Heel lang geleden, toen de aarde nog niet zo lang bestond en de bomen altijd groen waren, ging een man op weg naar het noorden. De middagzon scheen op zijn rug en hij trok over bergen en rivieren, door bossen en woestijnen, tot hij in een prachtig sprookjesland kwam.
Het was ongelooflijk, daar kwam de zon maar een heel klein stukje boven de horizon en ging hij heel vroeg weer onder, maar onder zijn stralen werd de wereld in allerlei kleuren gezet. De bomen hadden de meeste kleuren. Ze waren niet altijd groen, zoals bij hem thuis in het zuiden, nee, ze schitterden in verschillende kleuren geel, rood en bruin. In de verte staken de bergen er boven uit, die blauw waren met toppen wit van de sneeuw.
Toen de man na enige tijd terugging naar het zuiden en aan de mensen uit zijn dorp vertelde wat hij gezien had, wilde niemand hem geloven.
"Dat is een sprookje," zeiden ze tegen hem en ze lachten hem uit. "De bomen zijn toch nooit geel, rood en bruin."
"En toch is het waar. Ik heb het met mijn eigen ogen gezien," zei de man. "Als jullie me niet geloven, ga dan zelf kijken." Maar de dorpsbewoners waren gemeen, en zeiden: "Als je wilt dat wij je geloven, ga dan zelf nog een keer en neem dan een tak van zo'n rode, gele en bruine boom mee."
"Dat zal ik doen," zei de man en hij ging opnieuw de lange weg naar het noorden.
Er was een hele tijd voorbijgegaan, en de man was nog altijd niet terug. De mensen waren hem al bijna vergeten. Maar op een dag werden ze aan hem herinnerd. In het dorp kwam een prachtige gekleurde vogel aanvliegen die in zijn snavel een tak met gele, rode en bruine kleuren had. De vogel wierp de tak in een boom en op hetzelfde ogenblik werd de boom helemaal geel, rood en bruin.
De gekleurde vogel was de man die naar het noorden was gegaan. Toen de mensen allemaal kwamen kijken, krijste hij, alsof hij hen uitlachte en hij vloog weg. Maar de tak met de herfstbladeren liet hij liggen. Vanaf die tijd verloren de bomen in de herfst gele, rode en bruine blaadjes.
Bij het opmaken van de bedden vindt het kamermeisje een condoom in bed. De vrouw komt op datzelfde moment de kamer binnen en ziet het verbaasde gezicht van het meisje. "Doen jullie dat hier in Oostenrijk nooit?''Jawel, maar niet zo lang totdat de huid eraf gaat."
Het verhaal speelt af in een klein dorp vlakbij England. Waar een oude gemene vrouw samen met zijn zoon Alex het dorpshoofd is. Ze hebben het leven van de dorpelingen te zuur gemaakt , door hun gemene wetten waaraan niemand zich wilt houden. Een van het ergste wet die ze hebben gesteld is dat er wordt gefeest als iemand dood gaat. Dit omdat percilla (het gemeen heks) vindt dat de mens na het dood rust vindt, en dat we dan niet moeten rouwen! de teweede wet waar alle dorpelingen een hekel aan hebben is dat ze een derde deel van hun jaarlijks oogst aan haar moeten geven. De mensen durven niet haar tegen te spreken ze weten dat ze kwade krachten bezit.
Behalve de jonge mooie boerenmeisje lavendel met haar groot mooie ogen, die de hart heeft verovert van Alex de gemene zoon van Percilla. Lavendel woont in een gezellig boerenhuisje samen met haar oud lief oma. Die haar bijna dagelijks overhaalt om met Alex te trouwen, kind mij lief klein mooie lavendeltje als je met hem gaat trouwen kan je de touwtjes in je eigen handen nemen, mij kind dan zal alles weer net als vroeger worden, ons gezellig dorpje. Dit soort gesprekken eindigden meestal door een verdrietige lavendel die weg rende naar het rivier aan eind van hun dorp. Waar haar geliefde Jhon altijd in de avond op haar zat te wachten. Ze huilde dan en vertelde hem voor de zoveelste keren dat haar oma hem heel graag mocht, maar dat ze wou dat ze met Alex ging trouwen voor een gelukkig leven van alle dorpelingen. Oma weet donders goed waarom Alex met mij wilt trouwen, alleen doordat ik veel grond heb geerfd van mij ouders. Jhon en zij keken samen dan naar de rustige rivier en droomden over hun toekomst samen. Jhon was een mooie zelfstandige jongen, die na het dood van zijn ouders alleen woonde in zijn klein hutje. Hij verdiende geld door dagelijks klusjes te doen voor iedereen,en iedereen te gaan helpen, meestal mocht hij dan gewoon bij iemand gaan eten, iedereen wist dat hij een goed hartig jongen was, vol leven.
De leven van Lavendel verandert op de dag dat haar om zegt dat ze met Jhon mag trouwen en dat ze dan zo snel mogenlijk heel ver moeten gaan om aan een nieuwe leven te beginnen. Lavendel is zo blij dat ze snel naar het rivier gaat om alles aan Jhon te vertellen. Intussen komt Percilla dit te weten, en gaat ze naar het huis van Lavendel en geeft oma de gif. Als Lavendel helemaal blij terrug komt, in haar hoofd planning van dat ze samen met oma en Jhon gaan vertrekken, heel ver weg, ziet ze dat haar oma op het bed ligt, heel koud en paars aangelopen. Oma , wat is er gebeurt, liefff oma vertel me nou. Lavendel roept om hulp. Maar oma roept haar bijzig, en geeft haar een gouden ketting met een ronde ringetje. Hier mij mooie Lavendel , vul dit ketting en de tovenarij zal verbreken. Oma wie heeft dit gedaan???? Percilla ! mij lief mooie Lavendel , dit zijn de laatste woorden van oma. Opeens is Alex samen met zijn moeder er. Mij mooie meisje, nu ben je voor mij , wie gaat er voor jou zorgen nu je oma dood is? Laat me met rust huilt Lavendel. Maak je klaar voor het feest , voor je oma's dood Lavendel, en morgen trouw je met mij Alex schreeuwt Percilla gemeen.
Die avond op het feest van haar oma's dood ziet Lavendel dat de kust veilig is nadat ze Alex een verdovingsgif heeft gegeven. Ze grijpt haar kans en rent weg naar de rivier waar haar geliefde Jhon op haar rustig zit te wachten. Ze vertelt alles aan hem, over haar oma over de gouden ketting die de tovenarij verbreekt als je het ring die daar in hang vult. Op het moment dat ze samen weg willen, komt Percilla met zijn zoon eraan, en wilt Lavendel mee nemen. Lavendel en Jhon smeken ze om hun met rust te laten. Als Lavendel helemaal is vastbesloten dat ze nooit met Alex gaat trouwen, en enigste met wie ze gaat is haar lief Jhon, wordt ze in een groot gouden mooie vogel omgetoverd met die groot mooie ogen die van Lavendel, en Jhon wordt meegenomen naar Percillas's gevangenis. En nu mij lief vogeltje schreeuwt Percilla gemeen, je zult tot volgende jaar percies op deze dag een mooie gouden vogeltje blijven, en die lief Jhon van jou wordt op hetzelfde opgehangen voordat de zon zal opkomen, en dan zal de tovenarij worden verbreekt nadat jou geliefde dood is, en jij zult dan de bruid van mij zoon Alex zijn.!!!!! Nee schreeuwt Lavendel als haar geliefde wordt meegenomen. Nee huilt maar ze kan verder niets doen ze is maar een gouden vogeltje.
Zo gaan de maanden voorbij. Lavendel het vogeltje vliegt elk avond naar haar geliefde toe met lekkernijen die ze pakt uit de huisjes , en ze huilen dan tot diep in de avonden. Inmiddels heeft Percilla overal het bericht verspreid dat Jhon Lavendel heeft vermoord, door haar bezettingen. Niemand durft haar tegen te spreken, maar iedereen weet dat het niet zo kan zijn, de lieve klusjes jongen van het dorp kan niet zo een gemeen streek uithalen. De dorpelingen hebben ook het mooie gouden vogeltje ontdekt, die elk ochtend heel mooie zingt boven de toren van de gevangenis. Die ogen van het vogeltje hebben iets die van Lavendel zeggen alle dorpsvrouwen, heel stiekem fluisteren ze dat , zodat Percilla hun niet betrapt.
En zo breekt de laatste dag aan. Jhon en zijn lief vogeltje weten nog niet wat oma precies bedoelde met het vullen van ketting ringetje. mij liefste Lavendel je moet altijd goed op jezelf gaan letten, en je weet dat ik na mij dood altijd bij je zal zijn. Ze huilen die dag zoveel dat te tranen zelfs opdrogen. Opeens valt er een traan langs de rand van het ring en het ringetje begint te glimmen. Ze kijken vol bewondering aan, maar dit gebeurt niet meer voor de tweede keer tot hun groot teleurstelling. De avond gaat zo voorbij , ze huilen en spreken elkaar lief woordjes toe. Ze beloven elkaar eeuwig trouw.
De ergste dag breekt aan. Jhon wordt meegenomen met de bewakers naar buiten, waar alle dorpelingen heel droevig bij staan. Lavendel zit op de hoogste toren , en zingt het liedje die haar geliefde Jhon altijd van haar wou horen. Die ze samen hadden gezongen laat in de avonden, en die na het betovering alleen werdt geluisterd door Jhon, hij had de moed niet meer om mee te zingen. Op het laatst moment voordat Jhon wordt opgehangen, vraagt Percilla of er iemand is die iets nog moet zeggen. Lavendel durft het niet , maar ze vliegt met haar laatste gevoel heel snel naar Jhon toe. Iedereen kijkt verbaasd naar het mooie gouden vogeltje die komt aanvliegen. Lavendel pakt met haar vleugels de ketting uit haar hals en doet die in de nek van haar geliefde Jhon, ze pakt het gouden ringetje, voordat Percilla die weet wat Lavendel van plan is iets kan doen, huilt Lavendel de mooie vogeltje de tranen in de ring. Opeens regent het heel hard, en dan schijnt de zon. De dorpelingen kunnen niet geloven wat ze zien, het vuur onder Jhon is geblust, en hij heeft Lavendel in zijn armen.
De dorpelingen rennen achter Percilla en Alex die proberen weg te glippen. Ze worden gepakt en achter de tralies gegooid in een onbewoond eiland.
Dit is de gelukkigste dag van alle dorpelingen , ze benoemen Lavendel en Jhon tot hun dorpshoofd. En die dag gaan Jhon en Lavendel trouwen, en het eerst wat ze doen is wat in geen jaren iemand had gedurfd. Ze verbranden het wettenboek van de oude heks Percilla.
En nu was alles net als vroeger het ouden gezellig boerendorpje , en er heerste geen enige angst. En op de plaats waar Jhon bijna werdt opgehangen hadden de dorpsgenoten samen een standbeeld gemaakt van het mooie gouden vogeltje. En het aller opvallendst van het vogeltje was de mooie grote ogen die van Lavendel.
Een zakenman komt op de laatste dag van zijn zakenreis in frankrijk erachter dat hij nog niks voor zijn vrouw heeft gekocht. Hij denkt in mijn hotelkamer hangt een bordje met een mooie franse spreuk erop dat jat ik gewoon. Eenmaal thuis geeft hij het aan zijn vrouw maar die spreekt geen woord frans. Dus de volgende dag laat ze het vertalen en toen stond er op: "Heren, wilt u uw lul niet aan de gordijnen afvegen."
Oude vrouw in de kerk Een oud vrouwtje zit op een alledaagse zondag in de kerk. Dan vraagt de priester: "Al degenen die deze week sex hebben gehad, moeten nu naar voren komen." Het oude vrouwtje, die slechthorend is, heeft het uiteraard niet gehoord en dus vraagt ze het de man naast haar? Deze heeft zelf een gehoorprobleem: "De priester zei, al degenen die een hostie willen moeten naar voren komen." Het vrouwtje strompelt naar voren en de priester roept: "Maar mevrouw, op uw leeftijd!? Schaamt u zoch niet??" "Het is niet dat ik geen tanden meer heb, dat ik er niet op kan zuigen é!"
In een Turkmeens dorp leefde een vrouw die geen stuiver bezat. Ze had alleen een zoon. Hij heette Mirali, een mooie muzikale naam. De moeder van Mirali verdiende het brood met spinnen en wol kammen, wassen en naaien.
Mirali groeide intussen op tot een stevige jongen en de dag kwam dat zijn moeder tegen hem zei: "Ik heb geen kracht meer om te werken, Mirali. Nu is het jouw beurt om uit werken te gaan."
"Niets liever!" zei Mirali en hij ging op werk uit. Overal vroeg hij of men hem kon gebruiken. Overal was het antwoord: neen. Tenslotte ging hij naar een rijke Bey. Een Bey is een edelman, maar hoeft daarom nog geen edele man te zijn, zoals al gauw zal blijken uit het vervolg van dit verhaal.
De Bey nam Mirali in dienst. De eerste werkdag ging voorbij zonder dat er aan Mirali ook maar de geringste arbeid werd opgedragen. De tweede werkdag ging voorbij op dezelfde manier. En ook de derde werkdag ging voorbij zonder dat Mirali iets hoefde te doen voor de Bey.
"Waarom ben ik dan bij de Bey?" vroeg Mirali zich af. Hij vroeg het ook aan de Bey zelf. "Hang ik er hier maar bij?"
"Hoe kom je erbij?" zei de Bey. "Morgen gaan we ergens heen, jij en ik, wij allebei en wat je doen moet op de plaats waar we heengaan, breng ik je daar wel bij!"
De volgende dag gaf de Bey aan Mirali bevel een os te slachten en te villen. Dan liet hij hem vier ruime zakken en twee kamelen halen. Op de ene kameel laadde hij de ossenhuid en de vier zakken. Op de andere kameel nam de Bey zelf plaats. Ze reden een heel eind de woestijn in en hielden eindelijk halt aan de voet van een steile berg. De Bey gaf Mirali het bevel de zakken en de ossenhuid van de kameel te nemen en op de grond te leggen.
"Ga jij nu zelf op de ossenhuid liggen," beval de Bey vervolgens.
Mirali begreep niet wat daarvan de bedoeling kon zijn, maar hij deed wat de Bey hem bevolen had. De Bey kwam nu naderbij en wikkelde Mirali in de ossenhuid, die hij ook nog rondom vastsjorde met stevige touwen.
Hij liet Mirali zo ingewikkeld liggen en verstopte zichzelf achter een rotsblok. Het duurde niet lang of er kwamen twee enorme roofvogels aangevlogen. Met hun sterke snavels namen ze de verse ossenhuid van de grond en vlogen ermee naar de top van de berg. Daar scheurden ze met hun klauwen de ossenhuid open. Bij het zien van een mens binnenin schrokken ze geweldig en vlogen rauw krijsend weg; alleen de lege ossenhuid namen ze mee.
Mirali krabbelde overeind en keek om zich heen. De Bey was intussen van achter zijn rotsblok te voorschijn gekomen. Mirali zag hem onderaan de berg staan en hoorde hoe hij schreeuwde: "Sta daar niet doelloos rond te kijken, jongen! Gooi liever de edelstenen omlaag, die om je heen voor het oprapen liggen!"
Mirali keek eens goed en nu zag hij dat hij midden tussen de meest zeldzame edelstenen stond: diamanten, robijnen, saffieren, grote en schitterende stenen waarbinnen de zon vonken schoot.
Mirali deed wat de Bey van hem verlangde en begon handenvol edelstenen omlaag te gooien. Zodra ze de grond raakten, liep de Bey naar de edelstenen toe en griste ze van de grond.
Mirali ging ijverig door met gooien tot hem iets te binnen schoot. "Heer Bey!" riep hij omlaag. "Hoe kom ik straks weer op de begane grond?"
"Gooi eerst nog een paar handenvol edelstenen omlaag en ik zal het je zeggen!" riep de rapende Bey.
Mirali gehoorzaamde; de Bey vulde de zakken tot er niets meer bij kon en riep toen met een valse schaterlach omhoog: "Beste jongen, nu heb je toch ervaren dat je er niet zomaar bijhing toen je uit werken bij de Bey ging! Net zoals alle bedienden die je zijn voorgegaan, heb je nu je plicht gedaan. En daarna... kijk om je heen en ontdek wat voor gezelschap je hebt! Het zijn de botten van mijn bedienden die voor mij een fortuin verdienden!"
Zonder verder nog omhoog te kijken of te roepen reed de Bey weg. Mirali stond moederziel alleen op de berg. Hij zocht een plek waar hij de afdaling zou kunnen beginnen, maar vond niets dan diepe afgronden en gapende ravijnen.
Tussen de edelstenen verspreid lagen de botten van mensen.
Plotseling hoorde Mirali boven zijn hoofd een hevig geruis. Een geweldige adelaar wilde zich op hem storten en hem verscheuren met zijn klauwen. Mirali was echter sneller! Hij greep snel de klauwen van de adelaar met zijn handen. De adelaar krijste, vloog omhoog en opzij, schudde zich wild heen en weer, maar Mirali raakte hij niet kwijt. De jongen bleef zich stevig vasthouden. Door het gewicht van de jongen werd de adelaar langzaam naar de grond getrokken. Zo belandde Mirali veilig op de begane grond en ontsnapte hij aan het wrede lot dat alle andere bedienden van de Bey had getroffen.
Opnieuw ging hij naar de bazaar om zich te verhuren als bediende. Weer werd hij in dienst genomen door dezelfde Bey, want hij had van Mirali zo weinig nota genomen toen hij bij hem in dienst was, dat hij hem nu weer in dienst nam zonder hem te herkennen.
Kort daarop gaf de Bey zijn nieuwe dienaar het bevel een os te slachten en te villen; daarna moesten er twee kamelen en twee zakken worden gehaald. Weer reden ze - de Bey en Mirali - naar de voet van de berg met edelstenen en weer moest Mirali zich in de ossenhuid wikkelen en stond de Bey al klaar om hem vast te snoeren met touwen.
"Ik begrijp niet wat u bedoelt," zei Mirali. "Ik ben niet al te bij! Kunt u het me niet eerst voordoen?"
"Daar hoef je niet bij voor te zijn," zei de Bey. "Wat is eenvoudiger dan dit?"
Hij spreidde de ossenhuid voor zich op de grond en wikkelde zich erin. Dadelijk snoerde Mirali de touwen rond de ingewikkelde Bey en maakte zich snel uit de voeten.
Twee roofvogels doken omlaag en grepen de ossenhuid met hun klauwen. Ze vlogen ermee naar de bergtop. Daar begonnen ze het pak open te scheuren, maar toen ze ontdekten dat binnenin een mens verborgen zat, vlogen ze rauw krijsend weg.
De Bey krabbelde overeind en keek om zich heen.
"Hola, Bey! De tijd gaat voorbij! Sta niet te treuzelen en gooi een paar blinkende steentjes naar mij!" riep Mirali omhoog.
Pas nu herkende de Bey zijn stem en begreep hij wie hem door list naar de bergtop had laten dragen.
Trillend van woede en angst riep de Bey: "Hoe ben jij van de berg afgekomen?"
"Ik zal het u uitleggen als u eerst met gulle hand edelstenen strooit!" was het antwoord van Mirali.
De Bey wist niet hoe snel hij moest gehoorzamen. Mirali raapte alle edelstenen die rondom hem vielen, hij vulde de zakken en laadde de zakken op de kamelen. Voor hij wegreed riep hij omhoog: "Als u omlaag wilt, Bey, roep dan niet mijn hulp in, maar de hulp van uw andere dienaren. Ze liggen om u heen. U heeft mij niet meer nodig! U heeft daar dienaren genoeg bij u!"
En Mirali reed als een rijk man terug naar zijn moeder.
De Bey bleef achter op de bergtop om het lot van zijn dienaren te delen. Hij strompelde over de bergtop heen en weer en hij riep om hulp. Maar zijn dienaren hoorden hem niet.
Op het naaktstrand in Zandvoort krijgt een meisje een bij in haar gleuf. In paniek loopt ze rond: "Er is een bij in mijn gleuf gevlogen!" Omstanders brengen het meisje bij een dokter. Ze gaat op de behandeltafel liggen en de dokter kijkt bij haar naar binnen. "Ik zie die bij zitten," zegt de dokter, "maar hij zit te ver weg. Ik krijg hem er met de hand niet uit. Maar ik weet er wel wat op. Ik smeer wel wat honing op mijn pik. Die schuif ik dan voorzichtig naar binnen, en zodra die bij op mijn pik gaat zitten, haal ik m er wer uit." Dus de dokter smeert honing op zijn pik en schuift m voorzichtig bij het meisje naar binnen. Maar de dokter begint zijn pik steeds heftiger op en neer te bewegen. "Dokter," roept het meisje, "wat doet u nu?" "Geen nood," roept de dokter, "ik schiet die bij dadelijk dood."
Aan de rand van de Belgische stad Oostende, vlak achter de duinen, had eens de visser Andreas zijn huis. Hij leefde er tevreden, want de zee gaf hem genoeg voor zichzelf en zijn gezin, en hoewel hij niet veel om geld gaf, kon hij toch af en toe een zilverstuk verdienen.
Misschien zou hij in rust en vrede de oude dag hebben bereikt, maar het noodlot wilde het anders. Andreas zou een merkwaardige geschiedenis meemaken, die hem tot zijn laatste dag zou bijblijven.
Aan het begin van het vissersseizoen vaarde Andreas tevergeefs de zee op en tevergeefs zocht hij ook zijn geluk dichtbij de kust, maar zijn netten bleven leeg en niet een enkel visje raakte erin verstrikt. Het leek, alsof hij door het ongeluk werd achtervolgd.
En was het daar nog maar bij gebleven! Na enige maanden stierven plotseling zijn vrouw en zijn vier kinderen...
De arme man wist in zijn wanhoop niet, waar hij het zoeken moest. Doelloos liep hij rond, en sprak met niemand een woord. Het liefst zat hij nu alleen in de duinen en tuurde naar de golven.
Aan de vooravond van Andreasdag zat hij, bij het invallen van de schemering, weer op zijn lievelingsplekje aan de rand van de zee. Hij kon zijn blik niet van de branding afwenden, die met haar schuimkoppen keer op keer het land aanviel.
Daar zag hij in de verte kleine, blauwachtige vlammetjes. Ze dangten en sprongen in het rond, en de visser wreef zijn ogen uit. Maar het was geen gezichtsbedrog! De vlammen dansten nog steeds op de waterspiegel. Plotseling herinnerde hij zich de woorden van zijn buren, die dikwijls over blauwachtige vlammen hadden gesproken. Ze beweerden, dat er een schat in zee was, op de plek waar ze zich vertoonden.
Waartoe dient al het geluk van de wereld, en leven in overvloed, als mijn lieve vrouw en kinderen niet meer bij mij zijn, dacht de visser. Laat iemand anders zijn geluk maar beproeven...
Plotseling werd hij uit zijn overpeinzingen opgeschrikt door een zware stem, die hem zei: "Wees niet zo ondankbaar."
Geschrokken draaide Andreas zich om. Voor hem stond een bleke lange man, die buitenissig was gekleed en hoge laarzen droeg. Een zwarte hoed met brede rand bedekte zijn gezicht voor het grootste deel. Zijn ogen brandden als gloeiende kolen, en het leek Andreas, alsof ze hem door merg en been gingen.
"Vrees niet," zei de lange man. "Ik ben een geest, en omdat we beiden Andreas heten, heeft jouw lot mijn medelijden opgewekt. Ik ben dus gekomen, om je te helpen."
"Mij mankeert niets. Ik kan goed rondkomen en heb niets van je nodig," antwoordde de visser, terwijl hij snel een kruis sloeg.
De lange lachte: "Ik zeg je toch, dat je voor mij niet bang hoeft te zijn, ik ben immers geen boze geest. Kijk, hier is een toverring. Steek die om middernacht aan je vinger en loop dan rechtstreeks de zee in, tot de plaats, waar de blauwe vlammen branden. Wat er ook mag gebeuren en wat je onderweg ook tegenkomt, laat je niet afleiden, maar ga op zoek naar potten, die met de onderkant naar boven zijn geplaatst. De middelste pot til je op en je neemt, wat zich daaronder bevindt. Het is van jou! Maar denk erom, laat je niet op een dwaalspoor brengen en haast je naar de kust terug!"
Voor de visser zich goed realiseerde wat hij zojuist had gehoord, was de lange verschijning plotseling verdwenen, alsof de aarde hem verzwolgen had. Alleen de schitterende ring herinnerde nog aan zijn aanwezigheid. De visser vertrouwde de vreemde ring echter niet. En toen in Oostende het middernachtelijk uur sloeg, sliep hij als een roos en had de vreemde gebeurtenis allang uit zijn gedachten gezet.
Maar het duurde niet lang, of het ging steeds slechter met Andreas. Hij werd ziek en lag vele dagen en weken in bed. En toen hij eindelijk weer gezond was, brandde zijn huis af en er bleef hem niets over als een hoopje as.
Platzak en zonder middelen van bestaan maakte hij zich bittere verwijten, dat hij de toverring had weggeworpen en de raad van de geest niet had opgevolgd.
Toen er een vol jaar verstreken was, begaf hij zich bij het invallen van de duisternis naar de zee, in de hoop dat alles zich zou herhalen wat hier precies een jaar geleden was gebeurd.
En kijk! Weer zag hij op de zeespiegel de blauwachtige vlammetjes, weer kwam de lange geest om Andreas een ring te overhandigen en weer nodigde hij de visser uit, de omgekeerde potten te gaan zoeken.
Dit keer gehoorzaamde de visser. Hoewel de zee stormachtig was, stak hij de toverring aan zijn vinger en ging het water in, direkt nadat de klokken het middernachtelijk uur hadden geslagen.
Maar hij werd niet nat, omdat de zee zich voor hem opende, en zo kwam hij met droge voeten bij een groene weide, waar een prachtig huis stond.
Onderweg ontmoette hij verschillende jongens en meisjes, die hij nog kende uit zijn jeugd. Ze lachten hem vriendelijk toe. Plotseling werd hij zich ervan bewust, dat ze lang geleden verdronken waren, en niet meer tot de levenden behoorden.
Daarom zocht Andreas liever de drie potten, waarover de geest gesproken had. Maar op het moment, dat hij ze vlak bij de weide ontdekte, ging de deur van het prachtige huis open en op de drempel stond zijn vrouw met de kinderen.
Verheugd liepen ze hem tegemoet, maar de visser herinnerde zich net op tijd de waarschuwende woorden van de geest, en in plaats van zijn vrouw in zijn armen te sluiten, draaide hij zich snel om en liep naar de potten.
Toen hij de middelste pot had opgetild, zag hij een leren buidel. Hij aarzelde niet en liep, met de buidel over de schouder, vlug de kust tegemoet.
Het was werkelijk de hoogste tijd. De jongens en meisjes en zijn vrouw liepen hem handenwringend en huilend achterna. Hun boze stemmen werden door de stormachtige zee overspoeld, en de golven kropen al begerig om zijn voeten, om hem voor altijd gevangen te houden.
Andreas rende buiten adem de kust tegemoet, maar hij struikelde en het scheen, of het water hem toch nog zou grijpen. Maar het liep goed af. Nauwelijks had hij de duinen bereikt, of hij rustte lang uit op de plaats, waar hij altijd zo graag zat.
Hier opende hij de leren buidel en bekeek nieuwsgierig de inhoud. Maar op hetzelfde ogenblik sloot hij zijn ogen weer, toen hij de verblindende schittering zag van goud en edelstenen.
Sindsdien lachte het geluk de visser weer toe. Hij kocht in Oostende een groot huis, trouwde een aardige en mooie vrouw en leefde met haar gelukkigen tevreden, en alles, wat hij ondernam, gelukte hem.
Andreas vergat zijn weldoener, de lange geest, niet.
Elk jaar ging hij aan de vooravond van Andreasdag de duinen in en hoopte, zijn weldoener tenminste één keer te kunnen bedanken.
Maar noch de geest, noch de blauwe vlammen lieten zich ooit weer zien.
Een paartje ligt in het gras en kijkt belangstellend toe hoe een koe en een stier voor nakomelingenschap zorgen. 'Zeg,' fluistert de jongeman, 'mag ik ook een keertje?' 'Voor mijn part,' antwoord het meisje. 'De boer zal er niets op tegen hebben denk ik.'
In het oude land van Juda ging De Droogte rond, met holle ogen en verbitterd, tussen verschrompelde distels en verdord gras. 't Was in de zomer. De zon scheen op schaduwloze bergruggen, de minste windkoelte dreef dichte wolken kalkstof op uit het witgrauwe veld, de kudden stonden bijeen in de dalen bij de uitgedroogde beken.
De Droogte ging rond en inspecteerde de watervoorraad. Ze dwaalde naar Salomons vijvers en zag zuchtend, dat ze nog een massa water tussen hun rotsige oevers bewaarden. Daarop ging ze naar de beroemde bron van David bij Bethlehem en vond ook daar water. Toen liep ze met slepende tred langs de grote landweg, die van Bethlehem naar Jeruzalem leidt.
Toen ze ongeveer halfweg gekomen was, zag zij de Bron der Wijzen, die daar dicht aan de weg ligt en zij merkte spoedig, dat die bijna uitgedroogd was. De Droogte zette zich op de rand van de put, die uit één grote, uitgeholde steen bestaat, en keek naar beneden in de bron. De blanke waterspiegel, die anders heel dicht bij de opening lag, was nu diep omlaag gezonken en slik en modder van de bodem maakten hem onrein en troebel.
Toen de bron het bruin verbrande gezicht van De Droogte zag afgebeeld op haar doffe waterspiegel, begon zij te golven van angst.
"Ik zou wel eens willen weten, wanneer het met jou gedaan kan zijn," zei De Droogte. "Je zult wel geen waterader kunnen vinden daar in de diepte, die je nieuw leven kan komen brengen. En van regen kan er, Goddank, in de eerste twee, drie maanden nog geen sprake zijn."
"Je kunt gerust wezen," zuchtte de bron, "niemand kan me helpen. Daar zou minstens een bronaar uit het Paradijs voor nodig zijn."
"Dan zal ik je niet verlaten, voor alles voorbij is," zei De Droogte.
Ze zag dat de oude bron haar einde tegemoet ging en nu wilde ze het genoegen hebben haar druppel voor druppel te zien sterven. Ze zette zich behaaglijk op de rand van de put en verheugde zich als zij de bron in de diepte hoorde zuchten. Zij had er ook veel plezier in te zien hoe dorstige reizigers naar de put kwamen, de aker lieten neerdalen en die optrokken met een paar modderige droppels van de bodem.
Zo ging de hele dag voorbij en toen de schemering viel, keek De Droogte weer in de put. Er blonk nog wat water in de diepte. "Ik blijf hier vannacht," riep ze. "Haast je maar niet. Als het zo licht is, dat ik je weer zien kan, ben ik er zeker van, dat het met je gedaan is."
De Droogte ging op het dak over de put zitten, terwijl de hete nacht, die nog akeliger en pijnlijker was dan de dag, neerdaalde over het land van Juda. Honden en jakhalzen huilden zonder ophouden en dorstige koeien en ezels antwoordden hen vanuit hun warme stallen. Toen eindelijk de wind opstak, bracht hij geen koelte, maar was heet en verstikkend, als de hijgende adem van een groot slapend monster.
Maar de sterren lichtten met haar allerliefelijkste glans en een kleine, blinkende maansikkel spreidde haar mooi groenblauw licht over de grijze heuvels. En in dat licht zag De Droogte een karavaan aankomen en de heuvel optrekken, waar de Bron der Wijzen lag.
De Droogte zat op het lage dak te kijken en verheugde zich opnieuw in al de dorst, die naar de bron kwam en daar geen druppel water vinden zou om gelest te worden. Daar kwamen zoveel dieren en kameelleiders aan, dat zij de bron wel hadden kunnen leegdrinken, al was die ook helemaal vol geweest. Plotseling kreeg zij de indruk, dat er iets wonderlijks, iets spookachtigs was aan die karavaan, die daar kwam aanzetten in de nacht.
Alle kamelen kwamen eerst te voorschijn op een heuvel, die scherp tegen de horizon afstak; het was alsof zij uit de hemel kwamen. Zij schenen ook groter dan gewone kamelen en droegen al te gemakkelijk de reusachtige lasten waarmee zij beladen waren.
Maar toch kon ze niets anders denken dan dat het werkelijkheid was. Zij zag ze immers heel duidelijk. Ze kon zelfs ook zien, dat de eerste drie dieren dromedarissen waren met grauw glanzend vel en dat ze rijk opgetuigd waren, gezadeld met mooie matten met franje en bereden door schone voorname ruiters.
De hele optocht hield stil bij de bron. De dromedarissen legden zich neer op het veld met drie onwillige, schokkende bewegingen, en hun ruiters stegen af. De pakkamelen bleven staan en naarmate ze dichter bij elkaar kwamen, schenen ze een onafzienbaar bos te vormen van lange halzen en bulten en wonderlijk opeengestapelde pakken.
De drie ruiters kwamen snel op De Droogte toe en begroetten haar door de handen op de borst te leggen. Zij zag, dat zij glanzend witte gewaden droegen en reusachtige tulbanden, waarop bovenaan een helder glinsterende ster bevestigd was, die straalde alsof zij direct van de hemel genomen was.
"Wij komen uit een ver land," zei een van de vreemdelingen, "en wij verzoeken u ons te zeggen of dit werkelijk de Bron der Wijzen is."
"Zo wordt zij vandaag nog genoemd," zei De Droogte, "maar morgen is het geen bron meer. Zij zal vannacht sterven."
"Dat kan ik begrijpen, omdat ik u hier zie," zei de man; "maar is dit niet een van de heilige bronnen, die nooit uitdrogen? En van waar heeft zij haar naam?"
"Ik weet dat ze heilig is," zei De Droogte; "maar wat kan haar dat helpen? De drie wijzen zijn in het Paradijs."
De drie reizigers zagen elkaar aan. "Kent u werkelijk de geschiedenis van de oude bron?" vroegen ze.
"Ik ken de geschiedenis van alle putten en beken en stromen," zei De Droogte trots.
"Doe ons dan het genoegen en vertel ons die," vroegen de vreemdelingen.
En ze zetten zich neer om de oude vijandin van alles wat groeit en luisterden. De Droogte kuchte even en kroop op de rand van de put, als een sagenverteller op zijn hoge stoel en begon haar verhaal:
"In Gabes, in Medië, een stad die aan de grenzen van de woestijn ligt en waar ik mij daarom gaarne ophoud, leefden voor vele jaren drie mannen, die beroemd waren om hun wijsheid. Zij waren heel arm, wat een ongewoon verschijnsel was, want in Gabes werd kennis hoog in ere gehouden en goed betaald. Maar door deze mannen kon dit haast niet anders, want een van hen was buitengewoon oud, de tweede was melaats en de derde was een neger, pikzwart en met dikke lippen. De mensen vonden de eerste al te oud om hun wat te kunnen leren, de tweede ontweken ze uit vrees voor besmetting en naar de derde wilden zij niet luisteren, omdat ze meenden te weten, dat nooit enige wijsheid uit Ethiopië gekomen was.
De drie wijzen sloten zich intussen in hun ongeluk bij elkaar aan. Zij bedelden overdag bij dezelfde tempelpoort en sliepen 's nachts op hetzelfde dak. Op die wijze hadden zij tenminste gelegenheid zich de tijd te korten door het gezamenlijk onderzoeken van al het wonderbare, dat zij bij dingen en mensen opmerkten.
Op een nacht dat ze, zij aan zij, sliepen op een dak, dat dicht begroeid was met rode bedwelmende papavers, werd de oudste van hen wakker en nauwelijks had hij een blik om zich heen geworpen, of hij wekte de beide anderen.
'Gezegend zij onze armoede, die ons noodzaakt in de open lucht te slapen,' sprak hij tot hen. 'Ontwaakt en heft uw ogen op naar de hemel.'"
"Nu," zei De Droogte met een wat zachter stem, "dit was een nacht, die niemand, die hem gezien heeft, ooit kan vergeten. Het heelal was zo licht, dat de hemel, die meestal op een vast gewelf gelijkt, diep en doorschijnend en vol golven scheen als een zee. Het licht stroomde er heen en weer en men zag de sterren drijven op ongelijke diepten, sommige midden in de lichtgolven, andere op hun oppervlakte.
Maar zo ver mogelijk en zo hoog mogelijk zagen de drie mannen een zwakke duisternis en dat duistere vloog door de ruimte als een bal en kwam al dichter bij en naarmate de bal naderde, begon hij te lichten. Maar hij lichtte zoals rozen - God late ze alle verdorren wanneer ze pas uit de knop komen. Hij werd al groter en het donkere hulsel er om heen sprong langzamerhand en het licht barstte naar buiten in vier heldere bladeren aan de kanten. Eindelijk, toen hij zo ver naar beneden was gekomen als de dichtstbijzijnde ster, hield hij stil. Toen bogen de donkere stukken geheel opzij en er wikkelde zich het ene blad na het andere los van een prachtig stralend rozenkleurig licht, tot hij eindelijk geheel klaar was en straalde als de schoonste onder de sterren.
Toen de arme mannen dat zagen, zei hun wijsheid hun, dat op dit uur op aarde een machtige Koning geboren werd, een wiens macht die van Cyrus en Alexander te boven zou gaan. En ze zeiden tot elkaar: 'Laat ons naar de vader en de moeder van de Pasgeborene gaan en hun zeggen wat we zoeven gezien hebben. Misschien dat ze ons dan belonen met een zak munten of met een gouden armband.'
Ze namen hun lange wandelstaven op en begaven zich op weg. Ze gingen de stad door en de stadspoort uit. Maar daar waren ze een ogenblik in de war, want nu breidde zich voor hen uit de grote droge, lieflijke woestijn, die de mensen verafschuwen. Toen zagen ze, hoe de nieuwe ster een smalle streep licht over het woestijnzand wierp en zij gingen getroost voort met de ster als wegwijzer.
Zij gingen de hele nacht voort over de witte zandvlakte en onder de hele tocht spraken ze over de jonge pasgeboren Koning, die ze zouden vinden, slapend in een wieg en spelend met edelgesteenten. Zij verkortten de uren van de nacht door er over te spreken, hoe zij tot zijn vader, de koning, zouden gaan en tot zijn moeder, de koningin, en hun zeggen, dat de hemel hun zoon kracht en macht en schoonheid en geluk voorspelde, groter dan die van Salomo.
Ze verhieven er zich op, dat God hen geroepen had om de ster te zien. Zij zeiden, dat de ouders van de jonggeborene hen niet met minder dan twintig zakken goud konden belonen. Misschien zouden zij zelfs wel zoveel geven, dat zij de pijn van de armoede niet meer behoefden te dragen."
"Ik lag op de loer in de woestijn als een leeuw," zei De Droogte, "en wilde me op deze reizigers werpen met alle ellende van de dood, maar ze ontkwamen mij. De ster leidde hen de hele nacht en tegen de morgen, toen het licht werd en de andere sterren verbleekten, bleef deze hardnekkig staan en lichtte over de woestijn, tot ze hen geleid had naar een oase, waar zij een bron en vruchtdragende bomen vonden. Daar rustten zij de gehele dag en eerst tegen de nacht, toen ze het sterrenlicht over het woestijnzand zagen, gingen zij verder."
"Voor een mens," ging De Droogte voort, "was het een heerlijke wandeling. De ster leidde hen zo, dat ze honger noch dorst behoefden te lijden. Zij bracht hen voorbij de scherpe distels. Zij ontweken het diepe losse stuifzand, zij ontweken de scherpe zonneschijn en de hete woestijnstorm. De drie wijzen zeiden aanhoudend tegen elkaar: 'God beschermt ons en zegent onze gang; wij zijn Zijn gezanten.'"
"Maar zo langzamerhand kreeg ik toch macht over hen," ging De Droogte voort. "Het hart van die sterrenreizigers veranderde in een woestijn, even droog als die waar ze doortrokken. Zij werden vol onvruchtbare trots en verwoestende gierigheid. 'Wij zijn Godsgezanten,' herhaalden de drie Wijzen. 'De vader van de pasgeboren Koning beloont ons niet te hoog, als hij ons een karavaan schenkt, beladen met goud.' Eindelijk leidde een ster hen over de beroemde Jordaan en de heuvels van Jeruzalem op. En op een nacht bleef die staan boven de stad Bethlehem, die tussen de groene olijven op een heuvel lag te schitteren.
De drie Wijzen zagen rond naar een paleis en vestingtorens en muren en al zulke dingen, die bij een koningsstad horen; maar zij zagen niets. En wat erger was, het sterrenlicht leidde hen niet eens de stad in, maar bleef staan bij een grot aan de kant van de weg. Daar gleed het zachte licht naar binnen door een opening en toonde de drie wandelaars een kindje, dat op moeders schoot rustig lag te slapen.
Maar hoewel nu de drie Wijzen zagen, dat het sterrenlicht het hoofdje van het kind omstraalde als een kroon, bleven zij buiten de grot staan. Zij gingen niet naar binnen om de kleine eer en een koninkrijk te voorspellen. Zij wendden zich af zonder hun tegenwoordigheid te verraden, en zij vluchtten van het kind weg en liepen terug naar de heuvel.
'Zijn wij uitgegaan naar bedelaars, die even arm zijn als wij?' zeiden ze. 'Heeft God ons hierheen geleid, opdat wij met Hem zouden spotten, en eer en aanzien voorspellen aan de zoon van een schaapherder? Dat kind brengt het nooit verder dan dat hij zijn kudde hoeden zal hier in het dal.'"
De Droogte hield op en knikte bevestigend haar toehoorders toe. "Heb ik geen gelijk?" scheen zij te vragen. "Er is iets, dat droger is dan woestijnzand, maar niets is onvruchtbaarder dan het mensenhart."
"De drie Wijzen hadden niet lang gelopen, toen het hun voorkwam, dat zij verdwaald waren en de ster niet goed gevolgd hadden," ging De Droogte voort. "En zij zagen omhoog om de ster te vinden en de rechte weg. Maar toen was de ster, die zij heel uit het oosten gevolgd hadden, van de heuvel verdwenen." De drie vreemdelingen maakten een heftige beweging en op hun gezichten lag een uitdrukking van diepe smart.
"Wat nu gebeurde," ging de spreekster voort, "is van het standpunt van een mens uit gezien, misschien gelukkig. Dit is zeker, dat de drie mannen, toen zij de ster niet meer zagen, begrepen dat zij tegen God gezondigd hadden. En hun geschiedde," vertelde De Droogte bevend verder, "zoals het veld in de herfst, als de sterke regens beginnen. Zij beefden van schrik als voor donder en bliksem, hun ziel werd week en ootmoed ontsproot in hun hart als groen gras. Drie dagen en drie nachten dwaalden zij door het land om het kind te vinden, dat zij moesten aanbidden. Maar de ster vertoonde zich niet aan hen. Zij verdwaalden steeds verder en voelden de grootste smart en wanhoop. In de derde nacht kwamen zij aan deze bron om te drinken. En toen had God hun de zonde vergeven, zodat, toen ze zich over het water bogen, zij daar in de diepte het spiegelbeeld zagen van de ster, die hen uit het oosten hierheen geleid had.
En onmiddellijk zagen zij die ook aan de hemel en zij leidde hen opnieuw naar de grot in Bethlehem. En zij knielden voor het kind en zeiden: 'Wij brengen U gouden schalen met wierook en kostbare kruiden. U zult de grootste koning worden, die op aarde geleefd heeft, van haar schepping af tot haar ondergang toe.' Toen legde het kind zijn hand op hun gebogen hoofden, en toen zij opgestaan waren, had het hun geschenken gegeven groter dan een koning ze geven kon. Want de oude bedelaar was jong geworden, de melaatse was gezond. En men zegt, dat zij zo heerlijk waren om aan te zien, dat zij heentrokken en koning werden - ieder in zijn eigen land."
De Droogte hield op met vertellen en de drie vreemdelingen prezen haar: "U hebt goed verteld," zeiden zij. "Maar het verwondert mij," zei de ene, "dat de drie Wijzen niets voor de bron deden, die hun de ster toonde. Zouden ze zulk een weldaad geheel vergeten?"
"Moet zulk een bron niet altijd blijven bestaan?" zei de tweede vreemdeling, "om de mensen te herinneren, dat het geluk, dat verloren wordt op de bergen van de hoogmoed, teruggevonden kan worden in het dal van de nederigheid?"
"Zijn de overledenen dan erger dan de levenden?" zei de derde. "Sterft de dankbaarheid bij hen, die leven in het Paradijs?"
Maar toen zij dit zeiden, sprong De Droogte op met een kreet. Zij had de vreemdelingen herkend, ze begreep wie die reizigers waren. En zij vluchtte als een razende om niet behoeven te zien hoe de drie Wijzen hun dienaren riepen en hun kamelen naar de bron leidden, allen beladen met waterzakken, en de arme, stervende bron vulden met water, dat zij uit het Paradijs gehaald hadden.
Er stort een vliegtuig neer, in de Egyptische woestijn, met daarin een Nederlander, een Belg en een grote neger. Ze kunnen niets doen want alles is kapot maar water hebben ze genoeg om te kunnen overleven voor een paar weken.
Na een week beginnen ze toch wel heel erge honger te krijgen. De Nederlander pakt een groot mes, hakt zijn hand eraf, deelt het in drieën en geeft ieder een stuk. Iedereen laat het zich goed smaken en zit helemaal vol.
Weer een week later krijgen ze weer heel erge honger. De Belg pakt het mes, snijdt een stuk van z'n billen eraf en geeft ieder een stuk.
Iedereen eet weer vorstelijk en ze kunnen er weer een week mee vooruit. Weer een week heeft iedereen weer honger. De grote neger staat op en maakt zijn broek los. Hij trekt zijn boxer naar beneden en er komt een enorme piemel te voorschijn.
De Belg en de Nederlander beginnen al te watertanden waarop de grote neger zegt: "Nee nee jongens, vandaag eten we pap!"
Ik voelde me zo rot! Mijn vriendje had het juist uitgemaakt omdat zijn ouders het niet goed vonden (hij was namelijk 5jaar ouder als mij). En ik lag nu in mijn bed zakdoeken vol te snotteren en mij vol te proppen met alles dat eetbaar en zoet was. Deze periode duurde niet lang, ik stond al snel weer bij mijn beste vriendin voor de deur. Deze beste vriendin was namelijk wel de stiefzus van mijn ex vriendje. Op dit moment was ze wel bij haar mama (het was bij haar papa dat mijn ex vriendje woont). Dagen kropen voorbij en ik voelde me nog altijd rot omdat ik en m'n vriendje uit elkaar waren. Ik wist niet hoe hij zich erbij voelde, want ik had sinds de breuk niks meer van hem gehoord. Ik durfde hem ook niet meer bellen of opzoeken, want zijn mama en de papa van mijn beste vriendin (dus zijn stiefpapa) wouden dat ik een tijdje niet meer langs kwam.
Vandaag kwam mijn beste vriendin slapen (die stiefzus van mijn ex weet je nog). We lagen samen een film te kijken tot ze opeens zei: ik moet je iets vertellen. Ze vertelde mij dat ze in haar bed lag en dat haar stiefbroer (dus mijn ex vriendje) bij haar in bed kroop en haar overal begon te knuffelen. Zij had natuurlijk zo snel mogelijk gezegd dat hij beter weg kon gaan. Toen mijn beste vriendin me dit vertelde begon ik te rillen over heel mijn lichaam! Het was al erg genoeg voor mij dat hij al terug met andere meisjes lag te knuffulen maar dan nog wel met mijn beste vriendin, zijn stiefzus en dan is mijn beste vriendin ook nog is 5jaar jonger als hem!
Sindsdien ben ik zo kwaad op hem omdat mijn beste vriendin dacht aan zelfmoord door dit voorval. Toch ben ik nog steeds zeer droevig omdat we ooit uit elkaar zijn gegaan. Soms vraag ik mij af waarom ik nu altijd zo'n dingen meemaak en er mensen rondlopen dat veel minder problemen hebben als ik. Ik vraag mij af of het nu aan mij ligt of het gewoon het lot is.