Er was eens een lief klein meisje; iedereen die haar zag hield veel van haar, maar haar grootmoeder wel het allermeest, en die wist eenvoudig niet, wat ze het kind allemaal zou willen geven. Op een keer gaf ze haar een rood fluwelen mutsje, en omdat het haar zo goed stond en ze nooit meer iets anders droeg, werd ze voortaan enkel maar Roodkapje genoemd. Op een dag zei haar moeder:
"Kom, Roodkapje, hier heb je een stuk koek en een fles wijn, breng dat eens naar je grootmoeder. Ze is zwak en ziek en het zal haar goed doen. Ga er heen voor het te warm wordt, en als je het dorp uit bent, loop dan netjes en ga niet van het pad af, want anders val je nog en breekt de fles, en dan heeft grootmoeder niets. En als je bij haar binnen komt, niet vergeten dadelijk goedendag te zeggen en niet eerst overal rondsnuffelen."
"Ik zal goed oppassen," zei Roodkapje tegen haar moeder en ze gaf er haar de hand op. Grootmoeder woonde buiten in het bos, een half uur van het dorp vandaan. Toen Roodkapje in het bos was gekomen, kwam ze de wolf tegen. Maar Roodkapje wist niet dat het een gevaarlijk dier was en bang was ze al helemaal niet.
"Goedemorgen, Roodkapje," zei hij.
"Dag, Wolf."
"En waar ga je zo vroeg naar toe, Roodkapje?"
"Naar grootmoeder, Wolf."
"En wat heb je daar onder je schortje?"
"Koek en wijn. We hebben gisteren gebakken en grootmoeder is wat zwak en ziek en hiermee kan ze wat op krachten komen."
"Zeg Roodkapje, waar woont je grootmoeder dan?"
"Nog ruim een kwartier lopen verder het bos in, onder de drie grote eiken staat haar huisje, en beneden is een notenhaag, je kent het vast wel," zei Roodkapje.
De wolf dacht bij zichzelf: "Dat jonge malse ding is een heerlijk hapje, dat zal nog beter smaken dan die oude vrouw; als je slim te werk gaat, kan je ze allebei pakken."
Hij bleef nog een poosje naast Roodkapje meelopen, en zei:
"Kijk, Roodkapje, wat een mooie bloemen overal, waarom kijk je niet wat om je heen? En heb je wel in gaten hoe heerlijk de vogels zingen? Jij loopt maar recht toe recht aan alsof je snel naar school moet en dat terwijl het hier vandaag zo verrukkelijk is."
Roodkapje keek eens rond en toen ze zag hoe de zonnestralen door de bomen dansten en hoeveel mooie bloemen er overal stonden, dacht ze:
"Als ik voor grootmoeder een mooi boeketje meebreng zal ze dat heerlijk vinden; het is nog zo vroeg, dat ik toch wel op tijd kom."
En ze ging van het pad af tussen de bomen om bloemen te plukken. En telkens als ze er één geplukt had, dacht ze dat er verderop nog een mooiere stond en zo raakte ze steeds dieper het bos in. Maar de wolf ging recht toe recht aan naar het huis van grootmoeder en klopte aan de deur:
"Wie is daar?"
"Roodkapje, met een koek en met wijn, doe de deur maar open!"
"Druk maar op de klink," riep grootmoeder, "ik ben te zwak en kan niet opstaan."
De wolf drukte op de klink, de deur sprong open, en zonder één woord te zeggen sprong hij naar het bed en at de grootmoeder op. Toen trok hij haar kleren aan, zette haar nachtmuts op, ging in haar bed liggen en trok de gordijnen dicht.
Roodkapje had ondertussen een heleboel bloemen geplukt en toen ze er geen één meer kon dragen, dacht ze weer aan grootmoeder en ging ze op weg naar haar toe. Ze was verbaasd dat de deur openstond en toen ze de kamer binnenkwam, vond ze het er zo vreemd dat ze dacht: "Wat vind ik het hier griezelig vandaag, terwijl ik hier anders zo graag ben." Ze riep: "Goedemorgen," maar er kwam geen antwoord. Toen liep ze naar het bed en schoof de gordijnen opzij. Daar lag grootmoeder met haar muts over haar gezicht en ze zag er erg vreemd uit.
"O grootmoeder, wat heb je grote oren!"
"Dat is om je beter te kunnen horen."
"Maar grootmoeder, wat heb je grote ogen!"
"Dat is om je beter te kunnen zien."
"Maar grootmoeder, wat heb je grote handen!"
"Dat is om je beter te kunnen pakken."
"Maar grootmoeder, wat heb je een verschrikkelijk grote bek!"
"Dat is om je beter op te kunnen vreten."
En nauwelijks had de wolf dat gezegd of hij sprong uit bed en verslond het arme Roodkapje in één hap. Toen de wolf zo zijn honger gestild had ging hij weer heerlijk in het bed liggen, sliep in en begon heel hard te snurken. Toen kwam net de jager voorbij en die dacht: "Wat snurkt dat oude mens hard, ik zal eens kijken of haar wat mankeert." Hij kwam in de kamer en toen hij voor het bed stond zag hij dat de wolf erin lag. "Vind ik je hier, ouwe boosdoener," zei hij, "ik heb lang naar je gezocht." Hij wilde net gaan schieten, maar toen hij zijn geweer richtte bedacht hij zich ineens dat de wolf de oude vrouw misschien had opgegeten en dat ze misschien nog te redden was. Hij schoot niet maar begon met een schaar de buik van de slapende wolf open te knippen. Na een paar knippen zag hij een rood kapje glimmen en na nog een paar knippen sprong het meisje eruit en riep:
"O, wat ben ik bang geweest, wat was het donker in de buik van de wolf!"
En toen kwam de oude grootmoeder ook nog levend tevoorschijn, al kon ze haast niet ademen. Roodkapje haalde snel een paar grote stenen die ze in de buik van de wolf stopten en toen hij wakker werd, wilde hij wegspringen, maar de stenen waren zo zwaar dat hij onmiddellijk viel en dood was.
Nu waren ze alle drie blij. De jager stroopte de pels van de wolf af en trok daarmee naar huis, de grootmoeder at de koek en dronk van de wijn, die Roodkapje had meegebracht, en die maakte haar beter. Maar Roodkapje dacht:
"Zolang ik leef, zal ik nooit meer alleen van het pad afgaan en het bos inlopen, wanneer mijn moeder dat verboden heeft."
De mensen vertellen dat op een keer, toen Roodkapje de oude grootmoeder weer koek en gebak ging brengen, er een andere wolf kwam, die haar aansprak en weg wilde lokken. Maar Roodkapje paste wel op en liep gewoon verder en vertelde aan grootmoeder dat ze de wolf was tegengekomen, die haar wel goedendag had gezegd, maar zo kwaadaardig uit zijn ogen had gekeken: "Als het niet op de grote weg was geweest, had hij me vast opgegeten!"
"Kom," zei grootmoeder, "we zullen de deur op slot doen, zodat hij er niet in kan."
Kort daarop klopte de wolf aan en zei:
"Doe open, grootmoeder, ik ben het, Roodkapje, ik breng gebak voor je mee."
Maar zij hielden zich stil en maakten de deur niet open. Toen sloop de Grijskop een paar maal rond het huis, sprong eindelijk op het dak om te wachten tot Roodkapje ‘s avonds naar huis zou gaan. Dan zou hij haar achterna sluipen en in het donker opeten. Maar de grootmoeder merkte wat hij van plan was. Nu stond er voor het huis een grote stenen trog en ze zei tegen het kind:
"Neem de emmer, Roodkapje, gisteren heb ik worsten gekookt, gooi jij dat worstennat in de trog."
Roodkapje droeg zo veel tot die hele grote trog vol was. De geur van de worst kreeg de wolf in de neus, hij snuffelde en keek omlaag, en tenslotte rekte hij zijn hals zo ver uit dat hij zijn evenwicht verloor en begon te glijden, en hij gleed van het dak af precies de trog in en verdronk. Roodkapje ging vrolijk naar huis en bleef ongedeerd.
Een man gaat naar de huisdokter omdat hij een uitsteeksel krijgt op zijn voorhoofd. De huisdokter bekijkt hem aandachtig en zegt: "Dit komt héél zelden voor, maar er ontwikkelt zich een tweede penis op je voorhoofd." Ik raad je aan om veel te lezen. Thuis vertelt de man wat de huisdokter gezegd heeft aan zijn vrouw, die zegt: "Wat is dat voor onzin, en waarom zou je veel moeten lezen tegen deze kwaal?" De man wil een tweede opinie en gaat naar de spoedafdeling van het ziekenhuis. De arts van wacht onderzoekt hem en zegt: "Dit heb ik nog nooit gezien, maar ik heb er al wel over gelezen. Je ontwikkelt een tweede penis op je voorhoofd, dat komt maar voor bij 1 op de 5.000.000 mannen. De man vraagt of er iets aan te doen is en de arts zegt: "Voor zover ik weet niet, maar begin vooral véél te lezen." De man laat het daar niet bij en gaat naar een universitair ziekenhuis. De specialist onderzoekt hem, neemt scans enz. Nadien zegt hij tegen hem: "Dit is zeer uitzonderlijk, maar je ontwikkelt een tweede penis. Je moet onmiddelllijk beginnen met zoveel mogelijk te lezen!" Wanhopig roept de man: "Maar waarom moet ik perse zoveel beginnen lezen?" Waarop de specialist antwoordt: "Doe het nu het nog kan, want binnenkort zullen je ballen voor je ogen gaan hangen."
Een man sneed uit een stuk elzenhout een kind en vertroetelde en wiegde het drie jaar lang. Toen de drie jaren verstreken waren begon het kind tot zijn innige vreugde te leven, doch aldra bleek dat het zo'n verschrikkelijke veelvraat was dat er niet tegenop te werken viel, zodat hij en zijn vrouw zich genoodzaakt zagen de jongen uit huis te doen.
Niet ver daarvandaan stond een grote boerderij, en daar stuurden ze het knaapje heen om tegen kost en onderdak jeugdarbeid te verrichten. Het duurde echter niet lang of ook daar kregen ze in de gaten wat voor beestachtige porties eten het jochie verslond, waardoor de aardigheid er al snel af was en ze op een geschikte manier begonnen te zinnen om hem af te maken.
Ze gooiden een ring in de waterput en droegen Elzenhout op de ring voor ze uit de put te halen. De jongen liet zich in de put zakken, en zijn op moord beluste werkgevers wierpen hem een zware molensteen achterna.
Tot hun verbijstering slingerde hij de loodzware steen als een schoteltje terug omhoog en riep kwaad: "Dat brood dat jullie me toesmijten is zo hard als steen!" Even later kwam hij met de ring de put uitgekropen.
Ten einde raad stuurden ze hem het bos in om hout te hakken. Een week lang deed hij niets anders dan slapen en eten, dat de ossen elke dag punctueel voor hem aansleepten, omdat ze als de dood waren hem voor het hoofd te stoten door zijn proviandering te staken.
Toen de week bijna om was, op zaterdagavond, begon hij eindelijk hout te hakken. En tot zo ver in de omtrek als zijn bijlslagen weerklonken vielen alle bomen om.
Vervolgens begon hij de bomen van hun takken te ontdoen, en zoals het met de bomen was gegaan ging het nu ook met de takken: tot zo ver in de omtrek als de bijlslagen te horen waren verloren alle bomen hun takken. Met het splijten van het hout was het hetzelfde liedje.
Tenslotte nam hij twee blokken hout in z'n handen en sloeg die een paar keer krachtig tegen elkaar - en overal waar zijn slagen weerknalden stapelde al het hout zich keurig op.
Ondertussen had men bij de boerderij een hele batterij kanonnen en ander oorlogstuig opgesteld om bij zijn thuiskomst voorgoed met hem af te rekenen, en toen Elzenhout huiswaarts keerde schoten ze alle kanonnen op hem leeg.
"Staakt het vuren!" brulde hij, "of ik smijt de kogels naar jullie terug!"
Uiteindelijk beloofde hij vreedzaam te zullen vertrekken als ze hem een lederen knapzak gaven waar vijf tonnen in konden. De dorpsleerbewerker ging direct aan de slag en maakte een reusachtige ransel voor hem, waarmee de knaap diezelfde dag nog vertrok.
Hij liep naar de duivel, die net een dutje lag te doen. Zodra de duivel, die zelf ook niet ondermaats was uitgevallen, de enorme knapzak zag siste hij: "Geef op dat ding!" Elzenhout dacht daar natuurlijk niet aan, en gelijk begon de geweldige duivel te schreeuwen: "Vlug jongens! Kom eens even een handje helpen!" De jongens kwamen aangesneld, en Elzenhout joeg het hele zooitje duivelsgebroed z'n knapzak in en stapte op.
Wandelend langs het strand kwam hij een stevig uit de kluiten gewassen visser tegen. Met een bruut gebaar ontrukte hij de man zijn hengel en slingerde die de zee in.
"Wat mankeert je?" vroeg de visser. "Een beetje mijn hengel in zee gooien! Daar moet ik mijn brood mee verdienen, man."
"Geen paniek," antwoordde Elzenhout kalm. "We zijn allebei niet voor een kleintje vervaard, van nu af aan trekken we samen op!" Een eindje verderop ontmoetten ze een steenhouwer, die met twee blokken steen zeulde. De jongen pakte ze hem af en wierp ze met een achteloos gebaar in zee.
"Wat moet dat, man?" vroeg de steenhouwer nijdig. "Daar verdien ik mijn brood mee!"
"Allemaal overtollige ballast," verklaarde Elzenhout. "Wij zijn met z'n drieën immers ijzersterk!" En zo trokken ze samen verder.
Na enige tijd bereikten ze een plek waar een groot gat in de aardkorst gaapte. Benieuwd naar de temperatuur beneden besloten ze eens even poolshoogte te gaan nemen. Aan een lang touw lieten ze de visser in het gat zakken, die vrijwel onmiddellijk begon te loeien: "Hup, haal me weer op, het is hier om dood te vriezen!"
Hierop besloot de steenhouwer een poging te wagen. Eerst was het koud, maar toen begon het zo warm te worden dat ook hij brulde: "Hijsen, mannen, voor ik gebraden ben!"
Als laatste daalde Elzenhout af, die de hitte wel verdragen kon. Bij zijn aankomst beneden trof hij daar twee lieftallige meisjes aan, die hij ridderlijk naar boven hielp door hen door zijn makkers op te laten hijsen. De bedoeling was uiteraard dat ze aansluitend ook hem naar boven zouden trekken, maar dat deden de schooiers niet.
Nu wilde het toeval dat zich daar diep onder de aarde een adelaarsnest bevond, waar de poteling gelijk met een ruw gebaar zijn jas overheen slingerde. Toen even later de adelaar terugkwam en wilde neerstrijken op zijn nest vroeg het dier gepijnigd: "Wie heeft me dit geleverd?!"
"Ik!" riep de jongen enthousiast.
"Wat moet je ervoor hebben wil je mij en mijn nest verder met rust laten?" vroeg de adelaar hem.
"In principe niks, maar dan zul je me wel even naar boven moeten brengen," antwoordde Elzenhout, en zo gingen ze op weg naar de bovenwereld. De adelaar had een smakelijk stuk ossenvlees bij zich, dat ze onderweg samen verorberden. Boven aangeland zette hij de jongen af aan de rand van het gat, waar de andere twee krachtpatsers al de grootste mot bleken te hebben om wie welk meisje zou krijgen. Nu werd Elzenhout zo razend dat hij beide heren onthoofdde.
Midden in de wittebroodsweken. "Schat, kunnen we niet..." "Nee!" Een half uur later. "Schat kunnen we niet even..." "Nee!" Na een uur weer: "Ik wil graag even..." "Wat wil je nou met dat eeuwige gevraag van jou?" "Ik wil alleen even een half uurtje pauzeren..."
Er staan een theepot en een pot sate op een aanrecht. Zucht de sate: Ik ben heet...heet. Zegt de theepot: Dat had je wel eens eerder mogen zeggen. Ik sta al een half uur te trekken!
Ik heb twijfels over de wereld. Twijfels over me zelf. Soms vraag ik me af wrm iets zo is. Ik heb zelfs twijfels over mijn ouders. Eigelijk over mijn hele famillie. Ik leef samen met mijn vader en moet met me 3 zusjes 1 broertje en een broer. We zijn afkomstig van libanon. En we zijn moslims geen strenge maar toch. Mijn ouders die me nooit snappen en die ongeveer mijn hele leven verpest hebben. Ik ben gevoel kwijt geraakt. Geen een dag kwam bij mij op zonder angst mishandlarij en pijn geen een dag. Ik gaf mijn vader 1 kans maar het lukte hem niet om hem de juiste kant te laten wijzen. Mijn moeder die niet bij hem weg durft te gaan. En ik die maar werd buitengeslooten woord in de buitenwereld. Zo mag ik niet naar de disco buitenspelen met vriendinnen omgaan enzovoort.Ik heb mijn eigen vrijheid niet. Daarnaast ben ik ook nog bekeert tot het christendom en ik volg bijbelstudies met mijn kennis die ik beschouw als mijn moeder. Zij is de enige die wat in mij ziet . samen met een paar anderren. Gek genoeg merken de leraren en de kinderen daar helemaal niks van. Ze zien mij als een spontaane aardige lieve mooie meid. Maar zien geen pijn in me en weten niks van wat ik allemaal meemaak. Mijn kennis met een paar anderre zijn de enige die een engel in mij zien . Daar naast ben ik ook nog paranomaal. Maar ik vermoed dat dat slecht is. En dat demonen daar misbruik van kunnen maken .
Jah ik heb twijfels . maar waar ik geen twijfel over heb is dat ik binnenkort antwoord op mijn twijfels krijg.EN heb en elkgeval geen twijfel over het geloof n over mijn kennis.
PS Dit verhaal is verzonnen Maar er zijn genoeg kinderen die dit sooort dingen mee maken.........
op 1 dag zal de weg eindige en de deuren voor je worden geopend dan pas zie uje de waarheid over je zelf vrienden enzovoort dan pas blijf je weg volgen maar kijk uit om niet op het slechte pad te komen want dan ben je de weg kwijt laat me zeggen verdwaald groetjes me
Het was een warme zomerdag, Evelien pakte haar Agenda en schreef bij haar notities: maandag met Juliën disco zwemmen 7:00 Dinsdag: naar tante Emily taarten bakken 10:00 Woensdag: met Tom date 11:30. Donderdag: met Milde gezellig stappen. Wat zou ik vrijdag moeten doen? Oh ja, Samantha helpen op de manege en naar tante Emily s, verjaardag! Poeh, die vervelende kinderen van haar. Even keek Evelien boos maar dat veranderende toen haar moeder boven kwam met de telefoon. Evelien! Evelien, Tom is aan de telefoon hij wil je spreken. Heij zij Evelien die de telefoon hard tegen haar oor aan drukte. Ha, Evelien ik kan woensdag niet mee! Sorry. Oh …. Antwoorden Evelien alsof haar leven er van af hing. Tja oké ik begrijp het . Doei, zij Tom voordat Evelien kon antwoorden. Ze legde de telefoon neer en ging op haar bed liggen. Ze dacht diep na: zou Tom mij nog wel leuk vinden? Ik heb altijd een saaie blik en ik word gelijk boos als hij lacht om een grapje van een ander meisje. Ik zou nooit willen dat hij het uitmaakt hij is de Hunk van de klas ! alleen Claire vindt hem leuk en Jade maar dat zijn tuttenbellen. Ik heb al helemaal geen zin om naar tante Emily te gaan alsof dat zo leuk ik ? Klop klop hallo . Hee dacht Evelien meteen de stem van haar BFF zou Tina het weten ? Kom binnen joh! riep Evelien meteen . Haay ik kom voor jou. Oke gezellig . Heb je zin om met mij naar de bios te gaan vroeg Tina zelfverzekerd met een glimlach . Ja leuk . maar eigenlijk had Evelien er helemaal geen zin in . Ik wil naar Tom . Mijn schat . Kom we gaan , die zin verstoorde Evelien haar dagdroom . Ik heb zo gewacht tot ie uit kwam! ja ik ook !! riep Evelien blij . Egenlijk riepen ze : HORROR MOVIE 2 ( 4D ) hij is 2 dagen in de bioscoop kom je mee ? Veel zin had .maar je voor een echte vriendin doe je dat wel. Nog voordat we bij de bioscoop aan kwamen zagen we al een langerij Vanuit de Gele straat komen. Daar stonden we dan in de rij. Als laatsten . Nog geen uur later waren we aan de beurt je zal het niet geloven maar de kaartjes waren uitverkocht ! treurig gingen we naar huis . Te vervelen kon je het niet noemen en luien ook niet. Ik was moe en sip. Wat..wat moest Evelien nu bedenken ? Naar de dierentuin met Ome Ger ? Nee echt niet dat was altijd zo saai!
Eens op een keer wou het haantje op reis gaan, samen met het hennetje. Het haantje maakte zelf een mooi karretje, met vier rode wieltjes. En hij spande er vier muisjes voor. Het hennetje ging naast het haantje op de bok zitten, en samen reden ze weg. Het wagentje reed zo hard dat het suisde. Ze hadden niet lang gereden, of ze kwamen de kat tegen. Die zei: "Waar gaan jullie naar toe?" Haantje antwoordde:
"Wagentje, suis, naar de boeman z’n huis."
"Neem mij mee," sprak de kat. Haantje antwoordde: "Alsteblieft, en achterop, want van voren val je d’r af.
en je moet er wel voor waken mijn rode wieltjes niet vuil te maken, Wieltjes, knort! Muisjes, vort! Wagentje suis naar de boeman z’n huis!"
En toen kwam er een molensteen, en een ei, en een eend, en één speld en tenslotte een naald, en die gingen achterop het karretje en reden mee. Maar toen ze bij de boeman z’n huis kwamen, was de boeman niet thuis. De muisjes reden het karretje in de schuur, het haantje vloog met het hennetje op de hanenbalken, de kat ging onder de schoorsteen liggen, de eend op de pompzwengel, het ei wikkelde zichzelf in de handdoek, de speld stak zichzelf in het stoelkussen, de naald sprong op ‘t bed midden in ‘t hoofdkussen, en de molensteen ging boven de deur liggen. Daar kwam de boeman thuis! Hij ging naar de schoorsteen om vuur aan te leggen, maar de kat gooide hem z’n gezicht vol as. Vlug liep hij naar de keuken om z’n gezicht te wassen, daar spoot hem de eend water in z’n gezicht. Hij wou zich afdrogen met de handdoek, maar daar rolde het ei in zijn hand, brak, en het struif kleefde hem z’n ogen dicht. Hij wilde gaan rusten, ging op de stoel zitten, daar prikte hem de speld. Toen werd hij boos en gooide zich op zijn bed, maar toen hij zijn hoofd op ‘t kussen legde, stak hem de naald. En toen hij aan de huisdeur kwam, sprong de molensteen naar beneden en sloeg hem dood. Die boeman moet een ellendige kerel zijn geweest.
Een zoon komt bij zijn ouders de slaapkamer in lope en ziet daar zijn moeder boven op zijn vader liggen en vraagt: "Mama, wat doe je nou?" Waarop moeder antwoordt: "Je vader denkt dat hij naar de hemel gaat vliegen en daarom blijf ik bovenop hem zitten zodat hij niet weg kan." Waarop zoonlief zegt: "Nou, dan kan je maar beter de gordijnen dicht doen, want de buren denken dat je ligt te neuken!"
Niet lang geleden woonde er aan de rand van een bos een man en een vrouw. Ze hadden een kleindochter die Mariska heette. Mariska kwam graag bij haar Opa en Oma logeren. Ze kon daar heerlijk spelen met Sterke Wanja, een jongen van tien die op een naburige boerderij woonde. Sterke Wanja kon niet goed praten. ‘Er is bij zijn geboorte iets misgegaan,’ had Oma tegen Mariska gezegd. Maar Mariska vond dat niet erg: zelf was zij een kwebbeltante die praatte voor twee. Wat ze fijn vond was dat Sterke Wanja altijd alles deed wat ze zei. Op een dag speelden de kinderen in het zand aan de oever van het bosmeer. Onder het toeziende oog van Oma natuurlijk. Met hun schepjes groeven ze diepe geulen om een zandkasteel. Oma zat onder een boom en keek tevreden toe. De wandeling over het hobbelige pad naar het meer was een hele opgave voor haar geweest; maar ze had het graag voor de kinderen over. ‘Laten we hier een knetterdiep gat graven,’ riep Mariska. ‘Misschien vinden we een schat. Een trommel met snoepjes. Of kauwgompjes.’ Wanja lachte en begon een diep gat te graven terwijl Mariska aan één stuk door babbelde. De wildste verhalen vertelde ze. Over piraten en Peter Pan en Wendy en Tinkerbel en de Krokodil. Oma was hoogst verbaasd. Ze verbaasde zich over bijna alles wat Mariska deed of zei. ‘Nou moe!’ riep ze dan,‘Mag ik een boom worden!’ Dit zei ze zo vaak dat Mariska geloofde dat Oma werkelijk een boom wilde zijn. Een boom zoals de bomen achter Oma’s huis – in het Sprookjesbos, zoals Mariska het woud noemde. Midden in het spel kwam Oma plotseling overeind. ‘Kinderen, het is mooi geweest voor vandaag. We moesten maar weer eens naar huis. We kunnen Opa niet zo lang alleen laten.’ Ze vertelde niet dat ze weer last had van haar hart en dat ze moe was en uit wilde rusten. Halverwege de terugweg bleef Oma op het bospad staan. Ze hapte naar adem. ‘Laten we dwars door het bos gaan, tussen de bomen door, dan zijn we sneller thuis’ stelde Mariska voor. Oma vond het goed, ze vond alles best – zo naar voelde zij zich. Met z’n drieën verlieten ze het pad. Diep in het bos bleef Oma opnieuw staan. Deze keer ging ze zelfs zitten en daarna liggen op de grond. Alsof ze een tukje ging doen. Mariska en Wanja zaten stilletjes naast haar. Toen Oma maar bleef liggen, fluisterde Mariska: ‘Laten we eikels en kastanjes gaan zoeken. Dat kan best. Zolang we maar in de buurt van Oma blijven.’ Maar er waren geen eikels en kastanjes. De dieren in het bos hadden ze voor de winter verzameld en allemaal in hun holletjes verstopt. Onverrichter zake keerden Wanja en Mariska naar Oma terug. ‘Oma, wakker worden,’ riep Mariska. Maar Oma reageerde niet, hoe hard Mariska ook riep. 'Ze is vast dood,’ zei Mariska. ‘Misschien doet haar hart het niet meer. We moeten luisteren of we wat horen.’ Om beurten legden ze hun oor tegen Oma’s borst. ‘Ik hoor niks,’ zei Mariska. ‘Jij?’ Wanja schudde z’n hoofd. ‘Dan moeten we haar maar begraven,’ besloot Mariska. ‘Maak jij een gat, een heel groot gat, een knettergroot gat. Hier, vlak naast Oma.’ Sterke Wanja ging aan het werk. Hij groef het allergrootste, allerdiepste gat dat hij ooit gegraven had. Samen rolden ze Oma in de kuil. Wanja ging door met scheppen tot Oma helemaal onder de aarde verdwenen was. Toen het gat dicht was legde Mariska er bladeren en takken op, zodat alles er precies zo uitzag als tevoren.
‘Waar is Oma?’ vroeg Opa toen ze terugkwamen. ‘Dat weet ik niet,’ zei Mariska. Ze was bang voor Opa. Toen hij haar aan bleef kijken, begon haar hart wild in haar keel te kloppen. Maar ze zei niets. Sterke Wanja stond er hulpeloos bij en zei ook niets. ‘Ik ga Oma zoeken,’ zei Opa. Hij pakte zijn fiets en reed naar het dorp. Mariska en Wanja moesten op het bankje voor het huis blijven zitten tot hij terug kwam. Tegen de avond kwamen mannen van de brandweer het meer dreggen. Een politieagent met een grote snor ondervroeg Mariska en Wanja. Ook tegen hem zeiden ze dat ze echt niet wisten waar Oma was. De agent stuurde Wanja naar huis en belde Mariskas ouders op. Het was al donker toen die kwamen en haar mee terugnamen naar de stad. Pas enkele weken later durfde Mariska haar Opa te vertellen dat Oma was doodgegaan. ‘Ze is nu een mooie boom in het Sprookjesbos.’ ‘Dat is fijn lieverd,’ zei Opa. Later op die dag vroeg Mariska of Opa haar mee wilde nemen om de Omaboom te zoeken. ‘Dat is goed kind,’ zei Opa. Samen doorzochten ze het hele bos. Maar nergens konden ze Oma vinden. Tot Mariska een mooie jonge kastanjeboom zag. Toen wist ze zeker dat Wanja Oma daar begraven had. ‘Dit is ze,’ zei ze en wees op de boom. Opa knikte en haalde zijn pijp tevoorschijn. En terwijl de rook langzaam naar de hemel opkringelde, vertelde Mariska de boom wat er de afgelopen tijd thuis en op school allemaal was gebeurd.
Er was een machtige koningin die in haar tuin de mooiste bloemen van alle jaargetijden en van alle landen van de wereld had, maar ze hield het meest van de rozen en daarom had ze daar de verschillendste soorten van, van de wilde klimrozen met groene blaadjes die naar appeltjes roken tot de mooiste rozen uit de Provence, en die groeiden tegen de muren van het kasteel op, slingerden zich rond de pilaren en langs de vensterbanken, door de gangen langs de plafonds in de zalen; en de rozen waren verschillend van geur, vorm en kleur. Maar binnen heersten verdriet en droefheid. De koningin lag op haar ziekbed en de artsen zeiden dat ze moest sterven. 'Maar er is een oplossing voor haar!' zei de wijste onder hen. 'Breng haar de mooiste roos van de wereld, de roos die de uitdrukking van de hoogste en zuiverste liefde is; als ze die onder ogen krijgt, voordat ze breken, dan sterft ze niet.' Jong en oud kwamen overal vandaan rozen brengen, de mooiste die er in tuinen bloeiden, maar die rozen waren het niet; uit de tuin van de liefde moest de bloem komen. Maar welke roos was nu de uitdrukking van de hoogste, de zuiverste liefde? De dichters zongen over de mooiste roos van de wereld, ieder had het over een andere. De boodschap ging door het hele land naar ieder hart dat sloeg van liefde, boodschappen gingen naar mensen van alle standen en alle leeftijden. 'Niemand heeft het nog over de bloem gehad,' zei het lied. 'Niemand heeft nog de plaats aangewezen waar die bloem in al haar heerlijkheid is ontsprongen. Het zijn niet de rozen op de kist van Romeo en Julia of van het graf van Valborg, hoewel die rozen altijd in sagen en verhalen hun geur zullen verspreiden. Het zijn ook niet de rozen uit de bloedige lansen van Winkelried, uit het bloed dat stroomt uit de gewijde borst van de held die stierf voor zijn vaderland, hoewel geen dood mooier kan zijn, geen roos roder dan het bloed dat daar vloeide. Het is ook niet de wonderbaarlijke bloem die een man ertoe brengt om maanden- en jarenlang, in lange, slapeloze nachten, in zijn eenzame kamer zijn jonge leven op te geven, de magische roos van de wetenschap!' 'Ik weet wel waar ze bloeit,' zei een gelukkige moeder, die met haar zuigeling aan het ziekbed van de koningin kwam. 'Ik weet waar de mooiste roos te vinden is. Die bloeit op de blozende wangen van mijn lieve kind, als het, gesterkt door de slaap, zijn oogjes opent en mij met zijn hele liefde toelacht!' 'Mooi is die roos, maar er is er een die nog mooier is!' zei het lied. 'Veel mooier!' zei een van de vrouwen. 'Ik heb haar gezien, er bestaat geen verhevener, gewijder roos, maar ze was bleek, als de bladeren van de theeroos. Op de wangen van de koningin heb ik die gezien. Ze had haar koningskroon afgezet en ze liep zelf die lange, droevige nacht met haar zieke kind rond, huilde erom, kuste het en bad tot God voor haar kind, zoals een moeder in het uur van angst bidt.' 'Heilig en wonderbaarlijk in haar macht is de witte roos van het verdriet, maar ook die is het niet!' 'Nee, de mooiste roos heb ik voor Gods altaar gezien,' zei de vrome, oude bisschop. 'Ik zag haar stralen als het gezicht van een engel. De jonge meisjes gingen naar het Avondmaal, vernieuwden het verbond van hun doop en er bloeiden rozen en er verbleekten rozen op die frisse wangen. Een jong meisje stond er. Ze keek met de volle zuiverheid en lief de van een ziel op naar haar God. Dat was de uitdrukking van de zuiverste en hoogste liefde!' 'Gezegend is die liefde,' zei het lied, 'maar niemand van jullie heeft de mooiste roos van de wereld nog genoemd.' Toen kwam er een kind het vertrek binnen, het zoontje van de koningin. Hij had tranen in zijn ogen en op zijn wangen. Hij droeg een groot opengeslagen boek, ingebonden in fluweel en met grote zilveren sloten. 'Moeder!' zei het kleintje. 'Moet je horen wat ik heb gelezen!' Het kind ging bij het bed zitten en las voor uit het boek over degene die zichzelf aan de dood op het kruis overleverde om de mensen, ook de ongeboren geslachten, te verlossen. 'Grotere liefde bestaat er niet!' En er ging een gloed van rozen over de wangen van de koningin, haar ogen werden heel groot en helder, want ze zag uit de bladzijden van het boek de mooiste roos van de wereld opstijgen, het beeld van die roos die ontsprong aan het bloed van Christus aan het kruishout. 'Ik zie haar!' zei ze. 'Nooit zal hij sterven die die roos heeft gezien, de mooiste van de wereld.'
vreemdgaan Een vrouw is aan het vrijen met de vriend van haar man .Gaat de telefoon.Praat ze even en hangt ze op.Vraagt de vriend Wie was dat?Zegt de vrouw o mijn man maar je hoeft niet bang te zijn hoor hij is aan het kaarten met jou!!