NIEUW: Blog reclamevrij maken?
Foto
Foto
Foto
Gastenboek
  • warme woensdaggroentjes
  • Ik kom even binnen, om te zeggen ...
  • goede morgen blogmaatje
  • hallo, fijne midweek maatje(s)...
  • Goede morgen blog maatje

    Druk oponderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek

    Foto
    Laatste commentaren
  • Lieve groetjes vanwege DEWESTHOEK (Annie & Rogier)
        op Lonnie de leeuw
  • Lieve groetjes (Luc)
        op De zus van Lana
  • ik wens u een fijne zonnige dag (alda bosmans)
        op Ouders een avondje weg
  • Lieve groetjes vanwege DEWESTHOEK (Annie & Rogier)
        op Ouders een avondje weg
  • ik ken ze maar een goei..groetjes. (alda bosmans)
        op De zus van Lana
  • Foto
    Foto
    Rondvraag / Poll
    Zou u niet met lana een nachtje in bed willen liggen
    Ja ik wil
    Nee ik wil niet
    Even over nadenken
    Durf jij u bekent maken: ja
    Durf jij u bekent maken :nee
    Bekijk resultaat

    Foto
    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Archief per maand
  • 04-2014
  • 03-2014
  • 02-2014
  • 01-2014
  • 11-2013
  • 10-2013
  • 09-2013
  • 08-2013
  • 07-2013
  • 06-2013
  • 05-2013
  • 04-2013
  • 03-2013
  • 02-2013
  • 01-2013
  • 12-2012
  • 11-2012
  • 10-2012
  • 09-2012
  • 08-2012
  • 07-2012
  • 06-2012
  • 05-2012
  • 04-2012
  • 03-2012
  • 02-2012
  • 01-2012
  • 12-2011
  • 11-2011
  • 10-2011
  • 09-2011
  • 08-2011
  • 07-2011
  • 06-2011
  • 05-2011
  • 04-2011
  • 03-2011
  • 02-2011
  • 01-2011
  • 12-2010
  • 11-2010
  • 10-2010
  • 09-2010
  • 08-2010
  • 07-2010
  • 06-2010
  • 05-2010
  • 04-2010
  • 03-2010
  • 04-2004
  • 11--0001
    Blog als favoriet !
    De klinge een dorpje aan de grens
    lana

    Image and video hosting by TinyPic






    .

    .
    23-06-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Bron der Wijzen


    De Bron der Wijzen



    In het oude land van Juda ging De Droogte rond, met holle ogen en verbitterd, tussen verschrompelde distels en verdord gras. 't Was in de zomer. De zon scheen op schaduwloze bergruggen, de minste windkoelte dreef dichte wolken kalkstof op uit het witgrauwe veld, de kudden stonden bijeen in de dalen bij de uitgedroogde beken.

    De Droogte ging rond en inspecteerde de watervoorraad. Ze dwaalde naar Salomons vijvers en zag zuchtend, dat ze nog een massa water tussen hun rotsige oevers bewaarden. Daarop ging ze naar de beroemde bron van David bij Bethlehem en vond ook daar water. Toen liep ze met slepende tred langs de grote landweg, die van Bethlehem naar Jeruzalem leidt.

    Toen ze ongeveer halfweg gekomen was, zag zij de Bron der Wijzen, die daar dicht aan de weg ligt en zij merkte spoedig, dat die bijna uitgedroogd was. De Droogte zette zich op de rand van de put, die uit één grote, uitgeholde steen bestaat, en keek naar beneden in de bron. De blanke waterspiegel, die anders heel dicht bij de opening lag, was nu diep omlaag gezonken en slik en modder van de bodem maakten hem onrein en troebel.

    Toen de bron het bruin verbrande gezicht van De Droogte zag afgebeeld op haar doffe waterspiegel, begon zij te golven van angst.

    "Ik zou wel eens willen weten, wanneer het met jou gedaan kan zijn," zei De Droogte. "Je zult wel geen waterader kunnen vinden daar in de diepte, die je nieuw leven kan komen brengen. En van regen kan er, Goddank, in de eerste twee, drie maanden nog geen sprake zijn."

    "Je kunt gerust wezen," zuchtte de bron, "niemand kan me helpen. Daar zou minstens een bronaar uit het Paradijs voor nodig zijn."

    "Dan zal ik je niet verlaten, voor alles voorbij is," zei De Droogte.

    Ze zag dat de oude bron haar einde tegemoet ging en nu wilde ze het genoegen hebben haar druppel voor druppel te zien sterven. Ze zette zich behaaglijk op de rand van de put en verheugde zich als zij de bron in de diepte hoorde zuchten. Zij had er ook veel plezier in te zien hoe dorstige reizigers naar de put kwamen, de aker lieten neerdalen en die optrokken met een paar modderige droppels van de bodem.

    Zo ging de hele dag voorbij en toen de schemering viel, keek De Droogte weer in de put. Er blonk nog wat water in de diepte. "Ik blijf hier vannacht," riep ze. "Haast je maar niet. Als het zo licht is, dat ik je weer zien kan, ben ik er zeker van, dat het met je gedaan is."

    De Droogte ging op het dak over de put zitten, terwijl de hete nacht, die nog akeliger en pijnlijker was dan de dag, neerdaalde over het land van Juda. Honden en jakhalzen huilden zonder ophouden en dorstige koeien en ezels antwoordden hen vanuit hun warme stallen. Toen eindelijk de wind opstak, bracht hij geen koelte, maar was heet en verstikkend, als de hijgende adem van een groot slapend monster.

    Maar de sterren lichtten met haar allerliefelijkste glans en een kleine, blinkende maansikkel spreidde haar mooi groenblauw licht over de grijze heuvels. En in dat licht zag De Droogte een karavaan aankomen en de heuvel optrekken, waar de Bron der Wijzen lag.

    De Droogte zat op het lage dak te kijken en verheugde zich opnieuw in al de dorst, die naar de bron kwam en daar geen druppel water vinden zou om gelest te worden. Daar kwamen zoveel dieren en kameelleiders aan, dat zij de bron wel hadden kunnen leegdrinken, al was die ook helemaal vol geweest. Plotseling kreeg zij de indruk, dat er iets wonderlijks, iets spookachtigs was aan die karavaan, die daar kwam aanzetten in de nacht.

    Alle kamelen kwamen eerst te voorschijn op een heuvel, die scherp tegen de horizon afstak; het was alsof zij uit de hemel kwamen. Zij schenen ook groter dan gewone kamelen en droegen al te gemakkelijk de reusachtige lasten waarmee zij beladen waren.

    Maar toch kon ze niets anders denken dan dat het werkelijkheid was. Zij zag ze immers heel duidelijk. Ze kon zelfs ook zien, dat de eerste drie dieren dromedarissen waren met grauw glanzend vel en dat ze rijk opgetuigd waren, gezadeld met mooie matten met franje en bereden door schone voorname ruiters.

    De hele optocht hield stil bij de bron. De dromedarissen legden zich neer op het veld met drie onwillige, schokkende bewegingen, en hun ruiters stegen af. De pakkamelen bleven staan en naarmate ze dichter bij elkaar kwamen, schenen ze een onafzienbaar bos te vormen van lange halzen en bulten en wonderlijk opeengestapelde pakken.

    De drie ruiters kwamen snel op De Droogte toe en begroetten haar door de handen op de borst te leggen. Zij zag, dat zij glanzend witte gewaden droegen en reusachtige tulbanden, waarop bovenaan een helder glinsterende ster bevestigd was, die straalde alsof zij direct van de hemel genomen was.

    "Wij komen uit een ver land," zei een van de vreemdelingen, "en wij verzoeken u ons te zeggen of dit werkelijk de Bron der Wijzen is."

    "Zo wordt zij vandaag nog genoemd," zei De Droogte, "maar morgen is het geen bron meer. Zij zal vannacht sterven."

    "Dat kan ik begrijpen, omdat ik u hier zie," zei de man; "maar is dit niet een van de heilige bronnen, die nooit uitdrogen? En van waar heeft zij haar naam?"

    "Ik weet dat ze heilig is," zei De Droogte; "maar wat kan haar dat helpen? De drie wijzen zijn in het Paradijs."

    De drie reizigers zagen elkaar aan. "Kent u werkelijk de geschiedenis van de oude bron?" vroegen ze.

    "Ik ken de geschiedenis van alle putten en beken en stromen," zei De Droogte trots.

    "Doe ons dan het genoegen en vertel ons die," vroegen de vreemdelingen.

    En ze zetten zich neer om de oude vijandin van alles wat groeit en luisterden. De Droogte kuchte even en kroop op de rand van de put, als een sagenverteller op zijn hoge stoel en begon haar verhaal:

    "In Gabes, in Medië, een stad die aan de grenzen van de woestijn ligt en waar ik mij daarom gaarne ophoud, leefden voor vele jaren drie mannen, die beroemd waren om hun wijsheid. Zij waren heel arm, wat een ongewoon verschijnsel was, want in Gabes werd kennis hoog in ere gehouden en goed betaald. Maar door deze mannen kon dit haast niet anders, want een van hen was buitengewoon oud, de tweede was melaats en de derde was een neger, pikzwart en met dikke lippen. De mensen vonden de eerste al te oud om hun wat te kunnen leren, de tweede ontweken ze uit vrees voor besmetting en naar de derde wilden zij niet luisteren, omdat ze meenden te weten, dat nooit enige wijsheid uit Ethiopië gekomen was.

    De drie wijzen sloten zich intussen in hun ongeluk bij elkaar aan. Zij bedelden overdag bij dezelfde tempelpoort en sliepen 's nachts op hetzelfde dak. Op die wijze hadden zij tenminste gelegenheid zich de tijd te korten door het gezamenlijk onderzoeken van al het wonderbare, dat zij bij dingen en mensen opmerkten.

    Op een nacht dat ze, zij aan zij, sliepen op een dak, dat dicht begroeid was met rode bedwelmende papavers, werd de oudste van hen wakker en nauwelijks had hij een blik om zich heen geworpen, of hij wekte de beide anderen.

    'Gezegend zij onze armoede, die ons noodzaakt in de open lucht te slapen,' sprak hij tot hen. 'Ontwaakt en heft uw ogen op naar de hemel.'"

    "Nu," zei De Droogte met een wat zachter stem, "dit was een nacht, die niemand, die hem gezien heeft, ooit kan vergeten. Het heelal was zo licht, dat de hemel, die meestal op een vast gewelf gelijkt, diep en doorschijnend en vol golven scheen als een zee. Het licht stroomde er heen en weer en men zag de sterren drijven op ongelijke diepten, sommige midden in de lichtgolven, andere op hun oppervlakte.

    Maar zo ver mogelijk en zo hoog mogelijk zagen de drie mannen een zwakke duisternis en dat duistere vloog door de ruimte als een bal en kwam al dichter bij en naarmate de bal naderde, begon hij te lichten. Maar hij lichtte zoals rozen - God late ze alle verdorren wanneer ze pas uit de knop komen. Hij werd al groter en het donkere hulsel er om heen sprong langzamerhand en het licht barstte naar buiten in vier heldere bladeren aan de kanten. Eindelijk, toen hij zo ver naar beneden was gekomen als de dichtstbijzijnde ster, hield hij stil. Toen bogen de donkere stukken geheel opzij en er wikkelde zich het ene blad na het andere los van een prachtig stralend rozenkleurig licht, tot hij eindelijk geheel klaar was en straalde als de schoonste onder de sterren.

    Toen de arme mannen dat zagen, zei hun wijsheid hun, dat op dit uur op aarde een machtige Koning geboren werd, een wiens macht die van Cyrus en Alexander te boven zou gaan. En ze zeiden tot elkaar: 'Laat ons naar de vader en de moeder van de Pasgeborene gaan en hun zeggen wat we zoeven gezien hebben. Misschien dat ze ons dan belonen met een zak munten of met een gouden armband.'

    Ze namen hun lange wandelstaven op en begaven zich op weg. Ze gingen de stad door en de stadspoort uit. Maar daar waren ze een ogenblik in de war, want nu breidde zich voor hen uit de grote droge, lieflijke woestijn, die de mensen verafschuwen. Toen zagen ze, hoe de nieuwe ster een smalle streep licht over het woestijnzand wierp en zij gingen getroost voort met de ster als wegwijzer.

    Zij gingen de hele nacht voort over de witte zandvlakte en onder de hele tocht spraken ze over de jonge pasgeboren Koning, die ze zouden vinden, slapend in een wieg en spelend met edelgesteenten. Zij verkortten de uren van de nacht door er over te spreken, hoe zij tot zijn vader, de koning, zouden gaan en tot zijn moeder, de koningin, en hun zeggen, dat de hemel hun zoon kracht en macht en schoonheid en geluk voorspelde, groter dan die van Salomo.

    Ze verhieven er zich op, dat God hen geroepen had om de ster te zien. Zij zeiden, dat de ouders van de jonggeborene hen niet met minder dan twintig zakken goud konden belonen. Misschien zouden zij zelfs wel zoveel geven, dat zij de pijn van de armoede niet meer behoefden te dragen."

    "Ik lag op de loer in de woestijn als een leeuw," zei De Droogte, "en wilde me op deze reizigers werpen met alle ellende van de dood, maar ze ontkwamen mij. De ster leidde hen de hele nacht en tegen de morgen, toen het licht werd en de andere sterren verbleekten, bleef deze hardnekkig staan en lichtte over de woestijn, tot ze hen geleid had naar een oase, waar zij een bron en vruchtdragende bomen vonden. Daar rustten zij de gehele dag en eerst tegen de nacht, toen ze het sterrenlicht over het woestijnzand zagen, gingen zij verder."

    "Voor een mens," ging De Droogte voort, "was het een heerlijke wandeling. De ster leidde hen zo, dat ze honger noch dorst behoefden te lijden. Zij bracht hen voorbij de scherpe distels. Zij ontweken het diepe losse stuifzand, zij ontweken de scherpe zonneschijn en de hete woestijnstorm. De drie wijzen zeiden aanhoudend tegen elkaar: 'God beschermt ons en zegent onze gang; wij zijn Zijn gezanten.'"

    "Maar zo langzamerhand kreeg ik toch macht over hen," ging De Droogte voort. "Het hart van die sterrenreizigers veranderde in een woestijn, even droog als die waar ze doortrokken. Zij werden vol onvruchtbare trots en verwoestende gierigheid. 'Wij zijn Godsgezanten,' herhaalden de drie Wijzen. 'De vader van de pasgeboren Koning beloont ons niet te hoog, als hij ons een karavaan schenkt, beladen met goud.' Eindelijk leidde een ster hen over de beroemde Jordaan en de heuvels van Jeruzalem op. En op een nacht bleef die staan boven de stad Bethlehem, die tussen de groene olijven op een heuvel lag te schitteren.

    De drie Wijzen zagen rond naar een paleis en vestingtorens en muren en al zulke dingen, die bij een koningsstad horen; maar zij zagen niets. En wat erger was, het sterrenlicht leidde hen niet eens de stad in, maar bleef staan bij een grot aan de kant van de weg. Daar gleed het zachte licht naar binnen door een opening en toonde de drie wandelaars een kindje, dat op moeders schoot rustig lag te slapen.

    Maar hoewel nu de drie Wijzen zagen, dat het sterrenlicht het hoofdje van het kind omstraalde als een kroon, bleven zij buiten de grot staan. Zij gingen niet naar binnen om de kleine eer en een koninkrijk te voorspellen. Zij wendden zich af zonder hun tegenwoordigheid te verraden, en zij vluchtten van het kind weg en liepen terug naar de heuvel.

    'Zijn wij uitgegaan naar bedelaars, die even arm zijn als wij?' zeiden ze. 'Heeft God ons hierheen geleid, opdat wij met Hem zouden spotten, en eer en aanzien voorspellen aan de zoon van een schaapherder? Dat kind brengt het nooit verder dan dat hij zijn kudde hoeden zal hier in het dal.'"

    De Droogte hield op en knikte bevestigend haar toehoorders toe. "Heb ik geen gelijk?" scheen zij te vragen. "Er is iets, dat droger is dan woestijnzand, maar niets is onvruchtbaarder dan het mensenhart."

    "De drie Wijzen hadden niet lang gelopen, toen het hun voorkwam, dat zij verdwaald waren en de ster niet goed gevolgd hadden," ging De Droogte voort. "En zij zagen omhoog om de ster te vinden en de rechte weg. Maar toen was de ster, die zij heel uit het oosten gevolgd hadden, van de heuvel verdwenen." De drie vreemdelingen maakten een heftige beweging en op hun gezichten lag een uitdrukking van diepe smart.

    "Wat nu gebeurde," ging de spreekster voort, "is van het standpunt van een mens uit gezien, misschien gelukkig. Dit is zeker, dat de drie mannen, toen zij de ster niet meer zagen, begrepen dat zij tegen God gezondigd hadden. En hun geschiedde," vertelde De Droogte bevend verder, "zoals het veld in de herfst, als de sterke regens beginnen. Zij beefden van schrik als voor donder en bliksem, hun ziel werd week en ootmoed ontsproot in hun hart als groen gras. Drie dagen en drie nachten dwaalden zij door het land om het kind te vinden, dat zij moesten aanbidden. Maar de ster vertoonde zich niet aan hen. Zij verdwaalden steeds verder en voelden de grootste smart en wanhoop. In de derde nacht kwamen zij aan deze bron om te drinken. En toen had God hun de zonde vergeven, zodat, toen ze zich over het water bogen, zij daar in de diepte het spiegelbeeld zagen van de ster, die hen uit het oosten hierheen geleid had.

    En onmiddellijk zagen zij die ook aan de hemel en zij leidde hen opnieuw naar de grot in Bethlehem. En zij knielden voor het kind en zeiden: 'Wij brengen U gouden schalen met wierook en kostbare kruiden. U zult de grootste koning worden, die op aarde geleefd heeft, van haar schepping af tot haar ondergang toe.' Toen legde het kind zijn hand op hun gebogen hoofden, en toen zij opgestaan waren, had het hun geschenken gegeven groter dan een koning ze geven kon. Want de oude bedelaar was jong geworden, de melaatse was gezond. En men zegt, dat zij zo heerlijk waren om aan te zien, dat zij heentrokken en koning werden - ieder in zijn eigen land."

    De Droogte hield op met vertellen en de drie vreemdelingen prezen haar: "U hebt goed verteld," zeiden zij. "Maar het verwondert mij," zei de ene, "dat de drie Wijzen niets voor de bron deden, die hun de ster toonde. Zouden ze zulk een weldaad geheel vergeten?"

    "Moet zulk een bron niet altijd blijven bestaan?" zei de tweede vreemdeling, "om de mensen te herinneren, dat het geluk, dat verloren wordt op de bergen van de hoogmoed, teruggevonden kan worden in het dal van de nederigheid?"

    "Zijn de overledenen dan erger dan de levenden?" zei de derde. "Sterft de dankbaarheid bij hen, die leven in het Paradijs?"

    Maar toen zij dit zeiden, sprong De Droogte op met een kreet. Zij had de vreemdelingen herkend, ze begreep wie die reizigers waren. En zij vluchtte als een razende om niet behoeven te zien hoe de drie Wijzen hun dienaren riepen en hun kamelen naar de bron leidden, allen beladen met waterzakken, en de arme, stervende bron vulden met water, dat zij uit het Paradijs gehaald hadden.

    23-06-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (1 Stemmen)
    » Reageer (0)
    22-06-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Nieuw op dit blog Tegel 95


    Image and video hosting by TinyPic .

    22-06-2012 om 22:16 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Nieuw op dit blog Tegel 1.



    Image and video hosting by TinyPic

    .

    22-06-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    21-06-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Nieuw op dit blog Tegel 94


    Image and video hosting by TinyPic .

    21-06-2012 om 20:53 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    » Reageer (0)
    20-06-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Nieuw op dit blog Tegel 93


    Image and video hosting by TinyPic .

    20-06-2012 om 21:32 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    19-06-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Nieuw op dit blog Tegel 92


    Image and video hosting by TinyPic .

    19-06-2012 om 23:30 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De deur



    De deur



    Er was onweer op komst. Snel liep Inge verder. Als ze zich zou haasten zou ze nog juist op tijd zijn. Hopelijk haalde ze haar trein nog. Ze zou voor 2 weken bij haar tante gaan logeren, die ze nog nooit had gezien. Ze hoopte dat het mee zou vallen, want er deden duistere roddels de ronde over haar tante Imelda.
    Het station kwam in zicht. Even later zat Inge in de trein. Ze verveelde zich. Tante Imelda zou haar komen afhalen aan het station. 2 uren later hoorde ze een stem van de luidsprekers van de trein:`We zijn zonet aangekomen in het donkerwoud. We hopen dat u een aangename reis gehad heeft.´ Inge pakte haar bagage en stapte uit de trein. Ze keek rond maar er was geen mens te bespeuren. Plotseling voelde ze dat er iemand op haar schouder tikte.�Jij bent dus Inge.� Inge draaide zich om en keek recht in het gezicht van een kleine ronde vrouw met grijze haren. Ze was niet meer van de jongste, dat was duidelijk te zien aan de rimpels in haar gezicht. In haar ogen die zo zwart als roet waren, schuilde een mysterieuze blik. De vrouw zei: “Ik ben Imelda, je tante. Volg mij maar.� Zonder iets te zeggen liep Inge achter de vrouw aan.
    20 minuten later stonden ze voor een huis dat er maar verlaten bij lag. De grote tuin moest er ooit eens prachtig uitgezien hebben, maar op dit moment leek hij meer op een jungle. Het huis lag midden in het bos. Imelda liep naar de voordeur en haalde een grote sleutel uit haar schort waarmee ze de voordeur opende. Inge liep haar tante achterna het huis in. Imelda zei tegen haar:�Volg mij maar naar je kamer.� Ze liep de grote marmere trap op, die midden in de hal lag. Even later stonden ze in een piepklein kamertje met een bed en een kast. Het zag er niet bepaald gezellig uit. Imelda zei tegen Inge: “Kom laten we iets eten.� Ze gingen naar beneden en zetten zich in de grote keuken aan tafel die al voor 2 personen gedekt was. Het avondeten bestond uit bloedworst. Iets wat Inge absoluut niet graag at was bloedworst! Toen ze haar bord had leeg gegeten stond ze op van tafel en zei ze tegen haar tante dat ze maar eens vroeg naar bed ging. Imelda knikte en zei voor de rest niets. Toen Inge in haar bed lag hoorde ze een raar geluid. Zo een geluid had ze nog nooit gehoord. Nu wist ze het zeker, ze hoorde iemand schreeuwen?! Voorzichtig stapte ze uit haar bed. BONK!!! Ergens in het huis viel er een deur in het slot. Inge opende de deur van haar kamer en liep naar beneden. Er was niets verdachts te zien. De volgende morgen vertelde Inge over de rare geluiden aan haar tante. Imelda zei: �Haha, dat heb je je zeker ingebeeld� In de namiddag was Imelda naar de stad en was Inge alleen thuis. Ze verveelde zich. Op eens kreeg ze een idee. In zo een groot oud huis moest er toch iets te beleven zijn? Ze zou eens kijken wat voor kamers er nog allemaal in het huis waren. Even later stond Inge voor een grote deur, maar die bleek op slot te zijn. De tweede deur was niet op slot. Inge ging naar binnen. Wat was dit? De kamer was wit geschilderd en in het midden stond een stalen tafel. Waarvoor zou die wel dienen? Voor de rest was er in de kamer niets, behalve nog een andere deur. Zo een deur had Inge nog nooit gezien. De deur was uit hout en er waren prachtige figuren in gekerfd. Inge probeerde de deur te openen, maar dat lukte niet meteen, de deur zat vast. Na 5 minuten had ze de deur dan toch open gekregen. Achter de deur lagen trappen, die waarschijnlijk naar een kelder lijden. Ze volgde de trappen en uiteindelijk kwam ze uit in een ruimte die vol stond met kasten. Ze opende een kast. De inhoud ervan zou ze nooit meer vergeten. Glazen potten…met mensenhoofden erin!! Op eens hoorde ze een stem achter haar: “Die kast had je beter niet geopend!� Imelda stond achter haar met een groot mes in haar hand. Ze sprong op Inge toe en dode haar met een steek recht in het hart. Op de dag van vandaag spookt de geest van Inge nog altijd door het huis, tot er iemand komt, die haar hoofd uit een van de glazen potten bevrijd

    19-06-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    18-06-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Nieuw op dit blog Tegel 91


    Image and video hosting by TinyPic .

    18-06-2012 om 21:58 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Arthur, koning over eeuwen
    Arthur, koning over eeuwen
    Twee jaar later stierf koning Uther Pendragon. Omdat de edelen niet wisten wie ze als opvolger moesten kiezen, vroegen ze Merlijn om raad. Ze beloofden hem dat ze zich aan zijn beslissing zouden houden. Hij verzocht hun op kerstdag bij elkaar te komen in de St. Stephenskerk in Londen. Daar kregen ze te horen dat ze na de mis naar het kerkhof moesten gaan, waar op geheimzinnige wijze een grote steen was verschenen. Boven op de steen stond een groot aambeeld waarin een stalen zwaard was gestoken. Toen ze naar het wonderlijke tafereel liepen, lazen ze een inschrift op het gevest van het zwaard. De tekst luidde dat alleen degene die het zwaard eruit kon trekken, koning mocht worden. De ridders vonden dat een uitstekende oplossing en deden om beurten hun uiterste best om het zwaard los te rukken. Het lukte hun geen van allen. Teleurgesteld gingen ze weer naar huis. De troon was nog steeds onbezet. Er verstreken heel wat jaren voordat Sir Hector naar Londen kwam met zijn zoon Sir Kay en zijn pleegzoon Arthur. Sir Kay zou voor het eerst van zijn leven deelnemen aan een toernooi. Toen hij op het veld aankwam, ontdekte hij tot zijn spijt dat hij zijn zwaard was vergeten. Arthur bood aan het thuis te gaan halen. Het huis was echter op slot. Omdat hij per se een zwaard voor zijn broer wilde meenemen, liep hij het kerkhof op. Hij had vaak horen vertellen over het zwaard dat daar in het aambeeld vastzat. Met groot gemak trok hij het stalen wapen eruit.

    Arthur tot koning uitgeroepen

    Toen hij het vermaarde zwaard met een zekere onverschilligheid aan Sir Kay gaf, zag Sir Hector dat. Eerst was hij stomverbaasd, maar vervolgens vroeg hij aan Arthur hoe hij aan dat zwaard kwam. "Het zat in het aambeeld op het kerkhof," antwoordde Arthur. "Ik had haast en trok het eruit." Sir Hector kon nauwelijks geloven wat hij hoorde, en ging snel naar de andere ridders om te vertellen wat er was gebeurd. Samen met Arthur gingen ze naar het kerkhof en waren er getuige van dat hij het zwaard eerst in het aambeeld terugstak en het er vervolgens weer uithaalde. Toen waren ze ervan overtuigd dat hij koning moest worden. Meteen begonnen ze te roepen en te juichen van blijdschap en hun lawaai was tot ver buiten het kerkhof te horen. Maar nauwelijks had Arthur de troon bestegen of er werden geruchten over zijn raadselachtige geboorte verspreid. Sommigen verklaarden dat Merlijn hun alles kon wijsmaken over de afkomst van de jonge koning; ze waren ervan overtuigd dat Arthur niet de zoon van Uther Pendragon en Yguerne was, maar op een mysterieuze manier uit de diepten van de zee naar boven was gehaald, op de top van een golf, en op het strand vlak voor de voeten van de tovenaar was geworpen. Daarom koesterden velen wantrouwen jegens de koning en wilden ze hem in het begin niet gehoorzamen. Dit wantrouwen was louter op jaloezie gebaseerd. Wie Arthur zag, besefte meteen dat hij van koninklijke afkomst was, zo mooi was zijn lichaam, zo openhartig zijn gezicht. Tot degenen die hun jaloezie lieten blijken, behoorden enkele familieleden van de koning, met name zijn vier neven, Gawain, Gaheris, Agravaine en Gareth. Arthur moest wel oorlog tegen hen gaan voeren, ook al stond hem dat mateloos tegen. Gawain was zijn grootste vijand; elke ochtend van tien tot twaalf uur en elke middag van drie tot zes uur was hij op een wonderlijke manier veel sterker dan de rest van de dag. Daarom raadde Merlijn Arthur aan gebruik te maken van de uren waarin Gawain niet over zijn volle kracht beschikte. Arthur volgde de raad op en versloeg zijn neef.

    Sir Pellinore

    Toen Arthur zijn vijanden had verslagen, regeerde hij op een verstandige manier over het land. Merlijn stond hem vaak bij met wijze raad. Arthur spande zich in om onrecht te herstellen en streefde naar orde en veiligheid. Sinds de dood van Uther Pendragon was het land ten prooi gevallen aan wanorde, chaos en plundering. Maar de nieuwe koning liet blijken dat hij de touwtjes strak in handen had, zodat het volk veel respect voor hem had en de ridders hem graag hielpen. Uiteraard maakte Arthur wel eens een fout, zoals eens met Sir Pellinore. Op onterechte gronden meende hij Sir Pellinore te moeten verslaan en hij deed een plotselinge uitval naar hem. Zijn zwaard miste echter zijn doel en brak. Arthur was nu in feite ongewapend en Sir Pellinore had hem zonder meer kunnen doden. Maar Merlijn kwam tussenbeide met zijn toverkunsten. Hij liet Sir Pellinore diep in slaap vallen en bracht Arthur weg naar een veilige plaats. Arthur had veel verdriet om het verlies van zijn toverzwaard, want hij wist niet hoe hij aan een soortgelijk zwaard kon komen. Toen hij eens aan een meer stond te peinzen wat hij zou doen, zag hij een witte arm uit het water omhoogkomen. De hand hield een zwaard vast dat met juwelen bezet was. Als betoverd staarde Arthur naar het zwaard, totdat de Vrouw van het Meer verscheen en hem vertelde dat hij het mocht gebruiken. Ze zei: "U herinnert zich hoe lang geleden, op een zomeravond, een arm omhoogkwam uit de diepte van het meer, gehuld in wit fluweel, mystiek en wonderlijk. De arm hield het zwaard vast. En u herinnert zich hoe ik erheen liep en het aannam en het sindsdien droeg, als een vorst."

    Excalibur

    Arthur was erg blij met haar aanbod. Hij holde het meer in en pakte het zwaard, dat Excalibur werd genoemd. De Vrouw van het Meer vertelde hem dat het wapen toverkracht bezat en dat hij niet gewond of gedood kon worden zolang hij de schede in bezit had. Arthur keerde naar zijn paleis terug. Daar vernam hij dat de Saksen weer zijn land waren binnengevallen. Meteen trok hij ten strijde tegen de invallers en behaalde vele overwinningen. Kort daarna hoorde hij ook dat Leodegraunce, koning van Schotland, werd bedreigd door zijn broer Ryance, koning van Ierland. Ryance had het plan opgevat een mantel te laten maken van de baarden van koningen; hij had er nog maar één nodig om de mantel te voltooien. Arthur was verontwaardigd over de bloeddorst van de Ierse koning en ging Leodegraunce snel helpen. Tijdens het gevecht met het Ierse leger doodde Arthur Ryance met zijn toverzwaard en pakte hij ook zijn mantel af, die hij in triomf met zich meevoerde.

    Arthur trouwt met Guinevere

    Overladen met roem ging Arthur naar het hof van koning Leodegraunce. Hij werd daar verliefd op Guinevere, de mooie dochter van de koning. Zodra zij de Engelse koning zag, vond ze hem de mooiste en dapperste koning ter wereld en ze stemde meteen toe in een huwelijk met hem. Merlijn besloot echter dat Arthur eerst nog een veldtocht moest houden. Dus trok Arthur erop uit en meer dan ooit was hij erop gericht roem voor zijn mooie bruid te oogsten. Na de oorlog konden ze met elkaar trouwen. Het huwelijk werd met veel pracht en praal voltrokken en gevierd. Als geschenk kreeg hij van Guinevere de Ronde Tafel die eens voor zijn eigen vader was gemaakt. Toen reisde hij met zijn bruid naar Camelot (Winchester), waar hij de totale bevolking voor een groot feest tijdens Pinksteren uitnodigde. Dat was het einde van de eerste regeringsperiode van Arthur en begon de tweede periode, die het bekendst is geworden.

    Ridders van de Ronde Tafel

    Toen Arthur eens in Camelot was, kreeg hij het idee een ridderorde te stichten. De ridders die daartoe behoorden, moesten hem trouw zweren en zouden aan de tafel zitten die Guinevere hem had gegeven. Ze zouden de ridders van de Ronde Tafel worden genoemd. Speciaal voor deze orde liet hij een prachtig kasteel bouwen met een eetzaal die bij uitstek geschikt was om de Ronde Tafel in te zetten. Om de tafel werden de stoelen voor de ridders geplaatst. Het is niet zeker hoeveel zetels er waren. Waarschijnlijk waren het er twaalf, maar er wordt ook wel eens gezegd dat het er honderden waren. Hoe dan ook, de zetels waren zeer gewild. De ridders die een plaats wisten te bemachtigen, waren daar zo trots op dat ze een speciaal devies op hun schild lieten zetten om aan te geven welke eer ze hadden verworven. Toen de bouw van de zaal voltooid was, werd de Ronde Tafel op haar plaats gezet. In de muur waren twaalf nissen aangebracht waarin grote standbeelden stonden van de twaalf ridders die Arthur al had overwonnen. In de hand van elk standbeeld zat een kaars; Merlijn voorspelde dat ze zouden branden tot de Heilige Graal verscheen. Toen Arthur de zaal binnenschreed, was hij zeer tevreden. Hij zei tegen Merlijn: "Kijk, de zaal is klaar, de tafel is er en de stoelen staan eromheen. Vertel me nu welke ridders het waard zijn om aan deze tafel te zitten." Merlijn begon namen te noemen totdat alle stoelen op twee na bezet waren. Er werd een groot banket gehouden en het selecte gezelschap zat enthousiast rondom de tafel. Hun gedachten wijdden ze uitsluitend aan het verrichten van dappere en edele daden, want ze wilden allemaal graag de Heilige Graal zien. Toen de ridders na het banket opstonden, zagen ze dat hun naam met gouden letters in de zitting van hun stoel geschreven stond. Op één van de lege stoelen was geschreven: "Gevaarlijke zetel." De ridders vroegen verbaasd aan Merlijn wat dat kon betekenen. Merlijn vertelde dat die zetel was gereserveerd voor een ridder die volkomen zuiver was. Als er iemand met een zondig geweten op plaatsnam, zou de aarde splijten en hem verzwelgen.

    Lancelot du Lac

    De ridders van de Ronde Tafel werden overal beroemd vanwege hun dappere en edele daden. Sir Lancelot du Lac was het meest geliefd bij de bevolking. Chrestien de Troyes, Geoffrey de Ligny, Robert de Borron en Walter Map hebben allemaal over deze moedige ridder geschreven. Ook Malory heeft zijn stof hoofdzakelijk ontleend aan de gedichten die over Lancelot gaan. De kinderjaren van Lancelot zijn zeer interessant. Men zegt dat hij de zoon was van koning Ban en Helen. Het koninklijk paar moest uit hun belegerde kasteel in Brittannië vluchten toen hun zoon nog een kind was. Ze waren echter nog niet ver of hun kasteel bleek in brand te zijn gestoken. De aanblik van de vlammenzee was te veel voor Ban en hij viel dood neer. Helen" wilde haar man hulp bieden en legde haar kind bij een meer in het gras. Maar toen ze het weer wilde oppakken, zag ze het in de armen van Vivian, de Vrouw van het Meer, die met Lancelot onder de golven verdween. Wanhopig van angst begon Helen luid te schreeuwen. Maar dat hielp niet, want de fee verdween snel uit het zicht. Helen, die nu man en kind verloren had, trok zich bedroefd in een klooster terug. Lancelot werd met zijn twee neven, Lyonel en Bohort, opgevoed in het paleis van de Vrouw van het Meer. Daar bleef hij tot zijn achttiende jaar. Toen bracht de fee hem zelf naar het hof en stelde hem voor aan de koning. Arthur was onder de indruk van zijn verschijning en behandelde hem meteen als vriend. Lancelot kreeg een ereplaats aan de Ronde Tafel. De andere ridders begroetten hem ook enthousiast; hij was hun meerdere in schoonheid en moed.

    Lancelot en Guinevere

    Ondanks dit goede begin van zijn leven aan het hof zou Lancelot veel droefheid en verdriet ervaren. Want zodra hij koningin Guinevere zag, werd hij mateloos verliefd op haar. De koningin was wel dol op de ridder, die zich vaak voor haar inzette, en ze verleende hem veel gunsten. Maar haar gevoelens voor hem werden zo intens dat ze hem zelfs zover kreeg dat hij zijn vriend en koning geregeld verried. Lancelot werd verscheurd door hartstocht enerzijds en trouw anderzijds. Daardoor voelde hij zich diep ongelukkig en leed hij onder aanvallen van waanzin, waarin hij jarenlang doelloos rondzwierf. Als de aanvallen voorbij waren, keerde hij terug naar het hof, waar hij dan met nog meer kracht dan voorheen dappere daden verrichtte. In elk gevecht had hij succes, want hij vocht voor gerechtigheid. Daarnaast bleef hij zich inzetten voor de koningin, al waren er heel wat vrouwen die haar plaats probeerden in te nemen. Er zijn dichters die Guinevere willen vrijpleiten. Ze zeggen dat er twee Guineveres waren; de ene was lieflijk en zuiver en verdiende ieders respect, maar moest boeten voor de andere, die zondig en slecht was. Alle dichters zijn het er wel over eens dat Lancelot onwankelbaar was in zijn trouw aan de koningin. Hoewel het hele hof op de hoogte was van de liefde van Guinevere voor Lancelot, was Arthur te zuiver van ziel om ook maar enige verdenking te koesteren. Pas na geruime tijd kon het geheim niet langer verborgen blijven en kreeg hij door wat er gaande was. Het deed hem veel verdriet en hij stuurde zijn vrouw weg. Zij ging met haar minnaar in Joyeuse Garde (Berwick) wonen, een kasteel dat Lancelot met zijn lans had veroverd om Guinevere een plezier te doen. Toen Arthur eenmaal inzag dat hij zijn vrouw ten onrechte om haar gedrag had veroordeeld, nam hij haar weer in genade aan en ook Lancelot mocht weer aan het hof verschijnen. Daar bleef hij haar liefhebben en dienen. Toen hij op een dag hoorde dat Guinevere gevangen was genomen door Meleagans, ging hij snel achter haar aan om haar te bevrijden. Hij wist in welke richting ze was ontvoerd, want ze had als tekens een kam en een ring laten vallen. Onderweg kreeg hij met pech te kampen. Zijn paard werd hem door een toverkracht afgepakt, zodat hij op een kar verder moest rijden. Dat was voor een ridder een bijzonder ongepaste manier van reizen, want edelen die bepaalde misdaden hadden begaan werden als straf op een kar rondgereden. Mensen uit het volk kregen in zulke gevallen zweepslagen. Lancelot wilde echter per se Guinevere helpen en dus kon het hem niet schelen hoe hij bij haar kwam. Hij bereikte uiteindelijk het kasteel waar ze gevangen werd gehouden. Hij versloeg zijn vijanden en wilde Guinevere bevrijden. Tot zijn grote verbazing wilde ze helaas niets van hem weten, want ze was verontwaardigd dat hij op een kar naar haar toe was gekomen. De situatie was ondraaglijk voor Lancelot. Hij vluchtte en doolde als een waanzinnige rond. Zelfs in zijn slaap kwam hij niet tot rust.

    Na enige tijd besefte de koningin dat ze niet juist had gereageerd. Ze gaf drieëntwintig ridders opdracht hem te gaan zoeken. Het duurde twee jaar voordat ze hem eindelijk vonden. Intussen had een mooie, vrome vrouw medelijden met de ongelukkige Lancelot gekregen. Toen ze zag dat hij met zijn leed voldoende had geboet voor zijn zonden, bracht ze hem naar de kamer waar de Heilige Graal werd bewaard. Daar kwam toen een heilige man die de Heilige Graal ontdekte en met behulp van de Graal Sir Lancelot geheel genas.

    Gareth en Lynette

    Toen Lancelot eenmaal van zijn waanzin was genezen, keerde hij terug naar Camelot. Hij werd er enthousiast verwelkomd door Arthur, Guinevere en alle ridders. Lancelot maakte Sir Gareth tot ridder, want om zijn moeder een plezier te doen had hij zijn ware naam verborgen gehouden en een jaar lang als kok gewerkt. De kersverse ridder ging meteen met de mooie Lynette op weg om haar gevangen zuster te bevrijden. Lynette hield hem echter voor een eenvoudige keukenhulp en beledigde hem op allerlei manieren. Hij verdroeg het allemaal en versloeg haar vijanden dapper. Dat maakte zoveel indruk op haar dat ze hem ging bewonderen en hem uitnodigde naast haar te komen rijden. Nederig vroeg ze of hij haar gedrag wilde vergeven. "Heer ridder," zei ze, "ik had gehoord dat u knecht was. Ik schaam me dat ik u zo heb behandeld, zo kwaad heb toegesproken, zo adellijk als ik ben. Ik dacht dat Arthur boos op mij was. Vergeef me, u hebt mij steeds vriendelijk geantwoord."

    Huwelijk van Gareth en Lynette

    Gareth schonk haar graag vergeving, want ook al was ze koppig en trots, hij was wel veel van haar gaan houden. Toen hij eenmaal naast haar reed, werd hij nog dapperder in het gevecht. Toen hij heel wat ridders had verslagen en haar zuster had bevrijd, beloofde Lynette hem dat ze met hem zou trouwen zodra hij tot de Ronde Tafel was toegelaten. Gareth haastte zich terug naar het hof van Arthur en vroeg hem die eer te gunnen. Dat wilde Arthur wel doen, want met zijn dappere optreden had hij intussen de nodige roem vergaard. Gareth ging dit meteen aan Lynette vertellen, waarna ze in het huwelijk traden.

    Geraint en Enid

    Omstreeks diezelfde tijd was Geraint, een broer van Gareth, ook lid van de Ronde Tafel geworden. Ook hij verrichtte vele dappere daden en trouwde vervolgens met de fee Enid, de enige dochter van een oude ridder die door omstandigheden tot armoede was geraakt. Geraint bevrijdde de ridder van zijn onderdrukkers en gaf hem zijn bezittingen terug. Geraint ging met zijn vrouw in zijn afgelegen kasteel wonen. Hij hield zich nog uitsluitend bezig met de hartewensen van zijn vrouwen schoof al zijn hogere verlangens opzij. Enid vond dat op het laatst niet prettig meer. Hij wilde alleen maar plezier maken en verwaarloosde zijn plichten en eergevoel. Toen hij op een dag eerder in slaap viel dan zij, begon ze haar hart te luchten en eindigde met de verklaring dat ze stellig een onwaardige vrouw was, anders zou Geraint niet alles voor haar opofferen. Toen Geraint wakker werd van haar stem, had hij het eerste deel van haar betoog net gemist, maar hij zag wel haar tranen en hoorde haar de woorden "onwaardige vrouw" uitspreken. Daaruit concludeerde hij dat ze niet meer van hem hield en dat er een andere man in het spel was. Kwaad stond Geraint (in Duitse en Franse boeken ook Erek genoemd) van zijn bed op en gaf zijn vrouw het bevel armoedige kleren aan te trekken en hem zwijgend door de wereld te volgen. Hij gaf zijn dienaar het bevel zijn paard te zadelen en ook dat van zijn vrouw Enid. Hij zei dat hij de hele wereld wilde gaan verkennen. Direct daarop gingen ze op weg. Ze wilde de man dienen van wie zij zielsveel hield, en deed dus precies wat hij zei. Ze zag hem onderweg het geheel alleen opnemen tegen ridders die hem uitdaagden, en zelf zijn wonden verbinden. Ze had geen flauw idee waarom hij zo koel tegenover haar deed, en doorstond al zijn grillen zo onbewogen dat hij op het laatst zijn vergissing inzag. Hij bekende haar dat hij haar ten onrechte van schandelijk gedrag had verdacht, en gaf haar weer het respect dat haar toekwam. Enid was toen zielsgelukkig en ze brachten de rest van hun huwelijksjaren in volmaakte wederzijdse liefde en trouw door, totdat Geraint sneuvelde tijdens één van de vele gevechten die hij voor de koning leverde.

    Sir Galahad

    Eens zaten de ridders met Pinksteren aan een feestmaaltijd in Camelot, toen een bedroefde vrouw de zaal binnenkwam. Ze liep op Lancelot af en vroeg hem met haar mee te gaan naar het bos in de buurt. Toen hij vroeg waarom ze dat wilde, zei ze dat daar een jonge strijder was die door hem tot ridder geslagen wilde worden. Sir Lancelot wilde haar wel helpen en ging dus met haar mee naar het bos. Daar trof hij de jongeman aan, die haar bevrijd bleek te hebben, en sloeg hem tot ridder. Vanwege zijn voorbeeldige levensloop werd de ridder later bekend als Sir Galahad de Reine. Sommigen zeggen dat hij de zoon van Lancelot was, maar anderen menen dat hij niet uit een sterveling geboren was. Zodra Lancelot in de feestzaal was teruggekeerd, hoorde hij dat er een wonder was gebeurd. Alle aanwezigen snelden naar de oever van de rivier. Het gerucht bleek te kloppen, want ze zagen een zware steen op het water drijven. Toen ze goed keken, zagen ze dat een kostbaar wapen in de steen was gestoken. Toen de steen op de oever was geland, dromden de ridders eromheen en lazen op het wapen een waarschuwende tekst; alleen een ridder die een volkomen zuiver geweten had, mocht proberen het uit de steen te trekken, ieder ander zou een zware straf riskeren. De ridders wendden zich bescheiden af, want ze hadden allemaal wel een zonde, hoe klein ook, op hun geweten. Ze keerden terug naar de zaal en zagen daar al gauw een oude man binnenkomen, die door Galahad werd begeleid. Galahad, die nog in onschuld leefde en geen vrees kende, ging op de "Gevaarlijke Zetel" zitten. In angstige spanning wachtten de ridders af wat er ging gebeuren. Maar opeens zagen ze zijn naam in gouden letters op de stoel verschijnen. Dat was het teken dat hem de eer ten deel viel. Ze begonnen uitgelaten te juichen tot de plafond balken ervan trilden. Aan zijn zijde droeg Galahad een lege schede. Toen ze hem om een verklaring vroegen, zei hij dat voorspeld was dat hij een toverwapen zou krijgen. Het verband met het wapen in de zware steen was gauw gelegd. Ze namen de ridder mee naar de rivier en wezen hem het geheimzinnige wapen. Toen hij het pakte, gaf het meteen mee en hij kreeg het er zonder moeite uit. Hij stopte het in de lege schede, het bleek precies te passen. Toen alle ridders die avond na de maaltijd aan de Ronde Tafel zaten, hoorden ze een langdurig rollende donder en voelden hoe het paleis op zijn grondvesten schudde. De prachtige kaarsen die in de handen van de twaalf standbeelden zaten, doofden onverwacht en daar kwam de Heilige Graal aan op een schitterende straal van hemels licht. De gewijde schaal, die bedekt was met wit fluweel en door onzichtbare handen werd gedragen, gleed door de grote zaal. Een heerlijke geur vervulde het enorme gebouw. Sprakeloos van ontzag en vervoering keken de ridders naar dit prachtige schouwspel, totdat de Graal weer verdween, even snel en mysterieus als hij was gekomen. De spanning onder de ridders vloeide weg en er ging een diepe zucht door het gezelschap. Toen ze weer op hun bord keken, zagen ze daar hun favoriete gerechten op liggen. Geen van de ridders wilde als eerste de stilte verbreken. Roerloos wachtten allen totdat de kaarsen weer helder brandden. Daarop dankten ze hardop voor de genade die hun ten deel was gevallen. Op dat moment sprong Lancelot onverwacht op en deed de gelofte dat hij de Heilige Graal zou gaan zoeken. Hij zou geen rust hebben voordat hij de schaal zonder sluier had gezien. Alle ridders begonnen nu te roepen dat ook zij die gelofte wilden afleggen. Arthur vroeg toen of iemand de Graal ooit zonder sluier had gezien. Niemand kon dat bevestigen. Het stemde hem wel bedroefd dat hij al zijn trouwe ridders zolang zou moeten missen, maar hij wist ook dat ze zich aan hun gelofte moesten houden. Dus gaf hij zijn zegen en verzocht hun te vertrekken. Er hing een sombere sfeer in de zaal toen de ridders opstonden. Het kostte hun veel moeite Arthur goedenacht te wensen, want ze beseften dat ze nooit meer in deze samenstelling aan een feestmaal zouden deelnemen. Dat nam niet weg dat ze zich bij hun besluit wilden houden.

    De zoektocht naar de Heilige Graal

    De volgende ochtend gingen ze op weg. Sommigen vertrokken alleen, anderen zochten een reisgenoot. Zo verspreidden ze zich over de wereld om dappere daden te verrichten uit naam van rechtvaardigheid en zuiverheid. Het is echter niet bekend of iemand anders dan Parzival en Galahad ooit de Graal heeft gezien. Sommigen zeggen dat Lancelot hem heeft gezien, zwak, door een sluier. Anderen beweren dat zelfs Parzival dat niet is gelukt. Alleen Sir Galahad zou het visioen hebben gekregen, en wel toen hij na jarenlang bidden en vasten overleed en zijn ziel naar de hemel ging. Na vele jaren van vergeefs zoeken gingen de meeste ridders inzien dat ze de aanblik van de ongesluierde schaal kennelijk niet waard waren. Daarom keerden ze terug naar Camelot, waar de koningin een groot feestmaal voor hen bereidde. Tijdens de maaltijd gebeurde er iets vreselijks. Eén van de gasten viel dood van zijn stoel. Blijkbaar zat er vergif in zijn drank. Geschrokken sprongen de ridders op en sommigen riepen dat de koningin schuldig was aan moord, want de gedode ridder had naast haar gezeten. "U moet bekennen of in een tweegevecht uw onschuld bewijzen!" riepen ze. De koningin wist zich geen raad en stemde in een gevecht toe. Koortsachtig zocht ze een ridder die haar kon verdedigen. Arthur kwam niet in aanmerking, want hij was haar echtgenoot en mocht haar niet op het terrein van Camelot verdedigen. Helaas bood zich geen enkele ridder aan om voor Guinevere te vechten. Het scheelde niet veel of ze was tot de brandstapel veroordeeld. Gelukkig verscheen Lancelot in vermomming en hij bracht de aanklagers ertoe hun beschuldiging in te trekken. Aan het hof van Arthur werd elk jaar een toernooi gehouden. De winnaar kreeg een kostbaar juweel als prijs. Deze juwelen, die alom vermaard waren, had de koning op een heel bijzondere manier in bezit gekregen. Toen hij als jongen eens in Lyonesse zwierf, had hij de beenderen van twee overleden koningen gevonden. Zij zouden elkaar hebben vermoord. Omdat ze broers van elkaar waren, was de moord zo weerzinwekkend dat niemand hen durfde begraven. Hun wapenrusting was al gaan roesten, maar er lag ook een kroon met diamanten, die Arthur op zijn hoofd zette. Toen hoorde hij een profetische stern zeggen dat hij eens koning zou zijn. Arthur schrok, maar was ook blij om wat hij hoorde. Hij bewaarde de kostbare kroon zorgvuldig en toen de voorspelling was uitgekomen deelde hij de juwelen op toernooien als prijs uit.

    Lancelots bedrevenheid in het toernooi

    Lancelot had aan al deze ridderspelen deelgenomen en telkens de prijs gewonnen. Alleen zijn naam was eigenlijk al voldoende om de overwinnaar vast te stellen. Er waren ridders die zijn succes toeschreven aan de roem die hij intussen had vergaard. Daarom verklaarde Lancelot daags voor het laatste toernooi dat het hem in wezen niets uitmaakte of hij won of niet. Toen reed hij naar Astolat en vroeg aan Elaine, de mooie vrouw die daar woonde, of ze zijn schild wilde bewaren en hem zolang een ander schild wilde geven. Elaine was op slag verliefd op Lancelot geworden en ging meteen op zijn verzoek in. Ze vroeg hem zelfs bedeesd of hij haar kleuren op het toernooi wilde dragen. Tot die tijd had Lancelot uitsluitend de kleuren gedragen die Guinevere hem had gegeven. Deze keer wilde hij echter zijn identiteit verborgen houden en daarom nam hij haar purperen, met parels bezette lint aan. Hij bond het aan zijn helm en stak een pen door de purperen zijde. Toen zei hij tegen Elaine: "Dame, uw lint dat u voor mij afsnijdt, wil ik nemen omdat ik van u houd. Zo heb ik mij nog nooit aan een vrouw gewijd, alleen die ene die mijn hart had veroverd." Ze gloeide van vreugde en trots toen ze Lancelot met haar kleuren zag, en keek hem na toen hij wegreed met Sir Lawaine, haar broer. Ze zuchtte diep en liep terug naar het kasteel. Intussen reed Lancelot, goed vermomd, naar het toernooiveld. Daar gebeurde precies wat hij had gehoopt. Niemand herkende hem en toch wierp hij alle ridders uit het zadel en won de prijs. Heel even leek het laatste gevecht hem noodlottig te worden, want hij werd zwaar gewond. Omdat hij zich zwak voelde worden en per se onbekend wilde blijven, wachtte hij niet tot de prijsuitreiking, maar reed meteen de stad uit.

    Vlak buiten de poorten viel hij bewusteloos van zijn paard en hij werd naar de cel van een kluizenaar gebracht. Daar werd hij verpleegd en verzorgd door Elaine. Zij had gehoord dat er een ridder gewond was geraakt, en uit de beschrijving maakte ze op dat het Lancelot was. Daarop was ze hem meteen gaan zoeken.

    Lancelot en Elaine

    Elaine was erg gelukkig dat ze de gewonde Lancelot mocht verzorgen. Elke dag werd ze mooier en fijner om te zien. Maar na enige tijd was Sir Lancelot weer hersteld en wilde hij op het veld terugkeren. Hij vroeg zijn schild terug en nam afscheid van Elaine.

    Zonder het te beseffen liet Elaine hem blijken dat ze van hem hield. Toen Lancelot dat merkte, trok er een schaduw over zijn gezicht, want hij wist hoe ongelukkig een mens kan zijn als liefde onbeantwoord blijft. Heel behoedzaam vertelde hij haar dat hij al van een ander hield, en ging toen van haar heen.

    Elaine begon zwaar te lijden onder haar liefdesverdriet en verloor al haar kleur. Op het laatst werd duidelijk dat de "lelieblanke maagd van Astolat" spoedig zou sterven. Toen ze haar dood voelde naderen, dicteerde ze met gebroken hart een afscheidsbrief aan Lancelot en ze liet haar vader beloven dat hij de brief in haar hand zou stoppen als ze dood was. Ze verzocht ook opgebaard op een boot te worden gelegd. Omdat ze door Lancelot zelf begraven wilde worden, liet ze uit Camelot een schipper overkomen die niet kon praten.

    Intussen had Gawain, die de diamant van het toernooi bij zich droeg, overal naar de winnaar gezocht. Toen hij in Astolat kwam voordat Lancelot genezen was, hoorde Gawain hoe de overwinnaar heette. In zijn onnadenkendheid vertelde hij die meteen aan Guinevere. Toen de koningin het vage gerucht hoorde dat Lancelot de kleuren van Elaine had gedragen en met haar zou trouwen, werd ze zo jaloers dat ze Lancelot bij zijn eerstvolgende bezoek heel koel ontving.

    Lancelot begreep niets van haar houding en schonk haar nederig een halsketting, bezet met de schitterende diamanten die hij op toernooien had gewonnen. Guinevere greep het geschenk en wierp het door het raam, dat wegens de warmte openstond, in de stroom. Even glinsterden de diamanten en toen was alles weg.

    De uitvaartboot

    Lancelot schrok hevig van wat ze deed. Hij leunde vlug uit het venster en keek de juwelen na. Net op dat moment zag hij een boot die zachtjes stroomafwaarts dreef. De boot maakte een vreemde indruk op hem en hij bleef ernaar kijken. Opeens zag hij dat er een lijk op de boot lag. Even later herkende hij het gelaat van Elaine. Er ging een steek van pijn door zijn hart. De stomme schipper stopte bij de trappen van het paleis. Arthur gaf het bevel het lijk bij hem te brengen. Hij pakte de brief uit de verstijfde hand van de vrouwen las hem hardop voor aan de hovelingen die om hem heen stonden.

    De koning was diep getroffen door het verhaal van Elaines liefde. Hij besloot haar laatste verzoek in te willigen en haar te laten begraven. Lancelot nam die taak bereidwillig op zich. Aan de aanwezigen vertelde hij wat er met hem en het meisje was gebeurd.

    Zijn stem trilde toen hij over haar sterfbed vertelde en riep: "Arthur, mijn vorst, en allen die dit horen, weet dat ik diep bedroefd ben om de dood van deze mooie vrouw. Zij was trouwen goed en had lief met meer liefde dan alle vrouwen die ik ken. En toch, beminnen is nog niet bemind worden, niet op mijn leeftijd, al is jeugd nog zo aanlokkelijk! Ik zweer bij recht en ridderschap, dat ik geen aanleiding heb gegeven tot zulk een liefde. Mijn vrienden kunnen dat getuigen, haar broers en haar vader, die ook zelf wilde dat ik oprecht en bot zou zijn, ja, het gevoel in haar zou doven door wat mij vreemd is: onhoffelijkheid Ik deed mijn best, ik verliet haar zonder afscheid te nemen. Maar had ik geweten dat het zo zou aflopen, dan had ik iets beters geprobeerd, iets wat haar van zichzelf had bevrijd."

    Gekweld door berouw over wat hij onwetend had misdaan, verliet Lancelot het hof van Arthur en begon te zwerven. Hij keerde er net op tijd terug om Guinevere te kunnen redden van weer een valse beschuldiging. Hij was verontwaardigd over de manier waarop ze was behandeld, en nam haar mee naar Joyeuse Garde. Daar zwoer hij dat hij haar zou verdedigen, als het moest zelfs tegen de koning. Dat wekte Arthurs woede; jaloerse hovelingen hadden hem al tegen zijn vrouw opgezet en Lancelots verklaring deed de deur dicht. De koning sloeg het beleg voor het kasteel waarin Lancelot en zijn vrouw zich ophielden. Arthur daagde Lancelot geregeld uit om met hem te vechten, maar de ridder weigerde dat telkens.

    Daarmee was het probleem niet opgelost. Het werd steeds groter, totdat de paus zelf tussenbeide kwam en gezanten naar Engeland stuurde die de zaak onderzochten. Lancelot was ervan overtuigd dat Guinevere voortaan met alle respect zou worden behandeld en gaf haar weer aan de koning. Hij zelf trok zich terug op het landgoed van zijn vader in Brittannië.

    De woede van Arthur jegens Lancelot was echter nog niet bekoeld. Hij liet Guinevere achter onder de hoede van zijn neef Mordred en ging met een groot leger naar Brittannië.

    Het verraad van Mordred

    Arthur was nog niet vertrokken of Mordred ging tot verraderlijk gedrag over. Hij legde meteen beslag op de troon. Omdat hij wel wist dat niemand hem zou tegenspreken, verklaarde hij in het openbaar dat Arthur was verslagen, en hij zette Guinevere onder druk om met hem te trouwen.

    De koningin weigerde verbitterd op zijn avances in te gaan. Uit wraak zette hij haar in de gevangenis en hij liet haar pas weer vrij toen ze beloofde te doen wat hij wilde. Daarop vroeg ze toestemming om naar Londen te gaan, waar ze een bruidskleed zou kopen.

    Guinevere had echter heel andere plannen. Zodra ze in Londen aankwam, liet ze zich in de Tower opsluiten en stuurde ze Arthur het bericht dat ze in gevaar was. De koning liet de belegering van Lancelots kasteel meteen over aan zijn mannen. Hij stak de zee over en kwam het leger van Mordred bij Dover tegen.

    Mordred was erg boos omdat hij in zijn plannen werd gedwarsboomd, en verzamelde zijn leger. Na enige besprekingen werd bepaald dat Arthur en Mordred ieder met een gelijk aantal ridders zouden verschijnen om de vredesvoorwaarden vast te stellen. Ze hadden afgesproken dat ze geen wapens zouden trekken. Alles zou goed zijn afgelopen als er niet een adder in het gras was verschenen. Toen één van de ridders de slang zag, greep hij zijn zwaard om het te doden, en die onverwachte beweging ontketende één van de bloedigste gevechten die in de middeleeuwse literatuur zijn beschreven.

    Het gevecht van Arthur en Mordred

    Aan beide kanten vochten de ridders uitzonderlijk dapper, totdat er bijna niemand meer leefde. Toen kwam Arthur Mordred tegen. Hun ogen spoten vuur op het moment dat ze elkaar in de dodelijke strijd ontmoetten. "Eén van ons moet sterven," mompelde Mordred. "Dat ben jij," antwoordde de koning. Hoewel hij uitgeput was, lukte het hem zijn tegenstander een fatale klap te geven. Maar toen Mordred op de grond viel, hakte hij krachtig op de koning in, die ernstig geraakt werd en stervend in elkaar zakte.

    Zo viel koning Arthur onder het geweld van zijn verraderlijke neef. Hij zou overigens niet gesneuveld zijn als zijn toverschede niet was gestolen door zijn zuster Morgana, de elf, die dus eigenlijk de dood van de koning veroorzaakte. Het slagveld bood een verschrikkelijke aanblik. Overal lagen lijken van ridders en de kreten van stervende krijgers verscheurden de lucht. Mordreds mannen waren tot de laatste toe gedood. Van het leger van Arthur was alleen Sir Bedivere aan de dood ontsnapt. Toen hij zag dat zijn meester op sterven lag, knielde hij snel naast hem neer en hield het bijna niet meer uit van verdriet.

    Arthur gaf hem het bevel het zwaard Excalibur op te pakken en het zo ver mogelijk in het meer te gooien. Dan moest hij terugkomen en vertellen wat hij had gezien. De ridder vond het jammer zo"n kostbaar zwaard weg te gooien. Dus verborg hij het tot twee keer toe. Maar de stervende vorst kwam daar telkens achter en bezwoer Sir Bedivere tenslotte dat hij het moest weggooien.

    Op het moment dat het toverzwaard het water raakte, zag Sir Bedivere een hand uit de diepte omhoogkomen. De hand greep het wapen, zwaaide er drie keer mee en verdween toen onder water. Verbaasd rende hij naar Arthur. Hij verklaarde dat hij zijn ogen had gesloten om de juwelen in het heft niet meer te hoeven zien en het zwaard toen van zich af had geworpen. "Met beide handen wierp ik het, maar toen ik weer keek, zag ik een arm, gehuld in wit fluweel, mystiek en vreemd, die het wapen pakte en rondzwaaide, drie keer, en het toen onder water dompelde."

    Toen Arthur dat hoorde, was hij zichtbaar opgelucht. Hij vertelde Sir Bedivere nog dat Merlijn had gezegd dat hij niet zou sterven. Daarop beval hij de ridder hem in een boot te leggen, die geheel met zwarte doeken bekleed zou zijn. Deze boot zou hij vinden door toedoen van de elf Morgana, de koningin van Northgallis en de koningin van de Westerlanden. Sir Bedivere kon geen woord uitbrengen van verdriet en deed vlug wat Arthur hem gezegd had. Hij vond de boot, legde de koning erin en vertrouwde hem toe aan de drie vorstinnen. Bedivere vroeg Arthur toestemming hem te begeleiden, want hij zag dat hij niet lang meer zou leven. Dat vond Arthur echter niet goed, want hij moest alleen naar het eiland Avalon gaan. Hij hoopte dat zijn wond daar zou genezen en dat hij eens bij zijn volk zou terugkeren.

    Arthur in Avalon

    De onheilspellende, zwarte boot stak van wal, beladen met een last die men nooit meer zou zien. Toch zagen de mensen nog lang naar zijn terugkeer uit; per slot van rekening had hij zelf gezegd dat hij hoopte terug te komen. Niemand durfde te zeggen of hij leefde of dood was. Maar over het algemeen hield men het erop dat hij eeuwige jeugd en zaligheid genoot op het fabeleiland Avalon, vanwaar hij zou terugkeren als de mensen hem nodig hadden. Dat werd in Engeland zo algemeen geloofd dat toen Philips van Spanje met Maria trouwde, hij plechtig moest beloven dat hij de kroon aan Arthur zou teruggeven als deze hem zou komen opeisen.

    Andere romans en gedichten vertellen dat Arthur in de boot naar Glastonbury werd gebracht, waar zijn overblijfselen in een graf werden gelegd. Guinevere trok zich terug in het nonnenklooster in Almesbury. Daar kreeg ze eens bezoek van Lancelot, die tot zijn spijt te laat was gekomen om de koning te redden of zich met hem te verzoenen. Dat deed de ridder veel verdriet, want hij had nog steeds veel respect voor de koning.

    Vervolgens trok Lancelot zich in een kluizenaarscel terug en hield zich zes jaar lang bezig met boete doen en bidden. Daar kreeg hij een visioen dat Guinevere was overleden. Geschrokken ging hij naar Almesbury en vernam dat ze inderdaad niet meer in leven was. Met veel eerbied en respect zette Lancelot haar bij in de kapel van Glastonbury, naast het graf van Arthur. Daarop trok hij zich weer terug in zijn cel.

    Zes weken later ging de gekwelde ziel van deze beroemde held in vrede heen. Hij was volledig uitgeput van het waken en vasten. Op het moment dat hij stierf, zag de priester die bij hem waakte hoe engelen zijn ziel opnamen en hem naar de hemel droegen. Daar werd de ziel door een koor van engelen begroet.

    Het lichaam van Lancelot werd aan de voeten van Arthur begraven. Sommigen zeggen echter dat hij een graf kreeg in Joyeuse Garde, waar hij en de koningin zoveel gelukkige uren met elkaar hadden doorgebracht.

    Het volk was diep bedroefd om zijn dood.

    Sir Ector de Moris vertolkte de gevoelens van alle ridders toen hij zong: "Sir Lancelot, u was het hoofd van alle ridders en nu durf ik te zeggen dat u, die daar ligt, nooit geëvenaard zult worden door enige ridder hier op aarde. U was de dapperste ridder die ooit een schild voerde. U was de trouwste vriend voor uw vriend die ooit een paard besteeg. U was de trouwste minnaar onder de mensen die ooit een vrouw beminde. U was de zachtmoedigste mens die ooit een zwaard hanteerde. U was de goedhartigste mens die ooit met ridders streed. U was de vriendelijkste man die ooit in een zaal tussen vrouwen aan een maaltijd aanzat. En u was de moedigste ridder voor uw doodsvijand die ooit de speer deed rusten."



     

    18-06-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    17-06-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Nieuw op dit blog Tegel 90


    Image and video hosting by TinyPic .

    17-06-2012 om 23:04 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    16-06-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Nieuw op dit blog Tegel 89


    Image and video hosting by TinyPic .

    16-06-2012 om 23:19 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Hoe de stad Antwerpen aan zijn naam kwam
    Hoe de stad Antwerpen aan zijn naam kwam



    Toen de beroemde heerser en legeraanvoerder Julius Caesar zich met zijn legioen inscheepte op weg naar Brittannië, liet hij vele van zijn vrienden en volgelingen achter in de provincies op het vasteland, om de veroverde gebieden te verdedigen.

    Onder hen was de moedige Salvius Brabo, die zich in Gent vestigde, en naar hem begon men dit gebied na verloop van tijd Brabant te noemen.

    Net als Caesar wilde ook Brabo Rome's roem en macht vergroten door het veroveren van belangrijke gebieden in het barbaarse land. Daarom zat hij iedere dag in het zadel, en kende slaap noch ontbering.

    Op zekere dag verliet hij met zijn gewapend gevolg de stad Gent en vervolgde zijn weg door kale vlakten en dichtbegroeide heidevelden. De westenwind zorgde zoals gewoonlijk voor mist en laaghangende wolken, en toen het ook nog langdurig begon te regenen, werden de wegen voor de paarden haast onbegaanbaar. Slechts met de grootste moeite konden zij zich uit de drassige bodem bevrijden.

    Toen gaf Brabo het bevel: "Afstijgen."

    Zelf ging hij op verkenning uit in de naaste omgeving, die dicht met riet was begroeid, en bij zijn terugkomst zei hij: "Er moet hier ergens een rivier of beek zijn, we moeten een doorgang zien te vinden."

    "Ja heer, hier stroomt de Schelde en ook de doorgang is hier niet ver vandaan," vertelde een der mannen.

    "Welnu, breng ons erheen, dan kunnen we onze weg vervolgen," beval Brabo.

    "Graag heer, maar de doorwaadbare plaats wordt bewaakt door de verschrikkelijke reus Draon Antigonus. Vanuit zijn toren aan de oever van de rivier kan hij alles overzien en ontdekt iedereen, die de overkant wil bereiken. Hiervoor moet een zware tol worden betaald, iedereen die de rivier wil oversteken slaat hij de hand af."

    "En laten jullie je dat allemaal welgevallen?" vroeg Brabo verontwaardigd, "probeert er dan niemand met de reus te strijden?"

    "Zulke waaghalzen zijn er inderdaad geweest, maar de reus heeft ze allen gedood en hun hoofd in de Schelde geworpen," antwoordde de man.

    Salvius Brabo bedacht zich geen moment: "Ik zal met de reus mijn krachten meten, en dan zullen we zien wie er zal overwinnen."

    Al spoedig kwamen de Romeinen bij een grote stenen toren," en precies op deze plek stroomde de rivier en ook de doorwaadbare plaats was goed te zien. Voor ze echter de nabije oever konden bereiken, weerklonk uit de toren zo'n oorverdovend spektakel, dat het leek alsof de rotsen zich in tweeën zouden splijten.

    En daar verscheen Draon Antigonus, zijn zwaard dreigend omhooggeheven. Draon Antigonus was werkelijk reuzegroot, zo groot zelfs, dat de paarden hem niet verder dan tot zijn middel reikten. En toen hij begon te spreken, dreunde het de mannen in de oren. "Jullie willen zeker naar de overkant? Leg dan maar een voor een je hand op het hakblok, zodat ik ze kan afslaan, want dat is de tol die voor de overtocht betaald moet worden. Of is er soms iemand die met mij wil vechten?"

    In plaats van te antwoorden trok Salvius Brabo zijn zwaard, gaf zijn paard de sporen en reed het monster tegemoet. Met verschrikkelijke kracht wilde de reus toeslaan, maar Brabo's paard sprong op het laatste nippertje opzij en het zwaard boorde zich diep in de aarde. Onmiddellijk greep de Romein in; voordat Antigonus besefte;wat er gebeurde, lag zijn rechterhand afgeslagen in het gras. De reus schreeuwde het uit van pijn en de toren sidderde op zijn grondvesten. Maar de reus herstelde zich snel; hij probeerde met zijn linkerhand het zwaard uit de aarde te trekken en boog zich daarbij diep voorover.

    En weer was de Romein hem te vlug af. Hij greep het wapen met beide handen en trof de reus met zo'n geweldige slag op zijn nek, dat het reuzenhoofd met een wijde boog de Schelde invloog.

    Nu was de weg vrij. Maar nog voordat ze de rivier waren doorgetrokken, wierp Salvius Brabo de afgeslagen hand van de reus in de Schelde en riep: "Daar, waar deze hand het water van de Schelde zal bereiken, daar zal de grens van Brabant zijn."

    En zo had Salvius Brabo de grenzen vergroot en het land bevrijd van nood en ellende.

    Maar daarmee is ons verhaal nog niet ten einde.

    Salvius Brabo ging naar Julius Caesar in Brittannië en bracht verslag uit van zijn strijd met de reus. Na zijn woorden te hebben aangehoord, sprak Caesar: "Keer met je gevolg naar deze plek terug en bouw daar een stad, waarover jij moet gaan regeren. Ikzelf zal er voor zorgen, dat het een bloeiende en beroemde stad zal worden."

    Brabo liet zich dit geen tweemaal zeggen. Nog in hetzelfde jaar schoten rondom de stenen toren aan de Schelde de huizen als paddenstoelen uit de grond, en steeds meer kwamen er bij.

    Dankzij de vele voorrechten en privileges die Brabo van Caesar ontving, werd het al gauw een stad van grote betekenis, die in niets onder hoefde te doen voor de steden van het oude Romeinse Rijk.

    Hoe ze genoemd werd? Antwerpen! Van het woord hand-werpen. Nog altijd herinnert de naam van de stad aan Brabo's strijd met de reus Draon Antigonus.

    En toen de inwoners van Antwerpen hun stad, na vele eeuwen, een wapen gaven, werd daarop de afgeslagen hand van de reus Draon Antigonus afgebeeld.



     

    16-06-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    15-06-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Nieuw op dit blog Tegel 88


    Image and video hosting by TinyPic .

    15-06-2012 om 22:15 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Duivel met de drie gouden haren

    De Duivel met de drie gouden haren



    Er was eens een arme vrouw en die kreeg een zoontje, en daar hij met de helm geboren was, werd hem voorspeld, dat hij op zijn veertiende jaar de dochter van de koning tot vrouw zou krijgen. Nu gebeurde het, dat de koning kort daarop door het dorp kwam, en niemand wist dat het de koning was. En toen hij aan de mensen vroeg, wat voor nieuws ze te vertellen hadden, antwoordden zij: "Er is een paar dagen geleden een kind met de helm geboren: alles wat zo iemand doet, daarin slaagt hij. Er is hier ook voorspeld, dat hij met veertien jaar trouwen zal met de dochter van de koning." De koning die een kwaad hart had en boos was over die voorspelling, ging naar de ouders toe, deed heel vriendelijk en zei: "Jullie zijn zó arm; geef mij dit kind, dan zal ik ervoor zorgen." Eerst weigerden zij het. Maar toen de vreemdeling veel geld bood en zij dachten: "Het is een gelukskind, het zal toch goed terecht komen," toen stemden ze tenslotte toe én gaven het kind aan hem.

    De koning stopte het kind in een doos, en reed ermee weg, tot hij aan een diep water kwam. Daar gooide hij de doos in en dacht: "Van die onverwachte vrijer heb ik mijn dochter afgeholpen." Maar de doos zonk niet, maar dreef als een scheepje, ja, er drong niet eens een druppel water in. Zo dreef het tot op twee mijl van het paleis van de koning, en daar was een molen, en ‘t bleef tegen het rad steken. Een molenaarsjongen die er gelukkig juist bij stond en de doos zag, haalde hem met een haak naar zich toe en dacht dat er wel een grote schat in zou zitten. Maar toen hij de doos opendeed, lag er een mooi jongetje in, dat heel flink en aardig was. Hij bracht het bij de molenaar; en omdat deze geen kinderen had, waren hij en zijn vrouw heel blij en zeiden: "Het is een geschenk van God." Ze zorgden goed voor de kleine vondeling en hij groeide op tot een eerlijk man.

    Nu gebeurde het, dat de koning eens bij een onweer in de molen kwam schuilen en aan de molenaar vroeg, of die grote jongen hun zoon was. "Neen," zeiden ze, "het is een vondeling; veertien jaar geleden is hij in een doos tegen ‘t molenrad aangedreven, en onze knecht heeft hem uit het water gehaald." Toen begreep de koning, dat dit niemand anders was dan het gelukskind, dat hij in ‘t water had gegooid en hij zei: "Beste mensen, zou deze jongen niet een brief van mij aan de koningin willen bezorgen; ik wil hem als loon twee goudstukken geven." "Zoals de koning het gebiedt," zeiden de molenaar en zijn vrouw en ze bevalen de jongen om zich gereed te maken. Toen schreef de koning een brief aan de koningin en daarin stond: "Zodra deze knaap met deze brief bij u komt, moet hij onmiddellijk gedood en begraven worden, nog voor ik zelf terug ben."

    De jongen ging met de brief op pad. Maar hij verdwaalde en kwam ‘s avonds in een groot bos. In de duisternis zag hij een lichtje, ging er op af en kwam bij een huisje. Toen hij binnenkwam, zat er een oude vrouw heel alleen bij ‘t vuur. Ze schrok, toen ze de jongen zag, en zei: "Waar kom jij vandaan? En waar wil je heen?" "Ik kom van de molen," zei hij, "en ik moet naar de koningin, een brief brengen. Ik ben verdwaald in ‘t bos, daarom wou ik hier graag overnachten." "Arme jongen," sprak de vrouw, "je bent in een rovershol terecht gekomen en als ze straks thuiskomen, dan maken ze je dood." "Laat komen wie wil," zei de jongen, "ik ben toch niet bang; maar zo moe ben ik, dat ik geen stap meer kan doen," en hij ging op een bank liggen en sliep meteen. Kort daarop kwamen de rovers thuis en vroegen boos, wat dat voor een vreemde jongen was. "Ach," zei de oude, "dat is een onschuldig kind. Hij was verdwaald in ‘t bos, en uit barmhartigheid heb ik hem opgenomen; hij moet een brief aan de koningin brengen." De rovers verbraken het zegel en lazen de brief. En daar stond in, dat de jongen zodra hij aankwam, moest worden gedood. Toen kregen de onbarmhartige rovers zelfs medelijden, en de rovershoofdman verscheurde de brief en hij schreef een andere: en daar stond in, dat zodra de jongen aankwam hij dadelijk trouwen moest met de prinses. Dus lieten ze hem rustig tot de volgende morgen liggen, en toen hij wakker werd, gaven ze de brief aan hem, en wezen hem de goede weg. Maar toen de koningin de brief gelezen had, deed ze wat er in stond, liet een schitterend bruiloftsfeest aanrichten, en de prinses trouwde met het gelukskind; en omdat de jongen knap was en vriendelijk, leefde ze heel vrolijk en tevreden met hem. Na een poos kwam de koning weer in het paleis terug en zag dat de voorspelling toch was uitgekomen en het gelukskind getrouwd was met zijn eigen dochter! "Hoe is dat in zijn werk gegaan!" riep hij, "Ik had in mijn brief toch heel iets anders bevolen?" De koningin toonde hem de brief, en zei dat hij zelf maar zien moest, wat erin stond. De koning las de brief en begreep dat die verwisseld was. Hij vroeg zijn schoonzoon, hoe het met die brief was afgelopen, die hij hem meegegeven had; en waarom hij een andere brief had meegebracht. "Ik weet van niets," zei hij, "die moet ‘s nachts verwisseld zijn, toen ik in het bos heb geslapen." Woedend zei de koning: "Zo makkelijk kom je daar niet af. Wie mijn dochter hebben wil, moet eerst de drie gouden haren halen, die de duivel op zijn kop heeft, in de hel; en dan pas kun je mijn dochter krijgen." Zo hoopte de koning hem voorgoed kwijt te zijn. Maar het gelukskind antwoordde: "Die gouden haren zal ik wel halen; voor de duivel ben ik niet bang." En hij nam afscheid en ging op reis.

    De weg voerde naar een grote stad. De poortwachter vroeg hem wat zijn vak was en wat hij wist. "Ik weet alles," antwoordde het gelukskind. "Als je alles weet, treft dat goed," zei de wachter, "en dan kun je ons een plezier doen als je eens vertelt, hoe het komt dat de fontein op de markt, die vroeger wijn spoot, nu verdroogd is, zodat er niet eens meer water uitkomt.""Dat zul je wel merken," antwoordde hij, "wacht maar, tot ik terugkom." Toen ging hij verder en reisde naar een andere stad; daar vroeg de poortwachter ook, wat zijn vak was en wat hij wist. "Ik weet alles," antwoordde hij. "Als je alles weet," zei hij, "treft dat goed, dan kun je me meteen eens zeggen, waarom de boom in onze stad die altijd gouden appelen droeg, nu niet eens meer bladeren heeft." "Dat zul je wel merken," antwoordde hij, "wacht maar, tot ik terugkom." Toen ging hij verder en kwam bij een groot water, en daar moest hij over. De veerman vroeg weer, wat zijn vak was en wat hij wist. "Ik weet alles," antwoordde hij. "Als je alles weet," zei de veerman, "treft dat goed, dan kun je me een plezier doen en me vertellen, waarom ik altijd heen en weer moet varen en nooit wordt afgelost." "Dat zul je wel merken," antwoordde hij, "wacht maar, tot ik terugkom." Hij ging het water over en daar was de poort van de hel. Het was er zwart en roetig, en de duivel was niet thuis, maar zijn grootmoeder zat er wel. "Wat wou je?" vroeg ze hem, maar ze zag er niet kwaadaardig uit. "Ik wou graag drie gouden haren van de kop van de duivel hebben," antwoordde hij, "anders ben ik mijn vrouw kwijt." "Je vraagt wel veel," zei ze, "als de duivel thuiskomt en hij vindt je, dan krijg je op je kop; maar je bevalt me wel, ik zal eens zien, wat ik voor je doen kan." Ze veranderde hem in een mier. "Kruip in de plooien van mijn rok," zei ze, "dan ben je veilig." "Ja," zei hij, "alles goed en wel, maar ik wou ook nog wat anders weten; waarom een fontein die eerst wijn spoot, nu droog is, zodat hij niet eens water geeft; waarom een boom die eerst gouden appelen droeg, nu niet eens meer loof krijgt, en waarom de veerman altijd heen en weer moet varen en nooit eens wordt afgelost." "Moeilijke vragen zijn dat," zei ze, "maar hou je nu maar stil, en let op wat de duivel zegt, als ik hem zijn drie gouden haren uittrek."

    Met het vallen van de avond kwam de duivel thuis. Nauwelijks was hij binnengekomen of hij merkte dat de lucht niet zuiver was. "Ik ruik, ik ruik mensenvlees," zei hij, "het is hier niet pluis." Toen keek hij in alle hoeken en zocht maar hij kon niets vinden. Zijn grootmoeder voer tegen hem uit. "Pas is alles geveegd," zei ze, "en netjes opgeknapt, en nu haal jij alles weer overhoop, altijd ruik jij maar mensenvlees! Ga nu zitten en eet je avondbrood." Toen hij gegeten en gedronken had, was hij moe; hij ging bij zijn grootje op de grond zitten, legde zijn hoofd in haar schoot en zei, dat ze hem maar eens wat moest vlooien. Het duurde niet lang, of hij sluimerde in, begon te blazen en te snurken. Toen pakte het oudje een gouden haar, trok die uit en legde hem naast zich neer. "Au!" schreeuwde de duivel, "wat bezielt je?" "Ik heb zo zwaar gedroomd," antwoordde de grootmoeder, "toen heb ik je zeker aan je haar getrokken." "Wat had je dan gedroomd?" vroeg de duivel. "Ik droomde, dat een fontein die eerst wijn spoot, nu niets meer geeft, zelfs geen water, waardoor zou dat komen?" "Ja, als ze dat wisten," zei de duivel, "er zit een pad onder een steen in de fontein; als ze die doodslaan dan komt de wijn wel weer terug!" Het grootje ging hem weer vlooien, tot hij insliep en snurkte dat het daverde. Toen trok ze hem een tweede haar uit. "Au! wat doe je toch?" de duivel werd woedend. "Wees maar niet boos," antwoordde z’n grootje, "ik deed het in mijn droom." "Wat heb je nou weer gedroomd?" vroeg hij. "Ik droomde: in een koninkrijk stond een vruchtboom en die droeg altijd gouden appelen, en toen kwam er ineens niets meer aan, zelfs geen loof. Hoe zou dat toch komen?" "Ja, als ze dat eens wisten," grijnsde de duivel, "aan de wortel knaagt een muis, laten ze die doden, dan komen de gouden appelen vanzelf weer terug; maar doen ze het niet, dan verdort de hele boom. Maar laat me nu verder met rust met je gedroom, als je me nog eens in mijn slaap stoort, krijg je een draai om je oren." De grootmoeder suste hem en begon hem weer te vlooien; hij sliep weer in en snurkte. Toen nam ze de derde gouden haar beet en trok die uit. De duivel sprong op, schreeuwde en wilde haar slaan, maar ze kalmeerde hem nog eens en sprak: "Wat doe je tegen boze dromen?" "Wat droomde je dan nu weer?" vroeg hij, want nieuwsgierig was hij toch. "Ik heb gedroomd van een veerman. Hij beklaagde zich dat hij altijd maar heen en weer moest varen, en nooit werd afgelost. Hoe komt dat toch?" "Die domkop!" antwoordde de duivel, "als er iemand komt om over te zetten, laat hij hem dan de boom geven, dan moet de ander hem overzetten en is hij immers vrij?" Daar de grootmoeder hem zijn drie gouden haren had uitgetrokken en antwoord op de drie vragen gekregen had, liet ze de oude draak met rust en hij sliep tot de dag aanbrak.

    Toen de duivel weg was gegaan, haalde het oudje de mier uit de plooien van haar rok, en gaf het gelukskind weer zijn mensengedaante. "Daar heb je de drie gouden haren," sprak ze, "en wat de duivel op je drie vragen gezegd heeft, zul je wel gehoord hebben." "Ja," antwoordde hij, "ik heb het gehoord en ik zal het onthouden." "Dan ben je dus geholpen," zei ze, "en nu kan je weer weg." Hij bedankte het oudje voor haar hulp in de nood, ging de hel uit en was tevreden dat hem alles zo goed was gelukt. Toen hij bij de veerman kwam, moest hij hem het beloofde antwoord geven. "Eerst moet je me overzetten," zei het gelukskind, "dan zal ik je zeggen, hoe je verlost wordt." En toen hij aan de overkant weer op de oever stond, gaf hij hem de raad van de duivel. "Als er weer iemand komt die overgezet wil worden, geef hem dan je boom in de hand." Hij reisde verder en kwam in de stad, waar de kale boom stond en waar de poortwachter het antwoord wilde hebben. Toen sprak hij, zoals hij van de duivel had gehoord: "Dood de muis, die aan de wortel knaagt, dan zal de boom weer gouden appelen dragen." De poortwachter bedankte hem en gaf hem tot beloning twee ezels, met goud beladen. Tenslotte kwam hij in de stad, waar de fontein verstopt was. Hij vertelde aan de poortwachter, wat de duivel had gezegd: "Er zit onder in de fontein onder een steen een pad. Die moet je vinden en dood maken; dan komt de wijn wel weer." De poortwachter bedankte hem en gaf hem ook twee ezels met goud beladen. Eindelijk kwam het gelukskind weer thuis bij zijn vrouw, die heel blij was, toen ze hem weerzag en hoorde, hoe goed alles was geslaagd. Hij bracht de koning, waar hij om was uitgestuurd: de drie gouden haren van de duivel; en toen de koning de vier met goud beladen ezels zag, was hij zeer verheugd en sprak: "Nu zijn alle voorwaarden vervuld, nu mag je mijn dochter hebben. Maar lieve schoonzoon, zeg nu eens, waar heb je al dat goud vandaan? Dat zijn schatten!" "Ik ben over een water gevaren," antwoordde hij, "en daar heb ik het meegenomen, het ligt aan ‘t strand net als zand." "Kan ik daar ook wat gaan halen?" sprak de koning en de begeerte straalde z’n ogen uit. "Zoveel u wilt," antwoordde hij, "er is een veerman, die zet u over, en dan kunt u uw zakken vullen." De hebzuchtige koning ging meteen op reis en toen hij bij ‘t water kwam, wenkte hij de veerman, hij moest hem overzetten. De veerman kwam en liet hem instappen, maar aan de andere oever gaf hij hem de boom in de hand en sprong weg. De koning was nu veerman geworden tot straf voor zijn zonden. "Zet hij nog over?" "Nu, zou iemand hem de boom hebben afgenomen?"

    15-06-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    14-06-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Nieuw op dit blog Tegel 87


    Image and video hosting by TinyPic .

    14-06-2012 om 23:06 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    13-06-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Nieuw op dit blog Tegel 86


     Image and video hosting by TinyPic.

    13-06-2012 om 22:05 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het begint met een liefdesavontuur en het eindigt met een woord van afscheid
    Het begint met een liefdesavontuur en het eindigt met een woord van afscheid



    In dit verhaal gaat het om de tragische liefde tussen een jonge ridder en een non. Hij had haar lief, en dacht dag en nacht aan haar. Haar stem achtervolgde hem, zijn ziel was één met de hare, als twee klokken die tegelijkertijd beieren.

    Aangezien zij in het klooster woonde, was het hem zelfs niet toegestaan openlijk zijn verlangen uit te spreken en haar lief te hebben op afstand. Het onvervulde liefdesverlangen heeft voor sommigen een hele bijzondere bekoring, maar zelfs dat was voor de ridder niet weggelegd.

    "Ach liefste! Jij, die zo ver van mij vandaan woont, denk jij aan mij zoals ik aan jou? Ik heb je lief. Ik zal je nooit kunnen zeggen lieveling, dat ik van je houd. Tussen ons bevinden zich grote landen zonder wegen. Ik herinner me nog alles van je. Je moet niet denken dat ik je vergeten ben. Je bent als de zon in mijn leven, en ik ben de zonnebloem die zich naar het licht wendt. Maar het is nu al zo lang geleden dat de zon heeft geschenen. Ik weet niet of jij mij nog liefhebt. Vaak denk ik dat je me vergeten bent. Hoe kan dit ook anders, jij die in een andere wereld leeft, waar ik nooit zal kunnen komen?" Dit zijn woorden van een wanhopige minnaar, die hoopt zijn geliefde voor zich te winnen. Maar deze ridder was zonder enige hoop.

    Al zong Gertrudes naam dag en nacht in hem, hij kon zijn armen nooit naar haar uitstrekken, en hij was veroordeeld eenzaam te blijven. Er is altijd een grote zomerdag in het leven van alle geliefden, een dag die eindeloos lang schijnt te duren, al hoort men de tijd voorbij tikken. Maar zelfs deze ene dag had hij niet genoten. Andere liefdes kende hij niet. Hij moest zijn leed helemaal alleen dragen, en haar naam fluisterde hij slechts wanneer hij ver uit de buurt van mensen was. "Gertrude!" Hij haalde zich echter uit eerbied voor haar keuze nooit haar beeld voor de geest.

    Zij woonde in het klooster, en zij diende Maria, de Moeder der Smarten. Zij bad elke dag vurig tot haar, geheel verzonken, zoals alleen zij kunnen die gewend zijn aan voortdurend en volhardend bidden.

    Zal alleen hij, verteerd door vuur en vlam ooit gelouterd voor u staan? Zal alleen hij in uw hemel gaan die gebroken tot u kwam?

    Nooit kwam haar iets ter ore over zijn hopeloze liefde voor haar. Hij dwaalde rusteloos langs akkers en wegen, terwijl zij zich volledig wijdde aan de dienst van de Heer. "Wat zal er met mij gebeuren?" zo vroeg hij zich af. "Waarom moet ik zo lijden?"

    Iemand die zo denkt, vindt niet gemakkelijk troost in het leven. Troost is er voor de man die zegt: "Het lot brengt mij zware slagen toe, maar ik zal er niet voor buigen, en terugslaan." De ridder werd echter onophoudelijk geteisterd door zijn verdriet; in golven van pijn beukte zijn machtige liefde over hem heen, en het maakte hem zwak en weerloos. En de storm nam niet af in kracht.

    De dag kwam dat hij bang werd van zichzelf. Zo scherp stak de pijn in zijn wezen dat hij besefte dat hij er een ander mens door was geworden. Af en toe zadelde hij zijn paard en ontvluchtte hij zijn kille, eenzame burcht. "Hoe krijg ik ooit mijn rust weer terug?" dacht hij, als hij als een dolleman over de weg reed. "O! Dat ik uitgerekend deze vrouw moet beminnen, die ik niet beminnen mag. Ik ben nog jong en ik verlang ernaar van iemand te houden. Als zij nog in de wereld zou staan, als zij haar gelofte niet had afgelegd... ik zou met haar in de bloeiende geurende wei liggen, waar het gras zo hoog is, dat het met gemak twee geliefden verbergen kan. Of zij zou met mij door het bos dwalen, tot achter de hoge stammen van de bomen, tot waar het kreupelhout het dichtst is. Ik voel aan het bonzen van mijn hart, dat daar mooie muziek te horen is... die ik nooit zal kunnen beluisteren."
    Al te lang kon hij deze gedachten niet verdragen. Op een van zulke wildemanstochten bedacht hij een plan. Hij kon Gertrude weliswaar niet de beker van zijn liefde overhandigen, waaruit zij kon drinken en zich verzadigen, maar wel kon hij haar klooster bedenken. En zo vond zijn liefde een manier om zich zonder woorden te uiten. Hij was een dappere ridder die vele schatten had vergaard, en hij gaf ze stuk voor stuk weg aan het klooster. Hierdoor kwam het klooster tot grote rijkdom. Kostbare edelstenen, saffieren, karbonkelen, jaspissen, onyxen, al deze wonderbaarlijke stenen met hun diepe schittering schonk hij de kerk.

    Hij gaf opdrachten aan schilders - hij betaalde ze in goud om Jezus' heilig leven op het doek vast te leggen. De doeken lieten de Heer aan het kruis zien, of Jezus omgeven door zijn discipelen. Ook heiligen werden afgebeeld, zoals Christophorus, groot van gestalte en van geloof, die met een kind op de armen door het woeste water waadde om het veilig naar de overkant te brengen. Men zag ook de Heilige Moeder Gods met het kindeke Jezus op haar schoot.

    Het klooster kreeg groot aanzien in de streek. De vrome nonnen deelden van hun overvloed met de armen en zij gaven volop aalmoezen. Al snel was er weinig armoede meer in de streek. De ridder zag dat zijn rijkdommen stilletjes aan verminderden, en nog steeds werd hij door zijn liefde gekweld. Al deze jaren, dat hij het klooster had bedacht, waren in de gapende afgrond van de tijd verzonken, nu kwam er een andere tijd aan. Wat moest hij beginnen, als hij geen schatten meer brengen kon?

    Hij trok ten strijde, en zijn buit was groot, want hij vocht in vele landen. Wonderlijk mooie spullen kwamen in zijn bezit. Hij zond ze allemaal naar het klooster. Hij veroverde kransen van goud, zilveren bekers met edelstenen bezet, tafels van citroen - en van rozenhout, marmeren beelden, geheimzinnig fonkelend glaswerk, dat van binnenuit vlamde, parels van welke de waarde niet te schatten was.

    Maar alles wat hij zond, was overgoten met een glans die niet van enige stof afkomstig was. Het goud en zilver wat er blonk waren de liefkozingen en fluisteringen van een oprecht minnaar, die geen andere woorden had.

    Maar zijn krachten namen langzamerhand af. De armen van de ridder voelden minder hard en gespierd aan en na een zware tocht voelde hij zich moe. Hij zond minder en minder goederen naar het klooster en op een dag merkte hij tot zijn schrik dat hij arm was geworden. Al zijn geld en goed had hij verspeeld, en hoewel hij de ouderdom al in zijn botten voelde kruipen, bleef zijn liefde even brandend als in zijn jeugd. Dag in dag uit zat hij voor zich uit te staren, en hij zag zijn ongeluk zonder ophouden in de ogen. "O Gertrude!" zo peinsde hij, "mijn hele leven heb ik je gediend, en nooit heb ik mijn liefde voor je kunnen uitspreken. Ik ben nu verder van je verwijderd dan ooit. De dag dat ik je heb ontmoet, is een dag die voor mij een zegen en een vloek tegelijkertijd is. Wat moet ik zonder jou beginnen? Waarom heb ik mijn jeugd verloren? Kon ik nog maar eenmaal jong zijn, en opnieuw beginnen.

    Voor elk mens komt de tijd dat hij op zijn leven terugkijkt. Gelukkig zijn zij die zich hun kindertijd en jeugd herinneren, en hoe zij gegroeid zijn tot volwassenheid en ouderdom. Maar ik! Wee mij! Ik heb steeds gehandeld als een jonge man en nooit aan iets anders gedacht dan aan de toekomst. Mijn hele leven lang heb ik gehoopt, tegen beter weten in. Ik leefde in een droom! Ja, al de tijd dat ik haar heb liefgehad, was ik alleen maar bezig met de dag van morgen. De volgende dag was voor mij steeds aanlokkelijker dan die van vandaag en nu... heb ik geen toekomst meer!"

    Iedere dag reed hij uit, maar hij kwam zelden nog met schatten thuis. Hij was eenzaam, en fluisterde urenlang tegen zijn Gertrude, terwijl hij met zijn paard de bossen doorkruiste. "Zul je niet denken, dat ik je vergeten ben? Nu zul je geloven dat mijn liefde een einde heeft, als de bloei van bloesem, die kort en uitbundig leeft. Liefste! Er is niets eenvoudigers en toch geheimzinniger dan trouw. Mijn leven is aan het jouwe gebonden. God alleen weet hoe ik lijd. Zullen je zusters niet vragen: 'Is de ridder gestorven, omdat we niets meer van hem horen of zien?' Zul je misschien aan de poortwachters gaan vragen: 'Wanneer hebben jullie voor het laatst zijn wilde stofwolk op de weg zien waaien?' Zul je om mij huilen, denkend dat ik gestorven ben? Maar nee, het is je niet toegestaan om te huilen om een man die je heeft liefgehad. Je mag alleen voor hem bidden. Gertrude, mijn zuster Gertrude!"

    Hij keek op toen hij een vreemd schrapend geluid hoorde, en een schrikwekkende gedaante met hoorns op zijn kop en harige poten in plaats van benen stond voor hem. De ridder herkende hem in een oogopslag en sloeg zijn handen voor het gezicht. Was hij dan al zo diep gezonken? "Ridder!" zo begon de duivel, "waarom bent u bang van mij? Bent u niet van God verlaten geweest, zolang u heeft geleefd? U heeft nog meer geleden dan Job, ja ik kan met de hand op mijn hart verklaren dat ik er niet veel heb gekend die ongelukkiger waren dan u. Maar - zo vraag ik u weet u wel zeker dat u deze pijn moet doorstaan? Heeft u nooit over uw redding nagedacht?" De ridder deinsde terug.

    "Wat wilt u van mij, u, die altijd, de vele jaren dat ik bezeten ben van mijn liefde, op de achtergrond hebt toegekeken, en die nu in volle glorie voor mij verschijnt. Waarom bent u niet eerder gekomen, als het toch uw voornemen was?" "Ik wacht altijd het goede ogenblik af. De mensen aanvaarden mijn hulp pas als ze radeloos genoeg zijn. Dan kom ik in hun leven, en... en neem wat me toekomt. Wat ik te bieden heb, is veel, en wat ik vraag, is weinig, maar voor mij genoeg."

    "Ik weet wat u vraagt," zei de ridder somber, "al weet ik nog niet precies wat u er dit keer voor wilt geven. Maar geloof maar niet dat mijn ziel voor mij niet kostbaar is. Dat is toch wat u eist, mijn ziel, in ruil voor geld en goud? Door u verspelen wij de hemel."

    "Maar edele ridder, u moet zich niet om het hiernamaals bekommeren! Denk aan uw Gertrude. U houdt van haar. Ik begrijp niet dat u nog aan iets anders denkt. Hoe kunt u dit doen?"

    "Ik kan het ook niet!" gaf de ridder radeloos toe. "U weet net zo goed als ik dat er voor mij maar één rijkdom is op de aarde en in de hemel, en dat is mijn liefde voor Gertrude!" "Als dat waar is, als er maar één rijkdom is op de aarde en in de hemel, en ik kan u die geven, waarom wilt u dan uw ziel niet afstaan, die voor u immers geen rijkdom is? Hoor wat ik u bieden kan! Schatten en schatten, zoveel u wilt, goud en zilver en diamant, alles wat voor geld te koop is. Geen uur zal voorbijgaan of u kunt Gertrude bewijzen dat u nog aan haar denkt. Geen zorgen meer omdat uw armen krachteloos worden. Ouderdom bestaat niet meer voor u, u leeft voor uw liefde, en Gertrude zal u onophoudelijk prijzen in haar gebeden. Hoelang zal dit duren? Zeven volle jaren. En bedenk dat zeven jaren voor u de eeuwigheid zijn. Wat heeft u er immers zonder mij van te verwachten? Niets! Kom ridder, bezegel mijn contract met uw bloed, en u kunt weer leven zoals vroeger."

    "Ga weg van mij, Satan, je maakt het me onverdraaglijk moeilijk. Waarom wilt u dat ik u toebehoor? Zoek rijkere zielen, zie, ik smeek het u! Als zij het wist, ze zou het nooit toestaan!" "Als zij het wist? Maar ridder, nu drijft u de spot met uzelf en met mij. Zij zal het immers nooit te weten komen. Zeven jaren lang zal ze denken dat u al uw geschenken in de strijd verworven hebt. Doe niet zo dwaas."

    De ridder had geen weerstand meer en boog het hoofd, ten teken van onderwerping. De duivel nam het zware perkament uit zijn kleed, en legde het de arme minnaar voor. Hij tekende met zijn bloed.

    "Tot ziens, ridder van mij!" De duivel verdween spoorslags. Zeven jaren lang scheen het of de ridder geen leed kende. Iedere dag scheen de zon voor hem. Hij zond het klooster geschenken, rijker dan ooit. De dagen, alle bodes van het geluk, snelden de ridder voorbij. Niemand wist dat hij een verbond met de duivel had gesloten. Gertrude bad voor hem tot de Heilige Moeder Gods, zonder te beseffen wat voor een grote zonde hij op zijn geweten had, en hoe de arme gulle gever Gods genade meer nodig had dan enige andere sterveling.

    En zo verdwenen de eerste zes jaren aan de horizon het zevende begon aan de meedogenloze wedloop. De ridder die de kransen van krokus en sneeuwklok zag opbloeien, hield van schrik zijn adem in.

    Toen de zeven jaren om waren, wist de ridder dat hij de zwaarste tocht van zijn leven moest aanvaarden. Eeuwige verdoemenis wachtte hem en hij ging naar het klooster om nog eenmaal de vrouw te zien voor wie hij zijn ziel had gegeven. Men langzame pas liep hij tot aan het klooster, en daar zag hij Gertrude. Het was hem niet toegestaan op haar af te gaan, en hij mocht zijn hand niet op haar hart leggen. Zij glimlachte tegen hem, maar deze glimlach was er niet een van aardse liefde. Zou ze weten dat hij haar beminde? Weten vrouwen het ook als het niet met woorden wordt gezegd? Ze nam een beker en vulde die vol met wijn.

    "Vaarwel," zei ze. Hij dronk haar toe, maar antwoordde niet. Hij durfde haar geen ogenblik aan te kijken. Hij wierp zich op zijn paard en reed weg. Zijn ziel snikte: "vaarwel! Vaarwel!" Gertrude boog zich voor het altaar neer, en bad vurig. Hoe wist ze dat hij haar voorspraak nu meer dan ooit nodig had? Haar woorden gingen recht naar de hemel. Rijdend, rijden over het wijde veld, kwam de ridder bij de plek waar de duivel op hem wachtte "Hier ben ik," zei hij ademloos, "neem mijn ziel." De duivel zag hem duister aan.

    De macht van de liefde
     
     
    "Ik kan uw ziel niet nemen," antwoordde hij bitter, zichtbaar ontstemd om de schat die hem ontging, "alles en iedereen spant samen om u te redden. Ben ik niet de arme Lucifer, en weet ik niet uit eigen ervaring hoe sterk de hemelse machten zijn? Wee mij, ik heb u verloren door de macht van Gertrudes gebed." Hij verborg zijn gezicht in de mantel.

    De ridder begon een nieuw leven. Hij kwam tot zichzelf, en hij zag zijn zonden uit het verleden onder ogen. Hij zond geen schatten meer naar het klooster waar Gertrude leefde, maar hij werd monnik, en hij leidde evenals zijn zuster een vroom leven van vasten en gebed.

    Deze tragische liefdesgeschiedenis bleef echter voortleven in de harten van de mensen. Telkens als iemand een zware tocht moest gaan ondernemen, vulde men een beker met wijn en men sprak het droevige woord met zijn sombere klank: "Vaarwel!" En dan proostte men en wenste de reiziger het "heil van Sint-Gertruiminnen" (of Sint-Geertenminnen). Dit deed men ter herinnering aan de aardse liefde van de ridder en aan de liefde voor God van de non Gertrude, die dankzij de macht van het gebed de arme ziel van de ridder had gered uit de klauwen van de duivel.

    13-06-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    12-06-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Nieuw op dit blog Tegel 85


    Image and video hosting by TinyPic .

    12-06-2012 om 22:49 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Op camping

    Op camping



    Alles ingepakt vraagt mam.
    Ja,waar is Samantha vraagt Deborah.
    In haar kamer zegt mam.
    Gaat ze niet mee vraagt Deborah.
    Ik denk van niet zegt mam.
    En Jessy...vraagt Deborah.
    Nee ook niet zegt mam.Oke,dan ben ik lekker alleen zegt Deborah lachend.Ja,he zegt mam.Wie gaat er vraagt pap.Ik zeggen Deborah en Jayden.
    Ga jij ook vraagt Deborah.Euhm had niet gedacht zegt haar broertje.Jouw hinderlijke aap zegt Deborah.Watt??zegt Jayden.Hou je mond zegt Deborah en stapt in de camper.Nou ik ook zegt Jayden.Waar is mam vraagt Jayden.In de keuken zegt pap snel.

    Mamaaa roept Deborah akelig.Ja,schat vraagt mam bezorgt.Ikke wil overgeven zegt Deborah.Ooooh,liefje stop even roept mam bezorgd.Watt is er vraagt pap.O,lief onze Deborah wilt overgeven zegt moeder bezorgt.O,oke dan stop ik meteen zegt pap.Deze camper is wel hoog en groot hoor zegt jayden.
    Kom Deborah zegt moeder snel.
    Deborah rent naar buiten en geeft meteen over.O,ben je ziek vraagt pap.
    Ik denk van wel zegt Deborah zacht.
    O,dan moet je wel de hele tijd liggen.
    Dit word slechste vakantie ooit gilt Deborah.Nee,liefje dat word het niet zegt mam.Maaaaam roept Jayden bang.Zie je niet dat ik bezig ben met je zus zegt moeder boos.Maar mam je worstjes branden af zucht Jayden.Wa....watt vraagt moeder bezorgd.Je worstjes branden af gilt Jayden.Aaaah gilt moeder en rent de camper in.O,Deborah laten we maar vertrekken zegt vader.Deborah en vader stappen de camper in.

    Liefje hoe is het met die worstjes vraagt vader.Af gebrand,je zult maar brood met kaas eten zegt moeder vanuit de keuken.O,jee zucht vader.
    Mama loopt naar Deborah en geeft haar een glaasje water en medicijn.
    Moeten me kleine schatjes een broodje met kaas.
    Jaaaa zeggen de twee.Voor mij eerst hoor mam omdat ik ziek bent zegt Deborah.Nee,ik had eerst gezegd schreeuwd Jayden.Hou je mond gebakken ei en ik krijg me broodje eerst.
    Hou jij je mond hete koffie en ik krijg me brood eerst.
    Gebakken ei en hete Koffie jullie moeten je mond dichthouden.
    Jayden en Deborah houden hun mond dicht en zeggen een tijdje niks totdat hun broodje af is.
    Smaakt het vraagt mam.
    Het is lekker zegt Jayden.
    Voor jou is alles lekker zolang het eetbaar is zegt Deborah.
    Ja natuurlijk zegt Jayden.
    En poep vond je een tijdje lekker he zegt Deborah lachend.
    Jij bent wel een plaagkop hoor zegt moeder lachend.
    Euhm,ja toch wel zegt Deborah.
    En hoe smaakt jou broodje Deborah vraagt pap.Heel lekker zegt Deborah.

    (bij park Cessy)
    He is dit die park vraagt Jayden.
    Ja,en het is welvol met campers zegt Deborah.
    Kijk tussen die roze en gele parkeren wij want onze camper is paars lacht vader.
    Kunnen we hier parkeren meneer vraagt Jayden.Ja hier is vrij zeggen twee meneren.
    Pap ze willen dat we hier parkeren zegt Deborah.
    Als iedereen uitegestapt is maken ze kennis.
    Ik ben Christy stelt Christy een 16jarige meisje voor.
    O,euhm ik ben Deborah en ik word 16jr morgen.
    Leuk zegt een ander meisje naast Christy.
    Oh,euhm ik ben Joyce en ik ben 14jr en word volgend jaar 15.
    Oke zegt Deborah.
    Ik zie dat je een leuke broertje heb zegt Joyce.Ja,hij is 15 zegt Deborah.Jullie zijn tweelingen vraagt Christy.
    Nee,ik ben eerder geboren zegt Deborah.1jaar verschil dus vraagt Joyce.Ja zegt Deborah.
    Mag ik kennis met hem maken vraagt Joyce.Ja als je wil zegt Deborah.

    Hoi ik ben Joyce letsen en ik ben 14 jaar en...
    Hey ik ben Jayden Urchel en ik ben 15jr en ik zit op de St.linten mulo school en me zus op de Hurbertmulo school.
    O,euhm wil je met me wandelen vraagt Joyce verlegen.
    Ja,ik wil zegt Jayden.Ga je niet meer voetballen vragen Freddie en Nick.Nee,`t hoeft niet meer zegt Jayden.
    O,god ik ga naar Christie zegt Freddie.
    Nu ben ik alleen denkt Nick.
    Wacht daar is een meisje alleen,ik ga kennis met haar maken zegt Nick.

    Halo ik ben Nick snippers en ben 17jr en zit op de H.nmuloschool.
    O,ik ben Deborah Urchel en ben 15jr maar word morgen 16jr.
    O,oke leuk zegt Nick.
    Wil je chillen en chiller drinken vraagt Nick.
    Ja,hoor zegt Deborah.

    12-06-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    11-06-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Nieuw op dit blog Tegel 84


    Image and video hosting by TinyPic.

    11-06-2012 om 23:06 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)


    T -->

    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!