NIEUW: Blog reclamevrij maken?
Foto
Foto
Foto
Foto
Gastenboek
  • Start van alweer een nieuwe week met hartelijke groetjes van mij.
  • Start van alweer een nieuwe week met hartelijke groetjes van mij.
  • Fijne start van de nieuwe week ...
  • Piepelou maatje
  • TERUG MAANDAG LIEVE BLOGGERTJES

    Druk oponderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek

    Laatste commentaren
  • Lieve groetjes vanwege DEWESTHOEK (Annie & Rogier)
        op Super kok Lana
  • goedemorgen (noella)
        op Super kok Lana
  • Fijne maandag! (Rachel Belmans)
        op Super kok Lana
  • fijne zondag ! (meeuw)
        op Eddy op zijn best
  • Zondagse groetjes aan Lana (Monique)
        op Eddy op zijn best
  • Foto
    Foto
    Rondvraag / Poll
    Zou u niet met lana een nachtje in bed willen liggen
    Ja ik wil
    Nee ik wil niet
    Even over nadenken
    Durf jij u bekent maken: ja
    Durf jij u bekent maken :nee
    Bekijk resultaat

    Foto
    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Archief per maand
  • 09-2014
  • 08-2014
  • 07-2014
  • 06-2014
  • 05-2014
  • 04-2014
  • 03-2014
  • 02-2014
  • 01-2014
  • 11-2013
  • 10-2013
  • 09-2013
  • 08-2013
  • 07-2013
  • 06-2013
  • 05-2013
  • 04-2013
  • 03-2013
  • 02-2013
  • 01-2013
  • 12-2012
  • 11-2012
  • 10-2012
  • 09-2012
  • 08-2012
  • 07-2012
  • 06-2012
  • 05-2012
  • 04-2012
  • 03-2012
  • 02-2012
  • 01-2012
  • 12-2011
  • 11-2011
  • 10-2011
  • 09-2011
  • 08-2011
  • 07-2011
  • 06-2011
  • 05-2011
  • 04-2011
  • 03-2011
  • 02-2011
  • 01-2011
  • 12-2010
  • 11-2010
  • 10-2010
  • 09-2010
  • 08-2010
  • 07-2010
  • 06-2010
  • 05-2010
  • 04-2010
  • 03-2010
  • 11--0001
    Blog als favoriet !
    De klinge een dorpje aan de grens
    lana
    http://www.songstube.net/video.php?title=Massachusetts&artistid=16294&artist=Bee%20Gees&id=216967

    Image and video hosting by TinyPic






    .

    .
    14-05-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Ib en de kleine Christine

    Ik en de kleine Christine



    Vlak bij Gudenaa, in de bossen van Silkeborg, verheft zich een heuvelrug als een grote wal. "Aasen" wordt hij genoemd, en tegen die heuvelrug lag en ligt nog steeds aan de westzijde een klein boerenhuis met magere grond; het zand schijnt er door de schrale rogge- en gerstakker. Het is heel wat jaren geleden; de mensen die daar woonden hadden hun akkertje en hadden daarbij nog drie schapen, een varken en twee ossen. In het kort, zij konden best uitkomen wanneer zij de tering naar de nering zetten, ja, ze hadden best een paar paarden kunnen houden, maar zij zeiden, net als de andere boeren daar in Jutland: "Een paard eet zichzelf op!" Het teert op het nut, dat het doet. Jeppe-Jens was 's zomers landbouwer en 's winters een flinke klompenmaker. Hij had daarbij een goede hulp, een knecht die uitstekend klompen kon snijden, die sterk en licht waren en toch van een goed model; lepels sneden zij ook, dat bracht geld binnen, men kon Jeppe-Jens geen bedelaar noemen.
    De kleine Ib, een jongen van zeven jaar en enig kind, zat erbij te kijken. Hij sneed in een houtje en sneed zich ook in de vingers, maar op zekere dag had hij twee stukjes hout gesneden die wel klompjes leken; die moesten, zei hij, aan de kleine Christine worden gegeven. Dat was het dochtertje van de beurtschipper, zij was zo teer en zo lief alsof ze een kind van voorname ouders was; als ze kleren had gehad die net zo mooi waren als zij zelf, dan had niemand geloofd dat zij uit het plaggenhutje op de Seisheide afkomstig was. Daar woonde haar vader, een weduwnaar die de kost verdiende met brandhout vervoeren van het bos naar Silkeborg, ja, dikwijls zelfs helemaal naar Randers. Hij had niemand om op de kleine Christine te passen, die een jaar jonger was dan Ib, en daarom was zij bijna altijd bij haar vader op de schuit en in de heide en tussen de bosbessen; maar wanneer hij helemaal naar Randers moest kwam de kleine Christine bij Jeppe-Jens.
    Ib en de kleine Christine konden het best met elkaar vinden en speelden samen: zij groeven en ze kropen en ze liepen, en op zekere dag waagden zij zich met zijn beiden helemaal tot boven op de heuvelrug en zelfs een eind het bos in, en daar vonden zij snippeëieren, dat was een hele gebeurtenis.
    Ib was nog nooit op de Seisheide geweest, was nog nooit door de meren naar Gudenaa gevaren, maar nu zou het gebeuren; hij was door de beurtschipper uitgenodigd en de avond tevoren ging hij met hem naar huis.
    Op de hoog opgestapelde stukken brandhout in de schuit zaten vroeg in de morgen de twee kinderen en ze aten brood en frambozen. De beurtschipper en zijn knecht boomden — het ging met de stroom mee — in een flinke vaart de rivier af, over de meren, die door bos en biezen leken afgesloten, maar altijd was er toch een doortocht, al bogen zich de oude bomen helemaal over het water en al strekten de eiken hun kale takken uit, alsof zij hun mouwen hadden opgestroopt en hun knokige naakte armen wilden tonen. Oude olmen, die de stroom van de kant had losgemaakt, klemden zich
    met de wortels aan de bodem vast en leken wel kleine boseilandjes; waterlelies wiegden op het water; het was een heerlijke tocht! Toen kwam men bij het paalwerk waar het water door de sluizen bruiste; dat was iets voor Ib en Christine!
    In die tijd was daar nog geen fabriek of stad, er stond alleen maar de oude boerderij, en veel volk was er niet: het neerstorten van het water door de sluis en de kreet van de wilde eend waren toen de enige tekens van leven daar. — Toen nu het brandhout overgeladen was kocht Christines vader een grote zak paling en een klein geslacht varken, dat alles in een grote mand achter in de schuit werd neergezet. Nu ging het huiswaarts, tegen de stroom op, maar zij hadden de wind mee en toen zij een zeil bijzetten ging het even mooi alsof zij door twee paarden werden getrokken.
    Toen zij met de schuit zo vlak bij het bos waren gekomen dat de man, die met bomen hielp, vandaar nog maar een klein stukje naar huis te wandelen had, toen gingen hij en Christines vader aan land. Maar zij zeiden tot de kinderen dat ze toch vooral rustig en voorzichtig moesten zijn. Dat waren zij ook, maar het duurde niet lang; zij moesten en zouden in de mand kijken waar de palingen en het varken waren opgeborgen, het varken moesten zij optillen en vasthouden en daar ze het beiden wilden vastpakken lieten zij het vallen en het viel in het water; daar dreef het met de stroom mee, dat was me iets vreselijks!
    Ib sprong aan land en liep een klein stukje, toen kwam Christine ook: "Neem me mee!" riep ze en toen waren zij spoedig tussen de struiken, ze zagen de schuit of de rivier niet meer; een klein stukje liepen ze nog, toen viel Christine en ze huilde; Ib hielp haar overeind.
    "Kom mee," zei hij. "Het huis ligt aan de overkant." Maar het lag daar niet. Ze liepen en liepen, over verdorde bladeren en droge afgevallen takken, die onder hun voetjes kraakten; nu hoorden ze luid roepen — ze stonden stil en luisterden; daar krijste een arend, het was afschuwelijk. Ze schrokken erg, maar voor hen uit in het bos groeiden heerlijke bosbessen, een ongelofelijke massa. Het was al te verleidelijk om niet te blijven en ze bleven en ze aten en hun mond en wangen werden helemaal blauw. Toen hoorden ze weer roepen.
    "We krijgen vast slaag om het varken!" zei Christine.
    "Laten we naar mijn huis gaan," zei Ib; "dat is hier in het bos!" En ze gingen, ze kwamen op een rijweg maar die leidde niet naar huis. Het werd donker en ze waren bang. De wonderlijke stilte rondom hen werd verbroken door afschuwelijk gekrijs van een grote uil of geschreeuw van vogels die ze niet kenden. Eindelijk liepen zij vast in een bosje. Christine huilde en Ib huilde, en toen ze zo een tijdje hadden gehuild, vlijden ze zich neer in de bladeren en vielen in slaap.
    De zon was al hoog aan de hemel toen ze wakker werden. Zij hadden het erg koud, maar boven op die heuvel vlakbij scheen de zon tussen de bomen. Daar konden ze zich warmen en vandaar, meende Ib, konden ze het huis van zijn ouders zien. Maar ze waren er ver vandaan, in een heel ander deel van het bos. Ze klauterden de heuvel op en stonden op een steile helling aan een helder, doorzichtig meer, de vissen zwommen daar in scholen, belicht door de zonnestralen; het was heel onverwacht wat ze zagen: vlakbij was een grote struik met noten, ja, wel zeven trossen; en ze plukten en kraakten
    die en haalden de fijne kernen eruit die juist tot wasdom waren gekomen -- en toen kwam er nog een verrassing, een schrik. Uit het bosje trad een grote oude vrouw te voorschijn, haar gezicht was helemaal bruin en zij had glanzend zwart haar, het wit in haar ogen schitterde net als bij een neger; zij had een bundeltje op haar rug en een knoestige stok in haar hand: het was een zigeunervrouw. De kinderen verstonden eerst niet wat ze zei, maar zij haalde drie grote noten uit haar zak. In elke noot lagen de heerlijkste dingen verborgen, vertelde ze, het waren wensnoten.
    Ib keek haar aan, ze was toch zo vriendelijk en toen vatte hij moed en vroeg of hij de noten mocht hebben en de vrouw gaf ze hem en plukte voor zichzelf een hele zak vol van de struik.
    Ib en Christine keken met grote ogen naar de drie wensnoten.
    "Zit er een wagen in met paarden ervoor?" vroeg Ib.
    "Er is een gouden koets met gouden paarden!" zei de vrouw.
    "Geef ze mij dan!" zei de kleine Christine en Ib gaf ze haar en de vrouw knoopte de noot in Christines halsdoek.
    "Is er binnen in die noot zo'n aardig klein halsdoekje als Christine om heeft?" vroeg Ib.
    "Er zijn tien halsdoeken," zei de vrouw, "er zijn prachtige japonnen, kousen en hoeden!"
    "Dan wil ik die ook hebben," zei Christine en de kleine Ib gaf haar ook de tweede noot; de derde was klein en zwart.
    "Die moet jij houden!" zei Christine, "die is ook mooi!"
    "En wat is er binnenin?" vroeg Ib.
    "Het allerbeste voor jou!" zei de zigeunervrouw.
    Ib hield de noot vast. De vrouw beloofde hen weer op de goede weg naar huis te brengen en ze gingen, maar in een heel andere richting dan ze moesten gaan. Maar daarom mocht men haar er niet van beschuldigen dat ze kinderen wilde stelen.
    In het woeste bos kwamen zij de woudloper Chraen tegen, hij kende Ib en door hem kwamen Ib en de kleine Christine weer thuis, waar men in grote angst gezeten had; vergiffenis kregen ze, al hadden ze allebei een flink pak slaag verdiend, ten eerste omdat ze het varken in het water hadden laten vallen en ten tweede omdat ze waren weggelopen.
    Christine kwam thuis op de heide en Ib bleef in het kleine huisje in het bos; het eerste dat hij daar 's avonds deed was de noot te voorschijn halen die "het allerbeste" bevatte; hij legde die tussen de deur en de deurpost, sloeg toen de deur dicht en de noot brak, maar er was niets van een gezonde kern te zien, hij zat vol vuil en aarde, hij was wat je noemt wormstekig.
    "Ja, dat dacht ik wel," meende Ib, "hoe zou er ook binnen in die kleine noot plaats kunnen zijn voor het allerbeste! Christine krijgt uit haar twee noten geen mooie kleren of een gouden koets!"
    En de winter kwam en het nieuwe jaar kwam.
    Er verliepen verscheidene jaren. Nu moest Ib op catechisatie en de dominee woonde ver weg. In die zelfde tijd kwam op zekere dag de beurtschipper bij Ibs ouders vertellen
    dat de kleine Christine nu het huis uit moest om haar brood te verdienen. En dat het een groot geluk voor haar was dat zij in goede handen was gevallen en in dienst kwam bij zulke brave mensen; stel je voor, zij zou gaan dienen bij die rijke herbergier in de buurt van Herning, in het westen; daar zou ze moeder de vrouw gaan helpen en later wanneer bleek dat ze geschikt was en ze was aangenomen, dan zouden ze haar houden.
    Ib en Christine namen afscheid van elkaar, men noemde hen het verloofde paar. Zij liet hem bij het afscheid zien dat zij de twee noten nog bezat die ze van hem gekregen had toen zij in het bos verdwaald waren. Ze zei dat ze in haar klerenkist de klompjes bewaarde die hij als jongen gesneden en haar geschonken had. En toen gingen ze van elkaar.
    Ib werd aangenomen, maar hij bleef bij moeder thuis, want hij was een flink klompenmaker en 's zomers paste hij goed op het akkertje; zijn moeder had alleen hem nog maar; Ibs vader was gestorven.
    Slechts zelden, en dan was het door een postbode of een palingboer, hoorden ze iets van Christine; het ging haar goed bij de rijke herbergier en toen ze aangenomen was schreef ze aan haar vader een brief met groeten aan Ib en zijn moeder. In de brief stond iets over zes nieuwe hemden en een prachtige japon, die Christine van haar meester en meesteres had gekregen. Dat waren nog eens goede berichten.


    In de volgende lente, op een mooie dag, werd er geklopt op de deur van Ib en zijn moeder. Het was de beurtschipper met Christine; zij was voor een dag op bezoek, er was juist reisgelegenheid naar Them en weer terug en daar maakte ze gebruik van. Mooi was ze als een echte dame en mooie kleren had ze ook: ze waren keurig gemaakt en ze zaten goed. Zij stond daar in haar beste kleren en Ib was in zijn daagse, oude plunje. Hij wist geen woord te zeggen; wel greep hij haar hand en hield die stevig vast, hij was wel innig blij maar kon geen woord uitbrengen. Dat kon de kleine Christine wel. Zij sprak, zij wist te vertellen en zij kuste Ib op de mond.
    "Ken je me dan niet meer?" zei ze; maar zelfs toen ze alleen waren en hij haar nog steeds bij de hand hield, was alles wat hij kon zeggen: "Je bent net een voorname dame geworden en ik zie er zo verslonsd uit! Wat heb ik aan jou gedacht, Christine, en aan vroeger!"
    En zij gingen gearmd de heuvel op en keken over Gudenaa naar de Seisheide met de hoge heideheuvels; toch zei Ib niets, maar toen zij uit elkaar gingen was het duidelijk voor hem dat Christine zijn vrouw moest worden. Van jongs af aan werden zij immers het verloofde paar genoemd, en dat waren ze ook vond hij, ofschoon zij het geen van beiden hadden uitgesproken.
    Zij konden nog maar enkele uren samen blijven want zij moest weer naar Them terug, vanwaar de volgende morgen vroeg de wagen weer naar het westen ging. Haar vader en Ib gingen mee naar Them. Het was heldere maneschijn en toen ze daar kwamen en Ib Christine nog bij de hand hield, kon hij die niet loslaten, zijn ogen stonden helder, hoewel hij zijn woorden niet kon vinden. Maar wat hij zei kwam recht uit het hart: "Ben je het niet te voornaam gewend," zei hij, "en kun je je erin schikken met mij in mijn moeders huis te wonen, met mij als je man, dan worden wij eenmaal man en vrouw! Maar wij kunnen nog wel wachten!"
    "Ja, laten wij het nog eens aankijken, Ib," zei ze; en toen drukte zij zijn hand en hij kuste haar op de mond. "Ik vertrouw op je, Ib," zei Christine, "en ik geloof dat ik van je houd. Maar laat me er nog eens op slapen!"

    En zo scheidden ze. Ib zei tot de beurtschipper dat Christine en hij nu zo goed als verloofd waren, en de beurtschipper vond dat het net zo was als hij zich altijd gedacht had; hij ging met Ib mee naar huis en sliep daar bij hem in bed en er werd niet meer over de verloving gesproken.
    Een jaar was voorbijgegaan; twee brieven waren tussen Ib en Christine gewisseld: "trouw tot in de dood!" stond er naast de ondertekening. Op zekere dag liep de beurtschipper bij Ib binnen. Hij moest de groeten van Christine overbrengen. Hij had nog meer te vertellen. Het kwam er wat langzaam uit, maar het kwam hier op neer dat het Christine goed ging, meer dan goed, zij was ook werkelijk een knap meisje, geacht en bemind. De zoon van de herbergier was op bezoek thuis geweest, hij had een betrekking bij iets groots in Kopenhagen, hij was op een kantoor; hij hield veel van Christine, hij viel ook in haar smaak, zijn ouders waren ook niet afkerig van een verloving, maar Christine voelde zich erg bezwaard dat Ib nog zo over haar dacht, en zo had zij dan besloten om maar van die goede partij af te zien, zei de beurtschipper.
    Ib zei eerst geen woord maar hij werd zo wit als een doek, schudde zijn hoofd een beetje en toen zei hij: "Christine mag niet van dat huwelijk afzien!"
    "Schrijf haar een paar woorden," zei de beurtschipper.
    En Ib schreef, maar hij kon de juiste woorden niet vinden, hij streepte door en hij verscheurde het... 's morgens was er een brief klaar voor de kleine Christine, hier is hij!
    "De brief die je aan je vader geschreven hebt, heb ik gelezen, en ik zie daaruit dat het je in alle opzichten goed gaat en dat je het nog beter kunt krijgen! Raadpleeg je hart, Christine, en bedenk wel wat je begint wanneer je met mij trouwt! Ik bezit maar weinig. Denk niet aan mij en hoe ik het heb, maar denk aan je eigen voordeel. Aan mij ben je niet door een belofte gebonden en heb je in je hart er mij een gegeven, dan onthef ik jou daarvan. Ik wens je niets dan goeds, kleine Christine. God heeft voor mij wel troost!
    Altijd je toegenegen vriend Ib."

    De brief werd verzonden en Christine ontving hem.


    Op Sint-Maarten kondigde men haar huwelijk af van de preekstoel, in de kerk op de heide en in Kopenhagen waar de bruidegom woonde, en zij reisde er met haar meesteres heen omdat de bruidegom door zijn drukke zaken niet zo lang naar Jutland kon komen. Christine had, volgens afspraak, haar vader getroffen in het dorpje Funder, waar haar weg doorheen voerde en dat voor hem het dichtst bij lag. Daar namen zij afscheid van elkaar. Er werd met enkele woorden over gesproken, maar Ib zei niets. Hij was zo stil geworden, zei-zijn oude moeder. Ja, stil was hij, en zo kwamen hem de drie noten in de gedachte die hij als kind van de zigeunervrouw gekregen had en waar-
    van hij er twee aan Christine had gegeven, het waren wensnoten, in de ene van haar lag immers een gouden koets met paarden, in de andere de mooiste kleren; dat was voldoende! Al die heerlijkheid kreeg zij nu daar in het koninkrijk Kopenhagen! Voor haar ging dat in vervulling! Voor Ib was er in de noot alleen maar zwarte aarde. "Het allerbeste voor hem," had de zigeunervrouw gezegd — zeker, ook dat ging in vervulling, de zwarte aarde was voor hem het beste. Nu begreep hij duidelijk, wat de vrouw bedoeld had: in de donkere aarde, in de verborgenheid van het graf, daar was het voor hem het allerbeste!


    Er verliepen jaren — niet veel, maar wel lange, vond Ib; de oude herbergier en zijn vrouw stierven, de een kort na de ander; het hele vermogen, vele duizenden rijksdaalders, viel de zoon toe. Ja, nu kon Christine haar gouden koets krijgen en mooie kleren, zoveel ze hebben wilde.
    In de twee lange jaren die volgden kwam er geen brief van Christine. En toen de vader er een kreeg, was dat helemaal geen brief die geschreven was door iemand die in welstand en plezier leefde. Arme Christine! Zij noch haar man had maat weten te houden in hun rijkdom, die ging zoals hij kwam, er rustte geen zegen op, want die wilden ze zelf niet.
    En de heide stond in bloei en de heide verdorde; de sneeuw had vele winters over de Seisheide gedwarreld, over de heuvel waar Ib in de luwte woonde. De voorjaarszon scheen en Ib zette de ploeg in de grond. Toen sneed hij, naar Ib dacht, een stuk van een vuursteen. Het was net een grote zwarte houtkrul die uit de aarde kwam, en toen Ib het beetpakte merkte hij dat het metaal was, en waar de ploeg in had gesneden schitterde het blank. Het was een zware grote armring van goud uit de heidense oudheid; een graf was hier omgewoeld en de kostbare sieraden waren voor den dag gekomen. Ib liet het aan de dominee zien, die hem vertelde welk een prachtstuk het was, en vandaar ging Ib met het kostbare voorwerp naar de burgemeester die bericht stuurde naar Kopenhagen en hem de raad gaf de kostelijke vondst zelf over te brengen.
    "Jij hebt in de aarde het beste gevonden dat je kon vinden," zei de burgemeester.
    Het beste! dacht Ib. Het allerbeste voor mij — en in de aarde! Dan had de zigeunervrouw toch ook gelijk met mij, wanneer dat het beste was!
    Ib ging met de schuit van Aarhuus naar het koninklijke Kopenhagen; het was als een reis over de oceaan voor hem die niet verder dan Gudenaa was geweest. En Ib kwam in Kopenhagen.
    De waarde van het gevonden goud werd hem uitbetaald. Het was een grote som, zeshonderd rijksdaalders. Daar liep Ib uit het bos bij de Seisheide in de grote doolhof Kopenhagen.
    Het was juist de avond vóór hij met een schipper naar Aarhuus terug wilde, dat hij in de straten verdwaald raakte en heel ergens anders terechtkwam dan hij van plan was. Hij was over de Knippelsbrug in Christiaanshaven terechtgekomen in plaats van bij de wallen aan de Westerpoort. Hij ging zeker wel in westelijke richting, maar niet waar hij heen moest. Er was geen mens op straat te zien. Er kwam een heel klein meisje uit een armelijk huis; Ib sprak met haar over de weg die hij zocht. Zij keek hem verbaasd aan en huilde hevig. Nu vroeg hij wat haar scheelde; zij zei iets dat hij niet verstond.
    Maar omdat zij beiden vlak onder een lantarenpaal stonden en het licht haar in het gezicht scheen, werd het hem wonderlijk te moede, want het was de kleine Christine in levenden lijve die hij zag, precies zoals hij zich haar herinnerde van toen zij beiden kind waren. Hij ging met het kleine meisje het armoedige huis binnen, de smalle, uitgesleten trap op naar een hoog, klein dakkamertje. Er was daarbinnen een zware, zwoele lucht, er brandde geen licht; ergens in een hoek hoorde men zuchten en zwaar ademhalen. Ib stak een lucifer aan. Het was de moeder van het kind, die op het schamele bed lag.
    "Is er iets waarmee ik jullie kan helpen?" zei Ib. "Dit kleine meisje klampte me aan, maar zelf ben ik vreemd hier in de stad. Zijn hier geen buren of is er niemand die ik kan roepen!" En hij lichtte haar hoofd op.
    Het was Christine van de Seisheide.

    Jarenlang was thuis in Jutland haar naam niet genoemd. Het zou ook Ibs stille gedachten in beroering hebben gebracht en dat was ook niet goed. Gerucht en waarheid meldden dat het vele geld, dat haar man van zijn ouders geërfd had, hem overmoedig gemaakt had; hij had voor zijn vaste betrekking bedankt, had een half jaar in vreemde landen rondgereisd, hij was teruggekomen, had schulden gemaakt en toch verkwistend en overdadig geleefd; meer en meer helde de wagen over en ten slotte kantelde hij. De vele vrolijke vrienden van zijn tafel vertelden van hem, dat het zijn eigen schuld was zoals het hem was gegaan: hij had geleefd als een dwaas! Zijn lijk was op zekere morgen gevonden in de gracht in het slotspark.
    Christine was doodziek; haar jongste kindje, slechts enkele weken oud, in welstand ontvangen en in ellende geboren, lag reeds in het graf, en nu was het zo ver met Christine dat ze doodziek lag, verlaten op een ellendig kamertje, ellendig zoals zij het in haar jonge jaren op de Seisheide had kunnen uithouden, maar nu was ze beter gewend en voelde de jammer eerst recht. Het was haar oudste kindje, ook een kleine Christine, die met haar in nood was en honger leed en die Ib mee naar boven had genomen.
    "Ik ben zo bang dat ik sterven moet en dit arme kind alleen moet achterlaten," zuchtte zij, "waar ter wereld moet het heen?" Meer kon ze niet zeggen.
    Ib stak weer een lucifer aan en vond een stompje kaars; het brandde en verlichtte de armzalige kamer.

    En Ib keek naar het kleine meisje en dacht aan Christine toen ze nog jong was; terwille van Christine kon hij vriendelijk zijn tegen het kindje dat hij niet kende. De stervende keek hem aan, haar ogen werden groter en groter. Herkende ze hem?
    Hij wist het niet, hij hoorde haar geen woord zeggen.
    Het was in het bos bij Gudenaa, niet ver van de Seisheide; de hemel was grauw, de heide stond zonder bloemen, de stormen uit het westen joegen de gele bladeren uit het bos in de rivier en over de heide, waar het plaggenhutje stond, waar nu vreemde mensen woonden. Maar aan de voet van de heuvel, goed in de luwte achter hoge bomen stond het huisje, gewit en geschilderd, binnen in de kamer brandden turven in de kachel, binnen in de kamer was er zonneschijn: twee kinderogen straalden, uit haar
    rood lachend mondje klonk het als de slag van de leeuwerik in het voorjaar, er was leven en vrolijkheid — de kleine Christine was er. Ze zat op Ibs knie, voor haar was Ib de vader en moeder, die weg waren. Het is als een droom voor het kind en voor de volwassene. Ib zat in het nette, keurige huisje, een welgesteld man, de moeder van het kleine kind lag op het kerkhof van de armen in het koninklijk Kopenhagen.
    Ib had geld op de bodem van zijn kist, zeiden ze, gou

    14-05-2014 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (2)
    13-05-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zus van Lana



    Rode sjaal

    Een jonge man van 25 jaar word op een doordeweekse dag wakker en vindt tot zijn eigen verbazing dat deze over de nacht een lul van drie meter had gekregen. Hij gaat langs bij de dokter en toont zijn dilemma. "Nou ja", zegt de dokter, "ik kan u enkel maar morgenmiddag van deze laster verhelpen. "Maar dokter", zegt de man, "ik moet vanavond al naar de cinema." "Hmm, weet je wat, ik zal je lid momenteel rond je nek leggen als sjaal en kom jij morgenmiddag om 3 uur maar eens langs." De man is enigszins opgelucht en gaat die avond zijn film in de cinema kijken. De film verloopt lekker tot er opeens een seksscene begint met Sharon Stone. Terwijl de sekscene nog volop bezig is, weerklinkt er een luide stem langs de microfoon en die zegt: "Wil de heer met de rode sjaal alstublieft stoppen met sneeuwballen gooien!!"

    13-05-2014 om 22:15 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    » Reageer (2)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Thijs eerste dag op de middelbare



    Thijs eerste dag op de middelbare



    Thijs is een jongen die voor het eerst naar de middelbare gaat. Hij vind het erg lastig en wil graag een stoere indruk maken.

    Op een zonnige Maandagmorgen wordt Thijs wakker en stapt uit bed. Hij let goed op welk been hij het eerst op de vloer zet. Rechts of links? Welke is beter. Hij voetbalt met zijn rechterbeen en besluit dat been als eerste op de vloer te zetten. Dan is hij in ieder geval niet met het verkeerde been uit bed gestapt. Hij kleed zich aan t is lekker warm dus een shirt met korte mouwen en een korte broek. Hij gaat naar beneden om te ontbijten. Mmm... Lekker, gebakken ei met spek. Als hij even later op de fiets naar school wil gaan ziet hij dat hij een platte band heeft. Toch maar naar school gaan? Of eerst even plakken? Ik kan niet lopen denkt hij dan kom ik te laat. en plakt toch maar zijn band.

    Hij komt nog net op tijd op school aan. Hij komt hijgend de klas binnen en de meester vraagt of hij zijn tanden met schoensmeer poetst. Zijn handen waren nog hartstikke smerig! Ga ze maar snel wassen meneertje fietsenmaker. Iedereen lacht. Met een rood hoofd loopt hij naar de wc. Als hij even later in de klas zit moet de zogenaamd ‘grappige’ meester hem de hele tijd hebben. Aan het eind van de les verteld de meester nog even een mop. De slimste jonge, de schoonste jonge en de smerigste jonge gaan naar een meester die alles weet van alle kindertjes. De slimste jonge gaat naar binnen en komt even later weer naar buiten met een blij gezicht, hij is nog steeds de slimste! Voor de schoonste jonge hetzelfde verhaal, maar als de smerigste jonge even later naar buiten komt is hij erg verdrietig. En vraagt aan de andere jongens: wie is Thijs? De hele klas lacht. Dan gaat de bel. Het is pauze. Als hij op het plein loopt roepen de populaire jongens: hé smeerlap ga je mee naar de supermarkt. Thijs wil wel. Als ze voor de super staan zegt een van de jongens: als jij ons op ijs trakteert hoor je bij ons. Thijs loopt naar binnen haalt een pak ijs en deelt uit. De populaire jongens vinden het wel fijn. De volgende dag is het hetzelfde liedje. Dag nummer drie is hij het zat en zegt: jullie mogen ook eens trakteren! Oké, dan hoor je toch niet meer bij ons zegt een van de jongens.

    Donderdag geven de populaire jongens hem toch nog een kans en hij gaat een reep chocolade halen om te trakteren. Als hij Vrijdag geen geld meer heeft mag hij niet meer bij het groepje horen. Hij vind het niet eens erg. Hij heeft helemaal niks aan deze vrienden, ze gebruiken hem alleen maar. Dat zijn geen vrienden.

    Maandag gaat Thijs in de pauze bij de andere buitenbeentjes zitten. Zij vinden hem wel aardig en vragen of hij meedoet met een supermarktbezoekje. Dan moet ik zeker betalen? Nee we leggen allemaal 50ct op tafel en dat kopen we met zijn allen wat lekkers. Dat doen ze en Thijs heeft een hele wijze les geleerd.

    13-05-2014 om 13:55 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (1)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Drie zwarte prinsessen

    De Drie zwarte prinsessen



    Oostindië werd belegerd door de vijand en hij wou niet wegtrekken van de stad, eerst moest de vijand zeshonderd daalders hebben! Toen lieten ze het omroepen: wie dat kon betalen, die zou burgemeester worden. Nu was er arme visser, en die was op zee aan ‘t vissen met zijn zoon, en daar kwam de vijand en nam z’n zoon gevangen en gaf hem daar zeshonderd daalders voor. Toen ging de vader erheen en gaf het aan de heren in de stad, en de vijand trok weg, en de visser werd burgemeester. En toen liet hij omroepen, wie niet "meneer de burgemeester" zei, die moest aan de galg. Nu kwam de zoon weer uit handen van de vijand, en kwam in een heel groot bos op een hoge berg. Hij klom de berg op, en toen was daar een heel groot betoverd slot, en stoelen en tafels en banken en die waren allemaal met zwart floers overtrokken. En toen kwamen er drie prinsessen, allemaal in ‘t zwart gekleed, alleen hadden ze een klein beetje wit in hun gezicht, en die zeiden tegen hem, hij moest maar niet bang wezen, ze zouden hem niets doen, maar hij kon hen verlossen. Toen zei-ie, ja, dat wou hij graag doen, als hij maar wist hoe. Toen zeiden zij: hij moest een heel jaar niet met hen praten, en hen ook niet aankijken, en wat hij graag wilde hebben, dat moest hij maar gerust zeggen, als ze er op antwoorden mochten, zouden ze ‘t doen. Toen hij daar nu een tijd geweest was, zei hij, dat hij zo graag nog naar z’n vader wou gaan, en ze zeiden, dat moest hij maar doen en deze buidel met geld moest hij meenemen, en deze kleren moest hij aantrekken, maar hij moest in acht dagen terug zijn.
    Daar opeens werd hij opgetild, en meteen was hij in Oostindië. Maar daar kon hij zijn vader – in de vissershut – niet meer vinden, en hij vroeg de mensen, waar die arme visser toch gebleven was, maar toen zeiden ze, dat mocht hij helemaal niet zeggen, dan kwam hij aan de galg. Nu kwam hij bij zijn vader, en hij zei: "Maar visser, hoe ben je daar zo toe gekomen?" en toen zei die: "Dat moet je niet zeggen, want als de heren van de stad dat merken, dan kom je aan de galg!" Maar hij wilde het niet laten, en hij werd naar de galg gebracht. Toen hij daar was, zei hij: "Acht mijne heren, geef me toch verlof om nog eens naar de oude vissershut te gaan." Dan doet hij z’n oude kiel aan; en komt dan weer voor de heren en zegt: "Zien jullie het nu wel? Ben ik niet de zoon van de arme visser? In deze kleren heb ik voor mijn vader en mijn moeder het brood verdiend." Toen herkenden ze hem en vroegen hem om vergiffenis en één neemt hem mee naar huis, en hij vertelde alles hoe het hem gegaan was, dat hij in een bos gekomen was op een hoge berg, en dat hij die berg had beklommen, en dat hij toen in een betoverd slot was gekomen, waar alles zwart was geweest, en daar waren drie prinsessen gekomen, en die waren ook zwart geweest, maar met een witte vlek in hun gezicht. En die hadden hem gezegd, dat hij niet bang moest wezen, maar dat hij hen kon verlossen. Toen zei z’n moeder, dat kon wel eens niet pluis wezen, en hij moest maar een gewijde waskaars meenemen en hun wat gloeiende was in ‘t gezicht druppelen.
    Hij gaat er weer naar toe, en hij had een gruwel van hen, en toen druppelde hij hen alle drie was op ‘t gezicht, toen ze sliepen; en toen werden ze alle drie half wit. Daar sprongen alle prinsessen op, en riepen: "Jij vervloekte hond, ons bloed zal ons wreken; en nu is er geen mens ter wereld en er komt er ook geen meer, die ons verlossen kan; we hebben nog drie broers, en die zijn in zeven kettingen gesloten, en die zullen je verscheuren." Toen kwam er een gekrijs in ‘t hele slot, en hij sprong het venster nog uit en brak zijn been, en ‘t hele slot zonk in de grond, de berg was weer dicht, en niemand weet, waar het geweest is.

    13-05-2014 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (4)
    12-05-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Romeo en Julia
    Romeo en Julia

    ( William Shakespeare )

    Op een ochtend heel lang geleden in het plaatsje Verona in Italië liep Benvolio door het stadje. Als hij een hoek omgaat ziet hij zijn neefje Romeo van zestien lopen. "Goedemorgen Romeo wat doe jij hier zo vroeg in de ochtend?". Romeo antwoordde "Ik ben verliefd Benvolio op de mooie Rosalinde, dus laat mij alleen met mijn gevoelens" Benvolio schrikt hiervan en snapt waarom Romeo alleen gelaten wilt worden. Rosalinde is van de familie Capulets en die zijn aartsvijanden van de Montecchi en Romeo is een Montecchi.

    Benvolio vind het zielig voor Romeo en weet wel iets om hem te helpen. "Ik ga vanavond naar een gemaskerd bal wat gegeven wordt door de Capulets en daar zal Rosalinde ook wel zijn, Als wij een masker opdoen herkent niemand ons maar kan je wel bij Rosalinde komen".

    De zaal was mooi versierd. Romeo had het masker van een pelgrim op en een zware lange mantel. Onherkenbaar dus. Toen Romeo met Benvolio aan het praten was, hoorde Tybalt de broer van Rosalinde dat het Romeo Montecchi was. Hij trok het masker van Romeo af en wilde vechten met hem. De vader, Graaf Capulet, hield hen tegen. "Volgens de nieuwe wet word je zelf ter dood veroordeeld als je van iemand van de andere groep dood maakt" zei Graaf Capulet.

    Romeo mocht op het feest blijven, maar alleen als hij zijn masker op hield.
    Plotseling zag Romeo een opvallend meisje staan. Ze heette Julia en Romeo had nog nooit zo een mooi meisje gezien en was meteen Rosalinde vergeten. Romeo ging met Julia dansen en ze werden verliefd. Toen vertelde Julia dat zij de dochter was van Graaf Capulet was, Romeo families aartsvijand dus. Haar ouders wilden dat Julia zou gaan trouwen met Graaf Paris. Romeo kon dit niet aanhoren en verliet de zaal met een sip gezicht.

    Hij bleef nog een beetje rondhangen in de schaduw van de bomen rond het huis van de Capulets. Toen zag hij Julia op het balkon staan. Tegen de sterren vertelde zij hoe geweldig zij Romeo vond. Romeo kwam tevoorschijn en zachtjes riep hij naar Julia, Zij zag hem staan en zij vertelde elkaar hoe erg zij van elkaar hielden.Romeo moest en zou een zoen krijgen van zijn grote liefde en via de klimop langs de muur klom hij naar het balkon en ze gaven elkaar een heerlijk lange zoen.
    De volgende ochtend vroeg Romeo aan broeder Lorenzo of hij hem en Julia wilde trouwen. Lorenzo wilde dat doen. Als ze trouwen staat niets hun niets meer in de weg. Romeo en Julia ontmoeten elkaar toen op een geheime plek in het bos en Broeder Lorenzo trouwde Romeo en Julia.

    Romeo liep gelukkig weg en kwam z'n vrienden tegen. Zij vertelde Romeo dat Tybalt om drie uur met Romeo wilde vechten omdat Romeo op het gemaskerd bal was geweest zonder uitnodiging.
    Romeo ging naar de afgesproken plek maar hij wou niet vechten. Tybalt was natuurlijk ook familie van Julia . Tybalt wilde en begon Romeo en zijn vrienden uit te dagen. Tybalt duwde Romeo en toen sprong Mercutio (een vriend van Romeo) tussenbeide net toen Tybalt Romeo met een mes wilde neersteken. Romeo ving Mercutio op en hij stierf in de armen van Romeo. Romeo werd woest en viel Tybalt aan. Tybalt had nog steeds het mes in handen. Romeo en Tybalt rolden over de grond en ineens slaakte Tybalt een kreet. Romeo stond op en nu had hij het bebloede mes in zijn hand. Tybalt lag op de grond en hij was ook dood.
    Romeo werd niet veroordeeld tot de dood, omdat hij het deed uit woeden, omdat Tybalt, Mercutio had vermoord. Romeo werd wel voor altijd uit de stad verbannen.


    Die avond ging Romeo stiekem naar Julia. Ze gingen samen naar bed….
    Romeo wist niet wat hij moest doen: weggaan en blijven leven of hier blijven en sterven.
    Julia kon het niet aanzien als haar geliefde moest sterven en zei dat hij maar weg moest gaan.
    's Ochtends kreeg ze van haar ouders te horen dat ze donderdag met graaf Paris moest trouwen. Julia werd woest en zei dat ze nog liever op straat zou gaan wonen. Haar vader werd woedend. Hij zei als ze niet met hem gaat trouwen dan moest Julia ook maar op straat gaan wonen.

    Julia trok haar mantel aan en ging naar broeder Lorenzo. Ze vroeg hem om raad. Broeder Lorenzo maakte een drankje en dan zou Julia tweeënveertig uur dood lijken. Als ze dan dood lijkt, gooien haar ouders haar in het familiegraf en als ze dan weer wakker wordt kan ze samen met Romeo een nieuw leven beginnen buiten de stad.

    Julia nam het drankje en haar ouders dachten dat zij ook echt dood was en brachten haar naar de grafkelder van de Capulets
    Romeo kreeg een briefje van een vriend van hem waar op stond dat Julia dood was. Hij wist niet dat het om schijndood ging. Hij wilde ook niet meer leven als zijn geliefde dood was en ging naar de apotheek en haalde een gif. Zo kon hij ook dood kon gaan en voor altijd bij Julia kan zijn. Hij ging naar het familiegraf waar Julia lag, hij dronk het gif en stierf. Een paar seconden later werd Julia wakker en zag Romeo dood liggen. Ze kuste Romeo en stierf van het gif dat nog aan zijn lippen zat.

    EINDE

    12-05-2014 om 21:51 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Verstoppertje

    Verstoppertje



    Lotte, Lieneke en Tom komen uit school. Dat kunnen ze best alleen, want school is dichtbij. Lotte zit in groep drie. Lieneke ook. En Tom ook. Ze wonen in een huis en zijn even oud. Een drieling heet dat. Ze rennen de trap van de flat op en ploffen neer op het bed. ,,Hehe" zucht Lotte. ,,Eindelijk weekend. Twee dagen niet naar school." Mama komt de kamer binnen. ,,Hé, zijn jullie nu al thuis? Dat hebben jullie snel gedaan." Lieneke knikt. ,,En," vraagt Mama. ,,Hoe was het op school?" ,,Leuk mam!" Zegt Tom enthousiast. ,,We hebben het woordje vis geleerd. V-i-s, goed he?" ,,Heel goed," knikt mama. ,, Willen jullie wat drinken?" ,,Ja natuurlijk," zegt Lieneke ze gaan op de bank zitten en drinken hun drinken op. ,,En, wat gaan we nu doen?" vraagt Tom. ,,Ik weet wat" roept Lotte. ,,We gaan verstoppertje doen!" ,,Daar is het huis toch veel te klein voor," zegt Tom ,,Het kan best hoor," zegt Lieneke. ,,Ik ben hem wel, ik tel tot twintig, dat hebben we net geleerd op school." Lieneke telt. ,,Een, twee, drie." Lotte en Tom zoeken alvast een plekje op. Lotte gaat achter de bank en Tom gaat onder het bed van papa en mama. ,,Achttien, negentien, twintig. Wie niet weg is, is gezien ik kom!" Lieneke kijkt om zich heen. Ze ziet niemand. Of toch wel? Daar ziet ze oppeens een paar blonde haren bewegen. Ze loopt er voorzichtig naar toe. ,,Ik heb je gezien," roept ze. Maar tot haar grote verbazing is het Bo, de kat! Lotte heeft alles gezien en lacht zachtjes. Maar dat heeft Lieneke gehoord en loopt naar de bank toe. Daar kijken twee blauwe ogen haar aan. Ze rennen allebei naar de paal waar Lieneke is begonnen met tellen en tikken hem aan. Lieneke was het eerst. ,,Gelukkig" zucht Lieneke opgelucht. ,,Nu moet je Tom nog zoeken" zegt Lotte. ,,O ja, dat was ik bijna vergeten" lacht Lieneke. Lieneke zoekt in de woonkamer,en in de keuken, maar ze kan hem niet vinden. ,,Lotte, wil je alsjeblieft mee helpen met zoeken, ik kan hem nergens vinden" vraagt Lieneke. ,,Tuurlijk" zegt ze. ,,Ik kijk wel op het balkon, dan moet jij even in de badkamer zoeken. ,,Oke, zegt Lieneke. Ze zoeken heel lang, maar kunnen hem echt niet vinden. ,,Ik geef het op hoor" zegt Lieneke. ,,Wacht eens even" roept Lotte oppeens. ,,Misschien is hij in onze slaapkamer" zegt Lotte. ,,Daar hebben we nog niet gezocht!" ,,Dat zou best kunnen" zegt Lieneke. Lieneke loopt naar de slaapkamer en hoort daar gebrom. ,,Lotte, kom eens! Ik hoor wat raars!" Lotte komt aangerend en luistert aan de deur. ,,Ik weet niet wat het is" zegt ze. ,,Durf jij de deur open te doen?" vraagt Lieneke. Lotte aarzeld. Dan haalt ze diep adem en doet de deur open. Dan beginnen ze allebei hard te lachen. Tom ligt daar op het bed. Hij slaapt. Van hun gelach wordt hij wakker. ,,Ja" mompelt hij. ,,Het duurde zo lang." Even later vertelt Lieneke het hele verhaal aan papa en mama. ,,En we zochten overal, maar konden Tom nergens vinden" zei ze. ,,Ja, en we waren zelfs nog bang van zijn gesnurk" lacht Lotte. Als ze s`avonds in bed liggen praten ze nog even over de spannende dag. ,,Ja" zegt Tom. ,,En morgen doen we het weer."

    12-05-2014 om 19:07 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    » Reageer (1)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zus van Lana



    Eerste huwelijksnacht

    Wat zegt een begravenis ondernemer in de eerste huwelijksnacht tegen zijn bruid?
    "Moet de familie hem nog zien of kan hij er zo in?"

    12-05-2014 om 07:28 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (4 Stemmen)
    » Reageer (3)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zus van Lana

    Zwerver gepakt in zijn slaap

    Een homofiele man komt altijd met het openbaar vervoer naar huis en moet dan een stukje door het park lopen, op een dag ziet hij een totaal bezopen zwerver die zijn roes uitslaapt liggen op een bankje van het park en denkt: "Sls ik die sloeber nu eens een
    beurt geef, er is toch niemand die het ziet." Als hij klaar is vindt hij het toch wel een beetje zielig en legt een briefje van 20 euro onder zijn hoofd. Eenmaal wakker geworden vind die zwerver dat geld onder zijn hoofd en gaat hiermee rechtstreeks naar de slijter om bier te kopen. Dit de rest van de dag gedronken valt de zwerver weer in slaap op dat bankje, 's Avonds komt die homofiel weer van zijn werk en flikt dat geintje weer en legt wederom geld onder zijn hoofd. De zwerver gaat met dat geld de volgende dag weer naar de slijter, deze roept bij het binnenkomen van de zwerver: "Jij komt zeker weer een kratje Heineken halen". Zegt die zwerver: "Doe mij maar Dommelsch, want van Heineken krijg ik toch een pijn in m'n reet!"

    12-05-2014 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    11-05-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Schipbreuk

    Een jonge man was mee op een cruise in de Caraïbische Zee. Het was er prachtig, het was de ervaring van zijn leven. Maar dat duurde niet lang. Plotseling stak er een wervelstorm op en het cruiseschip zonk vrijwel onmiddellijk. Palm
    De man spoelde aan op het strand van een eiland. Hij keek eens wat rond en zag bananen en kokosnoten, maar dat was het dan ook wel zo'n beetje. Er was verder niets te zien. Geen mensen, geen huizen, niets. Hij was wanhopig en verlaten, maar hij besloot er het beste van te maken. Dus de volgende vier maanden at hij bananen, dronk hij kokosnotensap en meestal keek hij naar de zee, hopend op een schip dat hem zou komen redden.
    Op een dag zag hij dat er vanaf de hoek van het eiland een roeiboot kwam aanvaren. In de roeiboot zat de mooiste vrouw die hij ooit had gezien. Ze was lang, gebruind, en haar golvende blonde haar gaf haar een bijna hemels uiterlijk. Ze roeide haar boot naar hem toe.Kano
    In ongeloof vroeg hij: "Waar kom je vandaan? Hoe kom je hier?"
    Ze zei: "Ik kom vanaf de andere kant van het eiland. Ik ben hier beland nadat mijn cruiseschip gezonken is."
    "Verbazingwekkend", zei hij, "ik wist niet dat nog iemand anders het overleefd had. Met hoeveel zijn jullie? Je moet echt geluk gehad hebben dat er een roeiboot tegelijk met je is aangespoeld."
    "Ik ben alleen", zei ze, "en verder is er niets of niemand aangespoeld."
    "Nou", zei de man, "hoe kwam je dan aan de roeiboot?"
    "Ik maakte de roeiboot van materiaal dat ik op het eiland vond", antwoordde de vrouw. "De riemen zijn gemaakt uit boomtakken van de gomboom, de bodem heb ik gevlecht van palmtakken, en de zijden en de achtersteven komen van een eucalyptusboom."
    "Maar, maar", vroeg de man, "hoe zit het met de gereedschappen, hoe heb je die gemaakt?" Palm
    "Oh, geen probleem", antwoordde de vrouw, "er is op dit eiland een zeer ongewone laag rots die zich aan de zuidkant van het eiland aan de oppervlakte bevindt. Ik ontdekte dat wanneer ik het verwarmde tot een bepaalde temperatuur, het smolt tot een smeedbaar, buigzaam ijzer. Dat gebruikte ik om de gereedschappen te maken. Maar genoeg hierover, waar woon je?"
    De man moest bekennen dat hij geslapen had op het strand.
    "Nou, laten we dan naar mijn plekje roeien", zei ze.
    Dus gingen ze beiden in de roeiboot en gingen naar haar kant van het eiland. De vrouw roeide hen vlot naar een kade die naar de toegang leidde tot haar stekje. Ze bond de roeiboot vast met een mooi geweven touw van hennep. Ze liepen een stenen trap op en boven stond een prachtige blauw wit geschilderde bungalow.
    "Het is niet veel", zei ze, "maar ik noem het toch mijn thuis. Wil je iets drinken?"
    "Nee", zei de man, "nog een keer kokosnotensap en ik moet kotsen."
    "Ik zal je geen kokosnotensap geven", antwoordde de vrouw. "Ik heb een branderij, wat vindt je van Pina Colada?"
    Om zijn voortdurende verbazing te verbergen, stemde de man toe en gingen ze op haar bank zitten om wat te praten. Na een poosje en nadat ze hun verhalen hadden uitgewisseld, vroeg de vrouw: "Vertel me eens, heb je altijd al een baard gehad?"
    "Nee", antwoordde de man, "ik was heel mijn leven goed geschoren, zelfs op het cruiseschip."
    "Nou, als je je zou willen scheren, er is een scheermes boven in het kastje in de badkamer."
    De man, die zich niet langer meer iets afvroeg, ging naar boven naar de badkamer. Daar in het kastje was een scheermes met een benen handvat, de snede was vastgezet met twee schelpen die aan het einde waren bevestigd aan een draaibaar mechanisme. De man schoor zich en nam een douche en ging terug naar beneden.
    "Je ziet er fantastisch uit", zei de vrouw, "we zijn hier allebei een lange tijd zonder gezelschap geweest. Je weet wat ik bedoel. Ben je eenzaam geweest, is er iets dat je echt mist? Iets dat alle mannen en vrouwen nodig hebben. Iets waarvan je het leuk zou vinden om het nu te hebben?"
    "Ja dat is er", antwoordde de man, wanneer hij dichter bij de vrouw ging zitten terwijl hij haar met een aantrekkelijke blik aankeek, "je bedoelt dat je nog geen manier gevonden hebt om een Internetverbinding te maken?"

    Mailbom

    11-05-2014 om 22:21 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (3)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Varenka
    Varenka



    Lang geleden woonde er ver weg in de bossen van Rusland een arme vrouw. Varenka heette ze. Haar kleine huisje lag diep weggedoken tussen de bomen en er kwam bijna nooit iemand. Het was helemaal van hout.

    Varenka had alles wat ze nodig had: een tafel, stoelen en kastjes voor brood en kaas en lepels en vorken. In de hoek hing een icoon en Varenka zorgde altijd dat er vers geplukte bloemen bij stonden. 's Nachts sliep ze, zoals alle arme mensen in Rusland, heel dicht bij het haardvuur.

    Varenka woonde tevreden in haar kleine huisje. Maar toen kwamen er op een dag mensen naar haar toe, die opgewonden riepen: "Varenka, snel, we moeten vluchten! In het westen is er een verschrikkelijke oorlog. De soldaten komen iedere dag dichterbij. Pak alles wat je hebt bij elkaar en vlucht met ons weg voordat er iets met je gebeurd!"

    Varenka schrok. Oorlog! Soldaten! Ze werd bang. Toch zei ze tegen de mensen: "Wie moet de vermoeide zwervers te eten geven, als ik met jullie meega? Wie zal de kinderen die in het bos verdwaald zijn onderdak geven? En wie zal er voor de dieren en de vogels zorgen als de winter komt met sneeuw en ijs? Nee, ik moet hier blijven. Maar jullie moeten je haasten en snel verder gaan. God zal jullie beschermen!"

    Snel gingen de mensen weer op weg. Varenka bleef alleen achter. Ze stond doodstil en luisterde. "Ja, nu hoor ik het gerommel van de kanonnen," fluisterde ze, "nu zijn ze nog ver weg, maar morgen kunnen ze al hier zijn. Och, och, wat zal er dan met mij gebeuren?" Varenka deed de grendel op de deur. Toen knielde ze voor de icoon en bad tot God: "Bouwt U alstublieft een muur om mijn huisje, dan kunnen de soldaten mij niet zien!" Het werd avond. De kanonnen hielden hun boze mond en overal in het bos was er vrede. De vogels zongen nog een poosje, maar toen staken ze hun kopjes onder hun vleugels. De duiven koerden en de nachtegalen zongen. Maar God kwam niet en niemand bouwde een muur om Varenka's huisje.

    De volgende dag ging Varenka naar het bos om hout te sprokkelen. En weer hoorde ze in de verte het gerommel van de kanonnen.

    "Och, och," zuchtte ze, "vandaag zijn ze al veel dichterbij gekomen. Wat zal er met mij en mijn huisje gebeuren?"

    Tegen de avond keerde ze met veel sprokkelhout naar huis terug. Toen ze nog maar net thuis was, klopte er iemand op de deur. Buiten stond een oude man met een geit. Varenka kende hem wel, het was Pjotr, de geitenhoeder. "Waarom ben je niet thuis bij je geiten en je ganzen en schapen?"

    Pjotr antwoordde: "Mijn hut is afgebrand, Varenka, en de soldaten hebben me alles afgenomen, behalve deze geit die met mij kon ontsnappen. Mogen we alsjeblieft bij jou komen wonen? We weten niet meer waar we heen moeten gaan. Het zal gauw helemaal donker zijn en dan eten de wolven ons allebei op."

    Varenka nam Pjotr en de geit bij zich in huis. Ze liet hen gezellig bij het vuur zitten en gaf hen lekkere warme soep. Toen bad ze nog eens tot God: "Alstublieft, kom snel, en bouw een muur om mijn huisje, dan gaan de soldaten voorbij en dan kunnen ze Pjotr en mij en de geit niet zien!"

    Het werd nacht. De kanonnen hielden weer hun boze mond en alles was stil. De bloemen vouwden hun blaadjes samen. De kleine dieren zochten een warm plekje in de bomen en in hun holen en sliepen in.

    Maar God kwam niet om een muur te bouwen om Varenka's huisje. De volgende morgen vroeg ging Varenka weer naar het bos. Ze zocht de hele dag paddestoelen en kruiden. 's Middags zag ze een jongeman, die in een holle boom lag te slapen.

    "Wordt wakker!" riep Varenka. "Wordt wakker! Hier kun je niet slapen! De soldaten zullen je vinden en meenemen. Hoor je niet het gerommel van de kanonnen? Ze zijn al heel dichtbij!"

    De jongeman antwoordde: "Waar je de kanonnen hoort, daar kom ik vandaan. Alles is kapot gemaakt. Dorpen en velden zijn afgebrand. Ik vluchtte het diepe bos in en ik vond tenslotte een schuilplaats in een holle boom."

    "Arme jongen," zuchtte Varenka, "kom maar met mij mee, ik zal je eten en onderdak geven."

    Zo ging Stjepan met Varenka mee naar huis. Hij was een schilder. In de ene hand droeg hij een schilderij en in de andere hand een pot met een witte bloem. Dat was alles op de wereld wat hij nog had.

    Toen Stjepan, Pjotr en Varenka het avondeten gegeten hadden, baden ze samen, en in haar hart zei Varenka: "Alstublieft, lieve God, kom snel en bouw een muur om mijn huisje. Dan zullen de soldaten ons niet vinden, Stjepan niet en Pjotr niet en mij niet."

    De hele nacht was er vrede in het bos. Alleen de roep van een uil was soms te horen en het gehuil van de wolven. Tegen de morgen keek Varenka uit het raam, maar er stond nog geen muur om haar huisje. Toen werd Varenka bang.

    Die dag deed Varenka veel hout op het vuur om brood en koeken te bakken. Toen ze bezig was het deeg klaar te maken, hoorde ze iemand zachtjes huilen. Ze keek uit het raam en zag een klein meisje dat erg verdrietig was. Ze hield een duif in haar armen.

    "Lieve kind," zei Varenka, "waar kom je vandaan en wat doe je hier in het bos? Hoor je niet het verschrikkelijke lawaai van de kanonnen? Waarom ben je niet thuis bij vader en moeder?"

    "O, moedertje," snikte het meisje, "ik ben helemaal alleen. Mijn duif is alles wat ik heb. Mijn vader en moeder ben ik kwijt geraakt op de vlucht. Toen ben ik het bos in gerend en bij u rook het zo heerlijk naar vers brood. Daar heb ik honger van gekregen."

    "Kom binnen, kind. We zijn hier samen een kleine familie en daar ben jij nu de jongste van. Je mag bij ons blijven tot we je ouders teruggevonden hebben."

    Zo kwam Bodula in het huisje van Varenka terecht. Varenka gaf haar brood en thee en koeken. En de duif pikte tevreden de kruimeltjes op die Bodula voor haar neerstrooide. De hele dag hoorden ze alle vier de kanonnen tekeer gaan. De hele dag waren ze bang. Tenslotte nam Pjotr zijn balalaika en begon te spelen. Stjepan, Pjotr, Bodula en Varenka zongen er Russische liedjes bij.

    Toen de avond viel en de maan opkwam, bracht die muziek vrede in hun hart. Die nacht baden ze nog eens en Varenka zei: "Alstublieft, lieve God, komt u deze nacht en bouw een muur die zo hoog is, dat geen soldaat mijn huisje kan zien. Dan zijn we gered, het meisje en haar duif, de schilder en zijn bloem, de oude man met de geit en ik. Maar ik ben bang dat het al bijna te laat is; morgen zullen de soldaten hier zijn en dan zijn we allemaal verloren."

    Ook deze nacht was het helemaal stil. Maar als je goed luisterde, was er toch een zacht ruisen rondom Varenka's huisje. Varenka deed voorzichtig de luiken open en ze zag dat het sneeuwde. Er was al zoveel gevallen, dat de sneeuw tot het venster kwam. Varenka deed de luiken weer dicht. Toen knielde ze neer en dankte God.

    Het bleef maar sneeuwen en sneeuwen. Het sneeuwde de hele lange nacht en de sneeuw kwam hoe langer hoe hoger en toen het licht begon te worden was Varenka's huisje helemaal ondergesneeuwd. 's Middags kwamen de soldaten. Met veel lawaai trokken ze het bos door op zoek naar vijanden. De vier mensen in het kleine huisje zaten bang en stil bij elkaar. Toen waren de soldaten heel dicht bij het huisje maar... ze gingen voorbij! Ze hadden het huisje van Varenka niet gezien omdat het diep verstopt lag in de sneeuw. Stjepan, Pjotr, Bodula en Varenka dankten God dat hij hen gered had.

    De soldaten trokken verder en er was geen oorlog meer daar in Rusland. Toen de sneeuw wegsmolt, gingen Varenka, Pjotr, Stjepan en Bodula het huisje uit naar buiten. De duif fladderde vrolijk van boom tot boom. De geit maakte dolle sprongen en Stjepan zette zijn bloem naast de deur in de grond.

    De lente kwam. Bodula vond haar vader en moeder terug en ging weer met ze mee naar hun eigen dorp. De geit kreeg een klein geitje. En uit de zaadjes van de witte bloem groeiden nieuwe bloemen. De duif vloog overal heen om iedereen te vertellen dat het weer vrede was geworden. En omdat hij nu eenmaal een kunstenaar was, schilderde Stjepan een paar schilderijen om de geschiedenis te vertellen van de muur die God om Varenka's huisje had gebouwd.



     

    11-05-2014 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zus van Lana


    Onderzoek naar sex in de familie

    Een jongen komt thuis van school en vraagt aan zijn moeder: "Ma, waar kom ik vandaan?" "Uit de rode kool mijn jongen." antwoordt zij. "Enne.... onze pa?" "Ook uit de kool" zegt ma. "Enne.... onze opa dan ?" "Ook uit een kool mijn jongen" zegt ma weer. Na een paar dagen vindt ma een dagboek van haar zoontje, ze slaat aan het lezen en ziet staan: "Na een langdurend onderzoek ben ik tot de conclusie gekomen, dat er de laatste drie generaties van mijn familie geen sexuele daden meer zijn gepleegd."

    11-05-2014 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    10-05-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De drie ijsmannen

    De drie ijsmannen



    Het was in de maand mei en overal bloeiden en geurden de bomen en de struiken. Kevers, bijen en hommels zoemden vrolijk door de lucht. Hans liep lekker in zijn korte broek door de wei op weg naar zijn vriendjes, de kikkers. Plotseling zag hij in de verte een oude, in het wit geklede man naderen. Toen de man dichterbij gekomen was vroeg Hans nieuwsgierig: "Wie ben jij?"

    "Pancratius ziet men hier staan,
    een lange weg ben ik gegaan.
    Koning Winter is 't die mij stuurt;
    daarom nu geen lente in de buurt.
    IJsman zegt men tegen mij,
    bekend ben ik bij allerlei.
    Een suizewindje heb ik bij me hier,
    dat blaast en 't doet mij veel plezier!
    Sssj sssj."

    Hans voelde een frisse wind lang zijn benen waaien, maar op dat ogenblik riepen zijn vriendjes de kikkers: "Kom Hans, help ons, wij willen de lente weer roepen." En zo klonk het kikkerconcert:

    "Lente, lente, wees niet bang,
    kom, toon je gezicht en ga je gang!"

    Maar toen Hans omkeek zag hij daar niet de Lente staan, maar een andere oude man die een grote zak op zijn rug droeg. "En wie ben jij?" wilde hij weten.

    "Servatius ziet men hier staan,
    een lange weg ben ik gegaan.
    Koning Winter is 't die mij stuurt,
    daarom nu geen lente in de buurt.
    IJsman zegt men tegen mij,
    bekend ben ik bij allerlei.
    Een zak heb ik vol sneeuw en ijs.
    Joechei - nu wordt het weer koud en grijs."

    Weer klonk het kikkerconcert:

    "Lente, lente, wees niet bang,
    kom, toon je gezicht en ga je gang."

    Hans had wel willen meezingen, maar het was nu zo fris geworden dat hij in zijn dunne kleren stond te bibberen. Daarom liep hij snel naar huis om iets warmers aan te trekken. Toen hij weer terugkwam bij de kikkers, zag hij daar een oude man met een grijze baard staan. Naast hem stond een vrouw die helemaal nat was; ze keek hem niet bepaald vriendelijk aan. "Wie zijn jullie?" vroeg de jongen voorzichtig.

    "Bonifatius ziet men hier staan,
    een lange weg ben ik gegaan,
    striemende regen breng ik dit land,
    ik ben een man van kille stand.
    En dit hier is Sofie, mijn vrouwtje zoet,
    die houdt van mij en weet heel goed:
    het voorjaar willen wij verdrijven,
    koude zal hier voortaan blijven."

    Toen Hans dat hoorde schrok hij. Wat wilden die nare mannen hier eigenlijk, nu het al mei was? Zo snel hij kon rende hij naar het dorp terug om zijn vriendjes te halen. "Kom vlug mee, we moeten de ijsmannen verjagen, kom mee naar de kikkervijver." Vrolijk sprongen de kinderen achter hem aan en zongen nu met de kikkers mee:

    "Lente, lente, wees niet bang,
    kom, toon je gezicht en ga je gang."

    Toen de drie ijsmannen al die vrolijke kinderstemmen hoorden, vonden ze het helemaal niet meer zo leuk. Ze trokken weg en werden niet meer gezien. Een stevige bries blies alle donkere wolken weg en de zon kwam weer lachend te voorschijn. Met haar warme stralen droogde ze voorzichtig de bloemen en de grasjes. De vogels schudden de druppels van hun verenkleed, de slakken waagden zich weer uit hun huisje en Hans kon met zijn vriendjes weer in zijn zomerkleren buiten spelen.

    10-05-2014 om 21:54 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het Zeehaasje

    Het Zeehaasje



    Er was eens een prinses; en die had in haar kasteel, hoog bij de tuinen, een zaal met twaalf vensters, en die keken naar alle hemelstreken. En als ze daar naartoe klom en rondkeek, dan kon ze het hele rijk overzien. Uit het eerste raam zag ze al scherper dan anderen, uit het tweede nog beter, uit het derde nog duidelijker, en zo verder tot aan het twaalfde toe, en van daaruit zag ze alles, wat boven en onder de aarde was; en zo kon niets voor haar verborgen blijven.

    Maar omdat ze heel trots was en van niemand de mindere wilde zijn en zelf alleen de heerschappij in handen wilde houden, liet ze afkondigen dat niemand haar heer, meester en gemaal zou worden, die zich niet zo voor haar kon verstoppen, dat het onmogelijk was voor haar om hem te vinden. Maar als iemand het toch probeerde en ze ontdekte hem, dan ging z'n hoofd eraf en 't hoofd bovenop een paal. Er stonden zo al zeven-en-negentig palen met doodshoofden voor het slot, en in lange tijd had zich ook niemand meer aangemeld. De prinses was zeer tevreden en dacht: "Ik blijf mijn leven lang een vrij mens."

    Toen kwamen er drie broers bij haar en die kondigden haar aan, dat ze hun geluk wilden beproeven. De oudste meende al geborgen te zijn als hij in een kalkput kroop, maar ze zag hem al uit het eerste venster, liet hem eruit trekken en hem z'n hoofd afslaan. De tweede kroop in de kelder van 't kasteel, en deze zag ze ook al uit het eerste raam, en 't was met hem gedaan, zijn hoofd kwam op paal negen-en-negentig. Toen kwam de jongste voor haar staan en vroeg om een dag bedenktijd, en hij vroeg ook of ze zo genadig wilde wezen om hem tweemaal de proef te laten doen, als ze hem zou ontdekken; mislukte het voor de derde maal, dan kon hij met z'n leven ook niets meer beginnen. Omdat hij zo'n knappe man was en zo smeekte, zei ze: "Ik wil het het je wel toestaan, maar 't zal je niet lukken."

    De volgende dag dacht hij er lang over na, hoe hij zich zou verstoppen, maar het was tevergeefs. Toen greep hij z'n buks en ging op jacht. Daar zag hij een raaf en nam hem op de korrel, hij wou juist vuren, toen riep de raaf: "Niet schieten! ik zal het je vergelden!" Hij liet de loop zakken, trok verder en kwam bij een meer waar hij een grote vis betrapte, die uit de diepte naar de oppervlakte was komen zwemmen. Toen hij aanlegde, riep de vis: "Niet schieten! Ik zal het je vergelden!" Hij liet toe dat de vis weer onderdook en ging verder en daar kwam hij een vos tegen; en die vos hinkte. Hij legde aan en schoot mis en toen riep de vos: "Kom liever hier en haal me die doren uit mijn poot." Nu deed hij dat wel, maar dan wilde hij de vos doden en hem z'n pels aftrekken. De vos zei: "Laat dat, ik zal 't je vergelden!" De jonge man liet hem toen maar lopen, en omdat de avond gevallen was, ging hij naar huis.

    De volgende dag moest hij zich verstoppen, maar hoe hij er zich z'n hoofd ook over brak, hij wist niet waar hij heen moest. Toen ging hij naar het bos, naar de raaf, en zei: "Ik heb je in leven gelaten; zeg mij nu eens waar ik me verstoppen moet, zodat de prinses me niet kan zien." De raaf liet de kop hangen en dacht er lang over na. Eindelijk kraste hij: "Ik heb het!" Hij haalde een ei uit zijn nest, brak het in tweeën, en sloot de jongeman daarin op, toen maakte hij het weer heel en ging er tenslotte zelf op zitten.

    Toen de prinses voor het eerste raam kwam, kon ze hem niet vinden, ook niet voor het volgende raam, en ze begon al bang te worden, maar uit het elfde raam zag ze hem. Ze liet de raaf doodschieten, het ei halen en breken, en de jonge man moest eruit komen. Ze zei: "Eenmaal heb ik je het leven geschonken. Maar als je 't niet beter kunt, dan ben je verloren."

    De volgende dag ging hij naar het meer; riep de vis en sprak: "Ik heb je het leven geschonken, zeg mij nu eens hoe ik mij verbergen kan zodat de prinses me niet ziet." De vis dacht lang na, eindelijk riep hij: "Ik heb het! Ik zal je verstoppen in mijn eigen maag." Hij slokte hem op, en ging naar de bodem van de zee. De prinses was al aan het kijken door haar vensters, en ook door het elfde venster zag ze hem nog niet, en ze was uit 't veld geslagen, maar eindelijk, door het twaalfde venster, daar zag ze hem. Ze liet de vis vangen en doodmaken, en daar kwam de jonge man te voorschijn. En iedereen kan zich indenken, hoe het hem te moede was. Zij sprak: "Tweemaal is je de kans gegeven, maar jouw hoofd zal wel op de honderdste paal komen."

    De laatste dag ging hij bang naar buiten en hij kwam de vos tegen. "Jij weet altijd alle schuilhoeken," zei hij. "Ik heb je in leven gelaten, maar nu moet je me ook raad geven, waar ik me moet verstoppen, zodat de prinses mij niet kan vinden." - "Dat is moeilijk," zei de vos en zette een bedenkelijk gezicht. Eindelijk riep hij: "Ik heb het!" Hij ging met hem naar een bron. Daar dook hij kopje-onder en hij kwam er uit als marskramer en handelaar in dieren. Dat moest de jonge man ook doen en hij dook eruit op als een zeeslak. De koopman ging naar de stad en liet het aardig beestje overal zien. Er liep een massa volk te hoop om ernaar te kijken. Tenslotte kwam de prinses zelf ook, en omdat ze het een bijzonder leuk dier vond, kocht ze het en betaalde er de koopman voor, een heleboel geld. Voor hij 't haar gaf, zei hij tegen 't diertje: "Als de prinses naar die ramen gaat, kruip dan onder haar vlecht."

    Nu kwam de tijd waarop ze hem moest gaan zoeken. Ze ging de rij af, van het eerste raam tot het elfde toe. En ze zag hem niet. En toen ze hem ook door het twaalfde raam niet zag, was ze bang en boos en sloeg het met zoveel geweld dicht, dat het glas van alle ramen stuk sprong en 't hele slot dreunde.

    Ze ging de zaal uit, voelde de zeeslak onder haar vlecht en toen pakte ze hem beet, gooide hem neer en riep: "Weg! Uit m'n ogen!" en het dier rende naar de koopman en ze snelden samen weer naar de bron en daar doken ze in en kregen hun werkelijke gedaante weer terug. De jongeman bedankte de vos en zei: "De raaf en de vis zijn nog oerdom bij jou vergeleken, jij weet alles, dat is zeker!"

    Rechttoe rechtaan ging de jongeman naar het slot. De prinses wachtte al op hem en schikte zich in haar lot. Er werd bruiloft gevierd, en nu was hij koning, en meester van het hele rijk. Nooit heeft hij haar verteld, waar hij zich voor de derde maal had verstopt, en wie hem behulpzaam was geweest; en zo geloofde ze, dat hij dat alles aan z'n eigen kunst te danken had, en ze had ontzag voor hem, want ze dacht bij zichzelf: "Die kan meer dan jij!"

    10-05-2014 om 13:26 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (2)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zus van Lana


    De luster

    In een klas vraagt de juf: "Wat is het grootste voorwerp dat je in je mond kan steken?"
    Jantje: "Een klein aardappeltje."
    Louistje: "Een klein tomaatje."
    Joost: "Een luster?!"
    De juf kijkt verbaasd en zegt: "Joost, hoe kom je daar nou bij?". "Nou, gisteren ging ik luisteren aan de kamer van mama en papa. En toen zei papa: schatje doe de luster uit en steek hem in je mond."

    10-05-2014 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (1)
    09-05-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Zeven raven

    De Zeven raven



    Er was eens een man met zeven zonen en nog steeds geen dochtertje; hoe graag hij dat ook wilde hebben. Eindelijk gaf zijn vrouw hem weer de hoop op een kindje, en toen het ter wereld kwam, was het inderdaad een meisje. Grote vreugde, maar het kindje was teer en klein en omdat het zo zwak was, moest het snel gedoopt worden. De vader stuurde één van zijn jongens vlug naar een bron om doopwater te halen, de andere zes liepen allemaal mee en omdat ze allemaal de eerste schep wilden doen, viel de kruik in het water. Daar stonden ze. Ze wisten niet wat te doen en naar huis durfde er niemand. Maar toen ze niet terugkwamen, werd de vader ongeduldig en zei: "Ze hebben het natuurlijk weer onder het spelen vergeten, die goddeloze deugnieten."

    Hij werd bang, dat het meisje ongedoopt zou sterven, en in zijn boosheid riep hij: "Ik wou dat die jongens allemaal raven werden!" Nauwelijks was het woord gesproken, of hij hoorde een gesuis in de lucht boven zijn hoofd, hij keek omhoog en zag zeven koolzwarte raven opvliegen en wegzwieren.

    De ouders konden de verwensing niet meer terugnemen; maar hoe bedroefd zo ook waren over het verlies van hun zonen, ze werden toch enigszins getroost door hun lief dochtertje, dat weldra op krachten kwam en elke dag mooier werd. Lange tijd wist zij niet eens, dat haar ouders nog andere kinderen hadden, want de ouders hoedden zich er wel voor hen te noemen, tot ze eens op een dag heel toevallig de mensen over haarzelf hoorde spreken, het meisje was dan wel mooi, maar toch de schuld van het ongeluk van haar zeven broers. Toen werd ze heel verdrietig, en vroeg of ze dan broers had gehad en waar die heen waren? Nu durfden de ouders het geheim niet langer te bewaren, maar ze zeiden, dat het een beschikking van de hemel was en haar geboorte maar een onschuldige aanleiding. Maar het meisje verweet het zichzelf dagelijks en ze geloofde dat zij hen weer moest verlossen. Ze had rust noch duur, tot ze zich eindelijk klaarmaakte om de wijde wereld in te gaan, haar broeders te vinden en te bevrijden wat het ook kosten mocht. Ze nam niets anders mee dan een ringetje als aandenken aan haar ouders, een groot brood voor de honger, een kruikje water voor de dorst en een stoeltje voor de moeheid.



    Nu liep ze aldoor voort, ver, ver weg tot aan het eind van de wereld. Toen kwam ze bij de zon, maar die was al te heet en vreselijk en ze at de kleine kinderen op. Haastig holde ze weg en liep naar de maan, maar die was te koud en te griezelig en te boos, en toen die het kind zag, zei de maan: "Ik ruik, ik ruik, ik ruik mensenvlees!" Daarom maakte ze dat ze weg kwam en liep naar de sterren. Die waren vriendelijk en goed, en ieder zat op een eigen stoeltje. Maar de morgenster stond op, gaf haar een kippepootje en zei: "Als je zo'n pootje niet hebt, kun je de glazen berg niet openmaken, en in de glazen berg zijn je broers." Het meisje nam het beentje, wikkelde het goed in haar schortje en ging weer zo lang verder tot ze bij de glazen berg kwam. De poort was gesloten, maar toen ze het pootje loswikkelde, was haar schortje leeg: ze had het geschenk van de ster verloren. Wat nu te doen? Haar broers wilde ze toch redden, en ze had geen sleutel voor de glazen berg. Het lieve kind nam een mes, sneed zichzelf haar pink af, stak die in de poort en meteen ging hij open.

    Toen ze naar binnen was gegaan, kwam haar een dwergje tegemoet, dat zei: "Kind, wat zoek je?" "Ik zoek mijn broers, de zeven raven," antwoordde ze. De dwerg sprak: "De heren raven zijn niet thuis, maar als je zo lang wilt wachten, kom dan maar binnen." Nu ging het dwergje het eten voor de zeven raven opdienen, op zeven bordjes en in zeven bekertjes, en van elk van de bordjes at het zusje één broodje, uit elk van de bekertjes dronk ze een slokje, maar in het laatste bekertje liet ze het ringetje vallen dat ze meegenomen had.

    Opeens klonk er in de lucht een gesuis van wiekslagen; toen sprak het dwergje: "Nu komen de heren raven naar huis gevlogen." Daar waren ze, ze wilden eten en drinken en zochten hun bordjes en bekertjes. Toen zei de één na de ander: "Wie heeft van mijn bord gegeten? Wie heeft uit mijn bekertje gedronken? Dat moet een mensenmond zijn geweest." En toen de zevende zijn bekertje tot de bodem leeg gedronken had, rolde het ringetje naar hem toe. Hij bekeek het en zag dat het de ring van zijn vader en zijn moeder was, en zei: "God, geve dat onze zuster hier geweest is, want dan zouden we verlost kunnen worden." Zodra het meisje, dat achter de deur stond te luisteren, dat hoorde, kwam zij te voorschijn, en meteen hadden alle raven hun mensengedaante terug. Ze kusten elkaar verheugd en trokken juichend naar huis.

    09-05-2014 om 23:39 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (2)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zielen der verdronkenen
    De zielen der verdronkenen



    Aan de rand van de Belgische stad Oostende, vlak achter de duinen, had eens de visser Andreas zijn huis. Hij leefde er tevreden, want de zee gaf hem genoeg voor zichzelf en zijn gezin, en hoewel hij niet veel om geld gaf, kon hij toch af en toe een zilverstuk verdienen.

    Misschien zou hij in rust en vrede de oude dag hebben bereikt, maar het noodlot wilde het anders. Andreas zou een merkwaardige geschiedenis meemaken, die hem tot zijn laatste dag zou bijblijven.

    Aan het begin van het vissersseizoen vaarde Andreas tevergeefs de zee op en tevergeefs zocht hij ook zijn geluk dichtbij de kust, maar zijn netten bleven leeg en niet een enkel visje raakte erin verstrikt. Het leek, alsof hij door het ongeluk werd achtervolgd.

    En was het daar nog maar bij gebleven! Na enige maanden stierven plotseling zijn vrouw en zijn vier kinderen...

    De arme man wist in zijn wanhoop niet, waar hij het zoeken moest. Doelloos liep hij rond, en sprak met niemand een woord. Het liefst zat hij nu alleen in de duinen en tuurde naar de golven.

    Aan de vooravond van Andreasdag zat hij, bij het invallen van de schemering, weer op zijn lievelingsplekje aan de rand van de zee. Hij kon zijn blik niet van de branding afwenden, die met haar schuimkoppen keer op keer het land aanviel.

    Daar zag hij in de verte kleine, blauwachtige vlammetjes. Ze dangten en sprongen in het rond, en de visser wreef zijn ogen uit. Maar het was geen gezichtsbedrog! De vlammen dansten nog steeds op de waterspiegel. Plotseling herinnerde hij zich de woorden van zijn buren, die dikwijls over blauwachtige vlammen hadden gesproken. Ze beweerden, dat er een schat in zee was, op de plek waar ze zich vertoonden.

    Waartoe dient al het geluk van de wereld, en leven in overvloed, als mijn lieve vrouw en kinderen niet meer bij mij zijn, dacht de visser. Laat iemand anders zijn geluk maar beproeven...

    Plotseling werd hij uit zijn overpeinzingen opgeschrikt door een zware stem, die hem zei: "Wees niet zo ondankbaar."

    Geschrokken draaide Andreas zich om. Voor hem stond een bleke lange man, die buitenissig was gekleed en hoge laarzen droeg. Een zwarte hoed met brede rand bedekte zijn gezicht voor het grootste deel. Zijn ogen brandden als gloeiende kolen, en het leek Andreas, alsof ze hem door merg en been gingen.

    "Vrees niet," zei de lange man. "Ik ben een geest, en omdat we beiden Andreas heten, heeft jouw lot mijn medelijden opgewekt. Ik ben dus gekomen, om je te helpen."

    "Mij mankeert niets. Ik kan goed rondkomen en heb niets van je nodig," antwoordde de visser, terwijl hij snel een kruis sloeg.

    De lange lachte: "Ik zeg je toch, dat je voor mij niet bang hoeft te zijn, ik ben immers geen boze geest. Kijk, hier is een toverring. Steek die om middernacht aan je vinger en loop dan rechtstreeks de zee in, tot de plaats, waar de blauwe vlammen branden. Wat er ook mag gebeuren en wat je onderweg ook tegenkomt, laat je niet afleiden, maar ga op zoek naar potten, die met de onderkant naar boven zijn geplaatst. De middelste pot til je op en je neemt, wat zich daaronder bevindt. Het is van jou! Maar denk erom, laat je niet op een dwaalspoor brengen en haast je naar de kust terug!"

    Voor de visser zich goed realiseerde wat hij zojuist had gehoord, was de lange verschijning plotseling verdwenen, alsof de aarde hem verzwolgen had. Alleen de schitterende ring herinnerde nog aan zijn aanwezigheid. De visser vertrouwde de vreemde ring echter niet. En toen in Oostende het middernachtelijk uur sloeg, sliep hij als een roos en had de vreemde gebeurtenis allang uit zijn gedachten gezet.

    Maar het duurde niet lang, of het ging steeds slechter met Andreas. Hij werd ziek en lag vele dagen en weken in bed. En toen hij eindelijk weer gezond was, brandde zijn huis af en er bleef hem niets over als een hoopje as.

    Platzak en zonder middelen van bestaan maakte hij zich bittere verwijten, dat hij de toverring had weggeworpen en de raad van de geest niet had opgevolgd.

    Toen er een vol jaar verstreken was, begaf hij zich bij het invallen van de duisternis naar de zee, in de hoop dat alles zich zou herhalen wat hier precies een jaar geleden was gebeurd.

    En kijk! Weer zag hij op de zeespiegel de blauwachtige vlammetjes, weer kwam de lange geest om Andreas een ring te overhandigen en weer nodigde hij de visser uit, de omgekeerde potten te gaan zoeken.

    Dit keer gehoorzaamde de visser. Hoewel de zee stormachtig was, stak hij de toverring aan zijn vinger en ging het water in, direkt nadat de klokken het middernachtelijk uur hadden geslagen.

    Maar hij werd niet nat, omdat de zee zich voor hem opende, en zo kwam hij met droge voeten bij een groene weide, waar een prachtig huis stond.

    Onderweg ontmoette hij verschillende jongens en meisjes, die hij nog kende uit zijn jeugd. Ze lachten hem vriendelijk toe. Plotseling werd hij zich ervan bewust, dat ze lang geleden verdronken waren, en niet meer tot de levenden behoorden.

    Daarom zocht Andreas liever de drie potten, waarover de geest gesproken had. Maar op het moment, dat hij ze vlak bij de weide ontdekte, ging de deur van het prachtige huis open en op de drempel stond zijn vrouw met de kinderen.

    Verheugd liepen ze hem tegemoet, maar de visser herinnerde zich net op tijd de waarschuwende woorden van de geest, en in plaats van zijn vrouw in zijn armen te sluiten, draaide hij zich snel om en liep naar de potten.

    Toen hij de middelste pot had opgetild, zag hij een leren buidel. Hij aarzelde niet en liep, met de buidel over de schouder, vlug de kust tegemoet.

    Het was werkelijk de hoogste tijd. De jongens en meisjes en zijn vrouw liepen hem handenwringend en huilend achterna. Hun boze stemmen werden door de stormachtige zee overspoeld, en de golven kropen al begerig om zijn voeten, om hem voor altijd gevangen te houden.

    Andreas rende buiten adem de kust tegemoet, maar hij struikelde en het scheen, of het water hem toch nog zou grijpen. Maar het liep goed af. Nauwelijks had hij de duinen bereikt, of hij rustte lang uit op de plaats, waar hij altijd zo graag zat.

    Hier opende hij de leren buidel en bekeek nieuwsgierig de inhoud. Maar op hetzelfde ogenblik sloot hij zijn ogen weer, toen hij de verblindende schittering zag van goud en edelstenen.

    Sindsdien lachte het geluk de visser weer toe. Hij kocht in Oostende een groot huis, trouwde een aardige en mooie vrouw en leefde met haar gelukkigen tevreden, en alles, wat hij ondernam, gelukte hem.

    Andreas vergat zijn weldoener, de lange geest, niet.

    Elk jaar ging hij aan de vooravond van Andreasdag de duinen in en hoopte, zijn weldoener tenminste één keer te kunnen bedanken.

    Maar noch de geest, noch de blauwe vlammen lieten zich ooit weer zien.



     

    09-05-2014 om 21:29 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zus van Lana

    Laat moeder maar lekker slapen

    Jantje loopt over de Wallen. Ziet hij aan de overkant van de straat ineens zijn vader lopen. Jantje steekt over en gaat er achter aan. Als hij zijn vader heeft ingehaald, vraagt hij: "Pa, wat doe jij nou hier?" "Ach," zegt zijn vader, "voor die vijf tientjes ga ik je moeder toch niet wakker maken."

    09-05-2014 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (2 Stemmen)
    » Reageer (0)
    08-05-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zus van Lana


    Vieze Japanner

    Er gaat een Japanner naar een hoer. Hij verteld de hoer dat hij 30 keer klaarkomt, maar na elke keer dat hij klaarkomt, moet hij even buiten een luchtje scheppen. De hoer vind het wel goed, want ze verdiende de laatste tijd nog al slecht. Dus ze beginnen te wippen, en de Japanner komt klaar, en zoals afgesproken gaat hij naar buiten, en even later komt de Japanner weer terug. Dit gebeurd 30 keer, maar na de 30e keer komt de Japanner niet terug! Dus de hoer rent naar buiten en vraagt een een vrouw die net voorbij loopt: "Heeft u hier een Japanner zien weglopen?" Zegt de vrouw: "Nee, maar ik heb zonet wel een bus Japanners zien wegrijden!"

    08-05-2014 om 20:48 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (4)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Onrust In Het Bos

    Onrust In Het Bos



    "Ach, wat stom, de verbazingwekkendste das in het bos heeft zijn zonnebril verloren." Opeens werd het doodstil stil in de moskee in het bos. Wie had immers het laf gehad om geheimen van de verbazingwekkendste das op straat, of in dit geval op de vloer van de moskee, te gooien? Iedereen had zich de afgelopen maanden keurig gedragen. Dat moest ook wel, want de gereïncarneerde weerman had de touwtjes strak in handen in het woud. Hij wilde immers gezag, hij wilde respect, maar bovenal wilde hij zijn waardigheid terugverdienen na zovele foute weersvoorspellingen.
    De bosbewoners hadden de weerman hier hard voor gestraft, ze waren de foute voorspellingen spuug- en spuugzat. Altijd maar sneeuwstormen terwijl het helder zou zijn, of knikkers uit de lucht terwijl Jalaly von Hyklaquewio, zo luidde de naam van de weersvoorspeller, voorspelde dat er Playmobil uit de grond te voorschijn zou komen. De ergste fout echter, was nog wel dat hij zei dat het mistig zou worden, maar dat de bosbewoners zonder pardon werden aangevallen door de kwade Regenbogen van Krakelius. Deze dienders hadden het complete woud onder het schuim gespoten, waardoor bijna alle insecten waren gestikt. Hierop waren de overgebleven dieren woedend op Jalaly afgestapt. Iedereen had zijn wapen meegenomen. Met duizenden tegelijk waren ze op de boom van Jalaly toegegaan. Kruisbogen, messen, pikhouwelen, stokken, zwaarden, kruisraketten, tommyguns, granaten, werkelijk alles hadden ze meegenomen. Zelfs de witte zakdoekjes was niemand vergeten. Ziedend waren ze geweest. Ze waren dan ook uitermate teleurgesteld toen Jalaly niet opendeed, zelfs na twee keer bellen niet. De volgende ochtend was Klaas-Lodewijk, de kolibrie, de weerman tegengekomen. Hij had de weerloze man met zijn gigantische klauwen opgepakt en hem naar het ontmoetingsplein gebracht. Hier aangekomen had hij hem vastgebonden aan de grootste totempaal die er maar te vinden was. Vervolgens riep hij alle dieren, groot en klein, bij elkaar. Hij vond dat iedereen mee mocht beslissen wat er met Jalaly zou gebeuren. Na dagen overlegd te hebben, de mieren stotterden namelijk zo, was het besluit genomen. Jalaly zou in de liefde moeten bedrijven met Kwili, de kikker die al sinds jaar en dag AIDS had. Maar dat niet alleen, ze had ook syfilis, h5n1, malaria, tuberculose en griep. Dit had de weerman niet aangekund en hij was van de klif gesprongen. Zo, hup, de zee in.
    Nu was Jalaly heer en meester over de bosbewoners. Dat kwam, omdat hij al dood was geweest. Hierdoor voelde hij geen pijn meer als de dieren hem iets aan wilden doen, maar bovenal kon hij niet opnieuw dood! Hij had het hele woud omsingeld met prikkeldraad, drie meter dikke muren van gewapend beton en natuurlijk greppels. Zo kon niemand ontsnappen. Hij voelde zich nu echt de master over het bos.
    Maargoed, dat even terzijde. We waren gebleven in de moskee. Iedereen keek achterom om te kijken waar de stem vandaan kwam die zomaar ‘’Ach, wat stom, de verbazingwekkendste das in het bos heeft zijn zonnebril verloren’’ had geroepen. Juist op dat moment sloegen de klapdeurtjes van de moskee met enkele doffe knallen dicht. Barry de buizerd, met zijn scherpe ogen, zag nog net een paar stekels het gebouw uitvluchten. Het was dus een egel die de rust zo had verstoord. Waarschijnlijk was het Erik, dat is altijd al zo’n kwajongen geweest, dacht Barry bij zichzelf.
    Na de preek van de Ibrahim de imam kwamen alle moskeebezoekers bij elkaar in het nest van Barry. Ze wilden eens grondig discussiëren over wat er gebeurd was tijdens de dienst. Barry zei dat hij een paar stekels de moskee uit zag vluchten en dat die waarschijnlijk een egel zouden toebehoren. Er werd instemmend geknikt. Nu moesten ze alleen nog uitvogelen wie die egel was geweest. Nou zou dat op zich niet eens zo’n probleem zijn, ware het niet dat de egels bevriend waren geraakt met Professor Barabas. Die had zijn teletijdmachine in bruikleen aan de egels gegeven. Zo zou het zoeken naar de egels dus nog wel enige tijd in beslag kunnen nemen. Een golf van teleurstelling maakte zich meester van alle aanwezige dieren.
    Terwijl de bosbewoners hun grijze massa flink pijnigden, zat op planeet Zylycom X Erik de egel in zijn vuistje te gniffelen. Zo, daar had hij de verbazingwekkendste das mooi even een loer gedraaid. Hij moest nu alleen maken dat hij wegkwam, want op Zylycom X was helemaal geen zuurstof. Erik stapte snel in de teletijdmachine en ging terug naar het heden, naar het bos waar hij zijn hele leven al had gewoond. Bovendien begonnen in Vietnam omstreeks deze tijd de bloemen toch wel te bloeien. Mede daarom was in het bos de zoektocht naar de egels in alle hevigheid nog een paar dagen uitgesteld. Wat zou er immers gebeuren wanneer de dassen tegenover de egels zouden komen staan? Dan zouden de gevolgen waarschijnlijk niet te overzien zijn geweest, en dat terwijl er in Radjakistan toch al zo’n tekort aan seksuele voorlichting was.
    De dassen hadden het niet zo goed op met de egels. Dit was lang niet altijd zo geweest. Sterker nog, deze vijandigheid is pas ontstaan in het derde kwartaal van het jaar 372 voor M.L. King. Voor die tijd hadden de dassen en egels het goed kunnen vinden. Ze gingen altijd samen sporten, naar school en op vakantie. Ze hadden zelfs een gezamenlijke sportclub, DZDWOOV. Dit staat voor ‘’Dassen Zullen De Wereld Ooit Overheersen Vereniging’’. Dit was het begin van de ellende geweest, de egels dachten namelijk dat DZDWOOV voor ‘’De Ziekten Dienen Wereldwijd Onverbiddelijk Onontkoombaar te Verdwijnen’’, wat zoiets betekend als dat ze een hekel hadden aan besmette dieren. Maar er was nog meer wat de egels en dassen samen deden. Zo gingen ze elk voorjaar tezamen op zoek naar het eerste kievitsei van het desbetreffende jaar. Ze deden ook samen de financiën van de meeste bosbewoners, waren de eigenaren van alle tv- en radiostations in het woud en ze zorgden dat er niet teveel afval tussen de bomen bleef slingeren. Het was namelijk een idee van Douwe de das geweest om prullenbakken en afvalcontainers te plaatsen op zogenoemde afvalinzamelingspunten. Kortom, de twee diersoorten waren erg aan elkaar gehecht.
    Maar op een dag ontdekte Eddy de egel waar DZDWOOV werkelijk voor stond. Hij legde dit voor aan zijn collega-egels en een verhitte discussie volgde. Daarna stapte Erik op het dassenkamp af en vroeg om uitleg. Die kreeg hij. Hij was hiermee tevreden en de zaak werd vakkundig afgehandeld met een etentje in ‘’Ristorante Donadelli’’ van Rudolf de regenton. Nou zal menig lezer denken ‘’tsjongejongejongejonge’’. Nou, daar heeft hij of zij dan ook volkomen gelijk in. Immers, de egels lieten veel te makkelijk over zich heen lopen. Zij zouden hier later dan ook enorme spijt van krijgen.
    Op een dag waren de dassen namelijk weer eens in een jolige bui geweest. Ze hadden alle aanrechten van de egels zwart geverfd, een teken van de dassische mafia dat de dagen van de egels geteld waren; 1872,5 om precies te zijn. Ditmaal hadden de egels het niet bij een slap excuusje laten zitten en ze hadden harde maatregelen getroffen.
    De egels hadden besloten om een grote sterke leider te kiezen als egelführer. Edgar was de gelukkige geweest. Hij had direct een geheime aanvalstactiek opgesteld om de dassen te bestormen. Wat deze aanvalstactiek precies inhield, is nog steeds onduidelijk. Het was immers strikt geheim. Maar gelukkig heb ik viavia het volgende vernomen. De egels zouden alle in- en uitgangen van de dassenburchten besmeuren met kleurloze blauwe inkt. Daarop zouden ze een enorme hoeveelheid pakpapier voor de uitgangen plakken, waardoor de dassen alleen nog maar naar binnen zouden kunnen. Daarop zouden ze Victor de vulkaan opbellen en hem direct laten invliegen vanuit Hanieti. Zo gezegd, zo gedaan. Ze plaatsten Victor op een bolderkar en reden hem naar de hoofdingang van de dassenburcht. Vervolgens legden ze knikkers met clusterbommetjes erin voor de overige ingangen, zodat de dassen ook daardoor niet naar buiten zouden kunnen. En toen gebeurde het. Althans, dat was de bedoeling. Maar Victor had een verkoudheid opgelopen, omdat hij het warme weer van Hanieti gewend was. Na een gewenningsperiode van een kilometer of 57, voelde hij zich al stukken beter. De egels laadden Victor van de bolderkar en zetten hem precies voor de hoofdingang van de dassenburcht. Toen gaf Edgar een harde schop tegen de vulkaan, waarop diens temperatuur al aardig op begon te lopen. Hij begon lava aan te maken. Kort hierna begon hij met zo’n ongelooflijk verwoestende kracht te erupteren, dat de stekels van alle egels kaarsrecht in hun eigen lichaampjes schoten, met als gevolg een smeulende bloederige massa van ingeprikte egeltjes. Hierop was een vernederend hoongelach vanuit de dassenburcht te horen. Het klonk ongeveer zo: ‘’haha’’. Maar de dassen waren nog niet van het gevaar af. Integendeel, Victor was nog steeds lava aan het uitspuiten. Het leven van de dassen stond op het spel. Op dit moment moesten Douwe en de andere dassen snel een beslissing nemen wat ze gingen doen, of ze gingen naar de haaien.
    Na een kort, maar krachtig overleg besloten ze toch maar om naar de dierentuin te gaan en de haaien te gaan bekijken. Die hadden ze immers nog nooit gezien, in het echt tenminste. Natuurlijk hadden ze er wel over gelezen en ze op tv gezien, maar verder dan dat was het totnogtoe niet gekomen. Eerst gingen ze langs Henk de haas, want die wist altijd zo goed waar je kaartjes kon kopen voor allerlei evenementen als de beukennootwerpwedstrijden, de dierentuin en natuurlijk de boskampioenschappen fierljeppen. Henk dacht dat je de kaartjes wel bij de kassa zou kunnen kopen. Douwe bedankte Henk hartelijk en groette hem met de kapitalistische groet. De haas was hier erg van onder de indruk en vroeg uitdrukkelijk om uitleg, die hem direct om de oren vloog. Deze luidde dat het kapitalisme de wereld uiteindelijk over zou nemen, terwijl Henk fervent communist was. Douwe probeerde Henk ervan te overtuigen dat dit toch nooit de bedoeling van Fod de Schepper zou kunnen zijn geweest. Waarop de haas antwoordde: ''Maar.. communisme is toch juist goed?'' De das had nu duidelijk genoeg van dit geneuzel, hij was tenslotte niet de enige die naar de dierentuin wilde. Als hij niet snel zou gaan, zou het misschien wel uitverkocht zijn. Dus pakte hij zijn springtouw en bond hiermee de oren van de haas aan elkaar. Het geheel bracht hij aan de kook in een grote soeppan. Toen alles netjes op temperatuur was, haalde hij de haas weer uit het water en ging op hem springen. Toen leek het Douwe wel leuk om Henk nog eens flink te laten merken wie de baas was. Hij trok de baard van de haas er in één ruk af. Deze had nu een ontzettend kaal hoofd zonder oren en baard. Tot slot, als toetje, werd Henk tussen de draaiende wieken van de oude windmolen gegooid, waardoor hij helemaal aan stukken werd gereten. Toen vertrok het dassengezelschap vrolijk fluitend en scheten latend naar de dierentuin. Er lag een mooie dag in het verschiet.
    Zo kwam alles op uiteindelijk toch nog op z’n pootjes terecht. De egels waren uitgeroeid, omdat ze zo stout waren geweest in de moskee. De dassen waren ook opgerot. De andere dieren hadden het nu weer naar hun zin in het bos, want ze hadden Jalaly von Hyklaquewio al die tijd genegeerd, waardoor hij als sneeuw achter de maan begon te smelten. Het restaurant van Rudolf de regenton liep als een tierelier, waardoor het zeer weinig klanten had. Alleen de antilopen konden het immers bijhouden. En Victor, tja die Victor. Die had zichzelf een lekker weekendje supermarkt gegund. Nou hoor ik menig lezer denken ‘’en Ibrahim de imam, hoe liep het daar mee af?’’ Nou mensen, wees gerust. Die heeft een seizoenskaart van het openluchtzwembad gekocht.

    08-05-2014 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Op camping

    Op camping



    Alles ingepakt vraagt mam.
    Ja,waar is Samantha vraagt Deborah.
    In haar kamer zegt mam.
    Gaat ze niet mee vraagt Deborah.
    Ik denk van niet zegt mam.
    En Jessy...vraagt Deborah.
    Nee ook niet zegt mam.Oke,dan ben ik lekker alleen zegt Deborah lachend.Ja,he zegt mam.Wie gaat er vraagt pap.Ik zeggen Deborah en Jayden.
    Ga jij ook vraagt Deborah.Euhm had niet gedacht zegt haar broertje.Jouw hinderlijke aap zegt Deborah.Watt??zegt Jayden.Hou je mond zegt Deborah en stapt in de camper.Nou ik ook zegt Jayden.Waar is mam vraagt Jayden.In de keuken zegt pap snel.

    Mamaaa roept Deborah akelig.Ja,schat vraagt mam bezorgt.Ikke wil overgeven zegt Deborah.Ooooh,liefje stop even roept mam bezorgd.Watt is er vraagt pap.O,lief onze Deborah wilt overgeven zegt moeder bezorgt.O,oke dan stop ik meteen zegt pap.Deze camper is wel hoog en groot hoor zegt jayden.
    Kom Deborah zegt moeder snel.
    Deborah rent naar buiten en geeft meteen over.O,ben je ziek vraagt pap.
    Ik denk van wel zegt Deborah zacht.
    O,dan moet je wel de hele tijd liggen.
    Dit word slechste vakantie ooit gilt Deborah.Nee,liefje dat word het niet zegt mam.Maaaaam roept Jayden bang.Zie je niet dat ik bezig ben met je zus zegt moeder boos.Maar mam je worstjes branden af zucht Jayden.Wa....watt vraagt moeder bezorgd.Je worstjes branden af gilt Jayden.Aaaah gilt moeder en rent de camper in.O,Deborah laten we maar vertrekken zegt vader.Deborah en vader stappen de camper in.

    Liefje hoe is het met die worstjes vraagt vader.Af gebrand,je zult maar brood met kaas eten zegt moeder vanuit de keuken.O,jee zucht vader.
    Mama loopt naar Deborah en geeft haar een glaasje water en medicijn.
    Moeten me kleine schatjes een broodje met kaas.
    Jaaaa zeggen de twee.Voor mij eerst hoor mam omdat ik ziek bent zegt Deborah.Nee,ik had eerst gezegd schreeuwd Jayden.Hou je mond gebakken ei en ik krijg me broodje eerst.
    Hou jij je mond hete koffie en ik krijg me brood eerst.
    Gebakken ei en hete Koffie jullie moeten je mond dichthouden.
    Jayden en Deborah houden hun mond dicht en zeggen een tijdje niks totdat hun broodje af is.
    Smaakt het vraagt mam.
    Het is lekker zegt Jayden.
    Voor jou is alles lekker zolang het eetbaar is zegt Deborah.
    Ja natuurlijk zegt Jayden.
    En poep vond je een tijdje lekker he zegt Deborah lachend.
    Jij bent wel een plaagkop hoor zegt moeder lachend.
    Euhm,ja toch wel zegt Deborah.
    En hoe smaakt jou broodje Deborah vraagt pap.Heel lekker zegt Deborah.

    (bij park Cessy)
    He is dit die park vraagt Jayden.
    Ja,en het is welvol met campers zegt Deborah.
    Kijk tussen die roze en gele parkeren wij want onze camper is paars lacht vader.
    Kunnen we hier parkeren meneer vraagt Jayden.Ja hier is vrij zeggen twee meneren.
    Pap ze willen dat we hier parkeren zegt Deborah.
    Als iedereen uitegestapt is maken ze kennis.
    Ik ben Christy stelt Christy een 16jarige meisje voor.
    O,euhm ik ben Deborah en ik word 16jr morgen.
    Leuk zegt een ander meisje naast Christy.
    Oh,euhm ik ben Joyce en ik ben 14jr en word volgend jaar 15.
    Oke zegt Deborah.
    Ik zie dat je een leuke broertje heb zegt Joyce.Ja,hij is 15 zegt Deborah.Jullie zijn tweelingen vraagt Christy.
    Nee,ik ben eerder geboren zegt Deborah.1jaar verschil dus vraagt Joyce.Ja zegt Deborah.
    Mag ik kennis met hem maken vraagt Joyce.Ja als je wil zegt Deborah.

    Hoi ik ben Joyce letsen en ik ben 14 jaar en...
    Hey ik ben Jayden Urchel en ik ben 15jr en ik zit op de St.linten mulo school en me zus op de Hurbertmulo school.
    O,euhm wil je met me wandelen vraagt Joyce verlegen.
    Ja,ik wil zegt Jayden.Ga je niet meer voetballen vragen Freddie en Nick.Nee,`t hoeft niet meer zegt Jayden.
    O,god ik ga naar Christie zegt Freddie.
    Nu ben ik alleen denkt Nick.
    Wacht daar is een meisje alleen,ik ga kennis met haar maken zegt Nick.

    Halo ik ben Nick snippers en ben 17jr en zit op de H.nmuloschool.
    O,ik ben Deborah Urchel en ben 15jr maar word morgen 16jr.
    O,oke leuk zegt Nick.
    Wil je chillen en chiller drinken vraagt Nick.
    Ja,hoor zegt Deborah.

    08-05-2014 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)


    T -->

    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!