Vlak bij Gudenaa, in de bossen van Silkeborg, verheft zich een heuvelrug als een grote wal. "Aasen" wordt hij genoemd, en tegen die heuvelrug lag en ligt nog steeds aan de westzijde een klein boerenhuis met magere grond; het zand schijnt er door de schrale rogge- en gerstakker. Het is heel wat jaren geleden; de mensen die daar woonden hadden hun akkertje en hadden daarbij nog drie schapen, een varken en twee ossen. In het kort, zij konden best uitkomen wanneer zij de tering naar de nering zetten, ja, ze hadden best een paar paarden kunnen houden, maar zij zeiden, net als de andere boeren daar in Jutland: "Een paard eet zichzelf op!" Het teert op het nut, dat het doet. Jeppe-Jens was 's zomers landbouwer en 's winters een flinke klompenmaker. Hij had daarbij een goede hulp, een knecht die uitstekend klompen kon snijden, die sterk en licht waren en toch van een goed model; lepels sneden zij ook, dat bracht geld binnen, men kon Jeppe-Jens geen bedelaar noemen. De kleine Ib, een jongen van zeven jaar en enig kind, zat erbij te kijken. Hij sneed in een houtje en sneed zich ook in de vingers, maar op zekere dag had hij twee stukjes hout gesneden die wel klompjes leken; die moesten, zei hij, aan de kleine Christine worden gegeven. Dat was het dochtertje van de beurtschipper, zij was zo teer en zo lief alsof ze een kind van voorname ouders was; als ze kleren had gehad die net zo mooi waren als zij zelf, dan had niemand geloofd dat zij uit het plaggenhutje op de Seisheide afkomstig was. Daar woonde haar vader, een weduwnaar die de kost verdiende met brandhout vervoeren van het bos naar Silkeborg, ja, dikwijls zelfs helemaal naar Randers. Hij had niemand om op de kleine Christine te passen, die een jaar jonger was dan Ib, en daarom was zij bijna altijd bij haar vader op de schuit en in de heide en tussen de bosbessen; maar wanneer hij helemaal naar Randers moest kwam de kleine Christine bij Jeppe-Jens. Ib en de kleine Christine konden het best met elkaar vinden en speelden samen: zij groeven en ze kropen en ze liepen, en op zekere dag waagden zij zich met zijn beiden helemaal tot boven op de heuvelrug en zelfs een eind het bos in, en daar vonden zij snippeëieren, dat was een hele gebeurtenis. Ib was nog nooit op de Seisheide geweest, was nog nooit door de meren naar Gudenaa gevaren, maar nu zou het gebeuren; hij was door de beurtschipper uitgenodigd en de avond tevoren ging hij met hem naar huis. Op de hoog opgestapelde stukken brandhout in de schuit zaten vroeg in de morgen de twee kinderen en ze aten brood en frambozen. De beurtschipper en zijn knecht boomden — het ging met de stroom mee — in een flinke vaart de rivier af, over de meren, die door bos en biezen leken afgesloten, maar altijd was er toch een doortocht, al bogen zich de oude bomen helemaal over het water en al strekten de eiken hun kale takken uit, alsof zij hun mouwen hadden opgestroopt en hun knokige naakte armen wilden tonen. Oude olmen, die de stroom van de kant had losgemaakt, klemden zich met de wortels aan de bodem vast en leken wel kleine boseilandjes; waterlelies wiegden op het water; het was een heerlijke tocht! Toen kwam men bij het paalwerk waar het water door de sluizen bruiste; dat was iets voor Ib en Christine! In die tijd was daar nog geen fabriek of stad, er stond alleen maar de oude boerderij, en veel volk was er niet: het neerstorten van het water door de sluis en de kreet van de wilde eend waren toen de enige tekens van leven daar. — Toen nu het brandhout overgeladen was kocht Christines vader een grote zak paling en een klein geslacht varken, dat alles in een grote mand achter in de schuit werd neergezet. Nu ging het huiswaarts, tegen de stroom op, maar zij hadden de wind mee en toen zij een zeil bijzetten ging het even mooi alsof zij door twee paarden werden getrokken. Toen zij met de schuit zo vlak bij het bos waren gekomen dat de man, die met bomen hielp, vandaar nog maar een klein stukje naar huis te wandelen had, toen gingen hij en Christines vader aan land. Maar zij zeiden tot de kinderen dat ze toch vooral rustig en voorzichtig moesten zijn. Dat waren zij ook, maar het duurde niet lang; zij moesten en zouden in de mand kijken waar de palingen en het varken waren opgeborgen, het varken moesten zij optillen en vasthouden en daar ze het beiden wilden vastpakken lieten zij het vallen en het viel in het water; daar dreef het met de stroom mee, dat was me iets vreselijks! Ib sprong aan land en liep een klein stukje, toen kwam Christine ook: "Neem me mee!" riep ze en toen waren zij spoedig tussen de struiken, ze zagen de schuit of de rivier niet meer; een klein stukje liepen ze nog, toen viel Christine en ze huilde; Ib hielp haar overeind. "Kom mee," zei hij. "Het huis ligt aan de overkant." Maar het lag daar niet. Ze liepen en liepen, over verdorde bladeren en droge afgevallen takken, die onder hun voetjes kraakten; nu hoorden ze luid roepen — ze stonden stil en luisterden; daar krijste een arend, het was afschuwelijk. Ze schrokken erg, maar voor hen uit in het bos groeiden heerlijke bosbessen, een ongelofelijke massa. Het was al te verleidelijk om niet te blijven en ze bleven en ze aten en hun mond en wangen werden helemaal blauw. Toen hoorden ze weer roepen. "We krijgen vast slaag om het varken!" zei Christine. "Laten we naar mijn huis gaan," zei Ib; "dat is hier in het bos!" En ze gingen, ze kwamen op een rijweg maar die leidde niet naar huis. Het werd donker en ze waren bang. De wonderlijke stilte rondom hen werd verbroken door afschuwelijk gekrijs van een grote uil of geschreeuw van vogels die ze niet kenden. Eindelijk liepen zij vast in een bosje. Christine huilde en Ib huilde, en toen ze zo een tijdje hadden gehuild, vlijden ze zich neer in de bladeren en vielen in slaap. De zon was al hoog aan de hemel toen ze wakker werden. Zij hadden het erg koud, maar boven op die heuvel vlakbij scheen de zon tussen de bomen. Daar konden ze zich warmen en vandaar, meende Ib, konden ze het huis van zijn ouders zien. Maar ze waren er ver vandaan, in een heel ander deel van het bos. Ze klauterden de heuvel op en stonden op een steile helling aan een helder, doorzichtig meer, de vissen zwommen daar in scholen, belicht door de zonnestralen; het was heel onverwacht wat ze zagen: vlakbij was een grote struik met noten, ja, wel zeven trossen; en ze plukten en kraakten die en haalden de fijne kernen eruit die juist tot wasdom waren gekomen -- en toen kwam er nog een verrassing, een schrik. Uit het bosje trad een grote oude vrouw te voorschijn, haar gezicht was helemaal bruin en zij had glanzend zwart haar, het wit in haar ogen schitterde net als bij een neger; zij had een bundeltje op haar rug en een knoestige stok in haar hand: het was een zigeunervrouw. De kinderen verstonden eerst niet wat ze zei, maar zij haalde drie grote noten uit haar zak. In elke noot lagen de heerlijkste dingen verborgen, vertelde ze, het waren wensnoten. Ib keek haar aan, ze was toch zo vriendelijk en toen vatte hij moed en vroeg of hij de noten mocht hebben en de vrouw gaf ze hem en plukte voor zichzelf een hele zak vol van de struik. Ib en Christine keken met grote ogen naar de drie wensnoten. "Zit er een wagen in met paarden ervoor?" vroeg Ib. "Er is een gouden koets met gouden paarden!" zei de vrouw. "Geef ze mij dan!" zei de kleine Christine en Ib gaf ze haar en de vrouw knoopte de noot in Christines halsdoek. "Is er binnen in die noot zo'n aardig klein halsdoekje als Christine om heeft?" vroeg Ib. "Er zijn tien halsdoeken," zei de vrouw, "er zijn prachtige japonnen, kousen en hoeden!" "Dan wil ik die ook hebben," zei Christine en de kleine Ib gaf haar ook de tweede noot; de derde was klein en zwart. "Die moet jij houden!" zei Christine, "die is ook mooi!" "En wat is er binnenin?" vroeg Ib. "Het allerbeste voor jou!" zei de zigeunervrouw. Ib hield de noot vast. De vrouw beloofde hen weer op de goede weg naar huis te brengen en ze gingen, maar in een heel andere richting dan ze moesten gaan. Maar daarom mocht men haar er niet van beschuldigen dat ze kinderen wilde stelen. In het woeste bos kwamen zij de woudloper Chraen tegen, hij kende Ib en door hem kwamen Ib en de kleine Christine weer thuis, waar men in grote angst gezeten had; vergiffenis kregen ze, al hadden ze allebei een flink pak slaag verdiend, ten eerste omdat ze het varken in het water hadden laten vallen en ten tweede omdat ze waren weggelopen. Christine kwam thuis op de heide en Ib bleef in het kleine huisje in het bos; het eerste dat hij daar 's avonds deed was de noot te voorschijn halen die "het allerbeste" bevatte; hij legde die tussen de deur en de deurpost, sloeg toen de deur dicht en de noot brak, maar er was niets van een gezonde kern te zien, hij zat vol vuil en aarde, hij was wat je noemt wormstekig. "Ja, dat dacht ik wel," meende Ib, "hoe zou er ook binnen in die kleine noot plaats kunnen zijn voor het allerbeste! Christine krijgt uit haar twee noten geen mooie kleren of een gouden koets!" En de winter kwam en het nieuwe jaar kwam. Er verliepen verscheidene jaren. Nu moest Ib op catechisatie en de dominee woonde ver weg. In die zelfde tijd kwam op zekere dag de beurtschipper bij Ibs ouders vertellen dat de kleine Christine nu het huis uit moest om haar brood te verdienen. En dat het een groot geluk voor haar was dat zij in goede handen was gevallen en in dienst kwam bij zulke brave mensen; stel je voor, zij zou gaan dienen bij die rijke herbergier in de buurt van Herning, in het westen; daar zou ze moeder de vrouw gaan helpen en later wanneer bleek dat ze geschikt was en ze was aangenomen, dan zouden ze haar houden. Ib en Christine namen afscheid van elkaar, men noemde hen het verloofde paar. Zij liet hem bij het afscheid zien dat zij de twee noten nog bezat die ze van hem gekregen had toen zij in het bos verdwaald waren. Ze zei dat ze in haar klerenkist de klompjes bewaarde die hij als jongen gesneden en haar geschonken had. En toen gingen ze van elkaar. Ib werd aangenomen, maar hij bleef bij moeder thuis, want hij was een flink klompenmaker en 's zomers paste hij goed op het akkertje; zijn moeder had alleen hem nog maar; Ibs vader was gestorven. Slechts zelden, en dan was het door een postbode of een palingboer, hoorden ze iets van Christine; het ging haar goed bij de rijke herbergier en toen ze aangenomen was schreef ze aan haar vader een brief met groeten aan Ib en zijn moeder. In de brief stond iets over zes nieuwe hemden en een prachtige japon, die Christine van haar meester en meesteres had gekregen. Dat waren nog eens goede berichten.
In de volgende lente, op een mooie dag, werd er geklopt op de deur van Ib en zijn moeder. Het was de beurtschipper met Christine; zij was voor een dag op bezoek, er was juist reisgelegenheid naar Them en weer terug en daar maakte ze gebruik van. Mooi was ze als een echte dame en mooie kleren had ze ook: ze waren keurig gemaakt en ze zaten goed. Zij stond daar in haar beste kleren en Ib was in zijn daagse, oude plunje. Hij wist geen woord te zeggen; wel greep hij haar hand en hield die stevig vast, hij was wel innig blij maar kon geen woord uitbrengen. Dat kon de kleine Christine wel. Zij sprak, zij wist te vertellen en zij kuste Ib op de mond. "Ken je me dan niet meer?" zei ze; maar zelfs toen ze alleen waren en hij haar nog steeds bij de hand hield, was alles wat hij kon zeggen: "Je bent net een voorname dame geworden en ik zie er zo verslonsd uit! Wat heb ik aan jou gedacht, Christine, en aan vroeger!" En zij gingen gearmd de heuvel op en keken over Gudenaa naar de Seisheide met de hoge heideheuvels; toch zei Ib niets, maar toen zij uit elkaar gingen was het duidelijk voor hem dat Christine zijn vrouw moest worden. Van jongs af aan werden zij immers het verloofde paar genoemd, en dat waren ze ook vond hij, ofschoon zij het geen van beiden hadden uitgesproken. Zij konden nog maar enkele uren samen blijven want zij moest weer naar Them terug, vanwaar de volgende morgen vroeg de wagen weer naar het westen ging. Haar vader en Ib gingen mee naar Them. Het was heldere maneschijn en toen ze daar kwamen en Ib Christine nog bij de hand hield, kon hij die niet loslaten, zijn ogen stonden helder, hoewel hij zijn woorden niet kon vinden. Maar wat hij zei kwam recht uit het hart: "Ben je het niet te voornaam gewend," zei hij, "en kun je je erin schikken met mij in mijn moeders huis te wonen, met mij als je man, dan worden wij eenmaal man en vrouw! Maar wij kunnen nog wel wachten!" "Ja, laten wij het nog eens aankijken, Ib," zei ze; en toen drukte zij zijn hand en hij kuste haar op de mond. "Ik vertrouw op je, Ib," zei Christine, "en ik geloof dat ik van je houd. Maar laat me er nog eens op slapen!"
En zo scheidden ze. Ib zei tot de beurtschipper dat Christine en hij nu zo goed als verloofd waren, en de beurtschipper vond dat het net zo was als hij zich altijd gedacht had; hij ging met Ib mee naar huis en sliep daar bij hem in bed en er werd niet meer over de verloving gesproken. Een jaar was voorbijgegaan; twee brieven waren tussen Ib en Christine gewisseld: "trouw tot in de dood!" stond er naast de ondertekening. Op zekere dag liep de beurtschipper bij Ib binnen. Hij moest de groeten van Christine overbrengen. Hij had nog meer te vertellen. Het kwam er wat langzaam uit, maar het kwam hier op neer dat het Christine goed ging, meer dan goed, zij was ook werkelijk een knap meisje, geacht en bemind. De zoon van de herbergier was op bezoek thuis geweest, hij had een betrekking bij iets groots in Kopenhagen, hij was op een kantoor; hij hield veel van Christine, hij viel ook in haar smaak, zijn ouders waren ook niet afkerig van een verloving, maar Christine voelde zich erg bezwaard dat Ib nog zo over haar dacht, en zo had zij dan besloten om maar van die goede partij af te zien, zei de beurtschipper. Ib zei eerst geen woord maar hij werd zo wit als een doek, schudde zijn hoofd een beetje en toen zei hij: "Christine mag niet van dat huwelijk afzien!" "Schrijf haar een paar woorden," zei de beurtschipper. En Ib schreef, maar hij kon de juiste woorden niet vinden, hij streepte door en hij verscheurde het... 's morgens was er een brief klaar voor de kleine Christine, hier is hij! "De brief die je aan je vader geschreven hebt, heb ik gelezen, en ik zie daaruit dat het je in alle opzichten goed gaat en dat je het nog beter kunt krijgen! Raadpleeg je hart, Christine, en bedenk wel wat je begint wanneer je met mij trouwt! Ik bezit maar weinig. Denk niet aan mij en hoe ik het heb, maar denk aan je eigen voordeel. Aan mij ben je niet door een belofte gebonden en heb je in je hart er mij een gegeven, dan onthef ik jou daarvan. Ik wens je niets dan goeds, kleine Christine. God heeft voor mij wel troost! Altijd je toegenegen vriend Ib."
De brief werd verzonden en Christine ontving hem.
Op Sint-Maarten kondigde men haar huwelijk af van de preekstoel, in de kerk op de heide en in Kopenhagen waar de bruidegom woonde, en zij reisde er met haar meesteres heen omdat de bruidegom door zijn drukke zaken niet zo lang naar Jutland kon komen. Christine had, volgens afspraak, haar vader getroffen in het dorpje Funder, waar haar weg doorheen voerde en dat voor hem het dichtst bij lag. Daar namen zij afscheid van elkaar. Er werd met enkele woorden over gesproken, maar Ib zei niets. Hij was zo stil geworden, zei-zijn oude moeder. Ja, stil was hij, en zo kwamen hem de drie noten in de gedachte die hij als kind van de zigeunervrouw gekregen had en waar- van hij er twee aan Christine had gegeven, het waren wensnoten, in de ene van haar lag immers een gouden koets met paarden, in de andere de mooiste kleren; dat was voldoende! Al die heerlijkheid kreeg zij nu daar in het koninkrijk Kopenhagen! Voor haar ging dat in vervulling! Voor Ib was er in de noot alleen maar zwarte aarde. "Het allerbeste voor hem," had de zigeunervrouw gezegd — zeker, ook dat ging in vervulling, de zwarte aarde was voor hem het beste. Nu begreep hij duidelijk, wat de vrouw bedoeld had: in de donkere aarde, in de verborgenheid van het graf, daar was het voor hem het allerbeste!
Er verliepen jaren — niet veel, maar wel lange, vond Ib; de oude herbergier en zijn vrouw stierven, de een kort na de ander; het hele vermogen, vele duizenden rijksdaalders, viel de zoon toe. Ja, nu kon Christine haar gouden koets krijgen en mooie kleren, zoveel ze hebben wilde. In de twee lange jaren die volgden kwam er geen brief van Christine. En toen de vader er een kreeg, was dat helemaal geen brief die geschreven was door iemand die in welstand en plezier leefde. Arme Christine! Zij noch haar man had maat weten te houden in hun rijkdom, die ging zoals hij kwam, er rustte geen zegen op, want die wilden ze zelf niet. En de heide stond in bloei en de heide verdorde; de sneeuw had vele winters over de Seisheide gedwarreld, over de heuvel waar Ib in de luwte woonde. De voorjaarszon scheen en Ib zette de ploeg in de grond. Toen sneed hij, naar Ib dacht, een stuk van een vuursteen. Het was net een grote zwarte houtkrul die uit de aarde kwam, en toen Ib het beetpakte merkte hij dat het metaal was, en waar de ploeg in had gesneden schitterde het blank. Het was een zware grote armring van goud uit de heidense oudheid; een graf was hier omgewoeld en de kostbare sieraden waren voor den dag gekomen. Ib liet het aan de dominee zien, die hem vertelde welk een prachtstuk het was, en vandaar ging Ib met het kostbare voorwerp naar de burgemeester die bericht stuurde naar Kopenhagen en hem de raad gaf de kostelijke vondst zelf over te brengen. "Jij hebt in de aarde het beste gevonden dat je kon vinden," zei de burgemeester. Het beste! dacht Ib. Het allerbeste voor mij — en in de aarde! Dan had de zigeunervrouw toch ook gelijk met mij, wanneer dat het beste was! Ib ging met de schuit van Aarhuus naar het koninklijke Kopenhagen; het was als een reis over de oceaan voor hem die niet verder dan Gudenaa was geweest. En Ib kwam in Kopenhagen. De waarde van het gevonden goud werd hem uitbetaald. Het was een grote som, zeshonderd rijksdaalders. Daar liep Ib uit het bos bij de Seisheide in de grote doolhof Kopenhagen. Het was juist de avond vóór hij met een schipper naar Aarhuus terug wilde, dat hij in de straten verdwaald raakte en heel ergens anders terechtkwam dan hij van plan was. Hij was over de Knippelsbrug in Christiaanshaven terechtgekomen in plaats van bij de wallen aan de Westerpoort. Hij ging zeker wel in westelijke richting, maar niet waar hij heen moest. Er was geen mens op straat te zien. Er kwam een heel klein meisje uit een armelijk huis; Ib sprak met haar over de weg die hij zocht. Zij keek hem verbaasd aan en huilde hevig. Nu vroeg hij wat haar scheelde; zij zei iets dat hij niet verstond. Maar omdat zij beiden vlak onder een lantarenpaal stonden en het licht haar in het gezicht scheen, werd het hem wonderlijk te moede, want het was de kleine Christine in levenden lijve die hij zag, precies zoals hij zich haar herinnerde van toen zij beiden kind waren. Hij ging met het kleine meisje het armoedige huis binnen, de smalle, uitgesleten trap op naar een hoog, klein dakkamertje. Er was daarbinnen een zware, zwoele lucht, er brandde geen licht; ergens in een hoek hoorde men zuchten en zwaar ademhalen. Ib stak een lucifer aan. Het was de moeder van het kind, die op het schamele bed lag. "Is er iets waarmee ik jullie kan helpen?" zei Ib. "Dit kleine meisje klampte me aan, maar zelf ben ik vreemd hier in de stad. Zijn hier geen buren of is er niemand die ik kan roepen!" En hij lichtte haar hoofd op. Het was Christine van de Seisheide.
Jarenlang was thuis in Jutland haar naam niet genoemd. Het zou ook Ibs stille gedachten in beroering hebben gebracht en dat was ook niet goed. Gerucht en waarheid meldden dat het vele geld, dat haar man van zijn ouders geërfd had, hem overmoedig gemaakt had; hij had voor zijn vaste betrekking bedankt, had een half jaar in vreemde landen rondgereisd, hij was teruggekomen, had schulden gemaakt en toch verkwistend en overdadig geleefd; meer en meer helde de wagen over en ten slotte kantelde hij. De vele vrolijke vrienden van zijn tafel vertelden van hem, dat het zijn eigen schuld was zoals het hem was gegaan: hij had geleefd als een dwaas! Zijn lijk was op zekere morgen gevonden in de gracht in het slotspark. Christine was doodziek; haar jongste kindje, slechts enkele weken oud, in welstand ontvangen en in ellende geboren, lag reeds in het graf, en nu was het zo ver met Christine dat ze doodziek lag, verlaten op een ellendig kamertje, ellendig zoals zij het in haar jonge jaren op de Seisheide had kunnen uithouden, maar nu was ze beter gewend en voelde de jammer eerst recht. Het was haar oudste kindje, ook een kleine Christine, die met haar in nood was en honger leed en die Ib mee naar boven had genomen. "Ik ben zo bang dat ik sterven moet en dit arme kind alleen moet achterlaten," zuchtte zij, "waar ter wereld moet het heen?" Meer kon ze niet zeggen. Ib stak weer een lucifer aan en vond een stompje kaars; het brandde en verlichtte de armzalige kamer.
En Ib keek naar het kleine meisje en dacht aan Christine toen ze nog jong was; terwille van Christine kon hij vriendelijk zijn tegen het kindje dat hij niet kende. De stervende keek hem aan, haar ogen werden groter en groter. Herkende ze hem? Hij wist het niet, hij hoorde haar geen woord zeggen. Het was in het bos bij Gudenaa, niet ver van de Seisheide; de hemel was grauw, de heide stond zonder bloemen, de stormen uit het westen joegen de gele bladeren uit het bos in de rivier en over de heide, waar het plaggenhutje stond, waar nu vreemde mensen woonden. Maar aan de voet van de heuvel, goed in de luwte achter hoge bomen stond het huisje, gewit en geschilderd, binnen in de kamer brandden turven in de kachel, binnen in de kamer was er zonneschijn: twee kinderogen straalden, uit haar rood lachend mondje klonk het als de slag van de leeuwerik in het voorjaar, er was leven en vrolijkheid — de kleine Christine was er. Ze zat op Ibs knie, voor haar was Ib de vader en moeder, die weg waren. Het is als een droom voor het kind en voor de volwassene. Ib zat in het nette, keurige huisje, een welgesteld man, de moeder van het kleine kind lag op het kerkhof van de armen in het koninklijk Kopenhagen. Ib had geld op de bodem van zijn kist, zeiden ze, gou
Er was eens een jager die zijn zoontje altijd meenam als hij op jacht ging. Terwijl vader dan bazen of patrijzen schoot, ging Jantje als hij moe werd onder een grote boom zitten om zijn boterham op te eten.
Op een goede dag hoorde hij een luid geschreeuw boven zijn hoofd en zag hij een jonge arend die in de takken verward zat. Jantje had medelijden en deelde zijn boterham met het dier. En dat deed hij in het vervolg iedere dag, zodat de arend aan hem gewend raakte. Eindelijk besloot hij het beest te bevrijden. Hij maakte voorzichtig de poten uit de takken los en de arend vloog weg. Maar het dier was zo aan Jantje gehecht geraakt, dat het dagelijks terugkwam en hem dan overal volgde.
Enige jaren later kwamen de Kozakken in het land en ze verschenen ook in het dorp waar Jan woonde. Zijn vader en moeder werden op allerlei manieren door hen geplaagd: al wat Jans vader schoot, aten ze op! En als hij klaagde dat ze hem doodarm maakten, sloegen ze Jans moeder, als vader op jacht was. Doch eindelijk vertrokken ze. En toen besloot Jan zich te wreken. Toen de paarden gezadeld waren, nam hij een steen en gooide ermee, en een van de paarden viel dood neer. Dat verbitterde de Kozakken. Ze zetten Jan dan ook na, pakten hem, bonden hem op een paard en namen hem mee naar Moskou.
Hier dwongen ze hem dienst te nemen, en hij werd Kozak. Natuurlijk werd hij streng in het oog gehouden, want ze waren bang dat hij zou vluchten.
Op een dag, toen ze waren uitgereden, zag Jan een grote vogel boven zich vliegen. En toen hij goed keek, zag hij dat het zijn arend was. Die had hem gezocht en eindelijk in Rusland teruggevonden. Dat bracht hem op een idee. Natuurlijk wilde hij niets liever dan naar het vaderland terugkeren en hij hoopte dat nu te kunnen doen. Hij vertelde dus aan ieder die het maar horen wilde, dat hij van de toren kon springen zonder zich te bezeren. En dat gerucht bereikte eindelijk ook de keizer. Deze wilde dat wel eens zien. Jan moest bij de keizer komen, die hem een grote som geld beloofde als hij zijn kunststuk volbracht.
"Goed," zei Jan, "maar op één voor-waarde: dat u mij het geld van tevoren geeft." Dat vond de keizer best en Jan kreeg het geld. Toen werd hij naar het topje van de toren van Moskou gebracht. En er werden overal soldaten gezet, zodat hij niet stilletjes kon ontsnappen. Het hele plein voor de kerk stond vol mensen, maar Jan bleef rustig op de toren zitten afwachten. Het duurde echter niet lang of hij zag in de lucht een zwarte stip die al nader en nader kwam. Het was zijn geliefde arend. Hij ging naast Jan zitten. Deze klom toen behoedzaam op zijn rug en aldus vlogen ze samen weg. Toen de keizer dat zag, liet hij met geweren en kanonnen op Jan schieten. Maar het geschut droeg zover niet en Jan bleef ongedeerd.
Zo vlogen ze voort, totdat de arend eindelijk neerstreek op de schoorsteen van het huis waar Jans ouders woonden. Hij keek erdoor en zag dat zijn vader mistroostig aan de tafel zat en dat zijn moeder haar tranen niet kon weerhouden. Opeens riep hij: "Vader, moeder, daar ben ik!" En tot aller blijdschap hadden ze hun zoon in goede welstand weerom. Het geld dat hij van de keizer had gekregen, had hij in zijn zak. En zo waren ze rijk.
Op en avond kunnen Jip en Janneke niet slapen en besluiten om naar hun vader en moeder te gaan. Ze doen de slaapkamerduer een klein stukje open en zien vader op de kast zitten. Hij roept naar moeder':''kan ie?''waarop moeder terug roept:''ja, hij kan!'' vader springt van de kast zo op moeder en vraagt:''zit ie?''. ''Ja, hij zit'', antwoordt moeder. Jip en Janneke gaan weer terug naar hun slaapkamer en Jip vraagt aan Janneke:''zullen wij het ook proberen?'' ''Das goed'', zegt Janneke. Jip klimt op de kast en Janneke gaat in bed liggen. ''Hier kom ik'', zegt Jip en duikt naar beneden. ''zit ie''vraagt ie 2 tellen later waarop Janneke terug mompelt ''Mja hjij zjit
De eerste zeven jaren van mijn leven waren perfect, ik was gelukkig en had niet veel zorgen. Vanaf mijn 8e begonnen de problemen, ik werd gepest en vernederd door mijn klasgenoten. Ze vonden mij maar stom en lelijk en ik huilde gewoon waar ze bij waren, eigenlijk best stom als ik er nu over nadenk. Dit ging door totdat ik naar de eerste ging, daar werd alles anders. Ik werd nog wel een beetje gepest en voor dingen uitgemaakt. Ik kon er inmiddels al tegen, vanaf de 2e ging het super. Ik kreeg wat meer vrienden en ik wist ook veel beter hoe ik met jongens om moest gaan. Toch had ik heel veel problemen, ookal vertelde ik dat aan bijna niemand. Mijn zus wilde zelfmoord plegen, door de vele ruzies met mijn vader. Gelukkig was dit alles in de zomer voordat ik naar de 2e wel redelijk opgelost. Tot aan februari ging alles goed, ik was weer een beetje vrolijk en ik begon er met de dag leuker uit te zien. Totdat er in februari iets gebeurde, de stemming in het hele huis veranderde en iedereen kreeg weer ruzie met elkaar. Het was net als al die jaren vanaf mijn 8e. Mijn vader begon mijn zus weer te slaan en ik werd hier zo verdrietig van dat ik mijn eetlust verloor. Ik kon niks meer eten en werd met de dag bleker. Mijn mentor riep me bij zich en vroeg of er wat met me was. Ik antwoordde nee, want ik schaamde me ervoor. Zo ging het de rest van het schooljaar ook en mijn eetlust kwam niet terug. Mijn mentor begon zich nu echt zorgen om mij te maken en belde naar huis. Mijn schoolprestaties waren goed, want ik ben zonder enige onvoldoendes overgegaan. Ik snap nog steeds niet hoe ik dat heb gedaan. Mijn moeder zei tegen mijn mentor dat er niks mis was, soms wat problemen niks ergs. Maar het was wel erg, dat geruzie en geschreeuw kon ik niet verdragen. Het werd algauw zomervakantie en ik ging naar de 3e in september. De hele zomervakantie heb ik buiten doorgebracht, wandelen en winkelen. Toen het 3e schooljaar begon, ging het wel wat moeizaam met school maar ik sleepte me er doorheen. De ruzies hielden thuis niet op en ik ben uiteindelijk weggelopen, ik heb mijn spullen gepakt en ben er gewoon vandoor gegaan. Ik belandde ergens in een ander deel van de stad, ik had zoveel gelopen (had geen geld bij me)en ik was zo moe. Ik belde een hele goede vriend van me, die in de buurt woonde en ik mocht naar hem toe. Toen ik daar aankwam, was het zo rustig bij hem thuis. Ik stapte naar binnen en alles begon ineens te draaien. Ik hoorde hem zeggen: 'Wat ben je bleek..' Alles werd zwart voor mijn ogen en ik werd wakker op een bed. Ik was flauwgevallen van alle emotionele klappen die ik te verwerken had.Een aantal keren daarna ben ik ook nog flauwgevallen. Ik ben niet terug naar huis gegaan. Ik heb mijn ouders gebeld om te zeggen dat het goed gaat en dat ik veilig ben. Ook heb ik gezegd dat ze me me rust moesten laten, dat hebben ze vreemd genoeg ook gedaan.Ik ben daar een paar weken gebleven en ben vervolgens naar een andere vriend gegaan. Een man die ik al heel mijn leven ken en waar ik het heel goed mee kan vinden, hij kon tijdelijk voor mij zorgen (hij was ook mijn peetvader). Hij wist dat ik het heel moeilijk had en hij is als een soort vader voor mij. Hij maakte zich ook zorgen over mij als een vader, want ik viel nog steeds heel veel flauw. Mijn bleekheid verdween ook niet, hij is met me naar de dokter gegaan. Ik heb bloedgeprikt en ik had bloedarmoede. Nu logeer ik nog steeds bij hem, ik ga wel naar school en mijn resultaten zijn ook zo slecht nog niet. Het is niet zeker of ik over ga, maar de kans is wel groot. Ik voel me een stuk beter en met mijn gezondheid gaat het ook beter.
elke nacht weer, de pijn het gevoel. de vreselijke haat. overdag ben ik een normale jongen, ik heb de zelfde problemen als elke andere jongens: meisjes, stoer zijn, er bij horen. maar daar boven op het ik nog een probleem. een groot probleem. een probleem dat begonnen is ver voor de mensheid opstond. even een korte uitleg: vroeg voor de mensheid werd de wereld geleid door dinosauriërs, zeggen ze. maar dat is niet zo. de wereld werd gelijd door een sterk ras. een ras van supermachtige wezens. wezens die elke nacht erop uit gingen in verschikkelijke bloeddige jachten. ze jaagden op andere wezens, de tegen clan. deze sterke wezens leefden veschikkelijk lang. maar de meeste hadden elkaar al vermoord toen de mensen kwamen. behalve een paar stammen. mijn familie is een van die stammen. ik ben 17 jaar oud, alleen ik ben al zo'n 200 jaar 17. een normaal mens wordt elk jaar een jaartje ouder, wij worden dat elke 250 jaar. dus over 50 jaar wordt ik 18. dit bedoelde ik dus met lang leven. maar laat ik nu maar beginnen met mijn verhaal,,
'het is jou beurt!', riep mijn zus boos. 'echt niet!', riep ik terug, 'ik heb het gister al gedaan, jij mag vandaag!' 'leugenaar!' 'hoe durf je je broer zo uit te schelden!', mijn moeder kwam tussen beiden. even dat je het weet, liegen is bij ons een dodelijk iets. dus iemand uitmaken voor een leugenaar is net zo erg bijna als iemand vermoorden. 'maar mam!', probeerde mijn zus nog. 'nee, gealie, ik wil er niets meer over horen! klaar, jij doet het', mijn zus heette thuis Gealiea. maar het werd altijd afgekort tot Gealie. buiten onze familie hadden we allemaal andere namen. mijn naam binnen de familie was Lorcán. maar buiten mijn familie heette ik Cam. onze familie is Iers, dus alle namen zijn Gealic, zoals wij dat noemen. 'goed', snauwde mijn zus, ze sjokte de tent uit. o ja, wij wonen niet in een huis, wij wonen in een groot woud waar niemand ons kan vinden, in een grote hut. zo blijven we beter in contact met onze voorouders, zegt mijn moeder. ik plofte neer op de bank en keek naar buiten. het was bijna weer zover. Pap was zijn harnas al aan het aandoen. mijn zus moest nu de eenhoorns gereedmaken. ja de eenhoorns, wij zijn een mytisch volk, dus staan wij in contact met andere mytische wezens. ze bestaan echt. alleen aan mensen vertonen ze zich niet. mensen zijn niet puur van hart en weten nooit wat ze willen. ons volk wel. helaas. iemand legde een hand op mijn schouder en haalde me uit mijn dagdroom. 'kom op zoon, trek je spullen aan, we gaan erop uit', zei mijn vader. hij had zijn harnas aan. het was een eenvoudig harnas, maar toch zag het er indrukwekkend uit. in zijn heupriem staken normaal twee gouden zwaarden. maar nu zaten er twee zilveren in. 'pap, waar zijn je zwaarden?', vroeg ik. 'hier', he pakte een grote lap stof tevoorschijn. ik sloeg de doek om. in de lap zaten de twee gouden zwaarden. hun handvaten waren gelegd met juwelen, het blad was een combinatie van goud en diamant, zeer krachtig. het waren magische zwaarden, machtige zwaarden. 'ik wil dat jij ze hebt' 'pap, dat kan ik niet aannemen, ik ben nog geen 18' 'in mijn ogen wel, zoon' met trillende hand pakte ik de zwaarden. Gealie had de eenhoorns al klaar. ze hond zet bij de teugels toen wij naar buiten liepen. ze zag de zwaarden aan mijn riep en haar mond viel open. 'Maar hij is nog geen achttien!', schreeuwde ze uit. 'en jij bent nog maar een meisje', zei ik terug. 'oh!', riep ze verontwaardigd. ze draaide zich om en rende de tent in. ik liep naar Avalon, mijn eenhoorn. in de meeste sprookjes zie je altijd dat eenhoorns wit zijn toch? nou nee. eenhoorns zijn net echt paarden alleen met een hoorn en veel machtiger. Avalon was zwart, pik zwart. en hij was al bij me sinds mijn geboorte. voor elk van ons die geboren wordt, komt er een eenhoorn die bij ons past. en zodra we kunnen lopen zoekt de eenhoorn ons op. dan zijn we niet meer te scheidden en blijft hij altijd trouw. mijn vaders eenhoorn, Jres, was een zandkleurige merrie. ik sprong op de rug van Avalon. 'run Avalon, Run', we galoppeerde weg. mijn vader volgde in mijn voetsporen. ik glimlachte. maar er viel weinig te glimlachen.
we stopten in de verzamelplek. we stapten af en gingen bij de andere mannen zitten. 'Lor!', hoorde ik een van de jongens zeggen. ik klopte Avalon op zijn nek en liep naar de jongens toe. 'eindelijk man', zei Kreadra. 'we hebben op jullie gewacht' 'sorry, Gealie was weer eens stom bezig' 'dat heb je met vrouwen', zei Trijka. 'dus wat is de missie?' 'infiltreren in de mensheid', zei de leider die opeens achter ons stond. 'wat?', zeiden alle jongens tegelijk. 'we moeten onze stammen uitbreiden. ons volk is aan het uitsterven. als de jongeren nieuw bloed in onze stammen krijgen worden we weer machtig' 'maar, mensen leven veel korter' 'we turnen ze ook' 'turnen?', riep mijn vader uit. 'dat is gevaarlijk Ozui' 'we moeten het proberen. Jongeren, luister mij aan. vind je andere helft in de wereld der mensen. Turn ze als jullie op het punt staan te turnen' 'maar, we weten niet hoe dat moet!', riep kreadra. 'alles zal duidelijk worden kreadra. alles' Kreadra knikte. Jongens, rij terug verzamel je bezittingen, morgen rijden jullie naar nieuwe adressen in de mensen wereld' we stonden een voor een op en liepen terug naar onze paarden. ik klom op Avalon en reed als de wind terug naar mijn huis. 'Lor?', vroeg mijn moeder verbaasd. 'is de zitting nu al voorbij?' 'nee, de jongens hebben een missie' 'wat?' 'we moeten morgen uitrijden naar de mensen wereld, onze andere helft vinden en haar terug brengen in onze wereld. door haar te Turnen' 'wat?! dat is te gevaarlijk!' 'mam, we kunnen niet tegen Ozui ingaan' 'oh god, mijn jongen. ik moet je iets laten zien', ze pakte mijn hand en lijde mij naar haar en papa's kamer. ze openede met de ketting om haar hals een koker. in die koker zaten twee dingen. een: een rol perkament, 2: een ketting. 'bij de eerste stammen werd deze ketting gemaakt, er is een andere helft van', ze gaf de ketting aan mij. 'het was gemaakt door jou overgrootvader de tweede helft gaf hij aan zijn geliefde, zijn tweede helft. dit is de helft van jou overgrootvader. de andere helft is beland in de Mensen wereld. alleen diegene, bedoeld voor jou, zal de ketting kunnen dragen. andere niet' ik keek haar onbegrijpend aan. 'de magie in deze kettingen zal hun naar elkaar drijven. je zal je tweede helft vinden, door deze ketting. dat weer ik zeker' ik knikte en deed de ketting om. een rijke gloed vulde mijn hart, wijsheid en liefde en magie stroomde in mijn aderen. toen voelde ik het weer. de pijn. het begon. mijn moeder zag het en leidde mij de kamer uit en sloot me op in de stal bij Avalon. hij was het enige wat mij kon beschermen tegen mezelf. de pijn begon bij mijn benen. een vurige pijn. alsof ik verbrande. de pijn steeg. langzaam bereikte het mijn benen en mijn middel. uiteindelijk was mijn hart aan de beurt. de pijn was ondraagelijk. ik sloot mijn ogen. de pijn de vurige pijn die door mijn hart stak was alles waar ik aan kon denken. een duisternis maakte mijn hart koud. het voelde alsof er een groot zwart zeil over mij heen gelegd werd. het zeil bracht een verlichting. het zorgde voor wat verlichting van de pijn. ik voelde er bijna niets meer van. langzaam was de pijn helemaal weg. alleen wist ik niets meer. ik kon me niets meer herinneren. helemaal niets. ik stond op en opende mijn ogen. ik stond in de schuur, met Avalon naast me. hij keek me onzeker aan. ik keek terug. zijn hoorn tikte mijn voorhoofd aan. ik wist het weer. Avalon, mijn eenhoorn. ik liep naar zijn waterbak. en dronk wat. ik keek in de weerspiegeling. en tot mijn schrik stond ik daar niet. het was een monster. een groot zwart donker moster met rode ogen en scherpe tanden. de dorst was niet gelesd door het water. ik wilde iets anders. ik voelde met mijn tong langs mijn hoek tanden, ze waren scherp en puntig en klaar om hun doel te dienen. ik sprong op Avalon and stuurde hem naar het bos. we gallopeerde weg. mijn moeder keek ons na, zoals ze dat elke avond deed. je moet begrijpen dat ik dit niet vrijwillig deed. ik ben puur van hart. maar een vampier zijn heeft nare bij werkingen. vooral voor de jongens. pas bij de leeftijd van 18 begin je je vampier zijn onder controle te krijgen. meisjes hadden hier geen last van, zij hadden het maar eens in de maand. jongens niet. maar ik hoefde nog maar 50 jaar zo door te gaan, dan kon ook beginnen met het controleren van de duistere kant.
Boer Pros zijn zoon gaat trouwen. Maar de boer is altijd nogal verlegen geweest en kan de dingen niet goed uitleggen. Nochtans is het nu wél de hoogste tijd dat hij aan zijn zoon voorlichting geeft...Hij neemt de zoon mee naar de boomgaard. Daar staat een boom met een gaatje op de goeie hoogte, en Pros zegt: "Zoon, stop je ding daar maar eens in, dat is een goeie oefening en dan zal je op de huwelijksnacht weten wat te doen." De boer laat zijn zoon zijn gang gaan en hij verwijdert zich discreet. Nu is hij er gerust in... De huwelijksdag is daar en 's avonds gaat het koppeltje zoals dat op boerderijen nog wel eens het geval is, naar boven, want ze gingen daar inwonen. Boer Pros en zijn boerin zijn wel wat zenuwachtig, en spitsen hun oren om de lieve geluiden van het vrijende paar op te vangen. Maar in plaats van kreuntjes, horen ze dat meisje ineens gillen! Pros en zijn vrouw naar boven, ze gooien de deur open! Staat de zoon daar toch wel in het kutje van zijn nieuwbakken vrouw te porren met een stokje!! Pros roept: "Wat bezielt jou, domme zoon, ik heb je nog wel getoond wat je moet doen!" Waarop de zoon antwoordt: "Jaaaaah, ik zal gek zijn! Zie dat daar wéér een bijennest in zit!"
Een man staat bij de receptie van het hotel. Hij wil juist de man bij de receptie een vraag stellen, als hij per ongeluk tegen een vrouw naast hem stoot, en met zijn elleboog tussen haar borsten botst. Ze zijn beiden even stil. De man draait zich om en zegt: "Mevrouw, als uw hart net zo zacht is als uw borsten, weet ik zeker dat u me dit zult vergeven." Zij antwoordt: "Als je penis net zo hard is als uw elleboog, dan ben ik in kamer 582." Van por
Er was eens een prinses; en die had in haar kasteel, hoog bij de tuinen, een zaal met twaalf vensters, en die keken naar alle hemelstreken. En als ze daar naartoe klom en rondkeek, dan kon ze het hele rijk overzien. Uit het eerste raam zag ze al scherper dan anderen, uit het tweede nog beter, uit het derde nog duidelijker, en zo verder tot aan het twaalfde toe, en van daaruit zag ze alles, wat boven en onder de aarde was; en zo kon niets voor haar verborgen blijven.
Maar omdat ze heel trots was en van niemand de mindere wilde zijn en zelf alleen de heerschappij in handen wilde houden, liet ze afkondigen dat niemand haar heer, meester en gemaal zou worden, die zich niet zo voor haar kon verstoppen, dat het onmogelijk was voor haar om hem te vinden. Maar als iemand het toch probeerde en ze ontdekte hem, dan ging z'n hoofd eraf en 't hoofd bovenop een paal. Er stonden zo al zeven-en-negentig palen met doodshoofden voor het slot, en in lange tijd had zich ook niemand meer aangemeld. De prinses was zeer tevreden en dacht: "Ik blijf mijn leven lang een vrij mens."
Toen kwamen er drie broers bij haar en die kondigden haar aan, dat ze hun geluk wilden beproeven. De oudste meende al geborgen te zijn als hij in een kalkput kroop, maar ze zag hem al uit het eerste venster, liet hem eruit trekken en hem z'n hoofd afslaan. De tweede kroop in de kelder van 't kasteel, en deze zag ze ook al uit het eerste raam, en 't was met hem gedaan, zijn hoofd kwam op paal negen-en-negentig. Toen kwam de jongste voor haar staan en vroeg om een dag bedenktijd, en hij vroeg ook of ze zo genadig wilde wezen om hem tweemaal de proef te laten doen, als ze hem zou ontdekken; mislukte het voor de derde maal, dan kon hij met z'n leven ook niets meer beginnen. Omdat hij zo'n knappe man was en zo smeekte, zei ze: "Ik wil het het je wel toestaan, maar 't zal je niet lukken."
De volgende dag dacht hij er lang over na, hoe hij zich zou verstoppen, maar het was tevergeefs. Toen greep hij z'n buks en ging op jacht. Daar zag hij een raaf en nam hem op de korrel, hij wou juist vuren, toen riep de raaf: "Niet schieten! ik zal het je vergelden!" Hij liet de loop zakken, trok verder en kwam bij een meer waar hij een grote vis betrapte, die uit de diepte naar de oppervlakte was komen zwemmen. Toen hij aanlegde, riep de vis: "Niet schieten! Ik zal het je vergelden!" Hij liet toe dat de vis weer onderdook en ging verder en daar kwam hij een vos tegen; en die vos hinkte. Hij legde aan en schoot mis en toen riep de vos: "Kom liever hier en haal me die doren uit mijn poot." Nu deed hij dat wel, maar dan wilde hij de vos doden en hem z'n pels aftrekken. De vos zei: "Laat dat, ik zal 't je vergelden!" De jonge man liet hem toen maar lopen, en omdat de avond gevallen was, ging hij naar huis.
De volgende dag moest hij zich verstoppen, maar hoe hij er zich z'n hoofd ook over brak, hij wist niet waar hij heen moest. Toen ging hij naar het bos, naar de raaf, en zei: "Ik heb je in leven gelaten; zeg mij nu eens waar ik me verstoppen moet, zodat de prinses me niet kan zien." De raaf liet de kop hangen en dacht er lang over na. Eindelijk kraste hij: "Ik heb het!" Hij haalde een ei uit zijn nest, brak het in tweeën, en sloot de jongeman daarin op, toen maakte hij het weer heel en ging er tenslotte zelf op zitten.
Toen de prinses voor het eerste raam kwam, kon ze hem niet vinden, ook niet voor het volgende raam, en ze begon al bang te worden, maar uit het elfde raam zag ze hem. Ze liet de raaf doodschieten, het ei halen en breken, en de jonge man moest eruit komen. Ze zei: "Eenmaal heb ik je het leven geschonken. Maar als je 't niet beter kunt, dan ben je verloren."
De volgende dag ging hij naar het meer; riep de vis en sprak: "Ik heb je het leven geschonken, zeg mij nu eens hoe ik mij verbergen kan zodat de prinses me niet ziet." De vis dacht lang na, eindelijk riep hij: "Ik heb het! Ik zal je verstoppen in mijn eigen maag." Hij slokte hem op, en ging naar de bodem van de zee. De prinses was al aan het kijken door haar vensters, en ook door het elfde venster zag ze hem nog niet, en ze was uit 't veld geslagen, maar eindelijk, door het twaalfde venster, daar zag ze hem. Ze liet de vis vangen en doodmaken, en daar kwam de jonge man te voorschijn. En iedereen kan zich indenken, hoe het hem te moede was. Zij sprak: "Tweemaal is je de kans gegeven, maar jouw hoofd zal wel op de honderdste paal komen."
De laatste dag ging hij bang naar buiten en hij kwam de vos tegen. "Jij weet altijd alle schuilhoeken," zei hij. "Ik heb je in leven gelaten, maar nu moet je me ook raad geven, waar ik me moet verstoppen, zodat de prinses mij niet kan vinden." - "Dat is moeilijk," zei de vos en zette een bedenkelijk gezicht. Eindelijk riep hij: "Ik heb het!" Hij ging met hem naar een bron. Daar dook hij kopje-onder en hij kwam er uit als marskramer en handelaar in dieren. Dat moest de jonge man ook doen en hij dook eruit op als een zeeslak. De koopman ging naar de stad en liet het aardig beestje overal zien. Er liep een massa volk te hoop om ernaar te kijken. Tenslotte kwam de prinses zelf ook, en omdat ze het een bijzonder leuk dier vond, kocht ze het en betaalde er de koopman voor, een heleboel geld. Voor hij 't haar gaf, zei hij tegen 't diertje: "Als de prinses naar die ramen gaat, kruip dan onder haar vlecht."
Nu kwam de tijd waarop ze hem moest gaan zoeken. Ze ging de rij af, van het eerste raam tot het elfde toe. En ze zag hem niet. En toen ze hem ook door het twaalfde raam niet zag, was ze bang en boos en sloeg het met zoveel geweld dicht, dat het glas van alle ramen stuk sprong en 't hele slot dreunde.
Ze ging de zaal uit, voelde de zeeslak onder haar vlecht en toen pakte ze hem beet, gooide hem neer en riep: "Weg! Uit m'n ogen!" en het dier rende naar de koopman en ze snelden samen weer naar de bron en daar doken ze in en kregen hun werkelijke gedaante weer terug. De jongeman bedankte de vos en zei: "De raaf en de vis zijn nog oerdom bij jou vergeleken, jij weet alles, dat is zeker!"
Rechttoe rechtaan ging de jongeman naar het slot. De prinses wachtte al op hem en schikte zich in haar lot. Er werd bruiloft gevierd, en nu was hij koning, en meester van het hele rijk. Nooit heeft hij haar verteld, waar hij zich voor de derde maal had verstopt, en wie hem behulpzaam was geweest; en zo geloofde ze, dat hij dat alles aan z'n eigen kunst te danken had, en ze had ontzag voor hem, want ze dacht bij zichzelf: "Die kan meer dan jij!"
Een oude legende bij Chinees Nieuwjaar over het monster Nian
Waarom hebben de mensen van vroeger aan de dertigste (de laatste dag van de maand) aan het slot van het jaar de naam gegeven van Oudjaar? En waarom wenst men elkaar dan bij een ontmoeting geluk? Daarachter schuilt een oud verhaal.
Het verhaal gaat dat heel, heel lang geleden de hele wereld overal bewoond werd door giftige slangen en wilde dieren. Dan was er ook nog een monster dat Jaar heette en dat ieder jaar, op de avond van de laatste dag van het jaar, te voorschijn kwam en mensen verslond. Zodra hij zijn bek opende kon hij bij elke inademing talloze mensen verzwelgen. Hoe was dit uit te houden? Zou hij zo niet alle mensen verzwelgen tot er niemand meer over was? De mensen waren radeloos!
Daarop kwamen wat verstandige lieden bijeen om te overleggen: "Zelfs als we naar de hemel vluchten vinden we nog de dood. We moeten een manier bedenken om af te rekenen met dat Jaar!"
Maar wie zou met dat Jaar kunnen afrekenen? Iemand die Grote Maker heette zei: "Ik weet wel een manier!" Die Grote Maker was een oude man met wit haar, witte wenkbrauwen en een witte baard.
Grote Maker zocht Jaar op en zei: "Jaar, jij doet niets anders dan mensen vermoorden. Dat gaat zo niet langer!"
Jaar zag in een oogopslag dat Grote Maker een oude man was die omver geblazen zou worden door het eerste zuchtje wind en hij was helemaal niet onder de indruk. Met een hooghartige glimlach antwoordde hij: "Wie ben je wel dat je je met andermans zaken bemoeit?" Grote Maker zei: "Beschik jij niet over heel grote krachten? Als jij alles kunt verzwelgen, durf jij dan ook de giftige python van de Madangberg te verslinden?"
Waar Jaar de grootste hekel aan had was dat iemand zou zeggen dat hij laf was, en laaiend van woede antwoordde hij: "Dat kost me geen enkele moeite!" En in één hap verzwolg hij de grote python. Grote Maker zei: "Jaar, op de Qilinberg huist een woeste leeuw, durf je die te verzwelgen?"
Jaar antwoordde: "Dat kost me geen enkele moeite!" En in één hap verzwolg hij inderdaad die woeste leeuw. Grote Maker zei: "Op de Tijgerkopklif woont een gevaarlijke tijger, durf je die te verzwelgen?"
Jaar antwoordde weer: "Dat kost me geen enkele moeite!" En in één hap was ook de gevaarlijke tijger opgeruimd. Toen ze daarvan hoorden zijn de giftige slangen, de woeste leeuwen en gevaarlijke tijgers uit de bewoonde wereld weggevlucht om hals over kop een schuilplaats te zoeken in de woeste gebergten en oude wouden, en tot op de dag van vandaag wagen ze het niet daaruit te voorschijn te komen.
Grote Maker maakte zo gebruik van de macht van Jaar om af te rekenen met de giftige slangen, woeste leeuwen en gevaarlijke tijgers. Daarna voer hij, op de rug van Jaar gezeten, ten hemel, want Grote Maker was een onsterfelijke.
Bij zijn vertrek gaf Grote Maker de mensen de opdracht om ieder jaar met Oudjaar stroken rood papier aan weerszijden van de huisdeur te plakken om te voorkomen dat Jaar zou ontglippen naar de wereld hier beneden om opnieuw onheil te veroorzaken - want Jaar was voor niets zo bang als voor de kleur rood.
En zo plakte later iedereen op de laatste dag van het jaar rood papier aan de deur en nog weer later gingen ze op die beide stroken rood papier zegenwensen schrijven en dit werden de 'gepaarde coupletten'. En op Nieuwjaarsdag wenst men elkaar geluk als uiting van dankbaarheid dat men niet door Jaar was verzwolgen. Dit gebruik is overgeleverd van de ene generatie op de andere.