Het was tijdens een winter waarin de kraanvogel besloten had nu eens niet de enorme trek naar het zuiden te ondernemen, doch rustig in zijn noordelijk territorium te blijven, dat hij op een goede dag de vos tegenkwam, die belangstellend informeerde: "Zo, vriend kraanvogel, en hoe staat het leven?"
De kraanvogel haalde enigszins gelaten zijn gevederde schouders op en antwoordde: "Tja, wat zal ik zeggen? Het houdt niet over, natuurlijk. Schraalhans is hier keukenmeester in dit kille jaargetijde. Veel te eten valt er niet te versieren."
De vos dacht hier even over na en sprak toen: "Ik heb een voorstel. Als jij mij nu eens leert vliegen, dan zorg ik ervoor dat je de hele winter aan je natje en je droogje komt."
De kraanvogel zag dat wel zitten en ging met het voorstel van de vos akkoord, en die hele lange winter voorzag zijn gepluimstaarte makker op een meer dan voortreffelijke wijze in zijn levensonderhoud.
Toen echter de lente aanbrak en het langzaam zomer begon te worden, klopte de vos bij hem aan om zijn verdiende loon.
"Oké," sprak de kraanvogel. "Ik ben niet iemand die zich niet aan z'n beloftes houdt. Klim maar op mijn rug, dan zal ik je eens een lesje geven!"
Met krachtige slagen van zijn enorme vleugels verhief de kraanvogel zich met de vos op zijn rug in het luchtruim en wiekte naar hogere sferen.
Steeds hoger steeg hij, tot de onder hen wegzinkende aarde de aan dit soort perspectieven niet gewende vos als een soort miniatuur speeltuin in de diepte voorkwam.
Zonder voorafgaande waarschuwing wipte de kraan de argeloze vos nu plotseling van zijn rug, zodat het verbijsterde dier machteloos omlaag tuimelde en bij zijn landing op aarde een poot brak.
Enkele ogenblikken later streek de kraanvogel naast hem neer en informeerde zonder een spier van zijn toch al vrij expressieloze kop te vertrekken: "En, vriend vos, hoe is je eerste vlucht je bevallen?"
"Ach," antwoordde de ietwat verpletterde viervoeter, "dat vliegen is wel aardig, daar wil ik niets over zeggen, maar ik heb er wel een gebroken poot aan overgehouden."
"Tja," sprak de kraanvogel. "Vliegen zonder vleugels is nu eenmaal een hachelijke onderneming, en gebroken is gebroken!"
Honderd nonnen hadden zich verzameld in de grote hal van het klooster. Moeder Overste sprak hen toe: 'Er is een condoom gevonden ...' 99 nonnen: 'Oooooooooh' 1 non: 'Hihihihihi' ' ... en er zat sperma in.' 99 nonnen: 'Oooooooooh' 1 non: 'Hihihihihi' 'Bij nader onderzoek bleek er een gaatje in te zitten.' 99 nonnen: 'Hihihihihi' 1 non: 'Oooooooooh'
Mijn bed is leeg. Niet mijn deel, maar de koude, onbeslapen helft naast me. Het kussen netjes opgeschud, het laken rimpelloos. Ik draai me om en probeer opnieuw de slaap te vatten. Geen gemis, geen vragen, macht der gewoonte. Ik zoek mijn plekje en nestel me tussen droom en fantasie. Het lukt niet zo goed. Ik blijf hangen in een sluimering, de slaap is verdrongen. Uit routine probeer ik de cijfers op de wekkerradio te lezen. Vaagrood licht krijgt langzaam vaste vorm en ik lees 07:35. Trek mijn laken terug over mijn hoofd en bedenk dat het vandaag een vrije dag is. Lekker uitslapen, nog even woelen. Mijn voet raakt het kille van de overkant en geleidelijk broeit de gedachte van een contradictie. Ik rol de andere kant van mijn bed op, zoekend naar sporen, naar iets tastbaars dat de tweestrijd in mijn hoofd tot rede brengt. Mijn hand grijpt naar de schakelaar. De schemering van de ochtendzon tussen de halfgesloten rolluiken maakt plaats voor het scherpe maar verhelderende licht. Niets. Enkel stilte en leegte. De verwarring heeft ook mijn blaas tot leven gebracht, ik geef me over en verdwijn de badkamer in. Alles laten leeg lopen, ook mijn gedachten. Ik speur al zittend de ruimte af, opnieuw als een volleerde spoorzoeker. Geen gebruikte waslap, niet de gebruikelijke troep in de lavabo, geen sokken naast de wasmand. Zelfs geen verloren boxershort, denk ik, terwijl ik me hurk om mijn pyjamabroek op te hijsen. De slaap is voorgoed verbannen en ik zet mijn zoektocht verder. De trap af, op blote voeten terwijl de moed stilaan in mijn schoenen zakt. Vreemd hoe scherp mijn zintuigen staan. Op dit uur in de ochtend. Mijn hand glijdt langs de trapleuning, koel en toch warm, levend niet doods. Het hout heeft iets tastbaars, net als de treden, krakend, glad. Ik heb geen zweetvoeten, niet dat ik weet, maar toch voelt het alsof de huid van mijn tenen ademen. Lichtjes klevend aan het hout en dan soepel weer loslaten. Een welkome afleiding om mijn gedachten te kunnen ordenen terwijl ik langzaam naar beneden glip. Op zoek. Luisterend naar de stilte. Ik durf haast niet te ademen, om elk risteling of timbre te kunnen onderscheiden van dat van mezelf. Niets, alsof ik het enig levende wezen ben in een huis dat een eeuwige rust uitademt. Van de trap op de koude vloer. Even een huivering. Een oud patroon, zwart en witte kleine tegels, de voegsels voelen ruw aan in kontrast met het gladde van de tegel. Sluipend zet ik mijn tocht verder, mijn hand rust even op de verchroomde deurklink voor ik overmoedig de keukendeur opengooi. Hier opnieuw geen licht of geluid, of toch. Het lijkt alsof ik in een keurslijf wordt gewrongen, waarbij de veters steeds harder worden aangetrokken. Mijn hoofd tolt, mijn adem stokt en mijn hart slaat het opzwepende ritme van een Afrikaanse regendans. Ik wil gillen maar durf niet. Het liefst keerde ik op mijn passen terug, het bed in onder de lakens. Ik ben geen angsthaas, maar het gehijg in het washok is niet echt uitnodigend. Nu hoor ik ook een krabbend en kloppend geluid aan de deur. Iemand probeert die te openen. Met de moed der wanhoop schrijd ik naar het raam. Door een spleet in het rolluik probeer ik in de tuin te gluren. Geen beweging aan de achterdeur. Ik verleg mijn gezichtsveld. Een vage schaduw sluipt langs het bloemenperk naar het achtergelegen tuinhuis. Wellicht op zoek naar materiaal om het slot open te breken. Niet aarzelen, geen paniek, ruist het door mijn hoofd. Maar mijn reactie is sneller, ik grijp de draadloze telefoon en met een snelle sprint, de trap en het bed in. Onder de lakens probeer ik het noodnummer in te drukken; Geen gehoor. Batterij leeg. Naar beneden durf ik niet meer. Maar ik kan toch ook niet zomaar mijn huis laten leegroven? Mijn denken wordt verstoord door het kraken van de trap. Ik zak nog dieper onder het laken door en blijf doodstil liggen. Voetstappen stoppen aan de deur en ik hoor de klink naar beneden klikken. Nog enkele stappen en dan ploft iemand zich ongegeneerd in mijn bed neer. Een por in mijn zij, laat een ijselijke gil ontsnappen. Ik sterf ter plekke.
“ Zo ben je wakker, schat? Ik was gisteren bij de buis in slaap gevallen en toen ik wakker werd, besloot ik alvast voor paashaas te spelen. Zo kun jij nog even lekker uitslapen op je vrije morgen. De hond heb ik zolang in het washok opgesloten, anders bleef er van de chocolade wellicht niet veel meer over
De directeur komt thuis en ziet zijn vrouw in bed liggen met zijn boekhouder.Zegt die directeur: Wat moet dat hier? Zegt zijn vrouw: Jouw achterstand bijwerken!
Op zijn zwerftochten was Uilenspiegel aangeland in Hessen en daar hoorde hij, dat de graaf voornemens was, de wanden van zijn ridderzaal te laten beschilderen. Al de heldendaden van zijn voorouders wilde hij laten vereeuwigen in schone wandschilderingen. "Wel," sprak Tijl, "hoe kan het zo mooi uitkomen, ik ben toevallig kunstschilder van mijn vak; dat is net een karweitje voor mij."
En hij ging zich aanmelden bij de graaf en zei, graag bereid te zijn de gevraagde wandschilderingen te maken. De graaf vertelde hem, wat de taferelen moesten voorstellen en welke prijs hij ervoor betalen wilde. "Meneer de Graaf," zei Tijl, "dat is nou precies het werk dat ik al voor verschillende hoge heren heb verricht en ik merk, dat u royaal betaalt, dus ik neem het werk aan. En u behoeft me niet eerder te betalen, dan als het werk af is. Maar ik ontving wel graag een voorschot om verf en andere benodigdheden te kopen."
De graaf gaf een flink voorschot en Tijl kwam de volgende dag aanzetten met twee knechts, die potten verf, kwasten enz. droegen. "Ziezo, heer Graaf," sprak Tijl, "het werk begint. Maar we mogen niet gestoord worden: niemand mag de ridderzaal binnenkomen, zo lang wij nog aan het werk zijn. Ik kan er nu eenmaal niet tegen, op mijn handen te worden gekeken." De Graaf beloofde, dat niemand de kunstenaar en zijn helpers zou storen, en Tijl met z'n twee kornuiten verdwenen in de ridderzaal.
En daar namen de drie heren het er van! Zij hadden lekker eten en drinken meegebracht en deden zich daaraan flink te goed onder vrolijk gezang. Daarna gingen zij uitrusten op de zachte divans, of speelden een gezellig spelletje kaart of dobbelden een uurtje en vóór de avond viel gingen zij weg en sloten de ridderzaal zorgvuldig af en namen voor zekerheid de sleutels mee.
De volgende dag kwamen zij weer terug, allerlei geheimzinnige rollen en pakken en manden sjouwend. En ze vierden daar in die ridderzaal weer de hele dag feest en deden af en toe een dutje.
Zo ging dat wel een dag of tien door; en als de Graaf 's avonds Tijl bij het weggaan opwachtte en vroeg, hoe het met het werk stond, dan zei Tijl, dat hij heel tevreden was en maakte van de gelegenheid gebruik om nog een voorschot te vragen. Zogenaamd omdat de verf die hij gebruikte, zo kostbaar was, maar in werkelijkheid omdat al dat eten en drinken van hem en zijn kameraden aardig wat kostte.
Want de drie schavuiten vonden het nog niet mooi genoeg, dat ze de hele dag in die ridderzaal een lui en lekker leventje hadden, neen, als ze 's avonds terug kwamen in de herberg, waar ze sliepen, dan maakten ze ook daar goede sier, de herbergier had nog nooit zulke royale gaste gehad.
Eindelijk werd het de Graaf toch wel een beetje te machtig en hij vroeg Uilenspiegel, of hij nu niet eens wat van z'n werk te zien kon krijgen. "Met genoegen," zei deze. Hij liet één van zijn helpers, die een beetje tekenen kon, een poppetje op een stuk papier krabbelen, en kwamen daarmee naar buiten. "Kijkt u 'es," sprak hij met een ernstig gezicht. "Ach nee," sprak de Graaf, "dat bedoel ik niet. Maar je bent nu al een paar weken bezig en ik wou nu eindelijk wel 'es wat zien van de muurschilderingen die je maakt."
"Goed," sprak Uilenspiegel, "laten we dan afspreken, dat u vanmiddag eens komt kijken, dan zal de ene wand klaar zijn. Maar er mag niemand anders komen dan u alleen; ik heb een hele dure soort verf gebruikt, die alleen zichtbaar is voor mensen met edel bloed. Wie maar één druppeltje niet-adellijk bloed in z'n aderen heeft, die ziet van de hele beschildering niets."
's Middags werd de Graaf plechtig binnengelaten in zijn eigen ridderzaal. Op een wenk van Uilenspiegel trokken de helpers een linnen laken, dat voor één van de wanden hing, weg, en de kale muur kwam te voorschijn. "Wat zegt u er van, meneer de Graaf?" vroeg Tijl met een stalen gezicht. De Graaf zag niets, en zei: "Hm..."
Maar Tijl had voor de feestelijke gelegenheid een palet in de linkerhand en wees met een grote kwast naar de kale muur begon vol geestdrift uit te leggen: "Daar op dat prachtige witte paard zit uw betovergrootvader, in dat gouden harnas; om hem heen, op de bruine paarden, de ridders van zijn leger; en drie lui daar in de hoek, die zo somber en verdrietig kijken, dat zijn de gevangen vijanden, die zich moesten overgeven. En daar tussen de bomen door ziet u de edelvrouw met haar dames aankomen om de overwinnaar te begroeten. Hier op de voorgrond liggen de lijken van drie vijanden, die uw Heer betovergrootvader hoogst-eigenhandig in het zand deed bijten. Daar in de verte steekt het kasteel af tegen de blauwe lucht; ziet u de vlag wapperen?"
De Graaf stond maar te knikken, al zag hij niets van al het moois, dat Tijl zo vol overtuiging stond aan te wijzen. Want hij dacht: als ik zei, niets te zien, zou dat bewijzen, dat ik niet van zuivere adel was. Met een schuin oog keek hij naar het doek, dat voor de andere muur hing.
"Daar komt het tweede hoofdtafereel met uw Heer overgrootvader als voornaamste personage, uittrekkend voor de strijd tegen de Turken. Maar dat is nog lang niet af. En daar rechts, daar komt..." - "Ja, ja," zei de Graaf, die het benauwd kreeg, en hij stapte naar de deur. Uilenspiegel deed hem met veel strijkages uitgeleide, terwijl de twee helpers de andere kant uitkeken om hun lachen te verbergen. "Dus Uw Edelheid is tevreden?" vroeg Tijl vriendelijk en onderdanig. De Graaf wierp nog even een blik op de kale muur en zei: "Zeker, zeker, mijn vriend," en verdween.
Maar toen de Gravin hoorde, dat haar gemaal al de eerste wandschildering had bewonderd, begon zij te zeuren, dat zij en haar hofdames ook wel eens een kijkje mochten nemen. Tijl weigerde eerst, maar toen ook de Graaf aandrong, grotendeels omdat hij nieuwsgierig was, of anderen soms wél iets van een wandschildering zouden ontdekken, gaf Tijl toe.
De Graaf en de Gravin met hun hele gevolg kwamen binnen. Tijl vertelde weer van de bijzondere verf, die alléén gezien kon worden door mensen van zuivere adel, liet het doek wegnemen en begon weer aan zijn uitleg. Hij loog er nog tweemaal zoveel bij, als toen hij de Graaf alleen bij de neus nam. En het hele gezelschap hield z'n mond en stond maar te knikken. Maar de nar van de Graaf was ook mee naar binnen geslopen en die zei hardop: "Nou kan ik merken, dat het met mijn adel niet helemaal pluis is, want ik mag een boon zijn, als ik ook maar iets zie van een tekening of van verf."
"Stakkerd," zei Uilenspiegel lachend en de hofdames trokken vol minachting haar neusjes op voor die nar, die zo te koop liep met z'n lage afkomst. Toen het hele gezelschap de zaal verlaten had, buitelden de twee helpers van puur plezier driemaal over hun kop. Maar Tijl zei: "Jongens, als de narren de waarheid beginnen te zeggen, dan wordt het voor ons gevaarlijk. We pakken vanavond onze biezen en komen hier niet meer terug, hoor." En de volgende morgen wachtte de Graaf tevergeefs op de drie bedriegers: zij hadden Hessen verlaten.
Een vrachtwagenchauffeur rijdt van Parijs naar Bordeaux. Onderweg ziet hij een beeldschone lifster staan. Hij stopt en neemt haar mee. Na een kwartier zegt de vrouw dat ze zin in een nummertje heeft. De chauffeur zegt:'Dat kan ik niet maken, ik ben getrouwd en heb twee kinderen.' Na een kwartier vraagt de vrouw het opnieuw. 'Okeej,'zegt de chauffeur,'onder een voorwaarde, we doen het wel onder de vrachtwagen.' Als ze bezig zijn, ziet de man twee zwarte schoenen voor zich staan. Het is de politie die vraagt:'Wat ben jij aan het doen?' Waarop de chauffeur zegt:'Ik ben een lekke olieleiding aan het repareren.' Zegt de politieagent:'Volgens mij kun je eerst beter naar je handrem kijken, want je vrachtwagen staat 200 meter verderop!'
Langzaam liep ze over het strand. Luisterend naar de ruisende zee. Wachtend op het gevoel waar ze van hoopte dat het ooit nog terug zou keren. Waarom waren de veranderingen zo groot. Ze zette haar Ipod steeds harder. De ritmische klanken denderden in haar oren. Ze sloot zich af van alles om haar heen. Ze begon steeds harder te lopen alsof iets of iemand haar achtervolgde. Maar er was niemand. Ze was helemaal alleen. Ze liep steeds harder. Haar Ipod speelde een geweldig nummer af, de emoties kwamen naar boven. De tranen stroomden over haar zachte wangen. Ruw veegde ze de tranen weg. Maar opeens zag ze een licht… en alles werd donker voor haar ogen. Met verwoede pogingen probeerde ze haar ogen open te doen en te kijken waar ze was. Maar het enige wat ze hoorde waren harde, schreeuwende stemmen.
Er werd tegen haar schouder gepord. ‘Liefje, kan je me horen… ik ben het mama’. Met moeite kreeg ik mijn ogen open. Ik wilde omhoog komen. Maar een knallende hoofdpijn hield me tegen. Ik draaide mijn hoofd iets opzij en keek recht in het bezorgde gezicht van mijn moeder. Op de achtergrond hoorde ik de krijsende stem van mijn tienjarige zusje. Het liefst wilde ik gaan slapen. Maar dat kon ik niet maken tegenover mijn ouders. Een vriendelijke dokter vroeg me wat mijn klachten waren. Met moeite wist ik uit te brengen dat ik hoofdpijn had en een stekende pijn in mijn been. De dokter vertelde me dat ik een ongeluk had gehad, maar dat ik er goed van afgekomen was. Ik mompelde iets van dat ik het begrepen had. Langzaam vertrok iedereen een voor een uit de kamer. Ik viel in een onrustige slaap. Ik had een droom waarin iedereen me mocht. Waar ik geweldig was, waar ik alles kon. En de mooiste liefste jongen mijn vriend was. Maar helaas werd die droom geen werkelijkheid.
Mijn hoofd en mijn arm deden zo zeer dat ik me niet kon draaien. Het gordijn rondom het bed van mijn kamergenoot hing een stuk je open, ik kon net naar binnen kijken. Ik zag een toegetakelde jongen liggen, als je het mij vroeg hoorde hij thuis op intensive care. Helemaal in gedachten verzonken schrok ik op toen de dokter me aantikte en vroeg of hij bloed mocht prikken.
Mijn ouders waren vanochtend nog op bezoek geweest. En de doktoren hadden gezegd dat mijn hersenschudding steeds meer zakte en dat ik zeker over een paar dagen naar huis zou mogen. Een zuster kwam met een rolstoel binnen rijden. Ze reed naar het bed van de toegetakelde jongen. Samen met een man, waarschijnlijk de vader van de jongen tilde ze hem in de rolstoel. “Kom Mark we gaan lekker een stukje wandelen” zei de man. “Jong, ik ben geen kleuter meer, praat gewoon normaal tegen me” zei de jongen kennelijk Mark hetend. “Doe niet zo boos, wees blij m’n jongen” zei de man. “Kom op pa, jij gaat wandelen, ik ga zitten”. Toen Mark en zijn vader de deur uit waren moest ik lachen. Wat een bijdehandje. Vermoeid viel ik weer in slaap. “Hey, ik zal me even voorstellen” zei hij opgewerkt toen hij later terug kwam. “Ik ben Mark de Graatsing en jij bent Elysa he? Leuk je te ontmoeten.
Na twee dagen ziekenhuis had ik het al totaal gehad daar. Gelukkig kwam het bevrijdende nieuws snel! Ik mocht vanmiddag naar huis. Mijn moeder kwam uit haar werk direct om te helpen met mijn tas in te pakken, voor de terugreis naar huis. Mijn ondertussen ziekenhuis vriend, zat verveeld televisie te kijken. Ik strompelde naar hem toe. Hé ik ga naar huis. Hij reageerde niet. Mark! Riep ik. Hij keek verdwaasd op. “Hoi, ga je?” “Ja, ik mag eindelijk naar huis.” “Laat me maar alleen” zei hij lachend. “Tot ziens he, ik spreek je nog wel als je weer thuis bent.” Ik wilde hem een knuffel geven, maar toen mijn gezicht vlak bij zijn wang was tilde hij met moeite zijn hand op. Pakte mijn hoofd vast en gaf er een kusje op. “Dag lieve Elysa” zei hij. “Dag, Mark” zei ik en ik strompelde met mijn krukken de kamer uit. Mijn moeder stond te wachten ze vertelde dat ze me gemist had. Omdat het bijna zomer vakantie is had ze een hele leuke vakantie geboekt. Normaal gesproken veerde ik op bij het horen van vakantie maar ik kon mijn gedachten er niet bij houden. Mijn moeder hield even haar mond dicht toen ze me hielp met het instappen van de auto maar daarna babbelde ze vrolijk verder.
Eindelijk waren we thuis. De rit leek wel een eeuwigheid te duren. Mijn zusje kwam naar me toe rennen. “Ik heb je gemist” zei ze en ik kreeg een grote knuffel. Ook mijn vader kwam naar buiten waar ik ook stevig door omhelst werd. Ik zou het nooit hardop te durven zeggen maar ik had ze ook gemist. Het voelde alsof ik nooit was weggeweest. Na het avond eten moest ik op het internet de foto’s kijken van het huisje dat we gehuurd hadden in Italië. Het zag er leuk uit het was in een klein park in het bos.
Een maand later was mijn been was zo goed als geheeld dus ik kon zonder gips op vakantie. Ik had de dokter wel moeten beloven mijn been nog niet te veel te belasten. Mark had ik niet meer gesproken. Hij was ook uit het ziekenhuis ontslagen en ik was het briefje met zijn msn verloren. Ik probeerde hem te vergeten ten slotte kende ik hem alleen maar vanuit het ziekenhuis. Toch voelde het wel speciaal.
De autoreis duurde veel langer dan de bedoeling was. Toen we op het vakantiepark aankwamen werd het alleen maar erger. Er waren geen jongeren te bekennen en we zaten in de middle of nowhere. Na 1 week had ik het al helemaal gezien. Mijn ouders en mijn zusje maakten vaak wandelingen maar daar kon ik niet aan mee doen vanwege mijn been, al zal ik eerlijk toegeven dat ik wandelen nooit echt leuk gevonden heb. Maar toch ik zat daar maar een beetje.
In het weekend stond ik pas laat in de middag op. Ik kleedde me aan en wilde naar mijn zusje in het zwembad gaan toen ik met mijn slaperige hoofd tegen iemand op liep. “Eeh, I’m sorry” brabbelde ik” “Hé no problem” lachte de jongen. Toen ik op keek om te kijken tegen wie ik het eigenlijk had schrok ik me wild! Een knappe dude keek me aan met helder blauwe ogen en blond haar. “Ik weet wat je nu denkt” zei hij. “Dat ik nooit een Italiaan kan zijn met mijn blonde haren en blauwe ogen. Maar dat ben ik ook niet al hoewel ik hier al wel 3 jaar woon.” De jongen begon vrolijk te vertellen over zijn familie en dat ze geïmmigreerd naar waren Italië. Ik vergat mijn zusje totaal. Ik vergat mijn hele familie totaal. De rest van de weken vlogen voorbij. Elke dag was ik weg met de dude, Paulo. Ik was tot over mijn oren verliefd. Maar mijn laatste vakantiedag kwam al snel in zicht. Ik sprak met hem af bij een klein meertje voor onze laatste avond samen. Paulo was er al. Hij had een picknickkleed neergelegd en een heleboel kaarsjes. Ook had hij een roosje voor me meegebracht. De avond was volmaakt. De ruisende zee, volle maan en de liefste jongen die ik ooit ontmoet had. Ik had nooit durven dromen dat ik een avond mee zou maken die zo perfect zou zijn.
De tijd vloog voorbij, voor dat ik het door had was het al 2 uur mijn ouders zouden wel bezorgd zijn. Ik stuurde ze een sms dat het nog wel wat later zou kunnen worden ik wilde nog niet weg. Maar ik moest afscheid nemen. Ik beloofde hem dat we contact zouden houden. Ik werd emotioneel, de tranen rolde over mijn wangen. Hij suste “stil maar lieverd, het komt allemaal goed” hij trok me tegen hem aan met zijn sterke armen. Ik keek hem aan. Hij veegde met zijn duim de tranen van mijn wangen. “Ik hou van je… jij bent het mooiste meisje dat ik ken, vooral waneer je lacht en de zon speelt met je haar”. Ik slikte. Zulke mooie woorden, ik wist niet wat ik moest zeggen. “ Ti amo (ik hou ook van jou), ik zal je nooit vergeten! Arrivederci Carissima (tot ziens liefste)” Ik liep het strandje af… weg van Italië en Paulo, maar de mooie herinneringen nam ik mee, mee naar huis, mee in mijn hart.
Er gaan 3 boeren naar de landbouwrai, krijgen zakgeld mee van hun vrouw, een 15 de andere 20 en 50 piek. Na de rai niks meer te doen dus naar de wallen. Zien ze een bloedmooie hoer en vragen wat ze kost, 100 piek. Ze baalen en lopen door. Na een tijdje lopen zien ze een bordje staan FRUITPIJPEN NU VANAF 15,-. Dit lijkt ze wel dus de eerste met 15 piek naar binnen komt 5 minuten laterbuiten en zegt: "Dat was lekker man!" Vragen de andere 2: "Wat gebeurde er binnen?" "Nou ze schoof een schijf ananas over mijn lul en zoog hem er zo af." Nr. 2 komt na 10 minuten naar buiten met het zweet op zijn voorhoofd. "En hoe was het?" "Nou ze schoof twee schijven ananas over mijn lul en zoog ze er zo af." Nr. 3 komt na 50 minuten naar buiten en loopt totaal haaks maar heeft een vette grijns op zijn bek. Vragen de anderen: "En hoe was het?" "Zalig man." "Maar wat gebeurde er binnen?" "Nou ze schoof drie schijven ananas over mijn lul, legde er een aardbei op en spoot er een toet slagroom op, het zag er zo lekker uit ik heb alles zelf opgegeten."
Zit ik laatst met een vriend aan de bar,,zeg ik tegen hem ik heb een probleem,,Ohh ja zegt hij wat dan.. Nou ik heb sinds kort allemaal rode strepen op mijn piemel,,,OOOH zegt hij dat ken ik ,,heb ik ook gehad... Ik helemaal opgelucht en vroeg naar de diagnose,,Nou zegt ie het waren spataders,,je gaat naar de uroloog en voor 5000,- eurie is tie weer mooi streeploos en glad.. Ik verwijskaart en naar die uroloog,,wordt ik wakker na narcose en wil afrekenen.. Dus vraag de rekening ,,,staat daarop 50,- eurie,,ik happy dat het zo goedkoop is maar vraag toch waarom.. Nou zegt die uroloog,,bij uw kennis waren het spataders ja ,,,maar bij u gewoon lippenstift......
Bij tijd en wijle slaat mijn hart op hol als gevolg van een aantal onverwachte ontmoetingen. Oordeel zelf. Het was avond en een enkele goedwillende straatlantaarn had zich voorgenomen om de opgelegde taak met verve te vervullen om in deze duistere tijden een bron van verlichting te zijn.Om me heen kijkend zag ik dat deze vertegenwoordiger van straatmeubilair werd geholpen door een naderend schijnsel. Op mijn netvlies verscheen een fietser die een verlicht voertuig beheerde. Gefascineerd door dit zeldzame verschijnsel trapte ik geemotioneerd een achter mij staande herdershond op de tenen.Niet gediend van dergelijke intieme handelinge begaan door vreemden, begroef het dier netjes zijn gebit in mijn kuit. Het wakkere beest van me afschuddend staarde ik gebiologeerd naar de fietser, een opgeschoten tiener, die afstapte en me voor de voeten wierp, 'mot je wat van me?' 'Eh, nee, maar ik zie dat je licht voert.' In gangbaar Nederlands antwoordde mijn toevallige gesprekspartner, 'fuck off, man, het enige dat ik vandaag gevoerd heb zijn me knijnen.' Daarna toonde hij zijn rug waar ik geen interesse voor had. Een tweede voorval dat bij mij hartkloppingen teweeg bracht en een gedeeltelijke stembandverlamming teweeg bracht, werd ingeluid door door een winkeldeur die ik voor een achter mij lopende dame, open hield. Verbijsterd hoorde ik haar zeggen, 'dank u.' Verbouwereerd door deze uit de zwang geraakte uiting van beleefdheid, verstapte ik me en lieten mijn onderdanen het afweten. Ternauwernood omzeilde ik een bak met Spaanse margrieten die op het trottoir verdekt stond opgesteld en belandde in de goot. Versuft opkrabbelend kwam ik in aanvaring met een personage die zijn oren beschikbaar had gesteld voor een half dozijn gekleurde veiligheidspelden. Ik hoorde hem zeggen,'keje nie uitkijke kikker?' Geschrokken rondneuzend naar voornoemde groene springer hielp de man me fors uit de droom. 'Je hoef nie so te loere, ik hep het tege jou. As een hond tege me opspringe, beje nou helemaal een end belazert.' Ik deed het niet met voorbedachten rade,'bracht ik met moeite uit. 'Sooo, ganeme dure woorde gebruike? En of je dat met die rade doet, sal an me reet roeste. As ik eran kompt gaje opsij, of hept je da nog nie door? Nou we het er toch over hebbe er sijn meer dinge die je over me mot wete.' 'O ja?' mijn snelle ademtocht vergezelde de twee woordjes naar een onzichtbare eeuwigheid. 'Jasekers. Ik hoef niet so'n klote papiergeval te gebruike foor me rotsooi, die pleur ik gewoon op straat.' De daad bij het woord voegend gooide hij een verfrommelde, lege patatzak naar een meisje dat opzij sprong. Ook as ik autorij, da doen ik met me radio loeihard sodat de ruite trille en scheur dan met rokende bande weg. De mense op straat denke dan "wat is dat een goeie schauffeur is dat.' 'Chauffeur,'probeerde ik. 'Wa krijge me nou klootmajoor?' Zijn felle, roodomrandde ogen bleven venijnig op me rusten. 'Je gaat me toch geen les in taal geve eikel?'In de derde klas fan de lagere school had ik foor me opstelle meestal een voldoende. Om op die auto terug te komme daarvan is het aardige da ik geen rijpapiertje hep. As ik rij ga ik se links en rechts foorbij. As da nie lukt ga ik dicht op se sitte sodat ze bagger scheitte en move. Afstand houe is foor lui die nie kenne rije. Piepeltjes op zeehondeoversteekplaatse kenne beter wiebele of opsij springe as ik kom anrije.' Niet begrijpend keek ik hem aan. 'Zeehondenoversteekplaatsen, wat bedoel je daarmee?' 'Beje so dom? Weet je da nie eens? Da benne die witte strepe op de weg waar lui overheen struine as se naar de oferkant wille.' 'Zebrapaden.' 'Ga weg, hete die so? Ik hep er nog nooit een seebra ofer sien struine. Soms as ik met de bus ga en die is afgelaaie zie ik piepeltjes voor ouwe gefalle opstaan. Dan denk ik bij me eiges 'wat een hufters lope er nog rond. Laatst nog, kom ik anlope bij so'n dinges en staat me daar een rij fan jewelste. Je denkt toch seker nie da ik bij da gajes ansluit. Ik duw en stomp die piepels an de kant en was als eerste binne. Er was so'n hippe vogel die stampei wou make. Tege mij!Toen ik effe me mes liet sien hield hij gauw se waffel.'Een zweem van trots verscheen op zijn gezicht. En nou wil jij seker wete waarom ik da allemaal mag? Da komp omdat ik lid ben fan de ASO. Met moeite bracht ik uit'wat is dat?' 'Weet je da nie? Beje so oerdom? As lid mag je schijt hebbe an andere. Je maakt je eige regels. Fan de week nog, hep ik met met een stel tofferikke een trein fan binne ferbouwt. Het werd helmaal te gek toen een flinkerik ons wou tegehouwe. Met se alle sijn we op die fogel gedoke. Die bird hep het gewete. Het laatste wat ik fan hem sag was dat hij wegstieflde met een ferlamde flerk. En nou jij ook wegwese muffert.' Me een duw gevend viel ik achterover. Liggend in de goot keek ik hem verdwaasd na.
De bewoners van het koninkrijk Malla waren blij met hun koning Okkaka. De paleisdeuren stonden altijd voor hen open als ze een probleem hadden. Er was één ding waar ze zich zorgen over maakten: de koning had geen kinderen. Hoe moest dat nu als de koning stierf? Dan zou een vreemde overheerser komen en die zou vast niet zo'n edele koning zijn! Ze trokken op naar het paleis en riepen: "We zullen bidden om een zoon, die het land net zo goed bestuurt als u." De hele bevolking bad mee, zodat de lucht gonsde van hun gebeden. Ze stegen op en bereikten Sakka, Heer van de hemel. Hij besloot hun gebed te verhoren. Op de zevende dag van het bidden verscheen hij in de kamer van koningin Silavati. Ze schrok wakker omdat er een stralend licht in de kamer kwam en begroette hem eerbiedig. Sakka zei: "Je mag een wens doen." - "O Heer, geef me dan een zoon," antwoordde ze snel. "Je krijgt er twee. Eén zal wijs en lelijk zijn, de ander knap, maar dwaas. Wie moet het eerste komen?" - "De wijze," antwoordde ze. "Zo zal het zijn." Hij raakte haar voorhoofd aan en gaf haar een hemelse grasspriet, Kusa genaamd.
De koningin liep meteen naar de koning en vertelde hem wat er gebeurd was. Ze liet hem ook het hemelse gras zien. De wijze koning twijfelde niet aan haar verhaal. Driekwart jaar later werd een zoon geboren. Zijn ouders noemde hem Kusa. Een tweede zoon werd geboren. Zijn naam was Jayampati. De jongens groeiden op en leerden alles wat koningszonen moeten weten. Voor Kusa was dat gemakkelijk. Toen hij oud genoeg was, wilde de koning plaats voor hem maken, maar zijn moeder wilde dat hij eerst zou trouwen. Zij vroeg het aan Kusa, maar hij dacht:" Welke mooie prinses wil nu zo'n lelijke man trouwen?" Hij trok daarom niet rond om een vrouw te zoeken. Toen vroeg de koning hem op reis te gaan. Kusa wilde zijn ouders geen verdriet doen. Hij liet de hofedelsmid komen en vroeg hem alles wat nodig was om een beeld te maken en ging aan het werk. Hij bleek ook nog een talentvolle beeldhouwer en zo maakte hij een beeld van een vrouw. "Als ik een vrouw vind, zoals dit beeld," zei hij tegen zijn moeder, "zal ik met haar trouwen."
De koningin liet het beeld in een koets rondrijden door het hele koninkrijk. "Als jullie een prinses vinden, die op het beeld van mijn zoon lijkt," zei ze tegen haar gezanten, "zeg dan tegen haar vader dat zij mag trouwen met mijn zoon." Iedereen keek vol bewondering naar het beeld. Het was zó mooi dat geen prinses aan haar kon tippen.
Uiteindelijk kwamen de gezanten in het naburig koninkrijk Madda, in de stad Sagala. De koning daar had zeven stralend mooie dochters. De oudste heette Prabhavati en zij was onbetwist de mooiste. Prahabvati had een gebochelde, zeer trouwe helpster. Toen dit meisje langs de weg water ging halen, keek ze toevallig in de koets en schrok. Daar zat haar meesteres doodstil, maar nee, het was een beeld. Ze vertelde de gezanten dat haar meesteres sprekend leek op het beeld. Ze gingen met haar mee naar het paleis en werden naar de koning gebracht. De koning wilde graag dat zijn dochter trouwde met de beroemde prins Kusa.
De gezanten keerden blij terug naar hun eigen koning Okkaka en koningin Silavati. Zij brachten een beleefdheidsbezoek aan hun komende schoondochter, maar toen Silavati zag hoe mooi het meisje was, dacht ze: "Hoe moet dat goed komen. Als dit mooie meisje mijn lelijke zoon ziet, zal ze terug willen rennen naar haar eigen huis! Ik moet een plan bedenken."
Ze zei tegen Prabhavati: "In onze familie bestaat de gewoonte dat een vrouw haar man niet mag zien tot ze zwanger is. Als je je daarin kunt vinden, mag je de edele prins trouwen." De prinses zei: "Ja, ik wil," en vertrok met haar aanstaande schoonouders naar Malla. Ze werd ontvangen met gejuich door de bewoners van haar nieuwe land. Ze vierden feest, want ze waren blij dat de koningszoon nu ging trouwen. Okkaka deed afstand van de troon en Kusa was de nieuwe koning. Niet lang daarna stierf zijn vader.
Het leven van Kusa en Prabhavati zag er vreemd uit. Ze zagen elkaar alleen 's nachts met hun handen, als blinden. Voor de zon opging moest Kusa de koninklijke slaapkamer verlaten. De koning en de koningin leefden in verschillende vertrekken. Ook de koningin-moeder had haar eigen afdeling in het paleis.
Na enige weken wilden ze elkaar eindelijk wel eens zien met hun ogen en ze vroegen herhaaldelijk toestemming aan de koningin-moeder. Eerst weigerde zij, maar tenslotte gaf ze toe. Ze nam Prabhavati mee naar de olifantenstal. Aan Kusa had ze gevraagd daar verborgen te staan als olifantenbewaker. En ja, hij zag het: ze was beeldschoon. Een tweede keer stond hij in de paardenstal en hij keek vol bewondering naar zijn prachtige vrouw.
Nu was het Prabhavati's beurt, maar dat was moeilijker. De koning-moeder had het volgende bedacht: "Je kunt mijn zoon morgen zien, als hij een processie leidt door de stad." Ze vroeg prins Jayampati een koninklijk kleed aan te trekken en bovenop een olifant langs het paleis te komen. Toen Prahabvati uit het raam keek, was ze opgetogen over het knappe uiterlijk van de man die haar echtgenoot was, tenminste, dat dacht ze. Niemand had voorzien dat Kusa, verkleed als olifantenbewaker achter zijn broer zat. Toen hij Prabhavati achter het raam zag staan, kon hij het niet laten naar haar te zwaaien. Prabhavati was woedend toen ze die lelijke man zo brutaal naar haar zag wuiven. Ze klaagde tegen de koning-moeder, die naast haar stond, maar ze vroeg zichzelf tegelijk af: "Die olifantenbewaker is een zelfbewuste figuur. Hij heeft geen respect voor de koning. Zou hij soms koning Kusa zelf zijn?"
Daarom gaf ze haar gebochelde bediende opdracht uit te zoeken wie nu eigenlijk de koning was: de voorste of de achterste man. "Hoe kan ik dat te weten komen?" vroeg het meisje. "Heel eenvoudig. De koning zal het eerst afstijgen." En zo gebeurde.
De bediende vertelde wat ze had gezien. Prabhavati ging meteen naar de vertrekken van haar schoonmoeder. Ze was woedend. "U hebt me bedrogen! Ik wil niets te maken hebben met zo'n lelijke, stiekeme echtgenoot." Ze riep de gezanten en zei: "Maak mijn koets klaar. Vandaag nog ga ik terug naar mijn vader." De gezanten verklapten dit aan de koning, maar deze dacht na: "Als ik haar tegenhoud, zal haar hart breken. Als ze weg wil, laat haar gaan." En daar ging ze.
Als Kusa naar zijn paleis ging, dacht hij steeds aan haar. Hij zei tegen zijn moeder: "Ik ga Prabhavati terughalen. U moet nu het koninkrijk besturen." Zijn moeder antwoordde: "Je moet geen koninkrijk opgeven voor een vrouw. Je zou geduld moeten oefenen en niet toegeven aan je verlangen naar haar." Maar Kusa was vastbesloten. Niemand kon hem tegenhouden.
Na een tijd bereikte hij de stad Sagala. Hij rustte uit, haalde zijn fluit tevoorschijn en begon te spelen. De muziek klonk door de hele stad. Toen Prabhavati de melodie hoorde, begreep ze meteen dat die van Kusa kwam. De koning hoorde het ook en liet de vreemde fluitspeler komen. "Je speelt prachtig" zei hij. "Je moet mijn hofmuzikant worden." Maar Kusa dacht: "Nee, dan zie ik Prabhavita niet." Ook in dat land waren er aparte mannen- en vrouwenvertrekken.
Kusa besloot pottenbakker te worden. Eén van zijn kruiken had de vorm van Prahabvati met haar gebochelde bediende. De koning was onder de indruk en stuurde het kunstwerk naar zijn dochter, maar zij begreep wie het gemaakt had en zette het opzij. Kusa ging manden vlechten. Alweer maakte hij een meesterwerk: een Prabhavati van bamboe. De koning gaf de mand aan zijn dochter en zij keek er niet naar om. Kusa kwam iets dichterbij zijn vrouw toen hij paleistuinier werd, maar zelfs de prachtigste bloemstukken konden haar niet veroveren. Toen besloot Kusa als kok op te treden. Zijn schotels met eten waren zó verrukkelijk dat de koning hem liet koken voor zijn dochters. Hij moest de schotels ook naar hen toe brengen. "Ah," dacht Kusa, "nu zal ik eindelijk mijn vrouw weer zien." Maar nee. Toen zij zag, dat hij de trap opkwam met het heerlijke eten, dacht zij: "Als ik hem ontvang, denkt hij dat ik me met hem zal verzoenen. Als ik de deur open, kijkt hij naar me. Als ik hem uitscheld, verdwijnt hij misschien. Wie weet, grijpt hij me, als ik de deur opendoe." Daarom sloot zij de deur en liet de gebochelde het eten ophalen. Toen verwisselde zij het eten dat voor de bediende bedoeld was met het hare en waarschuwde het meisje dat zij de koning niets mocht zeggen.
Enkele dagen later, toen Kusa naar boven ging met een zwaar blad vol eten, struikelde hij en viel. Het deed erg pijn. Toen Prabhavati het gekreun hoorde, opende zij haar deur en toen ze hem in elkaar gedoken zag onder het blad met eten, zei ze tegen zichzelf: "Zie toch de grote koning Kusa. Om mij lijdt hij pijn, dag en nacht." Toch gaf ze niet toe. Toen ze zag dat hij nog leefde en ademde, ging ze terug naar haar kamer. Kusa zag nauwelijks een glimp van zijn vrouw, maar hij was er nu zeker van: zij verafschuwde hem.
Ondertussen was het koninkrijk Malla in gevaar. De koning kreeg bericht dat zes prinsen van naburige koninkrijken van plan waren om de stad Sagala binnen te vallen. Ieder van de prinsen wilde de mooie Prahabvita veroveren. Zij werd immers niet meer beschermd door haar echtgenoot, de moedige koning Kusa.
De koning overlegde met zijn vrouw, die op haar beurt praatte met haar oudste dochter: "Was Kusa maar hier. Hij zou de prinsen verslaan en ons allemaal redden." Prabhavati had geen keus meer. Ze vertelde haar moeder wie de muzikant, de pottenbakker, de mandenvlechter, de tuinier en de kok was. Ze opende het raam en wees hem aan: de man in smerige kleren die de potten en pannen afwaste.
De koningin vertelde alles aan haar man, die onmiddellijk naar Kusa ging en hem vergeving vroeg omdat hij hem niet had herkend. Kusa zei dat het kwam door zijn verschillende rollen.
Prabhavati begreep haar dwaasheid. Al die tijd dacht ze alleen maar aan Kusa's uiterlijk en niet aan al zijn talenten en wijsheid. "Hoe kon ik zo blind zijn voor zijn werkelijke schoonheid?" Ze ging snel naar haar echtgenoot, viel voor zijn voeten, smeekte om vergeving en beloofde hem nooit meer te beledigen. Kusa was blij. Hij dankte de Heer van de hemel.
Toen hoorde hij van de vijandige prinsen. Hij verzekerde haar dat hij ze zou verslaan, ging het paleis binnen en trok koningskleren aan. Hij besteeg een olifant en stormde op de vijand af. Het duurde niet lang of de prinsen lagen op hun knieën. Kusa doodde ze niet. Hij liet ze trouwen met de jongere zusters. Zo werden ze verbonden aan het koninkrijk. Madda.
Koning Kusa en koningin Prabhavati keerden terug naar Malla en ze werden feestelijk binnengehaald door hun enthousiaste onderdanen.
Er zaten drie baby's in een buik. De ene vraagt aan de ander: Wat zou jij later willen worden? Waarop de ander antwoord: Brandweerman, want dan kan ik levens redden van mensen! Vraagt de ander aan die ene: Wat wil jij dan worden? Antwoord: Politie, dan kan ik ook levens redden van mensen! Vraagt de ene aan de 3de: En? Wat wil jij later worden??? Antwoord de 3de: Houthakker, als dat ding nog 1 keer naar binnen komt hak ik hem eraf!
"Zeg, weet je, als ik mijn Peter pijp, heeft hij altijd koude ballen." "Dat is grappig", zegt de tweede, "als ik dat bij mijn Dirk doe, is dat ook zo." "En jij", vragen ze aan de derde, "heeft jou Jeremy dat ook als je hem pijpt?"
"Euh, weet je dat ik dat nooit gedurft heb." "Oh jee meisje toch, jij bent niet goed wijs zeker? Als je dat niet doet, gaat hij het misschien wel bij een ander zoeken en dan enz enz..."
Zo gezegd zo gedaan, 's avonds verwent ze haar Jeremy eens goed door hem te pijpen. De volgende dag komt ze aan met een blauw oog.
"Ja", zegt ze, "ben ik hem aan het pijpen en in ene keer wordt hij kwaad en geeft hij me een knal op me oog." "Die is zeker gek geworden, waarom doet die nou zoiets?" "Ja weet ik het, ik zei hem nog, hey das gaaf, jouw ballen zijn warm wanneer ik je pijp, en die van Peter en Dirk niet."
Er was eens een hele rijke koning, en die had drie dochters, en die gingen elke dag wandelen in de tuin van het paleis; en nu hield de koning toch altijd zoveel van alle mooie bomen, en van één boom hield hij zoveel dat hij iemand die daar maar één appeltje van plukte, honderd vadem diep onder de aarde wenste.
En toen het herfst was, toen werden al die appels aan die ene boom allemaal zo rood, zo rood als bloed. De drie dochters gingen elke dag onder die boom om te kijken of de wind soms niet een appel had afgewaaid, maar ze vonden er van hun leven geen een en de boom zat zó vol, dat hij scheen te bezwijken en de takken hingen tot op de grond.
Toen kreeg de jongste prinses er zo'n geweldige zin in, en ze zei tegen haar zusters: "Onze pa," zei ze, "die houdt veel te veel van ons dan dat hij ons iets kwaads zou wensen: ik geloof dat hij dat alleen maar gezegd heeft met het oog op vreemden." En meteen plukte het kind een hele dikke appel af en ze sprong naar haar zusters en zei: "O proef nu eens, lieve zusjes, nu heb ik toch van mijn leven niet zoiets lekkers geproefd!" En toen beten de twee andere prinsessen ook eens in de appel, en toen zonken ze alle drie diep onder de grond, en er kraaide geen haan naar.
En toen het middag werd, wou de koning hen aan tafel roepen en toen waren ze nergens te vinden: hij zocht ze overal, in 't kasteel en in de tuin, maar hij kon ze niet vinden. Toen werd hij zo bedroefd en hij liet het in 't hele land omroepen en wie hem zijn dochters terugbracht, zou er één tot vrouw krijgen.
Toen gingen er heel veel jongelui de velden over om te zoeken, het was ongelooflijk zoveel als er zochten, want iedereen had die drie meisjes graag gemogen, ze waren altijd vriendelijk geweest tegen iedereen en ze hadden zulke lieve gezichten.
Zo gingen er ook drie jonge jagers op uit, en toen ze wel een dag of acht hadden gereisd, toen kwamen ze bij een groot slot. Er waren toch zulke mooie kamers in dat slot, en in een kamer was een tafel gedekt en daar stond zulk lekker eten en dat was nog zo warm dat het dampte, maar in het hele slot was toch geen mens te horen of te zien. En toen wachtten ze nog een halve dag, en de gerechten bleven aldoor warm en dampten steeds, tot op 't laatst - toen werden ze zo hongerig dat ze aan tafel gingen zitten en alles aten, en ze beslisten onderling, dat ze op 't slot wilden blijven wonen en ze wilden daarom loten, wie er in het huis bleef, terwijl de twee anderen de dochters zochten; en zo gezegd zo gedaan en het lot viel op de oudste.
De volgende dag gingen de beide jongsten zoeken en de oudste moest thuis blijven. 's Middags kwam er zo'n klein, klein manneke en dat bedelde om een stukje brood, en toen nam hij het brood dat hij gevonden had, en hij sneed een stuk af en rondom sneed hij wat weg en dat wou hij hem geven en terwijl hij 't hem aangeeft, laat het kleine mannetje 't vallen en zei of hij alsjeblieft zo goed zou willen zijn en het hem teruggeven. En dat wilde hij doen ook en hij bukte zich en daar neemt het mannetje een stok en hij pakt 'm bij zijn haar en geeft hem slagen.
De volgende dag bleef de tweede thuis, hem ging het niet beter. Toen de twee anderen 's avonds thuiskwamen, toen zei de oudste: "Nou, en hoe is het je gegaan?"
"O, heel slecht." En ze klaagden elkaar hun nood, maar ze hadden aan de jongste nog niets gezegd, want daar hielden ze helemaal niet van, en ze hadden 'm altijd domme Hans genoemd, omdat hij niet altijd even slim was.
Maar de derde dag bleef de jongste thuis, en toen kwam dat manneke weer en bedelde weer om brood, en toen hij het hem gegeven had, liet hij het weer vallen en zei, of hij zo goed wou zijn en hem het stukje nog eens aangeven. En dan zegt de jongste tegen dat manneke: "Wat!" zegt-ie, "kun je dat stukje brood niet zelf oprapen, als je je voor je dagelijkse eten geeneens moeite wilt geven, dan ben je niet waard dat je eet."
En toen werd dat manneke zo boos en zei: hij moest het toch doen; maar hij, niet bang, pakte het lieve manneke beet en sloeg er eens behoorlijk op los. Toen schreeuwde het mannetje hard en riep: "Hou op! hou op! laat me leven - dan zal ik je ook zeggen waar de prinsessen zijn!" Zodra de jongen dat hoorde, hield hij op met slaan, en 't mannetje vertelde dat-ie 'n aardmannetje was, en er waren er meer dan duizend van zijn slag, en hij moest maar 's mee naar beneden gaan en dan zou hij hem wel wijzen, waar de prinsessen waren.
En toen wees hij onder in een diepe put, maar daar zat geen water in. En het mannetje zei: hij wist wel dat de anderen het niet zo goed met hem meenden, en als hij de prinsessen wou verlossen dan wou hij het alleen doen. De twee andere broers wilden de prinsessen ook wel heel graag vinden, maar ze hebben er geen moeite en geen gevaar voor over; maar hij moest dan een grote mand nemen, en hij moest erin gaan zitten met een hartsvanger en een bel, en dan moest hij zich naar beneden laten zakken; beneden waren drie kamers en in elk van de kamers zat een prinses, en ze waren ieder bezig met 'n draak met veel koppen, en ze moesten al die koppen luizen; en dan moest hij al die koppen afslaan. En toen het aardmannetje dat allemaal gezegd had - weg was hij.
Het werd avond en de twee anderen kwamen thuis en vroegen hem hoe hij 't gehad had, en toen zei hij: "O voorlopig wel goed," en hij had geen mens gezien, alleen 's middags, toen was d'r zo'n klein mannetje gekomen, en die had om brood gevraagd, en toen hij 'm dat gegeven had, had 't ventje 't brood laten vallen, en toen had hij gezegd dat hij het weer op moest rapen, en dat had hij toen niet gedaan, en toen was hij gaan pochen, maar dat had hij toen maar niet begrepen en hem flink op z'n kop gegeven, en toen had hij 'm nog verteld waar de prinsessen waren.
Toen ergerden de twee anderen zich dat ze geel en groen werden van nijd. En de volgende morgen gingen ze alle drie naar de put en lootten erom wie zich 't eerst in de mand naar beneden zou laten zakken en de oudste lootte 't eerst en moest in de mand gaan en de bel meenemen. Toen zei hij: "Als ik bel, moeten jullie me meteen weer ophalen."
Hij was een eindje naar beneden en toen ging de bel, en ze wonden hem weer omhoog; en de tweede ging erin zitten en die deed net zo, maar toen kwam de beurt ook aan de jongste, maar die liet zich helemaal naar beneden afrollen. Daar klom hij de mand uit, nam zijn hartsvanger en hij ging voor de eerste deur staan luisteren en toen hoorde hij de draak heel hard snurken.
Hij deed de deur langzaam open, daar zat de ene prinses en ze had op haar schoot negen drakenkoppen. En hij nam z'n hartsvanger en sloeg toe en toen waren de negen koppen eraf. De prinses sprong op en viel hem om de hals en trok hem naar zich toe en kuste hem en ze nam haar halssieraad van zuiver goud, en hing hem dat om.
Toen ging hij ook naar de tweede prinses, die had een draak met zeven koppen, en die verloste hij ook, en tenslotte de jongste, die had er één met vier koppen, en daar ging hij ook heen. En daar waren ze allemaal zo blij en omhelsden en kusten hem zonder ophouden. En toen belde hij zo hard, dat ze 't boven hoorden.
Hij zette alle prinsessen, één-voor-één, in de mand en liet hen allemaal omhoog winden, en nu de beurt aan hemzelf kwam, viel hem in, wat de woorden van 't aardmannetje waren geweest, die zei dat zijn maats het niet goed met hem meenden. Toen nam hij een grote steen die daar lag, legde die in de mand, en toen de mand zowat halverwege was, sneden de valse broers boven het touw door, zodat de mand met de steen op de grond viel en zij dachten dat hij dood was. En ze liepen met de prinsessen weg en lieten de prinsessen beloven om aan hun vader te zeggen, dat zij tweeën het waren die hen hadden verlost, daar kwamen ze bij de koning en wilden hen als vrouw.
Intussen ging die jongste jager heel verslagen door die drie kamers op en neer, denkend dat hij nu maar sterven moest; maar toen zag hij aan de wand een blokfluit hangen en hij dacht: "Wat doet dat ding hier, hier kan toch niemand vrolijk zijn?" En hij bekeek alle drakenkoppen en zei: "Jullie kunnen me ook niet helpen!" Hij liep zo dikwijls op en neer, dat de grond onder zijn voeten helemaal glad werd. Op het laatst kreeg hij andere gedachten, en hij nam de fluit van de wand en blies een deuntje, en opeens kwamen er zoveel aardmannetjes, bij elke toon die hij floot, kwam er nog één en toen blies hij zo lang tot de kamer propvol was. Ze vroegen allemaal wat er van zijn dienst was en hij zei: hij wou graag weer op aarde zijn en weer in het daglicht leven. Ze pakten hem allemaal beet, ieder aan 'n haar van z'n hoofd, en zo lieten ze hem omhoogvliegen tot op de aarde.
Toen hij boven was, ging hij meteen naar het paleis van de koning, waar juist precies de bruiloft met de ene prinses zou plaats hebben, en hij ging naar de kamer waar de koning was met zijn drie dochters. Toen die kinderen hem zagen, werden ze allemaal beschaamd en gingen van hun stokje. De koning werd toen heel boos en liet hem meteen in het gevang zetten; omdat hij dacht dat hij zijn kinderen kwaad had gedaan. Maar toen de prinsessen weer tot zichzelf kwamen, smeekten ze hem, om de jongen los te laten. De koning vroeg waarom. Ze zeiden, dat ze dat niet durfden zeggen. Maar hij ging naar buiten en luisterde aan de deur en hoorde alles. En hij liet de twee oudsten allebei aan de galg hangen, maar aan hem gaf hij de jongste dochter: en toen trok ik een paar glazen schoenen aan, en toen stootte ik me aan een steen, en toen zei 't 'Krak!' en toen waren ze kapot!