NIEUW: Blog reclamevrij maken?
Foto
Foto
Foto
Gastenboek
  • fijne woensdag !
  • Een midweeks bezoekje
  • Goede morgen blog maatje
  • Bedankt voor 5 jaar vriendschap onder de bloggers!
  • MIDWEEKGROETJES

    Druk oponderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek

    Foto
    Laatste commentaren
  • Lieve groetjes vanwege DEWESTHOEK (Annie & Rogier)
        op De Roverbruidegom
  • fijne dag verder (Jos)
        op Een eikenhouten deur
  • Lieve groetjes (Luc)
        op Een eikenhouten deur
  • Lieve groetjes vanwege DEWESTHOEK (Annie & Rogier)
        op Een eikenhouten deur
  • fijn paasweekend (Jos)
        op twijfels
  • Foto
    Foto
    Rondvraag / Poll
    Zou u niet met lana een nachtje in bed willen liggen
    Ja ik wil
    Nee ik wil niet
    Even over nadenken
    Durf jij u bekent maken: ja
    Durf jij u bekent maken :nee
    Bekijk resultaat

    Foto
    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Archief per maand
  • 04-2014
  • 03-2014
  • 02-2014
  • 01-2014
  • 11-2013
  • 10-2013
  • 09-2013
  • 08-2013
  • 07-2013
  • 06-2013
  • 05-2013
  • 04-2013
  • 03-2013
  • 02-2013
  • 01-2013
  • 12-2012
  • 11-2012
  • 10-2012
  • 09-2012
  • 08-2012
  • 07-2012
  • 06-2012
  • 05-2012
  • 04-2012
  • 03-2012
  • 02-2012
  • 01-2012
  • 12-2011
  • 11-2011
  • 10-2011
  • 09-2011
  • 08-2011
  • 07-2011
  • 06-2011
  • 05-2011
  • 04-2011
  • 03-2011
  • 02-2011
  • 01-2011
  • 12-2010
  • 11-2010
  • 10-2010
  • 09-2010
  • 08-2010
  • 07-2010
  • 06-2010
  • 05-2010
  • 04-2010
  • 03-2010
  • 04-2004
  • 11--0001
    Blog als favoriet !
    De klinge een dorpje aan de grens
    lana

    Image and video hosting by TinyPic






    .

    .
    05-06-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Nieuw op dit blog Tegel 78


    Image and video hosting by TinyPic .

    05-06-2012 om 22:02 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De macht van de liefde
    De macht van de liefde



    Het begint met een liefdesavontuur en het eindigt met een woord van afscheid, zoals elke geschiedenis: op deze regel bestaan geen uitzonderingen.

    In dit verhaal gaat het om de tragische liefde tussen een jonge ridder en een non. Hij had haar lief, en dacht dag en nacht aan haar. Haar stem achtervolgde hem, zijn ziel was n met de hare, als twee klokken die tegelijkertijd beieren.

    Aangezien zij in het klooster woonde, was het hem zelfs niet toegestaan openlijk zijn verlangen uit te spreken en haar lief te hebben op afstand. Het onvervulde liefdesverlangen heeft voor sommigen een hele bijzondere bekoring, maar zelfs dat was voor de ridder niet weggelegd.

    "Ach liefste! Jij, die zo ver van mij vandaan woont, denk jij aan mij zoals ik aan jou? Ik heb je lief. Ik zal je nooit kunnen zeggen lieveling, dat ik van je houd. Tussen ons bevinden zich grote landen zonder wegen. Ik herinner me nog alles van je. Je moet niet denken dat ik je vergeten ben. Je bent als de zon in mijn leven, en ik ben de zonnebloem die zich naar het licht wendt. Maar het is nu al zo lang geleden dat de zon heeft geschenen. Ik weet niet of jij mij nog liefhebt. Vaak denk ik dat je me vergeten bent. Hoe kan dit ook anders, jij die in een andere wereld leeft, waar ik nooit zal kunnen komen?" Dit zijn woorden van een wanhopige minnaar, die hoopt zijn geliefde voor zich te winnen. Maar deze ridder was zonder enige hoop.

    Al zong Gertrudes naam dag en nacht in hem, hij kon zijn armen nooit naar haar uitstrekken, en hij was veroordeeld eenzaam te blijven. Er is altijd een grote zomerdag in het leven van alle geliefden, een dag die eindeloos lang schijnt te duren, al hoort men de tijd voorbij tikken. Maar zelfs deze ene dag had hij niet genoten. Andere liefdes kende hij niet. Hij moest zijn leed helemaal alleen dragen, en haar naam fluisterde hij slechts wanneer hij ver uit de buurt van mensen was. "Gertrude!" Hij haalde zich echter uit eerbied voor haar keuze nooit haar beeld voor de geest.

    Zij woonde in het klooster, en zij diende Maria, de Moeder der Smarten. Zij bad elke dag vurig tot haar, geheel verzonken, zoals alleen zij kunnen die gewend zijn aan voortdurend en volhardend bidden.

    Zal alleen hij, verteerd door vuur en vlam ooit gelouterd voor u staan? Zal alleen hij in uw hemel gaan die gebroken tot u kwam?

    Nooit kwam haar iets ter ore over zijn hopeloze liefde voor haar. Hij dwaalde rusteloos langs akkers en wegen, terwijl zij zich volledig wijdde aan de dienst van de Heer. "Wat zal er met mij gebeuren?" zo vroeg hij zich af. "Waarom moet ik zo lijden?"

    Iemand die zo denkt, vindt niet gemakkelijk troost in het leven. Troost is er voor de man die zegt: "Het lot brengt mij zware slagen toe, maar ik zal er niet voor buigen, en terugslaan." De ridder werd echter onophoudelijk geteisterd door zijn verdriet; in golven van pijn beukte zijn machtige liefde over hem heen, en het maakte hem zwak en weerloos. En de storm nam niet af in kracht.

    De dag kwam dat hij bang werd van zichzelf. Zo scherp stak de pijn in zijn wezen dat hij besefte dat hij er een ander mens door was geworden. Af en toe zadelde hij zijn paard en ontvluchtte hij zijn kille, eenzame burcht. "Hoe krijg ik ooit mijn rust weer terug?" dacht hij, als hij als een dolleman over de weg reed. "O! Dat ik uitgerekend deze vrouw moet beminnen, die ik niet beminnen mag. Ik ben nog jong en ik verlang ernaar van iemand te houden. Als zij nog in de wereld zou staan, als zij haar gelofte niet had afgelegd... ik zou met haar in de bloeiende geurende wei liggen, waar het gras zo hoog is, dat het met gemak twee geliefden verbergen kan. Of zij zou met mij door het bos dwalen, tot achter de hoge stammen van de bomen, tot waar het kreupelhout het dichtst is. Ik voel aan het bonzen van mijn hart, dat daar mooie muziek te horen is... die ik nooit zal kunnen beluisteren."
    Al te lang kon hij deze gedachten niet verdragen. Op een van zulke wildemanstochten bedacht hij een plan. Hij kon Gertrude weliswaar niet de beker van zijn liefde overhandigen, waaruit zij kon drinken en zich verzadigen, maar wel kon hij haar klooster bedenken. En zo vond zijn liefde een manier om zich zonder woorden te uiten. Hij was een dappere ridder die vele schatten had vergaard, en hij gaf ze stuk voor stuk weg aan het klooster. Hierdoor kwam het klooster tot grote rijkdom. Kostbare edelstenen, saffieren, karbonkelen, jaspissen, onyxen, al deze wonderbaarlijke stenen met hun diepe schittering schonk hij de kerk.

    Hij gaf opdrachten aan schilders - hij betaalde ze in goud om Jezus' heilig leven op het doek vast te leggen. De doeken lieten de Heer aan het kruis zien, of Jezus omgeven door zijn discipelen. Ook heiligen werden afgebeeld, zoals Christophorus, groot van gestalte en van geloof, die met een kind op de armen door het woeste water waadde om het veilig naar de overkant te brengen. Men zag ook de Heilige Moeder Gods met het kindeke Jezus op haar schoot.

    Het klooster kreeg groot aanzien in de streek. De vrome nonnen deelden van hun overvloed met de armen en zij gaven volop aalmoezen. Al snel was er weinig armoede meer in de streek. De ridder zag dat zijn rijkdommen stilletjes aan verminderden, en nog steeds werd hij door zijn liefde gekweld. Al deze jaren, dat hij het klooster had bedacht, waren in de gapende afgrond van de tijd verzonken, nu kwam er een andere tijd aan. Wat moest hij beginnen, als hij geen schatten meer brengen kon?

    Hij trok ten strijde, en zijn buit was groot, want hij vocht in vele landen. Wonderlijk mooie spullen kwamen in zijn bezit. Hij zond ze allemaal naar het klooster. Hij veroverde kransen van goud, zilveren bekers met edelstenen bezet, tafels van citroen - en van rozenhout, marmeren beelden, geheimzinnig fonkelend glaswerk, dat van binnenuit vlamde, parels van welke de waarde niet te schatten was.

    Maar alles wat hij zond, was overgoten met een glans die niet van enige stof afkomstig was. Het goud en zilver wat er blonk waren de liefkozingen en fluisteringen van een oprecht minnaar, die geen andere woorden had.

    Maar zijn krachten namen langzamerhand af. De armen van de ridder voelden minder hard en gespierd aan en na een zware tocht voelde hij zich moe. Hij zond minder en minder goederen naar het klooster en op een dag merkte hij tot zijn schrik dat hij arm was geworden. Al zijn geld en goed had hij verspeeld, en hoewel hij de ouderdom al in zijn botten voelde kruipen, bleef zijn liefde even brandend als in zijn jeugd. Dag in dag uit zat hij voor zich uit te staren, en hij zag zijn ongeluk zonder ophouden in de ogen. "O Gertrude!" zo peinsde hij, "mijn hele leven heb ik je gediend, en nooit heb ik mijn liefde voor je kunnen uitspreken. Ik ben nu verder van je verwijderd dan ooit. De dag dat ik je heb ontmoet, is een dag die voor mij een zegen en een vloek tegelijkertijd is. Wat moet ik zonder jou beginnen? Waarom heb ik mijn jeugd verloren? Kon ik nog maar eenmaal jong zijn, en opnieuw beginnen.

    Voor elk mens komt de tijd dat hij op zijn leven terugkijkt. Gelukkig zijn zij die zich hun kindertijd en jeugd herinneren, en hoe zij gegroeid zijn tot volwassenheid en ouderdom. Maar ik! Wee mij! Ik heb steeds gehandeld als een jonge man en nooit aan iets anders gedacht dan aan de toekomst. Mijn hele leven lang heb ik gehoopt, tegen beter weten in. Ik leefde in een droom! Ja, al de tijd dat ik haar heb liefgehad, was ik alleen maar bezig met de dag van morgen. De volgende dag was voor mij steeds aanlokkelijker dan die van vandaag en nu... heb ik geen toekomst meer!"

    Iedere dag reed hij uit, maar hij kwam zelden nog met schatten thuis. Hij was eenzaam, en fluisterde urenlang tegen zijn Gertrude, terwijl hij met zijn paard de bossen doorkruiste. "Zul je niet denken, dat ik je vergeten ben? Nu zul je geloven dat mijn liefde een einde heeft, als de bloei van bloesem, die kort en uitbundig leeft. Liefste! Er is niets eenvoudigers en toch geheimzinniger dan trouw. Mijn leven is aan het jouwe gebonden. God alleen weet hoe ik lijd. Zullen je zusters niet vragen: 'Is de ridder gestorven, omdat we niets meer van hem horen of zien?' Zul je misschien aan de poortwachters gaan vragen: 'Wanneer hebben jullie voor het laatst zijn wilde stofwolk op de weg zien waaien?' Zul je om mij huilen, denkend dat ik gestorven ben? Maar nee, het is je niet toegestaan om te huilen om een man die je heeft liefgehad. Je mag alleen voor hem bidden. Gertrude, mijn zuster Gertrude!"

    Hij keek op toen hij een vreemd schrapend geluid hoorde, en een schrikwekkende gedaante met hoorns op zijn kop en harige poten in plaats van benen stond voor hem. De ridder herkende hem in een oogopslag en sloeg zijn handen voor het gezicht. Was hij dan al zo diep gezonken? "Ridder!" zo begon de duivel, "waarom bent u bang van mij? Bent u niet van God verlaten geweest, zolang u heeft geleefd? U heeft nog meer geleden dan Job, ja ik kan met de hand op mijn hart verklaren dat ik er niet veel heb gekend die ongelukkiger waren dan u. Maar - zo vraag ik u weet u wel zeker dat u deze pijn moet doorstaan? Heeft u nooit over uw redding nagedacht?" De ridder deinsde terug.

    "Wat wilt u van mij, u, die altijd, de vele jaren dat ik bezeten ben van mijn liefde, op de achtergrond hebt toegekeken, en die nu in volle glorie voor mij verschijnt. Waarom bent u niet eerder gekomen, als het toch uw voornemen was?" "Ik wacht altijd het goede ogenblik af. De mensen aanvaarden mijn hulp pas als ze radeloos genoeg zijn. Dan kom ik in hun leven, en... en neem wat me toekomt. Wat ik te bieden heb, is veel, en wat ik vraag, is weinig, maar voor mij genoeg."

    "Ik weet wat u vraagt," zei de ridder somber, "al weet ik nog niet precies wat u er dit keer voor wilt geven. Maar geloof maar niet dat mijn ziel voor mij niet kostbaar is. Dat is toch wat u eist, mijn ziel, in ruil voor geld en goud? Door u verspelen wij de hemel."

    "Maar edele ridder, u moet zich niet om het hiernamaals bekommeren! Denk aan uw Gertrude. U houdt van haar. Ik begrijp niet dat u nog aan iets anders denkt. Hoe kunt u dit doen?"

    "Ik kan het ook niet!" gaf de ridder radeloos toe. "U weet net zo goed als ik dat er voor mij maar n rijkdom is op de aarde en in de hemel, en dat is mijn liefde voor Gertrude!" "Als dat waar is, als er maar n rijkdom is op de aarde en in de hemel, en ik kan u die geven, waarom wilt u dan uw ziel niet afstaan, die voor u immers geen rijkdom is? Hoor wat ik u bieden kan! Schatten en schatten, zoveel u wilt, goud en zilver en diamant, alles wat voor geld te koop is. Geen uur zal voorbijgaan of u kunt Gertrude bewijzen dat u nog aan haar denkt. Geen zorgen meer omdat uw armen krachteloos worden. Ouderdom bestaat niet meer voor u, u leeft voor uw liefde, en Gertrude zal u onophoudelijk prijzen in haar gebeden. Hoelang zal dit duren? Zeven volle jaren. En bedenk dat zeven jaren voor u de eeuwigheid zijn. Wat heeft u er immers zonder mij van te verwachten? Niets! Kom ridder, bezegel mijn contract met uw bloed, en u kunt weer leven zoals vroeger."

    "Ga weg van mij, Satan, je maakt het me onverdraaglijk moeilijk. Waarom wilt u dat ik u toebehoor? Zoek rijkere zielen, zie, ik smeek het u! Als zij het wist, ze zou het nooit toestaan!" "Als zij het wist? Maar ridder, nu drijft u de spot met uzelf en met mij. Zij zal het immers nooit te weten komen. Zeven jaren lang zal ze denken dat u al uw geschenken in de strijd verworven hebt. Doe niet zo dwaas."

    De ridder had geen weerstand meer en boog het hoofd, ten teken van onderwerping. De duivel nam het zware perkament uit zijn kleed, en legde het de arme minnaar voor. Hij tekende met zijn bloed.

    "Tot ziens, ridder van mij!" De duivel verdween spoorslags. Zeven jaren lang scheen het of de ridder geen leed kende. Iedere dag scheen de zon voor hem. Hij zond het klooster geschenken, rijker dan ooit. De dagen, alle bodes van het geluk, snelden de ridder voorbij. Niemand wist dat hij een verbond met de duivel had gesloten. Gertrude bad voor hem tot de Heilige Moeder Gods, zonder te beseffen wat voor een grote zonde hij op zijn geweten had, en hoe de arme gulle gever Gods genade meer nodig had dan enige andere sterveling.

    En zo verdwenen de eerste zes jaren aan de horizon het zevende begon aan de meedogenloze wedloop. De ridder die de kransen van krokus en sneeuwklok zag opbloeien, hield van schrik zijn adem in.

    Toen de zeven jaren om waren, wist de ridder dat hij de zwaarste tocht van zijn leven moest aanvaarden. Eeuwige verdoemenis wachtte hem en hij ging naar het klooster om nog eenmaal de vrouw te zien voor wie hij zijn ziel had gegeven. Men langzame pas liep hij tot aan het klooster, en daar zag hij Gertrude. Het was hem niet toegestaan op haar af te gaan, en hij mocht zijn hand niet op haar hart leggen. Zij glimlachte tegen hem, maar deze glimlach was er niet een van aardse liefde. Zou ze weten dat hij haar beminde? Weten vrouwen het ook als het niet met woorden wordt gezegd? Ze nam een beker en vulde die vol met wijn.

    "Vaarwel," zei ze. Hij dronk haar toe, maar antwoordde niet. Hij durfde haar geen ogenblik aan te kijken. Hij wierp zich op zijn paard en reed weg. Zijn ziel snikte: "vaarwel! Vaarwel!" Gertrude boog zich voor het altaar neer, en bad vurig. Hoe wist ze dat hij haar voorspraak nu meer dan ooit nodig had? Haar woorden gingen recht naar de hemel. Rijdend, rijden over het wijde veld, kwam de ridder bij de plek waar de duivel op hem wachtte "Hier ben ik," zei hij ademloos, "neem mijn ziel." De duivel zag hem duister aan.

    "Ik kan uw ziel niet nemen," antwoordde hij bitter, zichtbaar ontstemd om de schat die hem ontging, "alles en iedereen spant samen om u te redden. Ben ik niet de arme Lucifer, en weet ik niet uit eigen ervaring hoe sterk de hemelse machten zijn? Wee mij, ik heb u verloren door de macht van Gertrudes gebed." Hij verborg zijn gezicht in de mantel.

    De ridder begon een nieuw leven. Hij kwam tot zichzelf, en hij zag zijn zonden uit het verleden onder ogen. Hij zond geen schatten meer naar het klooster waar Gertrude leefde, maar hij werd monnik, en hij leidde evenals zijn zuster een vroom leven van vasten en gebed.

    Deze tragische liefdesgeschiedenis bleef echter voortleven in de harten van de mensen. Telkens als iemand een zware tocht moest gaan ondernemen, vulde men een beker met wijn en men sprak het droevige woord met zijn sombere klank: "Vaarwel!" En dan proostte men en wenste de reiziger het "heil van Sint-Gertruiminnen" (of Sint-Geertenminnen). Dit deed men ter herinnering aan de aardse liefde van de ridder en aan de liefde voor God van de non Gertrude, die dankzij de macht van het gebed de arme ziel van de ridder had gered uit de klauwen van de duivel.



     

    05-06-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Reageer (0)
    04-06-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Nieuw op dit blog Tegel 77


    Image and video hosting by TinyPic.

    04-06-2012 om 22:35 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Onrust In Het Bos

    Onrust In Het Bos



    "Ach, wat stom, de verbazingwekkendste das in het bos heeft zijn zonnebril verloren." Opeens werd het doodstil stil in de moskee in het bos. Wie had immers het laf gehad om geheimen van de verbazingwekkendste das op straat, of in dit geval op de vloer van de moskee, te gooien? Iedereen had zich de afgelopen maanden keurig gedragen. Dat moest ook wel, want de gereïncarneerde weerman had de touwtjes strak in handen in het woud. Hij wilde immers gezag, hij wilde respect, maar bovenal wilde hij zijn waardigheid terugverdienen na zovele foute weersvoorspellingen.
    De bosbewoners hadden de weerman hier hard voor gestraft, ze waren de foute voorspellingen spuug- en spuugzat. Altijd maar sneeuwstormen terwijl het helder zou zijn, of knikkers uit de lucht terwijl Jalaly von Hyklaquewio, zo luidde de naam van de weersvoorspeller, voorspelde dat er Playmobil uit de grond te voorschijn zou komen. De ergste fout echter, was nog wel dat hij zei dat het mistig zou worden, maar dat de bosbewoners zonder pardon werden aangevallen door de kwade Regenbogen van Krakelius. Deze dienders hadden het complete woud onder het schuim gespoten, waardoor bijna alle insecten waren gestikt. Hierop waren de overgebleven dieren woedend op Jalaly afgestapt. Iedereen had zijn wapen meegenomen. Met duizenden tegelijk waren ze op de boom van Jalaly toegegaan. Kruisbogen, messen, pikhouwelen, stokken, zwaarden, kruisraketten, tommyguns, granaten, werkelijk alles hadden ze meegenomen. Zelfs de witte zakdoekjes was niemand vergeten. Ziedend waren ze geweest. Ze waren dan ook uitermate teleurgesteld toen Jalaly niet opendeed, zelfs na twee keer bellen niet. De volgende ochtend was Klaas-Lodewijk, de kolibrie, de weerman tegengekomen. Hij had de weerloze man met zijn gigantische klauwen opgepakt en hem naar het ontmoetingsplein gebracht. Hier aangekomen had hij hem vastgebonden aan de grootste totempaal die er maar te vinden was. Vervolgens riep hij alle dieren, groot en klein, bij elkaar. Hij vond dat iedereen mee mocht beslissen wat er met Jalaly zou gebeuren. Na dagen overlegd te hebben, de mieren stotterden namelijk zo, was het besluit genomen. Jalaly zou in de liefde moeten bedrijven met Kwili, de kikker die al sinds jaar en dag AIDS had. Maar dat niet alleen, ze had ook syfilis, h5n1, malaria, tuberculose en griep. Dit had de weerman niet aangekund en hij was van de klif gesprongen. Zo, hup, de zee in.
    Nu was Jalaly heer en meester over de bosbewoners. Dat kwam, omdat hij al dood was geweest. Hierdoor voelde hij geen pijn meer als de dieren hem iets aan wilden doen, maar bovenal kon hij niet opnieuw dood! Hij had het hele woud omsingeld met prikkeldraad, drie meter dikke muren van gewapend beton en natuurlijk greppels. Zo kon niemand ontsnappen. Hij voelde zich nu echt de master over het bos.
    Maargoed, dat even terzijde. We waren gebleven in de moskee. Iedereen keek achterom om te kijken waar de stem vandaan kwam die zomaar ‘’Ach, wat stom, de verbazingwekkendste das in het bos heeft zijn zonnebril verloren’’ had geroepen. Juist op dat moment sloegen de klapdeurtjes van de moskee met enkele doffe knallen dicht. Barry de buizerd, met zijn scherpe ogen, zag nog net een paar stekels het gebouw uitvluchten. Het was dus een egel die de rust zo had verstoord. Waarschijnlijk was het Erik, dat is altijd al zo’n kwajongen geweest, dacht Barry bij zichzelf.
    Na de preek van de Ibrahim de imam kwamen alle moskeebezoekers bij elkaar in het nest van Barry. Ze wilden eens grondig discussiëren over wat er gebeurd was tijdens de dienst. Barry zei dat hij een paar stekels de moskee uit zag vluchten en dat die waarschijnlijk een egel zouden toebehoren. Er werd instemmend geknikt. Nu moesten ze alleen nog uitvogelen wie die egel was geweest. Nou zou dat op zich niet eens zo’n probleem zijn, ware het niet dat de egels bevriend waren geraakt met Professor Barabas. Die had zijn teletijdmachine in bruikleen aan de egels gegeven. Zo zou het zoeken naar de egels dus nog wel enige tijd in beslag kunnen nemen. Een golf van teleurstelling maakte zich meester van alle aanwezige dieren.
    Terwijl de bosbewoners hun grijze massa flink pijnigden, zat op planeet Zylycom X Erik de egel in zijn vuistje te gniffelen. Zo, daar had hij de verbazingwekkendste das mooi even een loer gedraaid. Hij moest nu alleen maken dat hij wegkwam, want op Zylycom X was helemaal geen zuurstof. Erik stapte snel in de teletijdmachine en ging terug naar het heden, naar het bos waar hij zijn hele leven al had gewoond. Bovendien begonnen in Vietnam omstreeks deze tijd de bloemen toch wel te bloeien. Mede daarom was in het bos de zoektocht naar de egels in alle hevigheid nog een paar dagen uitgesteld. Wat zou er immers gebeuren wanneer de dassen tegenover de egels zouden komen staan? Dan zouden de gevolgen waarschijnlijk niet te overzien zijn geweest, en dat terwijl er in Radjakistan toch al zo’n tekort aan seksuele voorlichting was.
    De dassen hadden het niet zo goed op met de egels. Dit was lang niet altijd zo geweest. Sterker nog, deze vijandigheid is pas ontstaan in het derde kwartaal van het jaar 372 voor M.L. King. Voor die tijd hadden de dassen en egels het goed kunnen vinden. Ze gingen altijd samen sporten, naar school en op vakantie. Ze hadden zelfs een gezamenlijke sportclub, DZDWOOV. Dit staat voor ‘’Dassen Zullen De Wereld Ooit Overheersen Vereniging’’. Dit was het begin van de ellende geweest, de egels dachten namelijk dat DZDWOOV voor ‘’De Ziekten Dienen Wereldwijd Onverbiddelijk Onontkoombaar te Verdwijnen’’, wat zoiets betekend als dat ze een hekel hadden aan besmette dieren. Maar er was nog meer wat de egels en dassen samen deden. Zo gingen ze elk voorjaar tezamen op zoek naar het eerste kievitsei van het desbetreffende jaar. Ze deden ook samen de financiën van de meeste bosbewoners, waren de eigenaren van alle tv- en radiostations in het woud en ze zorgden dat er niet teveel afval tussen de bomen bleef slingeren. Het was namelijk een idee van Douwe de das geweest om prullenbakken en afvalcontainers te plaatsen op zogenoemde afvalinzamelingspunten. Kortom, de twee diersoorten waren erg aan elkaar gehecht.
    Maar op een dag ontdekte Eddy de egel waar DZDWOOV werkelijk voor stond. Hij legde dit voor aan zijn collega-egels en een verhitte discussie volgde. Daarna stapte Erik op het dassenkamp af en vroeg om uitleg. Die kreeg hij. Hij was hiermee tevreden en de zaak werd vakkundig afgehandeld met een etentje in ‘’Ristorante Donadelli’’ van Rudolf de regenton. Nou zal menig lezer denken ‘’tsjongejongejongejonge’’. Nou, daar heeft hij of zij dan ook volkomen gelijk in. Immers, de egels lieten veel te makkelijk over zich heen lopen. Zij zouden hier later dan ook enorme spijt van krijgen.
    Op een dag waren de dassen namelijk weer eens in een jolige bui geweest. Ze hadden alle aanrechten van de egels zwart geverfd, een teken van de dassische mafia dat de dagen van de egels geteld waren; 1872,5 om precies te zijn. Ditmaal hadden de egels het niet bij een slap excuusje laten zitten en ze hadden harde maatregelen getroffen.
    De egels hadden besloten om een grote sterke leider te kiezen als egelführer. Edgar was de gelukkige geweest. Hij had direct een geheime aanvalstactiek opgesteld om de dassen te bestormen. Wat deze aanvalstactiek precies inhield, is nog steeds onduidelijk. Het was immers strikt geheim. Maar gelukkig heb ik viavia het volgende vernomen. De egels zouden alle in- en uitgangen van de dassenburchten besmeuren met kleurloze blauwe inkt. Daarop zouden ze een enorme hoeveelheid pakpapier voor de uitgangen plakken, waardoor de dassen alleen nog maar naar binnen zouden kunnen. Daarop zouden ze Victor de vulkaan opbellen en hem direct laten invliegen vanuit Hanieti. Zo gezegd, zo gedaan. Ze plaatsten Victor op een bolderkar en reden hem naar de hoofdingang van de dassenburcht. Vervolgens legden ze knikkers met clusterbommetjes erin voor de overige ingangen, zodat de dassen ook daardoor niet naar buiten zouden kunnen. En toen gebeurde het. Althans, dat was de bedoeling. Maar Victor had een verkoudheid opgelopen, omdat hij het warme weer van Hanieti gewend was. Na een gewenningsperiode van een kilometer of 57, voelde hij zich al stukken beter. De egels laadden Victor van de bolderkar en zetten hem precies voor de hoofdingang van de dassenburcht. Toen gaf Edgar een harde schop tegen de vulkaan, waarop diens temperatuur al aardig op begon te lopen. Hij begon lava aan te maken. Kort hierna begon hij met zo’n ongelooflijk verwoestende kracht te erupteren, dat de stekels van alle egels kaarsrecht in hun eigen lichaampjes schoten, met als gevolg een smeulende bloederige massa van ingeprikte egeltjes. Hierop was een vernederend hoongelach vanuit de dassenburcht te horen. Het klonk ongeveer zo: ‘’haha’’. Maar de dassen waren nog niet van het gevaar af. Integendeel, Victor was nog steeds lava aan het uitspuiten. Het leven van de dassen stond op het spel. Op dit moment moesten Douwe en de andere dassen snel een beslissing nemen wat ze gingen doen, of ze gingen naar de haaien.
    Na een kort, maar krachtig overleg besloten ze toch maar om naar de dierentuin te gaan en de haaien te gaan bekijken. Die hadden ze immers nog nooit gezien, in het echt tenminste. Natuurlijk hadden ze er wel over gelezen en ze op tv gezien, maar verder dan dat was het totnogtoe niet gekomen. Eerst gingen ze langs Henk de haas, want die wist altijd zo goed waar je kaartjes kon kopen voor allerlei evenementen als de beukennootwerpwedstrijden, de dierentuin en natuurlijk de boskampioenschappen fierljeppen. Henk dacht dat je de kaartjes wel bij de kassa zou kunnen kopen. Douwe bedankte Henk hartelijk en groette hem met de kapitalistische groet. De haas was hier erg van onder de indruk en vroeg uitdrukkelijk om uitleg, die hem direct om de oren vloog. Deze luidde dat het kapitalisme de wereld uiteindelijk over zou nemen, terwijl Henk fervent communist was. Douwe probeerde Henk ervan te overtuigen dat dit toch nooit de bedoeling van Fod de Schepper zou kunnen zijn geweest. Waarop de haas antwoordde: ''Maar.. communisme is toch juist goed?'' De das had nu duidelijk genoeg van dit geneuzel, hij was tenslotte niet de enige die naar de dierentuin wilde. Als hij niet snel zou gaan, zou het misschien wel uitverkocht zijn. Dus pakte hij zijn springtouw en bond hiermee de oren van de haas aan elkaar. Het geheel bracht hij aan de kook in een grote soeppan. Toen alles netjes op temperatuur was, haalde hij de haas weer uit het water en ging op hem springen. Toen leek het Douwe wel leuk om Henk nog eens flink te laten merken wie de baas was. Hij trok de baard van de haas er in één ruk af. Deze had nu een ontzettend kaal hoofd zonder oren en baard. Tot slot, als toetje, werd Henk tussen de draaiende wieken van de oude windmolen gegooid, waardoor hij helemaal aan stukken werd gereten. Toen vertrok het dassengezelschap vrolijk fluitend en scheten latend naar de dierentuin. Er lag een mooie dag in het verschiet.
    Zo kwam alles op uiteindelijk toch nog op z’n pootjes terecht. De egels waren uitgeroeid, omdat ze zo stout waren geweest in de moskee. De dassen waren ook opgerot. De andere dieren hadden het nu weer naar hun zin in het bos, want ze hadden Jalaly von Hyklaquewio al die tijd genegeerd, waardoor hij als sneeuw achter de maan begon te smelten. Het restaurant van Rudolf de regenton liep als een tierelier, waardoor het zeer weinig klanten had. Alleen de antilopen konden het immers bijhouden. En Victor, tja die Victor. Die had zichzelf een lekker weekendje supermarkt gegund. Nou hoor ik menig lezer denken ‘’en Ibrahim de imam, hoe liep het daar mee af?’’ Nou mensen, wees gerust. Die heeft een seizoenskaart van het openluchtzwembad gekocht.

    04-06-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Reageer (0)
    03-06-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Nieuw op dit blog Tegel 76


    Image and video hosting by TinyPic .

    03-06-2012 om 22:35 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Reageer (0)
    02-06-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Nieuw op dit blog Tegel 75


    Image and video hosting by TinyPic 
    .

    02-06-2012 om 20:14 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Reageer (0)
    01-06-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Nieuw op dit blog Tegel 74


    Image and video hosting by TinyPic .

    01-06-2012 om 22:58 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Athene
    Athene



    In de tijd, dat de goden nog over het lot van de wereld beschikten, besloten zij, dat de eerste beroemde stad in het oude Griekse Attica moest ontstaan.

    Daar regeerde toen koning Kekrops, half mens, half slang, want hij was uit de aarde geboren, maar zijn onderlichaam was dat van een reusachtige slang. Kekrops wilde Attica tot een beroemde en machtige staat maken en hij besloot rond de berg Acropolis een stad te bouwen, die in pracht en schoonheid haar weerga niet zou kennen.

    De goden van de Olympus keken vanuit de hoogte met belangstelling en nieuwsgierigheid op het mensenwerk neer, en enkelen van hen koesterden een heimelijk verlangen, de stad aan zich te onderwerpen, om er heerser en beschermer van te kunnen worden.

    Vooral de "aardschokker" Poseidon, de veroorzaker van de aardbevingen en tevens heerser over al het water in de wereld, was vastbesloten de stad zijn wil op te leggen, en misschien zou hij in dit voornemen ook geslaagd zijn, want de almachtige Zeus had zoveel andere zorgen, dat hij er niet op lette, wat zijn twistzieke broeder in zijn schild voerde.

    Maar de tegenwerking kwam van een heel andere kant, niemand minder dan Zeus' dochter, de wijze, strijdbare en goddelijke jonkvrouw Athene, verzette zich tegen Poseidons plan. "Waarmee zou de koppige Poseidon de stad eigenlijk van nut kunnen zijn?" vroeg ze de andere goden. "Wil hij soms een springvloed sturen of een aardbeving te voorschijn roepen? En bovendien, jullie weten allemaal, dat hij veel te gauw driftig wordt."

    Natuurlijk liet Poseidon dit niet op zich zitten. Nauwelijks had hij de woorden, die de godin met de mooie grote ogen had uitgesproken, vernomen, of hij sloeg zo woedend met zijn drietand, dat zijn paleis bijna in zee stortte en zijn dochters, de Nereiden, hun spel op het wateroppervlak staakten om het schuimende water niet in hun neus te krijgen.

    Toen barstte de watergod pas goed los: "Athene weet, dat ik sinds mensenheugenis de vissers en zwemmers bescherm. En dat kan de nieuwe stad alleen maar ten goede komen. Immers, door de ligging aan zee kunnen de bewoners zich alleen maar met de visvangst bezig houden. Of wil je soms, meesteres van de uilen, met mij om de stad strijden?" brulde hij, met een stem als een donderslag. "Waarvoor heb jij je wijsheid dan wel nodig, die uit je vaders hoofd afkomstig is. Bij jouw geboorte moet zijn hoofd hem zoveel pijn gedaan hebben, dat hij je haastig de wereld in liet springen om van zijn afschuwelijke hoofdpijn verlost te worden."

    Spot en bittere woorden vlogen over en weer, tot deze ruzie zelfs Zeus ter ore kwam. Deze bedacht zich niet lang, ontbood zijn broeder en dochter naar de Acropolis en met hen ook alle andere goden. Ook enige mensen nodigde hij uit, en koning Kekrops.

    Toen sprak de almachtige heerser van de Olympus: "Ik wil niet langer allerlei toespelingen te horen krijgen over wie er op de stad aanspraak kan maken. Nu, broeder Poseidon en ook jij, lieve dochter, ik nodig jullie uit om Attica iets te schenken, wat voor haar bewoners het meest van nut zal zijn. Daarna zal koning Kekrops een rechterlijke uitspraak doen."

    Poseidon verliet zijn wagen om aan land te gaan, hij hief zijn gouden drietand hoog boven zijn hoofd en sloeg ermee op de kale rotsen. Onmiddellijk begon er op deze plaats een indrukwekkende zoutwaterbron naar buiten te spuiten; maar nauwelijks waren de toeschouwers van hun verbazing bekomen, of de godin Athene schreed, gewapend met helm, rond schild en speer, naar dezelfde plaats. Ook zij raakte de rotsen met haar glinsterende wapens aan, en wat gebeurde er? Uit de stenen wand begon een olijfboom te groeien, en haar takken bogen tot bijna op de grond onder het gewicht van de zware vruchten.

    Nadat mensen en goden de beide wonderen ademloos in ogenschouw hadden genomen, nam koning Kekrops het woord: "Het mag zeker een wonder worden genoemd, dat hier op de Acropolis zeewater uit de rotsen ontspringt," zei hij. "Maar heeft het voor ons nut? Met het blote oog kunnen we van hieruit de eindeloze zee zien, dus wat hebben we aan nog meer zout water?"

    De koning pauzeerde even, schonk Athene een warme glimlach en vervolgde zijn toespraak: "Een boom daarentegen, die zulke rijke vruchten draagt, is een waarlijk kostbaar geschenk. De mensen in Attica zullen hem met blijdschap verder kweken, want de vruchten zullen u waardevolle olie schenken, en voor uw levensonderhoud en rijkdom zorgen. Ik zie de schaduwrijke olijfbomen al voor me, die zich van de berghellingen tot aan de oever van de zee zullen uitstrekken. Daarom behoort de stad Attica de godin Athene toe, en zo zal het volgens de wet ook gebeuren."

    Toen Kekrops zijn wijze toespraak had beindigd, spraken alle goden, behalve de woedende Poseidon en zijn gevolg, over de nieuwe stad, die voortaan aan Pallas Athene was gewijd en te harer ere ook Athene werd genoemd.

    Kekrops liet de goddelijke beschermster de eerste tempel bouwen en zijn dochter tot priesteres uitroepen. Pallas Athene zorgde op haar beurt voor de opvoeding van Kekrops' zoon Erichthonia. Toen deze tot man was opgegroeid en zijn vader na diens dood als koning was opgevolgd, stelde hij, ter ere van de godin, het belangrijkste feest in van de Atheners, de Panathenaen. De festiviteiten vonden steeds begin augustus in Athene plaats. Behalve ruiter-, turn-, muziek- en dichtkunstwedstrijden werd erbij het ochtendgloren een feeststoet gevormd. Deze stoet trok naar het standbeeld van de godin - een schepping van goud en ivoor - die op de Acropolis in Panathena stond.

    In het bijzijn van allen kreeg het standbeeld een nieuw, rijk geborduurd hemd, dat pas bij het volgende feest verwisseld werd.



     

    01-06-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (1 Stemmen)
    Reageer (0)
    31-05-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Nieuw op dit blog Tegel 73


    Image and video hosting by TinyPic .

    31-05-2012 om 23:14 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (1 Stemmen)
    Reageer (0)
    30-05-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Nieuw op dit blog Tegel 72


    Image and video hosting by TinyPic .

    30-05-2012 om 20:56 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Maanfee
    De Maanfee



    Het was de tijd van het voorjaar, toen een visser, Hairoeko genaamd, op het strand uitrustte. Hij keek om zich heen en zag de blauwe zee glinsteren in het zonlicht. Grote pijnbomen wierpen hun donkere schaduw op het goudgele zand en in de verte verhief zich de kegel van de Foeji, de top door een sneeuwkrans bekroond. "Wat is de wereld toch mooi," dacht Hairoeko, "en wat een geluk is het hier te mogen leven".

    Toen opeens zag hij voor zich een prachtig voorwerp aan een boom hangen, zo verblindend mooi dat hij de wereld om zich heen vergat. Het was een mantel van witte zwanenveren, zo zacht als dons. Hij wilde het zwanenkleed juist wegnemen toen hij een naakte, jonge vrouw uit de golven zag opduiken.

    "Die mantel is van mij," zei zij. "Geef haar mij maar aan, beste visser". Het was een knap en slank meisje en haar stem klonk zo lieflijk als klinkende klokjes.

    "Ik denk er niet aan," antwoordde Hairoeko, "Wat ik gevonden heb, geef ik niet terug, en zeker niet als het zoiets moois is. Het hoort thuis in de keizerlijke schatkamer en daar ga ik het ook naartoe brengen".

    Het meisje wrong haar handen en zei: "Geef het mij alsjeblieft terug, lieve visserman. Ik smeek je erom, zonder dat kleed kan ik niet naar de hemel vliegen".

    Maar Hairoeko voelde er niets voor van het kleed afstand te doen en volhardde in zijn weigering. Nu begon het meisje zo hevig te snikken dat haar lichaam schokte.

    "O, geef het mij toch terug," snikte zij. "Ik kan niet zo lang op aarde blijven. Ik moet terugkeren naar mijn paleis op de maan, waar ik alleen maar gelukkig ben".

    Hairoeko begon medelijden te krijgen met het arme kind en eindelijk zei hij: "Goed, ik zal het je teruggeven, wanneer je voor mij op het strand wilt dansen".

    Het gezicht van de jonge vrouw klaarde meteen op. Zij wreef de tranen uit haar ogen en zei: "Ik zal met plezier voor je dansen en ik wil je ook die prachtige dans laten zien die ik tezamen met mijn zusters in het Maanpaleis uitvoer. Maar zonder mijn veren mantel kan ik niet dansen".

    "Ik zal je die later teruggeven," zei de visser. "Wanneer ik dat nu doe, zou je er vandoor gaan zonder dat ik iets heb gezien".

    Nu werd het meisje kwaad. "Wat denk je wel," zei zij. "Wij hemelingen verbreken nooit onze belofte, zoals men dat zo gemakkelijk op de aarde doet".

    Zonder verder een woord te zeggen, overhandigde Hairoeko haar het veren kleed. Zij trok het aan en haalde er een muziekinstrument uit tevoorschijn. Toen begon het meisje te zingen met een heldere, lieflijke stem over alle wonderlijke dingen die men in het Maanpaleis kon aanschouwen:

    In het zilveren Maanpaleis zitten dertig vorsten op hun troon. Vijftien dragen witte gewaden. Wanneer zij regeren straalt de maan in heldere glans.

    Maar wanneer de vijftien vorsten in zwarte gewaden regeren wordt haar licht langzaam gedoofd.

    Hairoeko werd bedwelmd door de gratie en schoonheid van haar bewegingen en niet het minst door haar verrukkelijke stem die zij met haar shamisen begeleidde.

    "Nu moet ik gaan, visser," zei zij. "Je ziet dat ik mijn belofte gehouden heb. Leef wel!"

    "Nee, nee" hield Hairoeko haar tegen, "nog n dans, nog n lied! Zo iets moois zal ik mijn leven lang niet meer zien en horen".

    De Maanfee liet zich overhalen en danste voor hem de dans van de Jeugd en zij zong over Japan, het eiland dat door de goden wordt bemind en dat tot in lengte van dagen door de goden beschermd zal worden.

    Toen zag de visser dat haar voeten boven het gouden zand zweefden, steeds hoger en hoger tot haar veren kleed boven de toppen van de bomen zichtbaar werd. Nog altijd hoorde hij haar bekoorlijke stem, maar het geluid werd zwakker en zwakker. Als een kleine witte vogel zag hij haar ten hemel stijgen tot zij een klein stipje werd, en toen... zag hij alleen maar de azuurblauwe hemel met heel in de verte de bleke maansikkel.

    Sindsdien verzuimde Hairoeko nooit, wanneer hij gevist had en de boot weer op het droge trok, te kijken of er niet ergens in een boom een veren kleed hing. Maar helaas, hij heeft er nooit meer een gezien!



     

    30-05-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (1 Stemmen)
    Reageer (0)
    29-05-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Nieuw op dit blog Tegel 71


    Image and video hosting by TinyPic .

    29-05-2012 om 22:47 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het lelijke jonge eendje
    Het lelijke jonge eendje
    Het was zomer en z heerlijk buiten op het land! Het graan was goudgeel, de haver groen, het hooi stond in oppers op de groene weiden en daar liep de ooievaar op zijn lange rode benen en klepperde Egyptisch, want die taal had hij van zijn moeder geleerd. Rondom de akkers en de weiden waren er grote bossen en midden in die bossen diepe meren; ja, het was werkelijk heerlijk daar buiten op het land!

    Midden in de zonneschijn lag een oud landgoed met diepe grachten er omheen en van de muren tot aan het water groeiden de bladeren van het groot hoefblad, die zo hoog waren, dat kleine kinderen er rechtop onder konden staan: het was er net zo wild als in het dichtste bos. Daar zat een eend op haar nest; zij moest haar kuikentjes uitbroeden, maar nu had ze er heus genoeg van, omdat het te lang duurde en ze maar zo zelden bezoek kreeg. De andere eenden hielden er meer van rond te zwemmen in de grachten, dan onder een zuringblad met haar te zitten snateren.

    Eindelijk sprong het ene ei na het andere open: "piep, piep," klonk het; alle eierdooiers waren levend geworden en staken het kopje naar buiten.

    "Vlug! Vlug!" zei ze en ze repten zich wat ze konden en keken naar alle kanten. De moeder liet ze kijken zoveel ze maar wilden, want groen is goed voor de ogen.

    "Wat is de wereld toch groot!" zeiden de jonge eendjes, want ze hadden nu heel wat meer plaats, dan toen ze in het ei zaten.

    "Denken jullie, dat dit de hele wereld is?" zei de moedereend, "die strekt zich nog heel ver uit aan de andere kant van de tuin, tot op het erf van de dominee, maar daar ben ik nooit geweest. Ik heb jullie hier toch wel allemaal bij elkaar?" De moedereend stond op en zei: "Neen, ik heb ze niet allemaal. Het grootste ei ligt er nog; hoe lang zal dat nog duren? Nu heb ik er toch gauw genoeg van!" En ze ging weer op het nest zitten.

    "Wel, hoe gaat het, buurvrouw?" zei een oude eend, die op visite kwam.

    "Het duurt zo lang met dat ene ei," zei de eend, die op het nest zat. "Er wil maar geen gat in komen. Maar nu moet je de anderen eens zien. Zijn het niet de liefste eendjes van de wereld " Ze lijken allemaal op hun vader, die booswicht! Die komt me niet eens feliciteren." "Laat me dat ei eens zien, dat niet wil barsten," zei de oude eend. "Je kunt ervan op aan, dat het een kalkoenei is. Ik ben ook eens zo voor de mal gehouden, maar ik zal je vertellen, dat ik heel wat had uit te staan met de jongen, want ze zijn bang voor het water. Ik kon ze er maar niet in krijgen; ik kwaakte en snaterde, maar het hielp niet! " Laat mij dat ei eens zien! Ja zeker, dat is een kalkoenei. Laat hem liggen en leer de andere kinderen zwemmen!"

    "Ik wil er toch nog een beetje op blijven zitten!" zei de moedereend. "Ik heb er nu toch al zo lang op gezeten."

    "Ga je gang!" sprak de oude eend en ging weg.

    Eindelijk barstte het grote ei. "Piep! Piep!" zei het jong en waggelde naar buiten, want het was erg groot en lelijk. De moedereend keek ernaar en zei: "Je bent een vreselijk groot eendenjong. Geen van de anderen ziet er zo uit. Het zal toch geen kalkoenkuiken zijn? Daar zullen we gauw achter komen. In het water moet hij, al moet ik hem er zelf intrappen!"

    De volgende dag was het heerlijk weer, de zon scheen op alle groene zuringplanten. De moedereend ging met haar hele gezin naar de gracht toe. Plons! Zij sprong in het water en riep: "Vlug! Vlug!" en het ene jonge eendje na het andere plompte er in; het water sloeg hen over het hoofd, maar ze kwamen dadelijk weer boven en dreven zo heerlijk, de pootjes gingen vanzelf. Ze waren er allemaal in; zelfs het lelijke grijze eendje zwom mee.

    "Neen, dat is geen kalkoen!" zei ze. "Kijk eens, hoe mooi hij zijn poten gebruikt en wat houdt hij zich recht. Dat is mijn eigen jong. Hij is toch eigenlijk heel aardig, als je hem goed bekijkt. Vlug! Vlug! Kom met me mee, dan zal ik jullie in de wereld brengen en je voorstellen op het eendenveldje, maar jullie moeten altijd vlak bij me blijven, zodat niemand op je trapt, en pas op voor de kat!" En zo kwamen ze op het eendenveldje. Daar heerste een vreselijk lawaai, want er waren twee gezinnen, die om een palingkop vochten, en tenslotte kreeg de kat hem nog.

    "Kijk, zo gaat het nu in de wereld," zei de moedereend en likte zich de snavel af, want zij wou ook de palingkop wel hebben. "Gebruik nu je poten," zei ze. "Zorg, dat je mooi kwaakt en buig met je hals voor die oude eend daar; ze is de voornaamste van allen hier. Ze is van adel, daarom is ze dik; en zie je wel, dat ze een rood bandje om haar poot heeft? Dat is iets heel moois en de hoogste onderscheiding die een eend kan krijgen. Dat betekent zoveel als dat men haar niet kwijt wil raken en dat alle mensen en dieren haar zullen herkennen. Vooruit nu! Niet met je poten naar binnen. Een welopgevoede jonge eend zet zijn poten ver uit elkaar, net als vader en moeder. Kijk zo! Buig nu met je hals en zeg: Kwaak!"

    Het lelijke jonge eendje
    En dat deden ze; de andere eenden er om heen keken naar hen en zeiden heel luid: "Het is wat moois! Nu krijgen we dat stel er nog bij, alsof er nog niet genoeg zijn! En foei, wat ziet dat ene jong er uit! Dat laten we niet toe!" En onmiddellijk vloog er een eend op hem af en beet hem in zijn nek.

    "Laat hem met rust!" zei de moedereend, "hij doet toch niemand kwaad!"

    "Ja, maar hij is zo groot en zo raar," sprak de eend, die gebeten had, "en daarom moeten we hem mores leren!"

    "U hebt mooie kinderen, moeder!" zei de oude eend met het bandje om haar poot. "Ze zijn allemaal mooi, op n na, die is mislukt. Ik wou, dat U hem over kon maken!"

    "Dat gaat niet, Uw genade!" antwoordde de moedereend. "Hij is niet mooi, maar hij heeft een echt goed karakter en zwemt net zo goed als een van de anderen, ja, ik durf zelfs zeggen een beetje beter. Ik denk, dat hij er wel doorheen zal groeien en mettertijd wat slanker zal worden. Hij heeft te lang in het ei gezeten en daarom heeft hij nog niet het goede figuur!" En zij plukte hem in zijn nek en streek zijn veren glad. "Bovendien is het een woerd," zei ze, "en het doet er dus niet zo veel toe, ik geloof dat hij sterk zal worden; hij zal zich er heus wel doorheen slaan!"

    "De andere eendjes zijn aardig," zei de oude eend. "Doe alsof je thuis bent en als je een palingkop vindt, mag je me die brengen!" En zo was het net alsof ze thuis waren.

    Maar het arme eendje, dat het laatst uit het ei was gekropen en zo lelijk was, werd gebeten en geduwd en voor de gek gehouden. "Hij is te groot!" zeiden ze allemaal, en de kalkoense haan, die met sporen was geboren en zich daarom verbeeldde dat hij keizer was, blies zich op als een schip met volle zeilen, vloog op hem af en kakelde, dat hij er een rood hoofd van kreeg.

    Het arme eendje wist zich niet te bergen, het was erg bedroefd, omdat het er zo lelijk uitzag en bespot werd door de hele eendenhof. Zo ging het de eerste dag en het werd hoe langer hoe erger. De arme jonge eend werd door alle andere opgejaagd, zelfs zijn eigen broertjes en zusjes deden lelijk tegen hem en ze zeiden maar steeds: "Nam de kat je maar mee, lelijk spektakel!" De moeder zei: "Was je maar heel ver weg!" en de eenden beten hem en de kippen pikten hem en het meisje, dat de dieren kwam voeren, schopte hem.

    Toen liep hij weg en vloog over de omheining; de vogeltjes in de bosjes vlogen verschrikt op. "Dat is omdat ik zo lelijk ben!" dacht het eendje en deed zijn ogen dicht; maar hij liep toch maar weg.

    Zo kwam hij in een grote plas, waar de wilde eenden woonden. Daar lag hij de hele nacht, want hij was toch zo moe en verdrietig. Tegen de morgen vlogen de wilde eenden op en zagen de nieuwe kameraad.

    "Wat ben jij voor iemand?" vroegen ze en het eendje draaide zich naar alle kanten en groette zo goed hij kon.

    "Je bent foeilelijk!" zeiden de wilde eenden. "Maar dat is ons om het even, als je maar niet in onze familie trouwt." De stakker! Hij dacht in het geheel niet aan trouwen, als hij maar in het riet mocht liggen en wat water uit de plas mocht drinken.

    Daar lag hij twee dagen lang; toen kwamen er twee wilde mannetjesganzen. Ze waren nog niet heel lang uit het ei en daarom waren ze zo kwiek.

    "Hoor eens kameraad," zeiden ze, "je bent zo lelijk, dat we je wel mogen. Wil je meegaan en een trekvogel worden? Dicht hierbij, in een andere plas, zijn aardige lieve wilde ganzen, allemaal wijfjes. Je kunt daar je geluk beproeven, hoe lelijk je ook bent."

    "Pief, paf!" klonk het plotseling boven hen en beide wilde ganzen vielen dood neer in het riet; het water werd bloedrood. "Pief, paf!*" klonk het weer; hele troepen wilde ganzen vlogen op uit het riet en toen knalde het weer. Er werd een grote jacht gehouden; de jagers lagen om de plas heen, sommigen zaten zelfs op de takken van de bomen, die zich ver over het riet uitstrekten. De blauwe damp dreef als een wolk tussen de donkere bomen en bleef hangen boven het water; de jachthonden kwamen door de modder gelopen, plas, plas, zodat biezen en riet naar alle kanten uit elkaar bogen. Tot grote schrik van het arme eendje; hij draaide zijn kop om hem onder zijn vleugels te steken en op hetzelfde ogenblik stond vlakbij een vreselijk grote hond; zijn tong hing hem ver uit de bek en zijn ogen fonkelden. Hij hapte naar het eendje, liet zijn scherpe tanden zien, en plas, plas, ging hij verder, zonder de eend mee te nemen. "De hemel zij dank!" zuchtte het eendje. "Ik ben zo lelijk, dat zelfs de hond me niet wil bijten"

    En hij bleef stil liggen, terwijl de hagelkorrels door het riet suisden en het ene schot na het andere klonk.

    De dag was al een heel eind verstreken voor het stil werd, maar het arme eendje durfde nog niet op te staan; hij wachtte nog enige uren voor hij rondkeek en toen liep hij zo hard hij kon weg uit de plas. En hij bleef maar lopen, door de wei en over stoppelveldjes. Er stond zo'n wind, dat hij moeite had vooruit te komen.

    Tegen de avond kwam hij aan een armoedig boerenhuis; dit was zo bouwvallig, dat het zelf niet wist naar welke kant het zou vallen en zodoende bleef het staan. De wind gierde zo om het eendje heen, dat hij moest gaan zitten om niet weg te waaien. Het werd hoe langer hoe erger, maar toen merkte hij, dat de deur uit het hengsel hing, zo scheef, dat 't eendje door de spleet naar binnen kon sluipen.

    Hier woonde een oude vrouw met haar kat en haar kip; de kat, die ze "Zoontje" noemde, kon een hoge rug opzetten en blazen; hij kon ook vonken schieten, maar dan moest men hem tegen de draad in over zijn haren strijken. De kip had heel kleine, korte poten en daarom werd ze "Kukeleku-kortbeen" genoemd; ze legde veel eieren en de vrouw hield van haar als van haar eigen kind. In de ochtend ontdekte men het vreemde eendje dadelijk, de kat begon te blazen en de kip te kakelen.

    "Wat is er aan de hand?" zei de vrouw en keek rond, maar ze kon niet erg goed zien en daarom dacht ze, dat het eendje een verdwaalde vette eend was. "Dat is een zeldzame vangst!" zei ze. "Nu kan ik eendeneieren krijgen, als het maar geen woerd is. Dat moeten we eens onderzoeken."

    En zo werd het eendje voor drie weken op proef genomen, maar er kwam geen ei. De kat was de heer des huizes en de kip was de mevrouw en ze zeiden maar steeds: "Wij en de wereld," want ze meenden, dat ze de helft ervan waren en nog wel het allerbeste deel. Het eendje vond, dat men van een andere mening kon zijn, maar dat duldde de kip niet.

    "Kun je eieren leggen?" vroeg ze.

    "Nee!"

    "Wil je dan je snavel wel eens houden!"

    En de kat zei: "Kun je een hoge rug opzetten, blazen en vonken schieten?"

    "Nee!"

    "Dan mag je geen mening hebben als anderen praten!"

    En het eendje zat in een hoekje en had het land. Toen ging hij denken aan de frisse lucht en de zonneschijn; hij kreeg zo'n erge zin om op het water te drijven, dat hij tenslotte niet kon laten om het tegen de kip te zeggen.

    "Wat bezielt je?" vroeg deze. "Je hebt niets te doen, daarom krijg je die nukken. Leg eieren of blaas, dan gaat het over!"

    "Maar het is zo heerlijk om op het water te drijven," zei het eendje. "Het is heerlijk om het water over je kop te krijgen en naar de bodem te duiken."

    "Ja, dat is heel plezierig!" zei de kip. "Je bent, geloof ik, gek geworden. Vraag eens aan de kat, hij is de knapste die ik ken, of hij er van houdt op het water te drijven of onder te duiken. Over mezelf wil ik niet spreken. Vraag het onze meesteres, de oude vrouw. Er is niemand ter wereld zo verstandig als zij! Denk je, dat ze er plezier in heeft te drijven en water over haar hoofd te krijgen?"

    "Jullie begrijpen het niet!" zei het eendje.

    "Als wij je niet begrijpen, wie dan wel? Je wilt toch niet verstandiger zijn dan de kat en de vrouw, om van mezelf te zwijgen? Snij niet zo op, kind, en dank je Schepper voor al het goede, dat Hij voor je heeft gedaan. Ben je niet in een warme kamer gekomen en heb je geen omgang, waarvan je wat kunt leren? Maar je praat onzin en het is niet leuk om met je om te gaan. Mij kun je geloven, ik meen het goed met je; ik zeg je onaangename dingen en daardoor leert men zijn ware vrienden kennen! Zorg nu maar, dat je eieren legt en leer blazen of vonken schieten! Dan ben je tenminste iemand."

    "Ik geloof, dat ik de wijde wereld maar in ga," sprak het eendje.

    "Ja, doe dat!" zei de kip.

    En zo ging het eendje weg; hij dreef op het water, hij dook onder, maar omdat hij zo lelijk was, lieten alle dieren hem links liggen. Het najaar brak aan, de bladeren in de bossen werden geel en bruin, de wind kreeg ze te pakken, zodat ze ronddansten, en daarboven in de lucht zag het er koud uit; de wolken voorspelden hagel en sneeuw en op een hek stond de raaf en riep: "Au! Au!" van louter kou. Het was om te bevriezen; het arme eendje had het werkelijk niet best.

    Op een avond, toen de zon prachtig onderging, kwam er een hele zwerm mooie grote vogels uit de bosjes. Het eendje had nog nooit zulke mooie vogels gezien: ze waren glanzend wit met lange buigzame halzen; het waren zwanen. Ze maakten een heel vreemd geluid, spreidden hun prachtige lange vleugels uit en vlogen weg uit de koude streken naar warme landen, naar meren, die niet bevroren waren. Ze stegen zo hoog, zo hoog, dat het het eendje bijna teveel werd; hij draaide als een rad in het rond op het water, rekte zijn hals ver uit naar de zwanen en stiet een kreet uit, zo hard en vreemd, dat hij er zelf bang van werd. O, hij kon die mooie, gelukkige vogels niet vergeten. Toen hij ze uit het gezicht verloren had, dook hij heel tot op de bodem en weer boven gekomen, was hij helemaal buiten zichzelf. Hij wist niet hoe de vogels heetten en waarheen ze vlogen, maar toch hield hij van ze, zoals hij nog nooit van iemand had gehouden. Hij was helemaal niet jaloers op die vogels: het kwam niet bij het eendje op zich zoiets heerlijks te wensen; hij zou al best blij zijn, dat arme lelijke dier, als de eenden hem in hun midden hadden geduld.

    En het werd toch zo'n koude winter; het eendje moest in het water rondzwemmen om te maken, dat dit niet helemaal dichtvroor, maar elke nacht werd het gat, waarin hij rondzwom, kleiner; het vroor dat het kraakte, het eendje moest aldoor zijn poten gebruiken om te maken, dat het water niet helemaal dicht raakte; tenslotte werd hij moe, lag heel stil en vroor zo vast in het ijs.

    In de vroege morgen kwam er een boer, die het eendje zag; hij sloeg met zijn klomp het ijs stuk en droeg het beest naar huis, naar zijn vrouw. Daar kwam het weer bij. De kinderen wilden ermee spelen, maar het eendje dacht, dat ze hem kwaad wilden doen en kwam in zijn angst in het melkvat terecht, zodat de melk in de kamer rondspatte; de vrouw gilde met haar handen in de hoogte, en toen vloog het in het botervat en daarna in de meelton. Wat zag hij er uit!

    De vrouw gilde weer, ze sloeg ernaar met de tang en de kinderen liepen elkaar omver om het eendje te vangen, ze lachten en schreeuwden! Gelukkig maar, dat de deur openstond; het eendje vloog naar buiten, tussen de bosjes door in de vers gevallen sneeuw, en daar lag het als in een winterslaap.

    Maar het zou al te droevig worden als ik vertelde over de nood en de ontbering, die de eend moest doorstaan in die harde winter. Hij lag in de plas tussen het riet, toen de zon weer warm begon te schijnen: de leeuweriken zongen, het was heerlijk voorjaar.

    Toen sloeg het eendje ineens zijn vleugels uit, ze ruisten sterker dan vroeger en droegen hem met kracht voort, en vr hij het wist, bevond hij zich in een grote tuin, waar de appelbomen in bloei stonden en de seringen aan lange groene takken over de sloten hingen, Hier was het toch zo heerlijk, zo fris, zo voorjaarsachtig!

    Dichtbij kwamen drie mooie witte zwanen uit het kreupelhout; zij ruisten met hun veren en dreven licht op het water. Het eendje kende de prachtige dieren en werd door een vreemde droefheid bevangen.

    "Ik wil naar die koninklijke vogels toevliegen en ze zullen me doodbijten, omdat ik, die zo lelijk ben, hen durf naderen. Maar dat doet er niet toe! Beter door hen te worden gedood, dan te worden gebeten door de eenden, gepikt door de kippen en geschopt door het meisje, dat op de hoenderhof past, en 's winters gebrek te lijden."

    Het eendje vloog het water in en zwom naar de prachtige zwanen toe, die met ruisende vleugels op het eendje toeschoten. "Dood me maar!" zei het arme dier, boog de kop naar het wateroppervlak en wachtte de dood af. Maar wat zag het in het heldere water? Zijn spiegelbeeld! Maar hij was geen lompe, zwartgrijze, lelijke vogel meer; hij was zelf een zwaan!

    Het doet er niet toe of men in een eendenhof is geboren, als men maar uit een zwanenei gekomen is.

    Hij was blij om alle nood en wederwaardigheden, die hij had beleefd; nu waardeerde hij juist het geluk dat hem ten deel viel. De grote zwanen zwommen om hun nieuwe makker heen en streelden hem met hun snavels.

    Er kwamen kleine kinderen de tuin in, ze gooiden brood en graan in het water en de kleinste riep: "Er is een nieuwe!" En de andere kinderen jubelden mee: "Ja, er is een nieuwe gekomen!" en ze klapten in de handen, ze dansten in het rond en liepen naar hun vader en moeder. Er werden brood en koekjes in het water gegooid en ze zeiden allemaal: "De nieuwe is de mooiste! Zo jong en zo prachtig!" En de oude zwanen bogen diep voor hem.

    Toen voelde hij zich erg verlegen en stak z'n kop onder de vleugels; hij wist niet hoe hij het had, hij was al te gelukkig, maar helemaal niet trots, want een goed hart wordt nooit trots. Hij dacht er aan hoe hij was vervolgd en gehoond en hoorde nu iedereen zeggen, dat hij de prachtigste van alle prachtige vogels was. En de seringen bogen met hun takken tot in het water naar de jonge zwaan toe en de zon scheen zo warm en zo goed. Toen ruisten zijn veren, de slanke hals verhief zich en uit de grond van zijn hart jubelde hij: "Van zoveel geluk heb ik niet gedroomd, toen ik het lelijke jonge eendje was!"

    29-05-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Reageer (0)
    28-05-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Nieuw op dit blog Tegel 70


    Image and video hosting by TinyPic .

    28-05-2012 om 20:51 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Reageer (0)
    27-05-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Nieuw op dit blog Tegel 69


    Image and video hosting by TinyPic .

    27-05-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Xue Wei
    Xue Wei



    Een zekere Xue Wei werd in het eerste jaar van de regeringsperiode Qianyuan (758-759) benoemd tot hoofdadministrateur van het district Qingcheng in de prefectuur Shuzhou. In de herfst van dat jaar werd Wei ziek en na zeven dagen was hij opeens levenloos, alsof hij was heengegaan. Hoe vaak men ook riep, hij reageerde niet, maar zijn hart bleef enigszins warm zodat zijn huisgenoten het niet konden verdragen hem te begraven en ze bleven bij hem waken.

    Na twintig dagen slaakte hij plotseling een diepe zucht, ging overeind zitten en zei tegen hen: "Hoeveel dagen zijn er in de wereld der mensen verstreken?" Op het antwoord: "Al twintig," zei hij: "Ga eens kijken of mijn collega's gefrituurde visfilets zitten te eten. Vertel hun dat ik weer tot leven ben gekomen en iets bijzonder vreemds heb meegemaakt en vraag hun de eetstokjes neer te leggen om te komen luisteren."

    Een knecht ging hollend de overige ambtenaren zoeken die inderdaad juist visfilets zouden gaan eten. Hij lichtte hen vervolgens in, waarop zij hun maaltijd onderbraken en met hem meekwamen. Wei vroeg: "Had u de knecht van de belastingadministratie Zhang Bi bevolen een vis te halen?" Op hun bevestigend antwoord zei hij tegen Bi: "De visser Zhao Gan verborg die kolossale karper en wilde met kleine vissen aan zijn verplichtingen voldoen. Jij hebt tussen het riet die verborgen vis gevonden en die meegenomen. Toen jij het ambtsgebouw binnenging zat een klerk van de belastingadministratie aan de oostzijde van de poort, terwijl een klerk van de politie aan de westzijde van de poort zat, ze waren go aan het spelen. Toen je op de binnenplaats kwam, zaten Zou en Lei juist te eten terwijl Pei een perzik at. Toen je vertelde dat Gan die kolossale vis verborgen had willen houden gaf Pei bevel Gan af te laten ranselen. Nadat jij de vis had overgedragen aan de kok Wang Shiliang slachtte die hem verheugd. Klopt dit alles?"

    Het klopte en men vroeg: "Hoe wist u dat?"

    Hij antwoordde: "Die zoven geslachte karper, dat was ik!"

    Geschrokken zei men: "Vertel ons hoe dat gebeurde!"

    Wei zei: "Uitgeput door mijn ziekte had ik eerst zo'n last van de hitte dat het bijna ondraaglijk was. Opeens kreeg ik het zo benauwd dat ik vergat dat ik ziek was, en om de hitte te ontvluchten liep ik naar buiten, zonder te beseffen dat het een droom was. Toen ik buiten de stad was aangekomen, voelde ik me vrolijk en blij als een vogel in een kooi en een dier achter tralies die zijn ontsnapt - niemand was zo vrolijk en blij als ik. Geleidelijk kwam ik in de heuvels, maar van het lopen in de heuvels kreeg ik het nog benauwder, zodat ik vervolgens afdaalde om langs de rivier te zwerven. Ik zag hoe lieflijk de najaarskleuren waren en hoe diep en stil de kolk in de rivier was - door de lichtste rimpeling werd het water zelfs niet beroerd en als een spiegel omvatte het de verste luchten. Opeens had ik zin me te baden en ik trok op de oever mijn kleren uit en sprong erin! Van jongs af aan was ik met het water vertrouwd, maar sinds ik volwassen was had ik er nooit meer in gespeeld. Bij die gelegenheid liet ik me volledig gaan, zodat ik een langgekoesterd verlangen bevredigde en ik dacht: Een mens zwemt niet zo lekker als een vis. Zou ik niet tijdelijk vis kunnen zijn om vrijuit door het water te kunnen schieten? Naast me verscheen een vis en die zei: "Dat is eenvoudig. Ik zal het voor u gaan regelen." Hij verdween en even later verscheen er een man met het hoofd van een vis, rijdend op een dolfijn en omringd door enige tientallen vissen. Hij las een proclamatie van de Heer van de Rivier voor die luidde:

    "Boven water en onder water: gescheiden zijn de wegen van hen die door stromen zwerven, zodat de mens niet bekwaam is de golven te doorklieven tenzij hij dat heel graag doet. Xue Wei houdt van zwemmen door diepe wateren en verlangt naar de rust van ongebondenheid. Uit vreugde over het onafzienbare oppervlak voelt hij zich bevrijd in de klare rivier. Voor een korte tijd zal hij een vis zijn, het is niet zo dat hij dat voor eens en voor al zal zijn. Tijdelijk mag hij in de Oosterkolk verblijven als een rode karper. Ach! Wie door zich te verlaten op hoge golven schepen doet vergaan, begaat in duisternis een misdrijf; wie onkundig van de fijne haak het aas begeert wordt in het licht gekwetst. Verspeel toch niet, tot schande van soortgenoten, het leven! Getroost je moeite!"

    Toen ik, na dit gehoord te hebben, naar mezelf keek stak ik al in een vissekleed. Daarop zwom ik naar hartelust en ik kwam waarheen ik ook maar wilde. Boven de golven of op de bodem, overal voelde ik me volkomen op mijn gemak en de drie rivieren en vijf meren heb ik bijna volledig doorsprongen. Maar het mij aangewezen verblijf was de Oosterkolk en elke avond keerde ik daarheen terug.

    Opeens had ik een geweldige honger maar nergens kon ik iets te eten vinden. Toen ik langs een boot zwom, zag ik plotseling het haakje hangen van Zhoa Gan met zijn heerlijk riekende aas. Me welbewust van het gebod had ik, voor ik het zelf besefte, er toch al de mond aangezet maar ik bedacht: Ik ben een mens die voor een poosje een vis is. En dan zal ik, omdat ik niets te eten kan vinden, een haak inslikken? Ik versmaadde het aas en ging weg. Maar even later werd de honger nog erger en ik dacht bij mijzelf: Ik ben een ambtenaar die als spel in een vissekleed steekt. Gesteld al dat ik de haak zou inslikken, dan zou Zhao Gan me toch zeker niet doden, maar me vast terugbrengen naar het ambtsgebouw. Daarop slikte ik het aas in. Zhao Gan nam het snoer in zodat hij me ophaalde. Toen zijn hand me naderde riep ik herhaaldelijk tegen hem, maar hij luisterde niet en reeg een touwtje door mijn wangen, waarmee hij me vastbond tussen het riet. Later kwam Zhang Bi die zei: "Overste Pei wil een vis kopen, maar het moet een grote zijn."

    Gan zei: "Ik heb nog geen grote vis gevangen maar ik heb wel ruim tien pond kleine vis."

    Bi zei: "Ik heb opdracht gekregen een grote vis te halen. Wat heb ik aan die kleintjes?" Daarop ging hij zelf zoeken tussen het riet, vond mij en nam me mee. Ik zei tegen Bi: "Ik ben jouw meerdere, de hoofdadministrateur, maar in de hoedanigheid van een vis zwom ik in de rivier. Hoe bestaat het dat je niet voor mij neerknielt?" Hij luisterde niet en met mij in de hand liep hij door. Ik bleef schelden en razen maar Bi sloeg er geen acht op. Toen we de poort van het ambtsgebouw binnengingen zag ik klerken go zitten spelen. Met luide stem riep ik hen toe, maar niets of niemand reageerde. Ze lachten slechts en zeiden: "Wel allemachtig, die vis weegt wel meer dan vier pond!" Toen we daarna op de binnenplaats kwamen, waren Zou en Lei juist aan het eten terwijl Pei een perzik at. U was verheugd over de grootte van de vis en beval Bi direct naar de keuken te gaan. Bi vertelde dat Gan de kolossale vis verborgen had willen houden om met kleintjes aan zijn verplichtingen te voldoen en Pei zei woedend hem af te laten ranselen. Ik schreeuwde tot u allen: "Ik ben uw collega! Ik werd gevangen en jullie laten me niet gaan, maar willen dat ik direct geslacht word - dat is onmenselijk!"

    Luid schreeuwend weende ik, maar u drien bekommerde er zich niet om en liet me overdragen aan de vis-kok. Die Wang Shiliang had een blinkend mes in zijn handen en verheugd wierp hij mij op zijn tafel. Weer schreeuwde ik: "Wang Shiliang, jij bent de vis-kok die ik steeds bestel, waarom slacht je mij? Waarom breng je mij niet bij de heren om hen in te lichten?"

    Shiliang leek het niet te horen, hij drukte me bij mijn nek neer op het hakblok en
    sloeg mijn hoofd eraf. Op het moment dat dat daar viel, kwam ik hier tot bewustzijn en vervolgens liet ik u roepen."

    Alle heren stonden stomverbaasd en hun hart werd vervuld van liefde en mededogen. Welnu, toen Zhao Gan hem ving, Zhang Bi hem meenam, de klerken go speelden, de drie heren boven aan de treden stonden en Wang Shiliang hem zou slachten, hadden zij wel zijn mond zien bewegen, maar niemand had iets gehoord. De drie heren lieten daarop de gefrituurde visfilets wegwerpen en aten dat gerecht van hun levensdagen nooit weer. Wei was vanaf dat moment hersteld.

    (Later bracht hij het tot assistent-magistraat van het district Huayang, in welke functie hij overleed.)



     

    27-05-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Reageer (0)
    26-05-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Nieuw op dit blog Tegel 68


    Image and video hosting by TinyPic.

    26-05-2012 om 23:32 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Arnoldus

    Arnoldus



    Het beloofde een mooie dag te worden voor Arnoldus de dappere. De koene ridder had het echter zelf nog niet door toen hij wakker werd. Heel normaal dus deed hij zijn ridderkledij aan en begaf zich naar buiten. Wat hij vandaag ging doen wist hij niet. Een ridder was immers een soort van vrije vogel die meestal in de loop van de dag besliste wat hij zou gaan doen. Hij stond dus buiten en keek naar het volk dat passeerde. Als hij een mooie jonkvrouw in het zicht kreeg, dacht hij bij zichzelf: “Hm, hier zou ik wel eens een vogeltje mee willen leggen.? De betekenis hiervan is in de loop der jaren jammer genoeg verloren gegaan… Zo ging het even verder, maar plots dacht Arnoldus dat hij maar eens actie moest ondernemen. Hij stapte op een jonkvrouw af en vroeg haar of ze een vogeltje met hem wou leggen. Ze zei:?Graag, maar een andere ridder was je voor.? “Verdomme “, zei Arnoldus een beetje teleurgesteld, “dan maar geen vogeltje.? En net toen hij wou weggaan zei de jonkvrouw: “Kijk, daar is die andere ridder, misschien kunnen jullie een duel uitvechten voor mij?? Omdat hij als bijnaam “de dappere? had, kon hij deze uitdaging onmogelijk uit de weg gaan. Een duel ging het worden. In die tijd was een duel tussen ridders iets wat veel voorkwam en de nodige maatregelen werden dus snel getroffen. Twee grote manden werden op het centrale plein gezet en door de koning aangestelde tellers namen plaats naast de manden, in aangepaste tellerskledij Als het ging om een jonkvrouw, was een speciaal duel aangewezen. De regels zijn eenvoudig: de ridders krijgen elk vier uur de tijd om zoveel mogelijk eieren te verzamelen en die in een mand te leggen. Eieren mochten ze niet kopen, maar moesten ze buiten de stad halen en dan in de mand gaan leggen. Op het eerste zicht lijkt dit misschien saai, maar dat was het hoegenaamd niet. Dit spel vraagt een enorm tactisch inzicht! Draag je veel eieren met je mee of breng je ze zo snel mogelijk terug? Het eerste impliceert een risico op vallen, en dus verlies van al je verzamelde eieren en het tweede zorgt voor een enorm tijdsverlies. Dilemma’s alom. De ridders werden ook gevolgd door nieuwsgierige toeschouwers. Hoe ze in de bomen klommen om eitjes te zoeken was een wervelend spektakel. Want, wat ik nog niet verteld heb is dat voor zo’n duel de ridders hun volledige harnas moesten aanhebben, en dat maakte het klimmen er niet makkelijker op, wel leuker om te aanschouwen. Mooie taferelen in die tijd… Ook waren niet alle vogels even tevreden met het zien van een ridder die hun eieren stal. Grote, agressieve vogels lieten dit niet zomaar gebeuren en vielen de ridders aan. Niet zo slim want de ridders hadden naast hun harnas ook een zwaard mee en met de vogels werd dus meestal korte metten gemaakt. Zo ging dat vier uur door en toen was het tijd om te tellen. Onder het oog van de bevolking en de koning deden de tellers hun werk. Kleine weddenschappen werden afgesloten en gegiechel weerklonk tussen de jonkvrouw in kwestie en haar vriendinnen. Uitgeput en in spanning wachtten de ridders af. Na de telling schreven de tellers hun resultaat op en toonden dat aan de koning. Hierna werd het muisstil op het plein en iedereen keek naar de koning. “De winnaar van dit duel?, zei hij plechtig, “die een vogeltje zal leggen met de jonkvrouw, is niemand minder dan Arnoldus de dappere!? Zonder al te veel te aarzelen bedankte Arnoldus de koning en nam de jonkvrouw mee om een vogeltje te leggen. Hand in hand liepen ze naar zijn huisje en begonnen aan de daad. Zij haalde het vogeltje uit z’n kooitje en begon het te wassen, heel zachtjes. “Wat een prachtig exemplaar?, merkte ze terloops op, maar de koene ridder zocht al propere doekjes om het vogeltje in te wikkelen. Na de grondige wasbeurt van de jonkvrouw rolden ze het vogeltje in de doekjes en legden het bij de kachel om te drogen. En zo legde Arnoldus die dag een vogeltje met de jonkvrouw van zijn dromen.

    26-05-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Reageer (0)
    25-05-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Nieuw op dit blog Tegel 67


    Image and video hosting by TinyPic .

    25-05-2012 om 22:39 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Reageer (0)
    24-05-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Nieuw op dit blog Tegel 66


    Image and video hosting by TinyPic .

    24-05-2012 om 22:24 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Reageer (0)


    T -->

    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!