Nog altijd staat in Bachtsjysaraj op het schiereiland Krim het prachtige paleis van de Khan, in welks tuin een marmeren fontein staat, die water spuit. Volgens de overlevering was het echter geen gewoon water, maar menselijke tranen, die aan lang vergeten leed herinneren.
Eens moet hier Khan Kerim Girej hebben geregeerd, die door geen andere heerser in wreedheid werd geëvenaard. Waarheen hij met zijn Tartarenhorde reed, reed de dood mee. Zonder reden liet hij mensen terechtstellen en dorpen en steden verwoesten. Er was niemand in het hele gebied van de Nederkaukasus en in de ver verwijderde Russische dorpen, die zijn naam zonder vrees en huiver kon uitspreken.
"Hij heeft geen hart in zijn lijf," zeiden de mensen. "Als hij een hart had, al was het ook van steen of ijs, zou het zich tenminste eenmaal verzacht hebben."
Maar de Khan kende geen medelijden. Aan geen enkele smeekbede gaf hij gehoor, en hoe groter de angst van zijn onderdanen was, hoe groter ook zijn tevredenheid.
Zo vergingen de jaren, en de wrede heerser werd oud. Maar zijn veroveringstochten zette hij voort. Zo kwam hij ook in het Poolse land, waar hij ontelbare edelstenen, goud en waardevolle stoffen buit maakte. Maar voor de grootste schat zorgde zijn oppereunuch, die hem een bevallig en schuchter meisje bracht. De vorst kon zijn ogen niet van haar afhouden en gaf orders, haar in zijn harem onder te brengen.
Maria, zo heette deze gevangene, was een jonge, Poolse vorstin. Ze was er getuige van geweest, hoe de Khan het vaderlijk erfgoed in de as legde en de dappere verdedigers liet afmaken.
En toen ze geboeid voor de Khan stond, betreurde ze het, dat ze zich ook niet het leven had benomen. Toen ze eenmaal in Bachtsjysaraj was, dacht ze er niet anders over. Hoewel de Khan het meisje als zijn oogappel koesterde en haar persoonlijk uitgelezen spijzen, kostbare gewaden en sieraden bracht, kwijnde ze langzaam weg van verdriet.
Maar ook de grijsaard, die voor het eerst van zijn leven had ontdekt, wat oprechte liefde betekent, had verdriet. Zozeer vreesde hij voor het leven van zijn uitverkorene, dat bij iedere zonsondergang zijn hart scheen te breken en bij iedere avondschemering leek het stil te staan.
Maar zoals een zeldzame en kostbare vogel zelfs in een gouden kooi niet leert zingen, zo kon het meisje ook in Bachtsjysaraj niet leven. Iedere dag werd ze bleker en haar ogen doffer door de vele tranen die ze vergoot. Tot ze op een dag haar ogen voor altijd sloot...
Toen moet de Khan voor het eerst in zijn leven gehuild hebben. Hij huilde grote en met bloedbevlekte tranen en het leek wel, of hij met deze tranen zijn lang, wreed en onbarmhartig leven beweende. Overmand door verdriet begaf hij zich naar de voorhof, waar hij de steenhouwer Omar zag.
"Jou heb ik juist nodig," zei hij. "Ik weet, dat je uit steen ware wonderen kan verrichten, en daar het mijn wens is, dat de mensen van mijn grote verdriet kennis zullen nemen, moet je een kunstwerk scheppen, waaruit duidelijk mijn diepe droefheid spreekt..."
Aanvankelijk antwoordde de steenhouwer niet. Met indringende blik keek hij de grijsaard aan.
Toen zei hij: "Het is de eerste maal, heer, dat we tranen in uw ogen zien. En omdat uw wangen tranen tonen, kan ook ik de stenen tot huilen brengen. Maar denk niet, dat u de enige bent die door het ongeluk wordt getroffen! Duizenden en nog eens duizenden weerloze mensen hebt u van alle levensvreugde beroofd en hun tranen hebt u nooit willen zien. Ook mij hebt u als slaaf uit Perzië ontvoerd; u hebt mijn familie omgebracht en mijzelf onteerd. Als mijn werk mocht slagen, weet dan, dat het niet alleen van uw ongelukkige liefde zal spreken, maar ook van mijn leven, dat door uw wreedheid zo ten gronde werd gericht."
Nog slechts enkele dagen geleden zou de Khan hem voor zulke aanmatigende woorden aan de beul hebben overgeleverd. Maar nu leek hij ze niet te horen en zei alleen, dat de steenhouwer zo snel mogelijk met het werk moest beginnen.
De steenhouwer hield zijn belofte.
Op dezelfde plaats, waar de grijsaard met hem gesproken had, verrees een fontein van grote schoonheid. In het koele marmer beitelde hij bloemen, en in elk bloemenhart een menselijk oog.
Toen hij de laatste bloem had afgemaakt en de beitel uit zijn hand legde, gebeurde er, wat hij had voorspeld: uit de ogen, die hij in het midden van de bloemen had gebeiteld, vielen duizenden en nog eens duizenden tranen, die tot ontelbare bronnen samenbruisten en waaruit een zacht huilen weerklonk.
Zegt de man: -we hebben nu 16 kinderen,het is genoeg, ik ga op zolder slapen-. Zegt zijn hoogblonde vrouw- Herman, als het helpt kom ik bij je liggen !
In Afrika, een land heel ver hier vandaan, woont Lonnie de leeuw. Lonnie ziet er heel gevaarlijk uit, met grote scherpe tanden en hele mooie manen. Maar hij voelt zich niet gevaarlijk. Elke keer als zijn broertjes en zusjes hem mee vragen om de kleine hertjes op te jagen, moet hij weer een ander smoesje bedenken. Hij wil helemaal niet op hertjes jagen! Hij wil juist met ze spelen, en stiekem, heel stiekem, doet hij dat soms ook. Eerst renden bijna alle hertjes voor hem weg, behalve één hertje, het oudste hertje. Die bleef dapper, maar toch een beetje trillend op zijn benen staan. ‘blijf van mijn vriendjes af!’ zei het met een bibber stemmetje. ‘maar ik wil alleen maar spelen!’ zei hij toen. ‘ik wil niet op jullie jagen!’ en gek genoeg geloofde het hertje hem ook nog. ‘Oké dan, ik heet Jesse’ zei het hertje toen. ‘en ik ben Lonnie’ antwoordde hij.
Maar nu moet Lonnie wel mee hertjesjagen, omdat zijn vader meegaat! ‘Lonnie, mijn zoon’ riep hij op een keer met zijn zware bromstem. ‘Lonnie, ik wil jou nou wel eens een keer zien jagen. Ik weet al van mijn andere zonen, dat zij het al kunnen, maar van jou heb ik het nog nooit gezien.’ ‘M-maar vader! Ik, ehm, ik ben al heel vaak op hertjesjacht geweest hoor! Ik - Ik...’ ‘Niks geen gemaar en ge-ik, mijn zoon. Het maakt me niet uit hoe vaak je al op hertjesjacht bent geweest, ik heb het nog nooit gezien. Dus morgen ga ik met je mee.’ ‘Oké vader, is goed vader’ antwoordde Lonnie toen maar.
Zo snel als hij kon rennen, ging hij naar Jesse en zijn vriendjes toe. ‘Jesse, Jesse! Je moet je morgen verstoppen! Jij en je vriendjes, iedereen!’ hijgde Lonnie buiten adem. ‘maar waarom? Ik dacht dat we tikkertje gingen spelen morgen?’ vroeg Jesse toen. ‘Ik moet van mijn vader op jullie jagen, terwijl hij mee gaat! Ik kan er niet onderuit komen, dat kan gewoon niet!’ Lonnie was helemaal in paniek. ‘vertel je vader dan dat je altijd met ons speelt!’ zei een dom, klein, jong hertje. ‘ik kan het toch niet aan mijn vader vertellen? Wat zal hij wel niet denken! Ik moet groot en stoer zijn! Ik moet op hertjes jagen, niet met ze spelen!’ ‘Lonnie! Waar zit je jongen?’ hoorde hij zijn moeder roepen. ‘ik kom al mama!’ schreeuwde Lonnie terug. ‘sorry, jongens. Ik moet gaan. Verstop jullie morgen echt goed hoor! Zwem naar de andere kant van de rivier, dan kan vader jullie niet ruiken. ‘Is goed, Lonnie.’ Zeiden alle hertjes in koor.
De volgende morgen was het zover. Lonnie moest op jacht. Hij werd er ziek van, zo erg vond hij het om op zijn vriendjes te jagen. Maar hij had geen keus. ‘kom op, mijn zoon! Laat de jacht beginnen!’ brulde vader leeuw. ‘Maar papa, ik heb zo’n buikpijn! En met kleine teentje doet zo zeer.’ Zei lonnie. Maar dat verzon hij natuurlijk, omdat hij niet mee wilde. ‘Niet zeuren, mijn zoon. Je wordt er later een grote, sterke leeuw van, als je nu eventjes doorbijt.’ Lonnie wist het. Er was geen ontsnappen aan. Dus nadat mama leeuw hem een dikke kus en een stevige knuffel had gegeven, ging hij met vader leeuw mee. ‘doe je best jongen! Vang maar een lekker sappig hertje voor me! Dan eten we die vanavond op om te vieren dat je je eerste maal hebt gevangen!’ brulde mama leeuw hem nog snel na.
Na heel lang zoeken naar de hertjes, kwamen Lonnie en zijn vader bij de rivier aan. En wat zagen ze daar? Hertjes! ‘O nee’ dacht Lonnie. Wat doen ze hier nog? Ik moet ze daar weg krijgen, voordat vader ze in de gaten heeft. ‘Vader?’ ‘Ja mijn zoon. Wat is er?’ ‘Uhm… ik moet naar de wc toe, vader.’ ‘Vooruit dan maar. Ga daar maar in e bosjes zitten.’ Zei vader leeuw, terwijl hij naar de rivier wees. Snel ging Lonnie naar de bosjes toe, maar hij moest natuurlijk niet echt plassen, hij ging de hertjes gewoon waarschuwen. ‘Jongens, wat doen jullie hier nou!’ fluisterde hij naar de hertjes. ‘Lonnie? O nee! We moesten ons verstoppen, dat was ik helemaal vergeten!’ zei Jesse. Maar het was al te laat. Daar kwam vader leeuw aangelopen. ‘Lonnie! Wat zie ik nou? Heb je wat hertjes te pakken, wat mooi! Die grote daar, die zit er sappig uit! Laten op hem gaan jagen.’ ‘Is goed vader!’ zei Lonnie dapper. Hij knipoogde naar de hertjes, en de deden net alsof ze heel erg schrokken. Één voor één renden ze naar de rivier en sprongen ze er met een grote plons in. Maar 1 van de hertjes kon nog niet zwemmen! ‘O nee, wat moet ik nu doen?’ dacht Lonnie. ‘Ik kan dat hertje toch niet gewoon laten verdrinken?’ snel plonsde ook hij de rivier in en zwom naar het hertje toe. Hij pakte haar in zijn bek en zwom terug naar de oever. ‘Uche, uche.’ Hoestte het hertje zachtjes. ‘bedankt dat je me gered hebt!’ het was het kleine zusje van Jesse. ‘graag gedaan, Minka.’ Zei Lonnie.
Maar wat is dat? Zag Lonnie’s vader dat goed? Redde Lonnie dat hertje nou? ‘Wat is hier aan de hand? Lonnie, leg dat eens aan me uit!’ brulde hij boos. ‘V-vader… ik-ik.. ik…’ stotterde Lonnie verschrikt. ‘hij is onze vriend!’ schreeuwde Jesse ineens vanaf de overkant van de rivier. Snel zwom hij naar Minka en Lonnie toe, en ging voor hem staan, nog net zo dapper, maar met trillende beentjes, als toen hij Lonnie voor het eerst zag. ‘Nou, nou!’ bulderde vader leeuw van het lachen. ‘is dat zo kleintje? Je hebt wel lef, dat moet ik toegeven, maar dit is iets tussen mijn zoon en ik.’ ‘het spijt me v-vader. Maar het zijn echt mijn vriendjes! Ik ben niet z dapper en gevaarlijk als mijn broertjes. Als u mij nu niet meer wil, ga ik wel bij de hertjes wonen.’ Snotterde Lonnie verdrietig. ‘Maar zoon, ik vind je juist wel dapper! Het is dapper dat je jezelf durft te zijn, en daar gaat het om!’ opgelucht gingen Lonnie en vader leeuw, samen met alle hertjes, terug naar huis. En die avond kwam er ook echt een feestmaal met hertjes, maar dan alleen níet met hertjes als eten.
Komt een man thuis met een grote bos bloemen en geeft die aan zijn vrouw. "Oh", zegt ze, "dan moet ik zeker weer met mijn benen wijd." "Hoezo", zegt de man, "heb je geen vaas dan?"
Er was eens een oud konijn. Zijn naam was Hakkel. Dat woonde in de dierenwinkel. Het zat in een houten hok, want niemand wou hem kopen. De andere dieren lachtte hem weleens uit. Dat was wel zielig voor het konijn. Hij kon er toch niets aan doen, dat hij gekke oren had? Op een dag zagen een groepje jongens het konijn. Zij schaterden het uit, en kochten de hamster, naast hem 'Dat is dan 4 gulden,' zei de mevrouw bij de kassa. 'En als het geen probleem is, neem dat konijn dan ook mee!' De leider van het groepje stapte naar voren. 'A: hij is lelijk. B: Te zwak en C: 25 gulden voor zo'n lelijk beest? Mooi niet!' 'Jammer,' zei de mevrouw achter de kassa. 'Ach, nou ja. Veel plezier, dag!'Trouwens, ik was het bijna vergeten. Hij werd afgemaakt!' De hamster stak zijn tong uit naar Hakkel, het konijn. Maar Hakkel wou niet dood. Hij wou niet afgemaakt worden. Wat moest hij doen?
Die nacht kon Hakkel niet slapen. Opeens hoorde hij een ander knaagdier ergens keihard op bijten. Het was zijn kleine jong, Huppel. 'Psst, vader,' vroeg Huppel. 'Ben je daar.' 'Zekers zoon,' zei Hakkel. 'Kom je alsjeblieftf terug naar het bos', pa?' smeekte Huppel. 'Ssst,' zei Hakkel, 'er komt iemand aan.' Huppel kroop weg. De man die langs kwam schopte tegen het hok van Hakkel, en liep weg. 'Kom, pa!' zei Huppel. 'Nee, ik ben oud,' zei Hakkel. 'Ik heb mijn leven al gehad.' 'Je bent mijn pa!' zei Huppel. Opeens kwam er weer een man aan. Het was de directeur. 'Warempel, Dat konijn. Waar is ie.' Net toen de directeur Hakkel wou vastpakken, beet Huppel hem keihard! 'Snel,' zei Huppel. 'Rennen.' Huppel en Hakkel renden weg. Na een tijdje waren ze bekaf. 'Laten we even uitrusten,' zei Hakkel. Ze dronken wat. Maar opeens zagen ze de directeur achter ze aankwam. Ze begonnen weer te rennen. Maar de directeur struikelde over en wortel van een boom, en viel dood neer.' Toen Huppel en Hakkel terug waren bij hun oude hol, zagen ze een vrouwtjes konijn. Het was de moeder van Huppel. Haas. Hakkel en Haas kregen nog drie jongen. Wortel, Stronk, en Bunny. Bunny en Stronk waren twee meisjes, Wortel was een jongen. Wortel ging als eerste het hol uit. Opeens zag hij een mens. Hij was bang. Hij werd meegenomen. Tot zijn jongen: Kras en Part hem vonden. De nieuwe directeur wou niet nog een konijn verliezen, dus liet het bewaken. Maar die sliep Kras en Part knaagden het slot open. En Kras kon het niet laten. Hij maakte de brutels van de bewaker aan het slot van Wortels hok vast. En toen hij wakker werd van het lawaai dat Kras en Part maakte, bleef hij haken. Zo was het een koud kunstje om heelhuids terug te keren. Dat bewijst maar weer dat konijnen slimme dieren zijn.
Darius ademde moeizaam, en met elke ademhaling voelde hij een steek in zijn zij. Zout zweet gleed van zijn voorhoofd in zijn ogen, en wreef het eruit mijn zijn rechterhand. Dat was een fout die hem meteen duur kwam te staan. Alger, zijn leraar in vechtkunst, had Darius geroepen tot de spar ring, om Darius wat dingen bij te leren. Maar inhouden deed Algar nooit, en gebruikte altijd elke opening. Een trap in de zij van Darius herinnerde hem aan de belangrijkste les die Algar hem tot nu toe had geleerd, altijd op je verdediging letten. Zijn ademhaling was nu nog moeizamer geworden, en zijn armen en benen voelde als lood. Maar hij dwong zijn armen omhoog, één arm ten hoogte van zijn gezicht, en de ander voor zijn middenrif. Zijn vuisten gebald, zijn knieën een beetje gebogen en zijn benen uit elkaar, Darius stond stevig en gevechtsklaar. “Misschien moeten we maar stoppen, je bent al vermoeid en we zijn al een aardige tijd bezig” zei Algar met zijn eeuwige rustige stem, met een lichte arrogantie “trouwens, het is belangrijk om te rusten en te reflecteren.” Algar haalde een hand door zijn haar, en Darius maakte dankbaar gebruik van de opening. Hij schoot naar voren, en sloeg met een hoek naar Algar zijn hoofd. Algar blokkeerde de hoek door zijn linker arm omhoog te doen, en in de binnekant van Darius zijn elleboog te planten. Met zijn rechtervuist stootte Algar Darius op zijn borst. Darius was teleurgesteld dat hij weer niet meester Algar kon raken, hij werd nooit beter wat hij ook deedhoe hard hij ook trainde. Darius hoorde Algar nog roepen om een brancard voor hij zijn bewustzijn verloor. Darius werd wakker door de discussie tussen Algar en Ann. Ann is de verpleegster van de dojo waar Darius vechtkunst studeert, een dojo opgericht door meester Amalrik. Ann, een gezette vrouw in de 50 met lang zilver haar, begreep nooit waarom sommige studenten hun best leken te doen om in de ziekenboeg te komen. Ze noemde Darius een vaste inwoner van de ziekenboeg omdat hij er zo vaak lag. “Hoe komt het dat elke keer dat jij weer les geeft, Darius wordt binnengebracht in mijn ziekenboeg als een dood vogeltje.”Schreeuwde Ann tegen Algar, die geen weerwoord had. “Ik lap hem op voor zijn gezondheid, zodat hij kan genieten van zijn jeugd. Niet zodat hij over een paar dagen weer bij me terug komt. Waarom let jij niet op of hij vermoeid is, en waarom in hemelsnaam hou je niet gewoon in” Ann zette haar handen op haar heup, en keek Algar streng aan. Algar, die met zijn verschijning, bruine haviksogen, zwart haar en een sterke kaaklijn, altijd indruk maakte en de grootste meesters in de vechtkunst uitdaagde zonder een moment angst Maar nu keek nu zo nerveus als een jochie die met vuile schoenen de schone keuken van zijn moeder was binnengelopen. Algar hoeste in zijn hand, zodat hij een moment langer had om na te denken wat hou zou zeggen. ” Zo is de jeugd nou eenmaal, hij traint hard en dat ga ik niet belonen door hem niks te laten doen, dus geef ik hem wat extra spartijd. En misschien ben ik wel wat te hard geweest tijdens het sparren.” Algar klonk nerveus toen hij zag dat hij Ann hem kwaad bleef aankijken ”Maar als twee strijders vechten in de ring, is het een schande om je terug te houden, die jongen verdient dat ik volluit ga.””ERUIT!!”schreeuwde Ann “Jij vechtlustige gek! Verlaat de ziekenboeg! Eruit! Eruit! Eruit!” Nadat Ann Algar uit haar ziekenboeg had gejaagd, richten ze haar aandacht op Darius. De jongen vechtkunst beoefenaar voelde dat hij nu de gene was die een preek zou krijgen.
Na een preek die eeuwig leek te duren, en bij Darius goed de les inprente hoe gevaarlijk het was voor hem om te ver te gaan tijdens trainen, mocht Darius terug naar zijn kamer om daar verder uit te rusten. Net toen Darius opstond uit zijn ziekenbed om zijn trainingspak weer aan te trekken, zag Ann zijn rug en ontplofte. Darius had gisteren wat technieken geoefend bij de beek, in de buurt van wat rotsen, en was gevallen. De val was pijnlijk geweest en had een paar lelijke wonden achter gelaten op zijn rug. Darius durfde niet naar Ann te gaan omdat hij bang was voor haar reactie. Darius verwachte weer een preek, maar in plaats daarvan zei Ann dat ze wel wat beters had te doen, en riep Sophia om Darius zijn wonden te verbinden, en ging naar buiten. Sophia, de kleindochter van meester Amalrik, was de leerling van Zuster Ann en ongeveer even oud als Darius. Vroeger, voordat Darius een student werd van de dojo, speelde ze vaak samen. Darius had haar weinig gezien sinds hij begon te trainen bij de dojo, omdat veel van zijn tijd opging aan trainen, en ze tot nu toe alleen de allerjongste van de dojo had behandeld. Hij was verbaasd over hoe mooi ze was geworden. Haar fijne gezicht, bruine haar en bruine ogen verlichte meteen van zijn pijn, voordat het bij hem doordrong dat hij nog in zijn onderbroek stond. Darius ging snel zitten op een kruk, zodat Sophia zijn wonden kon verzorgen.Hij was te verlegen om iets te zeggen. Tijd ging voorbij zonder dat beide iets zeiden. Zeg dan wat sukkel dacht Darius bij zichzelf. Toen Sophia klaar was met zijn wonden verbrak ze de stilte “Ik heb je een paar keer zien trainen” zei ze in een lieve stem die Darius verlegenheid z’n verlegenheid niet hielp. Ze bespioneert me, waarom? Dacht Darius. “Je bent al erg sterk, en zelfs mijn grootvader en Algar zijn onder de indruk van je, dus waarom doe je zelf dit aan, waarom train je toch zo hard, waarom train jezelf kapot?” Toen Darius zich omdraaide zag hij dat Sophia huilde. “Waarom ben je me nooit komen opzoeken?” Zei Sophia door haar tranen door ”Waarom is vechten zo belangrijk voor je?” Darius wist niet wat hij moest doen toen Sophia verder huilde, maar uiteindelijk besloot hij haar te vertellen waarom hij bij de dojo is gegaan. “Weet je nog, jaren geleden, toen we naar het strand gingen als kinderen” zei Darius. Sophia knikte, onzeker waar het verhaal geen zou gaan. “Toen werd je gepest door een paar jongens, en ik probeerde je te beschermen Weet je dat nog?”vroeg Darius. “Ja”zei Sophia “Je kreeg toen zand in je onderbroek.” “jaaaa” antwoorde Darius die liever die kleine detail liever vergat. “Ik heb toen gezworen dat ik sterk genoeg zou worden om je tegen alles te beschermen, en zorgen dat je nooit meer zou huilen. Maar zelfs daarin heb ik gefaald” Darius stond op en trok zijn trainingspak aan. Sophia was verbaasd over de reden van Darius, en ze voelde zich vreemd genoeg erg blij erdoor. “Maar op een dag”zei Darius opeens toen hij zijn pak aanhad “zal ik de man zijn die ervoor zorg dat je nooit meer zou huilen, en je altijd laat lachen.” Sophia antwoorde hem met een glimlach nadat ze haar tranen had weggeveegd “Kom me binnenkort eens opzoeken okee?, Misschien kunnen we dan weer naar het strand?”vroeg Sophia “natuurlijk” Antwoorde Darius met een glimlach. “En bedankt dat je hebt gezegd dat je grootvader en Algar onder de indruk zijn” Sophia keek de jonge krijger na toen hij wegliep, en zag hoe breed zijn schouder waren geworden.
Twee dagen later stond Darius weer tegenover Algar in de sparring. Het was een zware trainingssessie geweest, en Darius had zichzelf voorgenomen dat als het hem vandaag zou lukken Algar te raken , hij Sophia zou vragen om uit te gaan. Zweet droop weer van Darius zijn voorhoofd naar zijn ogen, en hij begon het zweet uit zijn ogen te wrijven. Meteen maakte Algar gebruik van de opening en stootte met een hoek naar Darius zijn hoofd. Ann, die meekeek vanaf de zijlijn wou net schreeuwen naar Algar of die soms te stom was om rustig aan te doen, tot ze zag dat Darius bukte. Hij bukte onder de hoek van Algar door en stootte hem recht in zijn middenrif. Algar zette een stap achteruit, en glimlachte. “Goed gedaan Darius. Heel goed gedaan”zei hij voordat hij zijn aandacht richten aan de rest van de klas. “Dat is dus wat ik bedoelde met altijd op je verdediging letten, en nu douchen, de training is voorbij. “schreeuwde Algar. Darius glunderde door zijn prestatie en keek om zich heen. De wereld leek opeens een stuk groter, met heel veel mogelijkheden. Darius zag Sophia die hem een speciale glimlach schonk, die Darius het gevoel dat zijn dag niet meer stuk kan
er waren drie mannen op de strand.de ene zegt:we gaan met ze drieen onze broeken uittrekken en dan rennen in ons naakie.de eerste man doet zen broek uit en rent in zijn naakie maar de hadden hem geflesht dus zij pakte de broek en rende weg en hij had dus geen broek meer onm aan te doen.....
Er komt een oude man van 83 jaar bij de spermabank. Met trillende stemzegt hij: "Ik wil graag een donatie doen." "Wat zegt u?" vraagt de receptioniste. "Dat ik graag wil doneren." Het meisje durft de man niet te weigeren, neemt hem mee naar een kamertje, zet een leuk pornofilmpje op, geeft hem een jampotje en doet het gordijn dicht. Alle collega's komen nieuwsgierig bij het gordijn staan luisteren. Ze horen gekreun: "Hmmmpfh, hunmmmpffh". En nog eens gekreun: "Hmmmpfh,hunmmmpffh". En dan opeens: "Nou nou." Iedereen stuift meteen weer weg. Het gordijntje gaat open, en het oude mannetje komt naar buiten lopen.Zegt hij tegen de receptioniste: "Ik heb het met mijn linkerhand geprobeerd, ik heb het met mijn rechterhand geprobeerd maar ik krijg dat klerepotje niet open!"
Weet u waarom de meeste kleuters gehecht zijn aan hun speelgoedbeer en in dit dier een vriendje herkennen met wie zij hun geheimpjes kunnen delen?
Nee?
Ik wel, al gebied de eerlijkheid me te vertellen dat deze kennis bij toeval mijn pad kruiste.
Ga in gedachten mee naar een gebied, ongeveer zeventig keer groter dan Nederland, waar koning Winter negen maanden per jaar zijn kille scepter zwaait.
In die ruige wildernis bewegen beren zich vrij en banjeren van her naar der. Ooit heb ik iemand horen beweren dat hij er twee zag die een broodje stonden te smeren, zelf verwijs ik dat naar het rijk der fabelen om de eenvoudige reden dat ze erg schuw zijn, de beren, niet het brood.
Een ontmoeting met een beer is vrijwel uitgesloten daar ze in de regel mensen uit de weg gaan. Uitgezond als in het voorjaar de berin moeder is geworden en men te dicht in de buurt van het jong komt. Gebeurt dat, dan komt ze aangesneld.
Vanwaar dit gedrag?
Tot op heden was er niemand die deze vraag met goed fatsoen kon beantwoorden. Degenen die een dergelijke ontmoeting hebben ondergaan, zijn van schrik naar het hiernamaals vertrokken.
Dat is niet verwonderlijk. Stel je voor, een kolos, ongeveer drie meter hoog, tussen de 400 tot 600 kilogram wegend, die rennend op je af komt.
In dat gebied, onbewoond en rijk aan grondstoffen, was een belangrijke nikkel-ader ontdekt.
Lieden met dollartekens in hun ogen waren de mening toegedaan dit metaal bovengronds te halen.
Voor degenen onder u die geen technische opleiding hebben genoten, nikkel is een non ferro metaal dat vrijwel alleen wordt toegepast om te worden gemengd (gelegeerd) met andere metalen om de eigenschappen van het oorspronkelijke materiaal in positieve zin te beïnvloeden. Een simpel voorbeeld, ooit heeft u wel eens een steek- of ringsleutel gebruikt waarop stond, chroom-nikkel-vanadium.
De grootste nikkelverwerkingsgigant ter wereld, de INCO, had daar een smelterij en raffinaderij gebouwd, waar ik als dieselmonteur werkzaam was.
Met John, een autotochtone collega, waren we die bewuste dag met de servicetruck op weg naar een gestrande bulldozer waarvan de motor het had begeven.
Bij aankomst zagen we de enorme geelgekleurde machine tussen de bomen staan, maar konden vanwege de bodemgesteldheid niet met de truck dichterbij komen en genoodzaakt de ongeveer tweehonderd resterende meters per voet te overbruggen.
Halverwege hoorde ik John zeggen, ‘Dutch, rennen, een grizz.’
Kijkend over mijn linkerschouder zag ik een enorme grizzlybeer op ons afkomen.
Een verdere aansporing had ik niet nodig en moet op dat moment de honderd meter naar de bulldozer in recordtijd hebben afgelegd.
Achter me hoorde ik John hijgend en puffend volgen.
De, op ooghoogte, stalen rupsbanden van de grote machine vormden geen enkel beletsel en ik hopte er in sneltreinvaart bovenop.
Me omkerend stak ik John de helpende hand toe en ……zag hem languit liggen.
Een bovengrondse boomwortel was hem noodlottig geworden. Vanuit zijn liggende positie keek hij in angstige verbijstering naar me op.
‘John komop,’ kon ik met schorre stem uitbrengen.
Inmiddels was hij half en half opgekrabbeld, maar te laat, het dier stond dicht achter hem.
Het beeld dat ik nu beschrijf zal voor eeuwig op mijn netvlies gegrift blijven.
John, zich oprichtend, zijn gezicht vertrokken in grauwe doodangst, achter hem de enorme berin met haar uitstrekkende klauw John’s schouder grijpend, daarbij zacht gromde waarop John vervolgens in katzwijm viel.
Mogelijk was het zinsbegoocheling, maar ik meende in dat dierlijk geluid het engelse woord ”kijk” te horen omdat ze daarna een machtige poot naar achteren stak en uit haar rugplooien een levend wezentje tevoorschijn toverde, dat een klein, spartelend beertje bleek te zijn.
Omdat John niet aanspreekbaar was keerde de berin zich naar mij. Staande op de manshoge stalen rupsband keek ik in een paar intelligente, vriendelijke ogen. Tot mijn verbazing hoorde ik mezelf zeggen, ‘een mooie baby,’ alsof deze woorden me door een hogere intelligentie werden ingegeven.
Blijkbaar viel die opmerking in goede aarde want de trotse moeder beaamde dat door te knikken, tegelijkertijd haar tanden ontblotend in een vriendelijke grimas. Daarna keerde ze zich om en verdween waggelend uit beeld.
Kijkend naar haar kleiner wordende rug drong het op dat moment tot me door dat beren in wezen lieve dieren zijn die van kleine wezentjes houden.
Volgens mij krijgen mensenkinderen onbewust die wetenschap bij hun geboorte mee.
Mogelijk zijn er onder u enkelen die dit waargebeurde verhaal betitelen als “kul” met het argument “beren niet kunnen praten.”
Die mensen wil ik het volgende voorhouden: als u voor zoete koek slikt wat tijdens politieke verkiezingscampagnes door de betreffende kandidaten wordt uitgekraamd moet u op zijn minst de overtuiging huldigen dat beren kunnen praten.
Bent u desondanks niet overtuigd?
Vraag het aan de eerste de beste kleuter die u tegenkomt, want een volkswijsheid zegt, ‘kleine kinderen en dronkaards spreken de waarheid.’
Wilt u weten hoe het John is vergaan?
Het gebeuren heeft hem lichamelijk, maar vooral geestelijk een zware slag toegebracht.
Vertoevend in een gesloten inrichting was hij een week of drie niet aanspreekbaar. Inmiddels ligt hij daar niet meer op de intensive care maar verblijft in een eenpersoons appartement dat dag en nacht onder bewaking staat. Het laatste dat ik heb gehoord is dat hij steun heeft gevonden bij een nazaat van de beroemde Bruintje Beer. Jammer genoeg geen levend exemplaar maar uit een speelgoedzaak.
Heel lang geleden, toen de aarde nog niet zo lang bestond en de bomen altijd groen waren, ging een man op weg naar het noorden. De middagzon scheen op zijn rug en hij trok over bergen en rivieren, door bossen en woestijnen, tot hij in een prachtig sprookjesland kwam.
Het was ongelooflijk, daar kwam de zon maar een heel klein stukje boven de horizon en ging hij heel vroeg weer onder, maar onder zijn stralen werd de wereld in allerlei kleuren gezet. De bomen hadden de meeste kleuren. Ze waren niet altijd groen, zoals bij hem thuis in het zuiden, nee, ze schitterden in verschillende kleuren geel, rood en bruin. In de verte staken de bergen er boven uit, die blauw waren met toppen wit van de sneeuw.
Toen de man na enige tijd terugging naar het zuiden en aan de mensen uit zijn dorp vertelde wat hij gezien had, wilde niemand hem geloven.
"Dat is een sprookje," zeiden ze tegen hem en ze lachten hem uit. "De bomen zijn toch nooit geel, rood en bruin."
"En toch is het waar. Ik heb het met mijn eigen ogen gezien," zei de man. "Als jullie me niet geloven, ga dan zelf kijken." Maar de dorpsbewoners waren gemeen, en zeiden: "Als je wilt dat wij je geloven, ga dan zelf nog een keer en neem dan een tak van zo'n rode, gele en bruine boom mee."
"Dat zal ik doen," zei de man en hij ging opnieuw de lange weg naar het noorden.
Er was een hele tijd voorbijgegaan, en de man was nog altijd niet terug. De mensen waren hem al bijna vergeten. Maar op een dag werden ze aan hem herinnerd. In het dorp kwam een prachtige gekleurde vogel aanvliegen die in zijn snavel een tak met gele, rode en bruine kleuren had. De vogel wierp de tak in een boom en op hetzelfde ogenblik werd de boom helemaal geel, rood en bruin.
De gekleurde vogel was de man die naar het noorden was gegaan. Toen de mensen allemaal kwamen kijken, krijste hij, alsof hij hen uitlachte en hij vloog weg. Maar de tak met de herfstbladeren liet hij liggen. Vanaf die tijd verloren de bomen in de herfst gele, rode en bruine blaadjes.
Bij het opmaken van de bedden vindt het kamermeisje een condoom in bed. De vrouw komt op datzelfde moment de kamer binnen en ziet het verbaasde gezicht van het meisje. "Doen jullie dat hier in Oostenrijk nooit?''Jawel, maar niet zo lang totdat de huid eraf gaat."
Het verhaal speelt af in een klein dorp vlakbij England. Waar een oude gemene vrouw samen met zijn zoon Alex het dorpshoofd is. Ze hebben het leven van de dorpelingen te zuur gemaakt , door hun gemene wetten waaraan niemand zich wilt houden. Een van het ergste wet die ze hebben gesteld is dat er wordt gefeest als iemand dood gaat. Dit omdat percilla (het gemeen heks) vindt dat de mens na het dood rust vindt, en dat we dan niet moeten rouwen! de teweede wet waar alle dorpelingen een hekel aan hebben is dat ze een derde deel van hun jaarlijks oogst aan haar moeten geven. De mensen durven niet haar tegen te spreken ze weten dat ze kwade krachten bezit.
Behalve de jonge mooie boerenmeisje lavendel met haar groot mooie ogen, die de hart heeft verovert van Alex de gemene zoon van Percilla. Lavendel woont in een gezellig boerenhuisje samen met haar oud lief oma. Die haar bijna dagelijks overhaalt om met Alex te trouwen, kind mij lief klein mooie lavendeltje als je met hem gaat trouwen kan je de touwtjes in je eigen handen nemen, mij kind dan zal alles weer net als vroeger worden, ons gezellig dorpje. Dit soort gesprekken eindigden meestal door een verdrietige lavendel die weg rende naar het rivier aan eind van hun dorp. Waar haar geliefde Jhon altijd in de avond op haar zat te wachten. Ze huilde dan en vertelde hem voor de zoveelste keren dat haar oma hem heel graag mocht, maar dat ze wou dat ze met Alex ging trouwen voor een gelukkig leven van alle dorpelingen. Oma weet donders goed waarom Alex met mij wilt trouwen, alleen doordat ik veel grond heb geerfd van mij ouders. Jhon en zij keken samen dan naar de rustige rivier en droomden over hun toekomst samen. Jhon was een mooie zelfstandige jongen, die na het dood van zijn ouders alleen woonde in zijn klein hutje. Hij verdiende geld door dagelijks klusjes te doen voor iedereen,en iedereen te gaan helpen, meestal mocht hij dan gewoon bij iemand gaan eten, iedereen wist dat hij een goed hartig jongen was, vol leven.
De leven van Lavendel verandert op de dag dat haar om zegt dat ze met Jhon mag trouwen en dat ze dan zo snel mogenlijk heel ver moeten gaan om aan een nieuwe leven te beginnen. Lavendel is zo blij dat ze snel naar het rivier gaat om alles aan Jhon te vertellen. Intussen komt Percilla dit te weten, en gaat ze naar het huis van Lavendel en geeft oma de gif. Als Lavendel helemaal blij terrug komt, in haar hoofd planning van dat ze samen met oma en Jhon gaan vertrekken, heel ver weg, ziet ze dat haar oma op het bed ligt, heel koud en paars aangelopen. Oma , wat is er gebeurt, liefff oma vertel me nou. Lavendel roept om hulp. Maar oma roept haar bijzig, en geeft haar een gouden ketting met een ronde ringetje. Hier mij mooie Lavendel , vul dit ketting en de tovenarij zal verbreken. Oma wie heeft dit gedaan???? Percilla ! mij lief mooie Lavendel , dit zijn de laatste woorden van oma. Opeens is Alex samen met zijn moeder er. Mij mooie meisje, nu ben je voor mij , wie gaat er voor jou zorgen nu je oma dood is? Laat me met rust huilt Lavendel. Maak je klaar voor het feest , voor je oma's dood Lavendel, en morgen trouw je met mij Alex schreeuwt Percilla gemeen.
Die avond op het feest van haar oma's dood ziet Lavendel dat de kust veilig is nadat ze Alex een verdovingsgif heeft gegeven. Ze grijpt haar kans en rent weg naar de rivier waar haar geliefde Jhon op haar rustig zit te wachten. Ze vertelt alles aan hem, over haar oma over de gouden ketting die de tovenarij verbreekt als je het ring die daar in hang vult. Op het moment dat ze samen weg willen, komt Percilla met zijn zoon eraan, en wilt Lavendel mee nemen. Lavendel en Jhon smeken ze om hun met rust te laten. Als Lavendel helemaal is vastbesloten dat ze nooit met Alex gaat trouwen, en enigste met wie ze gaat is haar lief Jhon, wordt ze in een groot gouden mooie vogel omgetoverd met die groot mooie ogen die van Lavendel, en Jhon wordt meegenomen naar Percillas's gevangenis. En nu mij lief vogeltje schreeuwt Percilla gemeen, je zult tot volgende jaar percies op deze dag een mooie gouden vogeltje blijven, en die lief Jhon van jou wordt op hetzelfde opgehangen voordat de zon zal opkomen, en dan zal de tovenarij worden verbreekt nadat jou geliefde dood is, en jij zult dan de bruid van mij zoon Alex zijn.!!!!! Nee schreeuwt Lavendel als haar geliefde wordt meegenomen. Nee huilt maar ze kan verder niets doen ze is maar een gouden vogeltje.
Zo gaan de maanden voorbij. Lavendel het vogeltje vliegt elk avond naar haar geliefde toe met lekkernijen die ze pakt uit de huisjes , en ze huilen dan tot diep in de avonden. Inmiddels heeft Percilla overal het bericht verspreid dat Jhon Lavendel heeft vermoord, door haar bezettingen. Niemand durft haar tegen te spreken, maar iedereen weet dat het niet zo kan zijn, de lieve klusjes jongen van het dorp kan niet zo een gemeen streek uithalen. De dorpelingen hebben ook het mooie gouden vogeltje ontdekt, die elk ochtend heel mooie zingt boven de toren van de gevangenis. Die ogen van het vogeltje hebben iets die van Lavendel zeggen alle dorpsvrouwen, heel stiekem fluisteren ze dat , zodat Percilla hun niet betrapt.
En zo breekt de laatste dag aan. Jhon en zijn lief vogeltje weten nog niet wat oma precies bedoelde met het vullen van ketting ringetje. mij liefste Lavendel je moet altijd goed op jezelf gaan letten, en je weet dat ik na mij dood altijd bij je zal zijn. Ze huilen die dag zoveel dat te tranen zelfs opdrogen. Opeens valt er een traan langs de rand van het ring en het ringetje begint te glimmen. Ze kijken vol bewondering aan, maar dit gebeurt niet meer voor de tweede keer tot hun groot teleurstelling. De avond gaat zo voorbij , ze huilen en spreken elkaar lief woordjes toe. Ze beloven elkaar eeuwig trouw.
De ergste dag breekt aan. Jhon wordt meegenomen met de bewakers naar buiten, waar alle dorpelingen heel droevig bij staan. Lavendel zit op de hoogste toren , en zingt het liedje die haar geliefde Jhon altijd van haar wou horen. Die ze samen hadden gezongen laat in de avonden, en die na het betovering alleen werdt geluisterd door Jhon, hij had de moed niet meer om mee te zingen. Op het laatst moment voordat Jhon wordt opgehangen, vraagt Percilla of er iemand is die iets nog moet zeggen. Lavendel durft het niet , maar ze vliegt met haar laatste gevoel heel snel naar Jhon toe. Iedereen kijkt verbaasd naar het mooie gouden vogeltje die komt aanvliegen. Lavendel pakt met haar vleugels de ketting uit haar hals en doet die in de nek van haar geliefde Jhon, ze pakt het gouden ringetje, voordat Percilla die weet wat Lavendel van plan is iets kan doen, huilt Lavendel de mooie vogeltje de tranen in de ring. Opeens regent het heel hard, en dan schijnt de zon. De dorpelingen kunnen niet geloven wat ze zien, het vuur onder Jhon is geblust, en hij heeft Lavendel in zijn armen.
De dorpelingen rennen achter Percilla en Alex die proberen weg te glippen. Ze worden gepakt en achter de tralies gegooid in een onbewoond eiland.
Dit is de gelukkigste dag van alle dorpelingen , ze benoemen Lavendel en Jhon tot hun dorpshoofd. En die dag gaan Jhon en Lavendel trouwen, en het eerst wat ze doen is wat in geen jaren iemand had gedurfd. Ze verbranden het wettenboek van de oude heks Percilla.
En nu was alles net als vroeger het ouden gezellig boerendorpje , en er heerste geen enige angst. En op de plaats waar Jhon bijna werdt opgehangen hadden de dorpsgenoten samen een standbeeld gemaakt van het mooie gouden vogeltje. En het aller opvallendst van het vogeltje was de mooie grote ogen die van Lavendel.
Een zakenman komt op de laatste dag van zijn zakenreis in frankrijk erachter dat hij nog niks voor zijn vrouw heeft gekocht. Hij denkt in mijn hotelkamer hangt een bordje met een mooie franse spreuk erop dat jat ik gewoon. Eenmaal thuis geeft hij het aan zijn vrouw maar die spreekt geen woord frans. Dus de volgende dag laat ze het vertalen en toen stond er op: "Heren, wilt u uw lul niet aan de gordijnen afvegen."