Er was eens een arme boer. Hij had geen land, alleen maar een klein hutje, en een enige dochter, en toen zei die dochter: "We moesten de koning om een stukje bouwland vragen." De koning die van hun armoe had gehoord, gaf er hun een stukje wei bij, en dat spitten zij en haar vader om en daar wilden ze een beetje koren en wat veldvruchten zaaien. Toen ze de akker bijna hadden omgespit vonden ze in de aarde een sleutel van zuiver goud. "Kijk," zei de vader tegen het meisje: "omdat onze koning zo genadig voor ons geweest is en ons die akker heeft gegeven, moesten we hem daarvoor die sleutel geven." Maar daar wilde de dochter niet op ingaan en ze zei: "Vader, als we de sleutel hebben en niet het slot dat erbij hoort, dan moeten we dat slot liever eerst opzoeken en anders onze mond houden." Maar hij wou dat niet toegeven, en hij nam de sleutel, bracht hem naar de koning en vertelde, hoe hij die in de akker gevonden had, en of hij het als een teken van dankbaarheid van hem wou aannemen. De koning nam de sleutel en vroeg of hij niets méér gevonden had. "Nee," zei de boer. Maar de koning zei, nu moest hij ook het slot meebrengen. De boer zei: nee, dat hadden ze niet gevonden; maar dat baatte hem evenveel, alsof hij ‘t tegen de wind had gezegd: hij werd in de kerker gezet, en moest zo lang zitten, tot hij het slot erbij geven zou. De knechts moesten hem elke dag water en brood brengen, zoals je dat in de gevangenis krijgt; en toen hoorden ze dat de man aldoor maar riep: "Och, had ik maar naar mijn dochter geluisterd! Och, och, och, had ik toch maar naar mijn dochter geluisterd!" En de knechts kwamen bij de koning en vertelden, hoe die gevangene steeds maar riep, och, och, had ik toch maar naar mijn dochter geluisterd! en dat hij niet eten of drinken wou. Hij beval de knechts de gevangene bij hem te brengen, en nu vroeg de koning hem, waarom hij aan een stuk doorriep, had ik maar naar mijn dochter geluisterd! "Wat heeft je dochter dan gezegd?" "Ja, die heeft gezegd, ik moest die sleutel niet brengen, want dan moest ik ook het slot hebben!" "Heb je dan zo’n slimme dochter, laat ze dan eens hier komen!" En zo moest zij bij de koning komen, en die vroeg of ze dan zo slim was, en hij zei, hij wou haar een raadsel opgeven, als ze dat raden kon, dan wou hij wel met haar trouwen. Ze zei dadelijk: "Ja," dat zou ze wel raden. Toen zei de koning: "Dan moet je bij me komen: gekleed en toch niet gekleed, niet op het paard en niet op de wagen, niet op ‘t pad en niet buiten ‘t pad, en als je dat kunt, zal ik je trouwen." En ze ging weg en ze kleedde zich poedelnaakt uit, dus dan was ze niet gekleed en ze deed een groot visnet om en dan was ze gekleed, en ze huurde een ezel en ze bond de ezel het visnet aan zijn staart, zodat hij haar voort moest slepen, dat was niet op het paard en op de wagen, en de ezel moest haar over ‘t karrespoor slepen, zodat ze alleen met haar grote teen de grond raakte, dus dat was niet op het pad en niet buiten het pad. En toen ze zo aan kwam rijden, zei de koning, ze had het raadsel opgelost, en alle voorwaarden waren vervuld. Hij liet haar vader vrij, hij nam haar bij zich als zijn vrouw, en hij liet zijn hele koninklijke bezittingen aan haar goede zorgen over. Nu waren er al weer enige jaren voorbij, toen de koning eens naar een parade ging, en toen gebeurde het, dat boeren met hun karren voor het slot stilhielden, want ze hadden hout verkocht, sommigen hadden ossen voor de kar en anderen paarden. Nu was er een boer en die had drie paarden en daarvan kreeg er één een veulentje, en dat veulentje liep weg en ging precies tussen twee ossen liggen, die voor een kar stonden. De boeren liepen te hoop en begonnen te twisten, te smijten en te gooien, en de osseboer wou het veulentje houden en zei dat het van de ossen was, en de andere zei: nee, het was van een paard van hem, dus ‘t veulen was ook van hem. De ruzie kwam voor de koning, en die deed deze uitspraak: waar het veulentje gelegen had, moest het blijven, en zo kreeg de osseboer het, van wie het natuurlijk niet was. En de boer ging weg, huilend en jammerend over dat veulentje. Maar nu had hij horen zeggen dat de koningin zo aardig en genadig was, omdat ze toch ook maar van arme boerenafkomst was, en hij ging naar haar toe en vroeg haar, of zij hem niet helpen kon, zodat hij z’n veulentje weer terug kreeg. Ze zei: "ja, als je belooft, dat je me niet verraden zult, dan zal ik ‘t je zeggen. Morgenvroeg gaat de koning naar de wachtparade. Stel je dan midden op straat op, waar hij langs komt, neem een groot visnet mee en doe alsof je vist, en vis dan steeds door en schud het net nu en dan uit, alsof het vol was," en ze gaf hem ook ‘t antwoord op, dat hij zeggen moest als de koning hem wat vroeg. Zo stond de boer de volgende dag op straat en viste op het droge. De koning kwam erlangs, zag het en stuurde er z’n loper heen om te vragen wat die dwaas van plan was. Toen antwoordde hij: "Ik ben aan ‘t vissen." De loper vroeg hoe hij vissen kon, er was immers geen water. De boer zei: "Zo goed als twee ossen een veulentje kunnen krijgen, zo goed kan ik op ‘t droge vissen." De loper bracht de boodschap aan de koning over, en die liet de boer bij zich komen en zei hem: dat heb je ook niet van jezelf, en van wie hij dat had: hij moest het maar meteen bekennen. Dat wou de boer niet doen en hij zei maar: genadige hemel, hij had ‘t helemaal van zichzelf. Maar toen legden ze hem op een bundel stro en sloegen en knuppelden hem zo lang, tot hij bekende dat de koningin hem geholpen had. De koning kwam thuis en zei tegen zijn vrouw: "Waarom doe je zo vals: ik wil je niet meer tot vrouw hebben, je tijd is om, ga maar weer terug vandaar je gekomen bent: een boerderijtje." Maar één ding stond hij haar toch toe: ze mocht het beste en liefste meenemen wat ze wist, en dat zou haar afscheid zijn. Ze zei: "ja lieve man, als je het zo beveelt, dan wil ik het ook doen" en ze viel hem om de hals en kuste hem en zei, van hem wilde ze afscheid nemen. Ze liet dan een sterke slaapdrank komen om hem een afscheidsdronk toe te drinken: de koning nam een flinke teug, maar zij nipte maar even. Toen viel hij spoedig in een diepe slaap, en toen ze dat zag, riep ze een lakei. Ze nam een mooi wit linnen laken en wikkelde hem daarin, en de lakeien moesten hem in een wagen voor de deur dragen, en ze reed met hem naar haar vaders huisje. Daar legde ze hem in haar bedstee en hij sliep een dag en een nacht door. Hij werd wakker en keek om zich heen en zei: "Ach, God, waar ben ik," en hij riep zijn knecht, maar er was niemand. Tenslotte kwam zijn vrouw aan het bed en zei: "Lieve man en koning, u hebt mij bevolen dat ik het liefste en het beste uit het slot mee moest nemen, en nu heb ik niets, dat beter en liever is, dan uzelf, en daarom nam ik u mee." De koning sprongen de tranen in de ogen en hij zei: "Lieve vrouw, u bent de mijne en ik ben de uwe" en hij nam haar weer met zich mee naar ‘t paleis en liet zich opnieuw met haar in de echt verbinden, en ze zullen wel tot heden ten dage nog in leven zijn.
Er komt een turkse vrouw bij de dokter en zegt : kutje auw, kutje rood. de dokter begreep het en gaf haar pillen en de turkse vrouw moest over een week terug komen voor controle. Na een week komt de vrouw weer terug en zegt: kutje auw, kutje rood. de dokter geeft haar andere pillen en de vrouw moest weer over een week terug komen. Dan komt ze over een week weer terug en zegt: kutje auw kutje rood. de dokter geeft haar zalf en zegt : je moet dit over je kut smeren, maar pas op als je het inneemt ga je dood. Een week later komt de vrouw huilend bij de dokter en schreeuwt : kutje auw, kutje rood, Ali likken, Ali dood!!!
een mooie jongen, leefde lang geleden in een mooi kasteel in het bos. hij was een jaar of 16. zijn moeder was vorig jaar gestorven. de jongen had het er nog moeilijk mee. maar zijn vader blijkbaar niet. die was alweer getrouwt. de vrouw waarmee hij getrouwt was, was een heks. zij en haar zoon trokken nog geen twee maanden geleden in. maar ze commandeerde de jongen alsof ze er al jaren woonde en zij de koningin was. oke zijn vader was dan misschien wel de koning, maar hij was een prins geen slaafje. haar zoon, drek, had wel een prinsenleven.
op een dag nadat de jongen uitgescholden was door de gemene stiefmoeder. rende hij naar buiten. het bos in. dat was de enigste plek waar hij zich veilig voelde. hij ging zitten op een boom en kalmeerde een beetje. hij werd verstoort door een vrolijke melodie, gezang. het kwam van diep in het bos. nieuwsgierig liep hij naar het geluid toe. diep in het bos vond hij een meisje. ze was ongeveer net zo oud als hem. ze was mooi. haar lange zwarte haar danste in de wind, terwijl ze stond te wassen. ze zong een vrolijke melodie. de vogels deden mee. een traan viel in het water. hij wilde dichterbij gaan, maar durfde niet. toen zag het meisje hem. ze veegde haar tranen weg en keek hem met woedende ogen aan. 'wie ben jij?', snauwde ze 'ik ben jason' 'de prins?', ze boog voor hem. 'nee, nee alsjeblieft nee' 'het spijt mij, dat ik in uw bos was heer', ze liep weg. 'nee! stop!', riep hij. 'wat?' 'het is mijn bos niet. iedereen mag ervan genieten. alsjeblieft ga door. je zang was zo mooi' verlegen keek ze hem aan. hij lachte naar haar. ze begon heel voorzichtig te neuriën. hij knikte naar haar om haar aan te moedigen. ze begon haar lied weer van te voren. 'love can hurt, love can fly so high', zong ze. hij liep naar haar toe. hij hield zijn hand uit. ze legde de haare erin. hij trok haar tegen zich aan. ze ging door met zingen. ze danste samen op de maat van haar zang. ze praatte en danste uren lang. tot het donker was, toen moest ze gaan. hij ook. hij rende gauw naar huis. bang voor wat er zou gaan komen. thuis werd hij opgewacht door zijn vader. hij werd helemaal uitgehoord over waar hij was geweest. waarom hij er vandoor was gegaan. en waarom hij inees zou blij was. maar hij zei niets.
dagen gingen voorbij, elke dag kwam hij het meisje weer tegen. elke dag danste ze en praatte ze. twee jaar lang ging het zo. uiteindelijk toen de jongen 18 was had hij de moed, hij kocht een ring. in het bos wachtte hij op haar. ze kwam aanlopen met een verlegen lachje. hun ogen kruiste en ze vielen elkaar in de armen. 'ik wilde je iets vragen', zei hij 'ík jou ook, maar jij mag eerst' 'elke dag van deze afgelopen twee jaren waren hemels, jij bent hemels Elaiza. ik wil voor altijd bij je blijven, van je houden, je beschermen. wil je de mijne zijn?', hij opende het doosje met de ring. tranen sprongen in Elaiza's ogen. 'dat wilde ik jou ook zeggen', zei ze, ook zij opende een doosje met een ring erin. ze pringen elkaar in de armen en zoende. die zelfde nacht glipte ze weg uit hun huizen. ze hadden hun belangrijkste spullen gepakt. ze liepen samen naar de vrijheid. zonder verschrikkelijke stiefmoeders, zonder klusjes. een leven vol liefde. ze bouwde samen een bestaan op in een bos. ze werden door niemand gestoort en hadden de tijd van hun leven. ze leefde samen met hun kinderen nog lang en gelukkig.
Zwangerschap Een man en een vrouw willen graag kinderen maar het lukt niet. Ze besluiten een afspraak te maken met de dokter. De dokter kan hen echter ook niet helpen maar beweert een goede collega te hebben in Amerika die hen absoluut kan helpen. Zodoende stapt het stel op een vliegtuig richting Amerika. De dokter ter plekke hoort het verhaal aan en vraagt ze "Doe het eens hier ter plekke" Na het gebeuren te hebben aanschouwt zegt de dokter dat hij al begrijpt wat er aan de hand is. Hij krabbelt wat op een briefje en geeft dit aan het stel. "Zeker weten dat na een half jaar een zwangerschap is bereikt" Aangekomen in Nederland gaat het stel met het briefje naar een lokale apotheker. "Wij willen graag Thieotreol" "Pardon?" Zegt de apotheker "dat hebben we niet!, Laat mij dat briefje eens lezen" Hij opent het briefje en leest het voor: "Try the other hole"
Toen hij nog klein was leek hij een heel gewone schildpad. Met zijn ouders leefde hij in een hol onder de dikke muur, die gebouwd was rondom het landgoed van een edelman in de Delta. Er waren ook nog twee broers en een zusje maar die hadden helemaal geen avontuurlijke aard. Ze maakten korte wandelingetjes, op zoek naar een krop sla en verder vonden ze het heerlijk om te slapen. Ze trokken daarbij hun kopjes in om vooral niet gestoord te worden door gesprekken of andere geluiden.
Waarom onze schildpad zo verschillend was van zijn familieleden, kan ik je niet vertellen. Wel weet ik dat hij op zijn vijftiende verjaardag besloot een grote tocht te gaan maken. Zijn moeder beschouwde hem toen nog steeds als een klein kind en z'n grootvader deed of hij net uit het ei was gekropen! Maar de kleine schildpad wilde de wereld in. Wat was er als je verder liep dan de slabedden? En misschien zelfs verder dan de wijngaard? Hij wist dat het niet de gewoonte was zoiets met de familie te bespreken. Zij zouden hoogstens geërgerd knorren en opnieuw inslapen, want zij hadden hem herhaaldelijk verteld dat daar Niets te vinden was. Hij zou verloren gaan, vergeten worden, zelfs door zijn eigen familie!
Het eerste wat de schildpad ondervond, toen hij probeerde te ontdekken hoe het Niets voorbij de wijngaard er uit zag, was een onverwachte bons op zijn schild. Hij keek schichtig naar boven om te zien waar die vandaan kwam en daar zag hij, op een boomtak, een aap. Hij zat op een granaatappel te zuigen en telkens vloog er een pit tussen zijn scherpe tandjes uit.
"O, neem me niet kwalijk!" riep de aap, "ik wist helemaal niet dat je leefde, ik dacht dat je een steen was."
Als je er juist zo trots op bent dat je je een bijzondere schildpad voelt, is het een vreselijke gewaarwording voor een steen aangezien te worden! Met een stem, dol" van ergernis, zei de schildpad: "Het spijt mij buitengewoon te horen dat u zó kortzichtig bent."
"Dank u, maar dat ben ik niét," riep de aap.
"Dan begrijp ik niet hoe u een schildpad, en niet een slapende maar een lopende schildpad, voor een steen aanziet!"
"Ach, als ik langdurig naar u gekeken had zou ik u hebben zien bewegen, maar voordat ik u hoorde spreken heb ik altijd gedacht dat schildpadden stenen waren."
"Merkwaardig dom, zelfs voor een aap," mopperde de schildpad gebelgd. Hij was te beledigd om beleefd te kunnen blijven.
"Och, niet zo dom, een heel gewone fout die iedereen kan maken," antwoordde de aap rustig. "Tenslotte kunt u niet in bomen klimmen of heel hard lopen zoals een gazelle. Van óns standpunt uit gezien bent u werkelijk zoiets als een steen, begrijpt u wel? Niet dat ik onaangenaam tegen u wil zijn, hoor."
Toen zag de aap dat over de neus van de schildpad een dikke traan rolde en hij veranderde vlug van onderwerp: "Waar gaat u eigenlijk naar toe?"
"Nergens heen," antwoordde de schildpad met trillende stem. "Hoc zou ik ergens heengaan?" En hij draaide zich om en waggelde langzaam weg, terwijl hij moeizaam probeerde zijn waardigheid op te houden. Maar zodra hij uit het gezicht van de aap was, trok hij zijn kopje verdrietig naar binnen en huilde bittere tranen. "Ik kan niet hard lopen... ik kan niet vliegen... ik kan niet klimmen... een steen, dat ben ik. En een steen die flink honger heeft, dat is nog erger! Wie zal geloven dat ik vanochtend nog dacht een groot avontuur te zullen beleven? Ik ga niet naar huis. Zo onbeduidend ben ik dat ze niet eens zullen merken of ik er ben of niet!"
Zijn zusje zag hem toen zij die avond een paar slablaadjes ging halen. Ze dacht dat hij sliep en klopte daarom op zijn schild, om hem te vertellen dat het tijd was om te eten. Hij zuchtte diep dus zij wist nu dat hij niét sliep. Maar hij stak zijn kop niet naar buiten, want hij wilde niet met haar praten. Zij kon alleen het zachte gebrom onder zijn schild horen: "Laat me alleen! Ik ben een steen en stenen eten niet!"
"Je bent geen steen," riep ze vrolijk, "je bent een schildpad."
"Dat is precies hetzelfde."
Zo bleef hij daar liggen. Hij wilde niet bewegen, niet eten, tweeëntwintig dagen lang. Zijn moeder dacht dat haar kleine zoon op een verkeerde tijd aan zijn winterslaap begon. En zijn vader beweerde dat hij gewoon een boze bui had. Maar zijn zusje, dat altijd veel van hem gehouden had, zat ernstig na te denken hoe ze hem kon helpen. En het was de aap die de oplossing bracht. Hij pakte de eerste van de rijpe vijgen en mikte die vlak voor het kopje van de schildpad. De fijne geur drong tot onder het schild en moest wel zijn onwillige neus bereiken.
"Een vijg," mompelde de schildpad, "o, wat jammer dat ik een steen ben! Een steen kan geen vijgen eten. Maar," ging hij verbaasd verder, "als een steen geen vijgen kan eten waarom maakt de lekkere geur van een vijg hem dan zo hongerig?" Voorzichtig keek hij onder zijn schild door. De vijg was zo rijp dat hij in tweeën gevallen was. En dat vond onze schildpad juist het lekkerst! Zijn kopje kwam steeds meer naar voren, zijn bek ging open, het sap gleed door zijn keel en het smaakte verrukkelijk!
"Ik zei je toch al dat je geen steen geworden was," zei z'n zusje opgelucht, "ben je nu blij dat je toch een schildpad bent? Niets is immers zo heerlijk als een verse vijg?"
"Weet je het zeker?"
"Heel zeker. De aap heeft het mij verteld. Hij zei: de allereerste vijg heb ik aan hem gegeven omdat geen ander dier daar zoveel van houdt! Ben je nu niet blij dat je een schildpad bent?" vroeg ze dringend.
Hij"beet nog drie stukjes van de vijg en kauwde er heel langzaam op. Toen keek hij naar zijn zusje en zei: "Heel erg blij!"
Een tijdlang was hij zo vervuld van het feit dat hij toch een gewone schildpad was, dat hij aan niets anders dacht. Maar op een morgen drong ineens tot hem door: nu heb ik nog niet ontdekt wat het Niets is, voorbij de wijngaard.
De volgende dag kroop hij heel vroeg tussen zijn familieleden uit. En, met zijn kopje zoveel mogelijk naar voren gestrekt zodat hij alles waarlangs hij ging goed kon overzien, begon hij zijn grote avontuur. Toen hij het slabed passeerde trok hij vlug een paar stukjes uit het frisse, groene blad. Je voelt je veel moediger als je een gevulde maag hebt, dacht de schildpad.
Eigenlijk was hij er helemaal niet zeker van dat het Niets de moeite van het bekijken waard zou zijn, maar hij hoopte vurig dat het niet heel lang en glibberig was, zoals Iss-oo de slang. Of heel vlug en zacht, als Ma-oo, de kat, die hem een keer met haar harige poot had willen omkeren!
Het was vermoeiend, ook een beetje vervelend, dat lopen door de wijngaard. Soms schuurde zijn buik onverwacht over een harde brok aarde, dan weer zwaaide hij met alle vier zijn pootjes door de lucht, voordat hij verder kon. Het was nog geen druiventijd en dat was jammer want de schildpad was er dol op. Maar de kleine groene uitlopers, die op de grond lagen, waren heerlijk om op te knabbelen.
Hij wist dat het Niets pas voorbij de wijngaard begon. En hij was heel verbaasd dat het daar glad en wit was en moeilijk begaanbaar. Eindelijk lukte het en na een lange tocht besloot hij een slaapje te doen voordat hij verder ging.
Toen hij wakker werd hoorde hij twee mensen met elkaar spreken. De ene was de eigenaar van het landgoed, de ander een Aziaat, een man met een lange baard, die zorgvuldig gekruld en geparfumeerd was.
De man met de baard liet een zacht lachje horen en antwoordde: "Wanneer mijn meester, de koning van Babylon, wil wekten wat de goden van hem verlangen, wendt hij zich niet tot de heilige priesters, maar hij raadpleegt de schildpad!"
Nu lachten de beide mannen en wandelden langzaam naar het landhuis. Maar de schildpad lachte niet. Hij voelde zich met cle minuut belangrijker worden, hij barstte bijna van trots!
Zo snel mogelijk keerde hij terug naar huis. Over het witte Niets (jullie begrijpen natuurlijk wel dat dit de witstenen tuinpaden waren), over de ongelijke grond van de wijngaard en langs de slabedden. Zo'n haast had hij dat er niet eens tijd overbleef om een groen blaadje af te trekken.
De familie sliep, zoals altijd. Luidkeels begon hij te roepen, zodat ze allemaal wakker werden: "Luister, domme bloedverwanten! Ontwaak en huldig mij! Ik ben wijzer dan alle andere dieren, ik ben zelfs wijzer dan de mens. Ik ken iemand die koning is in zijn eigen land. Als hij de wil der goden wenst te weten, vraagt hij raad aan een schildpad! Vijftien jaar geleden ben ik in uw midden gekomen. Jullie hadden mij vragen kunnen stellen en zouden heel wat wijzer zijn geworden door mijn antwoorden. Maar jullie, dwazen, waren te dom om het geluk te beseffen toen ik gelegd was. En het nog grotere geluk toen ik mij verwaardigde uitgebroed te willen worden in jullie familie!" Buiten adem wachtte hij op hun uitroepen van eerbied en vreugde.
Maar moeder schildpad zei bezorgd: "Heb jij hoofdpijn? Je hebt vast te lang in de zon gezeten."
En vader schildpad opperde: "Indigestie! Dat is het wat jij hebt opgedaan, terwijl je je weer eens volpropte, gulzigaard!"
Zijn oude grootvader, die juist bij hen was komen wonen, siste angstig en viel weer in slaap. En zijn twee broers staarden hem zwijgend aan. Toen sliep de ene dadelijk verder en de ander knorde ongemakkelijk en trok zijn kop naar binnen. Het meest ontdaan was de schildpad echter toen hij naar zijn zusje keek, zij... giechelde! Hij probeerde haar boos tot de orde te roepen, maar ze was nog zo klein en zij hadden altijd veel van elkaar gehouden. Toen trachtte hij haar uit te leggen hoe wijs hij was, in gewichtige woorden die hij zelf niet eens goed begreep. Hij toonde zich heel erg beledigd. Maar ach, alle familieleden keerden zich af van die lastpost, behalve zijn moeder, die liet hem galbessen eten vanwege zijn overladen maag, en zijn zusje, dat dacht dat hij alleen maar leuk wilde zijn.
Intussen werd onze schildpad steeds trotser. Op het laatst was het hem onmogelijk nog langer te leven bij die domme, slapende familie! Nee, veel liever ging hij op zoek naar de vreemdeling, die een schildpad tenminste naar waarde wist te schatten!
Dit keer moest hij langer lopen, want het eerste Niets was verdwenen. Hij kroop verder en verder en ontdekte gelukkig de plek waar de vreemde planten groeiden. Toen hij een tuinman hoorde aankomen, kroop hij vlug onder een laaghangende heester. Hij wist veel te goed dat schildpadden door een tuinman niet erg gewaardeerd worden.
Achter de tuinman liepen twee bedienden die een grote, biezen mand niet een deksel erop tussen hen in droegen. De tuinman zei, zowel tegen hen als tegen zichzelf: "Hij mag dan de koning van Babyion zijn, maar hij blijft een vreemdeling. En vreemdelingen weten nu eenmaal veel minder van planten dan wij. Voor deze hier heb ik gezorgd sinds zij een stekje waren of zaad. En nu worden ze naar een vreemdeling gestuurd die ze vast laat verdrogen of half verdrinken!"
Nog steeds mopperend begon hij enkele planten uit te graven en in de mand te zetten,
"Koning van Babylon," herhaalde de schildpad in zichzelf, "deze planten gaan dus in de mand en die mand is voor de koning van Babylon en die gelooft in de wijsheid van een schildpad". Babylon, het klinkt heel ver weg, zelfs voor iemand die zo hard kan lopen als ik. Maar als ik in die mand ga zitten heb ik een heerlijk rustige reis! En als ik onderweg honger krijg, dan kan ik die planten redden van de verwaarlozing in dat vreemde land."
Toen de tuinman even niet keek, kroop de schildpad stilletjes in de biezen mand, zocht een gemakkelijk plaatsje tussen al het groen en viel in slaap. Het was een geluk voor hem dat hij tot een familie behoorde die gewend was veel te slapen, anders zou hij de nu volgende drie en zestig dagen heel vervelend hebben gevonden. Als hij wakker was hield hij zich bezig met het geluk dat hem zeker te wachten stond. Hij zou een eigen huis krijgen en de bedienden van de koning zouden hem al zijn lievelingskostjes brengen... en natuurlijk ook nieuwe dingen die zijn eetlust zouden prikkelen. En zijn roem zou alle schildpadden in de hele wereld bereiken, zodat het zijn eigen familie zeker ter ore zou komen. Zelfs zijn zusje zou dan begrijpen hoe jammer het was dat zij haar broer niet gewaardeerd had toen zij de kans nog had. O, ze zou verdrietig zijn. Het was zelfs mogelijk dat zij nooit meer om iets zou giechelen!
Hij vroeg zich af welke vraag de koning hem het eerst zou stellen. Wat vragen koningen eigenlijk? Een ogenblik twijfelde hij aan zijn eigen wijsheid, maar tegelijkertijd voelde hij zich weer zo trots dat hij aan niets twijfelde. En op dat ogenblik werd de grote, biezen mand de ontvangstzaal van de koning van Babylon binnengedragen.
De koning, die door niemand een aardige man werd gevonden, was juist in gesprek met de opperdienaar van de martelkamer. Zo mogelijk was die nog minder aardig dan de koning. Hij overdacht net of de man die beschuldigd was van moord gekookt moest worden in een reusachtige pot vol pekel of alleen maar geworpen in een diepe kuil met slangen.
De koning had nooit enige belangstelling voor planten gehad en zou het vorstelijke geschenk uit Egypte waarschijnlijk hebben laten wegbrengen, zonder het zelfs maar te bekijken, als hij niet ineens de schildpad had ontdekt. Met angstige oogjes en vooruitgestoken kop staarde het dier hem aan.
"Een schildpad!" riep de koning verbaasd, "precies wat ik nodig heb. Wie in twijfel verkeert raadplege de schildpad!" Zijn stem schalde door de zaal.
Onze schildpad die zijn kop introk van ontzag, toen hij de koning van Babylon zag wiens krullende baard nog langer was dan in Egypte en wiens nagels aan handen en voeten bloedrood geverfd waren en gekromd als klauwen, herstelde zich vlug. Heel stil zat hij op het podium, recht voor de koninklijke troon en wachtte op de vragen die de koning hem zou stellen. Zo gespannen en nieuwsgierig zat hij daar dat hij niet eens merkte hoe de koning een roodgloeiende staaf van een komfoor lichtte, dat een slaaf had binnengebracht. En toen die staaf het schild in vijf stukken spleet, was het een zegen dat dit ook meteen de dood van onze schildpad betekende. Zo heeft hij nooit ontdekt dat een van de vreemde gewoonten van de Aziaten was: bij een moeilijk besluit een schildpad met een gloeiende staaf te bestrijken en dan te zien in hoeveel stukken het schild brak. Bij een oneven getal luidt het antwoord 'nee', bij een even getal 'ja'. Een gewoonte die wreed is en ook heel erg dom.
De koning van Babylon dacht dat dit het einde van de schildpad was en hieruit blijkt dat hij heel dom was. Want een ander woord voor "einde" is "begin". Ze betekenen precies hetzelfde, alleen in verschillende richting.
Drie dagen nadat de schildpad had geleerd dat valse hoogmoed dezelfde nare gevolgen kan hebben als valse nederigheid (die ook hetzelfde betekenen, in verschillende richting) keek moeder schildpad haar man nadenkend aan en zei: "Ik geloof dat ik nu maar eens een ei ga leggen!"
Op een bankje een lul en een peuk zitten op een bankje de peuk zegt ik heb een erg leven gehad ik werd uit een pakje gerukt aangestoken en tegen een asbak geslagen zegt de lul ik heb ook een erg leven gehad er werd een rubberen ding over me heen gedaan ik werd in een zwart gat gedouwd en toen moest ik overgeven
Er was eens een arm vroom meisje dat alleen met haar moeder leefde en ze hadden niets meer te eten. Toen ging het kind naar het bos en daar zag ze een oude vrouw die al wist wat het meisje nodig had en ze gaf haar een pannetje en als ze daar tegen zei:
"Potje, kook!"
dan kookte het heerlijke zoete gerstepap, en als ze zei:
"Potje, stop!"
dan hield het weer op met koken.
Het meisje bracht het pannetje naar haar moeder en nu was de armoede en de honger voorbij en ze aten zoete pap zo vaak ze wilden.
Toen op een keer het meisje was uitgegaan, zei de moeder:
"Potje, kook!"
en het kookte en ze at tot ze genoeg had, maar nu wilde ze dat het pannetje weer ophield, maar ze wist het woord niet meer. Dus kookte het door, en de pap kwam over de rand en het kookte steeds maar door. De keuken vol pap en het hele huis vol pap, en het huis ernaast vol pap en de straat vol pap, alsof het de hele wereld wilde verzadigen. En er heerste de grootste nood en niemand wist raad. Eindelijk, toen er nog maar een enkel huis over was, kwam het meisje thuis en zei:
"Potje, stop!"
en toen hield het op met koken en wie naderhand weer de stad in wilde, moest zich door de pap heen eten.
Er gaan 2 mensen naar de belasting maatschappij de ene heeft altijd netjes zijn belasting betaald de ander heeft nog nooit belasting betaald dus die ene die nog nooit belasting heeft betaald moet zich melden bij een gymzaal dus hij is helemaal bang natuurlijk en die gast die altijd zijn belasting heeft betaald vroeg of die andere man om hem te vertellen hoe ut was dus die man gaat naar de gymzaal . Staat er een gigantisch lekker wijf en die zegt ik ben lotje en als je me te pakken krijgt mag je me neuken zonder kapotje dus die man rennen. Evenlater komt hij weer bij de man die op hem staat te wachten hoe het gegaan was en vraagt de man zegt die ander der stond daar een lekker wijf genaamd lotje en als ik haar te pakken kreeg mocht ik haar neuken zonder kapotje dus die man die altijd zijn belasting betaald heeft, betaald ook zijn belasting niet meer en ook hij moest zich het jaar daarop melden in de gymzaal staat daar een grote neger en die zegt: :Ik ben Willem Bol en als ik je te pakken krijg neuk ik je in je hol nou ik kan je verzekeren die gast heeft ook gerend.
Mieke gaat logeren. Ze mag een nachtje bij oma en opa slapen. Ze staat thuis in de gang te wachten. In haar ene hand heeft ze een rood koffertje. In de andere hand houdt ze Beri, haar beer, vast. Ze is al helemaal aangekleed. Ze heeft een warme muts op, een dikke sjaal om en twee heerlijke zachte wanten aan. 'Zo, jij bent lekker warm ingepakt!' zegt vader tegen Mieke. 'Ik zie alleen nog maar twee ogen, een neus en een mond! Zullen we dan maar gaan?' Even later zit Mieke bij vader achterop de fiets. O, wat is het koud buiten! Mieke slaat haar armen om vader heen. Haar handen met de zachte wollen wanten steekt ze diep in vaders zakken. Dat is nog eens warm! Met haar wang tegen zijn jas gedrukt, voelt Mieke vader trappen. 'Win-ter-win-ter,' zingt ze op de maat van vaders trappen, 'win-ter-win-ter-win-ter..... Mieke kijkt naar de hoge bomen langs de weg. Hun kale takken steken de grijze lucht in. 'Pap,' vraagt Mieke, 'hebben bomen het niet koud?' 'Nee hoor,' zegt vader, 'bomen zijn van hout en hebben het nooit koud!' De koude wind blaast in Miekes gezicht. Nou, zij voelt het wel! 'Ik zie het huis van opa en oma!' roept vader uit. 'We zijn er al.' Met een reuzenzwaai tilt vader Mieke van de fiets. 'Pap, mag ik aanbellen?' vraagt Mieke. 'Jij mag aanbellen, ik til je wel op!' Tring...klinkt de bel. Er komt al iemand aanlopen. Oma doet open. 'Daar zijn jullie al!' roept oma uit en bukt zich om Mieke een kusje te geven. 'Kind,' zegt oma verschrikt, 'wat een koude neus heb jij, kom gauw binnen!' In de kamer is het warm. Mieke kijkt rond. 'Waar is opa?' vraagt ze. 'Opa is in de schuur bezig,' zegt oma. 'Je mag wel even gaan kijken, maar houd je warme muts op, 't is zo koud buiten!' 'Gr, groe, gr, groe,' klinkt het uit de schuur. Mieke trekt de schuurdeur open. 'Gr, groe, gr, groe...,' doet de zaag. 'He, daar hebben we onze Miek!' roept opa uit. 'Jij komt me zeker helpen!' Mieke knikt. 'Wat maakt u opa?' vraagt Mieke. 'Een vogelhuisje Mieke.' zegt opa. 'Een vogelhuisje?' vraagt Mieke verbaasd. 'Gaan ze daar dan in wonen?' 'Nee gekkie,'zegt opa, 'geen huisje om in te wonen, maar om in te eten. Een eethuisje! Het is buiten zo koud. De vogels vinden bijna geen eten. Alles is bevroren. Nu moeten wij ze maar wat eten geven, vind je niet?' 'Wacht,' zegt opa, 'als jij het huisje vasthoudt, dan timmer ik er de laatste spijkers in.' Klop, klop, klop. Het huisje is klaar. Het ziet er prachtig uit. Samen brengen ze het naar buiten. 'Nu het eten nog,' zegt opa. Mieke strooit broodkruimels in het huisje. Opa hangt een snoer met pinda's aan de spijkers. Even later zitten ze binnen rond de tafel. Ze kijken naar het huisje. Zouden de vogels komen? 'Ik zie er al eentje!' roept opa. 'Ach,' zegt oma, 'dat is Breedstreep! Kijk maar, Breedstreep heeft een heel brede zwarte streep voorop zijn gele lijfje. Het is net een stropdas!' Mieke kan de brede streep goed zien. Vooral als Breedstreep ondersteboven aan de pinda's hangt! Breedstreep tikt met zijn scherpe snavel op de pindadoppen. 'Nu zal Rafeltje ook wel gauw komen,' zegt oma. 'Rafeltje is het vrouwtje van Breedstreep. Het hele jaar wonen ze al bij ons in de tuin. In de lente hadden ze wel tien kleintjes!' Mieke kijkt of ze Rafeltje kan vinden. En dan ineens ziet ze nog zo'n vogeltje als Breedstreep in de appelboom. 'Ja,' zegt oma blij, 'dat is Rafeltje!' Er komen nog veel meer vogels. Op de grond pikt een zwarte vogel in een appel. Naast het huisje vechten twee vogels om een korstje brood. Maar als het donker wordt, zijn alle vogels weg. Mieke gaat slapen. Ze ligt in bed. Oma stopt haar in. 'Waar zijn de vogels nu?' vraagt Mieke. 'De vogels,' zegt oma, 'zitten nu in de bomen of misschien wel onder de dakpannen van ons huis.' 'Hebben ze het dan niet koud?' vraagt Mieke. 'Nee,' zegt oma, 'ze hebben hun verenpak en ze hebben ook nog een vol buikje. Ze komen de nacht wel door hoor! Ga maar lekker slapen Miek.' En weet je waar Mieke 's nachts van droomde? Ze droomde dat ze op een tak van de appelboom zat. In haar hand had ze voer. En weet je wie uit haar hand aten? Breedstreep en Rafeltje!
Een man komt vroeger dan gebruikelijk thuis uit zijn werk. Er is niemand in de kamer. Loopt de man naar boven. Ligt zijn vrouw in de slaapkamer op bed: spiernaakt, te zweten en te hijgen. "Mien," roept de man uit: "Wat ben jij nou aan het doen?" "O Henk," zegt de vrouw: "Ik denk dat ik een hartaanval krijg." "Ik ga meteen hulp halen," zegt de man en loopt snel weer naar beneden. Hij pakt de telefoon op om 06-11 te draaien, komt zijn zoontje huilend naast hem staan. "Waarom sta jij nou zo te huilen?" vraagt de man aan zijn zoontje. "Ik ben zo geschrokken," zegt het zoontje. "Waarvan dan?" vraagt de man. Zegt het zoontje: "D'r staat een blote vent in de slaapkamerkast." De man rent weer naar boven en gooit de kastdeur open. En daar staat zijn beste gabber Piet in zijn blootje. "Piet! Fijne vriend ben jij!", roept Henk uit: "Mijn vrouw ligt met een hartaanval, maak jij de kinderen aan het schrikken!"
Op een wintermorgen willen Varkentje en beernaar buiten. Het is prachtig winterweer. Het sneeuwt zo mooi. Varkentje en Beer moeten wel wanten aan doen, een sjaal om en de jas goed dicht. Zo gaan ze op stap door de sneeuw. Zingend lopen Varkentje en Beer met een dikke jas naar buiten.
Bij het weiland stoppen ze. Wie zien ze daar? Schaapje in het besneeuwde gras , ze schrikt wakker.Sara het schaapje beweegt haar koppie.
En zegt: wat komen jullie hier doen zo vroeg?
“nou het sneeuwde zo mooi wil je met ons spelen, zeiden Varkentje en beer tegelijk. Varkentje en Beer blijven even staan, maar dan valt Sara het schaapje nog eventjes in slaap en is zo koud, gelukkig heeft ze een warme jas van wol. Varkentje en beer kijken sara het schaapje na. Dan lopen ze weer verder en roepen na: ´dag, ga maar lekker slapen hoor!” Overal waar Varkentje en Beer langs liepen was de aarde zo mooi met sneeuw, een heel dik pak lag er al en het sneeuwde nog steeds!!
Kijk Beer, riep varkentje daar is Niek de koe. Niek is een een hele grote koe, hij is al wakker en loopt een beetje heen en weer, je kunt zien dat hij het koud heeft!
Ha, Niek zegt Beer, ga je met ons mee naar in de sneeuw spelen?
Nee, Nee zegt Niek das toch veel te koud, ik hoop dat de boer me gauw in de warme stal zet met lekker wat hooi!!!
Misschien wil zijn hond wel met jullie spelen!!
Waf waf, daar komt Bruin de hond van de boer al aangerend, waf waf, blaft hij. Zijn staart kwispelt heen en weer, Bruin de hond wil maar al te graag door de sneeuw rennen en met de vlokjes spelen.
Varkentje en Beer zijn blij, samen met Bruin de hond gaan ze verder.
Varkentje huppelt door de sneeuw en dan als hij goed kijkt ziet hij iets onder de sneeuw bewegen. Beer ziet het nu ook. ´joepie´ roepen ze tegelijk, met de armen in de lucht. Daar komt Evert aap onder de sneeuw vandaan.
Waf waf, blaft bruin de hond, waf,waf. Evert aap rilt helemaal van de kou, hij was in slaap gevallen en toen hij wakker werd lag hij helemaal onder de sneeuw.
Snel pakt Beer het aapje op, en houdt hem dicht tegen zijn dikke winterjas. Zo, blijf maar dicht tegen mij aan, dan wordt je weer lekker warm!!
Nu lopen Varkentje, Beer met Evert aap en Bruin de hond,samen richt het park, ze rusten even uit van het lopen en ze kijken naar de dwarrelende sneeuwvlokjes om het heen. Nergens zien ze vogels fladderen het is helemaal wit in de lucht.
Ooh, kijk roept aap, daar is Zebra op haar schaatsen.
Als je heel goed kijkt zie je in de verte Zebra schaatsen op de vijver. OP de vijver schaatst Zebra! Wat heeft zij een plezier! Ze schaats van hier naar daar, van daar naar hier, wat heeft ze een plezier!
Morgen gaan we ook schaatsen zegt Beet tegen varkentje, Bruin de hond blaft, dan gaat hij ook weer mee!!
MaarVarkentje en Beer zien dat het al weer tijd is om naar huis te gaan. Samen wandelenze door de sneeuwnaar huis, aap rilt nog helemaal. Hij heeft het koud.
Bruin de beer dribbelt om hen heen, hij vindt het heerlijk in de sneeuw.
Als ze bijna thuis zijn zegt Beer: Wat ruikt het lekker!. Moeder heeft lekkere warme chocolademelk klaar!! Dat is nog eens een verassing.
Alle vier drinken ze lekker van de warme chocolade melk. Evert aap knapt weer helemaal op, gelukkig maar lachen varkentje en Beer. Het is een prachtige winter dag en ook nog eens chocolademelk. Varkentje en Beer kijken elkaar aan en zijn super blij! Wat is sneeuw toch fijn!!
Wie zijn de drie meest vieze mensen ter wereld? 1> De kerstman want die hangt zijn ballen in de boom. 2> De postbode want die gaat van gleuf naar gleuf om zijn hand erin te steken. 3> Maar de meest vieze is Sinterklaas, want zijn zak hangt op zijn rug, hij heeft schimmel tussen zijn benen en hij vaart met een vervuilende stoomboot.
Wat is het verschil tussen een vrouw van: 5 jaar 17 jaar 25 jaar 35 jaar
Die van 5 breng je naar bed en vertel je een sprookje. Die van 17 vertel je een sprookje om om haar het bed in te krijgen. Die van 25 is net een sprookje in bed. En die van 35 zegt, vertel geen sprookjes, en kom naar bed!!
Na lang wachten heeft Gabriella echt zin in school.Ze moet dit jaar naar de VWO gaan dat word spannend.Gabriella opstaan!!roept moeder. Sumara is nog in bad mam roept Gabriella.Gabriella ik ben al klaar roept Sumara. Gabriella loopt met een zucht in de badkamer en gaat onder het douche. Lekker koel voor deze ochtend vind Gabriella.Als Gabriella klaar is pakt ze snel haar make-up en lipgloss uit de kast. Gabriella loopt naar boven en draagt haar spijkerbroek en een strakke witte bloesje.Snel haar make-up op en dan nog haar lipgloss.Gelukkig heeft ze een klein spiegeltje in haar tas,dus vandaag brengt ze lekker haar lipgloss en make-up mee naar school.
Hey Gaby,hoe was je vakantie vraagt Sentra haar beste vriendin. Goed en wie word onze leraar(mentor)dit jaar vraagt Gaby. Ik denk Invar die ene 23jarige leraar zegt Sentra. O,echt hij is wel een mooi leraar zegt Gabriella verlegen. Doe normaal hij is 2jaren ouder dan jou zegt Sentra jaloers. `t maakt niks uit ik ben toch 21jaar zegt Gabriella blij en loopt naar lokaal5. Wat is er met die sukkel vraagt Rohendy een knappe jongen van de klas. Nou ze vind die leraar knap en mooi zegt Setra slijmerig. Dan is ze wel gek georden zegt Rohendy lachend(van binnen voelt Rohendy dat hij de slechste weg heeft genomen)Ro.....Ro roept Setra even om hem heen. Euhm...o....ja zegt Rohendy dromerig. Kom naar de klas zegt Setra. Oke zegt Rohendy. Met veel moeite stoot hij zijn stoel naar Gabriella. Hij fluisterd snel:he je bent mooier dan je zus. Dank je wel fluisterd Gabriella verlegen.
Oke studenten wat wij gaan doen is je met alle leraren gaan voorstellen. Wiskundeleraar:leraar Sendorie Nederlandsleraar:leraar Van den brok. En zo ging het de hele tijd door met leerkrachten. Rohendy en Gabriella zijn er moe van en raken in gesprek. Na lang gepraat en gegiechel ging de bel van de pauze.
Moet je wat,ik zal je sponseren zegt Rohendy. Oke,graag een cola en een bakje chips zegt Gabriella. En,wat moet jij ik zal je vandaag ook sponseren zegt Gabriella. O,bestel een patatje en een hamburger voor jezelf zegt Rohendy lachend. Als ze al besteld hebben zoeken ze een mooi rode tafeltje in een hoek en eten hun snacks op. Het is heel erg lekker zegt Rohendy. Precies als ze klaar zijn ging de bel en moesten ze weer rennend giechelend pratend naar de lokaal.
Oke,we gaan beginnen met wiskunde zegt de leraar die wiskunde geeft. Ik hou niet van dit vak zegt Rohendy. Ik ook niet zegt Gabriella.
Zullen we dan shoppen vraagt Rohendy. Maar hoe zul je dat doen vraagt Gabriella. Kijk,als je even wacht zegt Rohendy. Meester mijn hoofd doet zeer zegt Rohendy . Oke,je mag naar huis en laat je buurmeisje meegaan. Ja,meneer zegt Rohendy. Rohendy en Gabriella lopen de klas uit.
Zo gemakkelijk was dat he zegt Rohendy op weg naar de stad. Ja,je bent wel knap hoor zegt Gabriella. Ja,en Setra doet zo slijmerig regen me zegt Rohendy. Ja,ik weet het ze is jaloers zegt Gabriella. O,echt vraagt Rohendy. Ja echt zegt Gabriella. Kom je om half4 met me shoppen bij F-style.Ja hoor zegt Gabriella. Heb je blackberry vraagt Rohendy dan Ja,dat heb ik zegt Gabriella. Oke,dan moet je naar www.F-style.com gaan dan ga je vele leuke dingens zien zegt Rohendy. O,ja dan zal ik het kijken zegt Gabriella.
Poes is dood Er was eens een mongool en die wilde een keertje neuken, hij ging naar zijn moeder en hij vroeg of hij mocht neuken. zijn moeder zei: "maar je bent een mongool". Toen zei die mongool dat geeft toch niet, dus ze gingen naar de hoeren. De moeder van die mongool zij tegen zo'n hoertje mijn zoon wil een keertje neuken. Die hoer zei: "Voor honderd gulden doe ik alles". Dus ze gingen naar een kamertje. Die hoer deed haar bloesje uit,en die mongool vroeg: "Wat zijn dat?" Die hoer: "Dat zijn mijn tietjes." Die mongool vroeg: "Mag ik een keer ruiken?" "Dat ruikt lekker." Toen kwam hij bij haar poesje en hij vroeg: "Wat is dat?" Die hoer zei: "Dat is mijn poesje." En die mongool ging weer ruiken, hij zei: "Hoelang is dat beestje al dood?"
Er was eens een man die Krekel heette. Hij had twee slechte eigenschappen. Ten eerste, hij werkte niet graag, en ten tweede, hij dronk graag veel borreltjes. Verder was Krekel de beste vent van de wereld. Je begrijpt dat hij zo arm was als Job en op den duur niet meer wist hoe hij rond moest komen. Hij besloot naar de stad te trekken en daar zijn geluk te beproeven. Zo gezegd, zo gedaan.
Krekel had nog wat geld en dat moest eerst op. Onderweg bezocht hij alle herbergen, zodat hij zoetjesaan dronken werd en nog net zes centen op zak had toen hij in de stad aankwam. Hij ging een herberg binnen en kocht er voor zijn zes centen een groot glas jenever. De baas vertelde hem dat er in de buurt een rijke mevrouw woonde die een kostbare diamanten ring had verloren en een grote beloning uitloofde voor degeen die haar de ring zou terugbezorgen.
Krekel trok zijn stoute schoenen aan en ging regelrecht naar de rijke mevrouw, bij wie hij zich uitgaf voor een waarzegger die alle verloren schatten bij hun eigenaar kon terugbrengen.
"Zou je de ring kunnen vinden die ik verloren heb?" vroeg de vrouw. "Vast en zeker," antwoordde Krekel, "ik ga dadelijk aan het werk, maar u moet me hier drie dagen laten blijven en me goed te eten en te drinken geven. Als ik de ring na drie dagen niet heb gevonden, mag u zeggen dat ik een leugenaar en bedrieger ben en mij schandelijk wegjagen." - "Wees gerust," zei de vrouw, "het zal je aan niets ontbreken."
De eerste dag liep Krekel overal rond, snuffelde in de tuin, keek onder de struiken, maar de ring was nergens te vinden. Toen een van de knechten hem zijn avondeten bracht, liet Krekel de moed zakken en zei: "Dat is er nu al één!" Een dag, bedoelde hij. Maar de knecht dacht dat het betekende: dat is nu al één dief. Hij liep naar zijn makkers, de twee andere knechten, en zei: "Mannen, we moeten oppassen. Die vreemde kerel weet zeker dat wij de ring hebben. Toen ik hem daarnet zijn avondeten bracht, bekeek hij mij en zei: dat is er nu al één!" Je begrijpt hoe die mannen schrokken. Van toen af gingen ze Krekel uit de weg.
De volgende dag doorzocht Krekel de kamers en de zolder. Hij klom zelfs in de hanenbalken om te kijken of de ring daar soms was verborgen, maar het was tevergeefs; het juweel was niet te vinden. Moedeloos liet Krekel zich 's avonds in zijn stoel vallen en riep uit: "Dat zijn er nu al twee!" - waarmee hij twee dagen bedoelde. De tweede knecht, die hem net zijn avondeten bracht omdat de eerste hem niet meer onder ogen durfde komen, hoorde die woorden en denkend dat Krekel zeggen wou: dat zijn nu al twee dieven, liep hij geschrokken naar zijn kameraden en vertelde hen wat er was gebeurd. "Die kerel heeft alles ontdekt. Hij weet dat wij de ring gestolen hebben en zal alles aan mevrouw verraden. Dan zijn wij ons baantje kwijt en worden in de gevangenis gezet op de koop toe!" Ze overlegden en besloten alles aan de waarzegger te bekennen en hem de ring te geven.
De volgende morgen vroeg gingen ze naar Krekel, vielen voor hem op de knieën, bekenden de dieven van de ring te zijn en smeekten hem hun vergrijp niet aan mevrouw te vertellen. Ze zouden hem de ring geven en bovendien hun hele spaarpot. Krekel was tevreden en zei: "Voor deze keer zal ik het erbij laten, maar pas op, deugnieten, voor een tweede keer."
De slimmerik nam wat brood, kneedde het tot een bolletje en stopte de ring er in. Daarop ging hij naar de binnenplaats en gooide het bolletje voor de kalkoenen die daar liepen. 'Hap!' zei een grote, zwarte kalkoen en hij slikte het brood met de ring in. Krekel had goed opgelet welke vogel het was en liet mevrouw waarschuwen dat hij de dief van haar ring had ontdekt.
"Heb je de dief gevonden!" riep mevrouw. "Mijn ring was dus gestolen! Als je mij het juweel bezorgt, krijg je onmiddellijk drie briefjes van honderd frank en de dief zijn verdiende straf." - "Ik zal u de dief aanwijzen, mevrouw," zei Krekel, "dan kunt u hem zelf de ring terug laten geven." Hij ging met haar naar de binnenplaats. "Kijk," zei hij, de zwarte kalkoen aanwijzend, "dat is de dief. U moet uw ring hier ergens verloren hebben en de kalkoen heeft hem opgepikt."
De vogel werd gepakt en geslacht en inderdaad, in zijn maag vond men de ring. Je kunt je wel voorstellen hoe verbaasd iedereen was, vooral de knechten, die maar niet konden begrijpen hoe de ring in de maag van de kalkoen terecht was gekomen. "Je bent werkelijk een geleerd man," zei de vrouw tegen Krekel, "en zulke kunsten mag ik graag zien. Als je me nog een bewijs kunt geven van je bekwaamheid, schenk ik je in plaats van drie briefjes, vijf briefjes van honderd frank."
Krekel wenste zich mijlen ver weg. Tot nog toe was alles goed gegaan, maar zou het zo blijven? Hij was allesbehalve op zijn gemak toen de vrouw met haar voorstel voor de dag kwam, maar durfde er niets van te laten merken en zei onvervaard: "Vraag maar, mevrouw, ik sta tot uw dienst."
De vrouw ging weg en kwam een paar minuten later binnen met twee borden, die precies op elkaar pasten. Ze zette ze op tafel en zei: "Raad eens wat er tussen zit." De arme Krekel was zo verbouwereerd dat hij eerst geen woord kon uitbrengen. "Ach," zuchtte hij tenslotte, "nu hebben ze je toch te pakken, Krekeltje." - "Hoe is het in hemelsnaam mogelijk!" riep de verbaasde vrouw. "Je bent inderdaad een tovenaar." Ze pakte het bovenste bord en kijk, in het onderste zat een krekel.
Krekel kreeg de beloofde vijfhonderd frank en ging er opgeruimd vandoor. Toch leek het hem geraden zich in het vervolg niet meer voor waarzegger uit te geven. Nu was alles opperbest gegaan, maar het was niet gezegd dat het altijd zo goed zou aflopen.
Een vader loopt langs de kamer van zijn dochter en hoort een vreemd zoemend geluid: bbzzzzzz. Wat mag dat wel wezen? denkt de vader en hij kijkt om het hoekje van de deur. Ziet hij zijn dochter bezig met een vibrator. Oja, hoe leer ik haar dat nu weer af? denkt de vader. Vlak voordat zijn dochter de volgende dag uit school komt, weet de vader het ineens. Als hij haar op haar brommer hoort aankomen, pakt hij de vibrator, zet 'm aan, en de vibrator omhooghoudend begint hij ermee door het huis te lopen. Bbbzzzzzzz. De dochter komt binnen en ziet haar vader met de vibrator lopen. "Pa!" roept ze uit, "wat doe je nou!?" "O," zegt de vader, "ik laat mijn aanstaande schoonzoon even het huis zien."
Een paar wil een kind krijgen maar het wil maar niet lukken. Ze gaan naar vele dokters maar niemand kan hen helpen. Dan horen ze dat er een heel goede dokter in Amerika is, dus ze gaan naar Amerika. Eens bij de dokter zegt de dokter : "Undress and do it !" Een beetje beschaamd beginnen ze het te doen. Na een tijdje zegt de dokter : "I've found it." Hij schrijft iets op een papiertje en het paar vertrekt terug naar Belgie. Ze gaan direct naar een apotheker en zeggen : "Wij hebben tritheoterol nodig." De apotheek zegt : "Dat bestaat niet. Mag ik het papiertje eens zien?" De apotheker begint te lachen en zegt : "Er staat : try the other hole."
Met een heel zacht stemmetje laat Selisia weten dat ze thuis is "pa, ma ik ben thuis". Een zucht als reactie zorgt ervoor dat ze met tranen naar boven loopt.. 'Allerliefste dagboek, hoe is het als je lief hebt ? Hoe is het als lief word gevonden en ouders hebt die van je houden zoals je bent ? Ik voel me zo anders, zo verschillend en ik ben vast niet het meisje die ze gewild hadden' Selisia word onderbroken "ETEN!".. Met vermoeiende stappen loopt ze richting de eettafel waar ze al 14 jaar alleen eet.. "Mam, ik.. ik heb een vraagje" zegt Selisia terughoudend "Wat" een fijn en leuk antwoord verwacht ze toch niet, maar dat is de hoop die haar omhoog houd.. "Mag.. mag ik misschien een puppie ? Ik heb vandaag een 9,8 voor wiskunde gehaald!" Selisia wist niet wat ze zag, woede, zoveel woede in haar moeder's ogen. "WAT.. wil jij een HOND, kom.. ik behandel jou als een hond" met een ruk trekt haar moeder haar aan de haren en gooit Selicia zonder pardon zomaar de kelder in vlak daarna volgt haar bord met alleen twee aardappels, brood en water. Selicia hield haar tranen niet in bedwang en liet ze de vrije loop.. In het hoekje, in het donker probeert ze haar kussentje en een verotte dekentje te vinden.. Vanaf haar 6e sliep ze hier al als ze wat fout deed, verkeerd aankeek, of zelfs zei 'ik hou van je'. "Je bent nooit het kind die we wouden" galmde de stem van haar moeder door haar hoofd. Zachtjes in tranen fluisterd ze haar zelf in 'waarom ik?' bang dat haar moeder haar hoort en opnieuw slaat. Niet veel later is Selisia in slaap gevallen, en na een paar uurtjes hoort ze lichte voetstappen. De kelderdeur gaat open.. "Pap?".. Zonder pardon grijpt haar vader Selisia bij d'r haren en trekt haar dunne broek naar beneden "NEE PAP, NIET ALWEER, NIET DOEN.. HET DOET ZO PIJN".. Met als antwoord "Hou je bek teef, aangezien je moeder mij niet kan bevredigen pak ik jou gewoon!"
Na een kleine uurtje gooit haar vader haar in het hoekje waar ze slaapt.. Huilend en snikkend bid ze "Oh lieve Heer, ik ben nooit gestopt met geloven en ik weet dat zelfmoord een zonde is.. Maar dit is niet het leven die ik verdien en wilde! Ik neem m'n eigen leven af, en stop me in U handen.. In de hoop dat U beter voor mij kan zorgen en lief kan hebben". Selisia probeert een stuk touw te vinden, maar tevergeefs. Ze bind het laken om haar hand en slaat het miniscule ruitje van de kelder kapot.. Met een scherp stuk van de ruit snijd ze haar polsen open en kijkt nog één keer uit het raampje.
"SELISIA HIER KOMEN".. Mama krijgt geen reactie terug "ALS IK DAAR BENEDEN MOET KOMEN IS HET TELAAT JA!" na 3 tellen nog steeds niks, ze loopt naar beneden. En vind haar dochter, haar enigste dochter in bloed. Tranen doen haar de vrije loop.. Maar te laat was het toch al.
Een man en een vrouw hadden samen een kind gekregen, maar na twee jaar had het kind nog geen woord gezegd. Maar na twee jaar zei het kind opeens: "Opa, opa!", dus die ouders ontzettend blij dat het kind eindelijk z'n eerste woordje had gezegd. Maar de volgende dag belt oma op dat opa overleden is. Na twee weken zegt het kind opeens z'n tweede woordje: "Oma, oma!". Maar de volgende dag belt de dokter op dat oma dood is. Dus die ouders vinden het toch wel raar dat het alweer na het woordje van hun kind gebeurd. Na twee weken zegt het kind: "Papa, papa", dus die papa helemaal overstuur, komt pas heel laat in slaap, omdat ie bang is de volgende ochtend dood te gaan. Maar hij word toch gewoon weer wakker en begint rustig aan z'n ontbijtje, niks aan de hand. Dus hij gaat de hond uitlaten ligt de melkboer daar dood op de stoep!
Een eekhoorn, een haas en een schildpad zitten met z'n drieen in een cafe. Ze vervelen zich te pletter. Uiteindelijk zegt de schildpad:,, Zal ik mijn kaarten thuis gaan halen?'' De eekhoorn en de haas vinden het best, dan hebben ze in elk geval wat te doen. De schildpad gaat op weg. Maar tegen sluitingstijd is de schildpad nog niet terug! De eekhoorn vraagt aan de haas:,,Zullen we maar wat gaan drinken?'' Horen ze een boze stem bij de deur:,,Als jullie dat doen ga ik mijn kaarten NIET halen!'
De grootste stakingen uit de Belgische geschiedenis
De grootste stakingen uit de Belgische geschiedenis
De algemene staking van maandag staat in het teken van het protest tegen de besparingsmaatregelen van de regering. Vooral de pensioenmaatregelen zijn fel omstreden. Bij eerdere nationale stakingen waren de motieven soms heel anders. Een beknopt overzicht van de meest ophefmakende stakingen sinds het ontstaan van België.
18 maart 1886: Een herdenking van de Parijse Commune in Luik groeit uit tot de eerste algemene staking in België. De regering reageert met strenge repressie, en verscheidene stakers worden gedood. Toch boekt de arbeidersbeweging een eerste succes: de stakingsgolf leidt tot de invoering van een beperkte sociale wetgeving
12 april 1893: Het parlement wijst het algemeen stemrecht af, waarop de Belgisch Werkliedenpartij (BWP) het land platlegt. Honderdduizenden mensen nemen deel, en opnieuw vallen doden. Een week later wordt bij wijze van compromis het algemeen meervoudig stemrecht ingevoerd, waarmee de staking tot een eind komt.
14 april 1902: De BWP maakt opnieuw een punt van de invoering van het enkelvoudig algemeen stemrecht. Op de eerste dag van de staking leggen 300.000 mensen het werk neer. Maar opnieuw vallen doden, en de BWP beëindigt zonder succes de actie op 20 april. Ook in april 1913 wordt nogmaals met dezelfde eis gestaakt, maar het is pas in 1919, na de oorlog, dat het enkelvoudig stemrecht wordt ingevoerd.
2 juni 1936: Antwerpese havenarbeiders eisen de invoering van een minimumloon en het recht op betaalde vakantie. De volgende weken breidt de staking uit, tot in heel het land meer dan een half miljoen werknemers deelnemen. Op 24 juni stemt premier Paul van Zeeland in met een minimumloon van 32 frank per dag, en zes dagen betaalde vakantie per jaar.
1950: De koningskwestie legt het land meermaals lam. Dat begint al in maart. maar in juli ontspoort de situatie na de terugkeer van koning Leopold III. Een half miljoen mensen staakt, en op 30 juni worden in Grâce-Berleur vier mensen doodgeschoten door de politie. Pas als koning Boudewijn aantreedt, keert de rust terug.
Juli 1955: het ACV eist een vijfdaagse werkweek. Vanaf 9 juli weigert een deel van de werknemers nog op zaterdag te werken. Een principeakkoord maakt een einde aan de acties, maar toch duurt het nog tien jaar voordat de eis wordt ingewilligd.
December 1960: De eenheidswet van november zet kwaad bloed. zowel de openbare diensten als de privésector pikt de plannen voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel van premier Gaston Eyskens niet. Hoewel de grootste vakbond, het ACV, niet deelnam aan de stakingen, leggen uiteindelijk naar schatting 1 miljoen mensen het werk neer. In januari 1961 wordt de wet toch goedgekeurd.
8 februari 1982: De besparingsplannen van de regering Martens krijgen vooral in Wallonië tegenkanting. Na de devaluatie van de frank, twee weken later, blijft het nog enige tijd onrustig.
November-December 1982: Twee stakingen richten zich tegen de werkgevers, die in ruil voor 80.000 nieuwe banen een looninlevering eisen.
September 1983: Het spoorwegpersoneel in Charleroi trekt een stakingsgolf op gang, uit protest tegen de begroting die voor 1984 was opgesteld. Daarin werden openbare diensten fel geviseerd. Tot een echte algemene staking komt het net niet, nadat de vakbondstop en de regering in extremis een akkoord bereiken
Mei 1986: De besparingsplannen van de regering Martens zetten het overheidspersoneel toe aan meermaals het werk neer te leggen. Op 31 mei komt het tot een algemene staking, waarbij 250.000 mensen op straat komen bij de ABVV-betoging in Brussel.
15 november 1993: Om de Europese begrotingsnormen te halen moet België hard saneren. Een loonstop en een aanpassing van de index vallen voor de bonden niet te verteren. Een eerste staking wordt breed opgevolgd. Er komen nieuwe onderhandelingen, maar die leveren weinig op. Op 26 november komt het tot een tweede staking. Maar door onenigheid tussen de vakbonden draait een derde actiedag op een fiasco uit. Eind december keurt het parlement de licht aangepaste plannen van de regering Dehaene goed.
28 oktober 2005: Het Generatiepact van de regering Verhofstadt wil komaf maken met de uitwassing van de brugpensioenregeling. Drie weken nadat het ABVV al alleen actie voerde, besluit ook het gemeenschappelijk vakbondsfront het werk neer te leggen. Maar dat mag niet baten: het Generatiepact is bijna ongewijzigd goedgekeurd in december.
22 december 2011: Een plotse wijziging in het pensioenstelsel doet de bonden in de publieke sector tot actie overgaan. Vooral bij het openbaar vervoer is de actie goed merkbaar. Er wordt al vrij snel gesproken over een algemene staking op 30 januari.
Twee mannen zitten in een café. Haalt opeens één van hen een heel klein pianootje, een fret en een muis te voorschijn. De muis zet zich achter de piano en begint te spelen, de fret zet een prachtig lied in. De andere man valt bijna van zijn stoel van verbazing. "Maar... maar... dit is GEWELDIG! Hier kun je heel veel geld mee verdienen, waarom ga je er niet mee naar een televisiestudio?" "Heb ik al gedaan," antwoordt de andere man, "maar ze vonden het niet wat. Tja weet je, die fret zingt ook niet echt... de muis is een buikspreker!"
De zoon van een man is 16 geworden. Hij krijgt van zijn vader 50 gulden om naar hoeren te gaan. Onderweg komt hij zijn zus tegen; 'Broertje, wat ben je van plan te doen¿' Zegt de broer; 'ik heb 50 gulden van vader gekregen om naar hoertjes te gaan'. Geef maar die 50 piek aan mij, dan kan je met mij neuken. Dat is ook goed,zegt de broer. Na neuken zegt zus "jij bent beter dan vader". Zegt de broer: 'Dat zegt moeder ook na neuken'
Zachte voetstappen achter me. Ik draai me om en glimlach. Een moment later sluit hij me in zijn sterke armen, die maken dat ik alles vergeet. Maar we waren niet altijd zo gelukkig...
Met de zon op mijn gezicht en een ijskoud blikje cola in mijn handen zit ik op het schoolplein. Ik ben verdoofd van het oersaaie blokuur wiskunde en loom van de zon. Maar de lome luiheid valt van me af als Elena, mijn beste vriendin, me aanstoot. "Moet je kijken, hij heeft weer een huppeltje gevonden hoor." Sist ze me toe. Ik open mijn ogen en kijk in de richting van haar vinger. Daar staat Floris, in een innige omhelzing met Demy. Ik ken haar wel. Demy is een typisch populair trutje. Te veel make-up, te weinig brein. Zo'n geval. Maar het maakt het des te harder. Hij wil wel met zo'n type, maar mij ziet hij niet staan. Ik haal nonchalantmijn schouders op. "Hij doet maar." zeg ik stoer, maar eigenlijk breekt mijn hart in duizenden kleine stukjes waarvan ik geen idee heb hoe ik ze ooit weer aan elkaar ga krijgen.
Ik lig op mijn bed als de telefoon gaat. Ik ga er van uit dat het Elena is, ze zou me nog bellen over bio. "Hee Eens, met moi. Over bio.." Ik word onderbroken door een zachte stem, die een rilling van herkenning langs mijn ruggegraat stuurt. "Uuh, hoi. Met mij, ik bedoel met Floris." Met moeite haal ik adem. "Uuh,hoi Floris. Waarom bel je?" Het is ongelooflijk, ik bel met Floris! Mijn crush, mijn geheime liefde, mijn Romeo! En ik praat nog gewoon verstaanbaar Nederlands! "Uuhm, nou ik belde om te vragen of je, nouja, jij bent nogal goed in biologie en ik niet, dus ik wou vragen of je,nouja, of je me bio-bijles wil geven." Als ik mezelf niet totaal voor schut wil zetten,moet ik nu niet gaan gillen, maar Oh Mijn God! "Ja!" schreeuw ik bijna. "Uuh, wauw, dankje. Nou, tot donderdag het zesde in B04 dan!" Een klik en ik hoor de kiestoon. Wauw. Nooit gedacht dat cellen en anatomie me ooit zoiets zouden opleveren.
Ik wijs op een plaatje in het boek. "Dit is een plant cel, waaraan kan je die herkennen?" Gefixeerd staar ik naar zijn lippen als hij antwoord geeft. Wat een schitterende lippen, en wat zou ik ze graag kussen. Ik hoorde van Elena dat het uit is tussen hem en Demy, dus misschien. Ik schud mijn hoofd. Ik moet mezelf concentreren en geen valse hoop geven. "Ja, dat is goed. En wat is dit dan voor een cel?" Ligt het aan mij, of komen zijn lippen wel heel dichtbij? Het ligt niet aan mij, want even later raken onze lippen elkaar.
Ik glimlach en kijk naar hem op. Zijn blonde krullen, zijn mooie bruine ogen en natuurlijk zijn lippen. En ik weet, dat die lippen alleen voor mij zijn. Hij is mijn biologische Romeo.
klein meisje loopt op een dag de badkamer binnen en ziet der moeder uit de douche komen ,en kijkt met grote ogen naar naar haar tieten en vraagt "mama, krijg ik dat later ook?", "ja schat dat krijg je later ook". volgende dag ziet ze der vader douche en kijkt met open mond naar zijn klokke spel, en vraagt "papa, krijg ik dat later ook?". antwoord papa, "ja dat krijg je later ook, en als je mond houd tegen je moeder kan je em ook nu krijgen!
Een dokter ontvangt een patient die een wat vreemde hoge stem heeft. En deze vertelt over zijn klacht: “Kunt u misschien iets doen aan mijn rare hoge stem?” “Geen idee,” zegt de dokter, “dat moeten we even onderzoeken. Kleedt u zich even uit.” De als een muis pratende man trekt zijn broek uit en direct roept de dokter al: “Ja geen wonder, zie dat eens... u bent geschapen als een olifant. Dat geval trekt aan zwaar aan uw middenrif en daar krijg u een hele hoge stem van!” De begrijpt het probleem en vraagt: “Is er nog wel iets aan te doen?” De dokter knikt en zegt “ik moet u helaas wel opereren. Er moet gewoon een stuk tussenuit.” “Ja het is niet anders,” antwoord de man, “jammer want ik heb met dit ding wel succes bij de dames... maar alleen zolang ik mijn mond dicht houd!". De dokter opereert de man een paar dagen later en haalt er een aanzienlijk stuk tussenuit. Twee maanden is de man weer terug bij de dokter. Met mooie donkere zware stem zegt hij: “Ik heb nu een mooie stem, maar ik had eerder toch meer succes bij de vrouwtjes. Ik wil graag dat stuk er weer terug in laten zetten. Kan dat??” De dokter antwoord snel; “Nee nee dat gaat niet lukken, het stuk heb ik weggegooid!”... met een hele hoge stem!
Broer vos en broer konijn waren vroeger de beste vrienden. Zij gingen overal samen naar toe, zelfs als ze op vrijersvoeten waren. De vos had in een dorpje vlakbij een vrouwtjesvos opgemerkt en broer konijn ging altijd met hem mee op bezoek bij haar. Maar toen de vos verkouden was, ging het konijn alleen naar het vossinnetje.
In werkelijkheid was broer konijn een beetje jaloers op de vos. Toen ze samen zaten te praten, hadden ze het over broer vos. "Oh, die vos," zei broer konijn, "ik ken hem vrij goed. Hij is mijn beste paard. Als ik ergens naar toe moet, zadel ik hem op en rij als een heer." Het vossinnetje was zeer verbaasd, maar broer konijn hield vol dat de vos zijn paard was. Toen bedacht het konijn dat hij maar niet zo moest opscheppen, anders zou de vos misschien boos worden.
En inderdaad, de vos was boos. Nauwelijks was hij hersteld of hij ging op bezoek bij het vossinnetje. Daar hoorde hij alles wat het konijn over hem verteld had. Woedend rende hij naar het huis van het konijn, klopte op de deur en zei: "Broer konijn, kom naar buiten!"
Broer konijn stond al te wachten op de vos. Hij vroeg met een klein stemmetje: "Wat wil je, broer vos?"
"Ik wil je spreken!" gromde de vos boos. "Ik hoorde dat je gezegd hebt dat ik je paard ben."
"Dat is niet waar," zei broer konijn zachtjes. "Zoiets heb ik niet gezegd." Broer vos was al een beetje gerustgesteld. "Als het niet waar is, ga dat dan maar vertellen aan mijn vriendinnetje," zei hij.
Broer konijn begon te snikken. "Ik wil dat wel, mijn vriend, maar ik kan het niet," zei hij. "Gisteren ben ik gevallen en ik kan nauwelijks lopen. Maar als je me zou willen dragen op je rug, zou ik kunnen gaan." De vos wilde het zo snel mogelijk in orde maken met het vossinnetje, dus hij gromde: "In orde, kom op, ik zal je er heen brengen."
Broer konijn kwam naar buiten, keek naar de vos en zei toen bescheiden: "Zo gaat het niet. Vos, zo kan ik je niet vasthouden. Als je een zadel op je rug hebt en teugels, dan heb ik iets om vast te houden." De vos wilde het konijn zo snel mogelijk naar zijn liefje brengen, dus gromde hij: "In orde, als het niet anders kan, maar schiet een beetje op."
Dat hoefde je het konijn geen twee keer te zeggen. Vlug haalde hij een zadel uit de stal. Toen het konijn ook een zweepje had gepakt gingen ze op weg. Even later kwamen ze bij het dorpje waar het vossinnetje woonde. De vos stopte en zei: "Kom eraf broer. We gaan te voet verder. Ik draag je niet meer."
Maar broer konijn stapte niet af. Hij sloeg met zijn zweep de vos zo hard, dat hij er pijlsnel vandoor ging en niet stopte voordat hij in de tuin van het vossinnetje was. Broer konijn sprong eraf en maakte de teugels aan het hek vast en ging naar binnen.
"Nu zie je het," zei het konijn tegen het vossinnetje, "dat ik niet gelogen heb en de vos echt mijn paard is. Kijk maar naar buiten!"
Het was waar. De vos sprong heen en weer in de tuin. Op zijn rug zat een zadel en aan zijn kop zaten teugels die aan het hek gebonden waren. Pas toen hij zo hard trok dat de teugels braken, kon hij wegrennen om zich nooit meer in het dorp te vertonen.
Dit is het verhaal over broer konijn en zijn paard: de vos. Sindsdien blijft het konijn ver uit de buurt van de vos, want de vos is het nog steeds niet vergeten en blijft het konijn achterna zitten als hij de kans krijgt.
Een man komt bij de pastoor om te biechten. "Vergeef me vader ik heb gezondigd.....Ik heb gisteren mijn vrouw genomen." Pastoor: "Was dat tegen haar zin dan?" "Nee hoor! Maar wel op zijn hondjes." "O ja, en dat was tegen haar zin?" "Nou nee, maar ze zat net met haar hoofd in het vriesvak." "Oeh koud! En dat was zeker tegen haar zin?...." "Nee, ook niet...." "Ja! Wat zeurt u dan!!??? U hebt dus helemaal niet gezondigd....Jullie komen de hemel heus wel in!!!" "Gelukkig maar ...pffff.....maar de Albert Heijn komen we vast nooit meer in!"
Er was eens een brahmaan die op reis was van de ene plaats naar de andere. Onderweg viel zijn oog op een grote kooi. Mensen van de stad hadden er een tijger in opgesloten. De tijger zag de brahmaan voorbij lopen en riep: "Mijn beste vriend! Heb medelijden met me. Ik heb zo'n verschrikkelijke dorst. Al dagen lang zit ik hier zonder water. Wil jij de deur niet even voor me openhouden, dan kan ik snel wat gaan drinken. Binnen een paar minuten ben ik terug in de kooi. Mocht je deze weldaad aan mij besteden, dan ben ik er zeker van dat je in de hemel komt."
De brahmaan antwoordde prompt: "Je vraagt mij om de deur van jouw kooi te openen? Ik pieker er niet over. Wanneer jij eenmaal uit die kooi bent, dan eet je me toch meteen op." De tijger beloofde plechtig dat hij hem geen kwaad zou doen en vroeg nogmaals of hij de kooi niet wilde openmaken. De brahmaan kreeg met de tijger te doen en het eind van het liedje was, dat hij de deur toch opendeed.
De tijger, die eigenlijk meer honger dan dorst had, hield zich natuurlijk niet aan zijn woord. Hij viel de brahmaan aan en stond op het punt hem te verslinden. Vanuit deze benarde positie vatte de brahmaan toch nog moed en sprak: "Dit is niet eerlijk. Laat ons ten minste zes rechters vragen, of jouw manier van optreden juist is of niet. Zijn zij van oordeel dat jij rechtvaardig handelt, dan kun je mij met een gerust hart opeten." De tijger kon zich wel in dit voorstel vinden. Gezamenlijk gingen ze op pad om rechters te zoeken.
Ze kwamen voorbij een Banyanboom. De brahmaan liep er gauw naar toe en sprak: "O Banyanboom! Wij zoeken gerechtigheid, wilt u helpen een oplossing voor ons geschil te zoeken?" De Banyanboom verklaarde zich bereid om als rechter op te treden. De brahmaan legde uit wat er was gebeurd en vroeg of het juist was van de tijger dat hij hem op wilde eten.
Nadat de boom had aangehoord wat de brahmaan te vertellen had, sprak hij: "Op hete dagen komen altijd mensen van mijn schaduw genieten. Voor hun vertrek snijden ze steevast twijgen en bladeren van mijn takken en die nemen ze mee naar huis om hun geiten mee te voeren. Mensen zijn ondankbaar en lafhartig. Tijgers mogen hen gerust verscheuren."
De boom had nauwelijks uitspraak gedaan of de tijger stond klaar om de brahmaan op te eten. Maar de brahmaan herinnerde de tijger aan hun afspraak: "Je had beloofd dat we het oordeel van zes rechters zouden zoeken. Laat ons daarom de uitspraak van de andere vijf afwachten." Daar was de tijger het mee eens en ze gingen samen verder. Even later zagen ze een kameel. De brahmaan ging erop af en vroeg het dier om zijn mening. De kameel hoorde geduldig hun zaak aan en sprak: "Ik heb mijn meester al ik weet niet hoeveel jaar gediend. Ik heb altijd zware lasten op mijn rug vervoerd. Nu ik oud en zwak ben, behandelt hij mij schandalig. Hij geeft me niet eens genoeg te eten. De mens is het niet waard om gevoelens voor te hebben. Pas wanneer hij van de aardbodem verdwenen is, kunnen dieren zich in vrede en vrijheid voortbewegen. Kortom, tijgers mogen mensen opeten."
Als hij er niet aan herinnerd was dat zij zes rechters zouden raadplegen, dan had de tijger de brahmaan ter plekke opgegeten. Opnieuw ging het tweetal op pad. Ze kwamen een os tegen. De brahmaan legde het beest hun geschil voor en vroeg om zijn oordeel. De os sprak: "Jarenlang heb ik mijn meester trouw gediend. Nu ik oud ben en voor hem geen nut meer heb, heeft hij mij zonder pardon in het woud achtergelaten. De mens is trouweloos. Ik ben van oordeel dat de tijger de brahmaan mag opeten."
Hoewel zij al drie rechters geraadpleegd hadden, was de brahmaan nog vol goede moed. Hoog in de lucht zag hij een adelaar overvliegen. Hij riep de vogel, die naar beneden kwam cirkelen en op de tak van een boom ging zitten. De brahmaan deed zijn probleem uit de doeken en vroeg de adelaar om een oordeel te vellen. De adelaar sprak: "Mededogen voor de mens is als parels voor de zwijnen. Ze hoeven ons maar te zien of ze pakken hun pijl en boog en proben ons uit de lucht te schieten. Bovendien stelen ze onze eieren. De tijger heeft het volste recht om de brahmaan op te eten."
Toen het vonnis voor de vierde maal in zijn voordeel geveld werd, begon de tijger uit vreugde in het rond te springen. Hij zei tegen de brahmaan: "Geloof je nog steeds dat iemand ten gunste van jou zal oordelen? Ik rammel van de honger, laat me jou nu toch opeten."
De brahmaan vatte moed en sprak: "Volgens afspraak moeten we nog twee rechters raadplegen. Laten we zien wat zij te zeggen hebben." Hij liep verder en de tijger sukkelde hongerig achter hem aan. Weldra kwamen ze bij een brede rivier. Op de oever lag een krokodil in het zonnetje te luieren. De brahmaan was ervan overtuigd dat hij ten minste van een reptiel een gunstig oordeel kon verwachten. Hij vertelde de krokodil hetzelfde verhaal en vroeg hem naar zijn mening. De krokodil antwoordde: "Het moment dat we met ons hoofd boven water komen, staan mensen klaar om ons te doden. Laat de tijger de brahmaan gerust opeten."
In een gelaten stemming hoorde de brahmaan deze beslissing aan. Hij wist dat zijn leven aan een zijden draadje hing. Met de moed der wanhoop verzocht hij de tijger om ook het oordeel van de zesde.rechter af te wachten. Juist op dat moment liep een vos naar de kant van het water om zijn dorst te lessen. De brahmaan riep de vos, legde hem de zaak voor en vroeg om zijn oordeel. Daarop sprak de vos: "Als rechter moet ik de kleinste details van het voorval kennen. Pas als ik alles met eigen ogen gezien heb, kan ik een uitspraak doen."
De tijger en de brahmaan brachten de vos naar de plek waar de kooi stond. Meteen nadat ze daar waren aangekomen zei de vos tegen de brahmaan: "Ga jij precies op die plek staan waar je stond, ten tijde van het voorval."
De brahmaan ging bij de kooi staan. De vos vroeg nogmaals: "Is dat de juiste plek?" en de brahmaan knikte van ja.
Daarna wendde de vos zich tot de tijger en vroeg: "Waar stond jij op dat moment?"
De tijger antwoordde: "Ik zat in de kooi." De vos vroeg: "Zat je in de kooi of stond je? En welke kant keek je op?"
De tijger werd ongeduldig, hij liep de kooi in en ging in dezelfde houding als tevoren staan. "Stond de deur open of was hij afgesloten?" vroeg de vos.
"De deur was vergrendeld," antwoordde de brahmaan. Daarop vroeg de vos hem de deur te sluiten en op slot te doen. Nadat de brahmaan dat had gedaan, richtte de vos zich tot de tijger. "Jij had dorst. Uit medelijden heeft deze man jou vrijgelaten en als dank wilde je hem opeten. Niemand zal meer de deur voor jou opendoen. Je bent gedoemd om de rest van je leven in deze kooi te slijten."
Vervolgens sprak hij tot de brahmaan: "Beste vriend, ga jij nu naar huis. Je hebt niets meer te vrezen, vaarwel." En de vos ging er van door.
De vermoeide brahmaan vervolgde zijn weg. Maar de tijger zat gevangen in de kooi en stierf een paar dagen later van honger en dorst.
Jantje heeft een broertje gekregen en vraagt aan zijn vader: "Pap, waar komen baby's vandaan?" Nou zegt zijn vader , die komen van de ooievaar. "jah lekker is dat!!" zegt jantje "de wereld vol mooie wijfen .. en jij moet net weer neuken met een ooievaar?"
Een Belg huurt een kano en peddelt het water op. Midden op de plas kiept zijn kano om. De kano komt niet meer overeind. De man komt niet meer boven. Enkele omstanders springen in het water en halen de bewusteloze Belg naar de kant. Ze beginnen te beademen en te reanimeren. De politie komt erbij. Ze kijken in zijn binnenzak. Daar zitten een Belgisch paspoort en drie zwemdiploma's in. Als de Belg bijkomt, vraagt een agent: "Kon je jezelf nou niet redden? Je hebt verdorie drie zwemdiploma's!" "Aw?l," zegt de Belg, "maar ik wist niet dat die hier ook geldig waren."
In de tijd dat de volgelingen van Mohammed talrijk waren en de islam zich over de gehele wereld verspreidde, leefde er een vrouw die drie zonen en een dochter had. De jongste zoon Izmir was niet alleen dom, maar ook erg lui. Hij deed niet veel meer dan de hele dag op de warme as slapen.
Op een keer, toen de twee oudste zonen naar het veld gingen om er te werken, zeiden zij tegen hun moeder: "Maak voor ons wat eten klaar en laat je dochter ons dat brengen."
Wat niemand wist, was dat de duivel met drie koppen zijn tent in de buurt had opgeslagen. Toen het meisje daar voorbij kwam, liet de duivel haar verdwalen, zodat zij de weg naar het veld niet kon vinden. Na een tijd rondgelopen te hebben, kwam zij de vrouw van de duivel tegen die haar vroeg wat zij hier zocht. "Ik ben de weg kwijt, moedertje," antwoordde het meisje. "Ik moet naar ons veld om mijn broers wat eten te brengen."
"Doe dat maar niet," zei de vrouw. "Dadelijk komt de duivel met drie koppen hier, en wanneer hij je ziet, is het met je gedaan!"
Nauwelijks waren de woorden uit haar mond, of de duivel stond al vóór hen. Hij sperde één van zijn muilen wijd open en verzwolg het arme kind.
Intussen wachtten de twee broers ongeduldig op hun eten. Het werd middag en het werd avond en nog steeds was hun zus niet komen opdagen. Er zat voor hen niets anders op dan met een rammelende maag naar huis te gaan. Zij hoorden toen van hun moeder dat hun zuster al vroeg in de morgen was weggegaan en nog steeds niet teruggekomen was. De volgende morgen nam de oudste jongen zijn zwaard en begaf zich op weg om zijn zuster te zoeken. Nadat hij een tijd gelopen had, zag hij een oven langs de weg staan. Er zat een oude man naast die hem vroeg wat hij zocht.
"Ik zoek mijn zuster die vannacht niet is thuisgekomen," antwoordde de jongeman.
"Dan geef ik je niet veel hoop," zei de grijsaard, "want de driekoppige duivel woont hier in de buurt en die verslindt iedereen die hij ontmoet."
"Ik moet en zal hem vinden," zei de jongeling vastbesloten.
"Je zult hem alleen maar kunnen verslaan, wanneer je iets van het brood eet dat in deze oven gebakken is."
De jongeman dacht dat dit geen kwaad zou kunnen en hij at iets van het brood. Even later voelde hij het brood zó opzwellen dat hij dreigde te barsten. Hij wentelde zich van pijn in het gras en wachtte tot hij zich weer beter voelde. Daarna liep hij verder en zag een groot vat staan dat met wijn was gevuld. Er zat een oude man naast aan wie hij de weg naar de tent van de duivel vroeg.
"Je zult die duivel nooit kunnen weerstaan, wanneer je niet eerst iets van deze wijn drinkt," zei de man. De oudste broer dronk wat wijn en voelde meteen dat zijn ingewanden dreigde te verbranden. Hij werd zó door pijnen gekweld dat hij bijna niet meer kon staan. Gelukkig voelde hij zich na een tijdje wat beter. Hij liep weer verder en kwam bij een rivier. Er liepen twee bruggen over, één van hout en één van ijzer. De jongeman koos de ijzeren brug en kwam toen in een veld waar twee appelbomen stonden. Aan de ene hingen groene, onrijpe appels en aan de andere mooie, rijpe. De jongen plukte een van de rijpe appels en op hetzelfde moment sprong de driekoppige duivel achter de boom tevoorschijn en verslond hem met huid en haar.
Toen de oudste zoon maar niet terugkwam, trok de tweede er op uit om de duivel te zoeken. Het verging hem niet veel beter, want ook hij liep over de ijzeren brug, plukte een rijpe appel en werd daarna door de driekoppige duivel gegrepen en verzwolgen.
Nu bleef alleen de jongste nog over, die luie knaap die altijd tussen de sintels lag te slapen. "Waar blijven mijn broers toch?" vroeg hij op een morgen aan zijn moeder, "en waarom laat mijn zuster zich niet meer zien?"
"Ik vrees mijn jongen," zei zijn moeder bedroefd, "dat zij in de macht zijn gevallen van de driekoppige duivel."
"Dan zal ik die duivel eens een lesje leren!" sprak Izmir fier, terwijl hij opstond en de as uit zijn kleren klopte.
"Ga niet, mijn zoon!" smeekte zijn moeder. "Jij bent de enige die ik nog heb. Wie zal er voor mij zorgen, wanneer jij ook in handen valt van die duivel?"
Izmir luisterde niet naar haar en verliet het huis. Hij was nauwelijks buiten of er brak zo'n geweldige storm los, dat de boeren hun ploeg moesten verlaten en een veilig heenkomen zochten. Izmir verzamelde alle ploegscharen die hij vond en bracht ze bij een smid. Hij vroeg hem er een grote lans van te smeden. Toen de lans gereed was, wierp de jongen hem in de lucht en liet hem op zijn pink neerkomen. De lans brak in duizend stukken. Hij vervolgde zijn weg en weer brak er zo'n orkaan los dat de boeren hun ploegen moesten verlaten. Izmir verzamelde nu nog meer ploegscharen dan hij de eerste keer gedaan had en bracht ze bij dezelfde smid. De man had er een heel karwei aan, maar toen de lans gereed was, was deze zó sterk dat hij heel bleef, toen Izmir hem op zijn pink liet neersuizen.
"Dat is tenminste beter werk," zei hij, en hij gaf de smid een goede beloning.
Toen hij langs de oven kwam, liet hij zich niet door de oude man verleiden om iets van het brood te eten, en evenmin dronk hij van de wijn uit het vat.
Zo fris als een hoentje kwam hij bij de rivier waar hij twee bruggen zag.
"Elke gek zal natuurlijk over die ijzeren brug lopen," dacht hij, "maar ik zal de houten kiezen." Toen hij de twee appelbomen gewaar werd, dacht hij: "Met die rijpe appels zal er waarschijnlijk wel iets aan de hand zijn. Laat ik maar een onrijpe nemen."
Toen de duivel dat gezien had, vermoedde hij dat hij een geduchte tegenstander voor zich had en hij haalde zijn lans om op het ergste voorbereid te zijn. Toen liep hij recht op Izmir af en brulde: "Wanneer je je niet aan mij onderwerpt, zal het met je gedaan zijn!"
"En wanneer jij je niet overgeeft, zal ik je in mootjes hakken!"
"Laten wij dan maar eens kijken wie van ons overwinnaar wordt," brieste de duivel. Zij vielen op elkaar aan en een tijdlang was er niets anders te zien dan één grote stofwolk en niets anders te horen dan het geluid van ijzer op ijzer. Toen het stofgordijn was opgetrokken, zag Izmir het ontzielde lichaam van de duivel op de grond liggen. Er naast lagen drie koppen en een lans die in duizend stukken was gebroken. De dappere held sneed het duivelslichaam van onder tot boven open en tot zijn onuitsprekelijke vreugde kwamen zijn zuster en zijn twee broers ongedeerd naar buiten.
Omdat zij verschrikkelijke dorst leden, bracht Izmir hen bij een bron. Hij nam hun gordels en knoopte deze aan elkaar. Langs dit touw liet hij eerst zijn oudste broer in de put afdalen, toen zijn tweede en eindelijk zijn zuster.
Toen zij hun dorst hadden gelest, zei Izmir: "Nu is het mijn beurt, maar denk er aan dat jullie mij voorlopig niet ophalen. Dat mag alleen wanneer ik roep." De jongeman zocht daar beneden naar een uitweg. Spoedig vond hij een zware deur die hij opende. Hij aanschouwde een kamer die vorstelijk was ingericht en waarin drie meisjes zaten, die stuk voor stuk even mooi waren als de maan van veertien dagen.
De meisjes waren zeer verbaasd dat er in hun onderaards verblijf een menselijk wezen was doorgedrongen en zij vroegen aan Izmir hoe hij het gewaagd had in de grot van de duivel af te dalen. "Die duivel leeft niet meer," zei de jongen kalm, "dus hoeven jullie ook niet bang voor hem te zijn. Hij bevindt zich nu op de plaats waar hij thuis hoort: de onderwereld."
"O, bevrijdt ons dan!" smeekten de meisjes tegelijk. "Wij zijn door dat monster uit het paleis van de sultan geroofd en wij zitten hier al zeven jaren opgesloten."
Izmir maakte de deur voor hen open en riep naar boven. Eén voor één werden de sultansdochters opgehaald en daarna klauterde Izmir langs het touw naar boven.
"Wie de oudste van jullie is," zei hij toen, "mag met mijn oudste broeder trouwen, zelf kies ik de jongste." Nu, daar hadden de broers niet het minste bezwaar tegen. De drie meisjes huppelden vrolijk voor hen uit. De sultan was zeer verheugd toen hij hoorde dat de driekoppige duivel, die al zovele van zijn onderdanen verslonden had, onschadelijk was gemaakt. Maar zijn grootste vreugde was dat hij zijn dochters weer terugzag en dat zij elk een goede echtgenoot hadden gevonden.
Omdat het een driedubbel huwelijksfeest was, scheen er aan het banket geen einde te komen. Van de vroege ochtend tot de late avond klonk er muziek en voerden danseressen hun bevallige dansen uit. En om het volk ook iets te gunnen, liet de sultan wijn spuiten uit de drie grote fonteinen vóór zijn paleis. Zo was dan ook iedereen tevreden en het meest de oude moeder die maar steeds mompelde: "Dat Allah mij dit nog heeft laten beleven!"
Er komt een vrouw bij de dokter en zegt: "Ik heb een man streep bij mijn poes". Zegt de dokter: "Doe je broek en je slipje maar even uit". De vrouw kleedt zich uit en de dokter bekijkt het. Zegt de dokter ineens: "Mag ik u wat vragen"? "Ja" zegt de vrouw. "Wat voor beroep heeft u man eigenlijk"? Waarop de vrouw antwoordt: "Bouwvakker". "Nou", zegt de dokter "Als jij je nu eens weer beft, laat hem dan zijn potlood achter zijn oor vandaan halen".
Een man rijdt in zijn Ferrari over een landelijk weggetje
en ziet plots een klein gezellig cafeetje,
met enkele Mercedessen, Porsche's, BMW's en Ferrari's voor de deur.
Gezellig denkt de man en wipt even binnen.
Hij stapt binnen en tot zijn grote verbazing merkt hij dat er geen
mens te zien is in het cafe.
Hij bestelt een whisky en vraagt aan de bloedmooie cafebazin
waar al de mensen van die mooie wagens daarbuiten zijn.
Oh zegt ze, die zijn allemaal van mijn zoon.
De man bekijkt de dame eens goed en vraagt zich af
Hoe dat mogelijk is en hoe zo'n jong ding met deze auto's kan rijden.
Hoe kan dat vraagt de man. Waarop de waardin antwoord,
mijn zoon wint deze auto's met een weddenschap.
Ondertussen komt het bazeken van amper 7 jaar binnengesloft.
Denkt de man : "dit is de moment" "Awel baaske, met U zou ik ook wel eens willen wedden voor zo'n mooie auto." "OK", zegt de kleine, "maar al wat ik doe moet jij exact kunnen nadoen,
of ge zijd Uwen auto ook kwijt." Als't dat maar is, denkt de man. De weddenschap begint.
De kleine gaat naar zijn moeder en kust haar op de mond.
De man springt recht en doet juist hetzelde.
De kleine gaat naar zijn moeder en begint die over haar borsten te wrijven,
innig te zoenen en glipt met zijn handje in haar slipje. Wat een leuke weddenschap denkt de man,
wanneer de kleine klaar is springt de man ongeduldig op,
vliegt naar de cafebazin en doet precies alle dingen
zoals de kleine het voordeed.
De man is door het dolle heen van extase en denkt,
amaai dat is hier binnen, hé. De kleine staat recht en zegt, nu nog de derde proef,
Op een mooie dag waren beer en konijn aan het spelen. Beer had een nieuw hoedje gekregen en zette hem op! Konijn vond hem heel grappig staan. Toen gingen ze zich verkleden en Beer was een rare man met een hoed en Konijn was een clown. Opeens hoorde ze iemand praten. Ze wisten niet wie het was en ze herkende de stem ook niet. ‘’wie was dat?’’ vroeg Beer. Konijn wist het ook niet. Toen hoorde ze weer iemand praten. Het kwam boven het hoofd van Beer uit. Het was het nieuwe hoedje! Het was een praat hoedje. ‘’Hallo zei’’ het. ‘’Ik ben Luis’’. ‘’En wie zijn jullie??’’ ‘’Ik ben Beer, En hij is Konijn!’’ ‘’Wil jij onze nieuwe vriend zijn??’’ ‘’oke’’ Zei Luis. ‘’Maar jullie mogen wij ook het Praathoedje noemen! ‘’ Het praathoedje praatte en praatte tot Beer zei: ‘’ zullen we nu weer gaan verkleden?? ‘’ Even later gingen ze met zijn drieën veder spelen. Het Praathoedje ging ook verkleed. Opeens kwam een jongentje de kamer binnen en pakt Beer, Konijn en het Praathoedje. Hij gooide ze zo hoepla de vuilnisbelt op! Een paar dagen later zagen twee meisjes en hun moeder ze liggen en namen ze mee naar huis en gingen er mee spelen. Beer en konijn en Luis waren heel erg tevreden want nu werden ze tenminste gebruikt en ze gingen vrolijk meedoen. Een jaar later waren de meisjes al 10 geworden en wilden ze de popen niet meer. Beer en konijn waren ook het praathoedje kwijt. Ze zochten en ze zochten maar ze vonden hem niet. Het Praathoedje was weg ge gooit. Twee dagen later werd Konijn ook weg ge gooit. Beer was heel erg verdrietig. Nu was hij zijn vrienden kwijt en had hij niemand om mee te spelen. Hij was nog heel lang alleen tot de dag aan brak dat hij ook weg ge gooit werd. Hij zocht op de vuilnisbelt maar zag zijn vrienden niet. Hij zag wel een kartonnen doos. Hij ging naar binnen want hij had het heel koud gekregen. En wie zaten daar? Konijn en Luis!! Ze vlogen op en knuffelde Beer plat. Maar er zat nog iemand. ‘’ Dit is Panda ‘’ zei konijn. Panda was eerst ook van die twee meisjes maar werd ook weg ge gooit. Nu had Beer weer zijn vrienden terug. En had hij ook nog een nieuwe!! Hij was heel erg blij!! Zo als gewoonlijk praatte het Praathoedje hem de oren van zijn hoofd af. maar dat vond hij niet erg!!
3 hoeren zitten in n cafe en hadden al behoorlijk wat alcohol achter de kiezen. zecht de 1e hoer ik kan 1 biljartbal in mn kut stoppen en plopt zo 1 bal in dr doos. zecht de 2e hoer aaa dat is makkelijk ik stop er zelfs 2 ballen in, en "plop" zo 2 ballen in dr doos. En de 3e hoer moet zo hard laggen dat ze over der krukje heen zakt.
Een Engelsman, Hollander en een Belg rijden in de mist op de A16. De Engelsman ziet op den duur niets en staat op z’n remmen. De Hollander rijdt vol op de Engelsman en de belg op de Hollander. De Hollander stapt uit z’n auto en zegt tegen de Engelsman; “Sorry”. De Engelsman verschuldigd zich ook en zegt;”I’m sorry too”. De belg, die zich ook wil verontschuldigen zegt daarop “I’m sorry three”.
Er was eens een herder die schapen hoedde. De afspraak was dat hij voor elk lam dat geboren werd vijftien penningen zou beuren, maar dat voor elk schaap dat zoek raakte vijftien penningen zouden worden afgetrokken.
Op een nacht kwam er een man bij hem - hij woonde in het bos, waar hij een mooie hut gebouwd had - die hem vroeg of hij bij hem kon blijven overnachten. "Kom," dacht de herder, "laat me dat nu eens vijftien penningen kosten!" en hij slachtte een lekker mals lam en bereidde een waar feestmaal voor de reiziger. Daarna legden ze zich ter ruste.
De volgende morgen sprak de reiziger tot de herder: "Ga eens naar de schaapskooi je schapen bekijken!" Hij repte zich derwaarts en zag dat de kooi vol stond met schapen. En in het midden van de kudde prijkte een reusachtig rood lam! De vreemdeling zei: "Geef alle schapen rustig aan je baas, maar zorg dat je dat rode schaap niet kwijt raakt. Dat moet je houden!"
Zijn baas gaf hem vijftien penningen per stuk voor z'n schapen, en toen hij de thuisreis aanvaardde liep het rode lam hem braaf achterna. Onderweg stapte hij in een herberg af om daar de nacht door te brengen. Het herbergiersgezin bestond uit man, vrouw en één dochter - meer kinderen hadden ze niet.
De volgende morgen vroeg gingen de man en de vrouw naar de droogoven. Het meisje zei, terwijl ze op het rode lam wees: "Van die vacht zou je mooie handschoenen kunnen maken!" Maar toen ze er een pluk van wilde afknippen bleven haar handen aan het schaap vastzitten.
Ze begon hartverscheurend te huilen, en het duurde dan ook niet lang of haar vader kwam uit de droogoven gesneld en sloeg het lam met een roe. Doch ook de roe bleef aan het schaap vastzitten, en de man aan de roe.
Nu trad de vrouw naar buiten met een bezem in de aanslag. Ze haalde uit naar het rode schaap, doch tot haar onaangename verrassing bleef de bezem aan het schaap kleven en zij weer aan de bezemsteel!
Nu wilde het geval dat de koning een dochter had, die altijd treurig was en nooit lachte. De koning had bekend laten maken dat hij de man die zijn dochter aan het lachen kon brengen de helft van zijn rijk plus zijn dochter tot vrouw zou geven.
De herder ging erheen met zijn schaap - waaraan dus het complete herbergiersgezin bungelde - en de koningsdochter moest zo lachen dat de tranen haar over de konen biggelden.
De herder kreeg de prinses tot vrouw, en ook nog de helft van het koninkrijk. Hij bevrijdde het vastgekleefde gezinnetje, en ze leefden nog lang en gelukkig - misschien zelfs wel tot op de huidige dag...
Er was een rivier en boven die rivier daar vloog een vliegje, maar in die rivier daar zwom een zalm en die zalm die dacht: "als dat vliegje nou naar beneden vliegt, dan eet ik mooi dat vliegje op". Maar langs de kant daar stond een beer en die beer die dacht:"als dat vliegje nou naar beneden vliegt, en die zalm die pakt dat vliegje, dan eet ik mooi die zalm op". Maar langs de kant daar stond een jager en die jager die dacht: "als dat vliegje nou naar beneden vliegt, die zalm die pakt dat vliegje, en die beer die pakt die zalm, dan knal ik mooi die beer dood". Maar achter die Jager daar zat een muis en die muis zag dat de jager net gegeten had en nog wat kruimels op zijn schouder had liggen en die muis die dacht: "als dat vliegje nou naar beneden vliegt en die zalm die pakt dat vliegje, die beer die pakt die zalm en die jager knalt die beer dood, dan vallen die kruimels en dan pak ik mooi die kruimels". Maar achter die muis daar zat een poes en die poes die dacht: "als dat vliegje nou naar beneden vliegt en die zalm die pakt dat vliegje, die beer die pakt die zalm, die jager knalt die beer dood,en die muis die pakt die kruimels, dan pak ik mooi die muis". Dus het vliegje vliegt inderdaad naar beneden en die zalm die pakt dat vliegje, de beer die pakt de zalm, de jager knalt de beer dood, de muis pakt de kruimels, en de poes springt mis en flikkert in het water. Wat is nou de moraal van dit verhaal?
Komt een man bij de dokter: Dokter, dokter, ik ben denk ik een beetje oversexed . Oh, we zullen het even testen. De dokter laat een plaatje van een blote man zien en de man zegt direkt: blote man, blote man, blote man. Dan laat de dokter een plaatje van een blote vrouw zien, zegt de man direkt: blote vrouw, blote vrouw, blote vrouw. Dan zegt de dokter dat hij denkt dat die man wel erg oversexed is. Zegt de man tegen de dokter: Wie is hier nou oversexed, jij laat al die vieze plaatjes zien!!!!
Camilia zette haar Converse tas op haar tafeltje in het lokaal. Ze haalde at de lolly op en gooide het stokje weg. Net toen ze ging zitten kwam hij binnen. Laurens. Knap, lang, humoristisch en lief. Het bewijs dat de perfecte jongen bestond. Soms keek Laurens zo lang naar Camilia dat ze even dacht dat hij haar wel zag zitten maar als ze dan naar hem keek en glimlachte draaide hij zijn hoofd weg en ging er een steek door Camilia's hart. De les was begonnen en Camilia zat zoals gewoonlijk alleen. Laurens zat aan de andere kant van de klas en hield een briefje in de lucht en gaf het aan zijn beste vriend. Hij gaf het door aan Sherly, zij gaf het door aan Neiro. Neiro las even wat er op stond en liet dat aan Gwen lezen, Gwen gaf het verder aan Mik die gaf het weer aan Marcel, Marcel aan Johanna en Johanna gaf het aan Camilia. Camilia opende het briefje en ze begon te stralen! 'Kom je na school naar het parkje, ik wil je spreken. Groetjes Laurens.' Camilia keek naar Laurens die naar haar keek en ze knikte waarop hij glimlachte.
Zoals afgesproken ging Camilia na school naar het park. Er zaten kriebels in haar buik en haar hart bonkte in haar keel. Daar zat hij, op het bankje bij de rozenstruiken en de fontijn. Een paar vlinders vlogen speels door de lucht en Camilia ging naast Laurens zitten op het bankje. 'Het Camil.' 'Hey.' zei ze voorzichtig. 'Je bent hier omdat ik je iets wil vertellen. Ik vindt je erg lief, en aantrekkelijk, en grappig. Wil je verkering?' 'Ja, niets liever dan dat!' Laurens kwam dichter bij haar en kuste haar.
Na een half jaar zijn ze nog steeds bij elkaar. Camilia heeft via Laurens vrienden gemaakt en ze zijn zielsgelukkig met elkaar. Maar op een dag zijn ze bij Laures thuis. Zijn ouders en broers zijn weg en ze zijn helemaal alleen. Samen kijken ze een horrorfilm. Een meisje in de film verstopt zich in de kast en buiten hoort ze hoe haar vriendinnen worden vermoord. Plots word er op de deur geklopt bij Laurens thuis. 'Oeh!'zegt Laurens spottend die de angst in Camilia's ogen las. 'Pas maar op het is de moordenaar met de gele truc.' Laurens deed open en Camilia keek naar buiten waar ze een gele truc zag staan. Net als de man in de horror film had. Laurens zag het. 'Als je zo bang bent dan ga je maar onder de tafel zitten oke? ik maak die griezel voor mijn lieve vrouwtje af.' De man aan de deur zag er gestoord uit maar er gebeurde niks. Volgens Camilia tenminste. De deur ging dicht maar ze hoorde geen Laurens die haar riep. Opeens kreeg ze een sms. Het nummen was onbekend. 0000. Camilia opende het smsje en las het. 'Lieve, lieve Camilia. Jouw vrees was niet voor niets. De man in de gele truc is een moordenaar. je moet vluchten. Ik help je, ookal ben ik niet zichtbaar. Voor jou zal ik verschijnen als je me naam zegt. Vooreewig en altijd weet je nog?' Camilia snikte en zei zacht zijn naam. Niet lang daarna verscheen het gedaante van Laurens. 'Hij staat buiten, hij zit in zijn gele truc. Doe de gordijnen dicht en ga via de achterdeur naar buiten.' Camilia deed wat Laurens zei. Ze pakte haar schoenen en sloot de grodijnen. Zo snel als ze kon ging ze via de achterdeur weg en belde de politie. Ze hoorde de politie voorom aankomen en de man uit de gele truc stond met ze te praten. 'Doe het niet!!' Krijste Camilia. Meteen stapte de man in de truc en overreed de agent. Hij stapte uit zijn truc en liep naar Camilia. Ze rende en rende maar de man was sneller. Hij stak haar met een mes en schreef met haar bloed op het raam: 'Er was een man, hij belde aan. Zette een stap. Jongen dood. Zette weer een stap, agent dood, weer een stap en het meisje is dood.' Hij legde de lijken van Laurens en Camilia tegen het raam. Hun gezichten waren verminkt en ze lagen in elkaars armen.
Een ontslagen ambtenaar meldt zich voor zijn eerste werkdag bij de supermarkt. De manager begroet hem joviaal, geeft hem een bezem en zegt: "Jouw eerste taak is om de vloeren aan te vegen." De ex-ambtenaar kijkt de manager verbaasd aan en stamelt: "Maar ? ik was hierv??r een hoge ambtenaar." ?Oh sorry, dat wist ik echt niet?, zegt de manager, ?Geef mij die bezem maar ? dan doe ik het even voor!?
Op een goede dag kwam een kameeldrijver met drie prachtige grote kamelen langs een dorpje in de bergen. De eigenaar van de kamelen had veel kostbare goederen bij zich: goud en zilver uit de landen aan de andere zijde van de woestijn, koralen opgedoken uit de Middellandse Zee en parels uit het Oosten. De toegang tot het dorp was versperd door een dichte cactushaag. Daarom bond de kameleneigenaar de beesten vast aan een stok in de grond en ging alleen door een kleine opening in de haag het dorp in. Daar werd hij verwelkomd door een man die sieraden maakte voor de plaatselijke bevolking.
De mannen bekeken elkaars spullen en onderhandelden over ruilen. Terwijl zij zo druk bezig waren was de echtgenote van de sieradenmaker een kijkje gaan nemen bij de kamelen. Deze dieren uit de woestijn met hun ongewone voorkomen waren in het bergdorpje een zeldzaam verschijnsel. Toen zij zag dat de kamelen de vruchten van de cactusplanten aan het vreten waren rende zij naar haar echtgenoot om hem te waarschuwen. Deze was verstoord over het feit dat de onderhandelingen over de ruil werden verbroken. Hij excuseerde zich bij zijn gast en liep met zijn vrouw naar de kamelen. Hij wees de grootste aan en zei: "Deze grote heet De Meester, die daar is De Meesteres en de kleine heet Mohammed." En terwijl hij zich tot de aldus heilig verklaarde kamelen wendde zei hij: "Doet u te goed aan de vruchten, want u hebt ze zelf geschapen."
Twee nederlandse soldaten en 1 belgische soldaat willen drugs smokkelen over de grens. De eerste Nederlander sluipt over de grens. hij trapt op een takje en: kraaaaaaak.... de wachters komen uit hun huisje en roepen: wie is daar? woef woef, roept de soldaat. De 2e nederlander probeert het ook. hij struikelt over een boomwortel en: plofffff..... De wachters komen weer uit het huisje en roepen weer: wie is daar? woef woef roept de soldaat. Dan probeert de belg het. Hij stoot zich aan een tak en weer: kraaaak..... de wachters uit hun huisje en weer: wie is daar? Roept de Belg: nog een hond!
Adam en Eva besluiten op dag 6 in het paradijs een strandwandeling te maken. Tegen de middag gaan ze onder een palmboom liggen rusten. Als Adam zo naast Eva ligt en hij haar goddelijke lichaam bewondert, kan een reactie niet uitblijven. Adam begint avances naar Eva te maken. Eva blijft hier ook niet koel onder en al gauw worden de vijgenbladeren afgeworpen en volgt er een vurig liefdesspel, waarbij de vonken er vanafvliegen. Tegen zonsondergang zijn beiden volledig bevredigd en uitgeput. Dan stelt Eva voor om naar het paradijs-restaurant te gaan voor een hapje eten. Meteen als Eva opstaat voelt ze alle liefdessappen langs haar benen glijden en ze zegt dan ook tegen Adam: "Wacht even, dan loop ik de zee in om me af te spoelen." Zo gezegd, zo gedaan. Eva loopt het water in en staat tot aan haar navel in het water, de benen enigszins gespreid en zich van geen kwaad bewust ongegeneerd haar kruis te soppen. Plots kijkt ze op en daar God met grote boze stappen over het water aan komen lopen. Bij Eva aangekomen, vraagt God: "Waar ben jij in MIJNnaam mee bezig?" Eva: "Ik ben mijn muts aan het soppen, want Adam en ik hebben de hele middag liggen vrijen op het strand." God: "Da's mooi klote, want ik heb net de vissen geschapen en hoe krijg ik nou ooit die lucht weer van die beesten af?
Het was een hete dag, net zo heet als het de vorige dag geweest was, en de dag daarvoor. De boeren konden zich niet meer herinneren wanneer er regen gevallen was en wanneer de verzengende zon dag in dag uit was begonnen te schijnen. Met sombere gezichten zaten ze voor hun armelijke hutten en spraken over de mislukte oogst en het ongeluk dat juist hun getroffen had. De brandende zon had hun graanoogst geheel verzengd. Ze vroegen zich af of Elias, de strenge, boos op hen was, of dat God de Heer hen wilde doen beseffen hoe zondig ze waren en dat dit een waarschuwing was. Maar wat moesten ze met deze verschrikkelijke droogte, terwijl ze bijna geen eten meer hadden. De akkers van de arme boeren lagen er verschroeid en kaal bij. Ja, de rijke boeren hadden nog een schamele oogst gehad, doordat zij hun akkers konden bevloeien, maar weldra zou onder de arme boeren de hongersnood heersen.
Terwijl ze zo met elkaar over hun ongeluk praatten naderde hen een oude grijze man. Geen van de boeren kende hem; hij kwam vast niet uit deze streek. "Waarom kijken jullie zo bedrukt?" vroeg hij de boeren, terwijl hij bij hen bleef stilstaan. "Is er een ongeluk gebeurd?" Een van de boeren stond op en wees naar de velden. "Zie je niet hoe onze akkers eruit zien? De verzengende zon heeft alles verbrand!" De oude man keek om zich heen en richtte daarna zijn blik van de een naar de ander. Hij schudde zachtjes zijn hoofd en sprak: "Beste mensen, als jullie nog een handvol roggekorrels hebt, breng me die dan."
De boeren keken elkaar verbaasd aan en keken toen achterdochtig naar de oude man. Ze begrepen niet wat hij wilde. Wilde hij hen voor de gek houden en bespotten in hun ellende? Ze overlegden met elkaar en besloten ten slotte toch maar een handjevol rogge te halen. Je kon nooit weten wat die oude grijsaard ermee zou doen. Zorgvuldig nam de oude man de roggekorrels in ontvangst en liet zich van de ene hut naar de andere brengen en bij iedere boerderij bekeek hij alles zorgvuldig. De boeren keken elkaar verbaasd aan, toen ze zagen dat hij op ieder erf, vlak voor de broodovens een roggekorrel neerlegde. Toen hij overal geweest was vroeg de grijsaard nadrukkelijk: "Ben ik overal geweest? Heb ik geen boerderij overgeslagen?"
De arme boeren knikten en begonnen met elkaar te overleggen wat de zin van dit alles zou zijn. Intussen letten ze niet op de oude man en hij verliet de armelijke hutten zonder dat iemand het merkte. Pas toen ze tegen de avond hem wilden uitnodigen voor een schamele maaltijd merkten ze dat hij was verdwenen.
Het werd avond en de boeren legden zich ter ruste. De volgende ochtend werden ze wakker en keken somber uit het raam om te zien of er eindelijk regenwolken in aantocht waren om hun ellende te keren. Maar wat ze zagen deed hen zo verbaasd staan dat ze geen woord konden uitbrengen. Daar waar de oude man voor iedere oven een graankorrel had neergelegd groeide een rijpe roggeaar en overal stak uit de schoorstenen wederom een rijpe roggeaar. En terwijl zij rondkeken in hun huizen ontdekten ze dat het kleine lampje voor de icoon van Nicolaas helder brandde. Buiten gekomen zagen ze dat op hun akkers het rijpe graan in de wind heen en weer wiegde. Toen begrepen ze wie die oude man geweest was die hen gisteren op zo vreemde wijze had bezocht: het was Nicolaas de barmhartige.
Een boer is met zijn knecht op het land als hij tot aan zijnenkels in de blubber zakt."Ga mijn laarzen halen", zegt de boer. Als de knecht bij de boerderij is komt hij de twee bloedmooiedochters van de boer tegen."He, wat doe jij nou hier", vragen de meiden."Ik mag van de boer met jullie allebei naar bed," zegt hij."Daar geloven we niks van," zeggen de meiden."Oh nee? Wacht maar dan vraag ik het hem," zegt de knecht.En hij roept keihard naar de boer op het land :"Moest ik er nou 1 pakken of 2 ?" De boer schreeuwt terug : "Allebei natuurlijk!"
volle mond Drie meisjes mogen alledrie een vriend uitnodigen om te logeren. s'Avonds gaat hun vader luisteren langs de deur. Bij de eerste deur hoort hij:'Au, au, au.' Hij denkt:'vreemd maar ik vraag morgen wel.' Bij de tweede deur hoort hij: Hihihihi. En bij de derde deur hoort hij niks. De volgende vraagt hij aan het eerste meisje:'Waarom hoorde ik bij jou au au au?' 'Een grote lul in een kleine kut doet zeer.' 'En waarom hoorde ik bij jou gegiechel?' 'Een kleine lul in een grote kut kietelt.' 'En waarom hoorde ik bij jou niks?' 'Ik mag niet met volle mond praten.
De hemel, een oneindig uitgestrekte witte vlakte, zo wit als melk - vandaar dat zij later de Melkweg genoemd werd - werd eens bewoond door de goden.
Zij lijken op ons, mensen, maar zij zijn veel machtiger, groter, sterker, lichter en ook veel mooier. Zij lopen niet, maar zweven, en zij hebben geen behoefte aan voedsel en drank, aan rust en slaap, zoals de aardse stervelingen. Deze laatste bestonden toen trouwens nog niet, want er was nog geen vaste aarde, maar alleen een woeste en onstuimige zee.
Op een onvergetelijke dag kwamen de oudste goden op de Melkweg bijeen en besloten om de wereld te scheppen. Was het omdat zij hun volmaakt bestaan te eentonig begonnen te vinden, of verlangden zij naar wezens die op hen geleken en die zij konden liefhebben en met hun zorgen omringen? Waarschijnlijk was het om beide redenen.
In ieder geval droegen zij twee jonge godheden op om de wereld te scheppen en deze met hun nakomelingen te bevolken. Het waren Izanagi, een god met een lange baard en een krachtige, forse gestalte en de jeugdige en knappe godin Izanami, wier rank lichaam in een lang wit kleed was gehuld.
"Izanagi en Izanami, wij dragen U op de aarde te vormen en met elkaar te trouwen, zodat wij ons kunnen verlustigen in de aanblik van Uw kinderen en kindskinderen. Bemint elkaar en vermenigvuldigt U! Wij beloven dat jullie mooie kinderen zult krijgen."
De twee godheden namen deze eervolle opdracht dankbaar aan. Zij dankten de goden, gaven elkaar een hand en vertrokken. Izanagi hield zijn gouden lans, versierd met edelstenen, in de hand en Izanami keek bewonderend naar hem op. Na een tijd kwamen de twee godenkinderen bij een wonderlijke brug. Het was een halve cirkel die zich naar alle kanten uitstrekte zover het oog kon reiken. Deze regenboog bevatte alle kleuren die maar denkbaar waren, van dieppurper tot felrood, met alle kleurschakeringen ertussen. Op het hoogste punt van deze boog hielden de godenkinderen een ogenblik stil en keken naar beneden. Onder hen bruiste de onmetelijke zee in eindeloze deining. Boven de azuurblauwe golven dartelden witte schuimkoppen. Langzaam daalden zij over de regenboog naar beneden af. Izanagi dompelde zijn speer in het zilte nat en bewoog hem heen en weer. Hij sprak daarbij: "Koworo! Koworo!" En zie, er gebeurde een wonder! Toen Izanagi zijn lans terugtrok, droop er dik schuim vanaf, dat zich op het water vasthechtte, zich uitbreidde en steviger werd. Het was de eerste aarde die zich onder de hemel vertoonde. Weliswaar was het een klein eiland, maar het was stevig genoeg om erover te lopen. Zo werd het eiland Onogoro-jima geboren, het oudste eiland van Japan.
Gracieus als meeuwen die op een rots neerstrijken, zweefden Izanagi en Izanami naar beneden en zetten zich op het eiland neer. Wat een vreugde was het voor hen als eersten op aarde te mogen verblijven. Izanami scheen de wereld der goden vergeten te zijn en richtte haar stralende ogen op het knappe gezicht en het gespierde lichaam van haar metgezel.
"Zullen wij nu gaan trouwen?" stelde zij voor. Haar glimlach werd door de glimlach van Izanagi beantwoord en uit hun ogen sprak dezelfde tederheid en dezelfde hartstocht.
"Laten wij elkaar beminnen en voor een nageslacht zorgen," sprak het meisje. En de beide godenkinderen verenigden zich met elkaar. Vol ongeduld wachtten zij op hun eerste kind. Maar wat een teleurstelling; het leek helemaal niet op hen! Izanami had een monster gebaard dat op een grote bloedzuiger leek. Zij waren zo diep geschokt dat zij er niet naar wilden kijken. Uit twijgen vervaardigden zij een bootje, legden het wezen erin en lieten het met de stroom wegdrijven. Het tweede kind werd opnieuw een teleurstelling. Het leek op een grote kwal, en de ouders lieten het liggen waar het ter wereld was gekomen. Wanhopig besloten zij om de goden uitleg van dit raadsel te vragen.
"Waarom hebben wij geen mooie kinderen gekregen, zoals ons beloofd was?" vroeg Izanagi.
"Het is de wil des hemels!" antwoordden de goden. "Volgens de regels van de schepping moet de man de vrouw ten huwelijk vragen en niet omgekeerd. Izanami heeft het eerst gesproken en daarom is dit ongeluk over jullie gekomen. Ga naar de aarde terug en denk aan wat wij gezegd hebben!"
Het jonge paar wist niet wat zij hierop moesten antwoorden. Zij bogen het hoofd en verlieten de hemel om weer naar de aarde terug te keren. Daar aangekomen, durfde de godin haar gemaal niet meer in de ogen te zien, noch tegen hem te spreken. Toen Izanagi merkte dat zijn vrouw zich zo schuldig voelde, kreeg hij diep medelijden met haar en zei: "Geliefde, het is jouw schuld niet! De goden hebben ons niet van tevoren ingelicht en ik mag mij even schuldig gevoelen." De jonge god keek met welgevallen naar de bekoorlijke gestalte van zijn vrouw. Hij zag hoe verdriet haar blik verduisterde en hoe haar mond gesloten bleef. Langzaam boog zij het hoofd, terwijl er een paar tranen uit haar ogen drupten. Izanagi sloeg zijn armen beschermend om haar heen en weer verenigden zij zich.
Hun gehoorzaamheid aan de goden werd beloond, maar heel anders dan zij gedacht hadden. Zij kregen kinderen en het werden de mooiste kinderen ter wereld: de Japanse eilanden met hun rotsen en hun bergen, hun beekjes en rivieren, hun pijnbomen en kersenbomen. En toen de schepping van deze eilanden voltooid was, verschenen ook de dieren en de mensen. Alles wat er op de Japanse eilanden groeit en leeft, zijn kinderen van Izanagi en Izanami.
Loopt een oud mannetje op de Amsterdamse wallen. Vraagt een hoer:"Hee opa, zullen we het nog eens proberen?" Zegt opa:"Nee meid,dat gaat niet meer" Zegt die hoer:"Kom kom,we gaan het gewoon proberen." Hij naar binnen,en gaat er op als een jonge vent,wel 5X achter elkaar. "Pff, zegt die hoer,je zei nog wel dat het niet meer ging." Zegt opa:"Ja,dat kan nog wel,maar betalen niet meer.
Er was eens een bejaarde koopman, Aboe Kasim heette hij, die de rijkste koopman in heel Perzië was. Hij was overigens zo gierig, dat hij in lompen door de straten van de stad liep, alsof hij een arme bedelaar was. Zijn gewaad was oud en tot op de draad versleten en zo vaak versteld met lappen in andere kleuren, dat niemand meer kon beoordelen welke kleur het kledingstuk oorspronkelijk had gehad. Met zijn tulband stond het al niet veel beter. Het was een groezelige tulband van de goedkoopste stof, die ooit op enige markt was verkocht en die meer aan een dweil voor het schoonmaken van vloeren deed denken dan aan een hoofdtooi.
Dit alles werd nog ver overtroffen door zijn muilen. In de zolen zaten grote gaten en de bovenkanten vertoonden een mozaïek van opgezette lapjes - zoveel, dat men bij het tellen in de war zou zijn geraakt. Zeker tien jaar lang hadden diverse schoenlappers hun beste krachten aan die haveloze muilen gewijd en het was hun steeds moeilijker gevallen ze bijeen te houden.
De muilen waren geleidelijk zo berucht geworden, dat ieder die wilde beschrijven dat iets totaal waanzinnig of onmogelijk was, aan zijn woorden toevoegde: "alsof het de muilen van Kasim waren!"
Op een avond liep de koopman in voortreffelijk humeur over de markt. Hij had die ochtend een grote partij geslepen drinkglazen kunnen kopen tegen een zacht prijsje, doordat de man die ze te koop aanbood, hals over kop naar zijn glasblazerij terug moest en geen tijd voor onderhandelen had. Tegen de middag was hij aangeschoten door iemand die op zwart zaad zat, zijn schulden niet kon betalen en Kasim het enige te koop aanbood dat hij nog bezat - een partij rozenolie voor de halve prijs.
Volgens gebruik dienden dergelijke voordelige zaken gevierd te worden, men nodigde dan zijn vrienden uit voor een feestmaal. Kasim evenwel was van mening beter naar de badinrichting te kunnen gaan. Hoewel hij op water even gek was als de kat, viel het niet te ontkennen dat hij in het badhuis goedkoper uit zou zijn dan thuis met zijn vrienden, die hem de oren van het hoofd zouden eten.
Terwijl hij zich in de kleedkamer van zijn plunje ontdeed en juist uit zijn muilen wilde stappen, werd de koopman op de schouder getikt door een van zijn buren, met wie hij tamelijk goed bevriend was.
"Die muilen van jou, daar maakt de hele stad zich vrolijk om, Kasim," zei de vriend. "Het wordt hoog tijd dat je een paar nieuwe koopt. Geloof me, iedereen steekt de draak met je."
"Daar heb ik al heel lang over gedacht," antwoordde de koopman en hij kreeg rimpels in zijn voorhoofd; "ik heb voor en tegen van zo'n aankoop langdurig overwogen. Ik ben jammer genoeg nog niet tot een besluit gekomen, ik weet niet of mijn muilen werkelijk zo versleten zijn, dat ze niet meer gebruikt kunnen worden."
Kasim had niet eens gemerkt dat ze onder het praatje tot vlak bij de rand van het bad waren gekomen. Klappertandend stak hij behoedzaam de grote teen van zijn rechtervoet in het water, alsof hij zich in de bek van een leeuw waagde. Terwijl hij zich kweet van de hoogst onaangename wastaak, werd de deur aan de straat geopend en de eerste rechter van de stad kwam binnen, ook met het doel een bad te nemen.
De koopman was al heel gauw klaar en repte zich naar de kleedkamer, waar hij zijn bundeltje kleren bijeen zocht en zich haastig aankleedde. Maar bij de baard van de Profeet, waar waren zijn oude muilen? Waar hij ze achtergelaten had, stond nu een paar fraaie nieuwe pantoffels. Hij nam aan dat ze een geschenk waren van de buurman, met wie hij even tevoren had gepraat. Zonder zich te bedenken stak de oude vrek er zijn voeten in. "Aardige man," dacht hij bij zichzelf, "hij heeft me de aanschaf kosten van een paar nieuwe muilen willen besparen." Opgeruimd verliet hij de badinrichting.
Onderwijl was ook de rechter klaar met zijn bad. Hij kleedde zich op zijn gemak aan, maar toen hij zijn voeten in zijn pantoffels wilden steken, bleken ze verdwenen en vruchteloos zocht de badknecht naar het fraaie schoeisel met het goudborduursel. In een hoek van de kleedkamer vond men alleen de opgelapte muilen met de losse zolen, die de rechter dadelijk als het eigendom van Kasim herkende.
"Dacht je zo van je oude muilen af te komen, jij schurk?" mompelde de rechter. "Je bent niet alleen een dief, maar een brutale rakker ook. Je moet wel lef hebben, als je de eerste rechter van de stad gaat bestelen, maar je zult ervan lusten, vriend!"
De rechter stuurde zijn sterkste knecht naar het huis van de vrek en Kasim werd al gauw voor hem geleid. Om te beginnen moest hij de pantoffels van de rechter afstaan en daarna werd hij in de gevangenis opgesloten en hij kreeg pas na het betalen van een stevige boete zijn vrijheid terug.
"Weg met jullie, oude muilen, jullie hebben me heel wat narigheid bezorgd," riep Kasim nijdig, zodra hij weer thuis was. Hij greep de muilen en smeet ze uit het open raam de rivier in, die langs zijn woning stroomde.
De muilen dreven overigens niet ver af. De vissers die hun netten even verder stroomafwaarts hadden uitgeworpen, haalden onverwacht een vangst op, die hun meer ergernis dan dankbaarheid gaf. Hun netten waren gescheurd door de spijkers, die uit de afgetrapte muilen staken en ze waren de hele nacht met herstellen bezig.
De volgende ochtend schrok Kasim wakker door het rinkelen van brekend glaswerk. Hij schoot overeind, wreef zijn ogen uit, keek om zich heen, keek beter toe en kon niet geloven wat hij zag - alle fraai geslepen glazen die hij voor een prikje had gekocht, lagen in scherven en de rozenolie die hij voor halve prijs had weten te bemachtigen, stroomde uit de gebroken flessen op het tapijt. Het meest schrok hij evenwel van de aanblik van zijn oude muilen, die te midden van de scherven lagen.
De vissers die de muilen als het eigendom van Kasim hadden herkend, hadden de moeite genomen stroomopwaarts naar zijn huis te roeien en ze door het raam weer naar binnen te gooien. Indien ze de schade hadden kunnen zien die ze met hun daad hadden aangericht, zouden ze bijzonder voldaan zijn geweest.
De oude vrek sprong zijn bed uit zo vlug als hij kon, ging op zoek naar een schop en een emmer en begon de grote hopen scherven op te ruimen en hij ging onderwijl te keer als een dolleman. "Vervloekte dingen, duizendmaal vervloekte dingen, nu zal ik wel zorgen dat jullie me niet meer geld kunnen kosten!" krijste hij tegen de muilen.
Hijgend en steunend groef hij later een diepe kuil in zijn tuin, smeet er de muilen in en bedekte ze met aarde. Hij was zo verdiept in zijn bezigheid, dat hij niet merkte over de haag te worden gadegeslagen door een andere buurman. Deze man kon Kasim niet luchten of zien en liet nooit een kans voorbij gaan hem onaangenaam te zijn. Toen hij de koopman zo driftig de spade zag hanteren, begaf hij zich ijlings naar de landvoogd en deelde mee, dat Kasim in zijn tuin een schat had opgegraven.
Meer was er niet nodig om de hebzucht van de landvoogd te wekken. Hij liet Kasim ogenblikkelijk door de politie uit zijn huis halen. En zodra Kasim voor hem werd geleid, begon de landvoogd tegen hem uit te varen met zo'n bulderende stem, dat de duiven op het dak van het zomerpaleis verschrikt opvlogen, alsof er een vuurwapen was afgeschoten.
"Weet je niet, dat alle geld en alle kostbaarheden die op het grondgebied van deze stad worden opgegraven, rechtens mijn eigendom zijn?"
"Zou ik de wet niet kennen, excellentie?" jammerde Kasim. "Maar ik heb niets opgegraven - ik heb alleen mijn oude muilen in de grond gestopt, die me al zoveel ellende hebben bezorgd."
Al zijn plechtige verzekeringen baatten hem evenwel niet. Er werden mannen naar zijn tuin gezonden en ze kwamen met de twee bemodderde muilen terug, maar de landvoogd zag zijn hoop op een kostbare schat vervliegen en daarvoor nam hij wraak op Kasim. Hij legde de koopman een hoge boete op, die hem zelf enigszins schadeloos stelde voor de schat die hem ontgaan was.
En zo moest de oude vrek voor de derde maal zwaar betalen voor zijn muilen.
"De duivel moge ze halen!" riep Kasim en in zijn wanhoop rende hij met zijn muilen in de hand tot ver buiten de stad, alsof de duivel hem zelf op de hielen zat. Hij draafde waar zijn voeten hem brachten en kwam uit bij een aquaduct, waar het snel stromende water hem opeens tot staan bracht. Hier kon hij van zijn muilen afkomen! Hij smeet zijn schoeisel in het snelstromende water, dat de muilen meevoerde naar onbekende verten. Overtuigd dat hij ze nu niet meer terug zou zien, keerde Kasim zich om en wandelde bedaard naar de stad terug om zijn verliezen op te tellen.
Overigens kan niemand in de toekomst kijken. Zodra Kasim de stad had bereikt, zag hij dat de huisvrouwen zich in de straten verdrongen en zich beklaagden over de ramp die hun was overkomen - alle fonteinen in de stad stonden opeens droog. De mannen die de zorg voor de bronnen hadden, trokken er dadelijk op uit om na te gaan wat de oorzaak van het raadselachtig verschijnsel was en al gauw wisten ze meer.
Uit de hoofdleiding die alle fonteinen voedde, haalden ze niets minder te voorschijn dan - de muilen van Kasim! Ze waren in het water tot buitengewone omvang opgezet en hadden de watervoorziening voor de hele stad gestremd. De muilen werden in optocht door de volle straten naar de landvoogd gebracht. Luid schreeuwden de mensen dat de vrek, die hun zoveel overlast had bezorgd, streng gestraft moest worden.
"Het is me een onuitsprekelijk genoegen u vandaag voor de tweede maal te ontvangen, waarde Kasim," zei de landvoogd. "Je kunt kiezen: of een maand op water en brood de gevangenis in, of een boete. En om je te tonen hoe hoog ik je aansla, de boete wordt tweemaal het bedrag van vanmorgen."
De koopman die de gevangenis meer vreesde dan de armoede, moest nog eens zoveel zakken goud in de schatkist van de landvoogd storten, waarna hij naar huis mocht gaan. Hij was evenwel nog niet ver gekomen, toen een van de dienaren van de landvoogd hem inhaalde en hem het bevel overbracht dat hij terug moest komen, want hij had iets achtergelaten.
De vrek liet zich dat geen tweemaal zeggen. Hij repte zich terug naar het paleis in de hoop, dat de landvoogd spijt had gekregen van de hoogte van zijn boete. Hij had zich vergist; de portier wees hem naar zijn doorweekte muilen, die in een hoek op hem wachtten. Door de open deur riep de landvoogd hem toe: "Het recht boven alles, vriend! Je hebt je boete betaald en mijn geweten gedoogt niet, dat ik je ook maar iets meer ontneem. Daar zijn je muilen terug, verslijt ze in vrede. De gedachte iets in mijn bezit te hebben dat jou toebehoort, zou mij van de slaap beroven."
Kasim greep zijn muilen met vertwijfeld gezicht. Hij zag in wat hem te doen stond. Verbranden moest hij ze. Maar daarvoor zou hij ze eerst moeten drogen en om die reden zetten hij ze in de zon op het dak van zijn huis. Helaas kreeg hij bezoek van de kat van de buurman, die graag van het ene dak op het andere sprong.
En katten zijn nieuwsgierig en deze kat kwam de muilen eens beter bekijken en sloeg er met de voorpoot tegen. De muilen bleven waar ze waren en dat stond de kat niet aan; hij wilde met die dingen spelen. Maar wat voor de kat een spel was, werd een ramp voor Kasim - de zwaarste ramp nog wel die hem de afgelopen dagen was overkomen. De kat sloeg harder en harder tegen de muilen en ze werden steeds dichter verplaatst naar de rand van het dak en opeens vielen ze naar beneden - precies op het hoofd van de stadsschrijver, die toevallig passeerde.
Door de onverwachte klap op zijn hoofd struikelde de man en viel over de stoep, waarbij hij zijn been brak. De mensen verdrongen zich om hem, toen hij naar huis werd gebracht en gezien deze wolk van getuigen diende hij op slag een aanklacht tegen de bezitter van de muilen in. De muilen zelf voegde hij als bewijsstukken bij zijn aanklacht.
"Je drijft het wel wat ver, vriend," riep de rechter, nadat Kasim voor hem was verschenen. Hij hield de afzichtelijke overblijfselen van de muilen tussen duim en vinger omhoog en zwaaide ze onder Kasims neus heen en weer.
"Nog geen week is er om en nu krijg ik al weer met die weerzinwekkende muilen te maken. Ik merk dat ik de vorige keer te mild ben geweest. Deze keer zal ik zorgen dat je me goed begrijpt!" En hij veroordeelde de koopman tot een hoge boete, vergeleken waarbij alle vorige te verwaarlozen waren.
Kasim nam zijn muilen in de handen, hief ze op zoals een priester de offerande en riep met een stem die stenen tot tranen zou hebben bewogen: "O Allah, weet dat deze twee de oorzaak zijn van al mijn leed en kwellingen. Twee armzalige stukken leer hebben me tot de bedelstaf gebracht. Een ding maar smeek ik u af - laat me niet langer schuldig worden bevonden voor de misdaden die deze muilen nog kunnen begaan. Ik verloochen ze voorgoed als ontaarde kinderen, want ik kan niet langer de verantwoording voor hun daden dragen!"
Zijn hartenkreet ontlokte zelfs de rechter een lach en hij beloofde de bede van Kasim te verhoren.
En zo leerde een oude vrek voor veel geld wat een man kan overkomen die te gierig is om een paar nieuwe muilen te kopen, die hij toch echt wel nodig heeft!
Komt een rechercheur op z'n werk, chagrijnig als de nete. Een collega spreekt hem aan: 'Je voelt je niet goed he? Heb ik een tip voor je, ik heb namelijk hetzelfde gehad. Toen heb ik een week vrijgenomen en me lekker door m'n vrouw laten verwennen. De rechercheur neemt een week vrij. Hij komt na een week weer terug, vrolijk en opgewekt. De collega van de tip komt naar hem toe: 'Het heeft geholpen zo te zien?' 'Zeker, zegt de rechercheur,'en ik moet zeggen dat je ontzettend leuk woont'..
Zegt de ene bejaarde tegen de andere: "Ik snap er niks van. Ik heb m'n gehoorapparaat ingedaan, maar ik hoor bijna niks." Zegt de ander: "Laat mij eens even naar je oor kijken, dan. Aha, ik zie het al: d'r zit een zetpil in je oor!" "Ai," zegt de andere, "dan ben ik bang dat ik ook wel weet, waar m'n gehoorapparaat gebleven is."
Er was eens een oude man die veel wist, een wijsgeer was hij, en hij ging een reis maken, die hem in vele landen zou brengen. Hij had al enige tijd rondgetrokken, toen hij onverwacht ziek werd. Verder reizen kon hij niet en hij vond onderdak bij een weduwe en haar zoon.
De weduwe was armer dan arm, maar ze verpleegde de wijsgeer met veel liefde en al gauw kwam de zieke weer op krachten. Eer hij afscheid nam, keek de oude man in de armelijke hut om zich heen en zei: "Ik heb naar u geluisterd als u bad; ik weet waarvoor u bang bent. U kunt uw zoon het nodige niet geven."
"Daar zegt u een waar woord," zei de weduwe. "Ik ben zo arm, dat ik 's nachts wakker lig van de zorg om Abdoellah. Hoe moet ik hem blijven geven wat hij nodig heeft, terwijl er al haast niet voldoende is voor één?"
"Geef hem mij dan mee," zei de wijsgeer. "Hij zal mij vergezellen op mijn reizen en ik zal voor hem zorgen alsof hij mijn eigen zoon was. Op die manier zal ik mijn dankbaarheid tonen voor uw goede zorgen, die u tijdens mijn ziekte aan mij hebt besteed."
Van een zware last bevrijd bedankte de weduwe de oude man met tranen in de ogen en daarna kuste ze haar enige zoon vol genegenheid. "Ik zal hier op je wachten, als je weer thuiskomt," zei ze. "Gedraag je goed, Abdoellah."
De twee liepen weg en ze bleef op de drempel staan en keek hen na, tot ze uit het gezicht waren verdwenen.
De oude man en de jonge Abdoellah trokken heinde en ver, over heuvels en door dalen, door dicht bevolkte steden en over stormachtige vlakten, door streken waar de boomgaarden in bloei stonden en langs de zandstranden van eindeloze zeeën.
De jongen vroeg onderweg nooit om eten of drinken, hij luisterde gretig naar wat de oude man wist te vertellen over de mensen die ze ontmoetten en over de plaatsen waar ze uitrustten. Vaak gebeurde het dat de jongen nauwelijks meer op zijn benen kon staan en dan wilden zijn gedachten wel eens afdwalen. Als het zo ver was, gaf de oude man hem zijn beste zorgen en wachtte tot hij in staat was verder te gaan. Maar als Abdoellah hem dan voor zijn liefderijke verpleging bedankte, zei de wijsgeer: "Dank, mijn zoon, wordt het best in daden uitgedrukt. En de kans daartoe komt - wees maar niet bang."
En zo betraden ze op zekere dag een dorre vlakte, ingesloten door statige rotsen. De jongen liep vlak achter de oude man, die diep doordrong in de ravijnen, die als een doolhof het gesteente binnen kronkelden. Alleen de adelaar die hoog in de lucht stond, zag hen verdwijnen.
"We zijn aan het eind van onze tocht gekomen, m'n zoon," zei de bejaarde man, toen ze een plek bereikt hadden waar de rotsen een halve kring vormden. "Met mijn gebeden en bezweringen zal ik trachten een van die rotsen open te doen gaan. Er zal in het beste geval niet meer dan een spleet ontstaan, waardoor alleen een kind zoals jij zich naar binnen kan wringen. Als je eenmaal binnen bent, zul je je bevinden in de ruimte, waar een van de grootste schatten die ooit op aarde bijeengebracht zijn, ligt te wachten. Als dit vooruitzicht je evenwel schrik mocht aanjagen, vertrekken we ogenblikkelijk uit dit oord en ik zal je je weigering niet kwalijk nemen."
Abdoellah bezwoer de oude man dat hij moedig was en dit graag voor hem zou doen en daarna legde de wijze in het midden van de halve kring een vuurtje aan en wierp wat kruiden op de vlammen, kruiden die hij altijd in een buidel bij zich droeg. Op hetzelfde ogenblik steeg er een wolk van geurende rook op in de lucht en maakte de omgeving wazig en de jongen hoorde de man bezweringen prevelen, waarvan hij niets begreep. De rook nam een gele kleur aan, werd vervolgens groen en ten slotte donkerrood, donkerder nog dan de mantel van de tovenaar. En opeens was de rook weer verdwenen, als door een onzichtbare hand weggeslagen. En in de rotswand voor Abdoellah gaapte plotseling een lange zwarte spleet.
"Als je straks binnen bent, Abdoellah," zei de oude man, "laatje dan niet in verrukking brengen door watje om je heen ziet, al zouden de edelstenen nog zo prachtig zijn. Denk alleen aan de twaalfarmige kandelaar van doodgewoon ijzer, die je naast een van de deuren op de vloer zult zien staan. Breng me die, zodra je hem gevonden hebt."
De jongen beloofde plechtig aan het verzoek van de oude man te zullen voldoen en nadat hij een brandende toorts had gekregen, wrong hij zich door de nauwe spleet in de rotswand. Hij kwam terecht in een lange gewelfde gang, die hij aanvankelijk op handen en voeten moest doorkruipen en bereikte een kleine ijzeren deur. Nadat hij de zware smeedijzeren kruk had omgedraaid, zwaaide de deur traag open in de roestige scharnieren en zijn toorts waaide bijna uit in de tocht, die hem in het gezicht sloeg.
Stomverbaasd keek Abdoellah om zich heen. Het was alsof hij was verplaatst in het paleis zelf van de koning van de geesten, die deze dorre landstreek regeerden.
Hij bevond zich in een grot met een gewelf, veel ruimer en veel fraaier beschilderd dan de moskee-koepel in de hoofdstad, waar hij woonde. De grauwe steen was verfraaid met fresco's in kleuren zo schoon en helder, dat de jongen zich afvroeg of de schilder misschien juist zijn penselen had neergelegd. Een van de partijen stelde een ruiter voor, die met zijn lange speer een ever doorstak; een andere twee boogschutters die hun pijlen richtten op een leeuw en een leeuwin en de schoonheid van een naburige rozentuin temperde de wreedheid van de jacht. Abdoellah meende de geur van de ontluikende bloesems te kunnen ruiken, zo fraai waren ze geschilderd!
Hij kon er zijn ogen alleen van losmaken, doordat hij erg kreeg in een tafereel dat een edel gevleugeld ros voorstelde, de zon tegemoet vliegend, met daarnaast een al even schitterende afbeelding van een groot aantal onbekende wezens, half vogel half hond, geflankeerd door leeuwen met adelaars vleugels. Deze laatste waren door een meesterhand in de rots gehouwen uit eerbied voor de machtige Simoerga, de gevleugelde beschermer van de Perzische helden.
Het tapijt dat een kudde steenbokken afbeeldde, een rotswand opvluchtend, voelde eindeloos zacht aan onder de voeten van de jongen. Het was een kostbaar werkstuk; als het in stukken zou zijn gesneden en verdeeld onder een compagnie soldaten, zouden die soldaten de man minstens twintigduizend zilveren dirham voor hun stuk hebben gekregen. Rondom langs de wanden stonden cederhouten kisten met de deksels opengeslagen. Sommige waren gevuld met zoveel parels en goud, dat zelfs de vloer ermee bezaaid lag; andere waren volgestapeld met zilveren bokalen. Abdoellahs ogen verslonden dit alles: de robijnen, smaragden en saffieren waarmee de schatkisten waren ingelegd en de wonderbaarlijk mooie afbeeldingen van zwanen, eekhoorns, hanen, tijgers en lammeren, waarmee goudsmeden de zijkanten hadden verfraaid.
Borden en schalen glansden de warme schoonheid van goud uit; ze waren in het midden en aan de randen versierd met kruipende en kronkelende draken uit de mythologie. Het schijnsel van de toorts versprong van de ene kist naar de andere en gleed langs de buikige vormen van kruiken met zonderling gemodelleerde tuiten en nog zonderlinger gedraaide oren; de dicht opéénstaande juwelen van armbanden, broches, oorringen en vingerringen flonkerden weergaloos prachtig in het flakkerend licht.
Abdoellah bukte zich over een kist die vol zat met diamanten en kon zich niet langer beheersen. Hij zette de toorts in de hals van een van de urnen die vlak bij hem stonden, begroef beide handen in de glinsterende massa stenen en trok ze terug, waarbij hij de diamanten door zijn vingers liet glijden. Een aantal van de grootste hield hij vast en hij verstopte ze in zijn hemd en wankelde met duizelend hoofd door een klein deurtje naar buiten.
Het minder grote vertrek waar hij zich daarna bevond, had de wapenkamer kunnen zijn van een god van de jacht uit de Oudheid; de wanden waren dicht behangen met zwaarden, schilden, degens, speren en bogen. Gevesten waren ingelegd met goud en zilver of met lapis lazuli en andere kostelijke stenen en al deze voorwerpen waren zo mooi, dat Abdoellah ook nu de verleiding niet kon weerstaan er een paar te nemen, die hij aan de gordel om zijn middel hing.
Hierna liep Abdoellah door naar een derde kamer. Daar lagen bergen gouden munten, glanzend en nieuw alsof ze zo uit de munt van de sjah kwamen, overal in het rond en de jongen schepte ze met handen vol tegelijk op en liet ze in de halsopening van zijn hemd glijden, tot er niet een meer bij kon. Pas toen zijn knieën knikten onder de last van zijn buit, begon hij om zich heen te kijken, zoekend naar de twaalfarmige kandelaar die hij beloofd had voor zijn beschermer te zullen halen.
Het werd moeizaam zoeken, maar ten slotte vond Abdoellah de kandelaar in een donker hoekje bij een deur, die een buitendeur bleek te zijn. Hij deed een greep naar de kandelaar, maar op hetzelfde ogenblik weergalmde er een dof bulderen door de grotten en de urnen en beelden wankelden op hun standers. De jongen schrok hevig en besloot niet verder te gaan; hij keerde op zijn schreden terug. Even later merkte hij evenwel grondig verdwaald te zijn; hij raakte in paniek en trachtte ten slotte met zijn nagels de ruwe stenen muur open te krabben om een opening te vinden waardoor hij kon ontsnappen.
Zweetdruppels stonden Abdoellah op het voorhoofd, toen het tot hem doorgedrongen was, dat de grot nu een graf was geworden en dat hij te midden van alle schatten van honger zou omkomen. Hij zag in, dat dit zijn straf was voor zijn ondankbaarheid jegens de oude man en het berouwde hem bitter, dat hij zijn weldoener niet gehoorzaamd had.
Hij viel op zijn knieën neer en liet het hoofd op de grond vallen en vurig bad hij Allah hem voor de gruwelijke dood te bewaren. Van nieuwe moed vervuld stond hij op en tastte de weg in tegenovergestelde richting af in de hoop daar een ontsnappingskans te vinden. Lange tijd dwaalde hij door de grotten en gangen, maar het baatte hem niet. Zijn toorts was geleidelijk opgebrand en ging onverwacht uit, waarna hij zich in volslagen duisternis bevond.
Van zijn laatste hoop beroofd wendde Abdoellah de blik opwaarts en daar zag hij hoog boven zich, haast tegen het dak van de grot, een smalle strook licht. Hij putte zijn laatste krachten uit om zo hoog te klimmen en zijn hart klopte fel bij de gedachte dat het geluk hem misschien toch niet geheel in de steek had gelaten.
Er viel een zware last van hem af bij de ontdekking, dat het vale schijnsel afkomstig was van daglicht; het viel de grot binnen door een enge spleet, juist zo breed dat hij zich erdoor kon wringen.
De spleet ging schuil tussen dicht opéénstaande doornstruiken en zelfs de scherpste blik zou hem niet ontdekt hebben. Abdoellah rekte zijn armen uit en zoog diep de frisse lucht in. Ogenblikkelijk vergat hij de gruwelijke dood, waaraan hij maar nauwelijks was ontsnapt. Hij vergat ook zijn gebeden en al wat hij een ogenblik tevoren beloofd had. Het leek uit zijn geheugen weggevaagd te zijn. En terwijl hij om zich heen keek, zoekend naar de oude filosoof, bedacht hij al wat hij tegen hem moest zeggen om de rijke buit te verklaren, die hij bij zich droeg. Erger nog, hij begon op middelen te zinnen om zich te ontdoen van zijn eerbiedwaardige metgezel en dat zo spoedig mogelijk. Met alle diamanten en gouden munten, waarmee hij zijn zakken en hemd had volgestopt, was hij ten slotte rijk genoeg om zichzelf te kunnen redden.
Zijn weldoener was overigens nergens te bekennen; hij leek spoorloos te zijn verdwenen. Opgelucht liep Abdoellah weg zonder te weten waar hij zou aankomen. Tot zijn grote verrassing stond hij evenwel na enkele mijlen te hebben gelopen voor het huisje van zijn moeder; hij had gemeend daarvan minstens zeven rivieren en zeven landen verwijderd te zijn.
De oude vrouw kreeg tranen van geluk in de ogen bij het weerzien met haar zoon. Zodra ze haar ontroering enigszins te boven was, vroeg ze evenwel waar de oude man was gebleven. Abdoellah vertelde haar uitvoerig wat er zich had afgespeeld en beter dan zijn woorden overtuigden de gouden munten en diamanten zijn moeder, dat hij de waarheid sprak. De arme weduwe verloor alle zelfbeheersing bij de aanblik van zoveel rijkdommen en raakte niet uitgepraat over het wonderbaarlijke verhaal en de zonderlinge verdwijning van de oude man.
"Ach jongen," zei ze enige tijd later, "die brave man heeft vast en zeker je moed en bekwaamheid op de proef willen stellen. Hij heeft gewacht hoe je je taak zou vervullen en toen hij je ongedeerd uit de rots naar buiten zag komen, heeft hij zich schuilgehouden. Die kostbaarheden zullen je beloning zijn voor je trouwe diensten op die lange reis."
Daarna begonnen moeder en zoon toekomstplannen te maken. Maar terwijl ze nog overleg pleegden, verdwenen de kostbaarheden opeens als sneeuw in de middagzon. Wat er overbleef was de ijzeren kandelaar, het enige voorwerp dat Abdoellah had mogen halen.
Abdoellah wierp zich met een schreeuw van vernedering en spijt op de grond, want het was hem duidelijk dat de oude man hem hiermee zijn tweede afstraffing toediende.
Wroeging nestelde zich in zijn hart over de wijze, waarop hij zijn weldoener had bejegend.
Toen Abdoellah was opgestaan, gaf hij de twaalfarmige kandelaar de ereplaats midden in de kamer, zodat het een blijvende herinnering aan zijn ondankbaarheid zou zijn. Peinzend bleef hij ernaar kijken. En de uren verstreken en de schaduwen werden langer en de schemering kroop de kamer binnen.
De jongen zocht een kaars, zette hem in de kandelaar en stak hem aan, zodat zijn moeder licht zou hebben voor het bereiden van het avondmaal. Ze dachten evenwel aan geen eten meer, toen ze elkaar plotseling in angst beet grepen: de kaarsvlam was veranderd in een oude man zo mager, dat hij enkel botten was binnen zijn huid. Het haar hing hem verward over het voorhoofd en zijn lange baard reikte tot aan zijn middel. Zijn ogen boorden zich diep in die van Abdoellah en de jongen voelde een rilling langs zijn rug lopen.
Op hetzelfde ogenblik begreep Abdoellah, dat de verschijning een derwisj was, een heilige die zijn leven aan gebed en meditatie had gewijd. Als aan de vloer genageld staarden moeder en zoon naar de gedaante, die onder hun ogen de armen spreidde en als een tol om zijn eigen as begon te wervelen. De derwisj hield in vervoering de ogen gesloten en begon steeds sneller te wentelen en ten slotte vloog er een gouden munt uit zijn hand, die aan de voeten van Abdoellah neerviel. De derwisj verdween en de kaarsvlam straalde even stil als een olielamp in de gewijde ruimte van een moskee.
Abdoellah bukte zich om de gouden munt aan zijn voeten op te rapen. De volgende dag was hij niet in staat aan iets anders te denken dan aan de gebeurtenis van de vorige avond. "Die kandelaar heeft twaalf armen," overwoog hij telkens weer." Wat zou er wel gebeuren als ik er twaalf kaarsen in laat branden?" Hij kon de gedachte niet van zich afzetten en wachtte vol ongeduld op het vallen van de avond.
Nauwelijks werden de schaduwen langer of hij ontstak de pitten van twaalf gloednieuwe kaarsen en zowaar - uit de vlammen ontstonden twaalf derwisjen, die als druppels water op elkaar leken. Zonder dralen begonnen ze te draaien en te wervelen als zilveren tollen en na verloop van een uur wierp elk van hen een glinsterend goudstuk voor Abdoellah's voeten neer. Daarna verdwenen ze spoorloos.
Elke avond ontstak de jongen de twaalf kaarsen en elke avond deed zich hetzelfde voor en hij had de twaalf goudstukken maar voor het oprapen. Ze waren toereikend om hem en zijn moeder een gemakkelijk bestaan te verschaffen, maar de verdwenen goudstukken en diamanten zouden zo oneindig veel meer waard zijn geweest.
Abdoellah was zijn berouw, zijn beloften en goede voornemens al spoedig vergeten. Hij begon aan de oude filosoof te denken, met wie hij twee jaar lang door de wereld had getrokken. Hij deed dat overigens niet omdat hij zijn ondankbaarheid goed wilde maken. Nee, wat hem door de gedachten speelde was, dat hij de ijzeren kandelaar die hem toch niet rijk zou maken, aan de oude man kon brengen, die hem zo graag had willen hebben. In zijn blijdschap bij het ontvangen van de kandelaar zou hij Abdoellah stellig vergiffenis schenken. En waarschijnlijk zou hij wel willen zeggen, hoe Abdoellah de edelstenen en goudstukken terug zou kunnen krijgen, die na zijn thuiskomst zo verleidelijk op de keukentafel hadden geglinsterd.
Abdoellah bond dan ook de kandelaar op zijn rug en ging op weg naar de grote stad die de oude man eens als zijn woonplaats had genoemd. Toen hij na een tocht van vele dagen zijn doel bereikte, hoefde hij niet lang naar de woning van de oude man te zoeken. Elk kind in de stad wist waar hij woonde en toen Abdoellah de aangeduide plek naderde, begreep hij dadelijk waarom. Zelfs uit de verte deed de woning meer aan een vorstelijk paleis dan aan de stulp van een oude wijsgeer denken en toen hij voor de poort stond, zag hij dat het een paleis was.
Vijftig man stonden bij de poort op wacht en elke wacht hield een stok met gouden appel in de hand. Bedienden verdrongen elkaar in de gangen en zalen en toen Abdoellah alle praal en luister in het paleis aanschouwde, bleef hij staan waar hij stond en durfde geen stap meer te doen.
"De mensen wie ik de weg heb gevraagd, hebben me allemaal voor de gek gehouden," dacht hij mistroostig. "Dit is het paleis van een vorst, niet de woning van een arme oude man."
Terwijl hij daar stond en niet wist wat hij moest doen, kwam er een fraai geklede lakei naar buiten, die voor hem boog en zei: "Vrede zij u, Abdoellah. Wilt u me volgen, mijn heer en meester verwacht u."
De man ging hem voor door een doolhof van zalen en gangen en op zeker ogenblik werd Abdoellah gehuld in een geur van rozen zo sterk, dat zijn hoofd ervan duizelde. Hij bevond zich in de liefelijkste tuin die hij ooit had aanschouwd en in het midden ervan stond een zomerverblijf. De vormen van de marmeren bogen aan de zuilengang waren niet minder fraai dan het mooiste en kunstzinnigste wat de edelsmeden van de padisjah afleverden.
Ten slotte verscheen Abdoellah voor de wijsgeer, die op een tapijtje zat. Overweldigd door alle pracht en schoonheid om hem heen viel Abdoellah op de knieën en kwam tot zichzelf. Met een handgebaar gaf de oude man hem evenwel te kennen dat hij mocht opstaan. Abdoellah kwam overeind en maakte haastig het touw los waarmee hij de ijzeren kandelaar op zijn rug had gebonden. Zodra hij daarmee klaar was, zei hij, "Eindelijk kan ik mijn last aan uw voeten leggen, mijn heer en weldoener, en daarmee uw hartenwens vervullen! Talrijk waren de hindernissen die ik had te overwinnen, eer ik u vond, maar dit ogenblik is een duizendvoudige beloning voor alle gevaren die ik heb doorstaan, o Kroon van alle Wijzen! Ik voel me gedragen door een gouden wolk van geluk, al schrijnt het stof in de wonden aan mijn pijnlijke voeten en al is mijn lichaam uitgeput door verlies van krachten. Want ik heb gedaan wat ik kon om de taak te vervullen, die me door u was opgelegd: hier is de ijzeren kandelaar!"
"Liegen doe je voortreffelijk," antwoordde de wijsgeer. "Meen niet, dat je mij kunt bedotten met je fluwelen tong. Ik lees je geheimste gedachten alsof je een opengeslagen boek was. Als je zou weten wat die kandelaar werkelijk waard is, zou je hem nooit zijn komen brengen. Maar ik zal je iets laten zien, beste jongen, waarvan je ogen uit je hoofd zullen springen."
Na deze woorden zette de wijze een brandende kaars in elke houder en even later wervelden de twaalf derwisjen in de vlammen. De oude man liet hen evenwel niet lang door dansen. Hij greep een stevige knuppel en gaf elke derwisj achtereenvolgens een zware slag. Abdoellah kon een schreeuw nauwelijks bedwingen en greep zich aan de schouder van de lakei vast, want hij wankelde op zijn benen. Wat zagen zijn verbijsterde ogen? Ze zagen de twaalf baardige mannen met een kletterend rinkelend geluid tegen de grond slaan, waar ze veranderden in twaalf glinsterende hopen goudstukken, diamanten en andere edelstenen.
"Zo moetje ze behandelen," zei de filosoof. "Maar de reden waarom ik de kandelaar wilde hebben is, dat het een herinnering is aan mijn leermeester, de grootste wijze die ooit geleefd heeft en die de kandelaar eigenhandig maakte." De oude man gaf de lakei een wenk en de bediende reikte Abdoellah een ring met twaalf reusachtige sleutels aan.
Abdoellah volgde de lakei naar een afgelegen vleugel van het paleis. Daar opende hij twaalf deuren van zwaar cederhout en in de kamers erachter trof hij telkens talrijke kostbaarheden aan. Het duurde niet lang of hij was bezeten van hebzucht, een kwalijker en grover hebzucht dan die, waardoor hij geplaagd was toen hij de schat in de geheime grot ontdekte.
"Als die oude man zo rijk is, heeft hij de kandelaar niet nodig," dacht hij. "Als ik die baardige derwisjen elke avond kon laten dansen, zou ik de goudstukken op de vloer tot de laatste oprapen, reken maar!"
Hij werd woedend op zichzelf bij de gedachte, dat hij de kandelaar zo lichtvaardig had weggegeven zonder de werkelijke waarde ervan te kennen.
De oude man ontving Abdoellah bij zijn terugkomst met een vriendelijke lach, alsof hij de trouweloosheid van de jongen en zijn eigen berisping al vergeten was. Hij bood hem een maaltijd en dranken aan en onderhield zich tot laat op de avond met hem. Hij liet Abdoellah nog enkele dagen in zijn paleis blijven en gaf hem veel kostbare geschenken.
Toen Abdoellah ten slotte afscheid kwam nemen, ging de oude man met hem wandelen onder de lommerrijke tamarisken en zei tegen hem, "Ik heb de indruk datje na al wat er gebeurd is, eindelijk bevrijd bent van je inhaligheid en je ondank. Voor je van hier vertrekt, zou ik je een heel bijzonder geschenk willen geven. Morgenvroeg zal een van de volbloeden uit mijn stallen bij de paleispoort voor je gezadeld staan. Aanvaard het als een geschenk en ontzie je voeten. Neem ook de slaaf van me aan, die de twee met goud en edelstenen beladen kamelen naar je huis zal begeleiden. En deze edelstenen mag je zelf kiezen uit mijn rijke voorraden."
Woorden van dank vloeiden over de lippen van de jongen met de welsprekendheid, die alleen de hebzucht kan ingeven. De oude man liet hem overigens niet uitspreken, maar drong erop aan dat hij een goede nachtrust zou nemen. Abdoellah ging dan ook slapen, maar zijn gedachten warrelden om de schatten, die hij de volgende morgen zou krijgen.
Terwijl hij op zijn slaapstede lag te woelen, begon hij weer aan de twaalfarmige kandelaar te denken, die zo'n groot wonder kon verrichten. "Die heb ik nu zo lang in mijn bezit gehad, daarvoor heb ik nu zoveel angst uitgestaan in die grot. Als ik er niet geweest was, zou de oude man hem nooit in handen hebben gekregen. En waarom zou zo'n grote kostbaarheid dan in zijn bezit moeten blijven? Wat zijn twee armzalige kameelladingen goud en edelstenen vergeleken bij die kandelaar? Ik doe hem toch niet tekort, als ik de kandelaar mee terug neem?"
Abdoellah beschikte nog over de bos sleutels, die toegang tot de schatkamers van de oude man gaven. Vroeg in de ochtend maakte hij er gebruik van om de grootste schatkamer te openen, waarin de ijzeren kandelaar een plaats had gekregen. Hij verborg de kandelaar onderin de zak vol edelstenen, die hij van de oude man mocht meenemen en zette de zak op de rug van een van de twee kamelen, die buiten stonden te wachten. Abdoellah nam met een lach afscheid van zijn gastheer, sprong te paard en reed snel weg, gevolgd door de slaaf met de kamelen.
Dagen later bereikte Abdoellah veilig en wel zijn huis. Hij begroette zijn moeder die naar buiten was gekomen, vluchtig en ging naar binnen - hij dacht alleen aan de schatten die hij bij zich had. Hij had geen oog af van de slaaf, die de zakken van de kamelen tilde. En zodra hij alleen in zijn kamer was, haalde hij de kandelaar te voorschijn. Het duurde even eer alle kaarsen brandden, want zijn handen trilden van ongeduld.
Op zeker ogenblik begonnen de derwisjen evenwel toch aan hun werveldans. Abdoellah klemde een stevige stok in zijn rechterhand en begon ze een voor een af te ranselen. Hij sloeg zo hard toe, dat hij zweetdruppels op zijn voorhoofd kreeg.
"Inspanning wordt beloond en hoe meer kracht ik gebruik, hoe groter de hopen kostbaarheden zullen worden," dacht hij.
Helaas! De derwisjen veranderden niet in goudstukken en kostbare stenen: ze trokken een voor een een stok te voorschijn van onder hun gewaad, niet minder stevig dan de knuppel van Abdoellah. Ze vielen hem woedend aan en sloegen hem bijna dood. Plotseling waren ze verdwenen alsof ze in rook waren opgegaan en wat ze hadden meegenomen waren de zakken en de kostbare geschenken van de oude man, ook de twee kamelen en de slaaf en zelfs de ijzeren kandelaar zelf met de twaalf kaarsen.
Diep ongelukkig liet Abdoellah zich op de grond vallen. Door zijn inhaligheid en ondankbaarheid had hij alles verspeeld. Hij bleef voortaan bij zijn moeder thuis en ze waren weer even arm als ze altijd waren geweest.
Er komt een man bij de slager en zegt met een hele hoge stem : "Mag ik een kilo paardenvlees?" De slager schrikt en zegt : "Hoe kom je aan zo'n hoge stem?" De man zegt : "Dat heb ik al vanaf mijn geboorte. De slager zegt :"Ik heb een oplossing, je moet 3 keer per dag op een paardenleuter zuigen dan kom je van die hoge stem af." Dus hij een paardenleuter gekocht en komt de volgende dag weer terug bij de slager en zegt met een zware stem : "Het is gelukt." Na 15 min. krijgt hij opeens weer een hoge stem en gaat naar huis en zoekt die paarden leuter...hij schrikt, opeens is die weg. Dan vraagt hij aan zijn vrouw: "Heb jij mijn paardenleuter gezien?" Z'n vrouw roepen met een ZWARE stem : "NEE IK HEB HEM NIET IK HEB HEM NIET."
Er was eens een weduwe, die twee dochters had. De één was mooi en ijverig, de andere lelijk en lui. Maar ze hield van de lelijke en luie, die haar eigen dochter was, veel meer, en de andere moest alle werk doen en Assepoes in huis zijn. Het arme meisje moest elke dag op straat zitten bij de waterput en ze moest zoveel spinnen, dat het bloed haar uit de vingers sprong.
Nu gebeurde het eens, dat de spoel helemaal bloederig was. Toen bukte ze zich over de putrand en wilde de spoel even afwassen, maar de spoel sprong haar uit de hand en viel naar beneden. Ze begon te schreien, liep naar de stiefmoeder en vertelde van haar ongeluk. Maar die werd heel boos en was onbarmhartig en zei: "Als je de spoel erin hebt laten vallen, moet je maar zorgen dat hij eruit komt ook."
Toen ging het meisje naar de waterput terug en wist niet wat ze beginnen moest, en in haar angst sprong ze de put in om de spoel te halen. Ze verloor het bewustzijn, maar toen ze weer wakker werd en weer tot zichzelf kwam, lag ze in een prachtige weide; de zon scheen en er stonden duizenden bloemen. Ze stond op en liep de weide af. Daar kwam ze bij een oven vol met brood, en het brood riep:
"Haal me eruit, haal me eruit, anders verbrand ik: ik ben al lang gaar!"
Ze ging erheen en haalde platen vol brood eruit. Verder wandelde ze; ze kwam bij een boom vol met appelen en de boom riep:
"Schud me toch, schud me toch, want de appels zijn allemaal rijp!"
Ze schudde de boom zodat de appels vielen alsof het regende, en ze schudde zolang, tot er geen een meer hing, ze legde al de afgevallen appels op een hoop, en toen wandelde ze weer verder.
Eindelijk kwam ze bij een klein huisje. Een oude vrouw keek uit het venster, maar die had zulke grote tanden, dat ze er bang van werd, en ze wou weglopen. Maar de oude vrouw riep haar na: "Waarom ben je bang, lieve kind? Blijf bij me. Als jij alle huiswerk wilt doen, zal het je goed gaan. Je moet alleen zorgen, dat je mijn bed goed schudt, zodat de veren vliegen, dan sneeuwt het in de wereld, ik ben vrouw Holle!"
Toen de oude vrouw zo vriendelijk tegen haar sprak, vatte het meisje moed, stemde toe en kwam bij haar in dienst. Ze deed alles tot grote tevredenheid en schudde het bed steeds met zoveel geweld, dat de veren als sneeuwvlokken rondvlogen; maar ze had dan ook een goed leven bij haar, geen enkel boos woord en elke dag haar natje en haar droogje.
Ze was al een poos bij vrouw Holle, toen ze triest werd en in het begin zelf niet wist wat er met haar was; eindelijk begreep ze dat het heimwee was; al had ze het hier duizendmaal plezieriger dan thuis, ze verlangde er toch naar terug.
Eindelijk zei ze tegen vrouw Holle: "Ik heb een vreselijk verlangen naar huis, en al gaat 't me hier nog zo goed, ik kan niet langer blijven, ik moet naar mijn familie terug."
Vrouw Holle sprak:"Ik vind het lief van je, dat je weer naar huis verlangt, en omdat je me zo trouw gediend hebt, zal ik je zelf weer naar boven brengen."
Ze nam haar bij de hand en bracht haar bij een grote poort. De poort werd geopend, en toen het meisje daar onder stond, viel er een regen van goud neer, en al het goud bleef aan haar hangen, zodat ze helemaal met goud was overdekt.
"Dat krijg je, omdat je zo ijverig bent geweest," zei vrouw Holle en ze gaf haar ook de spoel terug, die in de put was gevallen. Daarop viel de poort dicht en het meisje was in de bovenwereld, niet ver van haar moeders huis en toen ze in de tuin kwam, zat de haan op de putrand en riep:
Kukeleku, Onze gouden jonkvrouw zien we nu.
Toen ging ze naar binnen naar haar moeder en omdat ze met goud overdekt was, werd ze door haar en haar zuster vriendelijk begroet.
Het meisje vertelde alles wat ze ondervonden had, en toen de moeder hoorde, hoe ze tot grote rijkdom was gekomen, wilde ze haar eigen lelijke, luie dochter graag hetzelfde geluk gunnen. Ze moest bij de waterput zitten en spinnen; en om de spoel bloederig te maken, prikte ze zich in haar vinger door met haar hand in de doornheg te stoten. Toen gooide ze de spoel in de put en sprong er zelf in. Ze kwam, net als de ander, op de mooie weide en volgde hetzelfde pad. Toen ze bij de oven kwam, riep het brood weer:
"Haal me eruit, haal me eruit, anders verbrand ik, ik ben al lang gaar."
Maar het luie meisje antwoordde: "Denk je dat ik zin heb mijn handen vuil te maken," en ze ging weg. Weldra kwam ze bij de appelboom, die riep:
"Schud me toch, schud me toch, wij appels zijn allemaal al rijp!"
Maar zij antwoordde:"Dat denk je maar, er zou best een appel op mijn hoofd kunnen vallen!" en daarmee ging ze verder.
Toen ze bij het huisje van vrouw Holle kwam, was ze niet bang, want van die grote tanden had ze al gehoord, en ze verhuurde zich meteen. De eerste dag deed ze zichzelf geweld aan en was vlijtig en deed wat vrouw Holle haar zei, want ze dacht aan al het goud dat ze ter beloning zou krijgen, maar de tweede dag begon ze al te luieren, en de derde nog meer: toen wou ze 's morgens niet eens meer opstaan. Ze schudde het bed van vrouw Holle ook niet, zoals het hoorde, en ze schudde zeker niet zo dat de veren vlogen. Dat verdroot vrouw Holle al gauw en ze zei haar de dienst op. De luie was daar best mee tevreden en dacht, nu zal de gouden regen beginnen; vrouw Holle bracht haar bij de poort, maar toen zij daar onder stond, werd er in plaats van goud een grote pan vol pek uitgestort.
"Ter beloning van je diensten," zei vrouw Holle en sloot de poort. Zo kwam de luie meid thuis, helemaal vol pek, en de haan zat op de putrand en riep:
Kukeleku, Onze vieze jonkvrouw zien we nu!"
Het pek bleef aan haar kleven en wilde er haar leven lang niet af!
Een man in de woestijn heeft ontzettende zin om eens met iemand naar bed te gaan, maar er is helemaal niemand in de woestijn. Dus na een paar dagen ziet hij een kameel staan, maar toch waagt hij het erop. Toen hij er bijna was loopt de kameel weg. "shit" denkt hij en loopt weer verder. Na een paar dagen ziet hij dezelfde kameel weer en loopt er weer naar toe. Weer net als hij er bijna was, loopt de kameel weg. Dit gebeurd nog een paar keer en na een paar weken ziet hij een beeldschoon blondje met autopech. De man loopt er heel stoer naar toe en zegt: "Kan ik je helpen?" "Ja, je kunt me helpen met m'n auto." De man maakt de auto en het blondje zegt dat ze alles zou doen om hem terug te betalen. "Nou," zegt de man, als dat zo is, zou je dan misschien even die kameel in de verte willen vasthouden?"
Wordt er om drie uur vannacht bij ons aangebeld. Mijn vrouw doet open, staat er een hijger op de stoep. "Wat mot dat?", vraagt mijn vrouw. Zegt de man: "Ja sorry, mijn telefoon is kapot."
Lang geleden leefde er een leeuw die drie raadsleden had: een wolf, een jakhals en een raaf. Koning leeuw regeerde en jaagde, zijn raadsleden adviseerden hem en aten alles wat de leeuw hen gaf. Allemaal waren ze tevreden.
Op een dag kwam een kameel aan in het koninkrijk. Koning leeuw had nog nooit zo'n dier gezien en was nogal nieuwsgierig. "Wie ben je en wat zoek je hier vreemdeling?" vroeg de leeuw. "Ik ben een kameel en ik zoek bescherming," was het antwoord. De leeuw vond hem wel aardig en zei: "Blijf bij ons als een gast. Je zal hier veilig zijn." De kameel aanvaardde de uitnodiging met plezier en bleef van toen af aan bij de leeuw. Hij was er zeer tevreden. Hij had weiden om te grazen, water om te drinken en bescherming van de sterke koning.
Maar op een dag werd de leeuw verslagen door een olifant. Gewond lag hij op de grond, hij kon zich niet meer bewegen en dus ook niet meer jagen. De raadsleden die van de leeuw afhankelijk waren voor hun voedsel, kregen honger. "Wat zullen we doen?" vroegen ze elkaar. "We zullen nooit zelf kunnen jagen," gaapte de luie wolf. "Laten we de kameel opeten," stelde de jakhals voor. "De koning zal dat nooit goedvinden," zei de wolf, "de kameel was zijn gast." - "Laat mij hem ompraten," zei de raaf en vloog naar de koning.
"Oh, machtige heerser," sprak hij, "we zijn bezorgd om u. U eet en drinkt niets en we zijn bang dat u zo zal sterven van zwakheid." - "Je hebt gelijk," antwoordde de leeuw, "maar wat kan ik doen als ik zelf niet kan jagen?" - "Waarom zou je moeten jagen als een goed maal vlakbij is?" kraaide de raaf. "Jij denkt zeker aan mijn vriend de kameel, verrader," sprak de leeuw boos. "Wil je dat ik mijn erewoord breek?" - "U zult het niet hoeven te breken, u zult zien dat de kameel zelf zal komen om zijn eigen vlees te geven. Dan bent u vrij om hem op te eten," antwoordde de kraai. "Nou, goed dan," murmelde de leeuw.
De raaf vloog weg naar zijn vrienden de raadsleden en smeedde een complot. Hij vertelde hen wat ze moesten zeggen en hoe ze het moesten zeggen. Toen vroegen ze de kameel om met hen mee te gaan op bezoek bij de koning.
Toen ze bij de koning waren aangekomen, nam de raaf als eerste het woord. "Oh, allermachtigste koning," vleide hij: "Ik zie dat u zal sterven van zwakheid als u niets eet. Maar wij, uw dienaars, geven onze levens voor u. Eet mij en wordt weer sterk." Nog voor de raaf uitgesproken was riep de jakhals: "Nee, machtige koning, de raaf heeft maar weinig vlees onder zijn veren en het zal u niet smaken, neem mijn vlees." Nog voor de jakhals was uitgesproken huilde de wolf: "Nee, waardevolste koning, de jakhals is niet schoon, zijn vlees zal u schaden, eet mij toch."
Maar toen begonnen de raaf en de jakhals door elkaar te schreeuwen. "Nee, nee, neem het wolvenvlees ook niet, het zal u geen goed doen."
De kameel had staan luisteren en dacht: "Dit is mijn kans om de koning mijn dankbaarheid te tonen, maar hij zal het nooit goed vinden." Zodoende sprak de kameel tegen de koning: "Oh, heerser, als u geen wolvenvlees, ravenvlees of jakhalsvlees kunt eten, neem dan mijn vlees."
Toen spraken de wolf, de raaf en de jakhals als één stem: "Ja koning, neem hem als maaltijd," en ze sprongen allemaal op de kameel en verscheurden hem.
Dom blondje Een blondje komt een café binnen en vraagt: "Waar is de WC?" Zegt de ober: "Die is verstopt". De Belg: "Oh, dat geeft niet, dan zoek ik hem wel".
Een rijke man en een rijke vrouw wonen in een dure villa met werkelijk alles erop en eraan. Na een paar jaar gelukkig gewoond te hebben, komen ze in geldnood. De man komt met een idee. "Als jij nou eens leert koken", zegt hij tegen zijn vrouw, "dan kunnen we de kok ontslaan." De vrouw kijkt haar man verontwaardigd aan en antwoordt: "Weet je wat, als jij eens leert neuken, dan kunnen we de tuinman ontslaan!"
Khad trek. Trek in iets waar ik een tijd geen trek in gehad heb. Haring in tomatensaus. Tis nog steeds te krijgen. En het verschilt niks met vroeger. Tzit nog steeds in blik. En dat is precies waarom ik er een tijd geen trek in gehad heb. Kben namelijk nooit zo goed in blikken. Krijg ze nooit zo goed open. Maar ik waagde me er van de week toch maar weerus aan. Khad het blik al enige maanden geleden aangeschaft. Das wel een voordeel van die blikken. Je kan ze tot sint juttemus bewaren. Nou, goed. Ik aan de gang. Je doet als altijd. En opent het keukenkasje. Haalt het blik naar voren. Kijkt toch nog even naar de datum. Wantrouwen zit nou eenmaal in de mens. Maar het blik blijkt nog houdbaar. Op het blinkende aanrecht plaats ik het blik. Uit het keukenlaatje haal ik de blikopener te voorschijn. Met een hand steun ik op het blik. En probeer voorzichtig iets te doen met die blikopener. Inderdaad iets. Want wat ik nou precies doe weet ik niet. Kdruk de blikopener voorzichtig in het blik. Er ontstaat weer wat woede in mij. Het lukt niet. Het lukt nooit denk ik. Maar daar is toch ineens een gaatje. En de eerste spettertjes zitten al op m’n gezicht. Maar trots als ik ben ga ik gestaag verder. Nu maar draaien aan dat ding. Ik draai wel maar er gebeurt niet veel. Dan maar wat verder op proberen. Daar creëer ik weer een gaatje. Kbegin als een idioot aan dat ding te draaien. Zowaar kom ik een endje. Mijn handen onder de rode saus. Het aanrecht blinkt al wat minder. Maar ik ga verder waar ik mee bezig was. Kla mij toch zeker niet uit het veld slaan. De saus loopt er nu aan alle kanten uit. Krijg alleen het blik nog niet open. Keb nog een lange weg te gaan. Mijn blikopener loopt constant vast. Tis ook al een oudje, die blikopener van me. Er zijn vast al vele blikken mee open gemaakt. Vast heel soepeltjes. Niet bij mij. Toch maar blijven proberen. De aanhouder wint. Zo blijkt. Want in ene maak ik weer vorderingen. Kben op de helft. Tis mogelijk om nu met een mes het dekseltje wat om hoog te wippen. Dat probeer ik dus ook. Met iets te veel kracht. Nu zit ik werkelijk helemaal onder. Alsof ik in een sketch van de dikke en de dunne mee speel. Alleen nu dan in kleur. Voornamelijk rood. Het dekseltje is nu wel wat opgelicht. Kpas er nu net met een klein vorkje tussen. Kzie de visjes drijven in de saus. Ah God. Jaren lang hebben ze daar netjes met z’n drietjes in dat blikje gelegen. Gedrenkt in rode saus. Nu ben ik daar. Die ze gaat verorberen. Het knaagt heel even aan m’n geweten. Heel even maar. Kpak een bordje en een paar boterhammen. Khou het blikje er boven. Met het vorkje peuter ik de visjes naar buiten. Een visje valt op m’n bord. De andere twee er naast. Zo ook de rode saus. De hele keuken is nu rood. Het lijkt hier wel een slachthuis. Tzit zelfs aan het plafond. Kzou waarschijnlijk de keuken opnieuw moeten witten. Ook ligt m’n vinger open. Opengehaald aan het scherpe randje. De vis heeft zich destijds makkelijk laten vangen. Maar dat zal ze geen tweede keer gebeuren. Zo hebben ze dat vast bekokstooft in dat blik. De vis wordt duur betaald. Zo is dat.
Jantje komt naar de school met een abnormaal geladen boekentas. De boekentas staat bol, volledig opgevuld en Jantje houdt de boekentas stevig vast met beide armpjes. De meester zegt;" Maar Jante, zo' n volle boekentas en die zo vasthouden, en ge moest toch niet zoveel boeken meebrengen bij mijn weten !" Jantje : "nee, meester nee," , de meester , "wel Jantje ,wat zit er in uw boekentas?" Jantje ; " niks meester ,niks" de meester :" alle Jantje, doe die boekentas open ! " Jantje luistert en opent zijn boekentas en ... Floep, daar springt een kat uit !! "Wel Jantje"zegt de meester , "wat heeft dat te betekenen?" "Wel meester, de behanger is bij ons thuis en die zei tegen ons mama, als die kleine naar 't school is pak ik uw poes !!!
Nu vlieden zij weg van het Deense strand Naar verre landen en kusten. Wij willen in het heerlijke Griekenland Bij diepblauwe wateren rusten.
Daar buigt de citroenstruik, zo rijk bedeeld, Haar goudgele vruchten ter aarde, De distel groeit naast het marmeren beeld, Waarom zich eens Hellas vergaarde.
Nu dwaalt de herder door het eenzame land, Zo vol van legenden en sagen. Hoor, hij vertelt van de vriendschapsband. Een gebruik uit vroegere dagen.
Ons huis had lemen muren, maar de deurposten bestonden uit gecanneleerde marmeren zuilen, die op de plaats waar het huis werd gebouwd gevonden waren. Het dak raakte bijna de aarde; nu was het donkerbruin en lelijk, maar toen het gelegd werd waren het bloeiende oleanders en frisse lauriertakken die van achter de bergen gehaald waren. Het was nauw om ons huis, de wanden der rotsen rezen steil omhoog, naakt en zwart. Om hun top hingen dikwijls wolken, net witte, levende gedaanten; nooit hoorde ik hier een zangvogel, nooit dansten hier mannen op de tonen van de doedelzak, maar de plaats was van oudsher heilig. De naam zelf herinnerde daaraan, ze heet immers Delphi! De sombere bergen waren alle met sneeuw bedekt. De hoogste top, die het langst blonk in de rode avondzon, was de Parnassos, de beek vlak bij ons huis ontsprong daar en was ook eenmaal heilig. Nu maakt het muildier met zijn poten het heldere water troebel, maar verderop wordt de stroom weer helder. Wat kan ik mij elk plekje goed herinneren en die heilige, diepe eenzaamheid. In de hut werd het vuur aangestoken en als de hete as hoog lag te gloeien werd het brood erin gebakken. Lag de sneeuw buiten rondom de hut, zodat zij bijna helemaal schuil ging, dan leek mijn moeder het vrolijkst, dan hield ze mijn hoofd tussen haar handen, ze kuste mijn voorhoofd en zong de liedjes die ze anders nooit zong want de Turken, onze meesters, hielden er niet van. En zij zong: "Op de top van de Olympos, in het lage dennenwoud, was een oud hert gezeten, zijn ogen stonden vol tranen; rode, ja, groene en blauwe tranen weende het, en een reebok kwam voorbij: "Wat scheelt je toch, dat je zo weent, dat je rode, groene, ja, blauwe tranen weent!" - "De Turk is in onze stad gekomen, hij heeft wilde honden bij zich voor de jacht, een geweldige hoop!" - "Ik jaag ze over de eilanden!" zei de jonge reebok, "ik jaag ze over de eilanden in de diepe zee!" Maar voor het avond werd, was de reebok dood en vóór de nacht inviel, was het hert gejaagd en geschoten!"
Wanneer mijn moeder zo zong werden haar ogen vochtig en hing er een traan in haar lange wimpers, maar zij verborg die traan en wentelde ons zwarte brood in de as. Toen balde ik mijn vuist en zei: "Wij zullen de Turk doodslaan!" Maar zij herhaalde uit het liedje: "Ik jaag ze over de eilanden in de diepe zee! Maar voor het avond werd, was de reebok dood, en voor de nacht inviel, was het hert gejaagd en geschoten!"
Verscheidene dagen en nachten hadden we alleen in onze hut doorgebracht. Toen kwam mijn vader: ik wist dat hij voor mij mosselschelpen uit de baai van Lepanto of ook wel een mes, scherp en blinkend, meebracht. Maar deze keer bracht hij een kind mee, een klein, naakt meisje, dat hij onder zijn pels van lamsvellen hield; zij was in een huid gerold en alles wat ze had toen ze, losgewikkeld, in mijn moeders schoot lag, waren drie zilveren munten, gebonden in haar zwarte haar. Vader vertelde van de Turken die de ouders van het kind hadden gedood. Hij vertelde ons zoveel dat ik er de hele nacht van droomde; mijn vader was gewond en moeder verbond zijn arm. De wond was diep, het dikke schaapsvel was stijf van het gestolde bloed. Het meisje moest mijn zusje zijn, wat was ze mooi en haar ogen stonden zo helder - mijn moeders ogen waren zeker niet zachter dan de hare. Anastasia, zoals ze werd genoemd, moest mijn zuster worden, want haar vader had een heilig verbond met de mijne gesloten, naar een oud gebruik dat we nog steeds in ere houden: ze hadden in hun jeugd broederschap gesloten en het mooiste en zedigste meisje uit de hele streek gekozen om hen in die vriendschapsband in te wijden; ik hoorde dikwijls van dit mooie, zeldzame gebruik vertellen. Nu was het kleine meisje mijn zuster; ze zat op mijn schoot, ik bracht haar bloemen en veren van vogels. Wij dronken samen van het water van de Parnassos, wij sliepen, ons hoofd tegen elkaar, onder het laurierdak van de hut, terwijl mijn moeder nog heel wat winters zong van de rode, de groene en de blauwe tranen; maar ik begreep nog niet dat het mijn eigen volk was, wiens duizendvoudige zorgen zich in deze tranen spiegelden.
Op een dag kwamen er drie Frankische mannen, anders dan wij gekleed; zij hadden hun bed en tent op paarden, en meer dan twintig Turken, allen met sabels en geweren, vergezelden hen, want zij waren vrienden van de pasja en hadden brieven van hem. Zij kwamen alleen maar om onze bergen te zien, om in sneeuw en mist de Parnassos te bestijgen en de wonderlijke, zwarte, steile rotsen te bekijken rondom onze hut. Ons huis kon hen niet bergen en ze konden niet tegen de rook die onder de zoldering door de lage deur een uitweg zocht; daarom sloegen zij hun tenten op op de nauwe, open ruimte bij onze hut. Ze braadden lammeren en vogels en schonken zoete, koppige wijnen, maar de Turken mochten daar niet van drinken.
Toen ze verder trokken vergezelde ik hen een eind en mijn zusje Anastasia hing, in een geitevel genaaid, op mijn rug. Een van de Frankische heren plaatste mij tegen een rots en tekende mij en mijn zusje uit, zo levend als wij daar stonden, wij zagen eruit alsof wij één waren. Daar had ik nooit over nagedacht, maar Anastasia en ik waren dan toch één, altijd lag ze op mijn schoot of hing op mijn rug, en als ik droomde verscheen ze mij in de droom.
Twee nachten later kregen we in onze hut bezoek van andere mensen. Ze waren gewapend met messen en geweren; het waren Albanezen, brutaal volk, naar mijn moeder vertelde; ze bleven maar kort bij ons, mijn zuster Anastasia zat op de schoot van een van hen en toen hij weg was had zij nog maar twee en geen drie zilveren munten in het haar. Ze deden tabak in papiertjes en rookten, en de oudste sprak over de weg die ze zouden nemen en was er niet zeker van: "Spuug ik naar boven," zei hij, "dan komt het op mijn gezicht neer, spuug ik naar beneden, dan valt het in mijn baard." Maar één weg moesten ze toch kiezen. Ze gingen op pad en mijn vader vergezelde hen. Kort daarna hoorden wij schieten; opnieuw hoorden we een knal; er kwamen soldaten in ons huis, ze namen mijn moeder, mij en Anastasia mee. Wij hadden rovers onderdak verschaft, zeiden ze, mijn vader had hen vergezeld, daarom moesten we weg; ik zag de lijken van de rovers, ik zag mijn vaders lijk, en ik huilde tot ik insliep. Toen ik ontwaakte waren wij in een gevangenis, maar de kamer was niet armoediger dan die in onze eigen hut en ik kreeg uien en harsige wijn, die ze uit een geteerde zak schonken: beter hadden we het thuis niet.
Hoelang we gevangen zaten weet ik niet, maar er verliepen heel wat dagen en nachten. Toen wij eruit kwamen was het ons heilig Paasfeest en ik droeg Anastasia op mijn rug, want mijn moeder was ziek. Zij kon alleen maar heel langzaam lopen en het duurde lang voor wij de zee bereikten, bij de baai van Lepanto. Wij traden een kerk binnen die vol was met schitterende schilderijen op gouden achtergrond; engelen waren het, o zo mooi, maar ik vond toch dat onze Anastasia net zo mooi was. Midden in de kerk stond een kist vol rozen, dat was de Here Jezus die daar lag als prachtige bloemen, zei mijn moeder, en de geestelijke verkondigde: "Christus is opgestaan!" Alle mensen kusten elkaar, ieder hield een brandende kaars in de hand, ik zelf kreeg er een, de kleine Anastasia ook een; de doedelzakken speelden, de mannen dansten hand in hand de kerk uit en buiten braadden de vrouwen het paaslam. Wij werden uitgenodigd het feest mee te vieren; ik zat bij het vuur en een jongen, ouder dan ik, sloeg zijn arm om mijn hals, kuste mij en zei: "Christus is opgestaan!" Zo was onze eerste ontmoeting, van Aphtanides en mij.
Mijn moeder kon visnetten knopen, dat bezorgde haar daar aan de baai een goede verdienste en wij bleven lang aan zee, aan die heerlijke zee die smaakte als tranen en met haar kleuren herinnerde aan de tranen van het hert, nu eens was ze rood, dan weer groen, en dan weer blauw.
Aphtanides kon een boot sturen en ik zat met mijn kleine Anastasia in de boot, die zich bewoog op het water als een wolk in de lucht; en wanneer dan de zon onderging werden de bergen donkerder blauw, de ene bergketen keek boven de ander uit en het verst weg stond de Parnassos met zijn sneeuw. In de avondzon straalde de top als een gloeiend ijzer. Het leek wel alsof het licht van binnenuit kwam, want het straalde nog lange tijd door in de blauwe, glanzende lucht, lang nadat de zon was ondergegaan; de witte zeevogels sloegen met hun vleugels in de waterspiegel, maar overigens was het hier zo stil als bij Delphi tussen de zwarte rotsen. Ik lag op mijn rug in de boot, Anastasia zat op mijn borst en de sterren boven ons schitterden nog helderder dan de lampen in onze kerk; het waren dezelfde sterren en zij stonden precies op dezelfde plaats boven mij als wanneer ik bij Delphi buiten onze hut zat. Ik dacht ten slotte dat ik werkelijk nog daar was! Daar klonk een plomp in het water en de boot schommelde hevig! Ik schreeuwde luid, want Anastasia was in het water gevallen, maar Aphtanides was óók snel en dadelijk haalde hij haar op en legde haar in mijn armen; wij ontkleedden haar, wrongen het water uit haar goed en kleedden haar toen weer aan. Hetzelfde deed Aphtanides met zijn eigen kleren, en we bleven op het water tot het goed weer droog was, en niemand wist van onze angst om ons klein pleegzusje, aan wier leven Aphtanides nu ook deel had.
Het werd zomer. De zon brandde zo hevig dat de loofbomen verdorden; ik dacht aan onze koele bergen, aan het frisse water daar in de hoogte; mijn moeder verlangde er ook naar terug en op een avond.gingen we weer op de terugweg. Wat was het stil en rustig! We liepen door de hoge tijm die nog altijd geurde, al had de zon hun bladeren verdord; geen herder ontmoetten wij op onze weg, geen hut kwamen wij voorbij: alles was stil en eenzaam, alleen sterren die verschoten vertelden dat er leven daarboven in de hemel was; ik weet niet of de heldere, blauwe lucht zelf licht gaf of dat het de stralen van de sterren waren. Wij zagen goed de omtrek van de bergen; mijn moeder maakte vuur, stoofde de uien die ze meegebracht had en ik en mijn zusje sliepen in de tijm zonder vrees voor de gemene Smidraki* die vuur spuugt, en zeker zonder angst voor de wolf en de jakhals; want mijn moeder zat bij ons en dat was voor mij genoeg.
Wij naderden ons oude huis, maar de hut was in puin gevallen, er moest een nieuwe worden gebouwd. Een paar vrouwen hielpen mijn moeder en in korte tijd waren de muren weer opgetrokken en was er een nieuw dak van oleander gelegd. Mijn moeder vlocht van huid en bast heel wat hulzen voor flessen, ik hoedde de kleine kudde van de pope, Anastasia en de kleine schildpadden waren mijn speelkameraden.
Op een dag kregen we bezoek van die beste Aphtanides, hij verlangde zo erg naar ons, zei hij, en hij bleef twee hele dagen bij ons.
Na verloop van een maand kwam hij terug en vertelde ons dat hij met een schip naar Patras en Korfoe moest; van ons moest hij eerst afscheid nemen en hij bracht een grote vis mee voor moeder. Hij wist zoveel te vertellen, niet alleen van de vissers daar bij de van Lepanto, maar ook van koningen en helden die eens in Griekenland hadden geheerst, zoals nu de Turken.
Ik heb gezien hoe de rozenstruik knop schoot en ik heb die knop na verloop van Ii; en en weken tot een bloem zien ontluiken; die knop werd bloem, vóór ik erover na ging denken hoe groot, mooi en blozend ze was: zo ging het ook met Anastasia. Zij was een mooi, volwassen meisje, ik een potige kerel. De wolvenvellen op mijn moeders en Anastasia's bed had ik zelf gevild en het dier zelf geschoten. Jaren waren verlopen.
Daar kwam op een avond Aphtanides, slank als een riet, sterk en bruin; hij kuste ons allen en wist heel wat te vertellen van de grote zee; van de vestingwerken van Malta en van de eigenaardige begraafplaatsen in Egypte; het klonk wonderlijk, als een van de legenden van de pope; ik keek met enige eerbied naar hem op.
"Wat weet jij veel!" zei ik, "wat kan jij vertellen!"
"Jij hebt mij toch zelf eens iets heel moois verteld!" zei hij. "Je hebt mij verteld wat ik nooit heb kunnen vergeten, dat mooie, oude gebruik van de vriendschapsband, dat gebruik dat ik nu met goede moed wens na te komen! Broeder, laten wij beiden, net als jouw en Anastasia's vader, naar de kerk gaan, het schoonste en zedigste meisje is Anastasia, onze zuster, zij zal onze band wijden! Geen volk heeft een eerbiedwaardiger gebruik dan wij Grieken!"
Anastasia bloosde als een fris rozenblad, mijn moeder kuste Aphtanides.
Een uur gaans van onze hut, daar waar de naakte rotsen aarde dragen en enkele bomen schaduw geven, lag de oude kerk; een zilveren lamp hing voor het altaar.
Ik had mijn beste kleren aan: het witte rokje viel in rijke plooien van de heupen neer, de rode trui zat nauw en strak, er was zilver in de kwast op mijn fez; in mijn gordel staken een mes en pistolen. Aphtanides was in het blauw gekleed, zoals Griekse matrozen gewoonlijk, een zilveren medaille met een afbeelding van de moeder Gods hing op zijn borst, zijn sjerp was kostbaar, zoals slechts rijke heren dragen kunnen. Iedereen kon duidelijk zien dat wij beiden op weg waren naar een plechtigheid. Wij traden het eenzame kerkje binnen waar de avondzon door de deur naar binnen scheen op de brandende lamp en de bonte schilderingen met gouden achtergrond. Wij knielden op de treden van het altaar en Anastasia ging voor ons staan. Een lang, wit gewaad hing los en luchtig om haar schouders; haar blanke hals en borst waren bedekt met een ketting van oude en nieuwe munten, ze vormden een heel grote kraag; haar zwarte haar was boven op het hoofd opgestoken in één grote wrong die werd samengehouden door een klein mutsje van zilveren en gouden munten, in oude tempels gevonden; mooier uitgedost was geen meisje in Griekenland. Haar gezicht straalde, haar ogen waren als sterren.
Alle drie deden wij stil ons gebed; en zij vroeg ons: "Willen jullie vrienden zijn in leven en dood?" Wij antwoordden: "Ja." - "Willen jullie ieder voor zich, wat er ook gebeurt, niet vergeten dat je broeder een deel van jezelf is, dat zijn geheim het jouwe is, en zijn geluk het jouwe? Opoffering, uithoudingsvermogen, alles bezit ik voor hem, als ware het voor mij zelf!" Wij herhaalden ons 'ja' en zij legde onze handen in elkaar, kuste ons op het voorhoofd en wij baden opnieuw in stilte. Toen trad de pope naar voren uit de deur bij het altaar, zegende ons alle drie en een gezang van de andere heilige monniken klonk achter de altaarwand. De eeuwige vriendschapsband was gesloten.
Toen wij opstonden zag ik mijn moeder bij de deur van de kerk innig bewogen huilen. Wat was het vrolijk in ons hutje en bij Delphi's bronnen! De avond vóór Aphtanides weg moest zaten hij en ik, in gedachten verzonken, op de helling van de rots, zijn arm had hij om mij geslagen, ik mijn arm om zijn hals, wij spraken over Griekenlands nood, over mannen op wie men vertrouwen kon; iedere gedachte stond ons helder voor de geest. Toen greep ik zijn hand: "Eén ding moet je nog weten! Eén ding dat tot op dit ogenblik alleen God en ik weten! Mijn hele ziel is liefde! Het is een liefde sterker dan de liefde voor mijn moeder en voor jou!"
"En wie heb je dan lief?" vroeg Aphtanides, en hij bloosde tot in zijn hals.
"Ik heb Anastasia lief!" zei ik. Zijn hand sidderde in de mijne en hij werd bleek als een lijk; ik zag het, ik begreep het. Ik geloof dat ook mijn hand beefde, ik boog mij tot hem over, kuste zijn voorhoofd en fluisterde: "Ik heb het haar nooit gezegd! Zij heeft mij misschien niet eens lief! Broeder, bedenk dat ik haar dagelijks zag, zij is naast mij opgegroeid, ze is met mijn ziel samengegroeid!"
"En ze zal van jou zijn!" zei hij, "van jou! Ik kan je niet voor liegen en wil dat ook niet: ik heb haar ook lief! Maar morgen ga ik weg. Over een jaar zien we elkaar terug, dan zijn jullie getrouwd. Ik heb wat geld, dat is van jou! Jij mag het hebben, jij moet het hebben!"
Stil wandelden wij door de bergen; het was al laat op de avond toen wij voor mijn moeders hut stonden.
Anastasia lichtte ons met de lamp bij toen wij binnentraden, mijn moeder was er niet. Anastasia keek wonderlijk-weemoedig naar Aphtanides: "Morgen ga je van ons vandaan!" zei ze, "wat ben ik daarover bedroefd!"
"Ben je bedroefd daarover," zei hij, en het kwam me voor dat er in die woorden een smart lag zo groot als de mijne; ik kon niets zeggen, maar hij nam haar hand en zei: "Onze broeder daar heeft je lief, houd jij ook van hem? Uit zijn zwijgen blijkt zijn liefde!"
Anastasia sidderde en barstte in tranen uit, toen zag ik alleen haar, dacht alleen maar aan haar; mijn arm sloeg ik om haar heen en zei: "Ja, ik heb je lief!" Toen drukte zij haar lippen op de mijne, haar handen rustten om mijn hals; maar de lamp was op de grond gevallen, het was duister om ons heen, zo duister als in het hart van die beste, arme Aphtanides.
Voor de dag aanbrak stond hij op, kuste ons allen tot afscheid en verdween. Mijn moeder had hij al zijn geld gegeven om het ons te schenken. Anastasia was mijn bruid en enkele dagen daarna mijn vrouw.
* Smidraki = Naar een Grieks volksgeloof een monster, geboren uit een ongeopende schapenbuik, die op het veld geworpen wordt.
Het is lang geleden dat de Gekke Koning over Connaught regeerde. Hij heette Giles en stond in heel Ierland bekend vanwege zijn ideeën, die hem de bijnaam van Giles de Gek hadden bezorgd.
In het begin was hij geen gekke, en ook geen slechte koning. Hij had zijn gewone portie gezond verstand; alleen had hij van kind af altijd al het mogelijke gedaan om zijn lelijke gezicht in een mooi gezicht te veranderen en geen enkel kunstmiddel tot dat doel onbeproefd gelaten. Daarom had het volk hem eerst, toen hij nog maar een jongen was, de bijnaam van Giles de Dame gegeven. Zijn arme vader had zich erg bezorgd gemaakt over Giles, die na hem de troon zou moeten bestijgen en die zich altijd zo druk maakte over zijn uiterlijk. Maar de wijze raadgevers zeiden, dat de jongen, als hij eenmaal zelf koning zou zijn, die malligheid wel gauw zou afleren. Ditmaal echter — zoals zo vaak — bleek het vernuft van de wijze mensen niet veel waard te zijn. Toen de oude Koning stierf en Giles de Dame hem opvolgde, kreeg de oude marktvrouw gelijk, die voorspeld had, dat het met Giles nog veel erger zou worden. Koning Giles maakte zich nu inderdaad nog tienmaal meer bezorgd over zijn lelijke gezicht; want hij zei, dat juist het uiterlijk van een koning een aangename indruk moest maken op zijn onderdanen, maar dat hij, als zij bij hem kwamen, altijd zag, dat ze gauw hun ogen naar rechts of naar links draaiden, of naar de grond keken, terwijl zij met hem spraken. En dat was nog niet het ergste. Dicht bij de residentie, op de grens van het koninklijk domein, woonde een druïde, Malachy geheten, de afstammeling van een oud druïdengeslacht, dat de sinistere gave bezat, dat ieder die de hand ophief tegen iemand van dat geslacht en hem maar het minste of geringste lichamelijk letsel toebracht, op de plaats dood bleef. Ook had dat geslacht sinds mensenheugenis het privilege, in de bossen van de Koning op negen dagen van het jaar negen herten te mogen schieten. Maar toen Giles de Dame de kroon van zijn vader had opgezet, verordineerde hij, dat geen sterveling, druïde of geen druïde, voortaan meer in zijn bossen mocht jagen, en hij stuurde een bibberende boodschapper naar Malachy, om hem dat te zeggen en er bij te vertellen, dat hij buiten de wet zou worden gesteld en nooit meer voor de Koning zou mogen verschijnen, als hij het waagde dit verbod te overtreden. De druïde, die tot dusver maar zelden gebruik had gemaakt van het familieprivilege en vaak jaren had laten voorbijgaan zonder ook maar één hert te schieten, trok nu dadelijk het bos in en schoot zijn negenmaal negen herten. Bovendien zwoer hij, dat hij de Koning, mocht hij hem ooit in het bos ontmoeten, zelf zou neerschieten, zoals hij zijn herten had neergeschoten! De Koning wist dat Malachy meende wat hij zei, en voelde zich daarom nog tien keer ellendiger dan tevoren. Hij durfde niet meer op jacht te gaan in zijn eigen bossen, wat een groot gemis en nog een veel grotere vernedering voor hem was. Dat een van zijn onderdanen hem op een dergelijke manier durfde te affronteren en dat hij van zijn kant die man niet durfde aan te pakken, wekte zulk een haat in zijn hart, dat het kleine beetje gemoedsrust, dat hij nog overhad, er door werd verstoord en dat hij zo verschrikkelijk grillig en tiranniek ging doen, dat het volk hem niet langer Giles de Dame, maar Giles de Gek begon te noemen.
Daar de Koning meende dat hij een knap gezicht zou krijgen door de zeewind — omdat de jongens en meisjes van de zeekant er altijd zo fris en gebruind uitzagen — liet hij zich iedere ochtend van zijn kasteel naar zee dragen, een weg van tien mijlen over woeste, rotsige bergen, en 's avonds nog eens tien mijlen naar huis: een zware tocht van vier uur heen en vier uur terug. En dat was de derde grote ergernis voor de Koning: dat het kasteel, dat zijn vader hem had nagelaten, zo ver van zee lag. En als hij niet jammerde over de vijandschap van Malachy of over zijn lelijke gezicht, dan was het over die lange, vermoeiende tocht naar zee. Met het jammeren over die drie dingen had de Koning het zo druk, dat hij maar weinig tijd overhield om aan de noden van zijn volk te denken, en zijn koninkrijk ging dan ook holderdebolder naar de kelder. Hij liet zijn Eerste Minister iedere ochtend naast zijn draagkoets lopen, als hij op weg was naar zee, en dan moest de arme man hem de verzoekschriften van zijn onderdanen voorlezen en hem spreken over de klachten van het volk.
Maar denk nu niet dat dit hielp; de nodige hervormingen werden er alleen maar door belemmerd, want er waren zoveel verzoeken, petities en klachten, dat het beetje humeur dat de Koning na een slapeloze nacht nog overhad, al helemaal aan gruzelementen lag vóór hij halverwege de zee was gekomen. En vaak genoeg gebeurde het, dat de Koning zo slecht geluimd was, dat hij de klager Het aanzeggen, dat de beul gauw zou komen om hem uit zijn lijden te helpen. Het duurde dan ook niet lang of het was moeilijk te zeggen, wie er nu eigenlijk het ergst aan toe was: de Koning of zijn volk. De wijze mannen aan het Hof staken de koppen bij elkaar om te beraadslagen, wat er kon worden gedaan om zowel de Koning als het koninkrijk voor de ondergang te behoeden. En na hun beraadslagingen waren ze nog precies even ver. Toen riepen zij alle geleerde en gestudeerde wijze mannen van het hele koninkrijk bijeen, om te zien of er misschien toch nog iets aan gedaan kon worden. Al spoedig hadden ze zoveel bollebozen bij elkaar, dat ze een weiland van een mijl in het vierkant nodig hadden om te vergaderen. En op dat weiland van het koninklijk domein debatteerden ze drie dagen en drie nachten, zonder te eten of te slapen, en toen het eindelijk afgelopen was, waren ze nog precies even wijs, als toen ze begonnen. Toen zei de beroemdste geleerde van allemaal, die de voorzitter van de vergadering was: "Laat er iemand naar de Koning gaan en hem vragen wat hij dan voor de duivel eigenlijk wil, en wat er zou moeten gebeuren om hem en zijn ongelukkig koninkrijk eindelijk rust en vrede te geven."
Dat deden ze en er kwam meteen antwoord van de Koning: "Ik en mijn koninkrijk zullen rust en vrede hebben, als jullie iemand vinden die drie dingen kan doen: mijn vijand doden, mijn gezicht mooi maken en mijn kasteel dicht bij de zee brengen." Toen de vergadering die drie wensen van de Koning hoorde, waren al die geleerde mannen de wanhoop nabij; ze stoven uiteen en maakten dat ze weg kwamen. Te voet, te paard, in koetsen en boten haastten zij zich naar huis en ze schudden verdrietig het hoofd en zeiden: "Het is nog zo gek niet, dat ze hem Giles de Gek hebben genoemd."
Heel Connaught zat in zak en as en de raadslieden van de Koning bezwoeren hem, toch niet door zulke onvervulbare wensen het herstel van het koninkrijk onmogelijk te maken. "Daar kan ik niets aan doen," antwoordde de Koning, "want zolang mijn vijand niet is gedood, mijn gezicht niet mooi is gemaakt en mijn kasteel niet half zo ver van de zee ligt, of de zee tweemaal zo dicht bij mijn kasteel, zal mijn geest nooit rust of tevredenheid kennen. En ik heb geen tijd of lust mij te bekommeren om de noden van mijn onderdanen, zolang ik nog zoveel met mijn eigen moeilijkheden heb te stellen." Toen begonnen de raadslieden van de Koning luid te jammeren en ze zeiden tegen hem: "Maar weet u dan niet, dat, zelfs als een onmogelijk knappe tovenaar ooit in staat zou zijn de laatste twee wensen van u te vervullen, toch geen sterveling ter wereld uw vijand zou kunnen doden, omdat de druïde hem dan altijd eerst zou hebben gedood?" "Dat kan me niet schelen," antwoordde de onredelijke Koning. "Ik zal niet beter worden vóór mijn drie wensen vervuld zijn. — Maar," zei hij, "ik wil de helft van mijn koninkrijk geven aan degene die ze vervult. Alleen zeg ik er bij, dat, als het hem niet gelukt en hij mocht het overleven, ik hem het hoofd zal laten afslaan." De raadslieden gingen verdrietig en verslagen de kamer uit en de waanzinnige wensen van de Koning werden in het hele land bekend gemaakt. Er waren heel wat vermetele avonturiers, die er wel zin in hadden een poging te wagen; maar als ze dan bedachten dat ze door Malachy, de druïde, zouden worden gedood, zodra zij maar een vinger naar hem durfden uit te steken, en dat de Koning hen zou laten onthoofden, als zij Malachy in leven lieten, zonk de moed hun in de schoenen en bleven ze bibberend bij hun eigen haardvuur zitten. Heel Connaught begon een aardje naar zijn Koning te krijgen en even gek te worden als hij door al die ellende.
En de mensen die nog een tikkeltje verstand overhadden, liepen handenwringend rond, jammerend om de ondergang van het trotse koninkrijk Connaught. Toen nu Zwarte Patrick in Donegal hoorde spreken over de wisse ondergang waarmee Connaught werd bedreigd en hoorde vertellen, dat al die geleerde mannen tevergeefs hadden getracht er iets op te vinden, pakte hij zijn spulletjes in een rode zakdoek, hing het bundeltje aan zijn stok over zijn schouder en ging op weg naar het kasteel van de Koning van Connaught. Zoals je wel zult begrijpen, werd het armoedige mannetje, toen hij bij het kasteel van de Koning kwam en tegen de soldaten, die hem tegenhielden, zei wat hij kwam doen, uitgelachen door een heleboel onbeschofte kinkels en domoren onder de wijze en onwijze mannen die kwamen toelopen om naar het onnozele boertje te kijken. De Koning stuurde zijn adjudanten om te gaan zien wat er aan de hand was, en ze kwamen terug met de boodschap, dat er een mannetje uit de bergen van Donegal aan de poort was, in boerenkleren, met een bundeltje in een rode zakdoek aan een stok over zijn schouder, die beweerde dat hij de drie onmogelijke wensen wilde vervullen, waarmee de grootste geleerden van het land geen raad hadden geweten. "Dat vind ik geen reden om die man uit te lachen," zei de Koning, "want hij kan zeker geen grotere bok schieten dan al die wijze en geleerde heren. Ga uit mijn naam zeggen, dat ik niet van hun gelach gediend ben en breng die boer uit de bergen bij me."
De adjudant deed wat hem gezegd werd en Zwarte Patrick werd bij de Koning gebracht en maakte een buiging. Toen vroeg de Koning hem, of hij van plan was te proberen, die drie moeilijke dingen voor hem te doen. "Majesteit," zei Patrick, "ik zal mijn best doen en meer kan zelfs de beste niet zeggen." "Goed," zei de Koning. "Vertel me dan maar wat je nodig hebt om er mee te beginnen." "Wat ik nodig heb," antwoordde Patrick, "is het privilege om, terwijl ik die drie dingen probeer klaar te spelen, in uw koninkrijk het recht te hebben om met koninklijk gezag alles te bevelen wat ik wil."
De Koning beval dat Patricks woord wet zou zijn. En de hovelingen, die aan de gekste grillen van de Gekke Koning gewend waren, bogen ook instemmend bij dit waanzinnige bevel. Zwarte Patrick bedankte de Koning zo hoffelijk, dat de meest volleerde hoveling er nog een voorbeeld aan had kunnen nemen. De volgende ochtend ontbood Zwarte Patrick alle wijze mannen en raadslieden van de Koning en besprak eerst met hen de vurige wens van de Koning om een knap gezicht te krijgen. Hij was het met de grote lijfartsen eens, dat de dagelijkse tocht naar zee goed voor hem was, vanwege de frisse lucht. "Maar," zei hij, "die tocht is te lang en te vervelend en daardoor wordt het voordeel weer tenietgedaan. Wij moeten dus, om te beginnen, het kasteel dichter bij zee brengen."
Maar de grootste bouwmeesters en ingenieurs van het koninkrijk, die bij de bespreking tegenwoordig waren, sprongen als één man op en begonnen te betogen dat er een heel mensenleven nodig zou zijn om zoveel van de bergen weg te breken, dat de zee zelfs maar een honderdste deel van de weg dichter bij het kasteel zou komen. "Dan zullen we het kasteel dichter bij de zee brengen," zei Patrick. "Dat komt op hetzelfde neer." "Maar," brulden ze tegen hem, "zelfs als de koning en het koninkrijk het zouden goedvinden — wat ze zeker niet zullen doen — dan zou het vijfentwintig jaar duren voor het kasteel was afgebroken; dan zouden we nog eens vijfentwintig jaar werk hebben om de stenen te vervoeren en daarna vijftig jaar om het kasteel weer op te bouwen zoals het nu is. De Koning zou al dood en begraven zijn, voor je alleen maar de toren van het kasteel zou hebben afgebroken. Dat is onze conclusie," zeiden ze, "en we hebben stuk voor stuk zeventien jaar lang gestudeerd!" — Daarop gingen ze weer zitten. "Dank u, heren," zei Zwarte Patrick. "Maar er zijn bouwmeesters en bouwmeesters, en ik denk dat er ook wel ingenieurs en ingenieurs zullen zijn. Ik heb een vriend, een arme man in de bergen van Donegal, die — ik schaam mij het te moeten zeggen — geen zeventien jaar voor bouwmeester of voor ingenieur heeft geleerd, maar die er waarschijnlijk toch wel in zal slagen het kasteel en de zee tweemaal zo dicht bij elkaar te brengen. Als die vriend van mij dat niet in één morgen klaarspeelt, zou ik me al heel erg moeten vergissen."
De wijze mannen waren sprakeloos, maar de woedende bouwmeesters en ingenieurs gingen als gekken te keer. Patrick begon toen over de vijand van de Koning te spreken. Ze vertelden hem dat Malachy, de druïde, een grootmoedig man was, maar erg lichtgeraakt en dat hij niet kon verdragen dat hem ook maar het minste of geringste onrecht werd aangedaan. Niemand had méér eerbied voor de Koning getoond dan Malachy, vertelden ze, maar toen de Koning hem onrechtvaardig zijn privilege had ontnomen, had Malachy gezworen dat hij de Koning als een konijntje zou neerschieten, als hij hem ooit in de bossen tegenkwam. En hij meende het ook; daaraan viel niet te twijfelen. "Maar daar valt niets meer aan te doen," zeiden ze. "De vijand van de Koning heeft, zoals iedereen weet, een leven dat door tovermacht wordt beschermd, en wie de hand tegen hem opheft, blijft dadelijk op de plaats dood." "Dat kan wel waar zijn," zei Patrick, "maar jullie zullen de vijand van de Koning op mijn bevel doden en geen haar zal jullie worden gekrenkt. Daar sta ik borg voor." "Wij denken er niet over!" riepen ze woedend, terwijl zij opsprongen. "Wij maken nog liever oproer, zodat we door de beul van de Koning worden onthoofd, dan dat we iets tegen Malachy beginnen en dood neervallen."
"Bedaard, heren," zei Patrick heel kalm. "Ga maar weer zitten. Dat zullen we dan wel zien, als het zover is. En nu," zei hij, alsof hij die eerste twee wensen van de Koning al had vervuld, "nu behoeven we alleen nog maar te zorgen dat de Koning een knap uiterlijk krijgt." "En dat is iets dat geen sterveling ooit zal klaarspelen," zeiden ze. "Hij heeft dat nu al dertig jaar lang geprobeerd met behulp van de grootste doktoren en de beroemdste medicijnen van de wereld en zijn gezicht wordt iedere dag lelijker in plaats van mooier." "Ik wil niet beweren dat ik zelf een beroemde schoonheidsdokter ben," zei Patrick; "ik heb tenminste nooit tijd verknoeid met er voor te studeren; maar toch geloof ik, dat dit het gemakkelijkste karweitje van de drie zal zijn, al zijn ze geen van drieën moeilijk te noemen." "Jij bent even gek als de Koning," zeiden ze, "en hij is net zo gek als jij. En wij zouden zo gek moeten zijn als jullie tweeën samen, als we ons nog langer lieten beledigen door iemand van jouw slag." "Vergeten jullie niet, dat ik vandaag de plaats van de Koning bekleed," zei Zwarte Patrick, "en dat, wat jullie daar zeggen, hoogverraad is, waarvoor je kunt worden gehangen, verdronken en gevierendeeld!" Toen Patrick dat gezegd had, schrokken ze allemaal en vroegen hem om vergiffenis. "Ja, dat is wel in orde," zei Patrick. "We zullen maar zeggen dat de pap niet altijd zo heet behoeft te worden gegeten, als ze wordt opgediend. Doen jullie nu alleen maar alsof je mij respecteert, omdat ik nu eenmaal de Koning moet vertegenwoordigen. Verdraag mijn kuren nu maar voor de korte tijd dat ik hier ben, en doe wat ik zeg, al vinden jullie het ook nog zo gek. Jullie zullen gauw genoeg van me af zijn." "En daar zullen we God voor danken!" zeiden ze uit de grond van hun hart, maar binnensmonds. En hardop zeiden ze: "Daar verlangen we helemaal niet naar. We hopen dat Uwe Hoogheid nog heel lang bij ons zal blijven." "Bedankt," zei Patrick, alsof hij wou zeggen dat hij het wel geloofde.
Het eerste dat hij daarna deed, was dat hij de snelste koerier op het snelste paard dat er op het kasteel te vinden was, naar Donegal stuurde om daar een buurman van hem, een zekere Donal O'Donnell te halen, die de kostelijkste en beroemdste verhalenverteller van de hele streek was. — "Die man zal het kasteel heel gauw dicht bij de zee brengen," vertelde Patrick aan ieder die het maar horen wilde. En toen Donal in zijn boerenkleren aan het Hof kwam, gingen de grote ingenieurs en de beroemde bouwmeesters om hem heen staan en vroegen spottend, of hij misschien architect was van varkenshokken. De arme man wist zich geen raad en stond juist op het punt de benen te nemen, toen Patrick er aankwam en tegen de bouwmeesters zei, dat die man uit de bergen van Donegal wel niet veel van de edele bouwkunst afwist, maar dat hij toch ook zijn verdiensten had. Toen gingen de ingenieurs en de bouwmeesters weg en ze schudden hun hoofden zo hard, dat zij ze bijna verloren. De volgende ochtend, toen de Koning weer op het punt stond zich door vier stevige kerels naar zee te laten dragen, zei Patrick tegen Donal O'Donnell, dat hij naast de draagkoets moest meelopen. "Je moet onderweg — op je eigen, betoverde manier — een van je langste en mooiste oude Ierse verhalen aan de Koning vertellen," zei Patrick tegen hem. "Je doet het op je gemak en blijft vertellen totdat jullie aan de kust zijn gekomen; maar geen ogenblik langer. Dan doe je je mond dicht, zo stijf als een mossel als het eb wordt. En op de terugweg ga je verder met je verhaal; maar je vertelt geen woord meer, zodra jullie het kasteel hebben bereikt."
En tegen de Koning zei Patrick: "Die man is een arme buurman van me, die nogal aardig kan vertellen en die ik heb laten komen om u een beetje afleiding te bezorgen onderweg, terwijl ik het kasteel verplaatst. Maar we zijn samen overeengekomen, dat hij alleen maar vertelt, terwijl u naar en van het strand wordt gedragen. En als u weer op het kasteel bent, zal geen sterveling nog een woord uit hem kunnen krijgen," zei Patrick. "Maar ik ben al tevreden als hij u met zijn verhalen half zoveel genoegen zal doen als zijn buren in Donegal." De Koning leunde achterover in zijn draagstoel en in het begin luisterde hij nauwelijks naar het verhaal van Donal. Maar die brave Donal was nog geen twee minuten aan het woord, of de Koning spitste de oren om toch maar geen woord van de geschiedenis te missen.
Al spoedig zat hij kaarsrecht in de draagstoel en het duurde niet lang of hij zat helemaal voorovergebogen, met zijn ogen, oren en mond wijd open om toch maar vooral volop te kunnen genieten van de betoverendste voorstelling die hij ooit had bijgewoond. En toen de dragers de draagkoets op het strand neerzetten, en Donal zijn mond hield, hief de Koning zijn stok op en ranselde de hoofddrager op een verschrikkelijke manier af, omdat hij hem zo haastig naar zee had gebracht! En op de terugreis, die avond, vertelde Donal weer een van zijn prachtigste verhalen. Weer hing de Koning aan zijn lippen en nu liepen de dragers heel langzaam. Maar toen ze dicht bij het kasteel waren gekomen en het verhaal juist heel spannend begon te worden, liet de Koning hen wel tienmaal op hun schreden terugkeren, opdat de tocht langer zou duren. En toen de dragers eindelijk doodmoe het kasteel bereikten en Donal, juist bij het spannendste deel van de geschiedenis, zijn mond stijf dichthield, zei de Koning tegen Zwarte Patrick en de wijze mannen en raadslieden die daar bijeen stonden om hem te begroeten: "Jullie hebben het helemaal verkeerd gedaan! Alle plannen moeten worden veranderd. Mijn kasteel staat nu veel te dicht bij de zee!"
De wijze mannen en de raadslieden, en de architecten en de ingenieurs keken elkaar stomverbaasd aan. Maar Zwarte Patrick zei, dat hij blij was het te horen. Nu had Patrick die dag, terwijl de Koning weg was, niet stilgezeten. Hij was zelf, aan het hoofd van een koninklijke commissie, naar Malachy, de vijand van de Koning, gegaan om hem te zeggen, dat Zijne Majesteit er nog eens over had nagedacht en dat hij tot de conclusie was gekomen, dat hij hem hoogst onrechtvaardig had behandeld; hij zei, dat de Koning hem zijn nederige excuses aanbood en hem niet alleen verzocht, voortaan in de bossen van de Koning negenmaal negen herten te schieten, maar, als hij daar lust in had, ook op de strikt gereserveerde terreinen van het koninklijk domein met honden en paarden te komen jagen en negentien maal negen herten te schieten.
Eerst kon Malachy van verbazing geen woord uitbrengen. En toen hij de macht over zijn tong eindelijk had teruggekregen, zei hij: "Ga terug naar je edelmoedige vorst en zeg hem, dat Malachy voortaan zijn trouwste vriend en onderdaan zal zijn. En zeg er dan bij, dat ik, in plaats van gebruik te maken van zijn edelmoedig aanbod om overal waar ik maar wil op het domein van de Koning te jagen en negentien maal negen van zijn herten te schieten, voortaan niet alleen afstand doe van mijn voorrecht, maar ook zelf als jachtopziener zal optreden en alle stropers van het koninklijk domein zal weren."
Toen Zwarte Patrick nu met de Koning het kasteel was binnengegaan en de vorst, die door de verhalen van Donal helemaal was opgeknapt, op de troon had laten plaatsnemen in de grote ontvangzaal, verschenen daar alle edelen met hun dames, die heel nieuwsgierig waren om te zien wat Patrick zou doen. En tot zijn onbeschrijfelijke verwondering zag de Koning, dat Malachy, de druïde, voor zijn troon knielde om hem zijn zegen te vragen. Zeer verheugd nam hij Malachy bij de hand en liet hem aan zijn linkerzijde zitten. Daarop nam de Koning Zwarte Patrick bij de hand en zette hem aan zijn rechterzijde. Toen sloot hij de ogen en bad in stilte vijf minuten lang, terwijl hij alleen zijn lippen bewoog. Daarna bleef de Koning nog een hele tijd stil zitten en eindelijk stond hij op en begon een toespraak te houden tot zijn raadgevers, geleerden en edelen. — "Mijn goed, geduldig en zwaar beproefd volk," zei hij, "dit is de gelukkigste dag van mijn leven. Jaren lang heb ik mezelf en u allen gekweld om drie dingen te verkrijgen, die onmogelijk schenen. Twee van mijn wensen zijn vandaag vervuld: mijn kasteel staat nu veel meer dan tweemaal zo dicht bij zee en de vijand van de Koning is dood. En nu zie ik voor het eerst van mijn leven in, dat mijn derde wens onzinnig was. Met een tevreden gemoed en een ziel vol vreugde is een mens volmaakt gelukkig en daarom verlang ik er niet meer naar, een mooi gezicht te hebben. Het is niet de schoonheid van het gezicht, maar die van het hart waar het op aankomt," zei hij met stralende ogen, "en nu voel ik die werkelijke schoonheid overvloedig in mijn hart."
Alle aanwezigen staarden als betoverd naar het gezicht van de Koning en sloegen van verbazing de handen ineen, terwijl zij fluisterden: "O, maar kijk zijn gezicht nu eens stralen van schoonheid!" En dat was de zuivere waarheid; want nu het gezicht van de Koning zo straalde van vreugde, was het mooier dan een dichter zou kunnen beschrijven! "Uw drie wensen zijn vervuld, Majesteit," zei Zwarte Patrick. "Ik geloof dat hier verder niets meer voor mij te doen valt. Ik zal Donal hier laten en ik weet, dat u goed voor hem zult zorgen en hem behoorlijk zult betalen. Dan neem ik nu mijn bundeltje maar op, en vertrek naar Donegal." Toen legde de Koning zijn hand op de schouder van Zwarte Patrick en hij zei: "Vergis je niet! De helft van mijn koninkrijk is van jou."
Maar Patrick schudde het hoofd: "Majesteit," zei hij, "een arme man uit de bergen, zoals ik, zou nog geen duizendste deel van uw koninkrijk kunnen nemen als hij het zou willen, en hij zou niet weten wat hij er mee zou moeten doen, als hij het zou kunnen. Als hij zoiets deed, zou hij zich alleen maar belachelijk maken in de ogen van alle geleerde en wijze mannen, hij zou bovendien zijn hoofd kwijt raken en eerst zichzelf en dan zijn koninkrijk te gronde richten. Het enige koninkrijk dat ik begeer, is mijn eigen stukje grond op de groene berghelling in Donegal. Daar is mijn woord wet," zei hij. "Daar heb ik geen lastige onderdanen die mij het leven zuur zouden maken, en geen grote zorgen of zware verantwoordelijkheid, die mij zouden drukken. Daar ken ik geen honger of gebrek. Daar vind mijn gemoed rust en mijn hart tevredenheid — en wat zou ik méér kunnen verlangen?" En vóór de Koning en de geleerden en edelen in de zaal er op verdacht waren, maakte Zwarte Patrick een buiging en zei: "Goeiendag!" Hij hing zijn rode bundeltje aan zijn stok over zijn schouder en ging de deur uit — op weg naar Donegal.
Man gezocht Een eenzame vrouw van 70 jaar, wilde weer opnieuw trouwen.Ze plaatst een advertentie in een locale krant met de tekst: MAN GEZOCHT! MOET IN MIJN LEEFTIJDGROEP ZITTEN (70's), MOET MIJ NIET SLAAN, MOET NIET WEGRENNEN VAN MIJ, EN MOET GOED IN BED ZIJN! REAGEREN IN PERSOON ZELF. Na 2 dagen gaat de deurbel. Hoewel ze er tegenop zie, opent ze de deur. Voor haar ziet ze een grijze man zonder armen en benen in een rolstoel. "Je denkt toch echt niet dat ik jou zou willen", zegt de vrouw, "Kijk nou eens naar jezelf........je hebt geen benen!" De oude man glimlacht, en zegt; "Daarom kan ik niet wegrennen van jou"! Ze gromde een keer. "Je hebt zelfs geen handen!" Weer glimlachte de oude man en zegt; "Dan kan ik je ook niet slaan!" Ze kijkt met een doordringende blik naar de oude man en vraagt; "Ben je nog steeds goed in bed"? De man gaat goed in zijn rolstoel zitten en met een enorme glimlach zeg hij; "Ik heb toch op de deurbel gedrukt"?
Door een vreselijk, ongelooflijk stomme vergissing in het ziekenhuis is een man, die eigenlijk gesteriliseerd had moeten worden, omgebouwd tot vrouw. Als de patient bijkomt, ziet hij tot zijn verbazing de voltallige medische staf rond zijn bed staan. "Uh-hmm, w-wij hebben geen goed nieuws voor u." Begrijpelijkerwijze springt de patient bijna uit zijn vel als hij verneemt wat ze met hem hebben uitgehaald. "En dat houdt natuurlijk ook in," klaagt hij, "dat ik nooit meer in staat zal zijn om een erectie op te wekken!" "Maar natuurlijk kunt u dat wel!" antwoordt een van de chirurgen, "maar dat zal dan wel bij iemand anders zijn."
Dokter Jan heeft sex gehad met een van zijn patienten en hij voelde zich al de hele dag schuldig. Het maakte niet uit hoeveel hij probeerde om het te vergeten, hij vergat het gewoon niet. Zijn schuldgevoelens waren gewoon te groot. Maar, af en toe hoorde hij een stemmetje in zijn hoofd dat probeerde die schuldgevoelens kwijt te raken: "Jan, maak je geen zorgen! Je bent niet de eerste dokter die met zijn patienten sex heeft en je zal ook niet de laatste zijn. Je ben nog vrijgezel ook! Laat het maar gaan!" Maar toen hoorde hij altijd weer dat 2e stemmetje dat hem terug in de realiteit schopte: "Jan... je ben een dierenarts..."
Een man moet dringend naar het toilet in een chic restaurant. Helaas zijn alle deuren bezet. De maitre d'hotel, een begrijpend man, stelt daarom voor om de damestoiletten te gebruiken. Maar, zegt hij, een goeie raad: aan de linkerkant van de muur staat een reeks knoppen
met de vermelding WW, WL, PW en ATV. Gelieve deze in geen geval te gebruiken want ze zijn exclusief gereserveerd voor de dames.
Beloofd, beloofd, dankuwel. En de man verdwijnt door de deur.
Eens zijn dringendste behoeften voldaan,
gaat zijn aandacht toch naar de geheimzinnige knoppen.
En zijn nieuwsgierigheid haalt het.
Hij drukt op de knop WW en voelt onmiddellijk een straal WARM WATER
die zijn achterwerk streelt. Mijn God, denkt hij, de vrouwen worden hier nogal verwend. Hij drukt op de knop WL en een stroom WARME LUCHT veegt zijn achterste droog. Wow, wow, prachtig ! En ondertussen heeft hij reeds op de knop WP gedrukt. Luttele seconden daarna parfumeert een WOLK POEDER zijn billen.
Wonderbaarlijk ! denkt hij en verrukt drukt hij ook op de laatste knop ATV...
Hij wordt wakker in een hospitaalbed. Verward en beduusd belt hij om de verpleegster. Wat is er toch gebeurd ? vraagt hij. Wel, u was in de toiletten van restaurant GRAND CHIC,
en u heeft op de verboden knoppen geduwd.
Maar allee, elke knop bezorgde me zeer aangename gewaarwordingen... Ja, ja, dat is waar, maar de laatste, met de letters ATV,
Een Indonesische fabel over een tijger die zijn verdiende loon krijgt
Eens had een tijger zich in een val laten vangen. Er kwam een man voorbij en de tijger vroeg hem om hem er uit te laten. "Ja," zei de man, "dat wil ik wel doen, maar dan moet je me beloven, dat je mij geen kwaad doet, als je vrij bent." - "Dat spreekt vanzelf," antwoordde de tijger.
Nauwelijks had de man hem losgelaten, of de tijger wou hem te lijf. De man smeekte hem toch met rust te laten en eerst eens te onderzoeken, hoe anderen over hun afspraak dachten! Dat vond de tijger goed en zij gingen samen verder.
Toen zij aan een straatweg kwamen, vroeg de man: "Beste straat, luister nu eens, is het nu in overeenstemming met recht en wet om goed met kwaad te vergelden, of mag goed slechts met goed vergolden worden?" De weg antwoordde: "Ik bewijs de mensheid slechts goede diensten, maar ik word met slechtheid beloond, want iedereen trapt mij maar op mijn rug."
Toen kwamen ze bij een boom en de man deed dezelfde vraag. De boom antwoordde: "Ik doe de mensen niets dan goed, maar zij vergelden het met kwaad, want ze slaan mijn takken af en houwen mij om."
"Zie je wel," zei de tijger en hij wou de man weer te lijf gaan, maar deze smeekte nog één levend wezen te vragen en zo kwamen zij bij het dwerghert. De man deed dezelfde vraag.
Het dwerghert antwoordde: "Die zaak moet ik grondig onderzoeken. Laat mij de val eens zien."
Toen zij bij de val kwamen, verzocht hij de tijger nog eens naar binnen te gaan en te laten zien, hoe hij gevangen werd. De tijger gehoorzaamde. Flap, sloot de deur zich. "Ziezo, booswicht," riep Kantjil, "vergeld nu maar goed met kwaad!" Meteen snelde hij met de man weg om hulp te halen. Het was gedaan met de tijger.
Jantje moet van zijn vader boodschappen doen. " Jantje, loop niet langs de hoertjesstraat! " zei vader. Jantje kreeg 5 euro mee. Hij liep langs de hoertjesstraat en zag een lekkerding. Hij gaf 5 euro. De vrouw gaf jantje een zoen op zijn mond. Even later weer thuis zei Jantje: " Ben me geld verloren ". Hij kreeg 20 euro mee. Daarmee mocht hij de string van de vrouw zien. Hij ging weer naar huis. " Ben me geld verloren! " zei Jantje en hij kreeg 50 euro mee. Daarmee mocht hij de vrouw naakt zien. Toen als laatste keer naar huis: " Ben me geld verloren! " zei Jantje. " Dit is de laatste keer! " zei papa en gaf hem 100 euro mee. Jantje ging met de vrouw naar de bosjes. Een uur later werd vader ongerust. Hij ging langs de hoertjesstraat kijken. Hij zag een paar billetjes achter de struik. ' Aha,' dacht vader, ' dat zijn Jantjes billen! ' hij gaf hem een harde klap tegen zijn kont. " Bedankt pap! Hij zit erin! "
Stelling: "Het is nutteloos dat een student blokt". Gegeven: een student blokt Te bewijzen: het is nutteloos: Bewijs: a) hoe meer je leert, hoe meer je weet; b) hoe meer je weet, hoe meer je vergeet; c) hoe meer je vergeet, hoe dommer je wordt
Besluit: Hoe meer je leert, hoe dommer je wordt. Dus: studeren is nutteloos, wat te bewijzen was.
Ik blijf vandaag bij Steffi slapen. We gaan morgen ons rapport halen. Het is de eerste keer dat ik bij Steffi blijf slapen, maar ik ken haar vader en stiefmoeder wel al. ’s Avonds belde ik aan en Steffi haar stiefbroer, Kim, deed open. Ik vind hem een zeer mooie jongen. Ik en Steffi gaan buiten zitten om een ijsje te eten. Ik vertel Steffi dat ik Kim (haar stiefbroer) een zeer mooie jongen vind. ‘Ja, dat vind ook’ giechelde Steffi. En plots stond Kim daar zonder T-shirt aan. ‘Hallo’ zeggen ik en Steffi in koor. ‘Stoort het jullie als ik even een sigaret kom roken?’ zegt Kim. We hebben nog heel de avond verder gepraat. Na een uurtje zegt Steffi: ‘laten we naar de tent gaan’. Kim kroop mee in de tent en we lagen lekker dicht tegen elkaar aan. Plots zei Kim: ‘laten we gaan slapen’. Het was al zo donker dat we niks meer konden zien. Opeens voelde ik Kim over mijn arm strelen. Dit duurde maar twee seconden. Maar toen begon ik zijn hand te strelen en hij pakte mij vast. Na een halfuurtje begon hij mij ook te kussen. Ik had het gevoel dat ik begon te zweven! We hebben de hele nacht in elkaars armen gelegen en elkaar gestreeld. Maar rond drie uur ’s nachts wou Steffi naar binnen, het begon namelijk emmers water te regenen. Toen ik en Steffi droog op haar kamer zaten en Kim naar zijn eigen kamer was gegaan vertelde ik aan Steffi wat er gebeurd was. Ik kon van haar gezicht aflezen dat ze het niet fijn vond dat ik hem gekust had, maar ze zei dat ze het niet erg vond. Ze riep kim om te vragen of dit waar was. Toen werd ze wel kwaad. Kim was namelijk 19 jaar en ik 14. Kim gaf me nog snel een kus en een knuffel en ging terug naar zijn kamer. De volgende ochtend moesten ik en Steffi vroeg op om ons rapport te gaan halen. Ik zei snel dag tegen Kim, maar had geen tijd meer om hem een kus te geven. In de middag ging ik weer naar Steffi’s thuis. Toen we op de bus naar haar thuis zaten belde Kim mij. Hij vertelde mij dat hij al de hele dag aan mij had zitten denken en dat hij gisteren avond zalig vond. De dagen vlogen voorbij ik en Kim zagen elkaar altijd heel even als ik bij Steffi was. We besloten om eens af te spreken.
Ik ging de roltrap op bovenaan stond hij. (Steffi was ondertussen op vakantie vertrokken naar Italië en zou 20dagen weg blijven.) In mijn ogen zag hij er perfect uit! We hebben gepraat over ons en wat er nu zou gebeuren. We hebben veel geknuffeld en gekust en toen heeft hij mij naar huis gebracht. Hij stuurde dat hij verliefd op mij was en hij mij heel mooi vind. Maar de dag erna heeft hij aan zijn ouders verteld dat ik en hij iets hadden samen. Zijn ouders gingen hier helemaal niet mee akkoord en Kim stuurde mij dat we elkaar beter even niet zagen. Maar drie dagen later had hij er al spijt van ik zou bij hem gaan slapen.
Ik lag in zijn armen en zei dat ik hem zou missen, want ik vertrok morgen voor een week naar Frankrijk. Hij zei dat hij mij ook zou missen en dat we nog een keer moesten afspreken als ik terug was. Maar toen ik terug kwam van vakantie verliep het helemaal anders ik kreeg een sms dat het hier moest stoppen. Dat hij geen nood meer aan mij had. Ik was zo kwaad op Kim maar terwijl ook zo droevig omdat ik super verliefd op hem was. Dagen kropen voorbij. Ik had slaap problemen en durfde aan niemand te vertellen wat ik voelde. Steffi kwam terug van vakantie en ik vertelde haar dat ik kwaad was op Kim, maar vertelde haar uiteraard niet dat ik er kapot van was. Ik vroeg aan Steffi of ik bij haar mocht komen slapen, maar dat mocht niet van haar ouders. Ze wilden niet dat ik Kim nog zag. Dit maakte mij nog droevig. Toen begon Steffi ook nog raar te doen en vanaf toen was alles te veel voor mij. Ik zat in een depressie en sliep veel te weinig. Ik durfde natuurlijk aan niemand vertellen hoe ik mij voelde. Maar voor sommigen begon het wel op te vallen dat er iets scheelde met mij. Dit was het einde van mijn leven. Toen was alles zwart het was voorbij.
Twee mannen zijn aan het golfen als er vlak naast de green een begrafenisstoet voorbij komt. Een van de twee mannen neemt zijn pet af en houdt deze op zijn hart. Als de stoet voorbij is zegt zijn vriend: 'Goh, dat vind ik een mooi gebaar van je'. 'Tja', antwoordt de ander, 'dat was wel het minste wat ik voor haar kon doen na twintig jaar huwelijk'.
Daar zat een moeder bij haar kindje, zij was zo bedroefd, zij was zo bang dat het zou sterven. Het was zo bleek, de oogjes waren gesloten, het ademde heel zacht en zo nu en dan heel diep of het zuchtte; en de moeder keek nog bedroefder naar het kleine wicht.
Daar werd op de deur geklopt en er trad een arme oude man binnen, gehuld in een grote paardendeken, want die geeft goed warmte en warmte had hij nodig, het was winters koud. Alles buiten was met ijs en sneeuw bedekt en er blies een snijdende wind.
En omdat de oude man van kou rilde en het kindje een ogenblik sliep, ging de moeder een kannetje bier op de kachel zetten om op te warmen voor de man, en de oude man zat in de stoel te wiegen en de moeder ging vlak bij hem zitten, keek naar aar ziek kind, dat zo zwaar ademhaalde en nam het handje vast.
"Geloof je dan niet dat ik hem behouden zal?" zei zij. "God zal hem niet van me terugnemen." De oude man - het was de Dood zelf - knikte zo wonderlijk, dat het evengoed "ja" als "nee" kon betekenen.
En de moeder sloeg de ogen neer en de tranen liepen haar ver de wangen; haar hoofd werd zo zwaar, in geen drie nachten en dagen had zij een oog dichtgedaan en nu sliep ze.
Maar slechts één ogenblik, toen vloog ze op rillend van de kou. "Wat is dat?" riep ze en ze keek naar alle kanten; maar de oude man was weg en haar kindje was ook weg: hij had het meegenomen.
Ginds in de hoek snorde de oude klok, het zware loden gewicht viel helemaal tot op de grond, boem! En toen stond ook de klok stil.
Maar de arme moeder liep het huis uit en riep haar kind.
Buiten, in de sneeuw, zat een vrouw in een lang zwart gewaad en zij zei: "De Dood is je kamer binnengetreden. Ik zag dat hij zich wegspoedde met je kindje; hij heeft een nog grotere vaart dan de wind, hij brengt nooit terug wat hij nam!"
"Zeg mij alleen maar welke kant hij uitging," zei de moeder. "Zeg mij de weg en ik al hem vinden!"
"Die weet ik," zei de vrouw in het zwarte gewaad, "maar vóór ik die zeg moet je eerst voor mij al de versjes zingen die je voor je kind hebt gezongen! Ik vind ze zo mooi, ik heb ze vroeger gehoord, ik ben de Nacht, ik zag je tranen toen je ze zong!"
"Ik wil ze allemaal zingen, allemaal," zei de moeder', "maar houd me dan niet op, zodat ik hem bereiken kan, dat ik mijn kind kan vinden!"
Maar de Nacht zat stil en stom, toen wrong de moeder haar handen en zong en huilde en er waren veel versjes maar nog meer tranen; en toen zei de Nacht: "Ga naar rechts, het donkere dennenbos in, die weg zag ik de Dood inslaan met je kindje!"
Diep in het bos kruisten twee wegen elkaar en zij wist niet meer hoe zij zou gaan; er stond daar een doornstruik, er was blad noch bloem aan, het was immers winter en koud, en er hingen ijskegels aan de takken.
"Heb je de Dood zien voorbijgaan met mijn kindje?"
"Jazeker!" zei de doornstruik. "Maar ik zeg je niet welke weg hij insloeg, vóór je mij wilt verwarmen aan je hart! Ik vries dood, ik word tot niets dan ijs!"
En zij drukte de doornstruik tegen haar borst zo stevig dat hij goed warm kon worden, en de doornen drongen in haar vlees en haar bloed vloeide in grote druppels, maar de doornstruik schoot frisse groene loten en er kwamen bloemen aan in de koude winternacht, zo warm was het hart van een bedroefde moeder.
Toen wees de doornstruik haar de weg die zij moest gaan.
Toen kwam zij bij een groot meer zonder boot of schip. Het meer was niet zo ver toegevroren dat het haar dragen kon, maar ook niet open en ondiep genoeg om het te doorwaden. En erover moest ze, wilde ze haar kind vinden.
Toen ging ze liggen om het meer leeg te drinken en dat was voor een mens onmogelijk; maar de bedroefde moeder dacht dat er toch een wonder kon gebeuren.
"Nee, dat gaat nooit!" zei het meer. "Laten wij beiden het met elkaar eens zien te worden! Ik houd ervan parels te verzamelen en jouw ogen zijn de twee helderste die ik ooit heb gezien. Wil je ze voor mij uithuilen, dan zal ik je dragen naar die grote bloemkas waar de Dood woont en zijn bloemen en planten verzorgt; elk van deze is een mensenleven!"
,,0, wat geef ik er niet voor om bij mijn kind te komen!" zei de bedroefde moeder, en zij weende nog meer en haar ogen zonken op de bodem van het meer en werden twee kostbare parels.
Maar het meer tilde haar op alsof ze op een schommel zat en zij vloog in één zwaai naar de oever aan de overkant, waar een mijlenlang wonderlijk huis stond; je wist niet of het een berg was met bossen en holen of dat het door mensenhanden was gemaakt.
Maar de arme moeder kon het niet zien: zij had immers haar ogen uitgehuild. "Waar zal ik de Dood vinden die met mijn kindje wegliep?" vroeg ze.
"Hier is hij nog niet gekomen," zei de oude grafvrouw die op de grote kas van de Dood moest passen.
"Hoe heb je de weg hierheen kunnen vinden en wie heeft je geholpen?"
"God heeft mij geholpen!" zei ze. "Hij is barmhartig en dat zal jij ook zijn! Waar zal ik mijn kindje vinden?"
"Ja, dat weet ik niet," zei de vrouw, "en jij kunt niet zien ook! Vele bloemen en bomen zijn vannacht verdord. De Dood zal spoedig komen en ze verplanten. Jij weet toch, dat ieder mens zijn levensboom of -bloem heeft, elk naar zijn aard? Zij zien eruit als andere gewassen, maar hun hart klopt; kinderharten kunnen ook kloppen. Ga zoeken, misschien kun je dat van je kind herkennen; maar wat geef je mij, als ik je vertel wat je nog meer moet doen?"
"Ik heb niets te geven," zei de bedroefde moeder, "maar ik wil voor jou tot het eind van de wereld gaan."
"Ja, maar daar heb ik niets te zoeken," zei de vrouw. "Je kunt mij echter je lange zwarte haar geven, je weet zelf wel dat het mooi is, en dat mag ik wel! Jij kunt er mijn witte haar voor terugkrijgen, dat is toch altijd iets!"
"Als jij niets anders verlangt," zei de moeder, "dan schenk ik het je met vreugde!" En zij gaf haar eigen mooie haar en kreeg er het sneeuwwitte van de oude vrouw voor terug.
En toen traden zij de grote kas van de Dood binnen waar bloemen en bomen zo wonderlijk door elkaar groeiden.
Daar stonden tere hyacinten onder glas. Er stonden ook grote sterke pioenrozen. Er groeiden waterplanten, enkele fris, andere halfziek, er zaten waterslakken op en zwarte kreeften klemden zich vast om de steel. Daar stonden prachtige palmen, eiken en platanen, er stond peterselie en bloeiende tijm. Iedere boom en iedere bloem had zijn naam, elk was een mensenleven en die mens leefde nog – de een in China, de ander in Groenland - overal in de wereld.
Er waren grote bomen in kleine potten, zodat zij wegkwijnden en bijna de pot deden springen, er was ook hier en daar een onbeduidend bloempje in vette aarde, met mos eromheen en goed verzorgd en verpleegd.
Maar de bedroefde moeder boog zich over de kleinste planten en luisterde hoe er binnenin het mensenhart klopte, en uit miljoenen herkende zij dat van haar kind.
"Daar is het!" riep ze en ze strekte haar hand uit naar een blauw krokusje, dat helemaal ziek opzij hing.
"Raak de bloem niet aan!" zei de oude vrouw, "maar ga hier staan.
En wanneer dan de Dood komt - hij is er voor je het weet - laat hem dan de plant niet uitrukken en dreig hem ermee dat jij hetzelfde met andere bloemen zal doen.
Dan wordt hij bang! Hij moet zich tegenover God verantwoorden, geen enkele mag worden uitgerukt voor Hij verlof geeft!"
Plotseling ging er een ijskoude trek door de zaal en de blinde moeder kon merken dat het de Dood was die binnenkwam.
"Hoe heb jij de weg hierheen kunnen vinden?" vroeg hij. "Hoe kon je sneller gaan dan ik?"
"Ik ben een moeder!" zei ze. En de Dood strekte zijn lange hand uit naar het tere bloempje, maar zij hield haar handen stevig eromheen en was toch ook weer bang dat zij een van de blaadjes zou aanraken.
Toen blies de Dood op haar handen en zij voelde dat het kouder was dan de koude wind en haar handen vielen vermoeid neer.
"Je kunt toch niet tegen mij op," zei de Dood.
"Maar dat kan God!" zei zij.
"Ik doe alleen maar, wat Hij wil," zei de Dood. "Ik ben Zijn hovenier! Ik neem al Zijn bloemen en planten en plant die in de grote paradijstuin in het onbekende land, maar hoe zij daar groeien en hoe het daar is mag ik je niet vertellen."
"Geef mij mijn kind terug!" zei de moeder, en ze huilde en smeekte; plotseling greep ze met elke hand een mooie bloem vast vlak bij zich en riep de Dood toe: "Ik trek al je bloemen uit, want ik ben wanhopig!"
"Raak ze niet aan!" zei de Dood. "Jij zegt dat je zo ongelukkig bent en nu wil je een andere moeder even ongelukkig maken!"
"Een andere moeder," zei de arme vrouw en liet onmiddellijk beide bloemen los.
"Daar heb je je ogen," zei de Dood, "ik heb ze uit het meer opgevist, ze schitterden zo sterk; ik wist niet dat het de jouwe waren; neem ze terug, ze zijn nu helderder dan vroeger, kijk nu naar beneden in de diepe put hier vlakbij, dan zal ik je de namen noemen van de twee bloemen die je wilde uittrekken, en jij zult hun hele toekomst zien, hun hele mensenleven en jij zult ook zien wat je wilde vernietigen!"
En zij keek in de put naar beneden. Het was een voorrecht om te zien hoe de ene een zegen voor de mensheid werd, te zien hoeveel geluk en vreugde zich rondom hem ontplooide.
En zij zag het leven van de andere en dat was zorg en nood, verschrikking en ellende.
"Het lot van beiden is Gods wil!" zei de Dood.
"Welke bloem is de bloem van het ongeluk en welke de bloem van de zegen?" vroeg zij.
"Dat zeg ik je niet!" zei de Dood, "maar je zal van mij weten dat de ene bloem die van je kind was, het was het lot van je kind dat je zag, de toekomst van je eigen kind!"
Toen schreeuwde de moeder verschrikt: "Welke was mijn kind? Zeg het mij! Red de ongelukkige! Red mijn kind van al die ellende! Draag het liever weg! Draag het Gods rijk binnen! Vergeet mijn tranen, vergeet mijn smeekbeden en alles wat ik gezegd en gedaan heb!"
"Ik begrijp je niet," zei de Dood. "Wil je je kind terug hebben of zal ik met het kind binnengaan, in het onbekende?"
Toen wrong de moeder haar handen, ze viel op haar knieën en bad tot God: "Verhoor mij niet, nu ik bid tegen Uw wil, die toch de beste is! Verhoor mij niet! Verhoor mij niet!"
En zij borg haar hoofd in haar schoot. En de Dood trad met haar kind het onbekende land binnen.
"Dokter, ik zit met een probleem! Mijn man heeft namelijk een kleine piemelke en elke keer als ik bijna een orgasme krijg, dan floept hij er uit!" "Tja", zegt de dokter, "dat is erg lastig! Maar weet je wat? Neem je man morgen maar mee, dan zie ik jullie om half 11 wel hier." De volgende dag staan mevrouw en meneer bij de dokter. "Tja," zegt de dokter, nadat hij naar de kleine piemel van meneer heeft gekeken, "ik zie het al, daar is maar 1 oplossing voor : Bij mevrouw een metalen plaat in haar mieke en bij meneer een magneetje in zijn eikel."- Zo gezegd, zo gedaan. Enkele weken later komt mevrouw de dokter tegen in de supermarkt. "A wel", zegt de dokter, "en is het nog een beetje gelukt?" "Ja," zegt de mevrouw, "Geweldig, ik heb elke keer een orgasme, want hij
Rijd een taxi door de stad en word ineens aangehouden door een vrouw. De vrouw wil naar Sloten. Zijn ze halverwege kijkt die man eens in zijn spiegel en ziet dat die vrouw naakt is. Dus die man kijkt en die vrouw vraagt: "Kan je het zien?" "Nee, ik wou alleen weten hoe u wou gaan betalen." Dus de vrouw spreid haar benen en zegt: "Beantwoordt dit je vraag?" Waarop de taxichauffeur zegt: "Heb je niet kleiner?!"
jantje moet morgen op school een spreekbeurt houden over fietsen. hij had er nog niet goed voor geleerd dus vraagt hij zijn ouders om hulp. "papa, wat is een andere woord voor zadel"vraagt jantje aan zijn vader/"vader: een vrouw "mama wat is een andere woord voor fiets? mama: een bed zus, wat is een andere woord voor ketting? zus: een condoom die volgende dag komt jantje te laat op school de juffrouw zegt : wat is de reden dat je te laat bent en daarna je spreekbeurt!! jantje: Ik sprong op me bed, op de vrouw maar de condoom scheurde.
Zitten een Belg, een Hollander en een Duitser aan de bar
Zitten een Belg, een Hollander en een Duitser aan de bar
Zitten een Belg, een Hollander en een Duitser aan de bar. Zegt de Duitser”Mijn vrouw heeft laatst een Ferrari gekocht, maar ze heeft geeneens een rijbewijs. Zegt de Hollander ” o, mijn vrouw heeft een zwembad in huis aan laten leggen, maar ze kan niet eens zwemmen. Zegt die Belg’o, dat is nog niks, mijn vrouw ging laatst op vakantie nam ze een hele doos condooms mee, maar ze heeft geeneens een lul”
Het was in de maand mei en overal bloeiden en geurden de bomen en de struiken. Kevers, bijen en hommels zoemden vrolijk door de lucht. Hans liep lekker in zijn korte broek door de wei op weg naar zijn vriendjes, de kikkers. Plotseling zag hij in de verte een oude, in het wit geklede man naderen. Toen de man dichterbij gekomen was vroeg Hans nieuwsgierig: "Wie ben jij?"
"Pancratius ziet men hier staan, een lange weg ben ik gegaan. Koning Winter is 't die mij stuurt; daarom nu geen lente in de buurt. IJsman zegt men tegen mij, bekend ben ik bij allerlei. Een suizewindje heb ik bij me hier, dat blaast en 't doet mij veel plezier! Sssj sssj."
Hans voelde een frisse wind lang zijn benen waaien, maar op dat ogenblik riepen zijn vriendjes de kikkers: "Kom Hans, help ons, wij willen de lente weer roepen." En zo klonk het kikkerconcert:
"Lente, lente, wees niet bang, kom, toon je gezicht en ga je gang!"
Maar toen Hans omkeek zag hij daar niet de Lente staan, maar een andere oude man die een grote zak op zijn rug droeg. "En wie ben jij?" wilde hij weten.
"Servatius ziet men hier staan, een lange weg ben ik gegaan. Koning Winter is 't die mij stuurt, daarom nu geen lente in de buurt. IJsman zegt men tegen mij, bekend ben ik bij allerlei. Een zak heb ik vol sneeuw en ijs. Joechei - nu wordt het weer koud en grijs."
Weer klonk het kikkerconcert:
"Lente, lente, wees niet bang, kom, toon je gezicht en ga je gang."
Hans had wel willen meezingen, maar het was nu zo fris geworden dat hij in zijn dunne kleren stond te bibberen. Daarom liep hij snel naar huis om iets warmers aan te trekken. Toen hij weer terugkwam bij de kikkers, zag hij daar een oude man met een grijze baard staan. Naast hem stond een vrouw die helemaal nat was; ze keek hem niet bepaald vriendelijk aan. "Wie zijn jullie?" vroeg de jongen voorzichtig.
"Bonifatius ziet men hier staan, een lange weg ben ik gegaan, striemende regen breng ik dit land, ik ben een man van kille stand. En dit hier is Sofie, mijn vrouwtje zoet, die houdt van mij en weet heel goed: het voorjaar willen wij verdrijven, koude zal hier voortaan blijven."
Toen Hans dat hoorde schrok hij. Wat wilden die nare mannen hier eigenlijk, nu het al mei was? Zo snel hij kon rende hij naar het dorp terug om zijn vriendjes te halen. "Kom vlug mee, we moeten de ijsmannen verjagen, kom mee naar de kikkervijver." Vrolijk sprongen de kinderen achter hem aan en zongen nu met de kikkers mee:
"Lente, lente, wees niet bang, kom, toon je gezicht en ga je gang."
Toen de drie ijsmannen al die vrolijke kinderstemmen hoorden, vonden ze het helemaal niet meer zo leuk. Ze trokken weg en werden niet meer gezien. Een stevige bries blies alle donkere wolken weg en de zon kwam weer lachend te voorschijn. Met haar warme stralen droogde ze voorzichtig de bloemen en de grasjes. De vogels schudden de druppels van hun verenkleed, de slakken waagden zich weer uit hun huisje en Hans kon met zijn vriendjes weer in zijn zomerkleren buiten spelen.
Er zaten drie vlooien in een kut die zaten te kaarten. Opeens gooide een vlo de kaarten op tafel! Vroeg een ander: "Waarom doe je dat?" Ik geloof dat er een lul op m'n kaarten kijkt.
Een jongen verveelde zich en begon chats op te zoeken voor met andere mensen te praten. Maar op een dag kwam hij een virtueel spel tegen waar je met anderen kunt chatten in een virtuele wereld. Hij melde zich rap aan om eens een kijkje te nemen. Hij werd direct bevriend met een paar andere chatters na een maand of twee spelen ontmoette hij een meisje ze had een virtueel lief en een real lief wat hem raar leek. Maar toen hij wat meer contact mee zocht vond hij ze leuk vinden en werd verliefd. Hij vertelde het meisje er over maar ze zei dat het niet kon dat ze iemand heeft. De volgende dag vroeg ze aan hem "Zou ik het uitmaken?" de jongen natuurlijk zonder twijfel zei hij "ja!". Ze maakte het uit met haar virtueel lief en ook met haar real lief wat hem verbaasde. Hij wou natuurlijk meer weten waarom ze dat deed en vroeg haar of ze ook wat voor hem voelde en het meisje antwoorde: "Ja". De jongen was super blij ze hadden 2 maanden een hele mooie relatie tot de jongen weer contact krag met zijn 1e virtueel ex-lief en haar vriendin Hij werd verliefd op haar vriendin. hij dacht dat die vriendin het ook voor hem voelde maar dat was niet zo. Hij voelde hem schuldig en maakte het terug aan met zijn liefje. Ze hadden weer een week een relatie tot die vriendin er weer tussen kwam en hij weer het zelfde deed... Het meisje(ex-lief) hield vol en de jongen krag weer spijt en nam haar terug door een ruzie met zijn lief en vriendin koos hij voor die vriendin waardoor het weer uitging meer of 1 week duurde de ruzie tot ze weer met elkaar babbelden nu hebben ze nog altijd contact maar heeft ze weer een real lief de jongen is nog altijd smoorverliefd op haar maar of het ooit nog wat word...