Eens op een dag zat voor een arm huisje een oude man met zijn vrouw; ze wilden na het werk een poosje rusten. Toen kwam er opeens een karos langs, een prachtige karos, met vier zwarte paarden bespannen, en daar kwam een rijk gekleed man uit. De boer stond op, ging naar de heer toe, en vroeg, wat hij wilde en waarmee hij hem kon dienen. De vreemde gaf de oude man een hand en zei: "Ik wil niets anders, dan eens een gewoon, landelijk maal gebruiken. Maak aardappelen klaar zoals jullie die altijd eten, en dan wil ik bij jullie aan tafel gaan zitten en ze graag eten." De boer glimlachte en zei: "U bent een graaf of een vorst of mogelijk een hertog, voorname heren hebben wel van die invallen; maar aan uw wens zal worden voldaan." De vrouw ging naar de keuken en begon aardappels te wassen en te raspen, en ze wilde daar koeken van maken zoals de boeren die eten. Terwijl zij dat stond klaar te maken, zei de boer tegen de vreemdeling: "Komt u intussen met mij naar de tuin, want daar moet ik nog een poos bezig zijn." Hij had in de tuin gaten gegraven en wilde daar nu bomen inzetten. "Hebt u geen kinderen," vroeg de vreemdeling, "die u bij uw werk zouden kunnen helpen?" "Nee," antwoordde de boer, "ik heb wel een zoon gehad," voegde hij erbij, "maar die is al lang geleden de vrije wereld ingegaan. Het was eigenlijk een bedorven kind, verstandig en slim, maar hij wou niet leren en hij zat vol streken; tenslotte liep hij bij ons weg, en daarna heb ik niets meer van hem gehoord." De oude man nam een boompje, zette het in een plantgat en zette er een staak naast: en toen hij er de aarde ingeschoffeld had en aangestampt, bond hij de stam van onderen, van boven en in het midden met stro vast aan de staak. "Maar zegt u mij eens," sprak de heer, "waarom bindt u zo'n kromme, knoestige boom, die daar in de hoek bijna tot de bodem is gebogen, niet aan zo'n staak als deze, zodat hij flink recht kan groeien?" De oude zei met een glimlach: "Mijnheer, u spreekt naar dat u begrijpt; ik kan wel zien dat u u nooit met tuinieren hebt afgegeven. Die boom daar is oud en kromgegroeid, die kan niemand meer in orde maken. Bomen moet men leiden, zolang ze nog jong zijn." "Dat is dan net zo als met uw zoon," zei de vreemdeling, "als u hem had opgevoed, toen hij nog jong was, dan zou hij niet zijn weggelopen; hij zal nu ook oud en knoestig geworden zijn." "Dat kan," zei de oude man, "het is al zo lang geleden dat hij wegliep, hij zal wel veranderd zijn." "Zou u hem nog herkennen als hij eens voor u stond?" vroeg de vreemdeling. "Aan z'n gezicht niet waarschijnlijk," antwoordde de boer, "maar hij heeft een teken, een moedervlek op z'n schouder, het ziet eruit als een boon." Toen hij dat gezegd had, trok de vreemdeling zijn pak uit, ontblootte de schouder en toonde de boer de vlek. "Here mijn God!" riep de oude: "dan ben je waarlijk mijn zoon!" en de liefde tot zijn kind ontwaakte hem in 't hart. "Maar," voegde hij erbij, "hoe kun jij nu mijn zoon zijn; ben je zo'n groot heer geworden en leef je in rijkdom en overvloed? Langs welke paden ben je dan gegaan?" "Ach vader," hernam de zoon, "de jonge boom was aan geen staak gebonden en hij is krom gegroeid, en nu is hij te oud: recht wordt hij nooit meer. Hoe ik aan dat alles kom? Ik ben een dief geworden. Maar u moet niet schrikken. Ik ben een meesterdief. Voor mij bestaat er slot noch grendel, wat mijn begeerte opwekt, dat is het mijne. Geloof niet dat ik steel als een doodgewone dief; ik neem alleen van de overvloed van de rijkdom. Arme mensen zijn veilig voor me; ik geef hun liever iets, dan hen iets af te nemen. En wat ik zonder moeite, zonder list en zonder handigheid kan krijgen, dat roer ik niet eens aan." "Ach m'n jongen," zei de vader, "prettig kan ik het toch niet vinden; een dief blijft een dief; ik zegje, dat loopt nooit goed af." Hij bracht hem naar de moeder, en toen ze hoorde dat het haar jongen was, schreide ze van blijdschap, maar toen hij haar zei dat hij de meesterdief was geworden, stroomden er twee beken van tranen over haar gezicht. Eindelijk zei ze: "Al is hij dan een dief geworden, het is toch m'n jongen; en ik heb hem dan toch nog eens gezien." Ze gingen aan tafel, en zo at hij met z'n ouders nog eens de eenvoudige kost, die hij zo lang niet meer gegeten had. De vader zei: "Als onze heer, de graaf daar in 't slot, hoort, wie je bent en wat je doet, dan neemt hij je niet in de arm en wiegt je heen en weer, zoals hij deed toen hij je boven het doopvont hield, maar dan laat hij je schommelen aan het galgentouw." "Weest u niet bezorgd, vader, hij zal me niets doen, want ik versta mijn vak. Vandaag ga ik nog zelf naar hem toe." Toen de avond kwam, ging de meesterdief in de karos zitten en reed naar het slot. De graaf ontving hem zeer beleefd, want hij hield hem voor een voornaam heer. Maar toen de vreemde zijn naam noemde en ook te kennen gaf wie hij was, verbleekte de graaf en zweeg een hele poos. Eindelijk sprak hij: "Je bent mijn petekind. Daarom zal ik genade voor recht laten gelden en je goed behandelen. Je beroemt je erop, een meesterdief te zijn. Dan zal ik je kundigheid eens op de proef stellen, maar als je de proef niet tot een goed einde brengt, moet je maar bruiloft houden met de dochter van de touwslager, en de muziek daarbij is het gekras van de raven!" "Heer graaf," antwoordde de meesterdief, "bedenkt u drie proefstukken, zo zwaar als u maar wilt, en als ik aan de opdracht niet voldoe, doet u dan met me wat u wilt." De graaf dacht enkele ogenblikken na, dan sprak hij: "Wel, in de eerste plaats moet je me m'n eigen paard uit de stal stelen, in de tweede plaats moet je mij en m'n vrouw, als we ingeslapen zijn, het onderlaken wegstelen zonder dat we het merken, en daarbij de trouwring van mijn vrouws vinger halen, in de derde en laatste plaats moet je me de dominee met de koster uit de kerk wegstelen. Prent het je allemaal goed in, want 't kan je de kop kosten." De meester ging naar de dichtst bijgelegen stad. Daar kocht hij van een oude boerenvrouw de kleren die zij aanhad en trok ze zelf aan. Hij maakte z'n gezicht bruin en verfde er nog rimpels in, zodat geen mens hem herkend zou hebben. Tenslotte vulde hij een vaatje met Hongaarse wijn, waar een stevige slaapdrank door was gemengd. Het vaatje legde hij op een draagmand die hij op z'n rug nam, en hij ging met langzame schommelgang naar het slot van de graaf. Het was al donker toen hij er aankwam; hij ging in de binnenplaats zitten op een steen, en begon te hoesten als een oude vrouw die vol op de borst is, en wreef zich in z'n handen alsof hij 't koud had. Voor de deur van de paardenstal lagen soldaten om een vuur, één van hen had de vrouw gezien en riep haar toe: "Kom maar hier, ouwe moeder, en warm je wat bij ons. Je hebt toch geen nachtverblijf en je neemt 't wel waar je het vindt." Het oudje kwam aangetrippeld, vroeg haar te helpen om de draagmand van haar rug te nemen, en ze ging bij hen om 't vuur zitten. "Wat heb je daar in dat vaatje, oud karkas?" vroeg er één. "Een goeie slok wijn," antwoordde ze, "ik leef van een handeltje, voor geld en goeie woorden geef ik jullie graag een glas." "Geef maar eens hier," zei de soldaat, en toen hij een glas geproefd had, riep hij:,,Óf die wijn goed is! Ik drink liever nog een glas meer," en hij liet zich nog eens inschenken en alle anderen volgden zijn voorbeeld. "Hé, kameraad!" riep één van hen de anderen toe, die in de stal zaten, "hier is een oud moedertje met wijn; zo oud als ze zelf is, neem ook een slok, dat warmt je maag nog beter dan ons vuur." De oude droeg het vaatje naar de stal. Eén van hen zat op 't bewuste paard, dat gezadeld was, de ander hield het toom in de hand en de derde had de staart vast. Ze schonk in, zoveel er verlangd werd, tot de voorraad op was. Het duurde niet lang, of de ene viel 't toom uit de hand, hij ging liggen en begon te snurken. De ander liet de staart los, ging liggen en snurkte nog harder. De man die op 't zadel zat, bleef wel zitten, maar z'n hoofd boog op de hals van 't paard; hij sliep en blies met zijn mond als een blaasbalg. Buiten waren de soldaten al lang ingeslapen, ze lagen op de grond en bewogen niet, ze leken wel van steen. Toen de meesterdief zag dat het gelukt was, gaf hij de man die 't toom had gehouden, een touw in z'n hand, en aan de andere die de staart had vastgehouden een bundeltje stro, maar wat moest hij beginnen met de man die op de rug van 't paard zat? Er afgooien wilde hij niet, hij had wakker kunnen worden en gaan schreeuwen. Maar hij wist wel raad. Hij maakte de zadelriem los; knoopte een paar touwen die in lussen aan de muur hingen, aan 't zadel, en trok de slapende ruiter met zadel en al omhoog, dan slingerde hij de touwen weer om de krukken en maakte ze vast. Het paard had hij al van de ketting losgemaakt, maar als hij over 't stenen pad van de binnenplaats gereden was, dan had je het hoefgeklik in 't slot kunnen horen. Dus omwikkelde hij de hoeven eerst nog met oude lappen, leidde het dier dan voorzichtig naar buiten, wierp zich toen in 't zadel en joeg voort. Toen de dag was aangebroken, begaf de meesterdief zich bovenop 't gestolen paard naar het slot. De graaf was net opgestaan en keek uit het venster. "Goedemorgen, heer graaf!" riep hij hem toe, "hier is het paard, dat ik uit de stal heb gehaald. Kijk nu maar eens hoe heerlijk uw soldaten daar liggen te slapen, en als u in de stal wilt gaan, zult u zien, hoe gemakkelijk het zich de bewakers zelf hebben gemaakt." Nu moest de graaf lachen. Dan zei hij: "Ja, dat is je nu één keer goed gelukt, maar een tweede keer zal het niet zo goed aflopen. En ik waarschuw je: betrap ik je als dief, dan behandel ik je ook als dief!" Toen de gravin 's avonds naar bed was gegaan, hield ze de hand met de trouwring vast gesloten en de graaf zei: "Alle deuren zijn afgesloten en overal zijn de grendels voor, ik zal wakker blijven en de dief afwachten; maar als hij door het raam komt, dan schiet ik hem neer." Maar de meesterdief ging, toen het donker geworden was, naar buiten waar de galg stond, hij sneed een arme zondaar die daar hing, de strik los en droeg hem op zijn rug naar 't slot. Daar zette hij een ladder voor de slaapkamer, nam de dode boven op z'n schouders en begon de ladder op te gaan. Toen hij zo hoog gekomen was, dat het hoofd van de dode voor het venster kwam, vuurde de graaf, die in bed lag te loeren, zijn pistool op hem af: meteen liet de meester de arme zondaar naar beneden vallen, sprong zelf van de ladder af en verstopte zich in een hoek. Door de maan was de nacht zo helder, dat de meester duidelijk kon zien, hoe de graaf uit het venster kwam, langs de ladder naar beneden ging en de dode man de tuin indroeg. Daar begon hij een kuil te graven, waarin hij hem verbergen wilde. "Nu," dacht de dief, "nu is het gunstige ogenblik gekomen." Stil sloop hij uit zijn schuilhoek, klom de ladder op en was in 't slaapvertrek van de gravin. "Lieve vrouw," begon hij en hij wist de stem van de graaf voortreffelijk na te bootsen, "de dief is dood, maar hij is toch mijn petekind en was meer een schelm dan een booswicht; ik wil hem niet aan openbare schande prijsgeven, en met de ouders heb ik ook medelijden. Ik wil hem, voor de dag aanbreekt, zelf in de tuin begraven, zodat de zaak niet uitlekt. Geef me nu het onderlaken, dan kan ik hem daar in wikkelen, en hem niet zo maar onder de grond stoppen of hij een hond was." De gravin maakte het laken los en gaf het hem. "Weetje wat," zei de dief verder, "ik heb een aanvechting van grootmoedigheid: geef me ook nog je trouwring; de man heeft er zijn leven voor gewaagd, laat hem die nu in het graf meenemen." Ze wilde de graaf niet tegenspreken, en hoewel ze het niet graag deed, trok ze toch de ring van haar vinger en gaf die aan hem. De dief maakte dat hij wegkwam met allebei de stukken, en kwam zonder ongelukken thuis, vóór de graaf in de tuin met het doodgraverswerk klaar was. Wat trok de graaf een lang gezicht, toen de volgende morgen de meesterdief in eigen persoon kwam aanzetten, en hem het laken en de ring ter hand stelde. "Is dat hekserij?" zei hij tegen hem: "wie heeft je uit het graf gehaald, waar ik je zelf in had gelegd, en wie heeft je weer levend gemaakt?" "Mij hebt u niet begraven," zei de dief, "maar een arme zondaar van de galg," en hij vertelde tot in bijzonderheden, hoe alles gebeurd was; en de graaf moest wel toegeven, dat hij een knappe en slimme dief was. "Maar je bent nog niet klaar!" voegde hij erbij, "je hebt nog een derde opgave op te lossen; en als je die je niet lukt, helpt al het andere geen zier." De meester glimlachte slechts, maar hij zei niets. Toen het nacht was geworden, kwam hij met een lange zak op zijn rug, een bundeltje onder zijn arm en een lantaarn in de hand naar de dorpskerk. In de zak had hij kreeften, in de bundel korte kaarsen. Hij ging op het kerkhof zitten, haalde een kreeft te voorschijn en plakte die een kaars op z'n rug, dan stak hij het lichtje aan, zette de kreeft op de grond en liet hem kruipen. Nu haalde hij een tweede kreeft uit de zak, deed er hetzelfde mee en deed zo met alle kreeften, tot de laatste er ook voor gebruikt was. Daarop trok hij een lang zwart gewaad aan, dat er uitzag als een monnikspij, en plakte een grijze baard aan zijn kin. Toen hij eindelijk helemaal onherkenbaar was, nam hij de zak waar de kreeften in gezeten hadden, ging naar de kerk en klom op de kansel. De torenklonk sloeg juist twaalf; toen de laatste slag weggestorven was, riep hij met luide stem: "Luister, jullie zondige mensen; het einde van de dingen is gekomen, de jongste dag is nabij: hoor mij, hoor mij! Wie met mij in de hemel wil komen, die moet in deze zak kruipen. Ik ben Petrus, ik sluit en ik open de poort van de hemel. Zie, buiten op de doodsakker wandelen de overledenen, en rapen hun gebeenten bijeen. Kom, kom, en kruip in deze zak, de wereld vergaat." Het geschreeuw weerklonk door het hele dorp. De dominee en de koster, die vlakbij de kerk woonden, hadden het 't eerst vernomen en toen ze de lichtjes zagen, die op 't kerkhof bewogen, zagen ze dat er wel wat ongewoons aan de hand was, en ze gingen de kerk binnen. Een poos luisterden ze naar de preek, dan stootte de koster de dominee aan en sprak: "Het zou nog zo kwaad niet zijn, als we van deze gelegenheid gebruik maakten en samen vóór de jongste dag op een gemakkelijke wijze in de hemel kwamen." "Eigenlijk," zei de dominee daarop, "zijn mijn gedachten ook in die richting gegaan, als u zin hebt, laten we dan op weg gaan." "Ja," antwoordde de koster, "maar dominee, u hebt voorrang, ik kom wel achteraan." Dus ging de dominee vooraan en klom op de kansel, waar de meester de zak openhield. De dominee kroop er 't eerst in, en dan de koster. Meteen bond de meester de zak stijf dicht, pakte hem dan bij 't boveneind en sjouwde hen de trap van de kansel af, en zo dikwijls de koppen der beiden domoren op de treden sloegen, riep hij: "Nu gaan we al over de bergen." Op dezelfde manier sleepte hij hen het dorp door, en als ze door de plassen kwamen zei hij: "Nu gaat 't door de regenwolken," en toen hij ze eindelijk de trappen van het slot optrok, riep hij: "Nu zijn we dan aan de hemelse trappen en we zijn al gauw in 't voorportaal." Toen hij boven was aangekomen, schoof hij de zak in de duiventil, de duiven fladderden geschrokken omhoog en hij zei: "Hoort u hoe de engelen zich klapwiekend verheugen?" Toen schoof hij er de grendel voor en ging weg. De volgende morgen ging hij naar de graaf en berichtte hem dat hij ook het derde werkstuk had voltooid, en dat hij de dominee en de koster uit de kerk had weggehaald. "Maar waar heb je ze dan gelaten?" vroeg de graaf. "Wel, ze liggen in een zak bovenin de duiventil en ze denken, dat ze in de hemel zijn." De graaf klom zelf naar de schuur en overtuigde zich van de waarheid van zijn woorden. Hij bevrijdde de dominee en de koster uit hun gevangenis en zei: "Je bent een aartsdief, en je hebt het gewonnen. Ditmaal kom je er zonder kleerscheuren af, maar je maakt dat je van mijn land verdwijnt. Want als je je hier ooit laat betrappen, dan kan je opklimmen tot de galg: reken maar!" De meesterdief nam toen afscheid van zijn ouders, ging de wijde wereld in, en geen mens heeft ooit meer wat van hem gehoord.
Een vrouw komt op een woensdagavond in een bar, de barman is net alles aan het opruimen als ze luid roept: "Doe mij maar 10 Amstel bier." Zo gezegd zo gedaan en de vrouw kijlt ze achterover en gaat vervolgens gevloerd. De barman ziet de vrouw zo liggen en denkt bij zichzelf: "Zo, dat is een lekker wijf" en besluit er een keer flink overheen te gaan. De volgende dag komt de vrouw weer in de bar en er zitten nu nog vijf mannen in de bar. De vrouw roept weer: "Doe mij maar 10 Amstel bier." En weer: zo gezegd zo gedaan. Ze kijlt ze weer achterover en gaat weer gestrekt. De barman vertelt tegen de nog aanwezige mannen wat hij de vorige dag had gedaan, en ja hoor allemaal gaan ze een keer over de vrouw heen. De volgende dag komt de vrouw weer, nu zit de hele bar vol met mannen, en weer hetzelfde: "Doe mij maar 10 Amstel bier." Nou weer zo gezegd zo gedaan en ze kijlt ze weer achterover. De barman vertelt tegen alle mannen in de bar wat er de voorgaande dagen is gebeurd, en ja hoor alle mannen gaan er flink overheen. De volgende dag komt de vrouw weer in de bar en roept: "Doe mij maar 10 Heineken bier." Waarop de barman zegt: "Waarom nu Heineken bier?" "Nou", zegt de vrouw, "van Amstel bier krijg ik zo'n schrale kut!"
Piet en henk zitten in een cafe. Vraagt henk aan piet: weet jij nog wat je deed toen je voor de eerste keer een stijve kreeg??? Uh nee eigelijk niet zegt piet, Jij wel dan ?? vraagt piet aan henk. Henk : ja tuurlijk weet ik dat nog,zoiets vergeet je nooit meer. Piet:ohh wat deed je dan? Henk : ik zette alle ramen en deuren open. Piet:je zette alle ramen en deuren open? Henk : ja je weet toch nooit hoe groot hij word?
Een man komt bijzonder zenuwachtig bij de psychiater: "Dokter, " raast de man, "U moet me helpen want ik ben helemaal op van de stress. " "Mijnheer, " zegt de dokter, "legt u zich maar even heel relaxt op de zetel, en vertel me eens wat er allemaal schort." De man begint te ratelen: "Verleden week kwam ik thuis van mijn werk en trof ik mijn vrouw in onze slaapkamer aan met mijn buurman. Ik nam die kerel beet en knalde hem uit het raam. Vervolgens ging ik naar beneden, maakte een gloedhete cappucino, en dronk die in één keer leeg." "Maar mijnheer toch, logisch dat u gestresseerd geraakt met zo een vrouw." betuigt de dokter zijn medeleven. "Ach dokter, " ratelt de man verder, "de dag nadien kom ik thuis en tref ik haar aan met twee buurmannen! Ik twijfel geen seconde en keil die twee het raam uit waarna ik mij beneden twee gloedhete cappuccino's maak en die na elkaar leegdrink." "Maar mijnheer toch, logisch dat u gestresseerd geraakt met zo een vrouw." betuigt de dokter weer zijn medeleven. "Zo gaat het de hele week door, " gaat de man verder, "gisteren lag ze met de hele straat te violen bij mijn thuiskomst. Ik heb ze één voor één het raam uitgekieperd, ik ben naar beneden gegaan en ik heb tien gloedhete cappuccino's in één keer achterover geslaan." "Ik heb echt medelijden met u, " zegt de dokter, "met zo een vrouw heeft u het echt niet getroffen." "Dat stomme wijf interesseert me geen reet, " antwoordt de man, "maar zoveel koffie drinken kan toch nooit goed zijn voor mijn stress, hè dokter?"
Eens op een keer wou het haantje op reis gaan, samen met het hennetje. Het haantje maakte zelf een mooi karretje, met vier rode wieltjes. En hij spande er vier muisjes voor. Het hennetje ging naast het haantje op de bok zitten, en samen reden ze weg. Het wagentje reed zo hard dat het suisde. Ze hadden niet lang gereden, of ze kwamen de kat tegen. Die zei: "Waar gaan jullie naar toe?" Haantje antwoordde:
"Wagentje, suis, naar de boeman z’n huis."
"Neem mij mee," sprak de kat. Haantje antwoordde: "Alsteblieft, en achterop, want van voren val je d’r af.
en je moet er wel voor waken mijn rode wieltjes niet vuil te maken, Wieltjes, knort! Muisjes, vort! Wagentje suis naar de boeman z’n huis!"
En toen kwam er een molensteen, en een ei, en een eend, en één speld en tenslotte een naald, en die gingen achterop het karretje en reden mee. Maar toen ze bij de boeman z’n huis kwamen, was de boeman niet thuis. De muisjes reden het karretje in de schuur, het haantje vloog met het hennetje op de hanenbalken, de kat ging onder de schoorsteen liggen, de eend op de pompzwengel, het ei wikkelde zichzelf in de handdoek, de speld stak zichzelf in het stoelkussen, de naald sprong op ‘t bed midden in ‘t hoofdkussen, en de molensteen ging boven de deur liggen. Daar kwam de boeman thuis! Hij ging naar de schoorsteen om vuur aan te leggen, maar de kat gooide hem z’n gezicht vol as. Vlug liep hij naar de keuken om z’n gezicht te wassen, daar spoot hem de eend water in z’n gezicht. Hij wou zich afdrogen met de handdoek, maar daar rolde het ei in zijn hand, brak, en het struif kleefde hem z’n ogen dicht. Hij wilde gaan rusten, ging op de stoel zitten, daar prikte hem de speld. Toen werd hij boos en gooide zich op zijn bed, maar toen hij zijn hoofd op ‘t kussen legde, stak hem de naald. En toen hij aan de huisdeur kwam, sprong de molensteen naar beneden en sloeg hem dood. Die boeman moet een ellendige kerel zijn geweest.
Een vrouw komt op een woensdagavond in een bar, de barman is net alles aan het opruimen als ze luid roept: "Doe mij maar 10 Amstel bier." Zo gezegd zo gedaan en de vrouw kijlt ze achterover en gaat vervolgens gevloerd. De barman ziet de vrouw zo liggen en denkt bij zichzelf: "Zo, dat is een lekker wijf" en besluit er een keer flink overheen te gaan. De volgende dag komt de vrouw weer in de bar en er zitten nu nog vijf mannen in de bar. De vrouw roept weer: "Doe mij maar 10 Amstel bier." En weer: zo gezegd zo gedaan. Ze kijlt ze weer achterover en gaat weer gestrekt. De barman vertelt tegen de nog aanwezige mannen wat hij de vorige dag had gedaan, en ja hoor allemaal gaan ze een keer over de vrouw heen. De volgende dag komt de vrouw weer, nu zit de hele bar vol met mannen, en weer hetzelfde: "Doe mij maar 10 Amstel bier." Nou weer zo gezegd zo gedaan en ze kijlt ze weer achterover. De barman vertelt tegen alle mannen in de bar wat er de voorgaande dagen is gebeurd, en ja hoor alle mannen gaan er flink overheen. De volgende dag komt de vrouw weer in de bar en roept: "Doe mij maar 10 Heineken bier." Waarop de barman zegt: "Waarom nu Heineken bier?" "Nou", zegt de vrouw, "van Amstel bier krijg ik zo'n schrale kut!"
"Wat wil je later worden?" Vraagt de juffrouw op school aan Jort. "Kunstschilder, arts of glazenwasser", zegt hij vol overtuiging. "Ja, maar welke van de drie het liefst?" "Kan me niets schelen, " antwoordt Jort, "als ik maar blote vrouwen te zien krijg."
Floor: "Doktor, als ik op m'n linkerzij slaap dan heb ik zo'n last van mijn milt." Doktor: "Nou, slaap dan op uw rechterzij." Floor: "Maar dan heb ik last van mijn lever." Doktor: "Slaap dan gewoon op uw rug." Floor: "Maar dan slaap ik niet door mijn man." Doktor: "Nou slaap dan op uw buik, mevrouw." Floor: (diepe zucht) "Ik hoor het al, u kent mijn man niet."
Goedemorgen, Vader Holleman." "Wel bedankt Pief Paf Polleken." "Kan ik soms je dochter krijgen?" "O jawel, als Moeder Melkemoe en Broeder Hakkeboud en zuster Annetruitje en de mooie Pieternelleke het willen, dan kan 't wel gebeuren."
"Waar is dan moeder Melkemoe?" "Ze is in de stal en melkt de koe."
"Goededag, moeder Melkemoe." "Wel bedankt, Pief Paf Polleken." "Kan ik soms je dochter krijgen?" "O ja, als vader Helleman en broeder Hakkeboud en zuster Annetruitje en de mooie Pieternelleke het willen, dan kan 't wel gebeuren."
"Waar is dan broeder Hakkeboud?" "Hij is in 't schuurtje en hakt het hout."
"Goededag, broeder Hakkeboud." "Wel bedankt, Pief Paf Polleken." "Kan ik soms je zuster krijgen?" "Zeker, als vader Holleman en moeder Melkemoe en zuster Annetruitje en de mooie Pieternelleke het willen, dan kan 't wel gebeuren."
"En waar is zuster Annetruitje?" "Ze is in de tuin en zoekt er kruidjes."
"Goededag, zuster Annetruitje." "Wel bedankt, Pief Paf Polleken." "Kan ik soms je zuster krijgen?" "Wel ja, als vader Holleman en moeder Melkemoe en broeder Hakkeboud en de mooie Pieternelleke het willen, dan kan het gebeuren."
"Waar is dan de mooie Pieternelleke?" "In haar kamer, ze telt haar penninkjes."
"Goededag, mooie Pieternelleke." "Wel bedankt, Pief Paf Polleken." "Wil jij wel mijn liefste zijn?" "O jawel, als vader Holleman en moeder Melkemoe en broeder Hakkeboud en zuster Annetruitje het willen, dan kan het gebeuren." "Mooie Pieternelleke, hoeveel heb je als bruidschat?"
"Veertien penningen opgedoft, derde halve stuiver opgepoft, een half pond appeltjes een handvol kappertjes een handvol klappertjes en nog wel wat: is dat geen prachtige bruidsschat?"
"En Pief Paf Polleken, wat is je vak? Ben je een kleermaker?" "Veel, veel beter." "Een schoenmaker?" "Nog veel beter." "Een boer?" "Veel beter." "Een timmerman?" "Nog veel beter." "Een molenaar?" "Nog veel beter." "Is het misschien een bezembinder?" "Juist, dat ben ik, is dat geen prachtig vak?"
Jantje is bijna jarig en zijn vader vraagt wat hij nou eens graag voor zijn verjaardag zou willen hebben. Jantje antwoordt hierop: "Een o.b. papa." De vader kijkt zijn zoontje verbaasd aan en vraagt of Jantje nu toch wel weet wat hij zegt, waarop Jantje antwoordt: "Ik weet niet precies wat het is maar in de reclame zeggen ze altijd dat je er mee kunt fietsen, zwemmen, bergbeklimmen en nog veel meer!"
De postbode brengt een briefje naar een vrouw. Nadat hij het briefje heeft gegeven, kijkt hij over de schouder van de vrouw mee. Als de vrouw hem open maakt zegt hij verbaast: "Waarom krijgt u een leeg papiertje!?" "Hij is van mijn halfbroer en we praten al jaren niet meer tegen elkaar."
Er was eens een mus, en die had vier jongen, in een zwaluwnest. Toen ze net konden vliegen, haalden ondeugende jongens het nest uit, maar ze ontsnapten gelukkig in een windvlaag. Nu heeft de oude mus veel zorgen, omdat zijn kinderen nu in de wereld gekomen zijn, zonder dat hij hen eerst voor alle gevaren van deze wereld heeft gewaarschuwd, en hun wijze lessen heeft kunnen geven.
Nu komen er in de herfst altijd een heleboel mussen samen op een roggeveld, en daar vindt de oude mus zijn vier jongen terug. Hij haalt hen vol vreugde weer in zijn nest. "Ach mijn lieve jongens, wat heb ik daar in de zomer een angst uitgestaan, toen jullie zo zonder enige wijsheid in de windvlaag raakten; hoor nu naar mijn woorden, volg je vader na en weet vóór alles: kleine vogels staan bloot aan grote gevaren!" En nu vroeg hij aan de oudste, hoe hij zich de zomer door had gehouden en hoe hij aan voedsel was gekomen. "Ik ben in de tuinen gebleven, heb rupsjes en wurmpjes gezocht, tot de kersen rijp waren." "Ach jongen," zei de vader, "wat je snavel snapte is nog niet zo kwaad, maar er dreigt groot gevaar. Pas daarom voortaan heel goed op, en vooral als er mensen in de tuin lopen, die lange groene stangen dragen, holle stangen, waar bovenaan een gaatje zit." "Zeker vader, maar als er nu bovenaan een groen blaadje met was op het gaatje is geplakt?" zegt de zoon. "Waar heb je dat gezien?" vroeg de vader. "In de tuin van een koopman." "O, mijn zoon," spreekt de vader, "kooplui, slimme lui. Ben je bij die wereldse mensen geweest dan heb je ook genoeg wereldse manieren opgedaan; kijk maar rond, gebruik die wijsheid goed en wees steeds op je hoede."
Nu vroeg hij aan de tweede zoon: "Waar ben jij al die tijd geweest?" "Aan het hof," zegt de jongen. "Mussen en gewone vogels horen daar niet, waar veel goud is en fluweel en zijde, en wapenen en harnassen en sperwers en uilen en blauwvoeten zijn: hou jij je bij de paardestal, waar de haver geschud wordt en waar ze dorsen; dan kan het geluk je in alle vrede wel een dagelijks korreltje geven." "Jawel vader," zei deze zoon, "maar als dan de staljongen strikken maakt en allemaal mazen en slingers in het stro bindt, dan gaat er ook menigeen aan." "Waar heb je dat gezien?" zei de oude mus. "Aan het hof, bij de staljongens." "O mijn zoon, hofjongens, slechte jongens! Ben je aan 't hof geweest en bij de grote heren, en heb je daar geen veren moeten laten, dan ben je wel aardig geleerd geworden en zul je je in de wereld wel weten te gedragen, maar zie om en zie op: wolven eten ook wel de slimme hondjes."
Nu nam de vader de derde zoon bij zich: "Waar heb jij je geluk beproefd?" "Op de rijwegen en de landwegen heb ik mijn hengel uitgeworpen en er soms een korreltje tarwe of gerst gevonden." "Dit is," sprak de vader, "een opmerkelijk voedsel, maar pas op de hellingen en kijk altijd weer op, vooral wanneer iemand zich bukt om een steen op te rapen, blijf daar dan geen ogenblik meer." "Dat is waar," zei de zoon, "maar als die man al een steen in zijn hand of in zijn zak draagt?" "Waar heb je dat gezien?" "Bij de mijnwerkers, vader, als die lopen, hebben ze meestal stenen bij zich." "Mijnwerkers, harde werkers, vindingrijke mensen! Ben je bij de mijnwerkers geweest, dan heb je wat gezien en ervaring opgedaan.
Ga heen, maar neem je voor 't mijnvolk in acht: Met zwarte kunst hebben ze menig mus omgebracht!"
Tenslotte kwam de vader bij de jongste zoon. "Wel mijn lief nestkuiken, jij bent altijd de domste en de zwakste geweest; blijf jij maar bij me, de wereld kent zoveel grove, boze vogels, vogels met kromme snavels en lange klauwen, en die alleen maar op kleine vogeltjes loeren om ze te verslinden, blijf jij maar bij je soortgenoten en pak de spinnetjes en de rupsjes van de bomen en de huizen, dan blijf je gelukkig en tevreden." "Och vaderlief; wie zich voedt zonder anderen te schaden, die brengt het ver, en geen sperwer en geen havik, geen wouw en geen arend zullen hem schaden, als hij maar zichzelf en zijn eerlijk brood elke avond en elke morgen aan God toevertrouwt, want hij is de Schepper en Heer van alle bos- en dorpsvogels, en hij hoort ook het geschreeuw en gebed van de jonge raven, want buiten zijn wil valt geen musje en geen winterkoninkje op de aarde." "Waar heb je dat vandaan?" De zoon geeft ten antwoord: "Toen de grote stormvlaag mij van u wegrukte, kwam ik in een kerk terecht; de hele zomer pikte ik de vliegen en de spinnen van de vensters, en daar hoorde ik ook deze spreuken van de kansel; zo gaf mij de Vader van alle mussen de hele zomer door te eten en hij behoedde me voor alle ongeluk en roofvogels." "In trouwe, lieve zoon! Als jij naar de kerk gaat, en je helpt er spinnen en onnutte vliegen opruimen en je tjilpt tot God als de jonge raven, en je vertrouwt op de eeuwige Schepper, dan zal het je wel goed gaan, al zou de hele wereld vol lelijke wilde roofvogels zijn.
Want wie zich aan de Heer toevertrouwt, Zwijgt, lijdt, wacht, bidt, en heeft op Hem gebouwd, Bewaart zijn geloof en houdt 't geweten rein, Dan zal God voor hem een rots en een helper zijn."
Alle hoertjes worden naar buiten gebracht, waar ze naast elkaar in een rij worden opgesteld. Vervolgens worden ze stuk voor stuk door een agent bekeurd. Een oud dametje komt nieuwsgierig naderbij geslopen en vraagt aan het meisje aan het einde van de rij wat er allemaal aan de hand is. Geïrriteerd antwoordt het meisje: "We krijgen een lolly uitgedeeld, mevrouw." "O wat lekker!" roept het oude dametje verrukt, "die heb ik in geen jaren geproefd. Weet je wat, ik sluit me bij jullie aan." Als het haar beurt is bekeurd te worden, zegt de agent verbaasd: "Dame, bent u hier niet wat te oud voor?" "Ik? Hoe kom je daarbij? Ik zal je dit zeggen, jongeman: zolang ze gemaakt worden, zal ik erop blijven zuigen."
Er komt een man bij de dokter. Hij vraagt: "Ik ben m'n been kwijt, weet u misschien waar hij is?" De dokter zegt: "Ja, ik zag hem gisteren nog in het ziekenhuis." Dus de man naar het ziekenhuis. Vraagt hij bij de balie: "Ik ben m'n been kwijt, weet u misschien waar hij is?" "Ja, hij liep net naar boven." Dus de man naar boven. Komt hij op de eerste verdieping een zuster tegen. Vraagt hij: "Ik ben m'n been kwijt, weet u misschien waar hij is?" "Ja, hij liep net naar de 2e verdieping." Dus de man nog een verdieping hoger. Vraagt hij daar aan een dokter: "Ik ben mijn been kwijt, weet u misschien waar hij is?" "Ja," zegt die dokter, "die liep net de lift in!" Dus die man de lift in. En wat ziet hij daar? Een... heleboel knopjes! Hij gaat naar de volgende verdieping. Vraagt ie aan een verpleegster: "Weet u misschien waar mijn been is?" Zegt die verpleegster: "Ja natuurlijk, hij sprinte net die kamer in." Dus die man die kamer in. Ziet ie daar een dokter, vraagt hij: "Hallo, weet u misschien waar mijn been is?" "Natuurlijk," zegt die dokter, "die ligt nog in de vriezer, want hij is geamputeerd!!!"
Een Belg gaat met zijn hond met één oog en drie poten naar de dierenarts. De dierenarts bekijkt het arme dier en zegt tegen de Belg: "Meneer ik denk dat ik de hond af moet maken." "Oké." zegt de Belg en keert om en gaat naar huis.
Twee weken later staat de Belg weer in de praktijk van de dierenarts en vraagt hem: "Ik heb niets meer van u gehoord, is mijn hond al af?!?"
Er was eens een arme vrouw, ze had een zoon, en die wou zo graag reizen, en toen zei de moeder: "Hoe kun jij nu reizen? En je hebt helemaal geen geld om mee te nemen! Toen zei de zoon: "Ik kan me best behelpen; ik zal altijd zeggen: "Niet veel! Niet veel! Niet veel!"
Zo liep hij een flinke tijd, en hij zei aldoor maar: "Niet veel, niet veel, niet veel."
Hij kwam bij een troep vissers, en zei: "Ik hoop, dat God u helpt! Niet veel, niet veel, niet veel!" - "Wat zeg je nu, kerel, niet veel?" En toen ze de netten inhaalden, kregen ze ook niet veel vis. En zij met een stok op de jongen los: "Had je ons nooit zien dorsen?" - "Maar wat moet ik dan zeggen?" vroeg de jongen;Je moet zeggen: Vang veel! Vang veel!"
Toen liep hij weer een hele poos en zei: "Vang veel! Vang veel!"
En toen kwam hij bij een galg. En daar hebben ze een arme zondaar en die moet worden veroordeeld. Toen zei hij: "Goeiemorgen, vang veel, vang veel!" - "Wat zegt die kerel? Vang veel? Moeten er soms nog meer boze mensen op de wereld zijn? Is er nog niet genoeg?" En hij kreeg weer op z'n rug. "Wat moet ik dan zeggen?" - "Je moet zeggen: God troost de arme ziel."
Weer reist de jongen een heel eind verder en zegt: "God troost de arme ziel."
Toen kwam hij bij een gracht, en daar was een vilder, en die was bezig met een dood paard. De jongen zegt: "Goeiemorgen, God troost zijn arme ziel." - "Wat zeg je daar, lomperd?" en hij slaat hem met de vilhaak om de oren, zodat hij niet meer uit zijn ogen kan kijken. "Hoe moet ik het dan zeggen?" - "Je moet zeggen: "Daar ligt het aas in de kuil!"
Nu gaat hij weer verder en zegt steeds: "Daar ligt het aas in de kuil, daar ligt het aas in de kuil!"
Nu komt hij een wagen vol mensen langs, en hij zei: "Goeiemorgen, daar ligt het aas in de kuil!" en daar valt de hele wagen om en in een kuil, de knecht kreeg de zweep en sloeg de jongen zo hard, dat hij weer naar zijn moeder wou kruipen. En hij is z'n leven lang nooit meer op reis gegaan.
Een zakenman is getrouwd met een beeldschone vrouw. Hij is vaak voor zaken op reis en vertrouwt zijn vrouw niet meer. Hij gaat naar een detectivebureau en vraagt daar of een detective zijn vrouw een weekje kan volgen. "Helaas," zegt de dame achter de receptie bij het bureau, "we hebben wel een detective, maar hij is Chinees en spreekt nauwlijks Nederlands." "Dat is niet erg," zegt de man "als hij maar niets aan zijn ogen mankeert." Zo gezegd, zo gedaan, de man gaat op reis, komt na een week terug en meldt zich bij het bureau. De ingehuurde detective blijkt in het ziekenhuis te liggen en heeft vrijwel elk botje in zijn lijf gebroken. "Hoe is het mogelijk," zegt de zakenman "zo gevaarlijk was de opdracht toch niet?" De dame achter de receptie moet het antwoord schuldig blijven, maar de man krijgt het adres van het ziekenhuis. Daar aangekomen ziet de man de detective volledig in het gips in bed liggen. "Hoe kan dit?" vraag de man aan de Chinees. "Nou," zegt de Chinees, "Wong goed detective, Wong volgt vrouw, vrouw gaat naar hotel, Wong goed detective, Wong goed oplet, man volgt vrouw in hotel, Wong goed detective, Wong nog beter opletten. Man en vrouw gaan naar vierde etage met lift, Wong goed detective, Wong via regenpijp omhoog naar vierde etage. Man en vrouw kleden zich uit en gaan naar bed, Wong goed detective, Wong goed oplet. Man komt klaar laat vrouw los, vrouw komt klaar laat man los, Wong komt klaar laat pijp los!"
Een homo gaat naar de dokter voor een medisch onderzoek. Na een intensief onderzoek zegt de dokter : "Georges, ik ga niet rond de pot draaien, ge hebt AIDS." Georges is aangeslagen, slaat bleek uit en vraagt : "Dokter, wat moet ik nu doen ?" De dokter zegt met een uitgestreken gezicht : "Georges, ga naar huis en eet 2 liter pikante saus, een krop sla, 20 ongeschilde wortelen in hete chilisaus, 10 pikante pepers, 40 okkernoten en 40 pindanoten, een doos ontbijtgranen, en drink daar nog een liter pruimensap en een halve bak kriek bij. Georges vraagt heel enthousiast : "Zou dat mij dan kunnen genezen, dokter ?" "Neen gij" zegt de dokter, "het zal u WEL duidelijk maken waarvoor uw achterwerk dient !"
Dr. Onderzoek: Man: Dokter, denkt u dat ik nog 40 jaar zou kunnen leven? Dr.: Bent U drinker? Man: Neen Dr.: Bent U roker? Man: Neen Dr.: Gaat U vreemd? Man: Neen Dr.: Waarom wilt U dan nog 40 jaar leven?
Er was eens een boer met een boerin, en die boerin mocht de pastoor van het dorp erg graag, en toen had hij eens erg graag gewild, eens een hele dag met de boerin alleen gezellig samen door te brengen en dat had de boerin ook best gevonden.
Nou, toen zei hij eens op een keer tegen de boerin: "Lieve boerin, nu heb ik uitgedacht, hoe wij samen eens een hele dag echt prettig kunnen doorbrengen. Weet je wat, woensdag ga je op bed liggen, en je zegt tegen je man, dat je ziek bent, en je klaagt en jammert maar flink, en dat blijf je volhouden tot zondag als ik preek, en zal ik preken dat ieder die thuis een ziek kind of een zieke man heeft, een zieke vrouw, een zieke vader, een zieke moeder, een zieke zuster, broer of wie dan ook van heel nabij, en wie dan een bedevaart maakt naar Gokkelenberg in Walenland, waar je voor een stuiver een zak vol laurierbladeren krijgt, dan is z'n ziek kind, z'n zieke man, z'n zieke vrouw, z'n zieke vader, z'n zieke moeder, z'n zieke zuster, broer of wie dan ook van heel nabij ziek is, op staande voet genezen."
"Dat zullen we doen," heeft de boerin gezegd.
Nu, de eerstvolgende woensdag daarop is de boerin in bed gaan liggen en ze heeft geklaagd en gejammerd van heb ik jou daar, en haar man kwam met alles aandragen wat hij maar bedenken kon, maar het hielp allemaal niets. Maar toen het zondag was, zei de boerin: "Ik voel me zo ellendig of ik dood zou gaan, maar één ding zou ik vóór m'n eind nog willen, ik zou dolgraag de preek horen, die de pastoor vandaag gaat houden."
"Ach kind," zei de boer, "doe dat nou niet, je zou nog zieker worden als je opstond. Luister es, deze keer zal ik naar de mis gaan en goed luisteren naar de preek en dan zal ik je precies vertellen wat meneer pastoor gezegd heeft."
"Nou," zei de boerin toen, "doe dat dan maar en luister goed en vertel me alles, wat je gehoord hebt."
Nou en toen is de boer naar de mis gegaan en toen is meneer pastoor begonnen met de preek en hij zei dat als iemand een ziek kind of een zieke man, een zieke vrouw, een zieke vader, een zieke moeder, een zieke zuster of broer of wie dan ook van de familie in huis had, en die zou een bedevaart maken naar Gokkelenberg in 't Walenland, waar een zak vol laurierbladeren maar een stuiver kost, voor die zal het zieke kind, de zieke man, de zieke vrouw, de zieke vader, de zieke moeder, de zieke zuster, of broer of wie anders op staande voet weer gezond worden, en wie de reis zou willen maken die kon na de mis bij hem komen, dan zou hij hem een zak geven voor de laurierbladeren en een stuiver toe.
Niemand blijer dan de boer. Dadelijk na de mis ging hij meteen naar de pastoor toe en die gaf hem de zak en de stuiver toe. En daarop is hij naar huis gelopen en schreeuwde al bij de deur naar binnen: "Hoera, lieve vrouw, nu ben je haast weer beter! Meneer pastoor heeft vandaag een preek gehouden, dat, wie een ziek kind thuis had of een zieke man, een zieke vrouw, een zieke vader, een zieke moeder, een zieke zuster, broer of wie dan ook en die maakt een bedevaart naar Gokkelenberg in Walenland, waar een zak laurierbladeren maar een stuiver kost, die z'n zieke kind, z'n zieke man, z'n zieke vrouw, z'n zieke vader, z'n zieke moeder, z'n zieke zuster, z'n broer of wie dan ook van nabij in de familie ziek is, wordt op staande voet weer gezond; en hier heb ik al een zak gehaald voor de laurierbladeren en een stuiver toe en ik ga maar meteen op weg, want des te eerder ben je beter."
En meteen is hij er vandoor gegaan. Maar pas was hij weg, of de boerin was al op en de pastoor was er ook al gauw.
Intussen zullen we die twee maar laten en nu gaan we met de boer mee. Die is er met een flinke vaart op losgestevend, om des te gauwer op de Gokkelenberg te komen en terwijl hij zo aan het stappen is, komt zijn peetvader hem tegen. Zijn peetvader, dat was een eierboer en die kwam net van de markt, waar hij zijn eieren verkocht had. "Geloofd zij God," zei de peetvader, "waar ga jij in zo'n draf naar toe, petekind?"
"In eeuwigheid amen," zei de boer, "mijn vrouw is ziek geworden, en nu hebben we vandaag een preek gehad van meneer pastoor, en toen heeft hij gepreekt dat als iemand bij zich thuis een ziek kind, een zieke man, een zieke vrouw, een zieke vader, een zieke moeder, een zieke zuster of broer of wie van de naasten dan ook had, en hij maakt een bedevaart naar Gokkelenberg in Walenland, waar een hele zak vol laurierbladeren maar een stuiver kost, dan wordt dat zieke kind, de zieke man, de zieke vrouw, de zieke vader, de zieke moeder, de zieke zuster, de broer of wie van de naasten ook, op staande voet weer gezond, en toen ben ik bij meneer pastoor een zak wezen halen voor laurierbladeren een stuiver op de koop toe en nou ben ik vandaag mijn bedevaart meteen begonnen."
"Maar best petekind," zei de peetvader, "ben je nou heus zo simpel, dat je zoiets gelooft? Weet je wat de zaak is? De pastoor zou je vrouw graag eens een hele dag voor zich alleen hebben, en nu hebben ze jou met een smoesje weggestuurd, zodat je van de vloer bent."
"Mijn tijd," zei de boer, "ik zou wel eens willen weten, of dat waar is."
"Nou," zei de peetoom, "weet je wat, ga in de eiermand zitten, dan draag ik je naar huis en dan kan je zelf zien."
Nu, dat was afgesproken. En de boer heeft z'n petekind in de eiermand gezet, en peetvader droeg hem naar zijn huis. En toen ze daar aangekomen zijn, hola, toen was 't er al heel gezellig. De boerin had zowat alles wat er in huis en hof was, te voorschijn gehaald, en ze was aan het bakken, en meneer pastoor was er al en had de viool meegebracht.
En toen was peetvader juist aan de deur gaan kloppen, en de boerin vroeg wie of daar was. "Dat ben ik petekindje," had de peetvader gezegd, "wil jij me vannacht herbergen, ik heb m'n eieren op de markt niet kunnen verkopen, en nou moet ik ze weer naar huis slepen en ze zijn zo zwaar, ik kom niet meer zo ver en 't wordt al donker."
"Ja, hoor es peetvader," zei toen de boerin, "u komt eigenlijk erg ongelegen. Maar ja, als het niet anders kan, komt er dan maar in ga daar maar zitten op de bank achter de kachel."
Dus heeft ze peetvader met zijn draagmand op de kachelbank laten zitten. Maar de pastoor en de boerin hadden veel plezier.
Eindelijk begon de pastoor te zeggen: "Luister eens, lieve boerin, je kon immers altijd zo mooi zingen, zing eens wat."
"O," zei de boerin, "nu kan ik niet meer zingen, ja, in mijn jonge jaren, toen heb ik het wel gekund; maar dat is nu voorbij." "Kom," zei de pastoor, "zing eens wat, een klein liedje maar." Nou, toen begon de boerin te zingen:
"Ik zond mijn man naar verre kant: op de Gokkelenberg in 't Waterland."
En toen viel de pastoor in:
"Ik wou hij bleef er 't hele jaar, Al met zijn zak voor lauwerblaar' Halleluja!"
Maar nu begon de peetvader mee te zingen (maar nu moet ik nog vertellen, dat die boer Hildebrand heette), dus hij zong:
"Och mijn lieve Hildebrand, Wat doe jij op de kachelbank? Halleluja!"
En toen viel de boer in, in de mand:
"Ik hou niet van dat zingen: ik ga de mand uitspringen!"
En hij klom de mand uit en knuppelde de pastoor z'n huis uit.
Een man woont sinds kort in een nieuw appartement en gaat naar de hal om zijn post op te halen. Als hij weer naar boven wil gaan komt er een knappe jonge vrouw in een badjas uit het appartement naast de lift. Ze raken in gesprek en plotseling valt haar badjas een stuk open, waarbij hij kan zien dat ze er niets onder aan heeft. Terwijl het zweet hem uitbreekt, probeert hij constant oogcontact te houden. Na een paar minuten legt ze plotseling haar hand op zijn arm en zegt met zwoele stem: "Vlug, laten we naar mijn appartement gaan, want ik hoor iemand komen." Hij gaat met haar mee en als ze de deur achter hem gesloten heeft, leunt ze tegen de deurpost, waarbij haar badjas volledig van haar lichaam glijdt. Als ze naakt voor hem staat fluistert ze: "Wat vind je het best aan mijn lichaam?" De man zegt met een rood hoofd en schorre stem: "Nou, ik denk je oren." Ze antwoordt verbaasd en ook een beetje beledigd: "Mijn oren? Kijk eens naar deze borsten, deze dijen en dit kontje! Hoe kom je er in godsnaam bij dat mijn oren de beste dingen zijn aan dit lichaam!?" Waarop de man stamelt: "Nou dat is nogal logisch. Weet je nog dat we in de hal stonden en dat je zei dat je iemand hoorde komen? Nou, dat was ik.........."
In een groot bos loopt een magische kikker. De kikker is in heel zijn leven nog nooit een ander dier gezien, todat er een haas langskomt gevolgd door een hongerige beer.
De kikker is zo verrast dat hij stop roept en de haas en de beer allebei 3 wensen laat doen. De beer en de haas zijn daar wel voor in en de beer mag beginnen met wensen.
De beer wenst dat alle beren in het bos behalve hijzelf vrouwtjes beren worden.
Dan mag de haas.
De haas wenst een motorhelm.
De beer denkt van: "Stomme haas, je kan toch ook geld wensen om een helm te kopen." Maar ja, de beer mag weer wensen.
De beer wenst dat alle beren in het Bos ernaast behalve hijzelf ook vrouwtjes beren worden.
Dan mag de haas weer. De haas wenst dit keer een motor.
Dan mag de beer zijn laaste wens doen en hij wenst dat alle beren over de hele wereld behalve hijzelf vrouwtjes beren worden.
En tot slot mag de Haas zijn laaste wens doen. De haas doet zijn motorhelm op en start zijn motor.
"Ik wens dat deze beer hier naast mij homo is," en de haas scheurt weg.
zit een meisje in het klooster en word ongesteld. ze gaat naar moeder-overste en vraagt of zei misschien iets daarvoor heeft, nee zegt moeder overste ik heb dat niet maar je moet maar even naar de apotheek gaan... dus zo gezegd zo gedaan het meisje gaat naar de apotheek maar durft eigenlijk niet te zeggen dat ze iets nodig heeft voor haar menstruatie dus zegt ze: "het is nat maar het regent niet" De vrouw achter de balie snapt er niks van dus zegt het meisje nogmaals: "het is nat maar het regent niet" nou nu weet de vrouw van de balie het nog niet dus roept haar baas der bij en weer zegt het meisje tegen de baas:"het is nat maar het regent niet" "ohw"zegt de baas ik weet het al daar heb ik ook altijd last van: het is stijf maar het vriest niet
Er is eens een koning geweest en die heeft een dochter gehad; en hij heeft een glazen berg laten maken en hij zei: wie daar overheen kon lopen zonder te vallen, die zou z'n dochter tot vrouw hebben. En nu was er iemand en die vond de koningsdochter zo aardig, en hij vroeg aan de koning of hij z'n dochter mocht hebben? "Ja," zegt de koning, "als je over die berg daar kan lopen, zonder te vallen, dan zal je haar hebben." Nu zei de prinses, ze zou dan samen met hem eroverheen lopen, en ze zou 'm vasthouden als hij zou vallen. En toen liepen ze er met elkaar overheen, en als ze er middenop zijn, glijdt de prinses uit, en ze valt, en de glazen berg gaat open, en ze schiet helemaal naar binnen, en de bruidegom kon niet eens zien waar ze erin gekomen is, want de berg ging meteen weer dicht. En hij aan 't jammeren en aan het schreien, en de koning had ook zo'n verdriet, en hij liet de berg op die plek wegbreken, en hij dacht dat hij haar er wel weer uit zou krijgen, maar hij kon de plaats niet vinden, waar ze er doorheen is gevallen. Intussen is de prinses heel erg diep in de grond gekomen in een groot hol. Toen kwam daar een oude kerel haar tegemoet, zo één met een hele lange, grijze baard, en die zei als ze hem dienen wou en alles doen wat hij beveelt, dan kon ze wel blijven leven en anders zal hij haar doden. Toen deed ze alles, wat hij haar zei. 's Morgens pakte hij een ladder uit de schuur en legde die tegen de berg en klom daarmee de berg uit, en dan haalt hij de ladder achter zich omhoog. En dan moet zij z'n eten koken en z'n bed opmaken en al het werk doen, en dan, als hij dan weer thuis komt, dan brengt hij altijd een hoop goud en zilver mee. Toen ze nu heel wat jaren bij hem geweest was en helemaal oud geworden was, toen noemde hij haar Vrouw Mansrot, en zij moest hem ouwe Rinkrank noemen. En hij was weer eens uit, en toen maakte ze z'n bed op en waste z'n schotels, en toen maakte ze de deuren en de vensters allemaal dicht, en dan is er ook een schuif geweest en daar scheen het licht binnen, en dat liet ze open. Toen de ouwe Rinkrank terugkwam, toen klopte hij aan de deur en riep: "Vrouw Mansrot, doe de deur open." "Nee," zegt ze, "ik doe voor jou, Ouwe Rinkrank, de deur niet open." Dan zegt hij:
Een man komt een brillenwinkel binnen. De man zegt tegen de verkoper: "Dag meneer, ik spaar brillen. Heeft u nog wat bijzonders?" "Jazeker," zegt de verkoper en geeft de man een bril. De man zet de bril op en kijkt de verkoper meteen dwars door zijn kleren heen: hij ziet de verkoper spiernaakt. "Dat is fantastisch," zegt de man, "hoeveel moet die bril kosten?" "Driehonderd gulden," zegt de verkoper. "Pak maar in," zegt de man. De man loopt naar buiten en zet de bril op. Er lopen twee vrouwtjes met boodschappentassen voorbij. Hij ziet ze spiernaakt. Ook de haringboer in zijn kar staat bloot. De man gaat met de tram: iedereen bloot. De man loopt wel drie keer de tram op en neer. Komt de man thuis. Ziet hij zijn vrouw en de buurman spiernaakt op de bank zitten. Hij zet de bril af: zitten zijn vrouw en de buurman nog steeds spiernaakt. "Ik heb weer wat," zegt de man, "tien minuten en het is al weer stuk."
De man werd opgepakt omdat hij een week geleden hoogstwaarschijnlijk 24 jurkjes van €12,95 uit de etalage van een kledingszaak had gestolen. De rechter hem of hij kon verklaren waarom hij alleen de goedkopere jurkjes had gestolen terwijl er in de etalage ernaast jurkjes hingen die een fortuin waard zijn. "Nee, dat kan ik niet verklaren," zei de man, "en hou daarmee nu alstublieft op, want mijn vrouw loopt me nu al de hele week hetzelfde te verwijten!"
blaastest Twee autos botsen op elkaar. De chauffeurs stappen uit, nemen de schade op en wachten tot de politie komt. Opeens haalt één van de twee een fles uit zijn zak. "Hier, drinkt U maar wat voor de schrik." De ander slaat het niet af. "En u?", vraagt hij dan, "wilt u niets drinken?" "Straks", zegt de ander grinnikend, "na de blaastest."
Er was eens een boer, en die had een trouwe hond, en die heette Sultan. Hij was oud geworden en al z'n tanden was hij kwijt, zodat hij niets meer vast kon pakken. Eens op een keer stond de boer met z'n vrouw voor de huisdeur. Hij zei: "Die ouwe Sultan zal ik morgen maar doodschieten; die kan toch niets meer." Maar de vrouw, die medelijden had met het arme dier, antwoordde: "Hij heeft ons zo veel jaren trouw gediend, nu kan er toch wel genadebrood op overschieten." - "Och kom," zei de man, "je bent niet goed wijs, geen tand heeft hij meer in z'n bek, geen dief zal voor hem bang zijn; z'n tijd is om. Hij heeft ons trouw gediend, daar heeft hij ook alles voor gehad, en ook goed ook."
Niet ver daarvandaan lag Sultan in de zon, helemaal uitgestrekt. Het arme dier had alles gehoord en hij werd verslagen, dat het morgen zijn laatste dag zou zijn.
Nu had hij een grote vriend: dat was de wolf. 's Avonds sloop hij naar het bos, en klaagde bij de wolf over het lot, dat hem beschoren was. "Hoor es, neef," zei de wolf, "houd er de moed maar in. Ik zal je wel helpen. Ik heb al wat bedacht. Morgenvroeg gaat de baas met de vrouw hooien: dan nemen ze 't kleine kind mee, omdat er niemand in huis blijft. Onder 't hooien leggen ze 't kind altijd achter een hek in de schaduw. Daar moet je naast gaan liggen, net of je de wacht wilt houden. Dan zal ik uit 't bos komen en 't kind meenemen; jij springt me na in volle vaart, of je 't me weer wil afpakken. Dan laat ik 't vallen, en jij brengt 't weer terug naar de ouders: die geloven dat jij 't hebt gered, en zijn veel te dankbaar om je ooit iets te doen; integendeel, je komt helemaal in de gratie, en je zult vertroeteld worden en verwend, tot aan 't eind van je dagen."
Dat voorstel beviel de hond, en zoals 't bedacht was, zo werd 't gedaan. De vader schreeuwde luid, toen hij de wolf met 't kind over 't land zag lopen, maar toen de ouwe Sultan 't weer terug bracht, streelde hij hem en zei: "Jou zullen we niets doen, we zullen goed voor je zijn, zolang je leeft." En tegen zijn vrouw zei hij: "Ga nu meteen naar huis en kook een lekkere pap voor Sultan, daar hoeft hij niet op te bijten, en geef hem mijn hoofdkussen, dat geef ik hem om op te liggen." Van toen af had de oude Sultan het goed, zo goed als hij 't maar wensen kon.
Kort daarop kreeg hij bezoek van de wolf, die blij was dat alles zo goed was geslaagd. "Maar neef," zei de wolf, "nou moet je ook een oogje dicht doen, als ik bij gelegenheid de baas eens een vet schaap afhandig maak. De tijden zijn tegenwoordig zo moeilijk."
"Reken daar niet op," zei de hond, "de baas blijft bij mij nummer één, daar stap ik niet van af." De wolf dacht niet dat het zo ernstig gemeend was, 's nachts kwam hij aangeslepen en hij wilde dat vette schaap komen halen. Maar de boer, die door de hond gewaarschuwd was, stond hem op te wachten en kamde hem flink z'n haar met de hooivork. De wolf moest de aftocht blazen, maar hij riep de hond toe: "Wacht maar, lelijkerd, daar zal je voor boeten."
De volgende morgen kwam er uit naam van de wolf een varken om de hond in 't bos te dagen, om de zaak uit te vechten. Ouwe Sultan kon geen andere secondant vinden dan een poes, die maar drie poten had, en toen ze er samen op af gingen, hompelde de arme poes met moeite voort en stak van pijn z'n staart in de hoogte. De wolf en z'n secondant waren al op de afgesproken plaats, maar toen ze de tegenstanders aan zagen komen, dacht de wolf dat er één met opgestoken zwaard liep, want daar zag hij de kattenstaart voor aan.
En toen 't arme dier op z'n drie poten voortstrompelde, dachten ze niets meer of minder, dan dat hij telkens een steen opraapte om daarmee te kunnen gooien. Toen werden ze allebei bang, het varken kroop in de bladeren, en de wolf sprong in een boom.
Toen de poes en de hond aankwamen, verbaasden ze zich dat zich niemand vertoonde. Het varken had zich niet helemaal kunnen verbergen in de bladeren: z'n twee oren staken nog omhoog. Terwijl de kat speurend rondkeek, trilde 't oor van 't varken even; poes, die dacht dat 't een muis was, vloog erop af en beet stevig vast. Daar sprong het varken wild schreeuwend op, en riep: "Daar in de boom, daar zit de dief!"
De hond en de kat keken om hoog; daar zagen ze de wolf zitten. Hij schaamde zich dat hij zo bang was geweest en hij nam graag aan, dat ze voortaan weer in vrede en vriendschap zouden leven.
Een man loopt over de wallen en ziet daar allerlei mooie vrouwen acher de ramen zitten, maar die kosten 50 euro. "Nou," denkt de man, "balen zeg. Ik heb geen 50 euro." Teleurgesteld loopt hij verder en ziet daar een pijpmachine staan. Het kost 5 euro. De man betaalt en stopt zijn lul erin. Hij vindt het heel lekker en wil nog een keer en nog een keer, totdat hij nog maar 2 euro heeft. Hij denkt: "Nou voor 2 euro doet hij het ook wel." Dus hij betaalt met een 2 euromunt en stopt zijn lul er weer in. Al snel trekt hij hem eruit en schreeuwt het uit. Zijn hele lul is aan flarden. Kwaad loopt hij het gebouw binnen waar het apparaat in staat waar een oud vrouwtje achter de balie zit. De man legt zijn lul op de balie en zegt: "Kijk wat dat apparaat met mijn lul heeft gedaan!" "Ja," zegt dat vrouwtje, "je denkt toch niet dat ik voor 2 euro mijn kunstgebit uitdoe?"
Een kapper met een onderscheiding is nooit grappig. Achterin de kerk roepen dat je de kogel hebt gevonden is nooit grappig. Iemand die incontinent is in de zeik zetten is nooit grappig. Af en toe sex met Klaas Vaak, is nooit grappig. Een ongestelde vrouw die doet alsof haar neus bloedt is nooit grappig. Een hengst die de tafel dekt is nooit grappig. In een antiekwinkel vragen of ze nog iets nieuws hebben, is nooit grappig. Een blaasorkest bij de alcoholcontrole is nooit grappig. Een stewardess die zwanger is van de automatische piloot is nooit grappig. Babi gangbang bestellen bij de chinees is nooit grappig. Een schoppenboer van harte door een ruit schoppen is nooit grappig. Een boswachter die een uiltje knapt, is nooit grappig. Stotteren in gebarentaal, is nooit grappig. Een konijn die een hazewind laat is nooit grappig. Een kok die roet in het eten gooit is nooit grappig. Een bruine beer met rode hond is nooit grappig. Een verkouden pyromaan die de rest aansteekt is nooit grappig. Een kopstoot krijgen van een hoofdagent is nooit grappig. In de kerk een ham-kaas hostie bestellen is nooit grappig. Niet in een pashokje passen, is nooit grappig. Een tandarts vragen of hij nog een gaatje heeft is nooit grappig. Een vat bier leegdrinken en daarna fustfucken, is nooit grappig. Een heroïnehoertje op naaldhakken is nooit grappig. De zoekfunctie niet kunnen vinden, is nooit grappig. Moederkoekhappen op andermans verjaardag is nooit grappig.
James Whiteheather is door vrienden uitgenodigd een paar dagen Op hun landgoed in Yorkshire te komen logeren. Hij arriveert op Een zaterdagavond en hij treft er nog een groot aantal andere gasten aan. Het valt niet te ontkennen dat er die avond niet alleen maar chocolademelk Is gedronken. Aan het eind van het drinkgelag verontschuldigt de gastheer zich. ,James, arme duivel," zegt hij, Je zult je tot mijn grote spijt vannacht in de spookkamer moeten installeren. Alle andere kamers zijn bezet." Met genoegen," antwoordt James onverstoorbaar. :',0 James!" roepen een paar dames bewonderend en met een gilletje uit. "Hoe durf je! Ben je dan niet bang? Je weet toch dat daar nog altijd die oude vrouw rondspookt, die tien jaar geleden in die kamer zelfmoord heeft gepleegd? " "Hoe weten jullie dat nou?" zegt James, terwijl hij met zijn handen een afwimpelend gebaar maakt. "Jullie hebben daar immers nooit geslapen. Ik vind het alleen maar een gezellige kamer met een prachtig uitzicht. Ik wens jullie allen een goede nachtrust." Tien minuten later ligt James onder de wol. Voor alle zekerheid heeft hij toch maar zijn revolver onder het hoofdkussen gestopt en hij heeft ook een klein lampje aan het hoofdeinde laten branden. Tot zijn doodschrik ziet hij plotseling aan het voeteinde vijf vingertjes. Ze bewegen zich langzaam. James spert zijn ogen wijd open, doet ze dan weer dicht, dan weer open... De vijf vingertjes zijn er nog altijd. En kijk: nu zijn het er ineens tien. James komt voorzichtig overeind. "Geen grapjes alsjeblieft!" sist hij tussen zijn tanden door. "Laat je gezicht zien of ik schiet' Koelbloedig en vastberaden grijpt hij zijn revolver. Ik zeg het geen tweede keer!" dreigt James. Jk tel tot drie en dan schiet ik!" Hij richt zorgvuldig. De vingertjes verstarren. Ze verroeren zich niet meer. "Opstaan of ik schiet!" schreeuwt James. Nu trillen de vingertjes een beetje. "Eén!" roept James, "Twee! Drie!" Dan klinkt een schot. Sindsdien trekt James onder het lopen met zijn rechtervoet.
Er was eens een arm dienstmeisje, dat met haar meester en meesteres door een groot bos reisde, en toen ze daar middenin was, kwamen er opeens rovers uit het struikgewas te voorschijn, en ze vermoordden iedereen die ze tegenkwamen. Allen kwamen erbij om, behalve het meisje, zij was in haar angst uit de wagen gesprongen en had zich achter een boom verborgen.
Toen de rovers met hun buit weg waren, kwam ze op de plaats waar het gebeurd was en zag het ongeluk. Ze begon bitter te schreien en zei: "Wat zal ik arme nu beginnen, ik weet niet hoe ik uit het bos kom, er woont geen levende ziel in, ik zal zeker van honger omkomen."
Ze liep heen en weer, zocht een uitweg, maar kon niets vinden.
Het werd avond, ze ging onder een boom zitten, vroeg God om hulp, wilde daar blijven zitten en niet weggaan, wat er ook gebeurde. Maar toen zij daar een poos gezeten had, kwam er een wit duifje aangevlogen, met een klein, gouden sleuteltje in zijn snavel. Hij legde haar het sleuteltje in de hand en zei: "Zie je daar in de verte die grote boom? Daar hangt een klein slotje aan, dat kun je met het sleuteltje opendoen, daar zul je eten genoeg vinden en je hoeft geen honger meer te lijden."
Toen ging ze naar de boom, ze deed het slot open en ze vond er melk in een schoteltje en wittebrood erbij om erin te brokkelen, zodat ze lekker kon eten. Toen ze genoeg had, zei ze: "Nu is het de tijd waarop de kippen thuis op stok gaan, ik ben zo moe, kon ik maar in mijn bed gaan liggen."
Het duifje kwam dan ook weer aangevlogen, bracht een tweede gouden sleuteltje in z'n snavel en zei: "Doe de boom, die daar staat, maar open, dan zul je een bed vinden." Zij maakte ook dit slot open en vond een mooi, wit bedje: ze bad God, dat hij voor haar die nacht zou zorgen, ze ging liggen en sliep in.
De volgende morgen kwam het duifje voor de derde keer, bracht weer een sleuteltje en sprak: "Maak nu die boom daar eens open, daar zul je kleren vinden." En toen ze het slot openmaakte, vond ze daar kleren met goud en edelstenen, zo heerlijk als geen koningskind er had. Zo leefde ze daar een poos, het duifje kwam elke dag en zorgde voor alles, wat ze nodig had, en 't was een rustig, goed leven.
Eens echter kwam het duifje en zei: "Wil je iets doen om mij een plezier te doen?"
"Graag," zei 't meisje.
Het duifje zei: "Ik zal je naar een klein huisje brengen. Ga daar in, middenin, bij de haard, zit een oude vrouw; ze zal, 'goedendag' zeggen. Maar geef haar vooral geen antwoord, al begint ze nog zo vaak. Ga de kamer door aan haar rechterhand. Daar is een deur. Maak die open. Dan kom je in een kamer, waar een hoop ringen in allerlei soorten op een tafel liggen. Daar zijn prachtige bij, met fonkelende stenen. Maar laat ze liggen! Zoek er een heel eenvoudige uit; die is er ook wel bij, en breng die dan bij me, zo gauw als je kunt."
Het meisje ging naar het huisje toe en ging de deur door. Ze zag er een oud mens zitten, dat grote ogen opzette en zei: "Goedendag, kindlief." Ze gaf haar geen antwoord en ging naar de deur toe. "Waarnaar toe?" riep ze en pakte haar bij haar rok en wilde haar vasthouden. "Het is mijn huis, daar mag niemand binnenkomen, als ik het niet hebben wil." Maar het meisje zweeg, maakte zich uit haar greep los en ging meteen de kamer in. Daar lag nu op tafel een massa ringen, ze glinsterden en schitterden haar in de ogen; ze wierp ze door elkaar en zocht de eenvoudige, maar ze kon hem niet vinden.
Terwijl ze zo aan het zoeken was, zag ze het oude mens rondsluipen en een vogelkooi ter hand nemen waar ze mee weg wilde. Ze ging nu op haar toe, nam haar de kooi uit de hand, en toen ze hem ophief en erin keek, zat er een vogel in, die een eenvoudige ring in zijn snavel had. Ze nam die ring en liep er heel blij mee naar huis en dacht dat het witte duifje dadelijk komen zou om de ring te halen: maar het kwam niet.
Ze leunde tegen de boom om op het duifje te wachten, maar terwijl ze daar stond, leek het of de boom zacht was, en buigzaam, en de takken zonken neer. En opeens bogen zich de takken om haar heen, en dat waren twee armen, en toen ze omkeek, was de boom een man geworden, die haar omvatte, haar kuste en zei: "Jij bent het, die me verlost hebt en uit de macht van het oude mens bevrijd. Ze is een boze heks. Ze had me betoverd in een boom, maar een paar uur lang was ik iedere dag een duif, en zolang ze de ring bezat, kon ik mijn mensengedaante niet meer terugkrijgen."
Nu waren ook zijn bedienden en zijn paarden van de toverij verlost; ze had hen ook in bomen veranderd. Ze stonden nu naast hem. En zij reden weg naar zijn rijk, want hij was een prins; en ze trouwden en leefden gelukkig met elkaar.
Een ongetrouwde werkster heeft een baby gekregen. Vraagt iemand aan haar: "Weet je echt niet wie de vader is?" Waarop zij antwoordt: "Natuurlijk niet. Je denkt toch niet dat ik me elke keer omdraai als ik de trap aan het dweilen ben?"
Er waren eens 3 mannen de eerste man kon alleen maar zeggen : Ja de tweede man kon alleen maar zeggen : Met mes en vork de derde man kon alleen maar zeggen : Olee Olee Olee Olee
Op een dag komt er een politie agent en vraagt aan de eerste man hebben jullie gister avond een vrouw vermoord ?? zegt de eerste man : Ja vraagt hij aande tweede man : met wat voor wapen ? zegt de tweede man : met mes en vork zegt hij tegen de derde man dan gaat jullie nu de gevangenis in zegt de derde man : OLEE OLEE OLEE
Een arme man had zoveel kinderen, dat hij al de hele wereld als peet gevraagd had, en toen er weer een kind geboren werd, wist hij niemand meer om nog als peetoom te vragen. Hij wist niet wat hij nu doen moest, want het kind moest toch gedoopt; en in zijn zorg ging hij liggen en sliep in. Toen droomde hij. Hij moest de poort uitgaan, en dan de eerste die hij tegenkwam tot peetoom vragen. Hij werd wakker, en vond, dat de droom wel eens een teken kon zijn geweest, en hij ging de poort uit en de eerste die hij tegenkwam, vroeg hij als peet. De vreemdeling gaf hem een glaasje water, en zei: "Dit is wonderbaarlijk water, daarmee kun je zieken genezen; je moet alleen maar goed kijken, waar de dood staat. Staat hij bij ‘t hoofd, geef de zieke dan van ‘t water; maar staat hij bij de voeten, dan is alle moeite vergeefs, dan moet hij toch sterven." Van die tijd af kon de man altijd vooruit zeggen, of een zieke nog te redden was, of niet; hij werd beroemd door z’n kunst en verdiende veel geld. Eens werd hij bij het kind van de koning geroepen, en toen hij binnenkwam, zag hij de dood zitten bij het hoofd, en hij genas het met ‘t water; en zo gebeurde het nog eens een tweede keer, maar de derde keer stond de dood bij de voeten en toen moest ‘t sterven.
Nu wilde de man toch eens die peet opzoeken en hem vertellen, hoe het met dat water was gegaan. Maar toen hij dat huis binnenging, was het zo’n vreemd huishouden. Op de eerste trap twistte de bezem met het blik en ze sloegen geweldig op elkaar los. Hij vroeg hen: "Waar woont de peet?" De bezem zei: "Eén trap hoger." Toen hij de tweede trap opklom, zag hij een massa dode vingers liggen. Hij vroeg: "Waar woont de peet?" en één van de vingers antwoordde: "Eén trap hoger." Op de derde trap lag een massa doodskoppen, en die zeiden ook: "Een trap hoger." Op de vierde trap zag hij vissen boven ‘t vuur, ze sisten in de pan en bakten zichzelf. Ze zeiden ook al: "Eén trap hoger." Maar toen hij de vijfde trap opgeklommen was, kwam hij bij een kamer. Hij keek door ‘t sleutelgat, en daar zag hij de peet, en hij had een paar horens. Hij deed de deur open en ging naar binnen, en de peet ging vlug ‘t bed in en dekte zichzelf goed toe. Nu zei de man: "Waarde peetoom. Wat is dat hier voor een raar huishouden? Toen ik de eerste trap opklom, waren het blik en de bezem met elkaar aan ‘t twisten en ze sloegen elkaar, dat het een aard had." "Wat ben je onnozel," zei de peet, "dat waren de knecht en de meid, ze praatten samen." "Maar op de tweede trap, daar lagen allemaal dode vingers." "Wat ben je nu simpel," zei de peet, "dat waren schorseneren." "Maar op de derde trap lag een hele stapel doodskoppen." "Domme kerel, dat waren kolen." "En op de vierde trap zag ik vissen in de pan, ze sisten en bakten zichzelf." En terwijl hij dat zei, kwamen de vissen binnen en disten zichzelf op. "En toen ik de vijfde trap opkwam, keek ik door een sleutelgat, en daar zag ik u, heer peet, en u had lange, heel lange horens." "Neen, dat is niet waar!" En de man werd bang en holde weg, en wie weet wat die peetoom anders wel zou hebben gedaan!
Piet zit in een chinees restaurant. Na er even gezeten te hebben, komt er een chinese serveerster langs die vraagt: "Wilt u menu?" Waarop Piet antwoordt: "Dadelijk, ik wil eerst eten."
Er waren eens twee kinderen en zij heette puding en gisteren. "Waarom hebben we nou straf en waarom doet mama de deur nou opslot" nou zegt gisteren dan had je de ruit van de schuur maar niet moeten in slaan. Opeens zegt pudding ik moet naar de Wc. Kan niet zegt gisteren de deur zit opslot doe het maar uit het raam. Oke zegt pudding en hij doet het en toen kwam er nou net een postbode aan en hij kreeg nou net even dat drolletje van pudding op zijn hoofd!! "Hee wat moet dat daar boven" de postbode belt aan en zegt tegen de moeder "een van die idioten daarboven heeft net iemand op mijn hoofd gekakt"!! was het gisteren?? nee het was vandaag! zegt de postbode was het pudding?? nee het was poep!!
Er komt een vrouw bij de dokter. Zegt de dokter: ''Wat is er aan de hand?'' Zegt de vrouw: ''Nou, het zit zo, ik ben veel te dik en ik wil afslanken. Maar ik heb alles al geprobeerd en ik wordt maar niet dunner. " Zegt de dokter: '' Ik heb nog één dieet dat zou kunnen werken." Zegt de vrouw: ''Oh, als dat helpt ben jij mijn held. Vertel maar." Dokter: ''Je moet alles anaal eten. Als je een appel wil moet je die in je achterwerk stoppen. En niet alleen met een appel maar met alles." Zegt de vrouw weer: '' Okee ik zal er aan denken. Ik hoop dat het werkt. Ik kom over twee weken weer terug. " Dokter: ''Is goed, tot dan! "
Naar twee weken...
De vrouw komt weer bij de dokter en ze is heel erg slank geworden. De vrouw staat helemaal te wiebelen. Dokter: ''Zie je nou wel dat dat dieet werkt. Maar waarom staat u nou zo te wiebelen? Vrouw: '' Nou ik kon niet langer wachten en heb even een kauwgompje genomen."
Er was eens een koningin en die had een dochtertje; ze was nog klein en moest op de arm worden gedragen. Eens was 't kind stout, en de moeder kon zeggen wat ze wilde, ze werd niet zoet. Toen werd de moeder ongeduldig, en omdat er juist raven om het slot vlogen, opende ze 't venster en zei: "Ik wou dat je een raaf was en wegvloog, dan had ik rust." Nauwelijks had ze dat gezegd of het arme kind was in een raaf veranderd en vloog van haar arm af 't raam uit. Maar ze vloog naar een donker bos en daar bleef ze lang, en de ouders hoorden niets van haar. Eens reisde een man door het bos, hij hoorde de raaf krassen en ging zoeken waar de stem vandaan kwam, en toen hij dichter bij kwam, zei de raaf: "Ik ben als koningsdochter geboren, en ik ben vervloekt, maar u kunt mij verlossen." "Wat moet ik dan doen?" vroeg hij. En ze zei: "Ga dieper het bos in, dan zult u een huis vinden, daar zit een oude vrouw in. Ze zal u eten en drinken aanbieden, maar u mag niets nemen; als u iets eet of drinkt, valt u in een diepe slaap en dan is er geen verlossing mogelijk. Maar in de tuin achter het huis is een runton, daar moet u op gaan staan en op mij wachten. Drie dagen lang kom ik elke middag om twee uur met een rijtuig bij u, de wagen is eerst bespannen met vier witte hengsten, dan met vier rode en tenslotte met vier zwarte, maar als u niet wakker bent, maar slaapt, word ik toch niet verlost." De man beloofde alles te doen, wat ze verlangd had. Maar de raaf zei: "Och, ik weet het al, u zult me niet verlossen, u neemt toch iets van die oude vrouw." Nog eens beloofde de man toen, dat hij werkelijk niets aan zou raken, noch van 't eten, noch van 't drinken. Maar toen hij bij het huis was, kwam de oude vrouw op hem toe en zei: "Arme man, wat bent u afgemat, kom binnen en ik heb wat voor u, eet wat en drink." "Neen," zei de man, "ik wil niet eten en niet drinken." Maar ze liet hem niet met rust en zei: "Maar als u dan niet eten wilt, neem dan een teug uit dit glas: eenmaal is geenmaal." Zo liet hij zich overreden en dronk toch. 's Middags tegen tweeën ging hij de tuin in op de runton en wilde op de raaf wachten. Maar terwijl hij daar stond, werd hij opeens zo moe, en hij kon er geen weerstand aan bieden en hij ging even liggen: inslapen wilde hij niet. Maar nauwelijks had hij zich uitgestrekt, of z'n ogen vielen vanzelf dicht, hij sliep in, en zo vast sliep hij, dat niets ter wereld hem had kunnen wekken. Om twee uur kwam de raaf met vier witte hengsten aan gereden, maar ze was al vol droefheid en zei: "Ik weet, dat hij toch slaapt." Ze kwam in de tuin en ja, hij lag te slapen op de runton. Ze kwam het rijtuig uit, schudde hem en riep hem, maar wakker werd hij niet. De volgende dag, 's middags, kwam de oude vrouw weer om hem eten en dringen te brengen, maar hij wilde niets hebben. Maar ze hield steeds aan en eindelijk nam hij weer een teug uit het glas. Tegen tweeën ging hij weer naar de tuin en wilde op de raaf wachten, maar opeens werd hij weer zo moe, dat zijn benen hem niet meer dragen konden; hij kon er niets aan doen, hij moest gaan liggen en viel weer in een diepe slaap. Toen de raaf kwam aangereden met vier rode hengsten, was ze al in rouwgewaad en riep: "Ik weet dat hij slaapt." Ze ging nog naar hem toe, maar hij sliep vast. De volgende dag zei de oude vrouw wat er toch was? Hij at niet en hij dronk niet: wou hij sterven? Hij antwoordde: "Ik wil en ik mag niet eten en niet drinken." Maar zij zette de schotel eten en het glas wijn voor hem neer, en toen de reuk daarvan bij hem kwam, kon hij 't niet weerstaan en nam een flinke teug. Het werd weer tijd en hij ging de tuin in en wachtte op de prinses, maar hij werd nog vermoeiender dan de vorige dag en hij ging liggen en sliep als een blok. Om twee uur kwam de raaf met vier zwarte hengsten, en de koets en alles was zwart. Maar zij was in rouwgewaad en sprak: "Ik weet, dat hij slaapt en mij niet kan verlossen." Ze kwam bij hem, maar hij lag vast te slapen, ze schudde hem, ze riep hem, maar wakker krijgen kon ze hem niet. Toen legde ze brood naast hem neer en een stuk vlees en tenslotte een fles wijn, en hij kon van alles nemen zoveel als hij wou, het werd toch niet minder. Dan nam ze een gouden ring van haar vinger en stak die aan de zijne, en haar naam stond erin. Tenslotte legde ze een brief neer en daar stond in wat ze hem gegeven had, en dat het nooit op zou raken, en ook stond er: "Ik zie wel in dat je me hier niet kunt verlossen, maar als je het nog zou willen, kom dan naar het gouden slot van Stroomberg; want je hebt het in je macht, daar ben ik zeker van." En toen ze hem dat alles gegeven had, ging ze weer in haar rijtuig zitten en reed naar het gouden slot van Stroomberg. De man werd wakker en begreep, dat hij geslapen had, en hij werd bedroefd en zei: "Ze is hier zeker langs gegaan, en ik heb haar niet verlost!" Toen kreeg hij de dingen in het oog, die naast hem lagen, en hij las de brief, waarin geschreven stond hoe alles in zijn werk was gegaan. Hij maakte zich nu op om weg te gaan, hij wilde naar het Gouden Slot van Stroomberg, maar waar dat lag, wist hij niet. Lang zwierf hij in de wereld rond, toen kwam hij in een donker bos en liep daar veertien dagen in te zoeken, maar de uitweg kon hij niet vinden. En weer werd het avond, en toen werd hij zo moe, dat hij in een bosje ging liggen en insliep. De volgende dag trok hij weer verder, maar toen hij 's avonds weer in een bosje wou gaan liggen, hoorde hij iets, het was net huilen en jammeren en hij kon er niet van slapen. En toen de tijd kwam, dat de mensen 's avonds licht aansteken, zag hij er één in de verte schijnen, hij stond op en liep op het schijnsel af, en nu kwam hij voor een huis dat heel klein leek, want er stond een grote reus voor. Nu overwoog hij bij zichzelf: "Als je daar binnengaat en de reus ziet het, dan kan 't met je gedaan zijn." Eindelijk had hij toch moed gevat en kwam dichterbij. De reus zag hem en sprak: "Goed dat je komt, ik heb lang niets te eten gehad; je bent goed voor bij de avondboterham." "U zou dat ook kunnen laten," sprak de man, "ik houd er niet van, te worden opgegeten, als je eten wilt heb ik genoeg bij me." "Als dat zo is," zei de reus, "dan hoefje je niet bang te maken; ik wou jou alleen maar nemen, omdat ik niets anders heb." Ze gingen samen aan tafel zitten, en de man haalde het brood, de wijn en het vlees dat nooit opraakte. "Dat lijkt me wel," zei de reus en hij at naar hartelust. En nu vroeg de man hem: "Kun je me soms zeggen, waar het Gouden Slot van Stroomberg is?" De reus zei: "Ik zal eens op mijn landkaart kijken. Daar staan alle steden en alle dorpen en alle huizen op." Hij haalde de kaart die in de kamer was, en hij zocht het slot, maar het stond er niet op. "Dat doet er niet toe," zei hij, "boven, in de kast heb ik nog grotere landkaarten: daar zullen we eens op kijken," maar ze zochten vergeefs. De man wilde nu verder gaan, maar de reus vroeg hem, nog een paar dagen te wachten, want dan kwam zijn broer en die was op proviand uit geweest. De broer kwam thuis en nu vroegen ze hem naar het Gouden Slot van Stroomberg, en hij zei: "Als ik gegeten heb en ik heb genoeg, dan zal ik eens op de kaart gaan kijken." En hij liep mee de trap op naar zijn kamer, en ze zochten op de kaart, maar vinden konden ze het niet; en toen haalde hij nog andere, oude kaarten, en ze hielden niet op met zoeken tot ze 't eindelijk vonden, dat Gouden Slot van Stroomberg – maar 't was heel veel duizenden mijlen ver daarvandaan. "Hoe moet ik daar komen?" vroeg de man. De reus zei: "Ik heb twee uur de tijd, ik zal je dragen tot dicht in de buurt, maar dan moet ik weer naar huis, want we hebben een kind en dat moet dan te eten hebben." Nu droeg de reus de man tot hij zowat honderd uur van het slot verwijderd was, en zei: "Verder kun je 't wel alleen." Hij keerde terug, maar de man liep dag en nacht, tot, eindelijk, hij aankwam bij het Gouden Slot van Stroomberg. Het slot stond op een glazen berg, en de betoverde jonkvrouw reed in een wagen rond het slot en ging dan naar binnen. Hij was heel verheugd haar te zien en hij wilde naar haar toe gaan, maar hoe hij het ook probeerde, hij gleed aldoor weer naar beneden. Hij zag nu in dat hij haar niet kon bereiken, en hij was heel bedroefd en zei in zichzelf: "Dan zal ik maar hier beneden op haar blijven wachten." Dus ging hij een hutje bouwen voor zichzelf, zat daar een heel jaar in, en zag de prinses elke dag boven rondrijden, maar bereiken kon hij haar niet.
Van zijn hut uit zag hij eens hoe drie rovers aan het vechten waren en hij riep hun toe: "God zal u helpen!" Ze hielden bij die roep op, maar toen ze niemand zagen, begonnen ze weer te vechten, en dat was niet mis. Toen riep hij weer: "God zal u helpen!" en weer hielden ze even op, en ze keken om, maar toen ze niemand zagen, gingen ze voort met hun vechtpartij. Toen riep hij voor de derde keer: "God zal u helpen!"... en hij dacht: "je moest eens gaan kijken wat die drie eigenlijk in 't schild voeren," en hij ging ernaar toe en vroeg, waarom ze zo vochten. Toen vertelde de één: hij had een stok gevonden, en als hij daarmee op een deur sloeg, dan sprong die deur open; de tweede vertelde, dat hij een mantel gevonden had, en als hij die aantrok, was hij onzichtbaar; en de derde zei, dat hij een paard gevangen had, en daarop kon je overal heen rijden, tot op de glazen berg. En nu wisten ze niet, of ze die drie dingen samen als gemeenschappelijk eigendom zouden houden, of dat ze elk met één stuk uit elkaar zouden gaan. Toen zei de man: "Die drie dingen neem ik graag van jullie over; wel heb ik geen geld, maar ik heb wat anders dat heel wat meer waard is, maar eerst moet ik die drie dingen op de proef stellen: om te zien of jullie de waarheid hebben gezegd." Nu zetten ze hem op het paard, hingen hem de mantel om en gaven hem de stok in de hand, en toen hij dat alles bij elkaar had, konden ze hem niet meer zien. En hij gaf hun flinke klappen en zei: "Nou? jullie weerwolven! Daar heb je watje verdiende loon is: ben je nu tevreden?" En meteen reed hij de glazen berg op, en toen hij boven bij het kasteel kwam, was het gesloten: toen sloeg hij met zijn stok op de poort: open sprong de deur. Hij trad binnen, ging de trap op tot boven in de zaal, en daar zat het prinsesje met een gouden beker wijn voor zich. Maar zij kon hem niet zien, omdat hij de mantel nog aanhad. En terwijl hij voor haar ging staan, trok hij de ring, die ze hem gegeven had van zijn vinger en wierp die in de gouden beker, zodat het rinkelde. Ze riep uit: "Daar is mijn ring, dan moet de man die mij verlossen zal, er ook zijn!" Ze zochten het hele kasteel door en ze vonden hem niet, maar hij was naar buiten gegaan, was weer op het paard gestegen en had de mantel afgeworpen. Toen ze dus bij de poort kwamen, werden ze hem gewaar en ze juichten van vreugde. En nu steeg hij af en nam het prinsesje in zijn armen, en zij kuste hem en zei: "Nu heb je me verlost, en morgen zal de bruiloft zijn!"
Een hoertje komt de trein binnen en gaat naast een man zitten die aan haar vraagt: "Wil jij naast het raam zitten?" Waarop het hoertje antwoordt: "Nee ik heb vakantie!"
Er zit een klein kereltje in de trein. Tegenover hem zit een boom van een kerel. "Kunt u mij zeggen wanneer deze trein in Breukelen stopt?" vraagt het kleine mannetje. "Deze trein stopt helemaal niet in Breukelen", zegt die grote kerel, "dit is de sneltrein naar Utrecht, die rijdt het station van Breukelen gewoon voorbij." "Lekker is dat," zegt het kleine mannetje, "ik heb een belangrijke afspraak in Breukelen. Die loop ik nou mooi mis." "Dat hoeft niet", zegt die grote kerel, "bij het station van Breukelen wil ik je wel aan je kraag buiten het raampje houden, boven het perron. Als jij dan zorgt dat je de snelheid van de trein krijgt, dan laat ik je los." "Zou u dat willen doen?" vraagt het mannetje. "Tuurlijk", zegt de kerel.
Zo gezegd zo gedaan. De grote kerel houdt het mannetje uit het raam bij Breukelen, het mannetje loopt hard over het perron mee en wordt losgelaten.
Als de grote kerel in Utrecht uitstapt, ziet hij daar ineens het kleine mannetje weer lopen. "Hé," zegt hij, "ik had je in Breukelen toch uit de trein gelaten? Wat doe jij nou hier?" "Zal ik je vertellen", zegt het kleine mannetje. "Ik loop in Breukelen over het perron lekker uit te lopen. Zit er in de laatste coupé een vent die denkt dat ik de trein moet halen. En die heeft me d'r weer ingetrokken!!!"
Lopen er twee muizen over de dam, vliegt er ineens een vleermuis voorbij. De ene muis begint te zwaaien, waarop die andere zegt: "Hee mafkees, wat loop je nou te zwaaien?" Zegt die andere muis: "Da's m'n neef, die zit bij de luchtmacht!"
Er was eens een prins, die zin kreeg om de wereld rond te zwerven, en hij nam niemand mee, behalve zijn trouwe dienaar. Op een dag kwam hij in een groot bos terecht, en toen de avond viel, kon hij geen onderdak vinden en wist niet waar hij de nacht moest doorbrengen. Opeens zag hij een meisje dat naar een klein huisje ging, en toen hij dichterbij kwam, zag hij, dat het meisje jong was en mooi. Hij sprak haar aan en zei: "Lieve kind, kan ik met mijn dienaar voor de nacht onderkomen vinden in dat huisje?" - "Jawel," zei het meisje met treurige stem, "het kan wel, maar aanraden kan ik het niet, ga daar niet binnen." - "Waarom zou ik daar niet binnen gaan?" vroeg de prins. Het meisje antwoordde zuchtend: "Mijn stiefmoeder kent boze kunsten; met vreemden heeft ze 't niet goed voor."
Nu begreep hij wel, dat het 't huis van een heks moest zijn, maar omdat het donker was en hij toch niet verder kon, en hij ook niet bang was, ging hij naar binnen. Het oude mens zat in een leunstoel bij het vuur en keek de vreemde man aan met haar rode ogen. "Goeienavond," krijste ze en ze deed heel vriendelijk: "Ga zitten en rust uit." Ze blies de kolen aan, waarop ze in een klein potje iets aan 't koken was. De dochter waarschuwde hen beiden, voorzichtig te zijn, vooral niets te eten en ook niets te drinken want de oude heks brouwde kwade dranken.
Ze sliepen rustig tot de volgende morgen vroeg. Toen ze zich weer voor hun verdere tocht gereed maakten en de prins al op het paard zat, zei 't oude mens: "Wacht nu even, ik wil u eerst een afscheidsdrankje geven." Terwijl ze dat haalde, reed de prins al weg, en de dienaar die het zadel nog moest aangespen, was er alleen nog, toen de boze heks met een afscheidsdrankje aankwam. "Breng dit naar uw heer," zei ze, maar op datzelfde ogenblik sprong het glas en het gif stortte over 't paard en 't was zo sterk, dat 't dier meteen dood neerviel. De dienaar liep snel zijn heer achterna, en vertelde hem wat er gebeurd was, maar hij wilde het zadel nog gaan halen en liep terug. Maar toen hij bij het aas kwam, zat er al een raaf van te eten. "Wie weet of we vandaag nog wat beters te eten krijgen," zei de knecht, doodde de raaf en nam die mee.
Nu trokken ze de hele dag door het bos, maar ze konden er niet uitkomen. Maar toen de nacht viel, vonden ze een herberg en gingen daar naar binnen. De knecht gaf de vogel aan de waard, om hem voor 't avondmaal klaar te maken. Ze waren in een moordenaarshol gekomen, en in de duisternis kwamen er twaalf moordenaars en die wilden de vreemdeling komen doden en beroven. Maar voor ze aan hun werk gingen, zetten ze zich aan tafel, de waard en de heks gingen erbij zitten, en ze aten allemaal uit een schotel met soep waardoor het ravenvlees gehakt was.
Maar ze hadden pas een paar happen genomen, of ze vielen allen dood neer, want de raaf had van het vergiftigde paardenvlees gegeten. Nu was er niemand meer in huis dan de dochter van de waard, die geen kwaad in de zin had en in al die goddeloosheden geen aandeel had gehad. Ze opende voor de gasten al de deuren en liet hun de opgehoopte schatten zien. Maar de prins zei dat ze alles zelf maar moest houden, hij wilde er niets van hebben en hij klom op zijn paard en reed met zijn dienaar weg.
Nadat ze lang gezworven hadden, kwamen ze in een stad, waar een mooie, maar overmoedige prinses woonde. Ze had bekend laten maken, dat ze trouwen zou met hem die haar een raadsel kon voorleggen dat zij niet kon oplossen, maar als zij het raden kon, moest hij met zijn leven boeten. Ze nam drie dagen tijd om te denken, maar ze was zo slim, dat ze al de raadsels die men haar opgaf, binnen de bepaalde tijd geraden had. Negen man waren al op die manier omgekomen, toen de prins daar kwam en, getroffen door haar grote schoonheid, zijn leven in de waagschaal stelde.
Hij ging voor haar staan en gaf haar zijn raadsel op: "Wat is dat," zei hij, "één sloeg geen en sloeg toch twaalf." Ze wist niet wat dat zijn kon, ze dacht en dacht, maar ze kwam er niet achter, ze sloeg haar raadselboeken op, maar daar stond het niet in, ze was aan 't eind van haar wijsheid gekomen. Daar ze zichzelf er niet uit redden kon, beval ze haar kamenier om naar de slaapkamer van de prins te sluipen, daar moest ze luisteren of hij soms droomde, want ze dacht: "Misschien praat hij in zijn slaap en verraadt het raadsel." Maar de slimme knecht was in het bed van de prins gaan liggen, en toen het meisje naderde, trok hij haar mantel af, waar ze zich in had gestoken, en hij sloeg haar en joeg haar weg.
In de tweede nacht zond de prinses haar hofdame, die moest eens kijken of het luisteren haar beter lukte; maar de knecht pakte ook haar mantel af en joeg haar onder slagen weg. De prins dacht dat hij nu de derde nacht wel veilig zou zijn en bleef in zijn eigen bed. Daar kwam de prinses zelf, ze had een mantel om, zwart als de nacht en ging naast het bed zitten. En toen ze dacht dat hij sliep, en ging dromen, toen ging ze tegen hem spreken en ze hoopte dat hij in de droom antwoord zou geven; zoals zoveel mensen doen.
Maar hij was wakker en verstond alles en hoorde alles best. Zo vroeg ze: "Eén sloeg geen, wat is dat?" Hij antwoordde: "Een raaf, die aan het aas van een dood en vergiftigd paard kwam en daardoor stierf." Toen vroeg ze verder: "En sloeg toch twaalf: wat betekent dat?" - "Dat zijn twaalf moordenaars die de raaf opaten en daaraan stierven."
Toen ze het raadsel dus begreep, wilde ze weggaan, maar hij had haar mantel vast en ze moest die achter laten. De volgende morgen liet de prinses afkondigen, dat ze het raadsel al geraden had, en ze liet twaalf rechters komen en loste het voor hen op. Maar de jonge prins vroeg, gehoord te worden en zei: "Ze is vannacht naar mij toe geslopen en heeft mij uitgevraagd; anders had ze het niet kunnen raden." De rechters zeiden: "Geef ons een bewijs." Toen werden de drie mantels door een knecht van de prins gebracht, en de rechters zagen de mantel, zwart als de nacht, die de prinses 's avonds altijd droeg, en ze zeiden: "Laat de mantel versieren met goud en met zilver, en dat zal uw bruidskleed zijn!"
Er ligt een vrouw op het strand... Dan komt er een man aanlopen die zegt dat als ze een borst blootlegt, ze geld van hem krijgt. De vrouw doet haar bloesje los en de man legt er een tientje op. "Zo," denkt de vrouw, "dat is lekker." Dus legt ze haar andere borst ook bloot. Dan komt er een man aan die er 25 piek oplegt. "Zo," denkt de vrouw, "dat gaat goed." Ze trekt haar broekje ook uit en gaat liggen. Dan komt er een man aan, haalt zijn pinpas uit zijn zak, haalt hem door de gleuf en pakt het tientje en de 25 piek.
Mats komt thuis met een slechte rapport. ''Voor zo'n rapport lijkt flink wat slagen wel op zijn plaats!'' zegt vader boos. Mats antwoordt: ''Dat lijkt me een goed idee pa. Ik weet waar de meester woont.''
Een oud vrouwtje zit op een alledaagse zondag in de kerk. Dan vraagt de priester: "Al degenen die deze week sex hebben gehad, moeten nu naar voren komen." Het oude vrouwtje, die slechthorend is, heeft het uiteraard niet gehoord en dus vraagt ze het de man naast haar. Deze heeft zelf ook een gehoorprobleem: "De priester zei, al degenen die een hostie willen moeten naar voren komen." Het vrouwtje strompelt naar voren en de priester roept: "Maar mevrouw, op uw leeftijd!? Schaamt u zoch niet??" "Het is niet dat ik geen tanden meer heb, dat ik er niet op kan zuigen hè!"
Er waren eens drie broers. Ze waren tot steeds grotere armoede vervallen. Tenslotte werd de nood zo groot, dat ze honger moesten lijden, en niets meer te bijten of te breken hadden. Toen zeiden zij: "Dat kan zo niet blijven; het is beter dat we alle drie de wijde wereld ingaan en ons geluk gaan zoeken." Dus maakten ze zich gereed; en ze waren al verre wegen gegaan, maar het geluk kwam hun maar niet zo tegemoet.
Maar op een goede dag kwamen ze in een groot bos; en middenin in het bos was een berg, en toen ze dichterbij kwamen, zagen ze, dat de hele berg van zilver was. Nu zei de oudste: "Daar heb ik het grote geluk gevonden, meer verlang ik niet!" Hij nam brokken zilver op, zoveel hij maar dragen kon, keerde terug en ging weer naar huis. De twee anderen echter zeiden: "Wij denken ons het grote geluk toch anders dan als louter zilver." En ze roerden het niet aan en gingen verder.
Weer liepen ze een paar dagen voort, en toen kwamen ze aan een berg die van louter goud was. De tweede broer bleef staan, bezon zich en werd onzeker. "Wat zal ik nu doen?" zei hij, "moet ik nu van 't goud zoveel nemen, dat ik mijn leven lang genoeg heb, of zal ik verder gaan?" Eindelijk kwam hij tot een besluit. Hij vulde z'n zakken zoveel er maar ingepropt kon, hij zei zijn broer vaarwel en zo ging hij naar huis.
De derde evenwel zei: "Zilver en goud, daar gaat het niet om; mijn geluk wil ik niet verspelen, misschien is er voor mij nog iets beters weggelegd." Hij trok verder, en toen hij drie dagen lang gelopen had, kwam hij bij een bos. Dat was nog groter dan het vorige, en er kwam maar geen eind aan, en omdat hij niets te eten of te drinken vond, verging hij bijna van honger en dorst. Toen klom hij in een hoge boom; om te zien of hij van boven het einde van 't bos kon zien, maar zover z'n blik reikte, er waren niets dan boomtoppen.
Hij liet zich weer op de grond zakken, maar zijn maag knorde van de honger, en hij dacht: als ik maar eens helemaal genoeg kon krijgen. Toen hij op de begane grond aangeland was, zag hij daar tot zijn verbazing een tafel staan, rijkelijk met schotels bezet, waarvan de geuren dampend naar hem opstegen. "Daar is mijn wens wel juist van pas vervuld," sprak hij, en zonder te vragen, wie het eten gebracht had en toebereid, ging hij aan tafel, en at met gretigheid tot zijn honger gestild was. Toen hij klaar was, dacht hij: "Het zou toch jammer zijn, als dat tafelkleedje hier in 't bos vuil zou worden" en hij vouwde 't netjes op en stak het in zijn zijzak. Zo ging hij weer verder, en 's avonds, toen zijn maag weer begon te vragen, wilde hij het kleedje eens uitspreiden, en zei daarbij: "Ik wenste wel, dat je weer met zoveel goede spijzen zou zijn bezet." Pas was die wens van zijn lippen gekomen, of er stonden zoveel schotels heerlijk eten op 't kleedje als maar plaats was. "Daar zie ik nu," vond hij, "in wat voor keuken voor mij wordt gekookt; dat vind ik beter dan een berg van zilver of een berg van goud," want hij begreep wel, dat het een tafeltje-dek-je was. Maar het doekje was hem niet genoeg, om daarbij neer te gaan zitten, maar hij wilde liever eerst nog wat in de wereld rondkijken en zijn geluk beproeven.
Eens op een avond zag hij in een eenzaam bos een zwartbestoven kolenbrander, die brandde kolen en had aardappels op 't vuur staan, daar wilde hij straks z'n maal mee doen. "Goeienavond, zwartkop," zei hij, "hoe staat het zo in de eenzaamheid?" "Elke dag precies eender," antwoordde de kolenbrander, "en iedere avond aardappelen; heb je er zin in en wil je blijven eten?" "Heel graag en wel bedankt," zei de reiziger, "maar ik wil je niet ontrieven, op een gast kon je niet rekenen, maar als je 't bij mij voor lief wilt nemen, dan nodig ik je uit." "Wie moet dat klaarmaken?" vroeg de kolenbrander, "want ik zie, dat je geen eten mee hebt, en een paar uur ver is hier niets te halen." "En toch nodig ik je voor het eten," antwoordde de ander, "en een maal als je nog nooit gehad hebt."
Daarop haalde hij het kleedje uit zijn zijzak, spreidde het keurig op de grond uit en zei: "Doekje, dek je." En meteen stonden er gebraad en gekookte spijzen op en zo warm of 't net uit de keuken kwam. De kolenbrander zette een paar grote ogen op, maar hij liet zich niet lang bidden; hij begon te eten en stopte steeds grotere brokken in z'n zwarte mond. Toen ze klaar waren met eten, veegde de kolenbrander zich behaaglijk af en zei: "Hoor eens, dat doekje is nog eens iets; 't zou wat voor mij zijn hier in 't bos, waar niemand mij wat goeds geeft. Ik zal je een ruil voorstellen. Daar in de hoek hangt een soldatenransel; hij ziet er oud en versleten uit, maar er zit een wonderkracht in. Ik heb hem toch niet meer nodig, neem jij het en laat je doekje bij mij." "Eerst moet ik weten wat dat voor wonderkracht is," kwam de ander hier tegenop. "Ik zal het je zeggen," antwoordde de kolenbrander, "als je er met je hand op klopt, dan komt er telkens een korporaal uit met zes man, en ze kunnen steken en schieten, en alles wat je hun opdraagt, dat doen ze." "Nu," zei hij, "als 't dan niet anders is, laten we dan maar ruilen." En hij gaf het doekje aan de kolenbrander, nam de ransel van de haak, hing hem om en nam afscheid.
Hij liep eerst een eind verder, maar toen wilde hij die wonderkracht wel eens proberen, en hij klopte erop. Meteen kwamen er zeven helden aan, en de korporaal zei: "Wat wil mijn heer en meester?" "Marcheren jullie een-twee-drie naar de kolenbrander en haal mijn doekje terug." Ze maakten linksomkeert, en 't duurde niet lang, of ze brachten het doekje weer, ze hadden het de kolenbrander zonder vragen afgenomen. Hij liet hen weer vertrekken, ging verder en hoopte dat 't geluk bij hem zou blijven.
Met zonsondergang kwam hij bij een andere kolenbrander, die bij 't vuur aan 't koken was. "Wil je mee eten," zei de man vol roet, "aardappels, mét zout en zonder saus, ga maar zitten." "Neen," antwoordde hij, "ditmaal zul je mijn gast zijn!" en hij spreidde z'n doekje uit, zei "Doekje, dek je," en meteen was het met de heerlijkste gerechten vol. Ze aten samen en dronken en hadden veel plezier. Na het eten zei de kolenbrander: "Daar boven op de plank ligt een oud.vies hoedje; maar 't heeft een bijzondere eigenschap: als je het opzet, en je draait het op je hoofd rond, dan bulderen de kanonnen alsof er twaalf naast elkaar stonden en schieten alles en iedereen neer en daar is niets tegen bestand. Het ding is niets voor mij, ik heb er niets aan, maar ik wil het je wel geven, als ik dat doekje krijg." "Dat kan ik me indenken," antwoordde hij, nam het hoedje aan, en liet het doekje achter. Maar nauwelijks had hij een eind gelopen, of hij klopte op zijn ransel, en de soldaten moesten het doekje weer halen. "Het één komt bij 't ander," dacht hij, "en het lijkt wel, of mijn geluk nog niet voorbij is." Zijn gedachten hadden hem ook niet bedrogen.
Hij liep nog een hele dag. En nu kwam hij bij de derde kolenbrander, die hem, net als de vorige, vroeg op aardappelen zonder saus. Ook hem liet hij van zijn doekje-dek-je mee eten, en dat smaakte hem zo goed, dat hij hem een hoorntje aanbood. Dat had nog heel wat anders aan toverkracht, dan het hoedje. Als je op dat hoorntje blies, dan vielen alle muren om en alle vestingen, en alle steden en alle dorpen vielen op een hoop. Hij liet het doekje wel bij de kolenbrander achter, maar hij liet het weer door zijn soldaten halen, totdat hij tenslotte de ransel, het horentje en het hoedje allemaal bij elkaar had. "Maar nu," zei hij, "nu ben ik waar ik wezen wilde: en nu wordt het tijd, dat ik weer thuis kom en eens kijk, hoe het mijn broers is gegaan."
Toen hij thuis kwam, bleek het dat de beide broers van hun zilver en van hun goud een mooi huis hadden gebouwd, en ze leefden er in pracht en weelde. Hij kwam bij hen binnen. Maar met zijn versleten jas, het onooglijke hoedje op zijn hoofd en de oude ransel op zijn rug, wilden ze hem niet als hun broer erkennen. Ze spotten: "Jij doet of je onze broer bent, die zilver en goud te min vond en voor zich nog meer verlangde; je zult zien, die komt eens in volle pracht als een machtige koning aangereden en niet als zo'n bedelaar," en ze joegen hem de deur uit. Toen werd hij boos. En hij klopte op zijn ransel en hij klopte en klopte, tot er honderdvijftig man in rij en gelid vóór hem stonden. Hij beval hun, het huis van zijn broers te omsingelen; twee moesten hazeltakken meenemen en de twee overmoedigen zolang slaan, tot ze wisten of hij hun broer was of niet.
Een geweldig lawaai ontstond; de mensen liepen te hoop en wilden de twee broers helpen, maar tegen die soldaten konden ze niets beginnen. Eindelijk kreeg de koning bericht van 't gebeuren; hij werd knorrig en liet een kapitein met een compagnie aanrukken, die moest de rustverstoorders de stad uitjagen; maar de man met de ransel had snel veel meer manschappen bij elkaar en hij versloeg de kapitein met zijn compagnie, zodat ze met bloedneuzen terug moesten. De koning zei: "Die aangewaaide kerel moet toch gevangen worden!" en hij zond de volgende dag een grotere troep, maar uitrichten konden ze niets. Nog meer volk zond hij uit, en de ander draaide, om gauwer klaar te zijn, zijn hoedje ettelijke malen op zijn hoofd om; en toen begon het zware geschut mee te spreken, en manschappen van de koning werden verslagen en op de vlucht gejaagd. "Nu wil ik niet eerder vrede sluiten," sprak hij, "voor de koning mij zijn dochter tot vrouw geeft, en ik voor hem regeren kan." Dat liet hij de koning vertellen, en die zei tot z'n dochter: "Het is een harde roof: wat kan ik anders doen, dan geven wat hij hebben wil? Wil ik vrede hebben, en m'n kroon blijven dragen, dan moet ik jou wel geven."
Dus werd de bruiloft gevierd. Maar de prinses was verdrietig, dat haar echtgenoot maar een gewoon burger was, die een vieze hoed op zijn hoofd had en een ouwe ransel op zijn rug. Ze wilde hem graag kwijt zijn, en peinsde dag en nacht, hoe ze dat voor elkaar kon krijgen. Toen dacht ze: "Zou zijn bijzondere kracht soms in die ransel zitten?" En ze deed zich heel vriendelijk voor en liefkoosde hem, en toen werd hij week om 't hart - maar zij zei: "Als je nu die lelijke ransel eens afdeed, hij staat je zo slecht, en ik schaam me voor je." "Kindlief," antwoordde hij, "die ransel is mijn grootste schat, zolang ik die heb, vrees ik niets ter wereld," en hij gaf 't geheim prijs van de wondermacht, waarmee hij begiftigd was. Toen viel ze hem om de hals, alsof ze hem een kus wilde geven, maar ze nam hem de ransel behendig af en snelde ermee weg. Zodra ze alleen was, klopte ze erop, en beval de manschappen, om hun vroegere meester gevangen te nemen en uit 't paleis te brengen. Zij gehoorzaamden, en de valse vrouw liet hem verder vervolgen met de bedoeling hem 't land uit te jagen. Hij was verloren geweest, als hij het hoedje niet had gehad. Maar nauwelijks waren zijn handen vrij, of hij draaide 't een paar maal om; daar begon 't geschut te donderen en 't sloeg alles neer, en de prinses moest tenslotte zelf komen en om genade smeken.
Nu ze zo bewogen smeekte en beterschap beloofde, liet hij zich ompraten en stemde in de vrede toe. Ze deed weer heel vriendelijk en erg lief, en wist hem weldra zo te bekoren, dat hij vertelde: al kreeg iemand anders de ransel, toch konden ze hem niets doen zolang hij dat hoedje nog had. Toen ze dit wist, wachtte ze tot hij was ingeslapen, toen nam ze 't oude hoedje weg en liet hem op straat werpen. Maar hij had het horentje nog en woedend blies hij daarin, zo hard als hij kon. Weldra stortte alles ineen: muren, vestingen, steden en dorpen, en ze sloegen de koning dood en zijn dochter ook. En als hij het horentje niet weggelegd had en nog een poosje had doorgeblazen, dan waren alle huizen ingestort en er was geen steen op de andere gebleven. Nu had hij geen vijand meer en hij werd koning over het gehele rijk.
Een verlegen jongeman, zonder enige vrienden, trok op de avond van zijn zestiende verjaardag de stoute schoenen aan en ging, om uit zijn isolement te geraken, maar naar de plaatselijke disco. Na een paar uur alleen aan de bar te hebben gehangen viel zijn oog op een eenzaam meisje, dat in de hoek van de disco stond. Na haar een kwartier bekeken te hebben dacht de jongeman: "Het is nu of nooit," en hij stapte op haar af. "Zullen we dansen?" vroeg de jongen. "Nou, graag" antwoordde het meisje. Ze dansten de hele avond en hadden het verschrikkelijk naar hun zin. Voor ze het in de gaten hadden was het sluitingstijd en de jongen vroeg: "Zal ik je even naar huis brengen?" "Nou, graag," antwoordde het meisje. "Zal ik je jas ook even halen?" "Nou, graag," antwoordde het meisje. Terwijl ze naar huis liepen vroeg de jongen: "Mag ik een arm om je heen slaan?" "Nou, graag," antwoordde het meisje. "Zullen we hier even dit steegje in gaan?" vroeg de jongen toen ze langs een donker steegje kwamen. "Nou, graag," antwoordde het meisje. "Mag ik je kussen?" vroeg de jongen halverwege de steeg. "Nou, graag," antwoordde het meisje. De jongen die absoluut geen ervaring met meisjes had dacht bij zichzelf het is nu of nooit. "Mag ik je kutje even zien?" Het meisje keek de jongen verwonderd aan, overdonderd door die vraag, en antwoordde: "Eeehhhh......oke." Ze maakte haar spijkerbroek los en liet deze samen met haar slip tot op haar enkels zakken. De jongen ging door de knieën en bekeek voor het eerst in zijn leven een kutje... Maar hij kon niet veel zien, het schijnsel in de steeg was te zwak. "Heb je ook een aansteker bij je?" "Tuurlijk !!" en het meisje bukte om de aansteker uit haar broekzak te halen. Ze gaf de jongen de aansteker en deze ging weer door de knieën voor verder onderzoek. Hij keek zijn ogen uit, zoiets moois had hij nog nooit gezien. "Kun je er nou ook mee plassen?" vroeg de jongen. "Tuurlijk!" sprak het meisje. Waarop de jongen zei: "Nou, dat zou ik dan maar doen als ik jou was ...... want hij staat in de FIK!!"
Twee Belgen zitten aan tafel en voor hen ligt een spiegel. De één pakt de spiegel, kijkt erin en zegt: "Eeh, die vent, die ken ik." De ander pakt de spiegel af en zegt: "Natuurlijk ken je die. Dat ben ik."
Er was eens een molenaar. Hij was arm maar hij had een mooie dochter. Op een keer kwam hij in gesprek met de koning en om zich een zeker aanzien te geven zei hij tegen hem: "Ik heb een dochter die van stro goud kan spinnen." De koning sprak tot de molenaar: "Dat is een kunst die mij wel bevalt. Als je dochter zo knap is als je zegt. breng haar dan morgen naar mijn paleis, dan zal ik haar op de proef stellen."
Toen nu het meisje bij hem gebracht werd, leidde hij haar een kamer binnen die helemaal vol met stro lag. Hij gaf haar een spinnewiel en een haspel en sprak: "Ga nu maar aan het werk en als je tussen vannacht en morgenochtend dit stro niet tot goud gesponnen hebt, dan moet je sterven." Daarna deed hij zelfde kamer op slot en het meisje bleef alleen achter. Daar zat nu de arme molenaarsdochter en zij was ten einde raad; zij wist te enen male niet hoe je van stro goud moest spinnen en haar angst werd steeds groter, zodat ze tenslotte in tranen uitbarstte.
Toen ging eensklaps de deur open en een klein mannetje stapte naar binnen en sprak: "Goedenavond, molenarinnetje, waarom huil je zo?"
"Ach," antwoordde het meisje, "ik moet van stro goud spinnen en dat kan ik niet."
Het mannetje sprak: "Wat geef je mij, als ik het voor je spin?"
"Mijn halsketting," zei het meisje.
Het mannetje nam de ketting aan, ging aan het spinnewiel zitten en snorre, snorre, snor, driemaal trekken en de spoel was vol. Daarna zette hij een andere spoel op en snorre, snorre, snor, driemaal trekken en ook de tweede was vol; dat ging zo door tot de ochtend, toen was al het stro opgesponnen en alle spoelen waren vol goud. De koning kwam al bij zonsopgang en toen hij het goud aanschouwde, was hij erg verbaasd en heel blij; in zijn hart echter dorstte hij naar nog meer goud. Hij liet de molenaarsdochter naar een andere kamer brengen die nog veel groter was en vol met stro lag. Hij beval haar ook dat in één nacht tot goud te spinnen als haar leven haar lief was. Het meisje wist zich geen raad en schreide.
Toen ging de deur weer open en het kleine mannetje verscheen en sprak: "Wat geef je mij, als ik dit stro voor je tot goud spin?"
"De ring die ik aan mijn vinger draag," antwoordde het meisje.
Het mannetje nam de ring aan, liet het spinnewiel weer snorren en toen de ochtend aanbrak, had hij al het stro tot glanzend goud gesponnen. De koning was uitermate verheugd toen hij het zag, maar hij had nog steeds niet genoeg goud en hij liet de molenaarsdochter naar een nog grotere kamer vol met stro brengen en sprak: "Hiervan moet je deze nacht nog goud spinnen - gelukt je dat, dan zul je mijn gemalin worden." Al is zij ook maar een molenaarsdochter, een rijkere vrouw vind ik in de hele wereld niet, dacht hij.
Toen het meisje alleen was, kwam het mannetje voor de derde maal en sprak: "Wat geef je mij als ik deze keer nog voor je spin?"
"Ik heb niets meer dat ik je zou kunnen geven," antwoordde het meisje.
"Beloof me dan je eerste kind als je koningin wordt." Wie weet wat er van komt, dacht de molenaarsdochter die geen andere uitweg zag. Zij beloofde het mannetje dan ook wat hij vroeg en in ruil daarvoor spon het mannetje nog eenmaal het stro tot goud. En toen 's morgens de koning kwam en alles vond zoals hij gewenst had, vierde hij bruiloft met haar en de mooie molenaarsdochter werd koningin.
Na een jaar bracht zij een mooi kind ter wereld en zij dacht helemaal niet meer aan het mannetje. Toen kwam het plotseling haar kamer binnen en sprak: "Geef mij nu wat je mij beloofd hebt." De koningin schrok hevig en bood het mannetje alle schatten van het koninkrijk aan, als hij haar het kind wilde laten behouden. Maar het mannetje sprak: "Nee, iets wat leeft is mij liever dan alle schatten van de wereld." Toen begon de koningin zó te jammeren en te schreien dat het mannetje medelijden met haar kreeg. "Drie dagen zal ik je de tijd geven," sprak hij, "als je in die tijd mijn naam te weten komt, mag je je kind houden." De hele nacht dacht de koningin na over alle namen die zij ooit gehoord had en zij stuurde een bode door het hele land om wijd en zijd na te vragen wat er nog meer voor namen waren. Toen het mannetje de volgende dag kwam begon zij met Kaspar, Melchior en Balthasar en noemde na elkaar alle namen op die zij kende, maar bij iedere naam sprak het mannetje: "Zo heet ik niet." De tweede dag liet zij in de buurt navragen hoe de mensen daar heetten en noemde voor het mannetje de meest ongewone en vreemde namen op: "Heet je misschien Ribbenbeest, of Schapekuit, of Snorrepoot?" Maar hij antwoord steeds: "Zo heet ik niet." De derde dag kwam de bode weer terug en vertelde: "Geen enkele nieuwe naam heb ik kunnen vinden. Maar toen ik aan het eind van het bos de hoek omsloeg en langs een hoge berg kwam, waar de vos en de haas elkaar goedenacht wensen, zag ik een huisje. En voor dat huisje brandde een vuur en om het vuur sprong een heel belachelijk mannetje. Hij danste op één been en riep:
"Heden bak ik, morgen brouw ik, overmorgen haal ik het koningskind. Wat een geluk dat niemand weet dat ik Repelsteeltje heet."
Je kunt wel begrijpen hoe blij de koningin was, toen zij die naam hoorde en toen spoedig daarna het mannetje binnenkwam en vroeg: "Nu koningin, hoe heet ik?" vroeg zij eerst: "Heet je Jan?" - "Nee." - "Heet je dan Piet?" - "Nee."
"Heet je soms Repelsteeltje?"
"Dat heeft de duivel je verteld, dat heeft de duivel je verteld!" schreeuwde het mannetje en hij stampte van woede met zijn rechtervoet zó hard op de grond dat hij er tot aan zijn romp inzakte, pakte in zijn woede zijn linkervoet met beide handen beet en scheurde zichzelf zo in tweeën.
Een vrouw neemt na een heerlijke avond afscheid van vrienden. Na alle "doeis" en "tot ziens" en kussen over en weer, hoort zij ineens één van haar mannelijke vrienden tegen haar zeggen: "Ik ga je beffen!" Totaal van haar stuk gebracht (hij is immers al heel lang gelukkig getrouwd met haar vriendin) staat zij sprakeloos. "Pardon?" is het enige wat zij op dat moment kan uitbrengen. "Ja, ik ga je beffen, daar hou jij toch zo van?" De stilte is enorm, op haar wangen kun je inmiddels een eitje bakken. En dan wordt zij uit haar lijden verlost: "Lieverd, het werkwoord BEF staat voor Bellen, E-mailen of Faxen, ik weet niet wat jij in gedachten had?"
Belletje trekken in een fietsenstalling is nooit grappig. Een poedel die op een hondenshow de poedelprijs wint is nooit grappig. Een timmerman die de spijker mis slaat vanwege een plank voor zijn kop is nooit grappig. Een paashaas die een slechte voorzet geeft is nooit grappig. Een loodgieter die de leiding heeft, is nooit grappig. Een opticien die je sterkte toewenst is nooit grappig. Een verstopt toilet dat echt niet te vinden is, is nooit grappig. Met je baard tussen de spaken van je snorfiets blijven hangen is nooit grappig. Dikke vandalen die ruzie opzoeken, zijn nooit grappig. Een vrijgezel een single voor zijn verjaardag geven is nooit grappig. Sjeng Schalken die serveert in een restaurant, is nooit grappig. In een dierentuin vragen waar de masturberen zitten is nooit grappig. Een anorexia patiënt met mee-eters is nooit grappig. Een pastoor in een rolstoel een geestelijk gehandicapte noemen is nooit grappig. Een zebra met een pad kruisen is nooit grappig.
Er was eens een kleermaker - een grote praalhans, maar geen betaalhans - en die had zin om eens wat te gaan wandelen in het bos. Zodra hij maar even kon, verliet hij z'n winkel,
zwierf langs de wegen, op bruggen en stegen, en liep dan maar dan hier, dan daar.
Toen hij buiten was, zag hij in blauwe verten een steile berg. Daarachter een hemelhoge toren, opstijgend uit een wild, donker bos.
"Verdraaid!" riep de kleermaker, "wat's dat nu?" en daar hem de nieuwsgierigheid altijd de baas was, ging hij er dadelijk op af. Maar nu deed hij z'n mond en z'n ogen open, toen hij in de buurt kwam, want de toren had benen, sprong ineens over de steile berg, en stond als een machtige reus voor de kleermaker. "Wat wou jij hier, kleine vliegenpoot?" riep hij met een stem of het van alle kanten onweerde. De kleermaker fluisterde: "Ik wou alleen maar eens kijken of ik een stukje brood in het bos kan verdienen."
"Als het voor het ogenblik is," zei de reus, "dan kan je bij mij wel in dienst komen."
"Als het moet, waarom niet? Maar wat voor loon krijg ik?"
"Wat voor loon je krijgt?" zei de reus, "dat zul je horen. Alle jaren driehonderd vijf en zestig dagen, en als het een schrikkeljaar is, nog éne dag extra. Vind je dat goed?"
"Mij best," antwoordde de snijder en hij dacht bij zichzelf: "Een mens moet nu eenmaal liggen, zoals hij zijn bedje gespreid heeft. Ik zal me wel gauw weer vrijmaken."
Daarop zei de reus tegen hem: "Vooruit, kleine schurk, haal eens een kruik water."
"Waarom niet liever de beek met de bron erbij?" vroeg de praalhans en hij ging met de kruik naar de beek.
"Wat? De beek met de bron erbij?" bromde de reus, die een beetje onhandig en dom was, in z'n baard en hij begon zich minder op zijn gemak te voelen, "die vent kan meer, dan appels piepen; hij heeft een alruin in zijn lijf. Wees op je hoede, ouwe Hans, dat is geen knecht voor jou."
Toen de kleermaker het water had gehaald, beval de reus hem, in het bos een paar stapels hout klein te hakken en naar huis te brengen. "Waarom niet liever het hele bos ineens,
het hele woud met jong en oud met tak en blad, knoestig en glad?"
zei het kleermakertje en hij ging het hout hakken. "Wat?
het hele woud met jong en oud, met tak en blad, knoestig en glad?
en dan de beek met de bron erbij?" bromde de lichtgelovige reus in zijn baard en hij werd nog banger, "die vent kan meer dan appels piepen, die heeft een alruin in zijn lijf! Wees op je hoede, ouwe Hans: dat is geen knecht voor jou."
Toen de kleermaker het hout had gebracht, zei de reus hem, twee of drie wilde zwijnen te schieten voor de avondboterham. "Waarom niet liever duizend zwijnen in één schot, en die allemaal hier naar toe brengen?" vroeg de kleermaker opschepperig.
"Wat?" riep dat hazenhart van een reus, en hij was nu heel bang, "laat het dan maar voor vandaag en ga maar slapen."
Nu was de reus zo geweldig bang geworden, dat hij de hele nacht geen oog meer dicht deed en aldoor maar dacht, hoe hij het aan moest leggen om zo'n heksenmeester van een knecht kwijt te raken: hoe eerder hoe liever. Maar: komt tijd, komt raad.
De volgende morgen gingen de reus en de kleermaker naar een moeras, waar een heleboel wilgen omheen stonden. Toen zei de reus: "Hoor es, mannetje, ga jij eens op een van die wilgentenen zitten, ik zou zo graag zien of jouw gewicht in staat is, die te buigen."
Wip! zat het mannetje er boven in, hield z'n adem in en maakte zich zwaar, zo zwaar, dat de teen tenslotte ging buigen. Maar toen hij weer adem moest scheppen, zwiepte de teen hem - hij had ongelukkigerwijs geen strijkijzer in zijn zak - tot groot genoegen van de reus zo ver omhoog, dat men hem niet eens meer zien kon. Als hij niet gevallen is, dan vliegt hij vast nog door de lucht.
Er staat een hoer bij de hemelpoort en Petrus vraagt aan haar wat haar beroep was. Ze kijkt hem verleidelijk aan en zegt dat ze op de wallen werkte. "Jammer", zegt Petrus, "dan kom je er niet in, ga maar op dat bankje zitten!" Even later komt er een kleermaker aan. Hij ziet dat hoertje zitten, en loopt naar haar toe. "Wat doe jij hier?" Ze legt het uit en de kleermaker zegt: "Geen probleem, kom maar in deze jutenzak, dan draag ik je mee naar binnen." Zo gezegd zo gedaan en hij komt bij de hemelpoort aan waar Petrus dus weer hetzelfde vraagt. Hij zegt dat hij kleermaker was en hij mag naar binnen. "Nog een klein vraagje", zegt Petrus, "wat zit er in die juttenzak?" Waarop de kleermaker antwoordt: "Oh, een oude naaimachine!"
Toeschouwer tegen scheidsrechter na een wedstrijd: "Hé Scheids, heb je 5 seconden?" "Ja hoor." zegt de scheidsrechter. "Mooi, dan kun je me daarin alles vertellen wat je over voetbal weet!"
Smit vraagt zijn chef: "Morgen houden we thuis grote schoonmaak, en mijn vrouw heeft me nodig om te helpen met het opruimen van de zolder en de garage, en om alle meubels te verslepen." "Ik kan je nu onmogelijk een vrije dag geven, Smit," zegt de chef. "Bedankt, baas," antwoordt Smit. "Ik wist dat ik op u kon rekenen."
Er was eens een afgedankte soldaat, en die had niets meer om van te leven en wist zichzelf niet meer te helpen. Toen ging hij zwerven en kwam in een bos. En daar kwam hij een klein mannetje tegen. Maar dat was de duivel. Het mannetje zei tegen hem: "Wat scheelt je? Je ziet er zo verslagen uit." De soldaat zei: "Ik heb honger, maar ik heb geen geld." De duivel zei: "Wil je je aan mij verhuren en mijn knecht zijn, dan zul je al je levensdagen genoeg hebben; zeven jaar moet je me dienen, en dan ben je weer vrij. Alleen één ding zeg ik je: je mag je niet wassen, niet kammen, je neus niet afvegen, geen haar en nagels knippen en je mag je ogen ook nooit afvegen."
De soldaat zei: "Vooruit maar, als ik niets anders krijgen kan!" en hij ging met ‘t mannetje weg en dat bracht hem recht toe recht aan naar de hel. Toen zei hij hem, wat hij te doen had: hij moest ‘t vuur stoken onder de ketels waar ‘t hels gebraad in werd klaargemaakt, het huis schoon houden, de mest achter de deur wegdragen en overal orde in brengen: maar als hij ooit in de ketels keek, dan zou het hem slecht vergaan. De soldaat zei: "Goed, ik zal ‘t wel doen." En toen ging de oude duivel weer weg, en de soldaat begon zijn dienst, legde vuur aan, veegde de mest weg, alles zoals hem bevolen was.
Toen de oude duivel terugkwam, keek hij of alles gebeurd was, toonde zich tevreden en ging weer weg. De soldaat keek nog eens goed in ‘t rond, daar stonden overal de helleketels, en er was een blakerend vuur onder, en alles was aan ‘t koken en pruttelen. Zielsgraag had hij er eens in gekeken, als de duivel het hem niet zo streng verboden had; maar eindelijk kon hij zich niet meer bedwingen, en van de eerste ketel tilde hij het deksel op een kier en keek erin. Daar zag hij z’n voormalige onderofficier zitten: "Aha, vogeltje," sprak hij, "zie ik je hier? Eerst had je mij, en nu heb ik jou," en hij liet gauw het deksel vallen, pookte het vuur nog eens op en gooide er nog wat bij. Dan ging hij naar de tweede ketel, lichtte het deksel ook een klein beetje op en keek erin, en daar zat z’n eigen vaandrig. "Zo, vogel," zei hij, "heb ik je daar? Eerst had je mij te pakken en nu is de beurt aan mij," en hij sloeg het deksel gauw dicht en droeg nog een groot blok aan, dat zou ‘t vuur nog eens flink voeden. Nu wou hij ook zien, wie er in de derde ketel zat, en dat was de generaal. "Zo vogel, tref ik jou hier? Eerst had je mij te pakken en nu heb ik jou," en haalde de blaasbalg en liet het helse vuur eens flink oplaaien onder hem.
Zo deed hij zeven jaar dienst in de hel, waste zich niet, kamde zich niet, veegde z’n neus nooit af, knipte z’n nagels niet en z’n haar niet en veegde zich nooit de ogen af; en de zeven jaar duurden zo kort dat hij dacht, dat ‘t maar een halfjaar was. Toen zijn tijd helemaal om was, kwam de duivel en zei: "Nou, Hans, wat heb je gedaan?" - "Ik heb ‘t vuur onder de ketels gestookt, en ik heb geveegd en de mest achter de deur gegooid." - "Maar je hebt ook in de ketels gekeken, je geluk is dat je toen nog hebt opgestookt, anders was je leven voorbij; nu is je tijd om: wil je weer naar huis?" - "Ja," zei de soldaat, "ik zou graag zien, hoe mijn vader het maakt." De duivel zei: "Voor je verdiende loon, moet je je ransel vol geveegde mest stoppen, en dat mag je dan meenemen. En als je loopt, ga dan ongewassen en ongekamd, met lange haren, zowel je hoofd als je baard, met ongeknipte nagels en vuile ogen, en als je gevraagd wordt, waar je vandaan komt, moet je zeggen: "Uit de hel," en als ze vragen wie je bent, moet je zeggen: "Ik ben de broer van de duivel, en die is ook mijn koning." De soldaat zweeg, en hij deed wat de duivel zei: maar met zijn loon was hij helemaal niet tevreden.
Zodra hij nu weer in de bossen was, zwaaide hij z’n ransel van zijn rug om hem uit te schudden: maar toen hij hem opende, was de mest puur goud geworden. "Dat had ik ook niet gedacht," zei hij en was in zijn schik en ging de stad in. Voor de herberg stond de waard, en toen hij hem zag aankomen, schrok hij, omdat Hans er zo verschrikkelijk uitzag, erger dan een vogelverschrikker. Hij riep hem aan en vroeg: "Waar kom jij vandaan?" - "Uit de hel." - "Wie ben je?" - "De duivel is mijn broer en ook mijn koning."
De waard wou hem niet binnenlaten, maar toen hij hem het goud liet zien, ging hij hem voor en deed zelf de klink van de deur. En Hans liet zich de mooiste kamer geven en zich kostelijk bedienen en hij at en dronk z’n buik vol, maar hij raakte geen water en geen kam aan, precies als de duivel gezegd had, en tenslotte ging hij slapen. Maar de waard kon nergens anders aan denken dan aan die ransel vol goud; het liet hem niet met rust, tot hij ‘s nachts naar binnen sloop en hem wegstal. Hans stond de volgende morgen op, wilde de waard betalen en dan verder gaan, en toen was z’n ransel weg. Hij bedacht zich maar kort, zei: "Dat ongeluk is mijn schuld niet" en hij keerde weer terug, regelrecht naar de hel; en hij klaagde bij de oude duivel z’n nood en vroeg om hulp. De duivel zei: "Ga zitten. Ik zal je wassen, kammen, schoonmaken, je haar en je nagels knippen en je ogen uitvegen," en toen hij daarmee klaar was, gaf hij hem z’n ransel weer vol mest en sprak: "Ga nu maar naar de waard en zeg hem, dat hij je je goud weer terug moet geven, anders zal ik hem komen halen en dan moet hij stoken in jouw plaats." Hans ging erheen en sprak met de waard: "Je hebt mijn goud gestolen, als je ‘t niet terug geeft, kom je in de hel op dezelfde post als ik was, en dan zul je er net zo vreselijk uitzien als ik." Toen gaf de waard hem het goud, en nog wat erbij, en vroeg hem er alsjeblieft niet over te spreken, en nu was Hans een rijk man.
Hans ging naar huis, naar zijn vader. Hij kocht zich een gewone linnen kiel, en hij trok al muziekmakend verder, want dat had hij in de hel geleerd, van de duivel zelf. Maar nu was er daar een oude koning en daar moest hij voor spelen, en die verheugde zich daar zo over, dat hij Hans zijn oudste dochter tot vrouw beloofde. Maar toen zij hoorde, dat ze trouwen moest met een gewone kerel in een wit linnen kiel, zie ze: "Voordat ik dat deed, ging ik nog liever in ‘t diepste water." Toen gaf de koning hem de jongste en die wou het uit liefde voor haar vader doen; zo kreeg de broer van de duivel een prinses, en toen de oude koning dood was, werd hij erfgenaam van ‘t hele koninkrijk.
Op een druilerige herfstavond staat een in een donkere regenjas geklede man tussen de bosjes in het plantsoen. Als er twee kleine meisjes met een hondje aankomen, stapt de man naar voren met een zak toffees in zijn hand. Hij vraagt met schorre stem: "Dag meisjes, willen jullie een snoepje verdienen?" Waarop de kleinste zegt: "Als we je pijpen, krijgen we dan de hele zak?"
Een Belg steekt met zijn fiets de grens over en rijdt naar Maastricht. Als het donker wordt komt hij daar aan. Hij heeft echter geen licht, en wordt dan ook al snel aangehouden door een politieman: "Geen licht, dat wordt een bekeuring." zegt de agent. Dan ontdekt de agent dat er nog meer aan de fiets mankeert, en begint een hele lijst te maken. "Geen voorlicht: €20,-. Geen achterlicht, ook €20,-. Achterspatbord is niet wit: €30,-. Remmen doen het niet, geen bel, geen reflectoren, ..." De Belg staat sip te kijken, maar ineens begint hij heel hard te lachen. "Wat is hier zo leuk aan?" vraagt de politieman. Stikkend van het lachen brengt de Belg uit: "Daar komt iemand aan die hélemaal geen fiets bij zich heeft!!!"
Er was eens een molenaar. Hij had een mooie dochter en toen ze groot geworden was, wenste hij, dat ze goed getrouwd zou zijn en verzorgd. Hij dacht: "Als er een goede vrijer komt en hij vraagt haar hand, dan zal ik haar aan hem geven."
Het duurde niet lang of daar kwam een vrijer, die heel rijk scheen te zijn; en omdat de molenaar niets op hem aan te merken had, beloofde hij hem de hand van zijn dochter. Maar het meisje hield niet zoveel van hem, niet, zoals een bruid van de bruidegom houden moet; ze had geen vertrouwen in hem. Telkens als ze hem aankeek, of als ze aan hem dacht, voelde ze weerzin in haar hart.
Eens op een keer zei hij tegen haar: "Nu ben je al mijn bruid en je bent nog nooit bij me geweest."
Zij antwoordde: "Ik weet immers niet waar u woont."
Toen zei de bruidegom: "Mijn huis is diep in het donkere bos." Ze zocht een uitvlucht; zou ze de weg wel vinden? De bruidegom zei: "Kom nu de volgende zondag bij mij. Ik heb de gasten al uitgenodigd en ik zal as strooien, zodat je de weg door het bos kunt vinden."
Toen de zondag kwam en het meisje op weg moest, werd ze bang - ze wist zelf niet waarom - en om de weg terug te vinden, deed ze allebei haar zakken vol erwten en linzen. Aan de zoom van het bos vond ze een pad, waarop as was gestrooid. Dat pad ging ze op, maar bij elke stap gooide ze links en rechts een paar erwten op de grond. Ze moest bijna de hele dag lopen, tot ze midden in het bos was waar het 't donkerst was. Daar stond een huis alleen; ze huiverde ervoor, het zag er zo donker en verlaten uit.
Ze trad binnen. Er was niemand. Het was er vreselijk stil. Opeens riep een stem:
"Keer om, keer om, jij jonge bruid, je bent hier in een moordenaarshuis."
Het meisje keek naar boven en zag, dat de stem van een vogel kwam, die daar in een kooi aan de wand hing. Nog eens riep hij:
"Keer om, keer om, jij jonge bruid, je bent hier in een moordenaarshuis."
Nu ging de mooie bruid verder, van de ene kamer in de andere, het hele huis door, maar alles was leeg en er was geen levende ziel te vinden. Eindelijk keek ze ook in de kelder. Daar zat een stokoude vrouw, ze zat zachtjes met haar hoofd te schudden.
"Kunt u me ook zeggen," zei het meisje, "of mijn bruidegom hier woont?"
"Och mijn arme kind," antwoordde de oude vrouw, "waar ben je terecht gekomen? Je bent in een moordenaarshol. Dacht je dat je de bruid was? Je zou gauw bruiloft houden? Je houdt bruiloft met de dood. Kijk maar, daar heb ik een grote ketel water op moeten zetten. Als ze je in hun macht hebben, hakken ze je onbarmhartig stuk, koken je en eten je op, want menseneters zijn het. Als ik geen medelijden met je heb en je red, dan ben je verloren."
Toen bracht de oude vrouw haar achter een grote ton, waar men haar niet zien kon. "Wees zo stil als een muis," zei ze, "beweeg je niet, en verroer geen vin, want dan is het met je gedaan. 's Nachts, als de rovers slapen, zullen we ontvluchten. Ik heb al lang naar een gelegenheid uitgezien."
Nauwelijks was dat gebeurd, of daar kwam de goddeloze bende naar huis. Ze kwamen aangesleept met een ander meisje, ze waren dronken, en op haar schreien en jammeren letten ze helemaal niet. Ze lieten haar wijn drinken: drie glazen vol, een glas witte wijn, een glas rode wijn en een glas gele wijn, en daarvan brak haar hart. Toen rukten ze haar de mooie kleren af, legden haar op een tafel, hakten haar mooie lichaam aan stukken en strooiden er zout over.
Het arme bruidje achter de ton zat te sidderen en te beven, want ze begreep wel, welk lot de rovers haar hadden toegedacht.
Eén van hen zag aan de pink van de vermoorde een gouden ring. Toen hij die er niet zo dadelijk af kon krijgen, nam hij een bijl en hakte de vinger af, maar de vinger sprong in de hoogte en over de ton heen en viel precies de bruid in de schoot. De rover nam een lamp en wilde gaan zoeken, maar hij kon het niet vinden. Toen zei een ander: "Heb je al achter de grote ton gezocht?"
Maar het oude vrouwtje riep: "Kom toch eten, zoeken kun je morgen ook nog: die vinger loopt niet weg."
Toen zeiden de rovers: "Het oude mens heeft gelijk," en ze hielden op met zoeken; ze gingen aan tafel, en het oude vrouwtje druppelde hun een slaapdrank in de wijn; zodat ze in de kelder al gauw gingen liggen, en ze sliepen in en snurkten luid.
Het bruidje hoorde dat, sloop achter de ton vandaan, en ze moest over de slapers heen stappen, want ze lagen in rijen op de grond en ze was vreselijk bang, dat ze hen wakker zou maken. Maar God was met haar, zodat ze het gelukkig haalde. Het oudje ging met haar naar boven, opende alle deuren, en ze liepen zo snel ze konden uit het moordenaarshol weg.
De gestrooide as was al door de wind weggevaagd, maar de erwten en de linzen hadden gekiemd, en in 't maanlicht glansden ze wit. De hele nacht liepen ze door, tot ze 's morgens bij de molen kwamen. En daar vertelde het meisje alles aan haar vader.
De dag brak aan, waarop de bruiloft zou worden gehouden. De bruidegom kwam, de molenaar had al zijn vrienden en familie uitgenodigd. Aan de bruiloftsdis kreeg ieder de opdracht, iets te vertellen. De bruid was stil en sprak niet.
Toen zei de bruidegom tot de bruid: "Kom, liefste, weet je niets te vertellen? Vertel toch óók wat."
Ze antwoordde: "Dan zal ik een droom vertellen... Ik ging alleen door het bos. Ik kwam bij een huis. Daar was geen levende ziel in. Maar aan de muur was een kooi met een vogel erin. En die riep:
'Keer om, keer om, jij jonge bruid, je bent hier in een moordenaarshuis.'
En dat riep de vogel nog eens... - Liefste, het was maar een droom... - Toen liep ik door alle kamers. Ze waren leeg. Het was er eng. Eindelijk liep ik de keldertrap af. Daar zat een stokoud vrouwtje met haar hoofd te schudden. Ik vroeg: 'Woont mijn bruidegom hier in huis?' Zij antwoordde: 'Ach lieve kind, je bent in een moordenaarshol terecht gekomen. Je bruidegom woont hier, maar wil je in stukken hakken en je doden, en je dan koken en opeten.' - Liefste, het was maar een droom... - Toen verstopte het oude vrouwtje mij. Ik zat achter een grote ton. Pas was ik daar verborgen, of de rovers kwamen thuis. En ze sleepten een meisje met zich voort, en ze gaven haar drie soorten wijn te drinken: witte, rode en gele. En daarvan brak haar hart... - Liefste, het was maar een droom... - Toen trokken ze haar de kleren uit, ze hakten haar mooie lichaam in stukken. Ze strooiden er zout op... - Liefste, het was maar een droom... - En één van de rovers zag, dat er aan de pink nog een gouden ring zat. Hij kon hem er moeilijk aftrekken. Toen nam hij een bijl en hakte die pink af. Maar de pink vloog omhoog, en kwam achter de grote ton terecht, en viel mij in de schoot. En hier is die pink met die ring."
En bij deze woorden hield ze die vinger op en toonde hem aan de gasten. De rover was krijtwit geworden onder het verhaal. Hij sprong op en wilde vluchten. Maar de gasten hielden hem tegen en leverden hem uit aan de rechtbank. En toen werden hij en zijn hele bende voor hun schande berecht.
Er lopen twee muizen op het strand. Ze zien een dame die lekker ligt te zonnen, met haar benen wijd. De ene muis zegt: "Joh, als jij nou op de uitkijk gaat staan, dan verken ik het holletje." Zo gezegd, zo gedaan. Na een kwartiertje komt de muis uit het holletje en zegt: "Ik heb een kwartier op de bel staan drukken en steeds hoorde ik iemand zeggen: 'Ik kom, ik kom, ik kom', maar er kwam niemand."
Er was een Hollander in het bos. Kwam er een indiaan aan. De Hollander dacht: "Ik ga hem Nederlands leren." Ze kwammen bij een meer aan. Zegt de Hollander: "Dat is een meer." Zegt de indiaan: "Meer." Gingen ze verder lopen, kwamen ze bij een struik waar twee mensen zaten te vrijen. Denkt de Hollander: "Dat kan ik toch niet zeggen tegen de indiaan." "Nou indiaan, die mensen zitten te fietsen." De indiaan pakt zijn pijl en boog en schiet de man die aan het vrijen is dood. Vraagt de Hollander: "Waarom doe je dat?" Zegt de indiaan: "Dat is mijn fiets."
Jantje (4) zit gefacineerd naar z’n moeder te kijken, terwijl ze een schoonheidsmasker aanbrengt. "Waarom doe je dat nou mama?" vraagt het jongetje. "Om mezelf mooi te maken," zegt zijn moeder, die even later de creme weer van haar gezicht veegt. "En nou dan?" vraagt Jantje, "geef je het op?"
Er was eens een keukenmeid, en die heette Grietje. Ze droeg schoenen met rode hakken en als ze daarmee uitging, dan draaide ze zich om en om, was heel vrolijk en dacht: je bent toch een knap meisje. En als ze dan weer thuis kwam, dronk ze uit pure vrolijkheid nog een slok wijn; en omdat wijn dan weer hongerig maakt, probeerde ze het beste dat ze koken kon, zo lang tot ze volop had en zei: "Een keukenmeid moet weten hoe het eten smaakt!"
Nu gebeurde het, dat haar meester eens tegen haar zei: "Grietje, vanavond komt er een gast, maak me eens twee kippen klaar." - "Goed meneer," zei Grietje. En ze nam twee kippen, plukte ze, broeide ze, stak ze aan 't spit en bracht ze tegen de avond voor 't vuur, om ze te braden. De kippen begonnen al bruin en gaar te worden, maar de gast was nog niet verschenen. Toen riep Grietje haar mijnheer: "Als die gast nu niet komt, dan moet ik de kippen afzetten, maar 't is zonde en jammer, als ze niet meteen opgegeten worden, ze zijn nu knappend en mals en sappig." Mijnheer zei: "Ik zal zelf even de gast gaan halen."
Toen mijnheer zijn hielen gelicht had, legde Grietje het spit met de kippen eraan opzij en dacht: "Zolang bij 't vuur staan, maakt een mens warm en dorstig. Wie weet wanneer ze eindelijk komen! Ondertussen spring ik de kelder in en haal een teugje." Ze liep naar beneden, zette de kruik onder 't vat, zei: "Wel bekome het je, Grietje!" en nam een flinke teug. "Wijn hangt aaneen," zei ze weer. "Het is niet goed, 't af te breken" en ze nam nog een flinke teug. Dan ging ze weer naar boven, zette de kippen weer voor het vuur, bestreek ze nog eens met boter en liet het spit lustig draaien. Maar het rook zo heerlijk en Grietje dacht: "Er zou iets kunnen mankeren: ik moet even proeven" en ze likte haar vinger af en zei: "O, wat zijn die kippen heerlijk! Het is zonde en schande, dat ze op 't ogenblik niet gegeten worden!"
En ze liep naar 't venster of meneer er nog niet aan kwam met zijn gast, maar zij zag niemand: en ze ging weer naar de kippen en dacht: "straks verbrandt die ene vleugel, ik moest hem maar liever opeten." Dus sneed ze de vleugel af en at die op, en 't smaakte kostelijk, en toen ze ermee klaar was, dacht ze: "De andere moet er ook af, anders merkt meneer, dat er iets weg is." Toen ze de twee vleugels op had, ging ze weer naar het raam, keek uit naar mijnheer en ze zag hem niet. "Wie weet," zo schoot haar ineens te binnen, "wie weet of ze komen helemaal niet en zijn ergens anders heen gegaan."
Toen zei ze: "Hè, Grietje, wees nu verstandig, die ene kip is toch aangesneden, neem nog een flinke teug en eet hem helemaal op, als hij op is heb je pas rust: waarom moet zo'n kostelijk kipje verbrand worden?" Zo liep ze nog eens naar de kelder, nam een eerbare dronk, en at de ene kip met alle plezier op. Ze had nu de ene kip helemaal op en nog altijd was mijnheer niet terug. Maar nu keek ze de andere kip erop aan en zei: "Waar de één is, moet de ander ook zijn; die twee kippen horen bij elkaar: wat voor de één goed is, is evenzeer goed voor de ander, ik geloof, als ik nog eens een versterkende teug nam, dan kon niets me deren." Dus nam ze nog een hartversterkende dronk en liet toen de tweede kip weer naar de eerste lopen.
Ze zat nog te eten, toen mijnheer binnenkwam en zei: "Gauw, Grietje, de gast komt dadelijk." - "Ja, mijnheer ik ben al bezig," antwoordde Grietje. Intussen keek mijnheer toe of de tafel al gedekt was, nam het voorsnijmes om de kippen mee te snijden, en wette het nog eens in de gang. Nu kwam de gast; hij klopte bescheiden en keurig aan de voordeur. Grietje liep erheen en keek, wie er was, en toen ze de gast zag, legde ze haar vinger op haar mond en zei: "Stil! Stil! ik raad u aan: maak dat u wegkomt; want als mijnheer u ziet, dan bent u erbij: hij heeft u wel uitgenodigd voor 't avondeten, maar hij is van plan, u allebei uw oren af te snijden! Hoort u hem 't mes al slijpen?"
De gast hoorde het wetten van het mes en liep wat hij lopen kon de stoep af. Grietje was ook niet lui en liep huilend naar mijnheer en riep: "Daar hebt u me een mooie gast uitgenodigd!" - "Hoezo Grietje? wat bedoel je daar mee?" - "Ja," zei ze, "hij heeft me allebei de kippen - ik wou ze net opdoen - van de schotel genomen en is ermee weg!" - "Dat is ook wat moois!" zei mijnheer, en het speet hem zo van de mooie kippen, "had hij er dan tenminste één overgelaten, dat ik ook nog wat te eten had!"
Hij riep hem na, dat hij even wachten moest, maar de gast deed of hij niets hoorde. Dan liep hij achter hem aan, altijd nog dat mes in z'n hand, en hij schreeuwde "Eén maar, één maar!" en daarmee bedoelde hij, dat de gast bij hem één kip laten zou en ze niet alle twee meenemen; maar de gast dacht niet anders of hij moest één van z'n beide oren bij hem laten, en hij liep of er vuur onder hem brandde, om ze allebei veilig thuis te brengen.
Gedurende het voorbije jaar trachtte ik 365 keer met je te vrijen. Ik ben daar 36 maal in geslaagd, hetgeen overeenkomt met 1 keer elke 10 dagen. Hier bijgevoegd een lijst waarom ik hierin niet in slaagde:
54 maal lagen er propere lakens. 17 maal was het te laat. 49 maal was je te moe. 20 maal was het te heet op de kamer. 15 maal deed je of je sliep. 22 maal had je hoofdpijn. 17 maal was je bang de baby te wekken. 16 maal was je boos. 12 maal was het de rode periode van de maand. 19 maal moest je er vroeg uit. 9 maal zei je dat je geen zin had. 7 maal had je zonnebrand. 6 maal keek je naar de nachtfilm. 5 maal wou je je haar niet in de war. 3 maal zei je dat de buren ons zouden horen. 9 maal zei je dat je moeder in de logeerkamer ons zou horen.
De 36 maal dat we het wil deden, was de daad niet bevredigend omdat:
6 maal je daar maar lag. 8 maal zaagde je over de scheur in het plafond. 4 maal vertelde je me om op te schieten en te komen. 7 maal moest ik je wakker maken en vertellen dat ik klaar was. 1 maaI was ik bang dat ik je pijn deed, omdat je zo heen en weer bewoog
Aan mijn liefste jongen,
Ik denk dat je de dingen wat door elkaar haalt. Hier zijn de redenen dat je niet deed wat je wou doen:
5 maal kwam je dronken thuis en probeerde je de kat te neuken. 36 maal kwam je gewoon niet thuis. 21 maal kon je niet klaarkomen. 33 maal kwam je al klaar voor je erin zat. 19 maal kreeg je hem niet overeind. 38 maal moest je overwerken. 10 maal had je teenkrampen. 29 maal moest jij er vroeg uit om te gaan vissen. 2 maal deden je ballen zeer. 4 maal zat hij vast in je rits. 3 maal had je het te koud en liep je neus. 2 maal had je een splinter in je vinger. 20 maal kon je niet omdat je er al de hele dag aan dacht. 6 maal kwam je in je pyama binnen terwijl je een vies boekje las. 98 maal had je het te druk met voetbal en koers te kijken op TV.
Over de keren dat we het wel deden:
De reden dat ik daar zo maar lag, was dat je er naast zat en dat je de lakens aan het neuken was. Ik had het niet over de scheur in het plafond, maar wat ik wil vroeg was: "pak me eens anders in mijn scheur of langs mijn kont." De keer dat ik bewoog, was omdat je een scheet liet en ik trachtte te ademen.
Er waren eens 6 mannen en een vrouw aan het zeilen. Opeens ging het schip ten onder en de 7 mensen zwommen naar een onbewoond eiland. Daar kwamen ze aan en gingen hulp zoeken, maar het was echt onbewoond! Een week ging het goed. 2 weken ging het goed maar de 3e week begon er bij de mannen toch wat te jeuken. Toen hadden ze besloten dat ze ieder een keer per week met de vrouw naar bed mochten. Dus ze had een dag vrij in de week. Dat ging een week goed dat ging maanden goed dat ging een jaar goed. En opeens ging de vrouw dood. Nou, dat ging een week goed, dat ging 2 weken goed, de 3e week al wat minder en de 4e week hebben de mannen toch maar besloten om haar te begraven.
Een man leest een advertentie in de krant: Koken Zonder Pannen! Het lijkt hem wel wat en gaat naar het adres toe, dat in de advertentie staat vermeld. De man belt aan. Er doet een naakte vrouw open. De man is verrast en vraagt aan de vrouw: 'Hier is toch de cursus koken zonder pannen?' Waarop de vrouw antwoord: ' Nee meneer, die is volgende week. Deze week is er de cursus Naaien Zonder Garen."
Het was in 't hartje van de winter. Sneeuwvlokken vielen als veren uit de hemel neer; en er was een koningin en zij zat aan 't venster, dat in zwart ebbenhout was gezet, en ze naaide. En terwijl ze zo naaide en opzag naar 't sneeuwen, stak ze zich in haar vinger met de naald, en er vielen drie druppels bloed in de sneeuw. En toen ze 't rood zo mooi zag afsteken in de witte sneeuw, zei ze in zichzelf: "Had ik nu een kindje, zo wit als sneeuw, zo rood als bloed, en zo zwart als dit ebbenhout." Heel gauw na die dag kreeg ze een dochtertje. En het was zo wit als sneeuw, en zo rood als bloed, en haar haar zo zwart als ebbenhout; en daarom werd ze Sneeuwwitje genoemd. Toen 't kind geboren was, stierf de koningin. Een jaar daarop nam de koning een andere vrouw. Het was een mooie vrouw, maar ze was trots en overmoedig en ze kon 't niet verdragen dat iemand mooier was dan zij. Ze had een heel bijzondere spiegel; en als ze daarvoor ging staan en zichzelf daarin bekeek, sprak zij:
"Spiegeltje, spiegeltje aan de wand, Wie is de mooiste van 't hele land?"
dan antwoordde de spiegel:
"De koningin is de mooiste van 't land."
Dan was ze voldaan, want ze wist dat de spiegel de waarheid sprak. Sneeuwwitje groeide op, en werd elke dag mooier. En toen ze zeven jaar was, was ze zo mooi als een heldere dag en nog mooier dan de koningin zelf. Toen die eens aan de spiegel vroeg:
"Spiegeltje, spiegeltje aan de wand, Wie is de mooiste van 't hele land?"
toen antwoordde de spiegel:
"O koningin, heel mooi bent u, Maar Sneeuwwitje is duizendmaal mooier nu!"
Daar schrok de koningin zo van, dat ze groen en geel werd van jaloezie. Zodra ze Sneeuwwitje weer zag, keerde zich haar hart om in haar borst, zo haatte ze haar voortaan. Jaloezie en hoogmoed groeiden als onkruid in haar hart, steeds weliger; zodat ze geen rust meer had, dag noch nacht. Toen riep ze de jager bij zich en zei: "Je moet dat kind naar het bos brengen, ik wil 't niet meer voor mijn ogen zien. Je moet haar doden, en haar longen en lever als bewijzen mee terugbrengen." De jager gehoorzaamde en bracht haar weg; maar toen hij de hartsvanger getrokken had en Sneeuwwitjes arm onschuldig hartje daarmee wilde steken, begon zij te huilen en sprak: "Och lieve jager, laat me toch leven! Ik zal 't bos in gaan en nooit meer thuiskomen!" En omdat ze zo mooi en lief was, kreeg de jager medelijden en zei: "Loop dan maar gauw weg, arm kind!" "De wilde dieren zullen haar weldra verscheuren," dacht hij, en toch was het hem, of hem een steen van 't hart gewenteld was, dat hij haar niet hoefde te doden. En toen juist een jong reetje kwam aangesprongen, koos hij dat als slachtoffer, nam er long en lever van en bracht dat als bewijsstukken aan de koningin. De kok moest ze in zout water koken en het wraakgierig mens at ze op en verlustigde zich in de gedachte, dat ze Sneeuwwitjes longen en lever had gegeten.
Intussen was het arme kind moederziel alleen in 't grote bos, en ze werd bang; ze keek alle bladeren van de bomen aan om hulp, en wist niet, hoe ze zichzelf moest redden. En toen begon ze maar te lopen, en liep over scherpe stenen en door dorens, wilde dieren liepen haar voorbij, alleen, ze deden haar geen kwaad. Ze bleef doorlopen, zolang haar voeten maar verder konden, en toen werd het avond.
Daar opeens zag ze een klein huisje; ze wilde erin gaan om uit te rusten. Alles in 't huisje was klein, maar sierlijk en keurig; het is niet te zeggen hoe keurig. En er stond een wit gedekt tafeltje, met zeven kleine bordjes, en bij elk bordje een klein lepeltje, en zeven mesjes, en vorkjes en ook zeven bekertjes. Tegen de wand stonden er zeven bedjes naast elkaar, opgemaakt met sneeuwwit beddegoed. En omdat Sneeuwwitje hongerig en dorstig was, at ze van alle zeven bordjes een beetje groente en een beetje brood en dronk uit ieder bekertje een teugje wijn, want ze wilde niet van één alles wegnemen. Daarna - ze was zo moe - probeerde ze een bedje, maar geen van de bedjes paste, het ene te lang en het andere te kort, maar eindelijk, het zevende paste; daarin bleef ze liggen, deed haar gebedje en sliep in.
Toen het helemaal donker geworden was, kwamen de heren des huizes, dat waren zeven dwergen; ze hakten in de bergen naar erts en maakten ertsgroeven. Zij staken hun zeven kaarsjes aan, en omdat het nu helemaal licht in 't huisje werd, zagen ze, dat er iemand was geweest, want het stond niet allemaal zo precies, als ze het hadden verlaten. De eerste zei: "Wie heeft op mijn stoeltje gezeten?" en de tweede: "Wie heeft er van mijn bordje gegeten?" En de derde: "Wie heeft er van mijn broodje genomen?" En de vierde: "Wie heeft er van mijn groente gegeten?" En de vijfde: "Wie heeft er met mijn vorkje geprikt?" En de zesde: "Wie heeft er met mijn mesje gesneden?" En de zevende: "Wie heeft er uit mijn bekertje gedronken?" Maar toen keek de eerste om en zag dat er in zijn bed een kuiltje was, en toen zei hij: "Wie is op mijn bed geweest?" De anderen kwamen erbij en zeiden: "In mijn bed heeft ook iemand gelegen." Maar toen de zevende naar zijn bed keek, toen zag hij Sneeuwwitje, en ze lag in 't bedje te slapen. Hij riep de anderen, ze kwamen aangedraafd en gaven een kreet van verbazing, ze hielden hun zeven kaarsjes in de hoogte en beschenen Sneeuwwitje. "Wel lieve tijd! Wel lieve tijd!" riepen ze, "wat een lief meisje!" en ze hadden er zoveel plezier in, dat ze haar niet wakker wilden maken, maar ze lieten haar in 't bedje doorslapen. En de zevende dwerg sliep bij één van de makkers, bij ieder een uur, en toen was de nacht voorbij.
's Morgens werd Sneeuwwitje wakker, en toen ze de zeven dwergen zag, schrok ze. Maar ze waren heel vriendelijk en vroegen: "Hoe heet je?" "Ik heet Sneeuwwitje," antwoordde zij. "En hoe kwam je hier, in ons huis?" vroegen de dwergen. Toen vertelde ze hun, wat haar stiefmoeder haar had toegedacht, en hoe de jager haar het leven had gelaten, en hoe ze de hele dag gelopen had, en eindelijk bij hun huisje was gekomen. De dwergen zeiden: "Wil jij onze huishouding doen, koken, bedden opmaken, de was, naaien en breien, en wil je alles netjes in orde houden, dan kun je bij ons blijven en het zal je nergens aan ontbreken. "Ja," zei Sneeuwwitje, "heel graag!" en ze bleef bij hen. Ze hield hun huisje in orde, 's morgens gingen ze naar de bergen en zochten erts en goud, 's avonds kwamen zij terug en dan moest hun eten klaar zijn. Gedurende de dag was het meisje alleen, en de dwergen waarschuwden haar en zeiden: "Pas toch op voor je stiefmoeder, die zal gauw weten, dat je hier bent; laat vooral niemand binnen."
Maar de koningin, die dacht dat het Sneeuwwitjes longen en lever waren, die ze had gegeten, wilde nu graag weer horen, dat ze de allereerste was en de allermooiste. Ze ging naar de spiegel en zei:
"Spiegeltje, spiegeltje aan de wand, Wie is de mooiste van 't hele land?"
Toen antwoordde de spiegel:
"O, koningin, heel mooi bent u. Maar Sneeuwwitje over de bergen bij de zeven dwergen is duizend- en duizendmaal mooier nu!"
Ze schrok. Want zij wist, dat de spiegel geen onwaarheid sprak. Ze begreep dat de jager haar dus had bedrogen, ze begreep dat Sneeuwwitje nog leefde. En daar zat zij en zon zij opnieuw op middelen om haar uit de weg te ruimen, want zolang zij niet de mooiste was van 't hele land, liet de jaloezie haar niet met rust. En toen ze eindelijk een middel bedacht had, verfde ze zich 't gezicht, kleedde zich als een oude koopvrouw en was helemaal onherkenbaar. Zo gekleed liep zij over de zeven bergen naar de zeven dwergen, klopte aan de deur en riep: "Te koop! te koop! Mooie waar te koop!" Sneeuwwitje keek het venster uit en riep: "Dag juffrouw, en wat hebt u dan?" "Goede waar! mooie waar!" antwoordde zij, ceintuurs van allerlei kleuren," en ze haalde er één uit, die van bonte zij gevlochten was. "Die goede vrouw kan ik wel binnenlaten," dacht Sneeuwwitje, schoof de grendel van de deur en kocht zich een mooie ceintuur. "Kind," zei de oude, "wat zie jij eruit! Kom eens, dan zal ik hem je aandoen!" Sneeuwwitje dacht aan geen kwaad, ze ging voor haar staan en liet zich de nieuwe gordel aandoen, maar het oude mens snoerde hem snel dicht en zo vast dat Sneeuwwitje de adem verging en zij voor dood neerviel. "Nu ben je de mooiste geweest," zei ze en snelde weg.
Kort daarop, tegen de avond, kwamen de zeven dwergen naar huis. Maar wat schrokken ze, toen ze 't lieve Sneeuwwitje ter aarde zagen liggen. Ze lag doodstil, niets bewoog, zou ze dood zijn? Ze tilden haar op, en toen ze zagen hoe vast de band zat, sneden ze de riem door, meteen begon ze een beetje te ademen en langzaamaan leefde ze weer op. Toen de dwergen hoorden wat er gebeurd was, zeiden ze: "Die oude koopvrouw was natuurlijk niemand anders dan die goddeloze koningin; pas nu op en laat niemand binnen als wij er niet bij zijn." Maar de boze stiefmoeder ging naar huis, ging voor de spiegel staan en vroeg:
"Spiegeltje, spiegeltje aan de wand, Wie is de mooiste van 't hele land?"
Toen antwoordde de spiegel, net als anders:
"O, koningin, heel mooi bent u. Maar Sneeuwwitje over de bergen bij de zeven dwergen is duizend- en duizendmaal mooier nu!"
Op het horen daarvan liep alle bloed naar haar hart terug, zo schrok ze. Want ze begreep wel, dat Sneeuwwitje toch weer in 't leven was gekomen. "Maar nu," zei ze, "zal ik iets uitdenken dat je vast en zeker zal treffen," en met hekserij - want ze was een heks - maakte ze een giftige kam. Daarna verkleedde ze zich en nam de gedaante van een ander en heel oud vrouwtje. Toen liep ze weer over de zeven bergen naar de zeven dwergen, klopte daar aan de deur en riep: "Wat moois te koop! Wat moois te koop!" Sneeuwwitje keek naar buiten en zei: "Gaat u maar door, ik mag niemand binnenlaten." "Je zult toch wel es mogen kijken!" zei 't oude mens en ze trok de vergiftigde kam uit de mand en hield die in de hoogte. Die vond Sneeuwwitje zo mooi, dat ze zich liet verleiden en de deur opendeed. Ze werden het eens over de koop, en de oude vrouw zei: "Laat me je nu eens goed kammen." Het arme Sneeuwwitje dacht nergens aan en liet de oude haar gang gaan, maar nauwelijks had ze de kam in ’t haar gestoken, of het gif deed zijn werk en het meisje viel bewusteloos ter aarde. "Jij toppunt van schoonheid!" zei het kwaadaardig wezen, "nu is het met je gedaan," en weg ging zij. Gelukkig was het weldra avond, zodat de zeven dwergen thuiskwamen. Ze zagen Sneeuwwitje voor dood op de grond liggen, en meteen dachten ze dat het de boze stiefmoeder wel was geweest; ze zochten, en vonden de giftige kam, en zodra ze die uit haar haar hadden getrokken, kwam Sneeuwwitje weer tot zichzelf en ze vertelde wat er gebeurd was. Nog eens waarschuwden ze haar, om toch vooral op haar hoede te zijn en niemand binnen te laten.
De koningin echter ging thuis voor haar spiegel staan en sprak:
"Spiegeltje, spiegeltje aan de wand, Wie is de mooiste van 't hele land?"
En toen antwoordde de spiegel als te voren:
"O, koningin, heel mooi bent u. Maar Sneeuwwitje over de bergen bij de zeven dwergen is duizend- en duizendmaal mooier nu!"
Toen ze de spiegel zo hoorde spreken, sidderde ze en beefde ze van boosheid. "Sneeuwwitje zal sterven en moét sterven," zei ze, "al zou het mijn eigen leven kosten!" Ze ging in een heel verborgen, eenzaam gelegen vertrek, waar nooit iemand kwam, en daar maakte ze een giftige, giftige appel. Van buiten was hij prachtig, geelwit met rode wangen. Wie ernaar keek, kreeg er trek in. Maar wie er een klein stukje van zou eten - die moest sterven. De appel was klaar. Nu verfde ze haar gezicht, en kleedde zich als een boerenvrouw; en zo ging ze, over de zeven bergen naar de zeven dwergen. Ze klopte aan. Sneeuwwitje stak haar hoofd uit het raam. "Ik mag niemand binnenlaten," zei ze, "de zeven dwergen hebben het verboden!" "Dat is mij best," zei de boerin, "m’n appels raak ik toch wel kwijt. Wacht, ik zal er je ééntje geven." "Neen," zei Sneeuwwitje, "dank u, ik mag niets aannemen." "Ben je bang voor vergif?" vroeg de boerin, "want zie je, dan snijd ik hem in tweeën, jij de ene helft en ik de andere, jij de rode wangen, ik de gele." Maar die appel was zo kunstig gemaakt, dat alleen de kant van de rode wangen vergiftigd was. Sneeuwwitje rook eens aan de appel, en toen ze zag, dat de boerin ze at, kon ze hem niet langer weerstaan, strekte haar hand uit, en nam de giftige helft. Nauwelijks had ze een hap genomen of ze viel dood neer. Toen beschouwde de koningin haar met een gruwelijke blik, lachte luid en zei: "Wit als sneeuw, rood als bloed, zwart als ebbenhout! Nu zullen de dwergen je niet meer kunnen bijbrengen." En toen ze, thuis gekomen, de spiegel vroeg:
"Spiegeltje, spiegeltje aan de wand, Wie is de mooiste van 't hele land?"
toen antwoordde de spiegel weer:
"De koningin is de mooiste van 't land!"
en nu had haar jaloerse hart rust; voor zover een jaloers hart rust hebben kan.
Toen de dwergen 's avonds naar huis kwamen, vonden ze Sneeuwwitje op de grond liggen. Geen adem kwam meer uit haar mond. Ze was dood. Ze tilden haar op, zochten of ze iets vergiftigs vonden, ze maakten alle banden los, ze kamden haar haar, ze wasten haar met water en wijn, maar dat alles hielp niets. Ze was dood, en ze bleef dood. Ze legden haar op een baar, ze zetten zich alle zeven er omheen, en beweenden haar, en weenden drie dagen lang. Toen wilden ze haar begraven, maar ze zag er nog zo fris uit als een levend mens, en ze had nog zulke rode wangen. Zij spraken: "Zo kan het niet in de zwarte aarde." Daarom lieten ze een glazen kist maken, waar men van alle kanten in kon kijken, ze legden haar daarin, schreven haar naam met gouden letters erop; en ook dat ze de dochter van een koning was. Dan droegen ze de kist naar buiten, naar een berg, en één van hen bleef er altijd bij om de wacht te houden. Dieren kwamen om Sneeuwwitje de laatste eer te bewijzen; eerst een uil; dan een raaf; tenslotte een duifje. Zo lag Sneeuwwitje lange, lange tijd in de kist en ze veranderde niet, maar het leek of ze sliep; want ze was nog altijd wit als sneeuw, rood als bloed, en haar haar zwart als ebbenhout.
Nu gebeurde het eens, dat een prins in het bos kwam en naar 't dwergenhuis ging om daar te overnachten. Hij zag op de berg de kist staan met het mooie Sneeuwwitje en hij las ook wat er in gouden letters op geschreven stond. En hij zei tegen de dwergen: "Laat mij die kist nemen, ik wil er voor geven, wat jullie er voor willen hebben." Maar de dwergen zeiden: "We verkopen het niet, voor alle goud in de wereld niet!" Toen sprak hij: "Geef hem dan aan mij. Want ik kan niet meer leven zonder Sneeuwwitje te zien, ik wil haar eren en hoog achten als het liefste wat ik heb." Nu hij zo sprak, kregen de dwergen medelijden met hem en ze gaven hem de kist ten geschenke. De prins liet de kist nu door zijn dienaren op hun schouders wegdragen. En toen gebeurde het, dat zij struikelden over een boomstronk, en door de schok schoot het giftige stuk appel dat Sneeuwwitje had afgebeten, uit haar keel. Het duurde niet lang, of ze opende de ogen, ze tilde het deksel van de kist, ging rechtop zitten en was weer helemaal levend. "Waar ben ik?" riep ze. De prins zei vol vreugde: "Bij mij ben je," en hij vertelde, wat er gebeurd was en zei: "Ik heb je lief, meer dan alles op de wereld, kom mee naar 't slot van mijn vader, dan zul je mijn vrouw worden." Sneeuwwitje stemde toe en ging mee, en hun bruiloft werd met grote pracht en heerlijkheid gevierd. Voor het feest was echter ook de stiefmoeder uitgenodigd. Toen ze zich voor het feest gekleed had, trad ze in prachtgewaad voor de spiegel en zei:
"Spiegeltje, spiegeltje aan de wand, Wie is de mooiste van 't hele land?"
De spiegel antwoordde:
"O koningin, heel mooi bent u, Maar de jonge koningin is veel mooier nu!"
Toen schreeuwde de boze vrouw een gruwelijke verwensing uit, en ze werd bang, zo bang, dat ze geen raad wist. Eerst wilde ze in 't geheel niet op de bruiloft komen. Toch liet het haar geen rust: ze moest weg, ze moest de jonge koningin zien. En toen ze de feestzaal intrad, zag ze de jonge koningin - en ze herkende Sneeuwwitje, en van angst en schrik stond ze stil en kon zich niet bewegen. Maar er waren al ijzeren pantoffels op een kolenvuur gezet en die werden met tangen binnengedragen. Ze moest in de roodgloeiende schoenen gaan staan en zolang dansen, tot ze dood ter aarde viel.
Twee mannen zitten tegenover elkaar in de trein. Eén van hen vult een kruiswoordraadsel in. Plots knikt hij heen en weer met zijn hoofd en zegt tegen zijn overbuurman: "Ik kan hem niet meer verder invullen, hij is zo moeilijk, hier moet ik een woord invullen met 6 letters en de omschrijving is 'vrouwelijk geslachtsorgaan' en het begint met een v." Waarop die andere persoon vraagt: "Is het vertikaal of horizontaal?" Waarop de eerste man antwoordt: "Horizontaal." Dan zegt de tweede: "Tja, als het horizontaal is, dan weet ik het ook niet......"
Er was eens een agent en die stond in het midden van het kruispunt. Er kwam een man paniekerig aan gelopen en die vroeg: "Wat is de kortste weg naar het ziekenhuis?!?" De agent antwoordde rustig: "Gewoon blijven staan meneer, gewoon blijven staan..."
Er loopt een man met een chagrijnig hoofd over de Wallen. Een van de meiden tikt op het raam en belooft dat ze in "no-time" een gelukzalige glimlach op zijn gezicht weet te toveren. "Ach, wat..." mokt de man, "wat ik graag wil, doe je toch niet!!" "Dat zullen we nog weleens zien" snoeft het meisje. "Ik ben namelijk voor alles in." "In dat geval," zegt de man hoopvol, "ik wil zo graag een keer voor niks."
Er was eens een prinses; en zij was zo verbazend trots, als er een vrijer kwam, gaf ze hem wat te raden, en als hij 't niet raden kon, dan werd hij met hoon en spot weggezonden. Ze liet ook bekend maken, wie haar raadsels kon oplossen, die moest maar met haar trouwen en ieder mocht komen die maar wou. Eindelijk waren er drie kleermakers bij elkaar, en de twee oudsten vonden, zoveel fijne steekjes als zij in hun leven gemaakt hadden en die altijd raak waren geweest, het kon niet anders of nu zou het ook raak zijn; de derde was een kleine onaanzienlijke spring-in-'t-veld, die z'n vak niet eens goed verstond, maar die dacht: je moet maar geluk hebben, want hoe zou hij anders iets krijgen. Nu zeiden de twee anderen tegen hem: "Blijf jij maar thuis, jij zult 't met jouw beetje verstand niet ver brengen." Maar het snijdertje liet zich niet uit 't veld slaan, en hij ging ernaar toe, alsof hij de hele wereld in z'n zak had.
Nu lieten ze zich alle drie bij de prinses aandienen, en ze zeiden dat zij hun haar raadsel maar eens moest opgeven; nú waren de ware broeders voor zoiets aangekomen, ze hadden zo'n fijn verstand, dat je het wel door het oog van een naald kon trekken. Nu zei de prinses: "Ik heb twee soorten haar op mijn hoofd, wat voor kleur heeft het?" "Als het anders niet is," zei de eerste, "dat zal zwart en wit zijn, zoals die stof die je koffieboontje noemt." De prinses zei: "Misgeraden. Laat de tweede antwoorden." "Als het niet zwart en wit is," zei de tweede, "dan is het bruin en rood, als het geruite pak van mijn vader." "Misgeraden," zei de prinses, "laat de derde maar antwoorden, ik zie al aan hem dat hij 't weet." "De prinses heeft één zilveren en één gouden haar op haar hoofd, en dat zijn de beide kleuren." Toen de prinses dat hoorde, werd ze bleek en ze zou van schrik haast gevallen zijn, want het snijdertje had de spijker op zijn kop geslagen, en ze had vast gedacht, geen mens ter wereld kon dat weten. Toen ze van haar schrik bekomen was, zei ze: "Daar heb je me nog niet mee gewonnen, je moet nog iets doen: beneden, in de stal, ligt een beer. Daar moet je vannacht bij blijven. Als ik dan morgen opsta en je bent nog in leven, dan kan je met me trouwen." Ze dacht: daarmee kwam ze van het snijdertje af, want de beer had nog nooit iemand levend onder z'n klauwen vandaan laten gaan. Het snijdertje echter liet zich niet afschrikken, hij was heel opgewekt en zei: "Flink gewaagd is half gewonnen."
Toen de avond viel, werd ons snijdertje beneden naar de beer gebracht. De beer wou ook meteen op het ventje losgaan en hem met z'n poot een hard welkom geven. "Rustig, rustig," sprak het snijdertje, "ik zal je wel kalmeren." En toen haalde hij, volkomen op zijn gemak alsof er niets aan de hand was, een paar noten uit zijn zak, beet ze stuk en at de kern op. De beer zag dat en wou ook noten hebben. Het snijdertje tastte in zijn zak en toonde hem een handvol, maar het waren geen noten, maar kiezelstenen. De beer nam ze in z'n bek, maar hij kon er niets mee beginnen, al beet hij zo hard als hij kon. "Wel," dacht de beer, "wat ben ik nu voor een domoor, ik kan niet eens een noot stuk krijgen," en hij zei tegen het snijdertje: "Zeg, bijt jij die noten eens stuk." "Nu zie je eens wat je er voor één bent," zei het snijdertje, "je hebt een grote bek en je kan niet eens een nootje stukbijten." Hij nam de stenen over, stak snel een noot in z'n mond en knak, die was in tweeën. "Ik moet 't toch nog eens proberen," zei de beer, "als ik 't zo bekijk, dan vind ik, dat ik 't ook moest kunnen." Het snijdertje gaf hem de kiezelstenen terug en de beer werkte erop en beet er met alle macht op. Maar jij gelooft ook niet, dat hij ze klein heeft gekregen! Toen dat afgelopen was, haalde de kleermaker een viool onder zijn mantel vandaan en speelde daar een stukje op. Toen de beer dat hoorde, kon hij niet laten te gaan dansen en toen hij een poosje rondgesprongen had, beviel hem dat ding zo goed, dat hij tegen het snijdertje zei: "Hoor eens, is 't moeilijk om te fiedelen?" "Kinderspel. Kijk maar. M'n linkerhand legt de vingers op de snaren, met de rechter strijkje erover heen, en dan gaat 't vanzelf: hopsasa, tralala, vivalderala!" "Zo vioolspelen," zei de beer, "dat zou ik ook wel willen kunnen, dan kon ik dansen zoveel ik wou. Wat denk je? Wil je 't me leren?" "Graag," zei het snijdertje, "als je er maar de handigheid voor hebt. Maar laat me je poten eens zien, geef eens hier, die klauwen zijn veel te lang, die moet ik eerst wat afsnijden." Toen werd er een draaibank bijgehaald en de beer legde zijn poten er op; het snijdertje schroefde ze vast en sprak: "Wacht nu maar tot ik met de schaar kom," en hij liet de beer brommen zoveel hij wilde, hij ging in de hoek op een bos stro liggen en ging slapen.
De prinses, die 's avonds de beer zo geweldig hoorde brommen, geloofde niet anders of hij gromde van plezier en hij had in een heerlijke maaltijd het snijdertje opgepeuzeld. 's Morgens stond ze heel vrolijk en onbezorgd op; ging in de stal kijken – daar stond snijdertje heel monter voor de deur en was zo gezond als een vis in het water. Daar kon ze nu geen woord meer tegen inbrengen, want ze had het in 't bijzijn van anderen beloofd, en de koning liet een rijtuig inspannen, en daarin moest ze met het snijdertje naar de kerk rijden, en daar zouden ze trouwen. Toen ze erin waren gestegen, gingen de twee andere kleermakers die een vals gemoed hadden en hem zijn geluk niet gunden, naar de stal en schroefden de beer los. De beer, woedend, rende achter het rijtuig aan. De prinses hoorde hem snuiven en brommen, en ze werd bang en riep: "O, de beer zit ons achterna en komt je halen!" Het snijdertje, nooit verlegen, ging op zijn hoofd staan, stak z'n benen uit het raampje en riep: "Zie je de draaibank? Als je niet gauw weggaat moet je er weer in." Toen de beer dat zag, draaide hij zich om en liep weg. Ons snijdertje reed toen in alle kalmte en heel deftig naar de kerk, de prinses werd met hem in het huwelijk verbonden, en hij leefde met haar zo tevreden als een leeuwerik. Wie 't niet gelooft, betaalt een daalder!
Een boer zegt tegen zijn zoon: "Zoon, je bent nu 25 jaar en je hebt het nog nooit gedaan. Hier heb je 250 gulden, dan ga je morgen naar Amsterdam en overal waar je een rood licht ziet ga je naar binnen." De volgende dag gaat zijn zoon met de auto van zijn pa naar Amsterdam, parkeert er zijn auto en gaat lopend verder. Hij loopt een tijdje en op een gegeven moment ziet hij een rood licht dus gaat hij daar naar binnen. Het blijkt dat hij in een restaurant terecht gekomen is. Hij gaat aan een tafel zitten en vraagt aan de ober: "Kan ik hier voor 50 gulden broeken?" Waarop de ober zegt: "Natuurlijk meneer," en loopt naar de keuken. Daar zegt hij tegen de kok: "Er zit nou zo'n debiel binnen, die vraagt of hij hier voor 50 gulden kan broeken." De kok zegt: "Ah, we geven hem gewoon een kip, die eet hij wel op!" Dus 10 minuten later zet de ober de kip op tafel en zegt: "Broekse meneer!" De zoon begint te eten en als hij de kip op heeft, geeft hij de ober 50 gulden en zegt: "Perfect gebroekt meneer, bedankt!" Hij loopt de deur uit en loopt richting de wallen, daar ziet hij een rood licht en loopt naar binnen. Daar vraagt hij aan de vrouw: "Kan ik hier voor 50 gulden broeken?" "Tuurlijk," zegt de vrouw. Ze doet het gordijn dicht en gaat op bed liggen met haar benen wijd. Waarop de zoon zegt: "Ja, dan moet je hem wel eerst plukken anders vreet ik hem niet op!"
Een vent in een ouderwetse Mini staat bij het stoplicht naast een Rolls Royce. De bestuurder van de Mini doet zijn raam open en roept naar de bestuurder van de Rolls: "Hé vriend, leuke wagen. Heb je telefoon in je Rolls? Ik heb er één in mijn Mini!" De bestuurder van de Rolls kijkt minachtend naar de Mini en zegt: "Ja, ik heb telefoon." De bestuurder van de Mini zegt: "Gaaf hè? Trouwens heb je ook een ijskast daarbinnen? Ik heb een ijskast hierachter in mijn Mini!" De bestuurder van de Rolls kijkt een beetje verveeld en zegt: "Ja ik heb een ijskast." Bestuurder van de Mini: "Da's te gek man! Hé, heb je trouwens ook tv in je Rolls? Weet je, ik heb een tv achterin mijn Mini!" De bestuurder van de Rolls kijkt nu heel erg verveeld en zegt: "Natuurlijk heb ik tv. Een Rolls Royce is de meest luxueuze auto van de wereld!" Bestuurder van de Mini: "Erg leuke auto! Hé, heb je daar ook een bed? Ik heb een bed achterin mijn Mini!" De bestuurder van de Rolls gaat helemaal over de rooie omdat hij geen bed heeft en snelt er vandoor. Hij gaat direct naar de dealer waar hij opdracht geeft om een bed achterin zijn Rolls te laten bouwen. De volgende morgen gaat hij zijn auto ophalen en het bed ziet er schitterend uit. Lakens van satijn en koperen versiering. Duidelijk een bed dat in een Rolls Royce thuis hoort. En dus gaat de bestuurder van de Rolls op zoek naar de Mini. Na heel de dag te hebben rond gereden, ziet hij uiteindelijk de Mini staan op een parkeerplaats met al de ramen aan de binnenkant beslagen. Hij stapt uit zijn Rolls en klopt op het raam van de Mini. Maar hij krijgt geen reactie. Hij blijft op de ramen van de Mini kloppen en eindelijk steekt de eigenaar zijn hoofd drijfnat naar buiten. "Ik heb nu een bed achterin mijn Rolls," zegt de bestuurder van de Rolls arrogant. De bestuurder van de Mini kijkt hem aan en zegt: "Man, moet je me daarvoor uit de douche halen?!?!"
Amsterdam, overal dranghekken. Zegt een agent tegen een jongen: "Als ik jou was, zou ik m'n fiets hier maar niet neerzetten. De koningin komt straks langs." Waarop de jongen antwoordt: "Geeft niks, hij staat op slot."
Sprookje van iemand die erop uittrok om te leren griezelen
Sprookje van iemand die erop uittrok om te leren griezelen
Een vader had twee zonen waarvan de oudste knap en verstandig was en zich overal wist aan te passen, de jongste echter was dom, begreep niets en kon niet leren. Als de mensen hem zagen zeiden zij: "Daar zal die vader nog last mee krijgen!" Als er iets te doen viel, dan moest de oudste het altijd opknappen. Maar wanneer zijn vader hem 's avonds laat ofwel 's nachts vroeg, iets te halen en de weg leidde dan over het kerkhof of een andere griezelige plek, dan antwoordde hij: "Och nee vader, daar ga ik niet heen, dat vind ik griezelig," want hij was bang. Of, wanneer er 's avonds bij het vuur verhalen verteld werden waarvan je kippenvel kreeg dan zeiden de toehoorders dikwijls: "O, wat griezelig!" De jongste zoon zat dan in een boek en hoorde het aan en kon maar niet begrijpen wat dat betekende. "Altijd zeggen zij, wat griezelig, wat griezelig! Ik vind het helemaal niet griezelig; dat zal wel weer zo'n kunst zijn waarvan ik niets begrijp."
Nu gebeurde het, dat zijn vader eens tot hem sprak: "Hoor eens, jij daar in de hoek, je wordt groot en sterk, jij moet ook iets leren om je brood mee te verdienen. Kijk eens hoe je broer zijn best doet, maar met jou is het boter aan de galg gesmeerd." - "Maar vader," antwoordde hij, "ik wil best wat leren, ja wat mij betreft zou ik graag leren griezelen, daar begrijp ik nog helemaal niets van." De oudste broer begon te lachen toen hij dat hoorde en dacht bij zichzelf: Mijn hemel, wat is mijn broer een domkop, daar komt nooit iets van terecht wie een haakje wil worden moet zich tijdig ombuigen. Zijn vader zuchtte en antwoordde: "Griezelen zal je wel leren, maar je brood zal je daarmee niet verdienen." Kort daarop kwam de koster op bezoek; de vader klaagde zijn nood en vertelde dat zijn jongste zoon in alles zo slecht beslagen ten ijs kwam, hij wist niets en leerde niets. 'stel je voor, toen ik hem vroeg waarmee hij zijn brood wilde verdienen zei hij warempel dat hij wilde leren griezelen." - "Als dat alles is," antwoordde de koster, "dan kan hij dat wel bij mij leren, stuur hem maar naar mij toe, ik zal hem wel bijschaven." De vader vond het best, want hij dacht: Dan wordt die jongen toch nog een beetje bijgewerkt.
De koster nam hem dus in huis en hij moest de klok luiden. Na een paar dagen wekte de koster hem om middernacht en zei tegen hem dat hij moest opstaan, in de kerktoren klimmen en de klok luiden. Ik zal jou wel eens leren griezelen, dacht de koster en liep heimelijk vooruit. Toen de jongen boven kwam en zich omkeerde om het klokkentouw te grijpen zag hij op de trap tegenover het galmgat een witte gedaante staan. "Wie is daar," riep hij, maar de gedaante gaf geen antwoord en bewoog zich niet. "Geef antwoord," riep de jongen, "of maak dat je wegkomt, je hebt hier 's nachts niets te maken." Maar de koster bleef onbeweeglijk staan, opdat de jongen zou denken dat hij een spook was. De jongen riep voor de tweede maal: "Wat moet je hier? Spreek, als je een eerlijke kerel bent, of ik gooi je de trap af." De koster dacht: Het zal wel niet zo ernstig gemeend zijn, hield zich stil en stond daar alsof hij van steen was. Toen maande de jongen hem voor de derde maal en toen dat ook tevergeefs was, nam hij een aanloop en gooide het spook de trap af. Het viel tien treden naar beneden en bleef in een hoek liggen. Daarop luidde de jongen de klok, liep naar huis en zonder een woord te zeggen ging hij naar bed en sliep verder. De vrouw van de koster wachtte een hele tijd op haar man, maar hij kwam niet terug. Tenslotte werd zij bang, wekte de jongen en vroeg: "Weet je niet waar mijn man gebleven is? Hij is voor jou de toren opgegaan. "Nee," antwoordde de jongen, "maar er stond iemand op de trap tegenover het galmgat en omdat hij geen antwoord gaf en ook niet weg ging, heb ik hem voor een boef aangezien en hem de trap afgegooid. Gaat u er maar heen, dan zult u zien of hij dat was; het zou me spijten." De vrouw holde weg en vond haar man die in een hoek lag te jammeren en een been had gebroken.
Zij droeg hem naar beneden en spoedde zich daarna met luid misbaar naar de vader van de jongen. "Uw zoon," riep zij, "heeft groot onheil aangericht, hij heeft mijn man van de trap gegooid zodat hij een been gebroken heeft. Haal die deugniet bij ons weg!" De vader schrok, liep er snel heen en schold de jongen uit: "Wat zijn dat voor goddeloze streken, die moet de duivel je ingeblazen hebben." - "Vader," antwoordde hij, "luister nou eens even: ik ben geheel onschuldig, hij stond daar midden in de nacht als iemand die kwaad in de zin heeft. Ik wist niet wie het was en heb hem driemaal gemaand te spreken of weg te gaan." - "Ach," sprak de vader, "met jou beleef ik niets dan narigheid, ga uit mijn ogen, ik wil je niet meer zien." "Ja vader, heel graag. maar wacht tot het dag is, dan ga ik erop uit om te leren griezelen, dan kan ik toch iets waarmee ik mijn brood kan verdienen." - "Leer wat je wilt," sprak de vader, "het is mij om het even. Hier heb je vijftig daalders, ga daarmee de wijde wereld in en zeg aan niemand waar je vandaan komt en wie je vader is, want ik schaam mij voor je." - "Ja vader, zoals u wilt, als u niet meer van mij verlangt dan dat, dan kan ik mij daar gemakkelijk aan houden."
Toen de dag aanbrak, stak de jongen de vijftig daalders in zijn zak, ging de grote weg op en sprak steeds voor zich heen: "Kon ik maar griezelen, kon ik maar griezelen." Er kwam een man aan die het gesprek dat de jongen met zichzelf voerde hoorde, en toen ze een stuk verder waren en de galg konden zien zei de man tegen hem: "Zie je, daar is de boom waar er zeven bruiloft gevierd hebben met de dochter van de touwslager en nu leren zij vliegen, ga daaronder zitten en wacht tot de nacht invalt, dan leer je wel griezelen." - "Als het anders niet is," antwoordde de jongen, "dan is dat gemakkelijk gedaan; maar als ik zo snel leer griezelen, dan krijg jij mijn vijftig daalders, kom morgen maar bij mij terug." Toen liep de jongen naar de galg, ging eronder zitten en wachtte tot de avond viel. En omdat hij het koud had maakte hij een vuur aan, maar te middernacht werd de wind zo koud dat hij het ondanks het vuur niet warm kon krijgen. En toen de wind de gehangenen tegen elkaar sloeg zodat ze heen en weer bewogen, dacht hij: Ik heb het hier beneden al zo koud, wat zullen die daar boven rillen van de kou. En omdat hij een medelijdend hart had, zette hij de ladder tegen de galg, klom naar boven, knoopte de een na de ander los en haalde ze alle zeven naar beneden. Daarop pookte hij het vuur op, blies het aan en zette hen er omheen, zodat zij zich konden warmen. Doch zij zaten daar maar en bewogen zich niet en hun kleren vatten vlam. Toen zei hij: "Let een beetje op, anders breng ik jullie weer naar boven." De doden echter hoorden niets, zwegen en lieten hun lompen verbranden. Toen werd hij boos en zei: "Als jullie niet wilt opletten dan kan ik er ook niets aan doen, ik heb geen zin met jullie te verbranden," en hij hing ze een voor een weer op. Daarna ging hij bij zijn vuur zitten en sliep in en de volgende morgen kwam de man bij hem om die vijftig daalders en sprak: "Nou, weet je nu wat griezelen is?" "Nee," antwoordde hij, "hoe zou ik dat weten? Die daarboven hebben hun mond niet opengedaan en zij waren zo dom dat zij die paar oude lappen die zij aan hun lijf hebben, lieten verbranden." - Toen begreep de man dat hij die dag geen vijftig daalders zou beuren. Hij ging weg en sprak: "Zo iemand heb ik nog nooit ontmoet."
De jongen ging ook zijns weegs en begon weer voor zich uit te mompelen: "Ach, als ik maar kon griezelen, ach, griezelde ik maar." Dat hoorde een voerman die achter hem aankwam en hij vroeg: "Wie ben jij?" - "Dat weet ik niet," antwoordde de jongen. De voerman vroeg verder: "Waar kom je vandaan?" - "Dat weet ik niet." - "Wie is je vader?" - "Dat mag ik niet zeggen." - "Wat brom je toch steeds in je baard?" - "Nou," zei de jongen, "ik zou willen griezelen, maar niemand kan het mij leren." - "Laat dat domme geklets," sprak de voerman, "kom ga met mij mee, ik zal zien dat ik je onderdak verschaf."
De jongen ging met de voerman mee en 's avonds kwamen zij bij een herberg waar zij wilden overnachten. Toen sprak hij bij het binnentreden van de gelagkamer weer hardop: "Kon ik maar griezelen, kon ik maar griezelen." De waard die het hoorde, begon te lachen en sprak: "Als je daar behoefte aan hebt, dan is er hier wel gelegenheid voor." "Ach, wees stil," zei de waardin, "al meer dan één eigenwijze jonge man heeft er met zijn leven voor geboet, het zou jammer zijn van die mooie ogen als die het daglicht niet meer zouden zien." Maar de jongen zei: "Al is het nog zo moeilijk, ik wil het nu eenmaal leren, daarom ben ik erop uitgetrokken."
Hij liet de waard dan ook niet met rust voor deze vertelde dat niet ver daar vandaan een betoverd slot stond waar iemand wel kon leren wat griezelen was, als hij maar drie nachten in dat slot wilde waken. De koning had aan degene die het wilde wagen zijn dochter tot vrouw beloofd en dat was de schoonste jonkvrouw die door de zon beschenen werd. In het slot waren ook grote, door boze geesten bewaakte schatten, die dan vrij zouden komen en een arme meer dan rijk konden maken. Velen waren er al binnen gegaan maar nog geen enkele was er weer uitgekomen.
De volgende morgen ging de jongen naar de koning en sprak: "Zo het mij vergund is, dan zou ik wel drie nachten in het betoverde slot willen waken." De koning keek hem aan en daar de jongen hem beviel sprak hij: "Je mag nog drie dingen vragen, maar het moeten levenloze dingen zijn en die mag je meenemen naar het slot." De jongen dacht even na en zei toen: "Dan vraag ik om een vuur, een draaibank en een houtsnijbank met het mes." De koning liet al deze dingen overdag voor hem naar het slot brengen.
Toen de nacht inviel liep de jongen er naar toe, legde in een van de kamers een groot vuur aan, zette de houtsnijbank met het mes ernaast en ging op de draaibank zitten. "Ach, als ik maar griezelde," sprak hij, "maar hier zal ik het ook wel niet leren." Tegen middernacht wilde hij zijn vuur eens opporren en toen hij erin zat te blazen klonk plotseling geschreeuw uit een hoek: "Au, miauw, wat hebben wij het koud." - "Zotskappen," riep de jongen, "waarom schreeuwen jullie? Als jullie het koud hebt, kom dan bij het vuur zitten om je te warmen." En toen hij dat gezegd had, kwamen twee grote zwarte katten met een geweldige sprong op hem af, gingen ieder aan een kant van hem zitten en keken hem met vurige ogen heel wild aan. Na een poosje, toen zij warm waren geworden, spraken zij: "Vriend, zullen we eens kaarten?" "Waarom niet," antwoordde hij, "maar laat eerst jullie poten zien." Zij strekten hun klauwen uit. "Hé," zei hij, "wat hebben jullie lange nagels, wacht, die moet ik eerst afknippen." Daarop pakte hij ze bij hun nekvel, tilde ze op de houtsnijbank en schroefde hun poten vast. "Ik heb eens naar jullie vingers gekeken en dan vergaat mij de lust om te kaarten!" Hij sloeg ze dood en wierp ze naar buiten in het water. Toen hij echter die twee tot zwijgen had gebracht, kwamen er uit alle hoeken en gaten zwarte katten en zwarte honden aan gloeiende kettingen, steeds maar meer en meer zodat hij zich niet meer kon bergen en zij schreeuwden verschrikkelijk, trapten op zijn vuur, trokken het uit elkaar en wilden het uitdoven. Hij keek het een poosje rustig aan maar toen het hem te bar werd pakte hij zijn houtsnijmes en riep: "Weg met jullie boeventuig," en hij hakte op ze in. Een gedeelte sprong weg, de anderen sloeg hij dood en wierp ze naar buiten in de vijver.
Teruggekomen blies hij in de vonken zodat het vuur opnieuw begon te branden en warmde zich erbij. En toen hij daar zo zat kon hij zijn ogen niet langer openhouden en kreeg slaap. Hij keek om zich heen en zag in de hoek een groot bed staan. "Dat komt goed van pas, sprak hij en ging erin liggen. Maar toen hij zijn ogen wilde sluiten begon het bed vanzelf te rijden en reed het hele slot door. "Goed zo," sprak hij, "vooruit maar." En zo rolde het bed voort alsof er zes paarden voorgespannen waren, de drempels over en de trappen op en af tot opeens, hopsasa, het omsloeg, helemaal ondersteboven, zodat het als een berg boven op hem kwam te liggen. Maar hij wierp de dekens en de kussens de lucht in, kroop er uit en zei: "Laat nu maar rijden wie rijden wil," ging bij het vuur liggen en sliep tot de dag aanbrak.
's Morgens kwam de koning en toen hij hem daar op de grond zag liggen dacht hij dat de spoken hem hadden omgebracht en dat hij dood was. Hij zei: "Het is toch zonde van zo"n mooi mensenkind." Dat hoorde de jongen; hij richtte zich op en zei: "Zover is het nog niet." De koning was verbaasd maar ook verheugd en hij vroeg hoe het gegaan was. "Heel goed," antwoordde de jongen, "er is één nacht om, de twee andere zullen ook wel voorbij gaan. De jongen ging terug naar de herberg en daar zette de waard grote ogen op. "Ik had niet gedacht, dat ik je levend terug zou zien; heb je nu geleerd wat griezelen is?" - "Nee," antwoordde de jongen, "alles is tevergeefs, was er maar iemand die het mij kon leren."
De tweede nacht toog hij opnieuw naar het oude slot, ging bij het vuur zitten en hief weer zijn oude lied aan: "Kon ik maar griezelen." Tegen middernacht hoorde hij lawaai en gestommel, eerst zachtjes, toen steeds harder, dan was het weer even stil en tenslotte kwam met luid geschreeuw een half mens uit de schoorsteen naar beneden en viel voor hem neer. "Hola," riep hij, "er hoort nog een helft bij, dit is niet genoeg." Toen begon het lawaai opnieuw, het raasde en beide en de andere helft viel ook naar beneden. "Wacht," sprak hij, "ik zal eerst het vuur een beetje voor je aanblazen." Toen hij dat gedaan had en weer omkeek waren de beide stukken met een klap bij elkaar gekomen en er zat een afschuwelijke man op zijn plaats. "Zo zijn wij niet getrouwd," sprak de jongen, "die bank is van mij."
De man wilde hem opzij duwen maar de jongen liet zich dat niet welgevallen, schoof hem met geweld opzij en ging weer op zijn plaats zitten. Toen vielen er nog meer mannen naar beneden, de een na de ander en zij namen negen knekels en twee doodskoppen, zetten die overeind en begonnen te kegelen. De jongen kreeg er ook zin in en vroeg: "Hoor eens, mag ik meedoen?" - "Ja, als je geld hebt." - "Geld genoeg," antwoordde hij, "maar de ballen zijn niet helemaal rond." Toen nam hij de doodskoppen, klemde ze in de draaibank en draaide ze rond. "Ziezo, nu rollen ze beter," sprak hij, "kijk eens, nu gaat het fijn." Hij speelde mee en verloor wat geld, maar toen het twaalf uur sloeg, was alles voor zijn ogen opeens verdwenen. Hij ging liggen en sliep rustig in.
De volgende morgen kwam de koning naar hem kijken. "Hoe is het je deze keer vergaan?" vroeg hij. "Ik heb gekegeld," antwoordde de jongen, "en een paar centen verloren." "Heb je dan niet gegriezeld?" "Och wat," zei hij, "ik heb plezier gemaakt. Als ik maar wist wat griezelen was."
De derde nacht ging hij weer op zijn bank zitten en sprak knorrig. "Als ik nu maar griezelde." Laat in de nacht kwamen zes grote mannen een doodkist binnenbrengen. Toen sprak hij: "Haha, dat is vast mijn neefje dat een paar dagen geleden gestorven is!" wenkte hem met zijn vinger en riep: "Kom neefje, kom!" Zij zetten de doodkist op de grond, maar hij ging er naartoe en nam het deksel eraf er lag een dode man in. Hij voelde aan zijn gezicht maar het was ijskoud. "Wacht," sprak hij, "ik zal je een beetje warmen," en hij ging naar het vuur, maakte zijn hand warm en legde die op het gezicht van de dode maar die bleef koud. Toen nam hij hem uit de kist, ging bij het vuur zitten en nam de dode op schoot en wreef zijn armen om het bloed weer in beweging te krijgen. Toen ook dat niet hielp bedacht hij dat wanneer twee mensen in bed liggen ze elkaar verwarmen en hij legde hem in zijn bed, dekte hem toe en ging naast hem liggen. Na een poosje werd de dode warm en begon te bewegen. Toen sprak de jongen: "Kijk eens neefje, heb ik je niet mooi verwarmd?" De dode echter riep "Nu ga ik je wurgen!" - "Wat!," antwoordde de jongen, "is dat mijn loon? Dan ga je meteen weer de kist in," en hij tilde hem op, wierp hem erin en deed de deksel dicht; toen kwamen de zes mannen en droegen hem weer weg. "Ik kan maar niet griezelen," zei hij, "hier leer ik het mijn levensdagen niet."
Daarop kwam er een man binnen die groter was dan alle anderen en hij zag er verschrikkelijk uit, maar hij was oud en had een lange witte baard. "O, jij onderkruipsel," riep hij, "nu zal je spoedig leren wat griezelen is, want je moet sterven." - "Niet zo haastig," antwoordde de jongen, "als ik moet sterven, ben ik er toch zelf ook nog bij." - "Ik zal je wel krijgen," sprak de boze geest. "Kalm aan, maak je niet dik, zo sterk als jij bent ben ik ook en wellicht nog sterker." - "Dat zullen we zien," sprak de oude man, "als je sterker bent dan ik, laat ik je gaan. Kom laten we de proef op de som nemen." Toen bracht hij hem door donkere gangen naar het vuur van een smidse, nam een bijl en sloeg het aambeeld met één slag de grond in. "Dat kan ik nog veel beter," zei de jongen en liep naar het andere aambeeld. De oude ging naast hem staan om toe te kijken en zijn witte baard hing naar beneden. Toen pakte de jongen de bijl, doorkliefde het aambeeld met één houw en klemde daarbij de baard van de oude man erin vast. "Nu heb ik je," sprak de jongen, "nu ben jij het die moet sterven." Daarop pakte hij een ijzeren stang en sloeg op de oude los tot die begon te jammeren en hem smeekte op te houden, dan zou hij hem grote schatten geven. De jongen trok de bijl eruit en liet hem los. De oude man bracht hem weer terug naar het slot en toonde hem in een kelder drie kisten vol goud. Hij sprak: "Daarvan behoort één deel aan de armen, één deel aan de koning en het derde is voor jou." De klok van het kasteel sloeg twaalf uur, de geest verdween en de jongen stond in het donker. "Ik zal er wel uit zien te komen," sprak hij, en tastte in het rond. Hij vond de weg naar de kamer en viel in slaap bij zijn vuur.
De volgende morgen kwam de koning die zei: "Nu zal je wel geleerd hebben wat griezelen is." - "Nee," antwoordde de jongen, "het was niet veel bijzonders. Mijn dode neef was er en er is een man met een baard gekomen die mij daar beneden veel geld heeft laten zien, maar wat griezelen is heeft niemand mij verteld." De koning sprak: "Jij hebt het slot verlost en zult mijn dochter trouwen." - "Dat is alles goed en wel," antwoordde hij, "maar ik weet nog steeds niet wat griezelen is." Daarop werd het goud naar boven gebracht en de bruiloft werd gevierd, maar de jonge koning, hoe lief hij zijn gemalin ook had en hoe gelukkig hij ook was, zei nog steeds: "Als ik maar kon griezelen, als ik maar griezelde." Dat ergerde de jonge koningin tenslotte, maar haar kamermeisje zei: "Ik zal u wel helpen en dan leert hij heus wel griezelen." Zij ging naar buiten naar de beek die door de tuin stroomde en liet daar een hele emmer vol vissen uit ophalen. 's Nachts als de jonge koning sliep, moest zijn vrouw de deken wegtrekken en de emmer koud water vol grondels over hem uitgieten, zodat die kleine visjes om hem heen spartelden. En toen werd hij wakker en riep: "Hu, wat griezelig, wat griezelig, lieve vrouw. Ja, nu weet ik wat griezelen is."
Een vrouw komt in het drijfzand terecht en zakt langzaam maar zeker steeds dieper weg in de zuigende bodem. Ze is al tot haar middel weggezakt als er een man passeert. Uiteraard roept de ongelukkige vrouw om hulp. De voorbijganger wil wel helpen, maar... alleen als de vrouw met hem naar bed wil. Uiteraard weigert de vrouw het vunzige voorstel. Maar zij zakt dieper en dieper, en alle voorbijgangers, mannen natuurlijk, dat zul je altijd zien, willen haar slechts dàn helpen, als... En steeds weigert de standvastige vrouw. Tot het water haar aan de lippen staat. Vanuit haar ooghoeken ziet zij weer een man naderen en volkomen ten einde raad vraagt zij hem of hij met haar naar bed wil! Geschokt en gekwetst duwt de man met snelle voetbeweging het vrouwtje helemaal onder, uitroepend: "Kunnen jullie vrouwen nou echt nergens anders aan denken?"
Een mooi meisje heeft haar armband laten repareren en komt het nu ophalen. Ze vraagt hoeveel het kost. "Een kusje", zegt de man. "Oké, mijn opa komt zo afrekenen."
Vrouw: "Frederik, je houdt niet meer zo veel van mij als vroeger." Frederik: "Waarom denk je dat?" Vrouw: "Vroeger gaf je me altijd het grootste stuk van het vlees en tegenwoordig houd je dat zelf." Frederik: "Maar schatje toch, dat heeft niks met liefde te maken, je kookt gewoon beter dan vroeger!"
Er was eens een koningszoon, en hij had trouwplannen en zijn verloofde was hem zeer dierbaar. Eens zat hij heel gelukkig bij haar, toen het bericht kwam, dat zijn vader doodziek was en hem nog vóór zijn einde wilde zien. Hij zei tegen zijn meisje: "Ik moet nu weg, maar ik geef je een ring als aandenken. Als ik koning ben, kom ik terug en haal je thuis." Hij reed weg, en toen hij bij zijn vader kwam, was deze doodziek en het einde naderde. Hij sprak tot hem: "Lieve zoon, ik heb je vóór mijn dood nog eens willen zien, beloof me dat je zult trouwen overeenkomstig mijn wens," en hij noemde hem een bepaalde prinses, waarmee hij moest trouwen. De zoon was zo bedroefd over de toestand van zijn vader, dat hij zich niet bedacht, maar zei: "Ja vader, wat uw wens is, zal gebeuren," en daarop sloot de koning de ogen, en stierf.
De zoon werd nu tot koning uitgeroepen, de rouwtijd ging voorbij, en nu moest hij de belofte houden die hij zijn vader had gegeven, en hij zond boden naar de prinses om haar een aanzoek te doen, en dit werd ook aanvaard. Dat hoorde ook zijn eerste meisje, en zij was zo bedroefd over zijn ontrouw, dat het leven haar weinig meer waard was. Toen zei haar vader tegen haar: "Mijn lieve kind, waarom ben je zo droevig? Wat je wenst kan je krijgen." Ze bedacht zich een ogenblik, toen zei ze: "Lieve vader, wat ik graag zou hebben, dat zijn elf meisjes, die in gezicht, gestalte en grootte volkomen op mij lijken."
De koning zei: "Als het mogelijk is, zal je wens vervuld worden," en hij liet in zijn hele rijk zo lang zoeken, tot er elf meisjes gevonden waren, die op zijn dochter in gezicht, gestalte en grootte volkomen leken.
De meisjes kwamen bij de prinses, en zij liet twaalf stel jagerskleren maken, allemaal precies gelijk, en de elf meisjes moesten die jachtkledij aantrekken, en zelf trok ze 't twaalfde stel aan. Toen nam ze.afscheid van haar vader, reed met de meisjes weg en reed naar het hof van haar vroegere verloofde, van wie ze zoveel hield. Daar vroeg ze of hij jagers kon gebruiken, en of hij hen niet allen tezamen in dienst wilde nemen. De koning zag haar in 't gezicht, maar hij herkende haar niet, maar daar het zulke knappe mensen waren, zei hij: "ja, hij wilde hen graag in dienst nemen," en voortaan waren zij de twaalf jagers van de koning. De koning had echter een leeuw, en dat was een heel verwonderlijk dier, want hij wist alle verborgen en geheime dingen. En op een avond zei de leeuw tegen de koning: "De koning meende, dat hij twaalf jagers had?" "Ja," zei de koning, "het zijn twaalf jagers." Maar de leeuw zei: "Het is een vergissing, het zijn twaalf meisjes." De koning antwoordde: "Geen sprake van, hoe wou je me dat bewijzen?" "Laat maar eens erwten strooien in de voorkamer," antwoordde de leeuw, "dan blijkt het dadelijk. Mannen hebben een vaste tred, als die over erwten lopen, dan beweegt er geen; maar meisjes, die trippelen en trappelen en schuifelen, zodat de erwten rollen." Dat vond de koning een aardige raad, en hij liet inderdaad erwten strooien.
Nu was er echter een lakei van de koning, die was de jagers goedgezind, en toen hij hoorde, dat ze op de proef zouden worden gesteld, ging hij erheen, vertelde hun alles en zei: "De leeuw wil de koning wijsmaken dat jullie meisjes zijn." De prinses bedankte hem en zei toen tegen haar genoten: "Doe jezelf geweld aan, en loop stevig over de erwten." Toen nu de koning de volgende morgen de twaalf jagers bij zich riep en ze de voorkamer binnentraden, waar de erwten lagen, stapten ze er stevig over en hadden zo’n sterke gang, dat er geen enkel erwtje rolde of bewoog. Ze gingen toen weer weg en de koning zei tegen de leeuw: "Je hebt me bedrogen, hun loop is van mannen." De leeuw antwoordde: "Ze moeten het geweten hebben, dat ze op de proef werden gesteld, en ze hebben zichzelf geweld aan gedaan. Laat nu maar eens twaalf spinnewielen in de voorkamer brengen, ze zullen ernaartoe gaan en het aardig vinden, en dat doet een man niet." Dat vond de koning een goede raad, en hij liet de spinnewielen in de voorkamer zetten.
Maar de lakei die het wel goed met de jagers meende, ging naar hen toe en vertelde het nieuwe plan. Toen ze alleen waren, zei de prinses tegen haar elf meisjes: "Pas nu op en kijk niet naar die spinnewielen." De koning liet de volgende morgen zijn twaalf jagers aantreden; ze kwamen door de voorkamer en naar de twaalf spinnewielen keken ze niet eens. Weer zei de koning tegen de leeuw: "Je hebt het mis gehad; het zijn mannen, want ze hebben niet naar de spinnewielen gekeken." De leeuw antwoordde: "Ze zijn gewaarschuwd, dat ze op de proef gesteld zouden worden, en ze hebben zich in bedwang weten te houden." Maar de koning geloofde de leeuw niet meer.
De twaalf jagers gingen altijd met de koning mee op jacht en hij hield steeds meer van hen. Nu gebeurde het, dat er onder een jacht bericht kwam, dat de bruid van de koning op komst was. Toen de eerste verloofde dat hoorde, deed het haar zo’n verdriet, dat 't haar 't hart brak en ze bewusteloos neerviel. De koning dacht, dat er iets gebeurd was met zijn lieve jager, hij liep erheen, wilde helpen en trok hem de handschoen uit. Daar zag hij de ring, die hij aan zijn eerste meisje gegeven had, en toen hij haar aankeek, herkende hij haar. Toen werd zijn hart zo getroffen, dat hij haar kuste, en toen ze de ogen opsloeg, zei hij: "Jij bent de mijne, ik ben de jouwe, en niemand ter wereld kan dan veranderen." Maar aan de andere bruid liet hij boden zenden, en liet haar vragen, terug te keren, want hij had al een vrouw en wie een oude sleutel teruggevonden heeft, heeft geen nieuwe nodig. Daarop werd de bruiloft gevierd; en de leeuw kwam weer in de gunst van de koning.
Jantje heeft op een dag een zwaar ongeluk en hij gaat dood. Bij de hemelpoort aangekomen staat hij achteraan in een enorm lange rij. En het duurt en het duurt maar. "Ja," denkt Jantje: "ik heb wel wat beters te doen, het duurt me veel te lang!" Jantje stapt uit de rij en gaat samen met Petrus het café in. Jantje en Petrus beginnen elkaar verhalen te vertellen en het wordt later en later. Het ene biertje na het andere gieten ze naar binnen. Opeens moet Jantje toch wel heel nodig naar de w.c. Op de w.c aangekomen ziet hij een hele grote witte mooie ruimte met allemaal klokken aan de wand hangen, die verschillende tijden aangeven. Bij ieder van die klokken staat een naam. Dus Jantje lezen: "Pietertje, Keesje, Klaasje, Hendrik, Henk..." Al zijn vrienden staan erbij. "Maar ik mis Karel," denkt Jantje. Eenmaal weer aangekomen in het café bij Petrus, vraagt Jantje het toch maar eens na: "Wat zijn al die klokken op de w.c. Petrus?" "Op die klokken staat hoeveel je nog te leven hebt en als je masturbeert gaat de klok een uur achteruit." "Maar waar is de klok van Karel dan?" vraagt Jantje. "Oh, " zegt Petrus, "die hebben we maar als ventilator in het café gehangen."
Een Surinaamse man gaat naar een bordeel in Amsterdam. Hij vraagt de prijs en het hoertje zegt: "100 euro." Hij vraagt het hoertje: "Doe je het met mij dan op z'n Surinaams...?" Zij denkt: "Die man is vast pervers," en dus vraagt ze hiervoor 150 euro extra. De man gaat accoord...en het hoertje weet niet wat haar overkomt. In een paar uur ziet ze alle standen voorbij komen en ze geniet er zelfs ontzettend van. Voor het eerst kreeg ze multiple orgasmes bij een klant! Dan is het over en ze vraagt dodelijk vermoeid: "Wat was er nu zo Surinaams aan dit liefdesspel...?" Nou," zegt de man, "ik betaal je volgende week."
De mooie vrouwelijke professor aan de universiteit herinnert haar studenten aan het feit dat ze de volgende dag tijdens de grote eindejaarsproef geen enkel excuus van afwezigheid zal dulden. Enige uitzondering daarop is een zware verwonding, zeer ernstige ziekte of het plotse overlijden van een naast familielid.
Op de eerste rij van het auditorium reageert Nico, de playboy onder de studenten: "En in geval van oververmoeidheid, mevrouw? Van bijvoorbeeld een uitputtende sexnacht?" Hilariteit alom. Wanneer de stilte eindelijk is weergekeerd, glimlacht de vrouwelijke professor eventjes naar de student, schudt lichtjes het hoofd en zegt hem dan: "Dan mag je met je andere hand schrijven."
Er waren eens een man en een vrouw, ze hadden maar één kind en ze woonden in een zijdal helemaal alleen.
Eens op een keer ging de vrouw naar het bos, om dennenhout te sprokkelen, en ze nam de kleine Hans, die toen twee jaar was, mee. Het was juist lente en het kind had veel plezier in de bonte bloemen, en ze ging steeds verder met hem 't bos in.
Plotseling sprongen er uit het struikgewas twee rovers, ze namen moeder en kind allebei mee en voerden hen diep in 't bos, waar jaar in jaar uit geen sterveling kwam. De arme vrouw smeekte de rovers, haar met haar kind te laten gaan, maar de rovers hadden een hart van steen: ze luisterden niet naar haar bidden en smeken en dwongen haar, verder te gaan. Nadat ze zich twee uur lang een weg hadden moeten banen door de doornstruiken, kwamen zij bij een rots, en daarin was een deur; de rovers klopten daar aan en meteen ging de deur open. Nu moesten ze door een lange donkere gang, eindelijk kwamen ze in een groot hol, en dat was verlicht door een groot vuur, dat in de haard brandde. Zwaarden hingen aan de wand, en sabels en ander moordtuig; ze blonken in het licht van de vlammen en in 't midden van het hol stond een zwarte tafel, daar zaten vier rovers aan te spelen, en aan het hoofdeind zat de roverhoofdman. Toen hij de vrouw zag komen, kwam hij naar haar toe, sprak haar aan en zei, dat ze maar kalm moest zijn en geen angst hebben, ze zouden haar niets doen, maar ze moest hier het huishouden doen en als ze alles schoon hield, zou ze het niet slecht hebben. Ze gaven haar wat te eten en ze wezen haar een bed, waar zij met haar kind zou kunnen slapen.
Lange jaren bleef de vrouw bij de rovers en Hans werd groot en sterk. De moeder vertelde hem verhalen en leerde hem lezen uit een oud boek vol ridderverhalen dat in het hol lag. Toen Hans negen was, maakte hij van een dennetak een sterke knuppel, en verstopte die achter het bed, toen ging hij naar zijn moeder toe en zei: "Lieve moeder, u moet me nu zeggen, wie mijn vader is, ik moet en zal het weten." De moeder zweeg, ze wilde het hem niet zeggen, zodat hij geen heimwee zou krijgen; ze wist ook wel, dat de boze rovers Hans toch niet zouden laten gaan; maar bijna brak haar het hart, omdat Hans zijn vader nooit zou zien. 's Nachts, toen de rovers van hun rooftocht thuiskwamen, haalde Hans zijn knuppel te voorschijn, ging voor de roverhoofdman staan en zei: "Nu wil ik weten, wie mijn vader is, en als u het mij niet meteen zegt, dan sla ik u neer."
Toen begon de hoofdman te lachen en gaf Hans zo'n draai om zijn oren, dat hij onder de tafel rolde. Hans krabbelde weer overeind, zweeg, en dacht: "Ik zal nog een jaar wachten, dan zal ik het nog eens proberen; misschien gaat het dan beter." Na een jaar haalde hij zijn knuppel weer te voorschijn, veegde er het stof af, bekeek hem nauwkeurig, en zei: "Het is een flinke, stevige knuppel." 's Nachts kwamen de rovers thuis, dronken wijn – de ene kruik na de andere – en toen begonnen ze te knikkebollen. Nu ging Hans zijn knuppel halen, ging weer voor de roverhoofdman staan en vroeg hem, wie zijn vader was. Weer gaf de hoofdman hem zo'n stevige slag om zijn oren, dat Hans onder tafel rolde, maar nu duurde het niet lang meer of hij kwam er weer boven uit, en hij sloeg met zijn knuppel op de hoofdman en op de rovers, zodat ze hun armen en benen niet meer konden verroeren. De moeder stond in een hoek, vol bewondering voor de dapperheid en de kracht van haar jongen. Toen Hans hiermee klaar was, ging hij naar zijn moeder toe en zei: "Nu is het me ernst geworden; maar nu moet ik ook weten wie mijn vader is." "Lieve Hans," antwoordde de moeder. "Kom maar mee, we zullen weggaan en hem zoeken tot we hem vinden." Ze ontnam de roverhoofdman de sleutel van de voordeur, Hans haalde en grote meelzak, hij pakte goud, zilver en wat hij verder nog aan kostbaarheden vond, bij elkaar en nam dan de zak op zijn rug. Ze verlieten het hol, maar wat die Hans een ogen opzette, toen hij uit de duisternis kwam en het daglicht zag en het groene bos, de bloemen en de vogels, en de morgenzon aan de hemel ontdekte. Hij stond er maar en keek naar alles of hij niet goed bij zijn verstand was. De moeder zocht de weg naar huis, en toen ze een paar uur gelopen hadden, bereikten ze gelukkig hun eenzaam dal en haar huisje.
De vader zat voor de deur, hij schreide vreugdetranen, toen hij zijn vrouw herkende en hoorde, dat Hans zijn zoon was, want hij had hen allebei lang voor dood gehouden. Maar al was Hans pas twaalf jaar, hij was toch een hoofd groter dan zijn vader. Ze gingen samen het kamertje in, maar nauwelijks had Hans zijn zak op de kachelbank gezet, of het hele huisje begon te kraken, de bank brak en toen ook de vloer, en de zware zak kwam terecht in de kelder. "De hemel behoede ons!" zei de vader, "wat gebeurt daar? Nu heb je ons huisje kapot gemaakt." "Krijg daar maar geen grijze haren van, vaderlief," antwoordde Hans, "in die zak zit meer, dan voor een heel nieuw huis nodig is." En vader en Hans begonnen dan ook meteen een nieuw huis te bouwen, vee te verhandelen en land te kopen en te bebouwen. Hans bebouwde de akkers en als hij achter de ploeg ging en hem in de aarde schoof, dan hoefden de stieren haast niet te trekken.
De volgende lente zei Hans: "Vader, houd u al het geld, maar laat mij een wandelstaf maken die een centenaar weegt, dan kan ik gaan reizen." Toen de wandelstaf klaar was, verliet Hans het huis van zijn vader, trok weg, en kwam in een diep, donker bos. Daar hoorde hij wat knetteren en knirpen, en hij keek om zich heen, en zag een dennenboom, die van boven tot beneden gedraaid werd als een touw; en toen hij z'n blikken omhoog richtte, zag hij een grote kerel, en die had de boom gepakt en draaide hem om en om als een wilgenteen. "He!" riep Hans, "wat doe je daarboven?" De man zei: "Ik heb gisteren takkenbossen verzameld en daar wilde ik een flink touw voor hebben." "Nu dat bevalt me," zei Hans, "dat is een sterke kerel!" en hij riep hem toe: "Zo, dat is goed, kom liever met mij mee." De man klom naar beneden, hij was een hoofd groter dan Hans, en die was toch ook niet klein. "Voortaan noem ik jou Dennendraaier," zei Hans tegen hem.
Daarop gingen ze verder, en ze hoorden geklop en gehamer; zó sterk, dat bij iedere slag de grond beefde. Kort daarna kwamen ze bij een geweldige rots, daar stond een reus voor, en sloeg er met de vuist grote stukken af. Toen Hans vroeg, wat hij van plan was, antwoordde hij: "Als ik 's nachts wil slapen, komen er beren en wolven en ander ontuig van dat soort, ze ruiken en snuffelen aan me en laten me niet met rust en nu wil ik een huis gaan bouwen om erin te liggen, dan heb ik rust." "Kijk eens aan," dacht Hans, "die zou je ook nog wel kunnen gebruiken," en hij zei tot hem: "Laat dat huizenbouwen nu maar, en ga met ons mee, je zult de rotsenklopper heten." Hij stemde toe, en ze gingen alle drie het bos door, en waar ze kwamen, daar schrokken de wilde dieren en liepen weg.
's Avonds kwamen ze in een oud, vervallen slot, stegen de trap op en gingen in de zaal slapen. De volgende morgen ging Hans naar beneden, de tuin in, die was helemaal verwilderd en stond vol dorens en struiken. En terwijl hij daar zo liep, stoof een wild zwijn op hem af; maar met z'n staf gaf hij hem zo'n slag, dat hij meteen neerviel. Dan nam hij het zwijn op zijn schouders en droeg het naar boven, ze staken het aan 't spit en maakten er een heerlijk stuk wild van en ze waren bijzonder opgewekt. Nu spraken ze af, dat iedere dag, ieder op z'n beurt er twee op jacht moesten gaan en één thuisblijven om te koken, negen pond vlees voor ieder. De eerste dag bleef de dennendraaier thuis, en Hans en de rotsenklopper gingen op jacht. Terwijl de dennendraaier bezig was met koken, kwam er een klein oud, ingeschrompeld mannetje bij hem op 't slot en vroeg vlees. "Pak je weg, kleine huichelaar," antwoordde hij, "jij hebt geen vlees nodig."
Maar hoe verbaasd was de dennendraaier toen het kleine, nietige ventje naar hem opsprong en met z'n vuistjes zo op hem lossloeg, dat hij zich niet verweren kon en viel, snakkend naar adem. Het ventje ging niet weg voor hij de volle laag van zijn woede op hem had botgevierd. Maar toen de twee anderen van de jacht kwamen, sprak de dennendraaier geen woord over de slagen die hij had opgelopen, maar hij dacht: "Als het hun beurt is van thuisblijven, dan kunnen ze van die kleine kribbekat ook plezier beleven," en de gedachte alleen stemde hem al plezierig. De volgende dag was het de beurt van de rotsenklopper om thuis te blijven, en het ging hem net zo als de dennendraaier: hij werd lelijk toegetakeld door het kereltje, omdat hij hem geen vlees had willen geven.
Toen de anderen 's avonds thuis kwamen, kon de dennendraaier het wel aan hem zien, wat er gebeurd was, maar ze kikten er geen van beiden een woord over en ze dachten: "Van dat soepje moet Hans ook maar eens proeven." Hans, die de volgende dag thuis moest blijven, deed z'n werk in de keuken, zoals het moest, en toen hij juist de soepketel stond af te boenen, kwam het mannetje en eiste zonder omwegen een stuk vlees. Toen dacht Hans: "Het is een arme drommel, ik zal hem wat geven van mijn portie, als de anderen maar niet te kort komen," en hij reikte hem een stuk vlees. De dwerg at het op, en wilde toen weer vlees hebben, en de goedmoedige Hans gaf het hem en zei, hier was nog een mooi stuk, daar moest hij nu tevreden mee zijn. Maar de dwerg eiste voor de derde keer vlees. "Je wordt onbeschaamd," zei Hans en gaf hem niets meer.
Toen wilde de lelijke dwerg op hem springen en hem een pak geven als de dennendraaier en de rotsenklopper hadden gehad, maar nu kwam hij van een koude kermis thuis. Zonder enige moeite gaf Hans hem een paar klappen, zodat hij de slottrap aftuimelde. Hans wou hem na, maar hij viel, zo lang als hij was, over hem heen. Toen hij opgestaan was, had de dwerg een voorsprong. Hans vloog hem na tot in het bos, en hij zag dat hij in een hol verdween. Nu ging Hans weer naar huis, maar hij had de plek in z'n geheugen geprent.
Toen de twee anderen thuis kwamen, waren ze wel verbaasd, Hans zo vrolijk aan te treffen. Hij vertelde hun een uitvoerig relaas van wat er gebeurd was, en toen verzwegen ze niet langer wat hun was overkomen. Hans lachte en zei: "Het was toch wel in orde: waarom zijn jullie zo gierig geweest op het vlees; maar een schande is het dat jullie grote kerels je door zo'n dwerg hebben laten aframmelen." Ze namen toen een mand en een touw en gingen alle drie samen naar het hol in de rots, waar de dwerg heengevlucht was, en ze lieten Hans met z'n staf in de mand naar beneden. Hans kwam op de grond, vond een deur, en toen hij die opendeed, zat daar een allerbeeldigst meisje, nee maar zó mooi, dat 't niet te zeggen is, en naast haar zat de dwerg en grijnsde naar Hans als een meerkat. Maar zij was geketend en keek hem zo droevig aan, dat Hans een geweldig medelijden kreeg en dacht: "Je moet haar uit de klauwen van die lelijke dwerg verlossen," en hij gaf hem zo'n stoot met zijn staf dat hij dood neerzonk. Meteen viel de ketenen van het meisje af, en Hans was als betoverd door haar schoonheid. Ze vertelde hem dat ze een prinses was, een woeste graaf had haar uit haar ouderlijk huis geroofd, en hier in de rotsen opgesloten; omdat ze niets van hem had willen weten, maar de graaf had de dwerg als bewaker neergezet, en verdriet had hij haar genoeg aangedaan! Nu tilde Hans het meisje in de mand, en liet haar omhoog trekken. De mand kwam daarna weer naar beneden, maar Hans had geen vertrouwen in zijn beide makkers en dacht: "Ze hebben zich al valse vrienden getoond en je niets van die dwerg verteld, wie weet wat ze nu weer in hun schild voeren."
Toen legde hij z'n staf in de mand, en dat was zijn geluk, want toen de mand halverwege was, lieten ze hem neerploffen, en als Hans er zelf in gezeten had, was hij dood geweest. Nu echter was het de vraag, hoe hij uit de diepte zou komen, maar hoe hij ook nadacht, hij wist er niets op te vinden. "Het is toch treurig," zei hij, "dat je hier beneden moet omkomen." En terwijl hij zo heen en weer liep, kwam hij weer naar het kamertje, waar het meisje had gezeten, en hij zag, dat de dwerg een ringetje aan zijn vinger had, dat glansde en schitterde. Hij trok het de dwerg van de vinger en deed het zelf aan, en toen hij de ring aan zijn vinger ronddraaide, hoorde hij opeens iets ruisen boven zijn hoofd. Hij keek omhoog en zag daar luchtgeesten zweven, die zeiden dat hij hun heer en meester was, en hem vroegen wat hij wilde. Hans was eerst half verstomd, maar toen vond hij z'n spraak terug en hij zei dat ze hem boven moesten brengen. Ogenblikkelijk werd dit bevel gehoorzaamd, en het was alsof hij opvloog. Toen hij boven was aangekomen, was er niemand meer te zien, en toen hij in 't slot kwam, was daar ook geen mens. De dennendraaier en de rotsenklopper waren er vandoor gegaan en ze hadden het mooie meisje met zich meegenomen.
Maar nu ging Hans zijn ring weer draaien, en toen kwamen de geesten van de lucht en zeiden hem, dat het tweetal op zee was. Nu ging Hans aan 't lopen, loop je niet zo heb je niet, tot hij bij het strand van de zee kwam, en daar zag hij heel, heel in de verte een klein scheepje, waarin z'n trouweloze makkers zaten. Zonder zich te bedenken, ziedend van toorn sprong hij met staf en al in 't water en begon te zwemmen, maar de loodzware staf trok hem voortdurend omlaag, zodat hij bijna verdronk. Op het laatste moment draaide hij nog de ring, en meteen kwamen de geesten van de lucht en droegen hem bliksemsnel op het scheepje. Daar zwaaide hij z'n staf, gaf de kwade vrienden hun verdiende loon en wierp hen in zee, en toen roeide hij weg met het mooie meisje, dat in de grootste angst had gezeten. Hij had haar nu voor de tweede maal bevrijd, en hij bracht haar thuis bij haar vader en haar moeder.
Hij trouwde met haar, en toen waren ze allemaal geweldig blij.
Janssens weet tot zijn grote vreugde een kaartje te bemachtigen voor de Amstel Cup finale Ajax - Feyenoord. Zijn blijdschap slaat om in ergernis als hij ziet dat hij helemaal bovenaan in de Arena zit. Gelukkig heeft hij zijn verrekijker bij zich. Turend naar beneden ziet hij plotseling, op de vierde rij, precies naast het gangpad, nog een lege stoel. Hij stormt naar beneden en neemt plaats. "Ongelooflijk", stamelt hij tegen de man naast hem, "een leeg plekje... bij de bekerfinale... tussen Ajax en Feyenoord nota bene. Welke gek zou er niet zijn komen opdagen?" Enigszins verlegen antwoordt de man naast hem: "Om eerlijk te zijn, behoort die stoel mij toe. Mijn echtgenote had hier moeten zitten, maar ze is onverwachts komen te overlijden. Dit is, in twintig jaar tijd, de eerste bekerfinale dat mijn vrouw er niet bij is." "Mijn excuses", zegt Janssens geschrokken, "maar was er dan niemand die met u mee wilde? Een goede vriend, kennis of familielid?" Hierop antwoordt de man: "Nou nee, ziet u, ze zijn vandaag allemaal naar de begrafenis."
Saar en Moos zijn vijftig jaar getrouwd. Hij is 84 en zij is 82 en ze beginnen allebei een tikje dement te worden. Moos vraagt aan Saar: "Zal ik een ijsje gaan halen om ons vijftigjarige huwelijk te vieren?" "Dat is best," zegt Saar, "maar kan je dat wel onthouden? Ik wil een horentje met chocola, vanille en slagroom." "Dat is goed," zegt Moos, "dan neem ik aardbeien, citroen en slagroom." Moos trekt zijn jas aan en Saar vraagt: "Weet je nou nog wat je voor me moet halen?" "Jawel," zegt Moos: "Jij wilt chocola, vanille en slagroom." "Klopt," zegt Saar. Een half uur later komt Moos terug met twee zakkies patat. "Zie je nou wel, klootzak," roept Saar, "nou ben je de mayonaise vergeten!"
Op een dag was de juf een som op het schoolbord schrijven, toen Arjan, de bijdehandste van de klas, zei: "Juffrouw, u heeft haar onder uw oksel!!!" De juffrouw werd kwaad en ze zei: "Arjan, jou hoef ik de hele DAG niet meer te zien. kom morgen maar weer terug op school."
De volgende ochtend zat Arjan weer keurig in de schoolbanken. Toen de juffrouw met haar andere hand iets wilde aanwijzen op de landkaart, zei Arjan: "Juffrouw, onder uw andere oksel heeft u ook haar!!!" Nu werd de juffrouw nog kwader en zei: "Ik hoef jou de hele WEEK niet meer te zien!!! Kom volgende week maar weer op school!"
Een week later kwam Arjan weer naar school. De hele ochtend had Arjan zijn mond gehouden totdat de juffrouw haar krijtje laat vallen en bukt om hem op te pakken... "Nou juffrouw, " zegt Arjan dan, "ik kom NA DE KERST wel weer terug op school."
In een dorp woonde eens een arme oude vrouw, ze had een maaltje bonen bij elkaar en wilde ze koken. Ze maakte dus een vuur in de haard, en om het sneller te laten branden, stak ze het aan met een handvol stro. Toen ze de pot met bonen schudde, viel er ongemerkt één op de grond, hij kwam naast een strohalm terecht; en toen sprong nog een kooltje vuur uit de haard en kwam er vlakbij. Toen begon de strohalm te praten en zei: "Vrienden, waar komen jullie vandaan?" De kool antwoordde: "Ik ben tot mijn geluk het vuur ontsprongen, als ik dat niet met moeite gedaan had, was ik zeker dood: ik zou tot as verbranden." De boon zei: "Ik ben ook heelhuids ontkomen, want als de oude vrouw mij weer in de pot had gestopt, dan was ik onbarmhartig tot brij gekookt, net als mijn kameraden!" - "Denk je dat het mij beter was vergaan?" zei de strohalm, "de oude heeft al mijn broeders in rook en vuur laten opgaan; zestig heeft ze er tegelijk gepakt en verbrand. Gelukkig ben ik haar tussen de vingers doorgeglipt." - "Wat zullen we nu gaan doen?" vroeg het kooltje. "Ik vind," zei het boontje, "nu we de dood zo gelukkig zijn ontsprongen, moesten we als trouwe gezellen bijeen blijven, en opdat ons hier niet nog eens een ongeluk gebeurt, moesten we maar wegtrekken en met zijn drieën verhuizen naar een vreemd land."
Dat voorstel beviel de twee anderen, en ze gingen samen op weg. Weldra kwamen ze bij een beekje, en daar er geen brug was, wisten ze niet hoe ze er over moesten komen. Het strootje wist raad en sprak: "Ik zal er dwars over gaan liggen, dan kunnen jullie over me heen lopen als over een brug." Zo gezegd zo gedaan. De strohalm strekte zich van de ene oever tot de andere, en de kool die een hete aard had, trippelde heel vurig over de nieuw gebouwde brug. In het midden gekomen hoorde het onder zich het water bruisen, toen werd het bang; het bleef staan en durfde niet verder. Maar nu begon het strootje te branden, brak in tweeën en viel in de beek; het kooltje tuimelde eveneens, en toen het in het water viel, gaf het de geest. Boontje, die voorzichtig op de rand was blijven staan, begon vreselijk te lachen, kon er niet mee ophouden en lachte zo verschrikkelijk hard, dat hij barstte. Nu zou het ook met hem gedaan zijn, als niet tot zijn geluk, een kleermaker, die aan het reizen was, juist bij de beek was gaan rusten. Hij had een goed hart en haalde naald en draad te voorschijn en naaide boontje weer dicht. Boontje was hem hartelijk dankbaar, maar omdat hij zwart garen gebruikt had, hebben sindsdien alle bonen een zwarte naad.
Er komt een man in de apotheek en steekt zijn hand omhoog waarbij de apothekersassistente vraagt: "Wilt u handcreme meneer?" Waarop de man antwoordt: "Nee, geef mij maar 5 viagrapillen, want er komt een bus met 20 poolse meisjes bij mij op bezoek." De volgende dag komt dezelfde man weer naar de apotheek en doet beide handen omhoog en dezelfde apothekersassistente vraagt: "Wilt u nu 10 viagrapillen hebben?" Waarop de man antwoordt: "Astublief niet, geef die handcrème maar, want de bus is niet geweest."
Er zitten twee mannen tegenover elkaar in de trein. Zegt de een tegen de ander: "Zal ik u eens een leuke Belgenmop vertellen?" De andere man kijkt kwaad en gekwetst en zegt: "Meneer, ik ben een Belg!" Zegt die andere vent weer: "Maakt niet uit, dan vertel ik hem wel wat langzamer!!!"
Monica Lewinsky kwam haar beste vriendin tegen. 'Zeg,' vraagt de vriendin, 'nu er geen camera's of journalisten bij zijn..., zeg me 'ns héél eerlijk,... die vlekken op je jurk, was dat echt sperma? En van de president, echt waar?' 'Maar natuurlijk,' zegt Monica, 'dacht je soms dat ik dat uit mijn duim gezogen had???'
Er was eens een koning, en hij had twaalf dochters, de ene nog mooier dan de andere. Ze sliepen samen in een zaal, waar alle bedden naast elkaar stonden, en als ze er 's avonds in lagen, sloot de koning zelf de deur en deed er de grendel op. Als hij 's morgens de deur opendeed, zag hij dat hun schoenen stukgedanst waren, en niemand kon ophelderen hoe dat gebeuren kon. Toen liet de koning bekend maken dat wie ontdekken kon, waar ze 's nachts dansten, die mocht er eentje tot vrouw kiezen en na zijn dood koning worden: maar wie zich aanmeldde en het na drie dagen en drie nachten toch niet bewijzen kon, die verloor zijn leven. Nu duurde het niet lang of er was een prins, die zich aanmeldde om 't waagstuk te proberen. Hij werd vriendelijk ontvangen en 's avonds naar een kamer gebracht die naast de slaapzaal lag. Daar was een bed voor hem gespreid, en hij moest opletten waar ze heen gingen om te dansen; en om ze niets in 't geheim te laten doen, of ergens anders langs te laten gaan, was de deur naar de slaapzaal open gebleven. Maar de prins kreeg lood in zijn oogleden, zo zwaar werden ze – en hij viel in slaap, en toen hij de volgende morgen wakker werd, waren ze alle twaalf aan 't dansen geweest, want daar stonden hun schoenen met gaten in de zolen. De tweede en de derde avond ging het niet anders, en toen werd hem zonder medelijden het hoofd afgeslagen. Daarna kwamen er nog velen om zich aan te melden voor het waagstuk, maar ze moesten het allen met hun leven betalen.
Maar nu gebeurde het, dat een arme soldaat, die gewond was en niet meer dienen kon, op weg was naar de stad, waar de koning woonde. Hij kwam een oud vrouwtje tegen, en dat vroeg hem, waar hij heen wou. "Och, ik weet 't zelf niet," zei hij en schertsend voegde hij er aan toe: "Ik zou wel zin hebben om eens te onderzoeken, waar de prinsessen hun schoenen stukdansen, en daarna zou ik dan ook koning kunnen worden." "Dat is zo moeilijk niet," zei het oudje, "alleen moet je niets van de wijn nemen die je 's avonds wordt gebracht; je doet maar of je al diep in slaap bent." En toen gaf ze hem een manteltje en sprak: "Als je dat om je schouders hangt, ben je onzichtbaar, en je kunt daarmee het twaalftal nasluipen."
Toen de soldaat die goede raad gekregen had, maakte hij er toch ernst van, zodat hij moed vatte, bij de koning kwam en zich aanmeldde als vrijer. Hij werd even goed opgenomen als echte prinsen, en hij kreeg vorstelijke kledij. Toen het 's avonds bedtijd was geworden, werd hij naar de voorkamer van de slaapzaal geleid, en toen hij naar bed wou gaan, kwam de oudste dochter en bracht hem een beker wijn: maar hij had een spons onder zijn kin gebonden en daar liet hij de wijn inlopen en hij dronk geen druppel. Daarna ging hij naar bed, en toen hij een poosje gelegen had, begon hij te snurken alsof hij diep in slaap was. De twaalf prinsessen hadden er al naar geluisterd, lachten en de oudste zei: "Die had z'n leven ook wel kunnen sparen." Daarna stonden ze op, openden kasten, kisten en koffers en haalden daar prachtige kleren uit, ze maakten zich mooi voor de spiegel, sprongen rond en verheugden zich op het bal. Alleen de jongste zei: "Ik weet niet … jullie hebben plezier, maar ik voel me zo wonderlijk: we zullen zeker een ongeluk krijgen." "Je bent een gans," zei de oudste, "en je bent ook altijd bang. Ben je soms vergeten, hoeveel prinsen er al voor niets geweest zijn? Ik had die soldaat niet eens een slaapdrank hoeven te geven, zo'n lummel zou toch niet wakker zijn geworden." Toen ze klaar waren, keken ze allemaal nog eens naar de soldaat, maar die had zijn ogen dichtgedaan, en verroerde geen vin, en ze geloofden dat ze van hem helemaal zeker waren. Nu ging de oudste in haar bed liggen en klopte ertegen: meteen zonk het in de grond en ze klommen door het gat naar beneden, de één na de ander en de oudste voorop.
De soldaat, die alles zag, aarzelde niet lang maar hing zijn manteltje om en klom achter de jongste aan naar beneden. Midden op de trap stapte hij even op haar sleep. Ze schrok en riep: "Wat is dat? Wie pakt me bij mijn sleep?" "Doe niet zo onnozel," zei de oudste, "je bleef natuurlijk haken aan een spijker." Zo gingen ze de trap helemaal af, en toen ze beneden waren, stonden ze in een prachtige laan, en alle bladeren waren van zilver en glommen en glansden. De soldaat dacht: "Ik moest maar een merkteken meenemen," en hij brak er een takje vanaf: toen kwam er een ontzettend gekraak uit de boom. De jongste riep weer: "Het is niet pluis, hebben jullie die knal gehoord?" Maar de oudste zei: "Dat is vreugdevuur, omdat we onze prins weldra hebben verlost." Nu kwamen ze weer in een laan, waar alle bladeren van goud waren, en tenslotte in een derde, waar alle bladeren diamanten waren; van allebei de soorten brak hij een takje af, en telkens gaf dat een vreselijk gekraak, zodat de jongste ineenkromp van schrik; maar de oudste hield vol dat het schieten was, een salvo van vreugde. Nu gingen ze verder en kwamen bij een groot meer, en daar lagen twaalf bootjes in, en in ieder bootje zat een prachtige prins; ze hadden op het twaalftal gewacht, en ieder nam één prinses in zijn bootje, maar de soldaat ging bij de jongste zitten. Toen zei de prins: "Ik begrijp 't niet, de boot is vandaag veel zwaarder, en ik moet zo hard roeien, als ik vooruit wil komen." "Hoe zou dat komen?" zei de jongste, "zeker van 't warme weer, ik ben ook zo warm." Maar aan de overkant van het water stond een mooi, helder verlicht slot, waaruit vrolijke muziek klonk van pauken en trompetten. Ze roeiden naar de overkant, gingen het kasteel in, en iedere prins danste met zijn uitverkorene, maar de soldaat danste, onzichtbaar, mee, en wanneer één van de meisjes een beker met wijn in de hand had, dronk hij die uit, zodat hij leeg was als zij hem aan de mond bracht; en de jongste werd daar ook bang van, maar de oudste legde haar steeds het zwijgen op. Ze dansten tot drie uur in de morgen, en toen waren alle schoenen kapot en moesten ze wel ophouden. De prinsen roeiden hen over 't water weer terug, en ditmaal ging de soldaat in de boot van de oudste zitten, vooraan. Aan de oever namen ze afscheid, ieder van haar prins en beloofden de volgende nacht terug te komen. Toen ze de trap bereikten, liep de soldaat vooruit en ging in zijn bed liggen, en toen de twaalf zusters langzaam en vermoeid de trap kwamen opgekrabbeld, snurkte hij zo luid, dat ze 't allemaal konden horen, en ze zeiden: "Nu, voor hem zijn we veilig." Nu trokken ze hun mooie baljurken uit, hingen ze op, zetten de stukgedanste schoentjes onder 't bed en gingen slapen.
De volgende morgen vertelde de soldaat nog niets; hij wilde die wonderlijke danspartij nog wel eens bijwonen en hij ging de tweede en de derde nacht weer mee. Het gebeurde net zo als in de eerste nacht, en ze bleven dansen tot hun schoenen kapot waren. Maar de derde nacht nam hij als een merkteken een beker mee. Toen het uur gekomen was, waarop hij moest vertellen wat hij te weten was gekomen, stak hij de drie takken en de beker in zijn zak en ging voor de koning staan, maar de twaalf prinsessen stonden achter de deur te lachen en luisterden wat hij zou zeggen. Toen de koning de vraag stelde: "Waar hebben mijn twaalf dochters de nacht doorgebracht?" antwoordde hij: "Met twaalf prinsen in een onderaards slot," en hij vertelde alles, hoe het gebeurd was en liet zijn bewijsstukken zien.
Toen liet de koning zijn dochters komen, en vroeg hun of de soldaat de waarheid gesproken had; en omdat ze inzagen dat er verraad was gepleegd en een leugen niets hielp, moesten ze alles bekennen. Nu vroeg de koning hem, wie hij dan als vrouw wilde hebben. Hij antwoordde: "Ik ben niet meer zo jong, geef mij de oudste maar." Nog diezelfde dag werd bruiloft gehouden, en het rijk werd hem beloofd, als de koning zou zijn gestorven. Maar de prinsen werden net zoveel dagen vervloekt, als ze nachten met de twaalf prinsessen hadden gedanst.
Een man zit in een voetbalstadion te kijken naar een zeer saaie wedstrijd. Na een half uur begint de man zich uit verveling aan zijn piemel te sjorren. Even later komt hij klaar. Hij pakt een zakdoekje, maakt hem schoon, trekt zijn broek omhoog en gaat een shaggie draaien. Ineens ziet hij dat het hele voetbalstadion naar hem kijkt, waarop hij zegt: "Of mag ik hier niet roken?"
Sam ligt op sterven in de huiskamer, achter de winkel. De hele familie staat rond zijn bed. "Rachel, mijn lieve vrouw, ben je daar?" (Snikkend): "Ja, mijn lieve man. " "Jacob, mijn zoon, ben je daar?" "Ja, vader. " "Sarah, mijn dochter, ben je daar? " "Ja, vader. " Sam richt zich op en roept: "En wie past er verdomme dan op de zaak?"
Een tandenborstel jammert: "Brr, dit is geen leven. Ik verlies al mijn haren." Het stuk zeep is ook niet blij: "Wat een ramp, ik word elke dag magerder." "En ik dan?", zucht het kraantje, "Ik heb dag in dag uit een lopende neus!"
Tafeltje dek je, ezeltje strek je en knuppel uit de zak
Tafeltje dek je, ezeltje strek je en knuppel uit de zak
Vele jaren geleden was er eens een kleermaker, die drie zoons had en verder alleen een geit. Maar daar die geit hen allen tezamen met haar melk in leven hield, moest ze goed voer hebben en elke dag naar de wei worden gebracht. Dat deden de zoons dan ook om beurten. Eens bracht de oudste haar naar het kerkhof waar de mooiste planten stonden, hij liet haar daar weiden en rondspringen. Toen het ‘s avonds tijd was om weer naar huis te gaan, vroeg hij: "Geitje, zat gegeten?" En de geit antwoordde:
"Ik ben zo zat, Ik wil geen blad, mè, mè!"
"Kom dan maar mee naar huis," zei de jongen, nam haar aan ‘t touw, leidde haar naar de stal en bond haar vast. "Nou," zei de oude kleermaker, "heeft de geit goed voer gehad?" "O," zei de zoon, "ze is zo zat, ze wil geen blad." Maar de vader wilde zichzelf overtuigen; hij ging naar de stal, streelde ‘t lieve dier en vroeg: "En Geitje? Zat gegeten?" De geit antwoordde:
"Waar had ik me kunnen laven? Ik sprong maar over de graven en blaadjes waren er geen: mè, mè!"
"Wat hoor ik daar?" riep de kleermaker, en hij liep naar boven en zei tegen de jongen: "Jij lelijke leugenaar, je zegt dat de geit volop gegeten heeft en je hebt haar laten verhongeren!" en in zijn woede nam hij de meetlat van de wand en joeg hem met een pak slaag de deur uit.
De volgende dag was de tweede zoon aan de beurt; hij zocht bij de tuinheg een goed plekje waar sappige planten stonden, en de geit at alles helemaal op. ‘s Avonds toen hij weer naar huis wilde, vroeg hij: "Geitje, had je genoeg?" En de geit zei:
"Ik ben zo zat, Ik wil geen blad; mè, mè!"
"Ga dan maar mee naar huis," zei de jongen, trok haar aan ‘t touw naar huis en bond haar in de stal vast. "Wel," zei de oude kleermaker, "heeft de geit een goede portie gehad?" - "O," antwoordde de zoon, "ze is zo zat, ze wil geen blad." Maar de kleermaker wilde daar niet alleen op vertrouwen, hij ging naar de stal toe en vroeg: "Wel geitje, heb je genoeg gehad?" De geit zei:
"Waar had ik mij kunnen laven? Ik sprong maar over de graven en blaadjes waren er geen: mè, mè!"
"Jij goddeloze deugniet!" schreeuwde de kleermaker, "om zo’n arm dier te laten verhongeren!" en hij nam de meetlat en joeg hem met een pak slaag de deur uit.
Nu was de beurt aan de derde zoon, en die wilde het eens heel erg goed doen, en hij zocht de heerlijkste struiken uit met heel jong blad, en liet de geit daarvan smullen, ‘s Avonds toen het tijd werd om naar huis te gaan, vroeg hij: "Geitje, heb je volop gehad?" En de geit antwoordde:
"Ik ben zo zat, Ik wil geen blad, mè! mè!"
"Ga dan maar mee," zei de jongen, bracht haar naar de stal en bond haar vast. "Nu," zei de oude kleermaker, "heeft de geit nu behoorlijk eten gehad?" - "O," antwoordde de jongen, "die is zo zat, die wil geen blad." Maar de kleermaker vertrouwde het niet, ging naar de stal en vroeg: "En geitje, heb je nu genoeg gehad?" Maar het ondeugende beest zei:
"Waarvan kon ik me laven? Ik sprong maar over de graven, en blaadjes vond ik niet: mè, mè!"
"O, die leugenaars!" riep de kleermaker, "de één is al net zo goddeloos en plichtvergeten als de ander! Jullie zullen me niet langer voor de gek houden!" en buiten zichzelf van woede greep hij naar de meetlat, en roste de arme jongen daarmee zo geweldig af, dat hij het huis uitsprong.
De oude kleermaker was nu met zijn geit alleen. De volgende morgen ging hij zelf naar de stal, liefkoosde het dier en zei: "Kom, mijn lieve dier, ik zal je zelf naar buiten brengen." Hij nam zijn touw en bracht het bij de heg en bij sla en alles wat geiten verder heerlijk vinden, "Nu kun je eens naar hartelust je buikje dik eten," en hij liet haar grazen tot de avond. Toen vroeg hij: "Geitje, is het nu genoeg geweest?" En de geit antwoordde:
"Ik ben zo zat, Ik wil geen blad, mè! mè!"
"Kom dan maar mee naar huis," zei de kleermaker, bracht haar naar de stal en bond haar daar vast. Toen hij wegging, keerde hij zich nog eens om en zei: "Nu heb je toch genoeg kunnen eten!" Maar de geit maakte het bij hem ook niet veel beter en zei:
"Hoe had ik me kunnen laven? Ik sprong slechts over de graven en blaadjes vond ik niet: mè! mè!"
Toen de kleermaker dat hoorde, was hij verslagen, en hij begreep nu wel, dat hij zijn drie zoons zonder reden weggejaagd had. "Wacht eens!" riep hij, "jij ondankbaar schepsel; je wegjagen is nog een te geringe straf; ik zal je zo tekenen, dat je je onder fatsoenlijke kleermakers niet meer kunt vertonen." Hij haalde vlug zijn scheermes, zeepte de kop van de geit in, en schoor haar zo glad als de vlakke hand. En omdat de meetlat te veel eer zou zijn geweest, haalde hij de zweep en sloeg er zo op los, dat ze met geweldige sprongen weg liep. Nu zat de kleermaker helemaal alleen in huis, verviel tot grote treurigheid en zou zijn zoons graag terug willen hebben, maar niemand wist waar ze gebleven waren.
De oudste was bij een meubelmaker in de leer gegaan. Hij leerde vlijtig en onverdroten, en toen zijn tijd om was, en hij verder wilde, schonk zijn meester hem een tafeltje. Daar was niets bijzonders aan te zien, het was van gewoon hout, maar het had één goede eigenschap. Als je het neerzette en je zei: "Tafeltje, dek je!" dan was dat tafeltje ineens bedekt met een helder laken; er stonden een bord, een mes en een vork op, en schotels met gekookt en gebraden eten zoveel plaats er maar was, en zo’n groot glas rode wijn dat iemands hart er warm van werd.
De jonge gezel dacht: "Daar heb je voor je leven genoeg aan," en trok opgewekt de wijde wereld in; het kon hem niet schelen, of een herberg goed of slecht was; en of er te eten was of niet. Als het zo uit kwam, ging hij niet eens naar binnen, maar bleef buiten, in een bos of op een wei, waar hij maar prettig zat. Hij haalde z’n tafeltje van zijn rug, zette het voor zich en zei: "Tafeltje, dek je," dan was daar alles wat zijn hart begeerde.
Eindelijk bedacht hij zich, dat hij wel weer eens naar zijn vader kon gaan; de woede zou wel gezakt zijn, en met dat tafeltje-dek-je zou hij hem wel weer in huis willen hebben. Nu gebeurde het, dat hij, op weg naar huis, in een herberg kwam die helemaal vol was; de mensen riepen hem een welkom toe en nodigden hem uit, bij hen te komen zitten en met hen mee te eten; anders kon hij moeilijk meer wat krijgen.
"Nee," zei de meubelmaker, "die paar happen zal ik jullie niet afnemen, wees liever mijn gasten." Ze lachten en dachten dat hij hen voor de gek hield. Maar hij zette z’n houten tafeltje midden in de kamer en zei: "Tafeltje-dek-je!" Meteen was het vol etenswaren, zo heerlijk als de waard het niet zou kunnen geven, en ‘t rook zo lekker, dat het de gasten heerlijk in de neus kwam.
"Tast maar toe, vrienden," zei de meubelmaker. De gasten zagen dat het werkelijk gemeend was, ze lieten zich geen tweemaal noden, ze kwamen dichterbij, pakten hun messen beet en vielen aan. En wat hun het meest verbaasde: als een schotel leeg werd, kwam er vanzelf een volle voor in de plaats. De waard stond in de hoek en keek ernaar, hij wist niet wat hij zeggen moest, maar hij dacht: zo’n kok kan ik in mijn bedrijf goed gebruiken! De meubelmaker en zijn vrienden vierden vrolijk feest tot diep in de nacht, en de jonge man ging ook naar bed en zette zijn tafeltje tegen de muur.
Maar de gedachten lieten de waard niet los, en hij bedacht dat hij in de rommelkamer op zolder nog een oud tafeltje had staan dat er net zo uitzag, dat haalde hij heel zacht van boven en verruilde het met het tafeltje-dek-je. De volgende morgen betaalde de meubelmaker het overnachten, pakte z’n tafeltje op z’n rug – zag helemaal niet dat het een ander was – en ging op weg. ‘s Middags kwam hij bij zijn vader. Die was zo blij dat hij er weer was! "Nu, jongenlief, en heb je nog wat geleerd?" zei hij. "Vader, ik ben meubelmaker geworden." - "Dat is een goed handwerk," zei de oude man, "en heb je van je zwerftochten nog wat meegebracht?" - "Vader, het beste dat ik heb meegebracht, dat is het tafeltje." De kleermaker bekeek het van alle kanten en zei: "Dat vind ik nu geen meesterstuk; het is een oud, simpel tafeltje."
"Maar het is een tafeltje-dek-je," antwoordde de jongen, "als ik het neerzet en ik zeg dat hij zich dekken moet, dan staat er meteen het lekkerste eten op en een wijntje erbij om je hart te warmen. Nodigt u maar alle familie en vrienden uit, ze zullen zich te goed doen, want het tafeltje weet van geen ophouden."
Toen de familie bijeen was, zette hij het tafeltje middenin de kamer en sprak: "Tafeltje-dek-je!" Maar er gebeurde niets op het tafeltje, en het bleef zo leeg als ieder ander tafeltje, dat gewone taal niet verstaat. Nu merkte de arme meubelmakersgezel, dat het tafeltje verruild moest zijn, en hij schaamde zich omdat hij daar stond als een leugenaar. Maar de familie lachte hem uit en ze moesten zonder eten en zonder drinken weer naar huis. De vader haalde zijn lappen weer en ging kleren maken, en de zoon ging weer bij een meubelmaker aan ‘t werk.
Intussen was de tweede zoon bij een molenaar in de leer gekomen. Toen zijn leerjaren voorbij waren, zei de molenaar: "Omdat je je zo goed gedragen hebt, krijg je een ezel van me. Maar het is een bijzondere ezel. Hij trekt geen wagen; hij draagt geen lasten." - "Waar is hij dan goed voor?" vroeg de jongeman. "Hij maakt goud," zei de molenaar, "als je hem op een doek zet, en je zegt "Ezeltje, strek je" dan komt er goud uit, uit z’n bek en van achteren." - "Dat is mooi," zei de jongen, bedankte de molenaar en trok de wereld in.
Als hij geld nodig had, hoefde hij alleen maar tegen zijn ezel te zeggen: "Ezeltje, strek je," dan regende het goudstukken, en het enige wat hij ervoor doen moest, was ze op te rapen. Waar hij ook kwam, was ‘t beste voor hem net goed genoeg, hoe duurder hoe liever, en hij had altijd een zak vol geld. Toen hij zo een poos in de wereld geleefd had, dacht hij: "Nu moest je eigenlijk weer eens naar je vader gaan; als je met de ezel komt, zal hij zijn woede vergeten en je weer bij zich nemen." En nu gebeurde het, dat hij in diezelfde herberg kwam, waar zijn broeder z’n tafeltje was kwijt geraakt. Hij leidde de ezel aan de teugel, de waard wou hem ‘t beest afnemen én in de stal vast binden, maar de jonge man sprak: "Doe maar geen moeite, mijn grauwtje breng ik zelf in de stal, en ik bind ‘m zelf vast, want ik moet weten waar hij staat." Dat kwam de waard verdacht voor. Hij meende dat iemand, die zijn ezel zelf naar stal bracht, niet veel bijzonders zou zijn en er weinig aan hem te verdienen zou zijn; maar toen de vreemdeling in zijn zak greep en er twee goudstukken uithaalde en zei dat hij hem goed onthalen moest, toen zette hij grote ogen op, liep weg en liet ‘t beste halen wat hij krijgen kon. Na het eten vroeg de gast wat het gekost had, de waard wilde met dubbel krijt schrijven en zei dat er nog twee goudstukken bij moesten. De man greep in z’n zak maar het goud was juist op. "Wacht maar even, meneer de waard," zei hij, "ik zal even goud gaan halen."
En hij nam het tafellaken mee. Daar begreep de waard niets van, hij werd nieuwsgierig, sloop hem na en toen zijn gast de grendel voor de staldeur schoof, keek hij door een gat in’t dak. De vreemdeling spreidde het tafellaken onder de ezel uit, zei: "Ezeltje, strek je," en dadelijk kwam er goud, van voren en van achteren, het regende op de grond. "Alle duizend!" zei de waard, "die dukaten zijn gauw gemunt, zo’n geldbuidel is nog zo kwaad niet!" De gast betaalde de rekening en ging slapen. Maar de waard sloop s nachts naar beneden naar de stal, leidde de muntmeester weg en bond een andere ezel in zijn plaats. De volgende morgen, heel vroeg, trok de molenaarsgezel met zijn ezel weg en hij meende dat het de goudezel was. ‘s Middags kwam hij bij zijn vader terug. Die was blij, toen hij hem weer zag en nam hem met vreugde bij zich in huis. "En wat ben je geworden, jongen?" vroeg de oude. "Een molenaar, vader," antwoordde hij. "En heb je nog wat van je zwerftocht meegebracht?" - "Anders niets dan een ezel." - "Ezels hebben we hier genoeg," zei de vader, "ik had liever een goede geit gehad." - "Ja," zei de zoon, "maar een gewone ezel is het niet, maar een goudezel; wanneer je tegen hem zegt: "Ezeltje strek je" dan geeft ‘t goeie beest een doek vol goudstukken. Laat de hele familie maar komen: ik maak hen allemaal rijk." - "Dat zou me best bevallen," zei de kleermaker, "dan kan ik verder de naald wel laten rusten," en hij ging zelf op pad om de hele familie uit te nodigen.
Zodra ze allen bij elkaar waren, zei de molenaar, dat ze plaats moesten maken, spreidde een doek uit, en hij zei: "Ezeltje, strek je!" Maar wat er zo viel, waren geen goudstukken, en het bleek dat het beest niets van de kunst verstond – want niet elke ezel brengt het zo ver. Toen trok de arme molenaar een lang gezicht, zag in dat hij bedrogen was, vroeg de familie om vergiffenis – ze gingen even arm weg, als ze gekomen waren. Het baatte niets, de oude kleermaker moest weer naar de naald grijpen en de jongen verhuurde zich weer bij een molenaar.
De derde broer was bij een draaier in de leer gegaan, en omdat het draaien van stoelpoten en zuilen een kunstig handwerk is, moest hij de langste leertijd doormaken. Maar zijn broers schreven hem een brief, hoe ze bedrogen waren, en hoe de waard de laatste avond voor hun thuiskomst hun mooie toverdingen gestolen had. Toen de draaier uitgeleerd was en weer de wereld in zou gaan, schonk zijn leermeester hem, omdat hij zo tevreden over hem was, een zak en zei: "Daar zit een knuppel in." - "Die zak kan ik omdoen en er van alles instoppen," zei de jongen, "maar wat moet ik met die knuppel? Dat maakt de zak maar zwaar." - "Nu zal ik je nog dit zeggen," zei de meester, "doet iemand je kwaad, zeg dan: ‘Knuppel, uit de zak’ en dan springt de knuppel eruit, en danst zo vrolijk over de rug van je vijand, dat hij zich acht dagen lang niet kan bewegen, en hij houdt niet op voor je zegt, "Knuppel, in de zak!" De gezel bedankte hem, hing de zak om, en als iemand hem te na kwam of hem te lijf wilde, dan zei hij: "Knuppel, uit de zak" en dan sprong de knuppel eruit en veegde de een na de ander de mantel uit zonder te wachten of hij hem eerst uittrok, en dat ging zo gauw, dat eer men erop verdacht was, de knuppel al bij je was. Tegen de avond kwam de jonge draaiersgezel naar de welbekende herberg. Hij legde de zak voor zich op tafel en begon te vertellen wat voor merkwaardige dingen hij al in de wereld gezien had. "Ja," zei hij, "de mensen praten nu van een tafeltje-dek-je, en van een ezeltje-strek-je en meer zulke dingen, maar dat is allemaal niets vergeleken met wat ik gekregen heb en wat hier in deze zak zit." De waard spitste de oren. "Wat ter wereld kan dat zijn?" dacht hij, "misschien is die zak vol edelstenen; dan zou ik daar heel makkelijk aan kunnen komen, want alle goede dingen bestaan uit drie."
Toen het nu avond was geworden en slapenstijd, ging de gast op de bank liggen en zijn zak nam hij als hoofdkussen. Toen de waard dacht, dat hij wel slapen zou, kwam hij dichtbij, trok en rukte voorzichtig aan de zak, en hij wilde er een ander voor in de plaats leggen. Maar daar had de draaier al lang op gewacht. De waard deed juist een flinke ruk, toen hij riep: "Knuppel, uit de zak!" Meteen vloog de knuppel eruit, op de rug van de waard en hij klopte op zijn rug dat het een aard had. De waard schreeuwde, maar hoe harder hij schreeuwde, hoe harder de knuppel er de maat bij sloeg, tot de waard uitgeput neerviel. Toen zei de jongen: "Als je het tafeltje-dek-je en het ezeltje-strek-je niet meteen hier haalt, begint de dans van voren af aan." - "Nee, nee!" riep de waard heel benepen, "Ik zal alles teruggeven, maar laat die booswicht weer in de zak kruipen!"
Toen zei de draaiersgezel: "Ik zal genade voor recht laten gelden, maar doe voortaan niet meer zulke gemene dingen!" Toen riep hij: "Knuppel, in de zak!" en hij liet hem verder met rust. De volgende morgen ging de draaier al vroeg met het tafeltje-dek-je en ‘t ezeltje-strek-je naar zijn vader. De kleermaker was heel blij toen hij hem terug zag; en hij vroeg hem ook wat voor handwerk hij wel had geleerd. "Vaderlief," zei hij, "ik ben draaiersgezel." - "Dat is knap handwerk," zei de kleermaker, "en heb je soms van je reizen wat meegebracht?" - "Een kostbaar stuk, vader!" antwoordde de zoon, "een knuppel in een zak." - "Nou!" zei de vader, een knuppel! Dat is ook wat moois! Die kan je van elke boom afsnijden!" - "Maar zo één niet, vaderlief. Als ik zeg: "Knuppel, uit de zak" dan springt de knuppel eruit en rost de man die het me lastig maakt, stevig af en hij houdt niet op tot de man op de grond is geslagen en me smeekt op te houden. En met die knuppel heb ik ‘t tafeltje-dek-je en ‘t ezeltje-strek-je weer kunnen krijgen, die de valse waard mijn broers afhandig had gemaakt. Laat die twee nu maar komen en laat de hele familie maar komen, dan zullen we ze eten en drinken geven en hun zakken met gouden dukaten vullen." Dat vertrouwde de oude kleermaker niet echt, maar hij haalde de familie toch bij elkaar.
Toen spreidde de draaier een doek in de kamer uit op de grond, leidde de ezel binnen en zei tegen zijn broer: "Spreek jij nu maar tegen hem." De molenaar zei: "Ezeltje, strek je!" en meteen vielen de goudstukken omlaag, als een regen, en de ezel hield niet op tot ieder zo veel had, dat ze niets meer konden dragen. (Ik zie wel dat je daar graag bij zou zijn geweest). Toen haalde de draaier het tafeltje en zei tegen de oudste broer: "Spreek jij nu maar tegen hem." En pas had de meubelmaker "Tafeltje, dek je" gezegd, toen was het al gedekt en met de heerlijkste schotels rijkelijk bezet. Toen werd er een maaltijd gehouden, zoals de goede kleermaker het in zijn eigen huis nog nooit beleefd had, en de hele familie vierde feest tot laat in de nacht en ze waren allen vrolijk en blij. De kleermaker borg naald en draad, meetlat en strijkijzer in een kast op en leefde met zijn drie zoons in vreugde en vrolijkheid.
Maar wat is er van de geit geworden, die er de schuld van was, dat de drie zoons werden weggejaagd? Dat zal ik je zeggen. Ze schaamde zich voor haar kale kop en kroop in een vossenhol. De vos kwam thuis, maar er fonkelden hem een paar donkere ogen uit z’n hol tegen, hij schrok en liep weg. En toen kwam hij een beer tegen en die zei: "Wat is er, broer vos, waarom zie je er boos uit?" - "Och," zei de vos, "er zit een grimmig dier in mijn hol en kijkt me met vurige ogen aan." - "Die zullen we wel verdrijven," zei de beer, ging ook naar het vossenhol en keek erin, maar toen hij die vurige ogen zag, moest hij er ook niet veel van hebben: het beest leek gevaarlijk en hij nam de benen. Toen kwam hij een bij tegen en toen die merkte, dat hij niet in zijn gewone doen was, zei de bij: "Beer, wat zet je een verdrietig gezicht, waar is je vrolijkheid gebleven?" - "Lach jij maar," zei de beer, "d’r zit een grimmig dier met gloeiende ogen in het hol van de rode en we kunnen hem er niet uit krijgen." De bij sprak: "Het spijt me wel, beer, ik ben maar een arm, zwak schepsel, dat jullie niet ‘t aankijken waard vinden, maar ik geloof toch, dat ik er raad op weet." Ze vloog naar het vossenhol, zette zich op de gladgeschoren geitenkop en stak haar zo vinnig dat ze opsprong, "mè, mè!" riep en als een dolle de wereld inliep, en niemand weet waar ze op 't ogenblik naar toe is.
Een man redt een kabouter uit een vijver. Als wederdienst mag hij een wens doen. Hij wenst dat telkens hij urineert, er een goede "porto" uit zijn penis komt. Thuisgekomen zegt hij tegen zijn vrouw, "Vrouw haal maar 2 glazen". Hij "schenkt?" 2 glazen porto in de glazen en ze proeven er beiden van: de vrouw vindt de porto heerlijk. Een paar dagen later zegt de man tegen zijn vrouw: "Geef eens een glas, ik wil een porto drinken." Waarop de vrouw zegt: "Ja, maar we hebben steeds samen elk uit een glas gedronken, ik mag toch ook meedrinken?" Hierop antwoordt de man: "Okee, vandaag mag je uit de fles drinken....."
Een oud echtpaar ging naar bed, op 't nachtkastje twee bakjes met tanden. Vol liefde keek de man haar aan, en streelde haar rimpelige handen. Hij sprak:"al meer dan veertig jaar zijn we gelukkig meid, geloof me als ik zeg, ik wil je voor geen miljoen nog kwijt". "Dat weet ik jongen", zei de vrouw "Ook jij bent niet te koop, ook niet voor een miljoen, en dat is toch een hele hoop". Ze lagen daar te samen. Op de avond van hun leven. Twee mensen die elkaar, zoveel hebben gegeven. Ze zeiden:"wel te rusten hoor". En hij gaf haar een zoen, en fluisterde:"is de deur op slot, hier ligt voor twee miljoen!"
Eens op een avond ging een jonge trommelslager heel alleen naar 't veld en kwam bij een meer; en op de oever zag hij daar drie witlinnen lapjes liggen. "Wat een mooi linnen!" zei hij en stak één van de lapjes in zijn zak. Hij ging naar huis, dacht niet verder aan zijn vondst en ging in bed liggen. Toen hij net wilde gaan slapen, was het of iemand hem bij de naam noemde. Hij luisterde en daar hoorde hij een zachte stem, die riep: "Trommelslager! Trommelslager! Word wakker!" Het was een donkere nacht en hij kon niemand zien, maar het leek wel of er een gedaante voor zijn bed op en neer zweefde. "Wat wil je?" vroeg hij. "Geef me mijn hemdje terug!" antwoordde de stem, "je hebt het gisteravond bij 't meer weggenomen." "Dat krijg je terug," zei de trommelslager, "maar dan moetje me ook zeggen, wie je bent." "Ach," zei het stemmetje, "ik ben de dochter van een machtige koning, maar ik ben in de macht van een heks geraakt en ik ben op de Glazen Berg verbannen. Elke dag moet ik mij met mijn beide zusters in 't meer baden, maar als ik mijn hemdje niet heb, kan ik niet wegvliegen. Mijn zusters zijn al weggevlogen, maar ik moest achterblijven. Toe, geef me alsjeblieft dat hemdje terug." "Wees gerust, arme meid," zei de trommelslager, "ik zal het je meteen teruggeven." Hij haalde het uit zijn zak, en gaf het haar aan in de duisternis. Ze nam het haastig en wilde dadelijk weg. "Wacht nog even," zei hij, "het is mogelijk dat ik je kan helpen." "Helpen kun je me alleen dan, als je de Glazen Berg beklimt, en mij de macht van de heks bevrijdt. Maar je bereikt de Glazen Berg nooit, en als je er al vlakbij was, dan kom je er toch niet tegenop." "Wat ik wil, dat kan ik ook," zei de trommelslager. "Met jou heb ik medelijden en bang ben ik niet. Maar ik weet de weg niet, die naar de Glazen Berg gaat." "De weg gaat door het grote bos, waar de menseneters wonen," gaf ze als antwoord, "meer mag ik niet zeggen." En toen hoorde hij haar wegsuizen. Met het aanbreken van de dag maakte de trommelslager zich klaar; hij hing zijn trommel om, en ging zonder bang te zijn recht op het bos af. Toen hij een poosje gelopen had en geen enkele reus zag, dacht hij: "Ik moet die langslapers eens wakker maken!" en hij nam de trommel voor zijn buik en sloeg een roffel, zodat de vogels met luid geschreeuw uit de bomen opvlogen. Het duurde niet lang of er was ook een reus, die omhoog kwam: hij had in 't gras liggen slapen en was zo groot als een dennenboom. "Jij kleine plaaggeest!" riep hij hem toe, "wat loop je hier te trommelen en wek je me uit mijn diepste slaap?" "Ik trommel," antwoordde de trommelslager, "omdat er duizenden achter me aankomen: ze moeten de weg weten." "Wat willen die hier in mijn bos?" vroeg de reus. "Ze willen je opruimen, en het bos van tuig als jullie zijn, zuiveren." "Oho," zei de reus, "maar ik trap jullie dood, als mieren!" "Dacht je dat je tegen hen wat kon beginnen?" zei de trommelslager, "als je je bukt om er één te pakken, dan springt hij weg en verstopt zich, maar als je gaat liggen slapen, dan komen ze uit alle struiken te voorschijn en kruipen over je heen. Ieder van hen heeft een stalen hamer aan zijn gordel, en daar slaan ze jouw schedel mee in." De reus was verdrietig en dacht: "Als ik me met dat slimme volk inlaat, dan kon het wel eens uitlopen op mijn eigen ondergang. Wolven en beren knijp ik hun keel dicht, maar tegen die aardwurmen kan ik me niet beschermen. Hoor eens hier, kereltje," sprak hij, "ga nu maar weer weg. Ik beloof je dat ik jou en je maats in 't vervolg met rust zal laten; en mocht je nog iets bijzonders te wensen hebben, zeg het dan, ik wil je wel een plezier doen." "Je hebt lange benen," zei de trommelslager, "je kunt sneller lopen dan ik; als je me nu eens naar de Glazen Berg bracht, dan geef ik mijn maats een teken, dat ze terug moeten gaan, en dan zullen ze je deze keer met rust laten." "Kom maar hier, wurm," zei de reus, "ga op m'n schouder zitten en dan zal ik je brengen waar je wezen wilt." De reus tilde hem op, en de trommelslager begon daar boven naar hartelust op z'n trommel te roffelen. De reus dacht: "Dat is natuurlijk het teken, dat de anderen weer terug moeten trekken." Na een poos stond er een tweede reus langs de weg, en die nam de trommelslager van de eerste reus af, en stak hem in zijn knoopsgat. De trommelslager pakte de knoop beet, die zo groot was als een schotel, hield zich daar aan vast en keek heel vrolijk om zich heen. Dan kwamen ze bij een derde reus, en die nam hem uit het knoopsgat van de tweede en zette hem op de rand van zijn hoed; daar liep de trommelslager heel in de hoogte heen en weer en keek boven de bomen uit, en toen hij in de blauwe verte een berg zag, dacht hij: "Dat is vast de Glazen Berg" en dat was ook zo. Nu deed de reus nog een paar stappen, en toen waren ze aan de voet van de berg aangeland, en daar zette de reus hem af. Nu wilde de trommelslager, dat de reus hem ook op de top van de Glazen Berg zou zetten, maar de reus schudde zijn hoofd, bromde wat in zijn baard en ging naar het bos terug. Nu stond de arme trommelslager voor de berg, en die was zo hoog, alsof er drie bergen op elkaar waren gestapeld, en daarbij had hij een spiegelgladde wand, en hij begreep niet, hoe hij daar ooit op moest komen. Hij begon er tegenop te gaan, maar dat was vergeefs, hij gleed er aldoor weer af. "Als je nu eens een vogel was," dacht hij, maar wat hielp het wensen, daar kreeg hij toch geen vleugels van. Terwijl hij daar zo stond en zichzelf niet helpen kon, zag hij niet ver vandaar twee mannen die heftig vochten. Hij ging naar hen toe en zag dat de strijd ging over een zadel, dat bij hen op de grond lag en dat ze allebei wilden hebben. "Wat zijn jullie voor dwazen!" sprak hij, "kibbel toch niet over een zadel, je hebt niet eens een paard." "Het zadel is het waard om over te vechten," zei een van de mannen, "wie daar op zit en zich ergens wenst, al was het aan 't eind van de wereld, die komt er aan, terwijl hij de wens nog uitspreekt. Het zadel is van ons, het is mijn beurt erop te rijden, en hij wil het niet." "Die strijd zal ik gauw beslechten!" zei de trommelslager, en hij ging een eind van hen af en stak een witte stok in de grond. Toen kwam hij weer terug en zei: "Loop er nu heen, wie er 't eerst is, mag het eerst rijden." Allebei begonnen ze te draven, maar pas waren ze een paar meter op weg of de trommelslager zwaaide zich in 't zadel, deed de wens om bovenop de Glazen Berg te zijn, en voor hij z'n hand had omgedraaid, was hij er al. Boven op de berg was een vlakte, en daar stond een oud, stenen huis, en voor dat huis lag een grote visvijver, en erachter een donker bos. Mensen of dieren zag hij niet, 't was alles stil. Alleen ruiste de wind in de bomen, en de wolken zeilden heel dichtbij over zijn hoofd voorbij. Hij ging naar de deur, en klopte aan. Toen hij drie keer had geklopt, werd de deur opengedaan door een oud mens met een bruin gezicht en rode ogen; ze had een bril op haar lange neus en ze keek hem scherp aan en vroeg toen wat hij wilde. "Toegang, eten, slapen," antwoordde de trommelslager. "Dat kun je krijgen," zei de oude vrouw, "maar je moet er drie dingen voor doen." "Waarom niet?" antwoordde hij, "ik ben niet bang voor werk, al is het nog zo zwaar." De oude liet hem binnen, gaf hem eten en 's avonds een goed bed. 's Morgens, toen hij uitgeslapen was, nam de oude een vingerhoed van haar dorre vinger, gaf hem aan de trommelslager en zei: "Ga nu maar aan 't werk en schep de vijver leeg met deze vingerhoed; maar vóór het nacht wordt, moet je klaar zijn, en alle vissen die er in de vijver zijn, moeten uitgezocht worden naar de grootte, en naast elkaar op een rij worden gelegd." "Een merkwaardige taak," zei de trommelslager, maar hij ging naar de vijver en begon te scheppen. Hij schepte en schepte de hele morgen, maar wat kun je met een vingerhoed uitrichten als het om een grote vijver gaat, ook al zou je duizend jaar scheppen? Toen het middag werd, dacht hij: "Ik schiet toch niet op; het geeft niet of ik 't doe of 't niet doe." En hij hield ermee op en ging zitten. Toen kwam er een meisje het huis uit, zette een mandje eten neer en sprak: "Je zit er zo treurig bij, scheelt er wat aan?" Hij keek haar aan en zag dat ze heel mooi was. "Ach," zei hij, "de eerste taak kan ik al niet aan; hoe zal het dan met de andere taken gaan? Ik ben uitgegaan om de dochter van een koning te zoeken, die hier ergens woont, maar ik heb haar niet gezien; ik zal maar liever verdergaan." "Blijf vooral hier," zei het meisje, "ik zal je uit de nood helpen. Je bent moe; leg je hoofd in mijn schoot en ga slapen. Als je weer wakker wordt, is de taak af." Dat liet de trommelslager zich geen tweemaal zeggen. Zodra hem de ogen waren dicht gevallen, draaide ze aan een toverring en sprak: "Water: weg! Vissen: uit!" Dadelijk steeg het water als een stofnevel in de hoogte en zeilde als een wolk weg naar de andere wolken, en de vissen klapten en sprongen het water uit en gingen naar de grootte keurig in de rij naast elkaar liggen. Toen de trommelslager wakker werd, zag hij met verbazing, dat alles al gebeurd was. Het meisje echter zei: "Eén van de vissen ligt niet op zijn plaats bij zijn eigen soort, maar helemaal apart. Als de oude vanavond komt, en ziet dat alles wat ze geëist heeft, klaar is gekomen, dan zal ze ook vragen: Wat moet die ene vis daar apart? Gooi haar dan die vis in haar gezicht en zeg: Die is voor jou, ouwe heks." 's Avonds kwam het oude mens en toen ze de vraag had uitgesproken, gooide hij de vis in haar gezicht. Ze deed of ze het niet merkte, maar ze zweeg en keek hem met boze blikken aan. De volgende morgen zei ze: "Gisteren had je het al te makkelijk, ik moet je nu een moeilijker taak opdragen. Vandaag moet je het hele bos omhakken, het hout hakken, splijten en op hopen stapelen, en 's avonds moet alles klaar zijn." Ze gaf hem een bijl, een hamer en twee wiggen. Maar toen hij met boombakken begon, toen was de snee van de bijl krom, en de hamer en de wiggen kregen deuken, want het was een loden bijl en de hamer en de wiggen waren van blik. Nu kon hij er niets mee beginnen; maar 's middags kwam het meisje hem weer troosten. "Leg je hoofd maar in mijn schoot," zei ze, "en ga slapen; als je wakker wordt, dan is de taak voltooid." Ze draaide haar toverring, en op dat ogenblik viel het hele bos met groot gekraak om, het hout spleet zich vanzelf en ging op keurige hopen liggen; het was of onzichtbare reuzen aan het werk waren. Toen hij weer wakker werd, zei het meisje: "Zie je, het hout is gekloofd en opgetast; er is één enkele tak over, en als het oude mens vanavond komt vragen, wat die tak daar moet, dan geef je haar daarmee een klap en je spreekt deze woorden: Dat is voor jou, ouwe heks!" Het oude mens kwam. "Zie je nu," zei ze, "hoe makkelijk deze taak was. Maar waarvoor ligt die tak daar nog?" "Voor jou, ouwe heks," antwoordde hij en gaf er haar een klap mee. Ze deed of ze het niet voelde, ze lachte alleen gemeen en sprak: "Morgenvroeg moetje al dat hout op één stapel leggen, het aansteken en verbranden." Met het eerste morgenkrieken stond hij op en begon het hout bijeen te slepen, maar hoe kan één enkel mens een heel bos opstapelen? Hij schoot niet op. Maar het meisje verliet hem niet in zijn nood: ze bracht hem 's middags eten, en toen hij gegeten had, legde hij zijn hoofd in haar schoot en ging slapen. Toen hij wakker werd, stond de hele berg van hout in brand met een ongelooflijk laaiende gloed, zodat de tongen lekten tegen de hemel. "Luister nu goed," sprak het meisje, "als de heks komt, zal ze je allerlei opdrachten geven; doe zonder angst wat ze verlangt, want dan heeft ze geen vat op je, maar als je bang bent dan zal het vuur je pakken en verteren. En aan 't eind, als je alles klaar hebt, dan pak je haar op met twee handen en gooit haar middenin de vlammen." Nu ging het meisje weg. Daar kwam de oude vrouw aangeslopen. "Hu, wat heb ik het koud!" zei ze, "maar dat is nog eens een vuurtje dat brandt, dat warmt mijn oude botten, dat doet nog eens goed. Maar daar ligt nog een blok, dat wil niet branden; haal dat er eens uit. Als je dat gedaan hebt, ben je vrij en dan kun je gaan waarheen je wilt. Flink! Ga er maar in!" De trommelslager aarzelde niet lang, hij sprong midden in de vlammen, maar ze hadden geen macht over hem, ze verzengden niet eens zijn haar. Hij bracht het blok erbuiten en legde het neer. Maar nauwelijks had het hout de grond geraakt of het veranderde van gedaante en het mooie meisje stond voor hem, zij die hem al drie maal uit de nood geholpen had: en aan haar zijden kleren met de gouden weerschijn, zag hij wel dat zij die prinses was. Maar de oude vrouw lachte giftig en sprak: "Nu denk je dat je haar hebt, maar je hebt haar nog niet!" Juist wou ze op het meisje los gaan en haar wegtrekken, of hij pakte de oude heks met allebei zijn handen, hief haar in de hoogte en wierp haar in de vlammenzee, zij sloegen over haar hoofd samen, alsof ze verheugd waren, een heks te kunnen verbranden. De prinses keek daarop de trommelslager eens aan, en toen ze zag dat hij een knappe jongen was en bedacht dat hij zijn leven had ingezet om haar te verlossen, gaf ze hem haar hand en zei: "Je hebt alles voor me gewaagd, maar ik zal ook alles voor jou doen. Als jij me trouw belooft, dan zul je mijn man worden. Goederen hebben we genoeg, want alles wat de heks bijeengebracht heeft, is voor ons meer dan voldoende." Ze bracht hem het huis in, en daar waren kisten en kasten vol met schatten. Ze lieten het goud en het zilver liggen en namen de edelstenen alleen. Maar op de Glazen Berg wilden ze niet langer blijven, en hij zei tegen haar: "Ga maar op m'n zadel zitten, dan vliegen we als vogels naar beneden." "Van dat oude zadel moet ik niets hebben," zei ze, "ik hoef alleen maar aan mijn wens-ring te draaien, dan zijn we thuis." "Goed," zei ze de trommelslager, "wens dan dat we voor de stadpoort komen." In een oogwenk waren ze daar, maar de trommelslager zei: "Ik wil eerst naar mijn ouders gaan en hun vertellen wat er allemaal gebeurd is, blijf hier buiten op me wachten, ik ben gauw terug." "O!" zei de prinses, "pas toch vooral op, kus je ouders bij je komst niet op de rechterwang, want dan zul je alles vergeten, en dan zou ik hier eenzaam en verlaten buiten de stad achterblijven." "Hoe kan ik jou vergeten?" zei hij, en hij gaf er haar de hand op, gauw terug te komen. Toen hij in het ouderlijk huis kwam, wist niemand wie hij was, zo veranderd was hij, want de drie dagen die hij op de Glazen Berg had doorgebracht, waren drie lange jaren geweest. Toen zei hij wie hij was, en z'n ouders vielen hem vol vreugde om de hals, en hij was zo ontroerd, dat hij hen op beide wangen kuste en niet dacht aan wat het meisje gezegd had. Zodra hij hun echter een kus op de rechterwang had gegeven, vervloog elke gedachte aan de prinses. Hij pakte z'n zakken uit en legde handenvol van de allergrootste edelstenen op tafel. Zijn ouders wisten niet wat ze met al die rijkdom moesten beginnen. En de vader bouwde een prachtig slot omgeven door tuinen, bossen en weiden, alsof er een vorst in kwam wonen. En toen dat klaar was, zei de moeder: "Ik heb een meisje voor je uitgezocht, en over drie dagen zal de bruiloft zijn." En de zoon vond alles best wat de ouders wilden. De arme prinses had geruime tijd voor de poort van de stad staan wachten op zijn terugkomst. En toen het avond werd, zei ze: "Vast en zeker heeft hij zijn ouders op de rechterwang gekust en daardoor mij vergeten." Haar hart werd treurig en ze wenste dat ze in een eenzaam hutje in het bos zou wonen en ze wilde niet meer naar haar vader terug. Elke avond ging ze weer naar de stad waar hij woonde, en ze liep langs zijn huis, hij zag haar vaak, maar hij herkende haar niet meer. Eindelijk hoorde ze de mensen zeggen: "Morgen is zijn bruiloft." Toen zei ze: "Ik zal toch een poging wagen om zijn hart weer te winnen. Toen de eerste bruiloftsdag gevierd werd, draaide ze aan haar toverring en zei: "Een gewaad, glanzend als de zon." Meteen lag het voor haar, en het glansde zó alsof het van louter zonnestralen was geweven. Toen alle gasten gekomen waren, trad zij de zaal binnen. Iedereen verbaasde zich over haar kleding, de bruid wel het allermeest, en omdat mooie kleren haar grootste genoegen waren, ging ze naar de vreemde vrouw toe en vroeg of zij het haar wilde verkopen: "Niet voor geld," antwoordde ze, "maar als ik deze nacht voor de deur mag blijven waar de bruidegom slaapt, dan zal ik het u geven." De bruid ging het gewaad boven alles, ze kon dat niet bedwingen en ze stemde in het verzoek toe, maar ze mengde een slaapdrank in het avondwijnglas van de bruidegom, zodat hij in een diepe slaap viel. Toen alles stil was geworden, hurkte de prinses voor de deur van de slaapkamer, opende die op een kier en riep naar binnen:
"Trommelslager! hoor mij aan! Heb je mij dan toch vergeten? Hebben we op de Glazen Berg niet samen gezeten? Heb ik tegen de heks niet verdedigd je leven? Heb je me tot trouw niet de hand gegeven? Trommelslager! hoor mij aan!"
Maar het was allemaal tevergeefs en de trommelslager werd niet wakker, en toen de morgen aanbrak, moest de prinses onverrichterzake weer weggaan. De tweede avond draaide zij aan haar toverring en sprak: "Een gewaad van zilveren manestralen." Toen ze in dit kleed, dat teer was als maneschijn, op het feest kwam, wekte ze de begeerte van de bruid weer op, en ze gaf het haar ten geschenke voor de toestemming om nog een nacht voor de deur van het slaapvertrek te mogen doorbrengen. Toen riep ze in de nachtelijke stilte:
"Trommelslager! hoor mij aan! Heb je mij dan toch vergeten? Hebben we op de Glazen Berg niet samen gezeten? Heb ik tegen de heks niet verdedigd je leven? Heb je me niet je hand tot trouw gegeven? Trommelslager! hoor mij aan!"
Maar de trommelslager verdoofd door de slaapdrank, was niet wakker te krijgen. Treurig ging ze 's morgens weer naar haar huisje in het bos terug. Maar de bedienden in het huis hadden de klacht van het onbekende meisje gehoord, en vertelden er de bruidegom over, en ze zeiden hem ook, dat 't voor hem niet mogelijk was geweest er iets van te horen, omdat de bruid een slaapdrank in zijn wijn had gemengd. De derde avond draaide de prinses de toverring en zei: "Een gewaad, fonkelend als sterren." Toen ze zich daarin op het feest liet zien, was de bruid buiten zichzelf van verrukking over dit gewaad dat de beide andere nog verre overtrof en ze zei: "Ik zal en ik moet het hebben." En het meisje gaf het haar, zoals de andere, voor de toestemming de nacht door te brengen voor de deur van de bruidegom. Maar hij had niets van de wijn gedronken, maar 't glas achter 't bed leeg gegooid. En toen alles in huis stil was geworden, hoorde hij een zachte stem die hem riep:
"Trommelslager! Hoor mij aan! Heb je mij dan toch vergeten? Heb je op de Glazen Berg niet bij me gezeten? Heb ik tegen de heks niet verdedigd je leven? Heb je me niet je hand tot trouw gegeven? Trommelslager! Hoor mij aan!"
Opeens kwam de herinnering weer bij hem terug. "Ach!" riep hij, "hoe heb ik zo trouweloos kunnen handelen; maar de kus, die ik mijn ouders in mijn vreugde op de rechterwang heb gegeven, die is de schuld van alles, die heeft mij verdoofd." Hij sprong op, nam de prinses bij de hand en bracht haar voor het bed van zijn ouders. "Dit is de ware bruid," sprak hij, "als ik met de andere trouw, bega ik een groot onrecht." Toen de ouders hoorden hoe alles in zijn werk was gegaan, gaven zij hun toestemming. Nu werden de lichten in de zaal weer aangestoken, pauken en trompetten rukten aan, de vrienden en familie werden uitgenodigd om terug te komen en de echte bruiloft werd met grote feestvreugde gevierd. De eerste bruid mocht de mooie kleren houden als vergoeding, en ze legde zich bij 't gebeurde neer.
Tijdens een etentje in een Italiaans specialiteitenrestaurant roept een decadente miljonair de chef ter verantwoording. In zijn spaghetti blijkt zich een haar te bevinden. Enkele weken later bezoekt de Italiaan een orgie. Tussen de kronkelende stelletjes ontwaart hij de miljonair, die lustig een meisje ligt te beffen. Hij stapt op hem af en schreeuwt: "Wat ben jij een hypocriet. Bij mij klagen over één haartje, en hier met een volle mond in een kut zitten te grazen!" Bedaard zegt de miljonair: "Maar als er ook maar één sliertje spaghetti in had gezeten, had ik het niet gedaan."
Jantje gaat naar de speeltuin en komt Annemiekje tegen. Hij zegt: 'Ik moet je iets laten zien, maar het is zo geheim dat het niet hier kan. Het moet bij mij thuis gebeuren.' Ze gaan naar zijn huis, en Annemiekje zegt: 'We zijn er, laat het nu maar zien.' Maar Jantje zegt: 'Nee, nee, het is zo bijzonder dat het op mijn slaapkamer moet.' Zuchtend gaat Annemiekje mee naar boven en zegt: 'Nu wil ik toch wel eens zien wat het is.' Jantje wil nog niet toegeven: 'Nee, nog niet! Het kan alleen maar onder de dekens gebeuren.' Annemiekje wordt er wel erg ongeduldig van, maar goed, ze gaat mee onder de dekens. Dan laat Jantje zien wat hij zo graag met Annemiekje wilde delen: 'Kijk eens, mijn horloge geeft licht!'
Luk, Bob, Rick, Danny en Erwin gaan een weekje ski=EBn in Oostenrijk.
Onderweg met de auto worden ze verrast door een sneeuwstorm.
Ze proberen nog verder te rijden, maar de sneeuw ligt steeds hoger en hoger en autorijden is zo goed als onmogelijk.
Wanneer ze een boerderij langs de weg opmerken besluiten ze toch maar om te stoppen.
Ze bellen aan en vragen aan de knappe boerin die komt opendoen of ze de nacht bij haar mogen doorbrengen.
"Ik weet dat het een erge sneeuwstorm is en er is genoeg plaats in mijn huis, maar ik ben een alleenstaande weduwe en bang dat de buren zullen roddelen als ik jullie in huis neem."
"Wees gerust mevrouw, zegt de Luk, u zal van ons geen last hebben, we zullen in de schuur slapen en we zijn weg voor zonsopgang"
De vrouw gaat akkoord.
De 5 mannen installeren zich in de schuur, vallen in een diepe slaap en voor dag en dauw zijn ze al weer vertrokken.
Het werd een prachtige skivakantie !
Maar negen maanden later ontvangt Bob een brief van een Oostenrijkse advocaat.
Na enkele minuten verdwaasd voor zich uit te hebben gekeken, beseft hij dat de brief afkomstig is van de advocaat van de weduwe van negen maanden geleden tijdens het skireisje.
Hij loopt tot bij Luk en vraagt hem of hij zich de knappe weduwe herinnert?"
"Ja ik herinner mij die." antwoordt Luk
"Zou het kunnen dat je midden in de nacht bent wakker geworden en haar een bezoekje hebt gebracht ??"
"Euh... ja" antwoordt Luk een beetje verveeld met de zaak.
"En je hebt mijn naam gebruikt in plaats van de jouwe?"
Luk wordt nu echt rood van schaamte: "Ja, sorry hoor. Het is allemaal waar, ik kon me echt niet meer inhouden, het was sterker dan mezelf ... maar waarom vraag je dat ?"
"Wel, ik heb net een brief gekregen van haar advocaat, ze is overleden en ik erf alles !"
Er was eens een oude koning, die ziek was geworden en dacht: dat kon wel eens een sterfbed worden, waar ik op lig. Toen vroeg hij: "Laat de trouwe Johannes bij mij komen." De trouwe Johannes was zijn liefste dienaar en heette zo, omdat hij hem zijn leven lang trouw geweest was. En toen deze aan het bed kwam, zei de koning tegen hem: "Trouwe Johannes; ik voel dat mijn einde nadert, en dan heb ik geen andere zorg dan voor mijn zoon: hij is nog zo jong dat hij nog niet voor zichzelf kan zorgen; en als u mij niet belooft, hem te onderrichten in alles wat hij weten moet, als u zijn pleegvader niet wilt zijn – dan kan ik de ogen niet rustig sluiten." Toen antwoordde de trouwe Johannes: "Ik zal hem niet verlaten en hem trouw dienen; al ging het om mijn leven." Toen zei de oude koning: "Nu sterf ik getroost en in vrede." En hij sprak verder: "Na mijn dood moet u hem het hele slot laten zien; alle kamers, zalen en gewelven, en alle schatten die er zijn; maar de laatste kamer in de lange gang, die moet u hem niet tonen; waar de beeltenis staat van de prinses van het Gouden Dak. Als hij dat beeld zou zien, zou hij in hevige liefde voor haar ontbranden; hij zou bewusteloos neervallen en om harentwille in groot gevaar komen; daarvoor moet u hem behoeden." En toen de trouwe Johannes de koning nog eens de hand daarop gegeven had, werd deze stil, legde zijn hoofd op het kussen en stierf.
Toen de oude koning ten grave gedragen was, vertelde de trouwe Johannes aan de jonge koning, wat hij zijn vader op zijn sterfbed had beloofd; en hij zei: "Die belofte zal ik zeker houden, en u trouw zijn, zoals ik ook hem trouw ben geweest – al ging het om mijn leven." De rouwtijd ging voorbij; toen sprak de trouwe Johannes tot hem: "Nu is het tijd dat u uw erfgoed ziet; ik wil u het vaderlijk slot tonen."
Hij leidde hem nu overal rond, in zolders en kelders; en liet hem al de rijkdommen en de prachtige zalen zien, alleen dat ene vertrek deed hij niet open, daar stond het gevaarlijke beeld in. Maar het was zo opgesteld, dat zodra de deur openging, het oog erop vallen moest, en het was zo, dat het scheen te leven; en het was of er op de hele wereld niets mooiers en lieflijkers was. Maar de jonge koning merkte wel, dat de trouwe Johannes steeds die ene deur oversloeg; en hij zei: "Waarom wordt deze deur nooit geopend?" - "Daar is iets," antwoordde hij, "waar u voor terugschrikt." Maar de koning zei weer: "Ik heb nu het hele slot gezien, nu wil ik ook weten wat daar in is," en hij liep er heen en wilde de deur met geweld openstoten. Daarvan weerhield de trouwe Johannes hem en hij zei: "Ik heb je vader voor zijn dood beloofd je ervan te weerhouden om te kijken wat er in die kamer is; voor u en voor mij zou het einde een groot ongeluk zijn." - "Neen," zei de jonge koning, "als ik daar niet in mag, dan is het nog veel erger, dag en nacht zou ik onrustig zijn, tot ik het met eigen ogen gezien had. Nu blijf ik hier tot u mij toegang geeft."
Toen zag de trouwe Johannes in, dat er niets aan te veranderen was, en hij zocht, bezwaard van hart en onder diepe zuchten, de sleutel in de grote bos. Terwijl hij de deur opende, trad hijzelf meteen het eerst naar binnen, en hoopte nog het beeld te bedekken zodat de koning het niet zag; maar wat gaf dat? De koning ging op de tenen staan en keek over zijn schouder naar binnen. En toen hij het beeld ontdekte, dat zo heerlijk was en blonk van goud en edelstenen, toen viel hij bewusteloos neer. De trouwe Johannes hief hem op, droeg hem naar zijn bed en dacht vol zorg: "Nu is het ongeluk gebeurd; wat zal er nu van ons worden?" Toen sterkte hij hem met een teug wijn, zodat hij weer bijkwam. Het eerste wat hij zei, was: "Wie is dat prachtige beeld?" - "Dat is de prinses van het Gouden Dak," antwoordde de trouwe Johannes. Toen zei de koning weer: "Ik heb zo'n grote liefde voor haar opgevat, dat alle bladeren van alle bomen het niet konden zeggen als ze spreken konden; mijn leven zet ik in, om haar te krijgen. Mijn trouwste Johannes, u moet me helpen."
De trouwe dienaar peinsde er geruime tijd over, hoe hij deze moeilijkheden moest aanvatten, want het was al moeilijk om haar persoonlijk te naderen. Eindelijk had hij er wat op gevonden; en hij zei tegen de koning: "Alles wat ze aan en om zich heeft is van goud: tafels, stoelen, schotels, bekers, kommen en alle huisraad; in uw schatkamers liggen vijf tonnen goud, laat één van de beste goudsmeden dit bewerken tot allerlei vaatwerk en gereedschappen, vogels en wilde en wonderbaarlijke dieren, we willen daarmee op reis gaan en ons geluk beproeven." De koning beval, dat alle goudsmeden ontboden zouden worden; zij moesten dag en nacht werken, tot eindelijk de heerlijkste voorwerpen klaar waren. Alles werd in een schip geladen; toen trok de trouwe Johannes een koopmanspak aan, en de koning moest dat ook doen, om niet herkend te worden. Dan voeren ze over zee en voeren zo lang, tot ze in de stad kwamen waar de koningsdochter van het Gouden Dak woonde.
De trouwe Johannes liet de koning op 't schip blijven en op hem wachten. "Misschien," sprak hij, "breng ik de prinses mee, zorg dus dat alles klaar is, laat al het gouden vaatwerk neerzetten en zorg, dat het hele schip versierd is." Nu stopte hij in zijn voorschoot allerlei gouden dingetjes, ging aan land en recht toe recht aan naar 't paleis. Toen hij op het voorplein kwam, stond daar bij de fontein een lief meisje, ze had twee gouden emmers in de hand en putte water. Terwijl zij het blinkende water weg wilde dragen, draaide zij zich om, zag de vreemde man en vroeg, wie hij was. Toen antwoordde hij: "Ik ben een koopman" en opende zijn voorschoot en liet haar even kijken. Daar riep zij uit: "O wat een beeldige dingen, allemaal van goud!" zette de emmer neer en bekeek het stuk voor stuk. "Dat moet de prinses zien," ging ze voort, "die houdt zo van alles wat van goud is, dat ze zeker alles van je zal kopen." Ze nam hem bij de hand en bracht hem naar boven, want zij was de kamenier. De prinses bekeek de gouden dingetjes, was er verrukt over en zei: "Het is zo mooi gemaakt, ik wil alles kopen." Maar de trouwe Johannes sprak: "Ik ben maar de knecht van een rijke koopman; wat ik hier bij me heb is nog niets, bij alles wat mijn heer in zijn schip heeft; en dat is het kunstigste en het kostelijkste, wat ooit in goud is gemaakt." Ze wilde dat alles bij haar gebracht zou worden, maar hij zei: "Daar zouden vele dagen voor nodig zijn, zo groot is de schat; en zoveel zalen om het op te stellen, dat dit huis niet eens groot genoeg is." Toen werd haar nieuwsgierigheid en lust nog meer geprikkeld, zodat ze eindelijk zei: "Breng mij dan naar het schip, ik wil er zelf ingaan en de schatten van je meester bekijken."
Nu bracht de trouwe Johannes haar naar het schip en hij verheugde zich over 't slagen van zijn list; en de koning - die zag dat zij nog veel mooier was dan het beeld; en hij dacht dat zijn hart van vreugde zou barsten. Zij kwam aan boord, de koning bracht haar naar binnen, de trouwe Johannes echter bleef aan dek bij de stuurman en liet de trossen losgooien. "Alle zeilen hijsen," zei hij, "zodat 't schip vliegt als een vogel door de lucht." De koning binnen toonde haar het gouden vaatwerk, stuk voor stuk, de schotels, de bekers, de kommen, de vogels en al de wonderbaarlijkste dieren. Uren gingen voorbij terwijl ze alles bekeek, en in haar blijdschap merkte ze niet dat het schip was gaan varen. Toen ze 't laatste bekeken had, bedankte ze de koopman en wilde weer naar huis, maar aan dek gekomen zag ze dat ze ver van land op hoge zee voeren en met volle zeilen voortijlden. "O!" riep ze verschrikt, "ik ben bedrogen, ik ben ontvoerd en in de macht van een koopman geraakt; ik kan beter sterven!" De koning echter vatte haar bij de hand, en zei: "Een koopman ben ik niet, ik ben een koning en niet minder van geboorte dan u; maar dat ik u met list geschaakt heb, dat is uit overmaat van liefde gebeurd. De eerste maal dat ik uw beeld gezien heb, ben ik bewusteloos neergestort." Toen de prinses van het Gouden Dak dat hoorde, troostte ze zich, haar hart sprak voor hem, zodat ze graag erin toestemde zijn vrouw te worden.
Eens op een keer toen zij midden op zee voeren, zat de trouwe Johannes op de voorsteven en speelde een deuntje; daar zag hij in de lucht drie raven, die naar hem toe kwamen vliegen. Hij hield op met spelen en luisterde wat zij tegen elkaar zeiden, want hij kende de vogeltaal. De ene riep: "Kijk, die trouwt de prinses van 't Gouden Dak." - "Ja," kraste de tweede, "maar ze zijn er nog niet." En de derde: "Jawel, ze is al bij hem in 't schip." Toen begon de eerste weer en riep: "Geeft dat wat? Zodra ze aan land komen, zal hem een vuurrood paard tegemoet springen; daar zal hij zich op willen zetten; doet hij dat, dan gaat het paard er met hem vandoor en door de lucht, zodat hij de prinses nooit weer ziet." Dan de tweede: "Is er geen redding mogelijk?" - "Jawel, als een ander snel opstijgt, de pistool uit de halster haalt en 't paard doodschiet. Dat is de redding van de jonge koning. Maar wie weet dat? en wie het weet en 't hem zegt, die wordt van steen, van de voetzool tot de knie!" Toen zei de tweede: "Ik weet nog wat! Als 't paard dood is, dan krijgt de koning zijn bruid nog niet; als ze samen bij 't kasteel komen, ligt er een prachtig bruidshemd klaar in de hal, 't ziet er uit als van goud en zilver, maar dat is in werkelijkheid zwavel en pek; wie het aandoet verbrandt tot 't merg in zijn knokkels." De derde zei: "Is dan geen redding mogelijk?" - "Jawel," zei de tweede, "als iemand 't hemd met handschoenen opneemt en 't in 't vuur werpt en 't verbrandt – dat is de redding van de jonge koning. Maar wat geeft dat? wie het weet en 't hem vertelt, die wordt van steen, van de knie tot het hart." Toen sprak de derde: "Ik weet nog wat! Al verbrandt het hemd, dan krijgt de koning zijn bruid nog niet: als na de bruiloft het bal begint, en de jonge koningin zal dansen, zal ze opeens verbleken en voor dood neervallen; als iemand haar niet opneemt en uit haar rechter borst drie druppels bloed zuigt en die weer uitspuwt, dan sterft ze. Wie het verraadt en 't hem vertelt, die wordt van steen van hart tot hoofd." Toen de raven dat samen gekrast hadden, vlogen ze weg, en de trouwe Johannes had alles goed begrepen, maar daarna werd hij stil en treurig; want als hij verzweeg wat hij gehoord had, kwam er ongeluk over zijn meester; vertelde hij het hem, dan kostte 't hem zijn leven. Eindelijk echter zei hij bij zichzelf: "Mijn koning zal ik redden, al moest ik sterven."
Zij kwamen eindelijk aan land. Het gebeurde als de raaf had voorspeld; er kwam een prachtig paard aangesprongen, rood als een vos. "Welaan," zei de koning, "hij moet mij naar 't kasteel rijden," en hij wilde opstijgen. Maar de trouwe Johannes drong hem opzij, zwaaide zich in 't zadel, trok 't pistool uit de halster en schoot het paard neer. De andere dienaren die de trouwe Johannes niet goed zetten konden, riepen luid: "Wat een schande, zo'n prachtig dier te doden, dat de koning naar 't kasteel zou rijden!" Maar de koning zei: "Zwijg, laat hem begaan, hij is mijn trouwe Johannes, wie weet waar het goed voor was!" Nu gingen zij naar 't kasteel, en daar lag in de hal een prachtig bruidshemd, en het leek geheel van goud en zilver. De jonge koning liep erheen en wilde 't aanpakken, maar de trouwe Johannes schoof hem terzijde, pakte 't zelf met handschoenen aan en gooide 't op 't vuur en liet 't verbranden. De andere dienaren spraken er weer schande van en zeiden: "Kijk, nu verbrandt hij het eigen bruidskleed van de koning." Maar de jonge koning zei: "Wie weet waar het goed voor was, laat hem begaan, hij is mijn trouwe Johannes!" Nu werd de bruiloft gevierd; het bal begon, de bruid trad binnen. De trouwe Johannes hield haar in 't oog en keek naar haar gezicht. Opeens verbleekte zij en viel voor dood neer. Toen sprong hij snel naar haar toe, tilde haar op en droeg haar naar een zijvertrek; daar legde hij haar neer, knielde en zoog drie bloeddruppels uit haar rechter borst en spuwde ze uit. Weldra begon ze weer te ademen en kwam weer bij, maar de koning had het ook gezien en wist niet wat de reden van deze daad van de trouwe Johannes was; hij werd boos en riep: "In de gevangenis met hem!" De volgende morgen werd de trouwe Johannes veroordeeld en naar de galg geleid; en toen hij op de ladder stond en de strop om de hals zou krijgen, sprak hij: "Ieder die sterven moet, mag vóór zijn dood nog éénmaal spreken; kan ik dat recht ook verkrijgen?" - "Ja," antwoordde de koning, "het is u vergund." Toen zei de trouwe Johannes: "Onrechtvaardig ben ik veroordeeld, en ik ben u altijd trouw geweest." En hij vertelde hoe hij op zee het gekras van de raven had gehoord en verstaan en hoe hij, om zijn meester te redden, alles had moeten doen zoals hij het gedaan had. Toen riep de koning: "O mijn trouwe Johannes. Vergeving! Vergeving! Breng hem weer hier!" Maar de trouwe Johannes was bij het laatste woord dat hij gesproken had, dood gevallen en was versteend.
De koning en de koningin hadden daar groot verdriet van, en de koning zei: "O, wat heb ik deze grote trouw slecht beloond!" en hij liet 't stenen beeld naar 't kasteel brengen en naast zijn bed neerzetten. Elke keer als hij het zag, begon hij te huilen en zei: "Kon ik je maar weer levend maken, mijn trouwe Johannes!" Toen begon de steen te spreken en zei: "Ja, u kunt mij weer levend maken; als u ervoor over hebt het liefste wat u bezit." De koning riep: "Alles wat ik op de wereld heb, wil ik afstaan voor u!" Het stenen beeld zei weer: "Houw eigenhandig uw beide kinderen 't hoofd af; besprenkel mij met hun bloed, dan ben ik behouden." De koning schrok toen hij hoorde dat hij zijn liefste kinderen zelf moest doden; maar hij dacht aan de onwankelbare trouw, waarmee Johannes voor hem de dood was ingegaan. Hij trok zijn zwaard en sloeg eigenhandig zijn beide kinderen 't hoofd af. Maar toen hij met hun bloed het stenen beeld besprenkeld had, keerde bij hem het leven terug, en de trouwe Johannes stond weer gezond in levenden lijven voor hem. Hij zei tegen de koning: "Uw trouw zal niet onbeloond blijven." En hij nam de kinderhoofdjes, zette die weer op hun lichamen en bestreek de wonde met hun eigen bloed. Daarvan werden ze op 't zelfde ogenblik gezond, ze sprongen op en speelden weer verder, alsof er niets gebeurd was. Nu was de koning overmatig blij; en toen hij de koningin zag aankomen, verborg hij de trouwe Johannes en de beide jongens in een grote kast. Toen ze binnentrad, sprak hij: "Ben je gaan bidden in de kerk?" - "Ja," zei ze, "en ik heb voortdurend aan de trouwe Johannes gedacht; dat hij door ons toedoen zo ongelukkig is geworden." Toen zei hij: "Lieve vrouw, wij kunnen hem tot 't leven terugbrengen, maar dat gaat alleen ten koste van onze zoontjes, die moeten wij offeren." De koningin verbleekte en schrok tot diep in haar hart, maar toch zei ze: "Dat zijn wij hem verschuldigd ter wille van zijn grote trouw." Hij was blij dat zij net zo gedacht had als hijzelf; hij trad op de kast toe en ontsloot die, hij haalde er de kinderen en de trouwe Johannes uit en sprak: "God zij geprezen, Johannes is verlost en onze zoontjes zijn ook weer in 't leven teruggekeerd." En hij vertelde haar hoe alles was gebeurd. Toen leefden zij tezamen in groot geluk tot aan hun einde.
Stef en Olaf maken een campingreis door Europa. In Italië hebben ze een leuke avond met een paar meisjes. Als het tijd wordt om naar de tent te gaan, gaan de meisjes mee. Als ze bij de camping komen, gaan Stef en zijn meisje hun eigen weg terwijl Olav en zijn vriendinnetje de tent in gaan. Terwijl het meisje zich uitkleedt in de tent vraagt Olav nieuwsgierig: "Hoe oud ben je eigenlijk?" "Dertien", antwoordt het meisje. Tim vloekt en zegt: "Kleed je aan en verdwijn." Teleurgesteld trekt het meisje haar kleren weer aan, maar voor ze de tent uitgaat, draait ze zich nog een keer om en zegt: "Ik heb nog nooit iemand meegemaakt die zo bijgelovig is!"
geslaagde zakenman uit Brussel gaat in Meise op zoek naar een leuke vrijstaande boerderij om zijn verdiende kapitaal te kunnen investeren.
Als hij een leuke boerderij gevonden heeft komt hij erachter dat de boer tevens imker is en dat er allemaal bijenkorven achter de boerderij staan.
"De koop gaat niet door !" roept hij tegen de boer, "die bijen zijn hartstikke gevaarlijk !"
"Ach, welnee zegt de boer. Ik zal het je bewijzen. Ik bind je compleet naakt aan een boom vast tussen de korven en kom na een dag terug. Als 1 bij je steekt, mag je mijn boerderij gratis hebben !"
Nou, de zakenman denkt natuurlijk deze kans moet ik pakken. De man laat zich vastbinden en de boer vertrekt.
Na een dag komt de boer terug en ziet de zakenman ineengestort aan de boom hangend, jammerend en uitgeput.
"Mijn god !" zegt de boer, "ze hebben je toch niet gestoken?"
"Nee, dat niet" zegt de Brusselaar "maar de kalfjes zijn al zes keer komen Drinken"
Er waren eens twee broers; de één was rijk, de ander arm. De rijke was goudsmid en had een slecht karakter; de ander verdiende de kost met bezems binden en hij was goed en aardig. De arme had twee kinderen, tweelingen, die als twee druppels water op elkaar leken. De twee jongens gingen nu en dan naar het huis van hun oom en kregen soms een beetje eten dat over was gebleven.
Nu gebeurde het eens dat de arme man naar het bos was gegaan om rijshout te halen. Toen zag hij een vogel die helemaal van goud was en zo mooi als hij nog nooit had gezien. Hij nam een steentje, gooide het naar de vogel en raakte hem precies, maar er viel alleen één gouden veer af en de vogel vloog weg. De man nam de veer op en bracht die naar zijn broer. Die bekeek het en zei: "Het is zuiver goud," en hij gaf hem er veel geld voor.
De volgende dag klom de man in een berkenboom om wat dunne twijgen af te snijden en daar vloog diezelfde vogel weg. En toen de man keek waar hij vandaan was gekomen, zag hij een nest waar een ei in lag dat van goud was. Hij nam het ei mee naar huis en bracht het weer naar zijn broer en die zei weer: "Het is zuiver goud," en hij woog het en gaf hem ervoor wat het waard was. Ten slotte zei de goudsmid: "Ik zou die vogel zelf wel willen hebben."
De arme broer ging nu voor de derde maal naar het bos en hij zag de gouden vogel weer in de boom zitten. Toen nam hij een grote steen en trof hem, waardoor de vogel naar beneden viel. Hij bracht hem bij zijn broer en hij kreeg er een heleboel goud voor. "Nu ben ik geholpen," dacht hij en hij ging tevreden naar huis.
De goudsmid was listig en slim. Hij wist best wat voor een soort vogel het was en hij riep zijn vrouw en zei:
"Braad die gouden vogel voor mij en zorg ervoor dat er niets verloren gaat - ik heb zin hem helemaal alleen op te eten."
De vogel was namelijk geen gewone vogel, maar een zeer bijzondere: wie het hart en de lever at, vond iedere morgen een goudstuk onder zijn hoofdkussen. De vrouw maakte de vogel klaar, stak hem aan het braadspit en liet hem braden.
Nu gebeurde het, dat terwijl hij boven het vuur hing en de vrouw voor ander werk even de keuken uit moest, de kinderen van de arme bezembinder binnenkwamen en een paar keer aan het spit draaiden. En toen er juist twee stukjes uit de vogel in de pan vielen, zei de één:
"Die paar stukjes eten wij op, ik heb zo'n honger, en niemand zal er immers iets van merken."
Toen aten ze de twee stukjes op, maar de vrouw kwam weer binnen en zag dat ze wat aten en vroeg:
"Wat eten jullie daar?"
"Een paar stukjes die uit de vogel zijn gevallen," antwoordden ze.
"Dat was het hart en de lever," zei de vrouw verschrikt. En opdat haar man niets zou merken en niet heel boos zou worden, slachtte ze dadelijk een haantje en nam daar het hart en de lever uit en stopte die in de gouden vogel. Toen hij gaar was, bracht ze hem naar de goudsmid en die at hem helemaal alleen op en liet niets over. Toen hij echter de volgende morgen onder zijn kussen voelde en verwachtte dat hij er een goudstuk zou vinden, was er net zo min iets te vinden als anders.
Maar de twee kinderen wisten niet welk een geluk hen ten deel was gevallen. Want toen zij de volgende morgen opstonden, viel er al rinkelend iets op de grond en toen ze het opraapten, bleken het twee goudstukken te zijn. Zij brachten ze naar hun vader die heel verbaasd was en zei: "Hoe kan dat nou?" En toen ze er de volgende morgen weer twee vonden, en zo elke dag, ging hij naar zijn broer en vertelde hem de wonderbaarlijke geschiedenis.
De goudsmid begreep onmiddellijk wat er gebeurd was en dat het de kinderen waren die het hart en de lever van de vogel hadden opgegeten. Om zich te wreken en omdat hij jaloers en hardvochtig was, zei hij:
"Jouw kinderen hebben een verbond gesloten met de duivel. Neem het goud niet aan en laat ze niet langer in je huis, want de duivel heeft macht over hen en kan jou ook nog wel eens in het verderf storten."
De vader vreesde de duivel en hoe moeilijk hij het ook vond, hij bracht de tweeling diep het bos in en met een bezwaard hart liet hij ze daar alleen achter. Nu zwierven de beide kinderen in het bos en zochten de weg naar huis. Ze konden die echter niet vinden en ze verdwaalden steeds verder. Eindelijk kwamen ze een jager tegen en die vroeg:
"Zeg, kinderen, waar wonen jullie?"
"Wij zijn de kinderen van de arme bezembinder," antwoordden ze en ze vertelden hem dat hun vader hen niet langer in huis wilde hebben, omdat er elke morgen een goudstuk onder hun hoofdkussen lag.
"Maar," zei de jager, "dat is toch zo erg niet, als jullie maar flinke jongens blijven en niet gaan luieren."
De goede man vond de jongens aardig en omdat hij zelf geen kinderen had nam hij ze mee naar huis en zei:
"Ik zal jullie vader zijn en jullie opvoeden."
Zo leerden ze bij hem het jagersvak en het goudstuk dat ze ieder morgen bij het opstaan vonden, bewaarde hij voor hen voor als ze het later eens nodig zouden hebben.
Toen ze groot waren geworden nam hun pleegvader hen op een dag mee naar het bos en zei:
"Vandaag moeten jullie proefschieten, want dan kan ik jullie je eigen gang laten gaan en tot volleerde jagers benoemen."
Ze gingen met hem mee naar een standplaats in het bos en wachtten heel lang, maar er kwam geen wild voorbij. Toen keek de jager naar boven en zag een troep wilde ganzen in driehoeksvorm aan komen vliegen en hij zei tegen een van de jongens: "Schiet er nu van elke hoek één af." Dat deed hij en zo volbracht hij zijn proefschot. Weldra kwam er nog een vlucht ganzen aan, maar deze vloog in de vorm van het cijfer twee. Toen beval de jager de andere ook om van elke hoek er één te treffen en hem lukte dit proefschot ook. Nu zei de pleegvader: "Ik verklaar jullie vrij, jullie zijn volleerde jagers."
De twee broers gingen samen het bos in en overlegden met elkaar en spraken iets af. En 's avonds bij het avondeten zeiden ze tegen hun pleegvader: "We beginnnen niet met eten, we nemen geen hap, voordat u een verzoek van ons heeft ingewilligd." Hij zei: "En wat is dat dan voor verzoek?" "Wij zijn nu volleerd, maar we hebben nog niet veel van de wereld gezien. Sta ons toe dat wij weggaan en gaan reizen." Toen zei de oude man vol vreugde: "Jullie praten als echte jagers, wat jullie vragen was ook steeds mijn wens; ga dus reizen, het zal jullie goed gaan." Daarop aten en dronken ze vrolijk met elkaar.
De dag van het vertrek brak aan. De pleegvader gaf hun ieder een goed geweer en een hond en liet ieder van hen van de gespaarde goudstukken zoveel nemen als hij maar wilde. Een eind ging hij nog met hen mee, maar bij het afscheid gaf hij hun een blinkend mes en zei:
"Wanneer jullie ooit uit elkaar gaan, steek dan dit mes op de plaats waar jullie wegen zich scheiden in een boom; wie terugkeert kan daaraan zien hoe het zijn afwezige broer is vergaan, want de kant waarlangs hij is weggegaan zal roesten wanneer hij sterft, maar blinkend blijven zolang hij leeft."
De beide broers liepen nu verder en verder en kwamen in zo'n groot bos, dat ze er onmogelijk in één dag doorheen konden. Ze overnachtten dus in het bos en aten wat ze in hun knapzak hadden; de volgende dag kwamen ze er echter ook nog niet uit. Daar ze niets meer te eten bij zich hadden, zei een van hen: "We moeten maar iets schieten want anders lijden we honger." Hij laadde zijn geweer en keek om zich heen. Nu kwam er een oude haas aangesprongen en hij legde aan, maar de haas riep:
"Lieve jager, laat mij leven, ik zal je twee jongen geven."
En hij sprong in het struikgewas en bracht hun twee jonge haasjes. De diertjes sprongen echter zo vrolijk en waren zo aardig, dat de jagers het niet over hun hart konden krijgen ze te doden. Ze hielden hen bij zich en de haasjes volgden hen op de voet. Toen sloop er een vos voorbij en ze wilden aanleggen, maar de vos riep:
"Lieve jager, laat mij leven: ik zal je twee jongen geven."
Hij bracht hun twee jonge vosjes en de jagers wilden die ook niet doden en ze gaven hen de haasjes tot gezelschap en zij volgden hen op de voet. Het duurde echter niet lang of daar stapte een wolf uit het struikgewas. Weer legden de jagers aan, maar de wolf riep:
"Lieve jager, laat mij leven: ik zal je twee jongen geven."
De twee jonge wolfjes mochten bij de andere diertjes spelen en zo volgden ze hen allemaal op de voet. Daarop kwam een beer die ook liever wat langer wilde blijven rondlopen en riep:
"Lieve jager, laat mij leven: ik zal je twee jongen geven."
De twee beertjes werden bij het gezelschap gevoegd en nu waren ze al met z'n achten. Maar wie kwam daar aan? Een leeuw en hij schudde zijn manen. Maar de jagers lieten zich niet bang maken en legden op hem aan. Maar ook de leeuw sprak net als de anderen:
"Lieve jager, laat mij leven: ik zal je twee jongen geven.'
En ook hij haalde zijn jongen te voorschijn en zo hadden de jagers twee leeuwtjes, twee beertjes, twee wolfjes, twee vosjes en twee haasjes die hen allemaal op de voet volgden en hen dienden. Natuurlijk hielp dat allemaal niet voor de honger en daarom vroegen ze de vossen: "Hoor eens, jullie sluipertjes, breng ons eens iets te eten, jullie zijn toch zo listig en geslepen?" Zij antwoordden: "Niet ver hier vandaan is een dorp waar we al verschillende kippetjes hebben weggehaald, we zullen jullie de weg wel wijzen."
Ze gingen nu naar het dorp, kochten er wat eten en lieten ook de dieren voeren en daarna trokken ze verder. De vossen wisten in de omgeving goed de weg, vooral daar waar de kippenrennen waren en ze konden de jagers overal op de goede plaats brengen.
Ze trokken nog wat rond, maar ze konden geen werk vinden waar ze samen dienst konden nemen, en dus zeiden ze:
"Er zit niets anders op, we moeten scheiden."
Ze verdeelden de dieren, zodat ieder één leeuw kreeg, één beer, één wolf, één vos en één haas en toen namen ze afscheid. Ze beloofden elkaar broederlijke trouw tot in de dood en het mes dat hun pleegvader hun had meegegeven, staken ze in een boom. Toen trok de één naar het oosten en de ander naar het westen.
De jongste kwam met zijn dieren in een stad aan die helemaal met zwart floers was bedekt. Hij ging naar een herberg en vroeg de waard of hij zijn dieren onderdak voor de nacht kon geven. De waard gaf hem een stal met een gat in de wand en de haas kroop naar buiten en haalde een kool en de vos haalde een kippetje. En toen hij die had opgegeten ging hij ook de haan nog halen, maar de wolf en de beer en de leeuw waren te groot om door het gat te kruipen.
Toen bracht de waard hen naar een wei, waar een koe lag te herkauwen en daar mochten ze naar hartelust eten. Pas toen de jager voor zijn beesten had gezorgd, vroeg hij aan de waard waarom de hele stad zo met rouwfloers omhangen was. De waard zei:
"Omdat morgen de dochter van onze koning zal sterven."
"Is ze dan zo ziek?" vroeg de jager.
"Nee," zei de waard, "ze is zo gezond als een vis, maar toch moet ze sterven."
"Hoezo?" vroeg de jager.
"Buiten de stad ligt een hoge berg en daarop woont een draak die elk jaar een jonge maagd moet hebben, omdat hij anders hier het hele land verwoest. Nu zijn alle jonge meisjes al geofferd en er is niemand meer over behalve de dochter van de koning, maar er is geen genade en ze moet aan hem overgeleverd worden en morgen gebeurt dat."
De jager zei:
"Waarom wordt die draak niet gedood?"
"Ach," antwoordde de waard, "er zijn al zoveel ridders die dat geprobeerd hebben, maar ze hebben er allemaal het leven bij verloren; de koning heeft degene die de draak overwint, zijn dochter tot vrouw beloofd en ook zal hij na de dood van de koning het koninkrijk erven."
De jager zei daar verder niets op, maar de volgende morgen nam hij al zijn dieren met zich mee en ging met hen de Drakenberg op. Bovenop stond een klein kerkje en op het altaar stonden drie volle bekers met daarbij het opschrift:
"Wie deze bekers leegdrinkt, wordt de sterkste man op aarde en hij kan het zwaard hanteren, dat voor de drempel begraven ligt."
De jager dronk nog niet, maar ging eerst naar buiten om het zwaard in de grond te zoeken, maar hij was niet sterk genoeg om het op te tillen. Hij ging weer naar binnen en dronk de bekers leeg en toen kon hij het zwaard optillen en hij kon het heel goed hanteren.
Toen het uur kwam waarop de jonkvrouw aan de draak moest worden overgeleverd, begeleidde de koning, de maarschalk en de hele hofhouding haar naar buiten. Vanuit de verte zag ze de jager op de Drakenberg staan, zij dacht dat de draak haar al stond op te wachten en ze durfde de berg niet op, maar omdat de stad anders verwoest zou worden, besloot ze tenslotte de zware gang te maken. De koning en de hofhouding keerden in diepe rouw huiswaarts, maar de maarschalk moest blijven staan en uit de verte toekijken.
Toen de koningsdochter boven op de berg was gekomen, trof ze daar niet de draak aan, maar de jeugdige jager. Hij troostte haar en zei dat hij haar wilde redden, hij bracht haar naar het kerkje en sloot haar daarin op. Het duurde niet lang of met een geweldig gedruis kwam daar de zevenkoppige draak aangestormd. Toen hij de jager zag verwonderde hij zich en zei:
"Wat doe jij hier op de berg?"
De jager antwoordde:
"Ik wil met je strijden."
De draak zei:
"Reeds menig ridder heeft hier zijn leven gelaten en met jou zal ik ook korte metten maken."
En hij spuwde vuur uit zeven muilen. Dat vuur moest het droge gras laten ontvlammen en de jager laten stikken in gloed en rook, maar de dieren kwamen aangelopen en trapten het vuur uit. Toen stormde de draak op de jager af, maar hij zwaaide zijn zwaard zodat het suisde in de lucht en hij sloeg hem drie koppen af. Toen werd de draak pas echt boos, verhief zich in de lucht en spuwde vurige vlammen over de jager uit en wilde zich op hem neerstorten, maar de jager trok nogmaals zijn zwaard en hakte hem nogmaals drie koppen af. En hoewel het beest neerstortte probeerde het toch weer op de jager af te stormen, maar de jonge jager sloeg hem met zijn laatste krachten zijn staart af en omdat hij toen niet meer vechten kon, riep hij zijn dieren erbij die de draak in stukken scheurden.
De strijd was ten einde, de jager opende het kerkje en hij zag de prinses op de grond liggen. Ze had uit angst en schrik tijdens het vechten het bewustzijn verloren. Hij droeg haar naar buiten en toen ze weer bijkwam en haar ogen opende, liet hij haar zien hoe de draak in stukken was gescheurd en hij vertelde haar dat ze nu bevrijd was. Ze was blij en zei:
"Nu word je mijn lieve echtgenoot, want mijn vader heeft mij beloofd aan degene die de draak doodt."
Daarop deed ze haar kralen ketting af en verdeelde de kralen onder de dieren om hen te belonen en de leeuw kreeg het gouden slotje. Haar zakdoek echter, waar haar eigen naam op stond, gaf ze aan de jager, die naar de draak toeging en de zeven drakentongen uit de zeven drakenkoppen sneedt en ze in de zakdoek wikkelde en ze goed bewaarde.
Toen dat gebeurd was voelde hij zich door het vuur en de strijd zeer vermoeid en hij zei tegen de prinses:
"We zijn beiden moe, laten we even gaan slapen."
Zij stemde toe en ze gingen samen op de grond liggen. De jager zei tegen de leeuw: "Houd de wacht en zorg ervoor dat niemand ons overvalt als we nog slapen," en toen sliepen ze beiden in. De leeuw ging ernaast liggen om te waken, maar hij was ook moe van het vechten, zodat hij de beer riep en zei:
"Ga jij naast me liggen, ik ben slaperig, komt er wat, maak me dan wakker."
De beer ging naast hem liggen, maar hij was ook moe en riep de wolf en zei:
"Ga jij naast me liggen, ik moet wat slapen, en als er wat gebeurt, roep me dan."
De wolf ging dus naast hem liggen, maar ook de wolf was moe, en hij riep de vos en sprak:
"Ga jij eens naast me liggen, ik moet even slapen, als er wat gebeurt, roep me dan."
Dus ging toen de vos daarnaast liggen, maar ook de vos was moe, en hij riep de haas en zei:
"Ga jij naast me liggen, ik moet nu even slapen, en als er wat gebeurt, maak me dan wakker."
Toen ging de haas naast hem zitten, maar die arme haas was ook al moe, en hij had niemand die hij kon vragen voor hem te waken, en zo sliep hij in. Daar sliepen nu de prinses, de jager, en de leeuw, en de beer, en de wolf en de vos, en de haas, en ze sliepen allen de slaap der rechtvaardigen.
Maar de maarschalk die van ver had moeten toezien, had gemerkt, dat de draak niet met de prinses weggevlogen was, en toen alles op de berg zo stil werd, vatte hij moed en ging naar boven. Daar lag de draak in stukken en verscheurd ter aarde, niet ver daarvan de prinses, en een jager met allemaal dieren, allemaal in diepe slaap. En daar hij een lelijke, goddeloze kerel was, nam hij zijn zwaard, en hakte de jager 't hoofd af, en nam de prinses op de arm en droeg haar de berg af.
Ze werd wakker en schrok, maar de maarschalk zei:
"Je bent in mijn macht, en je moet zeggen, dat ik de man was, die de draak doodde."
"Dat kan ik niet," zei ze, "want de jager heeft het gedaan met zijn dieren."
Toen trok hij zijn zwaard en dreigde haar te doden, als ze niet deed wat hij zei, en zo dwong hij haar, dat ze het beloofde. Daarop bracht hij haar bij de koning. Die was buiten zichzelf van blijdschap, toen hij zijn eigen kind weer levend voor zich zag, terwijl hij verwacht had, dat ze door het ondier zou zijn verscheurd. De maarschalk zei tegen hem:
"Ik heb de draak gedood, en de jonkvrouw en het hele rijk bevrijd, nu eis ik haar op als vrouw, zoals het was afgekondigd."
De koning vroeg aan de prinses:
"Spreekt hij de waarheid?"
"Ach ja," antwoordde ze, "het zal wel waar zijn, maar ik wil de voorwaarde, dat de bruiloft pas over jaar en dag gevierd wordt," want ze dacht: in die tijd zal ik wel iets van mijn lieve jager horen.
Op de Drakenberg echter lagen nog alle dieren rij aan rij naast hun dode meester, en sliepen, en toen kwam er een grote hommel, die ging op de neus van de haas zitten, maar de haas veegde hem weg met zijn poot en sliep door. Weer kwam de hommel, maar de haas veegde hem weer weg en sliep door. Toen kwam de hommel voor de derde keer, stak hem in zijn neus en toen werd de haas wakker.
Zodra de haas wakker was, wekte hij de vos, en de vos de wolf, en de wolf de beer, en de beer de leeuw. En toen de leeuw wakker werd, en zag dat de prinses weg was en zijn meester gedood, begon hij verschrikkelijk te brullen en riep:
"Wie heeft dat gedaan? Beer, waarom heb je me niet wakker gemaakt?"
En de beer vroeg aan de wolf:
"Waarom heb je me niet gewekt?"
En de wolf aan de vos:
"Waarom heb je me niet gewekt?"
En de vos aan de haas:
"Waarom heb je me niet gewekt?"
Alleen de arme haas kon de schuld op niemand anders gooien. En toen wilden ze hem allemaal aanvallen, maar hij zei:
"Dood mij nu niet. Ik zal onze meester weer levend maken. Ik weet ergens een berg, en op die berg groeit een plant, en die plant, in de mond gestoken, kan alle ziekten en alle wonden weer genezen. Maar die berg ligt tweehonderd uur hier vandaan."
Maar de leeuw zei:
"In vierentwintig uur moet jij heen en terug gelopen zijn en die plant hier brengen."
De haas sprong weg met grote sprongen, en werkelijk, in vierentwintig uur was hij terug en hij had de plant bij zich. De leeuw zette eerst het hoofd van de jager weer op zijn hals, toen stak de haas hem de plant in de mond, weldra groeide alles weer aaneen, het hart ging slaan, en het leven keerde weer.
De jager werd wakker en schrok, toen hij de prinses niet meer zag, en hij dacht: misschien is ze weggegaan, terwijl ik sliep, om me kwijt te zijn. De leeuw had inderhaast het hoofd verkeerd om opgezet, maar dat merkte hij niet onder zijn treurige gedachten over de prinses, pas 's middags toen hij eten wilde, merkte hij dat zijn mond aan de kant van zijn rug was, en daar begreep hij niets van en hij vroeg de dieren wat er in zijn slaap gebeurd was?
Toen vertelde de leeuw hem, dat ze allemaal van moeheid waren ingeslapen, en bij 't ontwaken hadden ze hem dood gevonden, met afgeslagen hoofd, de haas had de levensplant gehaald maar in de haast hadden ze zijn hoofd verkeerd om opgezet; maar hij wilde de fout graag goedmaken. Hij haalde het hoofd van de jager er af, draaide het om, en de haas genas alles weer met de plant.
Maar de jager was niet vrolijk, hij trok de wereld in en liet zijn dieren dansen voor de mensen. Nu gebeurde het, dat hij precies na een jaar weer in dezelfde stad kwam, waar hij de prinses van de draak had verlost, en nu was de stad helemaal behangen met rood scharlaken. Toen zei hij tegen de waard:
"Wat betekent dat? Het vorig jaar was de stad met rouwfloers overdekt, en wat moet nu dat rood scharlaken?"
De waard antwoordde: "Het vorig jaar zou onze prinses aan de draak worden uitgeleverd, maar de maarschalk heeft de draak overwonnen en gedood, en nu zal morgen de bruiloft worden gevierd; daarom was het eerst rouw en nu is er feest in voorbereiding!"
De volgende dag, de bruiloftsdag, sprak de jager tegen de middag tegen de waard:
"Gelooft u wel, heer waard, dat ik vanmiddag het brood van de koning bij u eten zal?"
"Nu," zei de waard, "al zou je daar honderd goudstukken op verwedden, ik geloof, dat dat niet waar is!"
De jager nam de weddenschap aan, en zette er een buidel met evenveel goudstukken tegenin. Dan riep hij de haas, en zei:
"Ga jij er eens op uit, lieve springer, en haal me wat van het brood, dat de koning eet."
Nu was het haasje het minst van allen, hij kon de boodschap door geen ander laten doen, dus hij moest zelf de benen nemen.
"Ach," dacht hij, "als ik zo alleen door de straten moet springen, dan gaan alle slagershonden achter me aan."
Zoals hij vreesde, gebeurde het ook, alle honden kwamen achter hem aan en wilden zijn mooie velletje hebben. Maar hij maakte sprongen – je hebt het nooit zo gezien! – en hij vluchtte in een schildwachtershuisje, zonder dat de soldaat het zag. Daar kwamen de honden en wilden hem eruit jagen, maar de soldaat wilde geen gekheid, en sloeg er met de kolf van zijn geweer zo op los, dat ze blaffend en huilend wegliepen.
Toen de haas merkte, dat de lucht gezuiverd was, sprong hij het slot binnen, regelrecht naar de prinses. Hij ging onder haar stoel zitten en krabbelde aan haar voet. Toen zei ze: "Ga weg!" want ze dacht, dat het de hond was. Nog eens krabbelde de haas aan haar voet. Ze zei weer: "Ga weg!" want ze dacht, dat het de hond was. Maar de haas liet zich niet van de wijs brengen en krabbelde voor de derde keer. Toen keek ze naar beneden en herkende de haas aan zijn halsband. Dadelijk nam ze hem op schoot, dan droeg ze hem naar haar eigen kamer, en vroeg:
"Lief haasje, wat wou je?"
Hij antwoordde:
"Mijn meester, die de draak gedood heeft, is hier en zendt mij, dat ik vragen moet om brood, dat de koning eet."
Nu was ze blij en ze liet de bakker komen en beval hem, een brood te brengen zoals de koning het at. Het haasje zei: "Maar dan moet de bakker het ook voor me dragen, zodat de slagershonden me niets doen." De bakker bracht het tot aan de deur van de gelagkamer, daar ging de haas op zijn achterpoten staan, nam het brood op zijn voorpoten en bracht het aan zijn meester. Nu zei de jager:
"Kijk eens, mijnheer de waard, die honderd goudstukken heb ik gewonnen."
De waard was verbaasd, maar de jager zei weer:
"Ja, beste waard, dat brood heb ik nu, maar nu wil ik ook eten van het vlees van de koning."
De waard zei: "Dat zou ik wel eens willen zien" maar hij wedde niet meer. De jager riep nu de vos en zei: "Vosje, ga jij eens naar 't paleis en haal een stuk wildbraad, zoals de koning dat altijd eet." De rode vos wist beter sluipwegen, hij ging om de hoeken en kroop door de gaten, zonder dat een hond hem zag, maar hij ging achter de stoel van de prinses zitten en krabbelde aan haar voet. Ze keek om en herkende de vos aan de halsband, nam hem mee in haar kamer en zei:
"Vosje, wat wou je?"
Hij antwoordde:
"Mijn meester, die de draak gedood heeft, is hier en gebiedt dat ik vragen moet om een stuk wildbraad van de tafel van de koning."
Toen liet ze de kok komen, die moest een stuk wildbraad klaarmaken en voor de vos dragen tot aan de deur; daar nam de vos hem de schotel af, zwaaide met zijn staart eerst de vliegen weg die op 't wild waren gaan zitten, en bracht het dan bij zijn meester.
"Kom eens kijken, beste waard," zei de jager. "Hier heb ik dus brood en wild. Maar nu wil ik ook van 't dessert hebben, tenminste: dat van de koning."
Nu riep hij de wolf en zei: "Lieve wolf, ga eens het dessert van de koning voor me halen." De wolf ging recht toe recht aan naar 't kasteel, want hij was voor niemand bang, en toen hij in de kamer van de prinses kwam, trok hij haar van achteren aan haar gewaad, zodat ze omkeek. Ze herkende hem aan zijn halsband en nam hem mee naar haar eigen vertrek en zei:
"Lieve wolf, wat wou je?"
Hij gaf ten antwoord:
"Mijn meester, die de draak heeft gedood, is hier, en ik moet vragen om het dessert, zoals de koning dat op tafel krijgt."
Weer liet ze de kok komen, en hij moest dessert klaarmaken als voor de koning, en moest dat voor de wolf tot aan de deur van de herberg brengen, toen nam de wolf hem de schotel af en bracht die aan zijn heer.
"Kijk nu eens, beste waard!" zei de jager, "hier heb ik nu brood en wild en dessert; maar nu wil ik ook suikerwerk eten als de koning."
Nu riep hij de beer, en zei: "Lieve beer, je likt zo graag wat zoets op, ga jij mij eens het suikergoed halen, dat de koning altijd eet." De beer draafde naar het kasteel, iedereen ging hem uit de weg; maar toen hij langs de wacht kwam, hield die zijn geweer voor hem en wilde hem niet voorbij laten gaan. Maar hij ging rechtop staan en gaf hem met zijn poten links en rechts een paar van die oorvijgen met zijn grote poten, zodat de hele wacht in elkaar viel; en toen ging hij meteen naar de prinses, ging achter haar staan en gromde een beetje. Ze keek om, herkende de beer en zei hem, mee te gaan naar haar kamer, en zei:
"Lieve beer, wat wou je?"
Hij antwoordde:
"Mijn meester, die de draak gedood heeft is hier, ik moet vragen om het suikergoed, waaraan de koning gewend is."
Ze liet de suikerbakker komen, die moest suikergoed maken, net als voor de koning, en hij moest het voor de beer dragen tot de deur van de herberg; de beer likte eerst de suikererwtjes op die eraf gerold waren, toen ging hij op z'n achterste poten staan, nam de schotel en bracht die bij zijn heer en meester.
"Ziet u het, beste waard!" zei de jager, "nu heb ik brood, vlees, nagerechten en suikergoed, maar daarbij wil ik de wijn drinken, die de koning zelf drinkt."
Toen schreed de leeuw statig door de straten, de mensen liepen voor hem weg, en toen hij bij de wacht kwam, wilden ze hem de weg versperren; hij brulde éénmaal en toen liepen ze allemaal weg. Nu ging de leeuw naar de kamer van de koning en klopte met zijn staart op de deur. De prinses kwam opendoen en bijna schrok ze van de leeuw, maar ze herkende hem aan het gouden slot van haar halsband, en ze zei hem, mee te gaan naar haar eigen kamer, en daar zei ze:
"Lieve leeuw, wat wou je?"
Hij antwoordde:
"Mijn meester, die de draak gedood heeft, is hier; ik moet vragen om de wijn van de koning."
En nu liet ze de schenker komen, die moest de leeuw wijn geven, zoals de koning hem dronk. De leeuw zei: "Ik ga wel mee om te zien of ik de goede wel krijg." Nu ging hij met de schenker naar beneden, en toen ze daar kwamen, wilde de schenker hem tappen, wat de dienaren van de koning dronken, maar de leeuw zei: "Ho! ik wil eerst eens proeven" en hij tapte een half maatje en sloeg het in één teug naar binnen.
"Neen," zei hij, "dat is niet het ware."
De schenker zag hem scheef aan, maar hij ging naar een ander vat en wilde daaruit tappen – uit 't vat voor de maarschalk namelijk. De leeuw zie: "Ho! eerst wil ik proeven," en hij tapte een half maatje en dronk het op,
"Wel beter," zei hij, "maar nog het ware niet."
Toen werd de schenker boos en zei: "Wat weten zulke stomme dieren nou van wijn!" De leeuw gaf hem een pats achter zijn oren, zodat hij onzacht op de grond viel, en toen hij weer overeind kwam, bracht hij de leeuw stilzwijgend naar een kleine, aparte kelder. Daar lag de wijn van de koning, waarvan verder niemand kreeg. De leeuw tapte eerst een half maatje en proefde, toen zei hij:
"Dat kan wel goed zijn," en hij liet de schenker daar zes flessen mee vullen. Ze gingen weer naar boven, maar toen de leeuw weer uit de kelder kwam in de buitenlucht, zwaaide hij enigszins heen en weer en was een beetje dronken, en de schenker moest de wijn tot bij de deur dragen. Daar nam de leeuw de hengselmand in zijn muil en bracht hem bij zijn meester. Nu zei de jager:
"Kijk nu eens. Daar heb ik brood, vlees, nagerecht, suikergoed en wijn, precies als de koning het heeft, nu ga ik met al m'n dieren eten."
En hij ging zitten, at en dronk en gaf aan de haas, de vos, de wolf, de beer en de leeuw ook te eten en te drinken, en hij was in een goede stemming, want hij begreep dat de prinses nog van hem hield. En toen hij gegeten had, zei hij:
"Mijn beste gastheer, nu heb ik gegeten en gedronken, juist als de koning eet en drinkt, nu wil ik naar het hof van de koning gaan en trouwen met de prinses."
De waard vroeg:
"Hoe kan dat nu, ze heeft al een bruidegom en vandaag is de bruiloft?"
Toen haalde de jager de zakdoek te voorschijn, die de prinses hem op de Drakenberg gegeven had, en waarin de zeven tongen van het ondier gewikkeld waren, en hij zei: "Wat ik hier in de hand heb, dat zal me helpen." De waard keek ernaar en zei: "Al geloof ik alles, dit geloof ik niet, en ik wil er m'n huis en hof onder verwedden." De jager nam een tas met duizend goudstukken, zette die op tafel en zei: "Dit zet ik in."
Nu zat de koning aan de koninklijke tafel te eten, en zei tegen zijn dochter: "Wat moesten toch al die wilde dieren, die bij je kwamen en in mijn kasteel zo maar in- en uitliepen?" Ze antwoordde: "Ik mag het niet zeggen, vader. Maar als u het weten wilt, laat dan de meester van deze dieren halen, daar zult u goed aan doen."
De koning zond een lakei naar de herberg en liet de vreemdeling uitnodigen, en die lakei kwam juist toen de jager de weddenschap met de waard was aangegaan. Hij zei:
"Kijk eens, beste waard, daar zendt de koning z'n lakei en laat mij halen; maar zo ga ik niet."
En tegen de lakei zei hij:
"Ik doe de koning het verzoek, dat hij mij behoorlijke en koninklijke kleren zendt, een karos met zes paarden en lakeien om me te bedienen."
Toen de koning dat antwoord vernam, zei hij tegen zijn dochter: "Wat zal ik nu doen?" Zij zei: "Laat hem zo afhalen als hij het wil, het zal de goede manier zijn." Dus zond de koning een stel koninklijke gewaden, een karos met zes paarden en lakeien om hem te bedienen. Toen de jager dat alles aan zag komen, zei hij:
"Ziet de waard wel, hoe ik word afgehaald, zoals ik het verlangde?"
en hij trok de gewaden aan, nam de zakdoek met de drakentongen mee en reed naar 't paleis. De koning zag hem aankomen en vroeg zijn dochter: "Hoe zal ik hem ontvangen?" En de prinses zei: "U moet hem tegemoet gaan, daar zult u goed aan doen!" De koning ging hem tegemoet en geleidde hem naar boven en alle dieren er achteraan. De koning wees hem een zetel naast hemzelf en zijn dochter; de maarschalk zat, als bruidegom, aan haar andere kant, maar die herkende hem niet.
Nu werden juist de zeven koppen van de draak vertoond en binnengebracht, en de koning vertelde: "Deze zeven hoofden heeft de maarschalk de draak afgehouwen, en daarom geef ik hem vandaag mijn dochter tot vrouw." De jager stond op, keek in de zeven muilen en zei:
"Waar zijn dan de zeven tongen van de draak?"
Nu schrok de maarschalk, hij verbleekte en wist niet wat hij zeggen moest; eindelijk zei hij in zijn angst:
"Draken hebben geen tongen."
De jager zei: "Leugenaars moesten geen tong hebben, maar drakentongen zijn het waarmerk van de overwinnaar," en hij vouwde de doek open en daar lagen ze erin, alle zeven, en hij deed elke tong in de muil waar hij in hoorde, en 't paste precies. Toen liet hij 't doekje zien – en de naam van de prinses stond erin en hij toonde het aan de prinses en vroeg haar aan wie ze haar zakdoekje had gegeven, en toen antwoordde ze:
"Aan hem, die de draak gedood heeft."
En toen riep hij alle dieren, nam van elk de halsband af en van de leeuw het gouden slot, liet het de prinses zien en vroeg van wie dit was. Ze antwoordde: "De halsbanden en het gouden slot waren van mijn ketting, en ik heb het verdeeld onder de dieren, die de draak hielpen overwinnen." Nu zei de jager:
"Toen ik vermoeid van de strijd gerust heb en ben ingeslapen, toen is de maarschalk gekomen en heeft mij mijn hoofd afgeslagen. Toen heeft hij de prinses weggedragen en het doen voorkomen, dat hij het geweest was die de draak had gedood; en dat het een leugen was, bewijs ik met de tongen, de zakdoek en de halsketting."
En verder vertelde hij hoe op wonderbaarlijke wijze de dieren hem hadden genezen, hoe hij een jaar lang met hen had rondgereisd, eindelijk weer hier was gekomen, waar hij het bedrog van de maarschalk had vernomen door 't verhaal van de herbergier. Nu vroeg de koning aan zijn dochter:
"Is dat waar, dat deze man de draak heeft gedood?"
En toen zei ze:
"Ja, dat is waar, nu mag ik de schande van de maarschalk bekennen, want het is buiten mijn schuld voor de dag gekomen; hij had mij gedwongen erover te zwijgen. Maar dat was de reden, dat ik mij afzijdig hield en pas najaar en dag de bruiloft wilde houden."
Nu liet de koning twaalf raadsheren roepen. Zij moesten recht spreken over de maarschalk; en hun vonnis was, dat hij door vier ossen moest worden verscheurd. Zo werd de maarschalk terechtgesteld; maar de koning gaf zijn dochter aan de jager en maakte hem stadhouder van het rijk. De bruiloft werd met grote feesten gevierd, en de jonge koning liet zijn vader en zijn pleegvader halen en belaadde hen met geschenken. De waard vergat hij evenmin; hij liet hem bij zich komen en zei tot hem:
"Ziet u, beste waard, ik heb de prinses getrouwd en huis en hof zijn van mij."
"Ja," zei de waard, "zo is het terecht."
Maar de jonge koning zei:
"Er is niet alleen recht, er is ook genade, en genade gaat voor recht. Huis en hof zul je behouden, en de duizend goudstukken geef ik je erbij ten geschenke."
Nu waren de jonge koning en de jonge koningin heel blij en ze leefden heel gelukkig. Dikwijls ging hij op jacht, want dat was zijn grootste genoegen, en de trouwe dieren moesten met hem mee. In de buurt was een bos, en men zei dat het daar niet pluis was; wie daar eenmaal in kwam, raakte er niet zo gauw weer uit. Maar de jonge koning had grote lust, erin te jagen, en hij hield zolang aan bij de oude koning dat die het toestond.
Nu reed hij er met groot gevolg heen, hij bereikte het bos en zag er een groot, sneeuwwit hert in. Hij zei tot zijn gevolg: "Blijf hier wachten tot ik terugkom, ik wil dat prachtige wild jagen." En hij reed het bos in, en alleen zijn dieren gingen mee. Het gevolg bleef wachten, en wachtte tot de avond, maar hij kwam niet terug. Ze reden toen naar huis en zeiden tegen de jonge koningin:
"De jonge koning heeft in het betoverde bos een wit hert gejaagd; en hij is niet teruggekomen."
Ze was nu zeer bezorgd over hem. Maar hij was aldoor achter het witte hert aangejaagd, en nooit kon hij 't inhalen. Als hij dacht dat het op schotsafstand was, dan zag hij het meteen weer in de verste verte wegspringen. Eindelijk verdween het dier geheel en al. Nu merkte hij, dat hij heel diep in 't bos was geraakt; hij nam de hoorn en blies erop. Maar er kwam geen antwoord, want zijn gevolg kon het niet meer horen. En nu de nacht viel, begreep hij dat hij deze nacht niet thuis zou zijn, dus steeg hij van 't paard, maakte bij een boom een vuur aan, en wilde daarbij overnachten.
Hij zat bij 't vuur en zijn dieren waren naast hem komen liggen. Toen meende hij even een menselijke stem te horen: hij keek om, maar hij zag niets. Vlak daarop hoorde hij weer een steunen, alsof het van bovenkwam. Hij keek omhoog, en zag een oude vrouw in de boom, ze jammerde aanhoudend:
"Hu, hu, hu, wat heb ik het koud!"
Hij zei:
"Kom eraf en warm je, als je 't zo koud hebt."
Maar ze zei:
"Nee! die dieren bijten natuurlijk!"
"Ze doen je niets, oud moedertje," gaf hij ten antwoord, "kom maar beneden."
Maar het was een heks. En ze zei:
"Ik zal je een roe toegooien, als je hen daarmee op hun rug slaat, zullen ze mij niets doen."
Toen gooide ze hem een kleine roe toe, en hij sloeg er hen mee, en meteen lagen ze stil en waren veranderd in steen. En toen de heks zich van de dieren verzekerd had, sprong ze de boom uit, raakte ook hem met een staf aan en veranderde ook hem in steen. Toen lachte ze, sleepte hem en de dieren naar een kuil, waar al meer van die stenen lagen.
Nu de jonge koning ook de volgende dag niet terugkwam, werden de angst en de zorg van de jonge koningin steeds groter. Maar nu gebeurde het, dat juist in deze tijd de andere broer, die toen ze uit elkaar gingen de weg naar het Oosten genomen had, in het koninkrijk aankwam. Hij had een betrekking gezocht als jager, en geen gevonden. Toen was hij blijven rondtrekken, en had zijn dieren laten dansen.
Intussen was het hem ingevallen dat hij eens naar het mes wilde gaan kijken, dat ze bij hun scheiding in een boomstam hadden gestoten; want hij wilde weten, hoe het met zijn broeder ging. Hij ging er heen; en zie, de kant van zijn broer toonde een zijde die half verroest was en half blank. Hij schrok en dacht:
"Mijn broer moet een groot en gevaarlijk ongeluk hebben gehad. Maar misschien kan ik hem nog redden. Want de helft van het mes is nog blank."
Hij trok met zijn dieren in westelijke richting. Hij kwam bij de stadspoort en daar trad hem de wacht tegemoet en vroeg, of ze voor hem een boodschap zouden brengen aan zijn jonge vrouw: want de jonge koningin was al sedert enige dagen in grote angst omdat hij wegbleef en zij vreesde, dat hij in het betoverde bos was omgekomen. Want de wacht dacht niet anders, dan dat hij de jonge koning zelf was, zo leek hij op hem, en hij had ook dezelfde dieren achter zich aan.
Toen merkte de jongen, dat ze hem voor zijn broer hielden, en hij dacht: "Het beste is, dat ik doe of ik 't ben, dan kan ik hem gemakkelijk redden." Dus liet hij zich door de wacht naar het slot brengen, en werd met grote vreugde ontvangen. De jonge koningin dacht niet anders of het was haar eigen man, en ze vroeg hem, waarom hij zo lang weggebleven was. Hij antwoordde:
"Ik was verdwaald in een bos, en ik kon niet eerder een uitweg vinden."
's Avonds werd hij naar het koninklijke bed geleid, en hij legde een tweesnijdend zwaard tussen de jonge koningin en hemzelf in; ze wist niet waarom hij dat deed, maar ze durfde niets te vragen.
Hij bleef een paar dagen en viste zo uit, hoe de zaak stond met dat betoverde bos, eindelijk zei hij:
"Ik wil daar nog eens gaan jagen."
De koning en de koningin wilden het hem uit 't hoofd praten, maar hij stond erop en trok met groot gevolg weg. In het bos gekomen, ging het hem net als zijn broer: hij zag een wit hert, en zei tegen zijn gevolg:
"Blijf hier wachten tot ik terugkom, ik wil op dat prachtige wild jagen," reed het bos in, en de dieren achter hem aan. Maar hij kon het hert niet onder schot krijgen, en raakte zo diep het bos in, dat hij er moest overnachten. En toen hij een vuur gemaakt had, hoorde hij boven zijn hoofd kreunen:
"O, o, o, wat heb ik het koud!"
Hij keek omhoog, en daar zag hij diezelfde heks boven in de boom. Hij zei:
"Als je zo koud bent, kom dan naar beneden, oud moedertje, dan kun je je warmen."
Ze antwoordde:
"Nee, want die dieren bijten."
Maar hij zei:
"Ze doen niets."
Toen riep ze:
"Ik zal een roetje naar beneden gooien, als je hen daarmee slaat, dan doen ze mij niets."
Toen de jager dat hoorde, vertrouwde hij het oude mens niet en sprak:
"Mijn dieren sla ik niet, kom maar naar beneden of ik kom je halen."
Toen riep zij:
"Wat denk je wel? Jij doet me niks."
Hij antwoordde echter:
"Als je niet komt, schiet ik je naar beneden."
Zij zei:
"Schiet maar, voor jouw kogels ben ik niet bang."
Hij legde aan en schoot, maar de heks was zo gehard tegen loden kogels, dat ze afketsten, en ze lachte en riep:
"Treffen doe je me toch niet!"
Maar de jager wist raad. Hij scheurde drie zilveren knopen van zijn jas en laadde daar de buks mee, want haar kunsten waren tegen zilver niet bestand, en toen hij vuurde, stortte ze met een gil omlaag. Nu zette hij de voet op haar en zei:
"Ouwe heks, als je niet dadelijk bekent, waar je mijn broer hebt gelaten, dan pak ik je met allebei mijn handen op en gooi je in 't vuur."
Ze werd heel bang, smeekte om genade en zei eindelijk: "Hij ligt met al zijn dieren, versteend, in de kuil." Nu dwong hij haar mee te gaan, terwijl hij haar dreigde: "Ouwe meerkat," zei hij, "nu zul je mijn broer en alle schepsels die hier liggen, weer levend maken, of ik verbrand je."
Toen nam ze de staf en raakte de stenen beelden aan. Zijn broer en de dieren werden weer levend, en nog veel anderen: kooplui, handwerkers, herders, stonden weer op, dankten hem voor hun verlossing en gingen huiswaarts. Maar toen de tweelingbroers elkaar weerzagen, kusten zij elkaar en waren verheugd en blij. Maar zij grepen de heks, bonden haar vast en legden haar in 't vuur, en toen ze verbrand was, ging het bos vanzelf open, was licht en doorzichtig, en je kon het koningsslot in de verte, op drie uur afstand, zien liggen.
Nu gingen de beide broeders samen naar huis, en vertelden elkaar onderweg hun avonturen. En toen de jongste zei, dat hij voor de koning het hele land bestuurde, zei de ander:
"Dat heb ik gemerkt, want toen ik in de stad kwam en voor jou werd aangezien, kreeg ik koninklijke eer; de jonge koningin hield me voor haar echtgenoot, ik moest naast haar aan tafel zitten en naast haar slapen,"
Toen de andere dat hoorde, werd hij zo jaloers en zo woedend, dat hij zijn zwaard trok en zijn broer het hoofd afsloeg. Maar toen die daar zo dood neerlag en de ander het rode bloed zag vloeien, had hij berouw: "Mijn broeder heeft mij verlost," riep hij, "en nu heb ik hem gedood!" en hij jammerde luid. Daar kwam de haas aangesprongen en bood hem aan, één van de wonderdadige planten te halen, hij sprong erheen en bracht hem op het goede moment: de dode werd weer tot leven gebracht en merkte niets van de wond.
Daarop trokken ze weer verder. En de jongste zei:
"Je ziet er net zo uit als ik, je bent koninklijk gekleed als ik, en de zelfde dieren volgen zowel jou als mij: we zullen door de twee tegenover elkaar liggende poorten de stad binnengaan en van twee kanten komend, tegelijk bij de oude koning aankomen."
Zo scheidden ze, en in het paleis kwamen tegelijkertijd twee boodschappers van de ene en van de andere poort, die beide meldden, dat de jonge koning met zijn dieren van de jacht terug was. De koning zei:
"Dat kan niet, de poorten liggen een uur van elkaar."
Maar ondertussen kwamen de beide broeders van twee kanten in de tuin van het paleis, en kwamen beiden naar binnen. Toen sprak de koning tot zijn dochter:
"Zeg jij het – wie is je echtgenoot? De één is precies de ander, ik kan het niet zien."
Zij werd heel angstig en kon het niet zeggen, maar tenslotte dacht ze aan de halsbanden die ze de dieren had gegeven, en zij zocht en vond bij de ene leeuw het gouden slotje, en toen riep ze vrolijk:
"Hij, wie deze leeuw volgt, dat is mijn eigen man."
De jonge koning lachte en zei: "Ja, dat is de echte," en ze gingen allen aan tafel, aten en dronken en waren vrolijk, 's Avonds toen de jonge koning ging slapen, sprak zijn vrouw: "Waarom heb je de vorige nachten aldoor dat tweesnijdend zwaard tussen ons in gelegd? Ik dacht dat je me wou doodslaan." Toen begreep hij hoe trouw zijn broeder was geweest.
Een man krijgt in het weekend twee vriendinnen op bezoek, dus hij gaat vrijdagmiddag naar de dokter en vraagt om sekspillen. Op maandagochtend staat dezelfde man weer voor zijn huisarts, ditmaal met zijn rechterarm uit de kom. "Hoe dat zo?" vraagt de huisarts. "Neem ik alle pillen in, komen die twee niet opdagen!"
De leraar Nederlands doceert de leerlingen Nederlandse woorden die met "on" beginnen. "Allemaal negatieve woorden." zegt de leraar, "Onding, onzin, onvoorzichtig, ongezond." Maar dan steekt Jantje zijn vinger op. "Ja, Jantje? Heb jij ook een negatief woord dat met on begint?" vraagt de leraar. Waarop Jantje antwoordt: "Ja, meester: onderwijs!!!"
Een half jaar geleden, heb je me verteld dat je een mooie weduwe met veel geld zou trouwen. Wat is daarvan eigenlijk terechtgekomen ?' vraagt de vriend. 'Ik wacht nog steeds...' 'Waarop dan ?' 'Haar man is nog altijd niet dood...'