Het beloofde een mooie dag te worden voor Arnoldus de dappere. De koene ridder had het echter zelf nog niet door toen hij wakker werd. Heel normaal dus deed hij zijn ridderkledij aan en begaf zich naar buiten. Wat hij vandaag ging doen wist hij niet. Een ridder was immers een soort van vrije vogel die meestal in de loop van de dag besliste wat hij zou gaan doen. Hij stond dus buiten en keek naar het volk dat passeerde. Als hij een mooie jonkvrouw in het zicht kreeg, dacht hij bij zichzelf: “Hm, hier zou ik wel eens een vogeltje mee willen leggen.� De betekenis hiervan is in de loop der jaren jammer genoeg verloren gegaan… Zo ging het even verder, maar plots dacht Arnoldus dat hij maar eens actie moest ondernemen. Hij stapte op een jonkvrouw af en vroeg haar of ze een vogeltje met hem wou leggen. Ze zei:�Graag, maar een andere ridder was je voor.� “Verdomme “, zei Arnoldus een beetje teleurgesteld, “dan maar geen vogeltje.� En net toen hij wou weggaan zei de jonkvrouw: “Kijk, daar is die andere ridder, misschien kunnen jullie een duel uitvechten voor mij?� Omdat hij als bijnaam “de dappere� had, kon hij deze uitdaging onmogelijk uit de weg gaan. Een duel ging het worden. In die tijd was een duel tussen ridders iets wat veel voorkwam en de nodige maatregelen werden dus snel getroffen. Twee grote manden werden op het centrale plein gezet en door de koning aangestelde tellers namen plaats naast de manden, in aangepaste tellerskledij Als het ging om een jonkvrouw, was een speciaal duel aangewezen. De regels zijn eenvoudig: de ridders krijgen elk vier uur de tijd om zoveel mogelijk eieren te verzamelen en die in een mand te leggen. Eieren mochten ze niet kopen, maar moesten ze buiten de stad halen en dan in de mand gaan leggen. Op het eerste zicht lijkt dit misschien saai, maar dat was het hoegenaamd niet. Dit spel vraagt een enorm tactisch inzicht! Draag je veel eieren met je mee of breng je ze zo snel mogelijk terug? Het eerste impliceert een risico op vallen, en dus verlies van al je verzamelde eieren en het tweede zorgt voor een enorm tijdsverlies. Dilemma’s alom. De ridders werden ook gevolgd door nieuwsgierige toeschouwers. Hoe ze in de bomen klommen om eitjes te zoeken was een wervelend spektakel. Want, wat ik nog niet verteld heb is dat voor zo’n duel de ridders hun volledige harnas moesten aanhebben, en dat maakte het klimmen er niet makkelijker op, wel leuker om te aanschouwen. Mooie taferelen in die tijd… Ook waren niet alle vogels even tevreden met het zien van een ridder die hun eieren stal. Grote, agressieve vogels lieten dit niet zomaar gebeuren en vielen de ridders aan. Niet zo slim want de ridders hadden naast hun harnas ook een zwaard mee en met de vogels werd dus meestal korte metten gemaakt. Zo ging dat vier uur door en toen was het tijd om te tellen. Onder het oog van de bevolking en de koning deden de tellers hun werk. Kleine weddenschappen werden afgesloten en gegiechel weerklonk tussen de jonkvrouw in kwestie en haar vriendinnen. Uitgeput en in spanning wachtten de ridders af. Na de telling schreven de tellers hun resultaat op en toonden dat aan de koning. Hierna werd het muisstil op het plein en iedereen keek naar de koning. “De winnaar van dit duel�, zei hij plechtig, “die een vogeltje zal leggen met de jonkvrouw, is niemand minder dan Arnoldus de dappere!� Zonder al te veel te aarzelen bedankte Arnoldus de koning en nam de jonkvrouw mee om een vogeltje te leggen. Hand in hand liepen ze naar zijn huisje en begonnen aan de daad. Zij haalde het vogeltje uit z’n kooitje en begon het te wassen, heel zachtjes. “Wat een prachtig exemplaar�, merkte ze terloops op, maar de koene ridder zocht al propere doekjes om het vogeltje in te wikkelen. Na de grondige wasbeurt van de jonkvrouw rolden ze het vogeltje in de doekjes en legden het bij de kachel om te drogen. En zo legde Arnoldus die dag een vogeltje met de jonkvrouw van zijn dromen.
Stort een man in een 1-persoonsvliegtuigje neer in de woestijn. Hij heeft genoeg eten en drinken mee, maar na een paar dagen krijgt hij toch wel heel erg behoefte in seks. Dus hij graaft een kuil, zet er een kameel in, doet zijn broek naar beneden... loopt de kameel weg! Zo gaat het een paar dagen en telkens loopt de kameel weg. Tot op een dag er nog een 1-persoonvliegtuigje neer stort. De man rent er naar toe en red de vrouw die er in zit. De vrouw ligt in de armen van de man en is zo blij dat ze gered is dat ze zegt alles voor hem te willen doen. Waarop de man antwoord: "Hou jij even de kameel vast".
Er was eens een koopman, meester over grote rijkdommen en vee, gehuwd en vader van kinderen. Allah, de Allerhoogste schonk hem ook kennis van de taal der dieren en der vogels. Welnu, de woonplaats van deze koopman was een vruchtbaar land aan de oever van een rivier. In de woning van deze koopman bevonden zich ook een ezel en een stier. Op een keer kwam de stier op de plek waar de ezel thuis hoorde, en vond deze plek geveegd en besproeid; in de krib lag fijngezifte gerst en goed geschud stro; en de ezel lag prettig te rusten. Want wanneer zijn meester hem besteeg, was het alleen voor een kort ritje, dat toevallig nodig was, en de ezel herkreeg spoedig weer zijn rust.
Welnu, die dag hoorde de koopman de stier tegen de ezel zeggen: "Eet met genoegen! En dat het je wel bekome, tot je gezondheid en met goede appetijt! Ik ben wel vermoeid, en jij uitgerust; jij eet goed gezifte gerst en wordt bediend. En als een keertje uit vele je meester je bestijgt, brengt hij je gauw genoeg terug! Wat mij betreft, ik dien slechts voor gesjouw en werk in de molen!"
Toen antwoordde de ezel hem: "Als je buiten komt op het veld, en men je het juk op de nek legt, smijt je dan op de grond en sta niet meer op, zelfs niet als men je slaat. En wanneer je opgestaan bent, ga dan gauw weer voor de tweede keer liggen. En als men je dan naar de stal laat terugkeren, en men je bonen voorzet, eet er volstrekt niet van, net of je ziek bent. Zo moet je je best doen om een dag of twee, drie, niet te eten en niet te drinken. Op die manier zul je uitrusten van de vermoeienis en de last."
De koopman was echter daar en hoorde hun woorden.
Toen nu de veedrijver in de buurt van de stier kwam om hem zijn voer te geven, zag hij hem heel weinig eten; en toen hij hem 's morgens naar het werk meenam, vond hij hem ziek. Daarop zei de koopman tegen de veedrijver: "Neem de ezel en laat hem in plaats van de stier de hele dag lang werken." En de man kwam terug en nam de ezel in plaats van de stier en liet hem heel de dag lang werken.
Toen de ezel op het eind van de dag in de stal terugkeerde, bedankte de stier hem voor zijn welwillendheid en dat hij hem die dag van zijn vermoeienis had laten uitrusten. Maar de ezel antwoordde hem met geen stom woord en had het ergste berouw van de wereld.
De volgende dag kwam de zaaier en nam de ezel en liet hem werken tot het eind van de dag. En de ezel keerde niet terug voordat zijn nek ontveld was en hij uitgeput was van vermoeidheid. En toen de stier hem in die toestand zag, begon hij hem uitbundig te bedanken en hem te overstelpen met lof.
Hierop antwoordde de ezel hem: "Tevoren was ik heel op mijn gemak; ja, niets heeft mij geschaad behalve mijn weldaden." En hij vervolgde: "Niettemin behoor je te weten, dat ik je een goede raad ga geven. Ik heb onze meester horen zeggen: 'Als de stier niet van zijn plaats opstaat, moet ik hem aan de slager geven om hem af te maken, dat hij van zijn huid een lap maakt voor op tafel.' En ik, ik ben benauwd voor je en wens je alle heil toe!"
Op het horen van deze woorden van de ezel, bedankte de stier hem en zei: "Morgen zal ik uit eigen beweging met hen meegaan om mijn baantje te vervullen." Waarop hij begon te eten en al zijn voer verslond en zelfs de trog met zijn tong aflikte.
Dit alles geschiedde, en hun meester hoorde hun woorden. Toen de dag aanbrak, begaf de koopman zich met zijn vrouw naar het verblijf van de stieren en koeien, en beiden gingen er zitten. Vervolgens kwam de drijver en nam de stier en vertrok. Bij het zien van zijn meester begon de stier te zwaaien met zijn staart, luidruchtige winden te laten en waanzinnig te hollen naar alle kanten. Hierdoor schoot de koopman in zulk een lach, dat hij ondersteboven viel op zijn achterste.
Daarop zei zijn vrouw: "Waarom lach je zo?" Hij antwoordde haar: "Om iets wat ik gezien en gehoord heb, en wat ik niet kan mededelen zonder te sterven."
Zij zei hem: "Het is volstrekt noodzakelijk dat je het mij vertelt, en dat je mij de reden van je lachen zegt, zelfs al zou je daarom moeten sterven!" Hij zei haar: "Ik kan het je niet mededelen uit vrees voor de dood." Zij zei hem: "Maar dan lach je alleen om mij!"
Daarna hield zij niet op met kijven en hem hardnekkig met woorden te kwellen, zodat hij zich tenslotte in grote verlegenheid bevond. Daarom liet hij zijn kinderen bij zich komen en liet hij de kadi roepen en zijn getuigen. Vervolgens wilde hij zijn testament maken, alvorens het geheim aan zijn vrouw prijs te geven en te sterven.
Want hij hield van zijn vrouw met een ontzaglijke liefde, aangezien zij de dochter was van zijn oom van vaderszijde en de moeder van zijn kinderen, en hij reeds honderdtwintig jaren van zijn leven met haar geleefd had. Bovendien liet hij alle bloedverwanten van zijn vrouw halen, alsmede de bewoners van de buurt, en hij vertelde hun allen zijn geschiedenis en dat hij op hetzelfde ogenblik, dat hij zijn geheim ging mededelen, zou sterven. Toen zeiden alle lieden die daar waren, tegen zijn vrouw: "Bij Allah over u! Laat deze kwestie rusten, uit vrees dat uw man sterft, de vader van uw kinderen!"
Maar zij antwoordde hun: "Ik zal hem geen vrede gunnen, voordat hij mij zijn geheim gezegd heeft, zelfs al moet hij er aan sterven."
Daarop hielden ze op met haar toe te spreken. En de koopman stond op in hun midden en begaf zich naast de stal, in de tuin, om daar eerst zijn wassingen te doen en vervolgens terug te komen om zijn geheim te vertellen en te sterven.
Welnu, hij bezat een fikse haan, in staat om vijftig kippen naar genoegen te bedienen, en hij bezat ook een hond. En hij hoorde hoe de hond de haan riep en hem uitschold en hem zei: "Schaam je je niet vrolijk te zijn, terwijl onze meester gaat sterven?"
Toen zei de haan tegen de hond: "Hoe dat zo?"
Daarop herhaalde de hond de geschiedenis, en de haan antwoordde hem: "Bij Allah! Onze meester heeft niet al te veel verstand. Ik voor mij heb vijftig vrouwen en weet mij er uit te redden door de ene te bevredigen en op de andere te mopperen. En hij die maar één enkele vrouw heeft, vindt niet eens het goede middel en de manier waarop hij haar moet aanpakken! Nou, dat is eenvoudig genoeg. Hij behoeft maar een paar flinke moerbeitwijgen voor haar af te snijden, plotseling haar eigen vertrek binnen te stappen en haar af te ranselen, totdat zij sterft of tot inkeer komt. En ze zal niet opnieuw beginnen met hem lastig te vallen over kwesties van welke aard ook." Zo sprak hij.
Nauwelijks had de koopman de woorden gehoord, die de haan met de hond wisselde, of het licht keerde terug in zijn rede en hij besloot zijn vrouw af te ranselen. De koopman trad het eigen vertrek van zijn vrouw binnen, na de moerbeitwijgen voor haar te hebben afgesneden en ze verstopt te hebben. Hij riep haar en zei: "Kom in je eigen kamer, opdat ik je mijn geheim vertel en niemand mij kan zien; en daarna zal ik sterven!"
Daarop ging zij met hem naar binnen, en hij sloot de deur van haar eigen vertrek achter hen, en hij overviel haar met verdubbelde slagen, totdat zij in katzwijm ging vallen. Toen riep zij: "Ik heb berouw! Ik heb berouw!" Hierna begon zij beide handen en beide voeten van haar man te zoenen en zij toonde oprecht berouw. En vervolgens ging zij naar buiten met hem. Alle aanwezigen verheugden zich en ook alle bloedverwanten toonden vreugde. En iedereen was in de gelukkigste toestand en allerfortuinlijkst tot aan hun dood.
Komt een knecht bij een boer werken op 1 voorwaarde dat hij geen seks zou hebben met z`n dochters. De knecht ziet z`n dochters en ze zijn zo knap en lekker... Maar hij houdt zich in. Tot op een moment vraagt de boer aan de knecht of hij z`n laarzen wil halen op z`n dochters kamer. 'Maar blijf van mn dochters af' zei de boer. Komt de knecht in de kamer en ziet de 2 dochters naakt op bed liggen en de knecht hield het niet meer en zei: 'Ik mag jullie nemen van jullie vader.' De dochters geloofden hem niet en en hij moest het bewijzen. De knecht opende het raam en riep naar de boer: 'Moet ik ze allebei pakken?' Boer: 'Natuurlijk wat dacht jij dan, idioot
Er was eens een stad waarin niet alleen veel rijken en armen, knappe handwerkslieden en ijverige kooplui woonden, maar ook allerlei onguur gespuis. Zo is dat in de meeste steden. Maar hoe verschillend al die mensen onderling ook waren, de rijken en de armen, de heel ijverigen en zij die alleen maar konden luieren, over één ding waren zij het allen eens: rondom de stad was het niet pluis!
Het gebeurde niet zelden dat een koopman zich op weg begaf naar een dichtbij gelegen dorp en voorgoed verdween. Ook gebeurde het wel dat iemand die wat rust wilde zoeken in de vrije natuur of op weg was naar de drie en dertig tempels van de zegenrijke godin Kannon, plotseling met een bleek gezicht en wijd opengesperde ogen van de schrik, de stad weer binnen rende. Hij vluchtte bevend en zwijgend in zijn huis en niemand van de buren of kennissen kon een woord uit hem krijgen. Hij schudde alleen radeloos het hoofd, wat hen nog nieuwsgieriger maakte. Hij moest wel iets verschrikkelijks beleefd hebben, dachten ze. Als zij tegen de avond samenkwamen in de theesalons en hun pijpje rookten, verdiepten zij zich dikwijls in het raadsel buiten de stadsmuren. Wanneer een roversbende de omgeving onveilig had gemaakt, zouden zij daar zeker iets over gehoord hebben. Er was trouwens niemand bestolen. Men sprak alleen over iets vreemds, iets huiveringwekkends. En zij, die dat huiveringwekkende zelf ervaren hadden, konden er niet over vertellen. Zij waren nooit teruggekeerd!
Hoe de mensen zich ook het hoofd braken, het bleef een duistere zaak. In de loop der jaren raakte men er aan gewend dat buiten de stad spoken rondwaarden en men er beter aan deed in huis te blijven. Maar dat dit een bloeiende handel in de weg stond, is zeker.
Op een dag kwam er een mattenvlechter in de stad wonen. Een knappe handwerksman en een flinke, geestige knaap. De ganse dag liep hij langs de huizen en repareerde de matten die de kamervloer bedekten. Doch veel liever maakte hij nieuwe matten. Zodra iemand rijk geworden was en eens goed wilde pronken met een nieuw huis, liet hij de jonge mattenvlechter komen. En de jonggehuwden, die hun woning inrichtten, wisten hem ook te vinden, want niemand had zulke vaardige vingers en bracht zoveel vrolijkheid in huis! Hij kende alle nieuwe liedjes en alle ondeugende nieuwtjes. Hij bootste de beroemde toneelspelers zo goed na, dat de mensen het gevoel hadden naar de voorstelling te zijn geweest! Weldra was de mattenvlechter zo geliefd, dat hij van vroeg tot laat aan het werk was. En niet alleen in zijn eigen wijk, maar in de hele stad. Men ontbood hem zelfs in de nabij liggende dorpen.
Zo was de mattenvlechter een van de zeer weinige dapperen, die zich 's avonds buiten de veilige stad durfden wagen. Dikwijls liep hij, vrolijk zingend, met zijn rietbundel en het nodige gereedschap, door het veld naar een naburig dorp. En nooit was hem iets vreemds overkomen, waarschijnlijk omdat hij altijd zo luid aan het zingen was! Misschien ook omdat hij niets vreesde.
Waarschijnlijk hebben de mensen die praatjes verzonnen, om bij een glas rijstwijn boeiende gespreksstof te hebben, dacht hij. Het is toch vreemd dat ik nog nóóit iets bijzonders heb beleefd.
Eens kreeg hij bericht van een klant uit een ver dorp. U hebt minstens twee dagen werk, had men hem verteld. Maar hij was in de middag van de eerste dag al klaar en begon welgemoed aan de terugreis. De zon brandde meedogenloos en er dreef geen wolkje langs de hemel. De drukkende hitte had zelfs de vogels doen verstommen. Maar nog altijd liep de jonge mattenvlechter vrolijk verder. Hij verheugde zich erover dat hij zo vlug klaar was geweest.
Ik ga rechtdoor naar de schouwburg, nam hij zich voor. Ik ben er in zo lang niet geweest! En misschien kan ik daarna nog een glaasje rijstwijn drinken met de buren.
Hij was zo in gedachten verzonken, dat hij niet gemerkt had dat donkere wolken de hemel bedekten en plotseling werd het zo duister dat hij geen hand voor ogen kon zien!
Er komt natuurlijk onweer, dacht hij. Geen wonder, bij deze hitte! Als ik nu maar op tijd in de stad ben... En hij liep zo snel mogelijk verder. Maar wat was dat? In plaats van de bekende weg rees er plotseling een donker bos voor hem op. De duisternis werd nog dieper en een beklemmende stilte heerste onder de bomen.
Heb ik mij vergist? Het is zo vreemd hier! De mattenvlechter aarzelde. Hij liep een eindje in een andere richting, ging terug, nam weer een ander pad... maar de goede weg kon hij niet meer vinden. Plotseling leek het hem of in de verte een helder licht brandde. Daar ga ik heen, dan kan ik tenminste ontdekken waar ik ben, mompelde hij. En zo vlug mogelijk liep hij in die richting. Even later stond hij voor een kleine tempel. Hoewel hij meende een zachte stem te horen, kreeg hij geen antwoord op zijn roepen. Daarom opende hij zelf de deur.
Midden in de kamer zat een oude, kaalgeschoren non, met het gebedenboek voor zich op een lessenaar. Zij had hem blijkbaar niet opgemerkt, want ze draaide zich niet om toen hij binnentrad. De mattenvlechter wachtte een poosje en kuchte toen verlegen.
"Het spijt me dat ik u stoor. Ik was juist op weg naar de stad toen het begon te onweren. Het werd zó donker, dat ik verdwaald ben. Mag ik hier even wachten, tot het onweer voorbij is en het buiten lichter wordt?"
De non knikte toestemmend en de jongen trok zijn sandalen uit en ging de kamer binnen, zijn rietbundel nog onder z'n arm.
Hij ging in de hoek op een matje zitten. Het was zo stil, dat de beklemming die zich in het bos van hem meester maakte, weer over hem kwam. In de duistere hoeken van de tempel dreigde iets vreemds, iets beangstigends.
De non murmelde zachtjes haar gebeden. De mattenvlechter draaide zich om. Hij zou graag wat met haar gepraat hebben, om zo de onrust uit zijn hart te verdrijven. Maar de non had al haar aandacht bij het gebedenboek. Daarom haalde hij zijn pijp maar te voorschijn en begon te roken. Als je met iets bezig bent, wordt je stemming vanzelf vrolijker, dacht hij. En daar hij niet oppaste, viel er een beetje gloeiende as uit zijn pijp op de mat.
De non zond hem een woedende blik toe.
"Vergeef me," stamelde de jonge mattenvlechter en hij klopte zorgvuldig de as van de mat. "Het komt door dat verschrikkelijke onweer. Je wordt er onrustig van en past dan niet genoeg op... Maar weest u niet bang, het zal niet weer gebeuren!"
Hij zat nu rustig op zijn mat en trok voorzichtig aan zijn pijp. Maar die was spoedig uitgebrand en er viel nog steeds geen druppel regen. Buiten heerste nog altijd een diepe duisternis. Hij keek om zich heen of er niets voor hem te doen viel. En daarbij viel zijn oog op de mat, die aan één kant lelijk gerafeld was.
Die kan ik mooi repareren, dacht hij. De non zal mij dankbaar wezen en de tijd gaat vlugger voorbij. Hij nam zijn gereedschap, greep het bosje draden, trok er één uit en begon te werken. Op dat ogenblik zweeg de non en keek hem boos aan.
"Laat u niet storen," zei de man vlug. "Ik zit niet graag werkloos te kijken. En nu ik hier toch wachten moet, kan ik immers mooi die kapotte mat herstellen!"
De non wierp hem een duistere blik toe, maar antwoordde niet. Opnieuw begon zij haar gebeden te lezen. De mattenvlechter schoot flink op. Hij pakte het bosje draden dat uit de mat hing en trok het er af. Op het zelfde ogenblik schudde de hele tempel op zijn grondvesten. En de non riep huilend: "O, het is verschrikkelijk, verschrikkelijk!"
"U hoeft niet zo bang te zijn," stelde de jongen haar gerust. "Dat komt door de storm, het is bar weer! Hoort u die donderslagen? Maar deze tempel kan wel tegen een stootje. Maak u maar geen zorgen."
Toen de non haar kalmte had teruggekregen, keek de jonge mattenvlechter naar het bosje dat hij in zijn hand hield - en schrok hevig. Het drong ineens tot hem door dat die praatjes in de stad toch niet allemaal verzonnen waren. Het was een bosje lange, zwarte haren met witte punten!
"Dat bevalt mij niet," mompelde hij. "Het is dassenhaar en hoe komt dat in die mat?" Snel trok hij uit zijn tas een lange sterke zadelnaald, hief zijn arm omhoog en dreef toen de naald met al zijn kracht in de mat. Hij ging er dwars doorheen en tegelijkertijd klonk er een luid geschreeuw! De tempel en de non waren verdwenen en de mattenvlechter zat op het veld, met blote voeten en de lange naald nog in zijn hand. De zon brandde en aan de hemel was niet het kleinste wolkje te zien. Verwonderd keek de jongen om zich heen. Doch in plaats van de tempel zag hij een grote bloedplas, waaruit hij een lang spoor kon volgen tot aan een hol. Voor de ingang van het hol lag een dode das!
"Aha, dat was het spook, dat de hele omgeving onveilig maakte," riep de jonge mattenvlechter uit. "Dan zijn het toch geen praatjes geweest."
Nu pas begreep hij aan welk gevaar hij ontkomen was.
Sindsdien is het weer veilig rondom de stad. De mensen kunnen rustig hun werk en plezier buiten de muren zoeken. In plaats van 's avonds thuis te blijven, trekken zij er nu zóveel op uit, dat het lijkt of zij al die jaren willen inhalen. En in de dorpen zegt men: "Nergens heeft men zo weinig zitvlees als in de stad van de spoken!"
Een jongetje komt binnen in een hoerenkot met een platte kikker aan een koordje in zijn hand. Hij vraagt naar een hoer met een vuile ziekte. "Jamaar jongetje, heb jij wel geld?", vraagt de bazin. "Ja hoor", zegt de jongen en hij laat zijn geld zien. En dan doet hij het dus met die hoer met die vuile ziekte (nog steeds met de platte kikker aan het koordje in zijn hand) en als ze klaar zijn vraagt die verwonderd: "Waarom wou jij eigenlijk een hoer met een vuile ziekte?" "Wel", antwoordt de jongen, "als ik thuiskom, doe ik het met de babysitter. En als papa dan thuiskomt, doet hij het met de babysitter. En als mama thuiskomt doet hij het met haar. En 's morgens doet mama het met de postbode. En hem moet ik hebben zie! Hij heeft mijn kikker platgereden!"
Het volksgezegde "Wil een arme er op vooruit gaan dan moet zijn lot in slaap zijn gevallen en het lot van de rijke het niet in de gaten hebben" berust op het volgende verhaal:
Er waren eens twee compadres*, de ene heel rijk, de andere heel arm, die in een dorp woonden, waar vlakbij zich een steile hoge berg bevond, die de berg van het lot genoemd werd, want op de top ervan kon iedereen zijn persoonlijke lot oproepen om er mee te praten. Maar om de top te bereiken moest men diverse ernstige gevaren het hoofd bieden.
Op een dag riep de rijke compadre de arme compadre bij zich en bood hem 500 peso's voor het beklimmen van de berg om daarboven tegen zijn lot te gaan zeggen dat het hem niet nog meer geld moest geven, omdat hij al een hele boel had. De arme compadre nam dit aanbod niet aan want het had geen enkel voordeel voor hem zich aan levensgevaar bloot te stellen voor zo'n gering bedrag.
Maar toen hij bij zijn huis aankwam waar zijn gezin in ellende leefde en stierf van de honger, dacht hij: als ik onderweg het leven laat, kan ik tenminste maken dat mijn gezin die 500 peso's krijgt waar ze even mee vooruit kunnen. En hij keerde terug om te zeggen dat hij het aanbod aannam. Maar toen zei de rijke compadre: "Het was maar een opwelling van mij, ik geef je geen 500 peso's meer, maar 250." De arme weigerde. Hij ging naar huis maar dacht opnieuw na zoals de eerste keer en hij ging opnieuw naar de rijke compadre en zei hem dat hij de 250 peso's accepteerde. De rijke zei zonder enige schaamte: "100 peso's geef ik je en meer niet." En na diverse keren heen en weer gelopen te hebben, werden het tenslotte 5 peso's waar de arme op inging omdat hij niet anders kon.
Toen hij met Gods hulp zonder rampen op de top van de berg was aangekomen, riep hij het lot op van zijn rijke compadre. Dit verscheen onmiddellijk. Het was een stevige, vitale, knappe dame die toen ze de boodschap had aangehoord antwoordde: "Zeg maar tegen die meneer dat ik hem, ook al wil hij het zelf niet, veel geld zal blijven geven en dat hij zich wel moet realiseren dat hij die 5 peso's aan jou kwijt is geraakt omdat ik met wat anders bezig was toen jullie die overeenkomst sloten."
Daarna wilde de arme compadre van de gelegenheid gebruik maken om zijn eigen lot op te roepen, dat deed hij, en zijn lot verscheen. Het was een oerlelijke slonzige oude vrouw, mager en met piekhaar. Toen de arme compadre haar zag wierp hij zich op haar, maar de oude vrouw liet zich niet overmeesteren, er ontstond een fel gevecht, waarin zij de arme compadre tegen de grond duwde en hem bij de keel greep terwijl ze tegen hem zei: "Stuk ongeluk, nooit zal ik je loslaten en weet wel dat jij die 5 peso's gekregen hebt omdat ik sliep toen jullie die overeenkomst sloten."
En ik kroop weg in een gaatje en kwam weer uit een ander gaatje te voorschijn, om nog een verhaaltje van je te horen.
Loopt een vent over de wallen, goed geil. Maar hij heeft alleen maar 10 euro op zak en de goedkoopste hoer op de wallen kost toch zeker minstens 25 euro. Dan ziet hij op een gegeven moment: 'pijpautomaat, inworp 10 euro.' "Hee," denkt ie, "dat is iets voor mij en gooit z'n 10 euro in de automaat. En doet z'n broek alvast omlaag. En....ploep, springt er ineens een rubberen penis van 30 cm te voorschijn.
voorouders woonden zij in de bergen en leefden van de opbrengst van de droge rijstvelden. Zij hadden niet de gelegenheid gehad te gaan leren. Pa Pandir had een vrouw, die Moeder Andeh heette.
Toen de vader van Pa Pandir gestorven was, zond Moeder Andeh hem uit om zout te kopen voor het begrafenismaal. Hij ging op weg naar het dichtstbijzijnde dorp, kocht daar het zout en verstopte het in een holle bamboestok. En omdat hij nog andere boodschappen te doen had, wilde hij die stok zolang ergens bewaren en hij stak hem in een riviertje, dat daar in de buurt voorbij stroomde.. Toen de vrouw van Pa Pandir hem een zoon geschonken had, verzocht zij hem wat vis te vangen, want zij wilde bij de rijst een paar vissen bakken. Zij raadde hem aan als aas een belalang roesa (soort sprinkhaan) te nemen.
Maar hij verstond een belalang roesa (de rug van een hert).
Met zijn hengel op zijn rug liep hij het bos in, waar hij na een tijdje een hert vond dat lag te slapen. Met veel pijn en moeite lukte het hem de vishaak in de rug van het arme dier te slaan, dat hij vervolgens in het water wierp als aas voor de vissen... Eens moest zijn vrouw op het veld werken en droeg hem op voor het kind te zorgen. "Wanneer je het wast, neem dan vooral warm water," zei ze tegen hem voordat ze wegging.
Toen zette hij een ketel water op het vuur en toen het water kookte, pakte hij het kind en stopte het erin... Nu moest het kind begraven worden; hij wikkelde het lijfje in een visnet om het naar het kerkhof te brengen, maar liet onderweg het kind vallen en zonder er iets van te merken, begroef hij het net in plaats van zijn kind. Toen hij terugging langs dezelfde weg, zag hij daar het lijkje liggen.
"Ach," troostte hij zich, "zie toch hoe vaak het gebeurt, dat kleine kinderen sterven."
Zijn vrouw zond hem uit om een buffel te kopen voor het begrafenismaal. En omdat zij bang was dat Pa Pandir zich weer zou kunnen vergissen, zei ze: "Denk eraan, dat de buffel een dier is dat gras eet." Toen kwam hij langs een veld, waar mannen aan het maaien waren. "Kijk!" nep Pa Pandir verheugd uit, "daar heb je de dieren die gras eten!" En hij kocht van de maaiers een sikkel, maar omdat hij zich aan de scherpe snede bezeerde, bond hij de sikkel vast aan een boom in zijn tuin; het dier had zulke scherpe horens... Nu moest hij de gasten uitnodigen voor de maaltijd en zijn vrouw zei tegen hem dat hij de hadjis (bedevaartgangers naar Mekka) en de lebyes (mensen die hun godsdienstige verplichtingen getrouw nakomen) moest verzoeken om te komen. "Denk eraan,"zei ze, "let op hen, die witte kappen hebben en op hen, die lange baarden dragen."
Die vond Pa Pandir ook en hij bracht ze naar huis; een witkopmus en een tegenstribbelende geit..
Nu droeg zijn vrouw hem op een sjeik uit te nodigen. "Maar let wel op," zei Moeder Andeh, "dat je de goede weg kiest, want je moet rechts afslaan en wanneer je dat niet doet en naar links gaat, dan kom je bij het hol van de reuzen!"
Pa Pandir ging op weg en natuurlijk, hij vergiste zich en in plaats van de Sjeik nam hij de beide reuzen mee naar huis. Man en
vrouw samen, die hij uit het hol naar buiten gesleept had... De reuzen aten hun buik vul en toen ze weer wilde vertrekken, vroegen zij aan Pa Pandir ook nog wat eten naar hun kinderen te brengen. Dat deed Pa Pandir met genoegen en hij ging meteen op weg. Maar toen hij bij het hol van de reuzen kwam, propte hij de monden van de kinderen zo vol met buffelbeenderen, dat ze stikten. Toen werd Pa Pandir bang voor de wraak van de reuzen. En hij vluchtte weg met zijn vrouw, over de rivier. De reuzen achtervolgden hen, maar toen ze bij de rivier kwamen riep Moeder Andeh van de andere kant: "Pas op! Het is hier heel diep. Neem een paar kruiken en ga daarin zitten, dan kun je over de rivier
komen."
Dat deden de reuzen; ze gingen in de kruiken zitten, maar die stroomden vol water en de reuzen verdronken jammerlijk.
Pa Pandir en zijn vrouw gingen nu naar het hol van de reuzen, waar zij zoveel schatten vonden, dat zij hun verdere leven geen gebrek meer hoefden te lijden. Nu moest Pa Pandir rijst kopen, maar hij liet zich lege doppen in zijn handen stoppen. Toen hij bij een riviertje kwam, zag hij hoe honderden mieren langs een stuk hout aan de overkant kwamen. "Wanneer die kleine dieren met honderden tegelijk over dat stuk hout kunnen lopen," overwoog Pa Pandir, "dan kan ik er wel alleen overheen gaan." Hij stapte op het stuk hout en tuimelde hals over kop in het water... Nu besloot zijn vrouw hem geen boodschappen meer te laten doen. Toen ging Pa Pandir maar vissen en als hij wat gevangen had, sloeg hij de vissen met een hakmes de kop af, hing ze dan in de rook van een vuurtje, stopte ze in zakken en hing die aan een boom. Telkens wanneer hij trek had, ging hij stilletjes naar die boom en haalde een paar vissen uit de zakken. Het duurde niet lang of zijn vrouw kwam erachter en ze vroeg hem toen of hij niet bang was dat hij daar door een wïld dier zou worden aangevallen. "Ik ben niet bang voor tijgers noch voor geesten," zei Pa Pandir. "Maar er zijn twee dingen waar ik wel bang voor ben, dat is voor een knorrend varken en voor de vogel Garuda!"
Toen zijn vrouw dat wist, verstopte zij zich achter de boom en toen Pa Pandir daar weer eens kwam om wat vissen te halen, bootste zij het knorren van een varken na. Toen Pa Pandir dat geluid hoorde, liep hij wat hij lopen kon. En zijn vrouw, die nu precies wist waar de vissen verborgen waren, haalde de voorraad uit de boom en nam die mee naar huis..
Nu gaf ze hem iedere dag bij het eten twee vissen, maar dat vond Pa Pandir veel te weinig. "Waarom krijg ik niet nog een vis?" vroeg hij, wanneer zij samen gehurkt zaten te eten. "Je hebt nog veel meer, maar je houdt het voor mij verborgen. Ik zie het wel: Je zit erop en telkens haal je een vis voor de dag." Maar Moeder Andeh antwoordde: "Je vergist je, Pa Pandir, ik heb geen vissen meer, maar ik snij, als ik honger heb, de stukken van mijn eigen dij af." En meteen nam Pa Pandir een mes om dat ook te proberen...
Het duurde een hele tijd voordat Pa Pandir van deze dwaasheid genezen was. Toen ging hij weer naar het bos, met de bedoeling om vogels te vangen. Hij smeerde een boom in met vogellijm en had het geluk om op deze manier vijfhonderd vogels te vangen. Hij wilde ze allemaal tegelijk naar huis brengen en bond ze daarom aan zijn lichaam vast. Maar toen sloegen de vogels hun vleugels uit en vlogen met Pa Pandir de lucht in...
Zi j brachten hem ver weg, naar het paleis van de koning. Toen de mensen hem door de lucht zagen aankomen, dachten zij dat hij een elf was en met alle eer werd hij ontvangen en de dochter van de koning kreeg hij als vrouw.
Maar het duurde niet lang of de konings dochter had al gemerkt dat hij geen elf
was, maar een arme, domme Pa Pandir - en hij werd met schande weggejaagd...
De papa van lies zit op een vergadering en ziet dat zijn collega z'n broek openstaat dus zegt hij: 'meneer u garagepoort staat open.'Hij doet diene toe. Na de vergadering zegt die collega: kom is hier gij hebt menne audi tt toch ni gezien hé? 'Maar nee,'zegt diene anderen,' alleen u corella met 2 plate banden.
Broertje nam zijn zusje bij de hand en zei: "Sinds onze moeder dood is hebben we geen goed ogenblik meer; onze stiefmoeder slaat ons elke dag, en als we naar haar toegaan schopt ze ons weg. De harde broodkorsten die van tafel overblijven zijn ons voedsel en het hondje onder tafel heeft het beter, die stopt ze dikwijls eens wat lekkers toe. Het is gewoon verschrikkelijk! Als onze eigen moeder dat eens wist! Kom, laten we samen de wijde wereld ingaan." Ze liepen de hele dag over weiden, velden en stenen en wanneer het regende, zei het zusje: "God en ons hart schreien tezamen." ‘s Avonds kwamen ze bij een groot bos, en waren zo moe van honger en ellende en van het lange lopen, dat ze in een holle boom kropen en in slaap vielen.
Toen zij de volgende morgen wakker werden, stond de zon al hoog aan de hemel en scheen de boom in. Het broertje zei: "Zusje, ik heb dorst, als ik ergens een bronnetje wist, zou ik er heen gaan en drinken. Ik geloof dat ik water hoor ruisen." Hij stond op en nam haar bij de hand om het water te zoeken. De boze stiefmoeder was echter een heks; ze had wel gemerkt dat de twee kinderen waren weggelopen, ze was hen nageslopen zo stil als heksen sluipen kunnen, en ze had alle bronnen in het bos betoverd. Toen ze nu bij een beekje kwamen, dat glinsterend over stenen sprong, wilde het broertje drinken, maar het zusje hoorde het water ruisen: "Wie mij drinkt, wordt een tijger." Toen riep het zusje: "Drink alsjeblieft niet, anders word je een wild dier en zul je me verscheuren!" Hij dronk ook niet, al had hij nog zo’n grote dorst en zei: "Ik zal wachten tot de volgende bron." Toen ze bij het tweede bronnetje kwamen, hoorde het zusje hoe ook hier het water zei: "Wie mij drinkt, wordt een wolf; wie mij drinkt, wordt een wolf!" Toen riep het zusje: "Broertje, ik smeek je, drink hier niet – want dan word je een wolf en eet je mij op." Het broertje dronk niet en zei: "Ik zal nog wachten tot we weer bij een bron komen, maar dan moet ik drinken, wat je ook zegt, ik heb te veel dorst." En toen ze bij de derde bron kwamen, hoorde het zusje dat het water zei: "Wie mij drinkt, wordt een ree; wie mij drinkt, wordt een ree." Toen zei het zusje: "O, broertjelief, drink toch niet, dan word je een ree en dan loop je weg." Maar het broertje was al op zijn knieën gaan liggen, had zich voorovergebogen en van het water gedronken, maar zodra de eerste druppels over zijn lippen gekomen waren, lag hij daar als een jong reetje.
Nu weende het zusje bittere tranen om het arme betoverde broertje en het reetje huilde ook en zat heel bedroefd naast het meisje. Tenslotte zei het meisje: "Wees maar stil, lief reetje, ik ga zal je nooit verlaten." En ze knipte haar gouden kouseband los en deed die haar broertje om de hals en ze plukte grassen en vlocht daar een zacht koord van. Daar bond ze het diertje mee vast en ze leidde hem steeds dieper het bos in. En toen ze lang, heel lang gelopen hadden, kwamen ze eindelijk bij een klein huisje, en het meisje keek naar binnen en omdat het leeg was, dacht ze: "Hier kunnen we blijven wonen." Ze zocht voor het reetje bladeren en mos voor een zacht bedje en elke morgen ging ze erop uit om wortels en bessen en noten te plukken, maar voor het reetje bracht ze mooi gras mee dat hij uit haar hand at; hij was tevreden en sprong om haar heen. ‘s Avonds, als het meisje moe was en haar gebed gezegd had legde zij haar hoofd op de rug van het dier - dat was haar hoofdkussen waar ze heerlijk op sliep. Had het broertje maar zijn mensengedaante gehad, dan was het een heerlijk leven geweest.
Het duurde een poos dat ze zo samen in de wildernis waren. Maar het gebeurde dat de koning van dat land een grote jachtpartij hield in het bos. Daar schalden de jachthoorns, het geblaf van de honden en het geschreeuw van de jagers klonk door de bomen, en het reetje hoorde het en wilde er dolgraag bij zijn. "Och," zei hij tegen het zusje, "laat me eruit om bij de jacht te zijn, ik kan het niet langer meer uithouden," en hij smeekte zo lang, dat ze eindelijk toegaf. "Maar," zei ze, "’s avonds moet je thuiskomen; voor de wilde jagers sluit ik mijn deur; maar om je kenbaar te maken moet je kloppen en zeggen: "Zusje mijn, laat mij erin," en als je het niet precies zo zegt, doe ik de deur niet open." Toen sprong het reetje weg, en hij vond het zo heerlijk en werd zo blij in zijn vrijheid. De koning en zijn jagers zagen het mooie dier en zetten het na, maar zij konden het niet inhalen en juist toen zij dachten dat zij het hadden sprong het over de struiken heen en was verdwenen. Toen het donker werd liep hij naar het huisje, klopte aan en zei: "Zusje mijn, laat me erin." De kleine deur ging open, hij sprong naar binnen en rustte de hele nacht heerlijk uit op zijn zachte bed. De volgende morgen begon de jacht opnieuw en toen het reetje de jachthoorn weer hoorde en het "ho! ho!" van de jagers, had hij geen rust meer en sprak: "Zusje, doe de deur voor mij open, ik moet weg!" Het zusje deed de deur open en zei: "Maar vanavond moet je weer thuiskomen en de spreuk opzeggen." Toen de koning en zijn jagers het reetje met de gouden halsband weer zagen jaagden ze allemaal daarop, maar het was te behendig en hun te vlug af. Dat duurde zo de hele dag, maar eindelijk hadden de jagers hem ‘s avonds hem omsingeld en één van hen wist hem aan de poot te verwonden, waardoor hij hinkte en langzaam wegliep. Eén van de jagers sloop hem na en hoorde hem roepen: "Zusje mijn, laat me erin," en hij zag de deur even opengaan en dadelijk weer dicht. De jager onthield het goed, ging naar de koning en vertelde hem wat hij gehoord en gezien had. Toen sprak de koning: "Morgen jagen wij nog eens."
Maar het zusje was verschrikkelijk geschrokken, toen het reetje gewond bleek. Ze waste het bloed af, legde er kruiden op en zei: "Ga maar liggen, lief reetje, zodat het weer genezen kan." Het wondje was zo gering dat het reetje er de volgende morgen niets meer van merkte. En toen hij de jachtpartij buiten weer hoorde, sprak hij: "Ik kan het niet uithouden; ik moet erbij zijn, zo gauw hebben ze mij niet te pakken." Maar het zusje huilde en zei: "Dan zullen ze je doodschieten, en dan ben ik hier helemaal alleen in het bos en van alles en iedereen verlaten. Nee, ik laat je er niet uit!" "Dan sterf ik hier van verdriet," antwoordde het reetje, "als ik de jachthoorn hoor, dan weet ik dat ik gaan moét!" Toen kon het zusje niet anders en zij deed met een bezwaard hart de deur voor hem open en het reetje sprong vrolijk en gezond het bos in. De koning zag hem en zei: "Jaag nu de hele dag tot aan de nacht op hem, maar niemand mag hem kwaad doen." Zodra de zon was ondergegaan, zei de koning tegen de jager: "Kom mee en laat mij dat huisje in het bos eens zien." En toen hij voor het deurtje stond klopte hij aan en riep: "Lief zusje, laat mij erin." Daar ging de deur open en de koning kwam binnen en hij zag een meisje, zo mooi als hij nog nooit in zijn leven gezien had. Het meisje schrok toen ze zag dat niet het reetje binnen was gekomen, maar een man die een gouden kroon op zijn hoofd had. Maar de koning keek haar vriendelijk aan, reikte haar de hand en zei: "Wil je met me meegaan naar mijn kasteel, en mijn lieve vrouw worden?" "O ja," antwoordde het meisje, "maar het reetje moet ook mee, dat verlaat ik niet." Toen sprak de koning: "Dat reetje mag bij je blijven zolang je leeft en het zal hem aan niets ontbreken." Intussen kwam het reetje naar binnen gesprongen; het zusje maakte de band weer vast, nam die zelf in de hand en samen verlieten ze het huisje in het bos.
De koning nam het mooie meisje op zijn paard en leidde haar naar zijn slot, waar de bruiloft werd gevierd met veel pracht en praal; nu was zij koningin en zij leefden lang en gelukkig met elkaar. Het reetje werd verzorgd en gekoesterd en mocht in de tuin van het slot vrij rondhuppelen. Maar de boze stiefmoeder, om wie de kinderen de wijde wereld waren ingegaan, dacht niet anders of het zusje zou door de wilde beesten in het bos zijn opgegeten en het reetje door de jagers zijn doodgeschoten. Toen zij nu hoorde dat zij heel gelukkig waren en het hun goed ging, maakten afgunst en nijd zich meester van haar hart en lieten haar niet meer met rust en ze dacht er steeds aan hoe die twee nog eens in het ongeluk te kunnen storten. Haar eigen dochter die zo lelijk was als de nacht en maar één oog had, maakte haar verwijten en zei: "Koningin worden, dat was voor mij bestemd!" - "Wees maar stil," zei de oude vrouw om haar gerust te stellen: "Als de tijd daar is zal ik wel bij de hand zijn." En toen de tijd daar was en de koningin een mooi jongetje had gekregen en de koning juist op jacht was, nam de oude heks de gedaante aan van een kamenier, kwam de kamer binnen waar de jonge koningin lag en zei tegen haar: "Kom, het bad is klaar, dat zal u goed doen en weer nieuwe krachten geven - vlug, voor het weer koud wordt." Haar dochter was er ook bij, samen droegen ze de zwakke koningin naar de badkamer en legden haar in de kuip; vervolgens deden ze de deur op slot en maakten ze dat ze wegkwamen. In de badkamer hadden ze echter een hellevuur aangemaakt zodat de jonge koningin weldra stikte.
Toen dat klaar was zette de oude vrouw haar dochter een muts op en legde haar in bed in plaats van de koningin. Ze gaf haar zelfs de gestalte en het gezicht van de koningin; alleen het verloren oog kon ze niet terugtoveren. Maar opdat de koning het niet zou merken moest ze gaan liggen op de kant zonder oog. Toen hij ‘s avonds thuis kwam en hoorde dat hij een zoontje gekregen had was hij zeer blij en wilde naar het bed van zijn lieve vrouw gaan om te zien hoe zij het maakte. Maar de oude heks riep gauw: "Alsjeblieft, laat toch de gordijnen dicht, de koningin mag niet in het licht kijken en moet rust hebben." De koning ging terug en wist niet dat een verkeerde koningin daar in bed lag Maar toen het middernacht was en iedereen sliep zag de baker die naast de wieg in de kinderkamer zat en alleen nog wakker was, hoe opeens de deur openging en de echte koningin binnenkwam. Ze nam het kindje uit de wieg, nam het in haar arm en gaf het te drinken. Vervolgens schudde zij zijn kussentje op, legde hem weer in de wieg en dekte hem goed toe. Ze vergat ook het reetje niet, ging naar de hoek waar het lag en streelde het over zijn rug. Daarna liep ze heel stil de deur weer uit en de baker vroeg de volgende morgen aan de schildwacht of er ‘s nachts iemand het kasteel was binnengekomen, maar hij antwoordde: "Nee, wij hebben niemand gezien." Zo kwam zij vele nachten achtereen en sprak nooit één woord; de baker zag haar elke keer, maar ze durfde er niemand iets van te vertellen.
Toen dat zo een poosje was gegaan begon de echte koningin ‘s nachts te spreken en zei:
"Hoe is mijn kind? Hoe is mijn ree? Nog tweemaal kom ik en dan niet meer."
De baker gaf haar geen antwoord, maar toen zij weer verdwenen was ging ze naar de koning toe en vertelde hem alles. De koning sprak: "Mijn God, wat kan dat zijn? Ik zal de volgende nacht bij mijn zoontje waken." ‘s Avonds ging de koning naar de kinderkamer en precies om middernacht kwam de verschijning van de koningin en zei:
"Wat doet mijn kind? Wat doet mijn ree? Nog éénmaal kom ik en dan niet meer."
En ze verzorgde het kindje zoals ze al die dagen al gedaan had, voor ze weer verdween. De koning durfde haar niet aan te spreken, maar ook de volgende nacht hield hij de wacht. Toen sprak ze weer:
"Wat doet mijn kind? Wat doet mijn ree? Na deze keer kom ik niet meer."
Toen kon de koning zich niet meer inhouden en zei: "Jij kunt niemand anders zijn dan mijn eigen lieve vrouw." Toen antwoordde zij: "Ja, ik ben je eigen lieve vrouw" en op datzelfde ogenblik kreeg zij door Gods genade het leven weer terug en was gezond en fris en had weer kleur. Zij vertelde de koning wat voor kwaad de boze heks en haar dochter haar hadden aangedaan. De koning liet ze beiden voor het gerecht brengen en het vonnis werd over hen uitgesproken. De dochter werd naar het bos gebracht waar wilde dieren haar verscheurden en de heks werd tot de brandstapel veroordeeld en moest jammerlijk omkomen. En toen zij tot as was verbrand veranderde het reetje en kreeg zijn menselijke gedaante terug. Zusje en broertje leefden gelukkig met elkaar tot aan het eind van hun leven.
Een man wil een huis kopen. Hij gaat samen met de verkoper een huis bekijken. De verkoper blijft beneden en de man gaat de slaapkamer bekijken. Als hij in de slaapkamer is, treft hij daar een hoop planten aan. En hij roept naar beneden: "Wat een wildernis is het hier zeg!". De verkoper hoort wat de man roept, gaat onder aan de trap staan en roept terug: "Ga met je penis uit mijn meisje haar kut!"
Er was eens een arme man, een bedelaar, die naar onze leermeester Mozes kwam en sprak: "Onze leermeester en profeet Mozes! Waarom heeft de hemeI over mij beschikt dat ik de hele dag moet rondlopen en moet bedelen en mijzelf en mijn familie maar moeizaam kan voeden, terwijl andere mensen aangenaam leven, niet in nood verkeren en behoorlijk in hun onderhoud kunnen voorzien? Alstublieft, wilt u voor mij tot God bidden, opdat hij ook mij een fatsoenlijke broodwinning geeft, zodat ik met mijn familie behoorlijk leven kan?"
Onze leermeester Mozes gaf gehoor aan het verzoek en bad tot God: "Alstublieft, geef ook deze arme man een goede kostwinning zoals alle joden. Waarom is deze jood ertoe veroordeeld zijn brood voor zichzelf en zijn familie zo moeilijk te verdienen?" Toen hij zijn gebed beëindigd had, hoorde hij een stem vanuit de hemel roepen: "Mozes, meng je niet in zaken die jou verre zijn! Laat deze arme man, hij moet zo verder leven en dat zal voor zijn bestwil zijn!" Maar Mozes was niet overtuigd en smeekte tot God, dat Hij hem toch zou verhoren en het ter wille van hem zou doen. Na zoveel bidden en smeken verhoorde God Mozes' gebed. Binnen enkele dagen werd de arme rijk, hij vond een grote schat en werd een zeer welvarend man.
Maar daarmee was hij niet tevreden. Wederom wendde hij zich tot Mozes: "Ga alstublieft naar God en zeg Hem dat hij mij een belangrijke minister in de regering moet maken." Zo bad Mozes wederom en vroeg God de arme tot een belangrijke minister in de regering te maken, zoals diens eerzucht het wilde. Waarlijk, God verhoorde Mozes' verzoek en korte tijd daarna koos de koning hem uit en maakte hem een belangrijke minister in zijn rijk.
Na een jaar echter wendde de arme zich weer tot Mozes en zei tegen hem: "Mozes, gij profeet, ik heb dit ambt aI een heel jaar uitgeoefend. Nu verlang ik er naar koning te worden. Misschien wilt u aan God vragen mij koning van dit land te maken?" En nadat Mozes gebeden en gesmeekt had dat God deze arme koning van het land zou maken, verhoorde God Mozes' verzoek: de man werd werkelijk koning over het rijk nadat het volk de vorige koning verstoten had en de vroegere bedelaar eenstemmig tot koning had gekozen.
Hoewel hij nu koning was, was hij niet gelukkig en tevreden en na enkele maanden wendde hij zich weer tot Mozes en zei: "Mijn profeet Mozes, u hebt mij zoveel gunsten bewezen, dat ik het nooit vergeten zal. Nu kom ik naar u toe met een enkel verzoek en ik hoop dat u ook dit wilt vervullen: Ik zou graag met eigen ogen zien wat nu God in de hemeI de hele dag doet. Dat is alles wat ik wil." Toen Mozes dit verzoek hoorde, liep hij naar buiten en bad tot God: "U weet, o Heer, deze man die door Uw toedoen koning is geworden, hij wil nu met eigen ogen zien wat de schepper van de wereld de gehele dag lang doet."
Voor hij nog één woord kon zeggen, hoorde hij een stem roepen: "Mozes, om jouwentwil heb ik je verzoeken ingewilligd; heb ik je dan niet van tevoren gewaarschuwd je niet in Mijn zaken te mengen? Ik heb mijn volk geschapen en ik zal ieder naar zijn verstand te eten geven. Ik bedeeI een ieder toe wat hem toekomt, maar ik wilde dat jij zelf de overmoed van de mensen ook beoordeelt, opdat je niet nog eens voor iemand anders iets van mij vraagt. Ga dus nu naar hem toe en zeg hem dat hij morgen vroeg met eigen ogen kan zien wat ik de hele dag doe."
Mozes ging naar de man toe en deelde hem mee dat hij de volgende dag met eigen ogen zou kunnen zien wat de schepper van de wereld de hele dag lang doet. Toen de koning deze woorden van Mozes hoorde, was hij uitermate blij.
De koning sliep die nacht diep en vast. Toen hij in de vroege morgen de ogen opsloeg, bevond hij zich in de kleren van de armoede, op een matras op de grond liggend in de hoek van de armzalige hut waarin hij vroeger gewoond had. En in de andere hoek lag zijn vrouw met de kinderen, allen in lompen gehuld. "Wat is er met mij gebeurd?" riep de arme, "is dit een droom? - Nee, helemaal niet! Gisteren was ik koning en sliep ik met mijn vrouw en mijn kinderen in een paleis. Wat moet dit? Wie heeft mij hierheen gebracht?"
Hij liep naar buiten, zocht en zocht en vond uiteindelijk Mozes. Hij wierp zich voor diens voeten en zei: "Onze leermeester en profeet Mozes, wat heeft God mij aangedaan? Maak mij weer tot degene die ik was! Waarom heeft Hij dit gedaan?"
"In geen geval," zei Mozes, "onze God heeft je niet zo veranderd. Jij zelf hebt Hem gevraagd je met eigen ogen te laten zien wat Hij de hele dag doet. Hij heeft je verzoek ingewilligd en heeft je zijn werk laten zien. De hele dag lang laat hij de ene mens tot rijkdom komen en de andere laat hij tot de laagste trede afdalen. - Dat is zijn werk, de hele dag lang."