Er was eens een stad waarin niet alleen veel rijken en armen, knappe handwerkslieden en ijverige kooplui woonden, maar ook allerlei onguur gespuis. Zo is dat in de meeste steden. Maar hoe verschillend al die mensen onderling ook waren, de rijken en de armen, de heel ijverigen en zij die alleen maar konden luieren, over één ding waren zij het allen eens: rondom de stad was het niet pluis!
Het gebeurde niet zelden dat een koopman zich op weg begaf naar een dichtbij gelegen dorp en voorgoed verdween. Ook gebeurde het wel dat iemand die wat rust wilde zoeken in de vrije natuur of op weg was naar de drie en dertig tempels van de zegenrijke godin Kannon, plotseling met een bleek gezicht en wijd opengesperde ogen van de schrik, de stad weer binnen rende. Hij vluchtte bevend en zwijgend in zijn huis en niemand van de buren of kennissen kon een woord uit hem krijgen. Hij schudde alleen radeloos het hoofd, wat hen nog nieuwsgieriger maakte. Hij moest wel iets verschrikkelijks beleefd hebben, dachten ze. Als zij tegen de avond samenkwamen in de theesalons en hun pijpje rookten, verdiepten zij zich dikwijls in het raadsel buiten de stadsmuren. Wanneer een roversbende de omgeving onveilig had gemaakt, zouden zij daar zeker iets over gehoord hebben. Er was trouwens niemand bestolen. Men sprak alleen over iets vreemds, iets huiveringwekkends. En zij, die dat huiveringwekkende zelf ervaren hadden, konden er niet over vertellen. Zij waren nooit teruggekeerd!
Hoe de mensen zich ook het hoofd braken, het bleef een duistere zaak. In de loop der jaren raakte men er aan gewend dat buiten de stad spoken rondwaarden en men er beter aan deed in huis te blijven. Maar dat dit een bloeiende handel in de weg stond, is zeker.
Op een dag kwam er een mattenvlechter in de stad wonen. Een knappe handwerksman en een flinke, geestige knaap. De ganse dag liep hij langs de huizen en repareerde de matten die de kamervloer bedekten. Doch veel liever maakte hij nieuwe matten. Zodra iemand rijk geworden was en eens goed wilde pronken met een nieuw huis, liet hij de jonge mattenvlechter komen. En de jonggehuwden, die hun woning inrichtten, wisten hem ook te vinden, want niemand had zulke vaardige vingers en bracht zoveel vrolijkheid in huis! Hij kende alle nieuwe liedjes en alle ondeugende nieuwtjes. Hij bootste de beroemde toneelspelers zo goed na, dat de mensen het gevoel hadden naar de voorstelling te zijn geweest! Weldra was de mattenvlechter zo geliefd, dat hij van vroeg tot laat aan het werk was. En niet alleen in zijn eigen wijk, maar in de hele stad. Men ontbood hem zelfs in de nabij liggende dorpen.
Zo was de mattenvlechter een van de zeer weinige dapperen, die zich 's avonds buiten de veilige stad durfden wagen. Dikwijls liep hij, vrolijk zingend, met zijn rietbundel en het nodige gereedschap, door het veld naar een naburig dorp. En nooit was hem iets vreemds overkomen, waarschijnlijk omdat hij altijd zo luid aan het zingen was! Misschien ook omdat hij niets vreesde.
Waarschijnlijk hebben de mensen die praatjes verzonnen, om bij een glas rijstwijn boeiende gespreksstof te hebben, dacht hij. Het is toch vreemd dat ik nog nóóit iets bijzonders heb beleefd.
Eens kreeg hij bericht van een klant uit een ver dorp. U hebt minstens twee dagen werk, had men hem verteld. Maar hij was in de middag van de eerste dag al klaar en begon welgemoed aan de terugreis. De zon brandde meedogenloos en er dreef geen wolkje langs de hemel. De drukkende hitte had zelfs de vogels doen verstommen. Maar nog altijd liep de jonge mattenvlechter vrolijk verder. Hij verheugde zich erover dat hij zo vlug klaar was geweest.
Ik ga rechtdoor naar de schouwburg, nam hij zich voor. Ik ben er in zo lang niet geweest! En misschien kan ik daarna nog een glaasje rijstwijn drinken met de buren.
Hij was zo in gedachten verzonken, dat hij niet gemerkt had dat donkere wolken de hemel bedekten en plotseling werd het zo duister dat hij geen hand voor ogen kon zien!
Er komt natuurlijk onweer, dacht hij. Geen wonder, bij deze hitte! Als ik nu maar op tijd in de stad ben... En hij liep zo snel mogelijk verder. Maar wat was dat? In plaats van de bekende weg rees er plotseling een donker bos voor hem op. De duisternis werd nog dieper en een beklemmende stilte heerste onder de bomen.
Heb ik mij vergist? Het is zo vreemd hier! De mattenvlechter aarzelde. Hij liep een eindje in een andere richting, ging terug, nam weer een ander pad... maar de goede weg kon hij niet meer vinden. Plotseling leek het hem of in de verte een helder licht brandde. Daar ga ik heen, dan kan ik tenminste ontdekken waar ik ben, mompelde hij. En zo vlug mogelijk liep hij in die richting. Even later stond hij voor een kleine tempel. Hoewel hij meende een zachte stem te horen, kreeg hij geen antwoord op zijn roepen. Daarom opende hij zelf de deur.
Midden in de kamer zat een oude, kaalgeschoren non, met het gebedenboek voor zich op een lessenaar. Zij had hem blijkbaar niet opgemerkt, want ze draaide zich niet om toen hij binnentrad. De mattenvlechter wachtte een poosje en kuchte toen verlegen.
"Het spijt me dat ik u stoor. Ik was juist op weg naar de stad toen het begon te onweren. Het werd zó donker, dat ik verdwaald ben. Mag ik hier even wachten, tot het onweer voorbij is en het buiten lichter wordt?"
De non knikte toestemmend en de jongen trok zijn sandalen uit en ging de kamer binnen, zijn rietbundel nog onder z'n arm.
Hij ging in de hoek op een matje zitten. Het was zo stil, dat de beklemming die zich in het bos van hem meester maakte, weer over hem kwam. In de duistere hoeken van de tempel dreigde iets vreemds, iets beangstigends.
De non murmelde zachtjes haar gebeden. De mattenvlechter draaide zich om. Hij zou graag wat met haar gepraat hebben, om zo de onrust uit zijn hart te verdrijven. Maar de non had al haar aandacht bij het gebedenboek. Daarom haalde hij zijn pijp maar te voorschijn en begon te roken. Als je met iets bezig bent, wordt je stemming vanzelf vrolijker, dacht hij. En daar hij niet oppaste, viel er een beetje gloeiende as uit zijn pijp op de mat.
De non zond hem een woedende blik toe.
"Vergeef me," stamelde de jonge mattenvlechter en hij klopte zorgvuldig de as van de mat. "Het komt door dat verschrikkelijke onweer. Je wordt er onrustig van en past dan niet genoeg op... Maar weest u niet bang, het zal niet weer gebeuren!"
Hij zat nu rustig op zijn mat en trok voorzichtig aan zijn pijp. Maar die was spoedig uitgebrand en er viel nog steeds geen druppel regen. Buiten heerste nog altijd een diepe duisternis. Hij keek om zich heen of er niets voor hem te doen viel. En daarbij viel zijn oog op de mat, die aan één kant lelijk gerafeld was.
Die kan ik mooi repareren, dacht hij. De non zal mij dankbaar wezen en de tijd gaat vlugger voorbij. Hij nam zijn gereedschap, greep het bosje draden, trok er één uit en begon te werken. Op dat ogenblik zweeg de non en keek hem boos aan.
"Laat u niet storen," zei de man vlug. "Ik zit niet graag werkloos te kijken. En nu ik hier toch wachten moet, kan ik immers mooi die kapotte mat herstellen!"
De non wierp hem een duistere blik toe, maar antwoordde niet. Opnieuw begon zij haar gebeden te lezen. De mattenvlechter schoot flink op. Hij pakte het bosje draden dat uit de mat hing en trok het er af. Op het zelfde ogenblik schudde de hele tempel op zijn grondvesten. En de non riep huilend: "O, het is verschrikkelijk, verschrikkelijk!"
"U hoeft niet zo bang te zijn," stelde de jongen haar gerust. "Dat komt door de storm, het is bar weer! Hoort u die donderslagen? Maar deze tempel kan wel tegen een stootje. Maak u maar geen zorgen."
Toen de non haar kalmte had teruggekregen, keek de jonge mattenvlechter naar het bosje dat hij in zijn hand hield - en schrok hevig. Het drong ineens tot hem door dat die praatjes in de stad toch niet allemaal verzonnen waren. Het was een bosje lange, zwarte haren met witte punten!
"Dat bevalt mij niet," mompelde hij. "Het is dassenhaar en hoe komt dat in die mat?" Snel trok hij uit zijn tas een lange sterke zadelnaald, hief zijn arm omhoog en dreef toen de naald met al zijn kracht in de mat. Hij ging er dwars doorheen en tegelijkertijd klonk er een luid geschreeuw! De tempel en de non waren verdwenen en de mattenvlechter zat op het veld, met blote voeten en de lange naald nog in zijn hand. De zon brandde en aan de hemel was niet het kleinste wolkje te zien. Verwonderd keek de jongen om zich heen. Doch in plaats van de tempel zag hij een grote bloedplas, waaruit hij een lang spoor kon volgen tot aan een hol. Voor de ingang van het hol lag een dode das!
"Aha, dat was het spook, dat de hele omgeving onveilig maakte," riep de jonge mattenvlechter uit. "Dan zijn het toch geen praatjes geweest."
Nu pas begreep hij aan welk gevaar hij ontkomen was.
Sindsdien is het weer veilig rondom de stad. De mensen kunnen rustig hun werk en plezier buiten de muren zoeken. In plaats van 's avonds thuis te blijven, trekken zij er nu zóveel op uit, dat het lijkt of zij al die jaren willen inhalen. En in de dorpen zegt men: "Nergens heeft men zo weinig zitvlees als in de stad van de spoken!"
Een jongetje komt binnen in een hoerenkot met een platte kikker aan een koordje in zijn hand. Hij vraagt naar een hoer met een vuile ziekte. "Jamaar jongetje, heb jij wel geld?", vraagt de bazin. "Ja hoor", zegt de jongen en hij laat zijn geld zien. En dan doet hij het dus met die hoer met die vuile ziekte (nog steeds met de platte kikker aan het koordje in zijn hand) en als ze klaar zijn vraagt die verwonderd: "Waarom wou jij eigenlijk een hoer met een vuile ziekte?" "Wel", antwoordt de jongen, "als ik thuiskom, doe ik het met de babysitter. En als papa dan thuiskomt, doet hij het met de babysitter. En als mama thuiskomt doet hij het met haar. En 's morgens doet mama het met de postbode. En hem moet ik hebben zie! Hij heeft mijn kikker platgereden!"
Het volksgezegde "Wil een arme er op vooruit gaan dan moet zijn lot in slaap zijn gevallen en het lot van de rijke het niet in de gaten hebben" berust op het volgende verhaal:
Er waren eens twee compadres*, de ene heel rijk, de andere heel arm, die in een dorp woonden, waar vlakbij zich een steile hoge berg bevond, die de berg van het lot genoemd werd, want op de top ervan kon iedereen zijn persoonlijke lot oproepen om er mee te praten. Maar om de top te bereiken moest men diverse ernstige gevaren het hoofd bieden.
Op een dag riep de rijke compadre de arme compadre bij zich en bood hem 500 peso's voor het beklimmen van de berg om daarboven tegen zijn lot te gaan zeggen dat het hem niet nog meer geld moest geven, omdat hij al een hele boel had. De arme compadre nam dit aanbod niet aan want het had geen enkel voordeel voor hem zich aan levensgevaar bloot te stellen voor zo'n gering bedrag.
Maar toen hij bij zijn huis aankwam waar zijn gezin in ellende leefde en stierf van de honger, dacht hij: als ik onderweg het leven laat, kan ik tenminste maken dat mijn gezin die 500 peso's krijgt waar ze even mee vooruit kunnen. En hij keerde terug om te zeggen dat hij het aanbod aannam. Maar toen zei de rijke compadre: "Het was maar een opwelling van mij, ik geef je geen 500 peso's meer, maar 250." De arme weigerde. Hij ging naar huis maar dacht opnieuw na zoals de eerste keer en hij ging opnieuw naar de rijke compadre en zei hem dat hij de 250 peso's accepteerde. De rijke zei zonder enige schaamte: "100 peso's geef ik je en meer niet." En na diverse keren heen en weer gelopen te hebben, werden het tenslotte 5 peso's waar de arme op inging omdat hij niet anders kon.
Toen hij met Gods hulp zonder rampen op de top van de berg was aangekomen, riep hij het lot op van zijn rijke compadre. Dit verscheen onmiddellijk. Het was een stevige, vitale, knappe dame die toen ze de boodschap had aangehoord antwoordde: "Zeg maar tegen die meneer dat ik hem, ook al wil hij het zelf niet, veel geld zal blijven geven en dat hij zich wel moet realiseren dat hij die 5 peso's aan jou kwijt is geraakt omdat ik met wat anders bezig was toen jullie die overeenkomst sloten."
Daarna wilde de arme compadre van de gelegenheid gebruik maken om zijn eigen lot op te roepen, dat deed hij, en zijn lot verscheen. Het was een oerlelijke slonzige oude vrouw, mager en met piekhaar. Toen de arme compadre haar zag wierp hij zich op haar, maar de oude vrouw liet zich niet overmeesteren, er ontstond een fel gevecht, waarin zij de arme compadre tegen de grond duwde en hem bij de keel greep terwijl ze tegen hem zei: "Stuk ongeluk, nooit zal ik je loslaten en weet wel dat jij die 5 peso's gekregen hebt omdat ik sliep toen jullie die overeenkomst sloten."
En ik kroop weg in een gaatje en kwam weer uit een ander gaatje te voorschijn, om nog een verhaaltje van je te horen.
Loopt een vent over de wallen, goed geil. Maar hij heeft alleen maar 10 euro op zak en de goedkoopste hoer op de wallen kost toch zeker minstens 25 euro. Dan ziet hij op een gegeven moment: 'pijpautomaat, inworp 10 euro.' "Hee," denkt ie, "dat is iets voor mij en gooit z'n 10 euro in de automaat. En doet z'n broek alvast omlaag. En....ploep, springt er ineens een rubberen penis van 30 cm te voorschijn.
voorouders woonden zij in de bergen en leefden van de opbrengst van de droge rijstvelden. Zij hadden niet de gelegenheid gehad te gaan leren. Pa Pandir had een vrouw, die Moeder Andeh heette.
Toen de vader van Pa Pandir gestorven was, zond Moeder Andeh hem uit om zout te kopen voor het begrafenismaal. Hij ging op weg naar het dichtstbijzijnde dorp, kocht daar het zout en verstopte het in een holle bamboestok. En omdat hij nog andere boodschappen te doen had, wilde hij die stok zolang ergens bewaren en hij stak hem in een riviertje, dat daar in de buurt voorbij stroomde.. Toen de vrouw van Pa Pandir hem een zoon geschonken had, verzocht zij hem wat vis te vangen, want zij wilde bij de rijst een paar vissen bakken. Zij raadde hem aan als aas een belalang roesa (soort sprinkhaan) te nemen.
Maar hij verstond een belalang roesa (de rug van een hert).
Met zijn hengel op zijn rug liep hij het bos in, waar hij na een tijdje een hert vond dat lag te slapen. Met veel pijn en moeite lukte het hem de vishaak in de rug van het arme dier te slaan, dat hij vervolgens in het water wierp als aas voor de vissen... Eens moest zijn vrouw op het veld werken en droeg hem op voor het kind te zorgen. "Wanneer je het wast, neem dan vooral warm water," zei ze tegen hem voordat ze wegging.
Toen zette hij een ketel water op het vuur en toen het water kookte, pakte hij het kind en stopte het erin... Nu moest het kind begraven worden; hij wikkelde het lijfje in een visnet om het naar het kerkhof te brengen, maar liet onderweg het kind vallen en zonder er iets van te merken, begroef hij het net in plaats van zijn kind. Toen hij terugging langs dezelfde weg, zag hij daar het lijkje liggen.
"Ach," troostte hij zich, "zie toch hoe vaak het gebeurt, dat kleine kinderen sterven."
Zijn vrouw zond hem uit om een buffel te kopen voor het begrafenismaal. En omdat zij bang was dat Pa Pandir zich weer zou kunnen vergissen, zei ze: "Denk eraan, dat de buffel een dier is dat gras eet." Toen kwam hij langs een veld, waar mannen aan het maaien waren. "Kijk!" nep Pa Pandir verheugd uit, "daar heb je de dieren die gras eten!" En hij kocht van de maaiers een sikkel, maar omdat hij zich aan de scherpe snede bezeerde, bond hij de sikkel vast aan een boom in zijn tuin; het dier had zulke scherpe horens... Nu moest hij de gasten uitnodigen voor de maaltijd en zijn vrouw zei tegen hem dat hij de hadjis (bedevaartgangers naar Mekka) en de lebyes (mensen die hun godsdienstige verplichtingen getrouw nakomen) moest verzoeken om te komen. "Denk eraan,"zei ze, "let op hen, die witte kappen hebben en op hen, die lange baarden dragen."
Die vond Pa Pandir ook en hij bracht ze naar huis; een witkopmus en een tegenstribbelende geit..
Nu droeg zijn vrouw hem op een sjeik uit te nodigen. "Maar let wel op," zei Moeder Andeh, "dat je de goede weg kiest, want je moet rechts afslaan en wanneer je dat niet doet en naar links gaat, dan kom je bij het hol van de reuzen!"
Pa Pandir ging op weg en natuurlijk, hij vergiste zich en in plaats van de Sjeik nam hij de beide reuzen mee naar huis. Man en
vrouw samen, die hij uit het hol naar buiten gesleept had... De reuzen aten hun buik vul en toen ze weer wilde vertrekken, vroegen zij aan Pa Pandir ook nog wat eten naar hun kinderen te brengen. Dat deed Pa Pandir met genoegen en hij ging meteen op weg. Maar toen hij bij het hol van de reuzen kwam, propte hij de monden van de kinderen zo vol met buffelbeenderen, dat ze stikten. Toen werd Pa Pandir bang voor de wraak van de reuzen. En hij vluchtte weg met zijn vrouw, over de rivier. De reuzen achtervolgden hen, maar toen ze bij de rivier kwamen riep Moeder Andeh van de andere kant: "Pas op! Het is hier heel diep. Neem een paar kruiken en ga daarin zitten, dan kun je over de rivier
komen."
Dat deden de reuzen; ze gingen in de kruiken zitten, maar die stroomden vol water en de reuzen verdronken jammerlijk.
Pa Pandir en zijn vrouw gingen nu naar het hol van de reuzen, waar zij zoveel schatten vonden, dat zij hun verdere leven geen gebrek meer hoefden te lijden. Nu moest Pa Pandir rijst kopen, maar hij liet zich lege doppen in zijn handen stoppen. Toen hij bij een riviertje kwam, zag hij hoe honderden mieren langs een stuk hout aan de overkant kwamen. "Wanneer die kleine dieren met honderden tegelijk over dat stuk hout kunnen lopen," overwoog Pa Pandir, "dan kan ik er wel alleen overheen gaan." Hij stapte op het stuk hout en tuimelde hals over kop in het water... Nu besloot zijn vrouw hem geen boodschappen meer te laten doen. Toen ging Pa Pandir maar vissen en als hij wat gevangen had, sloeg hij de vissen met een hakmes de kop af, hing ze dan in de rook van een vuurtje, stopte ze in zakken en hing die aan een boom. Telkens wanneer hij trek had, ging hij stilletjes naar die boom en haalde een paar vissen uit de zakken. Het duurde niet lang of zijn vrouw kwam erachter en ze vroeg hem toen of hij niet bang was dat hij daar door een wïld dier zou worden aangevallen. "Ik ben niet bang voor tijgers noch voor geesten," zei Pa Pandir. "Maar er zijn twee dingen waar ik wel bang voor ben, dat is voor een knorrend varken en voor de vogel Garuda!"
Toen zijn vrouw dat wist, verstopte zij zich achter de boom en toen Pa Pandir daar weer eens kwam om wat vissen te halen, bootste zij het knorren van een varken na. Toen Pa Pandir dat geluid hoorde, liep hij wat hij lopen kon. En zijn vrouw, die nu precies wist waar de vissen verborgen waren, haalde de voorraad uit de boom en nam die mee naar huis..
Nu gaf ze hem iedere dag bij het eten twee vissen, maar dat vond Pa Pandir veel te weinig. "Waarom krijg ik niet nog een vis?" vroeg hij, wanneer zij samen gehurkt zaten te eten. "Je hebt nog veel meer, maar je houdt het voor mij verborgen. Ik zie het wel: Je zit erop en telkens haal je een vis voor de dag." Maar Moeder Andeh antwoordde: "Je vergist je, Pa Pandir, ik heb geen vissen meer, maar ik snij, als ik honger heb, de stukken van mijn eigen dij af." En meteen nam Pa Pandir een mes om dat ook te proberen...
Het duurde een hele tijd voordat Pa Pandir van deze dwaasheid genezen was. Toen ging hij weer naar het bos, met de bedoeling om vogels te vangen. Hij smeerde een boom in met vogellijm en had het geluk om op deze manier vijfhonderd vogels te vangen. Hij wilde ze allemaal tegelijk naar huis brengen en bond ze daarom aan zijn lichaam vast. Maar toen sloegen de vogels hun vleugels uit en vlogen met Pa Pandir de lucht in...
Zi j brachten hem ver weg, naar het paleis van de koning. Toen de mensen hem door de lucht zagen aankomen, dachten zij dat hij een elf was en met alle eer werd hij ontvangen en de dochter van de koning kreeg hij als vrouw.
Maar het duurde niet lang of de konings dochter had al gemerkt dat hij geen elf
was, maar een arme, domme Pa Pandir - en hij werd met schande weggejaagd...
De papa van lies zit op een vergadering en ziet dat zijn collega z'n broek openstaat dus zegt hij: 'meneer u garagepoort staat open.'Hij doet diene toe. Na de vergadering zegt die collega: kom is hier gij hebt menne audi tt toch ni gezien hé? 'Maar nee,'zegt diene anderen,' alleen u corella met 2 plate banden.
Broertje nam zijn zusje bij de hand en zei: "Sinds onze moeder dood is hebben we geen goed ogenblik meer; onze stiefmoeder slaat ons elke dag, en als we naar haar toegaan schopt ze ons weg. De harde broodkorsten die van tafel overblijven zijn ons voedsel en het hondje onder tafel heeft het beter, die stopt ze dikwijls eens wat lekkers toe. Het is gewoon verschrikkelijk! Als onze eigen moeder dat eens wist! Kom, laten we samen de wijde wereld ingaan." Ze liepen de hele dag over weiden, velden en stenen en wanneer het regende, zei het zusje: "God en ons hart schreien tezamen." ‘s Avonds kwamen ze bij een groot bos, en waren zo moe van honger en ellende en van het lange lopen, dat ze in een holle boom kropen en in slaap vielen.
Toen zij de volgende morgen wakker werden, stond de zon al hoog aan de hemel en scheen de boom in. Het broertje zei: "Zusje, ik heb dorst, als ik ergens een bronnetje wist, zou ik er heen gaan en drinken. Ik geloof dat ik water hoor ruisen." Hij stond op en nam haar bij de hand om het water te zoeken. De boze stiefmoeder was echter een heks; ze had wel gemerkt dat de twee kinderen waren weggelopen, ze was hen nageslopen zo stil als heksen sluipen kunnen, en ze had alle bronnen in het bos betoverd. Toen ze nu bij een beekje kwamen, dat glinsterend over stenen sprong, wilde het broertje drinken, maar het zusje hoorde het water ruisen: "Wie mij drinkt, wordt een tijger." Toen riep het zusje: "Drink alsjeblieft niet, anders word je een wild dier en zul je me verscheuren!" Hij dronk ook niet, al had hij nog zo’n grote dorst en zei: "Ik zal wachten tot de volgende bron." Toen ze bij het tweede bronnetje kwamen, hoorde het zusje hoe ook hier het water zei: "Wie mij drinkt, wordt een wolf; wie mij drinkt, wordt een wolf!" Toen riep het zusje: "Broertje, ik smeek je, drink hier niet – want dan word je een wolf en eet je mij op." Het broertje dronk niet en zei: "Ik zal nog wachten tot we weer bij een bron komen, maar dan moet ik drinken, wat je ook zegt, ik heb te veel dorst." En toen ze bij de derde bron kwamen, hoorde het zusje dat het water zei: "Wie mij drinkt, wordt een ree; wie mij drinkt, wordt een ree." Toen zei het zusje: "O, broertjelief, drink toch niet, dan word je een ree en dan loop je weg." Maar het broertje was al op zijn knieën gaan liggen, had zich voorovergebogen en van het water gedronken, maar zodra de eerste druppels over zijn lippen gekomen waren, lag hij daar als een jong reetje.
Nu weende het zusje bittere tranen om het arme betoverde broertje en het reetje huilde ook en zat heel bedroefd naast het meisje. Tenslotte zei het meisje: "Wees maar stil, lief reetje, ik ga zal je nooit verlaten." En ze knipte haar gouden kouseband los en deed die haar broertje om de hals en ze plukte grassen en vlocht daar een zacht koord van. Daar bond ze het diertje mee vast en ze leidde hem steeds dieper het bos in. En toen ze lang, heel lang gelopen hadden, kwamen ze eindelijk bij een klein huisje, en het meisje keek naar binnen en omdat het leeg was, dacht ze: "Hier kunnen we blijven wonen." Ze zocht voor het reetje bladeren en mos voor een zacht bedje en elke morgen ging ze erop uit om wortels en bessen en noten te plukken, maar voor het reetje bracht ze mooi gras mee dat hij uit haar hand at; hij was tevreden en sprong om haar heen. ‘s Avonds, als het meisje moe was en haar gebed gezegd had legde zij haar hoofd op de rug van het dier - dat was haar hoofdkussen waar ze heerlijk op sliep. Had het broertje maar zijn mensengedaante gehad, dan was het een heerlijk leven geweest.
Het duurde een poos dat ze zo samen in de wildernis waren. Maar het gebeurde dat de koning van dat land een grote jachtpartij hield in het bos. Daar schalden de jachthoorns, het geblaf van de honden en het geschreeuw van de jagers klonk door de bomen, en het reetje hoorde het en wilde er dolgraag bij zijn. "Och," zei hij tegen het zusje, "laat me eruit om bij de jacht te zijn, ik kan het niet langer meer uithouden," en hij smeekte zo lang, dat ze eindelijk toegaf. "Maar," zei ze, "’s avonds moet je thuiskomen; voor de wilde jagers sluit ik mijn deur; maar om je kenbaar te maken moet je kloppen en zeggen: "Zusje mijn, laat mij erin," en als je het niet precies zo zegt, doe ik de deur niet open." Toen sprong het reetje weg, en hij vond het zo heerlijk en werd zo blij in zijn vrijheid. De koning en zijn jagers zagen het mooie dier en zetten het na, maar zij konden het niet inhalen en juist toen zij dachten dat zij het hadden sprong het over de struiken heen en was verdwenen. Toen het donker werd liep hij naar het huisje, klopte aan en zei: "Zusje mijn, laat me erin." De kleine deur ging open, hij sprong naar binnen en rustte de hele nacht heerlijk uit op zijn zachte bed. De volgende morgen begon de jacht opnieuw en toen het reetje de jachthoorn weer hoorde en het "ho! ho!" van de jagers, had hij geen rust meer en sprak: "Zusje, doe de deur voor mij open, ik moet weg!" Het zusje deed de deur open en zei: "Maar vanavond moet je weer thuiskomen en de spreuk opzeggen." Toen de koning en zijn jagers het reetje met de gouden halsband weer zagen jaagden ze allemaal daarop, maar het was te behendig en hun te vlug af. Dat duurde zo de hele dag, maar eindelijk hadden de jagers hem ‘s avonds hem omsingeld en één van hen wist hem aan de poot te verwonden, waardoor hij hinkte en langzaam wegliep. Eén van de jagers sloop hem na en hoorde hem roepen: "Zusje mijn, laat me erin," en hij zag de deur even opengaan en dadelijk weer dicht. De jager onthield het goed, ging naar de koning en vertelde hem wat hij gehoord en gezien had. Toen sprak de koning: "Morgen jagen wij nog eens."
Maar het zusje was verschrikkelijk geschrokken, toen het reetje gewond bleek. Ze waste het bloed af, legde er kruiden op en zei: "Ga maar liggen, lief reetje, zodat het weer genezen kan." Het wondje was zo gering dat het reetje er de volgende morgen niets meer van merkte. En toen hij de jachtpartij buiten weer hoorde, sprak hij: "Ik kan het niet uithouden; ik moet erbij zijn, zo gauw hebben ze mij niet te pakken." Maar het zusje huilde en zei: "Dan zullen ze je doodschieten, en dan ben ik hier helemaal alleen in het bos en van alles en iedereen verlaten. Nee, ik laat je er niet uit!" "Dan sterf ik hier van verdriet," antwoordde het reetje, "als ik de jachthoorn hoor, dan weet ik dat ik gaan moét!" Toen kon het zusje niet anders en zij deed met een bezwaard hart de deur voor hem open en het reetje sprong vrolijk en gezond het bos in. De koning zag hem en zei: "Jaag nu de hele dag tot aan de nacht op hem, maar niemand mag hem kwaad doen." Zodra de zon was ondergegaan, zei de koning tegen de jager: "Kom mee en laat mij dat huisje in het bos eens zien." En toen hij voor het deurtje stond klopte hij aan en riep: "Lief zusje, laat mij erin." Daar ging de deur open en de koning kwam binnen en hij zag een meisje, zo mooi als hij nog nooit in zijn leven gezien had. Het meisje schrok toen ze zag dat niet het reetje binnen was gekomen, maar een man die een gouden kroon op zijn hoofd had. Maar de koning keek haar vriendelijk aan, reikte haar de hand en zei: "Wil je met me meegaan naar mijn kasteel, en mijn lieve vrouw worden?" "O ja," antwoordde het meisje, "maar het reetje moet ook mee, dat verlaat ik niet." Toen sprak de koning: "Dat reetje mag bij je blijven zolang je leeft en het zal hem aan niets ontbreken." Intussen kwam het reetje naar binnen gesprongen; het zusje maakte de band weer vast, nam die zelf in de hand en samen verlieten ze het huisje in het bos.
De koning nam het mooie meisje op zijn paard en leidde haar naar zijn slot, waar de bruiloft werd gevierd met veel pracht en praal; nu was zij koningin en zij leefden lang en gelukkig met elkaar. Het reetje werd verzorgd en gekoesterd en mocht in de tuin van het slot vrij rondhuppelen. Maar de boze stiefmoeder, om wie de kinderen de wijde wereld waren ingegaan, dacht niet anders of het zusje zou door de wilde beesten in het bos zijn opgegeten en het reetje door de jagers zijn doodgeschoten. Toen zij nu hoorde dat zij heel gelukkig waren en het hun goed ging, maakten afgunst en nijd zich meester van haar hart en lieten haar niet meer met rust en ze dacht er steeds aan hoe die twee nog eens in het ongeluk te kunnen storten. Haar eigen dochter die zo lelijk was als de nacht en maar één oog had, maakte haar verwijten en zei: "Koningin worden, dat was voor mij bestemd!" - "Wees maar stil," zei de oude vrouw om haar gerust te stellen: "Als de tijd daar is zal ik wel bij de hand zijn." En toen de tijd daar was en de koningin een mooi jongetje had gekregen en de koning juist op jacht was, nam de oude heks de gedaante aan van een kamenier, kwam de kamer binnen waar de jonge koningin lag en zei tegen haar: "Kom, het bad is klaar, dat zal u goed doen en weer nieuwe krachten geven - vlug, voor het weer koud wordt." Haar dochter was er ook bij, samen droegen ze de zwakke koningin naar de badkamer en legden haar in de kuip; vervolgens deden ze de deur op slot en maakten ze dat ze wegkwamen. In de badkamer hadden ze echter een hellevuur aangemaakt zodat de jonge koningin weldra stikte.
Toen dat klaar was zette de oude vrouw haar dochter een muts op en legde haar in bed in plaats van de koningin. Ze gaf haar zelfs de gestalte en het gezicht van de koningin; alleen het verloren oog kon ze niet terugtoveren. Maar opdat de koning het niet zou merken moest ze gaan liggen op de kant zonder oog. Toen hij ‘s avonds thuis kwam en hoorde dat hij een zoontje gekregen had was hij zeer blij en wilde naar het bed van zijn lieve vrouw gaan om te zien hoe zij het maakte. Maar de oude heks riep gauw: "Alsjeblieft, laat toch de gordijnen dicht, de koningin mag niet in het licht kijken en moet rust hebben." De koning ging terug en wist niet dat een verkeerde koningin daar in bed lag Maar toen het middernacht was en iedereen sliep zag de baker die naast de wieg in de kinderkamer zat en alleen nog wakker was, hoe opeens de deur openging en de echte koningin binnenkwam. Ze nam het kindje uit de wieg, nam het in haar arm en gaf het te drinken. Vervolgens schudde zij zijn kussentje op, legde hem weer in de wieg en dekte hem goed toe. Ze vergat ook het reetje niet, ging naar de hoek waar het lag en streelde het over zijn rug. Daarna liep ze heel stil de deur weer uit en de baker vroeg de volgende morgen aan de schildwacht of er ‘s nachts iemand het kasteel was binnengekomen, maar hij antwoordde: "Nee, wij hebben niemand gezien." Zo kwam zij vele nachten achtereen en sprak nooit één woord; de baker zag haar elke keer, maar ze durfde er niemand iets van te vertellen.
Toen dat zo een poosje was gegaan begon de echte koningin ‘s nachts te spreken en zei:
"Hoe is mijn kind? Hoe is mijn ree? Nog tweemaal kom ik en dan niet meer."
De baker gaf haar geen antwoord, maar toen zij weer verdwenen was ging ze naar de koning toe en vertelde hem alles. De koning sprak: "Mijn God, wat kan dat zijn? Ik zal de volgende nacht bij mijn zoontje waken." ‘s Avonds ging de koning naar de kinderkamer en precies om middernacht kwam de verschijning van de koningin en zei:
"Wat doet mijn kind? Wat doet mijn ree? Nog éénmaal kom ik en dan niet meer."
En ze verzorgde het kindje zoals ze al die dagen al gedaan had, voor ze weer verdween. De koning durfde haar niet aan te spreken, maar ook de volgende nacht hield hij de wacht. Toen sprak ze weer:
"Wat doet mijn kind? Wat doet mijn ree? Na deze keer kom ik niet meer."
Toen kon de koning zich niet meer inhouden en zei: "Jij kunt niemand anders zijn dan mijn eigen lieve vrouw." Toen antwoordde zij: "Ja, ik ben je eigen lieve vrouw" en op datzelfde ogenblik kreeg zij door Gods genade het leven weer terug en was gezond en fris en had weer kleur. Zij vertelde de koning wat voor kwaad de boze heks en haar dochter haar hadden aangedaan. De koning liet ze beiden voor het gerecht brengen en het vonnis werd over hen uitgesproken. De dochter werd naar het bos gebracht waar wilde dieren haar verscheurden en de heks werd tot de brandstapel veroordeeld en moest jammerlijk omkomen. En toen zij tot as was verbrand veranderde het reetje en kreeg zijn menselijke gedaante terug. Zusje en broertje leefden gelukkig met elkaar tot aan het eind van hun leven.
Een man wil een huis kopen. Hij gaat samen met de verkoper een huis bekijken. De verkoper blijft beneden en de man gaat de slaapkamer bekijken. Als hij in de slaapkamer is, treft hij daar een hoop planten aan. En hij roept naar beneden: "Wat een wildernis is het hier zeg!". De verkoper hoort wat de man roept, gaat onder aan de trap staan en roept terug: "Ga met je penis uit mijn meisje haar kut!"
Er was eens een arme man, een bedelaar, die naar onze leermeester Mozes kwam en sprak: "Onze leermeester en profeet Mozes! Waarom heeft de hemeI over mij beschikt dat ik de hele dag moet rondlopen en moet bedelen en mijzelf en mijn familie maar moeizaam kan voeden, terwijl andere mensen aangenaam leven, niet in nood verkeren en behoorlijk in hun onderhoud kunnen voorzien? Alstublieft, wilt u voor mij tot God bidden, opdat hij ook mij een fatsoenlijke broodwinning geeft, zodat ik met mijn familie behoorlijk leven kan?"
Onze leermeester Mozes gaf gehoor aan het verzoek en bad tot God: "Alstublieft, geef ook deze arme man een goede kostwinning zoals alle joden. Waarom is deze jood ertoe veroordeeld zijn brood voor zichzelf en zijn familie zo moeilijk te verdienen?" Toen hij zijn gebed beëindigd had, hoorde hij een stem vanuit de hemel roepen: "Mozes, meng je niet in zaken die jou verre zijn! Laat deze arme man, hij moet zo verder leven en dat zal voor zijn bestwil zijn!" Maar Mozes was niet overtuigd en smeekte tot God, dat Hij hem toch zou verhoren en het ter wille van hem zou doen. Na zoveel bidden en smeken verhoorde God Mozes' gebed. Binnen enkele dagen werd de arme rijk, hij vond een grote schat en werd een zeer welvarend man.
Maar daarmee was hij niet tevreden. Wederom wendde hij zich tot Mozes: "Ga alstublieft naar God en zeg Hem dat hij mij een belangrijke minister in de regering moet maken." Zo bad Mozes wederom en vroeg God de arme tot een belangrijke minister in de regering te maken, zoals diens eerzucht het wilde. Waarlijk, God verhoorde Mozes' verzoek en korte tijd daarna koos de koning hem uit en maakte hem een belangrijke minister in zijn rijk.
Na een jaar echter wendde de arme zich weer tot Mozes en zei tegen hem: "Mozes, gij profeet, ik heb dit ambt aI een heel jaar uitgeoefend. Nu verlang ik er naar koning te worden. Misschien wilt u aan God vragen mij koning van dit land te maken?" En nadat Mozes gebeden en gesmeekt had dat God deze arme koning van het land zou maken, verhoorde God Mozes' verzoek: de man werd werkelijk koning over het rijk nadat het volk de vorige koning verstoten had en de vroegere bedelaar eenstemmig tot koning had gekozen.
Hoewel hij nu koning was, was hij niet gelukkig en tevreden en na enkele maanden wendde hij zich weer tot Mozes en zei: "Mijn profeet Mozes, u hebt mij zoveel gunsten bewezen, dat ik het nooit vergeten zal. Nu kom ik naar u toe met een enkel verzoek en ik hoop dat u ook dit wilt vervullen: Ik zou graag met eigen ogen zien wat nu God in de hemeI de hele dag doet. Dat is alles wat ik wil." Toen Mozes dit verzoek hoorde, liep hij naar buiten en bad tot God: "U weet, o Heer, deze man die door Uw toedoen koning is geworden, hij wil nu met eigen ogen zien wat de schepper van de wereld de gehele dag lang doet."
Voor hij nog één woord kon zeggen, hoorde hij een stem roepen: "Mozes, om jouwentwil heb ik je verzoeken ingewilligd; heb ik je dan niet van tevoren gewaarschuwd je niet in Mijn zaken te mengen? Ik heb mijn volk geschapen en ik zal ieder naar zijn verstand te eten geven. Ik bedeeI een ieder toe wat hem toekomt, maar ik wilde dat jij zelf de overmoed van de mensen ook beoordeelt, opdat je niet nog eens voor iemand anders iets van mij vraagt. Ga dus nu naar hem toe en zeg hem dat hij morgen vroeg met eigen ogen kan zien wat ik de hele dag doe."
Mozes ging naar de man toe en deelde hem mee dat hij de volgende dag met eigen ogen zou kunnen zien wat de schepper van de wereld de hele dag lang doet. Toen de koning deze woorden van Mozes hoorde, was hij uitermate blij.
De koning sliep die nacht diep en vast. Toen hij in de vroege morgen de ogen opsloeg, bevond hij zich in de kleren van de armoede, op een matras op de grond liggend in de hoek van de armzalige hut waarin hij vroeger gewoond had. En in de andere hoek lag zijn vrouw met de kinderen, allen in lompen gehuld. "Wat is er met mij gebeurd?" riep de arme, "is dit een droom? - Nee, helemaal niet! Gisteren was ik koning en sliep ik met mijn vrouw en mijn kinderen in een paleis. Wat moet dit? Wie heeft mij hierheen gebracht?"
Hij liep naar buiten, zocht en zocht en vond uiteindelijk Mozes. Hij wierp zich voor diens voeten en zei: "Onze leermeester en profeet Mozes, wat heeft God mij aangedaan? Maak mij weer tot degene die ik was! Waarom heeft Hij dit gedaan?"
"In geen geval," zei Mozes, "onze God heeft je niet zo veranderd. Jij zelf hebt Hem gevraagd je met eigen ogen te laten zien wat Hij de hele dag doet. Hij heeft je verzoek ingewilligd en heeft je zijn werk laten zien. De hele dag lang laat hij de ene mens tot rijkdom komen en de andere laat hij tot de laagste trede afdalen. - Dat is zijn werk, de hele dag lang."
Een lelijk meisje ging op vakantie naar Frankrijk. Ze ging met veel families. Ze was het lelijkste meisje van de hele groep. Echt waar! Tenminste dat was wat ze dacht. Toen de leuke jongens haar straal voorbij liepen en gingen flirten met haar vriendinnen, kon ze wel door de grond zakken. Uiteindelijk vond ze iemand die ze erg leuk vond, maar ze ondernam geen actie, want ze wist wat voor soort jongen het was. Een player! Uiteindelijk kon het meisje er niet meer om heen dat die leuke jongen ook deel uitmaakte van de vriendengroep en elke avond was hij erbij. Het meisje ging al snel meer en meer voor hem vallen. Hij was gewoon zo leuk! En hij had nog geen enkel woord gezegd over haar uiterlijk. Toen hij uiteindelijk tegen haar zei dat ze mooi was, was ze in de hemel. Dat had nog nooit iemand tegen haar gezegd! Hij vond haar echt leuk, en dat was geen geheim. Dat maakte het meisje iets zekerder. Maar een probleem dat erbij kwam was dat de jongen Frans was en uiteindelijk zouden ze gescheiden worden. He meisje vond hem steeds leuker worden en uiteindelijk hadden ze gezoend. Ze straalden allebei als ze bij elkaar waren en iedereen kon zien dat ze echt helemaal verliefd op elkaar waren. Maar dat duurde niet voor eeuwig. Uiteindelijk moest het meisje weg. Huilend ging ze met haar ouders mee terug naar Nederland. Eenmaal daar aangekomen werd ze ziek. Ze kon niet meer tegen die pijn! Het was zo sterk en er was niks dat ze eraan kon doen. ze stond machteloos. Ze huilde dagenlang om de pijn te verzachten, maar het hielp niks en uiteindelijk sneed het gevoel zo erg in haar hart, dat ze niet eens meer kon huilen. maar heel diep vanbinnen wist ze dat de pijn uiteindelijk weg zou gaan. Het was als een gebroken been, maar dan erger. Het enige wat ze kon doen, was wachten... Tot het vanzelf beter zou gaan.
op het strand zegt een klein meisje tegen haar moeder: kijk een naar die meneer naast ons wat heeft hij in zijn broek???? dat is zijn portomonee zegt haar moeder. waarop het meisje antwoord oh wat gek hoe langer hij naar u kijkt hoe rijker hij wordt
Svatogor is een raadselachtige figuur, over wie de vreemdste verhalen de ronde doen. Was hij wel een mens of was hij een bovennatuurlijk wezen? Was hij onsterfelijk of veranderde hij na zijn dood tot steen in een van de rotsen van de Heilige Bergen, de Karpaten? Zeker is dat hij daar vandaan kwam en dat hij er later terugkeerde; zeker is ook dat hij een dappere ridder was, drie keer zo groot als een normaal mens en ook drie keer zo sterk. Hij was zo zwaar dat de aarde dreunde onder zijn voetstappen en alle dieren een veilig heenkomen zochten, wanneer hij naderde.
Als jongeman, die bruiste van energie en levenslust, verliet hij op een goede dag de Heilige Bergen om de wereld in te trekken. Hij reed op zijn vurig paard door de onmetelijke steppen van het heilige Rusland in de hoop een tegenstander te ontmoeten met wie hij zijn kracht kon meten. Dagenlang reed hij door de onmetelijke vlakten, maar hij ontmoette geen enkele ridder of een ander menselijk wezen, want ieder die hem in zijn blinkende wapenrusting zag naderen, sloeg op de vlucht en hield zich zo goed mogelijk verborgen. Dit deed Svatogor pijn, omdat hij wilde bewijzen dat hij de sterkste man ter wereld was. Daarom riep hij overmoedig uit: "Bogatyrs van ons heilig Rusland, ik daag jullie uit tot een tweekamp, en wanneer jullie dit niet aandurft, wil ik ook tegen twee, drie of meer mensen tegelijk vechten!"
Hij kreeg echter geen antwoord en daarom herhaalde hij zijn uitnodiging telkens opnieuw. Om een staaltje van zijn kracht te geven wierp hij zijn zware knots de lucht in. Deze vloog door de wolken en verdween uit het gezicht. Na enkele minuten suisde de knots weer omlaag en deze zou zeker een diep gat in de aarde hebben geslagen, wanneer Svatogor hem niet handig had opgevangen. De held dacht bij zichzelf: "Wat zou ik gelukkig zijn, wanneer ik het zwaartepunt van de aarde zou vinden! Dan zou ik de hemel aan een ring bevestigen en aan die ring een lange ijzeren ketting vastmaken. De ketting zou ik verbinden met het zwaartepunt van de aarde en daarna de hemel naar de aarde toe trekken. Dat is allemaal gemakkelijker gezegd dan gedaan, ik zal toch eerst het zwaartepunt van onze planeet moeten vinden." Terwijl hij hierover nadacht, zag hij opeens in de verte iemand met een zak op zijn rug lopen. "Wie zou dat wel zijn," dacht Svatogor en hij gaf zijn paard de sporen om de man in te halen. Hij begreep er niets meer van: hoe snel zijn paard ook galoppeerde, de afstand tussen hen en de voetganger bleef even groot.
Svatogor riep naar de vreemdeling: "Hé, jij daar, blijf eens even staan; ik kan je maar niet inhalen!" De man bleef staan, nam de zak van zijn rug en zette deze op de grond. De bogatyr was in een oogwenk bij hem en vroeg: "Wat heb je daar in die zak, als ik vragen mag?" De boer nam zijn pet af, boog het hoofd en antwoordde: "Roemrijke bogatyr Svatogor, ik weet dat u zo sterk bent dat geen enkele dappere ridder de strijd met u durft aan te binden. Ik heb zelf gezien hoe u uw strijdknots in de lucht gegooid hebt en weer opgevangen alsof het een speelgoedballetje was. Zou u nu zo vriendelijk willen zijn die zak op uw schouders te nemen en voor mij te dragen, want ik begin lichtelijk vermoeid te raken."
"O, als het niets anders is dan dat, wil ik dat graag voor je doen," antwoordde Svatogor en hij bukte zich om de zak op te rapen. Maar dat viel hem tegen! Er was geen beweging in te krijgen. Hoe Svatogor zich ook inspande en met beide handen aan de zak trok, het leek wel of deze aan de aarde zat vastgeklonken. Hij probeerde het verschillende keren, maar het hielp allemaal niets. Hoewel hij al tot aan zijn knieën in de grond was gezakt en het zweet met stralen van zijn lichaam gutste, bleef de zak even onbeweeglijk liggen. "Zoiets heb ik nog nooit beleefd!" moest Svatogor zijn hart luchten. "Ik, de grote sterke bogatyr die een koe kan optillen en in de wei gooien wanneer deze mij voor de voeten loopt, ik die een blokhut van de aarde los kan scheuren en ergens anders weer neerzetten, zou ik zo'n zak niet kunnen optillen? Dat is werkelijk al te gek! Wat zit er wel in, als ik vragen mag, en wie bent u dat u hem wel hebt kunnen dragen?"
"Ik ben Mikoela Seljaninovitsj en in die zak zit de zwaartekracht van de aarde, waarvan ik weet dat u ernaar zoekt." Nu had Svatogor de zwaartekracht eindelijk gevonden, maar wat hij ermee moest beginnen, wist hij niet.
Toen hij Mikoela van zijn plannen vertelde om de hemel met de aarde te verbinden, glimlachte deze en zei: "Vergeet het maar! Dat zal u nooit lukken, want de zwaartekracht is zó sterk dat, wanneer de hemel ermee verbonden zou zijn, deze naar beneden zou vallen en ons allen verpletteren." Svatogor gaf zijn plannen dan ook op, maar voor hij afscheid van Mikoela nam, wilde hij nog weten wat de toekomst hem zou brengen. "Rijd maar rechtdoor tot u bij een kruispunt komt. Neem dan de linker weg en rijd naar de noordelijke bergen. Op de hoogste heuvel bevindt zich een smederij onder een grote boom. De smid zal u vertellen wat uw bestemming is in uw verdere leven."
Svatogor nam afscheid van Mikoela en volgde de aangegeven weg tot hij aan een kruispunt kwam, waar hij links afsloeg. Het begon zomer te worden en de steppe was één zee van bloemen in alle kleuren van de regenboog. De zon gaf het landschap een feestelijke glans. Zijn dapper paard liep zo hard hij kon en na drie dagen zag Svatogor in de verte de blauwe bergen van het noorden opdoemen. De ruiter mende zijn paard naar de hoogste berg en daar zag hij onder een grote boom de smederij, zoals Mikoela hem gezegd had. De smid was bezig twee hele dunne en lange haren te smeden.
"Wat ben je daar aan het doen?" vroeg de held nieuwsgierig.
"Ik smeed het lot van hen die zullen trouwen," antwoordde de man.
"En met wie zal ik trouwen?" vroeg Svatogor.
"U zult trouwen in het koninkrijk der zee in de stad van de koning. Uw bruid ligt nu al dertig jaren in een vervallen hut op een mesthoop."
"Ik zal nooit ofte nimmer trouwen met een bruid die op een mesthoop heeft gelegen!" riep Svatogor woedend uit. Hij gaf zijn paard de sporen en reed in gestrekte draf naar het koninkrijk der zee.
In de stad van de koning aangekomen maakte hij halt voor een kleine en vervallen hut. Hij keek naar binnen en zag daar op een smerige mesthoop een vrouw liggen. Ze had een vale huid en was gehuld in lompen. "Zij is niet knap, eerder lelijk," dacht Svatogor bij zichzelf. "Zij is niet jong, eerder oud en zij is zeker ook niet rijk, maar eerder arm." Hij trad binnen, nam honderd roebel uit zijn tas, legde deze op de wankele tafel, nam zijn zwaard en doorstak de boezem van de vrouw. Nauwelijks was de ridder weggereden, of de vrouw opende de ogen en verhief zich van de mesthoop. Er stond daar nu een meisje zó mooi als men in de wereld nog nooit aanschouwd had. Zij nam de honderd roebel van de tafel, verliet de hut en begon met het geld handel te drijven.
Zij bleek een handig zakenvrouw te zijn die in korte tijd kans zag een aanzienlijk vermogen te vergaren. Zij liet schepen bouwen en belaadde deze met allerhande kostbare waren. Haar schepen droegen in de mast een rode vlag waarop een mesthoop was afgebeeld. Zij voer zelf mee op het hoofdschip van haar vloot. Zo bereikte zij ook de hoofdstad van de Heilige Bergen, waar zij haar waren liet verkopen. Inmiddels was Svatogor naar zijn geboortestreek teruggekeerd, waar hij verhalen hoorde over de buitengewone schoonheid van de vrouwelijke kapitein. Hij bracht haar een bezoek en werd smoorverliefd op haar. Enkele dagen later trouwden zij. Toen de held de eerste nacht naast zijn bruid sliep, zag hij tot zijn verwondering een groot litteken op haar blanke boezem. "Wat beduidt dat litteken op jouw borst?" vroeg hij haar.
"Lang geleden kwam er een vreemdeling in het koninkrijk van de zee. Hij zag mij slapend op een mesthoop liggen en legde honderd roebels op de tafel die naast mijn slaapplaats stond. Nadat ik ontwaakt was uit mijn dertigjarige slaap, zag ik het litteken op mijn borst. Met het geld dat ik zag liggen heb ik handel gedreven en op die manier hebben wij elkaar leren kennen." Svatogor zei niets, maar hij dacht: "Geen enkel mens op deze wereld kan zijn lot ontlopen!"
Een kameel en een olifant lopen door de woestijn de olifant begint een beetje te lacht 'Waarom lach je?' vraagt de kameel. 'Ik vind da gewoon zo grappig da u borsten op u rug staan' 'en gij dan,'zegt de kameel,'uwe piet staat op u gezicht'
Zafira leek wel honderd, zo gerimpeld was haar gezicht, en ze liep erg gebogen, haar ogen naar de grond gericht, alsof ze iets aan het zoeken was. Ze woonde samen met haar zoon en zijn familie in een wit huisje met een plat dak. In de winter sliepen ze binnen, allemaal bij elkaar, op een rieten matje, maar in de zomer zocht Zafira koelte op het dak. Dan vond ze rust onder de duizenden sterren en luisterde ze naar de nachtelijke geluiden van haar geliefde stad, waar ze haar hele leven had gewoond en elke straat kende. Iedere ochtend stond ze vroeg op en bakte brood voor het hele gezin. Als ze haar zoon, schoondochter en haar vier kleinkinderen zag eten, voelde ze zich tevreden en gelukkig. Wat zagen ze er goed en weldoorvoed uit!
Dat veranderde, want er brak oorlog uit. De hele stad werd omsingeld door soldaten. Niemand kon de stadspoorten verlaten om het vee buiten de muren te laten grazen, omdat de vijand het dan in beslag nam. Zafira maakte zich zorgen, en haar hart werd zwaar als ze naar haar familie keek. Wat zagen ze er mager uit! De kleinkinderen hingen lusteloos om het huis, je kon hun ribben tellen. De toestand werd met de dag nijpender. Het vee was allang geslacht en het meel om brood te bakken raakte op. De mensen verhongerden. Ook de burgemeester was wanhopig. We moeten ons overgeven, dacht hij bedroefd. Er zit niets anders op.
Hij liet een boodschapper bij zich komen. "Ga naar de moskee," gebood hij, "klim naar de top van de minaret en roep de mensen bijeen." De boodschapper deed wat hem was gevraagd. Hij liep de stenen trap op naar boven en toen hij eindelijk de minaret bereikte, zette hij zijn handen aan zijn mond. De deuren van de huizen gingen open en de mensen kwamen te voorschijn, bleek en mager met holle ogen. Ze schuifelden naar de moskee toe. Sommigen konden zelfs nauwelijks meer lopen en werden ondersteund.
Toen ze de burgemeester zagen, die voor de moskee stond, smeekte een vrouw: "O, burgemeester, geef ons toch brood, voor ons en onze kinderen..." Een andere riep: "We gaan dood van de honger, de vijand moet verdreven worden!" - "Ach, mensen, wat kan ik doen?" sprak de burgemeester. "Het voedsel is bijna op. Het enige wat ons rest, is ons gewonnen geven. We kunnen de stad niet meer redden." Gewonnen geven? Er viel een geladen stilte. "Is iedereen het daarmee eens?" vroeg de burgemeester. Hij keek naar de menigte die zich voor de moskee had verzameld. "Ja, ja," mompelde het volk. "Laten we ons maar overgeven. Dit houden we nooit vol." Ze draaiden zich verslagen om.
Iedereen, behalve Zafira. Ze strompelde, zo oud als ze was, naar voren. Ongeduldig duwde ze de mensen opzij. Toen ze vlak voor de burgemeester stond, schudde ze woedend haar magere vuist, terwijl ze bevend van verontwaardiging riep: "Overgeven??? Onze mooie, geliefde stad overgeven aan de vijand? Waar is uw moed gebleven?" Iedereen bleef staan en keek verbijsterd naar de oude Zafira, die nog steeds dreigend haar vuist ophief. "Maar moedertje," zei de burgemeester. "Er is helaas geen andere oplossing. Iedereen hier zou de stad willen redden, maar niemand weet hoe."
Zafira probeerde zich zoveel mogelijk op te richten. "Als u mij mijn gang laat gaan, zal ik de stad redden," sprak ze fier. "U???" - "Ja, ik! Breng me een kalf." - "Kalf!" riepen de mensen. "Een kalf! Die oude Zafira is stapelgek geworden. Alle kalveren zijn allang opgegeten." Maar Zafira hield voet bij stuk. "Breng me een kalf en ik red de stad." Het kwam er met zoveel overtuiging uit dat de burgemeester onder de indruk raakte. Hij gaf enkele mensen de opdracht de stad te doorzoeken. Niet lang daarna werd er toch nog een kalf gevonden bij een man die bekend stond als een grote vrek. Hij had er een verborgen met de bedoeling het dier voor een hoge prijs te verkopen. "Geef m'n kalf terug... Geef me m'n kalf," smeekte hij, maar niemand had medelijden met hem, Zafira nog het allerminst. "Hou op met dat gejammer," snauwde ze, "wees blij dat je gierigheid ons voor een keer van dienst kan zijn." Zafira pakte het dier stevig vast en zei: "Breng me nu wat graan." - "Graan! Ze vraagt om graan!" riepen de omstanders verontwaardigd. "Zafira, je weet best dat we maar een handjevol hebben." - "Dan brengen jullie me dat," schreeuwde Zafira. Hoofdschuddend gingen de mensen naar huis en zochten de laatste restjes bij elkaar. Sommigen hadden nog een klein pannetje vol, anderen slechts een lepel. Er waren er ook die nog maar enkele korreltjes bezaten. "Doe het in een emmer," beval Zafira. Ze gehoorzaamden en de emmer raakte bijna vol. Iedereen keek ernaar met een hongerige blik. Zafira haalde een kruik met water en schonk dat in de emmer. Daarna roerde ze het door het graan, zodat er een dikke brij ontstond, en bracht het naar het kalfje.
Zodra het dier het voedsel rook, dook het met zijn snuit in de emmer, en schrokte het gretig naar binnen. "Wat doe je nu, Zafira," schreeuwde iedereen ontzet. "Je geeft ons laatste graan aan dat kalf. Je verspilt kostbaar voedsel, terwijl onze kinderen verhongeren!" Ze werden zo razend dat ze Zafira te lijf wilden gaan. "Laat haar haar gang gaan," zei de burgemeester, "Zafira heeft beloofd de stad te redden. We moeten vertrouwen hebben." - "Breng me nu naar de stadspoorten," gebood Zafira. "Doe ze open en laat het kalf eruit." De burgemeester was stomverbaasd toen hij dit zonderlinge bevel hoorde. Hij had weinig zin om de poorten open te doen met de vijand er vlak achter, maar Zafira's ogen stonden zo dwingend dat hij het hart niet had te weigeren. Hij vergezelde haar naar de stadspoorten, met de menigte op hun hielen, en deed ze net genoeg open om het kalf erdoor te laten.
Het dier werd vlug naar buiten geduwd, en daarna gingen de poorten weer haastig op slot. "En nu, beste mensen, gaan we weer naar huis," sprak Zafira. "Ga maar rustig slapen, want morgen zal de stad weer in veiligheid zijn." Na deze woorden strompelde ze weg, nagestaard door een hongerige en wantrouwige menigte.
En het kalf buiten de stadspoorten? Verbaasd keek het eerst om zich heen. Toen kreeg het een grasveldje in het oog en schommelde ernaar toe, want het graan lag zwaar op de maag. De koning met zijn soldaten, die de stad omsingelden, konden hun ogen nauwelijks geloven. Ze dachten dat de stad uitgehongerd zou zijn, na al die weken, en dat het vee allang opgegeten zou zijn. En nu liep daar zo'n dik vetgemest kalf! "Laten we het vangen en braden," riepen de soldaten. "We hebben in tijden geen vlees gezien." De koning gaf zijn toestemming en het kalf werd gevangen en geslacht.
Hoe groot was hun verbazing toen ze in zijn maag een grote hoeveelheid onverteerd voedsel aantroffen. "De bewoners in de stad zijn helemaal niet uitgehongerd!" riepen de soldaten verontwaardigd. "Kijk eens naar al dat graan! Als zij graan aan hun vee geven, zijn ze nog lang niet door hun voorraden heen. Dit is niet vol te houden. Dan kunnen we net zo goed de maan bestormen..." De soldaten werden opstandig. Wat had het voor zin hier nog langer te blijven? Ze kwamen zelf om van de honger. Toen de koning hun dreigende gezichten zag, werd hij bang. "We vertrekken," beval hij. "Het geeft geen zin een stad uit te willen hongeren, die zijn kalveren nog steeds met graan voedt. Dat duurt veel te lang."
Toen Zafira de volgende ochtend opstond en op het dak klom, zag ze dat de vijand verdwenen was. De stad was weer vrij. Ze glimlachte tevreden. Het is maar goed dat er grootmoeders zijn, dacht ze.
Marietje vraagt aan Oma: 'Gaan alle mensen met de benen omhoog naar de hemel?' 'Hoezo?' vraagt oma. 'Nou', zegt Marietje. 'Mama lag op de keukentafel en riep:' 'O god ik kom!' gelukig lag papa erop
Alex en ik liggen in een deuk. Net als we ons willen omdraaien, draait het meisje haar hoofd om. 'Shit, het gaat 'm ook nog lukken!' baalt Alex. Maar dan...'Haha, wie moet er hier opletten?' lachen we weer. De 5e klasser is de middelvinger omhoog en fietst dan weer verder. 'Goeie zet!' schreeuw ik naar Remco. Die gast schaamt zich vast dood. Alex en ik geven elkaar een high-five en lopen de school in.
Anne
Het is pauze. We hebben net onze cijfers terug gekregen van Wiskunde. Ik had een 4,3, maar dat komt door mijn stomme rekenmachine die ik niet heb! Meneer Brinkhorst zei dat ik in de pauze had moeten vragen of ik hem van iemand kon lenen. Ik ben niet zo'n iemand die veel vrienden heeft. Ik heb Ilse en daar heb ik genoeg aan. Ilse zit in 3C, ik in 3AB. Het probleem is dat ik het niet aan haar KON vragen. Ze was wel op school en ze had me haar rekenmachine heus wel gegeven, maar ik heb haar al zo vaak om haar rekenmachine gevraagd. Dat doe ik niet nog een keer! Ze vindt het al raar dat ik er geen heb:'Koop er gewoon 1'. Maar dat kan niet. Daar hebben we het geld niet voor. Je denkt nu zeker: 'Zijn jullie zo arm dan? Doe niet moeilijk en haal een goedkope van je zakgeld'. Ja wij zijn arm, alleen niemand weet dat. Vorig jaar hadden we heel veel schulden. Mijn vader was verslaafd aan gokken, dus daar ging al het geld naartoe. Maandenlang zat hij elke avond in het casino en kwam hij de volgende dag pas weer opdagen. Tot hij ontslagen werd. Het leek wel of hij toen pas begon te merken hoe erg het allemaal was. Hoeveel schulden we hadden. Het was inmiddels zo erg dat we het huis moesten verkopen. Op de dag dat de makelaar kwam om ons huis te bekijken, was mijn vader weg. Naar een vriend, had hij gezegd. De volgende dag was hij nog niet terug. De telefoon ging, ik nam op. 'Lieverd, het kan even duren voordat ik terugkom. Het kan dagen zijn, maar ook maanden. Ik moet nadenken. (hij slikte) Zorg goed voor elkaar, vooral voor mama' beëindigde hij het gesprek. Ik begon het al raar te vinden, maar toen ik het tegen mijn moeder vertelde, zei ze dat er niks aan de hand was. Dat de druk hem teveel werd. Dat hij, zoals hij al gezegd had, moest nadenken. Ongeveer 2 weken later ging de bel, mijn zus deed open. Het was de politie. Een man en een vrouw, allebei gekleed in uniform. We lieten ze binnen. Even later, toen mijn moeder erbij was gehaald, stonden we met zijn allen in de woonkamer. De agenten pakten hun pet van het hoofd. Toen werd het stil, heel stil. Mijn vader had zelfmoord gepleegd.
Thomas
Na schooltijd liepen we met z'n drieën naar het fietsenhok. 'Ga je mee voetballen' vraagt Alex als hij zijn schooltas op de snelbinders heeft gezet. Ik slik. 'Nee, ik moet naar de tandarts' verzin ik snel. 'Handig! Ik zeg wel dat je later komt. We zijn bij het Mariaplein. Tegenover Max'. Ik probeer snel een smoes te bedenken, maar er komt niks in me op. 'Is goed' antwoord ik. Alex steekt zijn hand op en fietst weg. 'Tot straks!'. Waarom wacht hij niet? Ik wil hem achterna fietsen, maar ik bedenk me dat ik de andere kant uitmoet. Naar het bos. Ik kan mijn vader bellen en zeggen dat ik me niet lekker voel. Dan hoef ik Alex niet af te zeggen. Maar als mijn vader vanavond thuis komt, zal hij vast mijn moeder ondervragen, hem kennende. Ik besluit Alex een sms te sturen: MIJN OMA IS JARIG. NIET AAN GEDACHT SORRY. CU Ik hoop dat het een beetje geloofwaardig klinkt. Ik hoef niet lang te twijfelen, want ik krijg meteen een sms binnen. DIE IS ZEKER BELANGRIJKER HE. IS GOED JOH. GOOD LUCK! Tevreden stop ik mijn mobiel in mijn broekzak, dat is ook weer opgelost. Als ik die avond thuiskom zit mijn moeder met een ongerust gezicht op de bank. Ze loopt meteen naar me toe:’Jochie’ ze drukt me tegen haar aan. ‘Ik had je nooit…’. ‘Wat is dit nou?’ zegt mijn vader boos als hij de kamer binnenkomt. Ik kruip tussen mijn moeders handen vandaan. ‘Alex heeft gebeld. Hij…’ verder komt mijn moeder niet, de tranen rollen over haar wangen. Wat!? Heeft Alex gebeld? Klote, nu ben ik echt de klos! Ik wil mijn mond open doen, als mijn vader zegt:’Ga maar naar boven Thomas’. Ik kijk hem aan. 1 moment lijkt het net of mijn vader me wil gaan slaan. Zijn agressieve houding maakt me bang.
Anne Het is 9 uur als de bel gaat. Ik sta onder de douche en ik heb geluk. Er komt lauw water uit. Ik haat het om te douchen met koud water. Ik ben het gewend, maar ik ben blij dat het water nu iets warmer is. Binnenkort komt er een man, die naar het water komt kijken en ons informatie geeft over het goedkoper gebruiken van water. Tenminste, het is de bedoeling dat die man komt. Mijn moeder zou hem terugbellen voor een afspraak, maar volgens mij heeft ze dat nog niet gedaan. Ik zet het water uit. Als ik me heb afgedroogd, komt mijn zus binnenstormen. Snel druk ik mijn handdoek voor mijn lichaam. Niet dat er zoveel te zien is, want ik heb nog niks. ‘An, mam wil verhuizen!’ paniekerig kijkt ze me aan. Ik kijk haar vragend aan. ‘Er is een makelaar beneden. Het is een vrouw’. Mijn hart gaat tekeer. Ik weet dat het overdreven is, maar als ik het woordje ‘makelaar’ hoor, denk ik meteen aan mijn vader. ‘Wacht even. Ik kleed me om en daarna ga ik naar beneden’. Zo goed als mogelijk druk ik mijn zus de kamer uit. ‘Schiet op’ fluistert ze. Ik droog me af en razendsnel trek ik mijn kleren aan. Terwijl ik mijn haren in model probeer te brengen met mijn handen, de borstel ligt nog beneden, zeurt mijn zus dat ik nu eindelijk eens klaar moet zijn. Even later lopen we samen naar beneden. ‘Jij weet wat je doen moet hè’. Ik knik. Ik zou zogenaamd mijn broek zoeken, maar in plaats daarvan luister ik ze af. ‘…en daarom denk ik dat dit het beste voor u en uw kinderen is’ hoor ik de vrouw zeggen als ik de deur open doe. 2 gezichten kijken geschrokken op. Waarom piept die deur ook zo? Mijn moeder trekt haar wenkbrauwen op: ‘Wat mot je?’. Het klinkt meer als ‘moje’ maar dat doet er niet toe. ‘Ik, euh, ik zoek mijn, euh’. Nee hè, wat moest ik ook alweer zeggen. Oja. ‘Broek. Dat was het, ik zoek mijn broek’. Ik zie de vrouw kijken, het klinkt ook zo ongeloofwaardig. ‘Kom maar even zitten. Nee, haal je zus maar even op’ zegt de vrouw tegen me. Opeens wordt ik bang, heel bang. Iets zegt me dat dit niet om een verhuizing gaat. 5 minuten later zitten we met zijn 4en in de woonkamer, de vrouw, mijn zus en ik. Mijn moeder is naar haar kamer. ‘Ik zal me eerst even voorstellen. Ik ben mevrouw Groothuis van de Kinderbescherming. Ik heb gehoord dat het niet zo goed met jullie moeder ging. Dat hebben jullie vast ook wel gemerkt’. Als wij knikken , vervolgt ze: ‘Het is eigenlijk helemaal niet goed met jullie moeder. Ze is heel erg depressief. Wij willen haar helpen, daarom moet ze zo snel mogelijk naar een kliniek’
Er was eens een man die niet goed was in bed. Dus wat doet zijn vrouw s'ochtends pakt een kommer en gaat zicht zelf masturberen. De man die naar zijn werk ging had zijn tas thuis vergeten en komt terug en hij ziet dat zijn vrouw bezig is. De man zegt niks en gaat naar zijn werk. De volgende ochtend maakt de vrouw ontbijt klaar. En ze legt kommer bij het ontbijt. De man kijkt naar de kommer en denkt .............en zegt later: welkom zwager.
vrijdag gewoon een dag zoals gewoon De juf vertelde ons alvast een beetje ove camp oosterhoud eerst vondt ik het helemaal geweldig net zoals mijn vriendinnen. Chantal Brenda & josefien, ons groepje voor de bonte avond. todat we maandag naar gym gingen. we hadden ruzzie gekregen, Brenda & ik. dus ging ons groepje uit elkaar! nu hebben ze een nieuw groepje zonder mij het bestaat uit Brenda, Josefien, Alina, Thallah & Laura. ik zat er niet in, maar ik dacht van aggh mijn groepje wordt vast en zekker better.. dus niet ik had helemaal geen groepje, nu heb ik niks voor de bonte avond! de juf kon het toch niks schelen ik zat in een diepe put. thuis kon ik er ook niet over praten. niemand op straat want eingelijk heb ik maar 3 echte vriendinnen.. ik zou bijna zeggen 2. jammer genoeg had ik niks kunnen bedenken voor mezelf en nu wilt de juf dat ik maar de groepjes ga aankondigen. dacht het dus niet, ik wil iets doen een dans of een play-back show maar eingelijk schaam ik me wel voor me lichaam ik ben belagelijk dik, 40 kilo overgewicht, niemand echt niemand die nog mij in zijn groepje wilt! wat nu??
Een franse wijnboer bezoekt een tentoonstelling over de nieuwste landbouwmachines. Hij komt bij een stand over een Australische automatische plukmachine. De verkopers leggen het apparaat volledig uit. Hij plukt en sorteert de druiven automatisch en gooit te kleine of rottedruiven vanzelf weg. De boer vraagt: "Doet het apparaat ook nog wat op het gebied van eh.. sex?". "Nee.", luidt het antwoord. "Dan blijf ik toch maar bij mijn Poolse pluksters!".
Het was winter, een vreselijke sneeuwstorm was het; de sneeuw stoof wervelend door straten en stegen; de ruiten waren van buiten met sneeuw beplakt, de sneeuw viel in hopen van de daken en de mensen hadden zo'n vaart, ze renden, ze holden, ze vlogen tegen elkaar op en pakten elkaar dan even beet, om houvast te hebben. Rijtuigen en paarden leken wel gepoederd, de lakeien stonden met hun rug naar het rijtuig en reden met de wind in de rug.
De voetganger bleef in de beschutting van het rijtuig, dat maar langzaam vooruitkwam in de diepe sneeuw; en toen de sneeuwstorm eindelijk ging liggen en er een smal paadje langs de huizen ontstond, bleven de mensen daar staan, als ze elkaar tegenkwamen. Niemand had zin om de eerste stap in de diepe sneeuw te nemen om de ander voorbij te laten. Zwijgend bleven ze staan, om ten slotte, als na een stilzwijgende afspraak, ieder één been prijs te geven en in die sneeuwhoop te laten zakken. Maar 's avonds was het rustig. De hemel zag eruit alsof hij geveegd was en hoger en doorschijnender was gemaakt, de sterren leken splinternieuw en sommige waren heel blauw en heel helder, en het vroor dat het kraakte. De bovenste laag sneeuw was dan wel sterk genoeg om 's ochtends de mussen te dragen; ze hipten in het rond waar de sneeuw geruimd was, maar veel eten was er niet te vinden en ze hadden het behoorlijk koud.
'Piep!' zei de een tegen de ander. 'Dat noemen ze het nieuwe jaar! Het is veel erger dan het oude, dat hadden we net zo goed kunnen houden. Ik ben niet tevreden en daar heb ik mijn redenen voor!'
'De mensen hebben dat nieuwe jaar met knallen binnengehaald,' zei een klein, kleumend musje, 'ze hadden knalpotten en ze waren buiten zichzelf van vreugde dat het oudejaar nu vertrok en daar was ik ook blij om, want ik verwachtte dat we nu warme dagen zouden krijgen. Maar daar is niets van terechtgekomen; het vriest veel strenger dan eerst. De mensen hebben zich in de tijdrekening vergist.'
'Zeker,' zei een derde, een oude met een witte kuif. 'Ze hebben iets, dat noemen ze de almanak, dat is hun eigen uitvinding en nu moet alles volgens de almanak verlopen, maar dat gebeurt niet. Als het voorjaar komt, dan begint het jaar, dat is de gang van de natuur en daar reken ik naar.'
'Maar wanneer komt het voorjaar?' vroegen de andere.
'Dat komt als de ooievaar komt, maar hij is onberekenbaar en hier in de stad weet niemand daar iets van. Dat weten ze op het platteland beter; zullen we daar gaan wachten?
Daar ben je dichter bij de lente.'
'Alles goed en wel,' zei er eentje, die een hele poos had lopen piepen zonder eigenlijk iets te zeggen. 'Ik ben in de stad van gemakken voorzien die ik op het platteland zal gaan missen. Er is hier een mensenfamilie met een binnenplaats, die heel verstandig een stuk of drie bloempotten aan de muur heeft opgehangen, met de grote opening naar binnen en de kleine naar buiten; dat gaatje is net groot genoeg om in en uit te vliegen. Daar hebben ik en mijn man ons nestje en daar zijn al onze kinderen uitgevlogen. Die mensenfamilie heeft dat natuurlijk zo gearrangeerd omdat ze het leuk vinden om naar ons te kijken, anders hadden ze het vast niet gedaan. Ze strooien broodkruimels, ook voor hun plezier, maar wij hebben voedsel, het is net of er voor je wordt gezorgd. Daarom denk ik dat ik en mijn man blijven. Hoewel we niet tevreden zijn - maar we blijven.' 'En wij vliegen naar het platteland, om te zien of het geen voorjaar wordt!' En toen vlogen ze weg.
Het was echt winter op het platteland; het vroor er nog een paar graden meer dan in de stad. De snijdende wind blies over de met sneeuw bedekte velden. De boer zat met grote wanten aan in zijn slee en hij sloeg met zijn armen om de kou te verdrijven; zijn zweep lag in zijn schoot. De magere paarden renden dat de damp ervan af sloeg, de sneeuw kraakte en de mussen hipten in de wagensporen en hadden het koud. 'Piep, wanneer komt de lente? Het duurt zo lang!'
'Zo lang!' klonk het over de velden van de hoogste, met sneeuw bedekte heuvel. Het zou de echo kunnen zijn, maar het konden ook de woorden zijn van die vreemde oude man, die daar in weer en wind boven op een sneeuwhoop zat. Hij was helemaal wit, als een boer in een witte kiel van fries, met lang, wit haar en een witte baard, heel bleek en met grote, heldere ogen.
'Wie is die oude man?' vroegen de mussen.
'Dat weet ik!' zei een oude raaf, die op een paaltje zat. Omdat hij wel moest erkennen dat we voor God allemaal vogeltjes zijn, verwaardigde hij zich de mussen uitleg te geven. 'Ik weet wie die oude man is. Het is de winter, de oude man van het vorige jaar. Die is niet dood, zoals de almanak beweert, hij is de voogd van de nieuwe prins lente, die op komst is. Ja, de winter regeert. Huh, het kraakt zeker wel in jullie, kleintjes?' 'Zei ik het niet?' zei de kleinste. 'Die almanak is maar een mensenverzinsel, die is niet aan de natuur aangepast. Dat hadden ze aan ons moeten overlaten, wij zijn fijner gebouwd.' Er ging een week voorbij, er gingen er bijna twee voorbij.
Het bos was zwart, het bevroren ven lag erbij als gestold lood. De wolken - maar het waren geen wolken, het waren vochtige, ijzige nevels die over het land hingen; grote, zwarte kraaien vlogen in zwermen, zonder gekrijs. Het leek wel of alles sliep. Daar gleed een zonnestraaltje over het ven en dat glansde als gesmolten tin. De sneeuwlaag op het veld en op de heuvel glinsterde niet meer zo, maar de witte gedaante, de winter zelf zat daar maar met zijn blik naar het zuiden gewend; hij merkte helemaal niet dat het sneeuwdek als het ware in de grond zakte, dat er hier en daar een klein plekje grasgroen te voorschijn piepte en dat er ineens heel veel mussen waren.
'Wiedewiet, wiedewiet, komt nu de lente?'
'De lente!' klonk het over veld en wei en door de donkerbruine bossen, waar het mos fris groen op de stammen glom. Door de lucht kwamen, uit het zuiden, de eerste twee ooievaars aangevlogen. Ze hadden ieder een lief kindje op hun rug, een jongen en een meisje. Ze kusten de grond ter begroeting en waar ze hun voetjes neerzetten, kwamen er witte bloemen onder de sneeuw vandaan. Hand in hand liepen ze op de oude ijsman, de winter, af, vleiden zich ter begroeting aan zijn borst en op hetzelfde moment waren ze verdwenen, en met hen het hele landschap; een dikke, wit te mist, dicht en zwaar, omhulde alles. Even later kwam er weer lucht - de winter vloog weg, met sterke windvlagen kwam hij de mist verjagen, de zon scheen lekker warm - de winter zelfwas verdwenen, de lieve kinderen van de lente zaten op de troon van het jaar. 'Dat noem ik nieuwjaar!' zeiden de mussen. 'Nu worden we weer in onze rechten hersteld en krijgen we schadevergoeding voor die strenge winter!'
Waarheen de twee kinderen zich ook wendden, ontbotten er aan struiken en bomen groene knoppen, werd het gras hoger en de gezaaide akker steeds lieflijker en groener. Het kleine meisje strooide bloemen in het rond; ze had ze in overvloed in haar rokje. Ze leken daar te groeien, het bleef vol, hoe vlijtig ze ook strooide - in haar ijver schudde ze een hele sneeuwbui van bloemen over de appel- en perzikbomen, zodat die volop in bloei stonden, nog vóór ze groene bladeren hadden. Ze klapte in haar handen en het jongetje klapte mee en er kwamen vogeltjes te voorschijn, je wist niet waarvandaan, en allemaal kwetterden ze en zongen:
De lente is gekomen!'
Het was prachtig om te zien. Menig oud moedertje kwam in haar deur in de zon staan en rilde even, keek naar de gele bloemen die op het weiland prijkten, net als in haar jonge jaren. De wereld werd weer jong. 'Wat is het vandaag heerlijk buiten!' zei ze.
Het bos was nog bruin-groen, knop aan knop, maar het lievevrouwebedstro was uitgekomen, heel fris en geurig, er waren viooltjes bij de vleet, anemoontjes, primula's en sleutelbloemen. In ieder grassprietje zat kracht, het was echt een prachtig tapijt om op te zitten, en daar zat het jonge paar van de lente eikaars hand vast te houden. Ze zongen en lachten en groeiden steeds meer. Er viel een zacht regentje uit de hemel. Ze merkten het niet, de regendruppels en de tranen van vreugde werden één. Bruid en bruidegom kusten elkaar en op dat moment ontsprong het bos. Toen de zon opkwam, waren alle bossen groen! Hand in hand liep het bruidspaar onder het frisse, afhangende dak van bladeren, waar alleen de stralen van de zon en de slagschaduwen afwisseling gaven in het groen. De fijne blaadjes bezaten een maagdelijke zuiverheid en een verfrissende geur. Helder en levendig ruisten rivier en beek tussen de fluweelgroene biezen en over de veelkleurige stenen. 'Eeuwig en altijd is het en blijft het!' zei de hele natuur. En de koekoek zong en de leeuwerik sloeg, het was heerlijke lente. Maar de wilgen hadden hun bloemen nog wanten aangedaan, die waren zo ijselijk voorzichtig, en dat is vervelend!
Zo gingen er dagen en weken voorbij, de warmte sloeg als het ware neer. Golven van hete lucht gingen door het koren, dat steeds geler werd. De witte lotus van het noorden op de bosvennen spreidde haar grote, groene bladeren uit over de waterspiegel en de vissen zochten er beschutting onder. En in de luwte van het bos, waar de zon op de boerenhuisjes brandde en de uitgekomen rozen stoofde, waar de kersebomen volhingen met sappige, zwarte, bijna zonwarme vruchten, zat de mooie vrouw van de zomer, dezelfde die we als kind en als bruid hebben gezien; en ze keek naar de opstijgende, donkere wolken, die zich als golven, als bergen, donkerblauw, zwaar, steeds hoger verhieven. Ze kwamen van drie kanten; als een versteende, omgekeerde zee zonken ze steeds dieper naar het bos, waar alles als door toverkracht verstilde. Ieder zuchtje wind was gaan liggen, iedere vogel zweeg; er was ernst en verwachting in de natuur, maar op de wegen en paden haastten mensen in rijtuigen, te paard en te voet zich om onder dak te komen. - Toen kwam er ineens een licht alsof de zon doorbrak, glanzend, verblindend en alles verzengend; meteen daarop, na een rollende donderslag, werd het weer donker. Het water stortte in stromen neer; het werd nacht en het werd dag, er was stilte en er was geraas. De jonge rietstengels in het veen bewogen hun bruine pluimen in lange golven, de takken in het bos waren in nevels van water gehuld, duisternis kwam en ging, stilte kwam en ging. Gras en koren lagen neergeslagen, als weggespoeld, alsof ze nooit meer overeind zouden komen. - Opeens viel de regen weer in afzonderlijke regendruppels, de zon scheen en op strootjes en blaadjes glansden waterdruppels als parels, de vogels zongen, de vissen sprongen op uit het rivierwater, de muggen dansten en op de rots in het zoute, schuimende zeewater zat de zomer zelf, een krachtig gebouwde man, met gespierde ledematen, en met drijfnatte haren. Verjongd door het verfrissende bad zat hij in de warme zon. De hele natuur om hem heen was verjongd, alles stond er weelderig, krachtig en mooi bij. Het was zomer, heerlijke, warme zomer.
Lieflijk en zoet was de geur die opsteeg uit het weelderige klaverveld. De bijen zoemden om de oude plaats waar vroeger recht werd gesproken; de braamran ken slingerden zich rond de altaarsteen, die, gewassen door de regen, in het zonlicht glansde. Daar vloog de bijenkoningin met haar zwerm naar toe, daar verborgen ze was en honing. Niemand zag het, alleen de zomer en zijn sterke vrouw. Voor hem was de altaartafel gedekt met de offergaven van de natuur. De avondhemel straalde als goud, geen kerkkoepel is zo kostbaar, en de maan scheen door avondrood en morgenrood.
Het was zomer.
Er gingen dagen en weken voorbij. De glimmende zeisen van de maaiers blonken in de korenvelden, de takken van de appelboom bogen door onder hun rode en gele vruchten; de hop geurde heerlijk en zat vol dikke knoppen, en onder de hazelaars, waaraan de noten in zware trossen hingen, rustten man en vrouw, de zomer met zijn ernstige vrouw. 'Wat een rijkdom!' zei ze. 'Overal zegen, huiselijkheid en goedheid. Maar toch - ik weet het niet, ik verlang naar rust, kalmte, ik weet er zelf het goede woord niet voor! Ze ploegen alweer op het veld. De mensen willen steeds meer! Kijk, de ooievaars vliegen in troepen op een afstand achter de ploeg aan; de vogels uit Egypte, die ons op hun rug hebben meegebracht! Weet je nog hoe we als kinderen in de landen van het noorden aankwamen? Bloemen hebben we meegebracht, rijke zonneschijn en groene bossen. Daar is de wind nu niet zo aardig voor geweest, ze worden bruin en donker, net als de bomen in het zuiden, maar ze hebben geen gouden vruchten zoals de bomen in het zuiden!' 'Die krijg je ook te zien,' zei de zomer. 'Verheug je er maar vast op!'
En hij hief zijn arm op en de bladeren van het bos werden rood en goud gekleurd, alle bossen vertoonden een kleurenpracht. De rozenhaag glansde van de vuurrode rozebottels, de vliertakken zaten vol zware, zwarte bessen, de wilde kastanjes vielen rijp uit hun donkergroene bast en in het bos bloeiden de viooltjes voor de tweede keer.
Maar de koningin van het jaar werd steeds stiller en bleker. 'Er is een koude wind,' zei ze, 'de nacht heeft koude nevels! Ik verlang naar... het land van mijn jeugd!'
Ze zag de ooievaars wegvliegen, één voor één, en ze strekte haar handen naar ze uit. Ze keek naar de nesten die leeg stonden. In een ervan groeide een korenbloem met zijn lange stengel en in een ander de gele wilde radijs, alsof het nestje er alleen was om ze te beschermen, als een hekje.
De mussen gingen erheen.
'Piep, waar zijn meneer en mevrouw gebleven? Die houden zeker niet van wind en toen zijn ze uit het land vertrokken. Goede reis!'
De bladeren in het bos werden steeds geler. Blad na blad viel, de najaarsstormen woeien, het was laat in de herfst. Op de gele bladeren lag de koningin van het jaar met zachte blik naar de fonkelende ster te kijken en haar man stond naast haar. Er ging een windvlaag door de bladeren - hij ging weer liggen en toen was zij weg, maar er vloog een vlinder, de laatste van het jaar, door de koude lucht.
De vochtige nevels kwamen eraan, de ijzige wind en de donkere, lange nachten. De vorst van het jaar stond daar met sneeuwwitte haren, maar dat wist hij zelf niet, hij dacht dat het door de sneeuwvlokken kwam, die uit de wolken vielen. Er lag een dun laagje sneeuw op de groene velden.
De kerkklokken luidden Kerstmis in. 'De geboorteklokken luiden!' zei de vorst van het jaar. 'Weldra wordt het nieuwe koninklijk paar geboren en dan krijg ik rust, zoals mijn vrouw. In de blinkende sterren te mogen rusten!' In het frisse groene dennenbos stond de kerstengel de jonge bomen die mee mochten naar het feest, in te wijden. 'Vreugde in de huizen en onder de groene takken!' zei de oude vorst van het jaar. In de laatste weken was hij sneeuwwit geworden van ouderdom. 'Mijn tijd is gekomen, het jonge paar van het jaar wordt nu van kroon en scepter voorzien.'
'Maar de macht ligt nog bij jou!' zei de kerstengel. 'De macht en niet de rust. Laat de sneeuw het jonge zaad op de akker nog even warmen, leer te verdragen dat een ander gehuldigd wordt en jij toch de heerser bent, leer vergeten te zijn en toch te leven. Het uur van je bevrijding komt, als de lente komt.' 'Wanneer komt de lente?' vroeg de winter.
'Die komt als de ooievaar komt.' Met witte lokken en een sneeuwwitte baard zat de ijskoude winter, oud en gebogen, maar sterk als de winterstorm en het ijs, hoog in de sneeuw op de heuvel naar het zuiden te kijken, zoals de winter vóór hem had zitten uitkijken. Het ijs kraakte en de sneeuw kraakte, de schaatsers zwierden over de glanzende meren; raven en kraaien zagen er goed uit tegen die witte achtergrond, geen windje roerde zich. In de stille lucht balde de winter zijn vuisten en het ijs werd metersdik tussen de landen.
Toen kwamen de mussen uit de stad weer vragen: 'Wie is die oude man daar?' En de raaf zat er weer, of een zoon van hem, wat op hetzelfde neerkomt, en die zei: 'Het is de winter, die oude man van vorig jaar. Hij is niet dood, zoals de almanak zegt, maar hij is de voogd van de lente die eraan komt.' 'Wanneer komt de lente?' vroegen de mussen. 'Want dan krijgen we een betere tijd en een betere regering. Die oude deugt niet!'
In gedachten verzonken knikte de winter naar het zwarte bos zonder bladeren, waar iedere boom de mooie vorm en de kromming van zijn takken liet zien; en tijdens zijn winterslaap zonken de ijzige nevels uit de wolken. De vorst droomde van zijn jeugd en van zijn volwassen jaren, en in de dageraad was het hele bos mooi van de rijm, dat was de zomerdroom van de winter. De zon liet de rijm weer van de takken vallen. 'Wanneer komt de lente?' vroegen de mussen.
'De lente!' klonk het als een echo van de heuvels waar de sneeuw lag. De zon scheen steeds warmer, de sneeuw smolt, de vogels kwetterden: 'Het wordt lente!' Hoog door de lucht kwam de eerste ooievaar aanvliegen, gevolgd door de tweede. Er zat een lief kindje op hun rug en ze daalden neer op het open veld, ze kusten de grond en ze kusten de oude, zwijgzame man, en hij verdween, als Mozes op de berg, gedragen door de mist. Het verhaal van het jaar was uit. 'Heel juist!' zeiden de mussen. 'En het is ook heel mooi, maar het gaat niet volgens de almanak en dan is het mis!'
Op een avond zaten Jantje en zijn vader in bad, opeens vroeg Jantje: "Papa, wat is dat?" waarop zijn vader antwoorde: "Dat is me banaantje, Jantje" ow.. zei hij weer daarop, volgende dag zat Jantje met zijn moeder in bad en weer vroeg Jantje aan zijn moeder: "Mama, wat is dat?" waarop zijn moeder antwoorde: "Dat in mijn aapje, Jantje" ow... reageerde hij weer. Die avond daarna moest Jantje vroeg naar bed wat hij helemaal niet leuk vond dus hij besloot om zijn ouders eens wakker te maken. Hij liep de kamer binnen en zei: "Oooooh aapje eet banaantje!"
Er was eens een soldaat die afzwaaide. Hij liep die dag zo ver, dat hij de bewoonde wereld achter zich liet. Toen de avond viel kwam hij voorbij een spelonk. Bij de ingang stond een oude vrouw en de soldaat vroeg haar: "Vrouwtje, kan ik hier vannacht slapen?" - "Dat kan, vriend, kom binnen."
Het was winter en koud, en de soldaat was moe. De vrouw liet hem in een kamer waar een flink vuur brandde. Ze gaf hem te eten en te drinken en bracht hem een kaars en een boek om te lezen. Nadat hij zich de volgende morgen nog eens te goed had gedaan bedankte hij de vrouw. Ze vroeg of hij nog ver moest. "Ja," zei de soldaat, "nog honderdduizend uren lopen." - "In dat geval," zei ze, "zul je zeker mijn broers Morgenster, Maan en Zon tegenkomen. Doe hun de groeten van hun zuster die in de spelonk woont en zeg maar dat het goed met me gaat." De soldaat beloofde dat hij het zou doen. Hij kreeg een beurs vol geld mee, bedankte de vrouw opnieuw en ging op weg.
Toen hij de hele dag had gelopen kwam hij 's avonds in een mooie stad. Hij liep de ene straat in en de andere uit tot hij voor een hemelsblauwe poort stond waarop een zilveren ster was geschilderd. Boven die ster stond:
"Hier woont mijnheer Morgenster"
De soldaat trok aan de bel en de meid deed open. "Woont hier mijnheer Morgenster?" - "Ja." - "Kan ik hem even spreken?" - "Ik zal het vragen. Mijnheer!" riep ze naar achteren, "er is iemand die u wil spreken." - "Laat hem maar binnen," klonk een stem. De soldaat ging naar binnen, nam zijn hoed af en zei: "U moet de groeten hebben van uw zuster die in de spelonk woont. Ze laat weten dat het goed met haar gaat." - "Ha, ha, ha! Laat ze me alweer de groeten doen? 't Is pas honderdduizend jaar geleden dat ik de groeten van haar kreeg. Blijf je eten?" - "Graag," zei de soldaat. "Meid, dek de tafel."
De meid bracht een tafeltje dat zo klein was als een poppenmeubeltje, borden ter grootte van een cent, broden die niet groter waren dan een koekje, glazen als vingerhoedjes en stukjes vlees waarvan je er gemakkelijk drie tegelijk in je mond kon steken.
De soldaat en de meid hadden zo'n honger dat ze de broden in één keer doorslikten. "Wat eten jullie veel," zei mijnheer Morgenster, "er blijft niks over." - "Wij hebben honger," zei de meid.
Toen ze klaar waren, zei mijnheer Morgenster tegen de soldaat: "Blijf je slapen?" - "Graag," zei de soldaat. De volgende morgen na het ontbijt vroeg mijnheer Morgenster of hij nog ver moest. "Nog honderdduizend uren lopen," zei de soldaat. "In dat geval," zei zijn gastheer, "zul je zeker mijn broers Maan en Zon tegenkomen. Doe hun de groeten en zeg maar dat het goed met me gaat." - "Dat zal ik doen," zei de soldaat. Hij kreeg een beurs vol geld, bedankte en vertrok.
Hij liep de hele dag door en kwam 's avonds in een grote stad vol prachtige huizen en schitterende kerken. Het was al donker toen hij voorbij een hemelsblauwe poort kwam waarop een gouden maan was geschilderd. Boven de maan stond:
"Hier woont mijnheer Maan"
De soldaat trok aan de bel, de meid deed open en hij vroeg: "Zou ik mijnheer Maan even kunnen spreken?" - "Ik zal het vragen." Ze ging naar binnen.
Na een poosje kwam ze terug en bracht de soldaat bij mijnheer Maan. "Zo vriend, wat is er van je dienst?" - "U moet de groeten hebben van uw zuster die in de spelonk woont," zei de soldaat, "en van uw broer Morgenster. Ze laten weten dat ze allebei gezond van lijf en leden zijn." - "Wel, wel, wel! Doen ze me alweer de groeten? Het is pas honderdduizend jaar geleden dat ik de groeten van hen kreeg. Blijf je eten?" - "Graag," zei de soldaat. "Meid, dek de tafel." De meid dekte de tafel.
Er werd een half kalf opgediend, de broden waren zo groot als wagenwielen, de glazen zo groot als emmers, de kannen bier zo groot als halve tonnen en de soldaat had nog maar een halve boterham op of hij kon al niet meer. "Heb je geen honger?" vroeg mijnheer Maan. "Zeker wel," zei de soldaat, "maar het zijn zulke grote stukken." Toen ze klaar waren, vroeg mijnheer Maan of hij zin had die nacht mee te gaan om maneschijn te maken. "Met alle plezier," zei de soldaat. "Meid, ga eens kijken of het helder weer is." - "Mijnheer, de lucht is betrokken." - "Dan gaan we een potje kaarten."
Toen ze een poos hadden gespeeld en de soldaat bijna al het geld van zijn gastheer had gewonnen kwam de meid zeggen dat het helder weer was. Ze kropen allebei in een ledikantje en die nacht schenen er twee manen. Zodra het licht begon te worden en de soldaat de hele wereld had gezien met alle steden en bossen, alle kerken en kastelen, daalden de ledikantjes voor de poort van het huis van mijnheer Maan.
Toen ze binnen waren, vroeg mijnheer Maan of de soldaat nog ver moest. "Nog honderdduizend uren lopen," zei hij. "In dat geval," zei mijnheer Maan, "kom je vast mijn broer Zon tegen. Doe hem de groeten en zeg dat ik hem met mijn ijzeren handschoen een pak slaag zal geven als hij mij nog een keer durft te verduisteren. En kom dan terug om me te vertellen wat hij heeft gezegd." De soldaat kreeg een beurs vol geld, bedankte en vertrok.
Hij liep aan één stuk door en kwam 's avonds in de mooiste stad die hij ooit had gezien. Toen hij lang in die stad had rondgewandeld stond hij plotseling voor een gouden poort met een diamanten zon erop. Boven de zon las hij:
"Hier woont mijnheer Zon"
De soldaat belde aan, de meid deed open en hij vroeg: "Is mijnheer Zon thuis? Ik moet hem spreken." De meid ging naar achteren. "Mijnheer," hoorde hij haar zeggen, "er is een soldaat die u wil spreken." - "Laat hem maar binnen." - "Mijnheer zegt dat je bij hem kunt komen, maar bind een zakdoek voor je gezicht, anders kon het je wel eens het licht in je ogen kosten." De soldaat bond een zakdoek voor zijn gezicht en ging naar binnen.
Mijnheer Zon vroeg waarmee hij hem van dienst kon zijn. "U moet de groeten hebben van uw zuster die in de spelonk woont," zei de soldaat, "en van uw broer Morgenster. Ze laten weten dat ze het allebei goed maken. Ik moet ook de groeten doen van uw broer Maan en hij laat zeggen dat hij u met zijn ijzeren handschoen een pak slaag zal geven als u hem nog een keer durft te verduisteren."
"Zeg maar tegen mijn broer Maan," zei mijnheer Zon, "dat ik niet bang voor hem ben. Als hij mij met zijn ijzeren handschoen een pak slaag wil geven zal ik hem met mijn ijzeren knuppel afrossen. Blijf je vannacht slapen?" De soldaat bleef slapen.
De volgende morgen kreeg hij een zak vol goudstukken, bedankte en vertrok. Hij liep de hele dag door en kwam 's avonds bij mijnheer Maan. "U moet de groeten hebben van uw broer Zon," zei hij, "en ik moest zeggen dat hij u met zijn ijzeren knuppel zal afrossen als u hem met uw ijzeren handschoen een pak slaag wilt geven." - "Ik ben niet bang voor hem," zei mijnheer Maan. "Blijf je eten en ga je vannacht mee om maneschijn te maken?" De soldaat was er meteen voor te vinden en ze lieten het zich goed smaken.
Toen ze klaar waren met eten ging de meid kijken hoe de lucht er bij stond. Maar hij was weer eens betrokken en mijnheer Maan en de soldaat begonnen een potje te kaarten. Nadat ze een tijd hadden gespeeld kwam de meid zeggen dat de lucht was opgeklaard. Mijnheer Maan en de soldaat kropen allebei in een ledikantje en de laatste nam alles mee wat hij bezat. Die nacht schenen er weer twee manen. Ze schenen over de hele wereld, tot aan de stad waar de soldaat vandaan kwam.
"Is dat je huis?" vroeg mijnheer Maan. "Ja," zei de soldaat. "Dan zal ik je voor de deur afzetten." Hij liet het ledikantje precies op de stoep neerkomen. De soldaat pakte zijn geld, nam afscheid van mijnheer Maan en ging voor de deur zitten. Toen de vader van de soldaat die morgen wakker werd vond hij zijn zoon op de stoep. Ze waren alle twee even blij dat ze elkaar terugzagen. Ze borgen het geld op en leefden nog heel, heel lang als de gelukkigste mensen van de stad.
Er gaat een man naar de markt en hij koopt tien meter tijgervel. Van drie meter maakt hij een zwembroek. Op een zaterdag gaat hij zwemmen en hij springt van de hoge duikplank. Als hij uit het water klimt, heeft hij geen idee dat hij zijn zwembroek niet meer aan heeft. Dan komen er twee vrouwen langs, die blijven naar hem kijken en zeggen: "Wow". Dan zegt de man: "Ja mooi he. Ik heb thuis nog zeven meter liggen!"
Staan er twee planten in de vensterbank, zegt de een tegen de ander: "Weet je, ik vind ons sexleven zo eenzijdig" "Ja," zegt de ander, "had je maar niet met een vingerplant moeten trouwen!"
Nu ga ik een verhaaltje over het geluk vertellen. Het geluk kennen we allemaal. Sommigen zien het jaar in, jaar uit, anderen alleen in sommige jaren, of maar één dag. Er zijn zelfs mensen die het maar één keer in hun leven zien, maar het tegenkomen doen we allemaal.
Ik hoef natuurlijk niet te vertellen, want dat weet iedereen, dat Onze-Lieve-Heer de kleine kindertjes stuurt en ze in hun moeders schoot legt - of dat nou in een rijk kasteel of in een behaaglijke kamer is, of op een open veld waar de koude wind blaast. Maar niet iedereen weet, terwijl het toch vaststaat, dat Onze-Lieve-Heer als Hij een kindje brengt, ook een geschenk van het geluk meebrengt. Maar dat legt Hij er niet open en bloot naast.
Dat legt Hij ergens in de wereld waar je het minst op het idee komt om het te zoeken. Toch wordt het altijd gevonden en dat is ook het prettige er van. Het kan wel in een appel zijn gestopt. Dat was het geval voor een geleerd man die Newton heette. De appel viel van de boom en zo vond hij zijn geluk. Ken je dat verhaal niet, vraag dan iemand die het kent, het je te vertellen. Ik heb een ander verhaal te vertellen en dat is een verhaal over een peer.
Er was eens een arme man, die in armoede was geboren en in armoede was opgegroeid, en met die achtergrond was hij getrouwd. Hij was trouwens bankwerker van beroep en hij maakte vooral paraplustokken en parapluringen, maar hij had nauwelijks genoeg om van te leven. "Ik vind het geluk nooit," zei hij.
Dit is een waar gebeurd verhaal en ik kan je het land en de plaats noemen waar die man woonde, maar dat doet er niet toe. Er groeiden zure, rode bessen als een kostbare versiering voor zijn huis en in zijn tuin, waar ook een perenboom in stond. Er groeide niet één peer aan en toch zat het geluk in die perenboom, in de onzichtbare peren aan die boom.
Op een nacht stormde het echt vreselijk. In de krant stond dat de grote diligence door de storm van de weg werd getild en als een vod weer neergegooid. Dus hoeft het je niet te verbazen dat er een grote tak van de perenboom afbrak. De tak werd in de werkplaats gelegd en de man maakte er voor de grap een grote peer van, en toen nog een grote, daarop een kleinere en toen een paar hele kleintjes. "De boom moest toch één keer peren krijgen," zei de man, en hij gaf ze aan zijn kinderen om er mee te spelen.
Aan de levensbehoeften in een nat land mag een paraplu niet ontbreken. Het hele huis bezat er maar één, voor gemeenschappelijk gebruik. Als de wind te hard blies, dan klapte de paraplu binnenste buiten. Hij brak zelfs een paar keer, maar de man maakte hem meteen weer in orde. Maar het vervelende was dat het knopje dat de paraplu bij elkaar moest houden als hij dichtgeklapt was, er veel te vaak af sprong of dat de ring die eromheen werd geschoven, stuk ging.
Op een dag brak het knopje af. De man zocht het op de grond, maar vond daar een van de allerkleinste peertjes die hij had gemaakt en die de kinderen hadden gekregen om mee te spelen. "Dat knopje is niet te vinden," zei de man, "maar dit dingetje kan ook wel dienen." Toen boorde hij er een gaatje in, trok daar een lusje door en het kleine peertje paste precies in de gebroken ring. Eigenlijk was het de beste sluiting die de paraplu ooit had gehad.
Toen de man het volgend jaar paraplustokken naar de hoofdstad moest sturen, waar hij dat soort dingen leverde, stuurde hij ook een paar van zijn zelfgemaakte houten peertjes met een halve ring eraan, met het verzoek ze eens te proberen. En zo kwamen ze in Amerika terecht. Daar merkten ze al gauw dat het kleine peertje veel beter hield dan andere knopjes, dus toen verlangden ze van de koopman dat alle volgende paraplu's een klein peertje als sluiting kregen.
Nou, toen kwam er werk aan de winkel! Duizenden peren! Houten peren aan alle paraplu's. De man moest aan de slag. Hij stond maar aan zijn draaibank. De hele perenboom ging op aan kleine peertjes. Dat leverde een aardig centje op, of liever een bom duiten.
"In die perenboom zat mijn geluk!" zei de man. Hij kreeg een grote werkplaats met knechts en leerlingen. Hij had altijd een goed humeur en zei: "Het geluk kan in een stukje hout liggen!" Dat zeg ik, die dit verhaal vertel, ook.
Er bestaat een gezegde: "Neem een wit stokje in je mond, dan ben je onzichtbaar," maar dat moet dan wel uit het juiste hout zijn gesneden, dat ons door Onze-Lieve-Heer als geluksgeschenk wordt gegeven. Dat heb ik gekregen en ik kan net als die man ergens klinkende munt uit slaan, blinkend goud, het allermooiste goud, dat je uit kinderogen tegemoet straalt, dat je uit de kindermond hoort en ook van vader en moeder. Zij lezen mijn verhalen en ik sta midden in de kamer bij hen, maar onzichtbaar, want ik heb dat witte stokje in mijn mond. En wanneer ik dan het gevoel heb dat ze blij zijn met wat ik ze te vertellen heb, dan zeg ik ook: "Het geluk kan in een stukje hout liggen."
Jan wordt 16 jaar en vader zegt: "Zo jongen nu hoor je bij de grote mensen". Omdat hij geen kadootje heeft zegt hij: "Heb jij eigenlijk aleens een wippie gemaakt?" "Nee pa", zegt Jan. "OK" zegt pa, "hier heb je vijftig gulden, ga maar naar de hoeren, dan hoor je er echt bij". Binnen 20 minuten is hij echter weer terug. Zegt z'n vader: "Hallo, jij bent in die korte tijd nooit bij de hoeren geweest". "Klopt, ik kwam op de galerij oma tegen en die vroeg waar ik heenging. Toen ik dat verteld had zei ze dat ik daarvoor niet naar de hoeren hoefde, maar dat zij dat ook wel aan mij kon leren. "WAT?" zegt z'n pa, "heb jij met mijn moedergeneukt???" "Nou en," zegt Jan, "jij doet het toch ook met de mijne!!!!"
de leeuwin werd wakker en keek vol verwondering naar haar twee welpjes. wat waren ze mooi. het waren een mannetje en een vrouwtje. het mannetje heette nickky... en het vrouwtje noa. ze groeide op in een veilige omgeving en waren dan ook snel wat groter. de leeuwin en de leeuw keken naar nickky dat word niks met hem zij de leeuw. hoe zo niet mijn man?? moet je kijken hij is een angsthaas. dat valt toch nog best wel mee zij de leeuwin. toen ze weer keek bestfte ze dat haar man het meende want nickky was snel in de boom geklommen toen er een muis achter hem aan zat... toen keken ze naar noa die zag het muisje en dook er op af. toen werd nickky boos! dat was mijn muis ik had hem bijna! schreeuwde hij. ze begonnen met vechten. toen klonken er schoten. de jongen waren zo druk bezig dat ze het niet hoorden. hun ouders riepen dat ze moesten vluchten maar ze hoorden het niet. de ouders holden snel naar hun huis. er stond een jager in de bosjes naar welpjes te kijken. noa had nickky omver gegooid en sprong boven op hem. toen zagen noa en nickky de jager! ren voor je leven nickky schreeuwde ze! snel sprong noa van nickky af. en zetten het op een lopen naar haar huis. nickky lag nog ondersteboven en draaide zich snel om. maar toen hij weg wou rennen greep de jager hem en stopte hem in een kooitje. nickky begon te schreeuwen: ze hebben me!mam pap doe iets! toen bedacht nickky een plan... mam pap! jullie moeten jullie neus gebruiken ik zorg dat je me blijft ruiken. nickky begon in zijn poot te bijten. en hing hem door de tralies. ze zetten hem op een auto. het bloed druppelde op de weg. beetje bij beetje. Iggier de vader van de jongen had nickky gehoord en was er achter aan gegaan. hij volgde het spoor van bloed. toen kwamen ze in het dorp aan. iggier verstopte zich. iggier zag een hee grote kooi met allemaal bloed. en nog een kooitje met een andere welp. die welp gromde naar hem ik ben baltazar. hoii bbaltaazarr stotterde nickky. je hoeft niet bang te zijn hoor. ik ben nickky zij hij maar nu een heel stuk rustiger. straks moeten we pas vechten zij baltazar dus je hoeft nu niet bang te zijn. ik wil niet vechten zij nickky kunnen we dan gewoon doen alsof we elkaar niet opmerken?? ja dat kan maar dat doe ik niet... waarom dan niet?? of het is een van ons dood of alletwee. want als je nit wilt vechten word je neergeschoten. maar er moet toch een andere manier zijn vroeg nickky. ja die is er... als een leeuw ons van buiten af los kan maken dan kunnen we ontsnappen, maar welke leeuw zou dat nou doen?? mijn vader zij nickky zacht. wat is je vader hier? en zeg je dat pas nu! ja maar hij moet voorzichtig zijn hoor anders gaat ons plannetje niet door! papa schteeuwde nickky kun je ons hier uit halen!? toen kwam iggier er aan en greep de tralies vast en beet hem door. toen was baltazar aan de beurt. toen baltazar los was klonken er schoten. ze raakte nickky die neer viel. iggier was het zat en sprong op de jager en beet het geweer door tweeen. toen was de jager aan de beurt. net toen hij wou bijten ging er een meisje bij staan het meisje begon aan de jager te trekken... het was zijn dochtertje van een jaar of 3. direct liet iggier hem los en liep droevig naar nickky. paappp klonk ie zacht... je leeft nog... wil je iets voor me doen... wat dan jonen zij iggier. duiken!schreeuwde nickky. de jager was opgestaan en had een ander geweer gepakt. iggier werd geraakt in zijn poot. nickky rende op de jager af en besprong hem. hij zette zijn kaken inde nek van de jager en de jager stierf. baltazars ouders bleken dood te zijn en hij werd opgenomen in de famillie van nickky..
Heel, heel lang geleden, voor nog de grootvaders van onze grootmoeders geboren waren, was zoals de Caraïben vertellen, de wereld geheel anders dan nu. De bomen droegen altijd vruchten; de dieren leefden in volkomen eensgezindheid en de kleine agoeti speelde zonder bang te zijn met de baard van de jaguar. Er leefden toen nog geen giftige slangen, de rivieren stroomden gelijkmatig, er was geen buitengewone droogte, noch had men last van overstromingen, en de watervallen gleden langzaam van de hoogste rotsen.
Er waren toen nog geen mensen op de wereld, en Adaheli, die wij nu als God aanroepen maar die toen Zon heette, werd verontrust. Hij daalde uit de hemel neer en kort daarna werd de mens geboren. Uit een kaaiman zagen beide seksen, een man en een vrouw, het levenslicht. De vrouwen waren van een verrukkelijke schoonheid, maar vele mannen hadden een terugstotend uiterlijk, en daarom raakten ze verspreid. Omdat de mannen met een mooi gezicht niet in staat waren om bij hun afzichtelijke kameraden te blijven, scheidden ze zich van hen af. Ze trokken naar het westen, terwijl de afzichtelijke mannen naar het oosten gingen, waarbij ieder de vrouwen die hij gekozen had met zich meenam.
Tot de stam van de in elk opzicht aantrekkelijke Indianen behoorde een jonge man, Maconaura geheten, die met zijn moeder samenwoonde. De jongen was in één woord bekoorlijk als men dit tenminste van een man kan zeggen. Hij droeg zijn kamiesa op elegante wijze, en vond zijn gelijke niet op de jacht en de visvangst. Ook in het vlechten was hij een meester, zodat alle mannen hun viskorven voor de laatste afwerking bij hem brachten. De oude moeder was niet minder bekwaam in het maken van hangmatten en het gereed maken van de taptana. Ze leefden in volkomen eensgezindheid, zowel onder elkaar als met de leden van hun stam. Ze hadden geen last van overmatige warmte, noch van kille vochtigheid; ze hadden niet van boze dieren te lijden, want deze kwamen in de streek niet voor.
Eens op een dag echter vond Maconaura zijn viskorf gescheurd en de vissen verslonden, iets wat tot nu toe in de geschiedenis van de stam niet was voorgekomen. Maconaura zette daarom, toen hij zijn korf weer uitzette, een specht op de uitkijk. Hij verzocht hem met zijn bek tegen een boomstam te kloppen als iemand, mens of dier, zou naderen. Maar hoewel hij op het 'toe! toe!' van de vogel dadelijk kwam aangerend, kwam hij te laat - weer waren de vissen verslonden en was de korf gescheurd.
Met de bananebek als waarschuwer ging het beter, want toen de vogel zijn 'pon! pon!' liet horen, kwam hij nog net op tijd om zijn pijl tussen de lelijke ogen van de kaaiman te schieten, die met een 'gloe! gloe!' onderwater verdween.
Maconaura herstelde zijn viskorf en vertrok. Maar nauwelijks was hij in zijn hut teruggekomen of hij hoorde weer het signaal 'pon! pon!' van de vogel, en toen hij bij de rivier kwam, zag hij daar een beeldschone huilende Indiaanse.
"Wie ben je?" vroeg hij.
"Anoeannaïtoe," antwoordde zij.
"Waar kom je vandaan?"
"Van ver, heel ver."
"Bij welke stam hoor je?"
"O, vraag mij dat niet," zei ze, en ze bedekte haar gezicht met haar handen.
Het meisje, haast nog een kind, nam haar intrek bij Maconaura en zijn moeder. Naarmate ze groter werd, nam haar schoonheid en bevalligheid zo toe, dat Maconaura haar eindelijk zijn liefde bekende en haar tot zijn vrouw vroeg. Hoewel ze eerst met tranen in de ogen weigerde, stemde ze ten slotte toe, hoewel het samenleven niet correct was, omdat Maconaura nog geen toestemming aan haar ouders had gevraagd. Nog altijd had ze niet verteld wie dat waren.
Gedurende korte tijd leefde het paar zeer gelukkig, totdat Anoeannaïtoe door een vurig verlangen werd aangegrepen om haar moeder te bezoeken. Maar toen Maconaura zei dat hij met haar mee wilde gaan, dreigde ze in woede de tocht te zullen opgeven. "Dan zal ik alleen gaan en je ouders toestemming voor ons huwelijk vragen," drong Maconaura aan.
"Dat nooit," riep Anoeannaïtoe, "dat zou onze dood zijn, evenals die van je lieve moeder."
Maconaura was echter niet te overtuigen, "want," zei hij, "ik heb een piaaiman geraadpleegd, die mij verzekerd heeft dat ik veilig zal terugkeren." Dus vertrok hij met zijn bruid.
Toen ze na verscheidene weken reizen met hun korjaal bij een kamp kwamen, riep Anoeannaïtoe: "Wij zijn er, ik ga mijn moeder opzoeken, zij zal je een kalebas brengen, gevuld met bloed en rauw vlees, en een andere kalebas met beltiri en cassavebrood. Ons lot hangt van jouw keus af."
De jongeman koos, toen de oude vrouw verscheen, zonder aarzelen de beltiri en het brood, waarop ze zei: "Je hebt een goede keus gedaan. Ik geef de toestemming tot het huwelijk, maar ik vrees dat mijn man zich er sterk tegen zal verzetten." Kaikoutji was de naam van haar echtgenoot.
Moeder en dochter gingen nu vooruit, om de man te polsen, maar zijn woede was zo groot, dat het nodig leek om de jongen in het bos te verbergen, totdat Kaikoutji eindelijk zo zacht gestemd werd, dat hij erin toestemde de jongeman te zien. Maar toen de jongen voor hem stond kwam zijn woede weer onverminderd boven en hij riep: "Hoe durf je mij te naderen?"
Maconaura, die hem tot bedaren wilde brengen, antwoordde: "Ja, het is waar, het huwelijk met uw dochter was niet volgens de gebruiken, maar ik kom herstel vragen. Ik zal voor u maken wat u verlangt."
"Maak dan een halla met de kop van een kaaiman aan de ene zijde en mijn beeltenis aan de andere," zei Kaikoutji.
Te middernacht was Maconaura klaar met zijn werk, op het portret na, maar dit was niet gemakkelijk omdat de man zijn hoofd door een kalebas bedekt had, waaruit alleen zijn ogen zichtbaar waren. Toen Maconaura zijn vrouw vroeg om haar vader te beschrijven, antwoordde ze: "Onmogelijk. Mijn vader is een piaaiman. Hij kent en weet alles. Hij zou ons allebei doden." Maconaura verborg zich nu naast de hangmat van de vader, in de hoop dat hij nu en dan wat van zijn gezicht zou zien.
Toen kwam er een makoe die om de oren van Kaikoutji gonsde en hem stak; maar de man, die als een bal in zijn hangmat lag opgerold, bewoog zich niet. Maconaura vreesde al dat hij het zou moeten opgeven, toen hij iets over zijn been voelde kruipen. Het was een hajara, die tot hem sprak: "Vrees niet, heb geduld." De spin kroop nu tegen de hangmat van Kaikoutji op en beet hem. Maar de slapende man sloeg de spin dood, en nog liet hij zijn gezicht niet zien. Maconaura werd wanhopig, maar eindelijk kwam er hulp opdagen; het was een heel leger van mieren, die hem kwamen aanvallen, en hem zo toetakelden, dat hij, terwijl hij in de consternatie uit zijn hangmat oprees, zijn hele gezicht liet zien, zo afschuwelijk als het was.
Toen de morgen aanbrak had Maconaura zijn halla gereed en hij bracht zijn werkstuk naar de vader, waarna Maconaura werd ontvangen als de erkende echtgenoot van Anoeannaï-toe.
Na verloop van tijd verlangde Maconaura zijn moeder weer te zien, en toen Kaikoutji aan Anoeannaïtoe weigerde om haar man te vergezellen, vertrok hij alleen. Gelukkige dagen volgden nu voor hem in zijn oude hut. Hij vertelde zijn avonturen, en zijn oude moeder haalde verhalen van heel lang geleden op, hoewel haar zwak geheugen slecht was. Toen nu Maconaura na enige tijd weer naar zijn vrouw wilde vertrekken, smeekte zijn moeder hem om bij haar te blijven, omdat de piaaiman hem voor gevaren had gewaarschuwd. Maar Maconaura was vast besloten om nog eenmaal te vertrekken en hij beloofde zijn moeder dat hij iedere dag een vogel zou sturen, die haar van zijn toestand op de hoogte zou houden. Als er een uil kwam zou dat betekenen, dat hij verloren was.
Toen Maconaura eindelijk in Anoeannaïtoes hut was aangekomen, ontving zij hem in tegenwoordigheid van zijn schoonmoeder. In tranen riep ze uit: "Weg, gauw! Kaikoutji is woedend over wat hij heeft gehoord!"
Maconaura stoorde zich echter niet aan de waarschuwingen en o, onvoorzichtige, toen hij Kaikoutji's hut binnenkwam, werd hij zonder slag of stoot door een pijl tussen zijn ogen getroffen.
Maconaura's moeder had dagelijks het droevige 'bouta! bouta! bouta!' van de otolin gehoord, toen het eens op een dag door het afschuwelijke, onheilspellende 'popopo!' van de uil werd gevolgd.
Nu ze wist dat haar zoon dood was, liet ze zich door de verkondiger van het slechte nieuws naar de plaats des onheils brengen; en toen ze zijn korjaal met zijn lijk eindelijk had gevonden, keerde ze er diep bedroefd mee terug naar haar volk.
De mannen bedekten het lichaam met een lijkkleed van prachtige veren, en ze legden er de wapens en gereedschappen van Maconaura op; de vrouwen bereidden de taptana voor de begrafenis viering en allen verenigden zich om de dodenzang te laten horen, het laatste vaarwel van de moeder aan haar geliefde zoon. Met alle kracht die ze nog had, richtte de oude vrouw zich in haar hangmat op en nadat ze met vuur het tragische verhaal van de liefde en de dood van haar jongen had gedaan, riep ze, terwijl ze haar schaal met taptana aan de lippen bracht: "Wie heeft het licht van mijn zoon gedoofd? Wie heeft hem naar het dal der schimmen gezonden? Woe! Woe! voor hem. Alas - jullie aanschouwt in mij, o vrienden en broeders, niet meer dan een arme zwakke oude vrouw. Wie van jullie wil hem wreken?"
Onverwijld sprongen toen twee mannen naar voren, grepen hun schaal, dronken hem leeg en hieven, naast het lichaam van de vermoorde, het Kenaima-lied aan. Daarbij dansten ze de dans der wraken. Op hetzelfde ogenblik sloop in een van hen de geest van een boa, in de ander die van een jaguar binnen.
Het grote taptana-feest werd in het dorp van Kaikoutji gevierd, waar honderden Indianen vergaderd waren, mannen, vrouwen en kinderen. Ze dronken en braakten, dronken en braakten weer. Plotseling verschenen onder de feestvierenden twee mannen, een in het vel van de jaguar, de ander in de gevlekte schubbenhuid van een boa-constrictor, en in een ogenblik waren Kaikoutji en allen die om hem heen waren gedood: een deel vermorzeld door de slagen van de jaguar, de rest gekraakt door de omstrengelingen van de boa.
De angst had enkelen weer bijgebracht; ze grepen hun bogen en richtten hun pijlen op de woedende aanvallers. De beide Kenaima's staakten daarop de aanval. Een van hen sprak: "Houd op, vrienden, wij zijn in jullie handen, maar laat ons eerst spreken."
Toen de tegenstanders hun pijlen hadden laten zakken, vertelde hij de geschiedenis van Maconaura. Het droevige verhaal maakte blijkbaar indruk, want toen hij was uitgesproken, trad een piaaiman naar voren en sprak: "Jonge mannen, jullie hebben goed gesproken; wij ontvangen jullie als vrienden."
Het feest werd nu nog vrolijker dan tevoren voortgezet. Anoeannaïtoe, die tot haar grote smart het feest niet had bijgewoond, kwam nu te voorschijn, en schreed voort langs de dode lichamen. Een voor een onderzocht ze de lijken, en toen ze eindelijk het lichaam dat ze zocht, dat van haar moeder, herkend had, ging ze er naast zitten en hief lang achtereen de lofzang op de dood aan. Daarna sprong ze plotseling op, en met overeind staande haren en met een woeste blik liet ze met trillende stem het verschrikkelijk kenaima-lied weerklinken, en ze danste, danste net zo lang, totdat de geest van een ratelslang haar lichaam binnendrong.
Tegelijkertijd vierde het volk van het andere dorp ook het tapana-feest, om de wraak te vieren, terwijl Maconaura's moeder, beneveld door de drank, in haar hangmat van haar verloren zoon lag te dromen. Het feest was in volle gang, toen plotseling Anoeannaïtoe verscheen. Maar ze trad enige stappen terug, toen ze haar naam hoorde uitspreken door de dromende vrouw: "Anoeannaïtoe! Mijn kind, jij bent goed, evenals je moeder! Maar waarom kom je hier? Mijn zoon, die je verloren hebt, is niet meer. O! Mijn zoon Maconaura, verheug je! Jij bent nu gelukkig, want je bent nu gewroken door het bloed van je moordenaar. Ja, je bent goed gewroken!"
Toen ze deze woorden hoorde voelde Anoeannaïtoe een verschrikkelijke tweestrijd in haar ziel - de begeerte naar de liefde en de eis van de plicht. Maar bij de woorden: "gewroken met het bloed," kon ze zich niet langer inhouden en terwijl ze zich op de vrouw wierp, trok ze haar tong uit de mond en schoot er het dodend gif overheen. Ze boog zich over het zieltogend lichaam heen, en sprak: "De kaaiman, die uw zoon bij zijn viskorf heeft gedood, was mijn broer. Net als mijn vader had hij het hoofd van een kaaiman. Ik zou het willen vergeven. Mijn vader wreekte de dood van zijn zoon door uw zoon met hetzelfde lot te bestraffen - met een pijl tussen zijn ogen. Uw verwanten hebben mijn vader en velen van zijn stam verslagen. Ja, ik zou dit alles misschien nog willen vergeven, als ze mijn lieve moeder maar gespaard hadden. Maco-naura is de oorzaak, dat wat mij het dierbaarst was is weggenomen. Ik neem nu op mijn beurt weg, wat hem het dierbaarst was."
Onder het slaken van een verschrikkelijke kreet vluchtte ze naar het bos en onmiddellijk daarna vond in de natuur plaats, wat tot nu toe zo onbekend was geweest: de wonden antwoordden met een orkaan, die de bomen neer velde en de zwaarste stammen ontwortelde. Dikke wolken bedekten het gelaat van Adaheli, terwijl onheilspellende bliksemstralen en het rommelen van de donder de donkere wereld deden sidderen. Ontzettende regenstromen deden de rivieren buiten hun oevers treden. De dieren, die tot nu toe vreedzaam samen geleefd hadden, begonnen elkaar aan te vallen, en elkaar te verslinden. De slang trof met zijn vergif; de kaaiman verbrijzelde met zijn vreselijke kaken al wat van levende wezens onder zijn bereik kwam; de jaguar scheurde het vlees uit het lichaam van de onschuldige agoeti.
Anoeannaïtoe, gevolgd door een heel leger van wilde beesten, zette haar zinloze tocht voort, totdat zij op de top van een enorme rots aankwam, waarvan een waterval met donderend geweld naar omlaag stortte. Hier staakte ze haar loop; aan de rand van de afgrond strekte ze haar armen uit, en toen, zich voorover buigend, plofte ze in de diepte neer. De wateren namen haar beneden op en sloten zich boven haar. Niets was er meer van haar te zien dan een verschrikkelijke draaikolk.
Wanneer nu een vreemdeling langs de waterval komt, zal de Caraïb hem waarschuwen, niet diens naam te noemen. Het zou zijn onfeilbare dood zijn; want op de bodem van deze wateren wonen Maconaura en Anoeannaïtoe nu gelukkig in het schitterende paleis van de Geest van het Water.
Over het eiland Tonga, in de Stille Zuidzee, regeerde eens een koning, die een slecht mens was. Hij hield alleen van oorlogvoeren en voortdurend maakte hij grote rooftochten naar de eilanden in de omgeving. Zijn krijgslieden waren even ruw en slecht als hij. Wanneer ze op een eiland verschenen, doodden ze alle mannen en namen de vrouwen mee als slavinnen.
Zo hadden ze ook eens naar het eiland Kalao een rooftocht gemaakt. Toen ze naar Tonga terugkeerden en al dicht bij huis waren, stak er plotseling een hevige storm op, die de boten weer naar de volle zee dreef. Het noodweer duurde drie dagen. Toen bedaarde de storm en werd het zo windstil, dat de zeilen, die nog niet gescheurd waren, toch niet gebruikt konden worden.
"We zullen naar huis moeten roeien," zei de koning.
De mannen grepen de roeispanen en roeiden de hele dag, maar 's avonds was er nog geen land te zien. Daar ze de laatste dagen weinig eten hadden gehad, legden ze de spanen in de boten en zeiden: "Wij zijn te hongerig om verder te kunnen roeien."
Dat was een moeilijk geval. Doordat de tocht zoveel langer duurde dan ze gedacht hadden, was al het voedsel al opgegeten.
De koning wist echter raad. Hij zei: "We zullen een van de gevangenen doden. Want als we niet eten, kunnen we niet roeien, en als we niet roeien, sterven we allemaal van honger op zee."
Een jonge vrouw, die met een kind in haar armen in een van de boten zat, zou het eerst gedood worden. Maar toen de woestelingen haar wilden vastgrijpen, sprong ze met haar kind in zee. Dadelijk dook ze onder en wist in de duisternis te ontsnappen. Maar zou het haar veel helpen? Ze was nog ver van land en de zee wemelde van de haaien. Gelukkig zag ze een grote roeispaan drijven, waar ze haar kind op kon zetten. Ze was te moe, om nog te zwemmen. Daarom hield ze zich alleen aan de spaan vast en liet zich drijven, in de hoop, dat ze ergens aan land zou spoelen. Voortdurend moest ze haar kind verdedigen tegen grote zeevogels, die het trachtten aan te vallen. Ze joeg de dieren weg door te roepen en met haar armen te zwaaien. Toch was een der vogels haar nog te vlug af en pikte met zijn scherpe snavel het kind een oog uit.
Toen moeder en kind vier dagen hadden rondgedreven, bereikten ze eindelijk het eiland Ono. De vrouw - ze heette Talingo - kroop een eind het strand op en legde haar kind in de schaduw van een palm. Toen waren haar krachten uitgeput. Ze ging naast haar kind liggen en stierf.
Niet ver van die plek woonde in een hutje een oude man met zijn vrouw. Hij heette Tausere en zijn vrouw Sina. Kinderen hadden ze niet. Toen Tausere de volgende dag naar het strand ging, zag hij daar Talingo liggen. Dadelijk riep hij zijn vrouw. Sina knielde naast Talingo neer. "Ze is dood," zei ze. "Ach, die arme vrouw. Gelukkig, dat het kind nog leeft."
"Dan moeten we haar begraven," sprak Tausere ernstig.
Samen groeven ze een graf en toen ze Talingo daarin legden, hadden ze tranen in hun ogen. Maar op dat ogenblik zag Sina, dat het jongetje naar haar keek en haar toelachte. Dadelijk nam Sina het kind in haar armen en zei: "O, mijn zoon, mijn lieve jongen, die de goden ons gezonden hebben. Nu hoeven we niet meer treurig te zijn, dat ons huis leeg is. De goden hebben medelijden met ons gehad."
Tausere was ook heel blij met het kind. "Dit is een gelukkige dag voor ons," zei hij tegen zijn vrouw. Ze namen de kleine mee naar huis en vertroetelden hem zo veel ze maar konden. En als een van de buren vroeg: "Wat is dat toch voor een kind?" dan antwoordden ze trots: "Het is onze zoon, die de goden ons geschonken hebben." Verder zeiden ze niets.
Ze noemden hem Matandua en dankten de goden voor dit geschenk, dat hun zoveel vreugde verschafte. Matandua groeide op tot een flinke knaap, die veel van zijn pleegouders hield. En hij wist niet, dat zijn ware moeder in haar graf lag, op het strand...
Vaak, als de krachtige noordenwind de golven hoog opjoeg en door de bomen van het eiland gierde, hoorden de mensen van Ono een klagende stem op het strand. Op zo'n ogenblik bewoog Matandua in zijn slaap en dan was zijn gezicht nat van tranen. Op een nacht nam Sina zijn hand en wekte hem. De jongen schrok wakker.
"O moeder," zei hij snikkend, "een vrouw stond bij me en ze huilde. Nee, het was geen droom. Kijk maar, mijn wangen zijn nog nat van haar tranen."
"Dat zijn je eigen tranen, jongen," zei Sina. "Je huilde in je slaap. Daarom maakte ik je wakker."
"Toch heb ik haar gezien," hield de jongen vol. "Ik geloof, dat ik haar ken, dat ik haar heel lang geleden ook al eens gezien heb."
"Wees maar rustig, mijn jongen, en ga slapen," zei de oude vrouw en nam zachtjes zijn hand. Matandua ging weer slapen, maar terwijl de storm buiten gierde, bewoog hij telkens nog onrustig.
De oude man keek zijn vrouw aan. "Het was zijn moeder, die hij gezien heeft," fluisterde hij. "Zijn hart heeft haar herkend. Kijk, hij huilt nog in zijn slaap. Zullen we hem morgen de waarheid zeggen?"
"Waarom zouden we dat doen?" vroeg de vrouw verdrietig. "Waarom moet hij de waarheid weten? Houd ik niet evenveel van hem, alsof ik zijn echte moeder was? Heb ik hem niet verzorgd als mijn eigen kind? Waarom zouden we hem de waarheid zeggen? Zijn moeder is dood. Nu ben ik zijn moeder en hij hoeft geen andere te kennen."
Tausere zweeg. Hij vond eigenlijk ook, dat zijn vrouw gelijk had. Maar als 's nachts Matandua weer eens in zijn slaap huilde, maakten ze hem toch niet meer wakker. En gelukkig was de volgende dag de jongen zijn dromen geheel vergeten.
Hij werd een sterke jonge man en op heel het eiland was geen zoon te vinden, die beter voor zijn ouders zorgde dan Matandua.
De andere jonge mannen van het eiland hielden niet van Matandua. Ze waren jaloers op hem, omdat hij alles veel beter kon dan zij. Vooral de zoon van de koning, die door zijn kameraden de Dikke werd genoemd, haatte Matandua. De Dikke verbeeldde zich, dat hij de beste visser van het eiland was. Maar de netten van Matandua waren altijd veel voller dan de zijne, en de vissen waren ook veel groter. Dat kwam, doordat de dode Talingo haar zoon hielp en de vissen in zijn netten joeg. Op een dag besloten de bewoners van Ono, dat er een nieuwe tempel voor de goden gebouwd zou worden. De jonge mannen moesten het hout uit het bos halen. Ieder kreeg een deel van het werk te doen.
Met z'n allen togen ze naar het bos. Toen de stammen op de grond lagen, nam Matandua er een op zijn schouder en droeg die naar het dorp. Verbaasd keken de anderen hem na. Eerst dachten ze, dat de stam hol was. In stilte probeerden ze, of ze de stam ook alleen konden optillen, maar die was nog te zwaar voor vijf man! Toen werden ze allen zo jaloers, dat ze besloten Matandua te doden. Onder aanvoering van de Dikke groeven ze in het bos een diepe valkuil en bedekten die met takken en gras. In de bodem van de kuil hadden ze speren gestoken, met de punt naar boven...
Toen ze met hun verraderlijk werk klaar waren en naar het dorp wilden terugkeren, was het al avond geworden. De maan scheen helder. Plotseling zagen ze voor zich uit in het bos een vrouw. Haar lichaam was nat net alsof ze pas uit het water was gekomen. In haar hand hield ze een zware roeispaan. "Wie ben je?" riep de Dikke. "Wie ben je? Waarom antwoord je niet?" Want de vrouw sprak geen woord. Toen de jonge mannen naar haar toe liepen, vluchtte ze weg. De Dikke en zijn kameraden zetten haar na, maar hoe hard ze ook liepen, de vrouw ontsnapte telkens. Zo wist ze haar achtervolgers naar de valkuil te lokken. Ze liep eroverheen, alsof de grond daar stevig was geweest. De jonge mannen - de Dikke voorop - waren nu vlak bij haar gekomen. In hun haast zagen ze het gevaar niet op tijd en sommigen van hen vielen in de kuil, ook de Dikke.
De anderen hadden de moed niet, hun kermende kameraden te helpen. Ze keerden haastig naar het dorp terug en vertelden daar, wat er gebeurd was. Dadelijk trok het dorpshoofd met een troep gewapende mannen naar het bos. Op de bodem van de kuil vond hij zijn zoon met enkelen van zijn kameraden. Drie van hen, die met hun borst in een speer waren gevallen, leefden niet meer. De Dikke werd ook vreselijk gestraft. Een speer was hem door zijn knie gedrongen, zodat zijn been voor altijd lam bleef. Voortaan heette hij dan ook niet meer de Dikke, maar de Lamme.
Toen Tausere en Sina vernamen, wat er 's nachts in het bos gebeurd was, keken ze elkaar eens aan, maar zeiden niets. Ze begrepen, dat Talingo haar zoon weer beschermd had.
Matandua's vijanden haatten hem nu nog meer dan vroeger, maar ze waren tevens banger voor hem geworden, dan ze ooit geweest waren. Ze bemoeiden zich helemaal niet meer met hem en ontweken hem zoveel mogelijk. Maar de Lamme peinsde voortdurend op middelen, om zich te wreken. Enige maanden later kreeg hij daarvoor een mooie kans. De bewoners van Ono wilden een groot feest geven ter ere van de goden. Daarom moesten alle jonge mannen van het dorp schildpadden gaan vangen, die op het feest gegeten zouden worden.
's Avonds bleven de vissers aan boord van hun scheepjes, die allemaal rond het schip van het dorpshoofd lagen, en maakten een praatje met elkaar. Alleen Matandua deed daaraan niet mee. Hij lag in zijn prauw en sliep. Dit zag de Lamme. Ongemerkt nam hij de roeispanen en het zeil uit Matandua's boot. "Goede reis," fluisterde hij met een gemene lach. "Goede reis, en ik hoop, dat je veel mooie avonturen zult beleven."
Matandua hoorde deze woorden niet. Zachtjes dreef zijn boot door de duisternis weg, de zee op. Terwijl hij sliep, droomde hij. In zijn droom zag hij een vrouw naar zijn boot zwemmen. Het was weer Talingo. Ze klom bij hem in de boot en sprak: "Matandua, o Matandua, mijn lieve zoon..."
"Bent u het, moeder Sina?" vroeg Matandua. "Ik herken u niet."
"Nee, nee, mijn zoon," antwoordde Talingo. "Ik ben je ware moeder en heet Talingo."
Matandua herkende nu de stem, die hij ook al zo vaak in zijn dromen had gehoord. "Maar is Sina dan mijn moeder niet? En is Tausere niet mijn vader?" vroeg hij verbaasd.
"Nee, nee, mijn zoon," zei de stem. "Sina en Tausere zijn goede mensen. Maar ik ben je moeder." Daarna vertelde ze hem alles, wat er jaren geleden gebeurd was. Vervolgens zei ze: "De zoon van het dorpshoofd is je grootste vijand. Hij is het geweest, die je roeispanen en het zeil weggenomen heeft. Zijn vader zal weldra sterven en dan wordt hij dorpshoofd. Hij zal steeds blijven proberen, jou en je lieve pleegouders te doden. Daarom moet je met hen naar een ander eiland gaan. Vaar nu terug naar Ono en vertrek dan zo spoedig mogelijk. Hier is een spaan. Ik zal je wel helpen."
Op dat ogenblik werd Matandua wakker. Zijn moeder was verdwenen, maar naast zich, in het water, zag hij een grote roeispaan drijven, die hij vlug aan boord haalde. Daar begon de spaan vanzelf te werken en dreef het bootje met grote snelheid naar Ono terug. Matandua zei zachtjes: "Ik dank u, moeder, voor uw hulp."
In Ono teruggekomen, vertelde hij zijn pleegouders, dat hij zijn moeder Talingo gezien had. Eerst wilde Sina hem dat uit zijn hoofd praten. "Het is maar een droom geweest," zei ze herhaaldelijk.
Maar Tausere sprak: "Nee, vrouw, nu is het genoeg. Matandua moet eindelijk de waarheid weten. Talingo is je moeder, zij alleen en niemand anders. Maar wij houden ook veel van je. Vanaf de dag, dat we je op het strand vonden, hebben we van je gehouden alsof je onze eigen zoon was. En jij bent voor ons een goede zoon geweest. Vrouw, huil niet meer. Waarom zou je huilen? Matandua zal heus niet minder van ons houden, nu hij de waarheid weet."
"Ik houd daarom nog meer van u beiden," riep Matandua uit. "Nu, moeder, huil niet meer. Ook moeder Talingo houdt van u. Ze heeft gezegd, dat we met ons drieën moeten vertrekken naar een ander eiland. Er dreigt gevaar. Laten we dus niet langer wachten."
De oude mensen vonden het niet prettig het eiland, waar ze hun hele leven gewoond hadden, te moeten verlaten. Maar ze wilden hun zoon - want zo beschouwden ze hem nog steeds - ook niet alleen laten gaan. Ze stapten dus allen in een grote kano, Matandua hees het zeil, en daar voeren ze weg.
"Waar varen we heen?" vroeg Tausere.
"Ik weet het nog niet," antwoordde Matandua. "Maar ik denk, dat moeder Talingo ons wel de weg zal wijzen."
Dat bleek werkelijk het geval te zijn. Een groene vogel met witte borst zette zich op Matandua's schouder; daarna ging hij vóór het schip vliegen.
"Daar is onze gids al!" riep Sina blij. Ze volgden de vogel, die hen naar het eiland Tonga bracht. Vóór het eiland lag een zeer gevaarlijk rif. Daarop zou de kano zeker schipbreuk geleden hebben, als de vogel hun niet precies de weg gewezen had. Zo kwamen ze veilig op Tonga aan. Ze zagen een stad liggen, maar nergens waren mensen te bekennen. De huizen waren leeg en zagen er verwaarloosd uit. Gras groeide op alle paden, de velden stonden vol onkruid.
"Het schijnt, dat hier oorlog is geweest," zei Tausere.
"Dat geloof ik niet," antwoordde Matandua. "Want dan zouden de overwinnaars wel de huizen in brand hebben gestoken."
"Maar als een vreselijke ziekte de bewoners plotseling gedood had, zouden we toch de lijken moeten vinden," zei Tausere.
Sina begon te huilen. "Laten we weggaan uit deze dodenstad," zei ze.
De groene vogel, die hen vergezeld had, vloog nu onrustig om hen heen. Het was, alsof hij het drietal uitnodigde, hem te volgen. Dat deden ze toen.
De vogel leidde hen daarop naar het bos. Paden waren er niet meer. Toch scheen de kleine gids precies te weten, waar de drie mensen naar toe gebracht moesten worden. Hij leidde hen over een heuvel en vervolgens in een vallei, die dicht begroeid was met struikgewas. "Moeten we daar ook doorheen?" vroeg Matandua. "Nu, vooruit dan maar." Hij ging voorop en hield de takken opzij voor zijn pleegouders. Zo kwamen ze op een kleine vlakte, die geheel door struikgewas omgeven was, en op die vlakte zagen ze een aantal oude mannen zitten. Deze schrokken, toen ze de drie reizigers door de struiken zagen aankomen. Matandua stelde hen gerust. Hij vroeg: "Wat is hier toch gebeurd? En waar zijn de andere bewoners?"
"Dood, dood," antwoordde een der grijsaards, en de tranen druppelden langs zijn lange, witte baard. "Bijna alle mannen zijn dood en onze vrouwen zijn van ons weggenomen."
"Maar wat is er dan toch gebeurd?" herhaalde Matandua zijn vraag.
De grijsaard antwoordde: "Jaren geleden regeerde over ons eiland een slechte koning. Hij en zijn woeste krijgslieden hebben de zware zonde begaan, mensen te doden en op te eten. Om ons te straffen zonden de goden ons een geweldige reus, die ons sinds die tijd geregeld komt lastig vallen. Hij is zo groot, dat hij bijna niet hoeft te zwemmen, maar over de zeebodem kan lopen. Toen hij de eerste keer kwam, vielen we hem aan met onze speren en schoten pijlen op hem. Maar hij lachte om onze wapens en sloeg onze mannen dood, zoals wij een muskiet dood slaan. Nu verbergen wij ons voor hem, als hij komt. Maar iedere keer weet hij nog weer enkelen van ons te doden. Vlucht daarom zo spoedig mogelijk van het eiland. Wij, grijsaards, wachten slechts, tot het onze beurt is om door het monster gedood te worden."
Matandua dacht even na. "Waarom zou Talingo je toch naar dit eiland gezonden hebben?" vroeg Tausere.
"Zeker niet, om me in het ongeluk te storten," antwoordde Matandua. "Daarom wil ik hier blijven, om de reus te bestrijden. Maar het lijkt me beter, dat jullie naar Ono terug gaan."
"Nee," zei Sina. "Talingo heeft gezegd, dat je ons mee moest nemen, dus blijven we bij je. En als de reus jou doodt, mag hij ons ook doden."
"Vlucht, vlucht, voor het te laat zal zijn," herhaalde de grijsaard. En toen plotselin met een kreet van schrik: "Het is al te laat!"
Vlug kropen alle mannen in hun schuilplaatsen en namen Tausere en Sina ook mee. Alleen Matandua bleef staan en wachtte met opgeheven speer het monster af.
In de verte klonk een geluid, alsof het onweerde en de aarde begon te trillen. Krakend vielen enige bomen om en... daar stond de reus. Hij strekte zijn geweldige hand uit, om Matandua te grijpen, maar deze wist met een vlugge sprong aan de greep te ontsnappen.
Matandua hief zijn speer op. Maar waar zou hij zijn vijand het beste kunnen treffen? Plotseling voelde hij, dat zijn arm bestuurd werd door een onzichtbare hand. Het wapen suisde door de lucht en doorboorde het been van de reus, die met een luide kreet van pijn op de grond viel. Nu greep Matandua zijn knots en bracht daarmee zijn vijand enige geweldige slagen toe. Maar het monster zou deze slagen nauwelijks gevoeld hebben, als de goden aan Matandua's arm niet hun kracht gegeven hadden. De reus trachtte zich niet te verdedigen. Brullend van pijn kroop hij naar de zee, waarin hij verdween, om zich nooit meer te vertonen.
Sina omhelsde haar zoon met tranen in de ogen. "Je moeder heeft je weer bijgestaan," zei ze. "Die arme Talingo! Wat moet ze veel van je gehouden hebben!"
Op deze wijze werd Tonga verlost van het monster, dat de goden gezonden hadden om de bewoners te straffen voor hun slechte daden.
Matandua werd nu koning van het eiland. De grond was erg vruchtbaar en de zee zeer visrijk. Toen de bewoners van de omliggende eilanden hoorden, dat de reus verslagen was, vroegen ze of ze zich op Tonga mochten vestigen. Zo werd het eiland spoedig weer dichtbevolkt.
Matandua trouwde met een lieve vrouw, die hem veel flinke kinderen schonk. Hij bleef Sina en Tausere vereren als zijn ouders en verzorgde hen tot hun dood. - Zo gingen veel jaren voorbij.
Op een nacht, toen Matandua sliep, verscheen Talingo weer in zijn droom. De vorige keren had ze altijd droevig gekeken, doch nu scheen ze blij te zijn. Vriendelijk wenkte ze hem toe. Matandua begreep, dat ze hem riep.
"Ja moeder, ik kom," riep hij haar toe met heldere stem.
"De koning spreekt in zijn slaap, hij droomt zeker," zeiden de dienaren, die in de kamer ernaast sliepen.
Maar toen ze hun meester de volgende morgen wilden wekken, merkten ze tot hun schrik, dat hij gestorven was, zonder pijn, zonder ziekte, met een glimlach om de lippen, alsof hij iets heel moois zag.
Grote droefheid heerste er op het eiland. Ieder rouwde om de dood van de geliefde koning, de beste, die ooit over Tonga geregeerd heeft. En nog heden ten dage vertellen de oude mensen van Tonga aan de kinderen het verhaal van Matandua, die als zuigeling dagen lang op een roeispaan op zee ronddreef, om tenslotte, met de hulp van zijn gestorven moeder een machtig heerser te worden.
Er was eens een man die ging met z'n vrouw vrijen maar hij wist niet hoe het precies moest. Toen ging hij naar de dokter en zei dat hij ging vrijen met z'n vrouw maar dat hij niet wist hoe hij het moest doen. De dokter zei doe eerst dubbeltje dubbeltje dubbeltje(met z'n kont ronddraaien) en blijf dat doen en kom over een week terug. Dus hij ging oefenen oefenen en oefenen en toen ging hij weer terug hij zei dat hij het kon. Toen zei de dokter nu kwartje kwartje kwartje en blijf dat doen en kom over een week weer terug. Dus hij ging oefenen oefenen en oefenen en toen ging hij weer terug hij zei dat hij het kon. Toen zei de dokter nu gulden gulden gulden en blijf dat doen en kom over een week weer terug. Dus hij ging oefenen oefenen en oefenen en toen ging hij weer terug hij zei dat hij het kon. Toen zei de dokter nu rijksdaalder rijksdaalder rijksdaalder en blijf dat doen en kom over een week weer terug. Dus hij ging oefenen oefenen oefenen en toen ging hij weer terug hij zei dat hij het kon. Toen zei de dokter dat hij klaar was en dat hij het nu kon doen met zijn vrouw en wenste hem succes. Toen ging hij met z'n vrouw vrijen en toen zei ze dat hij sneller moest gaan en toen deed hij: F 3.85 F 3.85 F 3.85.
Er was eens een bos, in het midden van Duitsland. Er woonden heel erg veel dieren en ze hadden een heel erg goede band met elkaar. Ze gaven altijd een feestje als er iets met zijn allen werd opgelost. Vandaag was er weer iets aan de hand…
“Rennen!” Riep de wijze uil. “Wat? Hoezo? Wat is er?” Schreeuwden de dieren door elkaar. “Brand! Help, help, help! Snel help me. Maak een rij tot de sloot en geef de emmers door. Mijn huisje staat in brand!” Riep de Fleurtje het konijn. “Jullie horen het, schiet op. Neem emmers mee uit je huisje!” Riep de uil. Hij vloog boven het dierenbos. Het was altijd heel erg gezellig in het bos, als er wat aan de hand was holpen ze elkaar. Iedereen was in rep en roer. Alle dieren renden naar de sloot toe met emmers. Zelfs alle dierenkinderen hielpen mee. Ze gaven allemaal vliegensvlug emmers door en binnen een uur was het huisje geblust. “Jippie jee! Het vuur is geblust!” Riep iedereen uit. “Ja, maar ik heb nu geen huisje meer.” Snikte Fleurtje. “Aa, ja dat is waar.” Zei de wijze uil getreurd. “Weet je wat? Je mag wel zolang bij mij wonen tot je huisje is opgeknapt.” “Zou dat mogen? Echt waar? Dat zou echt fantastisch zijn!” Zei Fleurtje nu blij. “Tuurlijk zou dat mogen! We moeten alles zowiso oplossen, toch dieren?” Zei de uil wijs. “Ja, klopt!” Zei iedereen. “Ik vind dat er een groot feest moet gegeven worden omdat we het met z’n allen hebben opgelost!” Riep de uil.
’s Avonds werd het één groot feest. De dieren in het dierenbos waren zo vrolijk en blij dat alles was opgelost. Fleurtje had gelukkig nu een plekje waar ze kon overnachten. Op het feestje waren alle dieren die in het dierenbos leefden. Er was taart en chips, en koekjes en fruit. Heel erg veel drinken en snoep. Dat maakte het feestje altijd zo leuk! Ze feesten nog heel erg lang door die nacht. Ze spraken af dat ze er altijd voor elkaar zouden zijn in goede en in slechte tijden. En ze leefde nog lang… En gelukkig!!
Het is beetje onzin maar moest ik maken voor Nederlands. Een fantasie verhaal over dieren (: Ik ben ook een boek aan het schrijven,, die komt er nog op !!
Een hindoeïstisch verhaal over een verliefde asceet
Aan de oever van een meer leefde eens een heilige asceet, Cyavana genaamd. Zó lang volhardde hij daar onbeweeglijk in dezelfde houding, dat de lianen over hem heen rankten en de mieren een mierenhoop bouwden tot over zijn hoofd.
Op zekere dag kwam een koning met zijn gevolg zich vermeien aan de oever van dat heerlijke meer. De koning had vierduizend vrouwen, maar slechts één dochtertje, Sukanya. Blij en zorgeloos liep en stoeide de lieftallige prinses met haar vriendinnetjes door het dichte woud. Toen ze daar zo wat van haar vriendinnen was afgedwaald en ze in haar dunne kleedje tussen de bomen liep, zag de wijze Cyavana haar. Zodra hij haar op dat eenzame plekje gezien had, werd die zeer verstorven asceet met de magere hals verliefd op haar. Hij riep haar, maar ze hoorde hem niet. Maar toen ze dichterbij kwam, zag ze zijn ogen fonkelen in de mierenhoop. Ze begreep niet wat die lichtjes waren en uit nieuwsgierigheid prikte ze erin met een doorn.
Cyavana was daarover uitermate vertoornd. Hij plaagde de koning en zijn gevolg zolang met verstopping, tot het prinsesje haar schuld bekende. De asceet eiste dat ze hem als genoegdoening tot vrouw gegeven werd. En zo gebeurde.
Daarna vertrok de koning met zijn gevolg gezond en wel weer naar de hoofdstad. Sukanya bleef bij Cyavana en ze diende hem in liefdevolle toewijding en onderdanigheid.
Op zekere dag zagen haar de twee Ashvins, de godenartsen, terwijl ze aan het baden was. Ze werden door haar schoonheid bekoord; ze kwamen naderbij en ze vroegen haar wie ze was en hoe ze daar in het eenzame woud gekomen was.
Sukanya antwoordde: "Ik ben de dochter van de koning en de vrouw van de verstorven asceet Cyavana."
Toen begonnen de goden te lachen en ze zeiden haar: "Hoe is je vader ertoe gekomen je tot vrouw te geven aan een zo afgeleefde man! Jij bent zo goddelijk mooi en hij is niet meer vatbaar voor liefde of genot. Verlaat Cyavana en kies één van ons tot man. Je mag je jeugd niet verder vergooien."
Maar Sukanya antwoordde: "Ik hou van Cyavana, mijn man. Ontroof me nu mijn gemoedsrust niet!"
Daarop zeiden de Ashvins: "Luister! Wij zijn de godenartsen. We zullen je echtgenoot jeugd en schoonheid teruggeven. Daarna moet je een keuze doen."
Sukanya ging naar haar man en die was dadelijk bereid zich aan de proef te onderwerpen. Volgens het voorschrift van de twee goden dompelde hij zich haastig in het meer, tegelijk met hen. En toen ze uit het water kwamen, was de oude asceet jong en mooi geworden. Men zag geen verschil meer tussen hem en de Ashvins, die stralende goden. Allen tegelijk zeiden ze tegen Sukanya: "Kies nu wie je wil!"
Daar stond Sukanya. Ze zag geen enkel verschil, maar geleid door haar hart, koos ze haar eigen man.
Nu had Cyavana alles gewonnen: zijn vrouw, zijn schoonheid en zijn jeugd. En machtig door de kracht van zijn ascese beloofde hij aan de Ashvins dat zij voortaan deel zouden hebben aan het soma-offer, aan de bedwelmende offerdrank.
De Ashvins keerden tevreden terug naar de goden en Cyavana en Sukanya leefden op aarde, als goden zo gelukkig.
De koning vernam wat er met zijn schoonzoon gebeurd was en hij begaf zich met zijn gevolg naar de kluis van Cyavana. Toen hij daar zijn kinderen zag, zo mooi en zo gelukkig als godenkinderen, was hij verheugd in zijn hart. Zijn vreugde werd nog groter, toen Cyavana zijn voornemen te kennen gaf een offer op te dragen voor zijn schoonvader.
Vol vreugde maakte de koning alles in gereedheid en op de bepaalde dag begon Cyavana met het ritueel. Maar toen hij een lepel soma voor de Ashvins wilde plengen, kwam de god Indra tussenbeide en hij riep: "De Ashvins hebben geen recht op soma!"
Maar Cyavana antwoordde: "De Ashvins hebben me mijn jeugd en schoonheid weergegeven. Ik zou niet weten waarom zij geen soma zouden mogen krijgen. Ze zijn ook goden, zo goed als u!"
Zonder verder aandacht te schenken aan Indra, wilde hij de soma plengen. Maar Indra riep boos: "Als je dat doet, zal ik mijn bliksem op jou slingeren!"
Toen Cyavana toch een lepel soma op de grond uitgoot voor de Ashvins, wilde Indra zijn bliksem slingeren. Maar op hetzelfde ogenblik verlamde Cyavana zijn arm en rustig voltooide hij de offerande.
Om Indra te straffen, liet hij vervolgens door de kracht van zijn ascese het monster Mada ontstaan, het monster van de verstandverwarrende roes. Zijn opengesperde kaken reikten van de aarde tot aan de hemel, zijn tanden waren lang als torenspitsen en puntig als werpspiezen, zijn ogen gloeiden als een felle zon en zijn tong, schichtig als een bliksemstraal, belikte zijn muil. Op buit belust stormde hij woedend op Indra af en hij vervulde hemel en aarde met zijn vreselijk gebrul.
Toen Indra dat monster op zich zag afkomen, verlamden zijn ledematen van schrik en angstig riep hij: "Van nu afhebben ook de Ashvins recht op soma, ik zweer het! Wees me genadig, Cyavana, en je kracht zal nog toenemen. Vergeef me, en alles zal worden zoals jij het wenst."
Toen verdween de toorn van Cyavana. Hij liet Indra ongedeerd heengaan en hij verdeelde de ontredderende kracht van Mada over wijn, vrouwen, dobbelspel en jacht.
Een dom blondje gaat naar Amerika op vakantie. Daar staat ze bij de bushalte een sigaret te roken. Het regent heel hard en haar sigaret regent uit. De vrouw naast haar staat eveneens een sigaret te roken. Zij echter pakt een condoom uit haar tas rolt die over haar sigaret heen en rookt gewoon door. Het domme blondje denkt: "Dat is een goed idee." Ze loopt naar een drogisterij. Ze zegt tegen de man achter de toonbank: "One condom please!" De man antwoordt: "What size?" Waarop het blondje antwoordt: "I don't know, but it has to fit a Camel."
Mam we zijn thuis, schreeuwt Laura onder aan de trap. Haar moeder komt naar beneden gelopen. Hoi mam, zegt Laura, ik heb Tamara mee naar huis genomen. Dat is goed hoor, zegt haar moeder. Willen jullie drinken en wat lekkers dames?, vraagt Laura`s moeder. Ja graag antwoordt Tamara beleefd. Mmmm, zegt Tamara na een tijdje wat zijn die koekjes lekker! Wat fijn dat je je beste vriendin weer een keer mee naar ons toegenomen hebt Laura, zegt Laura`s moeder. Ja ik heb de laatste tijd alleen nog maar bij jouw gespeeld hè Tamara?, zegt Laura. Tamara knikt. Letten jullie op de tijd? Jullie moeten over een kwartiertje naar turnen, zegt Laura`s moeder.
Na een kwartiertje hollen Tamara en Laura naar de gymzaal. Wow Samyra!, zegt Laura. Heb je een nieuw gympakje?! Het gympakje is blauw met glitters. Tamara en Laura hebben hun gympak al aan en gaan naar de gymzaal. Als ze de gymzaal binnen komen zien ze de balk en de mat staan. Allemaal aan de kant zitten!, zegt juf Monica. Ik heb een belangrijke mededeling, zegt ze wanneer iedereen zit. Ik ga bekend maken wie er naar de selectie mag. Ik ga kijken hoe jullie turnen, zegt juf Monica. En de vijf besten kies ik eruit. Vijf maar, zegt Laura teleurgesteld. Daar kom ik nooit bij. Iedereen weet dat Laura heel erg goed kan turnen. Ze zit zeker bij de vijf kinderen voor de selectie. We beginen met de balk. Ik roep telkens een kind bij me. De andere kinderen moeten op de bank blijven zitten. Om te kijken, zegt juf Monica. Als zesde is Laura aan de beurt. Ze springt op de springplank voor de balk. Dan maakt ze een handstandpreid. Dan gaat ze zitten op de balk. Weet je je oefening Laura?, vraagt juf Monica. Nee juf, zegt Laura. 2x een kattesprong, loopsprong, koprol, koprol achterover, omdraaien, radslag, flikflak, en als laatste de spagaat op de balk en dan de salto eraf. Gesnapt Laura?, vraagt juf Monica. Ja juf, zegt Laura terwijl ze een loopsprong maakt. Iedereen kijkt vol bewondering naar Laura. Je doet alles met gemak!, zegt juf Monica. Ga maar weer aan de kant zitten. Lopend op haar handen gaat Laura naar de banken. Wow Laura!, zegt iedereen. Alleen Tamara, zegt niks. Zij is al geweest en moest een veel makkelijkere oefenstof doen. Ze vindt het niet leuk dat Laura beter kan turnen dan zij. Als iedereen is geweest gaan ze naar de mat. Nu mag Laura als laatste komen. Begin maar, zegt de juf. Ik weet mijn oefening niet!, zegt ze. Dan zeg ik hem wel, zegt juf Monica. Arabier, flikflak, salto (achterover), omspringen, radslag, overslag, handstand, koprol. En dan nog twee keer de flikflak en vanuit de flikflak in spagaat vallen. Salto voorover, schroef. Alleen de schroef lukte nog niet zo goed bij Laura. Ze kan wel draaien in de lucht maar valt dan. Iedereen klapt als Laura naar de kant toe loopt. Laura drinkt nog even wat uit haar fles gevuld met drinken, Tamara had er een beetje van haar drinken bij gedaan omdat ze zo jaloers is op Laura. Laura proeft het en, zegt: Dit is vast niet meer goed, ik gooi het weg. Ze neemt nog een slok omdat ze zo`n dorst had. Had ze dat nou maar nooit gedaan...
Het is intussen al tijd geworden om naar huis te gaan. Maar eerst moet juf Monica nog wat zeggen. Ik zal zeggen wie er door gaat naar de selectie. Natuurlijk Laura!, zegt juf Monica. Kim, Shelley, Kiona en Rebecca naar de selectie, zegt juf Monica tenslotte. De vijf meisjes beginnen te juichen. Nu is Tamara helemaal jaloers! Maar jullie moeten jullie oefening wel goed blijven oefenen. Want overmorgen zijn de wedstrijden. Ik heb hier een papier waar jullie oefeningen op staan. Ze geeft de meisjes een vel papier. Als jullie willen mogen jullie morgen nog komen oefenen in de gymzaal. Want dan ben ik er ook, zegt juf Monica. Alle vijf de meisjes besluiten om morgen te gaan oefenen. Als Tamara naar huis wil gaan laat ze haar gymspullen staan. Laura pakt de gymtas op en loopt naar Tamara, die buiten net op haar fiets wil stappen. Tamara, je gymspullen roept Laura. Maar Tamara doet net of ze niks hoort en steekt haar tong uit. Wat bezielt haar denkt Laura.
Die nacht kan Laura niet slapen. Ze heeft hoofdpijn, buikpijn en denkt telkens dat ze moet overgeven. Tenslotte roept ze haar moeder. Zij, zegt dat ze morgen naar de dokter zullen gaan. De volgende ochtend als Tamara al in de klas zit komt meneer Beeksman de klas binnen lopen. Laura heeft een griepje, zegt hij. Tamara vindt het leuk voor haar. Ze lacht stiekem als niemand kijkt. s`Middags als ze moeten oefenen loopt Tamara de gymzaal binnen. Ze zegt dat Laura ziek is. Tamara wil weer weggaan maar juf Monica roept haar bij zich. Tamara, zou jij voor Laura willen turnen? Want we hebben zaterdag een wedstrijd. Natuurlijk, zegt Tamara. Dat vindt ze wel leuk! Ik zal even je moeder op bellen, of je mee mag doen. Want zo te horen aan jou is Laura erg ziek, en morgen is de wedstrijd al!, zegt juf Monica. De juf belt op en Tamara mag meedoen. Tamara moet haar makkelijke oefenstof doen. Het gaat best goed Tamara, maar zo goed als Laura kan jij nooit worden!, zegt juf Monica Tamara doet net of ze niks hoort en gaat gauw verder met haar oefening.
Het is zaterdagochtend en Tamara staat de douchen. Als ze uit de douche komt doet ze haar turnpakje aan, doet haar haren in een knotje en gaat aan de keukentafel zitten. Mam, zijn er nog broodjes?, vraagt ze. Ja, Tamara, maar schiet wel een beetje op, want over een uurtje moeten we weg naar Rotterdam, voor de wedstrijden. Hier is een beker thee en een eitje, eet maar lekker op. Ik ga ondertussen ook even douchen. Na een uurtje stappen Tamara en haar moeder in de auto en gaan op weg naar Rotterdam. Als ze er aan komen ziet ze haar vier clubgenootjes ook al staan. Ze gaan zich met z`n allen omkleden. Intussen gaan de moeders en vaders op de tribune zitten. Ik hoop dat we winnen, zegt Kiona. Ja, dat is nogal logisch en hè?, zegt Kim kattig. De meisjes worden opgeroepen om naar de gymzaal te gaan. Ze moeten eerst opmarcheren. Het groepje van Tamara, Kim, Rebecca, Shelley en Kiona moeten het eerst naar de mat. Tamara moet als laatste. Bij iedereen gaat het goed, alleen Rebecca vergeet een pasje. Dan moet Tamara. Er ligt een springplank. Ze wil net naar voren stappen om zich te presenteren, maar ze ziet de springplank niet en valt er BIJNA over. En nu maar hopen dat de jury het niet zag. Tamara vergeet een pasje en een koprol. Dan moeten ze naar de brug. Tamara moet ophurken maar ze haalt het net niet. Jammer. Ze mag het nog een keer proberen en dan haalt ze het gelukkig wel. Bij de balk valt ze er met de koprol vanaf. Gelukkig gaat alles bij de sprong goed. Goed zo meisjes, jullie hebben fantastisch geturnd!, zegt juf Monica. Maar die ene groep in die gele gympakjes is wel sterk hè?, zegt ze. Als we Laura erbij hadden gehad, wonnen we misschien nog wel. Tamara had het gehoord en keek boos voor zich uit.
Kom meisjes, zegt juf Monica, de prijsuitreiking begint. Wat kan je precies winnen?, juf Monica?, vraagt Shelley. Ik zal het nog een keer uitleggen, zegt juf Monica. Er zijn vijf groepen, en er zijn drie prijzen te winnen. En die prijzen zijn echte bekers. En iedereen krijgt na afloop een medaille en een diploma. De beste groep gaan ze filmen als ze turnen, en dat komt dan op tv. De tweede beste groep staat in de krant, en de derde beste groep kan je op internet zien. Ik denk wel dat we bij de eerste drie groepen zitten, zegt juf Monica. Maar eigenlijk denkt ze: Had ik Tamara nou maar nooit mee laten turnen. Ze doet een veel te makkelijke oefenstof en is niet zo goed. We zullen wel een vierde plek halen. Opeens klinkt er een zware stem door de gymzaal. De vierde plek is voor: Gymclub Pompirado uit Zwolle! de meisjes van de gymclub komen naar voren en nemen hun medaille`s en diploma`s aan. De derde plek is voor: Gymclub Rozenvliet uit Arnhem! Ook die meisjes komen naar voren om hun spulletjes op te halen. Ze worden ondervraagt en er worden foto`s gemaakt voor internet. Intussen zit gymclub de Koprol uit Amsterdam vol spanning te wachten. Zouden ze de tweede prijs hebben? Of zouden ze de vijfde of eerste prijs hebben? De tweede plek is voor: Gymclub HMS uit Utrecht! roept de man met de microfoon. Nu is de spanning echt te snijden. Zou gymclub de Koprol de eerste of vijfde prijs hebben? De vijfde prijs is voor: Gymclub de Koprol uit Amsterdam. De man, zegt er nog bij: Er is een meisje ziek geworden, en toen moest er een meisje invallen van een slechter niveau. Gymclub de Koprol loopt bedroefd het podium op en Tamara dacht: Nu hebben ze het toch nog over die rot Laura, maar ze maken mij belachelijk! Maar ze denkt ook: Eigenlijk komt het nu ook door mij dat we niet gewonnen hebben! Intussen hoorde de andere gymclub dat ze gewonnen hadden en zometeen werden er video opnames gemaakt voor de televisie.
Gymclub de Koprol gaat bedroefd naar huis. Tamara voelt zich schuldig. Ze vergelijken elkaars cijfers. En kijken wie de beste is. Zo was de uitslag: 1. Shelley 31.4 2. Rebecca. 30.8 3. Kiona 30.1 4. Kim 29, 8 5. Tamara 20, 0 Toen Tamara thuis kwam wilde ze gelijk naar Laura. Ze vertelde wat ze gedaan had. Laura zei dat ze het haar vergaf omdat echte vriendinnen dat deden. Tamara bleef nog even gezellig kletsen met Laura en ze vertelde dat de uitzending met de gewonnen gymclub De Maltha Stars volgende week zaterdag om 2 uur zou komen. Tamara zou het in ieder geval opnemen op video. Tamara bleef ook nog bij Laura pannenkoeken eten. Nu waren ze weer echte vriendinnen!
Werkelijk, het was zo romantisch," zei mijn moeder. Het was altijd mijn droom geweest om een sterdanser te worden. De kansen lagen wagenwijd open voor me, nu. Toen ik vijf was, had mijn moeder me naar dansles gebracht. Het duurde een paar weken voordat ik het werkelijk door had en dat ik het echt leuk begon te vinden. In de eerste paar jaren was het rustig en leuk. Maar na drie jaar werd ik in een hogere klas geplaatst. In de daaropvolgende jaren kreeg ik meerdere kanten van het dansen te zien. De beste instructeur van de dansschool gaf me les, omdat hij vond dat ik de moeite waard was om les te geven. Ik bleef het dansen leuk vinden, ook al moest ik vijf dagen per week, twee uur per dag doorbrengen in de dansschool. Het was veel, maar ik kon me helemaal uitleven. Als ik verdriet had, vrolijk of blij was, die gevoelens kon ik uiten in het dansen. Mijn instructeur paste zich aan mijn stemming aan; hij liet me een langzame dans doen als ik me verdrietig voelde. Of als ik vrolijk was, dan liet hij me een vrolijke, intensieve dans doen. Na de dansles was ik altijd zo moe en uitgeput, dat ik meteen ging slapen als ik thuis kwam. Toen ik elf was, kwam er een professionele danser bij de dansschool kijken op een open dag. Mijn instructeur had me gevraagd of ik op de open dag een paar keer wilde dansen. Een keer alleen, om te laten zien wat je allemaal kunt als je maar vroeg genoeg begint met dansen. Maar ook een keer samen met mijn instructeur en een keer met een grotere groep. Wat ik in de solo deed was een combinatie van streetdance, een soort van stijldansen, breakdance en verschillende buitenlandse stijlen. Afrikaans, Cubaans, Argentijns. Overal zat wel een inspiratiebron met een beweging die ik gebruikte voor de solo. De solo had ik samen met mijn instructeur tot in de details uitgewerkt. "Denk je weer aan de dag dat die professionele danser je ontdekte?" vroeg mijn moeder. Ze haalde me even uit mijn dromen weg. Ik knikte afwezig. "Echt, Daniëlle, je was op die dag zo goed. Je leek zo lekker in je vel te zitten, helemaal in je eigen wereld. Je danste de sterren van de hemel." "Mam.." protesteerde ik. Ik vond dat ik toen een paar punten had waar nog wel aan gewerkt moest worden. "Nee, echt. Je was super goed," viel ze me in de rede. Ik zuchtte. Misschien was ik wel goed. De professional was op het einde van de dag naar mij en mijn instructeur toegekomen met de vraag of ik misschien een keer mee wilde trainen met een nationale dansgroep. Mijn instructeur vond dat ik het moest doen, mijn moeder stond ook achter me. Dus een paar weken later zat ik bij mijn instructeur in de auto, samen met mijn moeder, om naar Utrecht te gaan, voor een training. De training beviel me, ook al was het een stuk vermoeiender en harder dan de lessen die ik altijd had gehad. De professional bood me een beurs aan. De beurs hield in dat ik gewone lessen kon volgen op een school in Utrecht, maar wel gecombineerd met vele, intensieve danstrainingen. Als ik werkelijk talent had, dan zou ik het wel tot nationaal, of misschien internationaal gezelschap. De school was een lyceum, dus een hoog niveau. Achteraf bleek dat geen probleem voor me. Ik moest er veel moeite voor doen om goede punten te halen, maar ik had een punt in zicht, dat ik wilde bereiken. Mijn moeder hielp me dat doel te bereiken door me zoveel mogelijk te stimuleren in mijn dansen. Ik had er dagen bij zitten dat ik helemaal geen zin had in dansen, maar dan herinnerde mijn moeder eraan dat ik misschien wel in het nationaal gezelschap zou worden opgenomen. Als ik maar bleef dansen. Dat herinnerde mij aan mijn droom om een professioneel danser te worden. Toen ik achttien was, werd ik opgenomen in het nationaal dansgezelschap. Ik had mijn diploma, volgde nog een andere dansopleiding, in combinatie met het trainen en optreden met het gezelschap. Ik werd bijna negentien, toen mijn moeder ineens openklapte over mijn vader. Mijn vader, een man die ik nooit had gekend, een man die ik alleen van foto's ken. Mijn moeder wilde er nooit over vertellen, maar nu ineens wel. Was het omdat ik op het punt stond om tot een internationaal dansgezelschap toegelaten te worden? "Daniëlle, ik vind echt dat je moet horen wat er met je vader is gebeurd. Wil je luisteren, zonder weg te zakken in je verleden? Ik weet dat je leven onstuimig is geweest en dat je dolgraag naar het internationaal gezelschap toe wilt. Ik hou je echt niet tegen, dat weet je. Maar, omdat je zo vaak naar je vader gevraagd hebt. Ik denk dat het tijd is om te vertellen wat je vader voor een man was en waarom hij niet hier is," zei mijn moeder, op een bijna fluisterende toon. Ik knikte. "Danny! Er is een brief voor je uit Londen, wil je dat ik de brief bij je koffer leg?" zei een van de andere dansers. Een leuke jongen van eenentwintig jaar oud. Door het hele gezelschap werd ik Danny genoemd. Het was een makkelijke afkorting, waarnaar ik luisterde. "Nee, geef maar. Ik maak hem zo open," zei ik. De danser gaf de brief aan mij. Ik keek mijn moeder weer aan. Ik wilde graag weten wie mijn vader was, wat voor een man hij was. Ik had het al zo vaak gevraagd, maar nooit wilde ze het vertellen. Maar nou, eindelijk wilde ze het wel uit de doeken doen.
"Het was in de zomer voor jouw geboorte. Ik was twintig jaar oud en ik ging voor de laatste keer met mijn ouders mee op vakantie. Dat jaar was het bestemming Balkan. Naar Kroatië. Ze zochten iets tussen Zadar en Split in. Mijn ouders reden altijd maar aan met hun vouwwagen en keken wel of ze ergens een plekje kregen. Mijn oudere broer ging met zijn vrienden op vakantie, dus ik had de achterbank voor mezelf. De reis duurde erg lang en we bleven een nacht in een hotel slapen, in het noorden van Kroatië. Dat jaar zouden we vier weken blijven. Een lange tijd, maar eindelijk een keer een kans om lang weg te blijven. In de eerste week bezochten we een hoop plaatsjes. In de tweede week ging ik de camping rondlopen en kwam wat mensen tegen met wie ik de rest van de vakantie door zou brengen. We gingen 's avonds uit en we kwamen in contact met een paar dansers. Ze hadden een paar keer een demonstratie gegeven op een van de uitgaansavonden. Meestal gingen ze na de demonstraties mee dansen met de grotere groepen die zich uit durfden te leven. Ik had al een jongen gezien, van mijn leeftijd, ook een danser, die ik erg aantrekkelijk vond. We hadden een paar keer oogcontact, maar het duurde een week voordat we echt contact hadden. Het klikte meteen tussen ons. Hij was zo romantisch. Hij bracht me terug naar de camping toen ik genoeg had van de avond. Het duurde een week voordat hij echte stappen ondernam, maar ik was al smoorverliefd op hem. Ik ging elke avond uit en we dansten de nacht door. Hij leerde me overdag ook te dansen, op een manier die ik nog niet kende. 's Avonds gingen we uit ons dak op de dansvloer. Er was een chemie tussen ons en iedereen om ons heen zag het. Pas een halve week voordat ik weer zou vertrekken voelden we dat het die avond ging gebeuren. Het was tot dan toe bij zoenen en strelen gebleven, maar die avond voelden we allebei dat we.." "Mam!" zei Daniëlle, "dat wil ik niet horen. Ik weet dat jullie het hebben gedaan, maar ik wil het niet horen. Dat is raar." "Nou, oké. Vooruit dan. Er had die hele dag al een soort spanning in de lucht gehangen en we waren heel bang dat er iets zou gebeuren. Toen we 's avonds na het dansen lagen uit te rusten, hoorde ik ineens vliegtuigen over ons heen vliegen. Het was al een week nadat die jongen en ik.. nou ja, je weet wel. Er ging een alarm af. Marko, zo heette de jongen, schoot overeind. Hij mompelde een paar woorden in het Kroatisch, die ik niet verstond. Ondanks dat Marko mij al een paar woorden Kroatisch had geleerd. Ik vroeg hem wat er mis was, maar hij schudde slechts zijn hoofd. Hij pakte mijn hand vast en trok me naar de camping terug. 'Je moet nu bij je ouders blijven. Je kan het beste zo snel mogelijk terug naar Nederland', zei hij tegen mij. We spraken voornamelijk Duits met elkaar. Engels was toen nog niet zo bekend in Kroatië. Toen ik net op de camping was, pakte Marko mij vast en kuste me, alsof het de laatste keer was dat hij me zou zien en aan zou raken. 'Ik moet nu gaan. Het gaat je goed, ik moet nu naar het basiskamp. Ik moet mijn landgenoten helpen. De oorlog is uitgebroken!' 'Wat?' vroeg ik. Ik wist niet eens dat er een oorlog dreigde, laat staan dat ik wist waarom er oorlog kwam. 'Oorlog? Waarom? Hoezo?' vroeg ik. 'Wij willen ons eigen land, we willen onafhankelijk worden. We horen nu bij Joegoslavië. We willen ons eigen Kroatië. Joegoslavië zal wel een tegenslag hebben geopend. Zij willen niet dat Kroatië onafhankelijk wordt. Ga naar je tent en ga zo snel mogelijk terug naar huis. Je wilt niet hier zijn!' 'Maar Marko..' 'Ga!' Marko draaide zich om en rende richting het centrum. Ik stond daar, verloren, terwijl ik hem nakeek. Zou ik hem ooit nog weerzien?
Op een boerenplaats in het Groningse Winsum - dichtbij Bedum - woonde eens een man die vreselijk gierig was. Oarend Cent noemden ze hem, en ik zal je eerst vertellen hoe hij aan die naam gekomen is.
Als het mogelijk was, bedroog hij zijn arbeiders met betalen. Hij gaf ze altijd een beetje te weinig. En zo had hij op een zaterdagavond weer eens een arbeider een cent te weinig gegeven. "Nou," zei hij, "zoals ik hem gezegd heb, het is haast niks. Maar hij belazert ons altijd en daarom zal hij vanaf nu Oarend Cent heten." En die naam heeft hij altijd gehouden.
Oarend Cent woonde alleen op een boerderij. Een huishoudster had hij niet, want die deden toch niks anders als eten en koffiedrinken, zei hij. Hij had in het dorp een oud vrouwtje opgescharreld, Grait. Kromme Grait was niet al te zindelijk, maar dat kon hem niks schelen: een beetje smerigheid daar was hij niet bang voor, en hij had Grait voor een paar centen - en daar was 't hem om te doen.
Grait maakte zijn boedeltje wat aan kant, en zijn vodden onderhield ze - voor zover als mogelijk was. En tegen de avond ging ze weer naar huis toe.
Als Oarend dan alleen achterbleef, ging hij stil bij 't vuur zitten. Maar een gewoon vuur van baggerturven met een houtje had hij niet. Hij had een heel stuk boom op de haard liggen. Dat was veel voordeliger dan in stukjes gehakt hout.
Zo zat hij daar weer op een zaterdagavond bij zijn smeulende boomstam met zijn voeten op het rooster te prakkiseren. Zijn arbeiders had hij weer voor een paar dubbeltjes bedonderd, zijn prak eten van de vorige dag had hij op, het koffieketeltje stond bij 't vuur.
En waar prakkiseerde hij nou over? Over zijn geld natuurlijk. 't Ging wel mooi vooruit, maar 't kon harder. Hij had wel 's gehoord, dat mensen zich aan Duvel verkochten. En dan kon je haast net zo veel geld krijgen als je hebben wilde. 't Kon hem niet veel schelen of Duvel zijn ziel had of niet! Zo zat hij daar met ogen dicht te soezen. Als ik maar eens met Ol-Vint aan de praat komen kon...
En nog voordat hij dat gedacht had, hoorde hij was gerommel. Hij deed zijn ogen wijd open: daar stond meneer voor hem! 't Was een man met een wit gezicht, rooie ogen, een puntbaard en... bokkenpoten. En hij zei: "Heb je een boodschap, Oarend?"
"Ja," zei Oarend. "Ik heb gehoord, jij koopt wel eens zielen en nou wil ik de mijne ook wel verkopen. Wat wil meneer er voor geven?"
Nou, ze hebben er lang en breed over gepraat, en op het laatste zijn ze 't eens geworden. Oarend zal een laars op zolder hangen en die zal nooit leeg zijn. En dan zal de duivel over zeven jaar zijn ziel halen. En toen ging hij weer verder.
Toen zat Oarend al weer te prakkiseren, hoe hij Ol-Vint het best kon verneuken. Hij zocht de grootste laars op die er was en sloeg de hak er onder vandaan! Hij hing hem op, en hij zette er een vaatje met kaf onder. Toen maakte hij zijn zolderdeur goed op slot. De volgende morgen was hij er al vroeg bij om te kijken of er wat in zat. Ja, verdomd! D'r was wat! De laars zat stikvol, en 't vaatje ook. 's Avonds was het weer net zo, niks als geld en goud. Toen dacht hij: "Nou moet ik oppassen, dat ze me niet bestelen."
En hij liet drie dikke grendels voor zijn deur maken, met nog een ijzeren balk er voor langs. Zo deed hij ook met de luiken. Op al zijn laden kwamen sterke sloten. Toen Grait dat zag, zei ze: "Mijn hemel, boer, wat heb je hier alles verzekerd!" - "Ja," zei Oarend, "er is zo'n rare kerel bij mij in huis geweest. Ik durf gewoon niet alleen meer te zijn." Dat duurde zo een hele tijd. Twee keer per dag haalde Oarend laars en vaatje leeg.
Maar op een avond was er niks in de laars. "Dat is vreselijk," zei Oarend. Maar in 't vat, dacht hij, daar zal nou alles wel in zitten. En hij aan 't graaien. Eerst vond hij helemaal niks, maar op het laatst toch nog een hard stukje. Hij rook er eens aan: 't stonk naar zwavel. Hij kneep er eens in, en… daar barstte het ding met een geweldige klap uit elkaar. Oarend zijn armen stonden in brand. 't Duurde maar even of de zolder brandde ook al, en in een ogenblik drongen vlammen aan alle kanten de schuur uit. Er was geen mens in de buurt die hem helpen kon in zijn ellende. 't Volk uit het dorp lag al lang op bed, zo laat was het al. Pas toen alles bijna afgebrand was, toen kwamen de eerste erbij. Ze konden niks meer doen.
Maar toen kwam er opeens een hele zware rookwolk. Daar kwam een raar lawaai uit, net of 't donderde. "Hoor," zeiden de mensen, 'dat is Duvel, die neemt Oarend mee." En 't is echt gebeurd, wat ik je zeg hoor!
Mpele, de antilope, woonde in hetzelfde dorp als Longanya, de kameleon. Op een mooie dag zat Mpele zomaar een beetje niets te doen voor zijn huisje. Terwijl hij bedacht dat het leven op zo'n dag als deze best wel draaglijk was, kwam zijn voltallige schoonfamilie het erf op. Door dat stomme gesoes had hij hen niet zien aankomen, en nu was het te laat om zich nog te verstoppen. Mpele kon zichzelf wel voor de kop slaan.
Met open armen ontving hij het gezelschap uitbundig: "Dierbare vrienden, wat een toevaI! Ik zat net te denken dat het al veel te lang geleden is dat we elkaar gezien hebben, en opeens staan jullie voor mijn neus. Het leven zit vol verrassingen, ha ha ha ha." Toen iedereen zat ging hij verder: "Alles goed? Is er nieuws? Kan ik jullie ergens mee helpen?" - "Tja," antwoordde zijn schoonvader, "nu je er zelf over begint. Ik heb een probleempje met iemand aan wie ik een slaaf schuldig ben. Hij heeft me een tijdje met rust gelaten, maar nu wil hij ineens dat ik hem die slaaf binnenkort teruggeef. Ik weet niet hoe ik dit moet oplossen, dus dacht ik: waarom gaan we niet eens praten met mijn schoonzoon Mpele? Een handige kerel als hij heeft altijd wel een goed ideetje."
"Daar zijn we nu eenmaal familie voor!" Mpele lachte hartelijk, terwijl hij inwendig kookte van radeloze woede. Hij voelde al wat er ging komen: zijn schoonvader zou hem om een slaaf vragen omdat hij wist dat Mpele hem volgens de tradities niets mocht weigeren. Maar waar moest hij een slaaf vandaan halen? Hij had helemaal geen slaaf. Krampachtig probeerde Mpele tijd te winnen: "Waarom laten we de harde realiteit niet even rusten? We zullen eerst de inwendige mens versterken. Ik zal een kip slachten. Dit wordt echt gezellig!"
Toen al het eten uit Mpeles voorraadkamer op was nam zijn schoonvader opnieuw het woord: "Ik kom nog even op die netelige kwestie terug, want de dag is al vergevorderd en we moeten voor donker thuis zijn." Mpele voelde zich overvallen en sprak: "Wat? Geen sprake van. Nu jullie hier toch zijn kunnen jullie fijn logeren." Zijn schoonvader stribbelde niet tegen, en weldra vlijde iedereen zich neer voor de nacht, behalve Mpele.
Het zweet parelde op zijn voorhoofd. Zijn geest was verward en hij zwierf doelloos door het dorp. Waar moest hij heen? Wie kon hem raad (of nog beter: een slaaf) geven? Natuurlijk, schoot hem plots te binnen, Longanya! Die goeie kameleon had hem nog nooit teleurgesteld. Een echte vriend. Dat hij daar niet eerder aan gedacht had!
De kameleon heette zijn vriend oprecht welkom. Mpele luchtte zijn hart en vertelde Longanya wat er van hem verwacht werd. "Maar waar moet ik voor morgenvroeg een slaaf vandaan halen? Jij bent mijn laatste kans, Longanya. Help me!" Longanya luisterde aandachtig naar de smeekbeden van zijn makker en overlegde met zijn vrouw wat hij moest doen. Ze sprak: "Mpele doet een beroep op jou. Je kan zijn vertrouwen niet beschamen. Geef hem je slaaf." Longanya keerde terug naar Mpele en zei: "Vriend antilope, ik geef je de enige slaaf die ik bezit. Ik reken er stellig op dat je me er binnenkort één terugbezorgt, want weldra zal ik hem nodig hebben."
"Mijn beste Longanya," juichte Mpele, "ik laat je niet in de steek. Zodra ik dat zootje schoonfamilie de deur heb uitgewerkt, bezorg ik je een nieuwe slaaf. Beloofd!" Moe maar tevreden wandelde onze vriend naar huis, en bij dageraad wuifde hij zijn schoonfamilie uit. Longanya's slaaf liep met de stoet mee.
Vele dagen later zat Longanya de kameleon een pijp te roken op zijn erf. Hij dacht aan de mooie praatjes van Mpele de antilope, die beloofd had dat hij na het vertrek van zijn schoonfamilie onverwijld een staaf zou teruggeven. Maar die rekel liet nog steeds op zich wachten. Longanya vond dat het allemaal erg begon te lijken op het verhaal van die mensen die een kip wilden bereiden, maar geen vuur hadden. Ze maakten ruzie over wie nou precies in het naburig dorp vuur moest halen. Uiteindelijk stelde de kip voor om zelf dan maar om vuur te gaan, maar ze kwam natuurlijk nooit meer terug.
Ondertussen had Mpele zich weer met het bestaan verzoend. Nu zijn schoonfamilie hém iets schuldig was, was de kans dat hij vanuit die hoek nog onverwacht bezoek zou krijgen bijzonder klein geworden. Telkens als hij Longanya ontmoette sprak hij: "Slaaf? Welke slaaf? O ja natuurlijk, die slaaf. Ik ben ermee bezig. Ik doe mijn best. Morgenavond kom ik bij je langs met die slaaf." Maar dat deed hij natuurlijk nooit.
Toen Longanya hem niet met rust liet, maakte de antilope zich vreselijk boos: "Ben je daar weer, ouwe zeurkous? Knettergek maak je me met je gezanik! Je vergalt mijn hele leven, man. Als je je slaaf wil zal je me toch eerst moeten inhalen." En weg was hij. Weer overlegde Longanya met zijn vrouw, en die was danig onder de indruk van deze ietwat overspannen reactie van de anders toch zo beminnelijke antilope. Waar moest Longanya de benen vinden om Mpele in te halen?
Longanya besloot een groot feest te geven met gierst en groenten en vooral veel vlees. Hij nodigde alle kameleons van de hele streek uit. Na de maaltijd vroeg hij even om hun aandacht. Daarop volgde het relaas, hoe hij zijn vriend Mpele uit de nood had geholpen door hem een slaaf te geven, en hoe zijn vertrouwen wreed geschonden werd. Toen Longanya uitgesproken was vroeg de meest eerbiedwaardige kameleon het woord: "Vriend Longanya, we hebben allemaal naar je leed geluisterd. Jouw verdriet is ons verdriet! We zullen er samen voor zorgen dat je je slaaf terugkrijgt. Breng een witte kip."
De oude kameleon plukte de kip en deelde de veren uit. "Iedereen die hier aanwezig is moet een witte veer op zijn kop dragen. Op een nacht dat de maan zich vertoont moet Longanya naar Mpeles erf gaan om de slaaf terug te vragen. Natuurlijk zal de schurk roepen: "Zie maar dat je me inhaalt!" Waar hij dan ook heen loopt zal hij op alle struiken, in het hoge gras en aan alle woudranden één van ons met een witte pluim op de kop in het maanlicht zien zitten. Hij zal telkens opnieuw denken dat het Longanya is."
Zo gezegd, zo gedaan. De volgende heldere nacht verspreidden de kameleons zich met een witte veer op de kop over de hele streek. Longanya stapte naar het erf van Mpele. Vol minachting sprak die: "Ik denk dat je me niet begrepen hebt, lelijkerd. Zie maar dat je me inhaalt!" en hij zoefde door de nacht. Toen hij ver genoeg dacht te zijn hield hij stil. Tot zijn verbijstering zag hij meteen een kameleon met een witte pluim op zijn kop. Die zei: "Wat die slaaf betreft..." Mpele nam weer de benen. Maar telkens als hij even op adem wilde komen zag hij een kameleon met een witte veer. Hij dook weg onder de struiken, verborg zich in het hoge gras, rende naar de woudrand, maar hij kon niet aan de kameleons ontkomen. En die arme Mpele dacht telkens dat het Longanya zelf was. Tegen de ochtend hijgde hij: "Okee, volg me naar het dorp. Ik geef je je slaaf terug."
En zo kreeg Longanya toch waar hij recht op had. Je moet op een maannacht maar eens een wandelingetje maken. Dan zal je Longanya's vrienden wel zien zitten.
"Zeg, weet je, als ik mijn Peter pijp, heeft hij altijd koude ballen." "Dat is grappig", zegt de tweede, "als ik dat bij mijn Dirk doe, is dat ook zo." "En jij", vragen ze aan de derde, "heeft jou Jeremy dat ook als je hem pijpt?"
"Euh, weet je dat ik dat nooit gedurft heb." "Oh jee meisje toch, jij bent niet goed wijs zeker? Als je dat niet doet, gaat hij het misschien wel bij een ander zoeken en dan enz enz..."
Zo gezegd zo gedaan, 's avonds verwent ze haar Jeremy eens goed door hem te pijpen. De volgende dag komt ze aan met een blauw oog.
"Ja", zegt ze, "ben ik hem aan het pijpen en in ene keer wordt hij kwaad en geeft hij me een knal op me oog." "Die is zeker gek geworden, waarom doet die nou zoiets?" "Ja weet ik het, ik zei hem nog, hey das gaaf, jouw ballen zijn warm wanneer ik je pijp, en die van Peter en Dirk niet."
Er was eens een kleine zwaluw, die in de herfst op weg was naar het warme zuiden. Hij was zijn vrienden onderweg kwijtgeraakt en vloog nu alleen verder. Op een avond rustte hij uit aan de voeten van een standbeeld, dat midden in een stad op een hoge zuil stond. Het was het beeld van een prins, helemaal met goud bedekt. De ogen waren van schitterende blauwe edelstenen en op het zwaard van de prins zat een rode robijn.
Voor de zwaluw was het echter belangrijker, dat hij daar boven op die zuil een veilig plekje had om uit te rusten. Hij stak zijn kop in zijn veren en wilde gaan slapen. Maar op dat ogenblik viel er een dikke druppel water op zijn rug.
Hij keek op naar de sterrenhemel en zei: "Wat vreemd! Er is geen wolk aan de hemel en toch regent het." Er viel nog een druppel en nog een. Nu vloog de zwaluw omhoog en ging op de schouder van de prins zitten. Daar zag hij dat de ogen van de prins vol met tranen stonden. En er stroomden tranen over zijn gouden wangen. "Wie ben je?" vroeg de zwaluw.
"Ik ben de gelukkige prins."
"Waarom huil je dan?" vroeg de zwaluw. "Je hebt me kletsnat gemaakt met je tranen."
"Toen ik nog leefde en het hart van een mens had, wist ik niet wat tranen waren," antwoordde de prins, "want ik woonde in een paleis waar geen verdriet werd toegelaten. Overdag speelde ik met mijn vrienden in de tuin en 's avonds dansten we in de grote zaal. Er was een hoge muur om de tuin heen en het kwam nooit bij me op om te vragen wat er achter die muur lag: alles om me heen was zo mooi. Mijn hovelingen noemden mij 'de gelukkige prins'. Zo leef de ik en zo stierf ik. Nu ik dood ben, hebben ze me hier zo hoog neergezet dat ik alle lelijkheid en ellende van mijn stad kan zien en al is mijn hart van lood gemaakt, toch kan ik niet anders dan huilen.
Daar ginds in een nauw straatje staat een armoedig huisje. Het raam staat open en ik zie een vrouw aan een tafel zitten. Haar gezicht is mager en haar handen zitten vol met prikken van de naald, want ze is naaister. Ze borduurt bloemen op de satijnen jurk van een rijke vrouw. Op het bed in een hoek van de kamer ligt haar zieke zoontje. Hij heeft koorts en vraagt om een sinaasappel. Maar zijn moeder heeft niets anders voor hem dan water en daarom huilt hij nu.
Kleine zwaluw, wil jij die naaister de robijn uit mijn zwaard brengen? Ik sta vast op mijn voetstuk en kan geen stap verzetten."
"Ik ben op weg naar het zuiden," zei de zwaluw, "ik moet vannacht uitrusten om morgen verder te vliegen."
"Wil je niet één nacht bij me blijven en mijn boodschapper zijn? De jongen is zo ziek en zijn moeder is zo verdrietig omdat ze haar zoon niet kan geven wat hij nodig heeft."
De zwaluw kreeg medelijden. "Het is hier erg koud," zei hij, "maar ik zal één nacht blijven en je boodschapper zijn."
"Dank je, kleine zwaluw," zei de prins.
De zwaluw pikte de rode robijn uit het zwaard van de prins en vloog ermee in zijn snavel over de daken van de stad. Hij kwam voorbij het paleis, vloog over de rivier en kwam even later bij het armoedige huisje. Hij keek naar binnen. De jongen lag koortsig te woelen in zijn bed. En de moeder was van moeheid met haar hoofd op de tafel in slaap gevallen.
De kleine vogel wipte het kamertje in en legde de rode robijn op de tafel naast het hoofd van de vrouw. Daarna vloog hij zachtjes rond het bed en wuifde het voorhoofd van de jongen met zijn vleugels koelte toe. "Wat heerlijk koel," fluisterde de jongen, "ik begin beter te worden." En hij viel in slaap.
De zwaluw vloog terug naar de gelukkige prins en vertelde hem wat hij had gedaan. "Vreemd," zei hij, "het is nog steeds koud, maar ik voel me warm van binnen."
"Dat komt doordat je mensen gelukkig hebt gemaakt," zei de prins.
De volgende morgen vloog de zwaluw naar de rivier en nam een bad. "Dat is een merkwaardig verschijnsel," zei een professor in de vogelkunde die juist over de brug liep, "een zwaluw in de winter!"
"Het water is koud," dacht de zwaluw en zijn verlangen naar een warm land werd heviger.
Hij vloog naar de prins om afscheid te nemen. "Och kleine zwaluw," zei de prins, "wil je niet nog één nacht bij me blijven? In de verte, aan de andere kant van de stad, zie ik een jongeman op een zolderkamertje zitten. Hij zit gebogen over een tafel vol met papieren. Hij moet een toneelstuk afmaken, maar hij kan niet meer schrijven van de kou en hij is zwak van de honger."
"Goed, ik blijf nog één nacht," zei de zwaluw, "moet ik hem ook een robijn brengen?"
"Een robijn heb ik niet meer," zei de prins, "maar mijn ogen zijn gemaakt van kostbare saffieren. Neem één van mijn ogen en breng die naar hem toe. Hij kan er eten en brandstof voor kopen en dan zijn stuk afmaken."
"Dat kan ik niet doen," zei de zwaluw en begon te huilen.
"Kleine zwaluw," zei de prins, "doe toch wat ik je vraag!"
En de zwaluw nam een oog van de prins en vloog ermee naar het zolderkamertje van de schrijver. Door een gat in het dak kon hij binnenkomen. De jongeman zat met zijn hoofd in zijn handen en hoorde de vogel niet. Maar toen hij opkeek zag hij de prachtige saffier op de tafel liggen. "Zou die komen van iemand die mijn werk waardeert?" dacht hij. "Nu kan ik mijn toneelstuk afmaken!"
Intussen vloog de zwaluw terug naar de prins. "Nu moet ik afscheid nemen," zei hij.
"Och, kleine zwaluw," zei de prins, "wil je nog één nacht bij me blijven?"
"Het is al winter," zei de zwaluw, "het zal wel gauw gaan sneeuwen. In Egypte schijnt de zon warm op de groene palmbomen. Daar wil ik mijn nest gaan bouwen. In de lente kom ik weer terug en neem dan twee edelstenen voor je mee, een robijn roder dan een rode roos en een saffier blauwer dan de blauwe zee."
"Beneden op het plein," zei de prins, "staat een meisje dat lucifers verkoopt. Ze heeft haar lucifers in de goot laten vallen waardoor ze nat zijn geworden. Ze kan ze nu niet meer verkopen en als ze zonder geld thuiskomt, zal haar vader haar slaan. Ze huilt en bibbert van de kou, want ze heeft geen schoenen of kousen aan en ook niets op haar hoofd. Neem met je snavel mijn andere oog eruit en geef het haar, dan zal haar vader haar niet slaan."
"Je andere oog kan ik er niet uithalen," zei de zwaluw, "dan zou je helemaal blind zijn!"
"Kleine zwaluw," zei de prins, "doe toch wat ik je vraag!" En de zwaluw nam het andere oog van de prins en vloog ermee naar beneden. Hij fladderde boven het meisje met de lucifers en liet de saffier op haar open hand vallen. "Wat een mooi stukje glas!" riep het meisje uit en ze holde lachend naar huis. De zwaluw vloog terug naar de prins.
"Nu ben je blind," zei hij, "en daarom blijf ik voorgoed bij je."
"Nee, kleine zwaluw," zei de prins, "jij moet naar Egypte."
"Ik zal altijd bij je blijven," zei de zwaluw en hij viel in slaap aan de voeten van de prins.
De volgende morgen ging hij op de schouder van de prins zitten en vertelde hem verhalen over wat hij had gezien in vreemde landen.
"Kleine zwaluw," zei de prins, "je vertelt me over wonderlijke dingen uit andere landen, maar vlieg nu over mijn stad en vertel me wat je daar ziet."
De zwaluw vloog over de grote stad en zag hoe de rijke mensen aten en dronken in hun mooie huizen, terwijl de bedelaars bij de poorten honger hadden. Hij vloog donkere stegen in en zag de witte gezichtjes van hongerende kinderen. Onder een brug lagen twee kleine jongens in elkaars armen om warm te blijven. De zwaluw vloog terug en vertelde de prins wat hij had gezien. "Ik ben bedekt met goud," zei de prins, "neem het stukje voor stukje van me af en geef bet aan de armen."
En de zwaluw deed wat de prins hem vroeg. Telkens vloog hij met een stukje bladgoud in zijn snavel naar de stegen waar de arme mensen woonden. En de gezichtjes van de kinderen kregen kleur, ze lachten en speelden op straat. "We hebben nu brood om te eten!" riepen ze. Maar de gelukkige prins werd langzamerhand helemaal grauw en grijs.
Toen kwam de sneeuw en het begon te vriezen. De kleine zwaluw kreeg het steeds kouder, maar hij wilde niet bij de prins weggaan, hij hield teveel van hem. Hij pikte kruimels op bij de deur van de bakker en probeerde warm te blijven door met zijn vleugels te slaan.
Maar tenslotte wist hij dat hij ging sterven. Hij had nog net genoeg kracht om nog één keer op de schouder van de prins te vliegen.
"Dag, lieve prins," fluisterde hij.
"Ik ben blij dat je eindelijk naar Egypte vertrekt, kleine zwaluw," zei de prins, "je bent hier al te lang gebleven."
"Ik ga niet naar Egypte," zei de zwaluw.
Hij streek met zijn kopje langs de grijze wang van de gelukkige prins en viel dood aan zijn voeten neer.
Op dat ogenblik klonk er een vreemd krakend geluid binnen in het standbeeld. Het hart van lood van de prins brak in tweeën. Het vroor dat het kraakte!
De volgende morgen liep de burgemeester op het plein en keek omhoog naar het standbeeld. "Wat ziet de gelukkige prins er armoedig uit!" zei hij. "De robijn is uit zijn zwaard gevallen, zijn ogen zijn weg en hij is niet meer verguld. Het lijkt wel een bedelaar." En hij gaf opdracht het standbeeld af te breken.
Het werd in de smeltoven van een gieterij gesmolten. Maar het loden hart wilde niet smelten in het vuur. Daarom werd het op een vuilnisbelt gegooid. Daar was ook de dode zwaluw met het vuil van het plein terecht gekomen.
Maar in de hemel zei God tegen één van Zijn engelen: "Breng mij de twee kostbaarste dingen van die stad." En de engel bracht Hem het hart van lood en de dode vogel. "Je hebt goed gekozen," zei God, "want deze kleine vogel zal in de tuin van mijn paradijs voor altijd zingen en de gelukkige prins zal in mijn gouden stad wonen."
Een man komt de kapper zaak binnen. Hij trekt zijn broek naar beneden. De kapper vraagt: "Waarom trek je je broek naar beneden? Waarop de man antwoord: "Op de deur staat: zak kammen fl1,00."
In Armenië leefden twee arme broers. Ze hadden zo weinig om van te leven dat ze het volgende afspraken: de ene broer zou de wereld intrekken en zich ergens als knecht verhuren, de andere broer zou thuisblijven en op huis en hof passen. Het was de jongste die thuis bleef. De oudste zwierf door de wereld tot hij in een onbekende landstreek een heer vond, die hem als knecht in dienst wilde nemen. Deze heer was erg rijk en bezat erg veel land. Hij zei tegen zijn nieuwe knecht: "Je kunt voor me werken tot het volgende voorjaar. Op één voorwaarde: Degene van ons die zich het eerst kwaad maakt op de ander, verliest aan de ander duizend roebel. Maak jij je kwaad op mij, dan heb ik duizend roebel verdiend. Verlies ik echter als eerste mijn geduld, dan ben ik jou duizend roebel schuldig."
"Duizend roebel? Zoveel geld zou ik nooit kunnen betalen," antwoordde de knecht.
"Dat hindert niet," zei de landheer. "In plaats van mij duizend roebel te betalen zouden we overeen kunnen komen dat je nog tien jaar bij me in dienst blijft zonder dat ik je daarvoor geld betaal."
Deze overeenkomst lokte de knecht in het begin weinig aan, maar dan dacht hij: wat kan me gebeuren? Als ik me nu eens heel vast voorneem me nooit kwaad te maken op mijn heer dan heb ik een kans duizend roebel rijker te worden. Ik doe het!
De volgende morgen stuurde de landheer zijn knecht naar het veld. "Neem de zeis mee," zei de landheer, "en maai zolang het licht is."
De knecht werkte de hele dag op het veld. 's Avonds kwam hij pas terug van het veld. Hij was doodmoe. Hij had honger en hij had slaap.
"Wat kom jij doen?" vroeg de landheer die hem opwachtte voor de ingang van zijn hoeve.
"Eten en slapen! De dag is voorbij."
"De dag is voorbij, zeker, maar het is buiten nog licht. Het is vannacht volle maan en zolang het licht is, zou je aan het werk blijven. Om te eten en te slapen kom je heus te vroeg."
"Wanneer moet ik dan eten en slapen?" vroeg de knecht en zijn stem klonk weinig vriendelijk.
"Ga je je kwaad maken?" vroeg de landheer met een lachje.
"Nee nee, ik maak me in geen geval kwaad... alleen wil ik zeggen dat ik doodmoe ben... dat ik omval van de honger..." Meer zei de knecht niet. Hij draaide zich om en ging terug naar het veld. Hij maaide tot de volle maan eindelijk verdween en de zon weer verscheen. Toen liet hij zich uitgeput in het gras vallen. "Laat hem barsten met zijn brood en zijn bed en zijn roebels," riep de knecht driftig.
Als bij toverslag stond zijn heer naast hem. "Wat hoor ik? Boze woordjes! Je bent kwaad op mij! Je weet wat we afgesproken hebben. Je betaalt me duizend roebel of je blijft tien jaar voor me werken zonder dat ik je loon betaal!"
De knecht begreep dat hij in de val was gelopen. Hij dacht er lang over na wat hij het beste zou kunnen doen. Tenslotte gaf hij de landheer een schuldbekentenis van duizend roebel en hij keerde, zwaar in de schuld, terug naar huis.
"Hoe is het gegaan?" wilde daar de jongste broer weten.
Dat vertelde de oudste broer hem naar waarheid. "Een mooie geschiedenis!" vond de jongste broer vrolijk. "Nu is het mijn beurt om de knecht te spelen en jij blijft fijn uitrusten hier in huis. Niet getreurd!"
De jongste broer reisde naar dezelfde rijke landheer aan wie zijn broer nog duizend roebel moest betalen. Ook deze nieuwe knecht stelde de rijke landheer voor: wie zich het eerste kwaad maakt, betaalt.
"Dat lijkt me een aardig plan," zei de jongste broer. "Alleen vind ik duizend roebel geen geweldig bedrag. Laten we er tweeduizend van maken."
"Mij best," zei de landheer. "Maak ik me het eerste kwaad, dan betaal ik jou tweeduizend roebeltjes. Maak jij je het eerste kwaad, dan werk je hier nog twintig jaartjes. Uitstekend! Dit spreken we dus af!"
De volgende dag merkte de landheer dat de nieuwe knecht nog lag te slapen terwijl de zon al hoog aan de hemel stond. "Opstaan!" riep hij dichtbij zijn gezicht. "Wakker worden! Het is al bijna middag en jij slaapt nog! Vooruit nou! Uit je bed!,"
"Uw stem klinkt toch niet kwaad?" vroeg de knecht geeuwend.
"Kwaad? Ik maak me niet kwaad!" antwoordde de landheer. "Ik wilde alleen even onder je aandacht brengen dat het zo zoetjes aan tijd wordt om naar het veld te gaan. Met het zeisje. Leuk maaien!"
"Ik kuier er straks wel eens heen," zei de knecht. "Nadat ik me wat heb opgefrist."
Hij stond op, waste zich op zijn gemak, kleedde zich traag aan.
"Maak wat voort, beste knecht! Je bent al erg laat!" zei de heer.
"Beter laat dan kwaad!" antwoordde de knecht goedgemutst.
"Kwaad? Je zult mij nooit kwaad zien!" lachte de heer. "Ik zou het alleen erg fijn vinden als je nu aan het werk gaat."
"O, dat is andere taal! Ik merk dat u aan onze overeenkomst denkt!"
De knecht treuzelde tot het middag was. "Loont het eigenlijk de moeite nog?" vroeg hij toen. "Zouden we eerst niet een hapje eten? Een stukje van het varken en een potje bier zouden er wel ingaan bij mij!"
De landheer zei niets. Hij dekte de tafel en samen met zijn knecht gebruikte hij de maaltijd die eigenlijk voor hem alleen bestemd was geweest. Toen alles op was zei de knecht: "Na een maaltijd in de noen kan men het best een dutje doen!"
Hij klom op een hooiberg en sliep tot de avond. Toen wekte de landheer hem met de volgende woorden: "Luister eens hier, het wordt me nu toch heus te dol met jou!"
De knecht keek hem uitgeslapen aan: "Boze woordjes? Nee toch!"
"Natuurlijk niet. Ik maak me niet kwaad. Ik vind alleen dat dit een dagje was dat weinig opleverde. Wat werk betreft, bedoel ik!"
"Morgen komt er weer een dag!" antwoordde de knecht. "Wie dan leeft, die dan zorgt. Vanavond ga ik eens vroeg onder de wol."
"Nee, je kan nog niet gaan slapen. Ik heb vanavond een gast. Ga naar de stal en slacht een schaap."
"Welk schaap?" vroeg de knecht.
"Het schaap dat je zelf het beste lijkt," zei de landheer.
De knecht kuierde in de richting van de stal. Even later kwam de buurman van de landheer opgewonden aanlopen. "Je knecht heeft zijn verstand verloren. Hij is bezig al je schapen af te slachten, de een na de ander!"
Zo snel zijn benen hem konden dragen, liep de landheer naar de schaapsstal. Hij zag dat zijn knecht nu ineens heel ijverig was geworden en in korte tijd alle schapen had geslacht. Nu kon de landheer onmogelijk vriendelijk blijven. Hij vloekte en raasde als een bezetene. "Vervloekte knecht! Idioot! Hersenloze pummel! Kijk wat je gedaan hebt! Moge de duivel je halen!"
"Wat heb ik verkeerd gedaan?" vroeg de knecht rustig. "U droeg mij op het schaap te slachten dat mij het beste leek. Dat heb ik gedaan en daar ben ik mee doorgegaan. Van de schapen die ik nog niet geslacht had, heb ik steeds weer het schaap dat me het beste leek geslacht. Ik begrijp werkelijk niet waarom u zich zo kwaad maakt."
"Kwaad? Ik ben helemaal niet kwaad. Ik vind het alleen een beetje vervelend dat ik nu geen enkel levend schaap meer heb."
"Dat went gauw genoeg!" zei de knecht. "Ik ben blij dat u niet kwaad bent. Kom, we praten er niet meer over."
Op deze manier hield de nieuwe knecht het maandenlang vol bij de rijke landheer en wat werkelijk bewondering verdient: ook de rijke landheer hield het al die tijd vol.
"Zodra het voorjaar is gekomen," zei de landheer vaak tegen zijn knecht, "zodra de eerste koekoek roept in het bos ben je vrij om te vertrekken. Onze overeenkomst eindigt in de lente, dat weet je."
Maar de winter was nog niet eens goed begonnen.
"Ik moet een list bedenken," vond de landheer in stilte. "Tot de koekoek roept houd ik het niet uit met deze schavuit. Ik zal met mijn vrouw naar het bos gaan en haar in de allerhoogste boom laten klimmen. Als ze dan tussen de takken zit, moet ze een paar keer krachtig "koekoek" roepen, terwijl ik met mijn knecht in de buurt wandel."
Die middag zei de landheer tegen zijn knecht: "Zullen wij samen eens de beentjes gaan strekken? Een wandeling in het bos is in dit jaargetijde een genot."
"Ik vind het geen gek idee," zei de knecht. "Ik wandel met u mee. Liever dan te werken als een os, wandel ik met mijn heer in 't bos!"
Toen ze langs de boom liepen waarin de vrouw van de landheer zich had verstopt, riep ze met heldere stem: "Koekoek - koekoek!"
"Wat hoor ik daar?" vroeg de landheer zijn knecht. "Een vroege koekoek. Dan is de lente in het land! Je tijd bij mij zit erop, beste kerel. Mijn gelukwensen en goede reis!"
De knecht had de list dadelijk doorzien. "Is dat geen zeldzaam verschijnsel?" zei hij verwonderd. "Een koekoek in de winter? Dat vogeltje wil ik wel eens van dichtbij zien."
Hij raapte een dikke tak van de grond en gooide die goedgemikt tegen de rug van de vrouw van de landheer. Nu kon de landheer zich niet langer bedwingen. Terwijl zijn vrouw uit de boom tuimelde, sprong hij met gebalde vuisten op zijn knecht af. Hij schreeuwde: "Nu is het genoeg, lelijke kwelduivel! Ik kan je wel wurgen! Je maakt me wanhopig en ziek! Ik heb er alles voor over om je te zien gaan."
"Aha, u maakt zich kwaad op mij!" zei de knecht.
"Ja, natuurlijk maak ik me kwaad. Ik kom er eerlijk voor uit. Ik ben kwaad, ik ben kwaad, ik ben kwaad! Ik zal je tweeduizend roebel betalen en als je daarna onmiddellijk opkrast doe je me een groot plezier."
Zo verdiende de knecht tweeduizend roebel. Hij betaalde de schuld van zijn broer en hield nog duizend roebel over. Met dat geld reisde hij terug naar huis. Daar vertelde hij alles aan zijn oudste broer en hij besloot met de woorden: "Toch was die landheer nog de kwaadste niet! Hij heeft gezorgd dat voor ons de kwade dagen voorgoed voorbij zijn!"
In een klein dorp in een land hier mijlenver vandaan woonden een vrouw en een man. De vrouw was stralend en mooi. Zij hield zielsveel van haar man, die Ilja heette. Ilja was groot en sterk en iedere dag hoedde hij een kudde schapen. Slechts één ding ontbrak aan hun geluk: een kindje. De vrouw, die Myrlena heette, verlangde er zo intens naar, dat zij aan niets anders meer kon denken.
De man, die haar liefhad, streelde elke avond haar lange gouden haren. Hij nam haar hoofd tussen zijn handen en kuste haar tranen weg. Maar het verlangen kon ook hij niet stillen. Op een dag vloog een wit duifje haar raam binnen. Met zijn kraaloogjes keek het Myrlena helder en pienter aan. Myrlena pakte het duifje op en drukte het tegen zich aan. Terwijl zij dit deed, viel een traan uit haar ogen en de glanzende druppel bleef aan de witte veren van het diertje hangen.
"Lief duifje, neem mijn verlangen mee naar de hemel, misschien kun je mijn voorspraak zijn, daarboven." Het duifje vloog weg en zij volgde het met haar ogen, totdat het nog maar een stipje was.
Ver de wolken voorbij vloog het hoger en hoger, totdat het de sfeer der beschermengelen en der kinderzielen bereikte. Nu was het duifje zo moe, dat het neerstreek en de traan die het al die tijd had meegedragen, gleed als een zilveren druppel van hem af. Die druppel bleef liggen in het zilte vocht en een dag later was hij opgedroogd en tot een korreltje zout geworden.
Op aarde, intussen, wachtte Myrlena. Nog elke avond streelde de man die haar liefhad haar gouden haren en kuste haar tranen weg. In de sfeer der engelen en kinderzielen bestond echter geen tijd.
Eens speelde daar een jongetje in datzelfde gouden licht. Zijn handjes raakten de korrel, die daar al vele dagen lang gelegen had. Als in een spiegel zag hij het gezicht van Myrlena voor zich en het verlangen verliet zijn kinderziel niet meer. Zijn beschermengel, die hem stilletjes gevolgd had, keek toe en nam de korrel van hem over. "Wil je gaan, mijn kind, en de lange, lange weg naar de aarde afdalen?"
"Ja, ja, ik smeek het u, ik verlang er zo naar weer terug te keren."
"Ik mag het je niet weigeren, maar eigenlijk is het nog te vroeg. Ga met mij mee, dan zal ik je wat laten zien," zei de engel.
Zij nam het kind in haar armen en vloog verder naar die sfeer waar de gouden levensdraden gesponnen werden. Daar zag het kind, dat later Illjosha zou heten, ook zijn eigen draad, die echter in vergelijking met de andere draden nog niet lang genoeg was.
"Elk kind op aarde is met een lange gouden levensdraad verbonden aan zijn beschermengel. Pas als de levensdraad helemaal af is, kan een kinderziel veilig afdalen naar de aarde. De enige bescherming die je van nu af bij je draagt, is de zoutkorrel. Zij kan slechts eenmaal uitkomst bieden."
Illjosha was echter vastbesloten.
De engel bracht hem tot aan de lijn die hemel en aarde van elkaar scheidde, de horizon. "Verder kan ik niet met je meegaan. Hier moeten wij afscheid nemen." Zij reikte hem de draad en de korrel aan en kuste hem zachtjes op het voorhoofd. Zij keek het jongetje na totdat hij volkomen uit haar beeld was verdwenen.
Illjosha bereikte nu de zoom van een uitgestrekt woud. Prachtige witte berkenbomen staken helder af tegen de blauwe lucht. Komende uit engelensferen had Illjosha nog altijd het bijzondere vermogen de taal der dieren te verstaan. Hij wist echter dat zijn bijzondere vermogens steeds zwakker zouden worden naarmate hij zijn doel zou naderen. Juist toen hij dit dacht, sprong een wit konijntje precies over zijn voeten. "Lief konijntje," vroeg Illjosha, "kun je mij ook zeggen van wie dit woud is?"
"Dit was ooit het woud van de witte eenhoorn," zei het konijntje treurig, "maar de eenhoorn is al sinds vele jaren betoverd en wordt gevangen gehouden door de reus Bobjenko. Niemand durft hem te bevechten. Hij staat bekend vanwege zijn vreselijke wreedheden en hij leeft in onmin met alles wat op aarde leeft en bloeit.
Het enige wat hem zou kunnen doden, is het zout der aarde, maar niemand in deze streken durft maar een korreltje in huis te hebben uit vrees te worden gedood.
Dit woud is trouwens zo gigantisch groot, dat bijna ieder mensenkind hier verdwaalt en daardoor onvermijdelijk in handen van de reus valt. Luister maar, als de wind gaat waaien, hoor je het gejammer van al diegenen die verdwaald zijn geraakt."
Illjosha's gezichtje was nog nooit zó vastbesloten geweest. "Lief konijntje, breng me naar deze duistere Bobjenko toe, ik zal hem verslaan."
"Maar dat kun je niet," riep het konijn bibberend uit.
"Kijk," zei Illjosha, en voorzichtig bracht hij zijn korreltje zout tevoorschijn. "Dit korreltje bevat zoveel verlangen, zoveel liefde en zoveel verdriet, dat het het symbool van het leven zelf is. Het is het leven gevende zout der aarde."
Nu aarzelde het konijntje geen moment meer en na een dagenlange zwerftocht bereikten ze het kasteel van de reus.
Bobjenko kwam juist terug van een strooptocht door het woud en alleen al bij elke stap doodde hij honderden kleine dieren. Een vreselijke stank kwam Illjosha tegemoet van dood en verval en lange tijd wachtten zij, totdat de slaap hem zou overmannen. Het leek uren te duren, maar eindelijk, na een stinkend galgemaal genuttigd te hebben, viel Bobjenko geeuwend en schreeuwend in slaap. Zijn afschuwelijke mond hing half open en insecten kropen dan ook in en uit. Illjosha moest zich wagen tot dicht bij het gezicht van de reus, om uiteindelijk met een soort van katapult het zout in de mond van de reus te schieten. Het lukte…
Op het moment dat Illjosha gelukkig raak geschoten had, kwam Bobjenko overeind. Zijn ogen sperden zich wijd open en gaapten Illjosha aan. "Ik verscheur je," brulde hij. Zijn handen omklemden Illjosha, maar het zout deed zijn werk en machteloos begon hij te krimpen en te krimpen totdat er helemaal niets meer over was.
Illjosha en het konijntje waren zo opgelucht en blij, dat zij samen een rondedansje van vreugde maakten. Toen Illjosha het konijntje weer op de grond zette, hoorde hij plotseling een geluid dat hem op een wat vage manier toch bekend voorkwam. Het getrappel van hoeven, kon het dat zijn? Hij legde zijn oor tegen de grond en wachtte. Het geluid kwam dichter- en dichterbij.
Voor hem verscheen een wonderschone eenhoorn. Het was of zilveren licht hem omstraalde en diep boog hij voor Illjosha. "Ik ben je dienaar, Illjosha. Altijd heb ik geweten dat een ziel uit de sferen der engelen en kinderen de wrede betovering zou doorbreken. Het tijdstip echter wist ik niet. Nu is het mijn beurt om jou verder te geleiden! Tracht je bewustzijn helder te houden, het doel van de reis komt naderbij."
Illjosha klom op de rug van de eenhoorn en zei het konijntje vaarwel. Sneller dan de wind joegen zij door het woud, verder en verder, totdat ze bij de oever van een meer kwamen. Ook de eenhoorn moest afscheid nemen van Illjosha. Hij was treurig, omdat hij zo graag verder had willen gaan en de kleine jongen had willen beschermen. "Lieve Illjosha, alsjeblieft, hou je bewustzijn helder als het kabbelende water en vergeet de gouden draad niet." Illjosha beloofde het en zei de eenhoorn vaarwel.
Nog wat verdrietig zat hij op het gras aan de oever van het meer. Hij kon alleen maar wachten totdat er een visser kwam om hem over te varen. Uur na uur verstreek, totdat eindelijk een oude man hem kwam ophalen. Het werd al donker en hoe Illjosha ook worstelde om zijn bewustzijn helder te houden, ten slotte vielen zijn oogjes toe. Hij droomde dat hij dreef in helder kabbelend water. Het was licht en ontspannen om hem heen totdat… O! De gouden draad. Ik ga hem verliezen, dacht hij nog. Een soort storm leek op te steken om hem heen. Hij wist nog dat hij zijn ogen open wilde doen, maar het lukte hem niet. Door een donkere tunnel ging hij en toen…
Veel licht, stemmen en verwarring. Verbaasd hoort hij dat er een geluid uit hem voortkomt dat hij nog niet kende. Dan is er warmte, twee handen die hem vasthouden, hem koesteren. Een stroom van liefde vloeit door die handen. Hij herkent het gezicht, dat hem toelachte op het moment dat hij het korreltje zout in handen hield. Het is het gezicht van Myrlena met de ogen van zijn beschermengel. "Wij noemen hem Illjosha," hoort hij zeggen.
En nog elke avond streelt de man die Myrlena liefheeft, haar gouden haren en kust haar tranen weg, maar weet je dat je ook kunt huilen omdat je zo gelukkig bent…
(In de woonkamer) Britney: Waarom moesten we dringend naar beneden komen? Papa: Omdat ik jullie aan iemand wil voorstellen, kids dit is Miranda jullie nieuwe moeder. Miranda: HOI... Thijs: Hoor ik dat nou goed, nieuwe moeder? Maria en Marie: Ze lijkt me wel leuk. Miranda: waar moet ik mijn koffers zetten? Papa: Kevin breng haar koffers naar mijn kamer. Miranda: (Trekt haar jas uit) Thijs: (Brengt haar koffers naar boven) Britney: Ik ga mee met je. (Boven) Thijs: Vind jij dat niet raar van papa? Britney: Ja, en na een week is het direct uit met haar en dan zoekt ie een ander. Thijs: Echt een player. Britney: JA, je hebt gelijk. En ik zie die vrouw ook niet zo zitten. Thijs: Wat gaan we doen? Britney: Vader moet haar niet uit het huis zetten wij zetten haar uit het huis? Thijs: Hoezo? Britney: Kom op, ik maak een plan in mijn kamer. (Even later in de woonkamer) Miranda: Zo schattig, zijn dat de tweelingen waar je het over had? Papa: JA, Maria en Marie. Miranda: Mooi, huis?Heb je dit alleen betaald? Papa: Ja, in dat ander huis woon mijn ex-vrouw. Waar gaan jullie heen? Britney: Naar de keuken we hebben veel honger. Papa: Maar we eten pas om 5 uur. Thijs: Mogen we geen boterhammetje eten ofzo? Miranda: Kom op, ze hebben honger. Papa: Oké, een boterham. Thijs en Britney: (rennen naar de keuken) Britney: Kom doe lijm op deze stoel. Thijs: (Doet lijm op die stoel) Britney: Haar kont zal plakken en kleven. Thijs: Is dat niet gemeen? Britney: Dat is niet gemeen dat is lief. Thijs: Oké. (even later in de keuken) Miranda: Smakelijk eten. Iedereen: Dank je wel. Papa: Ga jij niet mee-eten? Miranda: Jawel, hoor. Thijs: Je mag op die stoel zitten. Miranda: (zit en begint te eten)OW, ik ben een zout vergeten. (staat op maar dat lukt niet) Papa: Alles goed, schat? Miranda: JA, maar ik zit vast aan deze stoel. Papa: Ik zal wel helpen. Marie: Ik ook. Maria: Ik ook. Papa: Wat staan jullie daar met die stomme blik te kijken help mee! KRRSS! Miranda: Kan iemand een handdoek voor me nemen? Maria: (geeft een handdoek aan Miranda) Miranda: (Bedekt haar achterwerk en gaat naar de kamer) (in de kamer) Miranda: (Doet haar broek uit)Gelukkig is mijn string niet vies. (Doet een ander broek aan) (In de keuken) Britney: Plan een is gelukt. Papa: Dit is zeker een plan van jullie, hé? Thijs: Nee Papa: NU NAAR JULLIE KAMER!SNEL! (In Britney's kamer) Britney: (Huilt) (Even later) Miranda: (gaat naar Britney's kamer) Je vader heeft me alles vertelt. Ik weet dat ie snel boos kan zijn. Maar ik heb het ook niet fijn dat jullie me niet graag hebben. Britney: Maar jij doet me denken aan me moeder ze is een liefe vrouw zoals jij en had dezelfde huidskleur zoals jij. Miranda: Doe dan net alsof ik je moeder ben, oké? Britney: Oké. (Knuffelen elkaar) Britney: Kom op, we gaan naar high school musical 1,2,3 kijken. Britney: Heb je al met men broer gepraat? Miranda: Neen, die ging praten met zijn vader. Britney: Je bent echt een toffe moeder, mam. Miranda: Dankje.
Er komt een vrouw bij de dokter en zegt dokter: "Ik heb een zwarte streep bij mijn poes." Zegt de dokter: "Doe je broek en je slipje maar even uit." De vrouw kleedt zich uit en de dokter bekijkt het. Zegt de dokter ineens: "mag ik u wat vragen?" "Ja", zegt de vrouw. "Wat voor beroep heeft u man eigenlijk?" Waarop de vrouw antwoord: "Bouwvakker." "Nou", zegt de dokter, "als hij je nu eens weer beft, laat hem dan zijn potlood achter zijn oor weghalen."
Melissa zit op haar kamer met haar mobieltje in haar hand. Wat moet ze hier nou weer mee? Dave, de allerleukste jongen van de hele school heeft haar mee uitgevraagd terwijl hij met haar allerbeste vriendin verkering heeft. Melissa zucht, natuurlijk wil ze wel met Dave mee maar als Romy er achter komt.. Melissa zucht, wat moet ze doen? Niet antwoorden? Of wel? Dave.. Met zijn mosgroenige ogen en zijn donker bruine krullen.. Ze moet de knoop nu doorhakken voor Dave drek opbelt, Melissa zucht. Romy komt er toch niet achter! Die avond fiets Melissa met een raar gevoel in haar maag naar het park waar ze met Dave had afgesproken. Melissa hoort stemmen in haar hoofd galmen, waarom ga je? Gaan, ga ervoor! En Romy dan..? Melissa zet haar fiets bij de drogist op slot en kijkt het park in, daar is hij. Hij zit al op haar te wachten op een bankje. Het is een beetje schemerig maar toch weet Melissa zeker dat hij het is. Melissa loopt langzaam het park in en schrikt van een warme hand op haar schouder, het is Dave! Maar wie zit er dan op het bankje? Ach ja, wat maakt het ook uit! ‘Hey, je bent toch gekomen’ Melissa knikt verlegen en word rood ‘Ja’ piept ze zachtjes. ‘Ik ben blij dat je gekomen bent Melissa’ Dave lacht en duwt haar voor zich uit en laat haar op een bankje zitten. ‘Ik vind je leuk, al een tijdje lang! Ik bewonder je tekenkunst bij vak, en ik bewonder je mooie haren ook nog en je mooie zeegroenige ogen..’ Melissa voelt zich speciaal en lacht ‘Ach ja, tekenen is niet zo moeilijk’ ‘Nou als je mijn tekenkunsten vergelijkt met die van jou!’ Dave slaat een arm om haar heen en lacht. ‘En Romy dan?’ Melissa kijkt Dave aan ‘Ach Romy, Romy kan de pot op. Op elk potje past maar een deksel en jij bent mijn deksel. Romy is met de blikopener vervangen door jou Melissa, maak je niet druk..’ Melissa zucht. Hij vind haar gewoon leuker dan Romy! na 2 weken is het dik aan met Melissa en Dave en Romy is niet boos op Melissa, want stiekem was Romy al verliefd op de broer van Dave, Timo. Love and a Happy end
Dokter Jan heeft sex gehad met één van zijn patienten en hij voelde zich al de hele dag schuldig. Het maakte niet uit hoeveel hij probeerde om het te vergeten, hij vergat het gewoon niet. Zijn schuldgevoelens waren gewoon te groot. Maar, af en toe hoorde hij een stemmetje in zijn hoofd dat probeerde die schuldgevoelens kwijt te raken: "Jan, maak je geen zorgen! Je ben niet de eerste dokter die met zijn patienten sex heeft en je zal ook niet de laatste zijn. Je ben nog vrijgezel ook! Laat het maar gaan!" Maar toen hoorde hij altijd weer dat 2e stemmetje dat hem terug in de realiteit schopte: "Jan...... je bent een dierenarts......."
Jip en Pim zijn opzoek naar de gene die de robots bestuurt, ze kijken in alle boeken die ze maar kunnen vinden.En plots vinden ze hem, het is:Kees Verraad. En hij woont in Den Haag ,daar wonen Pim en Jip ook.Daar komen de robots,(want ze zitten nog steeds in de cel)ze komen eten brengen. Jip pakt de robot slaat hem neer en pakt de sleutels.Doet de deur los,en ontsnapt samen met Pim.Ze hebben al een plan om te zorgen dat de mensen weer de baas worden: want ze gaan naar Kees verraad ,om hem te bespioneren. Eindelijk bij hem aangekomen zoeken ze een plek om hem te bespioneren.Ze hebben een plekje voor het raam maar kunnen hem niet zien. Ze wachten nou al een uur en krijgen al een beetje honger. Ze besluiten dat Jip even wat bessen gaat plukken en dat Pim op de wacht blijft.toen Jip nog maar een minuut weg was zag Pim dat er een deur los ging in het huis en hij ziet Kees Verraad.hij pakt wat eten uit zijn kast. Alleen hij mag uit zijn stoel komen. Een tijdje later komt Jip weer terug.Met wel 50 bessen. Jip krijgt er 25 en Pim ook.Pim heeft inmiddels al gezegd wat hij kwam doen,en nu Kees zijn eten op heeft gaat hij weer weg doet de deur los en weer dicht.Nu horen Pim en Jip dat hij een trap afgaat, en ze zeggen tegelijk hij werkt in de kelder! Nu gaan ze samen op zoek of er een raam bij de kelder is,al snel hebben ze beet.Er zet een klein raampje vlak boven de grond, en ze hebben nog meer geluk want ze zien dat Kees helemaal aan de andere kant va de kelder zit achter zijn pc. Ze hebben hulp nodig maar wie? Pim komt met een idee. Ze zorgen dat iedereen uit deze straat met hun meekomt. Ze bellen bij elk huis aan slaan de robots die open doen neer mat een stuk ijzer, en vragen of iedereen in de straat meekomt.Ze hebben nu al 20 man en gaan op Kees af.Ze slaan alle ramen stuk en gaan op de kelder af. Kees die al doorheeft dat ze hem willen pakken stuurt alle robots uit de hele omgeving op ze af. Ze kunnen pas na 10 minuten zijn,maar intussen heeft Kees de deur dicht gedaan en hij verstopt zich, in een geheim luik. De hele bende van 20 man beukt de deur los en gaat binnen.Ze zoeken in alle hokjes en gaten, maar ze kunnen hem niet vinden. Jip en Pim weten toch zeker dat hij zich hier verstopt. Maar ineens komen de robots binnen. Iedereen die ze kunnen pakken,pakken ze. Pim en Jip proberen te ontsnappen, maar ze krijgen Pim te pakken. Jip kon nog net ontsnappen, hij rende weg naar de straat toe. Toen hij op veilige afstand was keek hij om en zag dat er tien hovercrafts weg vliegen,en in een zat Pim. Vastgebonden met een touw, Jip ging er achter aan. Maar na 200 meter was hij al moe maar er stond een hovercraft met het sleuteltje er in, en ging met de hovercraft weg. De boeven gaan Wassenaar, Jip ging snel achter ze aan. Toen ze in Wassenaar waren gingen ze een oud schuurtje binnen. Toen ze binnen waren bonden ze Pim vast. Op een houten stoel, en de rest brachten ze naar de kelder. Jip zat achter een raampje te kijken Jip zag alles gebeuren maar kon niets doen, hij zat maar te denken wat kan ik nou doen om hem te bevrijden? En plots kreeg hij een idee, hij zag naast zich een schep staan. En dacht als ik met de schep nou een gat graaf naar de mensen in de kelder, dan bevrijd hij ze en met hun overmeesterd hij dan de boeven. Dus dat ging hij doen, na een tijdje kwam hij bij de kelder. Met zijn schep maakte hij een gat in de muur, zo stil mogelijk natuurlijk. Toen hij bij de kelder kwam zag hij dat de kelder niet eens zo diep was. Je moest er gewoon bukken, en alle mensen lagen vastgebonden op de grond. Hij bevrijde ze met het mes dat hij toevallig op zak had, zij dat ze zo stil mogelijk moesten zijn. Hij nam ze mee door het gat in de muur. Toen keek Jip of er veel robots bij Kees waren. Het waren er gelukkig maar twee. Iedereen ging er heel stil op af beukte de deur in gooide de ramen in en op naar binnen. Sloegen de robots neer, maakten Pim vrij, pakten Kees bonden hem vast en namen hem mee. Ze gingen met de hovercrafts weer terug naar Den Haag. Daar gingen ze naar Kees zijn huis, en zeiden ze dat hij alle robots moest vernietigen met zijn computer. Kees zei dat hij het ging, doen maar in plaats van dat hij ze ging slopen haalde hij ze hierheen. De eerste robots kwamen al binnen, ze grepen iedereen die ze maar konden pakken. Jip zij dit is de tweede keer dat hij ons te slim af is. Jip en Pim renden snel naar de hovercrafts en vlogen weg. Toen ze hoog in de lucht waren zagen ze al weer nieuwe robots komen. Ze bleven een tijdje boven het huis zweven en zagen dat de robots alle mensen naar de gevangenis brachten. Ze wouden er wat aan doen maar konden niks, ze zaten maar te denken wat ze konden doen. En opeens had Pim een idee, hij zag een knop op de hovercraft waar op stond fire. Hij drukte erop en er kwam opeens een groot kanon te voorschijn waarmee ze konden richten. Ze richten op de gevangenis waarop alle robots een signaal kregen van ontploffen. Alle mensen waren weer vrij en gingen hun huizen binnen. Iedereen was blij want alle robots zijn stuk, maar opeens kwamen alle robots weer tot leven nog erger en sterker dan eerst. Kees had een weer opbouw systeem in ze gebouwd, en stuurde ze allemaal op de mensen af. De mensen gingen snel naar hun kelders en daar gingen ze zitten. De robots konden de mensen niet meer vinden want ze kunnen niet in het donker kijken. Alle robots gingen naar de baas toe, Kees gaf alle robots die er zijn de opdracht een leger te vormen en iedereen gevangen te nemen. Pim en Jip gingen snel naar een televisie bedrijf waar ze alle werkrobots neer sloegen. En gingen snel zelf een programma maken. Waarop ze zeiden: “Kees Veraad de baas van alle robots wil de wereld veroveren met robots. Zie je een robot sla hem dan neer met een ijzeren voorwerp. En verstop je in het donker de robots kunnen niet zien in het donker, maar misschien wel als het een nieuwe robot is,,. Pim en Jip gaan naar de fabriek waar ze de robots maken. Maar de brandstof van de hovercraft is op. Ze gingen maar lopend naar een tankstation toe, gelukkig is het maar een paar straten verderop. Eenmaal daar slaan ze de robots neer. En tanken snel wat nivrotraat dat is de brandstof die ze in 2116 hebben. En pakken nog een vat waar brandstof in kan voor als ze weer met pech staan. Snel rennen ze naar de hovercraft toe. Onderweg komen ze een vier robots tegen, ze verstoppen zich snel. Als de robots vlak langs hun komen slaat Jip de robots neer met de onderkant van zijn zakmes. Jip maakt ook met zijn zakmes waar een schroevendraaier op zit de uzi los voor onderweg denkt hij. Snel gaan ze door met rennen. Als ze er zijn vliegen ze snel naar de fabriek toe. Ze zien dat de fabriek goed wordt bewaakt. Er staan 6 bewakers voor de deur. Ze landen op het dak, want ze zien een dakraam. Daar kunnen ze door naar binnen. Nu ze op het dak staan kijkt Jip naar binnen hoe het eruit ziet, hij ziet heel veel robots staan. En er zit een rek onder het dakraam daar kunnen ze op gaan staan, ze klimmen naar binnen. Jip pakt de uzi en begint te schieten net toen hij er vijf had neergeschoten, ging er een alarm af. De bewakers kwamen naar binnen. Gelijk toen ze binnen waren zagen ze Pim en Jip,ze begonnen te schieten op Pim en Jip. Jip dacht snel naar de voordeur daar zijn geen bewakers meer. Toen ze er waren zagen ze er nog een staan ze schoten hem neer, pakten het wapen en verstopten zich. Nu hebben ze allebei een wapen, opeens kwamen de robots naar buiten. Pim en Jip begonnen gelijk te schieten. Een kogel van de robots vloog rakelings over Pim heen, Naar een paar tellen lagen alle robots stuk op de grond. Jip en Pim pakten snel nieuwe wapens en kogels ze hadden sterke wapens 2 magnums 2000. Snel gingen Jip en Pim naar binnen ze schoten op alles wat los of vast zat. Na een kwartier stond er niks meer overeind. De robot productie is gestopt nou nog alle robots hele robots op de wereld vernietigen. Jip en Pim gingen snel iedereen vragen of ze mee wouden helpen. Toen ze een hele grote groep hadden dacht Jip we hebben geen wapens. Pim dacht bij het leger van vroeger in Utrecht, zijn nog veel wapens als we daar naar toe gaan heeft iedereen een wapen, toen ze er na twee uur lopen waren zagen ze twee robots het terrein bewaken. Jip en Pim begonnen op de robots te schieten ze vielen neer, Jip maakte snel de wapens los en gaf ze aan de mensen. Toen gingen ze snel naar binnen. Bijna alle wapens zaten onder het stof, maar er waren er nog wel wat die het deden. Iedereen nam tassen vol kogels mee. Toen iedereen klaar was gingen ze op weg naar Kees, maar net toen ze buiten kwamen zagen ze een stuk of honderd robots. Ze hebben vast een seintje van de neergeschoten robots gekregen. Iedereen ging snel beschutting zoeken, iedereen schoot maar in het rond in de hoop een robot geraakt te hebben. Na vijf minuten lagen alle robots stuk op de grond. Een iemand van de groep was geraakt de kogel raakte net een stukje van de schouder. Gelukkig heeft Pim altijd bisterpleisters bij zich, dat zijn pleisters in 2116, die kan Pim op de wond doen dan geneest het meteen. Nu kunnen we verder trekken zegt Jip, iedereen staat op en begint te lopen op naar Den Haag zegt Pim. Na twee en een half uur zijn ze er nu naar Kees zijn huis onderweg zijn ze al tien groepen robots tegengekomen. Nu ze bij Kees zijn zien ze een hele grote groep robots, iedereen van de groep zoekt snel een schuilplaats en begint te schieten. Maar als de robots uit mekaar liggen blijven ze gewoon schieten, het is vast een nieuwe versie die per radar met de delen verbonden is met mekaar. Die kun je alleen slopen door op de zelf vernietigings knop op de rug te drukken. Pim probeerde daarom bij de robots te komen, maar hij werd gepakt daarom dacht Jip nou is het menens. Hij ging er ook op af en de een na de ander explodeerde, doordat Jip op de knop drukte. Nu kwam hij bij de robot die Pim heeft te pakken gekregen, dat was een nog een oude versie die je alleen stuk kon krijgen door op te schieten. Maar als ze dat deden werd Pim ook geraakt, de robot ging er toen met Pim vandoor maar niemand kon wat doen nou. Jip wel hij ging eropaf en tekkelde de robot en nam snel Pim mee toen ze een paar meter van de robot af waren begon iedereen te schieten. Daar lag de robot maar opeens kwamen van achteren nog veel meer robots, iedereen ging snel bij Kees naar binnen. Maar Kees was er niet Kees is er vandoor nou kunnen we niks beginnen hij heeft ons ontdekt, en alle robots op ons afgestuurd. Jip heeft een plan, als we in het huis nou schuil plekken maken kunnen we ons daarachter verbergen en schieten. Iedereen zocht een plek, voor het raam of in de kelder, onder een stoel. Toen kwamen de robots binnen Pim en Jip die voor de deur lagen begonnen meteen te schieten, na een tijdje kon je niet meer door de deur want er lag een grote bult robots voor die allemaal neergeschoten waren. De robots zochten andere plekken om binnen te komen, sommigen kwamen naar boven door tegen de muur op te klimmen, anderen vlogen met een raket motor naar binnen. Maar geen een robot slaagde erin om binnen te komen, elke poging mislukt. Toen gaf Kees de robots de opdracht het huis te omsingelen, en te zorgen dat de genen die in het huis zijn verhongeren. Toen Pim en Jip zagen dat het huis omsingeld was hadden ze gelijk al door wat er gaande was, toen bedachten ze een plan. Naar buiten schieten kon natuurlijk niet dan werd je meteen neergeschoten. Maar Jip had een ander plan als ze de muur stukslaan die tussen het huis van Kees en het huis ernaast was, dan konden ze in het huis dat ernaast stond, toen ze daar kwamen stuurden ze twee man, en die groeven dan een kuil naar een andere straat met turbo scheppen, dat zijn scheppen die snel en uit zich zelf graven. Je hoeft ze alleen te programmeren. Die twee man moeten goed met zulke scheppen om kunnen gaan. Nou dat deden ze na een paar uur was de kuil klaar. Toen gingen ze snel naar de andere straat, eenmaal aangekomen gingen ze snel op zoek naar Kees. Pim had gelijk al een idee waar die was, misschien bij de robotfabriek die wij gestopt hebben. Pim vond het een goed idee dus gingen ze er naar toe, toen ze bij de fabriek waren aangekomen hadden ze wel degelijk door dat Kees er was. Er stond allemaal bewaking, iedereen zocht een plekje en begon te schieten. Elke robot werd stukgeschoten, toen het zover was kwamen veel mensen bij Pim en Jip ze zeiden: “ onze kogels zijn op dus moesten ze snel nieuwe halen. De genen die nog veel kogels hebben moesten hier blijven en de fabriek bewaken samen met Pim. Jip ging er met de anderen naar het legerkamp. Maar intussen bij Pim kwamen er een stuk of honderd robots buiten, gestuurd door Kees. Pim was maar met 75 man. En het liep al snel uit de hand, de robots kregen Pim te pakken en namen hem mee naar binnen. Jip was al bijna bij het legerkamp en had niks door. Maar Jip probeerde uit alle macht vrij te komen, maar dat lukte niet, de genen die nog buiten waren konden niks doen want de deur werd door 50 man bewaakt. Ze schoten maar, maar deze robots waren de nieuwe versie die niet stuk konden er zouden wel nieuwe robots komen dachten de mensen want de fabriek wordt weer hersteld. In tussen was Jip al weer onder weg naar de fabriek. Kees die Pim zat te onder vragen vroeg telkens maar weer: “wat zijn jullie van plan,,. Allen maar de wereld bevrijden van jou, maar Kees wist zeker dat Pim nog meer te verbergen had….. Na een paar uur was het inmiddels al donker geworden Jip was net weer terug en begon een actie om Pim te bevrijden, en bedacht weer via het dakraam naar binnen. Een paar bleven voor de deur en Jip ging met een paar het dak op. Ze zagen eenmaal daar dat Kees aan de andere kant van het gebouw waren. Dus gingen ze naar binnen via het dakraam, om de hoek zagen ze een robot Jip ging er naar toe. En drukte op de zelf vernietigings knop, nou op naar de volgende. De een na de ander viel neer tot ze bij Kees kwamen. Daar zagen ze alleen nog maar oude robots dus begonnen ze te schieten op de robots. Behalve de twee naast Kees die konden helemaal niet stuk, ook niet met een zelf vernietigings knop. Maar van de schrik liet Kees Pim los Pim gooide de robots op de grond en rende snel weg. Pim en Jip en hun mannen gingen snel naar buiten maar tot hun verbazing zagen ze dat de andere mannen ook net binnen kwamen door de hoofdingang. Die hadden zeker ook de robots met de zelf vernietigings knop de robots neer gekregen. Opeens zagen ze dat Kees ook de benen nam, iedereen rende achter Kees aan. Alleen Pim ging snel achter de robots aan die toch niet zo hard konden rennen. Dus Pim had ze zo ingehaald, toen gooide Pim de robots op de grond en bond ze vast. Toen ze vast zaten pakte Pim zijn zakmes waar ook een schroeven draaier aan zit, en begon aan de schroefjes te draaien die de platen aan mekaar houden. Jip had inmiddels Kees al gepakt en bond hem vast, nou moet je alle robots met de computer die bij jou in huis staat vernietigen. Ze namen Kees mee maar wat ze niet doorhadden is dat Kees ook een zakmes bij zich had en de touwen door sneed. Kees ontsnapte en rende snel een steegje in. Iedereen rende achter hem aan maar Kees ging snel naar de hovercraft die hij midden in het steegje had geparkeerd. Hij vloog snel weg, natuurlijk niet naar zijn huis, daar zouden ze hem zeker weten gaan zoeken. Hij ging naar zijn geheime kamer. Pim en Jip wisten niet waar Kees was dus gingen ze zoeken, ze gingen weer naar Kees zijn huis maar dit keer voorzichtiger. Stel je voor dat Kees weer een leger daar heeft staan, iedereen keek om zich heen of ze iets zagen. Niemand zag wat tot ze bij Kees zijn huis kwamen, daar stond een groep van tien robots iedereen zocht weer een plek en begon te schieten. De robots waren meteen allemaal stuk en toen gingen ze naar binnen. Ze zagen dat er nog een computer stond. Jip die veel verstand van computers heeft startte de pc op en zag dat er een wachtwoord op zat, en er staat bij dat je maar 3 keer kan proberen. Maar Pim had al weer een idee, het is vast robot, maar dat was fout. Toen had Jip een idee het is world. Ze typten het in en het was goed, ze kijken naar een word document waar de naam van was: schuilplaats. Daarin stond waar de geheime schuilplaats is, en wat het wachtwoord is. En dat is: veilig. Pim en Jip kijken ook of er nog wat belangrijks is en ze zien dat de aller nieuwste versie van de robots alleen met een wachtwoord kan worden vernietigt. Dat luid: 1999 rn, dat is de nieuwste robot merk. Nu weten Pim en Jip dus waar de schuilplaats van Kees is. Pim haalt iedereen bij mekaar en zegt we gaan naar Voorburg daar is de schuilplaats van Kees, het is wel een eind lopen. Na een anderhalf uur zijn ze er, maar ze zien niets. Iedereen zoekt maar vind niks, tot dat Pim een berg ziet. Hij gaat er naar toe en kijkt onder een bult bladeren. Daar ziet hij een luik, hij doet het los en ziet een deur. Hij roept iedereen, als iedereen er is gaat hij naar binnen. Hij ziet daar een kastje waar je een wachtwoord in moet typen om binnen te komen. Hij typt veilig in het woord dat ze in de computer van Kees hebben gevonden, de deur gaat los. Iedereen maakt zijn wapen gereed en gaat naar binnen. Daar zien ze Kees zitten, Jip houdt iedereen tegen en zorgt dat Pim komt. Ze gaan stil naar binnen, opeens komt er een robot langs Jip en Pim. Jip laat de robot struikelen, en maakt hem onklaar door wat draadjes door te snijden met zijn zakmes. Pim en Jip kruipen nu snel door, ze hebben geluk gehad dat ze niet ontdekt zijn. Ze zijn nu dicht bij Kees, ze zien nog een paar robots staan ze worden achter mekaar uitgeschakeld, maar net bij de laatste heeft Kees ze ontdekt. Hij stuurt opnieuw een grote groep robots, Pim roept snel de mensen die buiten staan. Ze komen er meteen aan, en beginnen te schieten. Na een tijdje staat Kees er alleen voor, hij vlucht snel weg via een andere uitgang. Pim en Jip gaan snel achter hem aan, maar als ze buiten zijn kunnen ze hem nergens vinden. Nu is iedereen er, en dan ziet Jip voor hun een paar hovercrafts staan. Opeens ziet Jip Kees ook vliegen in een hovercraft iedereen springt in een hovercraft en gaat achter hem aan. Kees vliegt door een ruit een gebouw Pim en Jip zijn nu ook binnen gekomen, en ze springen eruit. Pim springt precies op een glasscherf. Een andere binnen hij springt uit de hovercraft en gaat naar het trappenhuis. hovercraft komt binnen, de genen die er aan komen zien het meteen en proberen het te stoppen met een stuk kleed. Het lukt nu achter Kees aan. Kees is inmiddels al beneden, de mensen uit de groep, stappen weer in de hovercrafts en vliegen achter Kees aan, hij rent over de weg. Jip geeft de moed ook op om achter Kees aan te rennen. Hij gaat ook weer terug naar zijn hovercraft. En vliegt naar een recht door een ruit van een gebouw dat 5 verdiepingen heeft. Daarna volgt een explosie, Kees is dood net als honderd andere mensen. Iedereen breekt in juichen uit. Maar de robots zijn nog steeds aan de macht. Er zijn er dan nog maar een paar maar ze zijn er nog steeds. Nou gaat iedereen voor zich zelf. Pim en Jip gingen natuurlijk samen. Jip dacht laten we naar onze buurt gaan, daar kunnen we de robots verjagen. Ze gingen er met hun hovercraft op af, bij de buurt waren nog heel wat robots. Jip en Pim landen op het platte stuk dak van hun huis. Jip keek eerst even of de kust veilig was, er is niemand zei Jip, hij had gelijk er was niemand. Ze gingen de straat op en begonnen meteen te schieten, na een tijd was er geen robot meer over. Alle mensen die nog in hun huizen zaten kwamen naar buiten. Ze namen Pim en Jip op hun handen als helden, dat waren ze ook echt. Maar alle robots waren nog steeds niet uitgeroeid, dus moesten ze echt verder. Ze hadden een idee: laten we weer naar de filmstudio’s gaan en daar zeggen dat alle mensen de robots wel aan konden. Dat gingen Pim en Jip gelijk doen. Na een tijdje was er echt geen robot meer over, iedereen die maar vechten kon had meegeholpen. Nu was de wereld weer vrij.
Er zit een man aan de bar van een café een biertje te drinken en naast hem komt een vent staan die helemaal in het leer gekleed is, compleet met leren pet en kettingen. De man met het biertje zit hem steeds vanuit zijn ooghoeken op te nemen, waarop de man in het leer vraagt: "moet je wat?" "Eh, nee!", is het antwoord, "maar u ziet er een beetje apart uit!" "Nou", zegt die vent in het leer, "ik doe aan SM." "Aan wat?" "Aan SM, je weet wel, een beetje het ruigere werk met zwepen en kettingen enzo. Ik heb thuis in de tuin een hele houten schuur ingericht, als je wilt mag je wel effe met me mee." De man van het biertje besluit om mee te gaan. In de schuur aangekomen zegt die man in het leer: "Nou, kleed je maar uit." Dat doet hij dan ook en de man in het leer warmt hem een beetje op en zet hem met zijn jonge heer klem in de bankschroef. Vervolgens haalt hij de stang eruit en gooit die in een hoek, daarna pakt hij een grote zaag van het gereedschapsbord en loopt op het slachtoffer af. Deze roept met grote ogen vol van angst: "Wat ga je doen? Ga je hem eraf zagen?" "Nee", zegt de vent in het leer, "dat doe jij, ik steek de schuur in brand."
In een dorp op de Kempense heide woonde eens een smid, wiens enige rijkdom zijn vrouw en zes kinderen waren. Van 's morgens vroeg tot 's avonds laat werkte hij als een paard en toch zag hij nauwelijks kans de eindjes aan elkaar te knopen. Maar hij bleef vrolijk: hij zong een lied, hij vertelde een verhaal, en hij hield van zijn vrouw en kinderen.
Op een dag moest hij een familielid bezoeken dat op sterven lag, in een dorp ver weg in Limburg. Pas laat op de dag keerde hij terug, want te voet was het een lange tocht die uren duurde. Op de terugweg moest hij voorbij een berg die aan de rand van een bos lag. Daar hoorde hij opeens een vreemd geluid; het waren ijle en fijne stemmen die een liedje zongen in de maneschijn. Door het struikgewas heen zag hij op een open plek onder de berghelling talloze dikke kereltjes met grote hoofden en lange baarden, rood en groen gekleed, die vrolijk dansten en de gekste gebaren maakten. Ze zwaaiden met hun puntige mutsen, wierpen ze in de hoogte en vingen ze dan op hun tenen weer op, met de vaardigheid van kermisacrobaten.
De smid durfde niet verder te lopen. Hij verschool zich tussen het kreupelhout achter een flinke boom en keek nauwlettend toe. Hij had er al een poos gezeten, toen opeens alle alvermannekes in een hol in de berg verdwenen. Toen hij wat beter keek zag hij dat één alvermanneke achtergebleven was. Het was kennelijk bezig iets te zoeken; het stak zijn korte armpje in een spleet, maar kon er niet uithalen wat hij hebben wilde.
Dat ene alvermanneke kan onmogelijk kwaad doen, dacht de smid. Behoedzaam, met afgemeten stapjes, kwam hij dichterbij. Toen zag hij dat de muts van het mannetje in de spleet vastzat. Zijn armpjes waren te kort om hem te kunnen bereiken. De smid pakte de muts en gaf hem met een zwierige zwaai aan het mannetje, dat heel blij was. "Wij vieren vandaag feest," zei hij, "en dan dansen we in onze mooiste pakjes. De mutsen kunnen niet gemist worden, want het is een teken van onze waardigheid! Als ik mijn muts was kwijtgeraakt, had ik in geen zeven jaar mee mogen doen."
Het mannetje wilde de smid belonen met een handvol diamanten. Maar daarvan wilde de smid niets weten: geschenken van alvermannekes zijn bedrieglijk, had hij weleens horen vertellen, en ze kunnen zelfs ongeluk brengen. Maar het alvermanneke wilde de vriendendienst in elk geval vergoeden, hij zou wel zien wanneer en hoe.
De volgende morgen vertelde de smid het vreemde geval in geuren en kleuren aan zijn vrouw. Die was haast nog benieuwder dan haar man naar de beloning die hun ongetwijfeld ten deel zou vallen.
's Avonds legde de smid, zoals elke dag, het werk klaar waarmee hij de volgende dag wilde beginnen. Werk voor hemzelf en voor zijn leerjongen, die nogal traag en hardleers was. Maar ja, een volwaardige knecht kon hij zich in het kleine dorp niet veroorloven en zijn eigen zoons waren nog te jong.
Hoe verwonderd stond hij de volgende ochtend te kijken toen hij ontdekte dat het klaargelegde werk in de nacht was afgemaakt. Het was duidelijk gedaan door een ervaren vakman, want er viel niets op aan te merken. Zijn eigen leerjongen kon het niet gedaan hebben, want die kon nog niet zoveel. Maar wie mocht die geheimzinnige smid dan wel zijn? vroeg hij zich af. Hij peinsde zich suf, maar hij kon er geen wijs uit worden.
De volgende dag geschiedde hetzelfde wonder. Toen zei zijn vrouw: "Laten we samen de wacht houden; dan zien we vanzelf hoe de vork in de steel zit!" "Een goed idee," zei de smid, en ze hielden samen de wacht. Toen was het geheim spoedig opgehelderd. Om twaalf uur keken ze door een kier in de zoldervloer en zagen een alvermanneke de smederij binnenkomen. Het was hetzelfde mannetje wiens muts de smid uit de spleet had gehaald. En werken dat het ventje kon! Hij pakte dadelijk aan en ging door tot tegen de morgen, zonder ook maar één ogenblik stil te staan of op adem te komen. In die weinige uren bracht hij meer tot stand dan de smid en zijn knecht samen in een hele dag. En lawaai kwam er niet aan te pas, het ging allemaal zwijgend en zonder geluid, alsof het niet echt was.
Dat ging zo maanden achter elkaar. De smid had zijn leerjongen weggestuurd, hoewel hij meer klanten had gekregen. Hij verdiende zoveel dat hij met vrouw en kinderen een goed leventje kon leiden en nog geld overhield bovendien.
De alvermannekes waren door de ontginning van bos en heide zeldzaam geworden, ook in die omgeving. Maar uit de overlevering wist de smid dat je alvermannekes te vriend kon houden door ze af en toe een kleine attentie te geven. Daarom zette zijn vrouw geregeld een schoteltje melk of een glaasje bier voor het mannetje heer, dat steevast werd opgedronken. Een boterhammetje met spek was ook welkom, daar bleef geen kruimeltje van over.
Zo werd het alvermanneke hun trouwe huisgeest, die voorspoed en vreugde bracht. Af en toe bleven de smid en zijn vrouw een nachtje op om het mannetje gade te slaan als hij hard aan het werk was. Tijdens zo'n nacht viel het zijn vrouw op dat zijn pakje wat kaal begon te worden en dat het rood en groen niet meer zo helder waren als vroeger. Het manneke was, met al dat vuile werk in de smidse, nodig aan een nieuw pakje toe. De vrouw ging naar Maastricht om het beste laken te kopen dat er was. Ze maakte een fonkelnieuw kostuum voor het manneke. Ze kocht er witte kousjes, een hoedje en schoentjes met blinkende gespen bij. De zoon van de burgemeester zou zich niets mooiers kunnen wensen.
's Avonds legde de vrouw het pakje opgevouwen op een bankje in de smidse. Door de kier in de zoldervloer keken ze wat er gebeuren zou. Het mannetje kwam binnen en had de kleren direct in de gaten. Hij ontvouwde de kledingstukken en trok ze stuk voor stuk aan. Hij glansde van genoegen. Toen hij alles aanhad, zette hij het hoedje met de rode pluim op en stapte trots in het rond. Hij hield niet op zichzelf te bekijken en lachte onophoudelijk. Eindelijk liep hij naar de deur en ging weg, zonder ook maar iets te hebben uitgevoerd.
Een jonker kan geen smidswerk doen, nietwaar? Het alvermanneke kwam nooit meer terug. Het smeedwerk dat 's avonds werd klaargelegd, bleef sindsdien onaangeroerd liggen. Voortaan moest de smid zelf het werk weer doen, maar zijn oudste zoon kon hem inmiddels al een handje helpen. En bovendien had hij nu, dankzij het alvermanneke, een appeltje voor de dorst, zodat ze nooit meer gebrek zouden hoeven lijden.
Een jongen komt thuis van school en vraagt aan zijn moeder: "Ma, waar kom ik vandaan?" "Uit de rode kool mijn jongen." antwoordt zij. "Enne.... onze pa?" "Ook uit de kool" zegt ma. "Enne.... onze opa dan ?" "Ook uit een kool mijn jongen" zegt ma weer. Na een paar dagen vindt ma een dagboek van haar zoontje, ze slaat aan het lezen en ziet staan: "Na een langdurend onderzoek ben ik tot de conclusie gekomen, dat er de laatste drie generaties van mijn familie geen sexuele daden meer zijn gepleegd."
Een oude speelman had eens op het grote jaarfeest te Heilly het jonge volk tot middernacht doen dansen. Hij speelde op alle feesten en kermissen in de omtrek en keerde dan gewoonlijk midden in de nacht door het grote bos van Heilly terug naar zijn eigen dorpje Warloy. Bang was hij niet en hij had daar dan ook geen reden voor; want nog nooit zolang hij speelman was, hadden hem dieven of bosgeesten op zijn nachtelijke tochten ook maar het minste in de weg gelegd.
De maan straalde die nacht in al haar glans en de speelman stapte vrolijk voort langs het bospad, zachtjes een nieuwe wijs neuriënd, die hij bezig was in te studeren op zijn viool. Plotseling verbeeldde hij zich, een sluipende tred te horen die hem volgde, waar hij ging. En - o schrik! - toen hij omkeek, zag hij een reusachtige wolf, die op het punt scheen hem te bespringen en te verscheuren. Zijn eerste gedachte was, de vlucht te nemen; maar ach, hoe zouden zijn oude, stijve benen een wedloop kunnen uithouden tegen een snelvoetige wolf?
Nee, dat zou hem niet helpen! Maar wat dan? Wacht, hij droeg immers onder zijn linkerarm, behalve zijn viool, ook nog een grote feestkoek, die een boerin hem had meegegeven voor zijn vrouw en kinderen. Wat had hij zich verheugd op het ogenblik, wanneer hij er hen de volgende morgen mee zou verrassen! Maar nu - ja, nu wist hij geen ander middel om de wolf op een afstand te houden, dan een stuk van de koek af te breken en hem dat in zijn wijd geopende, hongerige muil te mikken. Zo gedacht, zo gedaan. "Hap!" zei de wolf en hij at met smaak het lekkere hapje op, maar bleef ondertussen toch de angstige speelman nasluipen.
Deze liep kalm door; hij wist immers maar al te goed dat het ondier hem dadelijk zou aanvallen, zodra hij de minste beweging maakte, die bewees dat hij bang was en van plan om op de loop te gaan.
Al dichter en dichter kwam de wolf, nadat hij het stuk koek op had, hem op de hielen en toen hij weer eens omkeek, zag de speelman dat hij 't volgend ogenblik bloedend op de grond zou liggen, wanneer hij het beest niet opnieuw afleidde door hem een tweede stuk koek in de bek te mikken.
Dit lukte, en de speelman maakte van de gelegenheid gebruik, om een flink eind vooruit te komen. Maar pas had de wolf de koek op, of met een paar sprongen was hij weer vlak achter hem, zo dicht, dat de arme man zijn harde poten bij elke voetstap tegen zijn hielen voelde.
Telkens gaf hij de wolf weer een stuk koek en kwam dan een eindje vooruit; maar ach, het bos van Heilly is zo vreselijk groot en, na er verscheidene stukken te hebben afgebroken, was eindelijk de koek al bijna geheel verdwenen. Een klein stukje had hij nog over, en als dat op was, dan - ja, dan was zijn laatste uur geslagen! Dan was er geen hoop meer op redding - want wie anders dan hijzelf waagde zich ooit midden in de nacht in het bos van Heilly? Hij moest zich voorbereiden om te sterven, om levend te worden verslonden door die verschrikkelijke wolf!
Nadat hij het ondier zijn laatste brokje koek in de muil had geslingerd, vouwde hij zijn handen en bad Onze-Lieve-Heer om vergiffenis voor al zijn zonden. Dit gaf hem weer nieuwe moed, en hij voelde opeens een dringende behoefte om, voordat hij stierf, nog eenmaal een wijsje op zijn dierbare viool te spelen. Met bevende handen nam hij zijn instrument uit de zak van wasdoek, waarin hij het gewoonlijk meedroeg, gooide de zak weg ten einde de handen vrijer te hebben, en begon een droevig klagende melodie te spelen.
Bij de eerste klanken van de muziek stond de wolf plotseling stil, bevend over zijn gehele lijf. Daarna echter kwam hij weer in beweging en volgde, al huilend, dansend en springend, de kalm voortschrijdende speelman! Op elke andere tijd zou deze geschaterd hebben van het lachen bij dit dwaze schouwspel, maar nu was hij geheel verdiept in zijn spel en ontlokte, in de angst van het ogenblik, wonderbare melodieën aan zijn oude speeltuig.
Hoe dit avontuur verder zou zijn afgelopen voor de speelman, is niet te zeggen, maar er zouden nog vreemdere dingen gebeuren!
Aangelokt door de lieflijke muziek en het afgrijselijke gehuil van de wolf, verschenen langzamerhand een massa nieuwe toeschouwers op het toneel. Duizenden kleine en grote bosgeesten of 'lutins' kwamen van alle kanten aangeslopen en stonden nu onbeweeglijk te luisteren naar de hun tot nu toe onbekende tonen van de viool. 't Leek wel of al de lutins van geheel Picardië daar bijeen waren gekomen! Daar waren een massa kleine 'Goblins' met hun boosaardige snuitjes, 'Houppeu's', die de reizigers van de rechte weg lokken door hen allerlei dingen toe te roepen, 'Rouliers', die geluiden weten voort te brengen als het rollen van zwaar geladen wagens, 'Fiolen' of dwaallichtjes, die de nachtelijke reiziger in 't moeras lokken, 'Herminettes', een soort van lange, dunne dieren, die, als 't donker is, de mensen tussen de benen lopen om hen te doen struikelen, witte 'Toverschapen', Zwarte Geiten en Paarden zonder Kop.
Al deze zonderlinge wezens, klein en groot, ongekleed of vreemd toegetakeld, omringden thans de speelman en deze, die uit hun verschijnen nieuwe hoop putte, legde opnieuw zijn strijkstok over de snaren en speelde deze keer het lustigste dansliedje, dat hij kende.
Zie, daar kwam het bosvolk al in beweging! Hun ogen schitterden van de pret en toen nu de speelman hen nog meer aanvuurde door een woeste galop te spelen, namen alle Goblins, Houppeu's, Rouliers en Fiolen elkaar bij de hand en dansten lustig rond met de Herminettes, de Witte Schapen, Zwarte Geiten en Paarden zonder Kop. Midden in de kring stonden de speelman en de verbaasde wolf, welke laatste maar niet scheen te kunnen begrijpen, wat dit rumoer nu weer moest betekenen. "Vooruit Din-Don, Koning Din-Don, jij, die de vlugste en dapperste bent van ons allen, spring jij op de rug van de wolf en laat hem voordansen!" riepen de vrolijke 'lutins' een mooie kleine Goblin toe, die tot nu toe onder een hazelstruik had zitten toekijken, zonder zelf deel te nemen aan de dans.
Dat was juist een kolfje naar de hand van de ondeugende Din-Don! Hoog sprong hij de lucht in en kwam neer boven op de wolf! "Vooruit, jongelui, de dans gaat voort! Balanceer uw dames!" riep de speelman, die nu al zijn moed had teruggevonden en zelfs schik begon te krijgen in het geval. "Vooruit, Meester Wolf, nu komt de pas van drie! Hop! Hop! Hop!" gilde de vrolijke Din-Don. En daar begonnen ze allemaal rond te draaien, de wolf en al de bosgeesten, in een dolle, razende rondedans!
Nooit had de speelman zo'n plezier gehad! 't Was een prachtig gezicht, het bevallige bosvolk te zien dansen! Nee, zo konden de boerenjongens en -meisjes, voor wie hij gewoonlijk speelde, het niet! Hoera, zo ging het goed! En wat een geluk, dat zijn vijand, de wolf, in zulk een vrolijk kringetje terecht was gekomen! Hij speelde maar door en de dans werd steeds wilder.
Din-Don trommelde aldoor met allebei zijn vuistjes op de hals van de wolf om hem aan te drijven. De tong hing het arme dier uit de bek! Zijn adem kwam met horten en stoten, maar zijn wilde ruitertje liet hem geen ogenblik met rust en dreef hem net zolang voort, tot hij eindelijk dood neerviel. Dadelijk namen nu de 'lutins' met elkaar zijn lichaam op en gooiden het tussen de struiken, om daarna opnieuw hun woeste dans te beginnen.
En de speelman speelde maar door! Zijn strijkstok vloog over de snaren en ontlokte er allerlei ongekende melodieën aan, die de goede man vroeger nog nooit had gespeeld. Hij werd zelf ook meegesleept door de wilde opgewondenheid van het bosvolk - en dat was zijn geluk! Eindelijk, laat in de nacht, kwam daar op eens een Herminetje aangeslopen, dat in een greppel op de uitkijk had gelegen. Het liep regelrecht naar Din-Don, de Koning der Goblins en fluisterde hem iets in het oor. Deze hield plotseling op met dansen en gaf de anderen een teken, dat hen onmiddellijk deed stilstaan.
"Kameraden," sprak hij, "de zon zal weldra opgaan en het wordt tijd dat we naar onze schuilhoeken terugkeren. Had dit vriendelijke Herminetje ons niet gewaarschuwd, we zouden misschien door de morgenstond verrast zijn geworden. Maar voordat we heengaan is het onze plicht, deze brave speelman, die ons zulk een genoeglijke nacht heeft bereid, te belonen voor zijn vriendelijkheid. Hij is arm, dat weet ik, en een paar goudstukken zullen hem zeker goed te pas komen. Ieder van jullie geve hem, wat hij toevallig bij zich heeft!"
"Ja, ja, ja!" juichten de anderen, "dat is een goed idee!"
En elk van hen bracht de speelman een gave: de één een paar goud- of zilverstukken, de ander een kostbare edelsteen. Weer een ander gaf hem een met goud geborduurd vest voor zijn zoon, een vierde een kostbare zijden japon voor zijn dochter, een vijfde een muts van echt kant voor zijn vrouw. Zij, die toevallig niets kostbaars bij zich hadden, leerden hem de geneeskracht van verschillende planten kennen of fluisterden hem een geheim in het oor, dat hem in de mensenwereld voordeel zou kunnen aanbrengen. Het allermooiste aandenken echter kreeg hij van Din-Don, de kleine Goblin-Koning: een viool namelijk, gemaakt van een vreemd soort hout en geborgen in een prachtig foedraal, dat stellig door feeënhanden moest zijn gemaakt, evenals de viool zelf. Geen mens had ooit een instrument kunnen bouwen, dat, als men maar even over de snaren streek, zulke hemelse klanken liet horen!
"Toe, speelman, nog één klein rondje!" smeekte een snoezig klein Fiolenmeisje. "Ja, ja, één enkel rondje nog!" jubelden de anderen. Toen nam de speelman zijn nieuwe, wonderbare viool, en de lutins dansten zo licht en luchtig op de takken der bomen en op de bladeren en bloemen langs het bospad, dat geen tak, geen blaadje of bloempje bewoog onder hun zwevende voetjes en ijle lichaampjes.
Eén minuut duurde deze wonderbare dans. Toen gaf Din-Don de speelman een teken dat hij moest ophouden met spelen, en, na de goede oude man nog eens te hebben bedankt, zweefden al de bosschepseltjes weg, even geheimzinnig als ze gekomen waren. Daar stond nu de speelman alleen op het pad, nog geheel verbijsterd door al de vreemde dingen, die hij had beleefd. Een ogenblik was hij geneigd te denken, dat hij alles maar had gedroomd; maar nee, daar lagen immers al de geschenken van het bosvolkje! Hij zocht ze vlug bijeen en stapte, een vrolijk deuntje fluitend, naar Warloy.
Thuiskomend, vond hij zijn familie in grote angst bijeen. Ze hadden stellig gedacht dat hem iets ergs moest zijn overkomen, omdat hij anders nooit zo laat thuiskwam. Hij moest nu dadelijk al zijn avonturen vertellen, maar ze geloofden er niets van, voordat hij hun al zijn schatten liet zien. Toen trok zijn zoon dadelijk het kostbare vest aan, zijn dochter haar fijne zijden japon en zijn vrouw zette de kanten muts op, die haar wel tien jaar jonger deed schijnen, en ze maakten samen allerlei plannen, hoe ze hun geld het best zouden besteden. Ze leefden er goed van, maar niet overdadig en de speelman liet nog dikwijls het jonge volkje dansen op de muziek van zijn wonderviool. Zijn roem klonk over het gehele land.
Twee vlooien komen elkaar tegen op een warme zomerdag, maar de ene heeft het behoorlijk koud. Vraagt de ander, "hoe kan dat nou met dit mooie weer?". Nou zegt hij; ik kom juist uit een snor van een motorrijder. Moet je niet meer doen zegt de ander, je moet lekker plekkie zoeken bij het poesie van een vrouw. Een week later komen ze elkaar weer tegen en die ene verrekt weer van de kou. Zegt de ander "man ik heb je verleden week toch gezegd wat je moet doen". Ja zegt de ander dat heb ik gedaan en het was zo lekker warm dat ik in slaap gevallen ben en toen ik wakker werd zat ik weer in die snor van de motorrijder.
Soms hoort men een boot kraken, ook wanneer het windstil is, of wanneer het vaartuig in de loods ligt. Dat is dan de taal van de boten, die maar weinig mensen kunnen verstaan.
Er was eens een man die deze taal verstond. Hij kwam bij het strand, waar twee boten lagen. Toen hoorde hij de ene boot zeggen: "Wij zijn heel lang bij elkaar gebleven, maar morgen zullen wij gescheiden worden."
"Dat zal nooit gebeuren," zei de andere boot, "dertig jaar lang zijn wij tezamen oud geworden, en wanneer één van ons moet zinken, dan zullen wij beide vergaan."
"Dat zal niet gebeuren," zei de andere boot weer, "vanavond is het mooi weer, maar morgen zal het anders zijn. Niemand zal dan uitvaren, behalve jouw bootsman. Ik zal hier blijven samen met de andere boten. Maar jij zult uitvaren en nooit meer terugkomen. En wij zullen hier nooit meer samen liggen."
"Dat zal niet gebeuren en ik zal mij niet van deze plek bewegen."
"Je zult je wel van deze plek moeten bewegen, en deze nacht zal de laatste zijn, waarin wij nog bij elkaar zijn."
"Ik zal mij nooit van deze plek bewegen, wanneer jij niet meegaat."
"Het zal echter toch gebeuren!"
"Nooit, tenzij de duivel in eigen persoon de hand in het spel heeft en hier verschijnt!"
En hierna spraken zij zó zacht dat de toehoorder hen niet meer kon verstaan.
De volgende morgen was het zeer slecht weer, en niemand vond het verstandig om uit te varen. Alleen één bootsman en zijn bemanning wilden naar zee. Zij gingen naar het strand en met hen vele anderen, die echter niet van plan waren om uit te varen. "Jullie leren jassen aan, in godsnaam," zei de bootsman, zoals gebruikelijk was. "Trek de boot in godsnaam van het strand," brulde hij, zoals eveneens gebruikelijk was.
De mannen trokken en trokken, maar er was geen beweging in de boot te krijgen. Toen riep de bootsman de hulp in van een paar omstanders. Zij moesten een handje helpen, maar ook dit haalde niets uit. Toen beval hij iedereen die daar stond om de boot vooruit te trekken. Vele handen waren hiertoe bereid en de bootsman riep nog eens: "Vooruit, vooruit, trek de boot toch vooruit!" Maar het leek wel of de boot aan de grond was vastgenageld; hij bewoog ook deze keer niet van zijn plaats. Toen schreeuwde de bootsman uit alle macht: "In naam van de duivel, trek de boot toch in het water!"
En toen gleed de boot vooruit en kwam in zee terecht, maar hij voer zo snel dat men het vaartuig niet in zijn macht kon krijgen. De bootslieden hadden er heel wat mee te stellen. Tenslotte roeiden zij weg. Maar het was de laatste keer dat iemand nog iets zag van de boot en zijn bemanning.
Op een dag ging Jantje naar zijn huis. Hij ging naar zijn ouders slaapkamer en zag dat ze aan het neuken waren. Jantje keek rond en ging naar zijn oma. Zijn vader kwam een paar uurtjes later bij oma en zag dat Jantje en oma aan het neuken waren. Zijn vader zei: "Waarom neuk je met mijn moeder?" Jantje zei: "Omdat u ook met mijn moeder deed."