In de machtige handelsstad Novgorod leefde de oude Boeslaj. Hij bekleedde het ambt van posadniek (= burgemeester) en deed dit met zoveel tact en waardigheid dat hij geliefd was bij alle inwoners van de stad. Zijn grote rijkdom mocht wel eens de afgunst opwekken bij enkele burgers, toch was iedereen ervan overtuigd dat Boeslaj de beste burgemeester was die men zich kon wensen.
Niettegenstaande zijn rijkdom en de achting die men hem toedroeg, was de oude man niet gelukkig. Hij had namelijk geen zoon die zijn bezittingen zou erven en zijn naam doen voortleven. Nadat de oude Boeslaj alle hoop op een erfgenaam al had opgegeven, kreeg hij toch nog een zoon. Lang zou hij niet van deze vreugde kunnen genieten, want toen zijn kind zeven jaar oud was, stierf Boeslaj in de gezegende leeftijd van negentig jaar.
De opvoeding van zijn geliefde Wasili kwam nu geheel op de schouders van zijn weduwe, Mamelfa Timofejevna, te rusten. Zij het haar zoon door een geleerde en wijze leermeester inwijden in de geheimen van het lezen, schrijven en rekenen. Dat was een koud kunstje voor de jonge Wasili; hij had alles snel door en het leren ging hem zo vlot af dat zijn leermeester het amper bij kon houden. Deze gooide er daarom maar een schepje wiskunde en meetkunde bovenop, doch ook deze vakken vormden voor zijn leerling geen enkel probleem.
Bovendien bleek Wasili over een prachtige sopraanstem te beschikken. Zijn stem vulde met gemak de grote ruimte van de hoofdkerk van Novgorod, de Sophia-kathedraal. De mensen werden er stil van, wanneer zij hem hoorden zingen.
Toen Wasili wat ouder was geworden, bracht hij, zoals alle kinderen van die leeftijd, de meeste tijd spelend op straat door. Maar dat gaf problemen, want Wasili was zo sterk dat, wanneer hij een speelgenoot bij de arm greep, deze er meteen afvloog, en wanneer hij een knaap bij zijn been pakte, dit van zijn lichaam scheurde. Wasili bedoelde het niet kwaad, hij had nu eenmaal zo'n geweldige kracht dat het vanzelf gebeurde. Wasili versloeg ook alle tegenstanders die hem met de lans bevochten.
De burgers waren echter woedend over dit soort spelletjes en vonden dat er een eind aan moest komen. Een delegatie van de voornaamste kooplieden begaf zich daarom naar het huis van Mamelfa Timofejev-na om hun beklag te doen. Zij dreigden dat, wanneer de weduwe haar zoon niet in bedwang kon houden, zij hem naar de rivier de Volchov zouden brengen om hem daarin te verdrinken.
Bij het horen hiervan was de moeder zeer bedroefd en zij sprak vermanend tot haar zoon: "Beste Wasili, je weet hoe geacht en geliefd jouw vader hier in deze stad is geweest, en wat moet ik nu over jou horen! Toen hij zo oud was als jij nu bent, had hij reeds een droezjina gevormd van dappere kerels met wie hij optrok tegen de ongelovigen. Maar jij hebt nog geen enkele echte vriend die jou zou kunnen helpen, wanneer je in gevaar bent en de burgers jou zouden willen doden. Met een droezjina zou je je tenminste tegen aanvallers kunnen verdedigen."
Deze woorden maakten indruk op Wasili en hij antwoordde dan ook: "Ik zal uw raad opvolgen, moeder." Hij ging naar zijn kamer en schreef op reepjes papier: "Wie naar hartelust wil eten en drinken is welkom op het erf van Wasili Boeslajev." Hij schreef wel honderd van deze briefjes, bevestigde elk briefje aan een pijl en schoot deze vervolgens alle richtingen uit.
Wij weten al dat de oude Boeslaj zeer rijk was. Het is dan ook niet verwonderlijk dat er in de keuken verschillende koks en koksmaatjes de handen uit de mouwen staken. Aan hen vroeg Wasili bier te brouwen, brandewijn te stoken en allerlei lekkere hapjes klaar te maken. Het bier en de wijn moesten in grote vaten worden gestort en op het erf neergezet. Een grote beker, die wel vijf liter kon bevatten, moesten ze ernaast zetten. Na deze voorbereidingen wachtte Wasili geduldig tot de eerste gasten kwamen opdagen.
Dezen lieten niet lang op zich wachten en ze stroomden in groten getale naar het erf van het huis waar Wasili en zijn moeder woonden.
De jongen bemerkte dat er veel meer gasten kwamen dan hij verwacht had. Daarom nam hij de grote beker in zijn hand en zei: "Hij die deze beker met één hand kan optillen en in één teug kan leegdrinken, wordt mijn vriend." Daarna nam hij een grote knots en zei: "Hij die een klap van mijn knots op zijn hoofd kan verdragen zonder neer te vallen, wordt mijn vriend en mag het huis binnengaan om met mij feest te vieren."
Verschrikt keken de gasten naar de vervaarlijke knots die wel twaalf poed (= ruim 192 kg) woog en de een na de ander droop stilletjes af. Op straat kwamen zij Kostja Novotorzjanien tegen die hen angstig vroeg: "Is het feest nu al afgelopen? Hebben jullie goed gegeten en gedronken?" - "Wij hebben helemaal niets gegeten en gedronken," kreeg Kostja ten antwoord, "want wij voelen er niets voor om verminkt of gedood te worden."
Kostja vroeg niet verder en rende het erf op waar hij met één hand de zware beker optilde, deze vol schonk met brandewijn en de inhoud in één teug ledigde. Het scheen hem goed te bevallen, want hij schonk een tweede beker in. Hij wilde deze net leegdrinken toen Wasili op hem af rende en hem met de knots een hevige klap op het hoofd toediende. Kostja bleef staan alsof er een vlieg op zijn hoofd was neergestreken. Hij morste zelfs geen druppeltje wijn uit de beker die hij in zijn hand had, maar vroeg alleen: "Ik mag de beker nu zeker wel leegdrinken?"
Wasili omarmde en kuste hem en zei: "Wees voortaan mijn geliefde broer en trouwe vriend! Treed binnen en wees mijn gast."
Terwijl de twee vrienden aan tafel zaten en zich aan de spijzen te goed deden, arriveerde er een nieuwe gast: Potanja de Kreupele geheten. Deze was al van alle kanten gewaarschuwd niet naar het erf van Wasili te gaan, maar hij had zich daar niets van aangetrokken en strompelde hinkend het erf op. Hij nam de beker in één hand en dronk hem eveneens in één teug leeg. Toen hij dit herhaalde, kwam Wasili naar hem toe en sloeg hem met zijn knots op het hoofd. De kreupele vertrok geen spier van zijn gezicht en bleef rechtop staan. Daarop omarmde en kuste Wasili ook hem en nodigde hem uit aan de feestdis plaats te nemen.
Na hem kwam nog een aantal gasten dat de proef kon doorstaan en daarom door Wasili als vrienden verwelkomd en aan de dis uitgenodigd werden.
Nadat Wasili op deze manier negenentwintig vrienden bij elkaar had verzameld, vond hij het welletjes en liet de poort van het erf sluiten. Hij was aan de wens van zijn moeder tegemoet gekomen en daar had hij geen spijt van.
Het werd al met al een geweldig feest waarbij gegeten en gedronken, gelachen en gezongen werd. Het oude huis van Boeslaj weergalmde van het feestgedruis. Tegen het eind van de maaltijd stond Wasili op, hief zijn gevulde beker op en sprak: "Ik drink op het welzijn van onze dappere droezjina! Met ons allen zijn wij zo sterk dat wij niemand meer hoeven te vrezen!"
Al spoedig verspreidde zich het gerucht in de stad dat Wasili Boeslajev een groep dappere kerels in zijn huis had opgenomen die daar door hem verzorgd en onderhouden werden. Dat veroorzaakte enige onrust bij de inwoners, want je wist maar nooit wat je van die overmoedige jongeling te verwachten had.
De gemeenteraad belegde een geheime zitting om over deze zaak te beraadslagen. Plotseling ging de deur van de raadzaal open en stapte er een oude man binnen. Deze boog naar vier kanten, streek zijn grijze lange baard glad, sloeg driemaal met zijn staf op de vloer en sprak: "Wees gegroet, burgers van Novgorod! Zoals gij weet heeft Wasili, de zoon van Boeslaj, al menig onheil over uw stad gebracht. Hij zal nu trachten met zijn droezjina de hele burgerij aan zijn wil te onderwerpen. Wat hij in zijn schild voert weten wij niet, maar het zal niet veel goeds zijn! Om erachter te komen of hij inderdaad boze dingen beraamt, stel ik voor om de hele burgerij een groot feest aan te bieden en daarbij Wasili en zijn vrienden niet uit te nodigen. Natuurlijk zal hij tóch op het feest verschijnen; laten wij hem dan een beker brandewijn aanbieden. Drinkt hij die leeg, dan hebben wij niets te vrezen; slaat hij de beker af, dan is hij iets van plan en moeten wij dubbel op onze hoede zijn." De raadslieden zeiden: "Wij zullen doen wat gij voorstelt."
De dagen die volgden, werden besteed aan de voorbereidingen op het feest. Er werden eikenhouten tafels neergezet in de hal van het stadhuis. Er werd bier gebrouwen en wijn gestookt in grote hoeveelheden en natuurlijk: waar gedronken wordt, moet ook gegeten worden! Een omroeper liet bekendmaken dat iedere burger op het feest welkom zou zijn. Alleen om het huis waar Wasili met zijn droezjina woonde liep deze man met een grote boog heen. Wasili was woedend toen hij merkte dat hij en zijn vrienden niet werden uitgenodigd, en zij besloten toch te gaan.
Tegen de avond begaf Wasili zich, gevolgd door zijn droezjina, op weg naar het feest. Er waren wat strubbelingen toen hij in de hal verscheen. Hier en daar werd er gefloten en enkele mensen keerden zich demonstratief om als de groep passeerde. Wasili deed of hij niets merkte en nam met zijn gevolg plaats aan een lege tafel.
Een raadslid zette een beker wijn voor hem neer en zei: "Wie een vriend is van Groot-Novgorod, drinken deze beker leeg." Wasili stond op, boog naar alle kanten en riep uit: "Lang leve onze stad Groot-Novgorod!" Daarna ledigde hij de beker in één teug. Sommige burgers haalden opgelucht adem, maar er waren er ook die de zaak nog niet helemaal vertrouwden.
Wasili dronk in de loop van de avond meer dan goed voor hem was. Hij werd balorig en overmoedig en begon te schreeuwen: "Wat een stelletje dwazen zijn jullie toch eigenlijk! Wat jullie ook tegen mij willen ondernemen, ik zal de stad toch in mijn macht krijgen. Ja, het gehele land zal mij schatting moeten betalen. Vreemde kooplieden zullen mij een tiende van hun winst moeten afstaan en ik, Wasili Boeslajev - zowaar als ik hier sta - ik zal jullie enige meester zijn."
Deze woorden wekten het ongenoegen en de woede van enkele burgers en dezen verlieten dan ook meteen de zaal. De burgemeester liet het er echter niet bij zitten en riep: "Je bent helaas nog te jong en te ijdel om verstandig te kunnen zijn, Wasili Boeslajev! Maar ik kan je zeggen dat de stad Novgorod zich nooit aan jouw bevelen zal onderwerpen. Nooit en te nimmer zullen wij gedogen dat zo'n jonge blaaskaak als jij over ons zal heersen. Wij dulden je niet langer in onze goede stad. Morgen moet jij Novgorod voorgoed verlaten, en zo niet dan zullen wij je terechtstellen."
Bij het horen van deze dreigementen werd Wasili echt woedend: "Burgers van Novgorod!" riep hij uit, "ik ga een weddenschap met jullie aan dat ik heel Novgorod met mijn droezjina zal verslaan. Mochten jullie mij verslaan, dan mogen jullie mijn hoofd afhakken en mijn bezittingen verbeurd verklaren. Wanneer dit niet gebeurt, zal ik voortaan over jullie heersen."
De mannen van Novgorod overlegden met elkaar en accepteerden vervolgens de weddenschap. Er werd afgesproken dat het gevecht de volgende morgen zou plaatsvinden op de open vlakte aan de overzijde van de rivier.
Reeds vroeg in de morgen van de volgende dag trokken de weerbare mannen naar de vlakte waar al menig gevecht was geleverd. Ook Wasili verscheen met zijn trouwe droezjina en de strijd ontbrandde in alle hevigheid. Ofschoon de overmacht groot was, baanden Wasili en zijn kameraden zich met gemak een weg door de menigte. Overal waar hij zich vertoonde, vielen links en rechts doden en gewonden.
De burgers van de stad bemerkten toen dat de toestand voor hen kritiek werd en zij stuurden afgezanten naar Wasili's moeder om haar te smeken haar zoon terug te roepen. Mamelfa Timofejevna nam de kostbare geschenken die zij voor haar hadden meegebracht aan. Zij stuurde daarop haar dienstmaagd naar het strijdtoneel met een dringende boodschap voor haar zoon. Deze vertelde dat haar meesteres zich niet goed voelde en zij haar zoon verzocht met spoed naar huis terug te keren. Wasili gaf onmiddellijk aan haar verzoek gehoor. Thuis gekomen kreeg hij van zijn moeder een slaapdrank en werd hij door haar in zijn kamer opgesloten.
Intussen ging het gevecht zonder oponthoud verder, maar de vrienden van Wasili begonnen nu te verliezen. Enkele kameraden waren gewond en twee hadden het leven gelaten.
Wasili, bij wie het slaapmiddel na een tijdje was uitgewerkt, werd wakker en realiseerde zich in welk gevaar zijn vrienden zich moesten bevinden. Met één sprong kwam hij uit zijn bed, drukte met zijn rug tegen de gesloten deur, die meteen bezweek, en rende naar buiten. Omdat hij zijn strijdknots kwijt was geraakt, rukte hij een zware as van een wagen af en stormde daarmee naar de plaats waar het gevecht woedde. In de verte hoorde hij het gestamp, gekerm en geschreeuw van de vechtende mannen. Zijn donderende stem overschreeuwde alle geluiden: "Houd stand, dappere droezjina! Ik heb jullie niet in de steek gelaten, maar mijn moeder heeft mij in een valstrik gelokt. Jullie mogen nu even uitrusten, want ik zal het werk van jullie overnemen!"
Meteen begon Wasili met de wagenas op de hoofden van zijn vijanden te beuken. Bergen lijken stapelden zich om hem heen op. Wasili sprong er gewoon overheen en maaide met zijn machtige wapen steeds nieuwe rijen burgers neer. Ontzetting maakte zich van hen die nog niet gevallen waren meester want, indien hij zo zou doorgaan, zou geen mens het overleven. Enkelen haastten zich naar het klooster van de heilige Cyrillos waar de eerbiedwaardige Ondroniesjtsje woonde, een peetoom van Wasili. Zij smeekten hem zich naar de plaats van het bloedige gevecht te begeven om de jonge Wasili tot rede te brengen.
Toen de kaliki hoorde welk onheil zijn petekind had aangericht, ontstak hij in woede. Hij nam de grote torenklok die wel negentig poed (= ruim 1400 kg) woog op zijn brede schouders en begaf zich daarmee naar het slagveld. Daar aangekomen riep hij: "Houd op, mijn petekind, en staak dat zinloze moorden! Wanneer je het niet doet, zal ik je met dit wapen gehoorzaamheid leren."
Wasili herkende zijn peetvader en riep terug: "Ik heb altijd respect voor u gehad, oude Ondroniesjtsje, maar gij zijt wel op een heel onzalig moment hierheen gekomen! Wij zullen nu moeten uitmaken wie van ons de sterkste is en wiens hoofd het stevigst op zijn schouders staat." Daarop hief Wasili de as omhoog en liet deze op de zware klok neerkomen. Het brons viel in stukken uiteen. Zo hevig was de slag geweest dat de kaliki levenloos ter aarde stortte.
De kameraden van Wasili waren inmiddels uitgerust en wierpen zich opnieuw in de strijd. Zij waren vastbesloten hun tegenstanders naar de rivier te drijven om hen daar te verdrinken.
De burgemeester, die de nederlaag en daarmee het einde van de machtige vrije stad Novgorod voorzag, besloot een laatste middel te beproeven om zijn stad van de ondergang te redden. Met een delegatie begaf hij zich naar Wasili's moeder, viel voor haar op de knieën en smeekte haar: "Heb medelijden met ons, vrouwe Mamelfa Timofejevna! Heb medelijden en spaar onze stad, die u toch ook na aan het hart ligt! Breng uw zoon tot rede en laat hem de strijd staken. Wanneer u dat mag lukken, zullen wij u jaarlijks drieduizend roebel betalen. Alle inwoners - behalve de geestelijkheid - zullen u bovendien nog een bijzonder geschenk, ieder naar eigen draagkracht, offreren. Wij zijn bereid dit op schrift te bevestigen."
De weduwe talmde geen ogenblik en begaf zich hoogstpersoonlijk naar het toneel van de strijd. Over de brug van de rivier lopend zag zij al welke vreselijke gevolgen het gevecht had gehad. De doden en verminkten lagen bij duizenden in het rond en nog steeds was haar zoon bezig met zijn as rond te zwaaien en zijn tegenstanders te vellen. Langzaam maar zeker werden dezen in de richting van de rivier gedreven.
Mamelfa naderde haar zoon en riep: "Houd in godsnaam op, Wasili, want de stad heeft zich overgegeven en zal zich aan jou onderwerpen."
Wasili liet eindelijk zijn armen hangen en de bebloede as uit zijn handen glijden. Hij wiste het zweet van zijn gezicht en sprak: "Ik zal doen wat gij gevraagd hebt, moeder, want God heeft ons bevolen onze moeder te eren en te gehoorzamen." Hij nam zijn moeder bij de hand en leidde haar naar huis, gevolgd door zijn dappere droezjina. Helaas waren twee van zijn beste vrienden, Kostja en de kreupele Potanja, op het slagveld gevallen en hadden enkele anderen ernstige verwondingen opgelopen.
De vrede tussen Wasili Boeslajev en de burgers van Novgorod werd getekend en deze zou niet meer verbroken worden.
Er was eens een echte student, hij woonde op zolder en hij bezat niets. Er was ook een echte kruidenier, hij woonde op de bel-etage en hij bezat het hele huis, en bij hem woonde de kabouter, want hij kreeg op kerstavond altijd een schaal pap met een hele klont boter erin! Dat kon de kruidenier best missen; en de kabouter bleef in de winkel en dat was heel leerzaam.
Op een avond kwam de student door de achterdeur binnen om kaarsen en kaas te kopen. Hij had niemand om dat voor hem te doen en dus ging hij zelf. Hij kreeg wat hij nodig had, hij betaalde ervoor en de kruidenier en zijn vrouw knikten hem toe: "Goedenavond". En die vrouw kon meer dan knikken, die kon haar mondje roeren - en de student knikte terug en bleef toen staan, midden onder het lezen van het papier dat om de kaas zat. Het was een bladzijde die uit een oud boek was gescheurd, een boek dat niet verscheurd hoorde te worden, een boek met gedichten. "Er liggen er nog meer!" zei de kruidenier. "Ik heb er een oud vrouwtje wat koffiebonen voor gegeven. Voor acht stuivers krijgt u de rest."
"Graag," zei de student. "Ik neem het wel in plaats van de kaas, ik kan wel droog brood eten. Het zou zonde zijn als dat boek helemaal in stukken werd gescheurd. U bent een fantastische man, een praktische man, maar van poëzie hebt u evenveel verstand als die ton daar." Dat was onaardig gezegd, vooral tegenover de ton, maar de kruidenier lachte en de student lachte. Het was ook meer als grapje bedoeld.
Maar de kabouter irriteerde het dat je zoiets kon zeggen tegen een kruidenier die huiseigenaar was en de beste boter verkocht. Toen het nacht was, de winkel was gesloten en iedereen in bed lag, op de student na, ging de kabouter de tongriem van de vrouw halen. Die had ze niet nodig als ze sliep. En ieder ding in de kamer waar hij hem op zette, kon zijn mondje roeren en kon zijn gedachten en gevoelens net zo goed uitdrukken als mevrouw. Maar dat ging maar met eentje tegelijk en dat was een geluk, want anders hadden ze allemaal door elkaar gepraat.
De kabouter zette de tongriem op de ton waar de oude kranten in lagen: "Is het echt waar," vroeg hij, "dat u niet weet wat poëzie is?"
"Dat weet ik best," zei de ton. "Dat is wat onderaan in de krant staat en wat je uit kunt knippen. Ik dacht eigenlijk dat ik daar meer van in me heb dan de student en ik ben maar een eenvoudige ton, bij de kruidenier vergeleken." De kabouter zette de tongriem op de koffiemolen, en die ging toch tekeer! En hij zette hem op de boterton en op de geldla. Allemaal waren ze het met de ton eens en de algemene opinie moet je respecteren. "Nou zal ik die student toch eens!" De kabouter sloop stilletjes de keukentrap op, naar de zolder, waar de student woonde. Er brandde licht en de kabouter keek door het sleutelgat en zag dat de student in het voddige boek uit de winkel zat te lezen. Maar het was zo licht op zolder. Er scheen een heldere straal uit dat boek en die veranderde in een stam, in een reusachtige boom, die heel hoog oprees en zijn takken boven de student uitspreidde. Ieder blaadje was mooi groen en iedere bloem werd een lief meisjesgezicht, sommige met donkere, stralende ogen, andere met fantastisch felblauwe. Iedere vrucht aan de boom was een schitterende ster en alles zong en klonk wonderbaarlijk mooi.
Zo'n heerlijkheid had de kabouter zich nooit kunnen indenken, laat staan dat hij ooit zoiets had gezien of had kunnen vermoeden dat het bestond. Hij bleef op zijn tenen staan kijken en kijken totdat het licht uitging. De student blies zeker zijn lamp uit omdat hij naar bed ging. Maar het kaboutertje bleef staan, want er klonk nog steeds heel zacht, prachtig gezang, een lieflijk wiegelied voor de student die zich ter ruste begaf.
"Wat ongelooflijk!" zei de kabouter. "Dat had ik niet verwacht. Ik geloof dat ik maar bij de student blijf wonen." En hij dacht en hij dacht nog eens na, en toen zuchtte hij: "De student heeft geen pap!" En toen ging hij weg - tja, toen ging hij weer naar de kruidenier - en het was maar goed ook dat hij kwam, want de ton had de tongriem van mevrouw bijna versleten door alles wat hij in zich had van één kant te vertellen en nu stond hij juist op het punt om hem om te draaien om hetzelfde weer van een andere kant te zeggen, toen de kabouter kwam en de tongriem naar mevrouw terugbracht. Maar de hele winkel, van de geldla tot de aanmaakhoutjes, deelde van die dag af de mening van de ton en ze hadden zo'n respect voor hem dat ze voortaan, als de kruidenier de "kunst- en toneelrecensies" uit het Dagblad voorlas, dachten dat het van de ton kwam.
Maar het kaboutertje kon niet meer zo rustig naar al die wijsheid en al die verstandige praat in de winkel zitten luisteren, want zodra er licht van zolder kwam, leek het wel of de stralen sterke ankerkettingen waren die hem omhoogtrokken. En dan moest hij erheen om door het sleutelgat te gaan kijken en daar werd hij overspoeld door een groots gevoel, zoals wij dat hebben bij de aanrollende golven, als God een storm over de zee laat gaan. En hij barstte in tranen uit, hij wist zelf niet waarom hij huilde, maar het was eigenlijk heel prettig om zo te huilen. Wat moest het toch ongelooflijk heerlijk zijn om met de student onder die boom te zitten - maar dat ging niet, hij was al blij met het sleutelgat. Hij stond nog op die koude gang toen de najaarswind door het luik blies en het heel koud werd, echt koud. Maar dat voelde de kleine kabouter pas als het licht op de zolderkamer uitging en de klanken wegstierven in de wind. Brrr, dan had hij het koud en dan kroop hij weer in zijn warme hoekje. Daar was het lekker warm! En toen de kerstpap kwam met een grote klont boter - toen was de kruidenier weer de baas.
Maar midden in de nacht werd de kabouter wakker door een vreselijk gebeuk op de luiken. De mensen bonkten er buiten op. De nachtwaker blies op zijn fluit. Er was een grote brand uitgebroken. De hele straat stond in lichterlaaie. Was het bij hen of bij de buren? Waar? Wat een schrik! De vrouw van de kruidenier was zó van haar stuk dat ze haar gouden oorbellen uit haar oren haalde en ze in haar zak stak, want dan had ze tenminste iets gered. De kruidenier rende weg om zijn effecten te halen en het dienstmeisje om haar zijden kapmanteltje te halen, want zoiets duurs had ze. Iedereen wilde het beste redden wat hij bezat en dat wilde het kaboutertje ook. In een paar sprongen was hij de trap op en stond hij in de kamer van de student, die heel rustig aan zijn open raam naar het vuur in het huis van de buren stond te kijken. Het kaboutertje greep het schitterende boek van de tafel, stopte het in zijn rode muts en hield het met beide handen vast. De grootste schat van het huis was gered en hij vloog weg, het dak op, de schoorsteen op, en daar zat hij in het schijnsel van het brandende huis aan de overkant en hij hield met beide handen zijn rode muts vast waar de schat in zat. Nu wist hij waar zijn hart lag, bij wie hij eigenlijk hoorde. Maar toen de brand weer geblust was en hij weer tot rust was gekomen - tja, toen zei hij: "Ik zal me tussen die twee verdelen! Ik kan de kruidenier niet helemaal laten vallen, vanwege de pap!"
En dat is heel menselijk! Wij gaan toch ook naar de kruidenier - voor de pap.
Er was eens, heel lang geleden, in het stadje Sorrento een jongetje dat Giovanni heette. Hij had geen vader en moeder meer en was in lompen gekleed. Hij moest bedelen voor zijn brood en hij sliep onder bruggen en in portieken.
Maar Giovanni was gelukkig, want hij kon iets heel bijzonders. Hij kon jongleren.
Iedere dag ging hij naar het groente- en fruitstalletje van signor Baptista om daar zijn kunsten te vertonen. Hij kon jongleren met citroenen en sinaasappels, appels en aubergines en zelfs met komkommers en altijd kwamen er veel mensen kijken en als Giovanni klaar was met jongleren kochten de mensen bij signor Baptista groenten en fruit. Dan gaf de vrouw van signor Baptista een kop warme soep aan Giovanni. En zo was iedereen tevreden.
Op een dag kwam er een groep rondreizende toneelspelers in de stad en Giovanni keek hoe zij dansten en zongen in hun prachtige kleren. "O," zei Giovanni bij zichzelf, "zo wil ik ook leven." En toen het stuk afgelopen was, ging Giovanni met de Maestro praten. "Nee, nee," zei de Maestro. "Ik heb geen schooiers nodig. Ga maar ergens anders bedelen." - "Maar ik ben heel handig," hield Giovanni vol. "Ik kan helpen met in- en uitpakken. Ik kan voor de ezels zorgen. En Maestro," zei Giovanni toen, "ik kan jongleren!" En hij liet zijn kunsten zien. "Niet gek," zei de Maestro toen hij Giovanni bezig zag. "Met wat meer oefening... Goed dan, ga maar met ons mee, maar je krijgt geen geld. Al wat je krijgt is een slaapplaats en een bord eten. Je bent tenslotte bij de beste toneelspelers van heel Italië." - "Hartelijk dank," zei Giovanni. "Ga je spullen maar halen. We vertrekken over een uur," zei de Maestro.
Toen nam Giovanni afscheid van signor en signora Baptista en ging op reis met de toneelspelers. Niet lang daarna gaf de Maestro hem een kostuum en Giovanni jongleerde voor het publiek. Hij schilderde een clownsgezicht, ging voor het doek staan en voordat het spel begon, boog hij, maakte een felgekleurde zak open, rolde een kleedje uit en begon.
Hij jongleerde met stokjes en borden. Dan zette hij de borden op stokjes en draaide ze in het rond. Hij jongleerde met knotsen en ringen en zelfs met brandende fakkels. Ten slotte gooide hij een rode bal en een oranje bal op. Daarna een gele bal, een groene, een blauwe en een paarse, totdat het leek of hij met de regenboog jongleerde. "En nu: de Zon in de Hemel!" riep hij. Terwijl hij nog steeds jongleerde pakte hij een glanzende gouden bal en gooide hem hoger en hoger, sneller en sneller. En het publiek juichte hem toe. Giovanni werd erg beroemd en het duurde niet lang of hij nam afscheid van de reizende troep en begon voor zichzelf.
Hij reisde heel Italië door en hoewel zijn kostuum steeds mooier werd hield hij altijd zijn clownsgezicht. De ene keer jongleerde hij voor een hertog; en een andere keer voor een prins. Maar hij deed altijd hetzelfde: eerst de stokjes, dan de borden, dan de knotsen, de ringen en de brandende fakkels. En helemaal aan het einde de regenboog van gekleurde ballen. "En nu: de Zon in de Hemel!" riep hij, en de gouden bal ging hoger en hoger, en het publiek lachte en klapte en juichte.
Op een zekere dag zat Giovanni tussen twee steden in de schaduw van een boom en at brood met kaas, toen er twee monniken langs kwamen. "Kom, wil je je eten met ons delen, goede clown?" vroegen ze, "en moge God je belonen en broeder Franciscus je zegenen!" - "Ga maar zitten, brave broeders," zei Giovanni. "Er is meer dan genoeg."
Terwijl de drie mannen zo zaten te eten, vertelden de monniken hoe ze van stad tot stad trokken en om voedsel bedelden en de vreugde van Onze Lieve Heer verspreidden. "Onze stichter, broeder Franciscus, zegt dat alles leeft ter meerdere glorie van Onze Lieve Heer. Ook jij met dat jongleren van jou," zei een van de monniken. "Dat geldt misschien voor mensen zoals jullie, maar ik jongleer alleen maar om de mensen aan het lachen te maken, zodat ze gaan klappen," zei Giovanni. "Dat is hetzelfde," antwoordden de monniken. "Als je de mensen gelukkig maakt, draag je ook bij tot de glorie van Onze Lieve Heer." - "Als jullie het zeggen!" zei Giovanni lachend, "zal het wel zo zijn, maar nu moet ik verder naar de volgende stad. Arrivederci, goede broeders en veel succes!"
En overal waar Giovanni kwam, was de lucht vol van zijn vliegende borden en stokken, zijn knotsen en ringen en fakkels. En altijd kwam daarna zijn regenboog van ballen en 'de Zon in de Hemel'. En overal waar Giovanni kwam moesten de mensen lachen en het geluid van hun gelach en hun toejuichingen schalde door de steden.
Jaren gingen voorbij. Giovanni werd oud en het werden moeilijke tijden. De mensen stopten niet meer om te kijken. "O, dat is die oude clown weer, die altijd staat te jongleren. Die hebben we al gezien," zeiden ze. Giovanni voelde zich ongelukkig, maar hij bleef jongleren, totdat hij op een dag 'de Zon in de Hemel' liet vallen en de regenboog van ballen naar beneden stortte en de mensen die om hem heen stonden begonnen te lachen. Maar dit keer niet van plezier.
Toen deden ze iets verschrikkelijks. Ze gooiden groenten en stenen naar Giovanni, zodat hij moest rennen om zijn leven te redden. Bij een beekje waste Giovanni zijn clownsgezicht af. Hij stopte zijn stokken en borden weg, en zijn knotsen en ringen en de gekleurde ballen. Hij stopte zijn kostuum weg en hij hield op met jongleren. Voor altijd.
Het beetje geld dat hij had raakte al gauw op en zijn kleren werden tot lompen, en hij moest bedelen om voedsel en hij sliep weer onder bruggen en in portieken, net als in zijn jeugd. "Het is tijd om naar huis te gaan," zei de oude man vermoeid tot zichzelf. En hij ging op weg naar Sorrento. Het was een koude winteravond toen hij ten slotte in de stad aankwam. De wind blies hard en er viel een ijskoude regen. Hoog boven hem doemde de kloosterkerk van de monniken op. De ramen waren donker. De oude Giovanni kroop nat en koud naar binnen en viel in een hoekje in slaap.
Hij werd wakker van muziek. De kerk schitterde van het kaarslicht en was vol mensen die 'Gloria, Gloria' zongen. Giovanni kon zijn ogen nauwelijks geloven. Zoveel schoonheid. Een lange rij monniken, priesters, nonnen en mensen uit de stad slingerde zich door de kerk. Iedereen had een prachtig geschenk bij zich. Ze legden de geschenken neer voor een beeld - van een vrouw met haar kind.
"Wat is er aan de hand?" vroeg Giovanni aan iemand die vlak bij hem stond.
"Wel oude man, het is de geboortedag van het Heilige Kind," antwoordde de vrouw. "En in de processie brengt iedereen zijn geschenken."
Giovanni keek vol verbazing naar de processie tot die afgelopen was. Alle mensen gingen de kerk weer uit en het werd donker, behalve bij het beeld van de Vrouw en het Kind, want het werd omringd door helder brandende kaarsen. Giovanni kwam dichterbij. Het Kind op de schoot van de Vrouw zag er zo ernstig, zo streng uit.
"O," zei Giovanni, "ik wou dat ik ook iets had om te geven. Uw kind ziet er zo droevig uit, zelfs met al deze mooie geschenken. Maar wacht eens, vroeger maakte ik de mensen altijd aan het lachen." Giovanni maakte de zak open die hij bij zich had en haalde er zijn oude kostuum uit. Toen schilderde hij zijn clownsgezicht, rolde het kleedje uit en begon te jongleren. Eerst de stokken. Toen de borden. Daarna liet hij de borden op de stokken draaien. En toen de knotsen en de ringen.
Broeder Portier, die de deuren van de kerk juist wilde sluiten, zag Giovanni jongleren. Hij rende naar buiten om de priester te halen. Maar Giovanni merkte daar niets van. "En nu," zei Giovanni lachend tegen het Kind, "eerst de rode bal, dan de oranje… dan de gele… en de groene, de blauwe en de paarse."
Giovanni jongleerde de ballen hoger en sneller, totdat het leek of het een regenboog was. "En nu," riep Giovanni, "de Zon in de Hemel!" De gouden bal ging rond en rond, hoger en hoger. Giovanni had zijn hele leven nog nooit zo goed gejongleerd. Hoger en hoger, sneller en sneller. De kleuren dansten door de lucht. Het was schitterend. Giovanni's hart bonsde. "Voor jou, lief Kind, voor jou," riep hij. Plotseling stopte zijn oude hart. En Giovanni viel dood op de vloer.
De priester en broeder Portier kwamen binnen. De priester boog zich over de oude Giovanni en zei: "Ach, de oude clown is dood. Moge zijn ziel rusten in vrede." Maar broeder Portier week achteruit en keek met open mond naar het beeld van de Vrouw met het Kind. "Kijk," riep hij wijzend, "kijk!" Het kind glimlachte en in Zijn hand hield Hij de gouden bal.
Er was eens een koningszoon die twaalf jaar oud was. Het was een aantrekkelijke knaap met een zachtmoedige inborst, en zijn liefste wens was om levend in het paradijs te komen.
Op een dag schouderde hij zijn flintgeweer en trok het woud in. Verder en verder dwaalde hij van huis, door velden en moerassen, tot de zon ter kimme begon te neigen en de wereld in duisternis achterliet.
Er barstte een verschrikkelijk onweer los en de regen gutste bij bakken uit het zwarte zwerk, doch de dappere koningszoon stapte onverdroten voort en was weldra volledig de weg kwijt.
In het holst van de nacht bereikte hij een grote, met stenen bezaaide heuvel. Met zijn tanden op elkaar geklemd beklom hij de helling, tot hij daar, vanuit de hoogte, beneden zich in het woud een reusachtig kampvuur ontwaarde.
Hij daalde de helling af in de richting van het vuur, maar dorst niet al te dichtbij te komen, want bij het vuur stond een kolossale oude vrouw.
De vrouw, aan wie zijn komst niet onopgemerkt voorbij was gegaan, riep hem met vriendelijke basstem toe: "Kom maar hier, koningszoon. Hier bij het vuur kun je je warmen."
Met een lichte aarzeling trad de prins te voorschijn en zei: "Goedenavond, moedertje."
"Wat zoek jij hier, zo ver van huis?" vroeg de oude vrouw.
"Ik zou zo graag levend in het paradijs willen komen," antwoordde de koningszoon.
De vrouw fronste haar machtige voorhoofd en sprak toen: "Het is nu nog nacht, maar zodra het licht wordt, bij het krieken van de dag, regelen we dat wel even. Ik heb namelijk vier zoons, en dat zijn de winden. Mijn oudste heet noordenwind, de op één na oudste westenwind, de derde oostenwind en mijn jongste zoon, dat is de zuidenwind. Maar als ze straks thuiskomen, zeg jij dan maar niets, laat alles maar gerust aan mij over."
Het duurde niet lang of daar kwam de oudste zoon, de noordenwind dus, thuis. "Waarom ruikt het hier naar mens?" vroeg hij zijn moeder.
"Ik heb hier een koningszoon die naar het paradijs wil," antwoordde zij.
De oude vrouw bleek een grote zak bij de hand te hebben, en als een van haar zoons haar niet gehoorzaamde, dan stopte ze hem daarin.
Nu vroeg ze de noordenwind: "En, waar ben je geweest? Wat heb je zoal uitgespookt? Heb je goed of kwaad gedaan?"
"Ik heb geprobeerd een jager dood te laten vriezen," antwoordde de noordenwind. "Drie jaar lang heb ik alles in het werk gesteld om mijn doel te bereiken, maar het is me niet gelukt. Als ik zijn voeten belaagde schopte hij naar me, en kwam ik aan zijn handen dan sloeg hij die vlug in elkaar. Tenslotte heb ik hem maar laten lopen en een koopman doodgeblazen, die in een berenvel gehuld op een slee zat."
Toen hij zijn moeder aldus kond had gedaan van zijn wedervaren wendde hij zich tot de koningszoon en vroeg: "Wat ben jij voor een vent, en wat moet je hier?"
"Hou je mond," zei zijn moeder, "of ik stop je in de zak." Haar zoon deed er onmiddellijk het zwijgen toe en gaf geen kik meer.
Even later arriveerde de westenwind, haar op één na oudste zoon, en begon meteen van: "Wat moet die kerel hier? Jaag 'm weg!"
"Stil jongen, of ik stop je in de zak," waarschuwde zijn moeder. "Wat heb jij allemaal uitgevoerd?"
"Wat zal ik zeggen?" antwoordde de westenwind haar. "Ik heb eigenlijk goed noch kwaad gedaan, alleen de zeelui een beetje geplaagd."
Nu kwam ook de oostenwind, haar derde zoon, thuis en begon ogenblikkelijk tegen de koningszoon uit te varen: "Wat ben jij voor een knul? Maak dat je wegkomt! Wat moet je hier?"
Opnieuw kwam de moeder tussenbeide en waarschuwde hem; "Hou ogenblikkelijk je mond of ik stop je in de zak!" Op wat mildere toon vervolgde ze: "En hoe heb jij, mijn jongen, de tijd zoek gebracht?"
"Ik heb als dagloner voor broer haas gewerkt en de korenaren uitgeschud," antwoordde de oostenwind bedeesd.
Als laatste kwam haar vierde zoon, de zuidenwind, thuis. "Hallo! Wie ben jij, en wat zoek je hier?" vroeg hij de koningszoon.
Deze antwoordde eenvoudig: "Ik zoek het paradijs."
"Ga nu dan maar lekker slapen," zei de zuidenwind, "dan breng ik jou morgen levend en wel naar het paradijs."
"Wanneer ben jij ook al weer voor het laatst in het paradijs geweest, mijn zoon?" vroeg de oude moeder.
"Morgen precies een jaar geleden!" antwoordde de zuidenwind.
Diezelfde nacht nog maakte hij zich reisklaar en nam de koningszoon op zijn rug. Toen de jongen ontwaakte uit zijn dromen was hij al in de wolken.
"Als we zo meteen in de buurt van het paradijs komen," zei de zuidenwind tot de koningszoon, "komt Inti, die daar de scepter zwaait, ons tegemoet." En bij het paradijs gekomen begroette de zuidenwind haar met de woorden: "Goedemorgen, heilige hoogheid Inti!"
Met melodieuze stem vroeg Inti: "Wie voer jij mee hierheen, en hoe maak je het? Je hebt je precies aan je woord gehouden!"
Vervolgens richtte zij het woord tot de koningszoon: "Waarom ben je hierheen gekomen? Wil je soms hier blijven, of ga je weer terug met de wind?"
De koningszoon antwoordde: "Ik zou graag hier blijven, als je me de schimmen van Adam en Eva laat zien."
"Kijk," sprak Inti, "daar onder die boom, dat zijn de schimmen van Adam en Eva, en als jij hier blijft zal het jou evenzo vergaan als hen."
"Ik blijf hier," antwoordde de koningszoon, "maar ik zal niet ongehoorzaam doen, zoals Adam en Eva." Hierop sprak Inti tot hem: "Ik zal je een taak en een opdracht geven." Ze leidde hem rond en liet hem kennismaken met alle mogelijke lusten en genoegens. Ze toonde de koningszoon de heerlijkste ruimtes van het paradijs, waar levende schimmen, van hun ziel verstoken, een gelukzalig bestaan leidden.
"Dit alles," zei ze, "zo ver je oog maar reikt, stel ik onder jouw hoede, maar mij mag je niet aanroeren. Dat is de enige voorwaarde. Overdag zul je allerlei vreugden en genietingen smaken, de hoogste en heerlijkste die de wereld te bieden heeft, maar als ik mij 's avonds ter ruste leg en je roep - 'Kom bij me, koningszoon, kom!' - kom dan in godsnaam niet, want als je wel komt zul je sterven en vergaat het jou net als Adam en Eva."
"Ik zal niet bij je komen," zei de koningszoon. "Ik kan hier zóveel genoegens smaken! Je kunt erop rekenen dat ik niet bij je kom, dat beloof ik je."
Toen sprak Inti tot de wind: "Je kunt gaan, de koningszoon blijft hier en houdt zich aan de geboden."
"Tot ziens dan, Inti," zei de wind, "en vaarwel, koningszoon, over een jaartje kom ik weer eens langs om te kijken hoe het met je gaat." Met deze woorden stapte hij op en woei weg.
Zo brak de eerste dag aan, die hem een waar boeket van lusten en genoegens bracht. Toen de avond viel riep Inti: "Kom bij me, koningszoon, kom! Maar als je komt, weet dan dat je zult sterven." Daarna smeekte ze hem: "Kom alsjeblieft niet!"
De koningszoon verkeerde in heftige tweestrijd en trad een stap naderbij - en toen, als werd hij door een magneet aangetrokken, voerden zijn voeten hem nog nader tot Inti... of was het zijn hart?
De schimmen begonnen te lachen - een hol en zielloos gelach - en murmelden: "Je houdt je niet aan je belofte, je breekt je woord!" De koningszoon echter dacht: "Ik ga naar haar toe, maar ik kus haar niet. Ik wil alleen zien waar ze slaapt."
Inti sliep onder de vijgenboom waar de koningszoon niet komen mocht. Haar aantrekkingskracht was echter zo sterk dat hij er toch heen liep en keek hoe Inti daar rustte. Inti werd wakker, en in haar ogen blonken tranen. Zacht huilend zei ze tegen de koningszoon: "Je hebt je niet aan je belofte gehouden, je hebt je woord gebroken..." Doch de koningszoon antwoordde: "Ik houd me aan mijn woord, ik zal je niet kussen!"
Toen vergat hij alles om zich heen en ook z'n belofte, en hij kuste Inti. Zodra hij haar had gekust en hun lippen elkaar hadden losgelaten, ontvlood hem het paradijs, om als een steeds kleiner wordend lichtje in een verre verte te verdwijnen. De koningszoon stierf, en het verging hem als Adam en Eva.
Er was eens een man die een rotwijf had. Het was zo een kolerelijdster dat hij het gewoonweg niet meer bij haar uithield. De dingen die ze doen moest deed ze niet, en wat ze per se niet moest doen deed ze juist wel. Zo'n type was dat. Het zal dan ook niemand verbazen dat hij op een gegeven moment besloot haar uit de weg te ruimen.
Hij trof voorbereidingen om het bos in te trekken en zei tegen zijn vrouw: "Jij gaat dit keer niet mee het bos in." De vrouw antwoordde: "Ik ga toch mee." - "Als je met alle geweld mee wilt, laat die zak dan thuis!" - "Die neem ik dus mee," antwoordde ze. "Als je die zak meeneemt, stop er dan in ieder geval geen stenen in," zei de man. "Dat zal jij beslissen," zei de vrouw, "dat doe ik wel!"
Zo gingen ze samen het bos in en kwamen bij een moeras. Ze volgden de oever van het moeras tot ze bij een bron kwamen. "Buig je niet over die bron," zei de man tegen zijn vrouw. Maar dat deed ze natuurlijk juist wel, en zo tuimelde ze hals over kop de bron in en werd door de stenen naar de bodem getrokken. De man aanvaardde de thuisreis.
Thuisgekomen verkneukelde hij zich drie dagen lang over het welslagen van zijn operatie. Maar toen begon hij wroeging te krijgen en zei tot zichzelf: "Ik ga erheen om haar te zoeken."
Hij nam een eind touw en een bijl mee en trok het woud in. Bij de bron gekomen bond hij het touw aan de bijl vast en liet die zo naar beneden zakken. Voorzichtig probeerde hij te trekken...
Hij had iets te pakken! Langzaam trok hij het touw op tot hij kon zien wat het was - wie schildert zijn ontzetting toen hij merkte dat hij de duivel aan de haak had geslagen!
Geschrokken wilde hij hem laten vieren, maar de duivel smeekte: "Laat me niet zakken, laat me niet zakken, haal me hier alsjeblieft uit! Ik zal je rijkelijk belonen als je me eruit trekt."
De onbestorven weduwnaar trok hem eruit. Een van de hoorns van de duivel was verbrijzeld, dat had dat rotwijf met 'r zak stenen gedaan, en hij vertelde de man: "Daar kwam me toch een kenau naar beneden, erger is er op de ganse aardkloot niet. Die feeks ramde zo-even m'n ene hoorn aan gruzelementen!"
De duivel beloofde de man dat hij hem heel rijk zou maken. "Maar," zei hij, "dat kan ik alleen als ik eerst in de koningin treed en haar goed ziek maak. Dan kun jij komen en haar weer gezond maken!"
Een meevallertje was dat de man op dit gebied een zekere reputatie genoot, want hij had in het verleden al vaker mensen genezen die jarenlang ziek waren geweest...
Zo geschiedde het dat de koningin onwel werd, maar noch de hofchirurgijn, noch de andere heelmeesters wier hulp werd ingeroepen slaagden erin haar te genezen.
Nadat alle pogingen om de koningin te genezen ijdel waren gebleken, diende zich iemand aan die wist te vertellen dat er aan gene zijde van het woud een man woonde die hare majesteit haar gezondheid terug kon geven.
Terstond werd de man aan het hof ontboden, waar ze hem vroegen: "Kun jij haar inderdaad weer gezond maken?"
De duivel fluisterde hem in: "Zeg maar ja, dat je het kunt!" En de man sprak: "Jawel, ik kan haar genezen." Hij behandelde haar dagen achtereen. Toen verliet de duivel de koningin en knapte zij zienderogen op. Als beloning schonk de koning de man een klein kapitaaltje, zodat hij op slag binnen was.
Een Engelse toerist neemt een taxi om van de luchthaven in Zaventem naar z'n hotel in Brussel te gaan. Ze rijden voorbij het Atomium en de passagier achter in de taxi wil de chauffeur wat vragen over het imposante bouwwerk, dus tikt hij de man even op z'n schouder om de aandacht te trekken. De taxichauffeur geeft een geweldige schreeuw en verliest de macht over het stuur. Het voertuig mist op een haartje na een tram, ramt bijna een huis, alvorens op het trottoir tussen tientallen driftig fotograferende Japanners tot stilstand te komen. Het is even stil in de taxi. Dan zegt de chauffeur: "Meneer, wilt u dat nooit meer doen. Ik ben me dood geschrokken." De passagier zegt dat hij niet had geweten dat de chauffeur zo zou schrikken van een klein tikje op z'n schouder. Waarop de bestuurder zegt: "Het is uw schuld niet hoor meneer. Maar vandaag is mijn eerste dag als taxichauffeur. Hiervoor heb ik 25 jaar lijkwagens gereden".
Er sterft een nonneke. Zij gaat NATUURLIJK naar de hemel, waar ze
door Sinte-Pieter met open armen ontvangen wordt.
Ze krijgt er een rondleiding als een koningin.
Alles is mooi en schoon en proper en...
Tot ze in een gang komen waar er een verschrikkelijk gekrijs te horen
is achter een van de deuren.
Wat is dat?" vraagt het nonneke.
"Wat gebeurt daar in 's hemelsnaam?"
"Och", zegt Sinte-Pieter, "daar moet je niet op letten,
daar worden de gaatjes in de rug geboord om de vleugeltjes aan op te hangen." Ze gaan verder en alles is weer mooi en schoon en proper..
Tot ze weer in een gang komen met een nog verschrikkelijker gekrijs
achter in een van de deuren.
"Wat is dat dan?", vraagt het nonneke met de
hand voor de mond om haar verbazing en afschuw te verbergen. "Och", zegt Sinte- Pieter, "niet op letten, hier worden dan weer het gaatje geboord in het achterhoofd om het aureooltje aan op te hangen."
Amaai", zegt het nonneke, nu heel verontwaardigd en uit haar lood
geslagen,
hier blijf ik niet! Wat een bloederige en wrede toestand! Ik ga veel
liever naar de hel dan!!!"
Nu is het de beurt aan Sinte Pieter om verontwaardigd te kijken en
hij roept dan ook verschrikt uit:
"Maar daar gebeuren verschrikkelijke dingen!
Die wil jij niet meemaken!
Daar gaan ze je zelfs verkrachten!" 'Dat is niks", zegt de non, "DAAR heb ik al een gaatje voor!"
Een heel arm jongetje wil graag een nieuwe fiets voor Sinterklaas maar zijn gescheiden moeder kan die niet betalen. Moeder stel voor om een brief aan Sinterklaas te schrijven waarin hij desnoods om geld voor een nieuwe fiets kan vragen. Afijn zo gezegd zo gedaan en de brief is gepost aan 'Sinterklaas - Madrid - Spanje'. Bij DE POST komt deze brief binnen. De postmeester opent de brief en leest hardop voor: " LIEVE SINTERKLAAS, Ik ben een jongetje van 8 jaar en ik wil heel graag een nieuwe fiets. Helaas zijn mijn ouders gescheiden en is mijn vader met de horizon vertrokken en krijgen wij geen alimentatie van hem dus kan mijn moeder die niet betalen. Ik ben altijd heel lief, ik verzorg mijn zieke moeder en oma en pest nooit mijn zusje. Een nieuwe fiets kost maar 150 euro. Alsjeblieft, Sinterklaas, wilt u mij helpen? Liefs, Jongetje."
Enfin, de afdeling van DE POST is zo ontroerd dat ze een inzamelingsactie houden voor het jongetje om een nieuwe fiets te kunnen kopen. Ze halen 140 euro op en sturen het geld precies op 5 december op naar het jongetje. Het jochie opent de envelop en treft een brief van Sinterklaas aan met het geld voor de nieuwe fiets. Jongetje blij maar toch een beetje teleurgesteld dat het niet precies 150 euro is zodat hij zijn fiets nog niet kan kopen.Het jochie schrijft een brief terug aan Sinterklaas en doet 'm wederom op de post 'Sinterklaas - Madrid - Spanje' De volgende dag komt ie bij DE POST aan en alle postmannen (en -vrouwen) gaan helemaal uit hun dak... "JONGENS een brief van het jongetje". 1 persoon opent de envelop en leest de brief hardop voor "LIEVE SINTERKLAAS, Hartelijk bedankt voor het geld voor mijn nieuwe fiets!! Heel lief van u maar ik kwam 10 euro tekort dus ik kan nog mijn fiets niet kopen. Ik weet zeker dat u 150 euro heeft gestuurd, dus die 10 euro zullen de KLOOTZAKKEN VAN DE POST WEL GEPIKT HEBBEN!!!!!
De vader van een welgestelde familie nam zijn zoon op een dag mee voor een reis over het platteland. De man had het vaste voornemen om zijn zoon te laten zien hoe rijk en hoe arm mensen kunnen zijn. De man en zijn zoon verbleven een paar dagen op een boerderij van een familie die moeite had om rond te komen.
Toen vader en zoon na een paar dagen weer terugreden naar hun landgoed, vroeg de vader aan zijn zoon wat hij van de afgelopen dagen vond.
"Ik vond het geweldig, vader," zei de zoon.
"Heb je nu ontdekt hoe arm mensen kunnen zijn?" vroeg zijn vader.
"Ja, ik heb veel geleerd," antwoordde de zoon. "Ik zag dat zij vier honden hebben, terwijl wij er maar een hebben. Ik zag dat zij een beekje hebben dat doorloopt tot het eind van de wereld terwijl wij een vijver hebben die maar tot halverwege de oprit komt."
"Wij gebruiken lantaarns, terwijl zij iedere nacht naar de sterren kunnen kijken en ons landgoed loopt maar tot aan de weg, terwijl zij de wereld tot aan de horizon hebben. Wij hebben bedienden die voor ons zorgen, terwijl zij voor anderen zorgen. Wij hebben muren om ons landgoed staan om ons te beschermen, terwijl zij vrienden hebben om hen te beschermen."
De vader zweeg verbijsterd.
Toen sprak zijn zoon: "Dank je dat je mij hebt laten zien hoe arm we eigenlijk zijn."
Er was eens een man genaamd Sluw. Hij was als zijn naam een oplichter. Hij stond in zijn tuin bloemetjes water te geven toen er een deftige madam aan kwam. “Ik ben Lady Elizabeth Lea Beatrice Lila Amalia Vera Noascha Estebina Geronina Veronica Laura Tamara Von Horst,” zei ze. “Aangenaam kennis te maken,”Sluw maakte een licht buiginkje. Er kwam een man voorbij die zaklampen verkocht. De verkoper liet een zaklamp vallen op Sluws hoofd. “Auw!” riep die. Maar plotseling kreeg hij een idee. Een heel sluw idee. “Uhm..Lady Von Horst, wist u dat de koning van Franje naar dit dorp is gekomen?”zei Sluw. “O, is het heus? En waar verblijft die dan?””vroeg zij. “In het Zwarte huis, het huis van onze burgemeester,”was het antwoord. De Lady waggelde weg op haar hoge hakken. Ze ging naar het huis van de burgemeester. Het plan van Sluw was namelijk dat hij een paar personen zou wijsmaken dat de koning van Franje hier verbleef. Die personen zouden het dan doorvertellen, tot het hele dorp het wist! Iedereen zal zich haasten naar het Zwarte huis. Maar raad eens, de koning is er niet! Wat een geniaal plan! Sluw grinnikte. Franje bestond niet eens! Het gerucht ging als een lopend vuurtje door het hele dorp. Na een uurtje wist iedereen het! Ook Sluw ging naar het Zwarte huis. Daar aangekomen was het een drukte van jewelste! Sluw lachte en vermaakte zich wel even door dit leugentje. Plotseling hoorde hij roepen : “Kijk, daar is ie! De koning van Franje!” Verbaasd keek hij op. Dat kan toch niet, dacht hij. Maar daar verscheen toch echt de koning van Franje op het balkon van het Zwarte huis!
Boer Jos en boerin Marie liggen op een avond rustig in hun bed te slapen, wanneer beiden plots worden gewekt door een enorme lichtbundel buiten op hun erf.
Boer Jos springt uit zijn bed, neemt zijn Winston tweeloop uit de kast, steekt er twee patronen in en loopt naar beneden. Boerin Marie loopt haar man achterna, om toch maar niet alleen te moeten achterblijven.
Beneden aangekomen, zien beiden dat er een vliegende schotel is geland. De schotel gaat open, en twee aliens stappen naar beneden. Ze beginnen onmiddellijk op hun buik te duwen en zeggen dan:"Gegroet, aardlingen. Wij komen van verre planeet, en wij willen sex met aardmensen!"
Jos en Marie kijken elkaar aan, wisselen hun blikken uit en besluiten uiteindelijk om het erop te wagen. Jos gaat met de vrouwelijke alien naar het salon, terwijl Marie met de mannelijke alien naar boven gaat.
Boven aangekomen kan Marie haar ogen niet geloven. Het ding van de alien is ocharme 2 cm lang en 5 mm dik. "Zeg, ", begint ze, "vindt ge da ni een klein beetje te klein?" "Te klein?", vraagt de alien. Hij begint onmiddellijk aan zijn linkeroor te draaien, en onmiddellijk groeit zijn lid tot de schamele 30 cm.
"Kan hij ook nog een beetje dikker?", vraagt ze vervolgens. "Natuurlijk", antwoordt de alien, en begint onmiddellijk aan zijn rechteroor te draaien. Om een lang verhaal kort te maken: Marie beleeft de nacht van haar leven.
Wanneer ze 's morgens beneden komt, ligt Jos met zijn handen in het haar, en zijn kin op de keukentafel.
"Wat is er aan de hand?", vraagt ze.
"Oh niks, da mens heeft den hele nacht aan mijn oren zitten draaien..."
Trouwen met een fiets is zo gek nog niet! Meerdere malen ben ik op het Internet personen tegen gekomen die overwegen te gaan trouwen met een fiets in plaats van met een vrouw. Hieronder geef ik enkele punten aan waardoor men tot deze overweging is gekomen. Eerlijk gezegd is het op zich niet echt gek of vreemd, immers er zitten een aantal punten bij die een man duidelijk aan het twijfelen kunnen maken. Namelijk: - Fietsen worden niet zwanger. - Je kunt je fiets elke dag van de maand bestijgen. - Een fiets heeft geen familie. - Een fiets piept alleen als er echt iets mis is. - Je komt altijd tegelijk met je fiets aan op het hoogste punt. - Fietsen vinden het prima als je fietsbladen koopt. - Je hoeft niet te douchen voordat je je fiets mag gebruiken. - Een fiets mag je aan alle kanten bestijgen zonder commentaar. - Bij een fiets kan je makkelijk oude en versleten onderdelen vervangen door nieuwe. - Een fiets vertelt je niet dat het eerst van een ander geslacht was. - Een fiets kan je makkelijk voorzien van extra onderdelen. - En een fiets kan je voor 100% onder controle houden. Het overwegen waard !!
Mijnheer Fijntjes was een keurige man. Elke ochtend, wanneer hij opstond, poetste hij eerst keurig zijn tanden. Daarna waste hij zich achter zijn oren en zijn nek. En wanneer hij daarmee klaar was, trok hij zijn kleren aan, die hij al keurig netjes op zijn stoel had klaar gelegd. "Zo", zei mijnheer Fijntjes dan tegen zichzelf. "Dat is weer gebeurd. Nu een ontbijtje". En hij smeerde dan een bruine boterham met kaas. Wanneer hij die netjes, met korst en al, op at,dronk hij nog een glas melk. Dat laatste deed hij natuurlijk ook heel keurig, zonder erbij te boeren. Want dat zou toch niet netjes zijn. "Zo", zei mijnheer Fijntjes dan weer. "Kwart voor acht.Tijd om naar kantoor te gaan". En hij zette zijn horloge nog even precies gelijk met de klok. Want mijnheer Fijntjes was niet alleen keurig, hij was ook heel precies. Hij was zo keurig en precies, dat de mensen op kantoor zeiden: " Zou mijnheer Fijntjes nooit eens vergeten zijn tanden te poetsen? Zou hij wel eens te laat op kantoor komen? Zou hij wel eens boos worden? Zou hij wel eens stiekum een wind laten"? Mijnheer Fijntjes hoorde de mensen wel eens fluisteren, wanneer hij de blaadjes in het kopieer-apparaat nog even recht legde. Ook zag ze wel eens kijken, wanneer hij telde hoeveel nietjes er in het niet-apparaat zaten. Maar hij zei er nooit wat van, want daar was hij veel te netjes voor. Op een middag, toen mijnheer Fijntjes thuis kwam van kantoor, lag er een grote, bruine envelop in de bus. Nadat Mijnheer Fijntjes de andere brieven eerst keurig op een stapeltje had gelegd, precies op de hoek van de tafel, maakte hij de envelop open. Hij begon de brief, die er in zat te lezen. "Beste mijnheer Fijntjes" stond er. " U hebt de huur van uw huis deze maand nog niet betaald. Wij vragen u dit zo snel mogelijk te doen. Groeten van de huurbaas". Even was het alsof mijnheer Fijntjes sterretjes zag. De huur niet betaald? Elke eerste dag van de maand zette hij een kruisje op de kalender! En hij legde de envelop met geld dan altijd precies op de linkerhoek van de koelkast klaar! Op de envelop plakte hij dan nog een geel briefje, met "HUUR" er op. Nee, dit moest een vergissing zijn. Mijnheer Fijntjes pakte de telefoon en tikte het nummer in van de huurbaas. Het duurde even, maar toen hoorde hij een aardige damesstem aan de lijn: Goedemiddag, met het kantoor van de Huurbaas"? Mijnheer Fijntjes antwoordde, nog steeds een beetje onderste boven: "Goedemiddag, met mijnheer Fijntjes. Het klopt niet, van die brief, ik heb echt betaald, hoor." " Ik kijk het even voor u na. Momentje alstublieft", antwoordde de aardige dame. Het was even stil, toen kraakte de lijn even. "Het spijt me, klonk de dame weer, nu iets minder aardig. U hebt echt niet betaald". Mijnheer Fijntjes moest zich even vasthouden aan het aanrechtkastje. "Maar ik heb toch de envelop precies op de linkerhoek van de koelkast gelegd", hakkelde hij. "Zou...." "Het spijt me, niet betaald is niet betaald" antwoordde de dame nu snibbig. "Betalen graag, en tot ziens". Toen was het plotseling alsof er een knopje werd omgedraaid in het hoofd van Mijnheer Fijntjes. Hij greep zijn jas van de kapstok, vergat helemaal zijn horloge gelijk te zetten met de klok, en rende naar buiten. Zijn kraag zat nog scheef, en ook had hij er niet aan gedacht om het bovenste knoopje van zijn jas dicht te doen. Hij stapte met grote passen het kantoor van de huurbaas binnen. Daar, achter een groot buro, zat een deftige mevrouw. "Goedemiddag, wat kan ik voor u doen"? vroeg ze. "U bent de mevrouw die ik daarnet aan de telefoon had" antwoordde mijnheer Fijntjes. "'Want ik hoor het aan de stem. En daar ligt mijn envelop met geld. Ik herken hem aan het gele briefje. IK HEB DUS WEL BETAALD"!!!!!!! En hij sloeg, zo hard hij kon, met zijn vuist op het buro. "Ja natuurlijk, u hebt helemaal gelijk. Sorry, we zullen het in orde maken", bibberde de dame aan het buro, dat nu een beetje scheef stond. "Sorry, sorry, sorry". "Zo", zei mijnheer Fijntjes tegen zichzelf."Dat is weer gebeurd. Tijd voor een boterhammetje". Maar vanaf die dag lachte Mijnheer Fijntjes wat vaker. Ook nam hij 's ochtends wel eens een boterham met jam, in plaats van kaas. En soms kwam hij wel eens te laat op kantoor. Ook maakte hij vaker grapjes. En de mensen op kantoor zeiden tegen hem: "Mijnheer Fijntjes: we vinden je veel leuker zo. Kom maar wat vaker te laat. En scheld maar eens op ons, wanneer je boos bent." En dat deed mijnheer Fijntjes voortaan. Alleen winden laten, dat deed hij niet op kantoor. Dat vond hij toch echt niet netjes.
Een jonge man is net aangenomen in een grote multinational. Vanaf de eerste dag neemt hij de telefoon, belt de bedrijfscafetaria en brult : "een koffie, en snel een beetje...." Aan de andere kant van de lijn antwoordt een stem : "Ik denk dat U een verkeerd intern nummer gedraaid hebt, weet U wel met wie U spreekt, onozelaar ?" "Heu... Nee...", antwoordt de pas aangenomen werknemer." "Ik ben de Directeur-Generaal van deze firma, jij idioot !" De jonge man roept tweemaal luider: "En U, dik opgeblazen directeur- generaaltje, weet U wel met wie U spreekt?" "Heu....Nee", antwoordt de directeur ietwat verbaasd. "Perfect !", antwoordt de jonge man en hij legt de telefoon opgelucht neer...
Lana is een Amerikaanse stefford van 8 jaar. Naar aanleiding van Werelddierendag zetten we deze viervoeter graag in de bloemetjes. De prachtige foto werd ons ingestuurd door Eddy Felix uit De Klinge.
Lana is een Amerikaanse stefford van 8 jaar. Naar aanleiding van Werelddierendag zetten we deze viervoeter graag in de bloemetjes. De prachtige foto werd ons ingestuurd door Eddy Felix uit De Klinge.