wat doen walvissen dan verkeerd? Als superlijm werkelijk alles vastlijmt, waarom dan niet de binnenkanten van de tube? Waarom moet je om een waarzegger te bezoeken een afspraak maken? Als het vandaag 0 graden is en morgen wordt het 2x zo koud, hoe koud wordt het dan morgen? Waarom worden mensen meteen geloofd als ze zeggen dat er aan de hemel 400 biljoen sterren zijn, maar als je ze vertelt dat de deurpost pas geverfd is moeten ze voelen? Waarom bestaat citroenlimonade voor het grootste gedeelte uit kunstmatige middelen en zit er in afwasmiddel echte citroen? Leven getrouwde mensen langer of vinden ze dat alleen maar? Hoe pak je piepschuimballen in als je ze wil opsturen? Is er een ander woord voor synoniem? Waarom wordt er geen kattenvoer met muissmaak verkocht? Hoe zouden stoelen eruit zien als onze knieën aan de andere kant zaten? Waarom loopt je neus, terwijl je voeten ruiken? Waarom gaan vrouwen nooit alleen naar het toilet? Waarom worden voor ter dood veroordeelden in de VS steriele naalden gebruikt? Waarom zitten er in vliegtuigen zwemvesten en geen parachutes?
Er zitten vier generaties hoertjes te praten over het vak. Kleindochter, moeder, grootmoeder en overgrootmoeder. Kleindochter: Goh, ik vraag voor pijpen 50 gulden, wat vroeg jij daarvoor, moeder? Moeder: 25 gulden Kleindochter: En u, grootmoeder? Grootmoeder: 10 gulden Kleindochter: En u, overgrootmoeder, wat vroeg u vroeger voor pijpen? Overgrootmoeder: Oh kind, in mijn tijd deden we het gratis; we waren blij als we een warme hap binnenkregen.
Twee nederlandse soldaten en 1 belgische soldaat willen drugs smokkelen over de grens. De eerste Nederlander sluipt over de grens. hij trapt op een takje en: kraaaaaaak.... de wachters komen uit hun huisje en roepen: wie is daar? woef woef, roept de soldaat. De 2e nederlander probeert het ook. hij struikelt over een boomwortel en: plofffff..... De wachters komen weer uit het huisje en roepen weer: wie is daar? woef woef roept de soldaat. Dan probeert de belg het. Hij stoot zich aan een tak en weer: kraaaak..... de wachters uit hun huisje en weer: wie is daar? Roept de Belg: nog een hond!
Een afrikaan gaat naar de dokter en zegt ik wil nieuwe hersenen. Waarop de dokter zegt: welke wilt u nederlandse of belgische. DE afrikaan die vraagt ‘wat is het verschil?’. De Nederlandse kosten 10000euro en de belgische 100euro. de afrikaan vraagt waarom kosten die meer? Heb jij al eens een holander met hersenen gezien ?
Er was eens een rijke molenaar die over een bloedmooie dochter beschikte. Op een dag moest deze molenaar voor een internationaal molenaarscongres naar het buitenland...zaken doen. Nu had hij echter een groot probleem... Naast de hand- en spandiensten die zijn wulpse dochter aan het bedrijf leverde had hij ook nog eens 10 knechten in dienst, die allemaal wel eens een onderonsje zouden willen hebben met zijn mooie deerne... Al snel besloot de molenaar om bij de smid een kuisheidsgordel te laten maken om er zeker van te zijn dat geen van zijn knechten ook maar een vinger (of iets anders...) uit zou steken naar zijn kind. De bestelling werd geplaatst en de gordel zou klaar zijn op donderdag; een dag voor vertrek. Aldus werd op donderdag weer koers gezet naar de smid. Toen de van trots glimmende smid echter zijn werkstukje aan de molenaar liet zien, verschoot laatstgenoemde van kleur en briestte uit: "Wat is dit voor broddelwerk? Ik vraag jou een kuisheidsgordel te maken en dan kom je met dit ding! Man, precies op de plaats waar het om gaat heb je een gapend gat laten zitten." "Inderdaad," beaamde de smid, "maar let eens op..." en hij nam een blok hout dat voor het haardvuur bestemd was, stak het door het gat en... tsjak! Haarscherp werd het blok doormidden gekapt door een ingenieus verwerkte hakbijl. En het kon nog sterker beweerde de smid. Hij greep een ijzeren staaf, werkte die door het gat en weer... tsjak Haarscherp afgekapt. Grinnikend van voorpret en in zekerheid dat er nu niemand was die heerlijk van zijn dochter zou gaan snoepen, hees de molenaar haar in de kuisheidsgordel, sloot het ding af met bijgeleverde sleutel en ging op reis. Na een kleine drie weken toog de nieuwsgierige molenaar weer huiswaarts en hield bij thuiskomst direct algemeen appèl op de binnenplaats. Alle knechten dienden zich te verzamelen en op bevel van de molenaar hun broeken en onderbroeken te laten zakken. Zo gezegd, zo gedaan... De eerste liet met het schaamrood op de kaken het spul op de enkels vallen en... bleek behoorlijk ontmand te zijn... Woest werd de molenaar en liet hem met een schop onder zijn kont het spreekwoordelijke gat van de deur zien. En zo ging het ook met de tweede en de derde .... tot aan de laatste knecht... En... ja hoor... deze laatste knecht bleek nog te beschikken over het volledige klokkenspel! Huilend van blijdschap wierp de molenaar zich in de armen van deze trouwe knecht en schreeuwde: "Theunis, jij bent de beste van mijn knechten, jij bent mij trouw gebleven... zeg wat je hebben wilt en het is van jou...!" Waarop Theunis met een knalrood gezicht antwoordde: "Awl sjlsjsla hjuwhsjlsellp lplssla."
Lang geleden woonde op een kasteel eens een bediende-echtpaar dat al vele jaren innig verlangde naar een kind. Al het wachten bleef echter vergeefs en op den duur werd de vrouw wanhopig. In haar verdriet deed ze een vreemde uitspraak: "Ach, kon ik toch maar iets het leven schenken," riep ze, "al was het maar een majoraanplantje, dan zou ik al tevreden zijn."
Het idee liet haar niet meer los en uiteindelijk werd ze dan toch zwanger. Negen maanden later bracht ze een welgeschapen majoraanplantje ter wereld. De vrouw hechtte zich net zo aan het plantje als aan een heuse dochter. Ze gaf het elke dag te drinken en verzorgde het vol overgave. Ja, ze snoeide de tere, grijsgroene blaadjes zo kunstig, dat het plantje er op den duur uitzag als een kinderhoofdje, met prachtige ogen en een allerliefst gezichtje. Op het balkon richtte ze een zonnig plekje in voor haar lieveling.
Op een dag reed de zoon van de koning aan wie het kasteel toebehoorde, uit voor de jacht. Hij kwam langs het balkon, liet zijn gevolg stoppen en stuurde een hulpje naar de dienares. "De prins laat weten dat je majoraanplantje hem buitengewoon bevalt. Hij is bereid het voor een goede prijs van je te kopen."
De vrouw aarzelde, maar dan kregen de verlokking van het goud en haar angst voor de prins de overhand. Ze vroeg een aanzienlijk bedrag, dat ze echter zonder problemen ontving. De prins was intussen niet minder tevreden over de koop. De paarse kleur van de bloemetjes en de heerlijke geur die het plantje verspreidde, hadden hem betoverd. Hij zette het voor het raam van zijn slaapkamer en gaf het elke dag trouw water.
Op een nacht ontwaakte de prins uit een diepe slaap. Hij voelde heel duidelijk dat er nog iemand in de kamer aanwezig was. Eerst dacht hij aan een dief, maar hij hield zich doodstil en wachtte af. Zachte, vrijwel onhoorbare voetstappen naderden zijn bed en een onzichtbare hand tilde behoedzaam het beddengoed op. Het volgende moment voelde hij dat er een vrouw in zijn bed was geglipt. Ze bleef de hele nacht, maar voordat de ochtend aanbrak, verdween ze net zo geheimzinnig als ze was gekomen.
Dit herhaalde zich zeven nachten achtereen. Hoewel de prins brandde van verlangen om zijn onbekende lief een keer te zien, mislukte dit steeds opnieuw. Ten slotte bedacht hij een plan. Toen ze weer in het donker slapend naast hem lag, bond hij een streng van haar lange haar om zijn arm en gaf een dienaar het afgesproken klopsignaal. Die bracht een lamp en toen kon hij haar eindelijk in al haar schoonheid bewonderen. Ze sloeg haar ogen op, overwon haar eerste schrik en zei: "Ik ben een fee en ik woon in het majoraanplantje dat je voor zo veel geld hebt gekocht. Ik heb me voorgenomen alle nachten bij je door te brengen."
De prins sloot haar in zijn armen en zwoer haar tot zijn koningin te zullen maken.
Nu trof het zo, dat in die tijd een wild everzwijn ernstig huishield op de akkers van de boeren. De prins was een bekwaam jager en moest op bevel van zijn vader met het beest gaan afrekenen.
"Ik moet een paar dagen weg," zei hij tegen de fee. "Blijf in je schuilplaats en laat je niet zien."
"Doe mij ook een plezier," antwoordde zij, "en bind met een zijden draadje een klokje aan de top van mijn plantje. Trek na je terugkeer aan het draadje, dan weet ik dat je weer thuis bent."
Hij voldeed aan haar wens en riep zijn vertrouwde kamerdienaar bij zich. "Je moet elke avond zoals gewoonlijk het bed opschudden. Vergeet ook niet het majoraanplantje water te geven en denk erom: ik heb elk blaadje geteld. Wee je gebeente als er straks ook maar eentje ontbreekt." Daarop steeg hij op zijn paard en reed weg.
Nu woonden in de omgeving van het kasteel zeven jonge vrouwen. Vroeger had de prins contact met hen gehad en hij zorgde altijd nog dat ze alles kregen wat ze nodig hadden om te leven. Omdat ze hadden gemerkt dat hun weldoener hen de laatste tijd geen blik meer waardig keurde, besloten ze de zaak uit te zoeken. Ze kochten twee metselaars om, die in de vertrekken van de prins een geheime gang moesten aanleggen. Zo stonden ze al gauw alle zeven in zijn slaapkamer, maar ze konden niets bijzonders ontdekken, behalve dan een opvallend fraai majoraanplantje op de vensterbank. Ieder van hen wilde een takje meenemen en daarbij brak de jongste de top van het plantje af, zodat het klokje begon te klingelen.
Een ogenblik later stond de lieftallige fee voor hen. Nauwelijks waren de vrouwen van hun verbazing bekomen, of ze begonnen als wilden door elkaar te schreeuwen: "Loopse teef! Dus jij bent het die ons de prins afhandig wil maken. Dat zullen we je wel eens even afleren."
Ze sloegen met stokken op de arme fee in, verbrijzelden haar schedel en namen er ten slotte ieder een stuk van mee. Alleen de jongste weigerde een dergelijke gruwelijke trofee en nam genoegen met een streng van het goudblonde haar. Daarna vluchtten de vrouwen door de geheime gang weg.
Toen de kamerdienaar die avond het drama ontdekte, sloeg de angst hem om het hart. Hij begroef het gebeente van de fee in de bloempot, stapelde er takjes en bladeren overheen en verdween zo snel hij maar kon.
Drie dagen later keerde de prins terug van de jacht. Hij haastte zich naar zijn slaapkamer en liet het klokje klingelen. Zijn geliefde verscheen echter niet. Toen zag hij hoe treurig het plantje was toegetakeld en hij brak in tranen uit. Hij at en dronk niet meer van verdriet en hij kon geen rust meer vinden, zodat zijn toestand ten slotte ernstig werd.
Op een nacht lag de prins weer slapeloos te woelen, toen hij merkte dat er iemand bij hem in bed glipte. "Treur niet langer," fluisterde een vertrouwde stem. "Je trouwe dienaar heeft me begraven. Nu ben ik opnieuw geboren en kan ik voor altijd mijn plantje verlaten."
De fee vertelde hem alles en van louter vreugde was ook de prins de volgende ochtend weer de oude. Het tweetal had niet gelukkiger kunnen zijn!
Enkele dagen later werd de bruiloft gevierd, waarvoor ook de zeven misdadigsters waren uitgenodigd. Tijdens het feestmaal bracht de bruidegom een heildronk uit op zijn bruid en vertelde de verzamelde gasten over haar lotgevallen. "Wat denken jullie," besloot hij, "welke straf moeten degenen die haar dit hebben aangedaan krijgen?"
"Vierendelen! Ophangen! Verbranden! Verdrinken!" Ieder bracht zijn mening naar voren. Ten slotte was het de beurt aan de bewuste vrouwen, die met opeengeklemde kaken aan tafel zaten. Noodgedwongen moesten ook zij hun oordeel uitspreken. "Ze moeten levend in een riool worden verdronken."
"Jullie hebben je eigen vonnis geveld," riep de prins. "Bind hen vast en smijt hen in de beerput van het kasteel. Daar waar alle vuiligheid samenkomt."
Het vonnis werd direct voltrokken. Alleen de jongste, die een goed hart had, bleef gespaard. De prins schonk haar een fraaie uitzet en liet haar ter plekke trouwen met zijn dienaar.
Beide paren werden heel gelukkig en leefden tevreden tot het einde van hun dagen.
Er zaten eens 2 domme blondjes op een terrasje.opeens zegt die ene:"O,nee mijn vriend is daar met een bos bloemen, ik zal weer de hele avond met mijn benen mogen openliggen." Waarop die andere antwoordt: "Hebben jullie geen vaas dan?"
Een man in de woestijn heeft ontzettende zin om eens met iemand naar bed te gaan, maar er is helemaal niemand in de woestijn. Dus na een paar dagen ziet hij een kameel staan, maar toch waagt hij het erop. Toen hij er bijna was loopt de kameel weg. "shit" denkt hij en loopt weer verder. Na een paar dagen ziet hij dezelfde kameel weer en loopt er weer naar toe. Weer net als hij er bijna was, loopt de kameel weg. Dit gebeurd nog een paar keer en na een paar weken ziet hij een beeldschoon blondje met autopech. De man loopt er heel stoer naar toe en zegt: "Kan ik je helpen?" "Ja, je kunt me helpen met m'n auto." De man maakt de auto en het blondje zegt dat ze alles zou doen om hem terug te betalen. "Nou," zegt de man, als dat zo is, zou je dan misschien even die kameel in de verte willen vasthouden?"
een koe staat in de wei. De Boer brengt de stier erheen, zodat die de koe kan dekken. De stier zal er op gaan, maar dan stapt de koe naar voren toe. Loopt een voetganger voorbij. De boer roept hem en vraagt als hij hem even kan helpen. dat is goed. De man houdt de koe tegen en de boer dirigeert de stier weer op de koe, maar weer stapt de koe vooruit. dit gebeurt nog een paar keer. Vraagt de man: komt u koe toevallig uit nijmegen . Ja zegt de boer helemaal verbaast, hoe weet u dat? zegt de man, het probleem doet mij denken aan mijn vrouw en die komt uit Nijmegen, vandaar
Een ambtenaar zit koffie te drinken. De kantine-juffrouw vraagt hem :Wilt u nog een tweede kopje? Nee, zegt hij, dank u wel, anders kan ik vanmiddag niet slapen!
jantje vroeg aan de juf of hij na school bij haar naar huis mag de juf zij nee jantje,jantje zij tegen de juf anders ga ik heel hard gillen de juf zij oke. even later toen ze er al waren vroeg jantje of ze bij haar mag eten de juf zij nee jantje,jantje zij anders ga ik heel hard gillen oke zij de juf toen.toen ze klaar waren met eten vroeg jantje of hij bij haar mocht blijven slapen de juf zij nee jantje,jantje zij anders ga ik heel hard gillen oke zij de juf maar dan op de logeerkamer evenlater kon jantje niet slapen en ging naar de jufs kamer en vroeg of hij bij haar in bed mocht nee jantje zij de juf jantje zij anders ga ik heel hard gillen hoor oke dan even later vroeg jantje of hij in de jufs navel mocht zitten nee jantje zij de juf jantje zij anders ga ik heel hard gillen haar oke zij de juf evenlater zij de juf dat is niet mijn navel nee mij hand ook niet zij jantje.
Om een apart Kerstgevoel te krijgen besloten ze met z,n tweeën een dagje naar Londen te gaan, samen met twee vrienden. De bus, want daar zouden ze mee gaan, zou op vrijdagnacht van het station om een uur vertrekken. Opgewekt vertrokken ze naar het station waar ze te vroeg aankwamen. Het regende en waaide flink, er was weinig beschutting te vinden. Gelukkig kwam de bus een half uur eerder zodat ze alvast in konden stappen. Het was een luxueuze bus, dubbeldeks en met tafeltjes, zodat ze met zijn vieren tegenover elkaar zaten, de stemming was opperbest, wat je niet kon zeggen van de ruimte die ze hadden om te zitten. Na wat heen en weer geruil had iedereen zijn plaatsje gevonden. Om klokslag een uur vertrok de bus, Dag Nijmegen op naar Londen. Na de gebruikelijke uitleg hoe de komenden vierentwintig uur eruit zouden zien en waar nogmaals gestopt zou gaan worden om nog meer mensen op te nemen, probeerde ieder voor zich toch een beetje te slapen. In de volgende stopplaats, een uur hadden ze inmiddels al gereisd, kwamen de resterende medereizigers aan boord. Ook hier werd opnieuw uitleg gegeven over het verloop van deze vierentwintig uur, met deze toevoeging Heeft iedereen het paspoort bij zich ??? Op dat moment trokken hun hersenen zich samen zoals je een citroen uitperst de PAS VERGETEN !!! Ontreddering alom, wat nu, wat ze wel bij zich hadden was hun rijbewijs. Hij ging met een gevoel in zijn maag alsof er beton in gestort was, dit gevoel trok door tot in de benen en voeten, naar de chauffeur. Deze bevestigde waar hij al bang voor was, geen pas, geen Londen. Wat nu, de bus was al voorbij Breda, in overleg met de chauffeur werd afgesproken te stoppen bij de afslag Oosterhout. Het kostte enige moeite de vrienden ervan te overtuigen niet mee uit te stappen, ze voelden zich schuldig omdat ze, naar hun eigen zeggen, ook vergeten waren hen hieraan te herinneren, onzin, ze vonden dat ze daar zelf verantwoordelijk voor waren. Het ineenkrimpen van de maag werd sterker naarmate ze dichter bij de Damocles afslag kwamen. Daar was hij !!! Volgens de chauffeur was er een hotel waar ze zouden kunnen overnachten. Na afscheidt genomen te hebben van hun twee ietwat ontredderde vrienden, en zelf met een gevoel van Ongelofelijke stommelingen, stapte ze beiden uit in de donkere, regenachtige en een op vreemd zijnde terrein nacht. De bus reed weg, het was alsof ze voorgoed afscheidt namen van hun dierbare en bekende wereld. De betekenis “Alleen op de wereld werd hen in een slag duidelijk”. Om zich heen kijkend waar de ingang van het hotel was, bekruipt hen het onwezenlijke voorgevoel “als het hotel maar open is” alles ziet er zo donker uit. Hun bange vermoedens worden bevestigd, het hotel is gesloten, het is of de duvel er mee speelt. Wat nu, aangeslagen kijken ze om zich heen, niets of niemand te zien. Op het parkeerterrein van het hotel staat een bus “als we eens informeerde of deze terugrijdt naar Nijmegen” nee dus, ook deze bus rijdt naar Londen. Wat gaan we nu doen, het idee wordt geopperd om naar het centrum van deze stad te lopen, wellicht hebben ze daar meer kans op een slaapplaats of een andere oplossing. Op een plattegrond die op de parkeerplaats hangt kijken ze hoe ze moeten lopen om daar te komen. Zo te zien wordt het en wandeling van tenminste een half uur. Als ze een brug overlopen komt hen een paar fietsers tegemoet, ongetwijfeld studenten want de tekst die bij het liedje gezongen wordt is beslist geen Algemeen Beschaafd Nederlands. Als de fietsers hen opmerken wordt het liedje gestaakt om vervolgens verder gezongen te worden onder aan de brug. In het centrum aangekomen te zijn blijkt dat er niets is, maar dan ook helemaal niets waar ze kunnen overnachten. Na enige stuurloze omzwervingen staan ze voor het Politiebureau. Zo te zien ook gesloten, nee wacht, er brand nog licht, aanbellen dan maar. Er komt geen enkele reactie, nog een keer bellen, via een luidspreker in de muur worden ze te woord gestaan. De stem is in zijn geheel niet geïnteresseerd wat er aan de hand is met hun twee. Ik zal wel een taxi voor jullie bellen, krijgen ze via de metaalachtige stem uit een stel gaatjes in die muur te horen. Na enkele minuten is de gaatjesstem terug, dat gaat jullie Fl.400,= kosten, nou nee, een taxi tot de naburige stad is voldoende. Met een “ik bel nog een keer” verlaat de gaatjesstem hen beide, weer staan ze alleen in de regenachtige- vijandige nacht. Op de stoep voor het politiebureau staan ze te wachten, de enkeling die voorbij komt, lopend, op de fiets of met de auto kijkt hen aan met een blik van “wat zouden die uitgevreten hebben”. Na een kwartier, wat wel een uur lijkt, komt de taxi eindelijk. Eenmaal in de taxi ontstaat een geanimeerd gesprek, “eerst betalen dan pas rijden” “hoeveel “ Fl.50,= zegt de chauffeur, maar goed ze zitten even warm en droog. Tijdens de twintig minuten durende rit zit ieder met zij eigen gedachten. Als ze de stad inrijden bekruipt hen opnieuw het gevoel van hulpeloosheid. Dit gevoel wordt sterker als ze het stationsplein oprijden, het is inmiddels halfvier in de ochtend. Als ze naar de stationshal toelopen wordt hen al snel duidelijk dat ze niet naar binnen kunnen. De hal is hermetisch afgesloten, wat nu. Eerst maar eens kijken hoe laat de eerste trein naar Nijmegen vertrekt, tien over halfzes, zegt het bord van de NS. Dat moet te doen zijn, ze zoeken een bushokje op om te schuilen voor de koude en de regen die nu met bakken uit de hemel valt. Zo te zien zijn er om deze tijd nog voldoende mensen onderweg naar ……..of ze staan te wachten op een taxi. Als ze naar een bushokje lopen passeert hen een aangeschoten ruziënd paartje. In een onvervalst dialect wordt aan hem duidelijk gemaakt wat zij van hem vindt. Als ze bij de taxi standplaats komen blijkt er geen taxi te zijn, nu keert hum agressie zich tegen de taxi die nog komen moet. Het lijkt alsof ze beide aan het oefenen zijn wat ze allemaal tegen de chauffeur zullen gaan zeggen als ze eenmaal in de taxi zitten. Uit de donkerte van de overkant van het plein maakt zich een gestalte los. In een rap tempo overbrugt de gestalte de afstand naar deze kant van het plein. Tot ieders verbazing loopt de man naar een hoek voor de deur bij de stationshal. Hij gaat op de grond liggen en begint heen en weer te rollen als een dier dat jeuk heeft op de rug. Het lijkt alsof hij een geurspoor wil afgeven en hiermee wil zeggen “dit is mijn terrein”. Als hij hiermee klaar is komt hij op de groep mensen af waar ook zij bij staan. Wat direct opvalt is de staat waarin hij en zijn kleding zich in bevinden. Hij heeft bloeddoorlopen ogen en maakt een agressieve indruk, dit uit hij door vlakbij de mensen te gaan staan en ze met een blik aan te kijken van een dier dat op jacht is, het is een junk. Zijn jas is van leer, deze wordt aan de mouw aan elkaar gehouden met plakband. Hij vraagt aan het ruziënde paartje een sigaret, die hij prompt krijgt. Zijn aanwezigheid is duidelijk te voelen en te zien, niemand van de aanwezige mensen draait de rug naar hem toe, hij wordt argwanend in de gaten gehouden, de mensen gaan wat dichter bij elkaar staan, het is alsof ieder als een horlogeveer gespannen staat, klaar om te reageren als het mis mocht lopen. Dit merkende trekt hij zich terug naar de eerder gemarkeerde deurmat. Ze maken zich los uit de groep en lopen naar de rand van het plein, steeds achterom kijkend waar de junk op dat moment is. Ze besluiten om een eindje te gaan lopen, als ze het busplein oplopen zien ze een overdekt bushokje, in ieder geval wat beschutting tegen de regen en de wind. Vanaf deze plaats kunnen ze de verrichtingen van de junk steeds gadeslaan. Naar mate er meer mensen van het plein verdwijnen wordt de junk steeds onrustiger, hij loopt constant heen en weer en kijkt om zich heen als een dier in het nauw. Als het plein leeg is richt zijn aandacht zich op de omgeving van het plein. Als hij hen beide in het bushokje gewaar wordt, maakt hij aanstalten hun richting op te lopen. Om een confrontatie te voorkomen besluiten ze het bushokje te verlaten en wederom een stukje te gaan lopen. Als hij achterom kijkt ziet hij dat de junk ze nog steeds volgt. Wat nu, ze besluiten een stuk de stad in te lopen. Na een paar straten kijkt hij nogmaals om, de junk is hen niet gevolgd. Opnieuw zijn ze op zoek naar een schuilplaats, weer niets, ook niet in de weidde omgeving, en het gaat steeds harder aan het regenen. Dan maar terug, misschien is de junk inmiddels wel weg. Als ze de hoek voor het stationsplein om komen horen en zien ze hem, al roepende en zoekende patrouilleert hij over het plein. Aan de andere kant van het plein staat een hotel, langs de gevels lopend om zo min mogelijk aandacht te trekken van de junk lopen ze de richting van het hotel op. De aandacht van de junk wordt verdeeld tussen de deurmat en een paar vuilnisbakken waar hij in rond loopt te schuimen. Als ze bij het hotel zijn bellen ze aan, op de vraag of ze zolang in de lobby mogen wachten, krijgen ze andermaal de kous op het hoofd, de nachtportier zegt dat hij hier niet aan kan beginnen omdat hij wel eens door het hotel moet lopen en hij hen dan alleen achter zou moeten laten in de lobby, dit is iets wat hij niet mag van zij baas. Voor ze het weten staan ze weer op straat. Een gevoel van onmacht en frustratie maakt andermaal van hen meester. Ze lopen terug richting de stationshal in de hoop dat deze nu open is gegaan. Vanuit een portiek kijken ze naar de haldeuren of dat deze open gaan, maar ze zijn en blijven gesloten. Dan maar wachten in dit portiek. Er verschijnen een paar mensen op het plein die richting de haldeuren lopen, maar ook voor hen blijven de deuren gesloten. Pas tegen zes uur gaan de deuren open. Ze lopen richting het station, als ze de hal binnenlopen zijn er al een paar mensen aanwezig. Nu op zoek naar een vertrektijdenbord, hier lezen ze dat de eerst beste trein naar Nijmegen pas om tien voor zeven vertrekt. Op zoek naar een loket voor de kaartjes komen ze tot de ontdekking dat dit pas om halfacht open gaat. Nee hé, Houdt het dan nooit op. Een man die wat verderop staat ziet dat er iets niet helemaal gaat zoals het zou moeten gaan, en hij vraagt of hij kan helpen. Van hem vernemen ze dat je ook met je Giropas een kaartje kunt kopen. Een zucht van verlichting ontsnapt aan hun lippen, eindelijk naar huis, weg uit deze nachtmerrie. De man merkt de opluchting aan hem beider stem als ze nog wat staan te praten. Hij informeert wat er eigenlijk allemaal aan de hand is. Alsof ze uit een boek staat te citeren vertellen ze hun verhaal, ze zijn het er over eens, dat, als je dit vertelt aan een ander, gelooft men dit verhaal nooit of te nimmer. Plots ontstaat er een beroering onder de aanwezige in de hal, de junk komt met een hoop lawaai de hal binnen en hij heeft een maatje meegebracht. Als een roedel dieren beginnen ze met reclameborden te slepen, van de ene kant naar de andere kant, daarbij steeds naar de groep aanwezige kijkend met een blik van “wie doet of zegt iets”. Wederom gaat de groep aanwezigen dichter bij elkaar staan en niemand keert de rug naar de twee toe. Omdat niemand iets zegt of doet wordt hun gedrag drastischer, ze beginnen de groep te omsingelen. Hun ogen zijn bloeddoorlopen en stralen zeer veel agressie uit. Er is nog steeds geen reactie vanuit de groep. De groep wordt groter naarmate de tijd verstrekt. Dit lijkt hun gedrag wat in te perken. Al snel richt hun agressie zich tegen een losstaand vertrektijdenbord. Beide pakken een kant van het bord en werpen het met grote kracht tegen de grond alwaar het met een oorverdovende klap van gebroken glas op de grond uit elkaar springt, overal liggen stukje glas, de trap is eveneens flink beschadigd. Ook nu weer kijken beide met een hoopvolle blik richting de groep aanwezige. Deze gaat nog dichter bij elkaar staan met dit verschil dat nu de mannen voor de vrouwen gaan staan. Dit lijkt effect te hebben, ze gaan beide een eind verderop in de hal op de grond liggen. Ze kunnen de ontspanning van de groep letterlijk voelen. Kennelijk is de klap door personeel van de NS gehoord, er komt iemand van de spoorwegpolitie kijken. Hij neemt de schade op, een stuk uit de trap, het bord is ontzet en de ruiten die erin zaten zijn beide stuk. Hij loopt naar een van de aanwezige in de hal en vraagt of deze heeft gezien wat er gebeurd is. De man beaamt dit en is bereid om te getuigen tegen de twee junks. Via zijn mobilofoon roept hij de plaatselijke politie op, als deze arriveert lopen ze op de beide mannen af om te ervaren wat er precies aan de hand is en of de tweede man alsnog wil getuigen. Een van beide junks krijgt in de gaten wat er gezegd wordt, en hij richt zijn agressie op de man die getuigen wil. Hierop ontstaat een schermutseling tussen de politie en de junk. Onder de opmerking “Wat, gaan we dreigen” wordt hij in de boeien geslagen. De andere junk steekt beide armen direct uit en wordt eveneens aangehouden. Hij blijkt nog geen vierentwintig uur uit de gevangenis te zijn ontslagen, sterker nog, hij loopt met de ontslagpapieren van de gevangenis nog op zak. Beide worden onder hun hevig verzet in de politieauto gezet en afgevoerd. De rust keert langzaam terug in de hal en eenieder zoekt haar/ zijn perron op. Na een paar minuten loopt de trein binnen die hen eindelijk uit deze nachtmerrie weg zal halen. Met een zucht van verlichting stappen beide in, eindelijk warmte en een droge plek, als de trein onderweg is vallen beide in een onrustige slaap. Als hij op een gegeven moment wakker schrikt en naar buiten kijkt, dringt het als koude rietsuikerstroop tot hem door dat hij deze omgeving kent. Nog net op tijd maakt hij zijn vrouw wakker en beide stappen razend snel uit de trein. Als ze buiten het station staan slaken ze een zucht van verlichting, vertrouwd terrein, deze omgeving willen ze nooit meer verlaten, voor dit moment. Snel zoeken ze een taxi op die hen zo snel mogelijk naar huis brengt. Koud, nat en beide gedesillusioneerd draait hij de sleutel van de voordeur om en stappen ze hun huis binnen. Gauw wordt de kachel hoog gezet en de verschillende Kerstverlichtingen aangestoken, vlug de natte kleding uitgetrokken. Onder het genot van een kop koffie kijken ze elkaar aan, dit nooit weer. Bij de Kerstkribbe- en boom herhalen ze nogmaals, als we dit aan andere vertellen gelooft niemand ons. Als de koffie leeggedronken is gaan ze naar bed, nog een laatste blik naar de Kerstkribbe- en boom, het Kerstverhaal kan wel oud zijn, maar vandaag de dag zou het zeker weer kunnen, mijmert hij. Dicht tegen elkaar aan gekropen vallen ze in een diepe slaap.
Etentje Een meisje vraagt haar vriendje om vrijdagavond bij haar ouders te komen eten. Omdat dit een hele stap is, kondigt het meisje aan dat ze daarna met hem uit wil gaan en dan voor het eerst met hem wil vrijen. De jongen is vreselijk blij, maar is nog nooit met een meisje naar bed geweest. Dus hij gaat naar de drogist om condooms te halen. De drogist is erg behulpzaam en een uur lang vertelt hij de jongen alles over seks en condooms. Bij de kassa vraagt de drogist of de jongen een pakje van drie, tien of twintig wil. De jongen wil een pak van twintig, aangezien dit de eerste keer is en hij wel een tijdje bezig zal zijn. Die avond komt de jongen bij de ouders aan en het meisje doet open. Ze is erg enthousiast en ze gaan meteen aan tafel. De jongen stelt gelijk voor te gaan bidden en gaat met gebogen hoofd zitten. Na tien minuten nog steeds. Na twintig minuten met gebogen hoofd te hebben gezeten, buigt het meisje naar hem toe en zegt: "Ik heb nooit geweten dat je zo religieus was!" De jongen antwoordt: "Ik heb nooit geweten dat jouw vader drogist was!"
Mijn naam is agent wiedstra. Ik was een agent bij de gemeente amsterdam. Nu ben ik ergens waar alleen god me ziet. Ik ben op een plek waar iedereen gelukkig is en niemand pijn lijdt.En allemaal door die ene kogel, die mij naar dit paradijs stuurde. Het ging zo. Ik was weer op pad gestuurd omdat er een huiselijk geweld was gemeld bij een gezin aan de andere kant van de stad. Ik reed er rustig heen totdat ik wat zag gebeuren. Drie mannen beroofde een lief oud vrouwtje van haar geld, sieraden en alles wat voor de rest van waarde was. Ze was ten einde raad dus ging ik toen de mannen weg waren naar haar toe en sprak de vrouw aan.De vrouw was blij dat ik haar wilde helpen. Dus ze zei wat ze wist van de mannen.Blijkbaar waren het bekende van haar dus zij kon precies zeggen waar ze woonde, werkten en hoe ze heten. Toen ik genoeg wist nam ik contact met het bureau op om te kijken of ik nog meer van de mannen te weten kon komen.Zei zeiden dat ze niks in de computer hadden staan maar verder zouden zoeken, want ze hadden de namen wel ergens gehoord alleen niet waar. Nu ik toch bezig was vroeg ik ook effe of ze het oude vrouwtje konden natrekken, Omdat ik iets aan haar niet vond kloppen. Ze vonden ook niks over de vrouw. Dus ik vond het wel goed zo. Maar ik bleef er een raar gevoel over houden. Dus ik vroeg wel om versterking om de mannen op te pakken.Ze zeiden dat er vandaag niemand meer was die mij kon helpen. Dus daarom moest ik beslissen of ik ze de volgende dag zou oppakken of vandaag maar dan was ik wel alleen. Ik besloot om ze vandaag op te pakken. En reed weg. Ik ree niet naar de plaats waar ze zich zouden bevinden, maar eerst naar het bureau om toch het nog effe zelf te checken omdat het me niet lekker bleef zitten. Toen ik daar aankwam sprong ik meteen achter de computer en typte de namen in. Maar zoals de mensen van de centrale al zeiden was er niks te vinden over de mannen. Dus Ik checkte toch nog effe of ik iemand mee kon krijgen. Ik kon een iemand mee krijgen. Het was een forse man. Zelf was ik ook vrij breed maar zo breed als hij was ik niet. Hij was net nieuw op het bureau hij kwam uit Alkmaar. Waar hij 12 jaar in dienst was geweest totdat er iets met zijn partner gebeurden. Waardoor de hoofdinspecteur het beter vond, dat hij naar ons toe kwam.Hoe het was gebeurd daar wilde de man niet overpraten. Dus wij vroeger er ook niet naar , Omdat het ons wel een goede man leek werd die ook veel gevraagd om mee te gaan op patrouille. En soms ging die mee naar een roofoverval, Daardoor had hij ervaring. Dus we gingen op bad. Ik was een stuk rustiger met hem in de buurt. Omdat ik toch zelf wel bang was voor wat komen ging.Ik bleef er geen lekker gevoel over hebben en dat zag mijn partner. Hij vroeg niks en liet me gaan. Ik liet hem daarom ook rijden. We reden drie kwartier en kwamen in de buurt en we herkenden allebei de straten. Hier werden nogal wat mensen vermoord meestal was het een afrekening maar soms vonden we hier ook weleens een agent . de maand hiervoor waren we nog een collega daar verloren omdat die toevallig patrouille liep en hij iets had gezien wat hij niet mocht zien. Wat onze collega en vriend had gezien waren we nooit achtergekomen. De daders hebben we ook nooit kunnen vinden. Wat een tragedie was dat. Drie agenten waren na dat incident opgestapt. nou wilde ik dat ik dat ook had gedaan want ik was gek genoeg banger dan normaal, maar het moest toch gebeuren. Voor de zekerheid checkte ik nog effe de radio en vroeg of ze al wat wisten van de man. Ze wisten nog steeds niks van de mannen dus besloot ik naar binnen te gaan. Ik nam mijn collega niet mee naar binnen zodat hij kon wachten tot er eventueel iets gebeurde. Ik liep alleen naar de deur en liet hem daar achter zonder te weten dat ik hem nooit meer terug zou zien. Met veel angst liep ik naar de deur en klopte op de deur.Het bleef stil, dus ik klopte nog een keer.Het bleef stil dus maakte ik zelf het slot open. Ik deed de deur open en liep naar binnen. Ik zag een heel rovershol. Met diamenden, geld, radio's, tv's en andere dingen van waarde. Ik keek met mijn mond open en hoorde niet dat er iemand binnen kwam. Ik kreeg hem pas in de gaten toen ik een schot hoorde. ik keek niet naar de vent maar naar mijn buik en zag dat der een grote bloedvlek zat. Ik kreeg het koud en was steeds minder bij bewustzijn voordat ik dood was hoorde ik nog drie schoten En toen was ik de tunnel door en stond voor de poort van de hemel. Waar mijn oude collega op mij stond te wachten. En waar hij mij door de poort bracht. En zo eindigt mijn verhaal. Ik kan het nog steeds niet geloven. Ik heb mijn dood voelen aankomen maar er nooit wat aan gedaan. Ooit zal ik mijn collega's weerzien en dan zal ik ze door de poort helpen. Naar een aangenaam paradijs.Einde
Een man rijdt in zijn porche over een landelijk weggetje en ziet plots een klein cafeetje met enkele ferrari's, mercedessen, porches, en bmw's op de parking. "Leuk café," denkt de man en besluit even binnen te springen. Hij opent de deur en merkt op dat er geen klanten zitten. Hij bestelt een whisky en vraagt de bloedmooie tapster van wie al die wagens dan wel zijn. "Oh," zegt zij, "die zijn van mijn zoon." De man bekijkt het meisje eens goed, schat dat deze niet ouder is dan 24 en vraagt hoe dat mogelijk is. "Wel," zegt ze, "mijn zoon wint deze auto's door te wedden." De man vraagt hoe dat dan wel in zijn werk gaat en het meisje vertelt hem dat haar zoon dingen doet en dat de klant die dan moet nadoen, lukt het, dan mag de klant een wagen kiezen, lukt het niet, dan is de wagen van de zoon. De man wordt echt wel curieus en vraagt naar het zoontje. Vrolijk en wel komt er een ventje van ongeveer 6 jaar de trap afgewandeld en gaat naast de man zitten. De man gaat de weddenschap aan en de jongen begint... De jongen wandelt naar zijn moeder, kust deze op de mond en gaat weer zitten. De man springt recht, wandelt naar de tapster, kust deze op de mond en gaat terug zitten. De kleine staat opnieuw op, gaat naar zijn moeder, wrijft deze over haar borsten, kust ze diep, gaat met zijn hand onder haar mini rokje, laat haar slipje zakken, heft het rokje even op, streelt haar daar, doet het slipje opnieuw aan en gaat weer zitten. De man, door het wilde heen, doet exact wat de kleine had gedaan en gaat ook weer zitten. De kleine staat recht, laat zijn broek zakken pakt zijn lulletje in zijn hand en draait dit rond zijn vinger. "En nu jij...," zegt het ventje.
komt een voetballer bij de therapeut en zegt: telkens als ik terugkom van een voetbalwedstrijdligt m'n vrouw met een andere man onder het bed therapeut:zo, dan zult u wel niet meer naar de voetbalwedstrijd gaan voetballer:nergens voor nodig ik heb mijn poten onder het bed uitgezaagd !!
Een pastoor loopt naakt door de kerk met 2 stukken zeep in zijn hand. Dan komen er 3 nonnen aan en de een trekt aan zijn piemel en de pastoor laat een stuk zeep vallen De 2de denkt o ik wil ook wel een stuk zeep en doet hetzelfde. De 3de denkt hmm misschien lukt het mij ook dus ze trekt en ze trekt maar er komt geen zeep! Dan komen de andere 2 terug en ze zeggen en nog steeds bezig jaah maar ik ben slimmer ik heb nu bodylotion!
Er was eens een jonge jager die op weg ging naar zijn jagershuis in het bos. Hij had een vrolijk humeur en toen hij er heen ging en op een grashalm liep te fluiten, kwam er een oud lelijk vrouwtje voorbij, en zij sprak hem aan: "Goedendag beste jager, jij bent vrolijk en tevreden, maar ik moet honger en dorst lijden, geef me toch een aalmoes." De jager had medelijden met het arme oudje, hij greep in zijn knapzak en gaf haar zoveel hij maar kon missen. Hij wou toen weer verder gaan, maar het oude vrouwtje hield hem nog tegen, terwijl zij zei: "Hoor eens, beste jager, ik zou je voor je goede hart graag belonen; vervolg je weg, na een poosje kom je bij een boom, daar zitten negen vogels op, ze hebben een mantel in hun klauwen en vechten erom. Richt dan je buks op hen en schiet er midden tussenin. Dan laten ze de mantel zeker vallen; maar één van de vogels zal ook geraakt worden en dood neervallen. Neem de mantel mee, dat is een tovermantel; als je die om je schouders draagt, hoef je maar de wens te doen om ergens te zijn, en je bent er al. Neem het hart van de dode vogel en eet het in zijn geheel op. Dan zul je elke morgen bij het opstaan een goudstuk onder je kussen vinden."
De jager bedankte het vrouwtje en dacht bij zichzelf: "Mooie dingen die ze me daar heeft beloofd! Maar of het uit zou komen?" Maar toen hij zowat honderd passen gelopen had, hoorde hij boven zich in de takken zo'n geschreeuw en gekwetter, zodat hij opkeek: daar zag hij een hoop vogels, ze pikten en scheurden met hun snavels aan een grote lap, schreeuwden, trokken eraan en vochten, alsof ieder het alleen wilde hebben. "Nu," zei de jager, "dat is vreemd, het is net als het oudje gezegd had." En hij nam de buks van de schouder, legde aan en schoot er midden tussenin, zodat de veren rondvlogen. Meteen namen ze met veel geschreeuw de vlucht, maar één viel er dood neer, en de mantel daalde eveneens. Nu deed de jager wat het oudje hem bevolen had, hij sneed de vogel open, zocht het hart, slikte het in en nam de mantel mee naar huis.
Toen hij de volgende morgen wakker werd, herinnerde hij zich de belofte en hij wilde eens kijken of die óók was uitgekomen. En jawel: toen hij z'n hoofdkussen optilde, blonk het goudstuk hem al tegen en de volgende morgen vond hij er weer één, en zo telkens als hij opstond. Hij verzamelde zo een hele hoop goud bij elkaar, maar tenslotte dacht hij: "Wat moet ik met al dat goud, als ik thuis blijf zitten? Ik wil erop uittrekken en eens een kijkje nemen in de wereld."
Hij nam afscheid van zijn ouders, hing zijn jagerstas en geweer over de schouder en trok de wijde wereld in. Op een dag kwam hij door een geweldig groot bos, en toen hij daar door was gekomen, lag er in de vlakte vóór hem een geweldig groot kasteel. Een oude vrouw stond aan het venster en keek naar beneden, naast haar stond een wonderschoon meisje. Maar het oude mens was een heks, en ze zei tegen het meisje: "Daar komt iemand het bos uit, hij heeft een zeldzame schat in zijn lichaam; we moeten hem het hoofd op hol brengen, mijn hartelapje! Want wij kunnen het beter gebruiken dan hij. Hij heeft een vogelhart opgegeten, daarom ligt er elke morgen een goudstuk onder zijn hoofdkussen!" Ze vertelde haar, hoe het daarmee gesteld was, en hoe ze hun spel moesten spelen, en tenslotte dreigde ze haar met boze ogen: "En als je niet doet wat ik zeg, dan is 't je eigen ongeluk!" De jager kwam dichterbij, zag het meisje en zei tegen zichzelf: "Nu ben ik al zo lang aan 't zwerven, nu wil ik ook eens wat rusten en in dat mooie kasteel komen, geld heb ik immers genoeg." Eigenlijk was zijn beweegreden dat hij het meisje had gezien. Hij trad 't kasteel binnen en werd vriendelijk ontvangen en allerhoffelijkst opgenomen. Het duurde niet lang, of hij was verliefd op het heksenkind, zo, dat hij nergens anders meer aan dacht en alleen maar haar in de ogen zag, en alles wat ze wilde, deed hij graag voor haar. Toen zei de oude: "Nu moeten we dat vogelhart zien te krijgen, hij zal niet merken dat hij 't mist." Ze bereidden een drank, en toen de gekookt was, goot ze die in een beker en gaf die aan het meisje en zij moest hem aan de jager geven. Ze sprak: "Liefste, drink mij eens toe!" Hij nam de beker en toen hij hem geledigd had, werd hij misselijk en gaf het hele vogelhart over. Het meisje moest het stilletjes wegruimen en het dan zelf opeten, want dat wilde de oude heks zo. Van nu af vond hij geen goud meer onder zijn hoofdkussen, maar het lag onder het kussen van het meisje, en de oude heks haalde het iedere morgen weg: maar hij was zo verliefd, dat hij aan niets anders dacht dan maar bij dat meisje te zijn.
Nu zei de oude heks: "Het vogelhart hebben we nu tenminste, maar de wensmantel moeten we nog zien te krijgen." Het meisje zei: "Die moet hij maar houden, hij is z'n rijkdom nu toch al kwijt." Het oude mens werd boos en zei: "Zo'n mantel is een kostelijk ding, dat maar zelden op de wereld voorkomt, ik zal en ik moet hem hebben." Ze gaf het meisje slaag, en zei, als ze niet gehoorzaam was, dan zou 't slecht met haar aflopen. Toen deed ze wat de oude bevolen had, ging aan 't venster staan en keek over de velden alsof ze heel treurig was. De jager vroeg: "Wat sta je daar zo te treuren?" "Ach, mijn liefste," zuchtte ze, "hier tegenover ligt de granaatberg, en daar groeien de kostbaarste edelstenen. Ik heb er zo'n groot verlangen naar; als ik eraan denk word ik al treurig; maar wie kan ze er halen? Alleen vogels kunnen het, want ze vliegen, maar een mens komt er nooit." "Als het anders niet is," zei de jager, "dan wil ik die druk wel van je afnemen." En hij nam haar vast onder zijn mantel, wenste zich op de granaatberg, en in een oogwenk zaten ze er allebei op. Van alle kanten fluisterden de edelstenen, het was heerlijk om te zien en ze zochten de mooiste en kostbaarste stenen bij elkaar. Maar de oude heks bewerkte met haar hekserij, dat de jager z'n ogen zwaar voelde worden. Hij zei tegen 't meisje: "Laten we daar een beetje gaan rusten, ik ben zo moe, dat ik niet op mijn benen kan staan." Zo gingen ze zitten, hij legde zijn hoofd in haar schoot en sliep in. En zodra hij sliep, maakte ze de mantel van zijn schouders los, hing hem zelf om, nam de granaten en stenen bij elkaar en wenste zich naar huis. Toen nu de jager uit zijn dutje ontwaakte, zag hij dat zijn liefste hem bedrogen had en op het woeste gebergte alleen gelaten. "O," zei hij, "hoe groot is de ontrouw in de wereld!" en hij zat in zorg en had verdriet en wist niet, wat hij moest beginnen. Nu was de berg van wilde, verschrikkelijke reuzen, die er woonden en rondspookten, en hij zat nog niet lang of hij zag er drie aankomen. Hij deed dadelijk of hij sliep. De reuzen gingen langs hem heen; één stootte hem met de voet aan en sprak: "Wat ligt daar voor een aardworm zichzelf van binnen te bekijken?" De tweede zei: "Trap hem dood!" De derde zei smalend: "'t Is de moeite niet waard! Laat hem maar leven. Hier kan hij niet blijven, en als hij op de top van de berg klimt, nemen de wolken hem immers mee." Zo pratend liepen ze hem voorbij, maar de jager had goed geluisterd, en zodra ze weg waren, stond hij op om de top te gaan beklimmen. Daar zat hij een poosje. Dan kwam er een wolk aan, nam hem op, droeg hem weg en zeilde een poosje met hem de hemel langs; dan zakte hij en liet hem neer in een grote, ommuurde moestuin, zodat hij tussen kool en wortelloof heel zacht neerkwam.
Toen keek de jager rond en zei: "Als ik maar wat te eten had, ik heb zo'n honger dat ik niet verder kan; maar ik zie hier geen appel en geen peer en helemaal geen fruit, niets dan groente." Eindelijk dacht hij: "In geval van nood kan ik sla eten, 't is wel niet zo lekker maar 't zal me opfrissen." Dus zocht hij een mooie krop uit en at er wat van, maar hij had pas een paar happen genomen, of hij voelde zich zo wonderlijk; er veranderde iets. Er groeiden vier poten, een dikke kop en twee lange oren, met schrik merkte hij, dat hij in een ezel veranderd was. Maar hij had nog aldoor geweldige honger en nu hem de sappige sla, zo van de grond, naar zijn ezelsaard best smaakte, at hij maar door, en slokte alles op. Zo begon hij een ander bed sla af te grazen, maar pas had hij daar wat van op, of hij voelde zich opnieuw veranderen van gedaante, en zie, zijn menselijke gestalte kwam weer terug. Nu ging de jager liggen en sliep eens heerlijk uit. De volgende morgen werd hij wakker. Hij plukte een krop van de goede sla en één van de verkeerde sla af, en dacht: "Zo kom ik weer bij de mijnen terug en de trouweloosheid zal ik straffen." En hij stak de kroppen in zijn zak, klom de muur over en ging het slot, waar zijn liefste woonde, zoeken. Een paar dagen zwierf hij rond, dan vond hij de weg erheen. Snel verfde hij zijn gezicht bruin, zo, dat z'n eigen moeder hem niet herkend zou hebben, hij ging het slot in en vroeg een nachtverblijf. "Ik ben zo moe!" zei hij, "ik kan niet verder." De heks vroeg: "Landgenoot, wie ben je en wat doe je voor de kost?" Hij antwoordde: "Ik ben een bode van de koning. Ik was uitgezonden om de beste sla te zoeken die onder de zon moet groeien. Ik ben ook zo gelukkig geweest, hem te vinden; en ik heb hem bij me, maar de hitte is zo groot, ik ben bang dat de kroppen slap worden en ik weet niet of ze niet bederven onderweg."
Toen het oude mens hoorde van die kostelijke sla, werd ze begerig en sprak: "Brave vriend, laat mij die wondersla eens proeven." "Waarom niet?" antwoordde hij. "ik heb twee kroppen meegebracht en ik zal er u één van geven," en hij maakte z'n zak open en gaf haar de ezelsla. De heks was nergens op verdacht, ze watertandde al van dat nieuwe gerecht, en ze ging zelf in de keuken om hem aan te maken. Toen het klaar was kon ze niet meer wachten tot het op tafel stond, maar ze stak meteen een paar blaadjes in haar mond, maar nauwelijks had ze ze ingeslikt of haar menselijke gedaante was verloren, en ze liep als een ezeltje naar de tuin toe. De meid kwam de keuken binnen, zag de sla klaar staan en wilde hem opdienen, maar op weg naar de eetzaal overviel haar haar oude gewoonte om wat te proeven en ze at een paar blaadjes. Meteen deed de wonderkracht zich gelden; ze werd ook een ezelin en liep naar buiten naar de heks, en de schotel sla viel op de grond. Intussen zat de bode bij het mooie meisje, en toen er niemand met sla kwam, en zij er toch ook zo'n trek in kreeg, zei ze: "Ik begrijp niet, waar die sla blijft." De jager dacht: het zal z'n werk al gedaan hebben! en hij zei: "Ik zal eens in de keuken gaan kijken." Toen hij beneden kwam, zag hij twee ezeltjes in de tuin lopen, en de sla op de grond.
"Goed," dacht hij, "die twee hebben hun portie," en hij nam de andere slabladen bijeen, deed ze op een bord en gaf ze aan het meisje. "Ik breng het je zelf maar," zei hij, "dan hoef je niet langer te wachten." Ze at ervan en was weldra, net als de anderen, van haar menselijke gedaante beroofd en ze liep als een ezeltje in de tuin.
Nu ging de jager zijn gezicht wassen, zodat hij weer herkenbaar was, en hij ging de tuin in en zei: "Nu hebt u het loon voor uw ontrouw." Hij bond ze alle drie aan een touw en dreef hen voort tot de molen. Daar klopte hij aan 't venster, de molenaar stak z'n hoofd naar buiten en vroeg wat hij wilde. "Ik heb hier drie lelijke beesten," antwoordde hij, "ik wil ze zelf niet langer houden. Wilt u ze bij u nemen, voer en stro geven en ze houden, dan zal ik ervoor betalen wat u wilt." De molenaar zei: "Wel, waarom niet? Maar hoe zal ik het doen?" Toen zei de jager: de oude ezel - en dat was de heks - moest per dag driemaal slaag krijgen en eenmaal eten; de jongere, en dat was de keukenmeid, eenmaal slaag en driemaal voer, maar de jongste - en dat was het meisje - geen slaag en driemaal voer, want hij kon 't niet over z'n hart verkrijgen, dat het meisje geslagen werd. Daarop ging hij naar het slot terug, en hij vond er alles, wat hij nodig had. Na een paar dagen kwam de molenaar en zei, hij moest melden dat de oude ezelin, die het meest slaag had gekregen en maar eenmaal eten, dood was. "Die twee anderen," zei hij verder, "die zijn niet dood en ze krijgen dan ook driemaal voer, maar ze zijn zo droevig dat zij 't ook wel niet lang meer zullen maken." Nu kreeg de jager medelijden, hij liet zijn boosheid varen en zei tegen de molenaar dat hij ze weer hierheen moest drijven. Ze kwamen aan en hij gaf hen van de goede sla te eten, zodat ze weer mensen werden. Nu viel het mooie meisje voor hem op de knieën en sprak: "Ach, mijn lieveling, vergeef het mij, wat ik voor lelijks tegen je heb gedaan, mijn moeder heeft me gedwongen; het is tegen mijn wil gebeurd, want ik houd van je. Je wensmantel hangt in de kast, en voor 't vogelhart zal ik diezelfde drank innemen." Toen veranderde zijn gezindheid en hij sprak: "Houd het zelf maar, het komt toch op hetzelfde neer, want ik wil je tot mijn trouwe vrouw maken." En toen werd de bruiloft gehouden en ze leefden tevreden met elkaar tot aan hun dood.
Een man staat bij de receptie van het hotel. Hij wil juist de man bij de receptie een vraag stellen, als hij per ongeluk tegen een vrouw naast hem stoot, en met zijn elleboog tussen haar borsten botst. Ze zijn beiden even stil. De man draait zich om en zegt: "Mevrouw, als uw hart net zo zacht is als uw borsten, weet ik zeker dat u me dit zult vergeven." Zij antwoordt: "Als je penis net zo hard is als uw elleboog, dan ben ik in kamer 582."
Er zit een olifant in de sauna en er komt een man binnen en die man gaat naast die olifant zitten. Opeens begint de olifant heel hard te lachen en als de olifant is uitgelachen vraagt de man wat is er. Zegt de olifant: "Dat jij daar mee moet eten!"
Een Amerikaan komt bij de kanibalen in een restaurant. Hij vraagt de menu-kaart en leest: “Broodje Canadees $5.00, Broodje Hollander $5.00, Broodje Belg $70.00″. Hij bestelt een broodje Belg en vraagt waarom deze zo duur is. De ober antwoordt: “U heeft zeker nooit een Belg schoongemaakt?”
Twee domme blondjes komen elkaar tegen. Zeg de een tegen de ander: "Goh vertel eens; hoe is het met je clitoris?" Antwoord ze: "Ik zou het niet weten; moet ik aan mijn tuinman vragen!"
Een psychiater tekent op een papiertje een vierkant en vraagt aan de patiënt wat het is. Zegt de man: "Een kamer met naakte vrouwen..." Vervolgens tekent hij twee vierkanten en weer vraagt hij wat het voorstelt. "Twee kamers met naakte vrouwen," antwoord de patiënt. Waarop de psychiater zegt: "U bent seksueel gestoord!" Reageert de man: "Moet u zeggen, .... met uw vieze tekeningen..."
er was eens een man die ging naar de drogist, hij kocht comdooms en het koste 6.50. hij betaalde met een briefje van tien, en toen zei het meisje achter de kassa kan je niet passen. waarop de man antwoorde: nee hij is voor mijn broer
Er was eens een oud slot, middenin een groot, dicht bos. Daar woonde een oude vrouw in - heel alleen - en ze was een echte heks. Overdag liep ze rond als een kat of een nachtuil, maar 's avonds was ze weer een gewoon mens. Ze kon wild en vogels bij zich lokken, en die slachtte ze dan en kookte of braadde ze. Als iemand op honderd schreden dicht bij het slot kwam, dan moest hij stilstaan, en kon niet weg van de plek waar hij was, tot ze hem verloste met een spreuk; maar als een rein meisje in die toverban kwam, dan veranderde ze haar in een vogel, stopte haar in een mand en droeg de mand naar een kamer van 't kasteel. Zo had ze wel zevenduizend van die manden met wonderlijke vogels in het slot.
Nu was er eens een meisje, en dat heette Jorinde, zij was mooier dan alle anderen. Zij en een heel knappe jongen, Joringel, waren verloofd. Ze waren al in de bruidsdagen, en ze genoten altijd van elkaars aanwezigheid. Om nu eens rustig met elkaar te kunnen praten, gingen ze wandelen in het bos. "Pas op," zei Joringel, "dat je niet te dicht bij het slot komt."
Het was een mooie avond, de zon scheen tussen de boomstammen door in 't donkergroen van 't bos en het tortelduifje riep klagelijk in een oude beuk. Jorinde schreide soms, ging in de zon zitten en klaagde; Joringel klaagde ook. Ze voelden zich zo bezwaard, alsof ze moesten sterven; ze keken om, wisten niet waar ze waren en ook niet hoe ze weer naar huis konden komen. De zon stond nog half boven de berg, en half was ze er al achter. Joringel keek door de struiken en zag toen de oude muur om het slot vlakbij, hij schrok en werd bang. Jorinde zong:
Mijn vogel met het ringetje rood, zingt leed, zingt leed, zingt leed; 't Voorspelt de duif een vroege dood, zingt leed... tureluut, tureluut.
Joringel keek weer naar Jorinde. Jorinde was betoverd in een nachtegaal die tureluut, tureluut zong. Een nachtuil met gloeiende ogen vloog driemaal om haar heen en krijste driemaal: "Hoe, hoe, hoe." Joringel kon zich niet bewegen, hij stond als een steenrots, hij kon niet schreien, niet spreken, handen en voeten waren stijf.
De zon was onder, de uil vloog naar een struik, en vlak daarop kwam er een oude, kromme vrouw achter die struik te voorschijn, geel en mager was ze: grote, rode ogen, een kromme neus, die met de spits tot de kin reikte. Ze prevelde, ving de nachtegaal toen met haar hand en droeg ze daarop weg. Joringel kon niets zeggen, kon niet van zijn plaats komen, de nachtegaal was weg. Eindelijk kwam het mens terug en sprak met een holle stem: "Gegroet, Zachiel, als 't maantje in het mandje schijnt, maak los, Zachiel, ter goeder ure." Toen kon Joringel zich weer bewegen. Hij viel voor de heks op de knieën en smeekte dat ze hem Jorinde terug zou geven; maar ze zei, nooit kreeg hij haar terug, en toen ging ze weg. Hij riep, hij schreide, hij jammerde; alles vergeefs. "Wat zal er nu gebeuren?"
Joringel ging zwerven, en kwam in een ander dorp, daar hoedde hij een poos de schapen. Dikwijls ging hij om het slot heen, maar niet te dicht in de buurt. Maar eens droomde hij 's nachts, dat hij een bloedrode bloem vond met een grote, mooie parel in het midden. Hij had de bloem afgebroken en was ermee naar het slot gegaan, en hij droomde dat hij op die manier Jorinde terug had gekregen.
Toen hij 's morgens wakker werd, begon hij met zoeken, door berg en dal, of hij zo’n bloem niet vinden kon; hij zocht acht dagen lang en de negende dag vond hij vroeg in de morgen een bloedrode bloem. In het midden was een grote dauwdruppel, groot als de mooiste parel. Die bloem droeg hij dag en nacht tot aan het slot. Toen hij op honderd schreden afstand van het slot kwam, werd hij niet stijf, maar ging door tot aan de poort. Joringel verheugde zich bijzonder, hij raakte de poort met de bloem aan, en open sprong zij. Hij trad erdoor, kwam in de tuin, luisterde waar hij al die vogelstemmen vandaan hoorde; eindelijk had hij het precies bepaald. Hij zocht en vond de zaal; daar was de heks en ze voerde de vogels in de zevenduizend manden.
Toen ze Joringel zag, werd ze boos, heel boos; schold, spuwde gif en gal tegen hem uit, maar ze moest op twee pas afstand van hem blijven. Hij richtte zich niet tot haar, maar liep door, hij bekeek de manden met vogels, maar er waren honderden nachtegalen: hoe zou hij zijn Jorinde terugvinden? Terwijl hij zo zocht, merkte hij, dat de heks heimelijk een mandje met een vogel nam, en daarmee naar de deur ging. Snel sprong hij erheen, raakte het mandje met zijn bloem aan en ook de oude heks: nu was haar toverkracht gebroken, en daar stond Jorinde, ze had haar arm om zijn hals geslagen, en ze was net zo mooi als vroeger. Toen gaf hij ook alle andere vogels weer hun meisjesgedaante terug, hij ging met zijn Jorinde naar huis, en ze leefden lang en gelukkig tezamen.
Een man loopt door de hoerenbuurt met de gedachte om zich eens lekker te laten pijpen! Hij belt aan bij een hoertje en vraagt of ze ook kan pijpen? "Meneer," zegt het hoertje, "ziet u daar aan de overkant al die auto's staan?" "Ja," zegt de man. "Die heb ik allemaal met pijpen verdiend!" De man neemt het ervan en een dag later komt hij weer langs bij het hoertje en vraagt of ze het ook langs achteren doet? "Meneer," zegt het hoertje, "ziet u daar in de haven al die boten liggen?" "Ja," zegt de man. "Die heb ik allemaal met vanachteren doen verdiend!" De man neemt het er weer van en een dag nadien gaat hij weer langs bij het hoertje en vraagt of dat ze het ook normaal doet? "Meneer," zegt het hoertje, "ziet u daar aan de overkant al die huizen staan?" "Ja," zegt de man. "Nou, als ik een kut had gehad, waren die ook van mij geweest!"
Een belg stapt boos de winkel binnen, waar hij vorige week een kettingzaag had gekocht. mooie kettingzaag briest hij. k heb er een weekend over gedaan om 1 boom om te zagen. laat me eens kijken zegt de verkoper. Hij start de kettingzaag,waarop de belg hem aankijkt en vraagt wat is dat voor geluid?
een vader zegt tegen zijn zoontje dat de ooievaar weer een nieuw kindje heeft gebracht. Zegt het zoontje tegen zijn vader: ik snap jou niet zijn er zoveel mooie vrouwen op de wereld ,ga jij uitgerekend met de ooievaar naar bed?
De spoorweg in Denemarken ligt nog alleen maar tussen Kopenhagen en Korsör: het is een stuk parelsnoer. Europa bezit een schat van die parels; de kostbaarste daar heten: Parijs, Londen, Wenen, Napels. Maar velen wijzen niet deze grote plaatsen aan als hun schoonste parel, maar een klein onaanzienlijk plaatsje waar zij zich echt thuis voelen; daar wonen de mensen die hun lief zijn, ja, dikwijls is het maar een op zichzelf staande hoeve, een klein huisje, verscholen tussen groene heggen, een punt dat voorbijvliegt, terwijl de trein voortjaagt. Hoevele parels zijn er wel aan het snoer van Kopenhagen tot Korsör? Wij zullen er zes bekijken, waaraan velen niet achteloos voorbij zullen gaan, oude herinneringen en de poëzie zelf geven deze parels een glans, zodat zij stralen voor onze geest. Vlak bij de heuvel waarop het slot van Frederik de Zesde ligt en het huis waar Öhlenschlager zijn jeugd doorbracht, glanst beschut door de bossen van Söndermark een van die parels. Men noemde die "het hutje van Philemon en Baucis", dat wil zeggen het huis van twee beminnelijke oude mensen. Hier woonden Rahbek en zijn vrouw Gamma; hier kwamen onder hun gastvrij dak een mensenleven lang allen te zamen uit het drukke Kopenhagen die uitmuntten door geest. Hier was een huis des geestes en nog ... Zeg nu niet: "Ach, wat een verandering!" — Nee, nog steeds is hier een huis des geestes, een broeikas voor de kwijnende plant. De bloemknop die geen kracht genoeg heeft zich te ontplooien, bezit toch in het verborgene alle kiemen voor blaadjes en zaad. Hier schijnt de zon des geestes binnen, hier brengt zij opgewektheid en leven. De wereld daarbuiten straalt door de ogen naar binnen in de onpeilbare diepten van de ziel: het huis van de idioot, omgeven door mensenliefde, is een heilige plaats, een broeikas voor de kwijnende plant die eens in Gods tuin zal worden overgeplant en zal bloeien. De zwaksten van geest zijn nu hier verzameld, waar eens de grootsten en krachtigsten bijeenkwamen, van gedachten wisselden en omhoogstreefden -- omhoog straalt hier nog steeds de vlam van de zielen in "het hutje van Philemon en Baucis". De stad van de koningsgraven bij de bron van Hroar, het oude Roeskilde, ligt voor ons; de slanke spitsen van de kerktorens verheffen zich boven de lage stad en weerspiegelen zich in de ÏJsf jord; één graf slechts willen wij hier bezoeken en bezien in het glas van de parel. Het is niet dat van de machtigste koningin van de drie verenigde noordse rijken, Margarethe, nee, daarbinnen op het kerkhof, welks witte ,muren wij voorbijvliegen, is het graf; een eenvoudige steen is erover gelegd, de koning van het orgel, de vernieuwer van het Deense lied, ligt hier. De oude sagen werden melodieën in onze ziel, wij hoorden hoe "de heldere golven klotsten", "er een koning in Lejre woonde". Roeskilde, de stad van de koningsgraven, in uw parel willen wij kijken naar het eenvoudige graf, waar in de steen zijn uitgebeiteld een lied en de naam: Weyse. Nu komen wij langs Sigersted bij de stad Ringsted: het bed van de rivier is laag gelegen; het gele koren groeit waar Hagbarths bootje aanlegde, niet ver van Signes jonkvrouwelijke woning. Wie kent niet de sage van Hagbarth, die aan de eik hing en de woning van de kleine Signe, die in brand stond, de sage van een grote liefde. "Heerlijk Sorö, door bossen omkranst!" Gij stille kloosterstad kunt nu uitkijken door de met mos begroeide bomen; niet jeugdige blik kijkt gij van de Academie over het meer naar de grote wereldweg, hoort de draak van de locomotief blazen terwijl hij door het bos vliegt Sorö, parel van de dichtkunst, die Holbergs stoffelijk overschot bewaart! Als een statige witte zwaan ligt bij het diepe bosmeer het slot van uw wijsheid en daartegenaan ligt schitterend als een witte aster in het bos een huisje, vandaaruit klinken vrome psalmen door het gehele land, woorden worden daar gesproken, de boeren luisteren ernaar en leren zo het verleden van Denemarken kennen. Het groene bos en het gezang van de vogels horen bij elkaar, evenals de namen Sorö en Ingemann. Naar de stad Slagelse! - Wat weerspiegelt zich hier in het glas van de parel? Verdwenen is het klooster Antvorskov, verdwenen de rijke zalen van het slot, zelfs de eenzaam staande verlaten vleugel; maar er staat daar nog een oud gedenkteken, vernieuwd en steeds weer vernieuwd, een houten kruis op de-heuvel waar in de tijd van de legenden de heilige Andreas, de pastoor van Slagelse, ontwaakte, toen hij in één nacht van Jeruzalem hierheen gedragen was. Korsör, hier werd gij geboren, die ons gaf: "Scherts met ernst vermengd In liederen van Knud Sjaellandsfar." Gij, meester van het woord en de geest! De ineenstortende oude wallen van de verlaten vesting zijn hier het laatst zichtbare getuigenis van het huis waar gij uw jeugd doorbracht; wanneer de zon ondergaat wijzen hun schaduwen naar de plek waar uw geboortehuis stond; vanaf die wallen zaagt gij, toen gij "nog klein waart", kijkende naar de hoogten van Sprogö, "de maan achter het eiland verdwijnen" en gij bezong de maan in een ontsterfelijk gedicht, zoals ge later de bergen van Zwitserland bezong, gij die rondtrok in de doolhof van de wereld en bevond dat... ".. .Nergens bloeit de roos zo rood en teer, En nergens doen de doornen minder pijn, En nergens vinden wij het zachte bedje weer, Waarop wij eenmaal rustten, jong en rein." Gij liefelijke zanger van scherts en luim, we vlechten u een krans van lievevrouwebedstro, werpen die in het meer en de golven zullen hem naar de fjord van Kiel dragen, aan wier kust uw stoffelijk overschot rust; die breng u een groet van het jonge geslacht, een groet van uw geboortestad Korsör — waar het parelsnoer ophoudt. "Het is heus een stuk parelsnoer van Kopenhagen naar Korsör," zei grootmoeder die had horen voorlezen wat wij zoeven lazen. "Het is een parelsnoer voor mij en dat werd het al meer dan veertig jaar geleden," zei zij. "Toen hadden wij geen stoommachines, wij hadden dagen nodig voor die weg waar jullie slechts uren voor nodig hebben. Het was in 1815, toen was ik eenentwintig jaar; dat is een heerlijke leeftijd, ofschoon in-de-zestig ook een heerlijke leeftijd is, zo gelukkig! -- In mijn jeugd, ja, toen was het een heel andere zeldzaamheid dan nu om naar Kopenhagen te gaan, de stad der steden, naar onze mening. Mijn ouders wilden na twintig jaar weer eens die stad bezoeken, ik moest mee; wij hadden al jaren over die reis gepraat en nu zou het toch heus gebeuren! Ik dacht dat er een heel nieuw leven voor mij zou beginnen en in zeker opzicht begon er ook een nieuw leven voor mij. Er werd genaaid en gepakt en toen wij zouden vertrekken, ja, hoeveel goede vrienden kwamen ons toen niet vaarwel zeggen! Het was een grote reis die we zouden ondernemen! Vroeg in de morgen reden wij uit Odense weg in het Holsteinse wagentje van mijn ouders; bekenden knikten ons toe vanuit hun vensters, de hele straat door, bijna totdat wij buiten de St.-Jorispoort waren gekomen. Het weer was heerlijk, de vogels zongen, alles ging prettig, je vergat dat het een lange, moeilijke weg was naar Nyborg. Tegen de avond kwamen wij daar aan; de post kwam eerst Iaat in de nacht binnen en vóór die tijd ging het beurtschip niet. Wij gingen toen aan boord: daar strekte zich nu het grote water voor ons* uit, zo ver onze ogen reikten, zo doodstil. Zonder ons uit te kleden legden wij ons te slapen.
Toen ik 's morgens vroeg wakker werd en op het dek kwam was er nergens enig uitzicht, zó mistte het. Ik hoorde de hanen kraaien, zag de zon opkomen en hoorde de klokken luiden, waar zouden wij toch zijn? De mist trok op en wij lagen warempel nog in de haven van Nyborg. Later op de dag ging het een beetje waaien, maar de wind kwam van de verkeerde kant; wij laveerden en laveerden en eindelijk waren wij dan zo gelukkig even over elf 's avonds KorsÖr te bereiken, wij hadden toen tweeëntwintig uur gedaan over die vier mijlen. Het was goed weer aan land te komen, maar donker was het, de lantarens brandden slecht en alles was wildvreemd voor mij, die nooit in een andere stad dan Odense was geweest. "Kijk, hier werd Baggesen geboren," zei mijn vader, "en hier leefde Birckner." Toen leek die oude stad met haar kleine huisjes ineens lichter en groter geworden; daarbij kwam dat wij zo blij waren weer vaste grond onder de voeten te hebben. Slapen kon ik die nacht niet door het vele dat ik nu reeds had gezien en beleefd sinds ik twee dagen geleden van huis was gegaan. De volgende morgen moesten wij vroeg op. Wij hadden een slechte weg voor ons met steile hellingen en heel veel kuilen, voor wij Slagelse bereikten en verderop, aan de andere kant, was het niet veel beter en wij wilden graag zo vroeg bij het Kreeftenhuis aankomen dat wij vandaar nog bij dag naar Sorö konden gaan en Möllers Emil konden opzoeken, zoals wij hem noemden. Ja, dat was jullie grootvader, mijn man zaliger, de proost, hij was student in Sorö en had juist zijn tweede examen gedaan. Wij kwamen 's middags bij het Kreeftenhuis aan. Dat was toen een mondaine gelegenheid, het beste hotel op de hele reis en de mooiste streek, ja, jullie zullen toch allemaal moeten toegeven dat het dat nog is. Juffrouw Plambek was een ferme waardin, alles daar in huis glom a s een gladgeboende vleesplank. Aan de muur hing in glas omlijst Baggesens brief an haar, dat was een hele bezienswaardigheid; voor mij was het zeker iets bijzonders.
Toen gingen wij naar Sorö en zochten daar Emil op; jullie kunnen je voorstellen hoe blij hij was ons te zien en wij hem, hij was zo aardig en attent. Met hem zagen wij toen de kerk met Absalons graf en Holbergs kist; wij zagen de oude inscripties van de monniken en wij voeren over het meer naar de "Parnassus", de mooiste avond die ik mij herinner! Ik dacht bij me zelf, als men ergens ter wereld zou kunnen dichten, dan moest het in Sorö zijn, in die heerlijke vreedzame natuur.
Toen liepen wij in de maneschijn langs het Filosofenpad, zoals men het daar noemt, die mooie eenzame weg langs het meer en het moeras in de richting van het Kreeftenhuis. Emil bleef bij ons eten, vader en moeder vonden dat hij zo verstandig was geworden en er zo goed uitzag. Hij beloofde ons dat hij over vijf dagen in Kopenhagen bij zijn familie zou zijn en ons zou komen opzoeken; het was namelijk Pinksteren. Die uren in Sorö en in het Kreeftenhuis, ja, die horen tot de schoonste parels van mijn leven. De volgende morgen vertrokken wij heel vroeg, want wij hadden een lange weg af te leggen vóór wij Roeskilde bereikten en daar moesten wij niet al te laat aankomen, want wij wilden de kerk nog zien en later op de avond wilde vader een oude schoolkameraad opzoeken. Dat gebeurde ook en toen overnachtten wij in Roeskilde en de dag daarop, maar eerst tegen de middag - - want dat was de slechtste, de meest stukgereden weg die wij voor ons hadden -- kwamen wij in Kopenhagen aan. Ongeveer drie dagen hadden wij gedaan over de reis van Korsör naar Kopenhagen, nu nebben jullie daarvoor maar drie uur nodig. De parels zijn niet kostbaarder geworden, dat is onmogelijk, maar het snoer is nieuw en wonderbaarlijk geworden. Ik bleef met mijn ouders drie weken in Kopenhagen. Volle achttien dagen waren wij daar samen met Emil en toen wij naar Funen terugreisden, vergezelde hij ons helemaal van Kopenhagen tot Korsör; daar verloofden wij ons vóór wij scheidden; zo begrijpen jullie dat ook ik de weg van Kopenhagen naar Korsör een stuk parelsnoer noem. Daarna, toen Emil een beroep kreeg in de buurt van Assens, trouwden wij. Wij praatten dikwijls over die Kopenhaagse reis en een herhaling ervan, maar toen kwam eerst jullie moeder en toen kreeg zij broertjes en zusjes en er was heel wat om voor te zorgen en op te passen, en toen nu vader bevorderd werd en proost werd, ja, het was allemaal zegen en vreugde, maar in Kopenhagen kwamen wij niet. Nooit kwam ik er weer, hoe dikwijls wij er ook over dachten en praatten en nu ben ik te oud geworden en ik ben niet sterk genoeg meer om met de trein te reizen; maar blij met de trein ben ik! Het is een zegen dat wij die hebben! Nu kunnen jullie sneller naar mij komen! Nu ligt Odense immers niet veel verder van Kopenhagen dan het in mijn jeugd van Nyborg lag. Jullie kunnen nu naar Italië vliegen net zo snel als onze tocht naar Kopenhagen duurde! Ja, dat is wat! Toch blijf ik maar stil zitten, ik laat anderen reizen; laat ze naar mij toe komen, maar jullie moeten niet lachen omdat ik zo stil blijf zitten. Ik ben van plan een heel andere grote reis te ondernemen dan die van jullie, een die heel wat sneller is dan die per trein: wanneer God het wil, dan reis ik naar grootvader en wanneer jullie gedaan hebben wat je moest doen en vreugde geschept in het leven, dan weet ik, dat jullie tot ons komen en wanneer wij daar dan praten over de dagen van ons aardse leven, geloof me, kinderen, ik zeg ook daar, evenals nu: "Van Kopenhagen naar Korsör, ja, dat is heus een stukje parelsnoer."
Zegt Van Puffelen: Weet je dat mijn vrouw zelfs na al die jaren huwelijk nog steeds hartstikke dol op mij is. Ik had me eigenlijk nooit gerealiseerd hoeveel ze van mij houdt, tot ik vorige week een dag ziek was. Oh, en wat deed ze dan? Ze was zo blij dat ik eens een keer een dag thuis was, dat telkens als er werd aangebeld, door de bakker, de melkboer, de kruideniersjongen of wie dan ook, ze luid schreeuwde: Mijn man is thuis, mijn man is thuis!
Er was eens een man die een grote reis ging maken, en bij het afscheid vroeg hij aan alle drie zijn dochters, wat hij voor hen meebrengen moest. De oudste wilde parels, de tweede diamanten, maar de derde zei: "Vaderlief, ik wou zo graag een zingend, springend leeuwerikje." De vader zei: "Als ik het krijgen kan, breng ik het mee," en hij kuste hen alle drie en vertrok. Nu naderde de tijd dat hij weer naar huis terug ging, hij had al parels en diamanten gekocht voor de beide oudsten, maar het zingende, springende leeuwerikje voor de jongste had hij overal vergeefs gezocht, en dat speet hem, want zij was hem het liefst. De weg leidde door een bos, en middenin het bos was een prachtig slot, en vlakbij het slot stond een boom, en in de top van die boom zag hij een leeuwerikje dat zong en sprong. "Dat komt net op tijd," zei hij tevreden en hij riep zijn knecht, om de boom in te gaan en het beestje te vangen. Maar toen hij op de boom toeging, sprong onderaan een leeuw te voorschijn, schudde zijn manen en brulde, dat het blad van de boom ervan sidderde. "Wie mijn zingend en springend leeuwerikje stelen wil," riep hij, "die eet ik op!" Nu zei de man: "Maar ik wist niet dat het uw vogel was; ik zal mijn onrecht graag goedmaken en mij loskopen met baar goud, maar laat me graag leven." De leeuw zei: "Er is niets wat u redden kan, behalve wanneer u me dat belooft, wat u thuiskomend het eerst tegemoet komt; wilt u dat doen, dan schenk ik u ‘t leven en de vogel is bovendien voor uw dochter." Maar dat weigerde de reiziger en hij zei: "Het zou immers mijn jongste dochter kunnen zijn, die houdt ook ‘t meest van mij en loopt mij altijd tegemoet wanneer ik thuiskom." Maar de knecht werd bang en zei: "Moet het nu juist uw dochter zijn die u ‘t eerst ziet, ‘t kan immers de hond of de kat zijn." Zo liet de reiziger zich overhalen, en hij nam het zingende, springende leeuwerikje mee en beloofde dat de leeuw krijgen zou wat hem ‘t eerst tegemoet kwam, als hij thuis was.
Toen hij thuis kwam en binnentrad, was het eerste wat hem tegemoet kwam, niemand anders dan de jongste, liefste dochter: ze kwam aangelopen, kuste en liefkoosde hem, en toen ze zag dat hij een zingend, springend leeuwerikje had meegebracht, was ze buiten zichzelf van vreugde. Maar de vader kon niet blij zijn, maar hij begon te schreien en zie: "Kindlief, ik heb dat kleine vogeltje duur moeten betalen, ik heb daarvoor jou, mijn kind, moeten beloven aan een wilde leeuw, en als hij je in bezit heeft, zal hij je verscheuren en opeten" en hij vertelde haar, hoe dat alles gekomen was; en hij smeekte haar, niet te gaan, wat er ook gebeuren mocht. Maar zij troostte hem en zei: "Liefste vader, wat men belooft, moet men ook doen: ik zal er heengaan en die leeuw zal ik wel zachter stemmen, zodat ik weer bij u terug kan komen." De volgende morgen vroeg ze de weg, nam afscheid en ging rustig het bos in. De leeuw was evenwel een betoverde prins, overdag was hij een leeuw, en zijn hele gevolg werd leeuw met hem, maar ‘s nachts hadden ze hun gewone gestalte. Toen zij aankwam, werd zij vriendelijk ontvangen en in het slot geleid. Maar toen de nacht kwam, was hij een edelman, en de bruiloft werd met grote pracht gevierd. Ze leefden heel gelukkig met elkaar, en ze waren ‘s nachts op en overdag sliepen ze. Eens op een dag kwam hij bij haar en zei: "Morgen is er groot feest bij je vader, want je oudste zuster trouwt, en als je zin hebt erheen te gaan, dan zullen mijn leeuwen je er brengen. Ze zei: "ja, ze wilde haar vader graag terugzien, en ze ging erheen met een wacht van leeuwen. Grote vreugde, toen zij kwam, want ze hadden allemaal gedacht, dat ze door de leeuw zou zijn opgegeten en dat ze al lang niet meer tot de levenden behoorde. Maar ze vertelde wat een mooie man zij had, en hoe goed ze het had; en ze bleef gedurende de hele bruiloft bij hen, maar dan ging ze weer naar het bos terug. Toen de tweede dochter trouwde en ze weer op de bruiloft was uitgenodigd, zei ze tegen de leeuw: "ditmaal wil ik niet alleen gaan, je moet mee." Maar de leeuw zei, dat het voor hem te gevaarlijk was, want wanneer hem daar de straal van een brandende kaars aanraakte, dan veranderde hij in een duif en zou zeven jaren lang met duiven moeten rondvliegen. "Ach," zei ze, "laat me toch niet alleen gaan: ik zal wel op je passen en zorgen dat je niet met licht in aanraking komt." Dus gingen ze allemaal samen en ze namen ook hun kindje mee. En ze liet een zaal bouwen, zo sterk en dicht, dat er geen straal in kon dringen, en daar moest hij in blijven zitten, als de bruiloftsfakkels werden ontstoken. Maar de deur was gemaakt van nieuw hout, en dat trok en er kwam een kiertje in, dat niemand gezien had. De bruiloft werd met grote pracht gevierd, maar toen de stoet uit de kerk terugkwam, en met alle fakkels en flambouwen langs de zaal kwam, toen viel er een straaltje, niet breder dan een haar, op de prins, en op het ogenblik dat de straal hem had aangeraakt, veranderde hij van gedaante, en toen ze terugkwam en naar binnen ging en hem zocht, vond ze hem niet, alleen zat er een witte duif. De duif zei tegen haar: zeven jaar moet ik rondvliegen in de wereld, maar elke zevende pas zal ik een druppel bloed laten vallen en een witte veer, die zullen je de weg wijzen, en als je dat spoor volgt, kun je mij verlossen."
En toen vloog de duif de deur uit, en zij liep hem na, en bij elke zevende pas viel er een druppeltje bloed en een wit veertje, en wees haar de weg. Zo ging ze altijd de wereld door, en ze keek niet om en rustte niet, en na een poos waren de zeven jaren haast voorbij: ze verheugde zich toen en dacht, dat ze nu weldra verlost waren, maar het was er nog ver vanaf. Eens op een keer, onder het lopen, viel er geen veertje meer en ook geen enkel druppeltje bloed, en toen ze haar ogen opsloeg, was de duif verdwenen. En omdat ze dacht: "mensen kunnen toch niet helpen" steeg ze ineens op naar de zon, en zei: "U schijnt in alle kieren en op alle daken, hebt u geen witte duif gezien?" "Nee," zei de zon, "die heb ik niet gezien; maar ik geef je hierbij een kistje, maak dat open in grote nood." Ze dankte de zon en trok verder, tot het avond werd en de maan scheen, en toen vroeg ze aan de maan: "U schijnt immers de hele nacht en over alle velden en bossen: hebt u geen witte duif zien vliegen." "Nee," zei de maan, "die heb ik niet gezien, maar ik geef je hierbij een ei, breek dat in geval van nood." Toen bedankte ze de maan en ging verder tot de nachtwind kwam en haar blies, en toen zei ze tegen hem: "U waait immers over alle bomen, en onder alle bladeren, hebt u geen witte duif zien vliegen?" "Nee," zei de nachtwind, "ik heb er geen gezien, maar ik zal het aan de drie andere winden vragen, misschien hebben die wat gezien." De oostenwind kwam en de westenwind, en die hadden niets gezien, maar de zuidenwind zei: "De witte duif heb ik gezien, hij vloog naar de Rode Zee, daar is hij weer leeuw geworden, want de zeven jaren zijn voorbij, en de leeuw is daar aan het vechten met een draak, maar de draak is een betoverde prinses." Nu zei de nachtwind tegen haar: "Ik zal je raad geven. Ga naar de Rode Zee. Daar staan takken aan de rechteroever, tel die en snij de elfde af en sla daar de draak mee, dan kan de leeuw haar overweldigen, en dan krijgen ze allebei hun menselijke gedaante terug. Daarna moetje omkijken; dan zie je de vogel Grijp, die aan de Rode Zee woont; spring, met je liefste, op zijn rug: de vogel zal jullie beiden over de zee naar huis brengen. En hier heb je een noot. Als je boven het midden van de zee bent, moet je de noot laten vallen; hij zal dadelijk uitbotten en dan komt er een grote noteboom uit het water groeien, en daar kan de vogel Grijp op rusten, want als hij niet rusten kan, dan is hij niet sterk genoeg, om jullie beiden er overheen te brengen, en als je vergeet, de noot naar beneden te gooien, dan laat hij jullie in zee vallen."
Toen ging ze weg, en ze vond alles zoals de nachtwind het gezegd had. Ze telde de takken aan zee en sneed de elfde af; daarmee sloeg ze de draak, en de leeuw kon haar overmeesteren; en opeens hadden ze allebei hun menselijke gedaante terug. Maar toen de prinses, die eerst een draak geweest was, van haar betovering was verlost, was zij het die de prins in de arm nam, zich op de vogel Grijp zetten en hem wegvoerde. Daar stond de arme zwerfster, ze was weer alleen en verlaten en ze ging ergens zitten om te schreien. Maar tenslotte sprak ze zichzelf moed in: "Ik zal zo ver gaan, als de wind waait, en zo lang als de haan kraait, tot ik hem terugvind." En ze ging weer verder, lange, lange, wegen, tot ze eindelijk weer bij het slot kwam waar de samen hadden geleefd; en daar hoorde zij dat er weldra een groot feest zou zijn, want ze wilden samen trouwen. Maar zij sprak: "God zal mij helpen," en ze opende het kistje, dat de zon haar gegeven had, en daar lag een gewaad in, glanzend als de zon zelf. Ze nam het eruit en trok het aan, en ging het slot binnen, en iedereen en ook de bruid keek haar met bewondering na, en dit gewaad vond de bruid zo mooi, dat ze dacht dat het wel voor haar als bruidskleed kon passen, en ze vroeg of het ook te koop was? "Niet voor geld of goed," was het antwoord: "maar voor vlees en bloed." De bruid vroeg toen wat ze daarmee bedoelde. En toen zei ze: "Laat me één nacht in de kamer slapen waar uw bruidegom slaapt." Dat wilde de bruid niet, en toch wilde ze dat gewaad graag hebben, en tenslotte stemde ze erin toe, maar de kamerdienaar moest de prins vooraf een slaapdrank toedienen. Toen het dus nacht was en de prins al sliep, werd ze naar de kamer gebracht. Ze ging zich op de rand van het bed zitten en zei: "Zeven jaren heb ik je gevolgd, ik ben geweest bij de zon, bij de maan en bij de vier winden; ik heb naar je gevraagd en ik heb je geholpen in het gevecht met de draak; wilde je me dan helemaal vergeten?" Maar de prins sliep zo vast, dat hij alleen maar dacht, dat de wind buiten ruiste in de dennebomen. Toen de ochtend weer aanbrak, werd zij weggeleid en ze moest het gouden gewaad afgeven. En omdat het niets geholpen had, werd ze bedroefd, en ging ze naar buiten, naar een weide, en daar ging ze zitten schreien. En toen ze zo zat, dacht ze aan het ei, dat de maan haar gegeven had: ze brak het, en daar kwam een kloek uit met twaalf kuikentjes, allemaal van goud, ze liepen rond en piepten en dan kropen ze weer onder de vleugels bij de kloek, zo, dat er niets mooiers op de wereld te zien was. Ze stond, dreef ze op de weide voor zich uit, net zolang tot de bruid uit ‘t venster keek; en die vond die kleine kuikentjes zo aardig, dat ze meteen naar beneden liep en vroeg of die niet te koop waren? "Niet voor geld of goed, maar voor vlees en bloed; laat mij nog eens een nacht slapen in de kamer waar uw bruidegom slaapt." De bruid zei: "ja" en wilde haar bedotten als de vorige maal. Maar toen de prins naar bed ging, vroeg hij aan de kamerdienaar, wat dat gemurmel en geruis de vorige nacht toch geweest was. En toen vertelde de kamerdienaar alles: dat hij hem een slaapdrank had moeten geven, omdat er een arm meisje heimelijk in zijn kamer had geslapen; en dat hij er hem vanavond weer één moest geven. De prins zei: "Gooi die drank naast het bed." ‘s Nachts werd zij weer binnengeleid, en toen ze begon te vertellen hoe treurig het met haar gegaan was, herkende hij haar stem dadelijk als die van zijn eigen lieve vrouw, en hij sprong op en riep: "Nu ben ik pas verlost. Het is als een droom geweest, want die vreemde prinses had mij betoverd, zodat ik je wel moest vergeten, maar God heeft die verdwazing op het goede moment van mij afgenomen." Toen gingen ze allebei ‘s nachts heimelijk het slot uit, want ze waren bang voor de vader van de prinses, want dat was een tovenaar, en ze zetten zich op de vogel Grijp – die droeg hen over de Rode Zee, en toen ze midden boven de zee waren, liet zij de noot vallen. Meteen groeide er een grote noteboom, daar rustte de vogel op, en dan bracht hij hen naar huis, en daar vonden zij hun kind, dat groot en flink was geworden, en ze leefden daarna gelukkig tot het eind van hun leven!
Zwangerschap Een man en een vrouw willen graag kinderen maar het lukt niet. Ze besluiten een afspraak te maken met de dokter. De dokter kan hen echter ook niet helpen maar beweert een goede collega te hebben in Amerika die hen absoluut kan helpen. Zodoende stapt het stel op een vliegtuig richting Amerika. De dokter ter plekke hoort het verhaal aan en vraagt ze "Doe het eens hier ter plekke" Na het gebeuren te hebben aanschouwt zegt de dokter dat hij al begrijpt wat er aan de hand is. Hij krabbelt wat op een briefje en geeft dit aan het stel. "Zeker weten dat na een half jaar een zwangerschap is bereikt" Aangekomen in Nederland gaat het stel met het briefje naar een lokale apotheker. "Wij willen graag Thieotreol" "Pardon?" Zegt de apotheker "dat hebben we niet!, Laat mij dat briefje eens lezen" Hij opent het briefje en leest het voor: "Try the other hole"
Moeder komt naakt uit bad. Marjolein ziet dat en vraagt: wat is dat daar onder uw navel? Moeder: dat is mijn zwarte sponsje. De volgende dag vraagt Marjolein: mag ik uw zwarte sponsje nog eens zien? Moeder: nee, want die ben ik kwijtgeraakt. Marjolein: dan weet ik waar die is, de buurvrouw heeft hem en is er nu papa's gezicht mee aan het wassen!!