Er was eens in een land een grote plaag; het was een wild zwijn dat bij de boeren de akkers omwoelde, het vee doodde en de mensen met zijn slagtanden het lichaam openreet. De koning loofde een grote beloning uit voor ieder die het land van deze plaag bevrijden zou, maar het dier was zó groot en zó sterk, dat niemand dicht in de buurt durfde te komen van het bos waar het zich ophield. Uiteindelijk maakte de koning bekend dat degene die het dier ving of doodde, zijn enige dochter tot vrouw zou krijgen.
Nu leefden er in dat land twee broers, zoons van een arme boer. Zij meldden zich beiden aan om het waagstuk te ondernemen. De oudste die listig was en een groot verstand had, deed het uit hoogmoed, de jongste, die onschuldig en dom was volgde de stem van zijn hart. De koning zei: "Om meer kans te hebben het beest te vangen, moeten jullie ieder van een andere kant het bos ingaan." Toen ging de oudste van de westkant en de jongste van de oostkant het bos is. En toen de jongste een poos gelopen had, kwam er een klein mannetje naar hem toe, die een zwarte speer in de hand hield en zei: "Deze speer geef ik je, omdat je een onschuldig en goed hart hebt; hiermee kun je onbevreesd op het wilde zwijn afgaan zonder dat hij je kwaad kan doen." De jongen bedankte het mannetje, nam de speer over zijn schouder en ging verder. Het duurde niet lang, of hij zag het dier op hem afstormen. Maar hij hield de speer voor zich uit. In blinde woede rende het zwijn daar zo krachtig op in, dat zijn hart in tweeën gespleten werd. Toen nam de jongen het ondier op zijn schouders en ging terug om het naar de koning te brengen.
Toen hij aan de andere kant van het bos eruit ging, stond daar aan de ingang een huis, waar de mensen vrolijk dansten en wijn dronken. Daar was zijn oudste broer heen gegaan, hij had gedacht, dat het beest toch niet weg zou lopen, en hij wilde zich eerst wat moed indrinken. Toen hij nu zijn jongste broer zag naderen met de buit over zijn schouders, liet zijn jaloers en boosaardig hart hem niet met rust. Hij riep hem toe: "Kom toch binnen, beste broer, rust wat uit en drink een beker wijn." De jongste, die niets kwaads vermoedde, ging naar binnen, en vertelde hem van het vriendelijke mannetje, dat hem de speer had gegeven, waarmee hij het wilde zwijn had gedood. De oudste hield hem daar tot ‘s avonds. Toen gingen ze samen weg. Maar toen ze in de duisternis bij de brug over de beek kwamen, liet de oudste de jongste voorgaan, en toen hij er midden op was, gaf hij hem van achteren een klap zodat hij dood neerstortte. Hij begroef hem onder de brug, pakte het zwijn op en bracht het naar de koning met de bewering dat hij het had gedood. En toen kreeg hij van de koning de dochter tot vrouw. Toen de jongste broer maar niet terugkeerde, zei hij: "Het zwijn zal zijn lichaam wel hebben opengereten" en iedereen geloofde dat.
Maar daar er niets verborgen blijft voor God, zo zou ook deze misdaad aan het licht komen. Vele jaren later dreef een herder eens een kudde over de brug en zag in het zand van de beek een sneeuwwit botje liggen, en hij dacht, dat het wel een goed mondstuk zou kunnen zijn. Hij ging naar de beek, raapte het op en sneed er een mondstuk van voor zijn hoorn. Toen hij er voor ‘t eerst op wilde blazen, begon tot zijn grote verbazing het botje vanzelf te zingen:
"Lieve herder, hoor naar mij, U blaast op een botje van mij, Mijn broer heeft mij verslagen, Onder de brug begraven, Terwille van het wilde zwijn Om de man van de prinses te zijn."
"Wat een wonderlijk hoorntje," zei de herder, "dat vanzelf gaat zingen, dat moet ik naar de koning brengen." Toen hij ermee voor de koning stond, begon het botje weer te zingen. De koning begreep het en liet de aarde onder de brug omspitten, en toen kwam het hele geraamte van de vermoorde jongeling te voorschijn. De slechte broer kon de misdaad niet ontkennen; hij werd in een zak genaaid en levend verdronken. Het gebeente van de vermoorde echter werd op het kerkhof in een prachtig graf ter ruste gelegd.
Jef en Ina zoeken een appartement en Ina gaat iedere verdieping af en Jef kijkt of hij haar kan zien.1ste verdieping:Jef zegt:ik zie je heel goed Ina. 2de verdieping: Jef zegt: Ik zie je goed Ina. 3de verdieping: Jef zegt: Ik zie je nog Ina. 4de verdieping: Jef zegt: "Ik zie je VAAG,INA."
Er gaan een man en een vrouw vrijen. Het hondje dieper was ook in de kamer. Op een gegeven moment gooit het hondje een vaas van tafel. De vrouw zegt: "DIEPER!!!!" Later scheurt het hondje haar bh aan flarden. De vrouw zegt: "DIEPER!!!" Dan zegt die man: "Ja hallo, ik heb geen uitschuif lul!!"
Nienke liep samen met Fabian door het park."wat is het warm hè?"vroeg Nienke."ja zeker"zei Fabian."de hypotheker"grapte Nienke. Fabian moest lachen."hahaha die is goed!"Hee zullen we naar mijn oom gaan?"oké"Nienke trok Fabian mee naar de weg die volgens haar het kortst naar de antiekzaak was. toen ze er waren duwde Nienke de deur open en stapte naar binnen."Fabian! moet je zien!""wat is er?!""kom dan" Fabian ging naast Nienke staan en keek rond."wow, het is een grote gaos!!"Fabian rende tussen de spullen door. Nienke liep rustig langs de spullen die allemaal overhoop lagen."aaaaaaahhhhhhhh!!!!!" Nienke schrok op van de moordende gil die klonk."Fabian?"geen antwoord."geef eens antwoord!"weer niks."Fabian je maakt me bang!"Nienke rende naar de zolder die er ook was."waaah!"gilde ze. ook boven was het een grote rommel."Nienke?" Nienke keek naast haar Pierre keek haar aan. "weet je waar Fabian is?" Pierre zei niks maar wees achter Nienke. ze keek om en gaf een gil. tussen de troep zag ze Fabian."oh mijn god!!" riep ze geschrokken uit."Fabian!"ze ging bij hem zitten en tikte tegen zijn wang aan."zeg eens wat!""kom op" ze schudde hem door elkaar. maar wat ze ook deed er was geen beweging in hem te krijgen. ze keek weer naar de rommel om haar heen. ineens voelde ze dat er in haar hand geknepen werd. ze keek weer naar Fabian die zachtjes in haar hand kneep."nien?"hee gelukkig je bent er weer'." je heb me echt laten schrikken"zei Nienke. ze trok Fabian overeind."zeg wie gilde daar zo?"Fabian kreeg een kleur als een overrijpe tomaat."dat was ik". Nienke was verbaasd."Jezus jij kan gillen zeg" "ik dacht dat er nog iemand was". "niet dus"" trouwens hoe komt het dat het zo een gaos is?"dat is een lang verhaal”. .”wat dan?”vroeg Nienke."kom maar mee" Nienke en Fabian liepen achter Pierre aan."ik heb een raar verhaal gehoord over een of ander vreemde gebeurtenis"
ondertussen in het huis zaten Jeroen en Patricia op de bank."waar is iedereen?"vroeg Jeroen."geen idee"antwoordde Patricia die dicht tegen Jeroen aan zat."hoi"Joyce kwam de kamer binnen."zeg ik zoek Fabian hebben jullie hem misschien gezien?""nee hij is vast buiten met Nienke,hoezo?""ik heb zijn hulp nodig en het is behoorlijk dringend""bel hem anders"opperde Jeroen."oké"Joyce liep de kamer uit en liep naar het kantoor van Victor. ze ging op zijn bureaustoel zitten en draaide het nummer van Fabian z’n mobiel.
"Faab je mobiel gaat" zei Nienke. ze had gelijk. Fabian graaide zijn mobiel uit zijn jaszak."met Fabian"zei hij toen hij had opgenomen."hee Joyce! wat is er?""ik ... ik ben bang!!"zei Joyce."bang waarvoor?"vroeg Fabian die het niet helemaal begreep."ik word bedreigd"."Wat!door wie?"vroeg Fabian die er niks van begreep."ik weet het niet"zei Joyce."weet je wat?!, ik kom nu naar huis en dan leg je me alles uit okee?""okee"antwoordde Joyce en hing op.
"wat was er"vroeg nienke die het hele verhaal had gehoord."er is wat met Joyce ze lijkt heel bang""bang? voor wat?"Nienke bergreep er helemaal niks van."laat maar" zei Fabian ,die merkte dat ze er niks van snapte."ik merk dat er een probleem is?" Pierre die ook alles had gehoord keek op."ja sorry maar we moeten nu gaan" zei Fabian."oke,..dan zie ik jullie wel weer een andere keer!""is goed,doei!" Nienke en Fabian liepen de antiekzaak uit en fietste weer naar huis.thuis kwam Joyce bang op hun aflopen."gelukkig dat jullie konden komen!"zei Joyce."wat was er nou?"vroeg Fabian."kom mee"zei Joyce.ze renden achter Joyce aannaar de badkamer."kijk"Joyce wees op de spiegel waar met bloedrode letters"ik weet je te vinden" en daaronder"ik ga je vermoorden!!""wanneer stond dat er?"vroeg Fabian."vanmorgen" antwoordde Joyce ,die echt bang was.Fabian liep ernaartoe en reikte met zijn hand naar de spiegel.hij voelde."dit ljikt wel.. tomatensaus!""hu?Nienke en Joyce keke hem stomverbaasd aan."hoe kom je erbij?"vroeg Nienke."nou als het bloed was was het veel donkerder en dit is veel lichter"antwoordde Fabian."iemand probeerd je bang te maken.""nou dat is dan goed gelukt." zei Joyce ironisch.ineens verdwenen de letters."he hoe..hoe kan dat?"zei nienke.""komnien we gaan." zei Joyce en trok nienke mee en wilde de badkamer uitlopen toen Fabain een raar geluid maakte.ze draaide zich om."gaat het?"vroeg ze."nou! ik geloof dat ik wat zag!"zei Fabain.Joyce draaide zich om."'ja ho.." Joce stopte midden in haar zin toen ze Fabians angstige stem hoorde"."ehh..meiden?"begon hij."ik hoor je niet!! riep Joce plagerig."ik meen het!!!"kom op zeg je zei het zelf iemand probeerd me bang te maken"zei Joyce en lachte.ze rende de badkamer uit met nienke op haar hielen die het ook wel dom vond."waaahh!!ga weg!ga weg!"hoorde nienke en het volgende moment kwam Fabian luid gillend de badkamer uitgestormd."een geest!!"gilde hij.nienke liep de badkamer binnen. daar stond een geest.ze kwam op haar af."aaaaaahhhh!!!"de deur klapte achter haar dicht.
We maken tegenwoordig zoveel vrienden, maar wat zijn nu de echte? Zijn er eigenlijk wel echte vrienden?Liefde is gekoppeld aan een relatie, of familie, maar is liefde eindeloos? Kan liefde omslaan in haat?Dit artikel zet een en ander uiteen over mijn eigen ervaringen.
Liefde Wanneer je jong bent, droom je van de prins op het witte paard. Natuurlijk bestaat die niet, maar toch krijg je te maken met vlinders in je buik, of ook niet, maar kom je iemand tegen waar je de rest van je leven mee wilt delen. Dit noemt men liefde. Je krijgt samen kinderen en die kinderen zijn je grootste liefde, nooit zal er iemand aan ze komen, want jij staat als een ware tijgerin voor ze klaar.
Toch kan er iets gebeuren waardoor de liefde eindigt. In mijn geval gebeurde dat in mijn eerste huwelijk. Er was niets meer, niet zonder aanleiding, maar daar ga ik me niet verder over uitwijden. Door de breuk verandert er zoveel voor de kinderen. Zij denken dat ze partij moeten kiezen. Dat is natuurlijk helemaal niet nodig, maar toch gebeurt het in veel gevallen wel. Dan heb je nog de scheidende partijen. Wat zegt de een over de ander? Dat is voor kinderen heel confronterent. In de meeste gevallen kiezen zij voor de zwakste partij. Het liefst zien ze natuurlijk hun ouders weer samen, maar wanneer dit niet mogelijk blijkt, dan wordt er vaak naar de zwakste partij geluisterd. Het betekend dat de liefde van de kinderen naar de sterkste ouder in dit geval wegebt. Niet alle kinderen zitten zo in elkaar, natuurlijk zijn er ook relativerende bij, die snappen dat het heel veel beter is op deze manier.
Ouders blijven atijd van hun kinderen houden. En zullendan ook altijd weer voor ze klaar staan wanneer ze je nodig hebben. Toch schuilt hierin het gevaar dat er misbruik van je wordt gemaakt. Ook ik heb die ervaring. Het doet je dan ook weer extra veel verdriet wanneer je weer aan de kant wordt geschoven. Maar ondanks dat blijft de liefde voor je kinderen bestaan ook al is het op afstand. Ik heb me er bij neergelegd dat dit de realiteit is en het niet zal veranderen.
Ook een nieuwe relatie kan heel veel liefde doen voelen, maar in mijn geval is die van het ene moment op het andere omgeslagen in grote haat. Na me te hebbenopgelicht, geslagen, bedrogen en bedreigd, was die liefde ineens over.
Gelukkig is er altijd ruimte om de liefde weer te vinden. Het mooiste is wanneer je de vlinders weer in je buik voelt fladderen. En toch nog iemand te vinden waar je echt oud mee wilt worden. Een soulmate, een persoon die je gevoelens deelt, en ook een zelfde soort ervaring heeft als jij.
Vriendschap Ja wat is nu vriendschap? En heb je echte vrienden? Mijn antwoord is: nee! Wat zijn echte vrienden eigenlijk? Ik denk dat er nu een verschil gemaakt moet worden tussen vriendschap en liefde. Wanneer je echt van iemand houd dan ga je daar voor door het vuur. Laat je diegene nooit in de steek en sta je altijd achter diegene. Vrienden zullen altijd, als het erop aan komt voor zichzelf kiezen. Ook al doen ze nog zo aardig en belangstellend, er blijft in principe niemand over als er daadwerkelijk een beroep op hun vriendschap wordt gedaan. Er zijn diverse vriendensites. Ook daar heb ik vrienden, maar geen echte, ook al noemen ze zich wel graag zo. Wanneer je diverse conflicten in je relatie hebt gehad, dan haken de eerste vrienden al af. Na de scheiding blijft er nog maar een enkeling over. Wanneer je ook nog eens bent bedrogen in de volgende relatie en je berooid achterblijft, dan is er amper niemand meer. Dat heeft mij doen besluiten geen hechte vriendschappen te sluiten, en helemaal niet meer hechten aan iemand, behalve mijn echtgenoot, zodat het verdriet niet te groot is wanneer er iemand afhaakt.
Door de stress en ellendige tijd die ik heb gehad ben ik ziek geworden, juist op het moment dat het weer helemaal goed ging in mijn relatie. Het rustpunt, maakte me ziek, doordat mijn lichaam het nu eindelijk eens zat was. Ik heb geleerd dat ieder voor zich leeft en dat de wereld keihard is. Ik leg me er bij neer
Op een dag belt een man bij zijn buurvrouw aan. Hij zegt:"tegen de buurvrouw,buurtje ik zou best eens een keer met je naar bed willen, en daar heb ik best tweeduizend gulden voor over." de buurvrouw schrikt zich het apezuur over dit voorstel maar aan de andere kant bezien zitten ze deze maand wel erg krap bij kas. dus die tweeduizend piek zouden wel zeer goed van pas komen. "Nou goed dan" ,zei de buurvrouw "vooruit dan maar" en hun samen naar bed. s`Avonds komt haar man thuis van zijn werk en vraagt aan zijn vrouw, "schatje, is de buurman nog langs geweest vandaag?" De vrouw krijgt het spaans benauwd word helemaal rood tot achter haar oren en stamelt tegen haar man:" hhhoe weet jjij dddat nou?" nou zegt de man: "hij zou die tweeduizend piek terug brengen die ik hem vorige week heb geleend."
De eerste zeven jaren van mijn leven waren perfect, ik was gelukkig en had niet veel zorgen. Vanaf mijn 8e begonnen de problemen, ik werd gepest en vernederd door mijn klasgenoten. Ze vonden mij maar stom en lelijk en ik huilde gewoon waar ze bij waren, eigenlijk best stom als ik er nu over nadenk. Dit ging door totdat ik naar de eerste ging, daar werd alles anders. Ik werd nog wel een beetje gepest en voor dingen uitgemaakt. Ik kon er inmiddels al tegen, vanaf de 2e ging het super. Ik kreeg wat meer vrienden en ik wist ook veel beter hoe ik met jongens om moest gaan. Toch had ik heel veel problemen, ook al vertelde ik dat aan bijna niemand. Mijn zus wilde zelfmoord plegen, door de vele ruzies met mijn vader. Gelukkig was dit alles in de zomer voordat ik naar de 2e wel redelijk opgelost. Tot aan februari ging alles goed, ik was weer een beetje vrolijk en ik begon er met de dag leuker uit te zien. Totdat er in februari iets gebeurde, de stemming in het hele huis veranderde en iedereen kreeg weer ruzie met elkaar. Het was net als al die jaren vanaf mijn 8e. Mijn vader begon mijn zus weer te slaan en ik werd hier zo verdrietig van dat ik mijn eetlust verloor. Ik kon niks meer eten en werd met de dag bleker. Mijn mentor riep me bij zich en vroeg of er wat met me was. Ik antwoordde nee, want ik schaamde me ervoor. Zo ging het de rest van het schooljaar ook en mijn eetlust kwam niet terug. Mijn mentor begon zich nu echt zorgen om mij te maken en belde naar huis. Mijn schoolprestaties waren goed, want ik ben zonder enige onvoldoendes overgegaan. Ik snap nog steeds niet hoe ik dat heb gedaan. Mijn moeder zei tegen mijn mentor dat er niks mis was, soms wat problemen niks ergs. Maar het was wel erg, dat geruzie en geschreeuw kon ik niet verdragen. Het werd algauw zomervakantie en ik ging naar de 3e in september. De hele zomervakantie heb ik buiten doorgebracht, wandelen en winkelen. Toen het 3e schooljaar begon, ging het wel wat moeizaam met school maar ik sleepte me er doorheen. De ruzies hielden thuis niet op en ik ben uiteindelijk weggelopen, ik heb mijn spullen gepakt en ben er gewoon vandoor gegaan. Ik belandde ergens in een ander deel van de stad, ik had zoveel gelopen (had geen geld bij me)en ik was zo moe. Ik belde een hele goede vriend van me, die in de buurt woonde en ik mocht naar hem toe. Toen ik daar aankwam, was het zo rustig bij hem thuis. Ik stapte naar binnen en alles begon ineens te draaien. Ik hoorde hem zeggen: 'Wat ben je bleek..' Alles werd zwart voor mijn ogen en ik werd wakker op een bed. Ik was flauwgevallen van alle emotionele klappen die ik te verwerken had.Een aantal keren daarna ben ik ook nog flauwgevallen. Ik ben niet terug naar huis gegaan. Ik heb mijn ouders gebeld om te zeggen dat het goed gaat en dat ik veilig ben. Ook heb ik gezegd dat ze me me rust moesten laten, dat hebben ze vreemd genoeg ook gedaan.Ik ben daar een paar weken gebleven en ben vervolgens naar een andere vriend gegaan. Een man die ik al heel mijn leven ken en waar ik het heel goed mee kan vinden, hij kon tijdelijk voor mij zorgen (hij was ook mijn peetvader). Hij wist dat ik het heel moeilijk had en hij is als een soort vader voor mij. Hij maakte zich ook zorgen over mij als een vader, want ik viel nog steeds heel veel flauw. Mijn bleekheid verdween ook niet, hij is met me naar de dokter gegaan. Ik heb bloed geprikt en ik had bloedarmoede. Nu logeer ik nog steeds bij hem, ik ga wel naar school en mijn resultaten zijn ook zo slecht nog niet. Het is niet zeker of ik over ga, maar de kans is wel groot. Ik voel me een stuk beter en met mijn gezondheid gaat het ook beter.
Nu maar hopen dat de toekomst er beter uitziet voor me.
Jantje loopt met zijn vader langs een weiland, zien ze een stier op een koe zitten. Vraagt jantje aan zijn vader: "Wat doen die twee daar zo?" Antwoord zijn vader: "De stier duwt de koe naar de stal om samen gemolken te worden." Lopen ze verder zien ze een hengst op een merrie. Vraagt jantje aan zijn vader: "Wat doet die hengst op die merrie?" Zegt z'n vader: "Die hengst duwt de merrie naar de stal om samen haver te eten." Ze lopen zwijgend verder dan zegt jantje ineens: "Het is maar goed dat mama tegen het aanrecht stond anders had de postbode haar helemaal naar het post kantoor geduwd."
De vlam da eeuwig brandde Ankie en Piet staan tegenover elkaar. Met strakke ogen kijken ze elkaar aan. Hun handen gebundeld om elkaar. Ankie Legt haar hoofd op Piet's schouder. Ze kust hem bij zijn nek. Piet pakt haar bij haar middel en kust haar voorhoofd. ''Vaarwel Piet...'' Hoort hij Ankie snikkend. Langzaam laten ze los. Ankie kijkt hem nog voor een laatste keer in zijn prachtige ogen. Dan keert ze hem de rug en loopt naar de trap van het station, Piet hoort het klikken van haar hakken. Grotendeels was een teken dat ze er was, Kwam of ging. Maar dit keer was alles anders. Hij zal haar nooit meer zien...........Nooit.......
Vijftig jaar later, Piet woont alleen in zijn schuurtje bij Ziglersstraat, Vandaag zou zijn anonieme afspraakje komen. Hij mag wel tweeënzeventig zijn, Maar nog wel heeft charmes, Hij neemt een nipje van zijn thee. Hij kijkt recht in de hoek. Ankie's gezicht die staat er nog steeds, Waarom gooide hij die foto's van Ankie niet weg? Zijn vijftig jaar geleden verloofde. Wie moest verhuizen naar de andere kant van de wereld voor haar vaders baan. Hij droogt zijn tranen met een servet van zijn maaltijd op het aanrecht. De bel gaat, Piet maakt koers naar de deur, En opent het.
''Ankie....?'' Piet wrijft over zijn ogen, Was zij zijn anonieme aanbidster, Hij ziet haar marineblauwe ogen, En haar even roze lippen als toen. Hij kijkt later en ziet tot zijn verbazing leren schoenen met een hak. Ankie kijkt in de hoek van de huiskamer. ''Kon je me niet vergeten?'' Piet knikte beschaamd. Ankie maakte een knoopje van haar groene kasjmier vestje los. Hij zag het gouden hartje dat hing om haar hals, Hij gaf het haar toen ze verkering kregen. ''Ik jou ook niet.'' Zei ze met een zoete lach. Piet's mondhoeken krulden omhoog.
Het begint met een liefdesavontuur en het eindigt met een woord van afscheid, zoals elke geschiedenis: op deze regel bestaan geen uitzonderingen.
In dit verhaal gaat het om de tragische liefde tussen een jonge ridder en een non. Hij had haar lief, en dacht dag en nacht aan haar. Haar stem achtervolgde hem, zijn ziel was één met de hare, als twee klokken die tegelijkertijd beieren.
Aangezien zij in het klooster woonde, was het hem zelfs niet toegestaan openlijk zijn verlangen uit te spreken en haar lief te hebben op afstand. Het onvervulde liefdesverlangen heeft voor sommigen een hele bijzondere bekoring, maar zelfs dat was voor de ridder niet weggelegd.
"Ach liefste! Jij, die zo ver van mij vandaan woont, denk jij aan mij zoals ik aan jou? Ik heb je lief. Ik zal je nooit kunnen zeggen lieveling, dat ik van je houd. Tussen ons bevinden zich grote landen zonder wegen. Ik herinner me nog alles van je. Je moet niet denken dat ik je vergeten ben. Je bent als de zon in mijn leven, en ik ben de zonnebloem die zich naar het licht wendt. Maar het is nu al zo lang geleden dat de zon heeft geschenen. Ik weet niet of jij mij nog liefhebt. Vaak denk ik dat je me vergeten bent. Hoe kan dit ook anders, jij die in een andere wereld leeft, waar ik nooit zal kunnen komen?" Dit zijn woorden van een wanhopige minnaar, die hoopt zijn geliefde voor zich te winnen. Maar deze ridder was zonder enige hoop.
Al zong Gertrudes naam dag en nacht in hem, hij kon zijn armen nooit naar haar uitstrekken, en hij was veroordeeld eenzaam te blijven. Er is altijd een grote zomerdag in het leven van alle geliefden, een dag die eindeloos lang schijnt te duren, al hoort men de tijd voorbij tikken. Maar zelfs deze ene dag had hij niet genoten. Andere liefdes kende hij niet. Hij moest zijn leed helemaal alleen dragen, en haar naam fluisterde hij slechts wanneer hij ver uit de buurt van mensen was. "Gertrude!" Hij haalde zich echter uit eerbied voor haar keuze nooit haar beeld voor de geest.
Zij woonde in het klooster, en zij diende Maria, de Moeder der Smarten. Zij bad elke dag vurig tot haar, geheel verzonken, zoals alleen zij kunnen die gewend zijn aan voortdurend en volhardend bidden.
Zal alleen hij, verteerd door vuur en vlam ooit gelouterd voor u staan? Zal alleen hij in uw hemel gaan die gebroken tot u kwam?
Nooit kwam haar iets ter ore over zijn hopeloze liefde voor haar. Hij dwaalde rusteloos langs akkers en wegen, terwijl zij zich volledig wijdde aan de dienst van de Heer. "Wat zal er met mij gebeuren?" zo vroeg hij zich af. "Waarom moet ik zo lijden?"
Iemand die zo denkt, vindt niet gemakkelijk troost in het leven. Troost is er voor de man die zegt: "Het lot brengt mij zware slagen toe, maar ik zal er niet voor buigen, en terugslaan." De ridder werd echter onophoudelijk geteisterd door zijn verdriet; in golven van pijn beukte zijn machtige liefde over hem heen, en het maakte hem zwak en weerloos. En de storm nam niet af in kracht.
De dag kwam dat hij bang werd van zichzelf. Zo scherp stak de pijn in zijn wezen dat hij besefte dat hij er een ander mens door was geworden. Af en toe zadelde hij zijn paard en ontvluchtte hij zijn kille, eenzame burcht. "Hoe krijg ik ooit mijn rust weer terug?" dacht hij, als hij als een dolleman over de weg reed. "O! Dat ik uitgerekend deze vrouw moet beminnen, die ik niet beminnen mag. Ik ben nog jong en ik verlang ernaar van iemand te houden. Als zij nog in de wereld zou staan, als zij haar gelofte niet had afgelegd... ik zou met haar in de bloeiende geurende wei liggen, waar het gras zo hoog is, dat het met gemak twee geliefden verbergen kan. Of zij zou met mij door het bos dwalen, tot achter de hoge stammen van de bomen, tot waar het kreupelhout het dichtst is. Ik voel aan het bonzen van mijn hart, dat daar mooie muziek te horen is... die ik nooit zal kunnen beluisteren." Al te lang kon hij deze gedachten niet verdragen. Op een van zulke wildemanstochten bedacht hij een plan. Hij kon Gertrude weliswaar niet de beker van zijn liefde overhandigen, waaruit zij kon drinken en zich verzadigen, maar wel kon hij haar klooster bedenken. En zo vond zijn liefde een manier om zich zonder woorden te uiten. Hij was een dappere ridder die vele schatten had vergaard, en hij gaf ze stuk voor stuk weg aan het klooster. Hierdoor kwam het klooster tot grote rijkdom. Kostbare edelstenen, saffieren, karbonkelen, jaspissen, onyxen, al deze wonderbaarlijke stenen met hun diepe schittering schonk hij de kerk.
Hij gaf opdrachten aan schilders - hij betaalde ze in goud om Jezus' heilig leven op het doek vast te leggen. De doeken lieten de Heer aan het kruis zien, of Jezus omgeven door zijn discipelen. Ook heiligen werden afgebeeld, zoals Christophorus, groot van gestalte en van geloof, die met een kind op de armen door het woeste water waadde om het veilig naar de overkant te brengen. Men zag ook de Heilige Moeder Gods met het kindeke Jezus op haar schoot.
Het klooster kreeg groot aanzien in de streek. De vrome nonnen deelden van hun overvloed met de armen en zij gaven volop aalmoezen. Al snel was er weinig armoede meer in de streek. De ridder zag dat zijn rijkdommen stilletjes aan verminderden, en nog steeds werd hij door zijn liefde gekweld. Al deze jaren, dat hij het klooster had bedacht, waren in de gapende afgrond van de tijd verzonken, nu kwam er een andere tijd aan. Wat moest hij beginnen, als hij geen schatten meer brengen kon?
Hij trok ten strijde, en zijn buit was groot, want hij vocht in vele landen. Wonderlijk mooie spullen kwamen in zijn bezit. Hij zond ze allemaal naar het klooster. Hij veroverde kransen van goud, zilveren bekers met edelstenen bezet, tafels van citroen - en van rozenhout, marmeren beelden, geheimzinnig fonkelend glaswerk, dat van binnenuit vlamde, parels van welke de waarde niet te schatten was.
Maar alles wat hij zond, was overgoten met een glans die niet van enige stof afkomstig was. Het goud en zilver wat er blonk waren de liefkozingen en fluisteringen van een oprecht minnaar, die geen andere woorden had.
Maar zijn krachten namen langzamerhand af. De armen van de ridder voelden minder hard en gespierd aan en na een zware tocht voelde hij zich moe. Hij zond minder en minder goederen naar het klooster en op een dag merkte hij tot zijn schrik dat hij arm was geworden. Al zijn geld en goed had hij verspeeld, en hoewel hij de ouderdom al in zijn botten voelde kruipen, bleef zijn liefde even brandend als in zijn jeugd. Dag in dag uit zat hij voor zich uit te staren, en hij zag zijn ongeluk zonder ophouden in de ogen. "O Gertrude!" zo peinsde hij, "mijn hele leven heb ik je gediend, en nooit heb ik mijn liefde voor je kunnen uitspreken. Ik ben nu verder van je verwijderd dan ooit. De dag dat ik je heb ontmoet, is een dag die voor mij een zegen en een vloek tegelijkertijd is. Wat moet ik zonder jou beginnen? Waarom heb ik mijn jeugd verloren? Kon ik nog maar eenmaal jong zijn, en opnieuw beginnen.
Voor elk mens komt de tijd dat hij op zijn leven terugkijkt. Gelukkig zijn zij die zich hun kindertijd en jeugd herinneren, en hoe zij gegroeid zijn tot volwassenheid en ouderdom. Maar ik! Wee mij! Ik heb steeds gehandeld als een jonge man en nooit aan iets anders gedacht dan aan de toekomst. Mijn hele leven lang heb ik gehoopt, tegen beter weten in. Ik leefde in een droom! Ja, al de tijd dat ik haar heb liefgehad, was ik alleen maar bezig met de dag van morgen. De volgende dag was voor mij steeds aanlokkelijker dan die van vandaag en nu... heb ik geen toekomst meer!"
Iedere dag reed hij uit, maar hij kwam zelden nog met schatten thuis. Hij was eenzaam, en fluisterde urenlang tegen zijn Gertrude, terwijl hij met zijn paard de bossen doorkruiste. "Zul je niet denken, dat ik je vergeten ben? Nu zul je geloven dat mijn liefde een einde heeft, als de bloei van bloesem, die kort en uitbundig leeft. Liefste! Er is niets eenvoudigers en toch geheimzinniger dan trouw. Mijn leven is aan het jouwe gebonden. God alleen weet hoe ik lijd. Zullen je zusters niet vragen: 'Is de ridder gestorven, omdat we niets meer van hem horen of zien?' Zul je misschien aan de poortwachters gaan vragen: 'Wanneer hebben jullie voor het laatst zijn wilde stofwolk op de weg zien waaien?' Zul je om mij huilen, denkend dat ik gestorven ben? Maar nee, het is je niet toegestaan om te huilen om een man die je heeft liefgehad. Je mag alleen voor hem bidden. Gertrude, mijn zuster Gertrude!"
Hij keek op toen hij een vreemd schrapend geluid hoorde, en een schrikwekkende gedaante met hoorns op zijn kop en harige poten in plaats van benen stond voor hem. De ridder herkende hem in een oogopslag en sloeg zijn handen voor het gezicht. Was hij dan al zo diep gezonken? "Ridder!" zo begon de duivel, "waarom bent u bang van mij? Bent u niet van God verlaten geweest, zolang u heeft geleefd? U heeft nog meer geleden dan Job, ja ik kan met de hand op mijn hart verklaren dat ik er niet veel heb gekend die ongelukkiger waren dan u. Maar - zo vraag ik u weet u wel zeker dat u deze pijn moet doorstaan? Heeft u nooit over uw redding nagedacht?" De ridder deinsde terug.
"Wat wilt u van mij, u, die altijd, de vele jaren dat ik bezeten ben van mijn liefde, op de achtergrond hebt toegekeken, en die nu in volle glorie voor mij verschijnt. Waarom bent u niet eerder gekomen, als het toch uw voornemen was?" "Ik wacht altijd het goede ogenblik af. De mensen aanvaarden mijn hulp pas als ze radeloos genoeg zijn. Dan kom ik in hun leven, en... en neem wat me toekomt. Wat ik te bieden heb, is veel, en wat ik vraag, is weinig, maar voor mij genoeg."
"Ik weet wat u vraagt," zei de ridder somber, "al weet ik nog niet precies wat u er dit keer voor wilt geven. Maar geloof maar niet dat mijn ziel voor mij niet kostbaar is. Dat is toch wat u eist, mijn ziel, in ruil voor geld en goud? Door u verspelen wij de hemel."
"Maar edele ridder, u moet zich niet om het hiernamaals bekommeren! Denk aan uw Gertrude. U houdt van haar. Ik begrijp niet dat u nog aan iets anders denkt. Hoe kunt u dit doen?"
"Ik kan het ook niet!" gaf de ridder radeloos toe. "U weet net zo goed als ik dat er voor mij maar één rijkdom is op de aarde en in de hemel, en dat is mijn liefde voor Gertrude!" "Als dat waar is, als er maar één rijkdom is op de aarde en in de hemel, en ik kan u die geven, waarom wilt u dan uw ziel niet afstaan, die voor u immers geen rijkdom is? Hoor wat ik u bieden kan! Schatten en schatten, zoveel u wilt, goud en zilver en diamant, alles wat voor geld te koop is. Geen uur zal voorbijgaan of u kunt Gertrude bewijzen dat u nog aan haar denkt. Geen zorgen meer omdat uw armen krachteloos worden. Ouderdom bestaat niet meer voor u, u leeft voor uw liefde, en Gertrude zal u onophoudelijk prijzen in haar gebeden. Hoelang zal dit duren? Zeven volle jaren. En bedenk dat zeven jaren voor u de eeuwigheid zijn. Wat heeft u er immers zonder mij van te verwachten? Niets! Kom ridder, bezegel mijn contract met uw bloed, en u kunt weer leven zoals vroeger."
"Ga weg van mij, Satan, je maakt het me onverdraaglijk moeilijk. Waarom wilt u dat ik u toebehoor? Zoek rijkere zielen, zie, ik smeek het u! Als zij het wist, ze zou het nooit toestaan!" "Als zij het wist? Maar ridder, nu drijft u de spot met uzelf en met mij. Zij zal het immers nooit te weten komen. Zeven jaren lang zal ze denken dat u al uw geschenken in de strijd verworven hebt. Doe niet zo dwaas."
De ridder had geen weerstand meer en boog het hoofd, ten teken van onderwerping. De duivel nam het zware perkament uit zijn kleed, en legde het de arme minnaar voor. Hij tekende met zijn bloed.
"Tot ziens, ridder van mij!" De duivel verdween spoorslags. Zeven jaren lang scheen het of de ridder geen leed kende. Iedere dag scheen de zon voor hem. Hij zond het klooster geschenken, rijker dan ooit. De dagen, alle bodes van het geluk, snelden de ridder voorbij. Niemand wist dat hij een verbond met de duivel had gesloten. Gertrude bad voor hem tot de Heilige Moeder Gods, zonder te beseffen wat voor een grote zonde hij op zijn geweten had, en hoe de arme gulle gever Gods genade meer nodig had dan enige andere sterveling.
En zo verdwenen de eerste zes jaren aan de horizon het zevende begon aan de meedogenloze wedloop. De ridder die de kransen van krokus en sneeuwklok zag opbloeien, hield van schrik zijn adem in.
Toen de zeven jaren om waren, wist de ridder dat hij de zwaarste tocht van zijn leven moest aanvaarden. Eeuwige verdoemenis wachtte hem en hij ging naar het klooster om nog eenmaal de vrouw te zien voor wie hij zijn ziel had gegeven. Men langzame pas liep hij tot aan het klooster, en daar zag hij Gertrude. Het was hem niet toegestaan op haar af te gaan, en hij mocht zijn hand niet op haar hart leggen. Zij glimlachte tegen hem, maar deze glimlach was er niet een van aardse liefde. Zou ze weten dat hij haar beminde? Weten vrouwen het ook als het niet met woorden wordt gezegd? Ze nam een beker en vulde die vol met wijn.
"Vaarwel," zei ze. Hij dronk haar toe, maar antwoordde niet. Hij durfde haar geen ogenblik aan te kijken. Hij wierp zich op zijn paard en reed weg. Zijn ziel snikte: "vaarwel! Vaarwel!" Gertrude boog zich voor het altaar neer, en bad vurig. Hoe wist ze dat hij haar voorspraak nu meer dan ooit nodig had? Haar woorden gingen recht naar de hemel. Rijdend, rijden over het wijde veld, kwam de ridder bij de plek waar de duivel op hem wachtte "Hier ben ik," zei hij ademloos, "neem mijn ziel." De duivel zag hem duister aan.
"Ik kan uw ziel niet nemen," antwoordde hij bitter, zichtbaar ontstemd om de schat die hem ontging, "alles en iedereen spant samen om u te redden. Ben ik niet de arme Lucifer, en weet ik niet uit eigen ervaring hoe sterk de hemelse machten zijn? Wee mij, ik heb u verloren door de macht van Gertrudes gebed." Hij verborg zijn gezicht in de mantel.
De ridder begon een nieuw leven. Hij kwam tot zichzelf, en hij zag zijn zonden uit het verleden onder ogen. Hij zond geen schatten meer naar het klooster waar Gertrude leefde, maar hij werd monnik, en hij leidde evenals zijn zuster een vroom leven van vasten en gebed.
Deze tragische liefdesgeschiedenis bleef echter voortleven in de harten van de mensen. Telkens als iemand een zware tocht moest gaan ondernemen, vulde men een beker met wijn en men sprak het droevige woord met zijn sombere klank: "Vaarwel!" En dan proostte men en wenste de reiziger het "heil van Sint-Gertruiminnen" (of Sint-Geertenminnen). Dit deed men ter herinnering aan de aardse liefde van de ridder en aan de liefde voor God van de non Gertrude, die dankzij de macht van het gebed de arme ziel van de ridder had gered uit de klauwen van de duivel.