NIEUW: Blog reclamevrij maken?
Foto
Foto
Foto
Foto
Gastenboek
  • Start van alweer een nieuwe week met hartelijke groetjes van mij.
  • Start van alweer een nieuwe week met hartelijke groetjes van mij.
  • Fijne start van de nieuwe week ...
  • Piepelou maatje
  • TERUG MAANDAG LIEVE BLOGGERTJES

    Druk oponderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek

    Laatste commentaren
  • Lieve groetjes vanwege DEWESTHOEK (Annie & Rogier)
        op Super kok Lana
  • goedemorgen (noella)
        op Super kok Lana
  • Fijne maandag! (Rachel Belmans)
        op Super kok Lana
  • fijne zondag ! (meeuw)
        op Eddy op zijn best
  • Zondagse groetjes aan Lana (Monique)
        op Eddy op zijn best
  • Foto
    Foto
    Rondvraag / Poll
    Zou u niet met lana een nachtje in bed willen liggen
    Ja ik wil
    Nee ik wil niet
    Even over nadenken
    Durf jij u bekent maken: ja
    Durf jij u bekent maken :nee
    Bekijk resultaat

    Foto
    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Archief per maand
  • 09-2014
  • 08-2014
  • 07-2014
  • 06-2014
  • 05-2014
  • 04-2014
  • 03-2014
  • 02-2014
  • 01-2014
  • 11-2013
  • 10-2013
  • 09-2013
  • 08-2013
  • 07-2013
  • 06-2013
  • 05-2013
  • 04-2013
  • 03-2013
  • 02-2013
  • 01-2013
  • 12-2012
  • 11-2012
  • 10-2012
  • 09-2012
  • 08-2012
  • 07-2012
  • 06-2012
  • 05-2012
  • 04-2012
  • 03-2012
  • 02-2012
  • 01-2012
  • 12-2011
  • 11-2011
  • 10-2011
  • 09-2011
  • 08-2011
  • 07-2011
  • 06-2011
  • 05-2011
  • 04-2011
  • 03-2011
  • 02-2011
  • 01-2011
  • 12-2010
  • 11-2010
  • 10-2010
  • 09-2010
  • 08-2010
  • 07-2010
  • 06-2010
  • 05-2010
  • 04-2010
  • 03-2010
  • 11--0001
    Blog als favoriet !
    De klinge een dorpje aan de grens
    lana
    http://www.songstube.net/video.php?title=Massachusetts&artistid=16294&artist=Bee%20Gees&id=216967

    Image and video hosting by TinyPic






    .

    .
    11-06-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Arnoldus

    Arnoldus



    Het beloofde een mooie dag te worden voor Arnoldus de dappere. De koene ridder had het echter zelf nog niet door toen hij wakker werd. Heel normaal dus deed hij zijn ridderkledij aan en begaf zich naar buiten. Wat hij vandaag ging doen wist hij niet. Een ridder was immers een soort van vrije vogel die meestal in de loop van de dag besliste wat hij zou gaan doen. Hij stond dus buiten en keek naar het volk dat passeerde. Als hij een mooie jonkvrouw in het zicht kreeg, dacht hij bij zichzelf: âHm, hier zou ik wel eens een vogeltje mee willen leggen.â? De betekenis hiervan is in de loop der jaren jammer genoeg verloren gegaan⊠Zo ging het even verder, maar plots dacht Arnoldus dat hij maar eens actie moest ondernemen. Hij stapte op een jonkvrouw af en vroeg haar of ze een vogeltje met hem wou leggen. Ze zei:â?Graag, maar een andere ridder was je voor.â? âVerdomme â, zei Arnoldus een beetje teleurgesteld, âdan maar geen vogeltje.â? En net toen hij wou weggaan zei de jonkvrouw: âKijk, daar is die andere ridder, misschien kunnen jullie een duel uitvechten voor mij?â? Omdat hij als bijnaam âde dappereâ? had, kon hij deze uitdaging onmogelijk uit de weg gaan. Een duel ging het worden. In die tijd was een duel tussen ridders iets wat veel voorkwam en de nodige maatregelen werden dus snel getroffen. Twee grote manden werden op het centrale plein gezet en door de koning aangestelde tellers namen plaats naast de manden, in aangepaste tellerskledij Als het ging om een jonkvrouw, was een speciaal duel aangewezen. De regels zijn eenvoudig: de ridders krijgen elk vier uur de tijd om zoveel mogelijk eieren te verzamelen en die in een mand te leggen. Eieren mochten ze niet kopen, maar moesten ze buiten de stad halen en dan in de mand gaan leggen. Op het eerste zicht lijkt dit misschien saai, maar dat was het hoegenaamd niet. Dit spel vraagt een enorm tactisch inzicht! Draag je veel eieren met je mee of breng je ze zo snel mogelijk terug? Het eerste impliceert een risico op vallen, en dus verlies van al je verzamelde eieren en het tweede zorgt voor een enorm tijdsverlies. Dilemmaâs alom. De ridders werden ook gevolgd door nieuwsgierige toeschouwers. Hoe ze in de bomen klommen om eitjes te zoeken was een wervelend spektakel. Want, wat ik nog niet verteld heb is dat voor zoân duel de ridders hun volledige harnas moesten aanhebben, en dat maakte het klimmen er niet makkelijker op, wel leuker om te aanschouwen. Mooie taferelen in die tijd⊠Ook waren niet alle vogels even tevreden met het zien van een ridder die hun eieren stal. Grote, agressieve vogels lieten dit niet zomaar gebeuren en vielen de ridders aan. Niet zo slim want de ridders hadden naast hun harnas ook een zwaard mee en met de vogels werd dus meestal korte metten gemaakt. Zo ging dat vier uur door en toen was het tijd om te tellen. Onder het oog van de bevolking en de koning deden de tellers hun werk. Kleine weddenschappen werden afgesloten en gegiechel weerklonk tussen de jonkvrouw in kwestie en haar vriendinnen. Uitgeput en in spanning wachtten de ridders af. Na de telling schreven de tellers hun resultaat op en toonden dat aan de koning. Hierna werd het muisstil op het plein en iedereen keek naar de koning. âDe winnaar van dit duelâ?, zei hij plechtig, âdie een vogeltje zal leggen met de jonkvrouw, is niemand minder dan Arnoldus de dappere!â? Zonder al te veel te aarzelen bedankte Arnoldus de koning en nam de jonkvrouw mee om een vogeltje te leggen. Hand in hand liepen ze naar zijn huisje en begonnen aan de daad. Zij haalde het vogeltje uit zân kooitje en begon het te wassen, heel zachtjes. âWat een prachtig exemplaarâ?, merkte ze terloops op, maar de koene ridder zocht al propere doekjes om het vogeltje in te wikkelen. Na de grondige wasbeurt van de jonkvrouw rolden ze het vogeltje in de doekjes en legden het bij de kachel om te drogen. En zo legde Arnoldus die dag een vogeltje met de jonkvrouw van zijn dromen.

    11-06-2014 om 13:55 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Reageer (1)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zus van Lana




    Waterbed

    Zegt een man tegen een andere: "Ik heb een waterbed gekocht." "Ah, leuk!" antwoordt de andere man. "Ja", fluistert de eerste man, "met zeewater..." "Met zeewater? Hoezo dat dan?" vraagt de andere. "Dan gaat de mossel beter open..."

    11-06-2014 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Reageer (1)
    10-06-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Broertje en zusje
    Broertje en zusje



    Broertje nam zijn zusje bij de hand en zei: "Sinds onze moeder dood is hebben we geen goed ogenblik meer; onze stiefmoeder slaat ons elke dag, en als we naar haar toegaan schopt ze ons weg. De harde broodkorsten die van tafel overblijven zijn ons voedsel en het hondje onder tafel heeft het beter, die stopt ze dikwijls eens wat lekkers toe. Het is gewoon verschrikkelijk! Als onze eigen moeder dat eens wist! Kom, laten we samen de wijde wereld ingaan." Ze liepen de hele dag over weiden, velden en stenen en wanneer het regende, zei het zusje: "God en ons hart schreien tezamen." s Avonds kwamen ze bij een groot bos, en waren zo moe van honger en ellende en van het lange lopen, dat ze in een holle boom kropen en in slaap vielen.

    Toen zij de volgende morgen wakker werden, stond de zon al hoog aan de hemel en scheen de boom in. Het broertje zei: "Zusje, ik heb dorst, als ik ergens een bronnetje wist, zou ik er heen gaan en drinken. Ik geloof dat ik water hoor ruisen." Hij stond op en nam haar bij de hand om het water te zoeken. De boze stiefmoeder was echter een heks; ze had wel gemerkt dat de twee kinderen waren weggelopen, ze was hen nageslopen zo stil als heksen sluipen kunnen, en ze had alle bronnen in het bos betoverd. Toen ze nu bij een beekje kwamen, dat glinsterend over stenen sprong, wilde het broertje drinken, maar het zusje hoorde het water ruisen: "Wie mij drinkt, wordt een tijger." Toen riep het zusje: "Drink alsjeblieft niet, anders word je een wild dier en zul je me verscheuren!" Hij dronk ook niet, al had hij nog zon grote dorst en zei: "Ik zal wachten tot de volgende bron." Toen ze bij het tweede bronnetje kwamen, hoorde het zusje hoe ook hier het water zei: "Wie mij drinkt, wordt een wolf; wie mij drinkt, wordt een wolf!" Toen riep het zusje: "Broertje, ik smeek je, drink hier niet want dan word je een wolf en eet je mij op." Het broertje dronk niet en zei: "Ik zal nog wachten tot we weer bij een bron komen, maar dan moet ik drinken, wat je ook zegt, ik heb te veel dorst." En toen ze bij de derde bron kwamen, hoorde het zusje dat het water zei: "Wie mij drinkt, wordt een ree; wie mij drinkt, wordt een ree." Toen zei het zusje: "O, broertjelief, drink toch niet, dan word je een ree en dan loop je weg." Maar het broertje was al op zijn knieën gaan liggen, had zich voorovergebogen en van het water gedronken, maar zodra de eerste druppels over zijn lippen gekomen waren, lag hij daar als een jong reetje.

    Nu weende het zusje bittere tranen om het arme betoverde broertje en het reetje huilde ook en zat heel bedroefd naast het meisje. Tenslotte zei het meisje: "Wees maar stil, lief reetje, ik ga zal je nooit verlaten." En ze knipte haar gouden kouseband los en deed die haar broertje om de hals en ze plukte grassen en vlocht daar een zacht koord van. Daar bond ze het diertje mee vast en ze leidde hem steeds dieper het bos in. En toen ze lang, heel lang gelopen hadden, kwamen ze eindelijk bij een klein huisje, en het meisje keek naar binnen en omdat het leeg was, dacht ze: "Hier kunnen we blijven wonen." Ze zocht voor het reetje bladeren en mos voor een zacht bedje en elke morgen ging ze erop uit om wortels en bessen en noten te plukken, maar voor het reetje bracht ze mooi gras mee dat hij uit haar hand at; hij was tevreden en sprong om haar heen. s Avonds, als het meisje moe was en haar gebed gezegd had legde zij haar hoofd op de rug van het dier - dat was haar hoofdkussen waar ze heerlijk op sliep. Had het broertje maar zijn mensengedaante gehad, dan was het een heerlijk leven geweest.

    Het duurde een poos dat ze zo samen in de wildernis waren. Maar het gebeurde dat de koning van dat land een grote jachtpartij hield in het bos. Daar schalden de jachthoorns, het geblaf van de honden en het geschreeuw van de jagers klonk door de bomen, en het reetje hoorde het en wilde er dolgraag bij zijn. "Och," zei hij tegen het zusje, "laat me eruit om bij de jacht te zijn, ik kan het niet langer meer uithouden," en hij smeekte zo lang, dat ze eindelijk toegaf. "Maar," zei ze, "s avonds moet je thuiskomen; voor de wilde jagers sluit ik mijn deur; maar om je kenbaar te maken moet je kloppen en zeggen: "Zusje mijn, laat mij erin," en als je het niet precies zo zegt, doe ik de deur niet open." Toen sprong het reetje weg, en hij vond het zo heerlijk en werd zo blij in zijn vrijheid. De koning en zijn jagers zagen het mooie dier en zetten het na, maar zij konden het niet inhalen en juist toen zij dachten dat zij het hadden sprong het over de struiken heen en was verdwenen. Toen het donker werd liep hij naar het huisje, klopte aan en zei: "Zusje mijn, laat me erin." De kleine deur ging open, hij sprong naar binnen en rustte de hele nacht heerlijk uit op zijn zachte bed. De volgende morgen begon de jacht opnieuw en toen het reetje de jachthoorn weer hoorde en het "ho! ho!" van de jagers, had hij geen rust meer en sprak: "Zusje, doe de deur voor mij open, ik moet weg!" Het zusje deed de deur open en zei: "Maar vanavond moet je weer thuiskomen en de spreuk opzeggen." Toen de koning en zijn jagers het reetje met de gouden halsband weer zagen jaagden ze allemaal daarop, maar het was te behendig en hun te vlug af. Dat duurde zo de hele dag, maar eindelijk hadden de jagers hem s avonds hem omsingeld en één van hen wist hem aan de poot te verwonden, waardoor hij hinkte en langzaam wegliep. Eén van de jagers sloop hem na en hoorde hem roepen: "Zusje mijn, laat me erin," en hij zag de deur even opengaan en dadelijk weer dicht. De jager onthield het goed, ging naar de koning en vertelde hem wat hij gehoord en gezien had. Toen sprak de koning: "Morgen jagen wij nog eens."

    Maar het zusje was verschrikkelijk geschrokken, toen het reetje gewond bleek. Ze waste het bloed af, legde er kruiden op en zei: "Ga maar liggen, lief reetje, zodat het weer genezen kan." Het wondje was zo gering dat het reetje er de volgende morgen niets meer van merkte. En toen hij de jachtpartij buiten weer hoorde, sprak hij: "Ik kan het niet uithouden; ik moet erbij zijn, zo gauw hebben ze mij niet te pakken." Maar het zusje huilde en zei: "Dan zullen ze je doodschieten, en dan ben ik hier helemaal alleen in het bos en van alles en iedereen verlaten. Nee, ik laat je er niet uit!" "Dan sterf ik hier van verdriet," antwoordde het reetje, "als ik de jachthoorn hoor, dan weet ik dat ik gaan moét!" Toen kon het zusje niet anders en zij deed met een bezwaard hart de deur voor hem open en het reetje sprong vrolijk en gezond het bos in. De koning zag hem en zei: "Jaag nu de hele dag tot aan de nacht op hem, maar niemand mag hem kwaad doen." Zodra de zon was ondergegaan, zei de koning tegen de jager: "Kom mee en laat mij dat huisje in het bos eens zien." En toen hij voor het deurtje stond klopte hij aan en riep: "Lief zusje, laat mij erin." Daar ging de deur open en de koning kwam binnen en hij zag een meisje, zo mooi als hij nog nooit in zijn leven gezien had. Het meisje schrok toen ze zag dat niet het reetje binnen was gekomen, maar een man die een gouden kroon op zijn hoofd had. Maar de koning keek haar vriendelijk aan, reikte haar de hand en zei: "Wil je met me meegaan naar mijn kasteel, en mijn lieve vrouw worden?" "O ja," antwoordde het meisje, "maar het reetje moet ook mee, dat verlaat ik niet." Toen sprak de koning: "Dat reetje mag bij je blijven zolang je leeft en het zal hem aan niets ontbreken." Intussen kwam het reetje naar binnen gesprongen; het zusje maakte de band weer vast, nam die zelf in de hand en samen verlieten ze het huisje in het bos.

    De koning nam het mooie meisje op zijn paard en leidde haar naar zijn slot, waar de bruiloft werd gevierd met veel pracht en praal; nu was zij koningin en zij leefden lang en gelukkig met elkaar. Het reetje werd verzorgd en gekoesterd en mocht in de tuin van het slot vrij rondhuppelen. Maar de boze stiefmoeder, om wie de kinderen de wijde wereld waren ingegaan, dacht niet anders of het zusje zou door de wilde beesten in het bos zijn opgegeten en het reetje door de jagers zijn doodgeschoten. Toen zij nu hoorde dat zij heel gelukkig waren en het hun goed ging, maakten afgunst en nijd zich meester van haar hart en lieten haar niet meer met rust en ze dacht er steeds aan hoe die twee nog eens in het ongeluk te kunnen storten. Haar eigen dochter die zo lelijk was als de nacht en maar één oog had, maakte haar verwijten en zei: "Koningin worden, dat was voor mij bestemd!" - "Wees maar stil," zei de oude vrouw om haar gerust te stellen: "Als de tijd daar is zal ik wel bij de hand zijn." En toen de tijd daar was en de koningin een mooi jongetje had gekregen en de koning juist op jacht was, nam de oude heks de gedaante aan van een kamenier, kwam de kamer binnen waar de jonge koningin lag en zei tegen haar: "Kom, het bad is klaar, dat zal u goed doen en weer nieuwe krachten geven - vlug, voor het weer koud wordt." Haar dochter was er ook bij, samen droegen ze de zwakke koningin naar de badkamer en legden haar in de kuip; vervolgens deden ze de deur op slot en maakten ze dat ze wegkwamen. In de badkamer hadden ze echter een hellevuur aangemaakt zodat de jonge koningin weldra stikte.

    Toen dat klaar was zette de oude vrouw haar dochter een muts op en legde haar in bed in plaats van de koningin. Ze gaf haar zelfs de gestalte en het gezicht van de koningin; alleen het verloren oog kon ze niet terugtoveren. Maar opdat de koning het niet zou merken moest ze gaan liggen op de kant zonder oog. Toen hij s avonds thuis kwam en hoorde dat hij een zoontje gekregen had was hij zeer blij en wilde naar het bed van zijn lieve vrouw gaan om te zien hoe zij het maakte. Maar de oude heks riep gauw: "Alsjeblieft, laat toch de gordijnen dicht, de koningin mag niet in het licht kijken en moet rust hebben." De koning ging terug en wist niet dat een verkeerde koningin daar in bed lag
    Maar toen het middernacht was en iedereen sliep zag de baker die naast de wieg in de kinderkamer zat en alleen nog wakker was, hoe opeens de deur openging en de echte koningin binnenkwam. Ze nam het kindje uit de wieg, nam het in haar arm en gaf het te drinken. Vervolgens schudde zij zijn kussentje op, legde hem weer in de wieg en dekte hem goed toe. Ze vergat ook het reetje niet, ging naar de hoek waar het lag en streelde het over zijn rug. Daarna liep ze heel stil de deur weer uit en de baker vroeg de volgende morgen aan de schildwacht of er s nachts iemand het kasteel was binnengekomen, maar hij antwoordde: "Nee, wij hebben niemand gezien." Zo kwam zij vele nachten achtereen en sprak nooit één woord; de baker zag haar elke keer, maar ze durfde er niemand iets van te vertellen.

    Toen dat zo een poosje was gegaan begon de echte koningin s nachts te spreken en zei:

    "Hoe is mijn kind? Hoe is mijn ree?
    Nog tweemaal kom ik en dan niet meer."

    De baker gaf haar geen antwoord, maar toen zij weer verdwenen was ging ze naar de koning toe en vertelde hem alles. De koning sprak: "Mijn God, wat kan dat zijn? Ik zal de volgende nacht bij mijn zoontje waken." s Avonds ging de koning naar de kinderkamer en precies om middernacht kwam de verschijning van de koningin en zei:

    "Wat doet mijn kind? Wat doet mijn ree?
    Nog éénmaal kom ik en dan niet meer."

    En ze verzorgde het kindje zoals ze al die dagen al gedaan had, voor ze weer verdween. De koning durfde haar niet aan te spreken, maar ook de volgende nacht hield hij de wacht. Toen sprak ze weer:

    "Wat doet mijn kind? Wat doet mijn ree?
    Na deze keer kom ik niet meer."

    Toen kon de koning zich niet meer inhouden en zei: "Jij kunt niemand anders zijn dan mijn eigen lieve vrouw." Toen antwoordde zij: "Ja, ik ben je eigen lieve vrouw" en op datzelfde ogenblik kreeg zij door Gods genade het leven weer terug en was gezond en fris en had weer kleur. Zij vertelde de koning wat voor kwaad de boze heks en haar dochter haar hadden aangedaan. De koning liet ze beiden voor het gerecht brengen en het vonnis werd over hen uitgesproken. De dochter werd naar het bos gebracht waar wilde dieren haar verscheurden en de heks werd tot de brandstapel veroordeeld en moest jammerlijk omkomen. En toen zij tot as was verbrand veranderde het reetje en kreeg zijn menselijke gedaante terug. Zusje en broertje leefden gelukkig met elkaar tot aan het eind van hun leven.

    10-06-2014 om 14:58 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het lelijke jonge eendje
    Het lelijke jonge eendje
    Het was zomer en zó heerlijk buiten op het land! Het graan was goudgeel, de haver groen, het hooi stond in oppers op de groene weiden en daar liep de ooievaar op zijn lange rode benen en klepperde Egyptisch, want die taal had hij van zijn moeder geleerd. Rondom de akkers en de weiden waren er grote bossen en midden in die bossen diepe meren; ja, het was werkelijk heerlijk daar buiten op het land!

    Midden in de zonneschijn lag een oud landgoed met diepe grachten er omheen en van de muren tot aan het water groeiden de bladeren van het groot hoefblad, die zo hoog waren, dat kleine kinderen er rechtop onder konden staan: het was er net zo wild als in het dichtste bos. Daar zat een eend op haar nest; zij moest haar kuikentjes uitbroeden, maar nu had ze er heus genoeg van, omdat het te lang duurde en ze maar zo zelden bezoek kreeg. De andere eenden hielden er meer van rond te zwemmen in de grachten, dan onder een zuringblad met haar te zitten snateren.

    Eindelijk sprong het ene ei na het andere open: "piep, piep," klonk het; alle eierdooiers waren levend geworden en staken het kopje naar buiten.

    "Vlug! Vlug!" zei ze en ze repten zich wat ze konden en keken naar alle kanten. De moeder liet ze kijken zoveel ze maar wilden, want groen is goed voor de ogen.

    "Wat is de wereld toch groot!" zeiden de jonge eendjes, want ze hadden nu heel wat meer plaats, dan toen ze in het ei zaten.

    "Denken jullie, dat dit de hele wereld is?" zei de moedereend, "die strekt zich nog heel ver uit aan de andere kant van de tuin, tot op het erf van de dominee, maar daar ben ik nooit geweest. Ik heb jullie hier toch wel allemaal bij elkaar?" De moedereend stond op en zei: "Neen, ik heb ze niet allemaal. Het grootste ei ligt er nog; hoe lang zal dat nog duren? Nu heb ik er toch gauw genoeg van!" En ze ging weer op het nest zitten.

    "Wel, hoe gaat het, buurvrouw?" zei een oude eend, die op visite kwam.

    "Het duurt zo lang met dat ene ei," zei de eend, die op het nest zat. "Er wil maar geen gat in komen. Maar nu moet je de anderen eens zien. Zijn het niet de liefste eendjes van de wereld " Ze lijken allemaal op hun vader, die booswicht! Die komt me niet eens feliciteren." "Laat me dat ei eens zien, dat niet wil barsten," zei de oude eend. "Je kunt ervan op aan, dat het een kalkoenei is. Ik ben ook eens zo voor de mal gehouden, maar ik zal je vertellen, dat ik heel wat had uit te staan met de jongen, want ze zijn bang voor het water. Ik kon ze er maar niet in krijgen; ik kwaakte en snaterde, maar het hielp niet! " Laat mij dat ei eens zien! Ja zeker, dat is een kalkoenei. Laat hem liggen en leer de andere kinderen zwemmen!"

    "Ik wil er toch nog een beetje op blijven zitten!" zei de moedereend. "Ik heb er nu toch al zo lang op gezeten."

    "Ga je gang!" sprak de oude eend en ging weg.

    Eindelijk barstte het grote ei. "Piep! Piep!" zei het jong en waggelde naar buiten, want het was erg groot en lelijk. De moedereend keek ernaar en zei: "Je bent een vreselijk groot eendenjong. Geen van de anderen ziet er zo uit. Het zal toch geen kalkoenkuiken zijn? Daar zullen we gauw achter komen. In het water moet hij, al moet ik hem er zelf intrappen!"

    De volgende dag was het heerlijk weer, de zon scheen op alle groene zuringplanten. De moedereend ging met haar hele gezin naar de gracht toe. Plons! Zij sprong in het water en riep: "Vlug! Vlug!" en het ene jonge eendje na het andere plompte er in; het water sloeg hen over het hoofd, maar ze kwamen dadelijk weer boven en dreven zo heerlijk, de pootjes gingen vanzelf. Ze waren er allemaal in; zelfs het lelijke grijze eendje zwom mee.

    "Neen, dat is geen kalkoen!" zei ze. "Kijk eens, hoe mooi hij zijn poten gebruikt en wat houdt hij zich recht. Dat is mijn eigen jong. Hij is toch eigenlijk heel aardig, als je hem goed bekijkt. Vlug! Vlug! Kom met me mee, dan zal ik jullie in de wereld brengen en je voorstellen op het eendenveldje, maar jullie moeten altijd vlak bij me blijven, zodat niemand op je trapt, en pas op voor de kat!" En zo kwamen ze op het eendenveldje. Daar heerste een vreselijk lawaai, want er waren twee gezinnen, die om een palingkop vochten, en tenslotte kreeg de kat hem nog.

    "Kijk, zo gaat het nu in de wereld," zei de moedereend en likte zich de snavel af, want zij wou ook de palingkop wel hebben. "Gebruik nu je poten," zei ze. "Zorg, dat je mooi kwaakt en buig met je hals voor die oude eend daar; ze is de voornaamste van allen hier. Ze is van adel, daarom is ze dik; en zie je wel, dat ze een rood bandje om haar poot heeft? Dat is iets heel moois en de hoogste onderscheiding die een eend kan krijgen. Dat betekent zoveel als dat men haar niet kwijt wil raken en dat alle mensen en dieren haar zullen herkennen. Vooruit nu! Niet met je poten naar binnen. Een welopgevoede jonge eend zet zijn poten ver uit elkaar, net als vader en moeder. Kijk zo! Buig nu met je hals en zeg: Kwaak!"

    Het lelijke jonge eendje
    En dat deden ze; de andere eenden er om heen keken naar hen en zeiden heel luid: "Het is wat moois! Nu krijgen we dat stel er nog bij, alsof er nog niet genoeg zijn! En foei, wat ziet dat ene jong er uit! Dat laten we niet toe!" En onmiddellijk vloog er een eend op hem af en beet hem in zijn nek.

    "Laat hem met rust!" zei de moedereend, "hij doet toch niemand kwaad!"

    "Ja, maar hij is zo groot en zo raar," sprak de eend, die gebeten had, "en daarom moeten we hem mores leren!"

    "U hebt mooie kinderen, moeder!" zei de oude eend met het bandje om haar poot. "Ze zijn allemaal mooi, op één na, die is mislukt. Ik wou, dat U hem over kon maken!"

    "Dat gaat niet, Uw genade!" antwoordde de moedereend. "Hij is niet mooi, maar hij heeft een echt goed karakter en zwemt net zo goed als een van de anderen, ja, ik durf zelfs zeggen een beetje beter. Ik denk, dat hij er wel doorheen zal groeien en mettertijd wat slanker zal worden. Hij heeft te lang in het ei gezeten en daarom heeft hij nog niet het goede figuur!" En zij plukte hem in zijn nek en streek zijn veren glad. "Bovendien is het een woerd," zei ze, "en het doet er dus niet zo veel toe, ik geloof dat hij sterk zal worden; hij zal zich er heus wel doorheen slaan!"

    "De andere eendjes zijn aardig," zei de oude eend. "Doe alsof je thuis bent en als je een palingkop vindt, mag je me die brengen!" En zo was het net alsof ze thuis waren.

    Maar het arme eendje, dat het laatst uit het ei was gekropen en zo lelijk was, werd gebeten en geduwd en voor de gek gehouden. "Hij is te groot!" zeiden ze allemaal, en de kalkoense haan, die met sporen was geboren en zich daarom verbeeldde dat hij keizer was, blies zich op als een schip met volle zeilen, vloog op hem af en kakelde, dat hij er een rood hoofd van kreeg.

    Het arme eendje wist zich niet te bergen, het was erg bedroefd, omdat het er zo lelijk uitzag en bespot werd door de hele eendenhof. Zo ging het de eerste dag en het werd hoe langer hoe erger. De arme jonge eend werd door alle andere opgejaagd, zelfs zijn eigen broertjes en zusjes deden lelijk tegen hem en ze zeiden maar steeds: "Nam de kat je maar mee, lelijk spektakel!" De moeder zei: "Was je maar heel ver weg!" en de eenden beten hem en de kippen pikten hem en het meisje, dat de dieren kwam voeren, schopte hem.

    Toen liep hij weg en vloog over de omheining; de vogeltjes in de bosjes vlogen verschrikt op. "Dat is omdat ik zo lelijk ben!" dacht het eendje en deed zijn ogen dicht; maar hij liep toch maar weg.

    Zo kwam hij in een grote plas, waar de wilde eenden woonden. Daar lag hij de hele nacht, want hij was toch zo moe en verdrietig. Tegen de morgen vlogen de wilde eenden op en zagen de nieuwe kameraad.

    "Wat ben jij voor iemand?" vroegen ze en het eendje draaide zich naar alle kanten en groette zo goed hij kon.

    "Je bent foeilelijk!" zeiden de wilde eenden. "Maar dat is ons om het even, als je maar niet in onze familie trouwt." De stakker! Hij dacht in het geheel niet aan trouwen, als hij maar in het riet mocht liggen en wat water uit de plas mocht drinken.

    Daar lag hij twee dagen lang; toen kwamen er twee wilde mannetjesganzen. Ze waren nog niet heel lang uit het ei en daarom waren ze zo kwiek.

    "Hoor eens kameraad," zeiden ze, "je bent zo lelijk, dat we je wel mogen. Wil je meegaan en een trekvogel worden? Dicht hierbij, in een andere plas, zijn aardige lieve wilde ganzen, allemaal wijfjes. Je kunt daar je geluk beproeven, hoe lelijk je ook bent."

    "Pief, paf!" klonk het plotseling boven hen en beide wilde ganzen vielen dood neer in het riet; het water werd bloedrood. "Pief, paf!*" klonk het weer; hele troepen wilde ganzen vlogen op uit het riet en toen knalde het weer. Er werd een grote jacht gehouden; de jagers lagen om de plas heen, sommigen zaten zelfs op de takken van de bomen, die zich ver over het riet uitstrekten. De blauwe damp dreef als een wolk tussen de donkere bomen en bleef hangen boven het water; de jachthonden kwamen door de modder gelopen, plas, plas, zodat biezen en riet naar alle kanten uit elkaar bogen. Tot grote schrik van het arme eendje; hij draaide zijn kop om hem onder zijn vleugels te steken en op hetzelfde ogenblik stond vlakbij een vreselijk grote hond; zijn tong hing hem ver uit de bek en zijn ogen fonkelden. Hij hapte naar het eendje, liet zijn scherpe tanden zien, en plas, plas, ging hij verder, zonder de eend mee te nemen. "De hemel zij dank!" zuchtte het eendje. "Ik ben zo lelijk, dat zelfs de hond me niet wil bijten"

    En hij bleef stil liggen, terwijl de hagelkorrels door het riet suisden en het ene schot na het andere klonk.

    De dag was al een heel eind verstreken voor het stil werd, maar het arme eendje durfde nog niet op te staan; hij wachtte nog enige uren voor hij rondkeek en toen liep hij zo hard hij kon weg uit de plas. En hij bleef maar lopen, door de wei en over stoppelveldjes. Er stond zo'n wind, dat hij moeite had vooruit te komen.

    Tegen de avond kwam hij aan een armoedig boerenhuis; dit was zo bouwvallig, dat het zelf niet wist naar welke kant het zou vallen en zodoende bleef het staan. De wind gierde zo om het eendje heen, dat hij moest gaan zitten om niet weg te waaien. Het werd hoe langer hoe erger, maar toen merkte hij, dat de deur uit het hengsel hing, zo scheef, dat 't eendje door de spleet naar binnen kon sluipen.

    Hier woonde een oude vrouw met haar kat en haar kip; de kat, die ze "Zoontje" noemde, kon een hoge rug opzetten en blazen; hij kon ook vonken schieten, maar dan moest men hem tegen de draad in over zijn haren strijken. De kip had heel kleine, korte poten en daarom werd ze "Kukeleku-kortbeen" genoemd; ze legde veel eieren en de vrouw hield van haar als van haar eigen kind. In de ochtend ontdekte men het vreemde eendje dadelijk, de kat begon te blazen en de kip te kakelen.

    "Wat is er aan de hand?" zei de vrouw en keek rond, maar ze kon niet erg goed zien en daarom dacht ze, dat het eendje een verdwaalde vette eend was. "Dat is een zeldzame vangst!" zei ze. "Nu kan ik eendeneieren krijgen, als het maar geen woerd is. Dat moeten we eens onderzoeken."

    En zo werd het eendje voor drie weken op proef genomen, maar er kwam geen ei. De kat was de heer des huizes en de kip was de mevrouw en ze zeiden maar steeds: "Wij en de wereld," want ze meenden, dat ze de helft ervan waren en nog wel het allerbeste deel. Het eendje vond, dat men van een andere mening kon zijn, maar dat duldde de kip niet.

    "Kun je eieren leggen?" vroeg ze.

    "Nee!"

    "Wil je dan je snavel wel eens houden!"

    En de kat zei: "Kun je een hoge rug opzetten, blazen en vonken schieten?"

    "Nee!"

    "Dan mag je geen mening hebben als anderen praten!"

    En het eendje zat in een hoekje en had het land. Toen ging hij denken aan de frisse lucht en de zonneschijn; hij kreeg zo'n erge zin om op het water te drijven, dat hij tenslotte niet kon laten om het tegen de kip te zeggen.

    "Wat bezielt je?" vroeg deze. "Je hebt niets te doen, daarom krijg je die nukken. Leg eieren of blaas, dan gaat het over!"

    "Maar het is zo heerlijk om op het water te drijven," zei het eendje. "Het is heerlijk om het water over je kop te krijgen en naar de bodem te duiken."

    "Ja, dat is heel plezierig!" zei de kip. "Je bent, geloof ik, gek geworden. Vraag eens aan de kat, hij is de knapste die ik ken, of hij er van houdt op het water te drijven of onder te duiken. Over mezelf wil ik niet spreken. Vraag het onze meesteres, de oude vrouw. Er is niemand ter wereld zo verstandig als zij! Denk je, dat ze er plezier in heeft te drijven en water over haar hoofd te krijgen?"

    "Jullie begrijpen het niet!" zei het eendje.

    "Als wij je niet begrijpen, wie dan wel? Je wilt toch niet verstandiger zijn dan de kat en de vrouw, om van mezelf te zwijgen? Snij niet zo op, kind, en dank je Schepper voor al het goede, dat Hij voor je heeft gedaan. Ben je niet in een warme kamer gekomen en heb je geen omgang, waarvan je wat kunt leren? Maar je praat onzin en het is niet leuk om met je om te gaan. Mij kun je geloven, ik meen het goed met je; ik zeg je onaangename dingen en daardoor leert men zijn ware vrienden kennen! Zorg nu maar, dat je eieren legt en leer blazen of vonken schieten! Dan ben je tenminste iemand."

    "Ik geloof, dat ik de wijde wereld maar in ga," sprak het eendje.

    "Ja, doe dat!" zei de kip.

    En zo ging het eendje weg; hij dreef op het water, hij dook onder, maar omdat hij zo lelijk was, lieten alle dieren hem links liggen. Het najaar brak aan, de bladeren in de bossen werden geel en bruin, de wind kreeg ze te pakken, zodat ze ronddansten, en daarboven in de lucht zag het er koud uit; de wolken voorspelden hagel en sneeuw en op een hek stond de raaf en riep: "Au! Au!" van louter kou. Het was om te bevriezen; het arme eendje had het werkelijk niet best.

    Op een avond, toen de zon prachtig onderging, kwam er een hele zwerm mooie grote vogels uit de bosjes. Het eendje had nog nooit zulke mooie vogels gezien: ze waren glanzend wit met lange buigzame halzen; het waren zwanen. Ze maakten een heel vreemd geluid, spreidden hun prachtige lange vleugels uit en vlogen weg uit de koude streken naar warme landen, naar meren, die niet bevroren waren. Ze stegen zo hoog, zo hoog, dat het het eendje bijna teveel werd; hij draaide als een rad in het rond op het water, rekte zijn hals ver uit naar de zwanen en stiet een kreet uit, zo hard en vreemd, dat hij er zelf bang van werd. O, hij kon die mooie, gelukkige vogels niet vergeten. Toen hij ze uit het gezicht verloren had, dook hij heel tot op de bodem en weer boven gekomen, was hij helemaal buiten zichzelf. Hij wist niet hoe de vogels heetten en waarheen ze vlogen, maar toch hield hij van ze, zoals hij nog nooit van iemand had gehouden. Hij was helemaal niet jaloers op die vogels: het kwam niet bij het eendje op zich zoiets heerlijks te wensen; hij zou al best blij zijn, dat arme lelijke dier, als de eenden hem in hun midden hadden geduld.

    En het werd toch zo'n koude winter; het eendje moest in het water rondzwemmen om te maken, dat dit niet helemaal dichtvroor, maar elke nacht werd het gat, waarin hij rondzwom, kleiner; het vroor dat het kraakte, het eendje moest aldoor zijn poten gebruiken om te maken, dat het water niet helemaal dicht raakte; tenslotte werd hij moe, lag heel stil en vroor zo vast in het ijs.

    In de vroege morgen kwam er een boer, die het eendje zag; hij sloeg met zijn klomp het ijs stuk en droeg het beest naar huis, naar zijn vrouw. Daar kwam het weer bij. De kinderen wilden ermee spelen, maar het eendje dacht, dat ze hem kwaad wilden doen en kwam in zijn angst in het melkvat terecht, zodat de melk in de kamer rondspatte; de vrouw gilde met haar handen in de hoogte, en toen vloog het in het botervat en daarna in de meelton. Wat zag hij er uit!

    De vrouw gilde weer, ze sloeg ernaar met de tang en de kinderen liepen elkaar omver om het eendje te vangen, ze lachten en schreeuwden! Gelukkig maar, dat de deur openstond; het eendje vloog naar buiten, tussen de bosjes door in de vers gevallen sneeuw, en daar lag het als in een winterslaap.

    Maar het zou al te droevig worden als ik vertelde over de nood en de ontbering, die de eend moest doorstaan in die harde winter. Hij lag in de plas tussen het riet, toen de zon weer warm begon te schijnen: de leeuweriken zongen, het was heerlijk voorjaar.

    Toen sloeg het eendje ineens zijn vleugels uit, ze ruisten sterker dan vroeger en droegen hem met kracht voort, en vóór hij het wist, bevond hij zich in een grote tuin, waar de appelbomen in bloei stonden en de seringen aan lange groene takken over de sloten hingen, Hier was het toch zo heerlijk, zo fris, zo voorjaarsachtig!

    Dichtbij kwamen drie mooie witte zwanen uit het kreupelhout; zij ruisten met hun veren en dreven licht op het water. Het eendje kende de prachtige dieren en werd door een vreemde droefheid bevangen.

    "Ik wil naar die koninklijke vogels toevliegen en ze zullen me doodbijten, omdat ik, die zo lelijk ben, hen durf naderen. Maar dat doet er niet toe! Beter door hen te worden gedood, dan te worden gebeten door de eenden, gepikt door de kippen en geschopt door het meisje, dat op de hoenderhof past, en 's winters gebrek te lijden."

    Het eendje vloog het water in en zwom naar de prachtige zwanen toe, die met ruisende vleugels op het eendje toeschoten. "Dood me maar!" zei het arme dier, boog de kop naar het wateroppervlak en wachtte de dood af. Maar wat zag het in het heldere water? Zijn spiegelbeeld! Maar hij was geen lompe, zwartgrijze, lelijke vogel meer; hij was zelf een zwaan!

    Het doet er niet toe of men in een eendenhof is geboren, als men maar uit een zwanenei gekomen is.

    Hij was blij om alle nood en wederwaardigheden, die hij had beleefd; nu waardeerde hij juist het geluk dat hem ten deel viel. De grote zwanen zwommen om hun nieuwe makker heen en streelden hem met hun snavels.

    Er kwamen kleine kinderen de tuin in, ze gooiden brood en graan in het water en de kleinste riep: "Er is een nieuwe!" En de andere kinderen jubelden mee: "Ja, er is een nieuwe gekomen!" en ze klapten in de handen, ze dansten in het rond en liepen naar hun vader en moeder. Er werden brood en koekjes in het water gegooid en ze zeiden allemaal: "De nieuwe is de mooiste! Zo jong en zo prachtig!" En de oude zwanen bogen diep voor hem.

    Toen voelde hij zich erg verlegen en stak z'n kop onder de vleugels; hij wist niet hoe hij het had, hij was al te gelukkig, maar helemaal niet trots, want een goed hart wordt nooit trots. Hij dacht er aan hoe hij was vervolgd en gehoond en hoorde nu iedereen zeggen, dat hij de prachtigste van alle prachtige vogels was. En de seringen bogen met hun takken tot in het water naar de jonge zwaan toe en de zon scheen zo warm en zo goed. Toen ruisten zijn veren, de slanke hals verhief zich en uit de grond van zijn hart jubelde hij: "Van zoveel geluk heb ik niet gedroomd, toen ik het lelijke jonge eendje was!"

    10-06-2014 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Reageer (2)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Bus

    Bus

    Een bus stopt bij de bushalte om een klein ventje binnen te laten. Hij gaat vlak naast de buschauffeur zitten en begint te schreeuwen:
    "AL WAS MIJN MOEDER EEN KOE EN MIJN VADER EEN STIER, DAN WAS IK EEN LIEF KALFJE..."
    "AL WAS MIJN VADER EEN HENGST EN MIJN MOEDER EEN PAARD, DAN WAS IK EEN KLEIN LIEF PONYTJE..."
    "AL WAS MIJN VADER EEN OLIFANT EN MIJN MOEDER OOK, DAN WAS IK EEN KLEIN LIEF BABY OLIFANTJE..."
    -
    en zo ging dat kind verder met allerlei dieren, de chaffeur begon het spuug zat te worden en met een rood hoofd schreeuwde hij:
    "EN WAT ALS JOUW MOEDER EEN VIEZE TERING HOER EN JE VADER EEN AFGENEUKTE HOMO WAS??!!"
    -
    Dan was ik een buschaffeur; zei het kind!!!

    10-06-2014 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Reageer (0)
    09-06-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zus van Lana

    Jan wordt 16

    Jan wordt 16 jaar en vader zegt: "Zo jongen nu hoor je bij de grote mensen". Omdat hij geen kadootje heeft zegt hij: "Heb jij eigenlijk aleens een wippie gemaakt?" "Nee pa", zegt Jan. "OK" zegt pa, "hier heb je vijftig gulden, ga maar naar de hoeren, dan hoor je er echt bij". Binnen 20 minuten is hij echter weer terug. Zegt z'n vader: "Hallo, jij bent in die korte tijd nooit bij de hoeren geweest". "Klopt, ik kwam op de galerij oma tegen en die vroeg waar ik heenging. Toen ik dat verteld had zei ze dat ik daarvoor niet naar de hoeren hoefde, maar dat zij dat ook wel aan mij kon leren. "WAT?" zegt z'n pa, "heb jij met mijn moedergeneukt???" "Nou en," zegt Jan, "jij doet het toch ook met de mijne!!!!"

    09-06-2014 om 21:48 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (1 Stemmen)
    Reageer (2)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Na 1 jaar nog altijd niet getrouwd
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Bartje waar blijf je nu ik wacht nu al een jaar op jou , je weet toch dat ik heeeeeeeeeeel veeeeeeeel van je hou

    09-06-2014 om 16:02 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Ontstaan van Moederdag


     

    Ontstaan van Moederdag



    Iedere tweede zondag in mei is het bij ons moederdag.

    De traditie is dat kinderen hun moeder verrassen met een ontbijt op bed of zelfgemaakte presentjes en vertederende versjes. En de moeder? Zij hoeft de hele dag lekker niets te doen, behalve natuurlijk uitgebreid genieten van alles.

    De oudheid
    Al eeuwenlang worden moeders op de hele wereld vereerd.
    In het oude Griekenland bestonden er een soort "moederdagen".
    Op het lentefeest werd Rhea, de moeder van de goden, door de oude Grieken vereerd.
    De Romeinen kenden dit feest als Hilaria, ca 250 jaar voor Christus, en vierden het met offers in de tempel van Cybele, de Romeinse moeder van de goden.
    Maar ook de Christenen kenden al een soort ‘moederdag’.
    Zij vierden een feest ter ere van de Maagd Maria.

    De Zeventiende Eeuw

    Rond 1640 bestond er in Engeland, de zondag voor Pasen, 'Moeder Zondag'.
    Veel arme kinderen woonden en werkten bij rijke mensen als bedienden.
    Op Moeder Zondag hadden ze vrij om hun moeders te bezoeken en te vereeren.
    Ze gingen naar de kerk in hun eigen dorp. Ook wel de 'Moeder Kerk' genoemd.
    Meestal namen ze bloemen en traditionele Simnel cake mee,
    Mothering Cake (Moeder Cake), voor een extra feestelijk tintje.

    Tegenwoordig

    In 1872 wilde schrijfster en dichteres Julia Ward Howe, Moederdag in Boston (Amerika) introduceren als een dag van de vrede.
    Ze schreef een aankondiging en wilde 2 juni als moederdag en officiële vrije dag.
    Ze kreeg maar een kleine bekendheid.
     De eerste moederdag zoals we die tegenwoordig kennen werd in 1906 door een Amerikaanse vrouw,
    Anna Jarvis uit Grafton, West Virginia, geïntroduceerd.
    Anna's moeder had elf kinderen, waarvan er zeven jong stierven. Om haar verdriet te 'vergeten', besloot Anna's moeder haar leven te wijden aan het helpen van andere mensen.
    Moeder Jarvis stierf op 8 mei 1906, de tweede zondag in mei,met haar dochter Anna aan haar zijde.Toen besloot Anna iets te organiseren om alle moeders te eren.
    Op de tweede verjaardag van haar moeders dood vierde Anna de eerste Moederdag in Grafton. Zij deelde anjers uit aan de moeders in haar kerk.
    Een jaar later werd ook Moederdag gevierd in Philadelphia. Anna vond medestanders en samen deden ze er alles aan om Moederdag ook tot andere steden te laten doordringen.
    Ze praatten met invloedrijke personen en schreven samen meer dan 10.000 brieven, onder meer naar de gouverneur van West-Virginia. En met succes.
    Vanaf 1910 werd Moederdag in heel West-Virginia gevierd.
    Dit was echter nog steeds niet genoeg voor Anna. Ze legde daarom haar idee voor aan de toenmalige president, Woodrow Wilson. Hij riep in 1914 moederdag uit, tot een nationale feestdag.
    Anna zelf is overigens nooit getrouwd en heeft nooit zelf kinderen gehad.

    Wanneer vieren we moederdag?

    Moederdag wordt in veel landen ter wereld gevierd, maar niet altijd op dezelfde datum.
    Het vieren van Moederdag op de tweede zondag van mei is traditie in:
    Denemarken, Italië, Turkije, Australië, België, Amerika en Nederland.
    In Engeland wordt Moederdag nog steeds gevierd op de Zondag voor Pasen.
    In veel andere katholieke landen wordt moederdag op 15 augustus gevierd,
    de dag van Maria-ten-hemelopneming.
    En in Frankrijk is het moederdag op de laatste zondag van mei.
    Behalve als dat op Pinksteren valt, dan is het de eerste zondag in juni!
    In Spanje wordt El día de la Madre de eerste zondag in mei gevierd.

    09-06-2014 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Reageer (0)
    08-06-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Nachtbraakster:

    Nachtbraakster:

    "Zeg, vertel eens wat over je vrouw."

    "Nou, mijn vrouw is zo'n type dat pas naar bed gaat, als alle kroegen dicht zijn!"

    "Oh ja, is zij zo'n nachtbraakster?"

    "Eh nee... ze wacht altijd tot ik thuiskom!"

    08-06-2014 om 22:13 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (1 Stemmen)
    Reageer (3)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Drie bejaarde mannen aan de bar

    Drie bejaarde mannen aan de bar

    Drie bejaarde mannen zitten in een bar. Zegt de eerste tegen de andere twee: Ik weet het niet hoor maar volgens mij wordt ik dement. Als ik naar buiten ga en ik doe de deur achter me dicht denk ik, ga ik nu weg of kom ik terug? Zegt de tweede: Nou als ik naar de supermarkt ga om boodschappen te doen. dan denk ik heb ik het al gekocht of moet ik het nog kopen? Zegt de derde: Nou ik mag het afkloppen (klopt op de houten bar) Ja, Binnen

    08-06-2014 om 16:04 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zus van Lana

    Boeren op stap

    Er gaan 3 boeren naar de landbouwrai, krijgen zakgeld mee van hun vrouw, een 15 de andere 20 en 50 piek. Na de rai niks meer te doen dus naar de wallen. Zien ze een bloedmooie hoer en vragen wat ze kost, 100 piek. Ze baalen en lopen door. Na een tijdje lopen zien ze een bordje staan FRUITPIJPEN NU VANAF 15,-. Dit lijkt ze wel dus de eerste met 15 piek naar binnen komt 5 minuten laterbuiten en zegt: "Dat was lekker man!" Vragen de andere 2: "Wat gebeurde er binnen?" "Nou ze schoof een schijf ananas over mijn lul en zoog hem er zo af." Nr. 2 komt na 10 minuten naar buiten met het zweet op zijn voorhoofd. "En hoe was het?" "Nou ze schoof twee schijven ananas over mijn lul en zoog ze er zo af." Nr. 3 komt na 50 minuten naar buiten en loopt totaal haaks maar heeft een vette grijns op zijn bek. Vragen de anderen: "En hoe was het?" "Zalig man." "Maar wat gebeurde er binnen?" "Nou ze schoof drie schijven ananas over mijn lul, legde er een aardbei op en spoot er een toet slagroom op, het zag er zo lekker uit ik heb alles zelf opgegeten."

    08-06-2014 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Reageer (0)
    07-06-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Een blondje met een wekker in haar mond

    Een blondje met een wekker in haar mond

    Gisteren kwam ik een blondje tegen met een wekker in haar mond. Ik zeg tegen haar: Wat doet die wekker in jouw mond? Zegt zij: Ik werd vanmorgen wakker naast mijn vriend en die zei: Wat stink jij uit je mond zeg, ga je tanden poetsen of doe een TIC-TAC in je mond!

    07-06-2014 om 21:06 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Reageer (2)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het Zingende springende leeuwerikje

    Het Zingende springende leeuwerikje



    Er was eens een man die een grote reis ging maken, en bij het afscheid vroeg hij aan alle drie zijn dochters, wat hij voor hen meebrengen moest. De oudste wilde parels, de tweede diamanten, maar de derde zei: "Vaderlief, ik wou zo graag een zingend, springend leeuwerikje." De vader zei: "Als ik het krijgen kan, breng ik het mee," en hij kuste hen alle drie en vertrok. Nu naderde de tijd dat hij weer naar huis terug ging, hij had al parels en diamanten gekocht voor de beide oudsten, maar het zingende, springende leeuwerikje voor de jongste had hij overal vergeefs gezocht, en dat speet hem, want zij was hem het liefst. De weg leidde door een bos, en middenin het bos was een prachtig slot, en vlakbij het slot stond een boom, en in de top van die boom zag hij een leeuwerikje dat zong en sprong. "Dat komt net op tijd," zei hij tevreden en hij riep zijn knecht, om de boom in te gaan en het beestje te vangen. Maar toen hij op de boom toeging, sprong onderaan een leeuw te voorschijn, schudde zijn manen en brulde, dat het blad van de boom ervan sidderde. "Wie mijn zingend en springend leeuwerikje stelen wil," riep hij, "die eet ik op!" Nu zei de man: "Maar ik wist niet dat het uw vogel was; ik zal mijn onrecht graag goedmaken en mij loskopen met baar goud, maar laat me graag leven." De leeuw zei: "Er is niets wat u redden kan, behalve wanneer u me dat belooft, wat u thuiskomend het eerst tegemoet komt; wilt u dat doen, dan schenk ik u t leven en de vogel is bovendien voor uw dochter." Maar dat weigerde de reiziger en hij zei: "Het zou immers mijn jongste dochter kunnen zijn, die houdt ook t meest van mij en loopt mij altijd tegemoet wanneer ik thuiskom." Maar de knecht werd bang en zei: "Moet het nu juist uw dochter zijn die u t eerst ziet, t kan immers de hond of de kat zijn." Zo liet de reiziger zich overhalen, en hij nam het zingende, springende leeuwerikje mee en beloofde dat de leeuw krijgen zou wat hem t eerst tegemoet kwam, als hij thuis was.

    Toen hij thuis kwam en binnentrad, was het eerste wat hem tegemoet kwam, niemand anders dan de jongste, liefste dochter: ze kwam aangelopen, kuste en liefkoosde hem, en toen ze zag dat hij een zingend, springend leeuwerikje had meegebracht, was ze buiten zichzelf van vreugde. Maar de vader kon niet blij zijn, maar hij begon te schreien en zie: "Kindlief, ik heb dat kleine vogeltje duur moeten betalen, ik heb daarvoor jou, mijn kind, moeten beloven aan een wilde leeuw, en als hij je in bezit heeft, zal hij je verscheuren en opeten" en hij vertelde haar, hoe dat alles gekomen was; en hij smeekte haar, niet te gaan, wat er ook gebeuren mocht. Maar zij troostte hem en zei: "Liefste vader, wat men belooft, moet men ook doen: ik zal er heengaan en die leeuw zal ik wel zachter stemmen, zodat ik weer bij u terug kan komen." De volgende morgen vroeg ze de weg, nam afscheid en ging rustig het bos in. De leeuw was evenwel een betoverde prins, overdag was hij een leeuw, en zijn hele gevolg werd leeuw met hem, maar s nachts hadden ze hun gewone gestalte. Toen zij aankwam, werd zij vriendelijk ontvangen en in het slot geleid. Maar toen de nacht kwam, was hij een edelman, en de bruiloft werd met grote pracht gevierd. Ze leefden heel gelukkig met elkaar, en ze waren s nachts op en overdag sliepen ze. Eens op een dag kwam hij bij haar en zei: "Morgen is er groot feest bij je vader, want je oudste zuster trouwt, en als je zin hebt erheen te gaan, dan zullen mijn leeuwen je er brengen. Ze zei: "ja, ze wilde haar vader graag terugzien, en ze ging erheen met een wacht van leeuwen. Grote vreugde, toen zij kwam, want ze hadden allemaal gedacht, dat ze door de leeuw zou zijn opgegeten en dat ze al lang niet meer tot de levenden behoorde. Maar ze vertelde wat een mooie man zij had, en hoe goed ze het had; en ze bleef gedurende de hele bruiloft bij hen, maar dan ging ze weer naar het bos terug. Toen de tweede dochter trouwde en ze weer op de bruiloft was uitgenodigd, zei ze tegen de leeuw: "ditmaal wil ik niet alleen gaan, je moet mee." Maar de leeuw zei, dat het voor hem te gevaarlijk was, want wanneer hem daar de straal van een brandende kaars aanraakte, dan veranderde hij in een duif en zou zeven jaren lang met duiven moeten rondvliegen. "Ach," zei ze, "laat me toch niet alleen gaan: ik zal wel op je passen en zorgen dat je niet met licht in aanraking komt." Dus gingen ze allemaal samen en ze namen ook hun kindje mee. En ze liet een zaal bouwen, zo sterk en dicht, dat er geen straal in kon dringen, en daar moest hij in blijven zitten, als de bruiloftsfakkels werden ontstoken. Maar de deur was gemaakt van nieuw hout, en dat trok en er kwam een kiertje in, dat niemand gezien had. De bruiloft werd met grote pracht gevierd, maar toen de stoet uit de kerk terugkwam, en met alle fakkels en flambouwen langs de zaal kwam, toen viel er een straaltje, niet breder dan een haar, op de prins, en op het ogenblik dat de straal hem had aangeraakt, veranderde hij van gedaante, en toen ze terugkwam en naar binnen ging en hem zocht, vond ze hem niet, alleen zat er een witte duif. De duif zei tegen haar: zeven jaar moet ik rondvliegen in de wereld, maar elke zevende pas zal ik een druppel bloed laten vallen en een witte veer, die zullen je de weg wijzen, en als je dat spoor volgt, kun je mij verlossen."

    En toen vloog de duif de deur uit, en zij liep hem na, en bij elke zevende pas viel er een druppeltje bloed en een wit veertje, en wees haar de weg. Zo ging ze altijd de wereld door, en ze keek niet om en rustte niet, en na een poos waren de zeven jaren haast voorbij: ze verheugde zich toen en dacht, dat ze nu weldra verlost waren, maar het was er nog ver vanaf. Eens op een keer, onder het lopen, viel er geen veertje meer en ook geen enkel druppeltje bloed, en toen ze haar ogen opsloeg, was de duif verdwenen. En omdat ze dacht: "mensen kunnen toch niet helpen" steeg ze ineens op naar de zon, en zei: "U schijnt in alle kieren en op alle daken, hebt u geen witte duif gezien?" "Nee," zei de zon, "die heb ik niet gezien; maar ik geef je hierbij een kistje, maak dat open in grote nood." Ze dankte de zon en trok verder, tot het avond werd en de maan scheen, en toen vroeg ze aan de maan: "U schijnt immers de hele nacht en over alle velden en bossen: hebt u geen witte duif zien vliegen." "Nee," zei de maan, "die heb ik niet gezien, maar ik geef je hierbij een ei, breek dat in geval van nood." Toen bedankte ze de maan en ging verder tot de nachtwind kwam en haar blies, en toen zei ze tegen hem: "U waait immers over alle bomen, en onder alle bladeren, hebt u geen witte duif zien vliegen?" "Nee," zei de nachtwind, "ik heb er geen gezien, maar ik zal het aan de drie andere winden vragen, misschien hebben die wat gezien." De oostenwind kwam en de westenwind, en die hadden niets gezien, maar de zuidenwind zei: "De witte duif heb ik gezien, hij vloog naar de Rode Zee, daar is hij weer leeuw geworden, want de zeven jaren zijn voorbij, en de leeuw is daar aan het vechten met een draak, maar de draak is een betoverde prinses." Nu zei de nachtwind tegen haar: "Ik zal je raad geven. Ga naar de Rode Zee. Daar staan takken aan de rechteroever, tel die en snij de elfde af en sla daar de draak mee, dan kan de leeuw haar overweldigen, en dan krijgen ze allebei hun menselijke gedaante terug. Daarna moetje omkijken; dan zie je de vogel Grijp, die aan de Rode Zee woont; spring, met je liefste, op zijn rug: de vogel zal jullie beiden over de zee naar huis brengen. En hier heb je een noot. Als je boven het midden van de zee bent, moet je de noot laten vallen; hij zal dadelijk uitbotten en dan komt er een grote noteboom uit het water groeien, en daar kan de vogel Grijp op rusten, want als hij niet rusten kan, dan is hij niet sterk genoeg, om jullie beiden er overheen te brengen, en als je vergeet, de noot naar beneden te gooien, dan laat hij jullie in zee vallen."

    Toen ging ze weg, en ze vond alles zoals de nachtwind het gezegd had. Ze telde de takken aan zee en sneed de elfde af; daarmee sloeg ze de draak, en de leeuw kon haar overmeesteren; en opeens hadden ze allebei hun menselijke gedaante terug. Maar toen de prinses, die eerst een draak geweest was, van haar betovering was verlost, was zij het die de prins in de arm nam, zich op de vogel Grijp zetten en hem wegvoerde. Daar stond de arme zwerfster, ze was weer alleen en verlaten en ze ging ergens zitten om te schreien. Maar tenslotte sprak ze zichzelf moed in: "Ik zal zo ver gaan, als de wind waait, en zo lang als de haan kraait, tot ik hem terugvind." En ze ging weer verder, lange, lange, wegen, tot ze eindelijk weer bij het slot kwam waar de samen hadden geleefd; en daar hoorde zij dat er weldra een groot feest zou zijn, want ze wilden samen trouwen. Maar zij sprak: "God zal mij helpen," en ze opende het kistje, dat de zon haar gegeven had, en daar lag een gewaad in, glanzend als de zon zelf. Ze nam het eruit en trok het aan, en ging het slot binnen, en iedereen en ook de bruid keek haar met bewondering na, en dit gewaad vond de bruid zo mooi, dat ze dacht dat het wel voor haar als bruidskleed kon passen, en ze vroeg of het ook te koop was? "Niet voor geld of goed," was het antwoord: "maar voor vlees en bloed." De bruid vroeg toen wat ze daarmee bedoelde. En toen zei ze: "Laat me één nacht in de kamer slapen waar uw bruidegom slaapt." Dat wilde de bruid niet, en toch wilde ze dat gewaad graag hebben, en tenslotte stemde ze erin toe, maar de kamerdienaar moest de prins vooraf een slaapdrank toedienen. Toen het dus nacht was en de prins al sliep, werd ze naar de kamer gebracht. Ze ging zich op de rand van het bed zitten en zei: "Zeven jaren heb ik je gevolgd, ik ben geweest bij de zon, bij de maan en bij de vier winden; ik heb naar je gevraagd en ik heb je geholpen in het gevecht met de draak; wilde je me dan helemaal vergeten?" Maar de prins sliep zo vast, dat hij alleen maar dacht, dat de wind buiten ruiste in de dennebomen. Toen de ochtend weer aanbrak, werd zij weggeleid en ze moest het gouden gewaad afgeven. En omdat het niets geholpen had, werd ze bedroefd, en ging ze naar buiten, naar een weide, en daar ging ze zitten schreien. En toen ze zo zat, dacht ze aan het ei, dat de maan haar gegeven had: ze brak het, en daar kwam een kloek uit met twaalf kuikentjes, allemaal van goud, ze liepen rond en piepten en dan kropen ze weer onder de vleugels bij de kloek, zo, dat er niets mooiers op de wereld te zien was. Ze stond, dreef ze op de weide voor zich uit, net zolang tot de bruid uit t venster keek; en die vond die kleine kuikentjes zo aardig, dat ze meteen naar beneden liep en vroeg of die niet te koop waren? "Niet voor geld of goed, maar voor vlees en bloed; laat mij nog eens een nacht slapen in de kamer waar uw bruidegom slaapt." De bruid zei: "ja" en wilde haar bedotten als de vorige maal. Maar toen de prins naar bed ging, vroeg hij aan de kamerdienaar, wat dat gemurmel en geruis de vorige nacht toch geweest was. En toen vertelde de kamerdienaar alles: dat hij hem een slaapdrank had moeten geven, omdat er een arm meisje heimelijk in zijn kamer had geslapen; en dat hij er hem vanavond weer één moest geven. De prins zei: "Gooi die drank naast het bed." s Nachts werd zij weer binnengeleid, en toen ze begon te vertellen hoe treurig het met haar gegaan was, herkende hij haar stem dadelijk als die van zijn eigen lieve vrouw, en hij sprong op en riep: "Nu ben ik pas verlost. Het is als een droom geweest, want die vreemde prinses had mij betoverd, zodat ik je wel moest vergeten, maar God heeft die verdwazing op het goede moment van mij afgenomen." Toen gingen ze allebei s nachts heimelijk het slot uit, want ze waren bang voor de vader van de prinses, want dat was een tovenaar, en ze zetten zich op de vogel Grijp die droeg hen over de Rode Zee, en toen ze midden boven de zee waren, liet zij de noot vallen. Meteen groeide er een grote noteboom, daar rustte de vogel op, en dan bracht hij hen naar huis, en daar vonden zij hun kind, dat groot en flink was geworden, en ze leefden daarna gelukkig tot het eind van hun leven!

    07-06-2014 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zus van Lana

    Bejaard stel bij de dokter

    Komt een bejaard stel van boven de 80 bij de doktor en vragen: "Doktor, kunt u ons helpen?"

    "Tuurlijk!" antwoordt de doktor, "Ik ben daar nu eenmaal voor opgeleid."

    "Nou, het zit zo:" zegt de vrouw van het stel, "De laatste jaren gaat het niet zo goed met ons sexleven. We zijn na 30 seconden al doodmoe en hebben dan geen puf meer om het, je weet wel, af te maken."

    "Daar hebben meer mensen van uw leeftijd last van mevrouw." antwoordt de doktor, "Maar in Amerika hebben ze een oplossing gevonden. Ze hebben daar testen gedaan en de uitslagen waren voortreffelijk. Het is nog wel in een pril stadium, maar jullie zijn een uiterst geschikt stel om het in Nederland in te voeren."

    "Wat is het dan?" glundert de oude man die een kans ziet om zijn sexleven op te vijzelen.

    De dokter: "Ik zal het uitleggen. Wij implanteren met de operatie een magneet in de geslachtsorganen die door impulsen afwisseld met een +plus aantrekkingskracht en een -min afstotingskracht. Hierdoor kunnen jullie zonder jullie zelf in te spannen urenlang sex met elkaar hebben."

    "Geweldig!" juich de oude man, "Ik kan niet wachten! Wanneer kunnen wij geopereerd worden!?!"

    "Snel." zegt de doktor, "Ik wil nu eerst jullie bloed onderzoeken en wanneer dit in orde is dan kan de operatie over anderhalve week al plaatsvinden. Die zal ik persoonlijk uitvoeren. Na de operatie wil ik jullie nog een keer controleren. Het lijkt me geschikt om dat 1 week na de operatie te doen. Ik zal jullie nog in de loop van deze week bellen of de operatie door kan gaan."

    "Prima!" zegt het stel en er wordt meteen bloed afgenomen.

    Alles verloopt op rolletjes. Ze worden goedgekeurd voor de operatie die dan ook wordt uitgevoerd. Voor de controle die een week na de operatie is, moeten ze weer naar de doktor. Maar dan blijkt dat alleen de oude vrouw die afspraak kan nakomen. Dus de dokter roept die vrouw binnen.

    "Ik zou u graag meteen willen controleren." zegt de dokter.

    "Nou, dat ziet er keurig uit." zegt de dokter die trots is op zijn goed uitgevoerde operatie. "Maar waar is uw man?" vraagt hij daarna.

    "Die zit in de gevangenis." antwoordt de oude vrouw.

    "Gevangenis?" vraagt de doktor zich verbijsterd af, "Hoezo dat nou?"

    "Nou luister," zegt de vrouw, "We gingen eergister gezellig zwemmen en toen kwam er een meisje van 7 jaar onderwater voorbij zwemmen met een beugel in haar mond."

    07-06-2014 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Reageer (0)
    06-06-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De maagd en de asceet
    De maagd en de asceet



    Een hindoeïstisch verhaal over een verliefde asceet
    Aan de oever van een meer leefde eens een heilige asceet, Cyavana genaamd. Zó lang volhardde hij daar onbeweeglijk in dezelfde houding, dat de lianen over hem heen rankten en de mieren een mierenhoop bouwden tot over zijn hoofd.

    Op zekere dag kwam een koning met zijn gevolg zich vermeien aan de oever van dat heerlijke meer. De koning had vierduizend vrouwen, maar slechts één dochtertje, Sukanya. Blij en zorgeloos liep en stoeide de lieftallige prinses met haar vriendinnetjes door het dichte woud. Toen ze daar zo wat van haar vriendinnen was afgedwaald en ze in haar dunne kleedje tussen de bomen liep, zag de wijze Cyavana haar. Zodra hij haar op dat eenzame plekje gezien had, werd die zeer verstorven asceet met de magere hals verliefd op haar. Hij riep haar, maar ze hoorde hem niet. Maar toen ze dichterbij kwam, zag ze zijn ogen fonkelen in de mierenhoop. Ze begreep niet wat die lichtjes waren en uit nieuwsgierigheid prikte ze erin met een doorn.

    Cyavana was daarover uitermate vertoornd. Hij plaagde de koning en zijn gevolg zolang met verstopping, tot het prinsesje haar schuld bekende. De asceet eiste dat ze hem als genoegdoening tot vrouw gegeven werd. En zo gebeurde.

    Daarna vertrok de koning met zijn gevolg gezond en wel weer naar de hoofdstad. Sukanya bleef bij Cyavana en ze diende hem in liefdevolle toewijding en onderdanigheid.

    Op zekere dag zagen haar de twee Ashvins, de godenartsen, terwijl ze aan het baden was. Ze werden door haar schoonheid bekoord; ze kwamen naderbij en ze vroegen haar wie ze was en hoe ze daar in het eenzame woud gekomen was.

    Sukanya antwoordde: "Ik ben de dochter van de koning en de vrouw van de verstorven asceet Cyavana."

    Toen begonnen de goden te lachen en ze zeiden haar: "Hoe is je vader ertoe gekomen je tot vrouw te geven aan een zo afgeleefde man! Jij bent zo goddelijk mooi en hij is niet meer vatbaar voor liefde of genot. Verlaat Cyavana en kies één van ons tot man. Je mag je jeugd niet verder vergooien."

    Maar Sukanya antwoordde: "Ik hou van Cyavana, mijn man. Ontroof me nu mijn gemoedsrust niet!"

    Daarop zeiden de Ashvins: "Luister! Wij zijn de godenartsen. We zullen je echtgenoot jeugd en schoonheid teruggeven. Daarna moet je een keuze doen."

    Sukanya ging naar haar man en die was dadelijk bereid zich aan de proef te onderwerpen. Volgens het voorschrift van de twee goden dompelde hij zich haastig in het meer, tegelijk met hen. En toen ze uit het water kwamen, was de oude asceet jong en mooi geworden. Men zag geen verschil meer tussen hem en de Ashvins, die stralende goden. Allen tegelijk zeiden ze tegen Sukanya: "Kies nu wie je wil!"

    Daar stond Sukanya. Ze zag geen enkel verschil, maar geleid door haar hart, koos ze haar eigen man.

    Nu had Cyavana alles gewonnen: zijn vrouw, zijn schoonheid en zijn jeugd. En machtig door de kracht van zijn ascese beloofde hij aan de Ashvins dat zij voortaan deel zouden hebben aan het soma-offer, aan de bedwelmende offerdrank.

    De Ashvins keerden tevreden terug naar de goden en Cyavana en Sukanya leefden op aarde, als goden zo gelukkig.

    De koning vernam wat er met zijn schoonzoon gebeurd was en hij begaf zich met zijn gevolg naar de kluis van Cyavana. Toen hij daar zijn kinderen zag, zo mooi en zo gelukkig als godenkinderen, was hij verheugd in zijn hart. Zijn vreugde werd nog groter, toen Cyavana zijn voornemen te kennen gaf een offer op te dragen voor zijn schoonvader.

    Vol vreugde maakte de koning alles in gereedheid en op de bepaalde dag begon Cyavana met het ritueel. Maar toen hij een lepel soma voor de Ashvins wilde plengen, kwam de god Indra tussenbeide en hij riep: "De Ashvins hebben geen recht op soma!"

    Maar Cyavana antwoordde: "De Ashvins hebben me mijn jeugd en schoonheid weergegeven. Ik zou niet weten waarom zij geen soma zouden mogen krijgen. Ze zijn ook goden, zo goed als u!"

    Zonder verder aandacht te schenken aan Indra, wilde hij de soma plengen. Maar Indra riep boos: "Als je dat doet, zal ik mijn bliksem op jou slingeren!"

    Toen Cyavana toch een lepel soma op de grond uitgoot voor de Ashvins, wilde Indra zijn bliksem slingeren. Maar op hetzelfde ogenblik verlamde Cyavana zijn arm en rustig voltooide hij de offerande.

    Om Indra te straffen, liet hij vervolgens door de kracht van zijn ascese het monster Mada ontstaan, het monster van de verstandverwarrende roes. Zijn opengesperde kaken reikten van de aarde tot aan de hemel, zijn tanden waren lang als torenspitsen en puntig als werpspiezen, zijn ogen gloeiden als een felle zon en zijn tong, schichtig als een bliksemstraal, belikte zijn muil. Op buit belust stormde hij woedend op Indra af en hij vervulde hemel en aarde met zijn vreselijk gebrul.

    Toen Indra dat monster op zich zag afkomen, verlamden zijn ledematen van schrik en angstig riep hij: "Van nu afhebben ook de Ashvins recht op soma, ik zweer het! Wees me genadig, Cyavana, en je kracht zal nog toenemen. Vergeef me, en alles zal worden zoals jij het wenst."

    Toen verdween de toorn van Cyavana. Hij liet Indra ongedeerd heengaan en hij verdeelde de ontredderende kracht van Mada over wijn, vrouwen, dobbelspel en jacht.



     

    06-06-2014 om 21:48 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De verloren prinses
    De verloren prinses



    Er was eens een koning die zes zonen en een dochter had. Zijn dochter was hem zeer dierbaar, maar toen hij op zekere dag bij haar was, maakte hij zich boos en ontglipte hem een vloek. Die nacht ging de prinses zoals gewoonlijk naar haar slaapvertrek, maar de volgende ochtend was zij nergens te vinden. En toen haar vader, de koning, besefte dat zij werd vermist, was hij vervuld van berouw en verdriet en begon hij haar overal te zoeken. Toen vroeg de minister, die 's konings smart zag, om een dienaar en een paard en voldoende zilvergeld, teneinde zelf naar de prinses te gaan zoeken.

    En zo gebeurde het dat de minister door het ganse rijk reed op zoek naar de verloren prinses, door woestijnen en bergen, door wouden en velden. Hij zocht haar vele jaren lang. Toen hij op zekere dag door een woestijn reed, viel zijn oog op een pad dat hij nooit eerder had gezien, en hij zei bij zichzelf: "Ik heb nu al zo lang in deze woestijn naar de prinses gezocht, nu zal ik dit pad maar volgen en misschien uitkomen in een stad." Nadat hij het pad lange tijd had gevolgd, kwam hij ten slotte bij een prachtig paleis, bewaakt door vele soldaten. De minister was bang dat de schildwachten hem niet binnen zouden laten, maar toch steeg hij af en ging te voet in de richting van het paleis, en tot zijn verbazing opende de poortwachter dadelijk de poort voor hem, zonder vragen te stellen. Vanaf het binnenplein ging hij het paleis binnen en daarna betrad hij de vertrekken van de koning, die bevelhebber was van alle troepen. En niemand trachtte hem ervan te weerhouden bij de koning te verschijnen. Vele muzikanten waren er hun instrumenten aan het bespelen onder leiding van de koning, en de minister bleef in een hoek van de zaal staan om te wachten wat er verder zou gebeuren. Na enige tijd beval de koning zijn dienaren de koningin binnen te brengen. Zij verlieten de zaal met veel vreugdebetoon en even later speelden en zongen de muzikanten, toen zij binnentrad. En toen zij haar naar de troon leidden, zag de minister dat zij de verloren dochter van de koning was.

    Even later keek de koningin op en zag de minister in een hoek van de zaal en herkende hem dadelijk. Zij stond op van haar troon en zei: "Herkent u mij?" En hij antwoordde: "Ja, u bent de verloren prinses. Maar hoe komt het dat u hier bent?" En zij antwoordde: "Door de vloek die mijn vader ontglipte. Want dit is het paleis van de Boze." Toen vertelde de minister haar dat haar vader, de koning, ernstig leed onder haar afwezigheid en dat hij de minister had uitgezonden om haar te vinden, en dat hij haar nu reeds vele jaren zocht. Daarop vroeg hij haar: "Hoe kan ik u uit dit paleis bevrijden?" En zij antwoordde: "Het is niet mogelijk mij te bevrijden als u niet een vol jaar op één plaats verblijft en er het gehele jaar naar verlangt mij te redden. En op de laatste dag van dat jaar moet u een hele dag en nacht vasten en waken."

    Daarop verliet de minister het paleis en deed wat zij hem gezegd had. Hij begaf zich naar een woud en vestigde zich daar. En aan het einde van het jaar, op de laatste dag, vastte hij en sliep niet. Maar op die dag zag hij voor het eerst een boom waaraan prachtige appelen hingen. Hij verlangde er zozeer naar, dat hij ten slotte opstond en van de boom at. Maar zodra hij had gegeten, zakte hij ineen en werd door slaap overmand. Hij sliep lange tijd achtereen en ofschoon zijn dienaar hem wakker probeerde te schudden kon hij hem niet wekken.

    Toen de minister eindelijk ontwaakte, vroeg hij zijn dienaar: "Waar ben ik?" En de dienaar antwoordde: "U bent in een woud, waar u lange tijd heeft geslapen, en al die tijd heb ik mijzelf met vruchten en noten in leven gehouden." De minister was wanhopig, maar begaf zich toch weer naar het paleis van de verloren prinses en daar ontmoette hij haar nogmaals in de koningszaal. En toen zij hem zag, was zij vervuld van droefheid en zei: "Was u op die dag gekomen, dan had u mij kunnen meenemen, maar vanwege die ene dag is nu alles verloren. Maar ach, ik begrijp wel dat vasten heel moeilijk is, vooral op de laatste dag, want dan wordt de Kwade Neiging het sterkst. Daarom moet u terugkeren en nog een jaar in het woud huizen, maar op de laatste dag is het u toegestaan te eten. U mag echter niet slapen en geen wijn drinken, waardoor u in slaap zou kunnen vallen, want het is bovenal belangrijk dat u wakker blijft."

    Hij vertrok en deed wat zij had gezegd. Maar op de laatste dag van het lange jaar zag hij voor het eerst een bron waarvan het water roodachtig was en naar wijn geurde. De minister wees zijn dienaar op de bron en ging toen het water proeven, waarop hij weer in slaap viel. Ditmaal sliep hij vele jaren achtereen. Toen die tijd bijna was verstreken, kwam er op zekere dag een groot aantal soldaten voorbij, en de dienaar van de minister zocht snel een schuilplaats. Nadat de troepen waren gepasseerd, kwam er een rijtuig voorbij, waarin de koningsdochter zat. Zodra zij de minister herkende stapte zij uit het rijtuig en kwam naar hem toe. Maar hoe zij hem ook heen en weer schudde, hij werd niet wakker en zij begon te weeklagen, zeggende dat hij zich zoveel moeite had getroost en zovele jaren had moeten lijden om haar te bevrijden en door één vergissing op die laatste dag nogmaals alles had verloren. Zij schreide bittere tranen hierover en nam toen haar hoofddoek af en schreef er een boodschap op met haar tranen. Daarop keerde zij terug naar haar rijtuig en reed weg. Korte tijd later werd de minister wakker en vroeg aan zijn dienaar: "Waar ben ik?" De dienaar vertelde hem alles wat er was gebeurd, van de troepen die waren gepasseerd en het rijtuig dat was gestopt en van de prinses die zich zo had ingespannen om hem te wekken. Toen zag de minister de hoofddoek en vroeg: "Waar komt die vandaan?" De minister nam de doek en hield hem tegen het zonlicht. Er stond op geschreven dat zij niet meer te vinden zou zijn in het eerste paleis, maar voortaan gevestigd zou zijn in een paleis van parels op een gouden berg, en dat hij haar daar kon vinden. Daarop liet de minister zijn dienaar achter en zette zijn queeste alleen voort. Hij zocht vele jaren lang. Ten slotte kwam hij tot de slotsom dat zo'n paarlen paleis niet in de bewoonde wereld kon bestaan, want inmiddels kende hij de wereldkaart zeer goed. Daarom besloot hij haar in de woestijn te gaan zoeken en na vele jaren vond hij daar een reus, die een boom als staf gebruikte. De minister vertelde hem alles over de prinses en zijn speurtocht naar een paarlen paleis op een gouden berg. De reus zei dat zoiets stellig niet bestond. Maar de minister begon te wenen en hield vol dat het paleis toch stellig ergens moest bestaan. En ten slotte zei de reus: "Omdat u er zo zeker van bent, zal ik al de dieren bijeen roepen, die aan mij zijn toevertrouwd, want zij komen overal ter wereld. Misschien heeft een van hen van een paarlen paleis gehoord."

    Daarop riep hij alle dieren, van de grootste tot de kleinste en van iedere soort, maar geen van hen had ooit zoiets gezien. Toen zei de reus: "Ziedaar, zij hebben bevestigd dat uw queeste een hersenschim is. Luister naar mij en ga terug, want wat niet bestaat kunt u stellig niet vinden." Maar de man hield vol dat het wel moest bestaan. Daarom zei de reus tot hem: "Zie, verder de woestijn in huist mijn broer, aan wiens zorg alle vogels zijn toevertrouwd. Misschien weten zij het te vinden, want zij vliegen hoog in de lucht. Ga naar hem toe en zeg dat ik u heb gezonden. En omdat u zo vastbesloten bent uw queeste voort te zetten, zal ik u helpen, zodat u tenminste niet belemmerd zult worden door gebrek aan goud."

    En hij gaf hem een buidel en zei: "Steek telkens wanneer u goudstukken nodig heeft uw hand in deze buidel, want u zult er altijd meer dan genoeg in vinden." En de minister dankte de reus uitvoerig voor zijn kostbare geschenk en voor al zijn hulp, en ging op zoek naar de broer van de reus, die al de vogels onder zijn hoede had.

    En zo gebeurde het dat de minister vele jaren rondtrok, op zoek naar de tweede reus. Eindelijk vond hij hem en ook deze reus droeg een grote boom als staf. Hij vertelde hem van zijn queeste, maar ook deze reus wilde van geen paarlen paleis horen en hield vol dat het niet kon bestaan. Maar toen de man het maar niet wilde opgeven, zei de reus: "Welnu, ik heb alle vogels onder mijn hoede. Ik zal Ze bijeenroepen, misschien hebben zij ervan gehoord." Alle vogels werden geroepen, van de grootste tot de kleinste, van elke soort, en zij zeiden allen dat ze een dergelijk paarlen paleis niet kenden. Toen zei de reus tot hem: "Nu zult u stellig inzien dat uw queeste dwaasheid is. Luister naar mij en ga terug, want zo'n paleis is nergens te vinden op deze wereld." Maar de minister wilde zijn queeste niet opgeven en ten slotte zei de reus: "Verder de woestijn in huist mijn broer, aan wie de winden zijn toevertrouwd, en zij doorkruisen de wereld elke dag. Misschien weten zij ervan. Ik hoop het, want nog nooit heb ik iemand gezien die zo vastbesloten is een queeste te volbrengen, ofschoon u keer op keer met moeilijkheden te kampen krijgt. Daarom wil ik u dit geschenk geven, misschien kan het u nog eens van nut zijn." En hij haalde een gouden sleutel uit zijn zak en gaf hem aan de minister met de woorden: "Deze sleutel kan elk slot ter wereld openen. Is er een deur die u wilt binnengaan, steek dan eenvoudig deze sleutel in het slot en draai hem om, dan zal de deur opengaan." De minister dankte de reus uitvoerig voor zijn kostbare geschenk en voor zijn hulp en toog op zoek naar de reus die de winden onder zijn bevel had staan.

    De man trok vele jaren verder, op zoek naar de reus. Ten slotte zag hij hem, met een boom als staf, en vertelde hem zijn verhaal. En ofschoon ook deze reus er niet van wilde horen, wist de minister hem ten slotte toch te overreden om alle winden bijeen te roepen, opdat hij hen naar het paleis zou kunnen vragen. De reus riep alle winden bij zich, maar geen van hen kende een paarlen paleis op een gouden berg. Toen wendde de reus zich tot hem en zei: "U ziet het, u hebt gezocht naar iets dat niet bestaat." En de man begon te wenen en zei: Tk weet zeker dat het ergens op deze wereld te vinden is." Ondertussen kwam er nog een laatste wind aan, en de reus sprak hem vertoornd toe: "Waarom ben je zo laat gekomen? Heb ik niet bevolen dat alle winden van de wereld hier moesten verschijnen? Waarom ben je niet met de andere meegekomen?" En de wind antwoordde dat hij was opgehouden omdat hij een koningsdochter naar een paarlen paleis op een gouden berg moest brengen. En toen de minister dat hoorde, kende zijn vreugde geen grenzen. Daarop zei de reus die de winden onder zijn hoede had tot de minister: "U hebt zo lang gezocht, arme man, en u hebt zoveel moeilijkheden ondervonden, dat ik u dit geschenk wil geven. Misschien kan het u nog eens van nut zijn." En hij haalde een fluitje uit zijn zak dat hij aan de minister gaf met de woorden: "Verkeert u ooit in gevaar of hebt u hulp nodig blaas dan op dit fluitje, dan zal een van de winden u te hulp snellen en alles doen wat binnen zijn vermogen ligt." De minister dankte de reus uitvoerig voor zijn prachtige geschenk en voor zijn hulp. Daarop beval de reus de wind hem naar het paarlen paleis te brengen. En de wind droeg hem erheen en bracht hem tot de poort van de stad aan de voet van de gouden berg, waar in de hoogte het paarlen paleis stond. Nu was het zo dat slechts weinig vreemdelingen deze stad waren binnengegaan en waren zij eenmaal toegelaten, dan mochten zij de stad nooit meer uit en ook de inwoners konden haar niet verlaten.

    Want dit was het verborgen, geheime paleis van de Boze, van waaruit hij zijn toverijen bedreef, zoals de betovering waardoor hij de verloren prinses in zijn macht had gekregen. En hij had het bestaan van die stad en zijn paleis eeuwenlang geheim weten te houden, want niemand die de stad verliet had het kunnen navertellen. En zo gebeurde het dat toen de wind de minister voor de stadspoort deed belanden, de schildwachten hem de toegang weigerden. Maar hij greep in de toverbuidel die de eerste reus hem had gegeven, haalde er een handvol goud uit en kocht hen om, zodat hij er toch in slaagde de stad binnen te komen. Eerst ging hij naar de markt om voedsel te kopen, want hij zou er enige tijd moeten blijven, omdat het veel wijsheid en overleg zou vergen de prinses te bevrijden. Toen de minister op de markt kwam, zag hij er een dienaar die al het fruit van een koopman opkocht. Nadat de dienaar ermee was vertrokken, benaderde de minister de koopman en zei: "Zoveel fruit kan toch zeker niet voor één familie zijn?" En de koopman antwoordde: "Natuurlijk niet. Dat fruit is voor hen die in het paarlen paleis op de top van de berg wonen, want de koning ziet erop toe dat het fijnste voedsel wordt uitgekozen voor zijn hof. En vandaag achtte 's konings dienaar mijn vruchten de mooiste, en daarom heeft hij ze alle gekocht."

    "Zeg eens," zei de minister, "wie woont er in dat paarlen paleis? Want ik ben hier vreemd en weet zulke dingen niet."

    De koopman antwoordde: "Alleen de koning en zijn dienaren, voor zover ik weet. Maar het gerucht gaat dat zich er ook een prinses heeft gevestigd, want kort geleden heeft de koning uit onze dochters twaalf hofdames uitgekozen en meegenomen om in het paleis te wonen, en daar zijn zij nu volgens zeggen haar dienaressen."

    Welnu, toen de minister dat hoorde, besloot hij zich te vermommen als koopman en zich aan de paleispoort te presenteren. Om te beginnen schafte hij zich de kledij van een marskramer en een bontmuts aan. Daarna deed hij navraag wie de beste naaister van de stad was en liet zich de weg wijzen naar haar huis. Daar aangekomen, vroeg hij haar hoeveel het zou kosten om de fraaiste japon van zijde en kant te laten maken. En toen de naaister hem de prijs noemde, zei hij: "Naai dan twaalf van dergelijke japonnen voor mij. " En hij greep in de toverbuidel die de eerste reus hem had geschonken en betaalde haar de volle som. Toen vroeg hij hoeveel tijd het zou nemen alle twaalf japonnen te naaien, en de naaister vroeg hem over twaalf dagen terug te komen.

    En zo gebeurde het dat de minister zijn intrek nam in een herberg tot de twaalf japonnen gereed zouden zijn. Ondertussen kwam hij zoveel mogelijk aan de weet over de koning die het land regeerde en over zijn gevangene, de verloren prinses. Zo ontdekte hij dat het paarlen paleis het geheime woonoord was van de Boze in eigen persoon. En ook vernam hij dat de prinses was opgesloten in een kamer met zeven sloten en dat in een aangrenzend vertrek de twaalf hofdames verbleven.

    Toen de twaalf dagen waren verstreken, ging de minister weer naar de naaister en zag dat de japonnen gereed waren. Hij borg de japonnen in zijn mars en beklom de gouden berg, tot hij het paarlen paleis aan de top bereikte. Toen hij bij de paleispoort kwam, toonde hij de schildwacht zijn koopwaar en werd zonder omhaal toegelaten, want nieuwe kooplieden waren dun gezaaid in die stad en de hofdames bekeken hun waar met graagte, omdat zij weinig anders om handen hadden.

    En zo werd de marskramer toegelaten tot het vertrek van de twaalf hofdames, die verrukt waren hem te zien. Voor elk van hen haalde hij een japon te voorschijn, en toen zij zagen hoe prachtig ze waren, haastten zij zich allen weg om de japonnen te passen en zichzelf in de spiegel te bewonderen, en lieten de koopman alleen achter in hun vertrek. Hij keek om zich heen en zag dat er op een der deuren zeven sloten zaten, en hij wist dat dit de kamer van de verloren prinses moest zijn. Hij repte zich naar de deur en haalde de gouden sleutel te voorschijn die de tweede reus hem had gegeven. Vlug opende hij alle sloten en betrad het vertrek. Daar zag hij de verloren prinses, die bij het raam zat te snikken om haar droevig lot. Zij was zeer verbaasd dat er iemand binnenkwam, want zelfs van haar hofdames werd zij gescheiden gehouden. En toen de minister zag dat zij hem niet herkende in zijn vermomming, haalde hij de hoofddoek waarop zij met haar tranen had geschreven uit zijn zak. En toen de verloren prinses die zag, wist zij dat de minister haar ten langen leste had gevonden, en zij omhelsde hem en schreide van vreugde. Toen zei de minister: "Kom, laten we ons haasten en het paleis uit vluchten, eer de hofdames terugkomen." - "Helaas," zei de prinses, "langs die weg kunnen wij niet ontsnappen. Want de Boze heeft zijn betovering zodanig uitgesproken dat die niet verbroken kan worden, zolang mijn voeten of die van mijn redder de grond raken. En juist die betovering houdt mij hier nog meer gevangen dan de zeven sloten op de deur, die u op een of andere wijze heeft weten te openen." Eerst deed dit onverwachte obstakel de minister de moed verliezen, maar toen herinnerde hij zich het fluitje dat de derde reus hem had geschonken. Hij haalde het uit zijn zak en blies erop, en in een oogwenk blies er een wind naar binnen door het open raam en zei: "Hoe kan ik u van dienst zijn?" Daarop vertelde de minister de wind van de betovering en vroeg of hij hen kon meevoeren zonder dat de voeten van de prinses of de zijne de grond raakten. "Natuurlijk kan ik dat!" zei de wind. "Maar waar wilt u naartoe?"

    En de minister vroeg de wind hen terug te brengen naar het paleis van de koning die de vader van de prinses was, en eer zij het beseften zweefden zij hoog door het luchtruim, en weldra zette de wind hen neer in het koninkrijk waar zij zo lange tijd waren weggeweest. En zo had de trouwe minister dan ten langen leste zijn queeste volbracht, en toen de koning en zijn dochter, die nu niet langer meer verloren was, werden herenigd, veranderde hun droefenis in een vreugde, zo groot dat men haar niet beschrijven kan.

    06-06-2014 om 13:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Reageer (3)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zus van Lana



    Roken

    Dokter tot vrouwelijke patiënt: "En mevrouw, rookt u na het vrijen?"
    Patiënte: "Wel dokter, daar heb ik nog nooit op gelet."

    06-06-2014 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (1 Stemmen)
    Reageer (0)
    05-06-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Verdriet


    Verdriet



    De eerste zeven jaren van mijn leven waren perfect, ik was gelukkig en had niet veel zorgen. Vanaf mijn 8e begonnen de problemen, ik werd gepest en vernederd door mijn klasgenoten. Ze vonden mij maar stom en lelijk en ik huilde gewoon waar ze bij waren, eigenlijk best stom als ik er nu over nadenk. Dit ging door totdat ik naar de eerste ging, daar werd alles anders. Ik werd nog wel een beetje gepest en voor dingen uitgemaakt. Ik kon er inmiddels al tegen, vanaf de 2e ging het super. Ik kreeg wat meer vrienden en ik wist ook veel beter hoe ik met jongens om moest gaan. Toch had ik heel veel problemen, ookal vertelde ik dat aan bijna niemand. Mijn zus wilde zelfmoord plegen, door de vele ruzies met mijn vader. Gelukkig was dit alles in de zomer voordat ik naar de 2e wel redelijk opgelost. Tot aan februari ging alles goed, ik was weer een beetje vrolijk en ik begon er met de dag leuker uit te zien. Totdat er in februari iets gebeurde, de stemming in het hele huis veranderde en iedereen kreeg weer ruzie met elkaar. Het was net als al die jaren vanaf mijn 8e. Mijn vader begon mijn zus weer te slaan en ik werd hier zo verdrietig van dat ik mijn eetlust verloor. Ik kon niks meer eten en werd met de dag bleker. Mijn mentor riep me bij zich en vroeg of er wat met me was. Ik antwoordde nee, want ik schaamde me ervoor. Zo ging het de rest van het schooljaar ook en mijn eetlust kwam niet terug. Mijn mentor begon zich nu echt zorgen om mij te maken en belde naar huis. Mijn schoolprestaties waren goed, want ik ben zonder enige onvoldoendes overgegaan. Ik snap nog steeds niet hoe ik dat heb gedaan. Mijn moeder zei tegen mijn mentor dat er niks mis was, soms wat problemen niks ergs. Maar het was wel erg, dat geruzie en geschreeuw kon ik niet verdragen. Het werd algauw zomervakantie en ik ging naar de 3e in september. De hele zomervakantie heb ik buiten doorgebracht, wandelen en winkelen. Toen het 3e schooljaar begon, ging het wel wat moeizaam met school maar ik sleepte me er doorheen. De ruzies hielden thuis niet op en ik ben uiteindelijk weggelopen, ik heb mijn spullen gepakt en ben er gewoon vandoor gegaan. Ik belandde ergens in een ander deel van de stad, ik had zoveel gelopen (had geen geld bij me)en ik was zo moe. Ik belde een hele goede vriend van me, die in de buurt woonde en ik mocht naar hem toe. Toen ik daar aankwam, was het zo rustig bij hem thuis. Ik stapte naar binnen en alles begon ineens te draaien. Ik hoorde hem zeggen: 'Wat ben je bleek..' Alles werd zwart voor mijn ogen en ik werd wakker op een bed. Ik was flauwgevallen van alle emotionele klappen die ik te verwerken had.Een aantal keren daarna ben ik ook nog flauwgevallen. Ik ben niet terug naar huis gegaan. Ik heb mijn ouders gebeld om te zeggen dat het goed gaat en dat ik veilig ben. Ook heb ik gezegd dat ze me me rust moesten laten, dat hebben ze vreemd genoeg ook gedaan.Ik ben daar een paar weken gebleven en ben vervolgens naar een andere vriend gegaan. Een man die ik al heel mijn leven ken en waar ik het heel goed mee kan vinden, hij kon tijdelijk voor mij zorgen (hij was ook mijn peetvader). Hij wist dat ik het heel moeilijk had en hij is als een soort vader voor mij. Hij maakte zich ook zorgen over mij als een vader, want ik viel nog steeds heel veel flauw. Mijn bleekheid verdween ook niet, hij is met me naar de dokter gegaan. Ik heb bloedgeprikt en ik had bloedarmoede.
    Nu logeer ik nog steeds bij hem, ik ga wel naar school en mijn resultaten zijn ook zo slecht nog niet. Het is niet zeker of ik over ga, maar de kans is wel groot. Ik voel me een stuk beter en met mijn gezondheid gaat het ook beter.

    05-06-2014 om 23:24 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Door een vreselijk,

    Door een vreselijk, ongelooflijk stomme vergissing in het ziekenhuis is een man, die eigenlijk gesteriliseerd had moeten worden, omgebouwd tot vrouw. Als de patient bijkomt, ziet hij tot zijn verbazing de voltallige medische staf rond zijn bed staan. "Uh-hmm, w-wij hebben geen goed nieuws voor u." Begrijpelijkerwijze springt de patient bijna uit zijn vel als hij verneemt wat ze met hem hebben uitgehaald. "En dat houdt natuurlijk ook in," klaagt hij, "dat ik nooit meer in staat zal zijn om een erectie op te wekken!" "Maar natuurlijk kunt u dat wel!" antwoordt een van de chirurgen, "maar dat zal dan wel bij iemand anders zijn."

    05-06-2014 om 14:21 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Reageer (5)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zus van Lana

    Is er iets mis?

    Lieve Mona, Ik ben Eefje, 9 jaar en nog steeds maagd. Is er iets mis met mijn vader?

    05-06-2014 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Reageer (1)


    T -->

    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!